Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

DWS/DGG oktober 2003

Inhoudsopgave
1
1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding
Meer werk op minder meters Bestuurlijke opdracht voor dit stedelijke onderzoek naar bedrijventerreinen Aanpak Indeling rapportage

3
3 4 5 6

2

Huidig beeld

9
9 9 10
10 12 14 16 18 20 22

2.1 Vooraf 2.2 Algemeen beeld 2.3 Beeld per terrein
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 Noord- en Oostkanaalhaven Westkanaaldijk Winkelsteeg Heijendaal Brabantse Poort (incl. Bedrijvenpark Lindenholt) Bijsterhuizen De Grift

2.4 Bedrijfsprofiel van de werklocaties 2.5 Werkgelegenheidsprofiel van de werklocaties

23 25

3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen
Vooraf Huidig beeld van beroepsbevolking en werkgelegenheid Toekomstbeeld beroepsbevolking en werkgelegenheid Kansrijke economische activiteiten Indicaties voor de maatschappelijke terreinbehoefte

27
27 27 31 35 38

4

Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

41
41 41
41 42 44

4.1 Vooraf 4.2 Uitwerking regionaal bedrijventerreinenbeleid
4.2.1 Beleidsmatige voorgeschiedenis op KAN-niveau 4.2.2 Pilot a73-zone 4.2.3 Consequenties voor Nijmegen

4.3 4.4 4.5 4.6

Detaillering marktverwachting Resulterend totaalbeeld Kwalitatieve vraag Resumé en conclusie ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

44 47 49 55

Inhoudsopgave (vervolg)

5
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein
Vooraf Koersbepaling stedelijk economisch beleid Ambitieniveau voor intensivering Ambitieniveau voor herstructurering Ruimtelijk streefbeeld in totaliteit Uitwerking per terrein
5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.6.4 5.6.5 5.6.6 Noord- en Oostkanaalhavens Westkanaaldijk Winkelsteeg Brabantse Poort Bijsterhuizen De Grift

57
57 57 59 60 62 69
69 72 74 76 78 80

6
6.1 6.2 6.3 6.4

Naar een ambitieuze maar realistische koers
Een andere kijk… Welke beleidskeuzes worden gemaakt? Ruimtelijk economisch streefbeeld per terrein Acties, maatregelen en instrumenten

83
83 83 86 86

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Inleiding

1
1.1

Inleiding
Meer werk op minder meters
Nijmegen is een aantrekkelijke vestigingsstad. Om dat te blijven moeten we zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en tegelijkertijd zorgen dat er voldoende passend werk is. Dat kan door meer gebruik te maken van de aanwezigheid van de universiteit en hogescholen en haar bijzonder fraaie omgeving. Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen zal daarom meer dan voorheen de nadruk worden gelegd op zuinig en efficiënt ruimtegebruik en stimulering van kennisindustrie en dienstverlening. Het economische beleid tot nu toe gaat nog sterk uit van het aanbieden op de korte termijn van zo veel mogelijk hectares bedrijventerreinen. Zo leidde een ‘dreigend tekort’ aan bedrijventerreinen in de jaren tachtig1 nog tot de aanleg van 157 hectare bedrijventerrein tussen Nijmegen en Wijchen. Een areaal waar de regio nog tot ongeveer 2010 mee vooruit kan. Met de nota ‘een andere kijk op bedrijventerreinen’ die nu voorligt wil het Nijmeegs stadsbestuur een nieuwe beleidslijn inzetten. Op de korte termijn is er geen acute krapte. Maar op de langere termijn zal nog meer bedrijventerrein nodig zijn. Het is irreëel te veronderstellen dat elk weiland in de omgeving gespaard kan blijven. De druk op de ruimte neemt echter exponentieel toe met elke meter groen die versteent. Dat vraagt om nieuwe afwegingen. We moeten eerst bestaande bedrijventerreinen intensiveren en herstructureren en dan pas nieuwe bedrijventerreinen ontwikkelen; intensief bebouwd, met een scherp profiel, zodat de ruimte die we hiervoor aanspreken ook optimaal wordt benut. Dat is niet alleen een wens, maar ook een absolute noodzaak. De maatschappelijke reacties op de steeds groter wordende druk op de steeds schaarsere ruimte tonen dat ondubbelzinnig aan. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen voorziet dat dergelijke dilemma’s in de toekomst steeds vaker en nadrukkelijker een beslissende rol zullen spelen bij de uitgifte van bedrijventerreinen. Het is juist deze prachtige omgeving die Nijmegen aantrekkelijk maakt om er te wonen en te werken. Deze omgeving op te offeren aan bedrijventerreinen betekent altijd een aanslag op je sterke vestigingsfactoren. Het stadsbestuur wil zich tegelijkertijd wel maximaal inspannen om elke Nijmegenaar die wil en kan werken aan een passende baan te helpen. De mogelijkheden voor een lokale overheid zijn daarbij beperkt, maar Nijmegen wil zich hierdoor niet in die ambitie laten beperken. Het Nijmeegse stadsbestuur kiest daarom voor een trendbreuk. In deze nota wordt nadrukkelijk een relatie gelegd tussen de stedelijke arbeidsmarkt en de daarbij behorende werkgelegenheid. Het gaat er daarbij om voldoende en passend werk voor iedereen op zo min mogelijk vierkante meters te realiseren. De verdere ontwikkeling van de bedrijventerreinen krijgt daarmee een nieuwe dimensie namelijk een nadrukkelijke sturing naar type werkgelegenheid afgeleid van wat de Nijmeegse beroepsbevolking vraagt. Daarvoor moet geïnvesteerd worden in specifieke kansrijke sectoren.
1

Onderzoek bedrijventerreinen 1987; afdeling SEO gemeente Nijmegen, oktober 1987

3

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Dankzij de aanwezigheid van de universiteit en hogescholen beschikt Nijmegen over sterk relatief potentieel aan hoger opgeleiden. Dat maakt de stad erg aantrekkelijk voor bedrijven in de medische- en kennisindustrie en micro-elektronica Daarnaast liggen goede kansen voor logistieke dienstverlening. Clustering en samenwerking van bedrijven in een zelfde sector kan het profiel en daarmee de aantrekkingskracht van die bedrijven versterken. Door medische- en kennisintensieve bedrijven bijvoorbeeld te concentreren rond het Universitair Medisch Centrum (Radboud) en de universiteit en later de Winkelsteegh, de Waalsprong en Kinderdorp Neerbosch ontstaat een soort Health Valley die weer een sterke aantrekkingskracht op vergelijkbare of hierop aansluitende bedrijvigheid heeft. Meer concentratie biedt ook mogelijkheden tot samenwerking op tal van terreinen, van beveiliging tot misschien wel gezamenlijke productontwikkeling. Het gaat daarbij zowel om banen voor hoogopgeleide als midden- en laagopgeleide werknemers. Tegelijkertijd blijft de fraaie omgeving die de stad juist aantrekkelijk maakt als vestigingslocatie behouden. Nijmegen ligt niet op een eiland. De stad heeft ook een belangrijke regionale taak en functie. De nu voorgestane trendbreuk sluit echter goed aan bij de ook al in het samenwerkingsverband binnen het Knooppunt Arnhem Nijmegen uitgesproken ambitie om tot een betere balans tussen economie, milieu en ruimtelijke kwaliteit te komen. Alleen door goede onderlinge afstemming en scherpe profilering kan dit ook worden gerealiseerd.

1.2

Bestuurlijke opdracht voor dit stedelijke onderzoek naar bedrijventerreinen
Regionaal niveau Het Knooppunt Arnhem-Nijmegen (21 gemeenten) voert een regionaal bedrijventerreinenbeleid. De eerste regionale beleidsnota is in 1997 vastgesteld en op basis daarvan is in het Regionaal Structuurplan KAN 1995-2010 een ruimtelijke aanwijzing van circa 1.000 ha nieuwe bedrijventerreinenlocaties gepland. Deze eerste nota was m.n. gericht op de kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein. In de recentelijk verschenen bedrijventerreinennota KAN 2002-2005 “Balans tussen economie, milieu en ruimtelijke kwaliteit” is sprake van een meer kwalitatieve aanpak waarbij het zorgvuldig inzetten van ruimte voor bedrijvigheid centraal staat. In de KANnota worden drie deelregio’s onderscheiden: A12 zone, de A 73 zone en de A 15 zone (voorheen Waalsprongzone). Voor alle drie de onderscheiden gebieden is sprake van een eigen, min of meer autonome beleidsopgave ten aanzien van de toekomstige regionale bedrijventerreinen: A 12 zone 46 ha, A 15 zone 69 ha en A 73 zone 207 ha voor de periode 2000-2020. Gemeentelijk niveau Het accent in dit stedelijke rapport ligt op de detaillering en aanvulling van de uitkomsten uit het pilotonderzoek van het KAN in de A 73 zone (zie paragraaf 4.2) en de verwachte uitkomsten voor de A15 zone. Het belangrijkste is dat er een beeld geschetst kan worden van het totale stedelijke bedrijventerreinenaanbod. Daarnaast moet het stedelijke onderzoek de conclusies handen en voeten geven in de vorm van gebiedsgerichte uitwerkingen en concrete projectvoorstellen.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Inleiding

Bij het detailleren en aanvullen ligt het accent op het actualiseren van de vraagaanbodanalyse, het verwerken van specifiek lokale invloeden (Koers West) en meer specifiek van het perspectief van terreinen naar marktsegment. Bij de bepaling van de kwantiteit en kwaliteit van de vraag wordt ook rekening gehouden met de oriëntatie van de huidige en toekomstige beroepsbevolking naar sector en opleidingsniveau. Vanuit deze maatschappelijke werkgelegenheidsbehoefte zijn conclusies over het gewenste bedrijfs- en werkgelegenheidsprofiel van nieuwe bedrijventerreinen geformuleerd. Resumerend komen in deze nota drie deelaspecten aan bod: - een behoefteraming en fasering in de tijd na toepassing van het gekozen ambitieniveau voor zorgvuldig ruimtegebruik (SER-ladder) en herstructurering; - een rolverdeling voor de bestaande en toekomstige stedelijke bedrijventerreinen naar marktsegmenten, rekening houdend met de economische en maatschappelijke vraag; - het aanwijzen van uitwerkingsgebieden om herstructurering en zorgvuldig ruimtegebruik handen en voeten te geven.

1.3

Aanpak
Deze nota bedrijventerreinen is tot stand gekomen als coproductie van de Directie Grondgebied (Economische Zaken, Stadsontwikkeling) en de Directie Wijk en Stad (Ontwikkelingsbedrijf en Onderzoek en Statistiek). Dit ambtelijke werkteam is begeleid door een bestuurlijk overleg met daarin onder meer de portefeuillehouders Werk en Inkomen en Ruimtelijk beleid. Deze nota zal op hoofdlijnen worden besproken met: - ondernemersvertegenwoordigers (Kamer van Koophandel, Industriële Kring, etc..) - organisaties van belanghebbenden (bedrijvenverenigingen); - maatschappelijke organisaties (overkoepelende milieu- en bewonersorganisaties); - vertegenwoordigers van het Knooppunt Arnhem-Nijmegen (KAN) en de gemeenten Beuningen en Wijchen en - andere relevante partijen als KUN en CWI. Over deze nota kan nu discussie plaatsvinden. De opbrengst hiervan zal worden meegenomen in het verdere werkproces. Deze werkzaamheden betreffen vooral het uitwerken van het ontwikkelingsperspectief voor elk van de zes bestaande bedrijventerreinen (Noord- en Oostkanaalhavens, Westkanaaldijk, Winkelsteeg, Brabantse Poort, Bijsterhuizen en de Grift) en de nog te ontwikkelen terreinen in de Waalsprong. Welke rol moeten deze gebieden in de toekomst spelen, waar is herstructurering nodig en mogelijk en wat gaan we vervolgens met de vrijgekomen kavels doen? Bij die deeluitwerkingen zal ook contact worden gezocht met betrokken ondernemers en ondernemersorganisaties op die terreinen. Nadat dit beeld van de bedrijventerreinen compleet is, kunnen we aangeven tot hoever de polsstok van zorgvuldig ruimtegebruik kan reiken, hoe dat te realiseren is en wat dat kost.

5

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

1.4

Indeling rapportage
Na deze inleiding treft u in het volgende hoofdstuk een schets van de huidige werklocaties aan. Hoe groot zijn die terreinen, wat voor soort bedrijven zitten er, hoeveel banen en wat kan er volgens het bestemmingsplan. Daarna wordt de maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen in beeld gebracht. Hoe zit de Nijmeegse beroepsbevolking in elkaar, hoe zal die beroepsbevolking zich gaan ontwikkelen (omvang, samenstelling), welke trendmatige werkgelegenheidsgroei wordt verwacht en waar liggen voor Nijmegen kansen voor het creëren van economische groei. Hieruit resulteren conclusies over maatschappelijke vraag naar bedrijventerreinen en welke accentverschuivingen daarbinnen te verwachten zijn naar vraagsegment. Het vierde hoofdstuk schetst de ruimtelijk-economische opgave van deze regio voor het realiseren van bedrijventerreinaanbod en de perspectieven die ons in KAN-verband zijn aangereikt voor zorgvuldig ruimtegebruik (Pilot A73-zone). Op basis van deze uitgangspunten zullen de meest recente invloeden op het vraagniveau worden verwerkt (o.m. economisch tij en de effecten van Waalfront West). Vervolgens zal in het vierde hoofdstuk een inschatting worden gemaakt van de verdeling van de vraag over de verschillende marktsegmenten rekening houdend met o.m. de maatschappelijke behoefte en zal een voorraadverloop per marktsegment worden weergegeven. In het vijfde hoofdstuk wordt het beleid op hoofdlijnen weergegeven. Startend vanuit het stedelijke economisch beleid, wordt een ambitieniveau voor intensivering en herstructurering gekozen. Dit ambitieniveau wordt per terrein(deel) geconcretiseerd in doelstellingen, maatregelen en uitwerkingsopgaven. In het laatste hoofdstuk wordt de koers uitgezet. Er wordt aangegeven welke ontwikkeling wij nastreven, rekening houdend met maatschappelijke en economische eisen. Voor deze ontwikkeling is ruimte nodig. In het laatste hoofdstuk worden nogmaals de ambitieniveaus voor zorgvuldig ruimtegebruik samengevat en wordt aangeven welk regionaal ruimtetekort dan resteert. Tevens worden de acties, maatregelen en instrumenten benoemd die voor de realisatie van de koers noodzakelijk zijn.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Overzicht van de bedrijventerreinen in Nijmegen (incl. Wijchens deel Bijsterhuizen)

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

2
2.1

Huidig beeld
Vooraf
In dit hoofdstuk wordt een overzicht geboden van de bestaande werklocaties in Nijmegen. Dit betreft niet alleen bedrijventerreinen. Ook Heijendaal wordt als grootste werklocatie beschreven. Per werklocatie wordt het beeld geschetst van de ruimtelijkeconomische invulling en de planologische mogelijkheden. Aan het einde van het hoofdstuk wordt het bedrijfs- en werkgelegenheidsprofiel van de terreinen beschreven en worden de belangrijkste kenmerken nog eens samengevat.

2.2

Algemeen beeld
De aanleg van de Waalhaven in het begin van de 20e eeuw vormde het startsein voor de ontwikkeling van het eerste collectieve bedrijventerrein in de stad, het industrieterrein Waalbandijk-Weurtseweg van ca 12,5 ha (inmiddels minder). Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de aanleg van collectief bedrijventerrein goed op gang met de successievelijke aanleg van delen van het bedrijventerreinen Noord- en Oostkanaalhaven. Vervolgens is de hoeveelheid collectief bedrijventerrein sterk uitgebreid tot inmiddels ca. 570 hectaren op dit moment. Tegelijkertijd zijn ook vele bedrijfslocaties binnen woongebieden opgeheven. In totaal verdwijnt hierdoor trendmatig naar schatting tussen1 en 2 hectare bedrijventerrein per jaar. Naast de klassieke bedrijventerreinen, telt de stad ook andere werklocaties. De twee grootste werklocaties zijn respectievelijk Heijendaal en de binnenstad (inclusief Singelgebied en Stationsomgeving). Deze beide werklocaties tellen gezamenlijk meer banen dan alle bedrijventerreinen bij elkaar. Omdat Heijendaal, evenals de bedrijventerreinen, vrijwel alleen een werkfunctie kent, wordt dit gebied ook in dit hoofdstuk beschreven, tezamen met de bedrijventerreinen. Gelet op de bijzondere aard van het gebied, valt het niet onder het ‘normale’ bedrijventerreinenbeleid zoals geformuleerd in hoofdstuk 5 en 6. Intensiveringsdoelstellingen die voor bedrijventerreinen nieuw zijn, zijn in de bestaande situatie en in de planvorming op Heijendaal al realiteit. Wel zullen de effecten van Heijendaal op de economische structuur van de stad en de toekomstige vraag naar bedrijventerrein nadrukkelijk worden meegenomen.

9

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

2.3 2.3.1

Beeld per terrein Noord- en Oostkanaalhaven

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode vestigingen intensiteit typering ontwikkeling 130 ha 1906-1913, 1945-1968 211 51 banen/ha uitgeefbaar karakter terrein banen karakter bedrijven 0 “nat” terrein met verouderingstendenzen 6629 handelsterrein tot zwaar industrieterrein

vernieuwingstendenzen aan energieweg toekomst: Koers west met stadsbrug en transformatie Waalfront naar wonen

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

Noord- en Oostkanaalhavens (NOK) is een industriegebied aan de westzijde van Nijmegen. Het bedrijventerrein omvat ca.130 hectaren uitgeefbaar terrein. Op het terrein zijn twee insteekhavens aangelegd. De globale uitgifteperiode lag tussen 1945 en1968)2. Het bedrijventerrein kent sterk verschillende delen. De oudste gedeelten (uitgegeven 1906-1913) zijn in transformatie naar woongebied (m.n. Weurtseweg). . Dit noordelijke deel wordt gedomineerd door enkele zeer grote bedrijven (Electrabel, Honig, Latenstein). Langs de vrij recent verdubbelde Energieweg en verder langs de Marialaan is sprake van sterke vernieuwingstendenzen van de bedrijfsbebouwing. Deze zichtlocaties aan hoofdverkeersaders in de stad maken maar beperkt gebruik van de achterliggende insteekhavens. Het achterliggende havengebied kent een mengeling van verschillende bedrijven, zowel arbeidsintensieve productiebedrijven als meer arbeidsextensieve opslagactiviteiten. Op het terrein bevinden zich een aantal groothandelsondernemingen, groothandels in autosloopmateriaal en ijzer en staalschroot. Tot slot wordt het gebied gekenmerkt door de aanwezigheid van zware industrie (o.m. APN, SAPPI ). Veel kavels in dit gebied kunnen via water ontsloten worden. Hoewel in zijn algemeenheid vervoer per water als milieusparend wordt gezien, bevestigen veel van de bedrijven die wèl gebruik maken van de vervoersmogelijkheden per schip het beeld van dit terrein als een zwaar en deels verouderd terrein (buitenopslag, oudere opstallen). Met name de Handelsweg en de Nijverheidsweg maken een “versleten indruk” zowel wat betreft de gebouwen als de inrichting van de openbare ruimte. In het zuidelijke deel van het terrein is sprake van sterke schaalverschillen (grote en kleine bedrijven), er bevinden zich detailhandels-, groothandels-, productie- en transportbedrijven en veel leeg terrein (volkstuinen, een saneringslocatie). Afgezien van de zichtlocaties aan de energieweg maakt het gebied een rommelige indruk Op Noord- en Oostkanaalhaven wordt sinds ca. 15 jaar geïnvesteerd in revitalisering. Markante projecten zijn ruimtelijke maatregelen i.v.m. de realisering van Park West, verdubbeling van de Energieweg, slaan van damwanden rond de insteekhavens en de revitalisering van de Handelsweg. Het bestaande bestemmingsplan Voor de Noord- en Oost kanaalhavens èn het industrieterrein Westkanaaldijk (zie hieronder) geldt het bestemmingsplan “Haven en industriegebied Nijmegen-West 1979. Dit plan is door de Raad vastgesteld op 25 juni 1980. De belangrijkste bestemmingen in de Noord- en Oostkanaalhavens zijn de bedrijfsbestemming: BV of BVII. In het algemeen zijn gronden met de bestemming BV bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van industriële doeleinden, handel en nijverheid. BVII (mn het zuidelijk deel van Oostkanaalhavens) is bestemd voor industriële doeleinden, handel en nijverheid. De centraal in het plangebied gelegen gronden –in dit geval de havenarmen- hebben de (zwaardere) bestemming BV, daaromheen liggen gronden met de (lichtere) bestemming BVII. Gronden met deze laatste iets lichtere bestemming sluiten veelal aan op woonwijken. De “Staat van Inrichting” is hierop van toepassing, hetgeen de vestiging van bepaalde categorieën bedrijven derhalve uitsluit. Het bestemmingsplan is vrij oud, maar de gebruiksmogelijkheden en de mogelijkheden voor intensivering zijn

2

de PGEM vestigde zich al in de jaren dertig, overigens.

11

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

desondanks vrij ruim (bebouwingspercentage 75 % en een maximale bouwhoogte 18 meter in een groot deel van het gebied). Voor de Waalhaven en directe omgeving geldt bestemmingsplan Nijmegen-West III uit 1978. Het gebied heeft nu nog een bedrijfsbestemming. De Waalhaven en directe omgeving maakt deel uit van het plan Waalfront-West (Koers West). In de plannen voor het waalfront zal met name dit gebied haar bedrijfsfunctie verliezen. Hier zijn woningen gepland in combinatie met lichte (kantoorachtige) bedrijvigheid.

