Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik

Resultaten enquête

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Colofon februari 2008 Uitgave en copyright: Stichting Natuur en Milieu Postbus 1578 3500 BN UTRECHT (NL) info@natuurenmilieu.nl T +31 (0)30 233 13 28 F +31 (0)30 233 13 11 www.natuurenmilieu.nl

Auteurs: Rianne Zandee en Douwe Tiemersma Illustraties: Roelinka Heij (omslag, boven), Stichting Natuur en Milieu (omslag, onder) Len Munnik (p. 3)

De Nationale Postcode Loterij steunt Stichting Natuur en Milieu

2

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Inhoudsopgave
Voorwoord .…………………………………………………………………………………………………………………4

Samenvatting en conclusies ..……………………………………………………………………………………5

1

Inleiding en achtergrond ………….……………………………………………………………………………….8

2

De respons …………………………………………………………………………………………………………………8

3

Mechanismen die bouwen op nieuwe locaties buiten de stad bevorderen (A) ……….8

4

Belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen (B) ……………………………………… …………..9

5

Effectiviteit van het huidige instrumentarium (C) ………………………………………………….13

6

Behoefte aan nieuwe instrumenten (D) ………………………………………………………………….16

7

Achtergrond respondenten (E) ………………………………………………………………………………..20

3

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Voorwoord
Met veel genoegen bied ik u de resultaten van het onderzoek “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik” aan. Het onderzoek legt helder bloot waarom de ruimte in Nederland niet efficiënt gebruikt wordt. De resultaten laten duidelijk zien waarom wij steeds maar weer nieuwe locaties ontwikkelen ten koste van groen en open ruimte en het hergebruiken en beter benutten van het bestaand stedelijk gebied zo moeizaam tot stand komt, ondanks alle goede bedoelingen. Het huidige overheidsbeleid wordt door professionals in het veld onvoldoende in staat geacht om efficiënt ruimtegebruik echt te bevorderen. De roep om de ontwikkeling van nieuw instrumentarium klinkt dan ook luid en eensgezind. Het onderzoek “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik” is een vervolg op de succesvolle campagne 'Zuinig op Ruimte', die Stichting Natuur en Milieu vorig jaar (in samenwerking met De Provinciale Milieufederaties), heeft gevoerd. Het doel van het onderzoek is te komen tot een set van prikkels (instrumenten) die efficiënt ruimtegebruik bevorderen en ruimteverspilling tegengaan, zodat het open landschap behouden blijft. Natuur en Milieu heeft het onderzoek in januari 2008 uitgevoerd door een (digitale) vragenlijst te verspreiden onder de grote groep professionals die actief is op het gebied van (her-)ontwikkeling van locaties voor wonen, werken en voorzieningen en gebiedsontwikkeling. Dankzij de medewerking van de koepelverenigingen voor projectontwikkelaars (Neprom), de woningbouwverenigingen (Aedes) en de provincies (IPO) en de vaktijdschriften ‘Bedrijventerrein’ en ‘Vitale Stad’, is het gelukt in korte tijd een grote respons te behalen, waarin zowel de overheid, marktpartijen en kennisinstellingen goed vertegenwoordigd zijn. Hieruit blijkt dat efficiënt ruimtegebruik kan rekenen op een breed maatschappelijk draagvlak en dat de urgentie om nieuwe instrumenten te ontwikkelen die dat bevorderen, door de verschillende groepen unaniem gedragen wordt. Om de uitkomsten van het onderzoek te vertalen in concrete aanbevelingen aan de ministers Cramer en Vogelaar van VROM en Van der Hoeven van EZ zullen wij een ronde tafel organiseren met een aantal deskundigen om de aangedragen instrumenten te beoordelen op effectiviteit en haalbaarheid. Tot slot wil ik iedereen die aan dit onderzoek heeft meegewerkt hartelijk bedanken. Graag nodig ik u uit te reageren. En met ons mee te werken aan een mooiere en gezondere wereld, te beginnen bij Nederland.

Mirjam de Rijk algemeen directeur Stichting Natuur en Milieu

4

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Samenvatting en conclusies
Als vervolg op de campagne ‘Zuinig op Ruimte’ is Stichting Natuur en Milieu gestart met een onderzoek “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”. Het onderzoek bestond uit een vragenlijst, die door ruim 800 respondenten is ingevuld. Door de enquête breed uit te zetten (abonnees vaktijdschriften ‘Bedrijventerrein’, ‘Vitale Stad’, leden Neprom, Aedes en IPO) zijn alle doelgroepen die actief zijn in gebiedsontwikkeling en/of (her)ontwikkeling van locaties voor wonen, werken en voorzieningen goed vertegenwoordigd. Van de respondenten werkt 30 procent bij een gemeente; 18 procent bij regio of rijk, 26 procent bij een kennis- of adviesbureau en 16 procent bij een marktpartij (ontwikkelaar, woningbouwcorporatie, bouwer, bedrijf). Opvallend is ook dat een relatief groot deel (ruim 30 procent) van alle respondenten bestuurder, directeur of manager is. Het onderzoek bestaat uit vier onderdelen: Mechanismen die bouwen op nieuwe locaties buiten de stad bevorderen Belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen Effectiviteit van het huidige instrumentarium (subsidies, wet- en regelgeving) Behoefte aan nieuwe instrumenten. In de enquête is gevraagd om te reageren op elf stellingen. Op een schaal van 1 tot 10 kon worden aangegeven of men het er meer of minder mee eens was. Ook kon de optie “geen mening’ worden gebruikt. Een score van 8 tot en met 10 is aangemerkt als zeer mee eens, 1 tot en met 3 als zeer mee oneens, 4 tot en met 7 als genuanceerd. In onderstaande tabel staan de stellingen en de reacties erop weergegeven in volgorde van eenduidigheid van de uitslag: of zeer mee eens of zeer mee oneens. Stelling Er zijn nieuwe instrumenten nodig voor bevordering herstructurering bedrijventerreinen Bouwen op nieuwe locaties is makkelijker dan in bestaand stedelijk gebied Er zijn nieuwe instrumenten nodig voor bevordering van binnenstedelijk bouwen Complexiteit belemmert binnenstedelijk bouwen Gebrek aan marktvraag belemmert binnenstedelijk bouwen Hoge kosten en risico’s belemmeren binnenstedelijk bouwen Procedures en regelgeving belemmeren binnenstedelijk bouwen Flexibilisering van regelgeving is adequaat om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen Er zijn nieuwe instrumenten nodig om bouwen in het buitengebied te beperken De huidige subsidies zijn adequaat om binnenstedelijk bouwen te bevorderen De Wro en grondexploitatiewet zijn adequaat om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen Zeer mee Zeer mee eens oneens 74 % 8% 66 % 59 % 59 % 8% 45 % 41 % 40 % 40 % 8% 14 % 10 % 8% 10 % 56 % 9% 14 % 13 % 26 % 33 % 11 % Genuanceerd 16 % 22 % 27 % 30 % 30 % 44 % 41 % 36 % 31 % 32 % 43 % Geen mening 2% 2% 6% 1% 6% 2% 5% 12 % 3% 27 % 32 %

De respondenten geven een helder beeld van de huidige situatie: het is makkelijker om op nieuwe locaties te bouwen. Zij zijn ook uitgesproken over de belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen: het is complex, de kosten en risico’s zijn hoog, en regels en procedures maken het lastig. Maar het ligt niet aan de marktvraag: die is er voldoende! Opvallend is dat de noodzaak van nieuwe instrumenten voor herstructurering van bedrijventerreinen en binnenstedelijk bouwen zeer eenduidig wordt onderschreven, terwijl over beschikbare instrumenten als Wro/grondexploitatiewet en subsidies het meest genuanceerd wordt gedacht en in grote mate zelfs geen mening wordt gegeven. Volgens een (niet al te grote) meerderheid zal flexibilisering van regelgeving helpen en zijn nieuwe instrumenten nodig om bouwen in het buitengebied te beperken.
5

