Vernieuwend Duurzaam?

Een analyse van de plannen voor Moerdijkse Hoek in opdracht van de Provincie Noord-Brabant

T. Beckers J. Dagevos F. van Aalst P. van Dijk A. Ekelenkamp F. Hermans H. de Kuyper L. Mostard T. Reesink D. van Soest

Tilburg, februari 2003

1

2

Inhoudsopgave

Inleiding.................................................................................................................... 1 Leeswijzer ................................................................................................................ 1 1 Positionering van het onderzoek ................................................................... 3
1.1 1.2 1.3 1.4 Het doel van het onderzoek ............................................................................................. 3 Het beleidsmatige kader van de studie ............................................................................ 4 Het concept vernieuwend duurzaam................................................................................ 5 De werkwijze .................................................................................................................... 6

2
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

Wat is duurzame ontwikkeling? ..................................................................... 7
Integrale duurzaamheid ................................................................................................... 7 Duurzame bedrijventerreinen of duurzaam ondernemen? .............................................. 8 Een normatief begrip ........................................................................................................ 8 Een dynamisch perspectief voor de lange termijn ........................................................... 8 Optimaliseren of transformeren?...................................................................................... 9 Het belang van een vernieuwend en duurzaam proces................................................... 9 Schaalniveaus ................................................................................................................ 10

3
3.1 3.2 3.3

Het meten van duurzaamheid: een integrale duurzaamheidtoets.............. 13
Inleiding .......................................................................................................................... 13 Basisprincipes ................................................................................................................ 13 De checklist vernieuwend duurzaam ............................................................................. 19

4
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Schaalvoordelen van clustering................................................................... 29
Inleiding .......................................................................................................................... 29 Algemene milieuvoordelen van industriële symbiose……………………………………..30 Milieuvoordelen en de sectorale samenstelling van bedrijventerreinen ........................ 32 Voorlopige conclusie over de voordelen voor het milieu................................................ 34 De sociale baten van het concentreren van bedrijven ................................................... 35 De financieel-economische kosten en baten van bedrijfssymbiose .............................. 36

5
5.1 5.2 5.3 5.4

Moerdijkse Hoek in regionale context.......................................................... 39
Niet alleen een bedrijventerrein ..................................................................................... 39 Gevolgen voor de leefomgeving van de zes grootschalige projecten ........................... 40 De regionale economische, ecologische en sociale gevolgen van Moerdijkse Hoek.... 41 Inschatting van het draagvlak voor Moerdijkse Hoek .................................................... 43

6
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Een vernieuwend duurzaam proces............................................................. 45
Inleiding .......................................................................................................................... 45 Succes- en faalfactoren met betrekking tot organisatie en proces bij de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen ......................................................................................... 45 De functie van randvoorwaarden………………………………………………………… 49 De betrokkenheid van partijen ....................................................................................... 50 Stappen in het proces .................................................................................................... 51

7
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Duurzaamheidanalyse voorstudies Moerdijkse Hoek................................. 55
Inleiding .......................................................................................................................... 55 De modelstudie Glastuinbouw en bedrijvigheid door Arcadis........................................ 55 Verkennend verkeers- en vervoersonderzoek MH – DHV............................................. 57 Rapport onderste laag door Witteveen en Bos .............................................................. 59 Haalbaarheidsonderzoek door Buck Consultants International..................................... 61 Ontwerpstudie Manipulatie van de transformatie door KuiperCompagnons ................. 64 Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Startnotitie m.e.r. (Concept 3, augustus 2002) door Witteveen en Bos ........................................................................................................... 65 Een aantal constateringen ............................................................................................. 66

8
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Conclusies en aanbevelingen....................................................................... 69
Inleiding .......................................................................................................................... 69 Schaalvoordelen en industriële symbiose...................................................................... 69 De regionale context ...................................................................................................... 70 Een vernieuwend en duurzaam proces.......................................................................... 70 Hoe duurzaam zijn de voorstudies?............................................................................... 71

I

8.6 8.7

Hoe vernieuwend duurzaam is Moerdijkse Hoek?......................................................... 72 Leren van Moerdijkse Hoek ........................................................................................... 73

Literatuurlijst……………………………………………………………………………….75

II

Inleiding

Dit rapport is het verslag van een analyse door Telos, op verzoek van het Provinciaal Bestuur, van de studies, die zijn verricht ter voorbereiding van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein in Moerdijkse Hoek. Telos heeft het concept ‘vernieuwend duurzaam’ tegen het licht gehouden en een aanzet gegeven voor een operationeel instrument, dat zowel gebruikt kan worden bij het Programma van Eisen, bij de (her)ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen elders en als een bijdrage aan de discussie om de traditionele milieueffectrapportage te verbreden tot een integrale duurzaamheidbeoordeling. Bij het uitvoeren van dit onderzoek heeft Telos gekeken naar de voorstudies, die in het kader van de planvorming in opdracht van de provincie zijn verricht. Ook is uitdrukkelijk aandacht besteed aan studies die inzicht geven in de regionale betekenis van het bedrijventerrein in termen van integrale duurzame ontwikkeling. Bovendien is er aandacht besteed aan de kritische succes- en faalfactoren bij het totstandkomen van een duurzaam bedrijventerrein. Telos acht het haar taak om bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van kennis en instrumenten ten behoeve van duurzame bedrijvigheid. De voorlopige resultaten van de analyse zijn besproken tijdens een tweetal workshops. De workshop met experts was vooral gericht op de beoordeling van de methodiek en het analytisch instrument en op het geven van suggesties om de uitwerking van het concept vernieuwend duurzaam te versterken. Dit laatste was ook het centrale thema in de workshop met stakeholders. Bovendien is toen aandacht besteed aan de regionale context en aan de inrichting van het proces. Het onderzoek is in de periode juni – december 2002 uitgevoerd door een interdisciplinaire projectgroep van Telos, versterkt met expertise vanuit TNO op het onderdeel procesarchitectuur. De projectgroep bestond uit prof.dr. T. Beckers (projectleider), mr.drs. F. van Aalst (Etin Adviseurs), P. van Dijk (Provincie Noord-Brabant), drs. A. Ekelenkamp (TNO-MEP), ir. F. Hermans (TU/e), ir. H. de Kuyper (PON), drs. L. Mostard (UvT), drs. T. Reesink (Etin Adviseurs), dr. D. van Soest (UvT). Prof. T. Beckers en drs. J. Dagevos hebben de eindredactie van dit rapport verzorgd. Daarin zijn de reacties van de ambtelijke projectgroep Moerdijkse Hoek verwerkt. Het project werd vanuit de provincie Noord-Brabant begeleid door ir. P. Prins. Binnen Telos heeft drs. M. Oldenhof de voortgang van het project gestimuleerd en droeg mevr. M. Lustenhouwer zorg voor de productie van dit rapport. Leeswijzer In het eerste hoofdstuk van dit rapport wordt de studie geplaatst binnen de beleidscontext en wordt de aanpak van Telos nader toegelicht. In hoofdstuk 2 komen essentiële componenten van het concept duurzame ontwikkeling aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt dat vertaald in een instrument ter beoordeling van de duurzame ontwikkeling van bedrijventerreinen. In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de schaalvoordelen van clustering en industriële symbiose, een kernpunt in het concept vernieuwend duurzaam. Telos analyseert dit concept op twee niveaus: het niveau van de regio en het niveau van het bedrijventerrein. Hoofdstuk 5 bevat een analyse van de mogelijke gevolgen voor de duurzame ontwikkeling in de regio WestBrabant. In hoofdstuk 6 wordt het belang van een vernieuwend duurzaam proces aangegeven. De resultaten van de toepassing van dit instrument op het niveau van het bedrijventerrein worden in hoofdstuk 7 gepresenteerd. Het hoofdrapport sluit af met een aantal belangrijke conclusies en aanbevelingen. De hoofdstukken 3 en 7 vormen het directe antwoord op het verzoek van het provinciaal bestuur. De overige analyses kunnen worden beschouwd als nuttige bouwstenen voor het Programma van Eisen. Een afzonderlijk bijlagenboek bevat een kopie van de opdracht van de provincie, de analyses van de voorstudies, een uitgewerkte handreiking voor de procesarchitectuur, een advies van de Commissie Ketting over de noodzaak van een integrale duurzaamheidtoets, een overzicht van de opzet van en de deelnemers aan de workshops.

1

2

1

Positionering van het onderzoek

“Bij het denken over duurzame ontwikkelingsbeoordeling is als uitgangspunt genomen, dat een duurzame ontwikkeling beoogt om toekomstige generaties een voldoende goede economische, milieu- en sociaal-culturele basis te bieden. Duurzame ontwikkelingsbeoordeling moet daarom in kaart brengen welk risico bestaat dat beslissingen deze toekomstige basis negatief beïnvloeden. Eindresultaat van de beoordeling moet een overzicht zijn van mogelijkheden om dit risico zo klein mogelijk te maken. De duurzame ontwikkelingsbeoordeling moet geen ‘toets achteraf’ zijn. Het moet overleg en afwegingen faciliteren tijdens de totstandkoming van beslissingen. Het proces van de beoordeling is daarmee net zo belangrijk als de inhoud ervan.” (Commissie Ketting, 2001)

1.1

Het doel van het onderzoek

In maart 2001 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant aan GS gevraagd om ten behoeve van de voorbereiding van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek een aantal verkennende studies uit te doen voeren, waaronder een studie inzake het concept ‘Vernieuwend Duurzaam Bedrijventerrein’. Voor de uitwerking van dat concept hebben Provinciale Staten expliciet verwezen naar een bijdrage van Telos. De hier gepresenteerde studie vormt de honorering van het verzoek van Gedeputeerde en Provinciale Staten. Telos is van mening dat zij vanuit haar taakstelling een bijdrage moet en kan leveren aan het operationaliseren van het concept ‘vernieuwend duurzaam’. Voordat wordt overgegaan tot het opstellen van een Programma van Eisen en verdere besluitvorming over inrichting en beheer, dient het concept zelf eerst meer handen en voeten te krijgen. Niet alleen ambities, doelstellingen en operationalisering verdienen meer aandacht. Uit recent onderzoek van TNO naar de succes- en faalfactoren bij de realisatie van duurzame bedrijventerreinen blijkt, hoe belangrijk het ontwikkelingsproces is en de betrokkenheid van verschillende partijen (Ekelenkamp en Roelofs, 2001). Al eerder heeft Telos, op verzoek van de Stichting Moerdijkse Hoek, een poging gedaan om uitgangspunten en ambitieniveau in kaart te brengen (Beckers et al., 2000). De daarbij gekozen aanpak heeft de ontwikkeling beïnvloed van een Menukaart duurzame bedrijventerreinen door een interne provinciale werkgroep, 1 samen met K+V-organisatie adviesbureau. Deze menukaart is in het kader van dit project door Telos verder uitgewerkt en gehanteerd als het analytisch kader. 2 Telos is gevraagd om een referentiekader voor de duurzame ontwikkeling van Moerdijkse Hoek te ontwikkelen en met behulp van dit instrument de uitgevoerde voorstudies en de startnotitie m.e.r. te analyseren. De uitkomsten hiervan zouden bouwstenen moeten vormen voor het Integraal Programma van Eisen. Daarbij wordt het wenselijk geacht om het analytisch kader zo te ontwikkelen, dat het in de toekomst ook voor andere bedrijventerreinen te gebruiken is. Het College van GS vraagt Telos om bij de ontwikkeling van het referentiemodel van begin af aan uitwerking te geven aan de drie niveaus van structuur: landschappelijke inpassing, inrichting en beheer van het bedrijventerrein. Telos vindt het vanuit het oogpunt van integrale duurzaamheid van belang om de voorgenomen ontwikkeling te plaatsen in een regionale context en om verder te kijken dan het bedrijventerrein zelf. Welke zijn de mogelijke cumulatieve effecten van een aantal majeure ruimtelijke ingrepen in het gebied, naast die van het bestaande en het geplande bedrijventerrein? Welke positieve en negatieve gevolgen heeft het bedrijventerrein voor de sociale omgeving? Welke effecten kunnen in West-Brabant optreden, indien onduurzame bedrijven van elders worden verplaatst naar Moerdijkse Hoek? Hoe kan het ontwikkelingsproces verduurzaamd worden? Telos richt zich in deze studie vooral op het verder ontwikkelen en toepassen van een instrument voor het beoordelen van integrale duurzame ontwikkeling. De behoefte aan een dergelijk instrument is ook elders gebleken. In haar reactie op de Nationale Strategie voor Duur1 Er werd binnen de provinciale organisatie geconstateerd dat er geen gemeenschappelijk referentiekader en gemeenschappelijke taal beschikbaar zijn om initiatieven en acties gericht op duurzame bedrijven te kunnen beoordelen vanuit een integraal perspectief. De menukaart moest in deze lacune voorzien en is inmiddels door het College van GS geaccepteerd als pilot om ervaringen mee op te doen. Zie in de bijlagen de opdrachtbrief van GS van 2 juli 2002.

2

3

zame ontwikkeling heeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage gepleit voor een inte3 grale duurzaamheidtoets (Ketting, 2001) . Met duurzame ontwikkelingsbeoordeling beoogt de commissie een zodanige inrichting van de besluitvorming, dat bestuurders acties en plannen intern vanuit een duurzaamheidperspectief kunnen ontwikkelen en extern kunnen verantwoorden op hun bijdrage aan een duurzame ontwikkeling. Dit moet uiteindelijk leiden tot plannen en acties die optimaal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. De onderzoeksvraag, die Telos is in de studie probeert te beantwoorden luidt: Wat betekent het concept ‘vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek’ zowel op regionaal niveau als op het niveau van bedrijventerrein zelf? De doelstelling van de studie is tweeledig • De ontwikkeling van een analytisch instrument, met behulp waarvan betrokken partijen de duurzame ontwikkeling van Moerdijkse Hoek kunnen beoordelen en verbeteren. • Het plaatsen van de ontwikkeling van het vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek in een breder, samenhangend regionaal en beleidsmatig perspectief. Wat de tweede doelstelling betreft is het van belang aandacht te besteden aan de volgende aspecten: • strategische uitspraken in het Streekplan 2002 over zuinig ruimtegebruik; • het cumulatieve effect van andere majeure ruimtelijke ontwikkelingen in dezelfde regio; • het substitutie-effect door het verplaatsen van niet-duurzame bedrijven elders in WestBrabant; • de sociale effecten in de directe omgeving van Moerdijkse Hoek; • de landschappelijke inpassing; • duurzame bedrijfsprocessen en symbiose; • procesarchitectuur; • parkmanagement.

1.2 Het beleidsmatige kader van de studie
Bij de herziening van het provinciale streekplan in 1998 werd besloten om na te gaan of de ontwikkeling van een bovenregionaal bedrijventerrein ten zuiden van Moerdijk haalbaar is. Principes van duurzame ontwikkeling zouden in een vroegtijdig stadium van de planvorming moeten worden geïntegreerd. Al eerder had de provincie door Buck Consultants International een onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheden in West-Brabant voor grootschalige bedrijventerreinen voor bedrijven met specifieke vestigingsvoorwaarden (Provincie NoordBrabant, 1996). Daaruit was Moerdijkse Hoek al naar voren gekomen als de beste keuze, uitgaande van vijf terreinsoorten: diep vaarwater, overig vaarwater, aan autosnelweg, milieuhinderlijke bedrijven en grote kavels. Als basis voor een haalbaarheidsonderzoek publiceerde de provincie begin 1998 de brochure Vernieuwend Duurzaam Bedrijventerrein. Het doel van deze brochure was het creëren van draagvlak voor het concept van een duurzaam en vernieuwend bedrijventerrein. Bouwstenen waren: het optimaliseren van netwerken tussen bedrijven, een duurzame ruimtelijke inrichting, innovatieve logistieke concepten en parkmanagement. Deze provinciale aanpak was geheel in lijn met het nationale beleid, zoals verwoord in de in 1997 gepubliceerde nota Milieu & Economie en de EZ-studie uit 1998 Duurzame bedrijven4 terreinen. Handreiking voor het management van bedrijven en overheid. Een duurzaam bedrijventerrein werd daarin omschreven als samenwerking tussen bedrijven onderling en met overheden op bedrijventerreinen, gericht op het verbeteren van het (bedrijfs)economisch resultaat, de vermindering van de milieubelasting en een efficiënter ruimtegebruik. Concreet betekende dat uitwisseling van energie, grondstoffen en water, gezamenlijk gebruik van utilities en bedrijfsfuncties, collectieve inzameling en afvoer van afvalstoffen en het combineren van het vervoer van goederen en personen.
3 Zie het advies van de Commissie Ketting in de bijlagen. De Commissie van de M.E.R. heeft inmiddels grote belangstelling getoond voor de mogelijkheid om Moerdijkse Hoek aan te melden voor een experiment met een bredere, meer integrale duurzaamheidtoets. Het begrip ‘duurzaam bedrijventerrein’ is pas rond 1995 geïntroduceerd in de nationale en internationale literatuur (Boons en Lambert, 2000), Konz en Van den Tillart, 2001).

4

4

In 1999 is in het convenant Strategische Agenda Milieu, Economie en Ruimte, een convenant tussen provinciaal bestuur, sociale partners en milieubeweging, een streefbeeld bedrijventerreinen 2020 opgenomen. Het industrieterrein Moerdijkse Hoek is in dit kader genoemd om ervaringen op te doen met het geschetste toekomstbeeld bedrijventerreinen 2002. Medio 2001 heeft GS het ontwerp-streekplan 2002 en het bijbehorend ontwikkelingsprogramma vastgesteld. Beide producten dragen de titel ‘Brabant in balans’. Centraal in het streekplan staat zorgvuldiger ruimtegebruik. Bij het inhoud geven aan het begrip zorgvuldiger verwijst het streekplan nadrukkelijk naar de Telos-driehoek. Meer dan in het verleden moet, aldus het streekplan, bij het ruimtelijk faciliteren van nieuwe ontwikkelingen aandacht geschonken worden aan ecologische en sociaal-culturele aspecten. Het moge duidelijk zijn dat de gedachten verwoord in het streekplan ook leidend zijn voor de provincie bij de verdere ontwikkeling van Moerdijkse Hoek. Enigszins los van de (ruimtelijk-economisch georiënteerde) beleidsontwikkeling rond duurzame bedrijventerreinen ontwikkelde zich eveneens in de tweede helft van de jaren negentig het denken over duurzaam of maatschappelijk verantwoord ondernemen, met People, Planet, Profit als centrale begrippen, die verwijzen naar sociaalinclusief en ethisch handelen, het verbeteren van de milieuprestaties en het verantwoord winst behalen (Keijzers, Boons en Van Daal, 2002).

1.3 Het concept vernieuwend duurzaam
Het provinciaal bestuur kiest voor een ruimtelijk-economische optiek en stelt zich ten doel het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek een nationaal voorbeeld te laten zijn voor de toepassing van duurzaamheid in alle fasen van de besluitvorming: de planvorming, de ontwikkeling, de realisatie en het beheer (Witteveen en Bos, 2002). Een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek betekent in de visie van de provincie, dat in iedere fase van beleids- en planontwikkeling een hogere ambitie wordt nagestreefd dan bij de ontwikkeling van soortgelijke projecten elders in Nederland. “Een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein richt zich daarbij op twee centrale elementen. Naast een algemene bijdrage van het terrein aan een duurzame economische ontwikkeling en welvaart van met name West-Brabant levert het vernieuwend duurzaam bedrijventerrein een impuls aan de veiligheid en leefbaarheid in de aangrenzende gebieden en woongebieden. Het beoogde bedrijventerrein Moerdijkse Hoek draagt op deze wijze bij aan een goede toekom5 stige en gegarandeerde kwaliteit van de directe leefomgeving” (Witteveen en Bos, 2002). In het Voortgangsrapport Project Moerdijkse Hoek in 2000 werd het concept vernieuwend duurzaam als volgt geoperationaliseerd: • Moerdijkse Hoek dient een nationaal voorbeeldproject te zijn voor de toepassing van duurzaamheid in alle projectfasen: ontwerp, realisatie en exploitatie. • Voor de ontwerpfase is het huidige niveau van duurzaamheidmaatregelen, zoals thans worden gerealiseerd bij andere duurzame terreinen in Nederland het startniveau. • Voor de realisatiefase geldt, dat alleen bedrijven worden toegelaten, die bereid zijn hun productieproces in te richten volgens het ‘best-practice principle’: de beste bedrijven in hun branche wat betreft duurzaam produceren. • Voor de exploitatiefase wordt uitgegaan van het parkmanagement-concept: bedrijven werken samen aan een duurzame exploitatie van het industrieterrein en van hun bedrijfsprocessen. In het Streekplan 2002 wordt 750 ha gereserveerd voor het bovenregionaal bedrijventerrein Moerdijk/Moerdijkse Hoek. Dit moet ruimte bieden voor de vestiging van bedrijven van buiten Brabant en van bedrijven, die vanwege hun aard, schaal en functie niet (langer) passen in het landelijk gebied. Bovendien wordt hier ruimte geboden aan bedrijven die, gelet op omvang, milieuhinder of behoefte aan diep vaarwater, bijzonder eisen stellen, waaraan in de stedelijke regio’s niet tegemoet kan worden gekomen. Beoogd werd om daarmee elders in WestBrabant ruimtewinst en milieuwinst te boeken. Toepassing van het principe van zuinig ruimte5 Overigens zij opgemerkt dat met name de integratie van de sociaal-culturele component, in Telos-termen “het sociaal-culturele kapitaal” in de ruimtelijke planning geen gemeengoed is. In het kader van Brabant Elan heeft de provincie Noord-Brabant aan IVA Tilburg en het Bureau voor Emancipatiezaken opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de belemmeringen van integratie van het sociaal-culturele kapitaal in het duurzaamheidsdenken en in de ruimtelijke planning. Zie hiertoe Marjon Meijs en John Dagevos, Ruimte voor leven: het sociaal-culturele kapitaal in de ruimtelijke ordening, IVA, Provincie Noord-Brabant, februari 2003.

5

gebruik is een van de strategische uitspraken in het streekplan. Bij de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek zal rekening gehouden worden met de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Tevens wordt gezocht naar mogelijkheden voor versterking van het landschap en natuurontwikkeling in combinatie met recreatief medegebruik. Van groot belang is ook de directe koppeling met de geplande ontwikkeling van glastuinbouw van (minimaal) 150 ha.

1.4 De werkwijze
Bij de beleidsvoorbereiding van Moerdijkse Hoek is in opdracht van de provincie NoordBrabant een aantal voorstudies uitgevoerd: • een ruimtelijk-economische marktverkenning (Buck, 2002a,b,c,d); • de modelstudie glastuinbouw en bedrijvigheid (Arcadis, 2001); • een verkennend verkeers- en vervoersonderzoek (DHV, 2002); • een (concept)onderzoek naar de onderste laag (Witteveen en Bos, 2002a); • een conceptruimtelijke ontwerpstudie (KuiperCompagnons, 2002);6 • een conceptstartnotitie m.e.r. (Witteveen en Bos, 2002b). Door de FNV is reeds eerder een rapport uitgebracht over de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek (FNV, 2000). Vanuit de gemeente Moerdijk zijn een tweetal studies van belang: de wooneffectrapportage (BRO, 2001) en het toekomstscenario Moerdijk 2020 (Gemeente Moerdijk, 2002). Deze bronnen vormen voor Telos de input voor de analyse van duurzame ontwikkeling op regionaal niveau Ten behoeve van de analyse is, op basis van het drie kapitalenmodel, een Duurzaamheidchecklist ontworpen. Deze kan zowel dienst doen als dialooginstrument tijdens het planproces, maar ook als lijst van aandachtspunten bij de beoordeling van en besluitvorming over duurzame ontwikkeling. Bovendien is aan de hand van recente literatuur nagegaan welke de voordelen zijn van het samenbrengen van economische activiteiten op een terrein en welke de meest gewenste segmentatie is vanuit het oogpunt van duurzaamheid. Tenslotte is dankbaar gebruik gemaakt van recent onderzoek door TNO naar de voorwaarden waaronder duurzame bedrijventerreinen kansrijk tot stand kunnen komen.

6

In onze analyses van dit rapport hebben we ons uitsluitend gebaseerd op de tekst van het rapport en niet op de complexe ruimtelijke beelden. Daar kwam nog bij dat dit rapport pas in een zeer laat stadium beschikbaar was.

6

2

Wat is duurzame ontwikkeling?

Het door Telos ontwikkelde model van kapitalen, voorraden en stromen (Telos, 2002) vormt de conceptuele basis voor deze studie. Dit concept en de daaraan gekoppelde interactieve methodiek passen binnen de (inter)nationale kennisontwikkeling op het terrein van transities en systeeminnovaties. Ook het Nationaal Milieubeleidsplan 4 onderstreept het belang van transitiemanagement in het streven naar duurzame ontwikkeling Duurzame ontwikkeling kent altijd een strategische dimensie (de langere termijn) en een normatieve dimensie (verantwoordelijkheid voor andere schaalniveaus en toekomstige generaties. In de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling wordt in een eenvoudig schema het tijdruimtelijke en integrale karakter van duurzaamheid weergegeven (NSDO, 2002). Economie Hier en nu Later Daar Figuur 1: Afwegingskader voor duurzaamheid. Ecologie Sociaal-cultureel

Het afwegingskader laat zien dat bij beleidskeuzen expliciet zowel de gevolgen voor toekomstige generaties, als de ruimtelijke effecten als de trade-off tussen de kapitalen moeten worden meegewogen.

2.1 Integrale duurzaamheid
Duurzaamheid heeft betrekking op het ontwikkelen, verdelen en beheren van het ecologisch, economisch en sociaal-cultureel kapitaal en hun voorraden op verschillende schaalniveaus. Kapitalen en voorraden mogen niet groeien te koste van elkaar en moeten houdbaar zijn over de generaties heen. Er mag in principe geen afwenteling plaatsvinden naar andere schaalniveaus of verderop in de keten. Met deze integrale, brede benadering gaat Telos verder dan 7 de WRR (1994, 2002) en sluit aan op wat inmiddels nationaal en internationaal wetenschappelijk en maatschappelijk steeds meer wordt onderschreven. Verwezen kan bijvoorbeeld worden naar de uitkomsten van de recente World Summit on Sustainable Development, de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling en de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (NSDO,2002). De kernwaarden van het ecologisch kapitaal zijn behoud en herstel van het ecosysteem. De kernwaarde van het economisch kapitaal is efficiency, het zuinig gebruik van schaarse productiefactoren. De kernwaarden van het sociaal-cultureel kapitaal zijn rechtvaardigheid en betrokkenheid. Duurzame ontwikkeling betekent: • aandacht voor trade-offs en synergie tussen kapitalen en voorraden; • preventie: energiebesparing, afvalpreventie, zuinig ruimtegebruik door milieugericht ontwerpen en ketenbeheer; • verschuiving van eindige voorraden naar gebruik van stroombronnen en hernieuwbare grondstoffen;
7 In haar reactie op de “Verkenning Rijksoverheidsbeleid naar een Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling” geeft de WRR aan dat zij het ongewenst vindt om uit te gaan van een te omvattend begrip duurzame ontwikkeling, ze spreekt van een metabegrip. De WRR vindt dat door een dergelijke keuze de richtinggevende betekenis voor het overheidshandelen verloren gaat. Zij pleit er voor om het begrip duurzame ontwikkeling vooral als waarde te zien, waarbij de ecologische problematiek de invalshoek vormt van waaruit de afwegingsvraagstukken met de andere domeinen dient plaats te vinden. WRR, Duurzame ontwikkeling: bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid, Sdu, 2002, pag. 16 en 17.

7

• sluiten van kringlopen; • voorkomen van onomkeerbare effecten en het hanteren van het voorzorgbeginsel; • gezamenlijke verantwoordelijkheid: duurzame ontwikkeling is een zaak van heel de samenleving, waarbij de taak van de overheid kaderstellend is.

2.2 Duurzame bedrijventerreinen of duurzaam ondernemen?
De herstructurering van bestaande bedrijventerreinen en de ontwikkeling van nieuwe duurzame bedrijventerreinen is een vorm van en een fase op weg naarduurzame ontwikkeling. De beoordeling van Moerdijkse Hoek dient dan ook geplaatst te worden binnen het bredere perspectief van duurzaam ondernemen. Gebaseerd op een onderzoek door Verschuuren et al. (2000) formuleerde Telos (2001) een ambitieus streefbeeld voor de langere termijn: duurzaam ondernemen is ondernemen gebaseerd op beginselen van preventie en voorzorg, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van vernieuwbare energie en grondstoffen (inclusief brandstoffen), geen ‘verlies naar het milieu’ toestaan van afvalstoffen in welke vorm dan ook (‘zero emission’) en een verantwoord beslag wordt gelegd op de beschikbare ruimte, waardoor uiteindelijk geen nadelige gevolgen ontstaan voor water, lucht, bodem of natuur (incl. biodiversiteit) in binnen- en buitenland. Meer recent is aan de P van ‘Planet’ en de P van ‘Profit’ ook de ‘P’ van ‘People’ toegevoegd. Gezien het grote belang voor het welslagen van duurzame ontwikkeling van de wijze van aanpak en de betrokkenheid van stakeholders, zou daaraan nog een vierde ‘P’ moeten worden toegevoegd, die van Proces. In het kader van het ontwikkelen van duurzame bedrijventerreinen is traditioneel vooral aandacht besteed aan de relatie tussen economische en 8 ecologische ontwikkeling. De sociale duurzaamheid kreeg veel minder aandacht. Interessant is een poging van de provincie Zuid-Holland om het begrip sociale duurzaamheid in relatie tot bedrijventerreinen te operationaliseren. “Bij het begrip sociale duurzaamheid gaat het om het bevorderen van het algehele welzijn. Belanghebbenden daarbij zijn ondernemers, (potentiële) werknemers en omwonenden.” (BUITEN, 2001). Een belangrijk onderdeel van duurzaam ondernemen is een duurzaam arbeidsmarktbeleid, zoals bepleit door de gezamenlijke werknemersorganisaties in Zuid-Nederland (Blaauwbroek, 2001).

2.3 Een normatief begrip
Net als de WRR beschouwen we duurzame ontwikkeling als een verdelingsvraagstuk, dat onmogelijk alleen op basis van wetenschappelijke kennis kan worden beslist. Duurzame ontwikkeling is per definitie een normatief begrip. Het vaststellen van ambitieniveau en lange termijn streefwaarden is inzet en uitkomst van een maatschappelijk en politiek proces. Daarom dienen bij de definiëring van het concept ‘vernieuwend duurzaam’ en het vaststellen van ambities en streefwaarden de partijen betrokken te worden, die te maken hebben of krijgen met de geplande ontwikkeling van Moerdijkse Hoek. Mede om die reden legt de projectgroep van Telos de bevindingen eerst voor aan een aantal stakeholders.

2.4 Een dynamisch perspectief voor de lange termijn
Bij duurzame ontwikkeling in het algemeen en in het concrete geval van Moerdijkse Hoek in het bijzonder dient een dynamisch perspectief en daarmee samenhangend een procesmatige benadering te worden gehanteerd. Immers de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek zal minstens een generatie duren. Het realiseren van de trendsettende missie van Moerdijkse Hoek impliceert het ontwikkelen van nieuwe inhoudelijke concepten, het uittesten van nieuwe bestuurlijke arrangementen, totstandkoming van nieuwe typen regelgeving en het zoeken naar en implementeren van nieuwe technologische oplossingen. In zo’n situatie is het verstandig om voldoende dynamiek en flexibiliteit in te bouwen in het proces en veel aandacht te besteden aan monitoring en leerervaringen. Ook de doelstellingen en streefwaarden op de lange termijn liggen niet vast, maar moeten voortdurend bijgesteld kunnen worden, afhankelijk van
8 Zie ook voetnoot 5.

8

nieuwe inzichten, ontwikkeling van nieuwe technologieën en instrumenten of van gewijzigde economische en maatschappelijke omstandigheden.