2.3.2

Westkanaaldijk

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode vestigingen intensiteit typering ontwikkeling 83 ha 1968-1995 0 sterk gemengd terrein noordelijk deel veroudering, zuidelijk deel hoogwaardiger banen 194 3970 karakter bedrijven 48 banen/ha handelsterrein tot zwaar industrieterrein veroudering en beheer vraagt m.n. rond de autoslooplocaties aandacht uitgeefbaar karakter terrein

In 1968 is door de gemeente het eerste kavel uitgegeven op Westkanaaldijk. De destijds geplande Westhaven is door gebrek aan vraag naar “nat terrein” nooit aangelegd. De totale oppervlakte is 82,6 ha uitgeefbaar terrein. Bedrijventerrein Westkanaaldijk, gelegen aan het Maas-Waalkanaal, heeft een belangrijke economische waarde voor de gemeente Nijmegen en de regio. In het gebied zijn 194 bedrijven gevestigd en deze bieden werk aan bijna 4.000 personen. Westkanaaldijk biedt ruimte aan zowel kleine als grote bedrijven uit de industrie, transport, groot- en detailhandel en zakelijke dienstverlening. Belangrijke grote bedrijven zijn Kropman, Mead Johnson, Variopak en Synthon. Het bedrijventerrein is goed ontsloten richting de A 73/ A 50 en beschikt over een openbare los- en laadwal aan het Maas-Waalkanaal. Het terrein tussen 1970 en 1995 van Noord naar Zuid uitgegeven. In het Noorden is inmiddels sprake van ernstige verouderingsverschijnselen rond de autoslooplocaties. In het middengebied zijn in de late jaren zeventig zeer grote kavels uitgegeven. Naar het zuiden toe worden de uitgegeven kavels gemiddeld kleiner en is soms sprake van hoogwaardige bedrijfsactiviteiten en is vaak meer aandacht besteed aan vormgeving van de gebouwen. Het bestaande bestemmingsplan Ook voor dit bedrijfsterrein geldt het bestemmingsplan “Haven en industriegebied Nijmegen-West uit 1979 (zie ook hiervoor onder Oost- en Noordkanaalhavens). Het overgrote deel van Westkanaaldijk heeft de bestemming BV (zie hiervoor onder Noord- en Oostkanaalhavens). In het noorden van Westkanaaldijk (tegen bedrijfsterrein de Sluis, Weurt) heeft een strook de bestemming BVI. Deze zone is gereserveerd voor de opslag van autowrakken, auto-onderdelen en lompen (zie ook bijgevoegde kaart). Door het concentreren van deze vormen van bedrijvigheid kunnen gemakkelijker bijzondere voorzieningen getroffen worden om de hinderlijkheid voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. De zone direct grenzend aan het Kinderdorp heeft de bestemming BVII. Hierop is de staat van inrichting van toepassing (minder zware industrie e.d. toegestaan). In Westkanaaldijk is veelvuldig gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid (art 11 WRO). Dit ten behoeve van de vestigingen van garagebedrijven (incl. showrooms) op dit bedrijfsterrein. Het bestemmingsplan biedt evenals op Noord- en Oostkanaalhavens redelijk ruime gebruiksmogelijkheden en mogelijkheden voor intensiever ruimtegebruik (wat betreft maximum bebouwingspercentage en maximale bouwhoogte).

13

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

2.3.3

Winkelsteeg

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode 95 ha 1953-nu 4 Philips dominant aanwezig Veel open ruimte en parkeervelden Sterke karakterverschillen per deelgebied banen 70 8576 karakter bedrijven 94 banen/ha Philips dominant op Winkelsteeg is veel dynamiek (leegstand en ongebruikt terrein richting Kanaal naast groei aan de Nieuwe Dukenburgseweg, Neerbosscheweg en Weg door Jonkerbos) uitgeefbaar karakter terrein

vestigingen intensiteit typering ontwikkeling

Dit bedrijventerrein is in termen van werkgelegenheid het grootste van Gelderland. Vanaf 1953 vestigde zich Philips op het deel van Winkelsteeg ten Noorden van de Nieuwe Dukenburgseweg. Inmiddels heeft dit bedrijf zich op die plaats ontwikkeld tot één van de grootste industriële werklocaties van Nederland. Het totale gebied kent

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

grote verschillen in “korrelgrootte” van de bedrijven, veel parkeerruimte op maaiveld en naar het Kanaal toe veel ongebruikt terrein. Vanaf ca. 1970 volgde de ontwikkeling ten zuiden van de Nieuwe Dukenburgseweg, met als belangrijke momenten de grote verkopen in 1982 en 1984 aan de geacquireerde bedrijven Digital Equipment Corporation en Intergraph. Op dit moment omvat het gebied Winkelsteeg3 95 ha. Het Compaq-terrein, gelegen aan de Nieuwe Dukenburgseweg maakt onderdeel uit van Winkelsteeg. Het Compaq-terrein is drie jaar geleden aangekocht door de gemeente Nijmegen. Oorspronkelijk was het Amerikaanse bedrijf Digital hier gevestigd (later overgenomen door Compaq). Het totale terrein is 10,3 ha groot. De gemeentelijke directie Stadsbedrijven is in het voormalige COMPAQ-pand gevestigd (omvat 4,3 ha). Aan de voorkant van het Compaq-gebouw bevindt zich een brede groenstrook. Daarnaast is een kavel ter grootte van 0,5 ha voor de vestiging van de Brandweer gereserveerd. Per saldo resteert nog 5,8 ha bruto bedrijventerrein. Netto is nog ca 4 ha uitgeefbaar. Er is nog geen definitieve invulling aan het resterende terrein gegeven, in deze rapportage wordt de gewenste ontwikkelingsrichting verder uitgewerkt. Op dit moment is voorzien dat dit terrein pas 2008/2009 beschikbaar komt. In de tussentijd dient deze locatie als tijdelijke woonlocatie voor studentenhuisvesting. Het bestaande bestemmingsplan Voor het gebied Winkelsteeg -en dan gaat het niet alleen om het huidige bedrijventerrein- maar ook om de gebieden waar nu het Sanadome, het CanisiusWilhelmina ziekenhuis en bijvoorbeeld de Pompekliniek zijn gehuisvest, gelden de bestemmingsplannen Winkelsteeg I, II en III uit 1971. Voor het bedrijventerrein geldt bestemming BV . Deze kent ruime gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden. Het centraal gelegen en noordelijk deel van het plangebied (“philipsterrein”) heeft die bestemming BV. Deze gebieden zijn bestemd voor gebouwen tbv industriële doeleinden, handel en nijverheid (bebouwingspercentage 75% en maximale bouwhoogte 20 meter). Er zijn echter vele planherzieningen geweest de afgelopen jaren. De ruime gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden zijn door de vele herzieningen beperkt. In sommige gevallen zijn door de herzieningen de voorschriften toegesneden op de vestiging van een specifiek bedrijf, waardoor vestiging van andersoortige bedrijvigheid nu niet mogelijk is. Dit is met name in het gebied ten Zuiden van de Nieuwe Dukenburgseweg het geval.

3

Winkelsteeg II en III en Nieuwe Dukenburgseweg

15

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

2.3.4

Heijendaal

oppervlak uitgifteperiode

168 ha (hele wijk) 1953-nu

vestigingen intensiteit typering ontwikkeling

? Landgoed met clusters van zeer intensieve bebouwing Belangrijkste werklocatie van Nijmegen banen 151 14299 karakter bedrijven 85 banen/ha KUN en UMC dominant op Heijendaal vindt uitbreiding (HAN, Mercator Science Park) en vernieuwing plaats (KUN en UMC St. Radboud); Onderwijs-Gezondheidszorg dominant, wel groei van zakelijke diensten

uitgeefbaar karakter terrein

Vanaf ca. 1950 heeft de wijk Heijendaal zich ontwikkeld tot (sinds 2002) de grootste werklocatie van de stad. De belangrijkste dragers hiervan zijn de KUN, het Universitair Medisch Centrum St. Radboud en de Hogeschool voor Arnhem en Nijmegen. Tot aan 1992 stond in het Noordwesten van de wijk Heijendaal ook nog het Canisius Wilhelminaziekenhuis. Deze grote werkgever is in dat jaar verplaatst naar de locatie Jonkerbos.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

In de afgelopen jaren hebben zich, eerst in het Universitair Bedrijvencentrum en later in de Mercator Science Park-gebouwen, geleidelijk aan ook steeds meer bedrijven gevestigd op het terrein. Dit betreft m.n. kantoor- en laboratoriumfuncties. Voor zwaardere bedrijfsactiviteiten of activiteiten zonder relatie met de onderzoeks- of onderwijsfunctie zijn op Heijendaal weinig mogelijkheden. Op dit moment (50 jaar na het verrijzen van de eerste gebouwen) vinden bij alle hoofdgebruikers van Heijendaal (KUN, UMC, HAN) omvangrijke bouwprojecten plaats. Richtinggevend is hierbij de structuurvisie Heijendaal, opgesteld onder supervisie van A. Bhalotra4. Onder het motto “ruimte geven, ruimte laten” wordt via een groot sloop- en nieuwbouwprogramma toegewerkt naar de gewenste structuur van de campus van de KUN en het UMC. Daarbij is nog wel sprake van enige ontwikkelingsruimte voor bedrijfsactiviteiten door derden, voor zover passend bij de overige functies op Heijendaal. Voor het overige kenmerkt zich de ontwikkeling op Heijendaal zich door zeer intensief gebruikte bebouwingsclusters afgewisseld met groengebieden.

4

Heijendaal, samenspel in landschap; Kuiper Compagnons, september 1997

17

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

2.3.5

Brabantse Poort (incl. Bedrijvenpark Lindenholt)

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode vestigingen intensiteit 36 ha (incl. Lindenholt, excl. Centrumgebied en omg. Novium) 1980-nu 136 111 banen/ha uitgeefbaar karakter terrein banen karakter bedrijven 3

typering ontwikkeling

jaren ’90 stadsrandlocatie 3620 zichtlocaties vrijwel geheel kantoren, achterliggend terrein kantoorachtig en handel Na een slechte start begin jaren 80, hebben vanaf 1988 de gronden voor bedrijven óf kantoren een sterke kantoorinvulling gekregen. Onderdeel van totale project Brabantse Poort.

In 1987 is de Nota Stedelijke Ontwikkelingszones gepresenteerd met daarin de eerste ideeën voor de Brabantse Poort. De uitvoering van deze plannen heeft geleid tot een nieuwe identiteit voor een ruimer gebied rond het centrumgebied Brabantse Poort. Ook werden reeds langer bestaande bedrijventerreinen als van Rosenburgweg (Triavium

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

e.o., 6,1 ha) en Bedrijvenpark Lindenholt (bedrijventerrein/kantoorgebied, 22.2 ha) bij deze ontwikkeling betrokken. Inmiddels telt het gebied hierdoor 35,5 ha voor bedrijfsdoeleinden. In de praktijk zijn ook veel kantoren op deze kavels terechtgekomen. De uitgiftegeschiedenis van het Bedrijvenpark Lindenholt illustreert de ontwikkeling van de Brabantse Poort treffend. In 1987 is de toenmalige kantoorbestemming van dit terrein verbreed tot kantoren en bedrijven. Vanaf dat moment kwam de bouw van kantoren (in tegenstelling tot de periode daarvoor) wél van de grond en vormde als het ware een vliegende start voor het gebied Brabantse Poort dat feitelijk pas daarna in beeld kwam als kantoorlocatie. Eenzelfde situatie zien we op de bedrijvenstrook rond VGZ. Oorspronkelijk ook bedoeld als algemeen bedrijventerrein, maar in praktijk is deze zichtlocatie ingevuld als kantoorlocatie. Het bestaande bestemmingsplan Voor het gebied Brabantse Poort gelden op dit moment twee bestemmingsplannen: - het bestemmingsplan Bedrijvenpark Lindenholt uit 1987 en - het bestemmingsplan Brabantse Poort, vastgesteld in 1991. Bestemmingsplan Bedrijvenpark Lindenholt Langs de Wijchenseweg (zichtlocatie) hebben de gronden de bestemming K/B II, kantoren of bedrijfsdoeleinden (kantoren, laboratoria en bedrijven) De bouwhoogte bedraagt hier maximaal 15 meter en het bebouwingspercentage is 65%. De gronden verder van de Wijchenseweg gelegen hebben veelal de bestemming K/B I, bestemd voor kantoren, groothandel, laboratoria, opleidingsinstituten, (para)medische dienstverleningsbedrijven/-instellingen. Het bebouwingspercentage is hier wat lager (60%), evenals de bouwhoogte 12 meter. De bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan zijn niet zo ruim, maar gezien het aantal herzieningen (1) kennelijk toch voldoende. De vraag is wel of de huidige maximale bebouwingspercentages en bouwhoogten wel optimaal gebruik maken van de intensiveringsmogelijkheden die bij het type bedrijvigheid als op Lindenholt mogelijk zijn. Bestemmingsplan Brabantse Poort Het bestemmingsplan Brabantse Poort bood in 1991 mogelijkheden voor de invulling van een 45 ha. groot gebied dat daarvoor enkel een verkeersfunctie kende. Rond het Takenhofplein werd ruimte voor kantoren en een hotel-congrescentrum gedacht. Langs de Wijchenseweg (zuidzijde, waar nu VGZ zit) was ruimte voor kantoren óf bedrijven. Geconcentreerd rond het NS station is plaats ingeruimd voor recreatieve voorzieningen, winkels (o.a. meubelboulevard) en woningen. Het bedrijvengedeelte concentreert zich met name rond het Takenhofplein (kantoren, bestemmingen K, K/B I en K/B II) en langs de zuidzijde van de Wijchenseweg-west (bestemmingen K/BII en B). In de bestemming bedrijven (B) zijn bedrijven toegestaan. In de praktijk heeft dit gebied niettemin een vrij sterke kantoorinvulling gekregen. Het bestemmingsplan is door middel van hoogtezoneringen en min/max hoogten zodanig ingericht dat de hogere bebouwing (max. 22-26 meter) zich op de Wijchenseweg-west oriënteert De bebouwing is voorts gekoppeld aan een verplichte bebouwingsgrens (zodat er een redelijk aaneengesloten front langs de Wijchenseweg ontstaat). Ook de bebouwingspercentages zijn hier vrij hoog 70-75%. In combinatie met de toepassing van maximale parkeernormen, is hier een tamelijk intensieve invulling

19

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

mogelijk gemaakt en ook gerealiseerd. Dit uiteraard ook geholpen door de feitelijke invulling met hoofdzakelijk kantoren in plaats van bedrijven.

2.3.6

Bijsterhuizen

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode vestigingen intensiteit typering ontwikkeling 157 ha (incl. Wijchens deel) 1994-nu 77 grootschalig regionaal bedrijventerrein, nog slechts deels ingevuld banen 48 (Nijmeegs deel) 1176 karakter bedrijven 34 banen/ha Grote logistieke dienstverleners zijn dominant in de eerste fasen Na een lange planologische aanloop volgde tussen 1997 en 2001 een zeer hoog uitgifteniveau; op dit moment is echter nog tamelijk veel niet in gebruik genomen door eindgebruiker uitgeefbaar karakter terrein

Bijsterhuizen is met 157 ha netto uitgeefbaar terrein op dit moment beeldbepalend in het bedrijfsterreinenaanbod van de samenwerkende gemeenten Wijchen en Nijmegen. Het terrein is qua oppervlakte het grootste terrein in de provincie Gelderland. Bijsterhuizen wordt gekenmerkt als een hoogwaardig terrein voor met name bedrijven in de sectoren industrie, handel en logistiek. Enkele aanwezige bedrijven zijn Tatung, Currie en Paul Klarenbeek. De aanloop van dit terrein begint in 1987 en vergt daarna in totaliteit een planologisch proces van negen jaar. Op dit moment is de uitgifte ongeveer halverwege (86,4 van de 157 ha verkocht), zij het dat ook nogal wat verkochte kavels nog niet in gebruik zijn genomen door de eindgebruiker (totaal 29 ha, bebouwd of onbebouwd). Op de in gebruik genomen kavels zijn volgens opgave van de Gemeenschappelijke Regeling 2320 arbeidsplaatsen gerealiseerd (gemiddeld 42 per ha).

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

Het bestaande bestemmingsplan Voor het gebied Bijsterhuizen (Nijmeegse deel, voor het resterende deel geldt het Wijchense bestemmingsplan) is het bestemmingsplan Groot Bijsterhuizen, deelgebied Nijmegen uit 1993 van kracht (partieel herzien in 1998). Op Bijsterhuizen is er volgens de “planfilosofie” ruimte voor: • High Tech activiteiten hoogwaardige productie R&D centra, laboratoria enz. • Logistieke aktiviteiten: transport, distributie en warehouse activiteiten • Industriële activiteiten. De belangrijkste bestemmingen op dit bedrijventerrein zijn: bedrijfsdoeleinden I. Deze terreinen zijn bestemd voor bedrijven, met uitzondering van garagebedrijven, detailhandel, bedrijven genoemd in Staat van bedrijfsactiviteiten I en zogenaamde Ainrichtingen, kantoren en dienstverlenende bedrijven. Over het algemeen zijn er op terreinen met deze bestemming middelzware bedrijfsactiviteiten toegestaan. Het merendeel van de percelen met een bedrijfsbestemming heeft deze aanduiding. Deze percelen zijn het verst verwijderd van de rond het plangebied gelegen gevoelige bestemmingen. De hiervoor aangegeven High tech en industriële activiteiten vallen onder deze bestemming. Op de percelen met de bestemming Bedrijfsdoeleinden II, is over het algemeen wat lichtere bedrijvigheid toegestaan. Deze gronden liggen als een schil rond de gronden met de bestemming bedrijfsdoeleinden I. De transport en Logistieke bedrijven vallen onder deze bestemming. De maximale bouwhoogte is bij beide bestemmingen 24 meter, het hoogst toegestane bebouwingspercentage 70%. Dit betekent dat in principe mogelijkheden aanwezig zijn voor redelijk intensieve benutting van de kavels.

21

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

2.3.7

De Grift
(voormalig industrieterrein Oosterhout, de Rietgraaf en de strook aan weerszijden van de Stationsstraat)

Karakteristiek van het terrein
oppervlak uitgifteperiode vestigingen intensiteit typering ontwikkeling 72 ha ? 37 betreft drie sterk verschillende terreinen door herindeling bij Nijmegen gekomen banen 46 628 karakter bedrijven 18 banen/ha Rietgraaf: ambacht, handel, Stationsstraat: agribusiness De Grift: gemengd In de omgeving Stationsstraat maken bedrijven plaats voor ontwikkelingen in het kader van de Waalsprong. Het gehele terrein moet nog een rol toegemeten krijgen in het gemeentelijk terreinaanbod uitgeefbaar karakter terrein

Het jongste bedrijventerrein vanuit het perspectief van de Gemeente Nijmegen is de Grift. Dit terrein is door de gemeentelijke herindeling i.v.m. de Waalsprong aan het grondgebied van de stad toegevoegd. Het omvat het voormalige industrieterrein Oosterhout, de Rietgraaf en de strook aan weerszijden van de Stationsstraat. Het totale gebied is 71,5 ha netto, waarvan er 34,5 ha reeds is uitgegeven. Het voormalige industrieterrein Oosterhout wordt gekarakteriseerd als een handelsterrein met beperkte industriële en logistieke bedrijvigheid. Bedrijven als Danzas, een bouwmaterialenhandel en Bruynzeel zijn er gevestigd. Het terrein wordt omgrenst door een 10 meter brede groenstrook. De Rietgraaf wordt gekarakteriseerd door ambachts- en handelsactiviteiten, eveneens omgrensd door een 10 meter brede groenstrook. Naast twee grote bedrijfsverzamelgebouwen is ook Bristol (detailhandel) hier gevestigd. Ten

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

zuiden is camping/restaurant/motel “de Halve weg” gevestigd. Aan de zuidzijde van de Stationsstraat zijn m.n. bedrijven gevestigd met een relatie naar de agrarische sector (Barenbrug en Dumeco). Rond de v.m. Veiling zit een vleeshandel en papierrecyclingbedrijf. Verder bestaat gebied grotendeels uit agrarische bedrijvigheid. Op dit moment is 37 ha netto op termijn beschikbaar voor uitgifte. Daarvan is 17 ha in handen van de Gemeente Nijmegen, 20 ha is particulier bezit. Het terrein is nog niet opgenomen in het actuele bedrijventerreinenaanbod van de gemeente. Of dit terrein door de gemeente in exploitatie zal worden genomen of dat het een particuliere planexploitatie zal betreffen, is nog niet bekend. Het bestaande bestemmingsplan Op dit moment gelden voor het plangebied De Grift, diverse verouderde bestemmingsplannen, deels met bedrijfsbestemmingen (Bestemmingsplan Oosterhout bedrijfsterrein 1990, ’93 en ’95), deels met een agrarische bestemming (bestemmingsplan Buitengebied Valburg). Op sommige percelen met een bedrijfsbestemming, zijn bedrijven toegestaan in de milieuhindercategorieën 1,2 en 3 op andere percelen is zelfs categorie 4 toegestaan. Er zijn nog net geen categorie 5 (zogenaamde A inrichtingen) toegestaan.

2.4

Bedrijfsprofiel van de werklocaties
De klassieke bedrijventerreinen omvatten 10% van het aantal vestigingen van bedrijven en instellingen in Nijmegen en ongeveer 30% van de werkgelegenheid. Buiten deze bedrijventerreinen zijn de werklocaties Centrum en Heijendaal belangrijker in aantal vestigingen (21%), en van iets grotere omvang in werkgelegenheid. Dit betekent dus dat we 70% van de vestigingen met 40% van de banen buiten de gangbare werkgebieden (bedrijventerreinen, Centrum en Heijendaal) aantreffen.

