Windenergie op bedrijventerreinen

Integrale rapportage naar de kansen en belemmeringen voor toepassing van windenergie op bedrijventerreinen

Utrecht, 23 oktober 2002 Referentie: GRMS/GES/HS/bg/2002-0547 Auteurs: - drs. J.A. Schoolderman, pwc - ir. R.G.J. Huiberts, pwc

PricewaterhouseCoopers N.V. is gevestigd te Amsterdam, ingeschreven in het handelsregister aldaar onder nummer 34107196.

Inhoud
Managementsamenvatting Inleiding 1 Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends 2 Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen 3 Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen 4 Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen 5 Conclusies Bijlagen Factsheet windenergie Randvoorwaarden inpassing windenergie Afbakening bedrijventerreinen Modernisering instrumentarium geluid (MIG) 2 5 8

15 24 45 49 52 53 57 64 66

(1)

Managementsamenvatting
Groeiende vraag naar ruimte voor economische activiteiten Voor het realiseren van windenergie op bedrijventerreinen is het van belang dat hiervoor ruimte wordt gereserveerd. In Nederland bedraagt in de periode tot 2020 de netto vraag naar nieuwe bedrijventerreinen circa 22.000 hectare en is een verwachte herstructurering nodig van circa 10.000 hectare. In totaal is dus tot 2020 een (her)ontwikkeling nodig van circa 32.000 hectare bedrijventerreinen. Overheden stimuleren duurzame energie De tweede generatie Meerjarenafspraken Energie (MJA-2), het klimaatconvenant en de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling (BLOW) vormen prikkels die de toepassing van duurzame energie stimuleren1. Windenergie wordt in het bijzonder door het BLOW op de agenda gezet bij gemeenten en provincies, waarbij iedere provincie een doelstelling opgelegd heeft gekregen. Het gemeenschappelijk streven is een realisatie van een opgesteld vermogen van 1500 MW aan windenergie op land in 2010. In de uitwerkingen van diverse ruimtelijke plannen spreken zowel het rijk als provincies en gemeenten de voorkeur uit voor toepassing van windenergie bij infrastructuur en bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen vormen op voorhand geen belemmering voor windenergie Het inpassen van windenergie op bedrijventerreinen kent op voorhand geen fysieke belemmeringen. Wel moet rekening worden gehouden met aspecten zoals rendement en ruimtelijke beperkingen, zoals slagschaduw, leidingen, geluid, straalpaden, infrastructuur, veiligheid en fauna. Er is geen significant verschil te traceren tussen type bedrijventerreinen (zware industrie, zeehaven, etc.) en de kansen en beperkingen van windenergie. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde kantorenlocaties, waar veiligheid en slagschaduwhinder een groot obstakel voor het plaatsen van windturbines vormen. Bestaande bedrijventerreinen hebben veel overeenkomsten met de gebouwde omgeving, waarin met windenergie nog maar weinig ervaring is opgedaan.

Bedrijven die deelnemen aan de MJA-2 moeten voldoen aan energie-efficiency eisen maar conformeren zich ook aan bijvoorbeeld eisen op gebied van duurzame energie. Het klimaatconvenant is een overeenkomst tussen gemeenten, provincies en rijksoverheid gericht op het reduceren en vermijden van CO2 en stimuleren van de toepassing van duurzame energie. De BLOW is een overeenkomst tussen het rijk en de provincies en heeft als doelstelling de realisatie van een opgesteld vermogen van 1500 MW aan windenergie op land in 2010.

1

(2)

