Globaal bestemmen voor bedrijven

Ministerie van Economische Zaken

Kwaliteit wint terrein

Inhoud
1 2 3 4 5 6 7 Tijdige ruimtereservering voor bedrijven Een goede planning is het halve werk Centrale rol voor het bestemmingsplan Sober bestemmen voor een beter resultaat Grondbeleidsinstrumenten Milieuzonering Relevante thema’s en links 3 5 9 17 19 23 25

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

1

2

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

1 Tijdige ruimtereservering voor bedrijven
Over voorspellen, economische dynamiek en globaal bestemmen

Voorspellen is moeilijk. Dat geldt in het algemeen en het geldt zeker voor het voorspellen van de ruimtevraag van bedrijven. Door de dynamiek van maatschappelijke en economische ontwikkelingen laat die vraag behoorlijke conjuncturele schommelingen zien. Het beschikbaar hebben van bedrijventerreinen waaraan (tijdelijk) geen behoefte is, is ongewenst vanwege oplopende rentelasten. Van de andere kant kan het niet tijdig beschikbaar hebben van vestigingsmogelijkheden voor bedrijven ook verlies betekenen voor de gemeente, van inkomsten en van werkgelegenheid. Het Ministerie van Economische Zaken beschouwt het beschikbaar hebben van een voldoende en gevarieerd aanbod aan bedrijfslocaties als een noodzakelijke voorwaarde voor de economische groei in ons land. In de afgelopen jaren is het aanbod van beschikbare bedrijventerreinen – mede als gevolg van de voorspoedige ontwikkeling van de economie – fors gedaald. Zorgelijk is dat de reservering van ruimte voor bedrijven achterblijft bij de vraag. Daardoor kunnen tekorten ontstaan. De ontwikkeling van een bedrijventerrein kost in Nederland gemiddeld 7 à 8 jaar. In dit proces moeten vele belangen worden verenigd. Er zijn economische doelstellingen, belangen van omwonenden, doelstellingen met betrekking tot de grondexploitatie, uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit, stedenbouwkundige ambities, milieunormen en ambities op het gebied van duurzaamheid. Een gestructureerde aanpak van het planningsproces en inzet van het juiste instrumentarium ondersteunen een voorspoedig verloop van dit proces. Hoe ziet een goed planningsproces eruit en hoe komen goede bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen tot stand? Een tijdige en op de vraag afgestemde reservering van ruimte voor bedrijventerreinen vraagt om een vroegtijdige ruimtereservering. Ruim van tevoren kan al worden begonnen met indicatieve planvorming, het formuleren van een visie en het vastleggen van zoekruimtes. Vroegtijdige ruimtereservering brengt echter een aantal spanningsvelden met zich mee, zoals het tijdig willen vastleggen van bestemmingen enerzijds en voldoende ruimte willen houden voor verdere ideevorming, initiatieven en creativiteit van burgers en bedrijven anderzijds. Recent onderzoek1 geeft aan dat in de praktijk wet- en regelgeving voldoende mogelijkheden bieden om goed met dit spanningsveld om te
1 Kolpron Consultants in samenwerking met Kuiper Compagnons, 2001, Eindrapportage Globale bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

3

gaan. De Wet op de Ruimtelijke Ordening maakt het immers mogelijk om globale, eventueel in een later stadium uit te werken bestemmingsplannen te maken en om artikelen op te nemen die de flexibiliteit van het plan garanderen. Deze mogelijkheden worden echter niet altijd ten volle benut. Zo komen in bestemmingsplannen soms detailleringen voor die de planrealisatie kunnen belemmeren. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om te ver gaande segmentering naar type bedrijf, vormgevingsaspecten en duurzaamheidseisen die op zich gewenste ruimtelijke invullingen en bedrijfsvestigingen frustreren. Om die detaillering te voorkomen, moet sober bestemmen het devies zijn gedurende het proces van planvorming. Sober bestemmen betekent onder meer: functioneel ruimtelijk bestemmen en niet méér dan dat. Onder het motto Globaal bestemmen voor bedrijven: Kwaliteit wint terrein worden in deze brochure bovenstaande handreikingen voor een optimale ruimtereservering voor bedrijven uitgewerkt.

4

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

2 Een goede planning is het halve werk
Over regionale samenwerking, zoekruimten en draagvlak

Plannen is vooruitzien. Om vandaag grond uit te kunnen geven aan een bedrijf dat zich wil vestigen, moet al jaren geleden zijn nagedacht over toekomstige ontwikkelingen. De tijdige reservering van locaties vereist een goede regionale samenwerking van gemeenten en provincie. In het Convenant Samenwerking in de regio2 hebben de Ministeries van Economische Zaken (EZ), Verkeer en Waterstaat (V&W) en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg (IPO) afspraken gemaakt over afstemming en samenwerking bij de planning van bedrijventerreinen. Herstructurering en intensivering zijn lange termijnprocessen waarvan de uitkomst veelal onzeker is. Nieuw ontwikkelde bedrijventerreinen zijn nodig om op korte termijn het teruglopende aanbod op te vangen en om 'schuifruimte' te bieden voor bedrijven die bij herstructurering worden verplaatst. Herstructurering, aanleg van nieuwe terreinen en zorgvuldig ruimtegebruik zullen gelijk op moeten gaan. Dit vraagt om een gecombineerde aanpak op regionaal niveau. Bedrijven zoeken immers veelal op regionale schaal naar een (nieuwe) vestigingslocatie. Op regionale schaal is ook beter rekening te houden met uiteenlopende types terreinen (segmentering). Het maken van die integrale regioplannen vraagt dus om samenwerking, van provincies en gemeenten en van gemeenten onderling. En om het tijdig betrekken van de bedrijven. Want de markt voor bedrijventerreinen is voor een groot deel een regionale markt. Een regionaal programmeringsoverleg, waarbij ook het bedrijfsleven wordt betrokken, kan een goed kader bieden voor het in beeld brengen van de ruimtevraag en het benodigde aanbod. De Bedrijfslocatiemonitor3 kan de voor de raming benodigde informatie bieden. In het Convenant Samenwerking in de regio hebben de provincies afgesproken dat zij zich in de analyses van de toekomstige ruimtevraag mede zullen baseren op de uitkomsten van de BLM. Zodra de ontwikkeling van de vraag en het daarvoor benodigde aanbod helder zijn, moet deze opgave worden vastgelegd in plannen. Veel regio’s lopen achterstand op bij de vertaalslag van de planningsopgave en de realisatie daarvan. Dat komt onder meer doordat lange procedures moeten

2 Het Convenant 'Samenwerking in de regio' bevat afspraken tussen de Ministeries van EZ, VROM en V&W, de VNG en het IPO. De convenanttekst die sinds 7 februari 2002 van kracht is, is te vinden op de website van het Ministerie van EZ. 3 De Bedrijfslocatiemonitor (BLM) is een samenwerkingsverband tussen het CPB, het Ministerie van EZ en het Ministerie van VROM. Zomer 2003 wordt de nieuwe BLM-prognose tot 2030 over de ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen, kantorenlocaties en zeehaventerreinen verwacht. Recent is verschenen de CPB-publicatie 'De BLM: opzet en recente aanpassingen'.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