De Grift Bijsterhuizen Westkanaaldijk Brabantse Poort e.o. Noord-Oost Kan. Havens Winkelsteeg Heijendaal 0 5000 10000 15000

Figuur 2-1 Werkgelegenheid op werklocaties, 2002; bron: PWE-Gelderland

De werklocatie Heijendaal is met ruim 14.000 banen de grootste van de stad, een fractie groter nog dan de binnenstad. Het bedrijventerrein Winkelsteeg is met 8.500 banen het grootste bedrijventerrein van Gelderland en dus ook van Nijmegen. Ook de Noord- en Oostkanaalhavens (NOK) behoort tot de toppers in termen van

23

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

werkgelegenheid. Bijsterhuizen (Nijmeegs deel in deze grafiek!) heeft nog geen eindsituatie bereikt. Het aantal banen is daar nog bescheiden. Tot aan 2001 waren de bedrijventerreinen sterke groeiers in werkgelegenheid. Ruim 45% van de groei kwam hier terecht, 1,5 keer het normale aandeel. Na 2001 zien we echter een trendbreuk. De werkgelegenheid op bedrijventerreinen valt terug met 1300 banen. In de rest van de stad neemt de werkgelegenheid wel nog trendmatig toe. In totaliteit komt de banengroei in 2002 in Nijmegen hierdoor tot stilstand, na een lange periode van hoge groeicijfers. De groei van werkgelegenheid op bedrijventerreinen vindt uiteraard deels plaats door uitgifte van nieuw terrein. Toch bleek in de afgelopen jaren dat ook op reeds uitgegeven terreinen flinke groei kon optreden door groei binnen bedrijven of functionele intensivering. Hierdoor neemt tussen 1998 en 2002 Winkelsteeg de toppositie in wat betreft absolute werkgelegenheidsgroei, ruim boven Bijsterhuizen. Kijken we naar de intensiteit van werkgelegenheid, dan steekt de Brabantse Poort als gemengd bedrijventerrein met kantoorlocaties duidelijk boven de rest uit (110 banen per ha). Met 94 banen per hectare is ook Winkelsteeg een zeer intensief benut bedrijventerrein. Met name Philips Semi-conductors, WNO, Stadsbedrijven Gemeente Nijmegen en RIAGG zijn grote werkgevers in dit gebied. Doordat bij Heijendaal als oppervlakte de gehele wijk is genomen inclusief groengebieden en één woongebied, is de intensiteit van de werkgelegenheid (85 banen per ha.) lager dan wanneer uitgegaan zou zijn van daadwerkelijk gebruikte ruimte. NOK en Westkanaaldijk zijn terreinen met rond de 50 banen per hectare. Bijsterhuizen heeft ondanks de vergevorderde uitgifte op het Nijmeegse deel nog geen eindsituatie bereikt. Het aantal banen per hectare ligt met 34 dan ook laag. Zou je alleen kijken naar de in gebruik genomen kavels, dan ligt dat wat hoger (42 per ha). De nogal gevarieerde terrein de Grift heeft een intensiteit van 18 banen per ha.
De Grift Bijsterhuizen Westkanaaldijk Noord-Oost Kan. Havens Heijendaal Winkelsteeg Brabantse Poort e.o. 0 20 40 60 80 100 120

Figuur 2-2 Aantal banen per hectare uitgegeven terrein, 2002; bron: IBIS, PWE

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Huidig beeld

2.5

Werkgelegenheidsprofiel van de werklocaties
Heijendaal Winkelsteeg industrie Westkanaaldijk De Grift NOK Brabantse Prt Bijsterhuizen 0% 20% 40% 60% 80% 100% bouw handel vervoer dienstverlening overig

Figuur 2-3 Sectorverdeling per terrein, vestigingen; bron: PWE-Gelderland 2002

Heijendaal Winkelsteeg industrie Westkanaaldijk De Grift NOK Brabantse Prt Bijsterhuizen 0% 20% 40% 60% 80% 100% bouw handel vervoer dienstverlening overig

Figuur 2-4 Sectorverdeling per terrein, banen; bron: PWE-Gelderland 2002

Bovenstaande figuren laten zien dat gerekend in aantallen bedrijven de handel de overheersende activiteit is op bedrijventerreinen. Bij de oudere bedrijventerreinen speelt industrie eveneens een dominante rol, bij de jongere terreinen ligt een tweede accent op de (zakelijke) dienstverlening. Door de schaalgrootte van industriële bedrijven is het beeld in termen van werkgelegenheid totaal anders. Met 18% van de vestigingen levert de industrie 43% van de banen op bedrijventerreinen. Met name de oudere terreinen kennen soms een sterk industrieel karakter, meestal bepaald door slechts enkele bedrijven. De jongere terreinen hebben ook in termen van werkgelegenheid meer een handelskarakter. De bedrijventerreinen in de Brabantse Poort kennen sterk een nadruk op zakelijke en overige dienstverlening. De werklocatie Heijendaal wordt vrijwel volledig gedomineerd door de dienstverlening (99% van de banen), met name door het zware accent op onderwijs en gezondheidszorg. In de laatste jaren is vooral de gezondheidszorg een zeer

25

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

sterke groeier, deels ook door organisatorische wijzigingen. Ook de zakelijke dienstverlening groeit sterk (verdubbeling van de werkgelegenheid van 300 naar 600 banen tussen 1998 en 2002). Daarmee vindt enige diversificatie van de werkgelegenheid op Heijendaal plaats. naam terrein N- Oostkanaalhavens Westkanaaldijk Winkelsteeg Heijendaal Brabantse Poort Bijsterhuizen De Grift oppervlak 130 83 95 168** 36 157 72 uitgeefbaar vestigingen banen banen p. ha 0 211 6629 51 0 194 3970 48 4 70 8576 94 ? 151 14299 85 3 136 3620 111 77 48* 1176* 34* 37 46 628 18 * betreft alleen Nijmeegs deel Bijsterhuizen ** betreft de hele wijk Heijendaal

Tabel 1 Overzicht terreinkenmerken

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen

3

Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen
Vooraf
In dit hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige beroepsbevolking en werkgelegenheid van Nijmegen beschreven. Daarbij wordt naast de trendmatige kwantitatieve ontwikkeling, ook een inschatting gegeven van ontwikkeling naar kwaliteit (m.n. opleidingsniveau). Naast dit trendmatige beeld, vindt ook een verkenning van kansrijke economische activiteiten en sectoren plaats. In de laatste paragraaf worden de trendmatige groei van beroepsbevolking, de verwachte banenontwikkeling en het kansenbeeld vertaald in indicaties voor de kwantitatieve en kwalitatieve terreinbehoefte.

3.1

3.2

Huidig beeld van beroepsbevolking en werkgelegenheid
Beroepsbevolking Vooropgesteld moet worden dat de koppeling tussen beroepsbevolking en werkgelegenheid op het niveau van de stad Nijmegen steeds problematischer wordt. In de praktijk van nu is ruim de helft van de banen in de stad bezet door mensen van buiten de stad. Hierbij spelen de omliggende gemeenten een dominante rol. Van de mensen die hier wonen werkt ruim eenderde buiten de stad Nijmegen. Het accent ligt in dit geval wat sterker op werkgemeenten op grotere afstand (de gemiddelde afstand is 36 km). In 1999 bleek dat 75% van de werkende lager opgeleide Nijmegenaren in de stad zelf werkt. Bij de middelbaar opgeleiden is dat 66% en bij de hoger opgeleiden slechts 52%. Op het niveau van de gemeente Nijmegen is de woonwerkbalans dus zeker niet sluitend. Een situatie die ook elders normaal is, overigens. Kijken we ondanks deze sterke verweving van de stad met de omgeving, naar de eigen Nijmeegse bevolking, dan zien we dat de stad een sterk afwijkend opleidingsprofiel van de bevolking en daarbinnen van de beroepsbevolking kent. In de beroepsbevolking heeft 49% een opleiding op HBO of universitair niveau. Daarmee behoort Nijmegen tot de absolute top van de grotere steden (nr. 3 van de G25) en Nederland als geheel (27%). Dit hoge opleidingniveau wordt grotendeels veroorzaakt door de functie van de stad in het hoger onderwijs en de migratiebewegingen die daarmee samenhangen. Het is daardoor voor een deel “geïmporteerde kennis”. Kijken we naar de “eigen” Nijmeegse jeugd, dan blijkt na de basisschool nog steeds rond 50% te kiezen voor een opleiding in het VMBO. De werkende Nijmegenaren richten zich ook op andere sectoren dan landelijk gemiddeld (Figuur 3-1). Bijna de helft van de Nijmegenaren is actief in de niet-commerciële dienstverlening (Overheid, Onderwijs, Gezondheids- en welzijnszorg en Cultuur en overige dienstverlening), landelijk is dat 33%. Bijgevolg zijn de aandelen van de Nijverheid (vnl. Industrie en bouw) en commerciële dienstverlening veel lager. De landbouw is logischerwijs in de stad geen sector van grote betekenis.

27

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Nijmegenaren
Landbouw en visserij Industrie ca

Nederland
Comm Dnsten Niet comm Dnstn

Figuur 3-1 Nijmeegse en Nederlands werkende beroepsbevolking, oriëntatie per sector, 1998; bron: CBS

De arbeidsreserve (Niet Werkende Werkzoekenden (NWW) ingeschreven bij het CWI) ziet er heel anders uit (Figuur 3-2). In die groep zijn de lager opgeleiden 3x zo sterk vertegenwoordigd als in de beroepsbevolking als geheel (57% i.p.v. 19%)5. Middelbaar opgeleiden zijn juist minder vertegenwoordigd, de hoogst opgeleiden kennen met 22% in de NWW een zeer laag aandeel ten opzichte van de beroepsbevolking als geheel (49%).
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% NWW lager middelbaar Beroepsbevolking hoger

Figuur 3-2 Opleidingsniveau van de beroepsbevolking en van de werkloosheid (NWW) vergeleken; beroepsbevolking 1998, bron: CBS; NWW januari 2003, bron: CWI-Oost Nederland

5

Hierbij moet aangetekend worden dat naarmate het opleidingsniveau lager is, in het NWW-bestand ook de gemiddelde afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt, waardoor in de praktijk slechts een deel plaatsbaar is op korte termijn.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen

Werkgelegenheid De vraag welke bedrijfsactiviteiten het best passen bij de Nijmeegse bevolking is dan ook niet zo gemakkelijk te beantwoorden. In Figuur 3-3 zien we dat vanuit de totale beroepsbevolking geredeneerd, de beste perspectieven liggen in de niet-commerciële dienstverlening. Geredeneerd vanuit de werkloosheid, zien we juist het tegenovergestelde beeld. De laagst opgeleiden hebben het meest (84%) te verwachten van banen in de marktsector (landbouw, industrie en commerciële diensten).
120% 100% 80% 60% 40% 20% 0% lager landbouw industrie middelbaar comm dnstn hoger niet comm dnstn

Figuur 3-3 In welke sectoren werken mensen met een lagere, middelbare of hogere opleiding?; landelijke situatie 2000, bron: CBS

In Tabel 2 zijn de sectoren gerangschikt op hun aandeel laag, middelbaar resp. hoog opgeleide werknemers op basis van lokale gegevens uit 1996. Sectoren waar fysieke producten centraal staan bieden met name werk aan lager opgeleiden. De traditionele diensten (bank en verzekeringswezen, overheid) kennen naar verhouding veel middelbaar opgeleiden. De hoger opgeleiden vinden we zeer sterk in het onderwijs. Ook de grote en groeiende sectoren gezondheidszorg en zakelijke dienstverlening bieden veel werk op hbo-wo niveau. basis: lokaal 1996 bouw vervoer industrie landbouw handel lager 71% 68% 57% 56% 52% delfstof fin inst overheid handel cultuur-ov dnstv middelb. 65% 65% 60% 41% 41% hoger 78% 38% 37% 34% 25%

onderwijs gezzorg zak dnstn nuts cultuur-ov dnstv

Tabel 2 In welke sectoren werken lager, middelbaar en hoger opgeleiden? Top 5; basis: PWE-1996

Kijken we vervolgens waar mensen werken (Figuur 3-4) dan zien we zien dat lager opgeleiden naar verhouding meer werk vinden op klassieke bedrijfsterreinen, terwijl hoger opgeleiden meer emplooi vinden op Heijendaal en in de Brabantse Poort. Kijken we naar de absolute aantallen (Figuur 3-5), dan wordt het beeld wat bijgesteld. Dan zien we dat voor de lager en middelbaar opgeleiden de binnenstad het belangrijkste werkgebied is, mede door de grote omvang van de werkgelegenheid daar. Daarna volgen de grotere bedrijventerreinen. Ook Heijendaal is door de grote absolute omvang

29

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

van de werkgelegenheid daar nog van wezenlijk belang voor lager en middelbaar opgeleiden (de vierde werklocatie). Voor de hoger opgeleiden is Heijendaal de werkplek bij uitstek, op afstand gevolgd door de binnenstad. Van de bedrijventerreinen is met name Brabantse Poort en Winkelsteeg van betekenis voor hoger opgeleiden.
0% totaal stad bedrijventerreinen overige w erklocaties verspreid 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

Bijsterhuizen Brabantse Poort NOK De Grift Westkanaaldijk Winkelsteeg

Binnenstad Heijendaal laag middelbaar hoog

Figuur 3-4 Opleidingsprofiel van de werkgelegenheid per werklocatie (in % van het totaal aantal banen op de betreffende werklocatie) banen: PWE 2002, structuur: landelijk CBS 1999-2001 plus stad 1996 gemiddeld

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen
0% 5% 10% 15% 20% 25% 30%

laag

Bijsterhuizen Brabantse Poort NOK De Grift Westkanaaldijk Winkelsteeg Binnenstad Heijendaal

middelbaar

hoog

Figuur 3-5 Waar vinden lager, middelbaar en hoger opgeleiden werk, in % van de totale groep lager, middelbaar of hoger opgeleiden

3.3

Toekomstbeeld beroepsbevolking en werkgelegenheid
Trendmatige ontwikkeling van de beroepsbevolking In de toekomst zal de Nijmeegse beroepsbevolking flink blijven groeien. Op dit moment is de jaarlijkse groei ca. 1000-1200 personen. Van 2010 tot 2020 daalt de toename tot ca. 850 per jaar. Hierdoor zal de beroepsbevolking in 2020 uitkomen op 90.000 personen, 20.000 meer dan op dit moment. Deze groei wordt grotendeels verklaard door de bouw van de Waalsprong. Hierdoor komt het overgrote deel (75% tot later zelfs 100%) van de regionale beroepsbevolkingsgroei in de stad zelf terecht. In de achter ons liggende tien jaar kwam de helft van de regionale groei (RPA-gebied) in de stad terecht. Die toekomstige beroepsbevolking zal bijna gelijkelijk uit mannen en vrouwen bestaan. Het aandeel ouderen neemt op dit moment al scherp toe. Uiteindelijk is in 2020 43% boven de 45 jaar (het dubbele van 1990). Gelet op trends uit het verleden mag worden verwacht dat opleidingsniveaus blijven toenemen. In de vooruitberekening is als eindbeeld voor 2020 genomen de samenstelling van de huidige groep 25-45 jarigen in de beroepsbevolking naar opleidingsniveau. Dit onder de veronderstelling dat dít de generatie is die naar vermogen heeft kunnen deelnemen aan het onderwijs. Dit betekent een gematigder ontwikkeling vergeleken met het verleden. Passen we deze gegevens toe op de verwachte ontwikkeling van de beroepsbevolking, dan stijgt het aantal lager opgeleiden met 6% tussen 2000 en 2020, het aantal middelbaar opgeleiden met 20% en het

31

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

aantal hoger opgeleiden met 44%. Gerelateerd aan de totale groei van 20.000 personen, komt 74% (15.000) voor rekening van de groei van het aantal hoger opgeleiden, 22% voor middelbaar en 4% voor lager opgeleiden.
100000

75000

50000

25000

0 1985

1990

1995

2000 lager

2005 midden hoger

2010

2015

2020

Figuur 3-6 Samenstelling beroepsbevolking naar opleidingsniveau 1985-2020

Welke taakstelling uit deze beroepsbevolkingsgroei voortvloeit, is niet zo makkelijk te bepalen. Als we als maximum taakstelling nemen de volledige opname van de eigen beroepsbevolkingsgroei binnen de stad zelf én halvering van de werkloosheid tussen 2000 en 2020, dan moet er een werkplek gevonden worden voor ca. 25.000 mensen. Zou de werkloosheid gelijk blijven en zouden mensen in gelijke mate elders gaan werken, dan ligt het minimum op 11.500 mensen. Dit komt vooral doordat de groei vooral plaatsvindt onder hoger opgeleiden die maar voor de helft in Nijmegen werken. Onzeker is hoeveel arbeidsplaatsen door mensen van buiten de stad worden ingenomen. In principe verschuift de groei van de beroepsbevolking in de toekomst door de bouw van de Waalsprong sterk van de regio naar de stad. Niettemin lijkt het redelijk te veronderstellen dat als veel mensen vanuit Nijmegen elders gaan werken, er ook veel van elders hier komen. Groeiverwachting werkgelegenheid De werkgelegenheid zal in de verwachting van de Provincie Gelderland in Nijmegen tot 2020 groeien tot 103.000 banen van meer dan 12 uur per week. Op dit moment is dat 79.000, een groei met 24.000 banen ofwel ruim 30%. Deze groei is niet gelijkmatig verdeeld over de sectoren, maar komt geheel voor rekening van de dienstverlening (w.o. ook handel en transport en uitzendkrachten die deels werkzaam kunnen zijn in b.v. de industrie). In sectoren met veel hoger opgeleiden is de groei gemiddeld sterker dan in sectoren met meer lager opgeleiden. Hierdoor groeit de werkgelegenheid voor lager opgeleiden naar schatting wat minder dan die voor hoger opgeleiden.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen
0% landbo uw industrie bo uw handel en transpo rt co ns diensten financieel zak dnstn o verheid o nderwijs gezzo rg o v dnsten 0% landbo uw industrie bo uw handel en transpo rt co ns diensten financieel zak dnstn o verheid o nderwijs gezzo rg o v dnsten 0% landbo uw industrie bo uw handel en transpo rt co ns diensten financieel zak dnstn o verheid o nderwijs gezzo rg o v dnsten 5% 1 0% 1 5% 20% 25% 30% 35% 5% 1 0% 1 5% 20% 25% 30% 5% 1 0% 1 5% 20% 25% 30% 35% 40%

lager opgeleiden

2000 2020
35% 40%

middelbaar opgeleiden

hoger opgeleiden

Figuur 3-7 Waar werken lager, middelbaar en hoger opgeleiden in 2000 en 2020, gegeven de verwachte groei per bedrijfstak en de ontwikkeling in gemiddeld scholingsniveau

Naast deze groeiverschillen per sector is aannemelijk dat ook bínnen de sectoren het gemiddelde opleidingsniveau verandert. In 1996 is aan Nijmeegse bedrijven gevraagd of men stijgende, dalende of gelijkblijvende eisen verwachtte aan het personeel. Gemiddeld bleek 28% een stijging te verwachten tegen 2% een daling. Als we

33

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

gedifferentieerd per sector dit invoegen in de toekomstverwachting, ontstaat een (indicatief) beeld als in Figuur 3-7. Op dit moment biedt de industrie voor de groep lager opgeleiden de meeste banen (25%). In de toekomst zijn de banen voor lager opgeleiden meer te vinden in de zakelijke diensten. De tweede plek is voor de industrie met 19% van de banen voor lager opgeleiden in 2020. Onder de gehanteerde aannames neemt tussen 2000 en 2020 de werkgelegenheid voor lager opgeleiden toe met 10-15%, die voor middelbaar opgeleiden met 30% en voor hoger opgeleiden met 60%. Ondanks deze groei, blijft er een aanmerkelijk verschil tussen het kwalificatieniveau van de beroepsbevolking en het gevraagde niveau in de werkgelegenheid binnen de stad. In de huidige situatie lossen de hoger opgeleiden dit op door een werkplek buiten de stad te zoeken of genoegen te nemen met een baan met een lager gevraagd kwalificatieniveau. Naar verwachting zal dat ook in de toekomst het geval zijn. Op dit moment is voor de groep hoger opgeleiden Heijendaal het werkgebied bij uitstek. Gegeven de sterke groei van hoger opgeleiden en de beperkte ruimtelijke en functionele mogelijkheden op en rond Heijendaal (bijvoorbeeld voor vestiging van meer industriële activiteiten), zal in de toekomst de rol van bedrijventerreinen voor de hoger opgeleiden moeten groeien. Op dit moment betreft ca. 20% van de banen op de Nijmeegse bedrijventerreinen werk voor hoger opgeleiden. Wanneer de banengroei voor hoger opgeleiden op bedrijventerreinen gewoon gelijke tred houdt met de algemene groeiverwachting voor hoger opgeleide werkgelegenheid (+60%), dan zal dat aandeel op bedrijventerreinen groeien naar 25%. Het aantal middelbaar opgeleiden blijft ongeveer gelijk op 38%. Het aantal lager opgeleiden zal dalen van 41% nu naar 36% in 2020. Dit heeft uiteraard ook gevolgen voor de verwachte marktsegmentatie in de toekomst, m.n. waar het gaat om kennisintensieve bedrijvigheid op bedrijventerreinen.
120000 hoger 100000 80000 60000 40000 20000 0 beroepsbev. banen beroepsbev. banen middelbaar lager 2000 2020

Figuur 3-8 Nijmeegse beroepsbevolking en werkgelegenheid in 2000 en 2020 naar kwalificatieniveau

Het segment lager opgeleiden in zowel de beroepsbevolking- als de werkgelegenheidsontwikkeling laat een veel matiger groeipad zien. Van de andere kant bestaat in deze

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen

groep nog veel onbenut arbeidsaanbod (WAO, werkloos). Hierdoor ligt er nog een flinke oningevulde taakstelling. In de toekomst verschuift de werkplek voor deze groep van de industrie naar de dienstensector. (Dat betreft dan wel de dienstensector in brede zin, dus inclusief vervoer, reparatie, groot- en detailhandel, horeca, persoonlijke dienstverlening, etc).

3.4

Kansrijke economische activiteiten
In de voorgaande paragrafen hebben we de trendmatige ontwikkeling beschreven In deze paragraaf wordt dit aangevuld met een verkenning van economische kansen. Welke sectoren bieden voor (de regio) Nijmegen kansen en welke consequenties kunnen daar in de vraagsegmentatie aan verbonden worden. De verschuiving van de werkplek van lager opgeleiden van de industrie naar de dienstensector die we in de vorige paragraaf constateerden, past in de verwachting voor de arbeidsdeling op Europese en wereldschaal. Binnen Europa zullen delen van de industrie zich oriënteren op de nieuwe Oost-Europese lidstaten als vestigingslocatie, op wereldschaal is China bezig de industriële “workshop” van de wereld te worden. Factoren die (industriële) werkgelegenheid echter nog sterk kunnen binden aan vestigingslocaties in de “rijke” landen zijn onder meer: 1. gebondenheid aan de locale afzetmarkt; 2. hoge kapitaalsintensiteit, waardoor arbeidskosten minder relevant zijn en 3. hoge kennisintensiteit (personeel, contactnetwerken). Wat betreft de eerste factor (gebondenheid aan de afzetmarkt) kan gedacht worden aan de volgende zaken: - noodzaak van nabijheid van de afzetmarkt (smaak, levertijden, klantcontacten) - moeilijke transporteerbaarheid van het product (massa, vorm, bederflijkheid) - persoonlijke factoren (leefklimaat, cultuur, herkomst van beslissers en personeel). Zijn deze factoren niet aan de orde, dan is zo’n activiteit gevoeliger voor verplaatsing naar een goedkopere productielocatie. Dat betekent niet dat de gehele “toegevoegdewaardeketen” waar die activiteit in past verloren gaat voor een vestigingsplaats als bijvoorbeeld Nijmegen. Het onderzoek en ontwerp, de marketing, het transport, de serviceverlening en het bedrijfsmatig beheer die deze goederenstromen met zich meebrengen, blijft vaak nabij de afzetmarkten achter. Nijmegen speelt in deze mondiale arbeidsdeling en handelsstromen in “verplaatsbare productie” op dit moment al een rol van betekenis en zal dat ook in de toekomst kunnen doen. Daarbij is de positie van deze regio als thuisbasis van de “regisseurs van deze arbeidsdeling” (zetels van grotere bedrijven) van veel kleinere betekenis dan de strategische ligging ten opzichte van de mainports en de Europese markt. Dit laatste is een sterk uitgangspunt voor met name activiteiten in logistiek en serviceverlening. Op het gebied van de moeilijker verplaatsbare dienstverlening of productie, is de belangrijkste factor die werkgelegenheid (en ruimtevraag) oplevert de nabijheid van de stedelijke/regionale markt en persoonlijke factoren. We hebben het dan gewoon over bedrijven die bij de stad horen omdat ze de mensen daar bedienen (denk aan een ziekenhuis, een autodealer, een installatiebedrijf etc.) en bedrijven die van oudsher hier gevestigd zijn.