Dit sluit niet uit dat toepassing van ‘kleine’ windturbines in de gebouwde omgeving een goed alternatief kunnen zijn voor toepassing van windenergie op bedrijventerreinen. Diverse marktpartijen zijn bezig met de ontwikkeling van deze kleinere voor de gebouwde omgeving geschikte windturbines die op of naast gebouwen kunnen worden geplaatst, maar ook in het gebouwontwerp kunnen worden geïntegreerd. Windenergie op bedrijventerreinen: juridisch complex maar niet onmogelijk Nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen bieden vanuit juridische optiek gunstiger mogelijkheden voor de oprichting van windturbines dan bestaande terreinen. Belemmering voor plaatsing van windturbines op bedrijventerreinen vormt nogal eens de geluidregelgeving. De op 1 december 2001 in werking getreden AMvB ‘Voorzieningen en installaties milieubeheer’, zal echter voor veel situaties de complexe milieuvergunningsprocedure vervangen door een meldingsplicht. Bij de bepaling van de geluidbelasting van de omgeving ten gevolge van het bedrijventerrein, wordt in de Wet geluidhinder, in tegenstelling tot de genoemde AMvB, geen rekening gehouden met het toenemende achtergrondgeluid bij oplopende windsnelheid. De huidige wet- en regelgeving houdt nog onvoldoende rekening met de specifieke karakteristieken van windturbinegeluid, de achtergrondgeluidniveaus (bijvoorbeeld ruisen van bomen bij toenemende windsnelheid) en de technische mogelijkheden van moderne windturbines (variabel toerental). Toepassing van de juridische en technische mogelijkheden veronderstelt wel een gedegen kennis van de problematiek bij vergunningverleners, die in de praktijk vaak nog onvoldoende aanwezig is. Plaatsingsmogelijkheden voor windturbines op bedrijventerreinen worden beïnvloed door type inrichting en zonering, omvang en ouderdom van het beoogde bedrijventerrein Het plaatsen van een windturbine als zelfstandige inrichting (bijvoorbeeld op openbaar groen) biedt meer juridische kansen dan wanneer de windturbine onderdeel uitmaakt van een bestaande inrichting. Dit vanwege het feit dat in dat geval slechts de bovengenoemde meldingsplicht geldt. De kansen nemen verder toe naarmate de windturbine verder van de woonbebouwing staat. Verder bieden ongezoneerde bedrijventerreinen over het algemeen meer kansen voor plaatsing van windturbines dan gezoneerde terreinen, omdat in die gevallen zelfstandig aan de gestelde geluidsgrenswaarden moet worden voldaan zonder rekening te hoeven houden met zoneringsbepalingen. Voorts bieden grote bedrijventerreinen vaak meer mogelijkheden vanwege de afstand tot woonbebouwing.

(3)

Tot slot bieden nieuwe terreinen veelal weer meer mogelijkheden dan bestaande bedrijventerreinen. Nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen bieden goede mogelijkheden om al bij de inrichting van het terrein te anticiperen op de plaatsing van windturbines en hiervoor ook in stedenbouwkundig en juridisch opzicht gunstige voorwaarden te creëren. Ditzelfde geldt voor terreinen die worden geherstructureerd. Dit laatste veronderstelt echter wel dat bij herstructurering het bestemmingsplan zodanig wordt aangepast dat ook daadwerkelijk wordt voorzien in de oprichting van windturbines. Vanuit juridische optiek is plaatsing van windturbines op bestaande bedrijventerreinen wel mogelijk, maar vraagt vanwege de veelal complexe juridische (geluid)regelgeving om een groot doorzettingsvermogen bij de initiatiefnemers. Oprukkende woonbebouwing en ander objecten op of in de nabijheid van het terrein, kunnen hinder ondervinden van windturbines waardoor aanvullende beperkingen worden gesteld. Marktpartijen zijn op zoek naar kansrijke locaties, soms zijn dit bedrijventerreinen Marktpartijen, zoals energiebedrijven en projectontwikkelaars, onderzoeken ook de mogelijkheden op bedrijventerreinen, maar zijn voorzichtig met hun verwachtingen. Marktpartijen schatten de haalbaarheid van windenergie op bedrijventerreinen verschillend in. Marktpartijen zien dat bedrijventerreinen een relatief eenvoudige manier zijn om turbines te plaatsen en zien ook dat de overheid en maatschappelijke organisaties zich hiervoor inzetten. Verder kan het toepassen van windenergie het imago van de bedrijven versterken. Bedrijven zien echter ook de complexe factoren, zoals tijdrovende procedures, ruimtebeslag en veiligheidseisen. Bedrijven hebben daarbij geen uitgesproken voorkeur voor bestaande of nieuwe bedrijventerreinen.