2.5 Optimaliseren of transformeren?
Het denken in strategische termijnen past in het actuele onderzoek naar transities en systeeminnovaties, waaraan Telos een bijdrage wil leveren (NMP4, 2001; Elzen, 2002). Daarbij kunnen twee strategieën worden onderscheiden: optimaliseren en transformeren. Optimaliseren is gericht op het voorkomen of verminderen van negatieve effecten, die het gevolg zijn van economische ontwikkeling, gegeven de huidige stand van techniek en bestuurlijk instrumentarium. Optimalisering als strategisch concept hoort bij de tweede ontwikkelingsfase in de relatie tussen milieu en economie (Zoeteman, 2002; Keijzers, Boons en Van Daal, 2002). De eerste fase (1970-1985) was die van gedwongen sanering: deze werd gekenmerkt door een dominant overheidsoptreden gericht op het opruimen van de ergste vervuilingsbronnen, gesegmenteerde regelgeving en monitoring en beperkte terugdringing van negatieve milieueffecten. De tweede fase (1985-2000), de beheersfase, had als hoofddoel het voorkomen van vervuiling: ze was gebaseerd op meer vertrouwen in de eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen, met een focus op stakeholders, zoekend naar samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en milieubeweging, zo mogelijk in de vorm van convenanten gericht op verdere terugdringen van negatieve milieueffecten en last but not least meer activiteiten en instrumenten gericht op preventie. In de derde fase (sinds 2000) ligt steeds meer het accent op integratie van sociale rechtvaardigheid, economische ontwikkeling en milieubeleid en op meervoudig en intensief ruimtegebruik. In deze fase wordt ingezet op ontkoppeling van economische en ecologische ontwikkeling en worden ‘sprongen’ naar duurzaamheid mogelijk geacht. De strategie van transformeren, die bij deze ontwikkelingsfase in de relatie tussen milieu en economie hoort, gaat uit van de gedachte, dat via kleine stapjes radicale veranderingen mogelijk zijn. Het concept ‘vernieuwend duurzaam’, dat ten grondslag dient te liggen aan Moerdijkse Hoek, roept associaties op met de strategie van transformeren. Een ander voorbeeld van transformatie, is het streven naar absolute ontkoppeling, zoals dat in het provinciale Bestuursakkoord 1999-2003 is terug te vinden. Ook het realiseren van de Kyoto-doelstellingen op het terrein van energie vragen om een trendbreuk.

2.6 Het belang van een vernieuwend en duurzaam proces
Uit onderzoek naar de totstandkoming van duurzame bedrijventerreinen blijkt dat het vaak moeizaam verloopt. Het merendeel van de faalfactoren heeft betrekking op organisatie en proces (Ekelenkamp en Roelofs, 2001). Voorbeelden van dergelijke faalfactoren zijn: • De lange doorlooptijd en trage voortgang van het project en het ontbreken c.q. het uitblijven van concrete resultaten; • het ontbreken van een organisatiestructuur, waarin de verantwoordelijkheid voor (de bewaking van) de voortgang en het budget bij iemand zijn neergelegd; • onduidelijkheid in communicatie of afspraken; • gebrek aan betrokkenheid, draagvlak en vertrouwen. De geconstateerde faalfactoren verwijzen in feite naar (het ontbreken van) randvoorwaarden die onontbeerlijk zijn voor het proces van de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein. Het expliciteren van deze randvoorwaarden gedurende het gehele proces zorgt voor de vereiste transparantie van de besluitvorming en voor het verkrijgen van het benodigde draag9 vlak. De betrokken partijen hebben lang niet altijd helder voor ogen wat hun belangen, voorkeuren en doelen zijn. Wanneer te weinig aandacht gegeven wordt aan het expliciteren hiervan zal later in het proces het draagvlak voor de geformuleerde oplossingsrichtingen (plotseling) kunnen verminderen: discussies over beslissingen die al genomen zijn worden heropend, er
9 Zie ook rapport van de commissie Ketting : “Voor het proces beveelt de werkgroep aan om uit te gaan van de principes van ‘goed bestuur’: transparantie, participatie en informatie. Voldoende kwaliteit op dit punt kan worden bereikt door in het besluitvormingsproces openbaarheid van informatie, betrokkenheid van alle belanghebbenden en kwaliteitstoetsing in te bouwen.” Dit blijkt ook uit het Processchema duurzame ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Zie brochure van de MOLO werkgroep duurzame bedrijventerreinen uit 2002.

9

ontstaat opnieuw een discussie over nut en noodzaak of er ontstaan discussies die voortvloeien uit nieuwe inzichten of nieuwe politieke configuraties. In relatie tot de ontwikkeling van een bedrijventerrein is een proces vernieuwend en duurzaam wanneer: 1. Bij de inrichting van bedrijventerreinen er een balans is tussen vraaggericht werken en sturing vanuit het oogpunt van segmentering en clustering. Voor de acquisitie van bedrijven moet er tegelijkertijd vraaggericht worden gewerkt (nagegaan worden welke bedrijven zich er willen concreet vestigen) én moet er worden gestuurd (lokale en regionale segmentering en clustering); 2. Bedrijven en andere belanghebbenden (ook omwonenden) vanaf het begin betrokken worden bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Dit gaat overigens niet alleen om bedrijven die geïnteresseerd zijn in vestiging op Moerdijkse Hoek. 3. Afstemming plaatsvindt tussen overheden. Dat betekent dat er op beleidsniveau en operationeel niveau binnen en tussen de gemeenten en binnen en met de provincie afspraken zijn gemaakt met betrekking tot segmentering en clustering. Dit veronderstelt ook dat overheden als de gemeente, provincie en eventueel ook waterschappen intern hebben afgestemd hoe ze over bepaalde zaken denken. Hierdoor kunnen vragen van bedrijven en andere belanghebbenden sneller worden beantwoord, omdat er niet eerst intern hoeft te worden afgestemd. 4. In de acquisitie van de bedrijven relaties worden gelegd tussen de nieuw te ontwikkelen locatie en de zogenaamde ‘vertreklocaties’ in de gemeente en in de regio. Is er sprake van substitutie-effecten, treden er schaalvoordelen op? 5. Het verbinden van de locatieontwikkeling van Moerdijkse Hoek met andere bedrijventerreinen in de regio.

2.7 Schaalniveaus
We kunnen onderscheid maken tussen verschillende schaalniveaus, waarop vraagstukken voor duurzame bedrijventerreinen spelen: 1. bedrijfsniveau; 2. bedrijventerreinniveau; 3. het niveau van gemeente, regio en provincie. In de onderstaande figuur is schematisch weergegeven hoe het vraagstuk van duurzame bedrijventerreinontwikkeling zich (inhoudelijk) vertaald naar de verschillende schaalniveaus en hoe de samenhang is met de rol van de provincie. De rol van de gemeente is in het schema niet nader uitgewerkt maar kent dezelfde elementen.
Duurzame bedrijventerreinen: vraagstukken op verschillende schaalniveaus

Bedrijfsniveau: ROI • energiebesparin • g • waterbesparing • afval • vergunningen

Terreinniveau: parkmanageme • nt • energiebesparin g waterbesparing •

Regionaal niveau: • segmentering ruimtegebruik • mobiliteit • grondbeleid • • etc.

Rol/sturing Provincie: stimuleren, faciliteren, regisseren en/of toetsen Ten aanzien van: proces(organisatie), inhoud, succes en faalfactoren, (aanvullend) instrumentarium, financiering

Figuur 2: Schaalniveaus van duurzame bedrijventerreinen.

10

Telos beperkt zich in dit onderzoek, conform de opdracht, tot het regionale niveau en het terreinniveau. Aandacht voor het bedrijfsniveau is pas in een volgende fase aan de orde, als concrete bedrijven in beeld zijn. Ook ontbreekt in deze studie een analyse van duurzame ontwikkeling op het niveau van ketens. Deze is noodzakelijk, maar ook hier geldt dat deze pas kan plaatsvinden indien bekend is welke bedrijven zich gaan vestigen. Veder is geen aandacht besteed aan de financiële haalbaarheid in relatie tot het ambitieniveau. Het zou voor een uiteindelijk oordeel nuttig kunnen zijn om ten behoeve van het meten van het effect voor West-Brabant te beschikken over een regionale Duurzaamheidbalans. In het concrete geval van Moerdijkse Hoek zijn thans de volgende, onderling samenhangende, aspecten van belang: • strategische uitspraken in het Streekplan 2002 over zuinig ruimtegebruik; • het cumulatieve effect van andere majeure ruimtelijke ontwikkelingen in dezelfde regio; • het substitutie-effect door het verplaatsen van niet-duurzame bedrijven elders in WestBrabant; • de sociale effecten in de directe omgeving van Moerdijkse Hoek; • de landschappelijke inpassing, lagenbenadering; • duurzame bedrijfsprocessen en symbiose; • procesarchitectuur; • parkmanagement. Deze komen grotendeels terug als richtinggevende principes in het volgende hoofdstuk.

11

12

3

Het meten van duurzaamheid: een integrale duurzaamheidtoets

3.1 Inleiding
Voor zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen is duurzaamheid een kernbegrip geworden. De diverse disciplines binnen de overheid, maar ook adviesbureaus met verschillende expertise verrichten veel inspanning om het begrip ‘duurzaam bedrijventerrein’ handen en voeten te geven. Vaak blijkt echter dat er weinig samenhang en afstemming is tussen de verschillende initiatieven. Ook blijkt dat wanneer vanuit één beleidsdiscipline naar duurzaamheid wordt gekeken, combinaties met maatregelen vanuit andere disciplines buiten beeld blijven, waardoor er geen integrale aanpak wordt toegepast. Eerder is er reeds op gewezen dat de sociaal culturele dimensie vaak buiten beeld blijft. Dit heeft ertoe geleid dat in het kader van dit onderzoek een aanzet is gedaan tot een gemeenschappelijk referentiekader via een checklist. Deze checklist geeft voor de verschillende thema’s die een rol spelen bij de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein een zo compleet mogelijk overzicht van de leidende principes en duurzame maatregelen (zie paragraaf 3.3). Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er op voorhand nooit een compleet overzicht gegeven kan worden. Voor een deel hangt dit samen met het dynamische karakter en de tijdsduur van het ontwikkelingsproces. Voor een deel hangt het ook samen met regioen locatiespecifieke omstandigheden. Daarnaast speelt ook de mate van bereidheid tot samenwerking een belangrijke rol. Er kunnen dus altijd principes en maatregelen aan de checklist worden toegevoegd. Voor de totstandkoming van de checklist heeft de Menukaart Duurzame Bedrijventerreinen, die door een interdisciplinaire werkgroep van de Provincie Noord-Brabant is opgesteld, als basis gediend. Daarbij is voortgebouwd op het drie kapitalenmodel van Telos en is gebruik gemaakt van aanvullende literatuur over duurzame initiatieven op bedrijventerreinen. Veel kennis heeft overigens betrekking op bestaande bedrijventerreinen en op de herstructurering van verouderde terreinen. Er is nog weinig kennis ontwikkeld over ‘vernieuwend duurzaam’ als richtinggevend concept bij de ontwikkeling van geheel nieuwe terreinen. De conceptchecklist is aan de interne werkgroep van provincie voorgelegd voor een globale toetsing van de daarin beschreven leidende principes en een indicatie voor vernieuwende elementen in een bedrijventerreinenaanpak op dit moment. Deze toetsing van het concept heeft geleid tot aanvullingen en correcties. Deze herziene lijst vormt als prototype het analytisch hulpmiddel voor Telos.

3.2 Basisprincipes
De checklist zou een integraal onderdeel moeten uitmaken van de beleidsvoorbereidende studies. Daarmee worden twee doelen gediend. Ten eerste dwingt de checklist overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en adviesbureaus systematisch na te denken over de bijdrage aan duurzaamheid. Ten tweede vergemakkelijkt het onderzoeksinstituten zoals Telos de duurzaamheideffecten te berekenen van het geplande project, zodat aangegeven kan worden waar verbetering, substitutie of verslechtering plaatsvindt. De checklist biedt daarnaast een duidelijk handvat in de orientatiefase waarin gemeenten, provincie en andere betrokkenen hun ambitieniveau ten aanzien van de verschillende initiatieven bepalen. Het opzetten van een duurzaam bedrijventerrein is niet mogelijk als een aantal basisprincipes (of kernbeginselen) niet in acht is genomen. Deze principes, verkregen uit literatuurstudie, bestaand beleid en geordend naar invalshoek, staan in het volgende kader genoemd.

13

Invalshoek
Wisselwerking van het terrein en de omgeving

Basisprincipe(s)
Goede afstemming met bestaande kwaliteit en identiteit van het gebied (voor een win-winsituatie bedrijven en omwonenden) Inpassing in de omgeving Segmentering (voor een optimale afstemming met bedrijvigheid in de regio) Lagenbenadering Duurzaam bouwen (brede definitie) Lagenbenadering Lagenbenadering Segmentering (voor een optimale afstemming tussen bedrijven op het terrein) Parkmanagement (voor een goede organisatie/ begeleiding van de implementatie van duurzame maatregelen) Industriële symbiose (voor win-win situaties economie, ecologie en sociaal-cultureel) Parkmanagement Industriële symbiose Duurzaam ondernemen

Inrichting van het terrein (fysieke inrichting van het terrein) Invulling van het terrein (ordening) -

Relaties tussen bedrijven op het terrein

-

De processen binnen de bedrijven op het terrein

Figuur 3: Invalshoeken en basisprincipes Duurzame Bedrijventerreinen.

We lichten de basisprincipes kort toe. Afstemming op bestaande kwaliteiten en identiteit van het gebied Het vernieuwend bedrijventerrein is optimaal afgestemd op de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving. Dit basisprincipe geeft aan dat de vestiging van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek voordelen moet hebben voor bedrijven én omwonenden. Dit principe is terug te vinden in het door de provincie geformuleerde uitgangspunt: een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein richt zich op twee centrale elementen. Naast een algemene bijdrage aan een duurzame economische ontwikkeling en welvaart van met name West-Brabant levert het vernieuwend duurzaam bedrijventerrein een impuls aan de veiligheid en leefbaarheid in de aangrenzende gebieden en woonkernen. Een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek draagt op deze wijze bij aan een goede toekomstige en gegarandeerde kwaliteit van de directe leefomgeving. Deze omschrijving maakt duidelijk dat het er bij een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein niet om gaat dat zaken als hinder, overlast en onveiligheid van bedrijven en/of bedrijventerrein zo veel mogelijk zijn beperkt ofwel optimaliseren. Een bedrijventerrein is pas vernieuwend duurzaam als het positieve effecten heeft op de leefomgeving ofwel transformeren. Inpassing in de omgeving Het bedrijventerrein maakt deel uit van de omgeving, bestaande cultuurhisto-rische en landschappelijke elementen zijn optimaal benut, het terrein is sociaal veilig en er is veel aandacht voor de omgevingskwaliteit. Hierdoor nodigt het terrein uit tot recreatief medegebruik. Bedrijven bieden een werkomgeving met voorzieningen en diensten die werkenden in staat stellen werken te combineren met het huishouden, eventuele zorgtaken en een sociaal leven. De voorzieningen en diensten op het terrein (bijvoorbeeld kinderopvang en openbaar vervoer) staan ook ten dienste van omwonenden. Dit medegebruik draagt bij aan de sociale veiligheid op het terrein. De bedrijven hebben een betekenis voor de omringende dorpen. Bijvoorbeeld doordat ze lokale verenigingen sponsoren of doordat ze een personeelsbeleid voeren dat de nadruk legt op het werven van lokale of regionale werknemers of dat werknemers stimuleert zich in de regio te vestigen. Bedrijven en terrein zijn betrokken bij de directe omgeving. Er wordt veel geïnvesteerd in communicatie en actieve participatie. 14

Minimumvoorwaarde is dat de omgeving van het bedrijventerrein voor omwonenden veilig is en dat milieuhinder wordt voorkomen en beperkt. De ontsluiting van het bedrijventerrein is optimaal en draagt bij aan de veiligheid van de omgeving. Het terrein is goed toegankelijk voor hulpdiensten en de samenwerking tussen hulpdiensten verloopt uitstekend. Op het bedrijventerrein is een veilige infrastructuur voor langzaam verkeer en de OV-haltes zijn sociaal veilig. Initiatieven van bedrijven dienen geen `losse’ activiteiten te zijn, maar ze moeten aansluiten bij vormen van parkmanagement. Werken aan sociale duurzaamheid dient aanleiding te zijn voor afstemming en samenwerking tussen bedrijven. Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen is een vorm van ruimtelijke inrichting die in alle stadia van het planproces kansen en mogelijkheden benut om een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een lage milieubelasting tot stand te brengen. En die beide in de tijd weet te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daar in delen. Het biedt vele goede kansen aan diverse actoren om het conceptueel denken over gebouwfuncties en hun mogelijkheden verder te helpen in een duurzame ontwikkeling. Het gaat dan veel verder dan het alleen toepassen van milieuvriendelijke materialen. Om een reductie in de milieubelasting van productie en leven met bijvoorbeeld een factor 20 omlaag te brengen is een echte transformatie noodzakelijk (DUBO). In verschillende nota’s zoals het Nationale Milieubeleidsplan, de Nota Energiebesparing, de Vierde en Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, het Structuurschema Verkeer en Vervoer en de Derde Nota Waterhuishouding is het onderwerp ‘duurzaam bouwen’ opgenomen. De verwachting is dat tussen 1995 en 2030 zowel de bouwactiviteiten in Nederland voor de utiliteitsbouw als de productie voor de grond- weg- en waterbouw met 20 tot 30% stijgen. Deze percentages gelden minimaal ook voor Brabant. De verwachte bouwactiviteiten in Brabant hebben gevolgen voor duurzaamheid. Door duurzaam bouwen en intensief ruimtegebruik kan een flink deel van de (toekomstige) milieubelasting worden voorkomen of gereduceerd. Duurzaam bouwen is een proces. Op grofweg drie niveaus worden keuzes gemaakt die de uiteindelijke mate van duurzaamheid van een wijk, een weg, een industrieterrein etc. bepalen. Keuzes worden gemaakt op locatieniveau (niveau 1), bij het inrichten van een wijk, terrein of bij de aanleg van een weg (niveau 2) en bij maatregelen op het niveau van het gebouw (niveau 3). In een dichtbebouwd land als Nederland zijn bij duurzame stedenbouw alle denkbare milieuaspecten in het geding. Niet alleen water, energie, mobiliteit en veiligheid, afval, materialen, geluid- en geuroverlast, maar ook natuur en landschap, flora en fauna, bodemkwaliteit en zelf het grondwaterpeil spelen een rol bij, en worden op hun beurt beïnvloed door stedenbouwkundige keuzen. Een stedenbouwkundig ontwerp bepaalt in grote mate de mogelijkheden voor duurzame bouwwerken en hoe de principes van duurzaamheid kunnen bijdragen aan een duurzame stedelijke ontwikkeling. Dit verlangt een vroegtijdige en integrale benadering van planontwikkeling, zodat gebieden zich ook op de lange duur duurzaam verder kunnen ontwikkelen. Of anders gezegd: gebieden die flexibel kunnen meegroeien met de eisen van de tijd. Daarbij dient ook geïnvesteerd te worden in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit gaat over de specifieke kwaliteiten van de gebouwde en de geplande omgeving en is nauw verbonden met: • ruimtelijke differentiatie: in verband met de gebruiks- en belevingswaarde; • flexibiliteit: in verband met de toekomstwaarde; • de opgave en het concreet te realiseren programma; • de landschappelijke en cultuurhistorische omgeving/waarden en de steden-bouwkundige uitgangssituatie; • de ruimtelijke invulling en de ruimtelijke structuur. Lagenbenadering De lagenbenadering kan worden opgevat als een planningsconcept. Het vormt als het ware een leidraad voor het handelen waarbij als uitgangspunt geldt dat eerst de ondergrond (de bodem- en het grondwatersysteem) duurzaam ontwikkeld moet worden voordat er aan de andere twee lagen gesleuteld mag worden. Geplande activiteiten in gebied moeten dus worden afgestemd op de aanwezige ondergrond.

15

In de lagenbenadering wordt er vanuit gegaan dat de ruimte valt te ontleden in drie lagen: de ondergrond, netwerken en occupatie. De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening besteedt ook veel aandacht aan deze indeling, een groot deel van de nota is langs deze lijnen gestructureerd. De ondergrond geeft de natuurlijke omstandigheden weer waarin ruimtelijke veranderingen optreden. Het gaat hierbij vooral om aspecten die betrekking hebben op bodem- en watersystemen. De ‘ tussenlaag’ bevat alle netwerken, zoals: (spoor)wegen, waterwegen, luchthavens, maar ook de ondergrondse stelsels van buizen en kabels. De bovenste laag is de occupatielaag. Deze omvat het fysieke patroon dat voortkomt uit het gebruik van de andere twee lagen voor de ruimte die nodig is voor functies als wonen, werken en recreatie. De tijdschaal waarop veranderingen zich voordoen in de lagen verschilt. Veranderingen in de onderste laag worden gekenmerkt door een lage snelheid. Processen in deze laag kunnen eeuwen in beslag nemen. De fysieke infrastructuur kenmerkt zich door processen die iets sneller verlopen. De aanleg van infrastructurele werken gebeurt in een relatief kort tijdsbestek maar daarna is de invloed op de ruimte nog eeuwenlang merkbaar. De inrichting van netwerken zijn in grote mate bepalend voor de inrichting van de occupatielaag. Veranderingen in de occupatielaag gaan, ten opzichte van de andere twee lagen, relatief snel. De lagenbenadering is ontwikkeld door ontwerpers en stelt in ruimtelijke zin prioriteiten. Het fundament, en daarmee de belangrijkste laag van ruimtelijke planning, wordt gevormd door het bodem- en watersysteem in een gebied. Deze laag is onvervangbaar en aanpassingen in deze onderste laag zijn vaak onomkeerbaar. Het ontrekken van grondwater en bodemverzakkingen zijn zaken die niet meer kunnen worden teruggedraaid. Beslissingen op het niveau van netwerken hebben een geweldig sturende invloed op alle sociaal-ruimtelijke en economisch-ruimtelijke processen. Pas in de derde laag is de situering van woningen bedrijventerreinen, landbouw en culturele voorzieningen aan de orde. Segmentering Segmentering zorgt voor een goede onderlinge afstemming van de toekomstige bedrijvigheid op het terrein Moerdijkse Hoek en op de afstemming met de reeds aanwezige (of geplande) bedrijvigheid elders in de regio. Het basisprincipe segmentering geeft aan dat elk bedrijf op de juiste plaats gevestigd moet zijn. Dit geldt zowel op regioniveau als op het niveau van het bedrijventerrein. Door segmentering wordt de onderlinge hinder van betrokken partijen geminimaliseerd en worden de functies wederzijds versterkt. Binnen de regio is het zaak de bedrijvigheid op de verschillende terreinen op elkaar af te stemmen. Elk terrein zou zich moeten richten op een bepaald segment. Er zijn verschillende manieren van indeling mogelijk. Zo kan bijvoorbeeld primair worden gekeken naar de milieuhindercategorie, de grootschaligheid of naar de vervoers- en bereikbaarheidsbehoeften van bedrijven (bij deze laatste spelen bereikbaarheidsprofielen een rol). Segmentering biedt de mogelijkheid om bedrijven met gelijksoortige of op elkaar aansluitende processen bij elkaar te plaatsen, zodat optimaal van elkaars aanwezigheid kan worden geprofiteerd (zie ook de paragraaf over symbiose en segmentering op terreinniveau). Segmentering biedt gemeenten en regio’s de mogelijkheid om zich specifiek te richten op de economische sectoren die een versterking van de economische structuur kunnen betekenen. Segmentering op terreinniveau heeft meer te maken met de daadwerkelijke fysieke clustering van bedrijven. Dit kan gebeuren op basis van energie- en waterbehoefte, omvang van vervoersbewegingen, uitstraling (met name van belang voor zichtlocaties) etc. Vaak wordt echter in eerste instantie gekeken naar de milieuhindercategorie waarin een bepaald bedrijf valt. De meeste terreinen worden vooraf gezoneerd. Wanneer bedrijven worden toegelaten die veel lawaai produceren, is dit zelfs verplicht. Resultaat is vaak dat bedrijven met een hoge milieucategorie zich meer in het midden van het terrein bevinden en dat de milieucategorie afneemt naarmate men zich meer naar de randen van het terrein beweegt. Meestal zijn de aangrenzende hindergevoelige functies (zoals wonen, recreatie) hiervoor de aanleiding (deze mogen niet binnen de milieucirkels van bedrijven vallen en moeten dus op voldoende afstand worden gehouden). Parkmanagement Parkmanagement is het maken van afspraken tussen de belanghebbende partijen op het bedrijventerrein over de inrichting en het beheer van het terrein. Het doel is het verkrijgen en op lange termijn vasthouden van een gewenst niveau van kwaliteit en duurzaamheid. De duurzame kwaliteit van een terrein komt tot uiting in een goede, heldere infrastructuur, een efficiënte verkaveling, een mooie aanblik van openbare ruimte, private ruimte en bedrijfspanden, een zo beperkt mogelijke emissie van stoffen die schade toebrengen aan het milieu, 16

de aanwezigheid van voorzieningen en een goede communicatie tussen betrokken partijen. Zonder een goede organisatie kan geen optimale kwaliteit van het terrein worden behaald en kan de duurzaamheid ook niet worden versterkt op langere termijn. Parkmanagement maakt met name kans op nieuwe terreinen. Hier kan een bijdrage van bedrijven verplicht worden gesteld door deze te koppelen aan de gronduitgifte. Parkmanagement is verankerd in alle levensfasen van een terrein en zal daarom al in een zeer vroeg stadium, namelijk de planvormingsfase van een terrein, gestalte moeten krijgen. Alleen dan is het mogelijk om bedrijven reeds bij de gronduitgifte te verplichten om bij te dragen aan parkmanagement. Omdat voor de uitgifte van een terrein nog niet (definitief) vaststaat welke bedrijven zich zullen vestigen, dient de partij die het terrein gaat ontwikkelen (dit is meestal de overheid, maar het kan ook een private ontwikkelaar betreffen) het initiatief tot de invoering van parkmanagement te nemen. Deze partij zal zich in eerste instantie bezig moeten houden met het opstellen van het kwaliteits- en duurzaamheidprofiel. Omwille van het draagvlak is het van belang potentiële vestigers vroegtijdig hierbij te betrekken. Parkmanagement vervult een functie ten aanzien van drie aspecten: Vorm : de inrichting van de private en de openbare ruimte. Voorzieningen : het realiseren en het managen van voorzieningen voor werkgevers en werknemers. Beheer : het beheer en onderhoud van private en openbare ruimte. De praktijk leert dat het commercieel belang van een ontwikkelaar op een gegeven moment kan botsen met het duurzaamheidbelang (korte versus lange termijndenken). Het is belangrijk dat de parkmanager in deze situatie blijft vasthouden aan het concept dat bij de ontwikkeling van een terrein is vastgesteld. Wanneer dit wordt losgelaten bestaat de kans dat de kwaliteit van het terrein achteruit gaat en het vastgoed in waarde daalt. Gevolgen zijn een kortere levenscyclus van het terrein, beperking van de mogelijkheden om kostenvoordelen te behalen en afkalving van de sociale cohesie (het ‘wij-gevoel’): bedrijven die reeds gevestigd zijn en daarvoor aan allerlei eisen hebben voldaan, zullen het onrechtvaardig vinden wanneer nieuwe bedrijven zich ineens niet meer aan deze afspraken hoeven te houden. Om te voorkomen dat het concept wordt losgelaten en het fundament onder duurzaamheid inzakt, kunnen maatregelen getroffen worden. Zo kunnen bij het opstellen van de exploitatie pieken en dalen in de uitgifte ingecalculeerd worden, en kan flexibiliteit in het concept ingebouwd worden om nog wat extra speling te hebben. Parkmanagement heeft ook een regionale dimensie. Zo liggen er kansen in het zoeken naar aansluiting bij of het afstemmen op de bestaande initiatieven op het gebied van parkmanagement in de regio (zie kader).

Een voor beeld: a a nsluit en bij t er rein M oer dij k I
Op Moerdij k I is r eeds spr ake van parkm anagem ent , uit gevoerd door het haven- en indust r ieschap, de NV Haven van Moerdij k. De cent rale doelst elling is het m aat schappelij k rendem ent van het t errein t e vergr ot en. Uit gangspunt zij n de bedr ij fsprocessen van de reeds gevest igde en nog t e vest igen bedr ij ven. Op basis van deze pr ocessen kan worden gekeken op welke locat ie een nieuwkom er het best e kan w orden gevest igd, zodat deze opt im aal kan profit er en van de bedrij ven die rondom hem zij n gevest igd en andersom . Behalve dit procesgerelat eer de vest igingsbeleid w or den in het kader van par km anagem ent collect ieve dienst en en beheert aken ont w ikkeld. Aanspreekpunt is een parkm anager die part ij en bij elkaar brengt . Belangrij ke fact or voor het cr eëren van draagvlak blij kt hier overigens het r ealiseren van doorbr aakproj ect en die op kort e t er m ij n zicht baar zij n. Om kost en en m oeit e t e besparen en t evens efficiency t e behalen, verdient het aanbeveling t e onderzoeken of en op w elke w ij ze Moerdij kse Hoek zou kunnen aansluit en bij het parkm anagem ent van Moerdij k I . Dit zou kunnen leiden t ot de volgende voor delen: - Het w iel hoeft niet nog een keer t e w orden uit gevonden: de organisat ie op Moerdij k I best aat al, net als het basispakket van m aat regelen. Dit kan als vert rekpunt w or den beschouw d, waarna m en zich kan r icht en op het verder opt im aliser en en bij st ellen hiervan; - Bedrij vigheid kan opt im aal t ussen beide t er reinen w orden afgest em d waardoor de m ogelij kheden om een bedrij f “ op de j uist e plaat s” t e vest igen, t oenem en; - Er kan “ grensoverschrij dend” gebruik gem aakt worden van gemeenschappelijke voorzieningen (o.a. op het gebied van vervoersmanagement).

Figuur 4: Parkmanagement.

17

Industriële symbiose en ecologie Het begrip symbiose duidt op het samenleven van verschillende organismen op een dusdanige wijze dat elk individueel organisme voordeel haalt uit het met elkaar samenleven. In een industriële context wordt dit begrip gebruikt voor de samenwerking tussen bedrijven waarbij de rest- en bijproducten (zoals energie, water en afval) van de productie worden uitgewisseld, zodat er een minimum aan afval overblijft. Industriële symbiose betreft samenwerking tussen de naburige bedrijven op een bedrijventerrein. Door het integreren van productieprocessen en/of het samenvoegen van afvalstromen kan de totale materiaalinput en afvaluitstoot worden geminimaliseerd ten opzichte van de situatie waarin bedrijven niet samenwerken. Hierbij kan gedacht worden aan het gebruik van reststoffen, materiaal- en energiecascadering en het benutten van schaalvoordelen door het gezamenlijk gebruiken van utilities. Ook op sociaal vlak zijn schaalvoordelen te realiseren door het bij elkaar brengen van bedrijven in een specifieke locatie, bijvoorbeeld met betrekking tot restauratieve voorzieningen, minimalisering van transportkosten, openbaar vervoer, kinderopvang etc. Het economisch, sociaal en ecologisch voordeel dat een dergelijke werkwijze oplevert kan aanzienlijk zijn, zodat er over de hele lijn sprake kan zijn van een win-win relatie tussen de deelnemende partners. Er zijn echter ook enkele nadelen te noemen, zoals de (tijd)investeringen in de onzekere beginfase en een(groeiende) afhankelijkheid tussen de bedrijven bij blijvende samenwerking. Problemen die opgelost moeten worden betreffen bedrijfszekerheid, leveringsgaranties en aansprakelijkheidskwesties. Vooral in de opstartfase is het van belang dat een groot bedrijf de rol van kartrekker mede op zich wil nemen, dat het project het vertrouwen van alle stakeholders weet te krijgen en dat er sprake is van goed projectmanagement. Duurzaam ondernemen Bij duurzaam ondernemen gaat het om het vinden van een balans tussen een gezonde financiële exploitatie, een rechtvaardig sociaal beleid en zorg voor het milieu en de maatschappelijke omgeving. Het basisprincipe duurzaam of maatschappelijk verantwoord ondernemen geeft aan dat elk bedrijf een balans blijft zoeken tussen economische, sociale en ecologische aspecten van ondernemen. Bedrijven kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling door duurzaam te ondernemen. Winstmaximalisatie is niet meer het enige doel van het bedrijf, maar het creëren van waarden dient centraal te staan. De waarden zijn niet alleen voor het bedrijf zelf maar ook voor bijvoorbeeld haar werknemers, toeleveranciers, afnemers en maatschappij, hier en elders, nu en in de toekomst. Bedrijven dienen bij het nemen van beslissingen stil staan bij de uitgangspunten van duurzaam ondernemen. Een onderneming moet daarbij niet alleen voldoen aan wet- en regelgeving binnen de eigen poorten maar houdt ook rekening met milieuaspecten en risico’s bij de productie van grondstoffen en het gebruik van producten. Daarnaast neemt de onderneming niet alleen de verantwoordelijkheid voor de eigen werknemers, maar ook voor de toeleveranciers en het effect van productieactiviteiten op locale leefgemeenschappen. Tenslotte dient een bedrijf naast een focus op verhoging van zijn economische waarde ook verantwoordelijkheid te nemen voor een eerlijke beloning van toeleveranciers en versterking van locale economieën (fair trade). Kortom: elk bedrijf heeft een verantwoordelijkheid voor het eigen bedrijf, de keten én de regio. Voorbeelden van aspecten die vallen onder duurzaam ondernemen zijn arbeidsomstandigheden, ruimte voor innovatie, mensenrechten, gebruik van duurzame energiebronnen, vervoersmanagement, ondersteuning van maatschappelijke activiteiten, milieuvriendelijke productontwerpen en samenwerking met toeleveranciers en afnemers. Duurzaam ondernemen kan worden gezien als een manier om zich positief te onderscheiden van andere ondernemingen en is daarom interessant voor elke onderneming. Bij duurzaam ondernemen is men gericht op de langere termijn en houdt men rekening met acceptatie door de maatschappij in de toekomst maar ook bijvoorbeeld van de beschikbaarheid van grondstoffen en de mogelijkheid werknemers aan te trekken. Andere voordelen van duurzaam ondernemen zijn een positief imago, gemotiveerde en aantrekkelijkheid voor nieuwe werknemers, kostenbesparingen door efficiënter produceren en beheersing van risico’s. Op een duurzaam bedrijventerrein is een van de uitgangspunten dat de bedrijven die er zijn gehuisvest, duurzaam ondernemen. Verwacht kan worden dat deze bedrijven een continu proces op gang brengen om zoveel mogelijk aspecten van duurzaam ondernemen toe te passen in de bedrijfsvoering.