35

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Voor bedrijvigheid waarvoor vestiging in en rond Nijmegen minder vanzelfsprekend is, zijn de kennisinfrastructuur van de stad, het hoge opleidingsniveau van de bevolking en het relatief gunstige woonklimaat factoren van wezenlijke betekenis. Het is de moeite waard om vanuit kennisspecialisaties die hier in de stad sterk zijn (o.m. elektronica, biomedische kennis) proberen waardeketens uit te bouwen. De kennisbasis blijkt een sterk anker om economische activiteiten ook langdurig aan de regio te binden. Om deze driedeling van economische activiteiten (locaal-regionaal gebonden, ruimtelijk verspreide waardeketens en kennisgebaseerde activiteiten) handen en voeten te geven, wordt eerst gekeken naar het binnenlands marktaandeel van de sectoren in de landelijke economie (Figuur 3-9), dan zien we dat het overgrote deel van de sectoren sterk aan de Nederlandse markt gebonden zijn. Van de banen in Nijmegen, bevindt zich 80% in sectoren met een zeer sterke binding aan de Nederlandse markt (binnen Nederland moet Nijmegen overigens in een deel van de gevallen gewoon concurreren om deze bedrijven). Het is vooral de industrie die er als grotere sector in de Nijmeegse werkgelegenheid uitspringt met een relatief laag aandeel op de binnenlands markt en dus ook een lage binding aan de thuismarkt. Of (omgekeerd geredeneerd) met een hogere gevoeligheid voor verplaatsing van onderdelen van de waardeketen naar goedkopere locaties.

landbouw en visserij delfstoffenwinning industrie nutsbedrijven bouw handel transport financiele diensten ov zakelijke diensten overheid onderwijs gezondheids- welzijnszorg overig totaal

binnenlands marktaandeel 65% 32% 36% 97% 98% 94% 83% 96% 95% 98% 100% 100% 95% 73%

aandeel in banen stad 0,4% 0,1% 14% 0% 4% 17% 4% 2% 12% 5% 11% 25% 4% 100%

Figuur 3-9 Binnenlands marktaandeel 2001 naar sector; bron: CBS, nationale rekeningen, bew. O&S

In Figuur 3-10 wordt de situatie in de industrie wat gedetailleerder in beeld gebracht. De eerste afweging is of de activiteit aan de markt is gebonden, vervolgens wordt gekeken of goedkope arbeid relevant is of niet (kapitaalsintensiteit) en als laatste of innovatie-uitgaven bovengemiddeld zijn of niet. Dit leidt uiteindelijk tot een totaaloordeel over de perspectieven van die sectoren voor vestiging in een bedrijfsomgeving vergelijkbaar met Nijmegen.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen
aandeel in lokale totaalbeeld industrie marktbinding kapitaalsintensief kennisintensief 7% 0% 1% 0% 0% 4% 9% 2% 1% 2% 1% 3% 7% 0% 6% schatting 37% schatting 2% 0% 1% 15%

voedingsmiddelen textiel kleding schoenen-leer hout papier uitgeverijen chemie rubber kunststof Glas, porselijn, aardewerk basismetaal metaalproducten machines en apparaten computer ov elektrische apparaten audio, video en telecomapp. medische en optische app. auto ov transp midd ind meubel en overige ind

Figuur 3-10 Beoordeling industrie op marktbinding, kennisintensiteit en kapitaalsintensiteit; bron: CBS, bew. O&S ( groen= gunstig of bovengemiddeld, rood=ongunstig of benedengemiddeld)

Er komen vijf sectoren naar voren die gemiddeld ongunstig scoren: de reeds grotendeels naar lage-lonenlanden verplaatste productie van textiel, kleding en schoeisel plus de rubber- en kunststofverwerkende en de auto-industrie. De computerindustrie behoort ook bijna tot deze groep, de kapitaalsintensiteit ligt echter nog een fractie boven het gemiddelde. De sterkste sector is de chemie (waaronder ook de farmaceutische industrie). Deze sector kent zowel een licht positief binnenlands marktaandeel, een tamelijk hoge kapitaalsintensiteit en een zeer hoge kennisintensiteit. Kapitaalsintensieve kennisindustrie dus. Wat minder kapitaalsintensieve, maar wel duidelijk kennisintensieve activiteiten vinden we in de machine- en apparatenindustrie, de overige elektrische apparatenindustrie, de audio- video en telecomapparatuurindustrie en in de medische en optische apparatenindustrie. We zouden dit arbeidsintensieve kennisindustrie kunnen noemen. Deze sectoren (chemie-farmacie, metalectro, elektronica en medische en optische apparatuur) bieden de meeste kansen om op basis van een lokale kennisbasis activiteiten toe te voegen met een duurzame verankering in de regio. In Figuur 3-10 zien we overigens ook dat de Nijmeegse industrie er in principe ook nu al gunstig voorstaat. Het aandeel in verplaatsingsgevoelige sectoren is laag, het aandeel in kennisintensieve industrie is hoog.

37

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

3.5

Indicaties voor de maatschappelijke terreinbehoefte
Vooraf In deze paragraaf knopen we de draden aan elkaar. Uitgaand van de beroepsbevolkingsgroei in de stad en de verwachte werkgelegenheidsontwikkeling is op regionaal niveau een terreinbehoefte geraamd. Deze raming komt hier aan de orde. Op basis van de kwalitatieve ontwikkeling van banen en werkgelegenheid en de genoemde economische kansen voor de stad wordt aangegeven welke soort vraag verwacht mag worden. In het volgende hoofdstuk zal de behoefte nader cijfermatig worden uitgewerkt, rekening houdend met actuele cijfers, nieuw beleid en conjuncturele invloeden op de korte termijn. Kwantitatieve behoefte Om de verwachte groei van de beroepsbevolking te absorberen en een deel van de werkloosheid op te lossen, is een groei van arbeidsplaatsen nodig van ruim 1000 arbeidsplaatsen per jaar gemiddeld tot 2020. Op basis van deze taakstelling raamt de Provincie Gelderland de totale terreinbehoefte van de stad Nijmegen op 324 ha tussen 1998 en 2020 (15 ha per jaar, inclusief vraag van buitenaf)6. Deze raming kan worden beschouwd als een taakstellende en maximale raming. Dit is een typering die ook ambtelijk door het KAN en het Bureau Economisch Onderzoek van de Provincie onderschreven wordt. Taakstellend omdat niet (alleen) uitgegaan is van marktverwachtingen, maar ook van de realisatie van ruimtelijk-economische beleidsdoelen van de betrokken overheden (bijvoorbeeld het concentreren van verstedelijking). De term maximaal wordt gebruikt om aan te geven dat de raming zeker niet aan de krappe kant is. Terugkijkend naar de (overigens uitzonderlijke, dus niet representatieve) hoogconjunctuurperiode die achter ons ligt, zien we dat werkgelegenheidsgroei ook bij een lager uitgifteniveau mogelijk is geweest7. Dat wil zeggen met minder ruimtebeslag per arbeidsplaats, met name door hoge groei buiten bedrijventerreinen en op bestaande terreinen. Daarnaast zien we dat in de 22 jaar die àchter ons ligt de uitgifte ca. 100 ha ofwel 35% lager lag (Nijmegen incl. Wijchens deel van Bijsterhuizen) dan de raming voor een even lange periode in de toekomst. De raming moet daarom worden gebruikt waarvoor ze bedoeld is: het maken van planologische reserveringen op de langere termijn. Op het moment dat aanwijzings- of exploitatiebeslissingen moeten worden genomen, moet nogmaals worden getoetst aan de marktverwachting van dat moment. Vraagsegmenten Binnen deze totale gevraagde hoeveel terrein zal ook in de toekomst de hoofdmoot vraag betreffen naar gemengd terrein, geschikt voor de brede groep bedrijven die gewoon “bij de stad horen”. Ook zal er in de toekomst vraag blijven naar ruimte voor
6

7

In feite moet deze behoefte in een ruimer kader worden geplaatst. Dit gebeurt in KAN-verband door 2/3 van de Nijmeegse vraag bij de A73 zone te voegen (KAN-gebied ten zuiden van de Waal) en 1/3 naar de A15 Zone, en samen te voegen met de vraag van de overige gemeenten in die gebieden. 1995-2001 groeide de werkgelegenheid van Nijmegen, Beuningen en Wijchen met 22.000 banen bij een uitgifte van 105 ha in dezelfde periode. Voor de verwachte banengroei van 24.000 banen tussen 2000 en 2020 is tegen de 300 ha. geraamd.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Maatschappelijke behoefte aan bedrijventerreinen

handels-, service en logistieke functies als gevolg van de ligging van de stad nabij omvangrijke goederenstromen en markten. Toch zullen naar verwachting ook accentverschuivingen plaatsvinden. De bedrijventerreinen zijn nu in hoofdzaak de werkplek voor de lager en middelbaar opgeleiden. In de toekomst zal in de bevolking en de economie de trend naar gemiddeld hogere opleidingsniveau doorgaan. Dit zal trendmatig leiden tot een andere terreinbehoefte, met een sterker accent op meer kennisintensieve bedrijvigheid. Naast deze trendmatige ontwikkeling, wordt ook beleidsmatig een uitbouw van kennisintensieve bedrijvigheid nagestreefd. Door gebruik te maken van de kennisbasis van de regio als fundament en verankering, bestaan er kansen om de “waardeketens” met een relatie naar die kennisbasis van de stad en regio uit te bouwen (uitbouw met productie, logistiek, advisering, administratie, etc). Dat kan door het onderling verbinden wat er al is en het bieden van ruimte voor nieuwe activiteiten. Bij het verbinden wat er al is, kan de chemie/farmacie als voorbeeld dienen. Nijmegen kent hierin weinig werkgelegenheid, maar wel een behoorlijke opleidings- en kennisfunctie, omliggende plaatsen als Arnhem, Oss en Boxmeer spelen wél een grote rol in deze sectoren. Dit biedt kansen. Bij het bieden van ruimte voor nieuwe activiteiten kan het best geclusterd worden (vanwege functionele relaties, maar ook voor de herkenbaarheid en het imago van de locatie). Deze clusters van kennisintensieve bedrijvigheid zullen ook in de vorm van (delen van) collectieve bedrijventerreinen hun ruimtelijke neerslag kennen. De sectoren chemie-farmacie, metalektro, elektronica en medische en optische apparatuur bieden de meeste kansen om op basis van de lokale kennisbasis activiteiten toe te voegen met een duurzame verankering in de regio.

39

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

4

Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen
Vooraf
In dit hoofdstuk worden vraag en aanbod in maat en getal weergegeven. We vertrekken vanuit het regionale (KAN) kader. Door inzet van herstructurering op bestaande terreinen en zuiniger uitgeven op nieuwe terreinen, is afhankelijk van het gekozen ambitieniveau, besparing op het ruimtebeslag mogelijk. De mogelijke resultaten hiervan worden in beeld gebracht. In de KAN-studie is wel het voortschrijdend inzicht over de aanbodsituatie verwerkt. In dit hoofdstuk worden ook de nieuwe invloeden die we nu kennen verwerkt in de vraagprognose. Dat betreft uiteraard de sterk gewijzigde conjunctuur voor de korte termijn (vraaguitval, aanbodbel in de markt voor bedrijfs onroerend goed), maar ook Koers West en de optelling van de vraag ten Noorden van de Waal bij die in de A73 zone voor de lange termijn. Op basis van ervaringsgegevens en maatschappelijke en economische invloeden wordt vervolgens de vraag onderverdeeld in marktsegmenten en geconfronteerd met de aanwezige en geplande voorraad uitgeefbaar terrein in die segmenten. Daarbij wordt rekening gehouden met het gekozen ambitieniveau voor zorgvuldig ruimtegebruik. Dit leidt uiteindelijk tot indicaties voor tekorten en overschotten per marktsegment.

4.1

4.2 4.2.1

Uitwerking regionaal bedrijventerreinenbeleid Beleidsmatige voorgeschiedenis op KAN-niveau
In paragraaf 1.2 is al ingegaan op de regionale context met betrekking tot bedrijventerreinen. In de KAN-nota “Balans tussen economie, milieu en ruimtelijke kwaliteit” is een kwantitatieve analyse opgenomen naar de behoefte aan bedrijventerreinen in het KAN-gebied en zijn de beleidsmatige uitgangspunten voor zorgvuldig ruimtegebruik verder uitgewerkt. De kwantitatieve analyse uit deze nota is gebaseerd op de Bedrijventerreinennota KAN 2000 welke door BRO-adviseurs in opdracht van het KAN is opgesteld8. Voor de concretisering van het beleid voor zorgvuldig ruimtegebruik zijn door het KAN en betrokken overheden een drietal pilots in gang gezet. Uitgegaan is van een onderverdeling van het Kan-gebied in drie zones: A 12-zone, de Waalsprong- of A15-zone (met daarin het Noordelijk deel van Nijmegen ) en de A 73zone met daarin onder meer de gemeenten Wijchen, Beuningen en het zuidelijk deel van Nijmegen. De reden voor deze keuze is de ervaring dat bedrijven binnen een bepaalde regio verplaatsen (15-20 km, rivieren vormen toch een geografische barrière). Uit de kwantitatieve analyse van BRO bleek een tekort van 46 ha in de A12-zone, 69 ha in de A 15 zone (voorheen aangeduid als Waalsprongzone) en 207 ha in de A73 zone voor de periode 2000-2020. Medio 2002 is als eerste in de A73 zone een pilot-onderzoek gestart om de behoefte aan nieuwe uitleg na toepassing van de laatste inzichten op het gebied van zorgvuldig ruimtegebruik in beeld te brengen. Inmiddels is ook voor de A15 zone (waarbinnen de
8

Bedrijventerreinennota KAN 2000; 7 december 2000 en de bijbehorende beleidsnotitie dd. 6 december 2000

41

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Waalsprong valt) een dergelijk onderzoek van start gegaan. in de volgende paragraaf wordt ingegaan op de werkwijze en uitkomsten voor de A73-zone.

4.2.2

Pilot a73-zone
Opdrachtstelling Het projectbureau KAN, de gemeente Nijmegen, Beuningen en Wijchen hebben besloten om gezamenlijk te zoeken naar een antwoord op de ruimtevraag van 207 ha. in de A73-zone. Onderzoeksbureau STEC is met deze opdracht belast. Geheel in de lijn met de beleidsvisie “Bedrijventerreinen in het KAN: balans tussen economie, milieu en ruimtelijke kwaliteit” heeft STEC in de pilot A 73 zone het principe van zorgvuldig ruimtegebruik aan de hand van de SER-ladder toegepast. Centraal staat het principe inbreiding voor uitbreiding: door het geconstateerde tekort zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied te ondervangen wordt uitbreiding van het stedelijk gebied zoveel mogelijk voorkomen. Pas na de intensiveringsslag wordt gekeken naar mogelijke uitleglocaties in de A 73 zone. De pilot A 73 is zowel ambtelijk, als bestuurlijk begeleid. In de Stuurgroep participeren de wethouders Economische zaken van de gemeenten Nijmegen, Beuningen en Wijchen en de portefeuillehouder EZ van het KAN. Kwantitatieve uitgangspunten Het BRO onderzoek liet in 2000 een tekortsituatie zien voor de A73 zone van 207 ha. In de BRO nota ging men er nog vanuit dat kinderdorp Neerbosch en Schoenaker-Zuid ook (volledig) beschikbaar waren als (toekomstig) bedrijfsterrein. Inmiddels is dat niet meer het geval, slechts een beperkt deel van deze terreinen is beschikbaar. Daarnaast zijn de cijfers voor Bijsterhuizen geactualiseerd. Concreet betekent dit dus dat de totale behoefte afneemt van 207 ha naar 177.5 ha in de periode tot 2020. Het gaat om 11.2 ha zwaar terrein, 16,3 ha terrein voor distributie en 150 ha voor gemengd en hoogwaardig terrein. Reductie ruimteclaim door zorgvuldig ruimtegebruik De vraag is hoe de ruimteclaim van 177,5 ha (exclusief Koers West) terug kan worden gebracht door toepassing van de SER-ladder. Uitgangspunt van de pilot A73 zone is het terugbrengen van de ruimteclaim door het toepassen van zorgvuldig ruimtegebruik op bestaande en nieuwe terreinen. STEC hanteert hiertoe 4 ambitieniveaus voor zorgvuldig ruimtegebruik op uitgeefbare terreinen en herstructureringslocaties. Deze 4 ambitieniveaus bestaan elk uit een samengesteld pakket aan instrumenten die leiden tot zorgvuldig ruimtegebruik. Het pakket aan instrumenten is ontleed aan deskresearch en ervaringen in de praktijk en dus ook reëel toepasbaar. Bij elk ambitieniveau is onderscheid gemaakt naar terreintype (zwaar/gemengd/distributie/hoogwaardig). Op een zwaar bedrijventerrein zijn de mogelijkheden voor bijvoorbeeld gedeelde parkeervoorzieningen kleiner dan op een hoogwaardig bedrijventerrein. Ambitieniveau 1: nul optie (in dit scenario blijft de gemeentelijke inspanning beperkt tot wat nu al gebruikelijk is (incidenteel wordt gestapeld en anders verkaveld; geen herstructurering waardoor kavels zouden kunnen vrijkomen).

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

Ambitieniveau 2: beperkt ambitieniveau (beperkte inspanning om intensiever ruimtegebruik te bevorderen, d.m.v. bv verkavelen en stapelen; alleen makkelijk realiseerbare herstructureringslocaties). Ambitieniveau 3: redelijk ambitieniveau (gezamenlijk inspanning van gemeenten, bedrijven, ontwikkelaars, beleggers en andere betrokkenen (verkavelen, stapelen, beperkt selectief beleid, gemeenschappelijke voorzieningen; sterkere inzet op herstructurering)). Ambitieniveau 4: ideaal ambitieniveau (hoogst haalbare maatregelen, te nemen door onder 3 genoemde partners; grootschalige herstructurering van oude bedrijventerreinen). Ruimtewinst door intensivering en herstructurering op nog uit te geven, geplande terreinen opgeteld (netto ha, gehele A73-zone)
Nuloptie Beperkt Redelijk Ideaal ambitieniveau ambitieniveau ambitieniveau Ambitieniveau herstructurering (incl. intensivering op herstructureringslocaties) → 21,5 ha 28,0 ha 37,6 ha

Ambitieniveau nog uit te geven geplande terreinen↓ Nuloptie Beperkt ambitieniveau Redelijk ambitieniveau Ideaal ambitieniveau

0,0 ha

3,6 ha 7,8 ha 16,8 ha 34,4 ha

25,1 ha 29,3 ha 38,3 ha 55,9 ha

31,6 ha 35,8 ha 44,8 ha 62,4 ha

41,2 ha
45,4 ha 54,4 ha 72 ha

Kortom: De nul-optie levert totaal een ruimtewinst op van 3,6 ha; Een beperkt ambitieniveau leidt tot een ruimtewinst van 29,3 ha; Een redelijk ambitieniveau levert 44,8 ha op en Het ideale ambitieniveau zelfs een winst van 72 ha. Conclusie Stec: hoe hoger het ambitieniveau hoe hoger de ruimtewinst. Het in de pilot A 73 zone gesignaleerde tekort van 177.5 ha is –als op alle terreinen het allerhoogste ambitieniveau toegepast wordt- terug te brengen tot 105.5 ha (nieuwe uitleg in de A73 zone). In de pilot is vervolgens het hoogste ambitieniveau ook toegepast op de 105.5 ha nog aan te leggen nieuw bedrijventerrein; deze methode heeft tot resultaat dat men met minder nieuw terrein toe kan. Er resteert een ruimteclaim van 79 ha. Aangezien het niet realistisch is om op alle terreinen het allerhoogste ambitieniveau in te zetten (m.n. niet realistisch voor zware en te herstructureren terreinen) wordt door de Stuurgroep A 73 ingezet op: Ambitiekeuze voor bestaande terreinen Vanwege de complexiteit van herstructurering wordt gekozen voor een beperkt ambitieniveau voor bestaande/te herstructureren terreinen. De herstructurering van verouderde bedrijventerreinen is vaak heel complex: de combinatie van

43

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

milieuproblemen- en eisen, achterstallig onderhoud, versnipperd eigendom, bodemvervuiling gaat gepaard met hoge kosten (referentie: Noord – en Oostkanaalhaven). Het beperkte ambitieniveau lijkt het beste haalbaar. Ambitiekeuze voor geplande nog uit te geven terreinen (bv. Bijsterhuizen) Gekozen is voor het redelijke ambitieniveau. Het ideale (hoogste) ambitieniveau voor de nog uit te geven, geplande terreinen wordt niet reëel geacht in verband met de zeer hoge kosten die daarmee gepaard gaan. Het is immers moeilijk om in reeds lopende planexploitatie heel fors in te grijpen. Daarnaast zou de regionale concurrentiepositie van deze locatie in het spel kunnen komen. Immers voorwaarde voor het toepassen van het hoogste ambitieniveau is dat elders in het KAN-gebied, maar ook daar buiten op dezelfde wijze met zorgvuldig ruimtegebruik wordt omgegaan. Bijsterhuizen moet op de korte en middellange termijn (tot 2010) worden afgezet, in tegenstelling tot nog nieuw te ontwikkelen terrein. Ambitiekeuze voor te zoeken ruimte nieuwe uitleg Bij nieuw aan te plannen terreinen wordt het ideale ambitieniveau gekozen. Er zijn immers nog geen plannen, visies en exploitatierekeningen, er is dus nog een schone lei. Bovendien komen deze terreinen pas op lange termijn op de markt. Op dat moment zal, mits andere omringende regio’s ook een royale inzet ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik tonen, de concurrentiepositie van de regio naar verwachting niet op het spel komen te staan. De keuze voor een beperkt ambitieniveau voor bestaand/herstructureringsterrein en een redelijk ambitieniveau voor bestaand nog uitgeefbaar terrein leidt tot een ruimtewinst van 38,3 ha. Er resteert dan een nieuwe uitleg van 139,2 ha. Als KAN, Nijmegen, Wijchen en Beuningen inzetten op een ideaal ambitieniveau voor de nieuwe uitleg dan is er een netto tekort van 103,9 ha. Ervan uitgaande dat de bruto omvang9 van de nieuwe uitleg 30% groter is, is de bruto-omvang van de nieuwe uitleg 135,7 ha.

4.2.3

Consequenties voor Nijmegen
Wat betekent bovenstaande nu concreet voor de Nijmeegse bedrijventerreinen. Van de theoretisch berekende ruimtewinst van 38,3 ha dient 15,3 ha (29,3 ha (inclusief Bijsterhuizen)) gerealiseerd te worden door de gemeente Nijmegen. Deels door herstructurering en beperkte intensivering van Noord- en Oostkanaalhavens en deels door een redelijke mate van intensivering op nog uitgeefbaar aanbod (Lindenholt, Neerbosch, Winkelsteeg en Bijsterhuizen). Verderop in deze nota wordt in paragraaf 5.4 voor de diverse individuele Nijmeegse bedrijventerreinen het ambitieniveau voor intensivering en herstructurering verder uitgewerkt. Dit resulteert in streefbeelden per bedrijventerrein.