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

De verschillende groepen respondenten vertonen een grote mate van overeenstemming in de antwoorden op de stellingen. Tegengestelde oordelen komen niet voor. Dit houdt in dat er een grote mate van consensus bestaat zowel wat betreft de analyse als de oplossingsrichtingen. Na de stellingen hebben we vervolgens gevraagd om aan te geven welke factoren van belang zijn respectievelijk welke instrumenten effectief zijn. Dit geeft een completer beeld. Waarom bouwen op nieuwe locaties (uitleg) makkelijker is dan binnenstedelijk bouwen De belangrijkste reden die genoemd wordt, is dat gemeenten verdienen aan uitleg, terwijl herstructurering en verdichting geld kost. Maar liefst 85 procent onderschrijft dit. Veel respondenten geven daarnaast aan dat projectontwikkelaars en speculanten door grondaankopen belang hebben bij bestemmingswijziging van agrarische grond. De volgende belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen zijn door meer dan 60 procent van de respondenten genoemd: Hoge kosten van grondverwerving, sloop en bodemsanering Veel partijen met tegengestelde belangen Versnipperd grondbezit Lange doorlooptijd en financiële risico’s Strenge regelgeving voor geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid Er is te weinig ruimte voor (betaalbare) grondgebonden woningen. Opvallend is dat slechts eenderde aangeeft dat er te weinig binnenstedelijke bouwlocaties zijn. Ook de hoogte van de bouwkosten en de beschikbaarheid van subsidies worden niet als grote knelpunten aangemerkt. Bestaande en nieuwe instrumenten: onbekend en onbemind Subsidies worden niet als een belangrijke factor ervaren door de meeste respondenten om binnenstedelijk bouwen te bevorderen. Gevraagd naar de effectiviteit voor binnenstedelijk bouwen, dan blijkt alleen het breed inzetbare ISV hoog te worden gewaardeerd (72 procent van de respondenten). Topper, BLS, provinciale subsidies en projectsubsidies van VROM scoren veel minder hoog (minder dan 40 procent van de respondenten). De verwachtingen van de nieuwe Wro en de grondexploitatiewet zijn ook niet hooggespannen. Alleen de mogelijkheid om procedures op binnenstedelijke locaties te versnellen wordt breed gewaardeerd, een minderheid noemt verevening en kostenverhaal op binnenstedelijke locaties, kostenverhaal voor infrastructuur en groen op uitleglocaties en de mogelijkheid om te verevenen tussen nieuwe en oude bedrijventerreinen. Hoewel flexibilisering van regelgeving zeer belangrijk wordt gevonden, is er geen recente maatregel die breed wordt gewaardeerd. Dit zal waarschijnlijk liggen aan onbekendheid met de in de enquête genoemde voorbeelden: verbreding toepassingsbereik Voorkeursrecht gemeenten, Bedrijfsgerichte gebiedsverbetering, Wet Stad en Milieu en herziening van het Groene Boekje. Van de introductie van een bestuurlijke lus in Wro en AWB verwachten maar heel weinig respondenten iets. De conclusie is dan ook dat het probleem meer aan de voorkant zit (versnipperd eigendom e.d.) dan aan de achterkant (formele procedures). Nieuwe instrumenten voor binnenstedelijk bouwen gewenst Er is opvallend brede steun voor regelgeving en stimulering die functiemenging bevordert en de huidige belemmeringen binnenstedelijk wegneemt. Aanpassing van het Groene Boekje is kennelijk onvoldoende, of te onbekend. Ook het bevorderen van regionale afstemming wordt door het merendeel van de respondenten genoemd. Het stimuleren van binnenstedelijk bouwen door inzet van kennis en deskundigen (zoals kwaliteitsteams en expertpools), worden veel minder vaak genoemd. Daarnaast is er een duidelijke voorkeur voor breed inzetbare subsidies voor binnenstedelijke projecten, in plaats van gerichte subsidies voor stationslocaties en achterstandswijken. Complementair daaraan is de steun voor afdwingbare verevening tussen uitleglocaties en binnenstedelijke projecten (via een vereveningsfonds), afdwingbare verevening tussen uitleglocaties en natuur en landschap en ook nog in zekere mate voor een algemene open ruimte heffing, dus zonder vereveningsdoel. Conclusie is: maak bouwen in uitleggebieden duurder en maak binnenstedelijk bouwen met menging van functies makkelijker. Nieuwe instrumenten specifiek voor bedrijventerreinen nodig Voor bedrijventerreinen is het beeld vergelijkbaar. Meer functiemenging kan de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen afremmen, maar er is meer nodig. Er is veel steun voor meer subsidie voor herstructurering van verouderde bedrijventerreinen, maar ook voor een verplichte heffing op nieuwe terreinen, waarvan de opbrengst naar de herstructurering gaat. Ook een realistischer behoefteraming en regionale afspraken (over maximale uitbreiding en minimale
6

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

herstructurering) wordt breed gesteund. Andere vrij breed gedragen ideeën zijn: ruilverkaveling bij herstructurering, verplicht/verbeterd parkmanagement, afschaffen overdrachtbelasting bij herontwikkeling en het invoeren van een leegstandsheffing. Conclusies Stichting Natuur en Milieu Natuur en Milieu is blij met de resultaten van het onderzoek, waarin wordt bevestigd dat zuinig ruimtegebruik niet vanzelf tot stand komt, maar dat daarvoor bestaande mechanismen doorbroken moeten worden. Het huidige instrumentarium wordt door de brede groep van professionals in locatie- en gebiedsontwikkeling onvoldoende geacht om de scheve verhouding tussen bouwen op nieuwe locaties buiten de stad en (her)ontwikkeling van bestaand stedelijk gebied recht te trekken. Doordat de urgentie om nieuwe instrumenten te ontwikkelen door de verschillende groepen unaniem gedragen wordt, voelt Natuur en Milieu zich gesteund in haar missie er voor te zorgen dat die instrumenten er ook daadwerkelijk komen. Welke prikkels en instrumenten echt effectief kunnen zijn voor de herstructurering van bedrijventerreinen en binnenstedelijk bouwen, is onderwerp van een rondetafelgesprek met deskundigen en vertegenwoordigers van markt en overheid, dat als vervolg op dit onderzoek georganiseerd wordt. Op basis van de uitkomsten doen wij aanbevelingen aan de Ministers Cramer en Vogelaar van VROM en Van der Hoeven van EZ.

7

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Enquête ‘Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik’ – resultaten
1. Inleiding en achtergrond Als vervolg op de campagne ‘ Zuinig op ruimte’ is Stichting Natuur en Milieu gestart met een onderzoek ‘Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik’. Het onderzoek is gehouden door een (digitale) vragenlijst breed uit te zetten1 onder professionals, actief in (her-)ontwikkeling van locaties voor wonen, werken en voorzieningen en gebiedsontwikkeling. De vragenlijst bestaat uit vijf onderdelen: A. Mechanismen die bouwen op nieuwe locaties buiten de stad bevorderen B. Belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen C. Effectiviteit van het huidige instrumentarium (subsidies, wet- en regelgeving) D. Behoefte aan nieuwe instrumenten E. Achtergrond respondenten Deze rapportage beschrijft de uitkomsten per onderdeel. Behalve de rechte tellingen per vraag is er specifiek gekeken naar de antwoorden per type organisatie (gemeente, onderzoeks- of adviesbureau, vastgoedsector etc.) en per type project (herstructurering, transformatie, verdichting etc.). Daar waar dit opvallende verschillen opleverde is dit apart vermeld.