(4)

Inleiding
Algemeen In de periode 2000-2001 zijn in opdracht van Novem diverse onderzoeken uitgevoerd naar de kansen en belemmeringen voor de toepassing van windenergie op bedrijventerreinen. Het gaat om de volgende onderzoeken:(a) Windenergie op bedrijventerreinen mogelijk, maar geen vanzelfsprekende optie – Een onderzoek naar de kansen en belemmeringen voor toepassing van windenergie op bedrijventerreinen, PricewaterhouseCoopers N.V. & Profin, Utrecht, 17 mei 2000, Novem bestelnummer 2DEN-02.25. (b) Windenergie op bedrijventerreinen nader verkend – Eindrapport, PricewaterhouseCoopers N.V., Utrecht, 29 oktober 2001, bestelnummer 2DEN02.27. Met het eerste onderzoek zijn de fysieke en juridische kansen en belemmeringen geschetst en werd onderzocht welke houding ondernemers en brancheorganisaties hadden ten aanzien van windenergie op bedrijventerreinen. Ook maakte een potentieelinschatting, marktconsultatie en attitudeonderzoek onder ondernemers onderdeel uit van het onderzoek. Omdat in de periode na het eerste rapport nieuw beleid geformuleerd werd dat de mogelijkheden voor het realiseren van windenergie op bedrijven verruimde, is het tweede onderzoek uitgevoerd met als doel het identificeren van kansen en belemmeringen voor realisatie van windenergieprojecten op bedrijventerreinen gebaseerd op de toen recentelijke praktijkervaringen.2 In het kader van de ontwikkeling van de in december 2002 te verschijnen nieuwe versie van de cd-rom ‘Met de Wind in de Rug’, heeft Novem te kennen gegeven bovenstaande rapportages te willen actualiseren op basis van nieuwe inzichten, beleid en wetgeving en beide rapportages te bundelen in één rapport. Voorliggende rapportage is hiervan het resultaat en zal worden opgenomen in de cd-rom ‘Met de Wind in de Rug’, tweede versie. De genoemde onderliggende rapportages blijven nog enige tijd separaat opvraagbaar bij Novem.

Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl en de Bestuursovereenkomst Wind (BLOW).

2

(5)

Ontwikkeling windenergie in Nederland De doelstelling in de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) is realisatie van een opgesteld vermogen aan windenergie op land van 1500 MW in 2010. Deze doelstelling is met een opgesteld vermogen van circa 540 MW (najaar 2002) voor circa eenderde bereikt. Bekeken op schaal van het huidige opgestelde vermogen per inwoner, bekleedt Nederland internationaal een middenpositie; een rangschikking, die geen recht doet aan de historische betekenis die wind van oudsher voor ons land heeft gehad. De matige resultaten, die windenergie tot dusverre heeft geboekt, staan averechts op de toegenomen belangstelling voor ‘duurzame energie’. Steeds meer Nederlandse huishoudens kiezen voor de afname van duurzame elektriciteit; een keuze die meestal is ingegeven vanuit een toenemend milieubesef. Groeiende belangstelling is ook merkbaar voor steeds schaarser wordende windenergielocaties op land. Het enthousiasme om in windturbines te investeren kan worden teruggevoerd op het feit, dat de rentabiliteit hiervan duidelijk toeneemt. Een extra inkomstenbron is bijvoorbeeld voor menig agrariër zeer aantrekkelijk. Het beschikbaar krijgen van geschikte windlocaties blijkt echter het belangrijkste knelpunt te zijn. Oorzaak hiervan is vaak gelegen in de geringe mate, waarin windturbines landschappelijk inpasbaar zijn maar vaak ook in de hoge emotionele lading van deze landschappelijke inpassing. Hoewel nieuwe locaties in de belangstelling staan, is de inpasbaarheid in het recente verleden verreweg het grootst geweest in een agrarische setting. Voor de tot nu toe in 2002 in gebruik genomen windturbines, vormen de buitengebieden overwegend de fysieke kaders waarin windenergie wordt geïmplementeerd. Bij tal van ruimtemakers is het idee ontstaan om de inpasbaarheid van windturbines te bevorderen door windenergie te betitelen als ‘industriële activiteit’. Windturbines, aldus opvattingen in de ruimtelijke ordening, behoren te worden gerekend tot industriële activiteiten en te worden toegewezen aan bedrijventerreinen. Met het plaatsen van windturbines op bedrijventerreinen zou een significant potentieel worden aangeboord, waarmee een wezenlijke bijdrage geleverd kan worden aan de doelstelling uit het BLOW om in 2010 1500 MW aan windenergie op land te hebben gerealiseerd.

(6)

Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden de relevante trends en ontwikkelingen beschreven die zich aandienen en van invloed zijn op de ontwikkeling van bedrijventerreinen en het handelingsperspectief van ondernemers. Hoofdstuk 2 biedt een beschrijving van de technische en ruimtelijke inpassingmogelijkheden en de daarbij behorende kansen en belemmeringen. Hoofdstuk 3 doet hetzelfde maar dan voor de juridische mogelijkheden. De voorkeuren voor windenergielocaties van de verschillende marktpartijen staan centraal in hoofdstuk 4. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de belangrijkste conclusies samengevat, die als basis dienen voor de vraag bij welk probleem, welke actie door welke partij genomen kan worden.