18

3.3 De checklist vernieuwend duurzaam
De basisprincipes moeten vertaald worden in het Programma van Eisen. Zij vormen de basis voor sturing en concretisering. Vandaar dat zij ook als vertrekpunt zijn genomen bij het opstellen van de checklist. De basisprincipes zijn overkoepelend. Ze zijn van invloed op de uitwerking van maatregelen en de hoogte van het ambitieniveau. Thematische benadering De checklist is opgebouwd rond thema’s. De thematiek sluit aan op de provinciale menukaart duurzame bedrijventerreinen. Achtereenvolgens komen aan bod: bodem, energie, water, grond- en hulpstoffen, afvalstoffen, landschappelijke inpassing, ruimtegebruik, leefklimaat, werkklimaat, ondernemersklimaat en verkeer en vervoer. Per thema worden enkele leidende principes onderscheiden. Deze zitten qua abstractieniveau respectievelijk reikwijdte tussen de (overkoepelde) basisprincipes en de concrete duurzaamheidmaatregelen in. De leidende principes staan opgesomd in de eerste kolom van tabel 3 direct onder het betreffende thema. Ten aanzien van de thema’s is geen ordening aangebracht. Het belang van een bepaald thema en de principes en maatregelen die daarbij horen kan in een algemene checklist niet worden aangegeven. Ook is het mogelijk dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de onderwerpen binnen de diverse thema’s en dat uitwerkingen van thema’s met elkaar kunnen botsen. Zo kan het zoveel mogelijk intact laten van het landschap (en daarmee de versnippering van uitgeefbare grond) een belemmering vormen voor initiatieven op het gebied van de uitwisseling van stromen (energie, water, afval, etc.) en functionele clustering. Welke initiatieven uiteindelijk de voorkeur verdienen, hangt af van het nog nader te bepalen ambitieniveau ten aanzien van een specifieke locatie. Ambitieniveaus Binnen de verschillende thema’s zijn maatregelen te onderscheiden met een betrekkelijk laag ambitieniveau en met een hoger ambitieniveau. Bij maatregelen met een laag ambitieniveau gaat het vaak om het optimaliseren, beter benutten van aanwezige mogelijkheden en voorzieningen. Ze passen in de transitieaanpak. Een iets hoger ambitieniveau uit zich in het doorvoeren van ver(der)gaande aanpassingen en de uitbreiding van mogelijkheden. Hoge ambities hebben vaak een innovatief karakter. Het onderscheid tussen duurzaam en vernieuwend duurzaam is soms moeilijk aan te geven. De ene maatregel is meer basaal van karakter, de ander meer vergaand. Sommige maatregelen gaan verder dan tot op heden in praktijk is gebracht. Deze maatregelen kunnen vernieuwend duurzaam worden genoemd. Op het moment echter dat een maatregel elders is ingevoerd, is deze volgens onze uitgangspunten al niet meer vernieuwend duurzaam. Het begrip vernieuwend duurzaam is dus verre van statisch. Voortgaande ontwikkelingen en inzichten maken dat de kwalificatie van maatregelen in de tijd steeds verandert (eerst vernieuwend, dan “gewoon” duurzaam). In een aparte kolom is aangegeven op welke manier een duurzaam bedrijventerrein werkelijk vernieuwend zou kunnen zijn. Daarbij gaat het niet altijd om steeds maar weer vernieuwende maatregelen te ontwikkelen. Ook het creatief combineren en vervolgens implementeren van duurzame maatregelen kan tot vernieuwing leiden. Analyse van de voorstudies Een aantal voorbereidende studies die in opdracht van de provincie voor Moerdijkse Hoek zijn uitgevoerd plus de startnotie m.e.r, zijn met behulp van de checklist beoordeeld op de mate van duurzaamheid. De analyse houdt in, dat systematisch is nagegaan in hoeverre de leidende principes met de daarbij behorende maatregelen in een bepaald rapport aan bod komen. Een leidend principe kan: • expliciet naar voren worden gebracht als een noodzakelijke of/en nuttige aspect vanuit het oogpunt van duurzaamheid; • niet aan bod komen; • wel genoemd worden, maar niet verder worden uitgewerkt. Wanneer een leidend principe in een van de beoordeelde rapporten niet aan bod komt of alleen wordt genoemd, levert dit in de discussie over het vernieuwend duurzame karakter van Moerdijkse Hoek een hiaat op. Dit kan worden opgevuld indien het principe in een ander rapport wel voldoende aan de orde komt. Wanneer bepaalde principes in geen enkele voor-

19

studie aan bod komen, dan wordt het uitgangspunt voor Moerdijkse Hoek van vernieuwende duurzaamheid aangetast en zal het noodzakelijk zijn aanvullend onderzoek (naar deze principes) te verrichten. Voor de analyse van de modelstudie glastuinbouw is de checklist enigszins aangepast. Per thema is gekeken wat met name voor de glastuinbouw belangrijke principes zijn en welke specifieke maatregelen hiertoe behoren. Voor de goede orde vermelden we nogmaals, dat we in een aantal gevallen ons moesten baseren op concepten van de uiteindelijke studies.

20

Checklist Vernieuwend Duurzaam Moerdijkse Hoek
Thema Bodem Leidende principes: Voorkomen bodemverontreiniging Optimale afstemming met (grond)water Gesloten grondbalans10 Maximaal rekening houden met ondergrond (draagkracht bodem) Geen schade aan flora en fauna Duurzame maatregelen De weg naar vernieuwend duurzaam

-

Bodemverontreiniging beschermende maatregelen beperken door gezamenlijke organisatie over bodembedreigende handelingen Opstellen bodemkwaliteitskaarten Bouwrijp maken van het terrein op basis van bodemkwaliteitskaarten Bouwrijp maken van het terrein met gebiedseigen grond Actief bodembeheer Structurele samenwerking op het gebied van bodembeheer11 Kennisontwikkeling en het faciliteren van subsidiemogelijkheden12

-

Onderste lagen zijn sturend voor keuze en ontwikkeling van locaties Bouwrijp maken van het terrein met gebiedseigen grond Het beheer en monitoren van de bodemkwaliteit op terreinenniveau via parkmanagement

Energie Leidende principes: Voorkomen / beperken broeikasgassen Maximale energiebesparing en energieefficiency Maximale toepassing duurzame energie13 Energiebesparende ruimtelijke inrichting Toepassing schoon fossiel: ecologisch verantwoord en efficiënt

-

Energiebesparend bouwen14 Gebruik van nutsvoorzieningen met een hoog rendement15 Uitwisseling van energie tussen bedrijven16 Gebruik van duurzame energiebronnen17 Gezamenlijke inkoop van energie18 Realisatie van een optimale energie-infrastructuur. Uitwisseling energiestromen tussen bedrijventerreinen en hun omgeving. Inzicht in energiestromen op regio- en terreinniveau19

-

Set toetsingscriteria voor beoordeling duurzaamheid voor energie in brede zin. Produceren en gebruik van duurzame energie Collectieve exploitatie van energie op regionaal en / of terreinniveau bijvoorbeeld via parkmanagement. In ontwerp en inrichting rekenschap geven van combinatie van industriële en glastuinbouwactiviteiten op regio- en terreinniveau. Ontwerp en inrichtingscriteria afstemmen op lagenbenadering Ontwerp en inrichtingscriteria gebaseerd op integrale energievisie (masterplan) vanuit milieu, water, verkeer & vervoer, ruimtelijke ontwikkeling en energie. Bij ontwerp en inrichting rekening houden met windenergie (infrastructuur) Gebruik maken van waterstoftechnologie

-

-

10 11 12 13 14

geen grond van elders en grond naar elders verplaatsen Via aparte beheersorganisatie (mogelijk als onderdeel parkmanagement) ( een voorbeeld is gezamenlijke uitvoering bodemonderzoek bij nieuw ontstane verontreinigingen) Via een bedrijvenregeling Hernieuwbare energiebronnen Voorbeelden zijn zongericht verkavelen en bouwen

Thema Water Leidende principes: Waterhuishoudkundige ingrepen mogen geen belasting op regio- en terreinniveau hebben. Optimale afstemming met de bodem Gesloten watersysteem (oppervlakte en grondwater) Differentiatie van het gebruik van water Veiligheid

Duurzame maatregelen Gescheiden riolering Beperking van verhard oppervlak Afkoppelen van verhard oppervlak Gezamenlijke inkoop (drink)water Gezamenlijk gebruik watergerelateerde utilities20 Geen gebruik bestrijdingsmiddelen Infiltratie water in de bodem Gezamenlijke (biologische) (afval)waterzuivering Hergebruik afvalwater Waterberging op maat (bij hoogwater) Grondwatergebruik alleen als drinkwaterkwaliteit is vereist Toepassing waterketen op regio- en terreinniveau Herontwerp productie en –processen gericht op beperking watergebruik21 Inzicht in specifiek waterverbruik per branche/ keten22 Matching en cascadering van waterstromen tussen bedrijven op regioen terreinniveau Watertoets

De weg naar vernieuwend duurzaam Toepassing waterketen op regio- en terreinniveau (opnieuw benutten) Herontwerp van productie en –processen gericht op beperking watergebruik, zoals o.a. voor logistieke watertoepassingen Oprichting waterketenbedrijf voor realisering van gesloten industriële waterkringloop. Onderzoek infiltratiemogelijkheden proceswater Aanvoer realiseren van waterinfrastructuur voor B-water op regio- ,terrein- en perceelniveau Watergebruik afgestemd op draagkracht watersysteem Afkoppelen, niet aankoppelen van verhard oppervlak: voor nieuwe locaties Verbeterde gescheiden stelsels zonder overstort en volledige afkoppeling van hemelwater; (Gezamenlijke) toepassing van biologisch zuiveringssysteem, gericht op hemelwater, huishoudwater en relatief schoon bedrijfswater; Inzicht in specifiek waterverbruik per branche/keten

-

Grond- en hulpstoffen Leidende principes: Alleen gebruik duurzame grondstoffen (hernieuwbare grond- en hulpstoffen) Minimalisatie gebruik grondstoffen en hergebruik grondstoffen

-

Preventieteams Inzicht in aanwezige stromen op regio- en terreinniveau op regio en terreinniveau. Uitwisseling grondstoffen en beheer uitwisseling grondstoffen op regio en terreinniveau 23

-

Besparingen grondstoffen op verpakkingen28, o.a. door aangepaste vervoermethoden. Aanpassen processen gebruik grond- en hulpstoffen Grondstoffenbeheer (en afvalbeheer) als onderdeel van het KAM-systeeem.

15 16 17 18 19 20 21 22 23

Voorbeelden zijn warmtenet en een gezamenlijke persluchtinstallatie. Voorbeelden zijn restwarmte, perslucht, CO2, koude en warmteopslag Voorbeelden zijn zonnecellen, windturbines, warmtekrachtkoppeling, bio-energie, koude en warmteopslag Zoals bijvoorbeeld via parkmanagement Bijvoorbeeld met een duurzaamheidsscan Voorbeelden zijn een wasstraat, zuivering en hergebruik Zoals onder andere voor logistieke watertoepassingen Bijvoorbeeld met een duurzaamheidscan Bijvoorbeeld symbiose

22

Thema Gebruik van niet-schadelijke stoffen

Duurzame maatregelen Besparing op grond- en hulpstoffen24 Gezamenlijke inkoop grondstoffen25 Grondstoffenbeheer en (afvalbeheer) als onderdeel van het KAMsysteem. Integraal ketenbeheer26 Productgerichte milieuzorg (PMZ) Milieuproductontwikkeling Inzet secundaire grond- en hulpstoffen27

De weg naar vernieuwend duurzaam Integraal ketenbeheer vanuit symbiose-aanpak op regio- en terreinniveau Afvalmining bij hergebruik van gesloten stortplaatsen

Afvalstoffen Leidende principes: Voorkomen ontstaan afvalstoffen Voorkomen van afvalstoffen in bodem en grondwater Voorkomen van afvalstoffen/ gassen in de lucht. Scheiden van afvalstoffen Hergebruik afvalstoffen

-

Preventieteams Gezamenlijke / collectieve inzameling afval Gezamenlijke en lokale verwerking van afval Inzicht in aanwezige stromen en gebruik van grond- en hulpstoffen bij bedrijven op regio- en terreinniveau29 Integraal ketenbeheer ter voorkoming van afvalstoffen30 Productgerichte milieuzorg (PMZ) (bestaande producten) Milieuproductontwikkeling (nieuwe producten)

-

Afvalmining ikv hergebruik van gesloten stortplaatsen Integraal ketenbeheer op regio- en terreinniveau

Landschappelijke inpassing Leidende principes: Optimale afstemming op de omgeving Zonering: het juiste bedrijf op de juiste plaats Functionele clustering

-

Aanleg ecologische verbindingszones Rekening houden met inheemse flora en fauna Afstemming type en uitstraling (architectonische kwaliteit) bebouwing op en vanuit aangrenzende functies31 Verbinding van groen op bedrijventerrein en tegengaan van versnippering van groen

- Hoge gebruikswaarde van het terrein in zijn omgeving - Natuurontwikkeling is in de exploitatie van het terrein geregeld

24 25 26 27 28 29 30 31

Bijvoorbeeld op verpakkingen Bijvoorbeeld via parkmanagement aanpassingen op andere fasen en processen Ten behoeve van onder meer bedrijfshuisvesting Bijvoorbeeld door middel van aangepaste vervoersmethoden Bijvoorbeeld met behulp van een duurzaamheidscan Door middel van het aanpassen op andere fasen en processen Bijvoorbeeld woon-werk combinaties aan de rand van het terrein tegen aangrenzende woonwijken

23

Thema

Duurzame maatregelen Interne zonering (op basis van milieuhinder/ Stolpbenadering) Opstellen en hanteren van een beeldkwaliteitplan In ontwerp aandacht voor lagenbenadering Materiaalkeuze afstemmen op de beoogde levensduur Regionaal segmenteren, uitgifte afstemmen Optimale afstemming met omgeving Clusteren bedrijfscategorieën o.b.v. specifieke mogelijkheden Regionaal grondbeleid/verevening In ontwerp meer aandacht voor onderste lagen Verhogen bebouwingsgraad (floor-space-index), meerlagig bouwen Compact bouwen (intensiever ruimtegebruik) Efficiënte verkaveling afstemming van omvang kavels op doelgroep Ondergronds bouwen (parkeren, buisleidingen) Meervoudig ruimtegebruik in tijd (functiemenging) Flexibele inrichting panden en infrastructuur Meervoudig gebruik van panden en voorzieningen, zoals groenstructuur voor recreatie omwonenden Gebruik gezamenlijke/collectieve voorzieningen, zoals parkeerplaatsen, wasstraat, horeca. Gezamenlijk beheer restruimte In ontwerp flexibiliteit inbouwen t.b.v. multimodale ontsluiting Ruimtegebruik integraal onderdeel van beeldkwaliteitsplan Communicatie met betrokken partijen voor het verkrijgen van draagvlak32 Collectieve aanleg en beheer van groenvoorzieningen als integraal onderdeel van omgevingskwaliteiten op regio- en terreinniveau. Collectieve aanleg en beheer van wegen Beperken milieuhinder voor omwonenden33 Bescherming van natuurlijke en cultuurhistorische waarden Zorg voor sociale veiligheid en gezondheid Vergroten belevingswaarde van de natuur op regio- en terreinniveau34 Voldoende verlichting terrein

De weg naar vernieuwend duurzaam

Ruimtegebruik Leidende principes: Zorgvuldig ruimtegebruik op lokaal en regionaal niveau Zorgvuldig ruimtegebruik op terreinniveau

-

-

Uitgifte afstemmen op mogelijkheden tot symbiose Eerst inbreiden, intensiveren en herstructureren, dan nieuwe ruimte claimen, zoals gebruik gesloten stortplaatsen Regionaal grondbeleid, waarbij ook verplaatsing van bedrijven mogelijk is i.r.t. symbiosemogelijkheden Verhoogde ruimtelijke/architectonische kwaliteit nastreven Minimale bouwhoogten toepassen Integratie in ontwerp van windenergie, biomassa-mogelijkheden, buisleidingen (evt. combineren milieuruimte)

Leefklimaat Leidende principes: Voorkomen en beperken hinder Versterken economisch draagvlak in de kernen Beheersing veiligheidsrisico’s Behoud en vergroting van natuurkwaliteit Behoud en verbetering waterkwaliteit Goed voorzieningenniveau

-

32 Verslaglegging aan en overleg met betrokken partijen (hieronder vallen ook omwonenden) bijvoorbeeld via nieuwsbrieven of samenwerking met hulpdiensten in de regio etc. 33 Het betreft bijvoorbeeld geluid, stank, licht en horizonvervuiling 34 Bijvoorbeeld door mogelijkheden voor recreatie

24

Thema

Duurzame maatregelen Geen gebruik van bestrijdingsmiddelen Water als belevingswaarde (b.v. recreatiegebruik) Handhaving en vergroting voorzieningenniveau in regio- en op terrein35 Uitvoering, beheer en onderhoud van bovenstaande elementen Zorg voor goede arbeidsomstandigheden36 Werknemergerichte voorzieningen37 (Om/her)Scholingsmogelijkheden voor werknemers Opleidingsfaciliteiten in directe omgeving Realisatie van een speciaal voor het terrein werkend uitzendbureau (vacaturebank) Uitlenen van personeel Bereikbaarheid en toegankelijkheid Functiemenging met betrekking tot voorzieningen Gezamenlijk terreinbeheer en bewaking Aanwezigheid en toegankelijkheid hulpdiensten Werktijden afgestemd op openbaar vervoer Faciliteren startende bedrijven Calamiteitenouderschapsverlof Fiscale faciliteiten voor maatschappelijke participatie

De weg naar vernieuwend duurzaam

Werkklimaat Leidende principes: Versterking werkgelegenheid Aantrekkelijke leef- en woonomgeving Aantrekkelijke en verscheidenheid huisvestingsmogelijkheden Goede winkelvoorzieningen Snel en veilig vervoer

-

-

Mate waarin bedrijven samenwerken en gezamenlijke voorzieningen realiseren op regio- en terreinniveau

Ondernemersklimaat Leidende principes: Voldoende ruimte Gewaarborgde bereikbaarheid Beschikbaar arbeidspotentieel Aanwezige kennisinfrastructuur Beschikbaarheid grondstoffen Aantrekkelijke leef- en werkomgeving

- Aantrekkelijkheid ruimte en kwaliteit gebouwen - Hoge kwaliteit infrastructuur38 - Parkmanagement voor realiseren van collectieve voorzieningen voor productie - Zorgvuldig ruimtegebruik (zie ruimte) - Aanwezigheid voorzieningen39 - Verscheidenheid aan sectoren en bedrijven

-

Bedrijfsprocessen als integraal onderdeel van KAM-systeem op terreinenniveau bijvoorbeeld via parkmanagement Afstemming met economische omgeving bedrijventerreinen Vernieuwend is het invulling geven aan een set van aspecten op maat via samenwerkingsprocessen Bedrijvenaanpak gebaseerd op integrale benadering vanuit kapitalen.

35 36 37 38 39

Bijvoorbeeld recreatie, winkels, en dergelijke Onder andere veiligheid en hygiëne Onder andere kinderopvang, sportfaciliteiten, bancaire diensten Bijvoorbeeld voor energie, ICT, water Collectieve beveiliging, hulpdiensten, schoonmaak en een logistiek centrum

25

Thema

Duurzame maatregelen - Goed werkklimaat (zie werkklimaat) - Inzicht in gebruik en aanwezigheid van grondstoffen, producten op het terrein. - Aanwezigheid van innovatiegerichte bedrijven - Zorg voor een innovatief milieu (nabijheid kennisinstellingen/ clustering van gelijksoortige bedrijven) - Zorg voor startersfaciliteiten - Zorg voor een marktconforme grondprijs Uitwisseling van grond- , hulp- en afvalstoffen Uitwisseling van technische kennis en informatie Afstemming met economische omgeving bedrijventerreinen Gezamenlijk gebruik van voorzieningen Bedrijfsprocessen als integraal onderdeel van KAM-systeem

De weg naar vernieuwend duurzaam Aandacht voor processen op bedrijventerreinen Benchmarking op nieuwe locatie (imago) Ruimtelijke en architectonische kwaliteit Acquisitie van bedrijven vindt plaats aan de hand van de behoeften van gevestigde bedrijven op het terrein.

-

Verkeer en vervoer Leidende principes: - Verbetering verkeersveiligheid - Verbetering bereikbaarheid economische centra

-

Optimale aansluiting bij en benutting van bestaande infrastructuur Organisatie van gezamenlijk personenvervoer/ Carpoolfaciliteiten (mobiliteitsmanagement) Gezamenlijk vrachtvervoer en bundeling van vervoer Multimodale vervoersvoorzieningen: zorg voor ontsluiting via water, weg en spoor (evt. lucht) Stimuleren gebruik multimodale vervoersvormen

-

Toepassing principes van duurzaam veilig: Zorgvuldige locatiekeuze Duurzaam veilige verkeersinfrastructuur40 Voorkom onbedoeld gebruik van infrastructuur door onderscheid te maken naar functie (stroom-, ontsluitings- en erftoegangswegen) en door vermenging van functies te voorkomen Voorkom ontmoetingen met hoge snelheid- en richtingsverschillen Voorkom onzeker gedrag verkeersdeelnemers Categorisering van wegen, veilige hoofdentree 40 Bijvoorbeeld wat betreft vormgeving en gebruik afstemmen op wegfunctie

Transportbesparing, zoals volumereductie, retourstromen, beladingsgraad. Toepassing van ICT in logistieke processen. Productieketen op regio- en terreinniveau vanuit symbioseaanpak. Toepassing van dynamisch verkeersmanagement personen en goederenvervoer. Parkeren alleen op gezamenlijke voorzieningen Ondergronds transport Gezamenlijke op- en overslag

26

Thema

Duurzame maatregelen Toepassing dynamisch verkeersmanagement personen en goederenvervoer Optimale voertuiggeleiding (logische interne verkeersstructuur, goede bewegwijzering en goede aansluiting op omliggend wegennet) Hoogwaardig openbaar vervoer (Flexibele) gezamenlijke parkeervoorzieningen Buisleidingen Gezamenlijke opslag- en overslagfaciliteiten ICT-infrastructuur (breedband)

De weg naar vernieuwend duurzaam

-

27

28

4

Schaalvoordelen van clustering

4.1 Inleiding
Een vernieuwend duurzaam bedrijfsterrein schept de voorwaarden waarbinnen bedrijven hun sociale, economische en milieutechnische prestaties kunnen verbeteren ten opzichte van de bestpresterende bedrijven elders in Nederland. Om van deze voorwaarden te kunnen profiteren is de keuze van zowel de sectorale samenstelling als de geografische indeling van het terrein van belang. De gedachte is dat door middel van het bij elkaar brengen (clusteren) van de juiste bedrijven schaalvoordelen op economisch, sociaal en milieutechnisch vlak kunnen worden gerealiseerd. Dergelijke voordelen kunnen niet door individuele bedrijven worden gerealiseerd, dan alleen tegen zeer hoge kosten. Centraal staat in dit hoofdstuk een analyse op basis van recente literatuur over de voor- en nadelen van bedrijfsconcentratie op economisch, sociaal en milieutechnisch gebied. Verder wordt er aandacht besteed aan de vraag of de sectorale samenstelling van de bedrijvigheid op het bedrijventerrein hierbij een rol speelt. In het verlengde hiervan speelt vervolgens de vraag of de sectorale samenstelling die voor het ene deelaspect de meeste winst oplevert samenvalt met die voor een ander deelaspect de meeste winst oplevert. Als voorbeelden van milieutechnische schaalvoordelen kunnen onder andere het gezamenlijk verwerken van afvalstromen en het hergebruik van productiemiddelen worden genoemd. In veel gevallen is het zo dat het installeren van een waterzuiveringsinstallatie financieel niet aantrekkelijk is voor een individueel bedrijf vanwege de hoge vaste kosten die verbonden zijn aan een dergelijke investering. Vergelijkbare overwegingen spelen een rol met betrekking tot potentiële sociale baten (vooral werknemer gerelateerde investeringen). Een substantieel deel hiervan wordt gerealiseerd ongeacht de sectorale samenstelling van het bedrijventerrein. Dit geldt echter uitdrukkelijk niet voor de milieutechnische baten. Deze zijn vooral afhankelijk van synergieën in het productieproces van de op het terrein te vestigen bedrijven (en hun onderlinge samenhang, ook wel ecoindustriële symbiose genoemd). Dit betekent dat de meeste nadruk ligt bij het productieproces en minder bij de (milieu)kenmerken van het eindproduct dat wordt geproduceerd. Een duurzaam industrieterrein is dus niet noodzakelijkerwijs een zero-emission park, waar alleen dienstverlenende bedrijven zitten die in hun energievoorziening voorzien door zonnepanelen en de aanschaf van groene stroom. De belangrijkste duurzaamheidwinsten zijn te behalen door het bijeenbrengen van vervuilingsintensieve bedrijven die nu verspreid zijn over de provincie of over het hele land om vervolgens te trachten de negatieve milieueffecten van deze typen economische activiteit te verminderen. We dienen ons wel voortdurend rekenschap te geven van het feit dat vernieuwend duurzaam een integraal begrip is, dat meer omvat dan alleen de financieel-economische en milieutechnische kanten van het concentreren van bepaalde typen bedrijven op een bedrijventerrein. Nadrukkelijk dienen ook de voordelen die op sociaal gebied te behalen zijn in kaart gebracht te worden. Aan het bijeenbrengen van een bepaald type bedrijven in een regio zijn echter ook nadelen verbonden. Om te beginnen is de vraag aan de orde of het samenbrengen van bedrijven op een bepaalde locatie, negatieve gevolgen kan hebben voor economische groei. De clustering van economische activiteiten die de grootste milieuwinst oplevert, hoeft immers niet noodzakelijkerwijs ook de hoogste economische groei op te leveren. Waar het gaat om de invloed op economische groei kan de geografische nabijheid van bepaalde economische activiteiten op verschillende manieren een rol spelen. Het bestaan van 'forward and backward linkages', verbondenheid in de produktieketen speelt in dit verband een belangrijke rol. Groei van bepaalde bedrijven kan als gevolg van het bestaan van dergelijke linkages leiden tot extra vraag naar de producten van andere bedrijven. Indien geografische afstand een rol speelt in het spel van vraag en aanbod, is de locatiekeuze van bedrijven van groot belang. Locatiekeuze, en in het verlengde daarvan nabijheid van bedrijven is ook belangrijk vanuit het oogpunt van leren. Geografische nabijheid kan leiden tot kennisoverdracht over zowel de productie- als de proceskant. Dit kan direct gebeuren door (bedoelde of onbedoelde) informatieoverdracht, maar ook door de mobiliteit van werknemers tussen bedrijven. Het bijeenbrengen van bedrijven welke

29

gezamenlijk de grootste milieuwinst opleveren, hoeft niet samen te vallen met de samenstelling die de hoogste groei (via intermediaire vraag of via leereffecten) oplevert. Naast een mogelijk negatieve invloed op de economische groei kan clustering bedrijven ook blootstellen aan onzekere macro-economische ontwikkelingen en/of technische risico’s. De meeste (met name milieutechnische) voordelen kunnen worden gerealiseerd wanneer bedrijven hun productieprocessen verregaand integreren. Daardoor neemt de onderlinge afhankelijkheid van bedrijven toe. Gevolg daarvan kan zijn dat wanneer een van de bedrijven in de geïntegreerde keten in problemen komt en eventueel zelfs failliet gaat er een domino-effect kan optreden. Hiermee dient zeker rekening te worden gehouden bij de opzet van de samenwerkingsverbanden. Het integreren van bedrijfsprocessen kan ook leiden tot een situatie van lock-in. Hiervan is sprake wanneer de kosten van aanpassing van het productiesysteem vanwege de vele dwarsverbanden zo oplopen, dat zonder sterke overheidssteun nieuwe technologieën niet meer zullen worden geïmplementeerd. In het vervolg van dit hoofdstuk zal eerst ingegaan worden op de ecologische en sociale baten van bedrijfssymbiose. Vervolgens komen de financieel-economische kosten en baten aan de orde, waarna aan het eind conclusies getrokken zullen worden. Tevens zal aangegeven worden wat deze betekenen voor het Programma van Eisen.

4.2

Algemene milieuvoordelen van industriële symbiose

In de discussie over de baten van het voeren van een ruimtelijk beleid met betrekking tot bedrijfslocatiekeuze gaat veel aandacht uit naar milieutechnische voordelen van bedrijfsconcentratie. Meer specifiek is er veel onderzoek gedaan naar de schaalvoordelen van afvalverwerking en de mogelijkheden tot hergebruik van productiemiddelen of ongewenste bijproducten van het primaire productieproces (zie ook Beckers c.s. 2000). In paragraaf 4.3 zal worden vastgesteld welke algemene milieutechnische voordelen te behalen zijn door clustering van (vervuilingsintensieve) bedrijven op een bepaalde locatie. Vervolgens zal aandacht worden besteed welke bedrijven dienen te worden samengebracht om de milieuvoordelen te maximaliseren. De algemene milieuvoordelen die te behalen zijn met de inzet van duurzame bedrijventerreinen zijn onder te verdelen in twee categorieën: • het optimale gebruik van grond- en hulpstoffen (energie, water en materialen), • de minimalisatie van de hoeveelheid emissies en vaste afvalstoffen welke daadwerkelijk in het milieu terechtkomen. Het eerste type voordelen hangt dus samen met het besparen van het gebruik van productiemiddelen (hetgeen leidt tot minder verspilling en uitputting), het tweede met het voorkomen van de productie van ongewenste output zoals vervuiling en afvalstoffen. Konz en Van den Thillart (2002) noemen drie mogelijkheden waardoor deze milieuvoordelen kunnen worden gehaald op een bedrijventerrein • onderlinge uitwisseling en cascadering van energie, grondstoffen en water tussen bedrijven; • gemeenschappelijk gebruik van bedrijfsfuncties; • collectieve inzameling en afvoer van reststoffen. Onderlinge uitwisseling van energie, grondstoffen en water De onderlinge uitwisseling van energie, grondstoffen en water tussen bedrijven kan gebeuren door het ontwikkelen van cascades of door het sluiten van kringlopen. De eerste manier, cascadering, houdt in dat het gebruik van grondstoffen, water en energie loopt van hoogwaardig naar laagwaardig gebruik. Bij cascadering leveren bedrijven die hoogwaardige energie of materialen gebruiken, hun rest– en bijproducten aan bedrijven met een minder hoogwaardige behoefte. Deze bedrijven leveren op hun beurt weer aan de volgende schakel. In figuur 5 staat een schema afgebeeld van verschillende toepassingen die polycarbonaat kan doorlopen gedurende zijn gehele levenscyclus. Het idee is afkomstig van General Electric Plastics. Iedere pijl geeft een verzamel–, scheidings– of vermengings/opwerkingsstap weer. Er worden zes stadia van opwerking onderscheiden, waarna het afval uiteindelijk nog kan worden ingezet voor energieopwekking. De kwaliteit van het policarbonaat neemt met iedere volgende stap verder af.

30

Figuur 5: Voorbeeld van materiaalcascadering van policarbonaat.