2. De respons De respons na iets meer dan drie weken bedraagt 860 bruto; 580 netto. Het verschil tussen bruto en netto wordt veroorzaakt door dubbele, niet of onvolledig ingevulde vragenlijsten. De verdeling tussen overheid (gemeente, stadsregio, provincie, rijk, koepels en kennisinstellingen) en bedrijfsleven (vastgoedsector, bedrijf of instelling, onderzoeks- of adviesbureau) is ongeveer gelijk. Opvallend is ook het grote aantal mensen in hoge functies (bestuurder, directeur of manager) dat de vragenlijst beantwoord heeft (bijna eenderde). Een kleine meerderheid van de respondenten is betrokken bij herstructurering van bedrijventerreinen of kantoorlocaties. Zie voor de verdere kenmerken van de respondenten paragraaf 7 van de rapportage.

3. Mechanismen die bouwen op nieuwe locaties buiten de stad bevorderen (A) Stelling 1: Het is gemakkelijker om op nieuwe locaties te bouwen Ruim zestig procent van de respondenten is het in hoge mate eens met deze stelling ‘het is voor gemeenten en ontwikkelaars gemakkelijker om op nieuwe locaties te bouwen dan bestaand stedelijk gebied te herontwikkelen’; iets meer dan tien procent is het hier beslist niet mee eens (zie figuur 1). Wat bij deze ‘tegenstemmers’ een rol kan spelen is dat er in een aantal regio’s geen of nauwelijks uitleglocaties beschikbaar zijn. Medewerkers van gemeenten onderschrijven Figuur 1: Bouwen op nieuwe locaties is makkelijker deze stelling minder stellig dan de andere groepen respondenten, al is toch nog 53 procent het er zeer N=580 mee eens. In tabel 1 zijn, in volgorde van belangrijkheid, de factoren aangeven die maken dat bouwen op nieuwe locaties buiten de stad gemakkelijker en aantrekkelijker is. Bijna alle respondenten (85 procent) geven als belangrijkste oorzaak aan dat ‘gemeenten
1

zeer mee eens (8-10) mee eens (6-7) mee oneens (4-5) zeer mee oneens (1-3) geen mening

Onder andere onder de abonnees van de vaktijdschriften ‘Bedrijventerrein’ en ‘Vitale Stad’, de leden van

de koepelverenigingen Neprom, Aedes en IPO en de IKC-RO-Nieuwsbrief. 8

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

geld verdienen aan het ontwikkelen van nieuwe locaties buiten de stad, terwijl herontwikkeling van bestaande (binnenstedelijke) locaties geld kost’. Ook de andere factoren die hoog scoren (45 – 60 procent van de respondenten) duiden op de financiële baten die verschillende partijen hebben bij het bouwen op nieuwe locaties. Behalve gemeenten gaat het om ‘projectontwikkelaars en speculanten die door grondaankopen belang hebben bij bestemmingswijziging van agrarische grond naar bouwgrond’ (57 procent van de respondenten) en ‘bedrijven waarvoor nieuwbouw goedkoper is dan verbouwen van bestaande kantoren’ (48 procent van de respondenten). Hier staat tegenover dat ‘herstructurering van bedrijventerreinen voor marktpartijen juist niet interessant is vanwege een gebrek aan waarde-ontwikkeling’ (52 procent van de respondenten). ‘Onvoldoende binnenstedelijke bouwlocaties om te ontwikkelen’ geeft ruim eenderde aan als oorzaak en wordt daarmee niet als een van de belangrijkste oorzaken gezien. Economische belangen van gemeenten zoals het ‘aanbieden van nieuwe woongebieden om mensen met hoge inkomens aan te trekken’ en het ‘aanbieden van bedrijfsterreinen om werkgelegenheid te bevorderen’, blijken secundair te zijn ten opzichte van de financiële motieven (respectievelijk 6 en 44 procent van de respondenten).

Tabel 1: Factoren die het gemakkelijker maken op nieuwe locaties te bouwen (N = 556 respondenten)
Factoren Gemeenten verdienen geld aan ontwikkeling van nieuwe locaties, terwijl herstructurering en verdichting geld kost Projectontwikkelaars en speculanten hebben door grondaankopen belang bij bestemmingswijziging van agrarische grond in bouwgrond Het is goedkoper om een nieuwe woonwijk aan te leggen dan om te verdichten in de bestaande stad Herstructurering van bedrijventerreinen is voor marktpartijen niet interessant vanwege een gebrek aan waarde-ontwikkeling Voor bedrijven is nieuwbouw goedkoper dan uitbreiding op de huidige locatie Gemeenten willen voldoende en goedkope bedrijventerreinen kunnen aanbieden om de werkgelegenheid te bevorderen Onvoldoende binnenstedelijke bouwlocaties om te ontwikkelen Nieuwbouw van kantoren is goedkoper dan verbouwing van bestaande kantoren Gemeenten kunnen de uitbreiding van infrastructuur en voorzieningen als gevolg van bouwen op perifere locaties afwentelen op het rijk, de provincie en buurgemeenten Gemeenten willen zoveel mogelijk mensen met hoge inkomens aantrekken Anders Totaal 108 2505 19 36 6 101 18 193 182 35 33 246 44 265 48 289 52 297 53 317 57 Aantal antwoorden 471 Percentage respondenten 85

Veel respondenten hebben van de mogelijkheid gebruik gemaakt om zelf nog factoren toe te voegen. Verreweg de meeste zitten in dezelfde sfeer als de factoren die in de tabel hoog scoren. Slechts enkelen noemen bereikbaarheid spontaan als argument voor nieuwe bedrijventerreinen, terwijl ook een aantal gemeentebestuurders een gebrek aan lef en visie verwijt.

4. Belemmeringen voor binnenstedelijk bouwen (B) Tegenover de financiële voordelen om uitleglocaties te ontwikkelen staat dat binnenstedelijk bouwen lastig is vanwege een combinatie van complexiteit (bijna 60 procent van de respondenten is het hier zeer mee eens), o.a. vanwege het versnipperde grondbezit en de vele partijen en belangen, de veelheid aan procedures en (milieu)regelgeving (geluid, lucht, ca. 40 procent
9

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

van de respondenten), waardoor doorlooptijden lang en onzeker zijn en daardoor de risico’s en kosten hoog zijn (ca. 45 procent van de respondenten). Een gebrek aan marktvraag (voor gestapeld wonen, bedrijven en kantoren binnenstedelijk) daarentegen wordt juist niet als een belemmering gezien (ruim 55 procent van de respondenten is het hier beslist niet mee eens; slechts 8 procent mee eens). Sterker nog, aangegeven wordt dat in sommige regio’s de vraag naar binnenstedelijke locaties groter is dan het aanbod. Een deel van de respondenten wil wel meer ruimte binnenstedelijk voor grondgebonden woningen. Stelling 2: Binnenstedelijk bouwen wordt belemmerd door complexiteit Bijna 60 procent van de respondenten ziet Complexiteit als een belemmering voor binnenstedelijk bouwen; slechts een krappe minderheid van 10 procent is het hiermee zeer oneens. Door het rijk, provincies en regio’s is hier nog iets stelliger op gereageerd dan door de andere doelgroepen. Uit tabel 2 blijkt dat maar liefst driekwart van de respondenten als belangrijkste oorzaak van complexiteit aangeeft: ‘Te veel partijen met tegengestelde belangen’, direct gevolgd door ‘versnipperd grondbezit’ (iets meer dan 60 procent van de respondenten). Het ‘zorgen voor tijdelijke vervangende ruimte voor bewoners / bedrijven’, is meestal wel op te lossen, getuige het geringe aantal mensen dat dit als belangrijke oorzaak geeft (19 procent).
Figuur 2: Complexiteit belemmert binnenstedelijk bouwen

N=580 zeer mee eens (8-10) mee eens (6-7) mee oneens (4-5) zeer mee oneens (1-3) geen mening

Tabel 2: Oorzaken van complexiteit bij binnenstedelijk bouwen (N = 578 respondenten)
Oorzaken – meerdere antwoorden mogelijk Te veel partijen met tegengestelde belangen Aantal antwoorden 429 Percentage respondenten 75

Versnipperd grondbezit Gebrek aan draagvlak omgeving (bewoners, bedrijven) Het uitplaatsen van hinderlijke bedrijven Het zorgen voor tijdelijke vervangende ruimte voor bewoners / bedrijven Anders Totaal

351 254 241 108 70 1453

61 44 42 19 12

Enkele opvallende oorzaken die bij “anders” zijn genoemd: logistiek bouwverkeer; inpassing bouwproces; hoge grondkosten dwingen tot hoge dichtheid en daarmee tot complexe projecten.