5

worden doorlopen voordat een bedrijventerrein kan worden gerealiseerd. De verschillende overheden blijken daar onvoldoende op te anticiperen. Het verkrijgen van maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor een ontwerpbesluit is essentieel om tot bestemmingswijzigingen te kunnen komen. In de praktijk wordt in dit deel van het planproces verreweg het meeste tijdverlies geleden. Het vooraf maken van een actorenanalyse kan daarom verstandig zijn. De actorenanalyse veronderstelt het vroegtijdig in kaart brengen van belanghebbenden in en rondom het plangebied. Daarmee ontstaat zicht op de eventuele weerstand die verwacht kan worden. Vroegtijdig overleg met belanghebbenden geeft de mogelijkheid om vooraf een strategie te formuleren over de wijze waarop het best met de betrokken belangen rekening kan worden gehouden (beter draagvlak) en onnodige weerstand te vermijden. Provincies en gemeenten kunnen de reservering van ruimte voor bedrijven verbeteren door het opnemen van zoekruimtes in streek- en structuurplannen en door het maken van globale bestemmingsplannen. Het opnemen van zoekruimtes voorkomt dat locaties die geschikt zijn voor economische ontwikkeling sluipenderwijs voor andere functies worden benut. Het ministerie van EZ heeft in samenwerking met het Ministerie van V&W, de VNG en het IPO in 2000 laten uitzoeken in hoeverre gemeenten hiervan gebruik maken.4 In 2003 wordt een herhalingsmeting uitgevoerd die wellicht aanleiding kan zijn voor verdere acties. Vroegtijdige reservering van locaties is belangrijk, maar het gaat om méér dan de benodigde hectares. Er is een visie nodig op de gewenste kwaliteit van de bedrijven, het terrein en de bebouwing en de benodigde infrastructuur. Er moet een op de vraag afgestemde - regionale segmentering en fasering worden aangebracht. Deze zaken kunnen worden vastgelegd in beleidsnota’s en vervolgens onderwerp zijn van overleg. Zo ontstaat ook al in een vroegtijdig stadium een beeld van mogelijke ideeën, weerstanden en bezwaren, waarop geanticipeerd kan worden. Provincies, kaderwetgebieden en gemeenten leggen de ruimtebehoefte vast in structuurvisies en streekplannen. Daarbij is aandacht nodig voor: • totale ruimtelijke opgave voor bedrijventerreinen • regionale afstemming en segmentering • herstructureringsopgave • opgave voor nieuwe terreinen • doelstelling ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik • ruimte voor milieuhinderlijke bedrijvigheid • locatiebeleid, bereikbaarheid en ontwikkeling infrastructuur

4 Ernst&Young, ILAS, 2000, Onderzoek nulmeting zoekruimtes bedrijventerreinen.

6

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

Actief gemeentelijk beleid ingebed in regionale planning

Een grote gemeente besluit medio jaren negentig tot een actief economisch beleid dat erop gericht is om de economische structuur te versterken de groei van de werkgelegenheid te bevorderen. Het bestaande en geplande aanbod van bedrijventerreinen wordt zowel in omvang als qua segmentering onvoldoende geacht. De gemeente stelt een kwantitatief en kwalitatief onderbouwde raming op van de ruimtebehoefte tot 2015. Zij legt die vast in een gemeentelijke nota Beleid voor bedrijventerreinen. Ook zijn in de nota zones aangewezen aan de randen van de gemeente, waarin bedrijventerreinen in verschillende segmenten ontwikkeld kunnen worden. Aan de noordzijde van de stad denkt men aan enkele middelgrote terreinen voor kleinschalige en gemengde bedrijvigheid, terwijl aan de zuidzijde grote terreinen voor grootschalige bedrijvigheid gesitueerd kunnen worden. De gemeente is in het streekplan met omliggende gemeenten aangewezen als centraal stedelijk gebied, dat ook een opvangtaak heeft voor overige delen van de provincie. Specifiek voor dit stedelijk gebied is een uitwerking van het streekplan gemaakt waarin de behoefteramingen van de gemeenten zijn verwerkt. Ook hebben de samenwerkende gemeenten een gezamenlijk nota van uitgangspunten voor bedrijventerreinen opgesteld. De gemeente besluit een gemeentelijk voorkeursrecht te vestigen op de betreffende gronden. Voor de noordelijke en de zuidelijke zone stelt men stedenbouwkundige masterplannen op die richtinggevend zijn voor de verdere planontwikkeling van de bedrijventerreinen. Dan volgen per plangebied bestemmingsplannen. Daarbij is nadrukkelijk het streven om globale bestemmingsplannen te maken, opdat voldoende flexibiliteit bestaat om in te spelen op de ontwikkelingen die zich voordoen. In de toelichting bij de bestemmingsplannen wordt verwezen naar diverse gemeentelijke nota’s, zoals het gemeentelijk beeldkwaliteitplan dat een aantal specifieke uitgangspunten bevat voor bedrijventerreinen en de nota Uitgangspunten voor duurzame ontwikkeling en duurzaam bouwen.

Een gemeente die vroegtijdig weet en vastlegt wat ze wil - hoeveel en met welke kwaliteiten, waar en wanneer - kan het bestemmingsplan zelf globaal en slagvaardig houden. Op die manier ontstaan goede voorwaarden voor een voorspoedige planologische procedure. De uitdaging is om door middel van een goede procesarchitectuur de verschillende processen en procedures - ook die van provincie en gemeente - zo efficiënt mogelijk op elkaar af te stemmen en waar mogelijk parallel te schakelen. De visievorming kan gebeuren op initiatief van de (samenwerkende) gemeente(n) of de provincie. In beide gevallen is het verstandig om tijdig met de andere overheid - en het bedrijfsleven - de aanpak af te stemmen, eventueel vast te leggen in een Plan van Aanpak (PvA).

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

7

8

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

3 Centrale rol voor het bestemmingsplan
Over wetgeving, planvormen en keuzes

Het bestemmingsplan is in het Nederlandse planningsstelsel het voornaamste instrument voor de ruimtelijke ordening. Het is een belangrijk kader waarbinnen de integrale afweging van belangen plaatsvindt. Tegelijk is het ook een zwaar instrument omdat het een juridisch bindende werking heeft. Het voorontwerp Wet ruimtelijke ordening (Wro) benadrukt de centrale positie van het bestemmingsplan in de gemeentelijke planologie en bevat een aantal voorstellen om deze positie verder te verstevigen. Het belang van goede bestemmingsplannen neemt daardoor toe. Goede bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen bieden letterlijk de ruimte voor economische ontwikkeling en groei van de werkgelegenheid. Ze geven bedrijven die zich willen vestigen of willen verplaatsen informatie over vestigingsmogelijkheden. Ze bieden omwonenden en andere betrokkenen zekerheid over de te verwachten ontwikkelingen. Ze bevatten de uitgangspunten voor een kwalitatief goede ruimtelijke ontwikkeling. En ze zijn een kader voor een goed beheer als de ruimte eenmaal is ingericht. Artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verplicht gemeenten om een bestemmingsplan te maken voor het gebied buiten de bebouwde kom en geeft de mogelijkheid om dit te doen voor het gebied binnen de bebouwde kom. Doel van het bestemmingsplan is een goede ruimtelijke ordening voor het gebied waarop het betrekking heeft. De inhoud van het bestemmingsplan geeft de visie van de gemeenteraad weer op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied. De wetgever geeft blijk van een terughoudende opstelling: • In een bestemmingsplan worden bestemmingen aangewezen voor zover dit voor een goede ruimtelijke ordening nodig is. • Zo nodig worden voorschriften gegeven voor het gebruik van de gronden en opstallen. Deze mogen slechts om dringende redenen een beperking inhouden van het meest doelmatige gebruik. De Wet laat de gemeenteraad de keuze tussen een (meer) gedetailleerd bestemmingsplan of een globaal bestemmingsplan en heeft veel vrijheid gegeven bij de inrichting van bestemmingen. De Wet bevat sinds de wijziging in 1985 ruime mogelijkheden voor globale bestemmingsregelingen en het toepassen van artikelen die de flexibiliteit bevorderen. De mogelijkheid bestaat om het College van b&w of de raad een uitwerkingsplicht en/of een wijzigingsbevoegdheid te geven (art. 11 WRO). Ook kan het bestemmingplan aan b&w de bevoegdheid geven om vrijstelling te verlenen of nadere eisen te stellen (art. 15 WRO). De Wet onderscheidt gedetailleerde bestemmingsplannen en twee vormen van globale bestemmingsplannen. De praktijk kent echter vele