(7)

1 Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends
Het rijk streeft er naar om de landelijke energiebehoefte in 2010 voor 5% en in 2020 voor 10% uit duurzame bronnen te betrekken. In dit streven zijn biomassa en windenergie als voornaamste potentiële bronnen aangewezen. Het rijk streeft voor 2010 naar een opwekking van 1500 MW aan windenergie op land en voor 2020 naar een minimale opwekking van in totaal 3000 MW (opwekking op land en op zee). Dit hoofdstuk verkent de invloed van een aantal trends en ontwikkelingen op de mogelijkheden en beperkingen van windenergie op bedrijventerreinen. Hierbij wordt achtereenvolgens ingegaan op:(c) de blijvend groeiende vraag naar ruimte voor economische activiteiten; (d) positie van duurzame energie in bestuursovereenkomsten en programma’s; (e) de visie van overheden en maatschappelijke organisaties op windenergie.

Groeiende vraag naar ruimte voor economische activiteiten
Het analyseren van mogelijkheden en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen, veronderstelt de volgende afbakening:(a) naar bestaand dan wel een nieuw bedrijventerrein; (b) naar type activiteiten. Voor deze afbakening is de onderverdeling gehanteerd van het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS). Het IBIS maakt onderscheid naar: zware industrieterreinen, zeehaventerreinen, gemengde terreinen, hoogwaardige bedrijvenparken, distributieparken, stadsrand kantorenlocaties en binnenstedelijke kantorenlocaties. In Bijlage C is een omschrijving van deze verschillende typen weergegeven. Nederland beschikt over circa 60.000 hectare bedrijventerreinen. Een verwachte groei van het bruto binnenlands product (BBP) van circa 2,7% tot 3,3% op jaarbasis in de periode tot 2020, zal leiden tot een groeiende vraag naar ruimte voor economische activiteiten. Tussen 1998 en 2020 is al voorzien in 22.000 tot 25.000 hectare extra ruimtevraag voor bedrijventerreinen.

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (8)

De ruimtevraag daarna, van 2020 tot 2030, wordt ingeschat op nog eens 1.500 hectare.3 Het is nog onduidelijk in hoeverre deze ruimtebehoefte kan worden vervuld door middel van verbetering van bestaande bedrijventerreinen. Wel blijkt uit onderzoek dat op de totaal beschikbare voorraad bedrijventerreinen tussen de 9.000 en 11.000 hectare verouderd is, en herstructurering nodig is.4 Er bestaan duidelijke verschillen tussen de soorten ruimtevraag. Vanwege verschuivingen in de productiestructuur in de richting van een diensteneconomie neemt het aandeel traditionele industrie af. Het aandeel van de traditioneel ruimtevragende bedrijfstakken in de werkgelegenheid zal eveneens steeds verder afnemen. De vraag naar kantoren neemt daarentegen toe. De verwachte substantiële toename (nieuwe terreinen tot 2020 ruim 35% en herstructurering ruim 15% van de totale voorraad5) aan bedrijventerreinen biedt voor de toepassing van windturbines op bedrijventerreinen een goede kans. Zoals uit de technische en juridische analyse blijkt (zie hoofdstukken 2 en 3) bieden met name nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen, en in mindere mate terreinen waarbij herstructurering aan de orde is, in beginsel goede inpassingsmogelijkheden voor windturbines.

Positie van duurzame energie in bestuursovereenkomsten en programma’s
In deze paragraaf wordt ingegaan op:(a) de positie van duurzame energie in de Meerjarenafspraak 2; (b) de deelname van gemeenten en provincies aan het Klimaatconvenant; (c) BLOW zet windenergie op agenda van provincies en gemeenten.