10

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Stelling 3: Binnenstedelijk bouwen wordt belemmerd door hoge kosten en risico’s Over deze stelling wordt iets genuanceerder gedacht. Een kleine 45 procent is het zeer eens met de stelling dat hoge kosten en risico’s een belemmering vormen voor binnenstedelijk bouwen; nog geen 10 procent is het er zeer mee oneens, de middenmoot is dus groter (ca. 45 procent). Medewerkers van gemeenten zijn wat stelliger: ruim 50 procent is het er zeer mee eens.

Figuur 3: Hoge kosten en risico's belemmeren binnenstedelijk bouwen

N=568 zeer mee eens (8-10) mee eens (6-7) mee oneens (4-5) zeer mee oneens (1-3) geen mening

Tabel 3 geeft een uitsplitsing van de kosten en risico’s in volgorde van belangrijkheid aan. Met stip bovenaan als belemmering voor binnenstedelijk bouwen geven bijna alle (86 procent) van de respondenten aan de ‘hoge kosten voor grondverwerving, sloop en bodemsanering’. Als goede tweede (met 64 procent van de respondenten) komt de ‘lange doorlooptijd en financiële risico’s’ die dat met zich meebrengt, uit de bus. ‘te lage of onvoldoende beschikbare subsidies’ en ‘hoge bouwkosten’ daarentegen worden het minst vaak als belemmeringen ervaren (respectievelijk 21 en 17 procent van de respondenten). Tabel 3: Kosten en risico’s bij binnenstedelijk bouwen (N = 562 respondenten)
Kosten- en risicofactoren - meerdere antwoorden mogelijk Hoge kosten voor grondverwerving, sloop en bodemsanering Lange doorlooptijd en financiële risico’s Weinig capaciteit bij gemeenten om proces te begeleiden Subsidies zijn laag of onvoldoende beschikbaar Hoge bouwkosten Anders Totaal 360 228 119 95 40 1323 64 41 21 17 7 Aantal antwoorden 481 Percentage respondenten 86

Bij degenen die een andere factor noemen zijn er vrij veel die de politiek als risicofactor noemen (geringe bestuurskracht, gebrek aan langetermijnvisie en dergelijke). Stelling 4: Binnenstedelijk bouwen wordt belemmerd door procedures en regelgeving Ook bij procedures en regelgeving is het antwoord iets genuanceerder; bijna 40 procent is het hier zeer mee eens; het aantal respondenten dat het hiermee beslist niet eens is ligt iets hoger, namelijk 13 procent. Opvallend zijn de grote verschillen tussen marktpartijen en de overheid. De respondenten uit de marktsector (projectontwikkelaars, corporaties, bedrijven) zijn hier zeer uitgesproken in: 60 procent is het er zeer mee eens en maar 7 procent is het er beslist mee oneens. Medewerkers van rijk, provincies, regio’s denken er tegengesteld over: slechts 26 procent is het helemaal met de stelling eens, 30 procent is het er helemaal niet mee eens. Bij de procedures en regelgeving die binnenstedelijk bouwen bemoeilijken, liggen de antwoorden dichter bij elkaar (tabel 4). De ‘regelgeving voor geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid’ wordt met tweederde van de respondenten het vaakst genoemd. De ‘mogelijkheden tot het indienen van bezwaarschriften op bestemmingsplannen’, ‘omslachtige procedures voor verwerving en bodemsanering’ en ‘geringe flexibiliteit van vastgestelde bestemmingsplannen’ worden elk door iets meer dan 40 procent van de respondenten genoemd.
Figuur 4: Procedures en regelgeving belemmeren binnenstedelijk bouwen
N=565

zeer mee eens (8-10) mee eens (6-7) mee oneens (4-5) zeer mee oneens (1-3) geen mening

11

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Tabel 4: Knelpunten in procedures en regelgeving bij binnenstedelijk bouwen (N= 532 respondenten)
Knelpunten - meerdere antwoorden mogelijk Strenge regelgeving voor geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid De mogelijkheden tot het indienen van bezwaarschriften op bestemmingsplannen hindert de besluitvorming Omslachtige procedures voor verwerving en bodemsanering Geringe flexibiliteit van vastgestelde bestemmingsplannen Anders Totaal 241 239 49 1140 45 44 9 256 48 Aantal antwoorden 355 Percentage respondenten 67

In de categorie “anders” zijn veel opmerkingen gemaakt over hoe gemeenten met regelgeving omgaan (uitgaan van standaardsituaties, verkokering, procedures na elkaar in plaats van tegelijk, verouderd bestemmingsplan, geringe betrokkenheid). Stelling 5: Binnenstedelijk bouwen wordt belemmerd door een gebrek aan marktvraag Over deze stelling is men wederom duidelijk: een gebrek aan marktvraag wordt door meer dan de helft van de respondenten beslist NIET gezien als een belemmering voor binnenstedelijk bouwen, terwijl slechts 8 procent het er zeer mee eens is. Opvallend is dat vertegenwoordigers van de marktsector en de adviesbureaus hier nog stelliger in zijn dan de vertegenwoordigers van overheden. De vraag welke beperkingen in marktvraag men ziet is minder vaak ingevuld (minder respondenten en minder antwoorden), wat logisch is gezien het feit dat men dit over het algemeen niet als een belemmering voor binnenstedelijk bouwen ervaart. Tabel 5 geeft de resultaten weer. Van de respondenten die deze vraag beantwoord hebben, geeft bijna driekwart aan ‘te weinig ruimte voor (betaalbare) grondgebonden woningen in de stad’ als beperking te zien. Het veelgehoorde argument dat er ‘onvoldoende vraag is naar gestapelde woningen in bestaand stedelijk gebied’, kan op basis van deze enquête niet worden bevestigd; slechts een kwart van de respondenten geeft dit antwoord.
Figuur 5: Gebrek aan marktvraag belemmert binnenstedelijk bouwen

N=564 zeer mee eens (8-10) mee eens (6-7) mee oneens (4-5) zeer mee oneens (1-3) geen mening

Tabel 5: Beperkingen in marktvraag bij binnenstedelijk bouwen. N = 478 respondenten
Beperkingen - meerdere antwoorden mogelijk Er is te weinig ruimte voor (betaalbare) grondgebonden woningen in de stad Er is onvoldoende vraag naar gestapelde woningen in bestaand stedelijk gebied Er is onvoldoende vraag naar kantoren- en bedrijfspanden in stadscentra Er is onvoldoende vraag naar kantoren- en bedrijfspanden in buitenwijken Anders Totaal 77 716 16 76 16 101 21 125 26 Aantal antwoorden 337 Percentage respondenten 71

12

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Een paar uitspraken door respondenten ingevuld bij “anders” bevestigen dit beeld op een aardige manier: “Marktvraag is een abstract nietszeggend begrip, markt creëer je”; “onvoldoende creativiteit bij marktpartijen”; “te weinig creativiteit om grondgebonden te bouwen in hoge dichtheden”; “veel vraag naar combinaties retail-kantoren-woningen”; “de vraag is er wel, de geboden kwaliteit is het probleem”; “er wordt niet genoeg nagedacht over juiste woningprogramma’s die matchen met de wel degelijk bestaande vraag naar binnenstedelijk wonen”.