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

9

mengvormen. In hoofdlijnen kunnen de volgende planvormen worden onderscheiden:
Gedetailleerd bestemmingsplan

In een gedetailleerd plan liggen bestemmingen nauwkeurig omschreven vast. Bebouwingsvoorschriften geven precies aan waar en hoe er gebouwd mag worden. Gebruiksvoorschriften weren alle vormen van ongewenst gebruik van gronden en opstallen, veelal door een algemeen verbod van gebruik in strijd met de nauwkeurig, min of meer per perceel opgelegde bestemming. De ervaring leert dat gedetailleerde bestemmingsplannen in een ontwikkelingsgebied veelvuldig noodzaken tot art. 19 vrijstellingen om de bouwplannen daadwerkelijk te kunnen realiseren. In zo’n geval geeft een gedetailleerd plan dus schijnzekerheid. Gedetailleerde plannen zijn vanwege hun betrekkelijke starheid alleen geschikt voor een gebied waarin weinig of geen veranderingen in de bestaande situatie wenselijk zijn. Het is dan een conserverend plan.

Van inzet globaal eindplan via gedetailleerd ontwerp naar uitvoering met zelfstandige projectprocedures.

Een middelgrote gemeente neemt de herontwikkeling van een verouderd bedrijventerrein samen met marktpartijen ter hand. Er is een PPSconstructie met een ontwikkelingsmaatschappij opgezet die verantwoordelijk is voor de planontwikkeling en de planrealisatie. Partijen in de PPS hebben voor zichzelf de lat erg hoog gelegd: zij willen bovenal een kwalitatief hoogwaardig bedrijvenmilieu doen ontstaan. De ontwikkeling van het bestemmingsplan is door de PPS opgedragen aan een extern (stedenbouwkundig) bureau. De opdracht is een globaal eindplan op te stellen. Basis daarvoor vormt een door de PPS opgesteld Programma van Eisen, waarin functies, fasering en kwalitatieve eisen zijn vastgelegd. Stedenbouwkundige, architectonische en functionele ambities vormen daarvan een belangrijk onderdeel. Als gevolg van het belang dat partijen hechten aan beelden en aan kwaliteit, is het project centraal komen te staan in plaats van een goede ruimtelijke ordening van het plangebied. Er is een ingewikkeld en zeer gedetailleerd ontwerp plan ontstaan. Al vroeg in de planologische procedure blijkt het plan niet bestand tegen de dynamische werkelijkheid. De vestiging van gewenste bedrijvigheid is onmogelijk. Niet omdat de bestemmingsregeling zich daartegen verzet, maar omdat de voorschriften over de situering en de vormgeving van gebouwen dat verhinderen. De gemeente besluit na de eerste inspraakronde de planprocedure stop te zetten en de zelfstandige projectprocedure ( artikel 19 lid 1 WRO) te gebruiken voor de realisatie van planonderdelen.

10

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

De gemeente is achteraf tevreden over deze aanpak. Een ruimtelijk/stedenbouwkundig verhaal als basis voor zelfstandige projectprocedures werkt volgens de gemeente goed. Is het gebied straks helemaal gerealiseerd, dan kan men alsnog een bestemmingsplan voor een goed beheer vaststellen. Terugkijkend zijn wel de volgende kanttekeningen te maken: • het is van belang om tijdig na te denken over de hoofdzaken en de ruimtelijke hoofdstructuur van het plangebied • als de behoefte bestaat aan (uiteindelijke) vastlegging van details, kan beter een gefaseerde planontwikkeling worden overwogen • toepassing van een globaal uit te werken bestemmingsplan volgens artikel 11 WRO had in dit geval een beter planologisch fundament en een efficiëntere procedure opgeleverd.

Het gedetailleerd flexibel plan

Een variant op het gedetailleerde bestemmingsplan die niet in de Wet voorkomt maar wel in de praktijk wordt gehanteerd, is het gedetailleerd flexibel plan. Daarin wordt een grote mate van detail gecombineerd met een grote mate aan flexibiliteit, in de vorm van (tijdelijke) vrijstellingen of tijdelijke bestemmingen en mogelijkheden om te wijzigen (op basis van artikel 11 WRO) of nadere eisen te stellen. Deze planvorm kan bijvoorbeeld heel geschikt zijn voor situaties waarin door herontwikkeling een geleidelijke bestemmingswijziging moet ontstaan. Door toepassing van genoemde flexibiliteitsbepalingen is ruimte te bieden voor initiatieven uit de markt.

Gedetailleerd, maar niet vast in een keurslijf

Een bedrijventerrein uit jaren vijftig en zestig moet worden herontwikkeld. De ambitie is duidelijk. Het terrein moet voor lokale bedrijven representatiever worden, de bebouwingsintensiteit moet omhoog en de milieuprofilering moet wijzigen. Ondernemingen in de milieucategorie 4 zijn op deze locatie niet meer gewenst en zullen waar mogelijk moeten worden verplaatst. Ook de terreinranden en de parkeersituatie behoeven verbetering. Met deze opgave is de gemeente aan de slag gegaan. Er is een extern bureau ingeschakeld om het bestemmingsplan te herzien. Er is gekozen voor een ingenieuze constructie van een gedetailleerd bestemmingsplan dat gekenmerkt wordt door maximale benutting van de wettelijke mogelijkheden voor flexibiliteit en wijziging. De plankaart en de voorschriften beschrijven de huidige situatie, maar op zodanige wijze dat bij een wijziging daarin (bijvoorbeeld het vertrek van een onderneming) onmiddellijk de gewenste situatie is vastgelegd. De plankaart geeft overwegend een globale bestemming bedrijvigheid, waarbij in de aanduidingen details zijn opgenomen over (tijdelijk) toegestane, dan wel (uiteindelijk) gewenste bestemmingen. Naast deze gedetailleerde

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

11

beschrijvingen zijn bevoegdheden voor vrijstelling, het stellen van nadere eisen en wijziging van het bestemmingsplan opgenomen. Het gevolg hiervan is dat er flexibel op de vraag kan worden ingespeeld.