Energie is bij uitstek geschikt voor het creëren van een dergelijke cascade van hoog– naar laagwaardig verbruik. Energie met een hoge temperatuur kent meer toepassingsmogelijkheden dan energie met een lage temperatuur. Door het goed schakelen van warmtevraag en –aanbod op een bedrijventerrein is de gebruikte energie dan ook veel nuttiger te besteden. Voorbeelden hiervan zijn Stoom en Gas Turbines (STEG eenheden) en Warmte Kracht Koppelingsinstallaties (WKK) waar op een zo efficiënt mogelijke manier wordt omgegaan met warmte en elektriciteit. Uiteindelijk kan de restwarmte van industriële processen vaak worden afgezet in kassen of worden gebruikt voor stadsverwarming. Cascadering is een manier om onderlinge uitwisseling van grondstoffen en water te laten plaatsvinden, een andere is via het sluiten van kringlopen. Bij de inrichting van gesloten kringlopen vindt levering, gebruik, hergebruik en zuivering plaats in dezelfde keten. Met name niet– vernieuwbare grondstoffen dienen zo lang mogelijk binnen een productieketen te worden gehouden. Gesloten kringlopen komen ook voor bij het opnieuw gebruiken van restwater als proceswater in de industrie. Gemeenschappelijk gebruik van bedrijfsfuncties Veel middelgrote bedrijven beschikken over kostbare installaties voor bijvoorbeeld de opwekking van elektriciteit, de productie van stoom, proceswater, perslucht en de zuivering van het afvalwater. Verschillende overwegingen zoals de gewenste hoeveelheid, de behoefte onafhankelijk te zijn, maar ook de continuïteit van leveranties spelen een rol bij de keuze van bedrijven om zelf een dergelijke installatie aan te schaffen, te financieren en te beheren. Daarmee wordt niet noodzakelijkerwijs een optimaal economisch en milieuhygiënisch rendement behaald. Daarvoor is het noodzakelijk om de beschikbare capaciteit volledig te benutten. Gezamenlijk gebruik van bedrijfsfuncties biedt in een dergelijke situatie schaalvoordelen die kunnen leiden tot milieuwinsten maar ook tot lagere kosten of zelfs mogelijke inkomsten (via het tegen betaling beschikbaar stellen van dergelijke installaties aan derden). Collectieve inzameling en afvoer van reststoffen Het voorkomen of verminderen van de productie van reststoffen is een belangrijke drijfveer voor het ontstaan van samenwerkingsvormen tussen bedrijven. Daardoor kan een meer verantwoorde vorm van reststoffenbeheer ontstaan, zoals bijvoorbeeld in het geval van het sluiten van reststoffencontracten of de bouw van een gezamenlijk reststoffendepot. Aansluitend op het bedrijfsniveau, wordt er dus op een hoger niveau (op bedrijfsterreinniveau) een gecoördineerde activiteit ontwikkeld. Elk bedrijf streeft vanuit haar eigen duurzaamheidsdoelstellingen apart naar de optimalisatie van productieprocessen waardoor de productie van reststoffen en emissies wordt geminimaliseerd. Samen met de andere bedrijven op het terrein kunnen dan vervolgens afspraken worden gemaakt over uitwisseling van reststoffen om deze dan weer nuttig in te kunnen zetten in het eigen productieproces waardoor op het niveau van het bedrijfsterrein de productie van reststoffen en emissies uiteindelijk verder wordt geminimaliseerd.

31

4.3 Milieuvoordelen en de sectorale samenstelling van bedrijventerreinen
Afhankelijk van de sectorale samenstelling van een bedrijventerrein kunnen de milieuvoordelen van het clusteren van bedrijven groter of kleiner zijn. Theoretisch kunnen drie vormen van clustering c.q. integratie onderscheiden worden: • horizontale integratie: dezelfde type bedrijven, of anders gezegd, bedrijven die eenzelfde product fabriceren worden geclusterd; • verticale integratie: bedrijven worden geclusterd die deel uitmaken van een specifieke productieketen; • verschillende bedrijven uit verschillende sectoren worden geclusterd. Deze laatste situatie is te vinden op reeds bestaande industrieterreinen. Horizontale integratie: het clusteren van bedrijven uit dezelfde subsector De milieutechnische voordelen die kunnen worden gerealiseerd via het clusteren van bedrijven uit dezelfde subsector liggen vooral op het vlak van het realiseren van schaalvoordelen door het gezamenlijk verwerken van afval en restproducten, maar ook door de gezamenlijke aanschaf van grote installaties als energie- en watervoorzieningen (bijvoorbeeld WKK installaties). Een goed voorbeeld van een gezamenlijke investering in de verwerking van afval betreft een centrale afvalwaterzuiveringsinstallatie. Een dergelijke investering kan om te beginnen voor de participerende bedrijven een aanzienlijke kostenreductie opleveren. Immers niet ieder bedrijf hoeft zijn eigen aparte installatie aan te leggen. Daarnaast zijn er mogelijkerwijs ook technische voordelen te realiseren. Bedrijven met een vergelijkbaar productieproces zullen naar alle waarschijnlijkheid ook afvalwater met een zelfde samenstelling produceren. Gezamenlijk zuiveren kan betekenen dat voor de technisch beste oplossing gekozen kan worden. Clusteren van bedrijven uit dezelfde subsector heeft als nadeel dat er op productieniveau weinig integratie mogelijkheden bestaan. Tenzij bedrijven ook daadwerkelijk fuseren, blijven het uiteindelijk slechts een aantal losse productie-eenheden die naast elkaar opereren. Aangezien die bedrijven ook van ongeveer dezelfde productiemiddelen gebruik maken en dezelfde output genereren, zijn de technische mogelijkheden voor verdere integratie beperkt. Verticale integratie: clustering van bedrijven die deel uitmaken van een specifieke productieketen Als bedrijven uit dezelfde keten worden samengevoegd zijn er meer mogelijkheden voor technische integratie van de verschillende productieprocessen. Ook hier geldt dat een gezamenlijk gebruik van installaties tot de (basis)mogelijkheden behoort. Hoewel bijvoorbeeld het afvalwater nu niet meer een identieke samenstelling zal hebben (aangezien het wordt voortgebracht door verschillende productieprocessen) hoeft dit voor de centrale verwerking ervan geen problemen op te leveren. In sommige gevallen kan dit zelfs voordelig zijn (het ene afvalwater neutraliseert het andere afvalwater). Clustering van bedrijven uit dezelfde keten levert als bijkomend milieuvoordeel een beperking op van emissies die samenhangen met transport. Een goed voorbeeld van de voordelen die industriële symbiose in deze vorm kan hebben, komt uit de agrarische sector. In de plannen die zijn ontwikkeld voor de zogeheten ‘varkensflats’ (grootschalige agroproductieparken op de Maasvlakte) worden varkenshouderijen en een centrale slachterij/abattoir in hetzelfde gebouw geplaatst. De omvang van de slachterij bepaalt in dit geval het aantal verdiepingen met varkens dat de totale flat telt. De mest wordt opgevangen en vergast waarbij genoeg energie vrijkomt om het gebouw zelfvoorzienend te laten zijn. Lucht wordt gefilterd en afvalwater wordt in een rietbed-filter gereinigd. Deze vorm van grootschalige agroproductieparken zijn nog lang niet in de praktijk gerealiseerd, maar geven wel aan dat er zowel financieel-economische als ecologische voordelen te realiseren zijn bij het concentreren van bedrijven uit dezelfde keten. Het clusteren van bedrijven uit verschillende sectoren Het samenbrengen van bedrijven uit verschillende sectoren zal in de praktijk verreweg het meest voorkomen. Bedrijven kunnen in een dergelijke situatie elkaars reststoffen inzetten als grondstof in hun eigen productieproces. Een van de meest bekende voorbeelden van dit type industriële symbiose is te vinden in Kalundborg, Denemarken. Op dit bedrijventerrein werken vier grote industriële ondernemingen samen: een gipsplatenfabriek, een olieraffinaderij, een elektriciteitsproducent en een farmaceutisch bedrijf. De bedrijven leveren onderling een aantal

32

producten aan elkaar onder normale leveringsvoorwaarden. Deze zijn opgesteld voor een periode 5 à 10 jaar, waarbij er voor gezorgd is dat er ook eventueel een alternatief voor leveringen mogelijk is. Van economische afhankelijk is in dit geval dat ook niet of nauwelijks sprake. Kalundborg heeft zich in de tijd ontwikkeld tot een van de eerste grootschalige industriële symbiose projecten, maar is eigenlijk niet als zodanig opgezet. Pas in een latere fase is het project herkend als zijnde een praktijkvoorbeeld van industriële symbiose. In figuur 6 wordt een schema gepresenteerd dat inzicht geeft in de in- en externe grondstofstromen in Kalundborg.

Figuur 6: Grondstofstromen in Kalundborg.

Het revitaliseringsproject van het reeds bestaande bedrijventerrein Rietvelden/De Vutter/ Veemarktkade (RiVu) bij ’s-Hertogenbosch is een voorbeeld van (een stap in de richting van) industriële symbiose in Brabant. Binnen Nederland vervult dit project een boegbeeldfunctie voor duurzame bedrijventerreinen. Samenwerking tussen bedrijven vindt plaats op het gebied van installaties, logistiek en reststofverwerking. Samenwerking op het gebied van installaties betreft watergebruik, een gezamenlijke afvalwaterzuivering en een WKK installatie. Logistieke samenwerking ligt op het vlak van het bundelen van alle transportmodaliteiten en het gezamenlijk uitbesteden aan transportondernemingen. Bedrijven hoeven dus niet zelf al hun transport te organiseren. Hierdoor zijn er mogelijkheden om gebruik te maken van extra faciliteiten, zoals een nieuw opgezette containerterminal. Ook reststoffen worden uitgewisseld tussen bedrijven, of ingezameld en centraal verwerkt. De brouwerij op het terrein vervult hierin een centrale functie zoals ook blijkt uit het reststoffenschema zoals weergegeven in figuur 7.

33

Figuur 7: Interne en externe reststromen op het bedrijventerrein Rietvelden /de Vutter (Konz en Van den Thillart 2002).

Clustering van bedrijven uit verschillende sectoren blijkt in de praktijk dus al veel voor te komen. In veel gevallen is één van de randvoorwaarden voor het succesvol benutten van de mogelijke milieuvoordelen de aanwezigheid van een (grote vestiging van een) bedrijf die een voortrekkersrol vervult bij het streven naar duurzaamheid op het bedrijventerrein.

4.4 Voorlopige conclusie over de voordelen voor het milieu
De te behalen milieuvoordelen van het clusteren van bedrijven op bedrijventerrein betreffen zowel de vermindering van de milieudruk doordat minder afvalstoffen vrijkomen als ook de vermindering van uitputting van grondstofvoorraden. Naarmate een bedrijventerrein diverser is samengesteld, lijkt er (theoretisch) meer milieuwinst te behalen. De extra te behalen milieuwinst zit hem bij dergelijk samengestelde bedrijfsterreinen vooral in de mogelijkheden om te komen tot ver(der)gaande reductie van reststoffenproductie. Een dergelijke reductie is bij een meer eenzijdig samengesteld bedrijfsterrein niet of minder mogelijk. Een opvallende constatering in het proefschrift van Konz en Van den Thillart is dat het bedrijventerrein RiVu al vergelijkbaar is met het industriële symbioseproject in Kalundborg en dat de mogelijkheden voor verdere integratie in Den Bosch groter zijn, waardoor er in de toekomst nog meer (milieu)winsten behaald kunnen worden. In hoofdstuk 3 hebben we aangegeven dat in de Telos-visie het vernieuwend duurzame karakter van bepaalde maatregelen tot uitdrukking komt in het feit dat het om maatregelen gaat die nog niet eerder op deze wijze in de praktijk zijn gebracht. Vanuit deze invulling van het begrip vernieuwend duurzaam kunnen bedrijventerreinen waar de integratie niet verder gaat dan het gezamenlijke gebruik van installaties niet gekarakteriseerd worden als ‘vernieuwend duurzaam’. Immers in de praktijk zijn er al diverse projecten gerealiseerd die veel verder gaan.

34

4.5 De sociale baten van het concentreren van bedrijven
Een duurzaam bedrijventerrein is een werklocatie waar, naast aandacht voor economische en ecologische aspecten van duurzaamheid, ook blijvend oog is voor sociale aspecten waardoor het een terrein wordt waar mensen graag werken en ondernemen. Daarnaast moeten omwonenden ervan uit kunnen gaan dat zij zich in een veilige omgeving bevinden. Deze veiligheid moet ook gegarandeerd zijn. Wanneer het gaat om de sociale dimensie als onderdeel van vernieuwende duurzaamheid op bedrijfsterreinen gaat het niet alleen om behoeften van mensen die alleen met arbeid te maken hebben. Het gaat ook om zaken als een prettige werksfeer, de mogelijkheid arbeid en zorg te combineren en een schone, veilige en leefbare omgeving. Kortom, het gaat om het welzijn van mensen. De sociale dimensie van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein is interessant voor zowel beleidsmakers als ondernemers. Het biedt nieuwe aangrijpingspunten om ook sociale doelen te verwezenlijken. Voor beleidsmakers bestaat de mogelijkheid het terrein zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor ondernemers, werknemers én omwonenden. Ondernemers kunnen door integratie van de sociale dimensie in het arbeidsvoorwaardenpakket zorgen voor een goede basis voor werving en behoud van personeel. Het maakt ondernemingen concurrerender op de arbeidsmarkt Een aantal aspecten van sociale duurzaamheid hoeft niet op het niveau van een bedrijventerreinen aangepakt te worden. Het aangrijpingspunt hiervoor ligt primair op het niveau van het individuele bedrijf. Er zijn echter ook zaken die bij een gezamenlijke aanpak tussen bedrijven, dus op terreinniveau, beter en efficiënter uitgewerkt kunnen worden. Om sociale duurzaamheid te realiseren wordt dan ook vaak de voorkeur gegeven aan samenwerkingsvormen tussen bedrijven. Daardoor kan tevens de continuïteit van de geïmplementeerde initiatieven beter gewaarborgd worden. Net als bij de ecologische kant van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein geldt dat ook met betrekking tot de sociale dimensie er via samenwerking schaalvoordelen te realiseren zijn. De mate waarin door samenwerking meer diensten tegen lagere kosten kunnen worden aangeboden, hangt af van zowel samenstelling van de economische activiteit, als van de totale werkgelegenheid op en om het terrein. De samenstelling van economische activiteit is vooral van belang voor het ontwikkelen van initiatieven op het terrein van arbeidsmarkt en scholing. Het gaat hierbij vooral om initiatieven die bijdragen aan de beschikbaarheid en kwaliteit van het benodigde personeel. Te denken valt onder andere aan een gezamenlijke vacaturebank en een opleidingscentrum. Hoewel meer algemene scholingsdoelstellingen (zoals specifieke aandacht voor kwetsbare doelgroepen op de arbeidsmarkt) ook een rol zouden kunnen spelen (een gedachte die zeker vanuit de optiek van de overheid relevant is), zal het toch vooral gaan om sectorspecifieke opleidingen. Primair belanghebbend zijn de betrokken bedrijven en haar (potentiële) werknemers. De grootste baten op het gebied van (sectorspecifieke) scholing lijken derhalve te kunnen worden gerealiseerd door het samenbrengen van bedrijven uit dezelfde sectoren. De sociale dimensie op een vernieuwend duurzaam bedrijfsterrein heeft echter niet alleen betrekking op zaken betreffende de arbeidsmarkt en scholing. Het gaat ook om de invloed van het bedrijfsterrein op het werkklimaat op het terrein en op de leefbaarheid van de omgeving. Over het algemeen gaat het hier om de beperking van de negatieve effecten van bedrijfsvoering, te denken valt aan stank- en geluidsoverlast, op leefbaarheid en volksgezondheid op en om het terrein. Het moge duidelijk zijn dat bedrijven uit de dienstensector in dit opzicht het meest wenselijk zijn. De milieu-overlast van dit type bedrijven is veelal zeer beperkt. Tegelijkertijd weten we ook (zie de vorige paragraaf) dat vestiging van bedrijven uit de dienstensector nauwelijks ecologische winst zal opleveren. Wel kan een juiste mix van vervuilingsintensieve bedrijven (die gebruik maken van uitstootbeperkende technologieën) met dienstverlenende bedrijven in combinatie met zonering van het terrein de leefkwaliteit aanzienlijk verbeteren. De totale omvang van de economische activiteiten (in werkgelegenheidstermen) lijkt in het kader van de sociale schaalvoordelen belangrijker dan de samenstelling ervan. Werknemers hebben de behoefte om steeds meer taken te combineren. Het is aan ondernemingen in het kader van vernieuwend duurzaam personeelsbeleid als onderdeel van duurzaam ondernemen om in te spelen op deze behoefte c.q. noodzaak. Door het aanbieden van kinderopvang, sportfaciliteiten en winkels op het terrein wordt inhoud gegeven aan dit beleid en wordt het

35

eenvoudiger voor werknemers de verschillende taken te combineren. Door dit samen met andere ondernemingen te doen op het bedrijventerrein kunnen op eenvoudige wijze schaalvoordelen gerealiseerd worden. Soortgelijke voordelen zijn ook te realiseren met betrekking tot een centraal wagenpark, restauratieve voorzieningen, en het centraal organiseren van woonwerk verkeer (naar de belangrijkste woonkernen in de omgeving, en de aansluiting op het openbaarvervoer net). Sociale baten hoeven overigens niet alleen op te treden op het terrein zelf. De leefbaarheid van de omgeving kan ook versterkt worden doordat het draagvlak voor voorzieningen in de gemeente of regio vergroot worden waardoor deze behouden of zelfs verbeterd kunnen worden. Ook kunnen er sociale baten ontstaan wanneer bedrijven overgaan tot actieve sponsoring van lokale en regionale organisaties. In hoeverre het samenbrengen van bedrijven vanuit ecologische en sociale doelstellingen schaalvoordelen oplevert, is afhankelijk van de compositie van de economische activiteiten (de sectorale samenstelling) en de economische schaal (gemeten in omvang van afvalstromen, of gemeten in termen van totale werkgelegenheid). Terwijl de compositie van de economische activiteiten de belangrijkste factor is voor de ecologische doelstellingen, lijkt de mate waarin sociale doelstellingen kunnen gerealiseerd, vooral af te hangen van de economische schaal.

4.6 De financieel-economische kosten en baten van bedrijfssymbiose
Wanneer de financiële kosten en baten van de sociale en milieutechnische schaalvoordelen en hergebruik tegen elkaar worden afgewogen, wijst ervaring uit dat over het algemeen de besparingen welke toevallen aan het bedrijf (in de vorm van een lagere energierekening, minder uitgaven aan water, de besparingen aan personeelskosten welke gepaard gaan met de verbetering van de werkomstandigheden) niet opwegen tegen de kosten die bedrijven dienen te maken om deze voordelen te kunnen realiseren. Spreken voorbeeld hierbij is de analyse van het succes van de warmtekrachtkoppeling. Hoewel de besparingen aanzienlijk zijn, kon WKK eind jaren ’80 en begin jaren ’90 slechts een succes worden dankzij de investeringssubsidies van de overheid enerzijds en de hoge olieprijs in die periode anderzijds. Hoewel de maatschappelijke baten van bedrijfsconcentratie ontegenzeggelijk zeer hoog zijn, zijn de baten voor de betrokken bedrijven veel lager. Daardoor hangt de daadwerkelijke realisatie van de milieutechnische en sociale voordelen veelal af van de bereidheid van de gemeentelijke, provinciale of nationale overheid de verschillende projecten te subsidiëren of op andere wijze te stimuleren (via milieubelastingen of command-and-control). Behalve maatschappelijke baten zijn er echter wellicht ook grote maatschappelijke kosten verbonden aan bedrijfssymbiose, en deze zullen in de volgende drie subparagrafen kort aan de orde worden gesteld. De economische kosten van bedrijfssymbiose als gevolg van onzekerheid Bedrijfssymbiose kan onzekerheid met zich meebrengen. Deze onzekerheid kan het gevolg zijn van de technische afhankelijkheid van de verschillende productieprocessen, maar ze kan ook het gevolg zijn van (macro-)economische tegenvallers bij samenwerkende bedrijven. Waar het gaat om de technische afhankelijkheid wordt gedoeld op het feit dat het samenbrengen en het onderling afhankelijk maken van bedrijven er toe kan leiden dat een cluster van bedrijven gevoeliger wordt voor technische storingen (en de financiële gevolgen daarvan). Dit is een kostenpost waarmee rekening dient te worden gehouden. De effecten van een tweede vorm van onzekerheid, die van worden gehouden. De onzekerheid als gevolg van (macro)economische tegenvallers, is echter dubbelzinniger van aard. In paragraaf 4.2 is het voorbeeld besproken van het hergebruik van afvalwarmte via de zogenaamde cascade van energiegebruik. Toepassing van deze methodiek leidt er toe dat de bedrijven die een laagwaardige energiebehoefte hebben, afhankelijk worden van het wel en wee van het warmteproducerende bedrijf. Een dergelijke afhankelijkheid kan leiden tot zowel hogere als lagere economische stabiliteit. Stel dat het warmteproducerende bedrijf te kampen krijgt met tegenvallers op zijn in– of outputmarkt en verliesgevend wordt. De andere afnemende bedrijven die afhankelijk zijn van zijn afvalwarmte, zullen bereid zijn gedurende een langere of kortere periode in te springen om het bedrijf gaande te houden. Dit draagt bij aan de stabiliteit van het samenwerkingsverband. Juridische stappen zijn duur, en daarom zullen de overige bedrijven bereid zijn het in nood verkerende bedrijf ‘in leven te houden’. Het warmteproducerende bedrijf zal dus gedurende een

36

iets langere tijd in staat zijn verliezen op te vangen zonder direct tot sluiting over te hoeven gaan. Indien de tegenvaller van tijdelijke aard is, draagt de onderlinge afhankelijkheid bij aan economische stabiliteit. Indien echter het warmteproducerende bedrijf uiteindelijk toch failliet gaat, komt de overleving van het gehele cluster van bedrijven in gevaar. In gevallen als deze kan het een taak zijn voor de overheid dergelijke risico’s op een efficiënte manier af te dek41 ken. Het belang van zekerheid voor de deelnemende bedrijven wordt onderstreept door het voorbeeld van Kalundborg. Daar hebben de deelnemende bedrijven om te beginnen onderlinge leveringscontracten gesloten. Verder is er tevens aandacht besteed aan het identificeren van alternatieve leveringsmogelijkheden. Als vernieuwend duurzaam impliceert dat de samenwerking tussen bedrijven nog verder dient te worden geïntensiveerd (en dus nog weer een stap verder gaat dan in Kalundborg is ondernomen), neemt de behoefte aan zekerheid toe. Een mogelijke rol voor de overheid zou er in kunnen bestaan om samen met de deelnemende bedrijven de risico’s in kaart te brengen en vervolgens (een deel van) de risico’s af te dekken c.q. te verminderen. De kosten van een dergelijke interdependentie zijn niet alleen financieel van aard, maar ook sociaal. Terwijl de meeste regio’s trachten de economische activiteit in hun gebied te verhogen zodat de werkgelegenheid in de regio niet geheel afhankelijk is van slechts enkele sectoren, leidt een dergelijke samenvoeging van bedrijven tot een verhoogde gevoeligheid van de locale economie voor conjuncturele en structurele veranderingen in de markt van slechts enkele sectoren. Aangezien echter de grootste milieuwinsten te behalen zijn door het clusteren van bedrijven uit verschillende sectoren, is dit wellicht een minder groot probleem dan indien symbiose wordt nagestreefd tussen bedrijven uit dezelfde (sub)sector. Symbiose en economische groei In de recente economische literatuur wordt gewezen op het belang van de locatiekeuze voor economische groei. De zogenaamde endogene–groeitheorie legt grote nadruk op de rol van de regionale samenstelling van economische activiteit, waarbij met name de rol van kennisvergaring en –uitwisseling wordt benadrukt. Indien kennis vooral sectorspecifiek is, zou regionale concentratie van bedrijven in een bepaalde sector kunnen leiden tot hogere groei (denk aan de computerindustrie in Silicon Valley). Indien ideeën die ontstaan in bedrijven in een bepaalde sector ook vruchtbaar kunnen worden toegepast door bedrijven in andere sectoren, kan regionale diversiteit in economische activiteit bijdragen aan economische groei (zie ook Glaeser 1999 en Van Soest c.s. 2001). Tevens kan via intermediaire leveringen de groei van een bedrijfstak een positief effect hebben op de groei van andere bedrijfstakken. Indien geografische afstand (nabijheid) een rol speelt in het spel van vraag en aanbod, is de economische samenstelling van regio’s van wezenlijk belang in het groeiproces van individuele bedrijven (zie Belleflamme c.s. 2000 en Palivos en Wang 1996). Wanneer rekening wordt gehouden met de hoogte van het loon in de regio en de bereikbaarheid van de locatie dan blijkt uit recent onderzoek (van Soest 2002) dat vervuilingintensieve bedrijven in gebieden waarin de eigen sector relatief oververtegenwoordigd is, sneller groeien dan vergelijkbare bedrijven in gebieden waarin er nauwelijks vervuilingintensieve bedrijven aanwezig zijn. Bovendien blijken er positieve spillovereffecten op te treden naar de meer dienstverlenende sectoren: vervuilingextensieve bedrijven groeien sneller in de nabijheid van vervuilingintensieve bedrijven. De bevindingen van van Soest voor Nederland komen in belangrijke mate overeen met soortgelijk onderzoek in de VS (zie bijvoorbeeld Glaeser c.s. 1992, Henderson c.s 1995) en in andere regio’s in Europa (zie bijvoorbeeld Combes 2000 voor een analyse van groei in Frankrijk). Dit suggereert dat de kosten (in termen van economische groei) van het samenbrengen van meer- en minder vervuilingintensieve bedrijven op Moerdijkse Hoek, gering zullen zijn, terwijl daar belangrijke baten in termen van sociale en milieuwinsten tegenover staan. Lock-in versus flexibiliteit in bedrijfssymbiose Hoewel de grootste duurzaamheidwinst geboekt kan worden door een zo sterk mogelijke intergratie van de productieprocessen van de deelnemende bedrijven, brengt die integratie ook met zich mee dat er een zekere mate van rigiditeit in het systeem wordt ingevoerd (zie ook
41 Het feit dat de andere deelnemende bedrijven geneigd zullen zijn bij te springen indien een bedrijf met een tegenvaller wordt geconfronteerd, kan een prikkel geven tot het kiezen van een hoog risicoprofiel van activiteiten. De baten van een risicovolle activiteit zullen immers geheel toevallen aan het bedrijf dat ze onderneemt, terwijl de kosten in geval van tegenvallende resultaten worden gedragen door het cluster van bedrijven. Ook op dat punt dient de overheid dus alert te zijn.

37

Kemp 1994). Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel een situatie waarin een infrastructuur wordt aangelegd voor een warmte-koppelingsinstallatie en waarbij de CO2 die vrijkomt bij de energieopwekking wordt benut in de glastuinbouw. In een dergelijke situatie wordt de introductie van een zero-emission technologie aanzienlijk bemoeilijkt. Immers, indien er inderdaad geen CO2 meer wordt geproduceerd, zal om te beginnen de samenwerking met de glastuinbouw op dit punt dienen te worden opgezegd. Wellicht moeten de broeikassen zelfs worden verplaatst om ruimte te maken voor nieuwe symbiotische toepassingsmogelijkheden. Ten opzichte van de situatie waarin de integratie tussen het hitteproducerende bedrijf en de glastuinbouw niet tot stand was gekomen, kunnen deze extra kosten (van opzegging van de samenwerking en mogelijke verplaatsing) substantieel zijn en de introductie van zero-emission technologieën vertragen. De afweging is hierbij dus dat bij de feitelijke opzet van het bedrijventerrein, hoe vernieuwend duurzaam dan ook, noodzakelijkerwijs de toepassingsmogelijkheden van nieuwe technologieën, welke in de toekomst beschikbaar komen, worden beperkt of in ieder geval duurder worden gemaakt. Hoe meer productieprocessen worden geïntegreerd, hoe groter de gevolgen van wijzigingen in de processen, hoe hoger de kosten van aanpassingen.

38

5

Moerdijkse Hoek in regionale context

5.1 Niet alleen een bedrijventerrein
Om tot een afgewogen beoordeling te komen van de regionale consequenties van de komst van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek moet om te beginnen gekeken worden naar de effecten voor de directe omgeving. Bij het uitvoeren van een dergelijke beoordelende analyse is het van belang om de komst van Moerdijkse Hoek niet geïsoleerd te bekijken, niet als een op zich zelf staand iets te beschouwen maar nadrukkelijk te relateren aan andere ontwikkelingen die in de regio plaatsvinden. Naast de komst van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek en de aanleg van een glastuinbouwgebied, is er nog een zestal grootschalige projecten, dat in de directe nabijheid van de geplande locatie zal worden uitgevoerd. Hoewel deze zes projecten in principe losstaan van het bedrijventerrein, dienen uit oogpunt van duurzaamheid de regionale consequenties en interacties te worden meegenomen. De waardering van de impact van het bedrijventerrein is mede afhankelijk van de andere majeure ingrepen in het gebied. Dat betekent dat het cumulatieve effect van al die grootschalige projecten, inclusief het bedrijventerrein zelf, dient te worden geanalyseerd. Behalve Moerdijkse Hoek en het glastuinbouwgebied, staan de volgende ruimtelijke ontwikkelingen op stapel in de regio Moerdijk-Zevenbergen: • de A16 wordt tussen de Moerdijkbrug en knooppunt Galder verbreed naar 2x3 rijstroken; • op het grondgebied van Moerdijk wordt, ten oosten van de A16, de HSL aangelegd; • in het Hollandsch Diep en/of het oostelijk deel van het Haringvliet komt een depotruimte voor verontreinigde baggerspecie; • intensivering van het gebruik van goederenspoorlijn ‘lijn 11’. Om de verwachte groei van het goederenvervoer per spoor op te kunnen vangen, worden de mogelijkheden onderzocht om de spoorcapaciteit van de verbinding Rotterdam-Antwerpen (de zogenoemde lijn 11) te vergroten. Vergroting van de capaciteit betekent een intensiever gebruik van het tracé dat door de kern Zevenbergen loopt. Er zijn diverse varianten in studie om het spoorwegtracé om de kern heen te leiden; • aansluitend op het bestaande bedrijventerrein Koekoek (ten noordoosten van de kern Zevenbergen) wordt een nieuw terrein ontwikkeld, bestemd voor kleinschalige, lokale bedrijven die weinig hinder veroorzaken; • tussen de kern Zevenbergen en de Markdijk is een uitbreidingsgebied van 700 woningen gepland (Bosselaar). De ontwikkeling van het vernieuwend duurzame bedrijventerrein Moerdijkse Hoek heeft niet alleen gevolgen voor de directe omgeving van het terrein. Een van de centrale gedachten (zie bijv. ook het Streekplan 2002) is dat Moerdijkse Hoek ruimte moet bieden voor de vestiging van bedrijven van buiten Brabant en van bedrijven, die vanwege hun aard, schaal en functie niet (langer) passen in het landelijk gebied. Bovendien wordt hier ruimte geboden aan bedrijven die, gelet op omvang, milieuhinder of behoefte aan diep vaarwater, bijzonder eisen stellen, waaraan in de stedelijke regio’s niet tegemoet kan worden gekomen. Beoogd werd om daarmee elders in West-Brabant ruimtewinst en milieuwinst te boeken. In de visie van de provincie heeft Moerdijkse Hoek nadrukkelijk een regionale en zelfs boven-regionale betekenis. Duidelijk is dat, naast het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling en welvaart, een deel van de “winst” elders in de regio en daarbuiten moet worden gerealiseerd. Winst die zich manifesteert in de vorm van milieuwinst (reductie van de negatieve externe effecten) en ruimtewinst. Ruimte die vervolgens weer gebruikt kan worden om ter plekke duurzame economische ontwikkeling te bevorderen. Op zichzelf is de redenering van de provincie legitiem. Van belang daarbij is wel, en dat bepaalt in belangrijke mate het maatschappelijke draagvlak voor de keuzes die gemaakt worden, of de kosten-baten verhouding ook op lokaal niveau positief uitvalt. Anders geformuleerd: het kan niet zo zijn dat de kosten vooral ten laste komen van de directe omgeving van Moerdijkse Hoek en de baten elders gerealiseerd worden. Een element dat in de voorstudies vooralsnog ontbreekt is kennis van de aard en omvang van de baten die de provincie elders in de regio, dan wel daarbuiten denkt te kunnen realiseren. Het verdient aanbeveling om deze baten zo concreet mogelijk te benoemen, teneinde alle belanghebbenden in staat te stellen tot

39

een meer afgewogen oordeel te komen. Overwogen zou kunnen worden om, naar analogie van de Brabantse Duurzaamheidbalans, voor West-Brabant een integraal overzicht te maken van de beoogde duurzame ontwikkeling van de regio. De volgende paragraaf geeft een inventarisatie van de gevolgen van de implementatie van deze zes grootschalige projecten voor de regio. In de derde paragraaf zullen de implicaties voor de gevolgen van de tenuitvoerlegging van Moerdijkse Hoek (eventueel in combinatie met glastuinbouw) in de regio worden uitgediept. In de vierde paragraaf wordt kort ingegaan op het voor duurzame ontwikkeling benodigde draagvlak voor Moerdijkse Hoek, en conclusies zullen worden getrokken in de vijfde paragraaf.