5. Bestaande instrumenten voor efficiënt ruimtegebruik (C) Over de vraag of het bestaande instrumentarium effectief is om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen is men duidelijk: men heeft er niet al te hoge verwachtingen van of men weet het niet (geen mening). Het meest positief is men nog over de instrumenten die inzetten op flexibilisering van regelgeving; 40 procent van de respondenten beantwoord deze vraag zeer positief; een kleine 13 procent zeer negatief. Over de verwachte effecten van de nieuwe Wro en grondexploitatiewet die per 1 juli 2008 van kracht wordt, is men meer verdeeld; slechts 14 procent verwacht een duidelijk positief effect; 11 procent echter een duidelijk negatief effect, een hoog percentage (32 procent) weet het niet. Over de huidige subsidies is men het minst positief als sturingsinstrument voor efficiënt ruimtegebruik: slechts 8 procent is het hiermee zeer eens, terwijl 33 procent het er beslist niet mee eens is. Stelling 6: De huidige subsidies zijn adequate instrumenten om binnenstedelijk bouwen te bevorderen Van de huidige subsidies verwacht men het minst als sturingsinstrument voor efficiënt ruimtegebruik: slechts 8 procent is het hiermee zeer eens, terwijl 33 procent het er duidelijk niet mee eens is. Opvallend is het grote aantal respondenten dat een antwoord in het midden kiest (32 procent) of dat geen mening heeft (iets meer dan een kwart). Marktsector en adviesbureaus zijn iets negatiever in hun oordeel dan overheden. Mogelijk als gevolg van het geringe impact dat Figuur 6: Huidige subsidies bevorderen efficiënt ruimtegebruik men aan subsidies toekent, is deze vraag door minder respondenten beantwoord N=525 (ongeveer driekwart van de 580). Uit tabel 6 zeer mee eens blijkt dat het ‘Investeringsbudget Stedelijke (8-10) mee eens (6-7) Vernieuwing (ISV)’ met stip op 1 staat als mee oneens (4-5) instrument om binnenstedelijk bouwen te zeer mee oneens bevorderen (bijna driekwart van de (1-3) geen mening respondenten heeft dit antwoord ingevuld). Gevolgd door de combinatie van ‘Nieuwe Sleutelprojecten, Budget Investeren in Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK), Budget Nota Ruimte’ (40 procent). De ‘provinciale subsidies’ en de ‘Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS)’ worden beide ongeveer even vaak genoemd (ca. 30 procent). De ‘Topperregeling’ lijkt een geringe rol van betekenis te spelen, want deze wordt door nog geen 20 procent van de respondenten genoemd. Tabel 6: Welke subsidies acht u effectief om binnenstedelijk bouwen te bevorderen? (N= 418 respondenten)
Subsidies - meerdere antwoorden mogelijk Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) Nieuwe Sleutelprojecten, BIRK (Budget investeren in ruimtelijke kwaliteit) en Budget Nota Ruimte Provinciale subsidies Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS): woningbouwafspraken 132 124 32 30 Aantal antwoorden 299 165 Percentage respondenten 72 40

13

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

van VROM met regio’s Topper-regeling Anders Totaal 77 46 843 18 11

Uit de door respondenten toegevoegde opmerkingen komt een beeld naar voren van te veel voorwaarden en te lage budgetten. Nogal wat respondenten geven aan geen ervaring te hebben met subsidies. Stelling 7: De nieuwe Wro en grondexploitatiewet zijn adequate instrumenten om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen Over de effecten van de nieuwe Wro en grondexploitatiewet is men verdeeld; slechts 14 procent verwacht een duidelijk positief effect; 11 procent een duidelijk negatief effect. Het merendeel kiest iets ertussen (43 procent). De groep die ‘geen mening’ heeft is met 32 procent het grootst van de drie stellingen uit dit blok. Medewerkers van rijk, provincies, regio’s hebben nog de hoogste verwachtingen (24 procent zeer mee eens), respondenten uit de marktsector het minst (48 procent zeer mee oneens).
Figuur 7: Nieuwe Wro en grex bevorderen efficiënt ruimtegebruik Welke instrumenten binnen de Nieuwe Wro en de grondexploitatiewet, die in juli 2008 van kracht wordt, gaan helpen N=511 om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen, zeer mee eens vindt men nog lastig te beoordelen, (8-10) mee eens (6-7) getuige de grote spreiding van de mee oneens (4-5) antwoorden uit tabel 7. Het meest populair zeer mee oneens zijn de procedurele instrumenten zoals het (1-3) geen mening ‘versnellen van procedures op binnenstedelijke locaties’, (57 procent van de respondenten) en het ‘versneld onteigenen op binnenstedelijke locaties’ (42 procent van de respondenten). Ook vormen van binnenplanse verevening ziet een groot deel van de respondenten wel zitten. Het gaat dan om ‘kosten van groenvoorzieningen en infrastructuur toerekenen aan woningen en bedrijven (op uitleglocaties)’ (40 procent) en ‘(binnenplanse) verevening van opbrengsten en kosten (op binnenstedelijke locaties)’ (38 procent). Des te opvallender is het dat de meningen over buitenplanse verevening uiteen lopen. Zo ziet menigeen ‘buitenplanse verevening tussen nieuwe en oude bedrijventerreinen’ wel zitten (42 procent), terwijl men ‘vrijwillige (buitenplanse) verevening tussen uitleglocaties en binnenstedelijke locaties’ niet erg ziet zitten (slechts 16 procent). Ook van de mogelijkheden tot het ‘inzetten van provinciale structuurvisie en provinciale verordening’ verwacht men minder heil gezien het aantal respondenten (21 procent) dat dit antwoord geeft.

Tabel 7: Welke nieuwe wettelijke mogelijkheden acht u effectief om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen? (N = 437 respondenten)
Wettelijke mogelijkheden - meerdere antwoorden mogelijk Aantal antwoorden Versnellen van procedures op binnenstedelijke locaties Buitenplanse verevening tussen nieuwe en oude bedrijventerreinen Versneld onteigenen op binnenstedelijke locaties Kosten van groenvoorzieningen en infrastructuur toerekenen aan woningen en bedrijven (op uitleglocaties) (Binnenplanse) verevening van opbrengsten en kosten (op binnenstedelijke locaties) Inzetten van provinciale structuurvisie en provinciale verordening 93 21 165 38 250 184 182 175 Percentage respondenten 57 42 42 40

14

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Vrijwillige (buitenplanse) verevening tussen uitleglocaties en binnenstedelijke locaties Anders Totaal