Globale bestemmingsplannen

Tegenover het gedetailleerde plan staat het globale plan. Een globaal bestemmingsplan geeft ruim omschreven bestemmingen en daarbij behorende doeleindenomschrijvingen die de grondgebruiker veel vrijheid en gebruiksmogelijkheden laat. De Wet kent twee vormen van globale plannen namelijk een globaal eindplan en een globaal plan met uitwerkingsplicht. Uit de jurisprudentie komt een aantal kaders waarbinnen de globale bestemmingsplannen zich dienen te bevinden: • Globale plannen moeten een voldoende duidelijk beeld geven van wat er binnen de bestemmingen al dan niet is toegestaan. • De wet onderscheidt alleen eindplannen en uit te werken plannen. De koppeling van een voorlopig bouwverbod aan een buitenwettelijk vast te stellen inrichtingsplan of toetsingsplan is onaanvaardbaar. • De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient te zijn gebaseerd op een voorafgaande bezinning op welke punten nadere eisen gesteld kunnen worden. Uit recent onderzoek naar de praktijk rondom globale bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen5 blijkt, dat in het algemeen weloverwogen en bewust wordt gekozen voor een op de omstandigheden en de opgave afgestemde planvorm. Globale bestemmingsplannen hebben daarbij de voorkeur. Enkele globale eindplannen die in voornoemd onderzoek zijn bestudeerd, bevatten detailleringen die belemmerend (kunnen) werken op het feitelijke ontwikkelingsproces. Het gaat vooral om stedenbouwkundige eisen, vormgevingsaspecten en eisen op het gebied van milieu en duurzaamheid. Ook blijkt de keuze voor een globaal uit te werken bestemmingsplan regelmatig gebaseerd te zijn op negatieve argumenten, zoals een (nog) onvoldoende heldere gebiedsvisie van de gemeente of de onnodige angst voor verlies aan regievoering vanwege private grondeigenaren. Daarmee wordt onvoldoende recht gedaan aan de mogelijkheden die deze planvorm biedt, namelijk een gefaseerde bestemmingsregeling (eerst globaal en vervolgens uitgewerkt) die goed past in het traject van vroegtijdig ruimtereservering. Zo kan door het aangeven van hoofdzaken en randvoorwaarden sturing worden gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling. Tegelijk biedt dit - toetsbaar - ruimte voor initiatieven van burgers en bedrijven of samenwerkingsverbanden. Deze ontwikkelingsgerichte aanpak biedt kansen voor creativiteit en goede eindproducten.

5 Kolpron Consultants in samenwerking met Kuiper Compagnons, 2001. Eindrapportage Globale bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen.

12

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

Het benutten van de mogelijkheden voor globale bestemmingsregelingen en flexibiliteit heeft een aantal voordelen6: • De inhoud van de bestemmingsplannen veroudert minder snel. • Gewenste ruimtelijke ontwikkelingen worden niet beperkt door onnodige detaillering. • De ontwikkelingsgerichte aanpak biedt ruimte voor initiatieven van burgers en bedrijven. Kansen voor een creatieve ontwikkeling ‘bottom up’ en goede eindproducten. • De tienjarige herzieningsplicht wordt vereenvoudigd tot de herbevestiging van de actualiteit van het plan. • Een globale inrichting van het plan maakt het mogelijk om plannen voor grotere gebieden te bestemmen, hetgeen het aantal plannen en de noodzaak om deze actueel te houden vereenvoudigt. • Een goede benutting van alle wettelijke mogelijkheden leidt bovendien tot minder dure planprocedures en minder ad hoc beleid.

Het globale eindplan

Globale eindplannen hebben verzamelbestemmingen, zoals 'stadscentrum' of 'bedrijventerrein'. Uit de ruime doeleindenomschrijving en de beperkte aanwezigheid van voorschriften blijkt dus het globale karakter. Globale eindplannen bieden minder rechtszekerheid en geven direct een bouwtitel. Daarmee is deze planvorm geschikt voor ontwikkelingsgebieden. De gemeente kan dan echter geconfronteerd worden met ontwikkelingen die zij helemaal niet wenst. De meeste globale eindplannen bevatten daarom toch nog wel enige gebruiksbeperkingen, bijvoorbeeld in de vorm van maximum toegestane aantallen vestigingen van een bepaalde soort.

Globaal en flexibel

Een middelgrote gemeente ontwikkelt een regionaal bedrijventerrein voor arbeidsextensieve bedrijven met een groot ruimtebeslag. Het plangebied was al opgenomen in het streekplan en als strategisch project aangekondigd in de gemeentelijke structuurvisie die medio jaren negentig is opgesteld. Het plangebied heeft nu overwegend een agrarische bestemming. Enkele percelen blijven qua gebruik en bebouwing gehandhaafd en krijgen een gedetailleerde bestemming. Voor de nieuwe bedrijfsbestemming besluit de gemeente een globaal eindplan op te stellen. Daarmee is feitelijk sprake van een mengplan. De plankaart voor het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein bevat drie bestemmingen: bedrijfsdoeleinden, infrastructuur en groen. De bedrijfsbestemming kent een zonering op basis van de locatie-eisen van de

6 Zie onder meer Discussienota Fundamentele Herziening WRO: Op weg naar een nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening, maart 2000.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

13

beoogde doelgroepen en de milieuzonering. Bebouwingspercentages en bouwhoogten zijn op de plankaart per zone aangegeven en in de voorschriften vastgelegd. Het wegprofiel voor de hoofdontsluitingsweg is eveneens op de plankaart aangegeven. Daarnaast zijn in de aanduidingen op de plankaart de aansluitpunten voor de secundaire infrastructuur en een zone voor centrale voorzieningen vastgelegd. De voorschriften bevatten een gedetailleerde uitwerking van de soort voorzieningen die zijn toegestaan Het college van b&w heeft de bevoegdheid om nadere eisen te stellen wat betreft de situering en de afmetingen van gebouwen en parkeervoorzieningen. Ook kunnen b&w besluiten om vrijstelling te verlenen van de voor de milieuzonering gebruikte lijst van bedrijfsactiviteiten, bebouwingspercentages en bouwhoogten. Het college kan ook besluiten om bestemmingen te wijzigingen, daar waar agrarische percelen die vooralsnog gehandhaafd blijven hun bestemming verliezen.

Het globale plan met uitwerkingsplicht

Het globale plan met uitwerkingsplicht en/of wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders (artikel 11 WRO) maakt een flexibel gemeentelijk planologisch beleid mogelijk Het globale (moeder)plan moet voldoende inzicht geven in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied. Dit inzicht betreft vooral de al dan niet toe te laten gebruiksvormen en regels, bijvoorbeeld over de omvang van functies en waarborgen voor de bescherming van natuurwaarden. Bestemmingen, bebouwingsvoorschriften en regels over het gebruik van gronden en gebouwen kunnen vervolgens gedetailleerder op een later tijdstip in een uitwerkingsplan worden vastgesteld. Op deze wijze kunnen verschillende alternatieven zo lang mogelijk worden opengehouden. In de voorschriften van een globaal bestemmingsplan met uitwerkingsplicht wordt een bouwverbod opgenomen. Dit betekent dat er niet mag worden gebouwd voordat een uitwerkingsplan van kracht is geworden. Het globale uit te werken (moeder)plan geeft zelf dus nog geen bouwtitel. Die ontstaat op basis van het uitwerkingsplan of door een 'binnenplanse' vrijstelling op basis van een ontwerp uitwerkingsplan.