Detaillering marktverwachting
We hebben gezien dat het STEC-onderzoek voor de A73 zone een initiële ruimtebehoefte aan nieuw terrein van 177,5 ha door toepassing van richtlijnen voor zorgvuldig ruimtegebruik heeft weten terug te brengen tot een minimale behoefte aan nieuwe uitleg van 103,9 ha tot 2020. Aan de vraagzijde wordt de basis gevormd door behoefteprognose van de Provincie Gelderland. Deze prognose geeft een taakstellend en maximaal beeld ten behoeve van planologisch beleid op lange termijn. Op basis van
9

Netto terrein betreft uitgeefbare kavels, bruto terrein omvat tevens de wegen, water en groenstructuur etc. die bij een bedrijventerrein horen.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

deze gegevens worden (na verrekening van de effecten van zorgvuldig ruimtegebruik), ruimtelijke reserveringen bepaald op structuurplanniveau en op langere termijn. Een gemeente zit dichter op de actualiteit. De bestemmingsplannen vormen het uiteindelijk bindende sluitstuk van het ruimtelijk beleid en de exploitatie van bedrijventerrein is direct afhankelijk van de vraag in de markt. Vandaar dat in dit rapport de vraagkant wat meer gedetailleerd uitgewerkt wordt. Daarnaast probeert deze nota een totaalbeeld voor de stad uit te werken. In de aanpak op regionaal niveau is Nijmegen opgesplitst in een deel ten zuiden van de Waal (in de A73 zone) en ten Noorden van de Waal (A15 zone). Hoewel de uitwerking van beide gebieden nog niet even ver is, wordt in deze nota deels vooruitlopend op de resultaten van het regionale onderzoek, een poging gewaagd het complete stedelijke beeld neer te zetten. Bij deze uitwerking zijn er vier invloeden op de totale vraag: wijzigingen als gevolg van beleid: Koers West10; wijzigingen in de vraag door conjuncturele invloeden op korte termijn; de effecten van voorraden op de markt voor bestaand onroerend goed en effecten van de verstedelijking in de Waalsprong.

Wijzigingen als gevolg van beleid: Koers West Met dit laatste wordt vooral gedoeld op het te verplaatsen bedrijfsterrein in verband met Koers West. In dit streven moeten bedrijven plaats moeten maken voor een toerit naar de nieuwe Stadsbrug (leidend tot 14 ha vraag tot 2006/7) en voor transformatie naar woongebied (leidend tot 14 ha vraag tot 2020). Dit leidt tot 2020 tot een extra vraag van 28 ha. Daarvan wordt de 14 ha. vraag t.b.v. van de stadsbrug gezien als vraag naar gemengd terrein. De 14 ha. voor transformatie tot woongebied in de periode tot 2020 wordt gezien als vraag naar zwaar terrein Wijzigingen in de trendmatige vraag Het blijkt dat de uitgifte in Nijmegen, Beuningen en Wijchen sterk samenhangt met het landelijke economische groei11. Deze economische groei maakt in de meest recente verwachting van het CPB in de periode 2002-2007 een flinke duikeling. Na een situatie van beperkte extra-uitgifte boven de lange-termijntrend in de achter ons liggende jaren, is de verwachting dat de komende jaren juist minder wordt uitgegeven. Na 2007 wordt weer aansluiting gezocht bij de uitgifteverwachting voor Nijmegen, Beuningen en Wijchen van de Provincie Gelderland, zoals die ook is gehanteerd in de bedrijventerreinennota KAN 2000 en de pilots zorgvuldig ruimtegebruik van STEC. Het aanbod op de markt voor commercieel onroerend goed In tegenstelling tot voorheen, moet serieuzer gekeken worden naar de markt voor bestaand onroerend goed. Tot voor ca. tien jaar geleden werd bedrijfsterrein als regel aan de eindgebruiker uitgegeven. Viel de vraag lager uit, dan werd er ook minder uitgegeven. Trok de vraag aan, dan werd ook vrij direct meer uitgegeven. Nu is ook in de bedrijfsruimtemarkt net als in de kantorenmarkt projectontwikkeling gebruikelijker geworden. Met name in de topjaren voor 2002 is dit meer aan de orde geweest. Door terugval in de vraag zijn er voorraden ontstaan aan reeds afgenomen grond en bestaande gebouwen.
10 11

Ook in de Stec-nota wordt dit overigens als variant meegenomen Driejaarsgemiddelde van de groei van het bbp

45

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Wat betreft de bedrijfsgebouwen spreken we per 1-1-2002 over een aanbod van 132.000 m2 vloeroppervlak, 60-80.000 m2 meer dan in voorgaande jaren normaal was (Figuur 4-1). In tegenstelling tot voorgaande jaren betreft dit deels ook nieuwe gebouwen, waarvoor de beoogde huurder heeft afgezegd. Stel dat we uitgaan van een verhouding vloeroppervlak/kaveloppervlak van 60%, dan zou het totale aanbod neerkomen op 22ha terrein, het extra-aanbod op ruim de helft daarvan. Nemen we het gebouwenaanbod op Bijsterhuizen als norm, dan blijkt op 9,6 ha grond sprake te zijn van nieuwe gebouwen die leegstaan en op de markt worden aangeboden. In de berekening van de behoefte aan bedrijventerrein gaan we uit van afbouw van deze “aanbodbel” in bestaande gebouwen in 5 jaar (elk jaar een kleine 2 ha minder vraag). Naast deze “aanbodbel” in gebouwen, is er ook een meer dan normale hoeveelheid bedrijventerrein verkocht en nog niet bebouwd. In totaal gaat het om ca. 22 hectaren terrein op Bijsterhuizen, die soms al langer geleden verkocht is, maar waar niets op gebeurd is. De verwachting is dat ongeveer de helft hiervan uiteindelijk toch door de koper zelf zal worden bebouwd, de andere helft wordt op de markt aangeboden, en wordt daarmee concurrerend voor de uitgifte van andere kavels. In de berekening wordt uitgegaan van een aanbod van 14 ha12, af te bouwen in 5 jaar tijd ten koste van de vraag naar nieuwe kavels.
140000 vraag 120000 100000 80000 60000 40000 20000 0 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 aanbod

Figuur 4-1 Vraag naar en aanbod van bedrijfsruimte in de regio Zuidwaal (A73 zone), in m2 vloeroppervlak; vraag gedurende genoemde jaren, aanbod per 1-1 van elk jaar; bron: KAN-vastgoedrapportage

Effecten van de Waalsprong In de regionale uitwerking van de bedrijventerreinenplanning is tweederde van de Nijmeegse vraag toegerekend aan de a73 zone ten Zuiden van de Waal en éénderde naar de A15 zone in het Noorden. Vanaf ca. 2005 wordt aangenomen dat de verstedelijking zover op stoom is, dat de vraag in de Waalsprong ook daadwerkelijk manifest wordt. Het gaat in de Provinciale prognose om een extra vraag van ca. 4-5 ha per jaar, als we uitgaan van éénderde van de stedelijke vraag. Deze “eigen” Nijmeegse bedrijventerreinbehoefte wordt hier voorlopig als uitgangspunt genomen. In het kader
12

9,6 ha bebouwde kavels + 10 ha. onbebouwd en aangeboden minus 6 ha die al in de registraties zijn opgenomen als particulier aanbod

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

van de uitwerking door STEC, kan deze taakstelling nog wijzigingen ondergaan door taakverdelingen tussen de gemeenten in de A15-zone.

4.4

Resulterend totaalbeeld
30 25 20 15 10 5 0
1977 1985 1995 2005 2015

N-B-W onder Waal

N-B-W incl Waalsprong

Figuur 4-2 Uitgifte van bedrijventerreinen, Nijmegen ten zuiden van de Waal, Beuningen en Wijchen; 19772002 realisatie, 2003 en verder schatting. Vanaf 2005 Nijmegen incl. de vraag ten Noorden van de Waal

Uiteindelijk ontstaat een verwacht vraagverloop zoals afgebeeld in Figuur 4-2. We zien een scherpe terugval van de vraag in de huidige periode. Daarna volgt door aansluiting aan de Provinciale prognose én de toevoeging van het gebied ten Noorden van de Waal een tamelijk hoog vraagniveau13 van rond de 20 ha per jaar in Nijmegen (noord en zuid) Beuningen en Wijchen als geheel.

13

Hoog vergeleken met het uitgifteniveau in het verleden en hoog in relatie tot het aantal te realiseren arbeidsplaatsen

47

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

150,0

100,0

50,0

0,0

-50,0 0-optie -100,0 beperkt redelijk -150,0 ideaal

-200,0

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Figuur 4-3 Ontwikkeling voorraadpositie bij verschillende ambitieniveaus van zorgvuldig ruimtegebruik

Zetten we dit beeld af tegen het verwachte aanbod, dan ontstaat zonder nader beleid in 2010 een omslag naar terreintekorten. Wordt wat hoger ingezet, dan zien we dat die termijn met elke stap naar een hoger ambitieniveau opschuift in de tijd, tot 2012 bij een redelijk ambitieniveau. In het ideale ambitieniveau vindt echt een flinke sprong plaats, waarbij pas in 2016 sprake is van een algemeen terreintekort. Gegeven de termijnen die gemoeid zijn met de aanwijzing en aanleg van nieuw bedrijventerrein (Bijsterhuizen duurde 9 jaar) is het nodig, ook bij hantering van bijvoorbeeld het redelijke ambitieniveau van zorgvuldig ruimtegebruik, op afzienbare termijn te starten met het aanwijzen van nieuwe werklocaties op structuurplanniveau. Als we uitgaan van - een beperkt ambitieniveau op te herstructureren terreinen, - een redelijk ambitieniveau op nieuwe kavels op bestaande terreinen en - een ideaal ambitieniveau op nieuwe kavels op nog aan te leggen terreinen, dan ontstaat een voorraadverloop zoals in onderstaande grafieken is aangegeven. Telkens zijn de toevoegingen die verwacht worden weergegeven in kolommen en afgezet tegen de rechteras. De voorraadontwikkeling in jaren uitgeefbare grond is als lijn afgezet tegen de linkeras. In Figuur 4-4 zien we voor alle marktsegmenten tezamen de markt in de komende jaren verkrappen doordat na de conjuncturele terugval in de komende jaren teruggegaan wordt naar veel hogere Provinciale vraagprognose. Deze prognose is eerder taakstellend en maximaal genoemd. Door het in aanbod komen van terreinen in de Waalsprong rond 2008-2010, blijft er nog een aantal jaren voorraad beschikbaar. In 2013/2014 vindt bij de gehanteerde hoge afzetaannames een omslag plaats naar tekorten aan bedrijventerrein. Per marktsegment kan de situatie aanmerkelijk verschillen. Daarop wordt in de volgende paragraaf ingegaan.

2020

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen
20,0 90

alle terreinen
15,0

toevoegingen voorraad in jaren

80

70

10,0 jaren voorraad (lijn)

60 hectaren toevoeging

50 5,0 40

0,0

30

20 -5,0 10

-10,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

0

uitgangsniveau ultimo 2002

Compaq terrein beschikbaar

De Grift Zuid (Waalsprong)

herstructurering NOK-Zuid

De Grift (Waalsprong)

vm. Institutenzône

Figuur 4-4 Verloop van de bedrijventerreinenvoorraad in Nijmegen, Beuningen en Wijchen bij de gekozen ambitieniveaus van zorgvuldig ruimtegebruik

4.5

Kwalitatieve vraag
Wat betreft de kwalitatieve vraag hanteren we de volgende uitgangspunten: - De vraag naar zwaar bedrijventerrein wordt gezien als maatwerk. Op het moment dat een bedrijf verplaatst moet worden in verband met het realiseren van stedelijke vernieuwing op de vertreklocatie, wordt ruimte voor zo’n bedrijf gemaakt, bijvoorbeeld door aankoop van percelen op bestaand terrein. Er wordt geen zwaar terrein aangelegd voor uitgifte aan willekeurige vragers. - De vraag voor distributieactiviteiten schatten wij wat hoger in dan in de provinciale prognose14 (20%). Wel wordt een daling naar 15% verwacht vanwege ruimteschaarste. - De vraag naar gemengd terrein wordt gedifferentieerd in “normaal gemengd”, “gemengd goud” (m.n. zichtlocaties) en “kennisintensief”. In verband met de trends
14

De provinciale prognose ging uit van de vraag naar distributieparken met een bepaalde minimumomvang. De overige distributievraag werd aan regulier toegerekend.

Willemsen Naaldhout Beuningen

herstructurering Compaq terrein

Kinderdorp Neerbosch

49

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

zoals gesignaleerd in het vorige hoofdstuk en de beleidsinzet op het uitbouwen van waardeketens vanuit de bestaande kennisbasis van de regio, wordt het aandeel kennisintensief met de tijd steeds wat groter. Uiteindelijk gaan we ervan uit dat dat 10% van de vraag betreft. zwaar distributie 2003-2007 2008-2020 0% 5% 20% 15% normaal gemengd 50% 45% gemengd kennisintensief goud 25% 5% 25% 10%

Tabel 3 inschatting vraagsegmentatie

Geconfronteerd met het verwachte aanbod in de toekomst en bij verschillende ambitieniveaus voor zorgvuldig ruimtegebruik, ontstaan onderstaande vraagaanbodbalansen in de periode 2003-2020.
10,0 10

kennisintensief
8,0 toevoeging voorraad in jaren

9

8 6,0

7 hectaren toevoeging

jaren voorraad (lijn)

6 4,0 5 2,0 4

0,0

3

2 -2,0 1

-4,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

0

Kinderdorp Neerbosch

vm. Institutenzône (Waalsprong)

Compaq terrein

de Grift Zuid

Figuur 4-5 Indicatie voorraadontwikkeling bedrijventerreinen voor kennisintensieve activiteiten

Kijken we naar de voorraad bedrijventerreinen naar kwaliteit, dan blijkt dat op korte termijn er alleen een klein tekort is aan kennisintensief terrein. Voor kennisintensieve

herstructurering Compaq terrein

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

bedrijvigheid is op korte termijn geen geoormerkt aanbod beschikbaar. Dit leidt niet tot grote problemen, gezien de beperkte omvang van deze vraag. Naar verwachting rond 2006 kan wel een gericht aanbod worden gedaan op v.m. Kinderdorp Neerbosch (6 ha). Daarna ontstaan in 2008-2010 mogelijkheden op Winkelsteeg en aan de zuidrand van bedrijventerrein de Grift en in 2015 in de “voormalige” Institutenzone in de Waalsprong. Dit leidt uiteindelijk tot een ruime voorraad op lange termijn, zij het dat het moeilijk zal zijn gezien de tamelijk dunne vraaglijn in de tijd (0,5-1,5 ha per jaar) hier clustervorming van behoorlijke omvang te realiseren. Lukt dat niet, dan zal de vraag waarschijnlijk wat lager uitvallen en verspreid worden over meerdere locaties.

10,0

7

8,0

toevoegingen voorraad in jaren

6

6,0 5 hectaren toevoeging 4,0 4 2,0 3 0,0 2 -2,0

jaren voorraad (lijn)

-4,0

1

zwaar terrein
-6,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 0

herstructering Scheidingsweg

Figuur 4-6 indicatie van de voorraadontwikkeling van zwaar terrein

De vraag naar zwaar terrein wordt gezien als maatwerk. Pas met de transformatie van het Waalfront-West vanaf 2008 ontstaat behoefte aan deze maatwerkoplossingen. Ondanks het beperkte aanbod aan zwaar terrein op de korte termijn, ontstaan hierdoor naar verwachting geen grote problemen tot aan 2007. Doordat door herstructurering in de verschillende ambitieniveaus juist vrij veel ruimte wordt vrijgemaakt op oudere en zwaardere bedrijventerreinen, lijkt in ieder geval bestemmingsplantechnisch gezien de vraag naar zwaar bedrijventerrein niet het grootste probleem. Bij herstructurering en

herstructurering NOK-zuid

51

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

uitgifte zullen milieuaspecten (bodemvervuiling bij herstructurering, emissieplafonds bij vestiging) echter eerder grensstellend zijn dan de planologie.
10,0 12,0

toevoegingen 5,0 voorraad in jaren 10,0

8,0 0,0 hectaren toevoeging jaren voorraad (lijn)

6,0

-5,0 4,0

-10,0 2,0

distributieterrein
-15,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 0,0

Figuur 4-7 Indicatie van de voorraadontwikkeling voor distributieterrein

De vraag naar distributieterrein leidt snel tot blijvende tekorten. De vraagcategorie wordt weliswaar op termijn gezien als enigszins krimpend, maar gericht nieuw aanbod komt niet beschikbaar. Dit leidt uiteindelijk tot vraagtekorten van rond 35 ha in 2020 in deze categorie. Deze categorie zal zich bij afwezigheid van gericht aanbod voor distributiebedrijven onder meer richten op normale gemengde terreinen.

uitgangsniveau ultimo 2002

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen
20,0 50

gemengd terrein
45 toevoegingen 15,0 voorraad in jaren 40

35 10,0 30 hectaren toevoeging jaren voorraad (lijn)

5,0

25

20 0,0 15

10 -5,0 5

-10,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

0

herstructurering in Wijchen

De Grift (Waalsprong)

Figuur 4-8 Indicatie voorraadontwikkeling voor normaal gemengd terrein

Bij de normale gemengde terreinen zien we dat de toevoeging van ca. 25 ha. van dit aanbod op het terrein de Grift in 2008 enig soelaas biedt, maar dat niettemin rond 2010-2011 tekorten ontstaan. Gegeven de grote omvang van deze categorie, loopt het verschil flink op tot rond de 45 ha in 2020.

vm Institutenzône Waalsprong

uitgangsniveau ultimo 2002

De Grift Zuid

53

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

25,0

30

zichtlocaties
("gemengd goud")
20,0 toevoegingen voorraad in jaren 25

15,0 jaren voorraad (lijn)

20 hectaren toevoeging

10,0

15

5,0

10

0,0

5

-5,0 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020

0

Figuur 4-9 Indicatie voorraadontwikkeling voor zichtlocaties ("gemengd-goud")

Een veel gunstiger beeld zien we bij de zichtlocaties (gemengd-goud). Zelfs bij een beperkt ambitieniveau wordt al veel terrein vrijgemaakt door herstructurering (m.n. de locatie van Willemsen Naaldhout in Beuningen). Daarnaast wordt in deze categorie door toepassing van zorgvuldig ruimtegebruik in de uitgifte al snel een behoorlijke reductie van de vraag bereikt. Door flinke toevoeging op bedrijventerrein de Grift is in deze vraagcategorie ook bij de hoge uitgifteaannames voldoende voorraad tot 2017. Concluderend zien we dat de voorraad bedrijventerreinen die we nu hebben en in planning hebben, ook bij hoge afzetaannames in principe soelaas bieden voor de komende tien jaar. Ondanks deze ruime termijn is het niettemin toch redelijk te werken aan ruimte voor nieuwe terreinen. Hiervoor wordt op dit moment regionaal onderzoek gedaan en beleid gemaakt. De grootste tekorten zijn te verwachten in de groep normaal gemengd terrein, zeker omdat door gebrek aan terrein in die categorie, ook de terreinvraag voor distributieactiviteiten deels hier terecht zal komen. De behoefte aan zwaar terrein is maatwerk. Op termijn is er een tekort. Door verplaatsing en herstructurering zal ruimte worden gemaakt binnen de bestaande aangewezen gebieden voor zware

Willemsen Naaldhout Beuningen

vm. Intsitutenzône (Waalsprong)

De Grift(Waalsprong)

uitgangsniveau ultimo 2002

De Grift Zuid

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen

bedrijfsbestemmingen. Door de vraag van de bedrijven die ruimte moeten maken voor de inpassing van zware bedrijven, kan de vraag naar distributieterrein en gemengd terrein weer wel toenemen.

4.6

Resumé en conclusie ruimtelijk-economische behoefte aan bedrijventerreinen
In de pilot A73-zone wordt door toepassing van de SER-ladder de regionale ruimtebehoefte teruggebracht. Afhankelijk van het gekozen scenario, loopt de ruimtewinst op van 3,6 ha minimaal tot maximaal 72 ha. Gelet op de complexiteit van herstructurering en de verplichtingen die voortvloeien uit bestaande planexploitaties is de keuze van ambitieniveau in zorgvuldig ruimtegebruik: - het beperkte ambitieniveau bij uitgifte en herstructurering op reeds uitgegeven terreinen; - het redelijke ambitieniveau bij uitgifte van nieuwe kavels in bestaande plannen - het ideale ambitieniveau bij uitgifte van nieuwe kavels in nieuwe plannen. Dit houdt voor Nijmegen een taakstelling in om 15,3 ha (29,3 ha. inclusief Bijsterhuizen) ruimtewinst te boeken. Voor de A15 zone, waartoe de Waalsprong behoort zijn nog geen conclusies beschikbaar. De uitgifteprognose die aan de basis ligt van de regionale bedrijventerreinplanning is al eerder taakstellend en maximaal genoemd. De realisatie in de markt zal waarschijnlijk lager uitvallen. Dit geldt zeker voor de korte termijn door de effecten van de conjuncturele terugval en de ruime voorraden aan bestaand onroerend goed en onbebouwde terreinen. Op termijn zijn er ook plussen te verwachten. Daarbij moet uiteraard gedacht worden aan de Waalsprong, die weliswaar niet tot de A73 zone behoort, maar zeker wel bij Nijmegen. Daarnaast zijn er de effecten van de realisatie van Koers West. Netto resultaat is dat op korte termijn rekening moet worden gehouden met een sterke terugval in de afzet. In 2007 en verder wordt de marktverwachting weer losgelaten en weer aansluiting gezocht bij de hoge regionale bedrijventerreinenprognose. Kwalitatief wordt uitgegaan van: - maatwerk in de oplossingen voor zware bedrijvigheid, waarbij op bestaande terreinen ruimte wordt gemaakt voor opvang van “verplaatsingsurgenten”; - een wat hogere, maar wel dalende vraag naar ruimte voor distributieactiviteiten - De vraag naar gemengd terrein wordt gedifferentieerd in “normaal gemengd”, “gemengd goud” (m.n. zichtlocaties) en “kennisintensief”. In verband met de trends zoals gesignaleerd in het vorige hoofdstuk en de beleidsinzet op het uitbouwen van waardeketens vanuit de bestaande kennisbasis van de regio, wordt het aandeel kennisintensief met de tijd steeds wat groter. Uiteindelijk gaan we ervan uit dat dat 10% van de vraag betreft. zwaar distributie 2003-2007 2008-2020 0% 5% 20% 15% normaal gemengd 50% 45% gemengd kennisintensief goud 25% 5% 25% 10%

Resultaat: uitgaand van de gekozen ambitieniveaus hebben we in bestaande en nieuwe plannen in Nijmegen, Beuningen en Wijchen nog voldoende ruimte voor ca. 10 jaar uitgifte.

55

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Voor kennisintensieve bedrijvigheid was tot op heden alleen op lange termijn in de Waalsprong ruimte gereserveerd. Met deze nota wordt ook op de korte termijn en in de bestaande stad ruimte aangewezen voor kennisintensieve bedrijvigheid, mede ingegeven door kansen én de beleidsmatige wens om die te verzilveren. Enkel op de zeer korte termijn (tot 2006) is er in geringe mate schaarste aan een geoormerkte plek voor kennisintensieve bedrijvigheid. Daarna komt aanbod beschikbaar. Op de lange termijn ontstaat een ruimer aanbod voor kennisintensieve bedrijvigheid in de Waalsprong. Ook in zichtlocaties (gemengd-goud) is er sprake van een relatief groot aanbod, waarbij pas na 2015 tekorten voorzien zijn, ondanks de hoge uitgifteaannames. Tekorten zijn er wel voor specifiek distributieterrein en terreinen voor zware bedrijvigheid15. Deze vraag zal direct (distributievraag) of indirect (te verplaatsen bedrijven voor vestiging van zware bedrijven) extra vraag opleveren aan normaal gemengd terrein. In deze categorie zit dan ook de meeste krapte. Op korte termijn kan (als de uitgifte na 2005 inderdaad flink aantrekt) hier al een vrij krappe situatie ontstaan met minder dan 3 jaar (ijzeren) voorraad16. In 2008 komt de voorraad weer net boven de drie jaar, om vervolgens om te slaan in een terreintekort, na 2012. Op dat moment is er waarschijnlijk nog wel enige ruimte op de zichtlocaties, maar dat biedt slechts kort soelaas. De conclusie is dan ook dat (overeenkomstig de regionale uitgangspunten) bij het gehanteerde hoge uitgifteniveau nieuw(e) terrein(en) moeten worden gevonden. Gegeven de verschilende kraptesituaties per marktsegment, ligt het voor de hand bij het nieuw aan te wijzen terrein het accent te leggen op normaal gemengd terrein. Ook is het zaak de vinger aan de pols te houden. In het bovenstaande wordt uitgegaan van uitgifteniveaus die na een korte dip in 2002-2005, hoger liggen dan in het verleden gangbaar was en ook hoog zijn in relatie tot de verwachte banenontwikkeling. Zouden we uitgaan van bescheidener vraagaannames, dan schuift het omslagpunt naar tekorten al snel verder naar rond 2018 in plaats van 2012/2013. Bij uitwerkingen van plannen en het aangaan van exploitaties moet dan ook de marktsituatie van dat moment opnieuw in beeld worden gebracht.