5.2 Gevolgen voor de leefomgeving van de zes grootschalige projecten
De Wooneffectrapportage gemeente Moerdijk, opgesteld door BRO in opdracht van twee Moerdijkse woningcorporaties en Aedes, de Vereniging van Woningcorporaties (BRO 2001) geeft een systematisch overzicht van de gevolgen van de grootschalige projecten voor de woon- en leefomgeving in en rond de kernen Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek, Moerdijk en 42 Klundert. De WER concludeert dat de gezamenlijke effecten van alle ontwikkelingen op de leefbaarheid in de kernen Zevenbergen en Moerdijk het grootst zullen zijn. Bovendien wijst de WER op het belang van het cumulatieve effect van de majeure ingrepen in de regio, dat extra druk kan leggen op de (beleving van de) kwaliteit van wonen en leven. Een van de belangrijkste knelpunten die de WER signaleert is de bereikbaarheid van de regio. Van de onderzochte kernen hebben met name Zevenbergen en Zevenbergschen Hoek te maken met knelpunten in de verkeersinfrastructuur. Er is sprake van problemen rond doorstroming, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Los van de andere grootschalige ontwikkelingen is de huidige situatie al zo klemmend dat de gemeente een studie heeft laten verrichten naar een nieuwe wegenstructuur. Deze gaat uit van een nieuwe noordelijke en oostelijke rondweg rond de kern Zevenbergen. De ontsluiting van bedrijventerrein Koekoek zal via de provinciale wegen plaatsvinden. Daardoor zal de verkeersdruk op deze wegen, die al hoog is, toenemen. Ook de bouw van de woonwijk Bosselaar zal bijdragen aan een toename van de verkeersstromen. In het kader van de verbreding van de A16 wordt het knooppunt Moerdijk aangepast (zodat de bestaande, sterk overlast bezorgende verbinding tussen de A16 en A17 komt te vervallen). De verwachting is dat daardoor de doorstroming verbetert en het sluipverkeer zal afnemen. In het Concept integraal programma van eisen voor het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek (Kernteam Moerdijkse Hoek 25 juli 2002: 28) wordt overigens de verwachting uitgesproken dat de verbreding van de A16, zoals die momenteel wordt uitgevoerd,niet voldoende zal zijn om de knelpunten daar volledig weg te nemen. De A16 zal tussen knooppunt Zonzeel en Dordrecht (inclusief de brug over het Hollandsch Diep) verbreed moeten worden naar 2x4 rijstroken. Er is een nieuwe brug over het Hollandsch Diep nodig en de aansluiting van de A17 op de A16 bij knooppunt Klaverpolder dient te worden verbreed. De aanleg van de HSL impliceert dat bestaande wegverbindingen met het gebied ten westen van Zevenbergschen Hoek komen te vervallen. De verminderde bereikbaarheid zal gedeeltelijk worden opgevangen door nieuwe verbindingswegen ten noorden en ten zuiden van het dorp. De vraag is echter of deze ingrepen afdoende zullen zijn. De belangrijkste overige gevolgen van de zes majeure ingrepen in de regio zijn een versterkt gevoel van onveiligheid (de intensivering van het goederenspoor ‘lijn 11’), en een grotere kans op vervuiling (de baggerspecieberging in het Hollands Diep/Haringvliet) en geluidsoverlast (van de verbrede A16, de HSL, het goederenspoor).

42 Deze vier kernen zijn gekozen, omdat verwacht wordt dat die met name de effecten zullen ondervinden.

40

5.3 De regionale economische, ecologische en sociale gevolgen van Moerdijkse Hoek
De meningen over nut en noodzaak van de aanleg van Moerdijkse Hoek lopen sterk uiteen: bevolking en gemeente zijn fel tegen, terwijl het bedrijfsleven bij monde van de Kamer van Koophandel West-Brabant (zie ook de reactie op het onderzoek van Buck Consultants International uit 2002) grote voorstander is. Het is ook buitengewoon complex om in de wir war van onderzoeken een heldere lijn te ontdekken te meer daar uitgangspunten en accenten van de studies verschillen, ze slechts een deel van de problematiek in kaart brengen, ze soms betrekking hebben op verschillende periodes, ze verschillende rekenmethodes hanteren etc. Voor en tegenstanders van de plannen hebben dan ook de neiging om selectief gebruik te maken van de studies ter ondersteuning van het eigen standpunt dan wel om het standpunt van de andere partijen te bestrijden. De verschillen in uitkomsten bieden daartoe ook alle mogelijkheden. Doorvertalen van de uitkomsten van een onderzoek van het NEI (2000) naar de “Economische betekenis en perspectieven van Dintelmond” naar de plannen voor Moerdijkse Hoek roept de vraag op of het financieel-economisch belang van de gemeente bij de tenuitvoerlegging van Moerdijkse Hoek wel zo groot is als verwacht. Uitgaande van de veronderstelling dat de samenstelling van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek niet al te zeer zal afwijken van die van Moer43 dijk, kan becijferd worden dat de toegevoegde waarde van het terrein redelijk beperkt zal zijn. Op het bedrijventerrein Moerdijk (dat 1.170 hectare beslaat) werken gemiddeld 4 mensen per hectare. De toegevoegde waarde per hectare bedraagt ƒ 500.000.-. Op andere grotere bedrijventerreinen in West-Brabant is de toegevoegde waarde per ha. ten minste 5 maal zo hoog. Ook qua omvang van de werkgelegenheid per ha. scoort Moerdijk aanzienlijk slechter. Deze ligt een factor 5 lager dan op het daarna slechtst presterende bedrijfsterrein. Een belangrijke oorzaak hiervoor kan de relatief lage bezettingsgraad van Moerdijk zijn, iets waarmee ook bij de uitgifte van Moerdijkse Hoek terdege rekening gehouden dient te worden. Dat de potentiële baten van Moerdijkse Hoek echter veel aanzienlijker kunnen zijn, kan worden afgeleid uit een studie van de BMF (1999): normaal werken er zo’n 100 tot 110 mensen per hectare op bedrijventerreinen in Brabant, in West-Brabant slechts zo’n 50 (FNV 2000: 9 en 11). Hoewel de WER zich verder niet uitspreekt over het verwachte economisch rendement van Moerdijkse Hoek, schat zij de werkgelegenheidseffecten toch redelijk hoog in. Ze verwacht dat er door de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek circa 2.500 arbeidsplaatsen bij komen in de gemeente Moerdijk, een toename van zo’n 15%. Hierbij moet wel aangetekend worden dat de neiging bestaat zich qua werkgelegenheidseffecten rijk te rekenen. Een van de doelen van de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek is juist ruimte te bieden aan bedrijven die om wat voor reden dan ook (te krappe ruimte, milieuhinder etc.) verplaatst dienen te worden. Een en ander betekent dat een deel van de werkgelegenheidsgroei in Moerdijkse Hoek niet meer is dan verplaatsing van werkgelegenheid van elders. In de discussie over de noodzaak van Moerdijkse Hoek in relatie tot de verwachte werkgelegenheidseffecten speelt zowel de vraag of deze werkgelegenheidsgroei wel gewenst is, en zo ja, of deze werkgelegenheidstoename niet op een andere manier of beter gezegd op een andere plaats kan worden bewerkstelligd. Wat betreft het eerste punt – de wenselijkheid van groei van de werkgelegenheid – hebben de drie Zuidelijke Provincies (1999) berekend dat in de periode tot aan 2004 er een tekort is aan werknemers in Zuid Nederland van zo’n 250.000 werknemers. Hiertegenover staat een arbeidsreserve van zo’n 130.000 mensen (FNV 2000: 8 en 32-34). Op grond van deze cijfers zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de ‘ruimere regio Zuid-Nederland’ op het moment van vooruitberekenen niet zo’n grote behoefte zou hebben aan zo’n 2.500 extra arbeidsplaatsen. In het verlengde hiervan is dan vervolgens de conclusie gewettigd dat er niet zoveel behoefte is aan extra bedrijventerreinen vanuit het oogpunt van werkgelegenheidscreatie. De vraag is, er vanuitgaande dat de berekeningen en veronderstellingen kloppen, of een dergelijk standpunt op dit moment nog wel langer houdbaar is. Immers, de vooruitberekingen vonden plaats ten tijde van de hoogconjunctuur eind jaren negentig. Op dat moment was er duidelijk sprake van
43 De vraag is echter of deze veronderstelling wel houdbaar is gezien de ideeën die er leven omtrent de soort bedrijven die zich op Moerdijkse Hoek zouden moeten vestigen (passend binnen het profiel van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein). Daarnaast is ook het beleidsuitgangspunt dat de ruimte zo intensief mogelijk benut dient te worden in dit verband relevant. Op basis van het streekplan is een afsprakenkader gemaakt voor heel Noord-Brabant om te komen tot een intensiever gebruik van de ruimte van 30%.

41

een oververhitting van de Brabantse economie en steeg de vraag naar arbeid ver uit boven het aanbod op de arbeidsmarkt. Tegen deze achtergrond is een zekere mate van terughoudendheid waar het gaat om de vraag naar extra ruimte voor bedrijventerreinen zeker te rechtvaardigen. De economische situatie en die op de arbeidsmarkt in Brabant is in een relatief kort tijdsbestek sterk gewijzigd. Op dit moment wordt de Brabantse economie getroffen door een forse recessie. De werkgelegenheid, zeker in de industrie, loopt sterk terug en daarmee neemt de behoefte aan vervangende werkgelegenheid toe. Door Buck Consultants International is recent onderzoek verricht naar “de behoefte, nut en noodzaak van een grootschalig en vernieuwend duurzaam bedrijventerrein met zeehavenfaciliteiten in de zogenaamde Moerdijkse Hoek in West-Brabant” (BCI, 2002). In dit onderzoek wordt zowel aandacht besteed aan de lange termijnontwikkelingen op de arbeidsmarkt (periode tot 2020) alsook aan de vraag of Moerdijkse Hoek persé noodzakelijk is of dat de ruimtebehoefte ook elders in West-Brabant gevonden kan worden. BCI komt, op grond van CPB- en Etin-prognoses voor de lange termijn ontwikkelingen aan de vraag en aanbodzijde van de arbeidsmarkt in West-Brabant, tot de conclusie dat er extra arbeidsplaatsen nodig zullen zijn om de groei van de beroepsbevolking vooral in de periode tot 2010 op te kunnen vangen. De verwachting is dat na 2010 de groei van de beroepsbevolking zal afnemen als gevolg van ontgroening en vergrijzing (BCI, 2002: pag. 20 en 21). Wordt gekeken naar de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen dan verwacht BCI op de lange termijn een aanzienlijk tekort in West-Brabant oplopend van 832 ha. in de minimum-variant tot 1347 ha. in de maximum-variant. Intensivering van het ruimtegebruik en revitalisering kunnen wat ruimtewinst opleveren en daarmee een deel van dit tekort wegwerken. Buck verwacht dat er op deze wijze zo’n 10% ruimtewinst geboekt kan worden. Per saldo blijft er echter een fors tekort bestaan. Overigens zij hierbij aangetekend dat de provinciale ambities op het terrein van zuiniger ruimtegebruik veel verder reiken. In het op basis van het Streekplan gemaakte afsprakenkader wordt uitgegaan van een intensiever ruimtegebruik van 30%. Gegeven de verwachte werkgelegenheidsbehoefte in West-Brabant gezien de ontwikkeling van de beroepsbevolking, het grote tekort in West-Brabant aan bedrijventerreinen en de unieke karakteristieken van Moerdijkse Hoek is BCI van mening dat Moerdijkse Hoek ontwikkeld dient te worden. Waar het gaat om het bepalen van de uiteindelijke omvang van Moerdijkse Hoek onderscheidt BCI twee ruimtelijke strategieën: a. Ruimtelijke status quo strategie: bij deze strategie wordt er vanuit gegaan dat het marktaandeel van het industrieterrein Moerdijk maatgevend is voor dat van Moerdijkse Hoek. In dat geval zou Moerdijkse Hoek in omvang variëren van 210 ha in de minimum-variant tot 315 ha in de maximum-variant. Bij deze strategie zal er wel elders in West-Brabant ruimte gereserveerd moeten worden voor bedrijventerreinontwikkeling. b. Ruimtelijke concentratiestrategie: bij deze strategie wordt er na gestreefd ruimtelijke versnippering tegen te gaan en wordt er optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden van Moerdijkse Hoek. In de minimum-variant betekent dit een bedrijfsterrein van 525 ha, in de maximum-variant 805 ha. Duidelijk is dat Moerdijkse Hoek gaat concurreren met andere locaties in de Rijn-Schelde Delta. Dat geldt in het bijzonder met Rijnmond (de Tweede Maasvlakte), het Sloegebied en de regio Antwerpen. Het gaat hier, net als bij Moerdijkse Hoek, om grootschalige, multimodaal ontsloten locaties die geschikt zijn voor (grootschalige) bedrijven in de hogere milieucategorieen. BCI is van mening dat de centrale ligging in de Rijn-Schelde Delta een belangrijk concurrentieel voordeel is voor Moerdijkse Hoek. Daar komt bij dat Moerdijkse Hoek ook en allereerst bedoeld is voor de verplaatsing van regionale bedrijven die op hun huidige locatie of uit hun jasje groeien dan wel niet (meer) op hun plaats zitten. Voor deze bedrijven zou verplaatsing naar Rijnmond, het Sloegebied of de regio Antwerpen geen alternatief zijn. Een deel van de ruimte is ook bedoeld voor (inter)nationale bedrijven die zich nieuw zouden vestigen in West-Brabant. Op dit punt lijkt enige relativering op zijn plaats, zeker waar het gaat om internationale bedrijven. Hoewel Brabant nationaal nog steeds een van de koplopers is als het gaat om directe buitenlandse investeringen is het aantal investeringen van buitenlandse bedrijven in de afgelopen jaren zowel in aantal als in volume fors teruggelopen. De recessie, maar ook de instabiele geo-politieke situatie naar aanleiding van 11 september 2001 zijn in belangrijke mate debet dat internationale bedrijven zich terughoudend opstellen om elders in de wereld te investeren. Dat geldt in het bijzonder voor Amerikaanse bedrijven.

42

West-Brabant zelf schat de behoefte aan grond voor de zware industrie in 2010 op 124 hectare, nog steeds beduidend lager dan het geplande bruto terreinoppervlak dat Moerdijkse Hoek zou gaan beslaan; tevens is er nog veel onuitgegeven grond beschikbaar (NEI 2000; zie ook FNV 2000: 18). De onteigening van uitgegeven doch nog steeds braakliggende grond op bestaande bedrijventerreinen is wellicht juridisch niet haalbaar (en heeft tevens negatieve gevolgen heeft voor de reputatie van de lagere overheid als ‘zakenpartner’), maar deze juridische realiteit lijkt onvoldoende duidelijk gecommuniceerd naar de verschillende direct belanghebbenden. Behalve de mogelijke economische baten, zijn er wellicht ook milieutechnische en sociale baten. Een toename van het aantal inwoners en het aantal arbeidsplaatsen verhoogt het draagvlak voor voorzieningen en voor het verenigingsleven. Ook aan de te verwachten grotere diversiteit aan bedrijven binnen de gemeente zijn baten verbonden in die zin dat de lokale bedrijvigheid minder afhankelijk wordt van slechts enkele sectoren, hetgeen de regionale economische stabiliteit ten goede komt. De WER concludeert dat de kern Moerdijk door de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek en/of het kassengebied compleet zal worden ‘omsingeld’. De mogelijke onveiligheid en het onveiligheidsgevoel zullen toenemen, terwijl de ‘totale’ isolatie van de rest van de gemeente de sociale samenhang en de sociale contacten sterk onder druk zet. De voorzieningen in Zevenbergen (waarop inwoners van Moerdijk zijn aangewezen) worden minder goed bereikbaar, het woonen leefklimaat zal door de mogelijke toename van visuele, stank en geluidhinder verder afnemen. Verwacht mag worden dat de implementatie van Moerdijkse Hoek, met name wanneer er zich vervoersintensieve bedrijven vestigen (zoals transport- en distributiebedrijven; zie het Buckrapport), de bereikbaarheid van de regio slechts zal doen afnemen, met alle negatieve gevolgen voor de lokale bevolking en voor de reeds bestaande bedrijven aldaar. De WER schat dat de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek leidt tot een toename van het aantal motorvoertuigen met 10.000 per etmaal. Daar komt nog bij dat wanneer de verplaatsing van bedrijven uit de regio naar Moerdijkse Hoek daadwerkelijk succesvol verloopt het woon-werkverkeer in de regio alleen maar zal toenemen. Verwacht mag immers worden dat bij een intra-regionale verplaatsing van bedrijven de werknemers die reeds in de regio woonachtig zijn niet zullen meeverhuizen. De toename van de werkgelegenheid zal ertoe leiden dat een deel van de nieuwe werknemers woonruimte zal zoeken binnen de gemeente, hetgeen gevolgen heeft voor de druk op de woningmarkt. Als effecten op de woonomgeving noemt de WER een toename van het (subjectieve) onveiligheidsgevoel en van de veiligheidsrisico’s, een toename van de geluidhinder (als er grote ‘lawaaimakers’ komen moet een geluidszone worden vastgesteld; daarbuiten mag de waarde van 50 dB(A) niet worden overschreden. De 50 dB(A)-contour gaat waarschijnlijk over de kernen Moerdijk en Zevenbergen heen lopen), een toename van de stank (als procesindustrie wordt toegestaan) en visuele hinder. Indien Moerdijkse Hoek inderdaad wordt benut voor zware industrie uit de milieuhindercategorieën 5 en 6 (FNV 2000: 23), kunnen daar wellicht uit maatschappelijk oogpunt grote winsten worden geboekt, maar de negatieve gevolgen voor de leefbaarheid in de vier kernen zullen dan des te groter zijn. Ten slotte verwacht de WER dat de recreatieve mogelijkheden minder worden vanwege het verdwijnen van landschappelijke waarden.

5.4 Inschatting van het draagvlak voor Moerdijkse Hoek
Hoewel in eerste instantie de meeste betrokken partijen het initiatief steunden, lijkt de gemeente Moerdijk niet langer overtuigd van het belang van het bedrijventerrein voor de regio. Daarbij hebben de conclusies uit de WER een belangrijke rol gespeeld. De provincie ziet Moerdijkse Hoek nog immer expliciet als een bovenregionaal bedrijventerrein, dat de belangen van de gemeente (en zelfs gedeeltelijk die van de provincie) overstijgt. Provinciale Staten hebben op 22 februari 2002 Brabant in balans, het Streekplan Noord-Brabant 2002, vastgesteld. Daarin is voor het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk/Moerdijkse Hoek een ruimtebehoefte van 750 ha opgenomen. Meer concreet zegt het Streekplan hierover (Provincie Noord-Brabant 2002: 79): ‘In de stedelijke regio’s, op het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk en op het toekomstige bovenregionale bedrijventerrein Moerdijkse Hoek moet het merendeel van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen worden opgevangen. De stedelijke regio’s hebben daarbij niet alleen de taak om de groei van hun eigen bedrijvigheid op te van-

43

gen. Zij moeten ook ruimte bieden voor de vestiging van bedrijven van buiten Noord-Brabant en van bedrijven die vanwege hun aard, schaal of functie niet (langer) passen in de landelijke regio’s. Op het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk en het toekomstig bovenregionale bedrijventerrein Moerdijkse Hoek kunnen dergelijke bedrijven ook terecht. Bovendien wordt hier ruimte geboden aan bedrijven die – gelet bijvoorbeeld op hun omvang, milieuhinder of hun behoefte aan diep vaarwater – bijzondere vestigingseisen stellen waaraan in stedelijke regio’s niet tegemoet kan worden gekomen.’ Deze formulering maakt duidelijk dat de provincie Moerdijkse Hoek ziet als een bovenregionaal bedrijventerrein, bedoeld voor de opvang van de groei van de bedrijvigheid uit de ‘eigen’ stedelijke regio (dat zijn Bergen op Zoom-Roosendaal en Breda-Tilburg), voor bedrijven van buiten Brabant, voor bedrijven die vanwege hun aard, schaal of functie niet (langer) passen in een landelijke regio en voor bedrijven met bijzondere vestigingseisen (bijvoorbeeld door hun omvang, milieuhinder of behoefte aan diep vaarwater). Hoewel de provincie dus vooral hamert op de bovenregionale baten van MH, lijkt het draagvlak bij de gemeente langzamerhand af te kalven. In het voorjaar van 2000 heeft de gemeente Moerdijk het initiatief genomen voor een sociale toekomstvisie (de WER was een van de bouwstenen van deze visie). Het initiatief werd financieel ondersteund door de provincie Noord44 Brabant, uit het provinciale project ‘Brabant tussen ontgroening en vergrijzing’. Een van de producten is het Scenario Moerdijk 2020, dat op 28 februari 2002 is vastgesteld door de gemeenteraad van Moerdijk. Daarin wordt geschetst hoe de gemeente Moerdijk er op maatschappelijk terrein in 2020 uit zou kunnen zien. Het scenario vormt de basis voor beleidskeuzes en voor het opstellen van dorpsplannen voor alle elf kernen van de gemeente. Het scenario gaat ervan uit dat de aanleg van Moerdijkse Hoek niet doorgaat. Zowel de bevolking als de lokale politiek hebben de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek afgewezen. Daarmee ziet de gemeente bewust af van mogelijke compenserende maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van extra woningbouwmogelijkheden. De gemeente zoekt haar ontwikkeling in een geheel andere richting. Het Scenario Moerdijk 2020 geeft de volgende karakteristiek van de gemeente (Gemeente Moerdijk 2002: 21): ‘Moerdijk propageert zich in 2020 onder de slogan “Moerdijk, het groene alternatief” als een groene woongemeente. Het accent ligt op het behoud en de versterking van de open ruimten voor landbouw, natuur en recreatie. Hiermee is tussen Rotterdam en Breda een grootschalige groene geleding ontstaan. Het contrast met de verstedelijking benoorden het Hollandsch Diep en in de stedenband Breda-Roosendaal in het zuiden is kenmerkend voor Moerdijk. De ontwikkeling van economische waarden en potenties blijft beperkt tot het revitaliseren van bestaande industrieterreinen en de kleinschalige ontwikkeling van vooral ambachtelijke industrie rond de hoofdkernen. De open ruimten bieden mogelijkheden voor grondgebonden landbouw. Glastuinbouw is beperkt tot de bestaande concentraties.’

44 De provincie ondersteunt de gemeente Moerdijk bij de realisatie van haar ambities op het terrein van een duurzaam sociaal beleid, in het bijzonder het behouden van de leefbaarheid van met name de kleine kernen. Een integrale aanpak is daarvoor noodzakelijk, omdat ook duidelijk raakvlakken bestaan met de ruimtelijk/fysieke en economische ontwikkelingen van de gemeente. De provincie heeft middelen beschikbaar gesteld voor de interactieve fase, voor het toekomstscenario en voor de dorpenplannen (provincie Noord-Brabant 2001: 9).

44

6

Een vernieuwend duurzaam proces

6.1 Inleiding
Het uiteindelijk streven van de provincie Noord-Brabant is te komen tot een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek. De vraag die in dit hoofdstuk centraal staat is: hoe kunnen de planprocessen voor Moerdijkse Hoek zo worden ingericht dat ze Vernieuwend Duurzaam zijn? Dit hoofdstuk is gebaseerd op onderzoek door TNO naar condities, die het totstandkomen en verder ontwikkelen van duurzame bedrijventerreinen in de praktijk belemmeren of bevorderen. De bevindingen passen in de meer algemene opvattingen over interactieve beleidsontwikkeling. Er wordt ingegaan op de succes- en faalfactoren rondom het proces en de organisatie van duurzame bedrijventerreinen Verder wordt een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een operationeel referentiekader, met behulp waarvan de betrokken partijen de duurzame ontwikkeling van Moerdijkse Hoek kunnen beoordelen en verbeteren. Er heeft, zowel door TNO als door Telos, geen concreet evaluerend onderzoek plaatsgevonden naar de wijze waarop het proces rond Moerdijkse Hoek tot dusver is verlopen. Een dergelijk onderzoek zou nuttig zijn. Zeker omdat uit voorgaande hoofdstukken gebleken is hoe belangrijk bij een integrale, regionale aanpak transparantie en een breed draagvlak zijn. Dit speelt des te meer wanneer gekozen wordt voor een dynamische ontwikkelingsbenadering in plaats van een traditionele planningsbenadering.

6.2 Succes- en faalfactoren met betrekking tot organisatie en proces bij de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen
In eerder onderzoek van TNO naar faalfactoren en oplossingsrichtingen voor de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen is geconstateerd dat het merendeel van de faalfactoren betrekking heeft op organisatie en proces [Ekelenkamp, Roelofs, 2001]. Voorbeelden van dergelijke faalfactoren zijn: • Lange doorlooptijd, trage voortgang van het project en het ontbreken van concrete resultaten; • het ontbreken van een organisatiestructuur waarin de verantwoordelijkheid over de voortgang en het budget bij iemand zijn neergelegd; • onduidelijkheid in communicatie of afspraken; • gebrek aan betrokkenheid, draagvlak en vertrouwen. Voor het project Moerdijkse Hoek ligt de focus op de succes- en faalfactoren met betrekking tot proces en organisatie. Succes- en faalfactoren zijn in feite randvoorwaarden waaraan het proces van de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein volgens de betrokkenen moét voldoen om goed te verlopen. Om zicht te krijgen op wat voor randvoorwaarden het dan gaat voor Moerdijkse Hoek zijn in de volgende tabel voorbeelden van succes- en faalfactoren op het gebied van proces en organisatie uitgezet tegen de verschillende, vooral ruimtelijke, vraagstukken die spelen op regionaal en terreinniveau. De volgende vraagstukken worden onderscheiden: • Segmentering/clustering; • Regionaal grondbeleid; • Grondclaims en werkelijk benodigde grond voor bedrijven; • Gezamenlijke acquisitie lokale overheden voor bedrijventerreinen; • Handhaving vestigingsbeleid. Het zij nogmaals benadrukt, de voorbeelden van succes- en faalfactoren uit de tabel zijn voorbeelden ontleend aan eerder door TNO verricht onderzoek. Het betreft dus geen beoordeling door TNO en Telos van wat zich feitelijk tot nu toe rondom Moerdijkse Hoek heeft voorgedaan. Een dergelijke analyse is in onze ogen wel noodzakelijk.

45

Voorbeelden van succes- en faalfactoren voor de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein in relatie tot vraagstukken op terrein- en regionaal niveau
Succes- & faalfactoren Type vraagStukken Segmentering/ clustering FF: Veel verschillende actoren met veel verschillende belangen. Niet expliciet bekend bij gemeente welke bedrijven zich willen vestigen op het BT FF: Bedrijven worden niet betrokken in de planvorming voor het BT (omdat ze niet expliciet bekend zijn bij gemeente en provincie). FF: Vestiging bedrijven wordt niet regionaal afgestemd op operationeel niveau. Marketing gericht op bedrijven wordt niet of nauwelijks afgestemd op plannen voor segmentering/clustering. SF: De afdelingen Economische Zaken en Grondzaken van verschillende gemeenten stemmen de vestiging van bedrijven met elkaar af. Marketing gericht op bedrijven is afgestemd op plannen voor segmentering en clustering. FF: Er is niet geïnvesteerd in het vooraf vastleggen van afspraken over segmentering en clustering, en het plannen hiervan. Het ontwikkelingsproces van het DBT wordt vertraagd doordat zaken onduidelijk zijn. Het type proces Betrokkenheid/ Draagvlak/vertrouwen Heldere/duidelijke communicatie Doorlooptijd en voortgang project/proces

SF: Expliciteren en managen van belangen van de verschillende actoren gedurende het proces. Van tevoren onderzoek doen naar de vraag van bedrijven (in de regio) en mede op basis daarvan een segmentering en clustering voorstellen.

SF: Van tevoren onderzoek naar vraag van bedrijven (in de regio) en geïnteresseerde bedrijven in de planvorming betrekken.

SF: In de planvormingfase wordt met bedrijven en lokale overheden een visie en een strategie neergelegd over hoe de segmentering en de clustering gaat plaatsvinden.

46

Succes- & faalfactoren Type vraagStukken Regionaal grondbeleid

Het type proces

Betrokkenheid/ Draagvlak/vertrouwen

Heldere/duidelijke communicatie

Doorlooptijd en voortgang project/proces

FF: Proces wordt door één partij gedomineerd Concurrentie tussen gemeenten. Waan v/d dag is leidend voor acties. SF: Proces laten leiden door de belangen van alle verschillende partijen te expliciteren en te managen (randvoorwaardenanalyse gedurende het proces) Afstemming tussen gemeenten (gemeentebestuur en afdelingen EZ,RO Milieu en Grondzaken). De lange termijn (visie) is leidend voor het regionaal grondbeleid.

FF: Niet nakomen van afspraken m.b.t. afstemming tussen gemeenten op operationeel niveau. SF: Er is duidelijk wie verantwoordelijk is op bestuurlijk en operationeel niveau binnen de gemeente voor het nakomen van afspraken. Er is een ‘afspraak is afspraak’ cultuur.

FF: Gebrek aan een politiek gedragen visie, waardoor ambtenaren onvoldoende handelend kunnen optreden. SF: In de betrokken gemeentebesturen is een visie voor de BT’s in de regio vastgesteld en worden de beslissingen m.b.t. BT’s aan getoetst.

FF: Ontwikkeling regionaal grondbeleid en afstemming hierover kost tijd.

SF: Ontwikkeling regionaal grondbeleid en afstemming hierover kost tijd, maar resulteert uiteindelijk in een betere kwaliteit op BT’s (waardoor later minder tijd en geld nodig voor herstructurering)

Grondclaims en werkelijk benodigde grond voor bedrijven

FF: In een te laat stadium komt zicht op de bedrijfsdoelstellingen, waardoor een goede afstemming tussen duurzaam ruimtegebruik en grondclaim van bedrijven niet mogelijk is. SF: in acquisitie/planvormingsfase krijgt lokale overheid inzicht in gebruik van de grond door bedrijf en samenhang hiervan met bedrijfsdoelstellingen.

FF: Bedrijven geven hun werkelijke grond-gebruik niet door aan gemeenten omdat ze bang zijn dat ze anders hun speelruimte verliezen. SF: Bedrijven en gemeente hebben vertrouwen in elkaar (door ook informeel contact). Gemeente geeft bedrijven inzicht in waarvoor het achterhalen van de werkelijke grondclaims noodzakelijk is.

FF: Er zijn geen afspraken gemaakt over de hoeveelheid grond die bedrijven mogen claimen zonder het direct te gebruiken. SF: Afstemming en afspraken tussen bedrijven en gemeente over de niet benutte ruimte op het bedrijventerrein het best benut kan worden.

FF: Te snelle gronduitgifte om te kunnen nagaan of de grondclaims van bedrijven kunnen worden afgestemd op de plannen voor duurzaam ruimtegebruik.

SF: Gronduitgifte wordt gestuurd door lange termijn visie (het vestigingsbeleid en het regionaal grondbeleid) die is verankerd op bestuurlijk en operationeel niveau.

47

Succes- & faalfactoren Type vraagStukken Gezamenlijke acquisitie lokale overheden voor BT’s

Het type proces

Betrokkenheid/ Draagvlak/vertrouwen

Heldere/duidelijke communicatie

Doorlooptijd en voortgang project/proces

FF: Gemeenten concurreren met elkaar omdat hun belangen strijdig zijn

FF: Verantwoordelijke bij de gemeenten voor afstemming acquisitie verandert steeds SF: Langdurige en continue betrokkenheid op bestuurlijk en operationeel niveau voor afstemming acquisitie. Afspraken op operationeel niveau zijn goed vastgelegd.

FF: Lokale overheden stemmen niet of slecht met elkaar af wat hun acquisitie voor BT’s betreft SF: Lokale overheden in de regio informeren elkaar over hun acquisitie of trekken zelfs gezamenlijk op

FF: Gezamenlijke acquisitie stagneert de voortgang van de gronduitgifte

SF: Gemeenten commiteren zich aan regionaal grondbeleid en stemmen met elkaar af hoe zij acquireren voor hun BT’s (segmentering en clustering)

SF: Gezamenlijke acquisitie maakt dat de lokale overheden invloed hebben op de gronduitgifte in de regio en dus op het realiseren van de plannen voor segmentering en clustering

Handhaving vestigingsbeleid

FF: Spanning tussen korte en lange termijn (door de waan van de dag raken voorgenomen doelstellingen van de agenda). Gebrek aan ervaring van gemeenten met het vinden van een balans tussen sturing op vestigingsbeleid en vraaggericht invullen van een BT . SF: Korte termijn acties laten leiden door de lange termijn en zorgen voor verankering op bestuurlijk en operationeel niveau.

FF: Niet alle bedrijven op het bedrijventerrein willen samenwerken.

SF: Bedrijven inzicht geven in baten van samenwerking op een BT en laten kiezen in welke mate ze willen samenwerken.

FF: Er wordt weinig of slecht gecommuniceerd over de voortgang van de ontwikkeling van het DBT, waardoor bedrijven hun betrokkenheid verliezen. SF: Regelmatig communiceren over de voortgang (ook al gebeurt er weinig) houdt de bedrijven betrokken.

FF: Handhaving vestigingsbeleid werkt vertragend op gronduitgifte, waardoor bedrijven voortijdig afhaken.