Plankeuze vanwege particuliere grondposities. Regie via uitwerkingsplannen

Een middelgrote gemeente ligt bij een belangrijk knooppunt van twee autosnelwegen. De ambitie is om deze unieke situering maximaal te benutten voor het aantrekken van bedrijven. Het is de bedoeling om rondom het knooppunt verschillende bedrijventerreinen te situeren. Een van de beoogde locaties staat als reservelocatie in het vigerend streekplan en deze plancapaciteit is niet op korte termijn nodig. De gemeente geeft in principe de voorkeur aan een globaal eindplan, maar kiest nu voor een globaal uit te werken plan. De reden is het feit dat er – ondanks de vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht – sprake is van particuliere

14

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

grondposities in het plangebied. De gemeente wil de grond bij voorkeur aankopen of onteigenen. Mocht dat onmogelijk blijken, dan zal de gemeente door stringente richtlijnen en uitgangspunten trachten om in het uitwerkingsplan de gewenste ruimtelijke kwaliteit vast te leggen.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

15

16

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

4 Sober bestemmen voor een beter resultaat
Over visie, minder regels en meer ruimte

De Wet geeft de keuze om een globaal of een gedetailleerd plan te maken, maar er bestaan geen wettelijke criteria voor die keuze. In de praktijk blijken ‘globale eindplannen’ soms toch wel erg gedetailleerd te zijn. Ook bestaan voorbeelden van globale bestemmingsplannen met een globale kaart, waarbij in de voorschriften of in de ‘beschrijving in hoofdlijnen’ veel details zijn geregeld. Detaillering in het bestemmingsplan blijkt vaak samen te hangen met grote ambities. De wens om een hoge stedenbouwkundige kwaliteit te realiseren of een duurzaam en ecologisch verantwoord bedrijventerrein te ontwikkelen, wordt dan vertaald in gedetailleerde voorschriften. Ook maatschappelijke weerstand tegen een plan wordt soms gepareerd met een gedetailleerde vastlegging van randvoorwaarden en eisen in het bestemmingsplan. De vraag is nu of dat wel verstandig is. Een bestemmingsplan is een zwaar instrument. Eenmaal vastgesteld, is het lange tijd van kracht. Ook de wijziging van een bestemmingsplan vereist een uitgebreide procedure. Voortschrijdende inzichten op het gebied van duurzaamheid en veranderende stedenbouwkundige voorkeuren kunnen niet eenvoudig worden gewijzigd als ze in een bestemmingsplan vastliggen. De keuze voor globaliteit of detaillering is niet doorslaggevend voor de kwaliteit van het bestemmingsplan. Wanneer echter detaillering de realisatie van het plan onnodig frustreert of initiatieven van burgers en bedrijven onnodig blokkeert, dan is er sprake van slechte detaillering. De gedachte van Sober Bestemmen helpt bij het voorkomen van slechte detaillering. Sober bestemmen berust op drie pijlers: • Een duidelijke visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en de profilering van het gebied. Functioneel ruimtelijk bestemmen in het kader van een goede • ruimtelijke ordening en niet méér dan dat. Essentieel in de omschrijving van de bestemming is dat een duidelijk beeld bestaat van wat er binnen die bestemming al of niet is toegestaan: de toegelaten functies, de functieverdeling over het plangebied en de gebruiksmogelijkheden. Voor bedrijventerreinen betekent functioneel ruimtelijk bestemmen bijvoorbeeld dat duidelijkheid wordt gegeven over de aard van de bestemming, de bij de bestemming behorende milieucategorie, kwantitatieve verhoudingen (bebouwingspercentage en bouwhoogte) en de ruimtelijke hoofdstructuur van het gebied. Zorgvuldige afweging welke zaken voor een goede ruimtelijke • ordening publiekrechtelijk moeten worden vastgelegd en welke ook (en met meer flexibiliteit) in privaatrechtelijke overeenkomsten of via andere wet- en regelgeving kunnen worden geregeld.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

17

Zo kan het bestemmingsplan een verwijzing bevatten naar randvoorwaarden en uitgangspunten uit actuele gemeentelijke beleidsnota’s. Ook kunnen eisen worden vastgelegd in gronduitgiftecontracten of in contracten over bijvoorbeeld parkmanagement. Zulke privaatrechtelijke overeenkomsten moeten ook worden nageleefd. Ze kunnen echter sneller worden aangepast aan veranderende omstandigheden dan een bestemmingsplan. Ook kan men via een ‘beschrijving in hoofdlijnen’ die behoort bij het bestemmingsplan aangeven langs welke andere lijnen dan de planologische het gewenste beleid verwezenlijkt kan worden: welstandstoezicht, de Boswet, de Monumentenwet, de Algemene plaatselijke verordening (APV) en andere gemeentelijke verordeningen.

Samen ontwikkelen met een marktpartij

Een kleine gemeente ontwikkelt samen met een projectontwikkelaar in PPSverband een bedrijventerrein. Aanleiding voor de samenwerking is geweest de grondverwerving door de private partij. De intentieovereenkomst voor de gezamenlijke ontwikkeling dateert uit begin jaren negentig. Omdat de gemeente toen nog kavels op een ander terrein kon uitgeven, stond er geen grote druk op het proces. De eerste jaren van de samenwerking zijn daarom benut voor de vormgeving van de samenwerking en de ideevorming over het plangebied. Pas in een later stadium is met de uiteindelijke planvorming begonnen. Beide partijen hebben bewust gekozen voor een globaal eindplan met grote globaliteit en veel ruimte voor daadwerkelijke invulling ervan. De globale bedrijfsbestemming is gezoneerd naar milieucategorieën en de voorschriften bevatten een globale bestemmingsregeling voor bedrijfsgebouwen, laboratoria, bedrijfskantines, showrooms en bedrijfsgebonden kantoren. De bebouwingsvoorschriften betreffen de maximering van het metrage bedrijfskantoorvloer, de onderlinge afstand tussen gebouwen en de bouwhoogten en bebouwingspercentages. De betrokkenheid van een marktpartij heeft ertoe geleid dat een aantal zaken niet in het bestemmingsplan terecht is gekomen, maar in privaatrechtelijke overeenkomsten. Een voorbeeld daarvan is de beeldkwaliteit die de gemeente liever strak in de voorschriften had willen regelen. Uiteindelijk zijn de eisen doorgeschoven naar de verkoopvoorwaarden. De gemeente is positief over de publiek private samenwerking. Wel is men van mening dat de private partij in een dergelijke situatie erg veel invloed kan uitoefenen op de planvorming. Maar voor dit terrein is het resultaat daar wel beter door geworden. Inmiddels is de ontwikkeling van het terrein in volle gang. De vraag blijkt groter dan het aanbod. De partijen doen gezamenlijk de grondexploitatie en de kaveluitgifte. De stuurgroep van de PPS selecteert op haar beurt de kandidaten.