71 31 1151

16 7

Veel respondenten hebben aangegeven hier te weinig vanaf te weten. Enkelen geven aan dat het rijk met een Algemene Maatregel van Bestuur moet voorkomen dat gebouwd wordt in waardevolle gebieden. Stelling 8: Flexibilisering van regelgeving is een adequaat instrument om efficiënt ruimtegebruik te bevorderen Het meest positief en zeker is men over maatregelen die leiden tot flexibilisering van regelgeving; 40 procent van de respondenten beantwoordt deze vraag zeer positief. De marktsector is wederom het meest uitgesproken: 62 procent is het zeer eens met de stelling. Een kleine 13 procent van alle respondenten is duidelijk negatief; 35 procent vindt iets ertussen in. Met 12 procent is de groep die ‘geen mening’ heeft beduidend kleiner dan bij de vorige twee vragen uit dit blok.
Figuur 8: Flexibilisering van regelgeving bevordert efficiënt De vraag van welke mogelijkheden tot ruimtegebruik flexibilisering van regelgeving men gebruik maakt of denkt te gaan maken, is echter weinig N=507 beantwoord (tabel 8). Hierdoor spreekt er zeer mee eens (8-10) nauwelijks een echte voorkeur uit de mee eens (6-7) antwoorden. Een reden hiervoor kan zijn de mee oneens (4-5) onbekendheid met de genoemde regelingen. zeer mee oneens (1-3) Met 41 procent van de respondenten scoort de geen mening ‘Bredere toepassing Wet Voorkeursrecht Gemeenten tot gehele grondgebied gemeente’ nog het hoogst, op de voet gevolgd door de ‘Experimentenwet Bedrijfsgerichte GebiedsVerbetering (BGV)’ (36 procent van de respondenten). De ‘Herziening van het Groene Boekje VNG’ en de ‘Wet Stad en Milieu’ worden beide door een kleine 30 procent van de respondenten genoemd; de ‘Introductie van de bestuurlijk loop’ door nog geen 15 procent.

Tabel 8: Kunt u aangeven of u van deze (nieuwe) mogelijkheden tot flexibilisering van regelgeving u gebruik maakt / gaat maken? (N= 362 respondenten)
Mogelijkheden flexibilisering - meerdere antwoorden mogelijk Bredere toepassing Wet Voorkeursrecht Gemeenten tot gehele grondgebied gemeente Experimentenwet Bedrijfsgerichte GebiedsVerbetering (BGV) Wet Stad en Milieu Herziening van het Groene Boekje VNG Introductie bestuurlijk loop (in Wro en Algemene Wet Bestuursrecht) Anders Totaal 52 610 14 131 106 102 70 36 29 28 19 Aantal antwoorden 149 Percentage respondenten 41

Ook bij deze vraag geven veel respondenten aan dat zij over te weinig kennis beschikken. Anderen geven aan dat de ruimte in bestaande regelgeving onvoldoende wordt benut en bestemmingsplannen flexibeler moeten zijn.

15

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

6. Nieuwe prikkels voor efficiënt ruimtegebruik (D) Is men over het huidige instrumentarium niet erg positief, of heeft men op zijn minst twijfels als het gaat om een bijdrage aan efficiënt ruimtegebruik, over de noodzaak tot nieuw instrumentarium is men duidelijk. Maar liefst 75 procent van de respondenten vindt ‘het ontwikkelen van nieuwe instrumenten die herstructurering van verouderde bedrijventerreinen stimuleren’ noodzakelijk. Slechts 8 procent is het hier echt niet mee eens. Iets minder overtuigend, maar toch nog steeds 60 procent van de respondenten vindt ‘nieuw instrumentarium om binnenstedelijk bouwen te bevorderen’ zeer wenselijk; tegen 8 procent die het niet wenselijk vindt. Voor ‘nieuwe instrumenten die bouwen in het buitengebied beperken’ is minder steun; het verschil tussen duidelijke voorstanders (40 procent) en tegenstanders (25 procent) is hier minder groot. De scores ‘geen mening’ zijn beduidend lager dan bij de vragen over bestaande instrumenten (blok C) en liggen tussen de 2 en 6 procent. Stelling 9: Het is nodig nieuwe instrumenten te ontwikkelen die binnenstedelijk bouwen bevorderen Figuur 9: Er zijn nieuwe instrumenten nodig voor binnenstedelijk Deze stelling kan rekenen op brede steun: bouwen bijna 60 procent van de respondenten is het hier zeer mee eens, tegen iets meer dan 8 procent die nieuw instrumentarium beslist N=466 niet wenselijk vindt. Iets meer dan een zeer mee eens (8-10) kwart antwoordt iets er tussenin en een mee eens (6-7) kleine 6 procent heeft geen mening. Er is mee oneens (4-5) zeer mee oneens vrijwel geen verschil tussen de verschillende (1-3) groepen respondenten, zowel wat betreft de geen mening organisatie waar men werkt (overheid, markt), of het type project waaraan men werkt (herstructurering, transformatie of verdichting). Stelling 10: Het is nodig nieuwe instrumenten te ontwikkelen die herstructurering van bedrijventerreinen stimuleren Figuur 10: Er zijn nieuwe instrumenten nodig voor herstructurering De overgrote meerderheid van de bedrijventerreinen respondenten (bijna 75 procent) is het zeer met deze stelling eens, terwijl slechts 8 N=467 procent het hier echt mee oneens is. De zeer mee eens (8-10) middenmoot is klein (15 procent) en het mee eens (6-7) aantal geen mening verwaarloosbaar (2 mee oneens (4-5) zeer mee oneens procent). Net als de vorige stelling wordt (1-3) ook deze stelling breed gedragen, getuige geen mening de geringe verschillen in antwoorden tussen de groepen respondenten die onderscheiden zijn.

Stelling 11: Het is nodig nieuwe instrumenten te ontwikkelen die bouwen in het buitengebied beperken Figuur 11: Er zijn nieuwe instrumenten nodig om bouw in Voor ‘nieuwe instrumenten die bouwen in buitengebied te beperken het buitengebied beperken’ zijn de meningen meer verdeeld. De groep voorstanders N=468 is met 40 procent wel duidelijk groter dan zeer mee eens (8-10) de expliciete tegenstanders (25 procent). mee eens (6-7) Een groot deel kiest voor iets er tussenin mee oneens (4-5) (ruim 30 procent) en slechts een kleine zeer mee oneens (1-3) groep (3,4 procent) kiest voor ‘geen megeen mening ning’.
16

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties (waaronder natuur- en milieuorganisaties) zijn uitgesprokener dan de overige groepen: van deze groep is 54 procent het zeer met deze stelling eens. Voor alle andere groepen geldt dat het aantal uitgesproken voorstanders van de stelling wel (iets) groter is dan het aantal uitgesproken tegenstanders. Nieuwe subsidies In lijn met de antwoorden op de stellingen 9 tot en met 11 geeft men ook hier een duidelijk antwoord (tabel 9). Het merendeel (driekwart) van de respondenten geeft aan ‘subsidies voor herstructurering van bedrijventerreinen’ wenselijk te vinden en tweederde ‘subsidies voor binnenstedelijke projecten algemeen’. ‘Subsidies voor achterstandswijken’ en ‘subsidies voor verdichting rond stationslocaties’ voorzien minder in een behoefte, gezien het aantal respondenten dat deze antwoorden kiest (respectievelijk 35 en 28 procent). Tabel 9: Welke nieuwe subsidies acht u wenselijk? (N = 461 respondenten)
Subsidies - meerdere antwoorden mogelijk Subsidies voor herstructurering van bedrijventerreinen Subsidies voor binnenstedelijke projecten algemeen Subsidies voor achterstandswijken Subsidies voor verdichting rond stationslocaties Anders Totaal 303 163 127 42 986 66 35 28 9 Aantal antwoorden Percentage respondenten 351 76