15

Overigens betreft een flink deel van de aanbodbel (p. 45) in bestaand onroerend goed wel panden in de logistieke sfeer. 16 drie jaar terstond uitgeefbare voorraad wordt wel als een minimum voorraad of “ijzeren” voorraad gezien

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

5

Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein
Vooraf
In dit hoofdstuk worden eerst de doelstellingen van het Nijmeegse economische beleid beschreven. Om dit beleid te realiseren zijn beleidsspeerpunten genoemd. Daarbij is onder meer gekozen voor industrie en value added logistics en kennis en innovatie, een keuze die doorwerkt in hoe we met bedrijventerreinen omgaan en perspectief biedt voor zowel lager en hoger opgeleiden in de toekomstige beroepsbevolking. Nadat de keuzen ten aanzien van revitalisering en herstructurering zijn toegelicht, wordt in het slot van paragraaf 5.5 in tabelvorm het samenhangende ruimtelijke economische beleid voor de verschillende terreinen aangegeven. In paragraaf 5.6 wordt per terrein gedetailleerder ingegaan op maatregelen en locaties die nader uitgewerkt gaan worden. Dit moet zicht bieden op mogelijkheden en onmogelijkheden om het beleid te realiseren.

5.1

5.2

Koersbepaling stedelijk economisch beleid
Algemeen De algemene doelstelling van het economisch beleid is drieledig (Economisch Beleidsplan 2000-2005): “Het scheppen van duurzame en excellente voorwaarden en het bieden van stimulansen, zodat bedrijven en organisaties optimaal kunnen inspelen op de vernieuwing van de markt in de breedste zin van het woord en met als resultaat: Een duurzame economische ontwikkeling van Nijmegen; Creëren en behouden van voldoende werkgelegenheid voor de inwoners van Nijmegen; Het vervullen van een regionale werkfunctie voor de regio Nijmegen” Duurzame en excellente voorwaarden wil zeggen dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met milieu- en leefbaarheidsaspecten en impliceert dan ook dat aandacht wordt besteed aan zaken als intensief ruimtegebruik, modal shift, energiegebruik, revitalisering en het juiste bedrijf op de juiste plek bij het creëren van voorwaarden. De Nijmeegse marktsector is kwetsbaar in perioden van laagconjunctuur. Op dit moment bevinden we ons weer in een situatie van een neergaande conjunctuur met als gevolg dat de werkloosheid behoorlijk gaat oplopen. Daarom moet er ook gewerkt worden aan het verminderen van de conjunctuurgevoeligheid van de Nijmeegse marktsector en wordt gestreefd naar structuurversterking. Kansrijke sectoren moeten verder worden uitgebouwd. Innovatie en kennisontwikkeling zijn onontbeerlijk voor een duurzame economische ontwikkeling. De gemeente wil het innovatief vermogen en de concurrentiekracht van de in Nijmegen gevestigde bedrijven helpen vergroten. De productiestructuur van Nijmegen kenmerkt zich door meerdere sterke sectoren. In werkgelegenheid(sgroei) zijn de sectoren (elektrotechnische) industrie, zakelijke dienstverlening, gezondheidszorg de grootste sectoren in Nijmegen. Daarnaast hebben de onderwijs- en kennissector, de logistieke en de toeristische sector veel potentie voor werkgelegenheidsgroei. Uitgangspunt voor het economisch beleid is versterking van alle

57

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

bedrijfssectoren, voor zover passend in het streven naar een duurzame ontwikkeling van Nijmegen. Gecombineerd met andere kenmerkende kwaliteiten van Nijmegen, zoals een hoog opgeleide beroepsbevolking, een zeer gunstige geografische ligging en een multimodale ontsluiting en rekening houdend met de sociaal-economische ontwikkelingen binnen de stad zijn Industrie en value added logistics (hoogwaardig, kennisintensief en duurzaam) en kennis en innovatie als belangrijke speerpunten van economisch beleid geformuleerd (daarnaast zijn gezondheidsgerelateerde bedrijvigheid en toerisme als belangrijke speerpunten benoemd). Deze sectoren zullen extra worden gestimuleerd. Industrie en value added logistics Een belangrijk deel van de Nijmeegse werkgelegenheid (zo is in hoofdstuk 3 geconstateerd) bevindt zich in de industriële sector. Ook is geconstateerd dat het opleidingsniveau naar de toekomst toe in alle sectoren zal stijgen. Dit laat onverlet dat een groot deel van de lager opgeleiden werkzaam is en blijft in de industrie, c.q. in dienstverlening die gelieerd is aan de industrie (logistieke dienstverlening). Nijmegen heeft door de aanwezigheid van industrie, logistieke en zakelijke dienstverleners, haar geografische ligging en multimodale verbindingen een prima uitgangspositie om industrie, in samenhang met logistieke dienstverlening (value added logistics) verder te ontwikkelen. Kennis en innovatie De beschikbaarheid van kennis en de ontwikkeling van nieuwe kennis(innovatie) is een basisvoorwaarde in de ontwikkeling van bedrijven, die door de internationale concurrentie alleen maar in belang zal toenemen. De aanwezigheid van kennisinstellingen zoals de KUN, de HAN, het AZN, grote high tech bedrijven en een sterke onderwijssector vormt, samen met de hoog opgeleide beroepsbevolking een uitstekende basis voor het versterken van de Nijmeegse economie. Door o.a. clustervorming van kennisintensieve bedrijvigheid te stimuleren wordt het speerpunt kennis en innovatie geconcretiseerd. Clustering van kennisintensieve bedrijvigheid rond het voorgenomen Philips City Centre en langs de Nieuwe Dukenburgseweg en op de huidige locatie van Kinderdorp Neerbosch geeft hier nadere invulling aan. Tevens zijn er mogelijkheden in de Waalsprong rondom knoop de Grift (=voormalige institutenzone). Overigens vindt clustering van kennisintensieve bedrijvigheid, als spin-off van de universiteit of met een relatie naar de universiteit al plaats door middel van de realisatie van Mercator. Het betreft hier echter een kantorenlocatie en geen bedrijventerrein. Bedrijventerreinen Eén van de randvoorwaarden voor de realisatie van de bovengenoemde speerpunten van economisch beleid is de tijdige beschikbaarheid van voldoende en duurzame bedrijfslocaties. Het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen is er op gericht om te zorgen dat er stedelijk (en regionaal) niet alleen voldoende, maar ook een kwalitatief goed aanbod van bedrijventerreinen is. Bij het zoeken naar ruimte voor bedrijventerrein en alternatieven wordt er volgens de SER-ladder gewerkt. Dit betekent dat stedelijk eerst wordt gekeken naar de mogelijkheden voor intensivering/meervoudig ruimtegebruik en revitalisering/herstructurering, vervolgens wordt bekeken welke extra ruimte noodzakelijk is en de wijze waarop die ruimtebehoefte kan worden ingevuld samen met de regio. Nog maar anderhalf jaar geleden was er sprake van een grote krapte op markt voor bedrijventerreinen en bedrijfshuisvesting. Inmiddels is door de teruglopende conjunctuur

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

door marktpartijen pas op de plaats gemaakt en is er geen sprake meer van een acuut tekort aan bedrijventerrein. Uit het vorige hoofdstuk blijkt dat er in 2020 een tekort van 177,5 ha aan Bedrijventerrein (in de A 73 zone) gaat ontstaan, indien er geen intensiverings- en herstructureringsbeleid wordt toegepast en geen nieuw aanbod wordt ontwikkeld. Kwalitatief (naar segmenten) ontstaat dit tekort al eerder, m.n. voor zware bedrijvigheid. Samen met de partners in het KAN is het zoekproces in de A-73 zone in gang gezet waarbij de zoektocht naar locaties eveneens volgens het SER-stramien is ingericht. Deze pilot is in hoofdstuk 4 beschreven. Arbeidsmarkt Door de ontwikkelingen op de Nijmeegse arbeidsmarkt en de groeiende beroepsbevolking blijft het creëren van werkgelegenheid ook in de toekomst noodzakelijk. Een groot deel van de niet werkende beroepsbevolking bestaat uit lager opgeleiden. Daarom blijft het vergroten van werkgelegenheid voor laagopgeleide werknemers het streven. Daarmee wordt specifiek ingezet op het speerpunt industrie en value added logistics als belangrijke bron van werkgelegenheid, m.n. op bedrijventerreinen. Andere speerpuntsectoren als gezondheidsgerelateerde bedrijvigheid en toerisme krijgen niet minder aandacht, maar het gaat hier om andere werklocaties, niet zijnde bedrijventerreinen en dat valt buiten de scope van deze nota. Geconstateerd is echter ook dat het aantal hoger opgeleiden in de toekomst fors neemt. Het aantal hoger opgeleiden binnen de beroepsbevolking groeit en is groter dan het aantal beschikbare banen. Door in te zetten op het speerpunt kennis en innovatie en het stimuleren van kennisintensieve en moderne industriële bedrijvigheid wordt er naar gestreefd om deze kloof op de arbeidsmarkt te verkleinen. Het stimuleren van een kennisintensieve clusterontwikkeling op de bedrijventerreinen Winkelsteeg, Kinderdorp Neerbosch en op de wat langere termijn in het Noordelijk gebied van de Waalsprong rondom de in het voorkeursmodel Waalsprong aangeduide knoop de Grift (voormalige vlek instituten) vloeit hieruit voort. Voor het succesvolle ontwikkeling van deze clusters is intensieve samenwerking tussen kennisinstituten, en –organisaties, bedrijfsleven en overheid noodzakelijk. Overigens zijn het Mercator Science park en het universiteitsterrein Heijendaal natuurlijk belangrijke werklocaties, als het gaat om kennisintensieve werkgelegenheid. Voor de toekomst is het noodzakelijk alternatieve vestigingsmogelijkheden te bieden, functioneel verbonden met KUN of AZN maar op een andere plaats met meer ruimte en ruimere gebruiksmogelijkheden (ook voor meer industriële activiteiten).

5.3

Ambitieniveau voor intensivering
In paragraaf 4.1.2 Pilot A 73 zone worden de verschillende ambitieniveaus voor intensivering beschreven. Het gaat om intensiveringsmogelijkheden op uit te geven bedrijventerrein (bestaand terrein door herstructurering uitgeefbaar te maken, bestaand nog uitgeefbaar terrein en nieuw te ontwikkelen terrein). Nul optie (in dit scenario blijft de gemeentelijke inspanning beperkt tot wat nu al gebruikelijk is (incidenteel wordt gestapeld en, een gezamenlijke parkeervoorziening gerealiseerd en anders verkaveld). Afhankelijk van het type terrein kan dit tussen de 0% (zwaar), 2 % (distributie) en 3% (gemengd en hoogwaardig) ruimtewinst opleveren.

59

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Beperkt ambitieniveau (beperkte inspanning om intensiever ruimtegebruik te bevorderen, d.m.v. verkavelen en stapelen). Afhankelijk van het type terrein kan dit tussen de 0% (zwaar) en 6% (distributie, gemengd en hoogwaardig) ruimtewinst opleveren. Redelijk ambitieniveau (gezamenlijk inspanning van gemeenten, bedrijven, ontwikkelaars, beleggers en andere betrokkenen (verkavelen, stapelen, beperkt selectief beleid, gemeenschappelijke voorzieningen)). Afhankelijk van type terrein kan dit tussen de 0% (zwaar), 6% (distributie), 11% (gemengd) en 18% (hoogwaardig) ruimtewinst opleveren. Ideaal ambitieniveau (hoogst haalbare maatregelen, te nemen door onder 3 genoemde partners (verkavelen, stapelen, volledig selectief beleid, segmenteren en gemeenschappelijke voorzieningen). Afhankelijk van het type terrein kan dit tussen de 11% (zwaar en distributie), 28% (gemengd) en 32% (hoogwaardig) ruimtewinst opleveren. In paragraaf 5.5 is per bedrijventerrein en soms per deelgebied aangegeven wat het gewenste ambitieniveau voor intensivering zou kunnen zijn. Overwegingen die bij de keus van het ambitieniveau een rol hebben gespeeld zijn: v Type terrein; v Aansluiting bij de vraag-/ aanbod analyse per segment van hoofdstuk 4; v Specifieke locatiekenmerken van het terrein en zijn omgeving; v Complexiteit van de herstructurereringsproblematiek op het terrein; v Economische beleidsuitgangspunten zoals verwoord in paragraaf 5.2; v Positie van Nijmegen in een bredere regionaal economische context; v Beperkte mogelijkheden voor selectief beleid (cat. 1 en 2) wegens het ontbreken van locaties; v Juridische haalbaarheid (moet nog gebeuren); v Financiële haalbaarheid (moet nog gebeuren); Op basis hiervan wordt voor het grootste deel van Noord- en Oostkanaalhaven, Westkanaaldijk en Brabantse Poort uitgegaan van ambitieniveau 0. Voor het Zuidelijk deel van de kanaalhaven wordt een redelijk ambitieniveau nagestreefd. Voor Winkelsteeg wordt een redelijk ambitieniveau nagestreefd omdat op dit terrein door herstructurering behoorlijk wat ruimte vrij kan worden gemaakt en de ambitie er is om het terrein van kleur (gemengd en gemengd-goud (hoogwaardig) en kennisintensief) te laten verschieten. Voor het nog uitgeefbare terrein op Lindenholt, Bijsterhuizen en de Grift wordt een redelijk ambitieniveau nagestreefd. Voor Kinderdorp wordt, gezien de bijzondere ligging, de locatiekenmerken en de segmentering, een ideaal ambitieniveau nagestreefd. Datzelfde geldt voor de lange termijn reservering in de Waalsprong rondom knoop de Grift (voormalige Institutenzone). Aangezien gedacht wordt aan een hoogwaardige invullling met kennisintensieve bedrijvigheid wordt hiervoor het ideale ambitieniveau gehanteerd.

5.4

Ambitieniveau voor herstructurering
De begrippen ‘revitalisering’ en ‘herstructurering’ van bedrijventerreinen hebben een verschillende betekenis. Revitalisering betekent min of meer het inblazen van nieuw leven, reanimeren van met name de openbare ruimte (rioolsanering, aanpassingen wegen en herstraten t.b.v. parkeren of groen). Herstructurering gaat verder, het is meer dan revitalisering. Er wordt ingegrepen in de structuur van het gebied (openbaar en

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

privaat) en dat betekent inclusief aspecten van revitalisering, het herschikken van functies in het gebied. Het gegeven dat door herstructurering terrein kan worden vrijgemaakt dat opnieuw en intensiever kan worden uitgegeven is aanleiding om iets nader in te gaan op de verschillende ambitieniveaus voor revitalisering/herstructuring. Er zijn 4 ambitieniveaus voor revitalisering/herstructurering. In het kort worden de 4 niveaus even uiteengezet. Voor het overige wordt verwezen naar de afzonderlijke revitaliseringstrajecten die opgestart zijn voor respectievelijk Noord- en Oostkanaalhavens en Westkanaaldijk. Ambitieniveau 0: de huidige situatie van het terrein wordt als een gegeven beschouwd. Enkele hoogst noodzakelijke knelpunten zullen worden aangepakt. Ambitieniveau 1: Revitalisering van het openbaar gebied en vrijblijvende aanpak knelpunten private terreinen (bedrijven enthousiast maken). Binnen dit ambitieniveau worden vooral de technische veroudering van de openbare ruimte aangepakt. Aanpak van problemen op individuele kavels is vooral een zaak van de individuele bedrijven, in onderling overleg met het bevoegd gezag. Ambitieniveau 2: Revitalisering van het openbaar gebied en inspanningen om gezamenlijk met het bedrijfsleven tot aanpak van private terreinen te komen (overleg en afspraken). Als de kans zich voordoet bepaalde functies te herschikken, bijvoorbeeld om een bepaalde uitstraling buiten het terrein terug te dringen. Op dit niveau worden voornamelijk technische en economische veroudering van dit bedrijventerrein bestreden. Ambitieniveau 3: Herstructurering van het terrein (openbaar en privaat), inclusief het herschikken van functies (intensief overleg, afspraken en inspanningsverplichtingen). Op dit niveau worden naast de reeds genoemde typen ook nadrukkelijk de maatschappelijke en ruimtelijke veroudering aangepakt. Bovendien wordt de economische veroudering door de bedrijfsverplaatsingen, op een meer gestructureerde wijzen benaderd. Met revitalisering/herstructurering wordt tegemoet gekomen aan andere economische doelstellingen uit het Economisch Beleidsplan Nijmegen 2000-2005, zoals toepassing van intensief en zuinig ruimtegebruik en de zorg voor (behoud van) laagwaardige arbeidsplaatsen ook in regionaal verband. Een belangrijk deel van de Nijmeegse werkgelegenheid bevindt zich met name in de industriële sector die zich weer voor een belangrijk deel bevindt in de Noord- en Oostkanaalhavens en Westkanaaldijk. Voor Noord- en Oostkanaalhaven zijn per deelgebied de ambities voor revitalisering/herstructurering geformuleerd (startnotitie en masterplan Revitalisering Noord en Oostkanaalhavens). Voor Westkanaaldijk gebeurt dat op dit moment, vooralsnog wordt, op basis van de beschikbare informatie over dit terrein, uitgegaan van ambitieniveau 2. Winkelsteeg wordt toegevoegd als potentieel te herstructureren terrein. Op dit terrein wordt er naar gestreefd om het terrein van kleur te laten verschieten van een puur gemengd terrein naar een terrein dat deels een gemengd karakter heeft (gemengd met een gouden randje (zie paragraaf 5.4) en deels een clustering van kennisintensieve werkgelegenheid rond Philips City Centre en langs de Dukenburgseweg omvat. Het versterken van de economische structuur van de stad en het stimuleren van kennisintensieve bedrijvigheid, zijn naast uiteraard de locatiekenmerken en ontwikkelingsmogelijkheden van dit gebied de overwegingen bij deze keuze. Dit

61

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

betekent een behoorlijke herstructurering van het totale gebied, vooralsnog ambitieniveau 3.

5.5

Ruimtelijk streefbeeld in totaliteit
In onderstaande tabel is het ruimtelijk streefbeeld verder uitgewerkt. In de tabel is aangegeven wat de huidige karakteristiek van het terrein is (d.w.z. welke aard van bedrijfsactiviteiten het meeste voorkomt op het terrein), wat de gewenste ontwikkelingsrichting is (gebaseerd op vraag/aanbodanalyse en speerpunten van economisch-ruimtelijk beleid) en wat het daarbij behorende ambitieniveau voor intensivering is. Voor de volledigheid wordt in de tabel ook de gemeentelijke ambitie voor revitalisering en herstructurering aangeduid. Voor Westkanaaldijk en Winkelsteeg zijn dit voorlopige aanduidingen (in rood). Het ambitieniveau voor revitalisering en herstructurering kan voor een bepaald terrein hoger zijn dan het ambitieniveau voor intensivering van het ruimtegebruik. Intensivering van het ruimtegebruik is één van de subdoelstellingen binnen de totaalaanpak voor revitalisering/herstructurering. Er worden 5 aanduidingen gehanteerd voor de verschillende typen terreinen: v Zwaar (dit betekent dat het grootste deel van het terrein door zware bedrijvigheid is ingevuld) v Distributie (dit betekent dat het grootste deel van het terrein door distributie, logistiek en groothandel wordt ingevuld) v Gemengd (dit betekent dat het terrein grotendeels is ingevuld met reguliere bedrijvigheid niet behorende tot zwaar, kennisintensief of distributie, al komt dit wel incidenteel voor; hoofdmoot is lichte industrie, productie en handel) v Gemengd: regulier v Gemengd goud: de zichtlocaties c.q. locaties waar een hoger kwaliteitsbeeld (mogelijk) is v Kennisintensief (dit betekent dat het terrein specifiek bestemd wordt/is voor bedrijven met hoogwaardige (productie- en of R&D) activiteiten, in de regel een combinatie van productie en diensten; het betreft met name bedrijven uit de elektrotechnische industrie (waartoe ook de metaal en fijnchemie gerekend worden), instrumenten- en optische industrie, ICT-bedrijven en biomedische sector). Voor de meeste terreinen verandert het toekomstige profiel niet veel. Voor Winkelsteeg is dit wel aan de orde. De clustervorming op Winkelsteeg sluit ook aan bij de visie die in de Stadsvisie Nijmegen 2015 en in de nota Kiezen voor Keizerstad voor Winkelsteeg is neergelegd: de plannen voor Philips City Centre fungeren als katalysator bij de verdere ontwikkeling van Winkelsteeg tot technologiepark waarbij een nadere clustering van kansrijke aanverwante sectoren, ook in de vorm van toelevering en uitbesteding rond Philips, wordt voorgestaan. Daarnaast wordt voor Kinderdorp Neerbosch (nu nog bijzondere doeleinden), bedrijventerrein de Grift en de voorlopige reservering in de Waalsprong voor instituten een gewenste ontwikkelingsrichting aangegeven. Kinderdorp Neerbosch komt, gezien de specifieke locatiekenmerken, alleen in aanmerking voor een hoogwaardige invulling en daar zou een tweede kennisintensief thematisch (gezondheidsgerelateerd/biomedisch) cluster tot stand gebracht kunnen worden. De gezondheidssector en de medische kennissector is een sector van formaat. Gedacht kan worden aan het UMC St. Radboud en bedrijven werkzaam in de medische technologie. Health Valley behelst de versterking van de concurrentiekracht van de aanwezige bedrijven in de medische technologie door samenwerking en

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

kennisoverdracht. Clustering van dit type bedrijvigheid kan de (regio) Nijmegen profileren als gebied met hoogwaardige kennis en bedrijvigheid. De Grift wordt voornamelijk een gemengd terrein met een rand van zichtlocaties (goud). Tot slot de lange termijn reservering in het noordelijk deel van de Waalsprong rondom knoop de Grift: hier wordt gedacht aan een hoogwaardige invulling met instituten en kennisintensieve bedrijvigheid. Marktonderzoek moet tezijnertijd uitwijzen of ook hier een bepaalde thematische clustering gewenst is en in welke omvang.