SF: Bedrijven worden waar mogelijk betrokken bij het opstellen van het vestigingsbeleid en ook tevoren geïnformeerd over het vestigingsbeleid en de daardoor tragere gronduitgifte.

48

6.3

De functie van randvoorwaarden

Waarom is duidelijkheid van de randvoorwaarden nodig? Duurzaamheid op een bedrijventerrein betekent samenwerking tussen een groot aantal partijen. Iedere partij heeft belangen, behoeften, eisen en wensen. Het is nodig om voor de start van het proces van verduurzaming zich te hebben op die posities. Om die reden is een randvoorwaardenanalyse belangrijk om aan het begin van het proces uit te voeren. Het expliciteren van randvoorwaarden gedurende het gehele proces zorgt voor transparantie van de besluitvorming en draagvlak. Dat dit lastig kan zijn, blijkt uit de literatuur en de praktijk van alledag. De betrokken spelers hebben lang niet altijd helder voor ogen wat hun eigen belangen, voorkeuren en doelen zijn. Evenmin kunnen ze vaak duidelijk aan geven wat feitelijke factoren zijn en wat hun intenties zijn. Wanneer te weinig aandacht gegeven wordt aan het expliciteren hiervan zal later in proces het draagvlak voor de geformuleerde oplossingsrichtingen (plotseling) kunnen verminderen. Er vinden bijvoorbeeld discussies plaats over beslissingen die al genomen zijn. Oftewel er ontstaat opnieuw discussie over nut en noodzaak. Of er ontstaan discussies waarin niet duidelijk is waarin verschillende standpunten overeenkomen of verschillen en in hoeverre een standpunt wordt ingenomen op basis van de belangen van een partij of een aantal gegevenheden waardoor een partij zich beperkt voelt om te handelen. Om dit type problemen zoveel mogelijk te voorkomen is het van belang dat aan het begin van én gedurende het proces aandacht wordt geschonken aan de volgende aspecten: 1. Welke de partijen die betrokken (moeten) zijn bij de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek? 2. Ga met elk van deze partijen na wat hun intenties of hun belangen zijn en wat volgens hen feitelijke factoren (vanzelfsprekendheden) zijn voor de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek. Deze feitelijke factoren en intenties vormen voorwaarden; 3. Bepaal met alle partijen gezamenlijk wat zij hele belangrijke of noodzakelijke voorwaarden vinden. Dit noemen we de randvoorwaarden; 4. De randvoorwaarden zijn te onderscheiden in twee typen. Randvoorwaarden die begrenzend zijn en waarover de partijen het snel eens zijn. En randvoorwaarden waarover de meningen uiteenlopen. Dit noemen we prioriterende randvoorwaarden. Als de prioriterende en begrenzende randvoorwaarden zijn vastgesteld, is het goed af te spreken met alle partijen deze als vaststaand te hanteren tot zich een situatie voordoet waarbij het goed is weer stil te staan bij de randvoorwaarden en de bijbehorende doelstellingen en doelen. In welke situaties is een evaluatie van de randvoorwaarden bijvoorbeeld van belang? 5. De randvoorwaarden gebruiken we om doelstellingen (ambities) te formuleren voor de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek. Omdat we randvoorwaarden gezamenlijk bepalen en de doelstellingen daaruit voortkomen, zijn de doelstellingen dus ook gezamenlijk bepaald (er is draagvlak voor).

49

In Figuur 8 zijn de kernpunten 2 tot en met 4 weergegeven.

Feitelijke factoren DBT

Feitelijke voorwaarden

Feitelijke randvoorwaarden

Snel overeenstemming: Feitelijke, begrenzende randvoorwaarden (beperkend) Uiteenlopende meningen: Feitelijke, prioriterende randvoorwaarden (voorrang)

Intenties speler 1 (gemeente)

Intenties speler 2 (bedrijf A)

Intentionele voorwaarden

Intentionele rand voorwaarden

Snel overeenstemming: Intentionele, begrenzende randvoorwaarden (afbakenend) Uiteenlopende meningen: Intentionele, prioriterende randvoorwaarden (voorkeur)

Intenties speler 3 (bedrijf B)
Benoemen welke feitelijke en intentionele factoren een rol spelen Bezien welke voorwaarden noodzakelijk zijn ( randvoorwaarden) en welke niet ( overige voorwaarden)
   

Figuur 8: Randvoorwaarden voor een duurzaam proces.

Voorbeelden van feitelijke factoren zijn de gesteldheid van de bodem en grondwater op het bedrijventerrein, de infrastructuur, de omgeving van het terrein, wet- en regelgeving. Voorbeelden van intenties (van de Provincie) zijn: ‘ernaar streven woon- en werklocaties zodanig over Noord-Brabant te verdelen dat het leeuwendeel van de woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen terechtkomt in vijf stedelijke regio’s en dat zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het principe van zuinig ruimtegebruik.’ (Streekplan 2002, p. 77). Of het streven van de provincie om het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek ‘ een nationaal voorbeeld te laten zijn voor de toepassing van duurzaamheid in alle fasen van de besluitvorming: de planvorming, de ontwikkeling, de realisatie en het beheer’.(Integraal Programma van Eisen voor het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, conceptversie 25 juli 2002, p. 13)

6.4 De betrokkenheid van partijen
De belangrijkste partijen die een rol spelen bij de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen zijn: • De bedrijven die zich op een bedrijventerrein willen vestigen of bedrijven die al op het bedrijventerrein zijn, bedrijven op naburige bedrijventerreinen, bedrijvenverenigingen. • Intermediaire organisaties zoals de Kamer van Koophandel, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, brancheorganisaties, vakbeweging en werkgeversverenigingen. Zij hebben kennis van de (regionale) marktontwikkelingen en de behoeften van bedrijven. • De overheid: de gemeente, de provincie, het waterschap, het havenschap en de rijksoverheid. • Omwonenden en regionale maatschappelijke organisaties. • Belanghebbenden, zoals de glastuinbouw. • De milieubeweging.

50

• Projectontwikkelaars en beleggers. • Utiliteiten- en dienstenleveranciers zoals energie- en waterbedrijven, verwerkers van reststoffen. Uit het onderzoek van TNO is naar voren gekomen dat betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de planvorming een succesfactor is voor de ontwikkeling van duurzame bedrijventerrein. De vraag ‘welke zijn de partijen die betrokken (moeten) zijn bij de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek?’ is daarom een belangrijke vraag voor de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein als Moerdijkse Hoek. Allereerst natuurlijk het georganiseerd bedrijfsleven, de bedrijven die zich er gaan vestigen en de gemeente Moerdijk zelf. Maar ook de provincie Noord-Brabant omdat het een bovenregionaal bedrijventerrein betreft.

6.5 Stappen in het proces
In het voorgaande is vooral ingegaan op het belang van de analyse van de randvoorwaarden in het proces en op de betrokkenheid van partijen. Hoe kunnen we het proces goed structuren en organiseren? In deze paragraaf gaan we in op de verschillende stappen of fasen die we in de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein tegenkomen. Een goed georganiseerd proces is het halve werk. Een belangrijke factor waardoor veel initiatieven falen, komt voort uit het feit dat de projectorganisatie onvoldoende anticipeert op de complexiteit van het proces. De ontwikkeling van een Vernieuwend Duurzaam Bedrijventerrein moet de volgende eigenschappen bezitten: • Er wordt interdisciplinair gewerkt (integrale aanpak). • Het proces is interactief; belangrijke stakeholders worden door de initiatiefnemer vanaf het begin betrokken. • Communicatie is van centraal belang. Partijen moeten met elkaar in contact worden gebracht. Cultuurverschillen moeten worden overbrugd. Er moet duidelijkheid worden geschapen over het einddoel, over het traject ernaar toe en over de inbreng van de verschillende partijen. • Procesmanagement kan op verschillende manieren worden ingevuld. Belangrijk is dat duidelijk is waar de verschillende verantwoordelijkheden liggen. De verschillende stappen in de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein kunnen worden ontleend aan de handreiking van Novem voor de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen (Novem, 2001). Planvormingfase 1. Het idee: in de ideefase is van belang dat bij alle belanghebbenden draagvlak ontstaat om te komen tot een gemeenschappelijke visie op duurzaamheid. Het gaat nog niet om een concreet beeld in deze fase. Het belangrijkste is dat de verschillende partijen een gemeenschappelijk begrip ontwikkelen van wat duurzaamheid in relatie tot een bedrijventerrein kan inhouden. Resultaat van deze fase is een startnotitie van alle betrokken partijen. Aspecten van Vernieuwend Duurzaam zijn volgens ons hier: • Betrokkenheid van het bedrijfsleven vanaf het begin van het proces. • In kaart brengen en betrekken geïnteresseerde bedrijven. • Globaal in kaart brengen van alle intenties en de feitelijke factoren voor de verschillende partijen door initiatiefnemer. • Gemeenschappelijk begrip ontwikkelen met alle betrokken partijen van wat duurzaamheid in relatie tot een bedrijventerrein kan inhouden. • Oog voor regionale ontwikkelingen. De provincie kan in deze fase een belangrijke rol spelen door de juiste partijen bij elkaar te brengen en bestuurlijk te ‘masseren’. 2. De schets: er is inzicht nodig in belangen, randvoorwaarden, verwachtingen en wensen van de partijen die betrokken zullen zijn bij de verdere procesgang. Novem stelt daartoe een omgevingsanalyse voor. Dit biedt de ingrediënten om de ambities vast te stellen ten aanzien van duurzaamheid op het te ontwikkelen bedrijventerrein. Deze analyse is erg belangrijk. Resultaat van deze fase is een Plan van Aanpak en een globaal bestem-

51

mingsplan. Aspecten van Vernieuwend Duurzaam zijn volgens ons hier: • Gezamenlijk, met alle betrokken partijen de randvoorwaarden vaststellen voor de ontwikkeling van het DBT. • Gezamenlijk de doelstellingen, ambities vaststellen en prioriteren op basis van de randvoorwaarden. • Concretiseren van de doelstellingen in Plan van Aanpak. • Verankering doelstellingen in globaal bestemmingsplan, dat nog wel flexibiliteit biedt. De provincie kan in deze fase ondersteunen door zichzelf heel open en coöperatief op te stellen als het gaat om belangen, ambities en voorwaarden met betrekking tot Moerdijkse Hoek. En ook door bereid te zijn over deze voorwaarden met de andere partijen te discussiëren om zo tot een gemeenschappelijke set van randvoorwaarden voor Moerdijkse Hoek te kunnen komen. Ontwikkelingsfase 3. Het besluit: voor elk duurzaamheidaspect moet worden aangegeven hoe de verschillende partijen kunnen bijdragen. Er moet worden vastgesteld waarop de nadruk wordt gelegd en welke maatregelen moeten worden gekozen. Verder moet de samenhang van verschillende duurzaamheidaspecten worden vastgesteld. Resultaat van deze fase is een uitgewerkt en haalbaar ontwerp voor het bedrijventerrein (masterplan) waarin alle belangrijke partijen zich kunnen vinden. Tevens is een totaalpakket van duurzaamheidmaatregelen vastgesteld waarmee dat ontwerp kan worden gerealiseerd. Daarnaast een intentieovereenkomst die door alle belangrijke partijen is ondertekend. In deze fase kan de provincie bijvoorbeeld ondersteunen door het inzetten van gespecialiseerde medewerkers (energie, water, vervoermanagement etc.), zodat zicht komt op de duurzaamheidaspecten en de mogelijke maatregelen. 4. Het draaiboek: de gekozen scenario’s of duurzaamheidmaatregelen worden in detail uitgewerkt. Resultaat van deze fase is een gedetailleerd voorstel voor de inrichting en het beheer van bedrijventerrein, gericht op duurzaamheid (Programma van Eisen, een ontwerpbestemmingsplan, een beeldkwaliteitplan of kwaliteitshandboek). Daarnaast loopt er een promotiecampagne. Steeds meer bedrijven raken geïnteresseerd in betrokkenheid bij het bedrijventerrein of in vestiging op het DBT. De rol van de provincie kan zijn: • het inzetten van gespecialiseerde medewerkers voor ondersteuning bij het uitwerken van een gedetailleerd voorstel voor de inrichting en het beheer van het DBT gericht op duurzaamheid; • het bemiddelen bij het verkrijgen van subsidies voor het doen van haalbaarheidsonderzoeken; • ondersteuning bij de promotiecampagne op regionaal niveau. 5. De realisatie: toetsing van realisatie aan de gemaakte afspraken. Resultaat van de realisatie van de eerder geformuleerde model-eindsituatie. De rol van de provincie in deze fase: • toetsing van de realisatie aan de gemaakte afspraken; • bijeenbrengen van partijen op regionaal niveau waardoor kennis en ervaring m.b.t. realisatie kunnen worden uitgewisseld; • ondersteuning bij communicatie m.b.t. DBT Moerdijkse Hoek; • vertalen van de opgedane ervaringen naar beleid en instrumenten. 6. Het beheer: er wordt bepaald welke taken en diensten in een collectieve beheerorganisatie worden ondergebracht. De rechtsvorm voor deze organisatie wordt bepaald en wie er zeggenschap heeft over deze organisatie. Resultaat van deze fase is een slagvaardige beheerorganisatie met een duidelijk takenpakket.

52

Rol provincie in deze fase: • vertalen van de opgedane ervaringen naar beleid en instrumenten van de provincie; • ondersteuning bij communicatie m.b.t. Moerdijkse Hoek. In werkelijkheid zal sprake zijn van een cyclus, die meerdere keren doorlopen zal moeten worden. De handreiking van Novem is een instrument om het proces van de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen te structuren. Het gaat in op de procesarchitectuur: uit welke fasen zou een ontwikkelingsproces kunnen bestaan en welke resultaten zouden per fase nagestreefd moeten worden. Daarnaast geeft het voorbeelden van technische en organisatorische maatregelen die mogelijk zijn om tot een duurzaam bedrijventerrein te komen. De handreiking biedt gemeenten en provincies inzicht in mogelijkheden en voorwaarden voor succes en helpt hen op die manier om het proces aan te sturen. Een toekomstig monitoringsysteem zou ook een aantal procesindicatoren moeten bevatten.

53

54

7

Duurzaamheidanalyse voorstudies Moerdijkse Hoek

7.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de volgende rapporten doorgelicht met behulp van de in hoofdstuk 3 ontwikkelde checklist “vernieuwend duurzaam Moerdijkse Hoek”: • De modelstudie Glastuinbouw en bedrijvigheid door Arcadis; • Verkennend verkeers- en vervoersonderzoek MH door DHV; • Rapport onderste laag door Witteveen en Bos; • Haalbaarheidsonderzoek door Buck Consultants International; • Ontwerpstudie Manipulatie van de transformatie door Kuiper Compagnons; • Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Startnotitie m.e.r. (Concept 3, augustus 2002) door Witteveen en Bos. Steeds wordt eerst een globaal oordeel gegeven en vervolgens worden puntsgewijs opvallende aspecten vermeld, die vanuit het oogpunt van integrale duurzaamheid van belang zijn. De uitgebreide resultaten van de afzonderlijke studies zijn weergegeven in de bijlagen. Aan het eind van dit hoofdstuk volgt een samenvattend oordeel. Een opmerking vooraf is op zijn plaats. Het ware ideaal geweest als de check-list al in een eerder stadium beschikbaar zou zijn geweest, dan zou bij het uitvoeren van alle onderzoeken het principe van vernieuwend duurzaam meer sturend hebben kunnen zijn. Bij de meer recente onderzoeken uit 2002 is aan de onderzoeksbureaus gevraagd om een uitwerking te geven aan het begrip vernieuwend duurzaam.

7.2 De modelstudie Glastuinbouw en bedrijvigheid door Arcadis
Inleiding De modelstudie glastuinbouw en bedrijvigheid heeft als doel de mogelijkheden te inventariseren van het intensiveren en combineren van bedrijvigheid en glastuinbouw. Het betreft een modelstudie, waarmee wordt aangegeven dat “het onderzoek alleen gerelateerd is aan de locatie indien dat nodig is”. Centraal staan de volgende drie aspecten: • de haalbaarheid om 200 à 250 ha. glastuinbouw te accommoderen; • de bijdrage van het glastuinbouwgebied aan de vismeelruimtelijke kwaliteit van de bedrijfsomgeving; • de maximale inzet van restwarmte en CO2. De uitkomsten van de studie dienen als input voor de inrichtingsschets behorend bij de Streekplanherziening voor Moerdijkse Hoek. In de studie wordt gebruik gemaakt van modellen. In totaal worden 6 manieren van combineren en intensiveren beschreven: 1. Intensivering van bedrijvigheid 2. Intensivering van glastuinbouw 3. Het combineren van glas en bedrijven 4. Innovatieve combinaties 5. Bestaand landschap als uitgangspunt 6. Intensivering in de tijd Bij de modellen wordt uitgegaan van een geabstraheerde landschappelijke situatie. Uitwerking vindt plaats door middel van principeoplossingen. Bodem en water De bodem en het (grond)water behoren tot de eerste van de drie lagen uit de lagenbenadering die in de studie als vertrekpunt wordt genomen. In hoofdstuk 3 van het rapport wordt

55

een korte beschrijving gegeven van de eerste laag en wordt tevens aangegeven dat de betreffende laag onvervangbare waarden en systemen kent (o.a. flora op de dijken). De gevolgen van de aanleg van het terrein op bodem worden echter in de studie niet genoemd. Ten aanzien van het water wordt aangegeven dat het in de studie als ordenend principe wordt gehanteerd: de afvoer van water naar elders, alwaar dit problemen veroorzaakt, moet worden tegengegaan door het vasthouden van water waar mogelijk en het gebruik maken van de sponswerking van de bodem, het vergroten van de bergingsmogelijkheden en het afvoeren van water. Daarnaast wordt kort gewezen op het waarborgen van de waterkwaliteit. In de bespreking van de modellen wordt ingegaan op de mogelijkheden van opvang van (hemel)water en waterberging. Energie Energie is, naast ruimtegebruik een van de belangrijkste aandachtspunten in de studie. Het gaat dan met name om de manieren om energiegebruik te clusteren. Met name de mogelijk2 heden om restwarmte en CO van bedrijven in te zetten voor de glastuinbouw worden per model bekeken. Uitgewerkt worden de opties: gezamenlijk gebruik van een grootschalige warmtekracht/elektriciteitcentrale voor warmte en restwarmte, decentrale warmteopwekking met warmteopslag en biomassavergisting en verbranding. De toepassing van duurzame energie krijgt ook aandacht; er wordt kort ingegaan op de mogelijkheden van zonnepanelen en van windturbines. Grond- en hulpstoffen en afvalstoffen De thema’s grond- en hulpstoffen en afvalstoffen staan duidelijk niet centraal in de studie. Slechts twee maatregelen, afvalmanagement (te regelen via parkmanagement) en vergisting/ verbranding, worden terloops genoemd. Landschappelijke inpassing Bij de uitgangspunten in de inleiding staat dat “de inrichting van het glastuinbouwgebied, ondanks de verdichting, moet bijdragen in de visueel-ruimtelijke kwaliteiten van de nieuwe bedrijfsomgeving”. Vervolgens komt de inpassing in het landschap slechts in 1 model nadrukkelijk terug. Wel wordt de nodige aandacht geschonken aan functionele clustering. Er wordt gekeken naar mogelijke combinaties van glastuinbouwbedrijven onderling en met andere typen bedrijvigheid. In het rapport wordt gesteld dat de mogelijkheid om glastuinbouw met andere typen bedrijvigheid te combineren zich beperkt tot de combinatie van glastuinbouw en logistieke bedrijven. Combinaties met havengebonden bedrijvigheid of procesindustrie zijn niet haalbaar. Ruimtegebruik Het onderzoek legt sterk de nadruk op de mogelijkheden om glastuinbouw en bedrijvigheid te combineren en (het ruimtegebruik) te intensiveren. Daartoe zijn 6 modellen opgesteld, met elk een eigen uitkomst voor wat betreft de te behalen (theoretische) ruimtewinst. Er worden een stuk of tien concrete maatregelen om intensiever met de ruimte om te gaan, genoemd en/of uitgewerkt (zie checklist in de bijlage). Een en ander is mogelijk doordat de teelt in glastuinbouwbedrijven nauwelijks nog grondgebonden is. Voor wat betreft de afstemming op de omgeving, wordt gewezen op de mogelijkheden om voorzieningen te delen met het bedrijventerrein Moerdijk I. Leefklimaat, werkklimaat en ondernemersklimaat De thema’s leefklimaat, werkklimaat en ondernemersklimaat worden niet expliciet in de rapportage onder de aandacht gebracht. Dit is met name een kwestie van afbakening van het onderzoek. In het rapport wordt wel aangegeven dat het glastuinbouwgebied zal moeten bijdragen in de vismeelruimtelijke kwaliteiten: “Het moet een aardig gebied zijn om doorheen te fietsen”. Dit wordt vervolgens niet uitgewerkt: inrichting van groen, natuurbehoud, voorzieningen, winkels, huisvesting etc. komen niet aan bod. Ook is slechts in heel beperkte mate aandacht voor zaken die het gebied tot een goed vestigingsklimaat voor glastuinders en andere ondernemers maken, zoals ruimte, bereikbaarheid en beschikbaarheid arbeidskrachten.

56

Verkeer en vervoer Ook het aspect van verkeer en vervoer behoort niet tot de hoofddoelstelling van het rapport, hetgeen resulteert in een geringe aandacht voor bereikbaarheid en het ontbreken van aandacht voor verkeersveiligheid. Wel wordt kort ingegaan op het gezamenlijk vervoer van goederen. Enkele conclusies naar aanleiding van de analyse • De bepalende elementen in de studie zijn: (efficiënt) ruimtegebruik/ ruimtewinst, energie, water, en in mindere mate transport. • Zaken die betrekking hebben op het leefklimaat, het werkklimaat en het ondernemersklimaat komen maar mondjesmaat of niet aan bod. Deels is dit ook wel verklaarbaar gezien de doelstelling van de studie. • Gezien het feit dat het hier een modelstudie betreft, zal, na het kiezen van de gewenste richting voor wat betreft de combinatie van glastuinbouw en bedrijvigheid, nader onderzoek nodig zijn om de thema’s specifiek voor Moerdijk in te vullen. • Reeds aangegeven wordt om nader onderzoek te verrichten naar: 2 welke wijze van warmte en CO -levering het meest optimaal is vanuit het oogpunt van kosten, besparing, exploitatie en leveringszekerheid; de verwerkingsmogelijkheden van biomassa; de mogelijkheden voor windturbines; de technische uitwerking van ondergrondse (water)opslag, de draagconstructie van daken van logistieke panden en de windgevoeligheid van kassen die op een logistieke hal staan.

7.3 Verkennend verkeers- en vervoersonderzoek MH – DHV
Inleiding In het kader van de milieueffectenrapportage voor Moerdijkse Hoek worden conform de lagenbenadering zoals gehanteerd in het Streekplan van de provincie Noord-Brabant, de drie verschillende lagen onderzocht. De onderste laag is de natuurlijke ondergrond (water, bodem, natuurlijk, culturele en archeologische waarden etc.). De bovenste laag heeft betrekking op het ruimtegebruik in de vorm van wonen, werken, landbouw en recreatie. De middelste laag betreft de infrastructuur. Om deze middelste laag te onderzoeken heeft de provincie DHV opdracht gegeven een verkennende verkeers- en vervoersstudie uit te voeren. Centraal in deze studie staat de vraag: “Op welke wijze is duurzame afwikkeling van de toekomstige verkeers- en vervoersstromen van en naar Moerdijkse Hoek mogelijk, en met welke kosten en effecten”? Voor de beantwoording van de probleemstelling is in de eerste plaats onderzocht welke verkeers- en vervoersstromen MH zal gaan realiseren. In de tweede plaats is gekeken naar de benodigde maatregelen om aan deze verkeers- en vervoersstromen tegemoet te komen. Hierbij zijn drie scenario’s opgesteld. Tenslotte zijn de kosten en effecten van deze maatregelen per scenario in kaart gebracht. Bodem, water, energie, grond- en afvalstoffen Gegeven de aard en inhoud van de opdracht aan DHV is geen aandacht besteed aan de consequenties van de verkeers- en vervoersstromen voor de eerste laag. De aandacht is geconcentreerd op de verkeers- en vervoersstromen van en naar Moerdijkse Hoek. De stromen op het terrein zelf komen dus niet aan bod. Er is alleen aandacht besteed aan de tweede laag. Op zich zijn de verkeersbewegingen op het terrein zelf vanuit vernieuwend duurzaam relevant. Immers de eerste laag speelt een belangrijke rol als het gaat om de aanleg van infrastructuur: er moet namelijk rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid, de draagkracht van de bodem, flora en fauna, en het grondwater. Aan deze facetten moet zeker aandacht worden geschonken vanuit het principe van duurzaam bouwen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de zogenaamde Nationale Pakketten grond-, wegen waterbouw.

57

Landschappelijke inpassing Er is weinig aandacht voor de inbedding van infrastructuur in het landschap. Daarnaast komt het clusteren van bedrijven vanuit het oogpunt van vervoer (bijvoorbeeld het bij elkaar plaatsen van bedrijven die vrachten kunnen combineren of het groeperen van bedrijven met een hoge vervoersfrequentie bij een oprit van een belangrijke autoweg of snelweg) niet aan de orde. Ruimtegebruik Voor wat betreft de afstemming op de omgeving wordt wel aangegeven dat het belangrijk is om de vervoersconcepten/ infrastructuur te laten aansluiten bij de omgeving (met name het terrein Moerdijk). Het verdient aanbeveling om dit concreter uit te werken. Om de benodigde parkeerruimte op het terrein beperken, en daarmee te komen tot intensiever/efficiënter ruimtegebruik, wordt de mogelijkheid geopperd om te komen tot één gezamenlijke voorziening, een zogeheten transferium aan de rand van het terrein van waaruit pendelbusjes rijden naar de diverse bedrijven. Opmerkingen over andere vormen van intensief ruimtegebruik, zoals het in de hoogte aanleggen van infrastructuur om de ruimte eronder te benutten, of het aanleggen van buisleidingen/ ondergrondse infrastructuur om goederen te transporteren, ontbreken in het verhaal. Ten aanzien van de interne wegenstructuur ontbreken ideeën/ concepten voor een vervoersoptimale en ruimte-efficiënte indeling van het terrein. Leefklimaat, werkklimaat en ondernemersklimaat Het punt van (externe) bereikbaarheid, een steeds belangrijkere vestigingsplaatsfactor voor bedrijven, staat centraal. De hele studie is erop gericht te onderzoeken op welke wijze een duurzame afwikkeling van de vervoerstromen van en naar Moerdijkse Hoek mogelijk is. In het rapport wordt niet expliciet ingegaan op maatregelen om de overlast van verkeer voor de omgeving - uiteen te rafelen in geluidsoverlast, congestie en (landschaps)vervuiling - te reduceren. Er is weinig aandacht voor het optreden van emissies. Ook blijven de ecologische gevolgen van de aanleg van infrastructuur en de additionele vervoersbewegingen buiten beeld, net zoals de gevolgen voor landschap, natuurbeleving en recreatiemogelijkheden. Ten aanzien van de voor bedrijven belangrijke vestigingsplaatsfactoren ruimte en arbeidspotentieel worden geen uitspraken gedaan. Verkeer en vervoer Verkeer en vervoer is natuurlijk het thema waar het om draait in de studie. Aan de noodzaak voor het gebruik van verschillende modaliteiten en het efficiënt inrichten van verkeers- en vervoersstromen (vervoersmanagement) wordt veel aandacht geschonken. Het rapport behandelt de verschillende modaliteiten, de benodigde maatregelen en de bijbehorende kosten. De modaliteiten zijn voornamelijk geplaatst in het regionale perspectief. Er wordt uitgebreid inzicht geboden in de verschillende ontsluitingsalternatieven en de verwachte omvang en de verplaatsingsrichtingen van de toekomstige vervoersstromen in de regio. Veel aandacht is er voor de toeleidende infrastructuur: de vraag hiernaar en de manier waarop deze vorm kan worden gegeven (oplossingen in de vorm van multimodaal vervoer worden uitgewerkt in verschillende varianten). Hoewel “de duurzame afwikkeling van vervoersstromen” een van de drie uitgangspunten van de studie is, blijven de maatregelen op het gebied van het bundelen van vervoersstromen (gezamenlijke pakketdiensten etc.) onderbelicht. Ook het idee om bedrijven te clusteren op basis van hun vervoerskenmerken (en vervolgens bijvoorbeeld collectief vervoer van vrachten te bevorderen) wordt niet geopperd. Het combineren van personenvervoer krijgt daarentegen wel volop aandacht, zij het niet heel concreet (de termen deeltaxi’s, deelfietsen, deelauto’s etc. worden bijvoorbeeld niet teruggevonden). Opvallend is dat aan het aspect van verkeersveiligheid geen aandacht besteed. Dit impliceert dat dus ook de maatregelen behorend tot het principe duurzaam veilig niet aan bod komen. Het aspect van bereikbaarheid en het aspect van management van personen- en goederenvervoer komen daarentegen wel uitgebreid aan de orde. Relatief weinig aandacht is er vervolgens voor de optimale (inrichting van) infrastructuur op het terrein (interne wegenstructuur) en de directe ontsluiting van het terrein (bijvoorbeeld benodigde op- en afritten, randwegen, etc.).

58

Enkele conclusies naar aanleiding van de analyse • Een relatief groot aantal leidende principes zijn niet in het rapport aan de orde gekomen. Dit hangt in belangrijke mate samen met de geformuleerde doelstelling van de studie: “het inzichtelijk maken op welke manier een duurzame verkeersafwikkeling van en naar Moerdijkse Hoek kan plaatsvinden”. Dit is een relatief beperkte doelstelling. Logische consequentie van de insteek is dat daardoor dit rapport niet kan worden gezien als het rapport dat een volledig beeld geeft van “de tweede laag” en alle daarmee verbonden gewenste/ vereiste duurzaamheidmaatregelen. • Het is zeer positief dat er een specifiek duurzaam scenario is ontwikkeld en getoetst (Duurzame Wereld). Er is veel aandacht voor het ombuigen van (vracht)autokilometers en de effecten op bereikbaarheid. Uit de analyses blijkt dat het scenario Duurzame Wereld substantieel bijdraagt aan een duurzame mobiliteit. • Veel verschillende modaliteiten (weg, water, rail, buizen, OV, fiets) komen aan de orde: er ontstaat inzicht in zowel de kosten als de te treffen maatregelen. Bovendien is er een roep om het vroegtijdig treffen van maatregelen t.a.v. multimodaliteit (voorinvesteren). De verschillende scenario’s zijn ook nog getoetst op anticiperen, robuustheid en flexibiliteit. Hierdoor ontstaat grip op maatregelen die uiteindelijk scenario-onafhankelijk blijken en sowieso wenselijk zijn voor het te ontwikkelen regionaal bedrijventerrein. • Een doorzichtige onderbouwing waarom uiteindelijk voor een combinatie van bepaalde modaliteiten en maatregelen uit de verschillende scenario’s is gekozen, ontbreekt (een aantal duurzame maatregelen is namelijk komen te vervallen). Deze combinatie is wel uitgangspunt geworden in het Integraal Programma van Eisen d.d. 25 juli 2002. • Een analyse over de (beoogde) positie van Moerdijkse Hoek in het (inter)nationale logistieke netwerk ontbreekt. Modaliteiten en maatregelen zijn gebaseerd op een segmenteringstudie en de hiervan afgeleide verkeer- en vervoersprognoses. Er zijn geen gegevens gebruikt van bedrijven die zich willen vestigen op Moerdijkse Hoek. Het zou voor de hand liggen om hierbij in eerste instantie het oor te luister te leggen bij potentieel geïnteresseerde bedrijven uit West-Brabant. Deze zijn niet betrokken: een cruciale stap in het proces. • In het verlengde van het vorige punt: het is jammer dat het rapport geen aandacht schenkt aan eventuele eisen die aan individuele bedrijven gesteld zouden moeten worden ten aanzien van het aantal vervoersbewegingen, te nemen maatregelen op het gebied van vervoersmanagement (bijvoorbeeld het maken van vervoersplannen) e.d. Het is van belang dit soort zaken die spelen op bedrijfsniveau (duurzaam ondernemen) mee te nemen in de gesprekken met potentiële vestigers. • Een grote tekortkoming ten aanzien het centrale thema verkeer en vervoer is het ontbreken van aandacht voor het leidende principe “verkeersveiligheid” en het concept “Duurzaam Veilig”. De andere twee leidende principes zijn wel aan de orde gesteld, maar deze hadden op bepaalde punten verder uitgewerkt mogen worden. “Multimodaal vervoer” en “het bundelen van personen- en goederenvervoer” zijn begrippen die nog wat nadrukkelijker op de voorgrond hadden mogen treden. • De samenwerkingsparagraaf in de verkeer- en vervoersstudie is niet of nauwelijks uitgewerkt. Het wordt niet duidelijk wie welke maatregelen moet treffen en welke instrumenten daarvoor nodig zijn. Het is dus noodzakelijk nog te komen met een integraal maatregelen- én instrumentenpakket waarmee duidelijk wordt wie nu wat moet gaan doen en wanneer en hoe (instrumenten). Dit moet worden uitgewerkt in overleg met het georganiseerde bedrijfsleven en potentieel te vestigen bedrijven.