Diverse respondenten hebben bij “anders” ingevuld dat zij subsidies overbodig vinden, al dan niet in combinatie met een restrictief beleid voor uitbreidingen. Anderen noemen breed inzetbare subsidies (afdekken onrendabele top) of subsidies voor regionaal openbaar vervoer, groen of duurzaamheid. Weer anderen pleiten voor overheidsparticipatie, risicoafdekking of ‘revolving fund-constructies’ in plaats van subsidies. Nieuwe regelgeving algemeen Over deze (en de volgende) vragen over nieuwe instrumenten antwoordt men iets minder uitgesproken dan over de vraag naar nieuwe subsidies. Uit tabel 10 blijkt dat het ‘wegnemen van belemmeringen voor functiemenging’ met 60 procent het hoogst scoort, gevolgd door ongeveer de helft die ‘afspraken met provincies over maximaal nieuw te ontwikkelen oppervlakte bedrijventerrein en minimaal te herstructureren oppervlakte’ en ‘toepassen van ruilverkaveling bij revitalisering van bedrijventerreinen’, als antwoord geeft. Van alle genoemde nieuwe regelgeving worden ‘andere heffingsgrondslag voor OZB en waterschapsheffingen (bijv. op basis van bebouwd oppervlak i.p.v. WOZ-waarde)’ en ‘consequent toepassen van de SER-ladder’, het minst vaak genoemd. Tabel 10: Welke nieuwe regelgeving acht u wenselijk? (N = 452 respondenten)
Regelgeving - meerdere antwoorden mogelijk Wegnemen belemmeringen voor functiemenging Afspraken met provincies over maximaal nieuw te ontwikkelen oppervlakte bedrijventerrein en minimaal te herstructureren oppervlakte Toepassen ruilverkaveling bij revitalisering van bedrijventerreinen Vereenvoudiging regelgeving bodemsanering Toestemming uitleg verbinden aan prestaties binnenstedelijk bouwen (bijv. 1 op 1 woning) Andere heffingsgrondslag voor OZB en waterschapsheffingen (bijv. op basis van bebouwd oppervlak i.p.v. WOZ-waarde) Juridische verankering SER-ladder 57 13 91 20 214 142 128 47 31 28 Aantal antwoorden 273 226 Percentage respondenten 60 50

17

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Anders Totaal

35 1166

8

Suggesties die onder “anders” zijn vermeld: vereenvoudiging effectbeoordeling milieu- en natuurwetgeving, hogere norm voor gebouwde parkeerplaatsen, verbod op actief grondbeleid bij bedrijventerreinen. Stimulering algemeen Evenals bij de vorige vraag over nieuwe regelgeving scoren ook hier het duo ‘meer mogelijkheden voor functiemenging in de stad’ en het ‘bevorderen van regionale afstemming’ als hoogste met ruim 60 procent van de respondenten (tabel 11). Het ‘introduceren schaarstebeleid voor nieuwe bedrijventerreinen’ wordt door iets minder dan de helft van de respondenten genoemd. Aan kennisondersteuning hecht men duidelijk minder waarde. Deze vier antwoordmogelijkheden ‘inzet kwaliteitsteams bedrijventerreinen’, ‘pilots ruimtelijke kwaliteit bedrijventerreinen’, ‘oprichten platform t.b.v. kennisuitwisseling’ en ‘expertpools voor binnenstedelijk bouwen’ eindigen als laatste. Tabel 11: Welke nieuwe stimulering acht u wenselijk? (N = 457 respondenten)
Stimulering - meerdere antwoorden mogelijk Bevorderen regionale afstemming Meer mogelijkheden voor functiemenging in de stad Introduceren schaarstebeleid voor nieuwe bedrijventerreinen Inzet kwaliteitsteams bedrijventerreinen Pilots ruimtelijke kwaliteit bedrijventerreinen Oprichten herstructureringsplatform t.b.v. kennisuitwisseling Expert pools voor binnenstedelijk bouwen Anders Totaal 100 21 1351 22 5 174 165 131 38 36 29 207 45 Aantal antwoorden 278 275 Percentage respondenten 61 60 Percentage antwoorden

Toegevoegde suggesties zijn onder andere: dezelfde parkeernormen hanteren bij binnenstedelijke locaties en uitbreidingslocaties; binnenstedelijk systematischer kiezen voor gebiedsgerichte benadering; regionaal uitgifteprotocol (voor bedrijventerreinen). Ook zijn suggesties gedaan voor duurzamer en flexibeler bouwen, zodat panden niet meer zo snel kunnen verouderen. Prikkels voor bedrijven- en kantorenterreinen Op deze vraag is redelijk gespreid geantwoord (tabel 12). Twee antwoorden worden door meer dan de helft van de respondenten genoemd en kunnen daarmee op voldoende draagvlak rekenen. Het betreft de ‘herstructureringsbijdrage: verplichte heffing op uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen ten gunste van het opknappen van verouderde terreinen (via regionaal fonds)’ (55 procent) en ‘verplicht/verbeterd parkmanagement bedrijventerreinen’ (50 procent). Opvallend is dat men een voorkeur heeft voor twee verplichte maatregelen, terwijl men een vergelijkbare ‘tijdelijke heffing voor bedrijven om herstructurering van verouderde terreinen te financieren (bijv. via regionaal fonds)’, niet ziet zitten (17 procent). Een ‘realistischer behoefteraming en planning van bedrijventerreinen’ scoort met 48 procent ook nog hoog. Ook voor maatregelen als het ‘afschaffen overdrachtsbelasting bij herontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoorgebouwen’, het ‘invoeren van een leegstandsheffing op kantoren en bedrijfsgebouwen’ en een ‘openruimteheffing: heffing op omzetten onbebouwde in bebouwde grond’ bestaat nog een zeker draagvlak (respectievelijk 43, 38 en 30 procent). Weinig draagvlak is er voor ‘verhandelbare ontwikkelingsrechten voor bedrijventerreinen’ en ‘precario heffen op zichtlocaties’ (respectievelijk 16 en 12 procent).

18

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Tabel 12: Welke prikkels voor kantoren- en bedrijventerreinen acht u wenselijk? (N = 453 respondenten)
Instrumenten - meerdere antwoorden mogelijk Herstructureringsbijdrage: verplichte heffing op uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen ten gunste van het opknappen van verouderde terreinen (via regionaal fonds Verplicht/verbeterd parkmanagement bedrijventerreinen Realistischer behoefteraming en planning bedrijventerreinen Afschaffen overdrachtsbelasting bij herontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoorgebouwen Invoeren van een leegstandsheffing op kantoren en bedrijfsgebouwen Openruimteheffing: heffing op omzetten onbebouwde in bebouwde grond Tijdelijke heffing voor bedrijven om herstructurering van verouderde terreinen te financieren (bijv. via regionaal fonds) Verhandelbare ontwikkelingsrechten voor bedrijventerreinen Precario heffen op zichtlocaties Anders Totaal 73 55 28 1447 16 12 6 76 17 170 138 38 30 242 219 197 53 48 43 Aantal antwoorden 249 Percentage respondenten 55

Diverse respondenten deden bij deze vraag of bij eerdere vragen de suggestie om leegstand effectief te bestrijden, bijvoorbeeld door een leegstandsheffing, de regel dat na een aantal jaren een leeg pand moet vervallen aan de overheid en OZB heffen op braakliggende terreinen op basis van waarde in bebouwde staat. Prikkels voor woonwijken De resultaten op deze vraag zijn weergegeven in tabel 13. Ook hier niet echt heel uitgesproken antwoorden. Evenals bij de vorige vraag over kantoren- en bedrijventerreinen lijkt ook voor woonwijken het draagvlak voor afdwingbare verevening aanzienlijk. Immers ongeveer de helft van de respondenten geeft aan ‘afdwingbare verevening tussen uitleglocaties en binnenstedelijke projecten (via een regionaal fonds)’ (57 procent) en ‘afdwingbare verevening van uitleglocaties en natuur en landschap’ (49 procent) wenselijk te vinden. Een ‘openruimteheffing’ voor wonen kan met 40 procent van de antwoorden rekenen op meer draagvlak dan voor kantoren en bedrijventerreinen, terwijl dit als generieke maatregel bedoeld is. ‘Invoering van kilometerbeprijzing’ kan bij iets minder dan een kwart van de respondenten op steun rekenen. ‘Invoering forenzenbelasting bedrijven ten behoeve van openbaar vervoer naar woonlocaties’ en ‘Precario heffen op groene uitzichtlocaties (woningbouw)’ kunnen op de minste steun rekenen (respectievelijk 17 en 10 procent). Tabel 13: Welke nieuwe prikkels voor woonwijken acht u wenselijk? (N = 384 respondenten)
Instrumenten - meerdere antwoorden mogelijk Afdwingbare verevening uitleglocaties en binnenstedelijke projecten (via regionaal fonds) Afdwingbare verevening uitleglocaties en natuur en landschap Openruimteheffing: heffing op omzetten onbebouwde in bebouwde grond Invoering kilometerbeprijzing vervoer naar woonlocaties Precario heffen op groene uitzichtlocaties (woningbouw) Anders Totaal 39 39 792 10 10 90 23 17 Invoering forenzenbelasting bedrijven ten behoeve van openbaar 64 189 153 49 40 Aantal antwoorden 218 Percentage respondenten 57