63

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Bedrijventerrein

Huidige karakteristiek (segment)

Gewenste ontwikkelingsrichting

Ambitieniveau voor revitalisering/herstructurering 0

Ambitieniveau STEC intensivering bij uitgifte

Ambitieniveau intensivering gemeente bij uitgifte N.v.t. 0 tot beperkt17 v

Maatregelen bij ambitieniveau gemeente

v v v

Noordkanaalhaven

Zwaar

Woningbouw

0-optie

Oostkanaalhaven (havengebied) Zuidelijk deel kanaalhaven

Zwaar

Zwaar v

3

0-optie v

v

Gemengd

Gemengd en maatwerk zwaar

3

Redelijk

Redelijk

Incidenteel anders verkavelen v Incidenteel stapelen Gemengd: v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid Gemengd goud: v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid v Gemeenschappelijke voorzieningen Gemengd: v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid

Theoretische ruimtewinst Negatief (koers West -/- 28 ha) Beperkt

v

Gemengd goud (rond Energieweg/Neerbosscheweg)

v

Redelijk

v

7,4 ha w.v. 7 ha door herstructurering en 0,4 ha door intensivering

Redelijk

v

Winkelsteeg (totaal 95 ha netto w.v. 4 ha uitgeefbaar)

Gemengd

v

Gemengd

3 (voorlopige keuze)

v

Deels 0

v

Redelijk18

??

v v

Gemengd goud (zichtlocaties) Kennisintensief (m.n. rond PCC en Nieuwe Dukenburgseweg)

v

Compaq en omgeving ideaal

v

Gemengd Gemengd goud en kennisinten- goud/kennisintensief: sief: redelijk19 v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid v Gemeenschappelijke voor-

4,1 ha w.v.3 ha extra door herstructurering en 1,1 door intensivering

17

Gemeentelijk uitgangspunt is het uitplaatsen van niet watergebonden bedrijven en het bevorderen van meer watergebonden bedrijven in de Oostkanaalhaven: per saldo geen of nauwelijks ruimtewinst

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

Bedrijventerrein

Huidige karakteristiek (segment)

Gewenste ontwikkelingsrichting

Ambitieniveau voor revitalisering/herstructurering

Ambitieniveau STEC intensivering bij uitgifte

Ambitieniveau intensivering gemeente bij uitgifte

Maatregelen bij ambitieniveau gemeente

Theoretische ruimtewinst --

zieningen v Westkanaaldijk (totaal 83 ha netto/niets uitgeefbaar) Brabantse Poort (totaal 13 ha netto) Lindenholt (totaal 22 ha netto w.v. 3 ha nog uitgeefbaar) Gemengd Gemengd 2 (voorlopige keuze) 0 0 --

v v

Gemengd Gemengd goud

Gemengd Gemengd goud

N.v.t. N.v.t.

0 Redelijk

0 Redelijk

-v v v v Anders verkavelen Stapelen Beperkt selectief beleid Gemeenschappelijke voorzieningen Anders verkavelen Beperkt selectief beleid Anders verkavelen Stapelen Beperkt selectief beleid Anders verkavelen Stapelen Beperkt selectief beleid Gemeenschappelijke voorzieningen

-0,5 ha

v v

Bijsterhuizen (totaal 155 ha netto w.v. 94 ha nog uitgeefbaar Bijsterhuizen (totaal 155 ha netto w.v. 94 ha nog uitgeefbaar) Bijsterhuizen (totaal 155 ha netto w.v. 94 ha uitgeefbaar)

v

Distributie (10 ha)

v v

Distributie

N.v.t.

Redelijk

Redelijk

v v v v v v v v v

0,6 ha

v

Gemengd (51 ha) Gemengd goud (33 ha)

Gemengd

N.v.t.

Redelijk

Redelijk

5,6 ha

v

v

v

Gemengd goud

N.v.t.

Redelijk

Redelijk20

5,9 ha

18

Dit gebied achten wij kansrijker voor intensivering, gezien de vele witte vlekken. STEC is bij de weging uitgegaan van grotendeels bestaand reeds uitgegeven terrein en daarop is ambitieniveau 0 van toepassing overeenkomstig STEC zien wij voor zichtlocaties en kennisintensief meer mogelijkheden voor intensivering, omdat het toch om bestaand terrein gaat en selectief beleid slechts beperkt mogelijk is, gaan we uit van een gemiddeld ambitieniveau 20 STEC gaat uit van gemiddeld ambitieniveau voor bestaand nog uit te geven terrein, voor het deel gemengd goud achten wij, gezien de beperkte mogelijkheden voor selectief beleid, ook een gemiddeld ambitieniveau van toepassing
19

65

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Bedrijventerrein

Huidige karakteristiek (segment) v

Gewenste ontwikkelingsrichting v

Ambitieniveau voor revitalisering/herstructurering N.v.t.

Ambitieniveau STEC intensivering bij uitgifte

Ambitieniveau intensivering gemeente bij uitgifte Ideaal8

Maatregelen bij ambitieniveau gemeente v v v

v

Kinderdorp Neerbosch (6 ha)

Bijzondere doeleinden

Kennisintensief

Ideaal

v

De Grift (37 ha) w.v.: v 25 ha gemengd en 12 ha gemengd goud (= aanname)

Agrarisch gebied

v

Gemengd

N.v.t.

v

Gemengd: redelijk9

v

v Gemengd goud aan de randen

Anders verkavelen Stapelen Beperkt selectief beleid v Segmenteren v Gemeenschappelijke voorzieningen v Beperken parkeren Gemengd: v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid Gemengd goud: v Anders verkavelen v Stapelen v Beperkt selectief beleid v Gemeenschappelijke voorzieningen • Anders verkavelen • Stapelen • Beperkt selectief beleid • Segmenteren • Gemeenschappelijke voorzieningen • Beperken parkeren

Theoretische ruimtewinst 1,9 ha

Gemengd goud: redelijk

Totaal 5,3 ha w.v. gemengd: 2,8 ha en gemengd goud: 2,5 ha

v

Andere locaties in de Waalsprong (voor-malige institutenzone)= 21 ha w.v. 8,5 gemengd en 12,5 kennisintensief

v

Agrarisch gebied

v

Deels gemengd (8,5 ha) en deels kennisintensief/ hoogwaardige instituten (12,5 ha)

Ideaal10

6,7 ha

8

9

STEC past het ideale ambitieniveau toe, wij zien ook hier een ideaal ambitieniveau van toepassing, met uitzondering van de toepassing van het instrument volledig selectief beleid(dit legt teveel beperkingen m.b.t. de gewenste clustervorming), gezien de bijzonder locatiekenmerken; STEC heeft de Grift niet meegenomen in haar onderzoek. Maakt onderdeel uit van pilot A 15. Aannames de Grift op basis van het voorkeursmodel Waalsprong: gemengd en deel gemengd goud, m.n. de randen. Totaal 39 ha, deels gemengd goud(=13,7 ha) en deels gemengd normaal (25,3 ha)

Een a Economische ko

10

STEC heeft overige werklocaties Waalsprong meegenomen (maakt deel uit van pilot A 15). Aannames op basis van het voor

67

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

Op basis van bovengenoemd streefbeeld kan geconcludeerd worden wat de ruimtewinst door herstructurering en intensivering daadwerkelijk gaat opleveren. Exclusief de (nog niet gekwantificeerde) ruimtelijke mogelijkheden op Winkelsteeg wordt ten zuiden van de Waal (A 73 zone) in Nijmegen 26 ha ruimtewinst gerealiseerd. Als de Grift en de overige locaties in de Waalsprong in de cijfers worden verdisconteerd, betreft het 38 ha ruimtewinst.

5.6 5.6.1

Uitwerking per terrein Noord- en Oostkanaalhavens
Actuele beleidsvoornemens Koers West v Stadsbrug: heeft m.n. consequenties voor het noordelijk deel van het gebied, m.n. gebied Koopvaardijweg en omgeving; v Waalfront West: transformatie van het noordelijk terrein naar wonen v Revitalisering Noord- en Oostkanaalhavens: v Noordelijk deel (terrein Electrabel, Honig, Latenstein), Waalfront West en gebied rond Koopvaardijweg, ambitieniveau voor revitalisering is 0: grotendeels handhaven van de huidige situatie en aanpakken enkele knelpunten; v Havengebied; intensivering en optimalisering gebruik van de haven, ambitieniveau voor revitalisering is 3: uitplaatsen bedrijven die geen gebruik maken van de haven en watergebonden bedrijvigheid terugplaatsen, verwijdering spoorlijnen uit het gebied om extra ruimte in het openbaar gebied te creëren en het beter benutten van de ruimte aan de achterzijde van de bedrijven aan de westzijde van de Nijverheidsweg; v Zuidelijk gebied; ingezet wordt op ambitieniveau 3: actief verplaatsingsbeleid van bedrijven die niet binnen het karakter van het deelgebied passen (bijv. autoslopers), intensivering ruimtegebruik groothandelsbedrijven en detailhandel, handhaving woningen nader bezien, invulling “open” terrein SAPPI, kruising Neerbosscheweg en Energieweg als intensieve zichtlocatie (her-)ontwikkelen. Kansenboek: er worden meerdere scenario’s geschetst, de revitaliseringsvisie voor Noord- en Oostkanaalhaven levert een belangrijke bijdrage aan de uitwerking van het scenario “structurele uitbouw van de werkfunctie”. Stolpbenadering: geen groei van uitstoot van verkeer en industrie ten opzichte van nu, waarbij het streven is dat de milieubelasting binnen de stolp steeds kleiner wordt. De stolp ligt over de bedrijventerreinen Noord- en Oostkanaalhavens en Westkanaaldijk Sluis. Verhoging sluis Maas- Waalkanaal: plan van Rijkswaterstaat, er wordt geen grote ruimteclaim verwacht op het terrein. Ruimte voor de rivier: het Electrabelterrein en een deel van het Honig terrein behoren volgens de regeling Ruimte voor de rivier tot het buitendijks gebied, d.w.z. dat op de huidige locatie nauwelijks uitbreidingsruimte voor deze bedrijven is.

69

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

Juridisch-planologische opgave Het bestemmingsplan is vrij oud, uit 1980. De bebouwings en gebruiksmogelijkheden zijn wel vrij ruim (bebouwingspercentage 75 %, de maximale bouwhoogte 18 meter, m.u.v. het gebied aan de Weurtseweg, waar de electriciteitscentrale is gelegen). Het is gewenst om de hierboven genoemde plannen te laten volgen door een nieuw bestemmingsplan. Actualisatie van het vigerende bestemmingsplan is daarom – en door de vele wijzigingen die het plan in de loop der tijd heeft ondergaan- gewenst. Een nieuw bestemmingsplan voor Noord- en Oostkanaalhavens is volgens de planning voor de actualisatie van bestemmingsplannen over ongeveer 4 jaar aan de orde. In het nieuwe bestemmingsplan zou aandacht moeten zijn voor: • Loskoppelen Noord-Oostkanaalhavens en industrieterrein Westkanaaldijk. Voor dit laatste industrieterrein zou een apart bestemmingsplan gemaakt moeten worden. • Opstelling van (een) nieuw(e) bestemmingsplan(nen) om gewenste ontwikkelingen in het kader van Waalfront West-omgeving Waalhaven mogelijk te maken. In de plannen voor het waalfront zal met name dit gebied haar bedrijfsfunctie verliezen. Hier zijn woningen gepland in combinatie met lichte (kantoorachtige) bedrijvigheid. Bestaande bedrijven zullen hier uitgeplaatst moeten worden. Pas wanneer er meer duidelijkheid is over de gewenste ontwikkelingen en functieveranderingen zal een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied aan de orde zijn. • Om de “watergebondenheid” en optimaler gebruik van de havens te bevorderen zou aan de bedrijfsbestemming rond de havenarmen, de watergebondenheid gekoppeld moeten worden. • Mogelijke andere opties voor intensiever ruimtegebruik: opheffen van de spoorlijn, (deze wordt n.l. niet meer zo intensief gebruikt). Als uit nader onderzoek blijkt dat watergebondenheid moeilijk te realiseren is, zou overwogen kunnen worden om een havenarm te dempen, zodat ook hier extra bedrijfskavels gerealiseerd kunnen worden • Om verdere intensivering te bevorderen is wellicht incidenteel en hoger bebouwingspercentage en hogere bouwhoogte noodzakelijk. Overigens is het ambitieniveau v.w.b. intensivering e.d. voor dit terrein beperkt. De verwachting is dan ook dat het vigerende plan wat dit laatste betreft voldoende ruimte biedt. • De Weurtseweg, nu vooral gebruikt als hoofdontsluiting voor o.a. Electrabel, moet ontlast worden. In het bestemmingsplan zal een andere ontsluiting geregeld moeten worden.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

analysekaart met uitwerkingsgebieden

q

Gebied Centrale: op korte termijn geen ontwikkelingen verwacht. Wel moet aandacht worden besteed aan ontsluiting terrein. Ambitieniveau in Masterplan revitalisering NOK is voorlopig om 0 gezet. Gemeente is en blijft in overleg met eigenaar. Volkstuinencomplex aan Handelsweg: gebruik als bedrijfsterrein bevorderen. Locatie v.m. Hickson Garantor terrein. Particuliere ontwikkeling. Terrein moet worden gesaneerd. Gemeente streeft invulling na waarbij gebruikt wordt gemaakt van water. Locatie ANAC e.o.: particuliere ontwikkeling

q q

q

71

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

5.6.2

Westkanaaldijk
Actuele beleidsvoornemens Revitalisering Westkanaaldijk: het terrein is al enige jaren aan verschillende vormen van veroudering onderhevig. Er is sprake van achterstallig onderhoud van de openbare ruimte (wegen en groen), infrastructurele knelpunten (gebrek aan parkeerruimte en bereikbaarheidsproblemen), toenemend gevoel van onveiligheid en stijging van de criminaliteit, slijtage van de gebouwde omgeving en gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven. Naast de gebrekkige omgevingskwaliteit en ruimtelijke problemen spelen milieufactoren als bodemvervuiling en stank- en lawaaioverlast een rol. Inmiddels is aan Buck Consultants opdracht gegeven om een samenhangende visie voor de revitalisering van dit terrein op te stellen. Daarnaast heeft de ondernemersvereninging WKS Deloitte en Touche in de arm genomen en deze hebben het rapport “Westkanaaldijk Sluis duurzaam op weg” opgesteld. In dit rapport ligt het accent met name op bedrijventerreinenmanagement en samenwerking tussen bedrijven en bedrijven met de gemeenten Nijmegen en Beuningen. Met WKS zijn door de gemeenten afspraken gemaakt om beide visies met elkaar te combineren. Nijmegen West: op de bedrijventerreinen Noord- en Oostkanaalhavens en Westkanaaldijk Sluis worden een drietal milieuprojecten uitgevoerd door de Provincie Gelderland, de gemeente Beuningen en de gemeente Nijmegen: Zonering in het kader van de wet Geluidhinder: Beëindigen van de overschrijdingen van de geluidszone; Onderzoeken of er geluidsruimte overblijft voor toekomstige uitbreidingen en wijzigingen van bedrijven Voorstel voor het al dan niet uitbreiden van het geluidgezoneerd industrieterrein met 2 gebieden. Bestrijding Geuroverlast: fijnstofonderzoek moet handvaten bieden. Ophoging Sluis Weurt en rondweg: Rijkswaterstaat wil in het kader van het project Zandmaas/Maasroute de bruggen bij de Sluis van Weurt verhogen met 2,5 meter. Gemeente Beuningen bestudeert de mogelijke alternatieve routes voor het (auto)verkeer dat via Weurt over de Sluis naar Nijmegen rijdt. Visie Kinderdorp Neerbosch: In 1999 heeft de Stichting GSJ Lindenhout haar eigendommen (grond en opstallen) verkocht aan een projectontwikkelaar. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente eveneens in 1999 een toekomstvisie voor het gebied opgesteld. Doel van de visie was: het veilig stellen van de groene structuur, identiteit, monumentale waarden en karakteristiek van het Kinderdorp, maar ook invulling geven aan een toekomstige ontwikkeling waarbij met name gedacht werd aan kleinschalige bedrijvigheid met een kantoorachtige uitstraling. Op dit moment worden er in gezamenlijk overleg (gemeente/projectontwikkelaar) plannen voor het gebied ontwikkeld. Juridisch-planologische opgave Zoals hiervoor onder Noord- en Oostkanaalhavens al is aangegeven is een herziening van het vigerende bestemmingsplan gewenst. Gezien het andere karakter van dit gebied t.o.v. Noord- en Oostkanaalhavens zou het gewenst zijn om voor dit gebied, eventueel in combinatie met het gebied Kinderdorp-Neerbosch (beperkte bedrijfsbestemming in combinatie met aanwezige monumenten en groen) een apart bestemmingsplan op te stellen.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

Op dit moment leveren ook de aanwezige autoslopers, -handelaren e.d. nogal wat problemen op (handhaving). Een verdere uitbreiding van het huidige daarvoor aangewezen gebied is absoluut niet gewenst. Binnen de bestemming BV, waar handel is toegestaan, zou de handel in tweedehands (vracht)auto’s verboden moeten worden, aangezien de afgelopen jaren er nogal wat uitwaaiering van deze hinderlijke activiteit heeft plaatsgevonden over de rest van het bedrijventerrein Westkanaaldijk De huidige bestemmingen, bouwhoogtes en bebouwingspercentages leveren geen problemen op voor verdere intensivering e.d., zeker gelet op het ambitieniveau voor dit bedrijfsterrein. analysekaart met uitwerkingsgebieden

q q

Invulling geven aan bedrijfsbestemming Kinderdorp Neerbosch. Gebruik als bedrijfsterrein bevorderen van braakliggende c.q. als tuin/park gebruikte terreinen. Overleg met eigenaren starten.

73

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

5.6.3

Winkelsteeg
Actuele beleidsvoornemens Kiezen voor Keizerstad: Knoop Winkelsteeg, revitalisering van Winkelsteeg moet leiden tot een goed netwerk van toelevering en uitbesteding rond Philips en gezondheidszorg gerelateerde bedrijvigheid. Philips is de grote aanjager. Het “Science Parc” bevindt zich tussen twee belangrijke groengebieden: het Goffertpark en de Kanaalzone. In dit gebied is een verbinding voor de natuur en recreatie tussen Goffert en Kanaalzone gewenst. Het gebied kan uitgroeien tot een unieke omgeving waar werken, wonen en recreëren mogelijk is. Philips City Centre: fase 1 biedt ruimte aan kantoor- en laboratoriumfuncties, algemene kantoorfuncties, woonfuncties en functies die het werken en wonen aantrekkelijk maken. Het betreft de realisatie van 22.500 m² BVO kantoren, 10.000 m² BVO wonen, 8.900 m² voorzieningen en 30.000 m² parkeren (1000 parkeerplaatsen). Marktverkenning Novio Tech Town: uit de marktverkenning kennisintensieve bedrijvigheid Compaqterrein/Hulzenseweg komen 3 scenario’s naar voren: - Ontwikkeling van het Compaqterrein/gebied Hulzenseweg tot modern gemengd terrein - Gefaseerde ontwikkeling van het Compaqterrein/gebied Hulzenseweg tot kennisintensief cluster van hoogwaardige bedrijvigheid: Novio Tech Town - Strategisch gefaseerde ontwikkeling van het totale gebied Winkelsteeg tot kennisintensief cluster van bedrijvigheid: Novio Tech Town++; de ontwikkeling van de Nieuwe Dukenburgseweg tot de Brainway van Winkelsteeg Het onderhavige onderzoek moet richtinggevend zijn voor de definitieve keus m.b.t. Novio Tech Town. Juridisch-planologische opgave Het bestemmingsplan(nen) Winkelsteeg is/zijn sterk verouderd. Door de vele herzieningen is onduidelijk wat nu het vigerende beleid is voor dit gebied, maar zijn ook de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden beperkt en dus ook niet toegesneden op verdere intensivering, andere verkaveling e.d. Op basis van het voorgaande is actualisatie op korte termijn gewenst. Herziening van het bestemmingsplan is echter pas aan de orde wanneer er duidelijkheid is over de gewenste ontwikkeling van dit gebied. Herziening staat nu gepland over 3 jaar. Bij een planherziening voor het gebied winkelsteeg gaat ook hier de voorkeur uit naar een splitsing: een nieuw bestemmingsplan voor de bedrijfsterreinen en in een ander plan de overige onderdelen zoals het CWZ, de Pompekliniek, Sanadome e.d.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

analysekaart met uitwerkingsgebieden

q q q

Overleg met eigenaren v.m. Intergraph pand over herbestemming. Bestemmingsplanherziening v.m. Compaqterrein Gebruik als bedrijfsterrein van braakliggende c.q. als volkstuin gebruikte terreinen stimuleren Overleg met eigenaren starten. Stimuleren boulevardachtige invulling van Nieuwe Dukenburgseweg.

q

75

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

5.6.4

Brabantse Poort
Actuele beleidsvoornemens De planvorming op de laatste vrije locaties binnen de Brabantse Poort wordt steeds concreter en de verwachting is dan ook dat deze locaties binnen enkele jaren tot afronding komen. Voor de nog te realiseren commerciële functies zal enige vertraging ontstaan ten gevolge van de verslechterde economische omstandigheden. Voor de locatie tussen VGZ en Translease aan de Wijchenseweg is in 2002 een masterplan vervaardigd en goedgekeurd door de gemeente Nijmegen. Voor een eerste kantoorgebouw van circa 2.750 m2 is inmiddels een overeenkomst gesloten . Dit jaar wordt gestart met de realisatie van dit project. Op dit moment lopen besprekingen met een kandidaat voor een tweede gebouw van circa 3.000 m2. De realisatie van het plan Lindenhof op Kerkenbos (gelegen langs de Wijchenseweg) dat als voorbeeld dient voor intensiever ruimtegebruik omdat het gebouwde parkeervoorzieningen kent zal zodra zich kandidaat gebruikers aandienen kunnen worden voltooid. Juridisch-planologische opgave Het bestemmingsplan van Bedrijvenpark Lindenholt is uit 1987. De bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zijn niet zo ruim, maar gezien het aantal herzieningen (1) kennelijk toch voldoende. De vraag is, gelet op de opgave (intensiveren, stapelen, anders verkavelen e.d.) of de bouwhoogte , maar ook met name het bebouwingspercentage niet wat omhoog zou moeten, immers kantoren c.q. kantoorachtige bedrijvigheid is goed te stapelen. Actualisatie van dit plan is, in combinatie met Brabantse Poort over 4 jaar gepland. De brabantse Poort is voornamelijk een kantorenlocatie. Er is slechts beperkt ruimte voor bedrijvigheid (B) m.n. aan de Wijchenseweg en achter Triavium. Bouwhoogtes en bebouwingspercentages zijn vrij hoog. De bouwhoogtes horende bij de bedrijfsbestemmingen (B) zouden wellicht omhoog kunnen, zodat het kantoordeel bovenop het bedrijf geplaatst zou kunnen worden. Actualisatie van bestemmingsplan Brabantse Poort (inclusief bedrijvenpark Lindenholt) is gepland over 4 jaar.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

analysekaart met uitwerkingsgebieden

q

Invulling geven aan/ afronden van in gang gezette ruimte-intensieve invulling laatste kavels op bedrijventerrein Lindenholt.