7.4 Rapport onderste laag door Witteveen en Bos
Inleiding Het uitgangspunt van het rapport is de lagenbenadering, waarbij de onderste laag staat voor het watersysteem, de bodemtypologie, egomorfologie en natuurlijk, landschappelijke en cultuurhistorische waarden die hiermee samenhangen. De tweede laag, of ook wel de tussenaag bevat de infrastructuur, (spoor)wegen, waterwegen havens, leidingen, buizen etc. Als laatste bevat de bovenste laag de occupatie patronen: het ruimtegebruik voor functies wonen, landbouw, recreatie etc.

59

De lagenbenadering wordt gezien als sterk sturend voor de ontwikkeling én vergelijking van alternatieven voor het gebied. In feite komt de aanpak van Witteveen en Bos in sterke mate overeen met het basisprincipe van de lagenbenadering zoals Telos die voorstaat. Dit rapport over de ‘onderste laag’ is in feite een nulmeting van de bestaande toestand van water- en bodemsystemen in het gebied en de hiermee samenhangende opbouw van de natuurlijke en landschappelijke waarden. Momenteel heeft het gebied een agrarische bestemming en de huidige situatie is het resultaat van allerlei historische activiteiten in het gebied. De huidige situatie is ook niet stabiel, maar onderhevig aan een aantal (autonome) ontwikkelingen. Het rapport besteed dan ook (terecht) veel aandacht aan de verwachte invloed van deze ontwikkelingen in en rondom het zoekgebied Moerdijkse Hoek. In het rapport ‘onderste lagen’ wordt aandacht besteed aan een aantal elementen die ook terugkomen in de checklist: bodem, water (zowel grond als oppervlaktewater) en landschappelijke inpassing. Dit zijn de logische elementen die men ook zou verwachten in een dergelijk rapport. Aangezien het rapport in feite een nulmeting is wordt er weinig aandacht besteed aan concrete duurzame maatregelen. Wel kunnen een aantal algemene leidende principes worden teruggevonden in het rapport. Ook worden er een aantal “aandachtspunten voor alternatiefontwikkeling” genoemd. Het zou interessant zijn om in andere uitgebrachte rapporten na te kijken in hoeverre hier ook daadwerkelijk aandacht is besteed. Met name de MER rapportage is wat dat betreft een belangrijke publicatie. Bodem In het kader van de inventarisatie van de bodemopbouw wordt o.a. een aanbeveling gedaan om extra onderzoek uit te voeren naar de draagkracht van de bodem. De huidige beschikbare informatie is hierover te grofmazig. Voor het bepalen van de geschiktheid van Moerdijkse Hoek als bouwlocatie voor bedrijven en/of glastuinbouw is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Zo wordt opgemerkt dat er plaatselijk veengebieden aanwezig zijn die ongeschikt zijn voor plaatsing van zware gebouwen. Water Met betrekking tot de watersituatie wordt zowel aandacht besteed aan de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater als ook aan de kwaliteit (vervuilinggraad) ervan. Er worden een aantal aandachtspunten genoemd die uit het oogpunt van de checklist belangrijk zijn: er is onduidelijkheid over de gevolgen van bronbemalingen in het gebied. Provinciale richtlijnen 3 eisen dat boven een bepaald niveau (200.000 tot 500.000 m / per jaar) de helft van dit volume moet worden teruggebracht in de grond. Boven dit niveau moet zelfs alles weer worden teruggebracht. Gezien de huidige hydrologische situatie in het gebied (kwel) is het terugbrengen van water bijna onmogelijk. Dit betekent dus in feite dat toekomstige bronbemalingen van bedrijven maar heel beperkt mogen worden toegelaten. Door het bebouwen van het gebied neemt de verharding toe. Er wordt gesignaleerd dat afkoppeling van verhard oppervlak in dit geval geen oplossing biedt doordat infiltratiemogelijkheden beperkt zijn in kleiachtige gebieden. Waterberging en afvoer in het gebied zijn dus aangewezen op het oppervlaktewatersysteem. Het streekplan voorziet hierin en er bestaan mogelijkheden in het gebied om extra waterberging te realiseren. Verder wordt er op gewezen dat door verstedelijking de kwaliteit van het oppervlaktewater kan verslechteren. Er zal een verschuiving plaatsvinden van vervuiling die samenhangt met agrarische gebruik (nitraten, fosfaten en bestrijdingsmiddelen), naar meer stedelijke vervuiling in de vorm van PAK’s zware metalen en minerale olie. Er wordt gepleit zorgvuldig om te gaan met afvalwater en afstromend water van verharde gebieden. Deze kunnen nogal eens veel vervuiling bevatten. Energie Het gebied blijkt niet geschikt voor warmte/koude opslag omdat de watervoerende laag waarin dit zou moeten gebeuren te diep ligt. Er moet dus naar alternatieve manieren worden gezocht indien men hier toch gebruik van wil maken. Ecologie en natuurwaarden In het rapport wordt veel aandacht besteed aan de aanwezige flora en fauna in het huidige gebied. Zelfs een ‘duurzaam’ bedrijventerrein heeft nog maar nauwelijks natuurwaarde. Daarom is het vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling belangrijk dat er aandacht

60

wordt besteed aan het voorkomen van een teruggang van biodiversiteit. Het rapport concludeert dat er niet echt veel natuurwaarde in het gebied aanwezig is, met uitzondering van enkele vogelsoorten die op de ‘rode lijst’ zijn terug te vinden. Deze komen echter niet in zodanige mate in het gebied voor dat het gebied is aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Het is echter wel belangrijk om bij deze conclusie een belangrijke beperking te signaleren: “van het gebied is een redelijke hoeveelheid, zij het gedateerde, informatie beschikbaar. Ook gezien de hierboven vermelde aandachtspunten (een overzicht van de beperkingen van het beschikbare data materiaal, red.) is nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde of zeldzame dier- en plantensoorten noodzakelijk. Belangrijk hierbij zijn de consequenties van de EU-habitatrichtlijn en EUvogelrichtlijn en de nieuwe Flora- en Faunawet. Van belang is om de aanwezigheid van beschermde soorten in een vroegtijdig stadium in het planproces te signaleren. De op dit moment beschikbare informatie geeft hiertoe niet voldoende zekerheid.” (blz. 23) De vraag is natuurlijk wanneer men wel voldoende zekerheid heeft, omdat het erg moeilijk, zoniet onmogelijk, is om de afwezigheid van bepaalde soorten aan te tonen. Landschappelijke inpassing Er wordt in het rapport nadrukkelijk aandacht besteed aan de huidige landschapskenmerken zoals de landschapsstructuur en de ruimtelijk visuele kenmerken. Opmerkelijk is de aanbeveling om een inventariserend en waarderend archeologisch onderzoek te laten doen. In het plangebied zijn namelijk vier archeologische waarnemingen geregistreerd die betrekking hebben op de prehistorie en de late Middeleeuwen. Grondwerkzaamheden zullen mogelijke archeologische waarden kunnen vernietigen. Enkele conclusies naar aanleiding van de analyse Het rapport onderste lagen is gebaseerd op de lagenbenadering en besteed dan ook veel aandacht aan de huidige situatie van de onderste laag. Er is veel aandacht voor bodem, (grond) water, natuur en landschap, maar verder dan deze onderste laag wordt niet gekeken. Zo worden de eventuele gevolgen voor de onderste laag door het aanleggen van een nieuw bedrijventerrein niet uitgewerkt. Dit was ook niet de bedoeling van het rapport. Het rapport geeft een aanzet voor de verdere analyse in een Milieu Effect Rapportage.

7.5 Haalbaarheidsonderzoek door Buck Consultants International
Inleiding Het onderzoek van Buck Consultants International naar de behoefte en nut en noodzaak van een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein bestaat uit een aantal deelstudies. Deelstudie A bevat een doelgroepenidentificatie met daaraan gekoppeld specifieke vestigingseisen. Het resultaat is een afbakening in het licht van het concept vernieuwend duurzaam. In het tweede deel wordt een ruimtelijk-economische analyse van de regio West-Brabant gemaakt met tevens aandacht voor arbeidsmarktontwikkelingen. Vervolgens is in het derde onderzoeksdeel een analyse gemaakt van de marktvraag en de ruimtebehoeftebepaling van de geïdentificeerde doelgroepen. Tot slot zijn een aantal (beleids)alternatieven ontwikkeld om in kaart te brengen wat de verschillen in ruimtebehoefte zijn. De effecten van de verschillende alternatieven op uiteenlopende aspecten worden tevens weergegeven. In de bespreking van dit onderzoek gaan we eerst in op de doelgroepenidentificatie, omdat die volgens Telos een cruciale rol speelt bij de ontwikkeling van de Moerdijkse Hoek. Doelgroepenidentificatie De doelgroepenidentificatie vormt een wezenlijk onderdeel in de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein en daarmee in de vormgeving van het planproces. Om dit proces goed te kunnen laten verlopen, is het noodzakelijk kennis te hebben van de bedrijven die interesse hebben om zich te vestigen op Moerdijkse Hoek. Moerdijkse Hoek bezit een aantal unieke terreinkenmerken. Bij het begin van het deelonderzoek naar doelgroepen door BCI heeft direct afbakening plaatsgevonden naar een aantal bijzondere vestigingseisen, die gerelateerd zijn aan deze terreinkenmerken. Deze vestigingseisen betreffen de beschikbaarheid van grote kavels, de mogelijkheid van vestiging van bedrijven uit de hoge milieuhinder-categorieën, noodzaak van diep vaarwater en binding met specifieke transportinfrastructuur. Zonder de relevantie van deze afbakening in twijfel te willen

61

trekken zijn een aantal kanttekeningen o.i. op zijn plaats. Om te beginnen verdient het aanbeveling op meerdere fronten onderzoek te doen naar de potentiële voor- en nadelen van concentratie van bedrijven uit de hogere milieuhinder-categorieën. Het uitgangspunt dat bedrijven nut hebben door ligging bij diep vaarwater is logische gezien de ligging van de Moerdijkse Hoek. Er dient echter wel gekeken te worden of er realistische mogelijkheden zijn 45 om de benutting ook daadwerkelijk tot stand te brengen . Deze laatste kanttekening geldt ook voor de speciale transportinfrastructuur. Het verdient zeker aanbeveling de mogelijkheden te onderzoeken om transport in goede banen te leiden. Maar ook hier geldt dat er rekening moet worden gehouden met misschien onoverbrugbare (financiële of technische) problemen. Uitgangspunt voor de doelgroepenidentificatie vormt “de potentie van bedrijven om inhoud te geven aan een duurzame inrichting van een terrein”. Het individuele bedrijfsniveau, het regionale niveau en het beheersniveau blijven in het onderzoek buiten beschouwing. Telos is van mening dat door het gekozen uitgangspunt voorbij wordt gegaan aan de belangrijke rol die het (plan)proces speelt bij de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein. Bij een vraaggerichte aanpak, in onze ogen noodzakelijk, gaat het erom vast te stellen welke bedrijven daadwerkelijk geïnteresseerd zijn zich te vestigen op Moerdijkse Hoek. Door hier in een vroeg stadium al niet op in te zoomen loopt men het grote risico in de loop van het (plan)proces geconfronteerd te worden met het probleem van (gebrek aan) de betrokkenheid van de bedrijven bij dit proces.Deze betrokkenheid is essentieel om duurzame maatregelen en ideeën te kunnen ontwikkelen en uit te voeren. Het uitsluiten van het individuele bedrijfsniveau brengt nog een ander probleem met zich mee. Een van de basisprincipes voor vernieuwend duurzaam luidt dat er op individueel bedrijfsniveau reeds zoveel mogelijk sprake moet zijn van een duurzame bedrijfsvoering. Het gaat met andere woorden om bedrijven die in eerste instantie zelf gemotiveerd moeten zijn een aantal duurzaamheidprincipes door te voeren of centraal te stellen. Door het onderzoek louter te richten op de categorie van potentiële bedrijven blijft het onderzoek (te) abstract en daarmee komen de daadwerkelijke motieven van individuele bedrijven niet in beeld. In onze visie een absolute noodzaak. Door het regionale niveau niet in het onderzoek te betrekken wordt niet tegemoet gekomen aan de wens vanuit het concept vernieuwend duurzaam om tot goede afstemming te komen met bedrijvigheid in de regio (basisprincipe Segmentering). Daarnaast wordt niet concreet inzichtelijk gemaakt wat de substitutie-effecten zijn. In het BCI-onderzoek wordt op verschillende plekken verwezen naar de functie van Moerdijkse Hoek als opvangplaats voor bedrijven die op hun huidige locatie niet meer passen. Om wat voor soort bedrijven het echter gaat en wat de ‘winst’ zou zijn van bedrijfsverplaatsing wordt niet duidelijk. Gezien de invalshoek van de BCI studie is het tenslotte begrijpelijk dat het beheersniveau niet wordt meegenomen. Door rekening te houden met andere niveaus worden randvoorwaarden geschapen om het beheersniveau op termijn tot een goede invulling te laten komen. Vestigingscondities De vestigingscondities worden onderverdeeld in drie specifieke vestigingscondities en drie duurzaamheidaspecten. Operationalisering van de vestigingscondities gebeurt door te kijken naar: • afstand tot bebouwing/milieuhinder, • ruimtebehoefte, • en specifieke infrastructuur. De uitwerking van de duurzaamheidaspecten gebeurt aan de hand van aandacht voor: • modal shift, • gebruik van reststoffen, • en intensiveringspotentie. Op basis van de vestigingscondities en de duurzaamheidaspecten worden hoofdgroepen van activiteiten onderscheiden. De visie op duurzaamheid in het rapport is aldus gerelateerd aan de ecologische dimensie van duurzaamheid. Ook BCI concludeert dat met name veel winsten te behalen zijn op het gebied van milieuverontreiniging. Telos concludeert in hoofdstuk 4 dat milieutechnische baten vooral afhankelijk zijn van het realiseren van synergieën in het productieproces van de aanwezige bedrijven op een terrein. De conclusie is dat hoe diverser het bedrijventerrein sectoraal is samengesteld, hoe meer milieuwinst er (theoretisch) te
45

Het graven van een vaarweg als optie lijkt te zijn verdwenen uit de plannen rondom Moerdijkse Hoek.

62

behalen valt. In het onderzoek van BCI wordt ingegaan op de mogelijkheden van bepaalde sectoren duurzaamheidaspecten door te voeren. Er is echter geen aandacht voor het behalen van voordelen door een diverse sectorale samenstelling van het terrein. In hoofdstuk 4 is geconcludeerd dat bedrijventerreinen waar de integratie niet verder gaat dan het gezamenlijke gebruik van installaties, niet aangeduid kunnen worden met de term ‘vernieuwend duurzaam’. Immers in de praktijk zijn al projecten gerealiseerd die veel verder gaan. Ook hier geldt, net als in het voorgaande, dat kennis over potentiële bedrijven van belang is. In de eerste plaats om rekening te kunnen houden met de sectorale indeling van een terrein Daarnaast is deze noodzakelijk om samenwerkingsmogelijkheden uit te zoeken en te benutten. De samenhang met de hierboven genoemde proceskant en de noodzakelijke betrokkenheid van bedrijven bij dit proces is evident. Dit inzicht ontbreekt in het onderzoek van BCI, hetgeen gemiste kansen kan betekenen om tot een werkelijk duurzaam terrein te komen. Enkele conclusies naar aanleiding van de analyse • Punt van nadere aandacht, eventueel van vervolgonderzoek, is de opmerking in hoofdstuk 6 van het BCI-rapport dat ‘het vrijwel onmogelijk bleek om op voorhand duurzame bedrijven, waarbij sprake is van uitwisseling van stromen onderling en het gezamenlijk gebruik van diverse voorzieningen te selecteren. Daarom is het inhoud geven aan duurzaamheid door bedrijven als uitgangspunt genomen”. De manier waarop inhoud kan worden gegeven aan duurzaamheid is veel beperkter dan wat Telos voor ogen staat (zie hiertoe onze checklist). • De intentie bestaat bedrijven van vooral een hogere milieucategorie te vestigen op Moerdijkse Hoek. Daarom zou er juist veel aandacht moeten zijn voor de mogelijkheden van deze bedrijven maatregelen te nemen gericht op duurzaamheid ten aanzien van alle thema’s. • Positief is dat in het concluderende hoofdstuk wordt aangegeven dat vernieuwend duurzaam ook met name naar voren moet komen in het beheer van het terrein en dat daar duidelijke afspraken over moeten worden gemaakt. Er worden hiervoor enkele opmerkingen geplaatst. • Er wordt in hoofdstuk 5 van het BCI-rapport aandacht besteed aan optimaal gebruik bij functievermenging van resources zoals water, energie en arbeidskrachten. Mogelijk wordt hier impliciet gedoeld op samenwerking tussen bedrijven. Hoe die samenwerking vorm moet krijgen is niet duidelijk. • Ruimtebehoeftebepaling is een belangrijk deel van onderzoek. Het verdient aanbeveling bij deze bepaling niet alleen rekening te houden met de ruimtebehoefte van bedrijven maar ook met ruimtebehoefte voor bijvoorbeeld gezamenlijke voorzieningen (ruimtewinst onder andere). • Het rapport heeft aandacht voor het beheer van afvalstromen maar zou nog meer gedetailleerd aandacht hieraan kunnen besteden. Scenario’s voor samenwerking tussen bedrijven op het gebied van afvalstromen zou een van de uitgangspunten kunnen zijn. • Positief aan het rapport is dat er aandacht is voor beleidsstukken die inderdaad de toekomst van het gebied mede zullen bepalen. • In het rapport wordt uitgegaan van de onmogelijkheid van sectoren om tot een duurzaam terrein te kunnen behoren. Telos heeft op dit punt een andere visie. In potentie kunnen alle bedrijven duurzamer produceren. Het vergelijken van sectoren op duurzaamheid wordt niet als uitgangspunt genomen maar de vergelijking van bedrijven binnen een sector. Een bedrijf kan in potentie in aanmerking komen voor een plek op een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein wanneer het bedrijf aangeeft voorop te (willen) lopen wat betreft het toepassen van duurzaamheidprincipes in vergelijking met andere bedrijven in dezelfde sector. Dit geldt dan met name voor duurzaamheidaspecten rondom de productie (met als onderdeel bijvoorbeeld ook afvalstromen). Meer algemene aspecten van duurzaamheid zoals in de checklist naar voren komen (werkklimaat, intensief ruimtegebruik) moeten in het algemeen aan bedrijven kunnen worden voorgelegd als eis. • Inrichting en beheer krijgen specifieke aandacht. Aan het begin van het onderzoek wordt reeds de afweging gemaakt alleen te kijken naar inrichting. De inrichting van het terrein krijgt met name aandacht in de vorm van ruimtegebruik. Telos pleit ervoor meer elemen-

63

ten aan de orde te stellen zoals collectieve voorzieningen, samenwerking op het gebied van energiestromen etc.

7.6 Ontwerpstudie Manipulatie van de transformatie door KuiperCompagnons46
Inleiding Deze ontwerpstudie is het resultaat van een ontwerponderzoek waarin een aantal varianten voor een conceptuele invulling van het terrein Moerdijkse Hoek is geschetst. Het rapport vormt in wezen een vervolg op de onderzoeken die in de verkennende fase zijn uitgevoerd. Het zou een rol kunnen spelen in het voorbereidingstraject van de noodzakelijke streekplanherziening. De varianten die in het verhaal worden onderscheiden, geven inhoud aan de aspecten duurzaamheid, ruimtelijk-landschappelijke kwaliteit en intensief ruimtegebruik. In de studie wordt eerst een korte beschrijving gegeven van de locatie zoals die er op dit moment uitziet. De gepresenteerde informatie vertoont veel overeenkomsten met het beschrijvende hoofdstuk in het onderste lagenrapport. Vervolgens passeren de uitgangspunten voor de ontwerpstudie de revue: deze uitgangspunten zijn het programma zoals door Buck Consultants International verwoord in hun verkennende studie en het ontsluitingsscenario ‘Duurzame Wereld’ uit de verkeer- en vervoersstudie van DHV. Na deze introductie wordt kort aangegeven welk beeld men heeft bij “duurzame ontwikkeling”. Er wordt gepleit voor het hanteren van het bestaande landschap als uitgangspunt en het plegen van verantwoorde ingrepen hierin. Daarnaast wordt gewezen op het integrale karakter van duurzaamheid. De resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd in de vorm van een aantal ‘bouwstenen voor flexibele concepten van het bedrijventerrein’. Na de bespreking van deze bouwstenen worden 3 modellen gepresenteerd waarbij de bouwstenen en de benodigde flexibiliteit handen en voeten hebben gekregen. Bodem en water In de eerste plaats wordt aangegeven dat het noodzakelijk is om voldoende waterberging te creëren, zodat het gebied zelf water kan vasthouden en dit niet op het omliggend gebied afwentelt. In de tweede plaats zal regenwater opgevangen en hergebruikt moeten worden. In de derde plaats wordt het (her)gebruik van kwelwater (na biologische zuivering) aangeraden. Tenslotte wordt de aanbeveling gedaan om de bouwtechniek aan te passen op de bodemgesteldheid: er moet rekening worden gehouden met hoge grondwaterstanden. Hierop zou kunnen worden ingespeeld door op hoger gelegen ‘eilanden’ te bouwen. Energie Een van de bouwstenen gaat enerzijds uit van het beperken van het energiegebruik en anderzijds het zoveel mogelijk gebruik maken van duurzame energiebronnen: het gebruik van zonnepanelen, windmolens, restwarmte en een biomassa-centrale worden genoemd als optie. Grond- en hulpstoffen en afvalstoffen De thema’s grond- en hulpstoffen en afvalstoffen komen niet aan bod in het rapport. Landschappelijke inpassing Een belangrijk aspect in deze studie is de inpassing in het landschap. Voorgesteld wordt om de aanwezige dijkenstructuur te hanteren als uitgangspunt. Ruimtegebruik Bouwsteen 2 schrijft voor dat getracht moet worden ruimtewinst te boeken door gestapeld te bouwen of meerdere maaivelden boven elkaar aan te leggen en bedrijven zoveel mogelijk te bedekken onder de landschapsdeken.

46

Er heeft slechts een beperkte analyse kunnen plaatsvinden doordat we pas in een laat stadium konden beschikken over de concept-tekst zonder de ruimtelijke beelden.

64

Daarnaast wordt het belang van recyclebare gebouwen benadrukt. Vanwege de relatief korte economische levensduur van bedrijfspanden, is het noodzakelijk om voor 100% met recyclebare grondstoffen te werken. Leefklimaat, werkklimaat en ondernemersklimaat Het leefklimaat komt aan bod in de eerste bouwsteen: het dorp Moerdijk. Aangegeven wordt dat de gevolgen van de aanleg van het terrein voor het dorp zoveel mogelijk verzacht moeten worden en dat waar mogelijk de situatie voor omwonenden verbeterd moet worden. Voorbeelden van maatregelen zijn de aanleg van ecologische verbindingszones en het waarborgen van de veiligheid, bijvoorbeeld door het transport van gevaarlijke stoffen niet meer vlak langs Moerdijk te laten plaatsvinden. Daarnaast wordt aangegeven dat men het terrein zoveel mogelijk een open karakter wil geven. Het moet een gebied worden waarin omwonenden ook kunnen recreëren. Het clusteren van bedrijven en het bedekken van deze clusters onder een landschapsdeken of het huisvesten van deze clusters binnen een “fort” zal hieraan moeten bijdragen. Verkeer en vervoer Het thema verkeer en vervoer komt niet aan bod in de studie. Enkele conclusies naar aanleiding van de analyse In deze ontwerpstudie gaat het niet primair om het uitdenken of uitwerken van (vernieuwend) duurzame initiatieven, maar om de vertaling van bestaande duurzaamheidinzichten in een concreet beeld/ontwerp. Het is in wezen dan ook geen verkennende studie zoals de andere rapporten, maar meer een handvat voor het uiteindelijk ontwerp en voor de herziening van het bestemmingsplan. De bouwstenen die in het rapport worden besproken geven wel enkele denkrichtingen aan.

7.7 Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Startnotitie m.e.r. (Concept 3, augustus 2002) door Witteveen en Bos
Inleiding De startnotitie m.e.r. is de formele start van de m.e.r procedure. De startnotitie geeft inzicht in de doelstellingen van de initiatiefnemer, in de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, in de mogelijke alternatieven en geeft een eerste indicatie van de relevante milieugevolgen. De startnotitie geeft een overzicht van de huidige plannen en vormt daarmee de basis voor inspraak en de uiteindelijke invulling van het milieu effect rapport. De startnotitie geeft dus slechts indicatief aan waar eventuele problemen verwacht kunnen worden en waaraan extra aandacht besteed zal moeten worden in de uiteindelijke m.e.r. Opvallend in de startnotitie is de aanwezigheid van een duurzaamheiddriehoek. Bij de alternatiefontwikkeling wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de elementen uit deze driehoek, niet alleen de ecologische kenmerken, maar ook economische en sociaal culturele eisen komen aan bod. Het is echter onduidelijk hoe dat die elementen weer terugkomen in de genoemde alternatieven. In de startnotitie m.e.r wordt aangegeven waar de uiteindelijke m.e.r aandacht aan zal besteden. Deze punten zijn gescoord als ‘ weinig aan bod’ om dat ze in deze startnotitie niet verder worden uitgewerkt. Het is echter zeer waarschijnlijk dat deze punten in de uiteindelijke m.e.r gescoord kunnen worden als ‘voldoende aan bod’. Voor het trekken van de algemene conclusies is er daarom voorlopig vanuit gegaan dat de punten waaraan aandacht wordt besteed in de startnotitie voldoende zullen worden uitgewerkt in de uiteindelijke m.e.r. Bodem en water In de m.e.r. zal het functioneren van het huidige watersysteem (grondwater- en oppervlaktewater) en de bodemopbouw en –samenstelling nader worden beschreven. Omdat water een belangrijke drager is voor de natuur zal in het MER worden ingegaan op de relatie tussen het watersysteem en de potenties voor natuur. Daarbij wordt aandacht besteed aan de eventueel aanwezige verontreinigingen in bodem en water.

65

Natuur In de m.e.r. wordt een overzicht gegeven van de aanwezige beschermde soorten, relevanter ecosystemen, ecologische verbindingen en beschermde gebieden. Daarmee wordt dus het verlies van de huidige ecologische waarde aangegeven. Ook zal er worden gekeken naar mogelijke effecten door de aanleg van het terrein door ‘ versnippering’ en ‘verstoring’. Het gaat hierbij dan vooral om effecten op de omgeving. Landschap en cultuurhistorie Er worden drie verschillende ruimtelijke modellen uitgewerkt waarbij in alle gevallen inpassing in het huidige landschap als uitgangspunt is genomen. Deze integrale alternatieven worden ook weer meegenomen in de beschrijving van alle alternatieven die in de m.e.r. zullen worden onderzocht. Wel wordt al opgemerkt dat de openheid van het huidige landschap grotendeels zal verdwijnen. Daarom zal de m.e.r zich richten op de inpassing van het bedrijventerrein in de landschapsstructuur en op de verandering van kenmerkende elementen, patronen en waarden Verkeer en vervoer Er wordt in het rapport een korte samenvatting gegeven van de bevindingen van het DHV rapport. In de m.e.r zal dan worden gekeken naar de milieu-effecten van een toename in de verkeersstromen, zoals luchtverontreiniging en geluidsoverlast. Wel wordt er nog ergens opgemerkt dat het belangrijk is om ook aandacht te besteden aan de veiligheid van de transporten. Naar verwachting zullen op het terrein bedrijven met grote milieurisico’s worden gevestigd en dit kan betekenen dat dit ook consequenties heeft in de vorm van een toename in de transporten van gevaarlijke stoffen. Leefomgeving Bij de leefomgeving zal in de meer aandacht worden besteed aan hinder in de zowel de aanlegfase als de exploitatiefase van het bedrijventerrein voor de omgeving. Er zal ook expliciet aandacht worden besteed aan de interne en externe veiligheid van het bedrijventerrein. De plaatsgebonden en groepsrisico’s en de contouren van de maximale effecten van calamiteiten zullen worden geïnventariseerd. En de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen. Verkeersveiligheid, sociale veiligheid en sociale barrière werking worden genoemd als aandachtspunt.

7.8 Een aantal constateringen
In de voorgaande paragrafen zijn de verschillende (deel)studies tegen het licht gehouden. Daarbij heeft de door Telos in hoofdstuk 3 ontwikkelde checklist "Vernieuwend Duurzaam" als beoordelingskader gediend. Alvorens een beeld te schetsen welke aspecten uit de checklist wel en niet (in voldoende mate) aan bod zijn gekomen een aantal opmerkingen vooraf. Zoals in de inleidende paragraaf reeds aangegeven ware het ideaal geweest indien de checklist reeds in een eerder stadium beschikbaar zou zijn geweest dan zou bij het uitvoeren van alle onderzoeken het principe van vernieuwend duurzaam meer sturend hebben kunnen zijn. Bij de meer recente onderzoeken uit 2002 is aan de onderzoeksbureaus gevraagd om een uitwerking te geven aan het begrip vernieuwend duurzaam. Het verdient in ieder geval aanbeveling, mits de provincie zich kan vinden in de geformuleerde checklist en de daaronder liggende principes, deze als vertrekpunt te nemen bij eventuele vervolgstappen. De door ons onderzochte studies zijn allemaal deelstudies uitgevoerd door gespecialiseerde onderzoeksbureaus, vaak met een gerichte en daardoor, vanuit de optiek van het concept "vernieuwend duurzaam", beperkte probleemformulering. Het heeft daardoor bijna iets onrechtvaardigs ze tegen het licht van de checklist te houden, omdat op voorhand duidelijk is dat ze aan een aantal principes niet tegemoet (kunnen) komen. Tegelijkertijd dienen we ons rekenschap te geven van het feit dat het duurzaamheidsdenken vanuit de Telos duurzaamheiddriehoek en de daarop gebaseerde checklist vraagt om een integrale afweging van sociaal-culturele, ecologische en economische belangen. Een afweging die in de afzonderlijke studies niet heeft plaatsgevonden en niet heeft kunnen plaatsvinden. Borging van dit integrale denken in de vervolgstappen is essentieel.