18

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

5 Grondbeleidsinstrumenten
Over grondbeleid, geld en regie

Veel gemeenten vrezen dat planologische duidelijkheid leidt tot particuliere grondverwervingen. De nadelen die zij daarbij voorzien, zijn van financiële aard (geen inkomsten uit grondexploitatie; geen dekking uit gronduitgifte voor voorzieningen van algemeen belang). Bovendien zijn gemeenten bang dat zij, als zij geen grondeigenaar zijn, de regie over de ontwikkeling kwijt raken. De Rijksnota Grondbeleid die begin 2001 is verschenen, biedt zicht op de herijking van het grondbeleidsinstrumentarium van de verschillende overheden. Onderdelen van de nota zijn: • De mogelijke inzet van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten in herstructureringsgebieden. • De zekerstelling van regiemogelijkheden voor gemeenten. • De zekerstelling van kostentoerekening via de exploitatievergunning. De exploitatievergunning zou verplicht moeten worden aangevraagd door particuliere grondeigenaren die tot planontwikkeling en - realisatie willen komen. In deze exploitatievergunning kan een gemeente voorwaarden opnemen voor kostenverhaal en eisen formuleren over de inrichting en uitvoering van het plan. Verder gaat de exploitatievergunning uit van een standaardisatie van de door te berekenen kosten. Wanneer de vergunning niet (tijdig) kan worden gegeven, bijvoorbeeld omdat de particuliere grondeigenaar niet akkoord gaat met de voorwaarden van de gemeente, dan kan de gemeente zelfs tot onteigening overgaan. Daarmee wordt de regiefunctie van de gemeente behoorlijk versterkt. De aanwezigheid van particuliere grondeigenaren die bereid en in staat zijn om de gewenste bestemming te realiseren, hoeft echter op zich niet te leiden tot financiële benadeling van de gemeenten of onvoldoende mogelijkheden voor regievoering. Uitvoering door de particuliere sector kan ook leiden tot een goed of zelfs beter product. Een meer faciliterende rol van de overheid betekent niet dat de publieke taak min of meer wordt uitgekleed. Sterker nog, deze wordt op een aantal punten juist belangrijker. Publieke partijen kunnen zich vooral concentreren op plannen en op het faciliteren van ontwikkelingsprocessen, terwijl de private partijen zich gaan toeleggen op de uitvoering. Het is goed om te bekijken welke strategieën en instrumenten een gemeente daarbij ook nu al tot haar beschikking heeft.
Actief gemeentelijk aankoopbeleid

Een gemeente die absoluut een actieve grondpolitiek wil voeren, koopt heel actief gronden aan, waar en wanneer dat ook maar mogelijk is. Het aankoopbeleid staat los van specifieke planontwikkelingen en is er dus vooral op gericht om nu en op termijn een zo sterk mogelijke positie op de

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

19

gemeentelijke grondmarkt te hebben. Deze strategie vereist uiteraard wel een goed gevulde kas. De aankopen kosten immers in de meeste gevallen veel geld en leiden mogelijk pas op de langere termijn tot inkomsten uit de ontwikkeling.
Gemeentelijk voorkeursrecht

De gemeente kan vroegtijdig een gemeentelijk voorkeursrecht op de grond vestigen. Het voorkeursrecht geeft echter geen garantie op een gemeentelijke grondpositie. Tot op heden blijken er steeds mazen in de wet gevonden te worden. Het gemeentelijk voorkeursrecht is alleen effectief als de gemeente ook daadwerkelijk tot grondaankoop bereid is. Ook hier zijn een actief aankoopbeleid en voldoende financiële middelen voorwaarden voor een succesvolle strategie. De gemeente moet bij voorkeur in de periode kort na de vestiging van het voorkeursrecht alle eigenaren benaderen met een realistisch bod op de grond. Als de gemeente dit niet doet, zijn er wel anderen die de eigenaren benaderen.
Samenwerking

Als algemene regel kan worden gesteld, dat een constructieve samenwerking effectiever is dan een strategie die erop gericht is de betrokken ondernemer te dwarsbomen. Vertragingen en weinig optimale plannen kunnen daarvan het gevolg zijn. Wanneer één of meerdere particuliere ondernemers een grondpositie in het gebied hebben opgebouwd, is het zinvol om te kijken of een constructieve samenwerking bij de planontwikkeling mogelijk is. Er zijn verschillende modellen voor samenwerking tussen overheden en marktpartijen denkbaar die onder meer verschillen in de houding en de rol van de betrokken overheid en de risicoverdeling.
Het traditionele model:

De gemeente koopt de grond, maakt deze bouw- en woonrijp en verkoopt de grond aan partijen die het vastgoed ontwikkelen. Dit model wordt veelal niet aangeduid als PPS.
Het bouwclaimmodel:

Marktpartijen brengen een grondpositie in tegen het recht om een deel van het vastgoed te ontwikkelen. Dit model komt veelvuldig voor bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties. In de regel wordt pas na inlevering van de grond het bestemmingsplan in procedure gebracht. Bij inlevering van de bouwgrond worden vaak additionele afspraken gemaakt over het te realiseren programma, grondquotes en afnameverplichtingen. Door een goede exit-regeling in deze contracten kan worden vastgelegd wat de consequenties zijn als het bestemmingsplan niet, of in gewijzigde vorm wordt vastgesteld.
Het model van integrale deelgebiedontwikkeling:

De gemeente voert de grondexploitatie voor de hoofdstructuur. De

20

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

‘vlekken’ binnen deze structuur worden integraal door marktpartijen tot ontwikkeling gebracht. Het recht om in deze vlekken tot ontwikkeling over te gaan kan via een aanbesteding of via bouwclaims worden verworven. De uitwerking van een bestemmingsplan voor deze vlekken vindt in de regel plaats op basis van de integrale planontwikkeling door de marktpartij. De gemeente kan op deze wijze de kwaliteit van deze uitwerkingen bewaken. Zonder gemeentelijke goedkeuring kan er niet worden gebouwd.
Het samenwerkingsmodel:

Gemeente en private partijen delen risico’s en zeggenschap bij de ontwikkeling van een locatie. In dit model gaan de ontwikkeling van het bestemmingsplan (art. 11 WRO) en het samenwerkingscontract vaak gelijk op. Een voorbeeld van parallelschakeling van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke besluitvormingsprocessen binnen een PPS ziet er als volgt uit7: van idee onderhandelingstraject: planologisch traject:

ruimtelijke visie/structuurplan intentieverklaring ontwerpbestemmingsplan plan op hoofdlijnen/ masterplan

bestemmingsplan (globaal/gedetailleer

programma uitwerkingsplan(nen) (wel/niet artikel 11) bouwplan(nen) artikel 19 procedure

naar planuitvoering Parallelgeschakeld ruimtelijk besluitvormingsproces. Kenmerken: gelijktijdigheid van en wisselwerking tussen de twee trajecten. Uiteraard zijn dergelijke parallelschakelingen ook denkbaar in andere samenwerkingsmodellen.

7 Rijksplanologische Dienst, Slagvaardig en democratisch: Parallelschakeling, een strategisch concept voor ruimtelijke besluitvormingsprocessen in de gemeente, 1999.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

21

Het concessiemodel:

In dit model voeren marktpartijen de ontwikkeling zelf uit en zij leveren een bijdrage voor de infrastructuur aan de gemeente. In de praktijk wordt binnen deze constructie veelal eerst een exploitatieovereenkomst afgesloten voordat een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht. Bij deze constructie komt het voor dat de marktpartij uitwerkingsplannen voorbereidt binnen een reeds vastgesteld globaal bestemmingsplan (art. 11 WRO). Partijen blijven dus steeds in gesprek over de uitwerkingsplannen.