77

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

5.6.5

Bijsterhuizen
Actuele beleidsvoornemens Zorgvuldig ruimtegebruik Het streven is erop gericht te komen tot een intensivering van het ruimtegebruik van 5 tot 10%. De kavels worden in de meeste gevallen bebouwd tussen de 50 en 60% terwijl het bestemmingsplan 70% bebouwing toestaat. Bijsterhuizen maakt onderdeel uit van dit stedelijk Bedrijventerreinenonderzoek en binnen dit kader worden intensiveringsmogelijkheden nader verkend en beoordeeld op haalbaarheid. Uiteraard in nauwe afstemming met het bestuur van de GR Bijsterhuizen. Instandhouding ruimtelijke kwaliteit Bijsterhuizen Richtinggevend voor de plankwaliteit zijn het Stedenbouwkundig Ontwikkelingsplan en het Structuur-, Inrichtings- en Beplantingsplan van Buys en van de Vliet. Daarnaast zijn ruimtelijke richtlijnen vastgelegd in de notitie “Ruimtelijke richtlijnen voor Bijsterhuizen (vastleggen zichtlocaties, kleine kavels en het creëren van een aanvaardbare wonenwerken situatie in fase 5). In navolging worden partiële bestemmingsplanherzieningen voorbereid. Milieuzonering Op basis van de Beleidsnota Vernieuwing Geluidshinder wordt voor Bijsterhuizen een gebiedsgericht geluidsbeleid ontwikkeld. Inmiddels loopt er een onderzoek naar de realisatiemogelijkheden van dit beleid waarbij ook de bestaande bedrijven betrokken worden. Juridisch-planologische opgave Het bestemmingsplan is in 1993 gedeeltelijk goedgekeurd en na een partiele herziening in 1998 geheel goedgekeurd. Er zijn geen postzegelplannen voor dit gebied opgesteld. Actualisatie lijkt in eerste instantie ook door de ruime bebouwingsmogelijkheden niet aan de orde. Echter grote delen van Bijsterhuizen zijn nog niet uitgegeven. In het kader van de zoektocht naar mogelijkheden voor intensivering, andere verkaveling, stapeling e.d. is met name op deze nog niet uitgegeven percelen ruimtewinst te boeken. Het zal daarbij met name gaan om een andere verkaveling en verdergaande stapeling. Dit noodzaakt wellicht wel tot een snellere actualisatie van dit bestemmingsplan

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

analysekaart met uitwerkingsgebieden

q

Intensief ruimtegebruik stimuleren op Bijsterhuizen.

79

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

5.6.6

De Grift
Actuele beleidsvoornemens Voorkeursmodel Waalsprong: in het voorkeursmodel Waalsprong wordt uitgegaan van de ontwikkeling van de Grift tot een gemengd bedrijventerrein. Qua doelgroepen en marktsegment: (groot)handel en nijverheid, assemblage/productie met hoog toegevoegde waarde (of lichte industrie), en kleinschalig en middelgroot logistiek en distributie. Solitaire kantoren en detailhandel niet toestaan, m.u.v. garagedealers. Globaal wordt de Grift in 2 zones onderverdeeld: de eerste zone(Griftdijk Noord) is gelegen tussen de A 15 en de Stationsstraat/-weg. Langs de Griftdijk-Noord en de A 15 wordt uitgegaan van representatieve bebouwing. Langs de A 15 zijn windmolens voorzien. In deze zone wordt ruimte geboden voor bedrijven in de categorie 3-4 en incidenteel 5 (maatwerk). De tweede zone (Griftdijk Zuid) ligt globaal langs en ten zuiden van de Stationsstraat/weg. Deze zone grenst aan de geplande woningbouw en hier wordt uitgegaan van milieucategorie 1-3. Juridisch-planologische opgave Een actueel bestemmingsplan voor dit gebied is gewenst. Op korte termijn is er echter geen nieuw bestemmingsplan voor dit gebied gepland. Gewacht wordt op de vaststelling van het voorkeursmodel Waalsprong (zomer 2003) en een definitief positief advies over de MER (najaar 2003). Pas daarna zal (in combinatie met ontwikkelingen rond knoop Grift) een inhoudelijk programma van eisen worden opgesteld. Overigens heeft de gemeente Nijmegen nauwelijks grond in eigendom in het plangebied.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Economische koers van de stad en streefbeeld per terrein

analysekaart met uitwerkingsgebieden

q q

Invulling geven aan terrein aan Stationstraat. Aanbod creëren aan Noordzijde stad ook om bedrijfsverplaatsing binnen Waalsprong mogelijk te maken.

81

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Naar een ambitieuze maar realistische koers

6
6.1

Naar een ambitieuze maar realistische koers
Een andere kijk…
De koers De titel van de nota is veelzeggend: een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen. In de inleiding is het al aangegeven: dit college beoogt een trendbreuk aan te brengen in de manier waarop bedrijventerrein wordt uitgegeven. We willen zuiniger en efficiënter met de ruimte omgaan. Daarnaast leggen we nadrukkelijker een relatie tussen de economische ontwikkeling van de stad en de behoefte van de Nijmeegse beroepsbevolking. Daarbij wordt het belang van de zorg voor een voldoende en tijdig beschikbaar passend aanbod aan vestigingsmogelijkheden niet uit het oog verloren. Deze ambitie formuleren wij in het besef dat de economische ontwikkeling zich op gemeentelijk niveau niet laat sturen. Wat we als stad echter wel kunnen doen is de randvoorwaarden scheppen om in ieder geval de economisch sterke punten uit te nutten en de zwakke punten minder zwak te laten zijn. Hoe willen we deze doelstelling realiseren? We willen dit doel realiseren door aan de stedelijke bedrijventerreinen een bepaald profiel/segment toe te kennen dat past bij het maatschappelijk en economisch behoeftebeeld van de stad Nijmegen. We brengen ook de ruimtelijke consequenties daarvan in beeld. Per bedrijventerrein wordt aangegeven wat een realistische mate van intensivering/zorgvuldig ruimtegebruik zou kunnen zijn.

6.2

Welke beleidskeuzes worden gemaakt?
Vanuit maatschappelijk en economisch oogpunt Uit het maatschappelijk behoeftebeeld blijkt dat er voor Nijmegen in de komende 20 jaar nog een omvangrijke taakstelling op het gebied van werkgelegenheidsontwikkeling ligt. Qua opleidingsniveau blijkt dat zowel het kwalificatieniveau van de beroepsbevolking stijgt (aantal hoger opgeleiden neemt fors toe), als het kwalificatieniveau van de werkgelegenheid. Daar staat tegenover dat een groot deel van de niet-werkende beroepsbevolking bestaat uit lager opgeleiden. Ingezet wordt op het vergroten van de werkgelegenheid voor laagopgeleide werknemers. Met name de handels-, logistieke en serviceactiviteiten en moderne industrie bieden voor lager en middelbaar opgeleiden veel werk. Tegelijkertijd zetten we ook in op het bevorderen van kennisintensieve en moderne industriële werkgelegenheid om de sterk groeiende groep hoger opgeleiden werkgelegenheid te bieden. Een groter deel dan voorheen zal op bedrijfsterreinen werk moeten vinden. Daarbij snijdt het mes aan twee kanten: ook de economische structuur van de stad krijgt hiermee een impuls. De grootste vraag naar personeel blijft in de toekomst zitten bij bedrijven die normaal zijn bij een stad als Nijmegen (lokaal/regionaal verzorgend). Daarmee onderkennen we dat er de grootste behoefte is aan “gemengd” bedrijventerrein. Er zal dus gezorgd moeten worden voor een voldoende aanbod van “gemengd” bedrijventerrein om

83

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

enerzijds de bestaande bedrijvigheid te kunnen behouden, maar ook te kunnen laten uitbreiden (o.a. ontwikkeling van bedrijventerrein de Grift). Gezien de ligging van Nijmegen ten opzichte van omvangrijke goederenstromen en markten zal er ook in de toekomst vraag blijven naar ruimte voor handels-, logistieke en serviceactiteiten. Het belang van deze werkgelegenheid voor de lager (en middelbaar) opgeleiden betekent dat het intergemeentelijk Bedrijventerrein Bijsterhuizen als vestigingslocatie voor dit soort activiteiten hierin een belangrijke rol blijft vervullen. Trendmatig gezien wordt een groeiende terreinbehoefte verwacht voor kennisintensieve activiteiten. Ingezet wordt op het stimuleren van een kennisintensieve en moderne industriële bedrijvigheid door ruimtelijk plekken hiervoor aan te wijzen (Winkelsteeg, Kinderdorp Neerbosch en in de Waalsprong). Daarmee kunnen kansen worden benut voor het uitbouwen van “toegevoegde waardeketens” in chemie-farmacie, metalectro, elektronica en medische en optische apparatuur. Welke mate van intensivering streven we na en welk regionaal ruimtetekort resteert er? Bedrijventerreinplanning is een regionale opgave en niet alleen een stedelijke. Provinciaal en regionaal (KAN) wordt uitgegaan van één samenhangende behoefteprognose. Als we uitgaan van de basisprognose, dan levert dit een ruimtetekort op van 177,5 ha in de A73-zone (ten zuiden van de Waal) en van 69 ha. in de A15-zone (Noord van de Waal). Deze prognose is bedoeld voor planologische reserveringen op de lange termijn en is te typeren als taakstellend en maximaal. Het is waarschijnlijk dat de realisatie uiteindelijk lager zal uitvallen. Dit zal, gezien de conjunctuur van dit moment, op korte termijn zeker het geval zijn. Deze ruimteclaim kan worden teruggebracht door zorgvuldig ruimtegebruik. Wij streven (in het verlengde van de pilot A 73) de volgende ambitie voor zorgvuldig ruimtegebruik voor de verschillende situaties na: situatie herstructurering bestaand terrein reeds gepland, maar nog uitgeefbaar terrein nieuw te plannen bedrijventerreinen Ambitiekeuze Beperkt ambitieniveau Redelijk ambitieniveau Ideaal ambitieniveau

De keus voor een beperkt ambitieniveau bij bestaand te herstructureren terrein is ingegeven door de complexe problematiek van herstructurering. Beleidsuitgangspunten kunnen soms op gespannen voet met elkaar komen te staan: intensiveren versus benodigde milieuruimte. Daarnaast gaat het vaak om forse investeringen. Daar waar mogelijk (op delen van terreinen) zal een hoger ambitieniveau worden nagestreefd (het redelijke ambitieniveau). Een redelijk ambitieniveau voor gepland, nog uitgeefbaar terrein, is een zeer ambitieus voornemen omdat al sprake is van lopende exploitaties. Tevens hebben wij in onze overweging rekening gehouden met de regionale concurrentiepositie van een terrein als Bijsterhuizen. Voor nieuw te ontwikkelen terrein ligt de keus voor het ideale ambitieniveau het meest voor de hand: er wordt op 0 begonnen, de lat kan hoog worden gelegd. Deze keuze leidt in de A73-zone tot een vermindering van de ruimtevraag naar nieuw terrein van 177,5 naar 103,9. De ruimtelijke vertaalslag hiervan moet nog plaatsvinden. In KAN-verband participeren wij in dit verdere ruimtelijke zoekproces waarvan straks de vertaalslag zal worden gemaakt in het nieuwe RSP. Voor de A15

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Naar een ambitieuze maar realistische koers

zone wordt analoog aan de A73-zone een verkenning uitgevoerd. Ook dat kan leiden tot een taakstelling voor opname in het Nijmeegse beleid. Op dit moment gaan wij uit van een totale vraag naar bedrijventerreinen van 325 ha tussen 2003 en 2020 in de gemeenten Nijmegen (Noord en Zuid, dus zowel gelegen in de A73 zone als de A15 zone), plus de gemeenten Beuningen en Wijchen. Hierbij is uitgegaan van de Provinciale behoefteprognose en voorts rekening gehouden met: q de Nijmeegse behoefte ten Noorden van de Waal, q de effecten van Koers West, q de slechte conjunctuur op korte termijn en q de afbouw van de aanbodbel in bestaand onroerend goed. Binnen deze vraag wordt de volgende marktsegmentatie gehanteerd, rekening houdend met: q ervaringsgegegevens over 25 jaar uitgifte, q de effecten van Koers West, q de behoefte vanuit de ontwikkeling van de beroepsbevolking én q de beleidsinzet van dit College. zwaar distributie 2003-2007 2008-2020 0% 5% 20% 15% normaal gemengd 50% 45% gemengd kennisintensief goud 25% 5% 25% 10%

Wij kiezen hiermee voor: q maatwerk in de oplossingen voor zware bedrijvigheid, waarbij op bestaande terreinen ruimte wordt gemaakt voor opvang van “verplaatsingsurgenten”21; q een wat hogere, maar wel dalende vraag naar ruimte voor distributieactiviteiten q De vraag naar gemengd terrein wordt gedifferentieerd in “normaal gemengd”, “gemengd goud” (m.n. zichtlocaties) en “kennisintensief”. Overeenkomstig de uitgangspunten stijgt het aandeel kennisintensief. Door herstructurering op bestaande bedrijventerreinen, kan het aanbod aan bedrijventerreinen in Nijmegen, Beuningen en Wijchen worden uitgebreid van ruim 150 naar een kleine 180 ha. De vraag kan door zorgvuldig ruimtegebruik op de bestaande én de nog aan te leggen terreinen worden gereduceerd van 325 naar ca. 270 ha. Uiteindelijk leidt dit tot een terreintekort van naar schatting 90 ha. in 2020. Het omslagpunt naar terreintekort ligt rond 2013/2014. Per categorie kan dit omslagjaar naar tekorten flink verschillen, zoals uit onderstaande tabel blijkt. Hierbij moet het voorbehoud worden gemaakt dat bevindingen in het onderzoek in de A15 zone door STEC nog kunnen leiden tot bijstellingen van cijfers. Balans 2003-2020 vraag aanbod tekort/overschot omslagjaar zwaar distributie 12 8 -4 2015 44 10 -34 2007 Normaal gemengd goud kennisintensief gemengd 124 63 24 79 53 29 -45 -11 5 2013 2017 >2020 totaal 268 179 -90 2014

21

Dit leidt overigens weer tot extra vraag op gemengde of distributieterreinen door de bedrijven die plaats hebben moeten maken voor “zware” bedrijven

85

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

6.3

Ruimtelijk economisch streefbeeld per terrein
Deze beleidskeuzes resulteren in een samenvattend streefbeeld. In paragraaf 5.5 op pagina 63 is dit ruimtelijk economisch streefbeeld uitgewerkt naar marktsegmentatie, mate van intensivering en herstructurering. Ook de daarbij behorende maatregelen staan aangegeven. Dit leidt uiteindelijk tot een geschatte ruimtewinst op bestaande en reeds geplande terreinen binnen Nijmegen van 38 ha22.

6.4

Acties, maatregelen en instrumenten
Continuering regionale afstemming in bedrijventerreinenplanning Het streefbeeld lost niet alles op. Er blijft op langere termijn een absoluut tekort aan bedrijventerrein. Uitgaand van de taakstellende prognose ligt de omslag naar tekorten rond 2013, bij een gematigder afzet rond 2018. Deze opgave wordt in KAN-verband verder opgepakt. Naar segment bezien is het beeld niet gelijk. Het belangrijkste knelpunt zal de behoefte aan normaal gemengd terrein worden. Hiervan is tamelijk weinig gepland terwijl het een blijvend grote vraagcategorie betreft. Daarnaast is het te verwachten dat een deel van de vraag in andere segmenten door het ontbreken van aanbod in die categorieën (zwaar en distributie) uiteindelijk leidt tot extra vraag naar gemengd terrein. Ten aanzien van de oplossing van deze verwachte kwantitatieve en kwalitatieve tekorten is continuering van de regionale afstemming noodzakelijk en daar zetten wij ons ook voor in. Tevens zal in KAN-verband het beleid voor zorgvuldig ruimtegebruik regionaal afgestemd worden. Gebiedsgerichte uitwerkingen maken Voor de zes bestaande bedrijventerreinen en de nieuw te plannen terreinen in de Waalsprong zullen gebiedsgerichte uitwerkingen worden geproduceerd. Daarin worden de ruimtelijke sterkten en zwakten in beeld gebracht alsmede de kansen om het beleid zoals geformuleerd in het streefbeeld te concretiseren. Uiteindelijk wordt per terrein een samenhangend ruimtelijk streefbeeld gemaakt. In dat streefbeeld worden zgn. Pilots aangeduid (zie ook de figuren in par 5.5). Op korte termijn is het doel van die pilots m.n. aanboddifferentiatie, waardoor naast het bedrijventerrein Bijsterhuizen ook voor kleinere en meer stadsgebonden bedrijven vestigingsmogelijkheden kunnen worden geboden of mogelijkheden om te verplaatsen zwaardere bedrijven een plek te kunnen bieden. Op de langere termijn is dergelijke gebiedsontwikkeling ook nodig om kwantitatief meer vestigingsmogelijkheden te kunnen bieden. Er wordt naar gestreefd op termijn 10% van de vragers naar bedrijventerrein op bestaande bedrijventerreinen te helpen. De kosten hiervoor kunnen echter aanzienlijk zijn (oplopend tot 1 miljoen euro per ha in bebouwde situaties). Het is dan ook zaak zoveel als mogelijk particuliere partijen in te schakelen bij de realisering van deze doelstelling. Via de afdeling EZ wordt budget beschikbaar gemaakt voor de eerste scan van de pilots op hun wenselijkheden en mogelijkheden. Voor de pilots die perspectief bieden zullen zgn. planexploitaties in oprichting (PIO’s) worden geopend, waarbinnen kosten en opbrengsten kunnen worden verevend. Het bestaande werkteam bedrijventerrein zal
22

Betreft Nijmeegse terreinen in de A73-zone en de geschatte situatie in de Waalsprong (A15 zone). Is nog exclusief de nog niet gekwantificeerde eventuele extra ruimtewinst op Winkelsteeg.

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen Naar een ambitieuze maar realistische koers

worden uitgebreid (milieu, openbare ruimte) en worden belast met de deeluitwerkingen.

Organisatorisch Realisatie streefbeeld vereist intensieve én continue ambtelijke en bestuurlijke aandacht - Oprichting van een serviceteam bedrijfsvestiging om zowel de klant beter te helpen als het realiseren van beleidsdoelen mogelijk te maken. Wat betreft het laatste kan gedacht worden aan het groeperen van gebruikers in vernieuwende gebouwen of de bestaande voorraad, het realiseren van gemeenschappelijke voorzieningen, etc. Tevens dient dit team faciliterend te zijn bij uitbreidingsvragen van bedrijven en daarin binnen redelijke grenzen flexibel te opereren. Dit serviceteam bedrijfsvestiging is multidisciplinair samengesteld (EZ, Ontwikkelingsbedrijf/ Grondbedrijf, Stadsontwikkeling, Bouwen en Wonen, Milieu, Openbare Ruimte en ad hoc het CWI). De leden van het serviceteam hebben mandaat om namens hun discipline standpunten in te nemen. Het serviceteam is in feite de georganiseerde backoffice voor de complexere vraagstukken achter het Bedrijvenloket waar de 1e intake plaatsvindt. - Het Bedrijvenloket als service naar bedrijven; - Continuering bestuursteam Bedrijventerreinen; - Terrein/parkmanagement voor de bestaande bedrijventerreinen een vaste organisatorische plaats geven in de gemeentelijke organisatie of faciliteren. - Samenwerking met andere overheden, zowel voor de ontwikkeling van nieuwe terreinen, als voor bestaande terreinen: mogelijkheden van intergemeentelijke samenwerking op het gebied van herstructurering van bedrijventerreinen verkennen. Ruimtelijke Ordening Versnelling van de actualisering van bestemmingsplannen, waar het bedrijventerreinen betreft. Zonder tijdige herziening worden de bedrijventerreinen bevroren in hun ontwikkeling. Dit strookt niet met de dynamiek die in die gebieden normaal is en de gewenste beleidsmatige veranderingen. Op korte termijn (indicatie: binnen twee jaar) is herziening gewenst van: - Winkelsteeg; - Noord- en Oostkanaalhavens; - Westkanaaldijk; - Bijsterhuizen Bestemmingsplannen optimaliseren wat betreft intensiveringsmogelijkheden(aanpassing maxima èn minima bouwhoogten en bebouwingspercentages, afstand tot perceelsgrens, mogelijkheden om gunstiger te verkavelen etc. etc.) De bestaande functieruimte voor economische activiteiten in de bestaande stad per saldo handhaven

-

-

Grondbeleid Het grondbeleid van de gemeente is een belangrijk instrument om beleidsdoelstellingen te realiseren. In het Collegeaccoord en het Economisch Beleidsplan is aangegeven dat gewerkt wordt aan een meer intensief en duurzaam ruimtegebruik. In deze nota is dat geconcretiseerd. Een actieve opstelling van de Gemeente bij herstructurering van bestaande en de ontwikkeling van eventuele nieuwe bedrijfslocaties is hierbij noodzaak. Binnen de productgroep Bedrijvigheidsprojecten van het ontwikkelingsbedrijf zal dit tot

87

Een andere kijk op Nijmeegse bedrijventerreinen

uiting komen in nieuwe planexploitaties23. De mate waarin de gemeente actief, dan wel passief grondbeleid voert hangt af van het soort project en de middelen die ter beschikking staan. Maatregelen die in dit kader getroffen kunnen worden zijn: - criteria bij uitgifte van terrein (verhouding vloeroppervlak-grondoppervlak, verhouding arbeidsplaatsen- grondoppervlak, minimale bebouwingspercentages/bouwhoogten, parkeren, etc.) herzien in relatie tot het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik; - meer samenwerking zoeken met ontwikkelaars en beleggers bij herstructurering en herontwikkeling van gebouwen en terreinen; - een actievere rol in het aankopen, herkavelen en heruitgeven van grond door gemeente, al dan niet i.s.m. ontwikkelaars. Voorbeelden op dit moment zijn Compaq, Nieuwe Dukenburgseweg en Philips City Centre. Financiëel Financiële middelen voor Stadseconomie € 182.000 per jaar kunnen ingezet worden voor voorverkenningen/haalbaarheidsonderzoeken/pilotstudies vooruitlopend op de nadere uitwerking perspectiefvolle projecten in PIO’s (planexploitaties in oprichting); Mogelijke externe subsidies voor herstructurering/revitalisering en voor het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik (vereist overigens wel cofinanciering van de gemeente).

-

Communicatie een actief promotie- en wervingsbeleid om de kenniseconomie te stimuleren in samenwerking met de Ontwikkelingsmaatschappij Oost Nederland NV en KUN; uitleggen van het door de gemeente voorgestane bedrijventerreinenbeleid richting de doelgroep onder meer via het communiceren van best practices.

Noodzakelijke overige acties: Monitoring van uitgifte, intensivering, herstructurering, functieruimte, etc. Periodiek (ca. vijfjaarlijks) herhalen van het stedelijke bedrijventerreinenonderzoek.

23

Voortgangsrapportage Grote Projecten, april 2003