66

In hoofdstuk 6, maar ook bij de bespreking van met name het rapport van BCI over nut en noodzaak van Moerdijkse Hoek is gewezen op het belang van het proces. Daar is ook aangegeven dat een evaluatie van het totale proces tot nu toe zinvol zou zijn. Geen van de bestudeerde rapporten besteedt aandacht aan de procesmatige kant van de ontwikkeling van het vernieuwende bedrijventerrein. Het verdient aanbeveling om hieraan in de vervolgstappen meer aandacht te besteden. Overigens zij hierbij nog opgemerkt dat de rapporten als zodanig ook onderdeel uitmaken van het proces. Uit het oogpunt van draagvlakvergroting is het van belang hier doorlopend van bewust te zijn. In de bespreking van het rapport van BCI is er op gewezen, maar in feite geldt dit ook voor andere onderzoeken, dat het in onze visie voor een vraaggerichte invulling van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, van groot belang is reeds in een zo vroeg mogelijk stadium inzicht te hebben welke bedrijven zich willen vestigen op Moerdijkse Hoek. Daarmee kan een zo groot mogelijke betrokkenheid bij de verdere ontwikkeling van het terrein worden gerealiseerd. Tegelijkertijd ontstaat er daardoor ook een concreter en reëler beeld van de mogelijke gevolgen op lokaal en regionaal niveau (substitutie, inverdieneffecten, synergie, samenwerkingsmogelijkheden etc.). Op dit punt is vervolgonderzoek essentieel. Het totaal beeld ziet er als volgt uit: • Rondom het thema Bodem is geen van de leidende principes voldoende aan bod gekomen. Aan de gesloten grondbalans wordt in geen enkel rapport aandacht besteed. In een aantal rapporten is wel enige aandacht besteed aan zaken als voorkomen bodemverontreiniging, optimale afstemming met (grond)water, rekening houden met de draagkracht van de bodem en geen schade aan flora en fauna. Het lagenrapport besteedt wel veel aandacht aan de huidige situatie en doet aanbevelingen voor de m.e.r. • In het rapport over glastuinbouw is veel aandacht voor energie maar alleen in relatie tot glastuinbouwbedrijven. Principes als maximale energiebesparing en energie-efficiency, maximale toepassing duurzame energie en energiebesparende ruimtelijke inrichting komen in dit rapport voldoende aan bod. De eerste twee principes komen in sommige andere rapporten ook enigszins aan bod. De verwachting was dat in het BCI-rapport veel aandacht zou zijn voor energie bij met name bij de doelgroepafbakening (energiebesparing als criterium). Aan het voorkomen/beperken van broeikasgassen wordt geen of nauwelijks aandacht besteed. • Het thema water komt in zijn totaliteit in geen enkel rapport voldoende aan bod. Dit zal echter zeker de aandacht krijgen in de m.e.r. Voor het principe 'waterhuishoudkundige ingrepen mogen geen belasting op regio- en terreinniveau hebben' is de nodige aandacht. Dat geldt ook nog enigszins voor de principes optimale afstemming met de bodem en gesloten watersysteem. • De leidende principes die worden genoemd onder grond- en hulpstoffen worden niet aan de orde gesteld in de geanalyseerde rapporten. Hier worden helaas geen mogelijkheden benut uitwisselingstechnieken tussen bedrijven als uitgangspunt te nemen bij bijvoorbeeld de doelgroepafbakening in het rapport van BCI. Hier wreekt zich het feit dat nog geen concrete bedrijven in beeld zijn. • Het gebruik van reststoffen wordt in het BCI rapport gebruikt als vestigingseis bij de doelgroepafbakening. In de overige rapporten is er weinig aandacht voor voorkoming en verwerking van afval (afvalmanagement). Dit is echter verklaarbaar aangezien dit in een latere fase pas uitgewerkt kan worden. Telos pleit echter voor het benoemen van belangrijke principes in de eerste fasen van onderzoek zodat de aandacht er reeds op wordt gevestigd voor verder onderzoek. • In het onderste lagen rapport komen basaal enkele leidende principes rondom het thema landschappelijke inpassing aan bod. Clustering is een belangrijk principe dat aandacht krijgt in het glastuinbouwrapport maar helaas niet als uitgangspunt wordt genomen in de BCI-studie. • Onderzoek naar afstemming op de omgeving (aansluiten bij bestaande bedrijvigheid) verdient meer aandacht in de onderzoeken. Het BCI-onderzoek geeft aan dat Moerdijkse Hoek een duidelijke rol speelt in de opvang van regionale bedrijvigheid die om wat voor reden niet meer op zijn plaats zit op de huidige locatie. Wat betreft ruimtegebruik wordt in het BCI-rapport en het glastuinbouwrapport veel aandacht besteed aan intensivering.
47

47

In het bijlagenboek kan voor ieder onderzoek nagekeken worden in hoeverre aan de verschillende aspecten uit de checklist aandacht is besteed.

67

• •

Het verdient aanbeveling verdere uitwerking te plegen voor daadwerkelijke vestigers (van theorie naar praktijk). Sociale overlast van toekomstige bedrijvigheid (milieuhinder als vestigingscriterium), maar ook versterking van het economisch draagvlak in de kernen komt met name onder de aandacht in het rapport van BCI. Aan de ’ecologische aspecten’ van het leefklimaat wordt in de verschillende studies nog enige aandacht besteed. Veiligheid daarentegen komt niet aan bod terwijl een deel van de potentiële bedrijvigheid zal behoren tot de hogere milieucategorieën. In de rapporten wordt geen aandacht besteed aan het werkklimaat. Wel wordt werkgelegenheid als versterkende factor aangemerkt voor de regio. Van belang ten aanzien van het werkklimaat is de mate waarin Moerdijkse Hoek vooral een regionale opvangfunctie zal hebben. Meer concrete informatie over aard en omvang van het aantal regionale bedrijven dat geïnteresseerd is in en voldoet aan de criteria voor vestiging op Moerdijkse Hoek is essentieel. Het ondernemersklimaat krijgt veel aandacht in het rapport van BCI. Ook het vraagstuk van de bereikbaarheid krijgt zowel in het BCI-onderzoek, als in dat van DHV voldoende aandacht. De problematiek rondom verkeersveiligheid komt te weinig aan bod. Dit aspect zal in de m.e.r. procedure aan bod moeten komen. Bereikbaarheid van de regio wordt, zoals hierboven ook al aangegeven, voldoende in de rapporten meegenomen. In de DHVstudie komt dynamisch verkeersmanagement voldoende aan bod.

68

8

Conclusies en aanbevelingen

8.1 Inleiding
Telos is een onafhankelijk instituut dat kennis ontwikkelt en vertaalt ten behoeve van transities op weg naar integrale duurzame ontwikkeling. Daartoe heeft ze een concept en methodiek ontwikkeld, die het mogelijk maken om concrete veranderingsprocessen met recente inzichten en nieuwe instrumenten kritisch te beoordelen en te ondersteunen. Het verzoek van de Provincie Noord-Brabant om ten behoeve van het Programma van Eisen voor Moerdijkse Hoek het concept ‘vernieuwend duurzaam bedrijventerrein’ vorm en inhoud te geven paste daarom goed in de strategische taakstelling van Telos. Een interdisciplinaire projectgroep heeft getracht de verschillende dimensies in kaart te brengen. De voorlopige resultaten zijn vervolgens ter validering voorgelegd aan een aantal externe deskundigen en betrokkenen. Op deze wijze heeft Telos geprobeerd om een zo volledig en zo objectief mogelijke beeld te schetsen van de kansen en bedreigingen, waarmee Moerdijkse Hoek vanuit het oogpunt van duurzaamheid te maken heeft. De resultaten van analyses en workshops worden in dit slothoofdstuk nog eens kort samengevat. Ten behoeve van de planvorming voor Moerdijkse Hoek heeft het provinciaal bestuur een aantal voorstudies laten uitvoeren: een onderzoek naar de mogelijke combinatie met glastuinbouw (Arcadis), een verkennende verkeers- en vervoersstudie (DHV), een ruimtelijkeconomische verkenning (BCI), een onderzoek naar de onderste laag (Witteveen en Bos) en een ontwerpstudie door KuiperCompagnons. Het startdocument Watertoets, opgesteld door waterschap en hoogheemraadschap, bleef buiten beschouwing. Wel is een conceptversie van de startnotitie voor de MER in de beschouwingen betrokken. De studies en documenten zijn door Telos geanalyseerd met behulp van een nieuw instrument, de Checklist duurzame bedrijventerreinen. Dit instrument kan ook goede diensten bewijzen bij de duurzame (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen elders. Om de sociale duurzaamheid te kunnen beoordelen is daarnaast gebruik gemaakt van een op verzoek van de gemeente Moerdijk ontwikkeld Scenario 2020. Bovendien is aandacht besteed aan het cumulatieve effect van andere grootschalige ontwikkelingen in de regio. Ook zijn we op basis van literatuurstudie nagegaan welke voor- en nadelen clustering van bedrijven kunnen opleveren, vanuit een integraal perspectief. Tenslotte is veel aandacht besteed aan de randvoorwaarden, waaraan het proces zou moeten voldoen om kansrijk nieuwe duurzame bedrijventerreinen te ontwikkelen. In dit hoofdstuk vatten we de belangrijkste resultaten samen en verbinden daaraan een aantal aanbevelingen.

8.2 Schaalvoordelen en industriële symbiose
Uit onze analyse (hoofdstuk 4) blijkt, dat het bijeenbrengen van bedrijven grote baten met zich kan brengen op sociaal, ecologisch en economisch vlak, ten opzichte van de situatie waarin bedrijven verspreid zijn over het land en er geen bedrijfsprocessen worden geïntegreerd. De omvang van de potentiële baten zijn afhankelijk van zowel de absolute omvang van de economische activiteit op het bedrijventerrein als van de samenstelling van die economische activiteit. Wat betreft de gewenste sectorale samenstelling van de economische activiteit op het bedrijventerrein, leert het overzicht van de industriële symbiose dat de grootste winsten kunnen worden geboekt wanneer bedrijven uit verschillende sectoren bij elkaar worden gevoegd. Wat betreft de sociale baten van clustering, kunnen we concluderen dat het voornamelijk het aantal werknemers (de absolute omvang van economische activiteit) is dat bepalend is voor de omvang van de potentiële baten, en dat de sectorale samenstelling van minder belang is. Kijkend naar de mogelijke nadelen van samenbrengen van bedrijven (die liggen op het vlak van macro-economische onzekerheid, consequenties voor groei en de mogelijkheid van lockin), kunnen we constateren dat deze het kleinst zullen zijn indien inderdaad wordt gekozen voor een heterogene sectorale samenstelling van het bedrijventerrein. In onze ogen zou dus

69

met name de diversiteit van economische activiteit een prominente plaats moeten hebben in het Programma van Eisen.

8.3 De regionale context
Het is van belang, dat in de m.e.r. aandacht wordt besteed aan het cumulatieve effect van een aantal majeure ruimtelijke ontwikkelingen in de regio en aan de substitutie-effecten die in West-Brabant optreden, doordat elders onduurzame knelpunten worden opgelost door de komst van Moerdijkse Hoek. Daartoe zou het zoekgebied van de m.e.r. wellicht moeten worden verruimd. Ook verdient het aanbeveling om na te gaan of de wettelijk verplichte m.e.r. kan worden verbreed tot een integrale duurzaamheidbeoordeling, zoals door de Commissie Ketting is voorgesteld. Daarbij moet ook de sociale dimensie nadrukkelijk een plek krijgen. Er zal opnieuw geïnvesteerd moeten worden in het versterken van het draagvlak in de regio. Uit hoofdstuk 5 blijkt, dat er op dit moment geen consensus bestaat over de ontwikkeling van Moerdijkse Hoek. De gemeente lijkt niet langer gevoelig voor de compensatie voor de tenuitvoerlegging van Moerdijkse Hoek, bijvoorbeeld in de vorm van extra woningbouw, en wil zwaar inzetten op een groen imago als vestigingsfactor in de nabije toekomst. Het ontbreken van consensus over Moerdijkse Hoek zou wel eens van doorslaggevende betekenis kunnen zijn voor een succesvolle ontwikkeling van het vernieuwend duurzame bedrijventerrein. Hoewel verplaatsing van bedrijven uit de regio naar Moerdijkse Hoek gunstige effecten kan hebben voor de omgeving waar de bedrijven vandaan komen, zal de druk op de leefomgeving als gevolg van de aanleg van Moerdijkse Hoek toenemen. Een van de belangrijkste redenen om veel economische activiteiten in een gebied samen te ballen is dat concentratie mogelijkheden biedt tot het benutten van schaalvoordelen in de aanpak van eventuele negatieve gevolgen van de geplande activiteiten. Diverse belanghebbenden bij Moerdijkse Hoek lijken echter weinig oog te hebben gehad voor die potentiële voordelen bij de keuze voor de locatie van het geplande bedrijventerrein. Onduidelijk is in hoeverre met compenserende maatregelen de veronderstelde negatieve effecten kunnen worden weggenomen. Wel is duidelijk, dat een belangrijk element uit het door de provincie geformuleerde concept vernieuwend duurzaam (“levert het vernieuwend duurzaam bedrijventerrein een impuls aan de veiligheid en leefbaarheid in de aangrenzende gebieden en woongebieden”) nog niet vertrouwenwekkend is uitgewerkt.

8.4 Een vernieuwend en duurzaam proces
Tijdens de workshop met experts en stakeholders is het proces uitvoerig aan de orde geweest. Experts brengen in, dat het erg belangrijk is om te weten welke bedrijven er als eerste komen. Ook vinden ze de procesaanpak zo belangrijk dat het een basisprincipe moet zijn en dat het proces een middel is om aan de andere basisprincipes te kunnen voldoen. Ze achten contact met de gemeente Moerdijk en ondernemers noodzakelijk. In de workshop met de stakeholders worden proceselementen eveneens bevestigd. In het samenwerkingsproces kunnen de partijen gebruik maken van de ‘checklist’ als bouwsteen en komen tot regionaal grondbeleid en gezamenlijke acquisitie. Tegelijkertijd worden door stakeholders opmerkingen gemaakt die te maken hebben met de behoefte aan extra informatie. We weten vrij aardig welke de factoren zijn, die bepalen of de ontwikkeling van een duurzaam bedrijventerrein kansrijk is. Hoewel Telos geen analyse heeft gemaakt van het proces tot dusver, bestaat de indruk dat er verbeteringen in de aard en opzet van het proces noodzakelijk zijn. Op twee essentiële punten menen we een tekort te moeten constateren: het draagvlak en zicht op de ‘marktleider’. Het onderzoek van TNO benadrukt het belang van het proces bij het ontwikkelen van duurzame bedrijventerreinen. Binnen dat proces staat het formuleren van gemeenschappelijke belangen en uitgangspunten, zeker in de startfase, centraal. Op dit punt verdient het proces in onze ogen een extra impuls. Uit onderzoek blijkt dat het eerste bedrijf dat belangstelling toont voor vestiging van cruciaal belang is. Ook in de workshops werd dit een essentieel punt gevonden. Dit bedrijf zou naar de mening van Telos moeten voldoen aan principes van duurzaam ondernemen. Zolang

70

onbekend is welk dit eerste bedrijf is, is het zeer moeilijk om te beoordelen of Moerdijkse Hoek zich werkelijk duurzaam zal kunnen ontwikkelen. Niet grondbeleid, economische conjunctuur of ad hoc belangstelling mag bepalend zijn voor de toekomst van Moerdijkse Hoek. De koppeling met Moerdijk 1 werd uitdrukkelijk als optie naar voren gebracht.

8.5 Hoe duurzaam zijn de voorstudies?
Met behulp van de checklist duurzame bedrijventerreinen zijn de verschillende voorstudies doorlicht. Deze doorlichting geeft een beeld in hoeverre de rapporten invulling (kunnen) geven aan de verschillende principes van duurzame ontwikkeling. Het ware het ideaal geweest indien de checklist reeds in een eerder stadium beschikbaar zou zijn geweest dan zou bij het uitvoeren van alle onderzoeken het principe van vernieuwend duurzaam meer sturend hebben kunnen zijn. Het verdient in ieder geval aanbeveling, mits de provincie zich kan vinden in de geformuleerde checklist en de daaronder liggende principes, deze als vertrekpunt te nemen bij eventuele vervolgstappen. De door ons onderzochte studies zijn allemaal deelstudies uitgevoerd door gespecialiseerde onderzoeksbureaus, vaak met een gerichte en daardoor, vanuit de optiek van het concept "vernieuwend duurzaam", beperkte probleemformulering. Hoewel dit op zich een logische werkwijze is dienen we ons tegelijkertijd rekenschap te geven van het feit dat het duurzaamheidsdenken vanuit de Telos duurzaamheiddriehoek en de daarop gebaseerde checklist vraagt om een integrale afweging van sociaal-culturele, ecologische en economische belangen. Een afweging die in de afzonderlijke studies niet heeft plaatsgevonden en niet heeft kunnen plaatsvinden. Borging van dit integrale denken in de vervolgstappen is essentieel In de visie van Telos is het voor een vraaggerichte invulling van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek van groot belang om reeds in een zo vroeg mogelijk stadium inzicht te hebben welke bedrijven zich willen vestigen op Moerdijkse Hoek. Daarmee kan een zo groot mogelijke betrokkenheid bij de verdere ontwikkeling van het terrein worden gerealiseerd. Tegelijkertijd ontstaat er daardoor ook een concreter en reëler beeld van de mogelijke gevolgen op lokaal en regionaal niveau (substitutie, segmentering, inverdieneffecten, synergie, samenwerkingsmogelijkheden etc.). Op dit punt is vervolgonderzoek essentieel. Wanneer wat meer specifiek wordt stil gestaan bij de verschillende principes uit de Checklist Duurzame Bedrijventerreinen dan kan vastgesteld worden dat de lagenbenadering slechts in aanzet blijkt te zijn toegepast. Uit het conceptrapport m.e.r blijkt dat de onderste laag in voldoende mate wordt behandeld. Opvallend is wel dat in de verkeer- en vervoerstudie expliciet wordt aangegeven dat het niet de bedoeling is geweest om een ‘tweede laag’ rapport te maken. Voor een goede toepassing van de lagenbenadering zou dit wel wenselijk zijn geweest. Het basisprincipe van de industriële symbiose is nog niet ver genoeg uitgewerkt en verdient meer aandacht in onderzoek. Dit dient een centraal aandachtspunt te zijn bij de invulling van het Programma van Eisen. De afstemming met de bestaande kwaliteit en identiteit van het gebied verdient nog verdere uitwerking. De studie van Balothra gaat in zijn modellen wel uit van de kenmerken van de omgeving. In de visie van Telos valt hieronder echter ook de veiligheid en leefbaarheid van de aangrenzende gebieden. Hoewel de bestaande landschappelijke kwaliteiten wel degelijk zijn bestudeerd, is vooral de sociale dimensie van het nieuwe bedrijventerrein onderbelicht. Veiligheid komt slechts in beperkte mate aan bod. Het betreft dan overigens vooral verkeersveiligheid. De laatste drie beleidsprincipes: duurzaam bouwen, duurzaam ondernemen en parkmanagement worden nergens voldoende uitgewerkt. Deze drie punten vormen wel voorwaarden om te kunnen spreken van een duurzaam bedrijventerrein. Dit zijn dus wel punten die nadrukkelijk aandacht verdienen in het Programma van Eisen. Parkmanagement wordt wel her en der genoemd, maar is niet integraal bekeken en gekoppeld aan duurzaam ondernemen en een regionale benadering. Door het bekijken van de voorstudies is getracht een overzicht te geven van de aanwezige kennis met betrekking tot de mogelijkheden voor een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein

71

en die te toetsen aan het begrip vernieuwend duurzaam zoals Telos dat voorstaat. Het algemene beeld dat uit de analyse naar voren komt is niet eenduidig. Tevens wordt niet verwacht dat de traditionele m.e.r. een oplossing zal bieden voor alle geconstateerde tekorten. Op dit punt zou overwogen kunnen worden om in plaats van een m.e.r. een integrale duurzaamheidtoets te laten uitvoeren. Telos is tot de conclusie gekomen dat door de voorstudies nog geen voldoende invulling is gegeven aan het begrip vernieuwend duurzaam. Dit hangt in belangrijke mate samen met het feit dat ze niet zijn gestart vanuit een helder concept, vanuit een integrale visie op duurzame ontwikkeling.

8.6 Hoe vernieuwend duurzaam is Moerdijkse Hoek?
Tijdens een van de workshops werd terecht opgemerkt, dat duurzame ontwikkeling per definitie vernieuwend, innovatief is. Duurzame ontwikkeling is een lange termijn transitieproces, waarin gestuurd wordt op ambitieuze doelen, met een strategie, die gelijktijdig bestaat uit optimaliseren van het bestaande en sprongsgewijs transformeren in de richting van streefwaarden. Het ontwikkelen van duurzame bedrijventerreinen kan echter niet alleen gebaseerd zijn op hooggestemde idealen, maar moet ook gekenmerkt worden door een realiteitsbesef, het benutten van kansen, oog voor bedrijfseconomische overwegingen, gevoel voor externe belangen en randvoorwaarden, voortschrijdend inzicht. Wel is het noodzakelijk, dat partijen door het aangeven van streefwaarden het ambitieniveau op langere termijn bepalen. Net als in de startnotitie m.e.r. staat omschreven, betekent voor Telos ‘vernieuwend duurzaam’ dat in iedere fase van het proces een hogere ambitie wordt nagestreefd dan bij de ontwikkeling van soortgelijke projecten elders in Nederland. Beide doelstellingen vormden echter geen sturende principes bij de uitvoering van de voorstudies. Via aanvullend onderzoek zullen een aantal van de vastgestelde lacunes in de voorstudies opgevuld moeten worden. Tevens zal men moeten komen tot het vaststellen van ambitieniveaus. Uit het streekplan blijkt dat Moerdijkse Hoek vooral bedoeld is voor bedrijven die vanwege hun aard, schaal of functie niet (langer) passen in een landelijke regio’ en voor bedrijven met bijzondere vestigingseisen (bijvoorbeeld door hun omvang, milieuhinder of behoefte aan diep vaarwater). De indruk bestaat, dat deze overwegingen thans een minder belangrijke rol spelen. De noodzakelijke koppeling tussen ‘duurzame bedrijventerreinen’ en ‘duurzaam ondernemen’ ontbreekt nog. De door ons onderscheiden kenmerken van integrale duurzame ontwikkeling (hoofdstuk 2) en de basisprincipes voor duurzame bedrijventerreinen (hoofdstuk 3) zouden het conceptuele referentiekader kunnen vormen bij de verdere ontwikkeling. Dat geldt ook voor de leidende principes en de vele voorbeelden van concrete maatregelen en activiteiten uit de checklist, die op termijn kunnen leiden tot duurzaamheid. Zowel de checklist duurzame bedrijventerreinen als het overzicht van succes- en faalfactoren zijn goede hulpmiddelen in het samenwerkingsproces van de betrokken partijen en het vormgeven aan duurzaamheid. De partijen zullen in gezamenlijkheid de duurzame ambities van Moerdijkse Hoek moeten bepalen. Essentieel hierin is het zo spoedig mogelijk betrekken van geïnteresseerde ondernemers en de gemeente Moerdijk. Gelet op de stand van zaken Moerdijkse Hoek kan de checklist gebruikt worden als referentiekader bij het opstellen van het Programma van Eisen en bij de vertaalslag naar concrete duurzame maatregelen maken. Hiertoe zal een op maat gesneden projectorganisatie moeten worden ontwikkeld. De in het kader van deze studie ontwikkelde checklist is een eerste stap naar een meer algemeen toepasbare methodiek. Het instrument moet enerzijds wetenschappelijk worden 48 verdiept en uitgebouwd en anderzijds worden gespecificeerd als dialooginstrument in een interactief proces van meerdere partijen, als monitorinstrument voor bedrijventerreinen in totaliteit, als checklist bij de beoordeling van individuele bedrijven op hun mate van duurzaamheid en als een instrument ten behoeve van duurzaamheidseffect-rapportages. Overleg met de Commissie voor de m.e.r. over een experiment Moerdijkse Hoek is wenselijk.

48

Zo verdient het aanbeveling om het thema leefklimaat toe te voegen, op basis van de elementen die bij het basisprincipe Inpassing in de omgeving (hoofdstuk 3) worden genoemd.

72

8.7 Leren van Moerdijkse Hoek
Met het benoemen van Moerdijkse Hoek als een vernieuwend duurzaam bedrijventerrein heeft de provincie destijds een nationaal uniek initiatief genomen, dat goed past in bijvoorbeeld de aanpak van de Strategische Agenda en in de grondgedachte van het streekplan waarin principes van duurzame ontwikkeling zijn opgenomen. Het gaat om een te prijzen pioniersactiviteit, die innovatief gedrag vraagt van alle betrokken partijen. De binnen het provinciaal apparaat ontwikkelde menukaart duurzame bedrijventerreinen, die in deze studie verder is uitgewerkt, is een duidelijke poging om werkelijk integraal en duurzaam te handelen. Er zit echter een duidelijke spanning tussen de rol van voorloper, die anticipeert op de toekomst en start met een transitieproces, maar die moet opereren binnen de beperkingen van de korte termijn en met (sectorale) instrumenten van vandaag. De ambitie ‘vernieuwend duurzaam’ past bij de eerste rol, die van innovator. De aanpak tot dusver, inclusief de voorstudies, is daarmee echter niet in overeenstemming, is nogal traditioneel. De huidige weten regelgeving en stand van de kennis geven blijkbaar te weinig ruimte voor een meer dynamische, ontwikkelingsgerichte benadering. Toch verdient het aanbeveling om, conform de oorspronkelijke ambitie, de grenzen te verruimen, meer open te staan voor nieuwe inzichten en alternatieve oplossingen. Duidelijk is dat zowel de inhoudelijke discussie, alsook het proces een aantal nieuwe impulsen behoeft. Moerdijkse Hoek is een project met een rijk en woelig verleden, een dynamisch heden en een onzekere toekomst. Dit maakt dat leren van Moerdijkse Hoek zeer interessante bouwstenen kan opleveren voor complexe planprocessen die nog gaan komen.

73

74

Literatuurlijst

Arcadis (2001), “Modelstudie glastuinbouw & bedrijvigheid”, september. Beckers, T., T. van Gurp, M. Koobs en C. Withagen (2000), “Duurzame Ontwikkeling van de Moerdijkse Hoek Deel 1: Uitgangspunten en Ambitieniveaus”, Telos Position Paper, Tilburg: Telos, Brabants Centrum voor Duurzaamheidvraagstukken, september. BCI (2002a), “Vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek: Hoofdrapport”, Buck Consultancy International, april. BCI (2002b), “Vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek: Doelgroepenidentificatie en specifieke vestigingseisen (fase A)”, Buck Consultancy International, april. BCI (2002c), “Omgevingsanalyse West-Brabant (fase B)”, Buck Consultancy International, April. BCI (2002d), “Marktverkenning en ruimtebehoeftebepaling (fases C, D, E)”, Buck Consultancy International, april. Blaauwbroek, A. (2001), “Duurzaam Arbeidsmarktbeleid Zuid-Nederland”, Bergen op Zoom: FNV Zuidwest Nederland, FNV Zuidoost Nederland, CNV, Unie mhp, april. BMF (1999), “Bedrijventerreinen in West-Brabant”, Brabantse Milieufederatie, maart. Boons, F. en F. Lambert (2000), “Duurzame Ontwikkeling Bedrijventerreinen, Rotterdam: Erasmus Studiecentrum voor Milieukunde, november. Boons, F. en F. Lambert (2002), “Duurzame Ontwikkeling Bedrijventerreinen, Literatuurstudie”, Rotterdam: Erasmus Studiecentrum voor Milieukunde, september. BRO Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu (2001), “Wooneffectrapportage”, Zevenbergen: in opdracht van Stichting Woningbouw Zevenbergen, september. Buiten, Bureau voor Economie & Omgeving (2001), “Mensen voor bedrijventerreinen, bedrijventerreinen voor mensen: Checklist sociale duurzaamheid”, september. Commission for Environmental Impact Assessment (2001), “Further Experiences on EIA in The Netherlands: Process, Methodology, Case Study”, April. Commission for Environmental Impact Assessment (2002), “Environmental Impact Assessment in the Netherlands: views from the Commission for EIA in 2002”, June. Cramer, J, Rutten, T en R. van Tilburg (2001), “Duurzaam ondernemen: Praktijkervaringen met een nulmeting”, Leeuwarden: NIDO, november. De Drie Zuidelijke Provincies (1999), “Industrieel Arbeidsmarktplan Zuid Nederland”, maart. Deursen, C. van, e.a. (2000), “Verduurzaming van haven- en industrieterrein Moerdijk en kansen voor samenwerking met een nieuwe duurzaam bedrijventerrein in Moerdijkse Hoek, Wageningen: Wageningen Universiteit en Research Centrum, leerstoelgroep Milieubeleid, december. DHV (2002), “Verkennend Verkeers- en Vervoersonderzoek Moerdijkse Hoek”, Amersfoort: DHV, mei. Erkelens, P.A., Jonge, S. de en A.A.M. van Vliet (2002), “Beyond Sustainable Building: Balancing between best-practice and utopian concepts”, Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven, Faculteit Bouwkunde, January. FNV (2000), “Moerdijk 2, Ja of Nee?: Een Onderzoek naar de Nut en Noodzaak van Moerdijkse Hoek”, Bergen op Zoom: FNV-Regiowerk Zuidwest Nederland, maart. Fortgens, A. en B. Doedens (2002), Integraal Programma van Eisen voor het Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Den Bosch: Kernteam Moerdijkse Hoek, Provincie Noord-Brabant. Gemeente Moerdijk (2001), “Niemand aan de kant, Op weg naar 2020: verslag van het interactieve proces ‘Niemand aan de kant’ ter voorbereiding op de totstandkoming van Scenario 2020”, oktober. Gemeente Moerdijk (2002), “Scenario Moerdijk 2020”, Moerdijk, februari. Gemeente Moerdijk (..), “Startnotitie Sociale conditie van de gemeente Moerdijk”. Global Reporting Initiative (2002), “Global Report Initiative: Draft 2002 Sustainability Reporting Guidelines”, April. Hebly, A. en C. Boekraad (2002), “Handreiking ruimtelijke kwaliteit Bedrijventerreinen, Delft: Architecture Research Institute, mei.

75

Hidding, M. (2001), “Arbeid en Zorg op de plankaart gezet: Een vernieuwende invalshoek voor de gemeentelijke ruimtelijke ordening”, Leeuwarden: Emancipatiebureau Equa, maart. Kernteam Moerdijkse Hoek (2002), “Integraal programma van eisen voor het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek”, conceptversie, ’s-Hertogenbosch, 25 juli. Konz, W. en C. van den Thillart (2002), “Industriële symbiose op bedrijventerreinen: Proefschrift”, Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven, februari. KuiperCompagnons (2002), “Manipulatie van de transformatie: Vernieuwend duurzaam bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, november. Ingenieursbureau Witteveen, en Bos (2002), “Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Rapport Onderste Laag, concept 2, juni. Ingenieursbureau Witteveen, en Bos (2002), “Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek, Startnotitie m.e.r., concept 4, Augustus. Ingenieursbureau Witteveen, en Bos (2002), “Ideeënboek Duurzame Inrichting Glastuinbouwgebieden”, Utrecht: Novem Projectbureau glastuinbouw en milieu, februari. Konz, W. en C. van den Thillart (2002), “Industriële symbiose op bedrijventerreinen”, Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven, Februari. Lowe, E.A. (2001), “Eco-Industrial Park Handbook for Asian Developing Countries”, Report to the Asian Development Bank, Oakland: Indigo Development. Ministerie van Economische Zaken (1998), Terreinwinst voor economie en milieu, de praktijk van duurzame bedrijventerreinen’. Molo (2001), “Processchema duurzame versterking van bestaande bedrijventerreinen”, Milieu Overleg Lagere Overheden, juni. NEI (2000), “Economische betekenis en perspectieven Dintelmond”, Rotterdam: Nederlands Economisch Instituut, januari. Nieuwland Avies en Stedebouwkundig Adviesbureau A. Welmers (1999), “StructuurvisiePlus Moerdijk”, Wageningen: Nieuwland Advies, Gorinchem: Stedebouwkundig Adviesbureau A. Welmers, november. Novem (2001), “Samen actief werken aan duurzame bedrijventerreinen”, Folderuitgave in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken. Novem (2002), “Leidraad Duurzame Bedrijventerreinen: Richtlijnen voor de subsidieaanvraag; Inzicht in het verduurzamingsproces van bedrijventerreinen”, Januari. Novem (2001), “Leren van falen: succes behalen; Rol faalfactoren bij realisatie van een duurzaam bedrijventerrein”, i.s.m. Ministerie van Economische Zaken en TNO-MEP, december. Provincie Noord-Brabant (1996), “Onderzoek naar de mogelijkheden in West-Brabant voor grootschalige terreinen voor bedrijven met specifieke vestigingswaarden”, februari. Provincie Noord-Brabant (2001), “Voortgangsrapportage Brabant tussen ontgroening en vergrijzing”, ’s-Hertogenbosch: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, 18 december. Provincie Noord-Brabant (2001), “Proces- en communicatiedocument inzake het Streekplanproject Moerdijkse Hoek”, september. Provincie Noord-Brabant (2002), “Brabant in Balans; Streekplan Noord-Brabant 2002”, ’sHertogenbosch, februari. Roelofs, B.G.M. (2002) “Intensief ruimtegebruik op nieuwe bedrijventerreinen”, Nijmegen: Novioconcult. Roelofs, E.M.G. en J.W. Ekelenkamp (2001), “Realisatie duurzame bedrijventerreinen: Faalfactoren en oplossingsrichtingen in de praktijk”, Apeldoorn: TNO, maart. Rooijen, T.A.M. (2000), “Van polder naar duurzaam bedrijventerrein: Een aanzet voor lokale overheden tot de toepassing van industriële ecologie bij de ontwikkeling van nieuwe, duurzame bedrijventerreinen, Eindhoven: Technische Universiteit Eindhoven, September. Stichting Moerdijkse Hoek (2000), “Voortgangsrapport Project Moerdijkse Hoek”, maart. Telos (2001), De Duurzaamheidbalans van Noord-Brabant 2001, Tilburg: Telos Brabants Centrum voor Duurzaamheidvraagstukken. Telos (2002a), De Duurzaamheidbalans van Noord-Brabant 2001: De Verantwoording, Tilburg: Telos Brabants Centrum voor Duurzaamheidvraagstukken.

76

Telos (2002b), De Duurzaamheidbalans van Noord-Brabant 2002, Tilburg: Telos Brabants Centrum voor Duurzaamheidvraagstukken, september. VROM (2001), “Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid”. VROM (2002), “Verzameld werk: Rapport Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen, geschreven in het kader van Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW), Den Haag: werkgroep Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen, maart. Wempe, J. en M. Kaptein (2000), “Ondernemen met het oog op de toekomst: integratie van economische, sociale en ecologische verantwoordelijkheden, Den Haag: Stichting Maatschappij en Onderneming, april. Wijnker, P.J. en J.C.T.M. Doorakkers (1998), “Duurzame bedrijventerreinen: Handreiking voor het management van bedrijven en overheid”, Den Haag: KPMG N.V., oktober.

77