22

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

6 Milieuzonering
Het bestemmingsplan is het enige rechtstreeks bindende ruimtelijk plan. Het is daarom ook het meest geëigende en gebruikte instrument om milieuzonering vast te leggen. Zonering krijgt in een bestemmingsplan zijn beslag door bedrijventerreinen te segmenteren in deelgebieden. Aan de deelgebieden wordt een classificatie in termen van milieucategorieën toegekend. De standaardindeling is 1 en 2 (licht), 3 en 4 (middelzwaar) en 5 en 6 (zwaar). Om te kunnen bepalen welke bedrijven zich in de deelgebieden mogen vestigen, wordt een staat van bedrijfsactiviteiten opgesteld. Een normaal bedrijf uit een toegestane milieucategorie kan zich met inachtneming van de gebruikelijke milieutechnische eisen - in de betreffende zone vestigen. Het gebruik van de bedrijvenlijst uit de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (1999) is gemeengoed geworden in de Nederlandse bestemmingsplanpraktijk, al zijn er ook gemeenten die eigen varianten hebben opgesteld. Men kan een negatieve lijst hanteren (welke bedrijven zijn niet toegestaan) en een positieve lijst (welke bedrijven mogen zich vestigen). Uit jurisprudentie blijkt dat beide typen lijsten zijn toegestaan. De praktijk laat echter nagenoeg uitsluitend positieve lijsten zien. De VNG-Bedrijvenlijst blijkt nogal eens mathematisch te worden toegepast en niet zoals bedoeld als hulpmiddel. De toelichting bij de lijst geeft aan dat sprake is van indicatieve informatie die een nadere bestuurlijke afweging behoeft. De lijst mag dus niet de lokale afwegingen vervangen inzake de toelaatbaarheid van bepaalde typen bedrijven. Ook de jurisprudentie geeft aan dat flexibiliteit bij het gebruik van bedrijvenlijsten is geboden, bijvoorbeeld door vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden op te nemen. Een veel gebruikte bepaling geeft de bevoegdheid aan b&w om vrijstelling te verlenen aan bedrijven die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegelaten bedrijfscategorieën. Een andere mogelijkheid is te werken met 'glijdende' afstandsschalen.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

23

24

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

7 Relevante thema’s en links
Over bedrijventerreinen, standaardisering en andere links

Bedrijventerreinen

Het Ministerie van Economische Zaken heeft in de afgelopen jaren diverse studies laten uitvoeren naar de aspecten van ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen. Deze studies kunnen als PDFbestand worden gedownload of per e-mail worden besteld via de website. www.bedrijventerreinen.ez.nl Informatie over duurzame bedrijventerreinen is ook te vinden op een speciale website met deze titel. De website bevat veel informatie over de aspecten van duurzame ontwikkeling van bedrijventerreinen, relevante subsidieregelingen en voorbeelden van duurzame bedrijventerreinen. www.duurzamebedrijventerreinen.nl

BedrijfsLocatieMonitor

De BedrijfsLocatieMonitor (BLM) is een samenwerkingsverband tussen het Centraal Planbureau, het Ministerie van EZ en het Ministerie van VROM. Zomer 2003 wordt de nieuwe BLM-prognose verwacht. Deze bevat de tot 2030 verwachte ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen, kantorenlocaties en zeehaventerreinen. Recent is de CPB-publicatie ‘De BLM, opzet en recente aanpassingen’ verschenen. De publicatie kan worden gedownload via de website van het CPB. www.cpb.nl → Onderzoek → Economie en Fysieke Omgeving → Project Bedrijfslocatiemonitor → Overige Publicaties → en Publicaties 2002 → De BLM, opzet en recente aanpassingen

Standaardisering

Elk bestemmingsplan is maatwerk. Op basis van dit uitgangspunt bracht het Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (NIROV) in 1984 de publicatie ‘Op dezelfde leest’ uit. Het NIROV wilde daarmee een gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplanvoorschriften tot stand brengen. ‘Op dezelfde leest’ bevat gereedschap waarmee de ontwerper van planvoorschriften maatwerk kan leveren. Het gaat dus niet om het eenvormig maken van de voorschriften maar om het aanreiken van een vaste systematiek. In 1996 verscheen ‘Op dezelfde leest II’ met daarin opgenomen de nieuwe wet- en regelgeving. Veel gemeenten hanteren deze NIROV-publicatie als een leidraad bij het maken van bestemmingsplannen.

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

25

Via de supplementen bij ‘Op dezelfde leest’ en de gelijknamige NIROVLeergang worden zij voortdurend geïnformeerd over actuele ontwikkelingen. www.nirov.nl → service → nirov-cursussen In 1989 heeft het ministerie van VROM het rapport ‘Bestemmen met beleid’ uitgebracht. De publicatie vormt een aanzet tot uniformering van bepaalde planonderdelen en tot standaardisering van de planopzet voor een aantal gebiedscategorieën. De planvormkeuze vormt de hoofdingang voor de aanbevelingen. Van de mogelijke planvormen staat het globale bestemmingsplan (globaal eindplan of globaal plan met uitwerkingsplicht) centraal. Belangrijk element vormt daarnaast een uitgebreide toelichting op de mogelijkheden tot het gebruik van de ‘beschrijving in hoofdlijnen’. Evenals ‘Op dezelfde Leest’ kan ook het rapport ‘Bestemmen met Beleid’ als basis worden gebruikt bij het opstellen van bestemmingsplannen.

Digitalisering

De Rijksplanologische Dienst (RPD) begon op 1 november 1999 met het project Digitale Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen. De RPD wil alle overheden (rijk, provincies en gemeenten) stimuleren om ruimtelijke plannen digitaal en uitwisselbaar te maken. Belangrijke voordelen van digitale plannen zijn: • Uitwisselbaarheid van plannen tussen overheden, wat overleg/afstemming, handhaving en monitoring bevordert. • Betere mogelijkheden om plannen actueel te houden. • Bredere toegankelijkheid van ruimtelijke plannen voor het publiek (bijv. via Internet). Digitalisering vereist het werken met omlijnde ruimtelijke vlakken op de plankaart. Die worden volgens de codes van het IMRO-model ( ‘InformatieModel Ruimtelijke Ordening’) voorzien van bestemmingen en aanvullende informatie. Het is in feite een uitgebreide lijst van codes voor bestemmingen en aanvullende informatie. IMRO is een model voor standaardisering, maar in het RPD-project gaat het in eerste instantie om de uitwisselbaarheid van plannen. Een aantal gemeenten is al bezig met digitalisering, vanuit verschillende drijfveren: • Digitalisering wordt opgepakt in combinatie met actualisatie van verouderde plannen. • Digitalisering voor de inrichting van de backoffice voor het Overheidsloket 2000 Bouwen en Wonen. • Gemeentelijke herindelingen en het samenvoegen van gemeenten geven eveneens een stimulans voor digitalisering. www.digitale-plannen.nl

26

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

M.e.r.-plicht

Het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam heeft in 1999 in opdracht van het ministerie van VROM een betere afstemming van milieueffectrapportages en ruimtelijke ordeningsprocedures onderzocht. Op basis daarvan verscheen medio 1999 het rapport 'Naar een betere afstemming van milieueffectrapportage en ruimtelijke ordening'. De website van het Ministerie van VROM bevat een samenvatting en geeft de mogelijkheid om (delen van) het rapport te downloaden. De website bevat ook een overzicht van de meest gestelde vragen (en antwoorden) over de milieueffectrapportage. www.minvrom.nl. → milieu → Wet Milieubeheer → Milieueffectrapportage
Milieuzonering