19

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Veel vrije suggesties hadden betrekking op stimuleren in plaats van beperken of belasten. Ook veel respondenten vinden verbetering van het openbaar vervoer, infrastructuur, parkeren en/of vervoersmanagement het beste middel. Twee prikkels van geheel andere orde: positieve financiële prikkels voor wonen in de stad; verdeling gemeentefonds niet o.b.v. inwonertal maar o.b.v. verhouding bebouwing/groen. Tot slot: van de mogelijkheid om over de enquête zelf nog wat op te merken is een aantal malen gebruik gemaakt (27 reacties). Opvallend vaak werd benadrukt dat de enquête over instrumenten gaat, maar dat politieke visie en wil, alsmede bestuurlijke daadkracht even belangrijk zijn.

7. Achtergrond respondenten (E) Type organisatie De voor dit onderzoek belangrijkste doelgroepen zijn allen naar rato goed vertegenwoordigd 2, zie tabel 14. Immers de drie doelgroepen die het meest actief en direct betrokken zijn bij (her)ontwikkeling van locaties zijn ook de drie groepen die het meest vertegenwoordigd zijn, namelijk respondenten werkzaam bij gemeenten (29 procent), onderzoeks- en adviesbureau’s (21 procent) en ontwikkelaars uit de vastgoedsector (14 procent). Ook positief is de relatief hoge respons binnen de stadsregio’s en provincies als (regionale) regisseurs van locatieontwikkelingen. Deze groep van regionale overheden is in werkelijkheid uiteraard veel kleiner dan die van bijvoorbeeld gemeenten, maar met 10 procent van de respons vormen zij toch een aanzienlijke groep. Tabel 14: Type organisatie waar men werkzaam is (N = 466)
Type organisatie Gemeente Onderzoeks- of adviesbureau Vastgoedsector (projectontwikkelaar, belegger, woningcorporatie, bouwbedrijf) Stadsregio of provincie Andere overheid (rijk, koepels) Maatschappelijke organisatie Kennisinstelling (universiteit/hogeschool, planbureau) Bedrijf of instelling (gebruiker van vastgoed) Overig Totaal 10 7 7 4 3 5 100 Percentage respondenten 29 21 14

Type functie Met 40 procent is de verzamelgroep ‘beleid/staf/advies’ het sterkst vertegenwoordigd (tabel 15). Dit is in de praktijk de groep die bij het beleid inzake locatieontwikkeling betrokken is. Opvallend is ook het hoge percentage met een leidinggevende functie (‘bestuurder/directeur’ en ‘management’) van in totaal 33 procent. Dit duidt op een hoge betrokkenheid bij het onderwerp. ‘Projectleiders’ zijn met 16 procent redelijk vertegenwoordigd. Echte ‘uitvoerders’ het minst (slechts 1 procent).

2

Naar rato betekent in dit geval naar verhouding ten opzichte van de daadwerkelijke omvang van de

groep. 20

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Tabel 15: Type functie waarin men werkzaam is (N = 466)
Type functie Beleid/staf/advies Projectleider Management Programmaleider Overig Totaal Percentage respondenten 40 16 13 5 5 100

Bestuurder/directeur 20

Opzichter/uitvoerder 1

Werkveld Met respectievelijk 25 en 23 procent zijn de werkvelden ‘ruimtelijke ordening (RO)’ en ‘economische zaken (EZ)’ het best vertegenwoordigd (tabel 16). De groepen ‘vastgoed’ en ‘woningbouw’ samen zijn goed voor 16 procent. Dit correspondeert goed met verdeling over de functies en de type organisaties. Specialistische disciplines, die meer zijdelings of alleen in bepaalde fasen bij (her)ontwikkeling van locaties betrokken zijn, zoals ‘verkeer en vervoer’, ‘architectuur’ en ‘milieu’, zijn met veel minder respondenten in het onderzoek vertegenwoordigd. Tabel 16: Werkveld waarin men werkzaam is (N = 464)
Werkveld Ruimtelijke ordening Vastgoedontwikkeling Verkeer en vervoer Stedenbouw Woningbouw Architectuur Natuur en landschap Milieu Water overig Totaal Percentage respondenten 25 10 9 7 6 4 4 3 1 8 100

Economische zaken / bedrijvigheid 23

Type projecten Behalve type organisatie, functie en werkveld is het relevant voor de duiding van de uitkomsten om te weten vanuit welke perspectieven respondenten de vragen beantwoord hebben: is dat herstructurering van bedrijventerreinen of verdichting in naoorlogse woonwijken (of beide)? Mogelijk is er verschil in probleemperceptie of oplossingsrichting voor de verschillende opgaven. Binnen de genoemde typen tekenen zich drie duidelijke clusters af, namelijk ‘herstructurering van kantoren- en bedrijventerreinen’ (55 procent van de respondenten), ‘transformatie’ (37 procent van de respondenten) en ‘verdichting’ en ‘herstructurering in woonwijken’ (samen 49 procent). Hierbij moet opgemerkt worden dat er bij die laatste twee categorieën ‘herstructurering in naoorlogse woonwijken’ en ‘verdichting in (naoorlogse) woonwijken’ waarschijnlijk een sterke overlap bestaat. Opvallend resultaat van de analyses is dat het onderscheid naar type project bij geen enkele stelling leidde tot duidelijke verschillen in de antwoorden. Blijkbaar is de problematiek die men ervaart als ook de oplossingsrichtingen generiek voor alle typen van locatie- en gebiedsontwikkeling.

21

Resultaten enquête “Prikkels voor efficiënt ruimtegebruik”

Stichting Natuur en Milieu

Tabel 17: Type project waarbij men betrokken is (N = 466 respondenten)
Type project - meerdere antwoorden mogelijk Herstructurering van kantoren- en bedrijventerreinen Transformatie (functieverandering) van (voormalig) bedrijfsgebied naar wonen of gemengd gebied Verdichting in (naoorlogse) woonwijken Herstructurering in naoorlogse woonwijken Verdichting rond stations/ov-haltes Specifieke vormen van intensief ruimtegebruik zoals overkluizen / ondertunneling van infrastructuur Anders Totaal 99 963 21 115 112 111 96 25 24 24 21 Aantal antwoorden 257 173 Percentage respondenten 55 37

Geaggregeerde resultaten van het onderzoek ontvangen (N = 456) Van de respondenten die deze vraag beantwoord hebben, wilde een kleine meerderheid (59 procent) de resultaten ontvangen.

22

Master your semester with Scribd & The New York Times

Special offer for students: Only $4.99/month.

Master your semester with Scribd & The New York Times

Cancel anytime.