Veel gemeenten hanteren de publicatie Bedrijven en Milieuzonering (1999) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De methodiek van de VNG geeft een milieuzonering die ruimtelijke dimensies heeft. Het gaat om in afstanden uit te drukken aspecten als geluid, stank, stof en gevaar. Dichtbij de bron is de overlast het grootst. Naarmate de afstand vanaf de bron groter wordt, neemt de overlast af. Meestal wordt een zonering gehanteerd met cijfers 1 en 2 (licht), 3 en 4 (middelzwaar) of 5 en 6 (zwaar). Om te kunnen bepalen welke bedrijven zich in de geclassificeerde zones mogen vestigen, wordt een staat van bedrijfsactiviteiten (VNGbedrijvenlijst) opgesteld. Een normaal bedrijf uit een toegestane milieucategorie kan zich (met in achtneming van de gebruikelijke milieutechnische eisen) in principe in de betreffende zone vestigen. De toelichting bij de VNG-bedrijvenlijst benadrukt dat sprake is van indicatieve informatie die een nadere bestuurlijke afweging behoeft bij het bepalen van de toelaatbaarheid van bepaalde typen bedrijvigheid. De lijst kan dus niet mathematisch worden toegepast. Het bestemmingsplan moet flexibiliteit bieden voor toepassing in concrete gevallen, bijvoorbeeld mogelijkheden voor vrijstelling of wijziging van de bestemming (artikel 11 WRO). www.vnguitgeverij.nl Een andere benadering voor milieuzonering is de saldobenadering. Daarin wordt op basis van meer kwalitatieve criteria gezocht naar het bereiken van een zo hoog mogelijke leefkwaliteit van het gebied. Een dergelijke benadering is toegepast in het project ‘Stad en milieu’ van het ministerie van VROM. Uitgangspunt daarbij is het beleidsprincipe van de compacte stad. Bekeken is hoe voorkomen kan worden dat, door de toepassing van de milieunormen in de vorm van zoneringen, de stad steeds verder uitdijt. Op basis van de Experimentenwet ‘Stad en Milieu’ zijn 26 experimentele projecten gestart. Tussentijdse evaluatie geeft aan dat de marges in de bestaande milieuregelgeving groter zijn dan op grond van praktijkervaringen veelal wordt verondersteld. Slim ontwerpen levert vaak goede oplossingen. www.minvrom.nl → milieu → nota’s en projecten → stad & milieu

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

27

Ontwerp Wet ruimtelijke ordening

Na 35 jaar bleek de Wet op de Ruimtelijke Ordening toe aan herziening. In 2000 verscheen de discussienota 'Op weg naar een nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening'. In 2001 verscheen het voorontwerp Wet ruimtelijke ordening. Na goedkeuring door de ministerraad is het wetsvoorstel in februari 2002 voor advies naar de Raad van State gestuurd. De nieuwe wet bevat onder meer voorstellen voor een sterkere positie voor bestemmingsplannen en een matiging van de regeling voor planschadevergoedingen. www.minvrom.nl → ruimte → Wet op de Ruimtelijke Ordening
Nota Grondbeleid

In december 2000 is de Nota Grondbeleid vastgesteld. Het is een strategische Nota die de kaders bevat voor modernisering van het instrumentarium voor het grondbeleid. Doelstellingen zijn onder meer de versterking van de regiefunctie van gemeenten, verbreding van de werking van het gemeentelijk voorkeursrecht en verbetering van de mogelijkheden voor kostenverhaal. Eind 2000 is een Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten (WVG) ingediend, dat met name beoogt om de vrijstelling voor optieovereenkomsten in te perken en de mogelijkheden voor nietigverklaring op grond van artikel 26 WVG te verruimen. www.minvrom.nl → ruimte→ nota’s & projecten→ Nota grondbeleid www.parlement.nl → documenten → Kamerstuk 2001-2002, 27750
Informatie- en Kenniscentrum voor de ruimtelijke ordening (IKCRO)

Het IKCRO is een initiatief van het NIROV, het ministerie van VROM en de Dienst Documentaire Informatie (DDI). Zij hebben een gezamenlijk portal ontwikkeld dat veel informatie bevat op het gebied van de ruimtelijke ordening. Te vinden zijn ondermeer dossiers als Vijfde Nota RO, Wet op de Ruimtelijke Ordening, discussies en links naar relevante adressen. www.ikcro.nl
De nieuwe kaart

De Nieuwe kaart van Nederland is een landsdekkende inventarisatie van nieuwe plannen en projecten voor wonen, werken en infrastructuur. In februari 2002 verscheen een update van de eerste kaart uit 1997. De planhorizon is 2010-2030. De nieuwe kaart is een initiatief van Stichting De Nieuwe Kaart, waarin de bnSP, NVTL en NIROV participeren. www.nieuwekaart.nl
Parkmanagement

Het ministerie van EZ ziet parkmanagement als een middel om op een gestructureerde manier de kwaliteit van een bedrijventerrein op een hoog peil te brengen en te houden, afgestemd op de wensen van betrokkenen. Parkmanagement behelst het sturen van de inrichting van het terrein, het

28

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

managen van voorzieningen en het beheren van openbare en privéruimten. De recent verschenen handreiking ‘Parkmanagement: kwaliteit wint terrein’ geeft in een acht stappenplan aan hoe parkmanagement kan worden opgezet en georganiseerd. Ook is een aantal casestudies toegevoegd. www.minez.nl → publicaties → Parkmanagement: kwaliteit wint terrein

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

29

30

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

Colofon
Uitgave

Ministerie van Economische Zaken, Den Haag, 2002 Directie Ruimtelijk Economisch Beleid
Samenstelling en begeleiding

Basis voor de brochure is het onderzoek 'Eindrapportage Globale bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen' (Kolpron Consultants in samenwerking met Kuiper Compagnons, 2001), uitgevoerd in het kader van het convenant "Samenwerking in de Regio". Een concept is getoetst met medewerking van diverse overheden en organisaties. Voorbereiding: Christine Oude Veldhuis (Ecorys Kolpron) Begeleiding: Gerrit Jurg (directie Ruimtelijk Economisch Beleid)
Ontwerp en opmaak

Sectie Opmaakcentrum, Ministerie van Economische Zaken
Druk

Sectie Drukwerk, Ministerie van Economische Zaken Meer exemplaren zijn te bestellen bij het Ministerie van Economische Zaken, via: • 0800 - 646 3951 (vanuit Nederland) of +31 (0)70 308 1986 (vanuit het buitenland); • ezinfo@postbus51.nl; • www.ez.nl (kies uit het menu aan de rechterbovenzijde 'publicaties'). EZ brengt onder de noemer van 'Kwaliteit wint terrein' een reeks uit over bedrijventerreinen. Eerder verscheen in deze reeks: - Parkmanagement Meer informatie over bedrijventerreinen kunt u vinden op www.bedrijventerreinen.ez.nl

Den Haag, mei 2002 Publicatienummer: 02O08 Aan deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend

Kwaliteit wint terrein: Globaal bestemmen voor bedrijven

31