Cijfers aangaande BBP en vraag naar bedrijventerreinen komen uit “Bedrijfslocatiemonitor; De BLM: opzet en recente aanpassingen” van het Centraal Plan Bureau. 4 Uit: Meer private betrokkenheid als kans bij herstructurering van bedrijventerreinen, Buck Consultants International en BRO, 1999 5 Opgemerkt dient te worden dat ten aanzien van de herstructuringsopgave nog veel onduidelijkheid heerst met betrekking tot de omvang en uitvoeringsplanning

3

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (9)

Positie van duurzame energie in de Meerjarenafspraak 2 In 2000 zijn de meeste Meerjarenafspraken Energie (MJA) afgelopen. De MJA-aanpak is inmiddels gecontinueerd in de vorm van de ’tweede generatie’ MJA’s (MJA-2). Bij het afsluiten van de MJA-2 moeten de bedrijven/instellingen beschikken over een goedgekeurd energiebesparingsplan (EBP). In dit EBP is een energie-efficiency verbeteringsdoelstelling opgenomen tot 2005 voor het proces en de installaties van het betreffende bedrijf. In de MJA-2 zijn naast energie-efficiency ook de zogenaamde ‘nieuwe thema’s’ opgenomen. Eén van deze nieuwe thema’s is duurzame energie. Het nieuwe thema duurzame energie houdt in dat bedrijven/instellingen vanaf 2004 de verplichting hebben om de optie duurzame energie te onderzoeken als onderdeel van het EBP. Dit moet voor deze branches de prikkel vormen om aan de slag te gaan met duurzame energie, ofwel via het investeren in eigen opwekking, dan wel via inkopen van duurzame energie bij een energiebedrijf (‘make or buy’). Deelname van gemeenten en provincies aan het Klimaatconvenant In het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS, 4 maart 1999) hebben het Rijk en de andere overheden de bereidheid uitgesproken om door complementair bestuur meer te willen bereiken voor burgers, bedrijven en instellingen. In de paragraaf over klimaatverandering in het BANS is afgesproken dat een groter beroep zal worden gedaan op provincies en gemeenten voor het bereiken van de reductie van broeikasgassen6. De klimaatparagraaf heeft ertoe geleid dat VNG, IPO en de ministeries van Economische Zaken en VROM het Klimaatconvenant hebben ondertekend. Novem voert in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu het klimaatprogramma uit, waarmee gemeenten en provincies ondersteund worden bij het opzetten en implementeren van het lokale en regionale klimaatbeleid. Hiermee kunnen gemeenten en provincies bijdragen leveren aan de doelstellingen van het Rijk, door middel van het reduceren en vermijden van CO2 en stimuleren van de toepassing van duurzame energie. BLOW zet wind op agenda provincies en gemeenten In 1991 sloot de rijksoverheid de Bestuursovereenkomst Plaatsingsproblematiek Windenergie (BPW) met een aantal windrijke provincies. Overeengekomen werd dat de afzonderlijke provincies in het ruimtelijk beleid plaats zouden inruimen voor opwekking van windenergie. In de BPW werd tevens per provincie een quotum vastgesteld waaraan in
6

BANS, paragraaf 3.8 Klimaatverandering

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (10)

het jaar 2000 aan voldaan zou zijn. Het streven van de BPW was realisatie van in totaal 1000 MW aan opgesteld vermogen in 2000, dit streven is niet behaald aangezien eind 2000 het totale opgestelde vermogen aan windenergie nog geen 500 MW bedroeg. Uit de evaluatie van de BPW zijn de volgende zaken als remmende factoren voor het realiseren van windenergieprojecten aangedragen:(a) gebrek aan draagvlak op lokaal niveau; (b) onduidelijk investeringsklimaat na 1995; (c) weinig actieve opstelling provincies; (d) onvoldoende afstemming betrokken departementen. In een bestuurlijk overleg zijn het rijk en de provincies overeengekomen een nieuwe bestuursovereenkomst te sluiten: de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW). De doelstelling van de BLOW is realisatie van een opgesteld vermogen van 1500 MW aan windenergie op land in 2010. Teneinde aan de tekortkomingen van de BPW tegemoet te komen zijn de gemeenten in de vorm van de VNG en een aantal departementen nadrukkelijk betrokken bij de totstandkoming van de BLOW om zo realisatie van windprojecten te vergemakkelijken. In het Energierapport van het Ministerie van EZ werd de suggestie gewekt dat het vaststellen van de plaatsingsgebieden voor windenergie beter door de rijksoverheid zelf zou kunnen geschieden. Met de BLOW is hiervan afgezien, het is de lokale overheden echter duidelijk dat het Rijk ernst is met het beantwoorden aan de duurzame energie doelstellingen. In de BLOW zijn, om het behalen van de gestelde doelen te waarborgen, inspanningsverplichtingen opgenomen. De bij het convenant betrokken partijen verplichten zich tot het wegnemen van barrières voor windprojecten en treden daar waar nodig actief stimulerend, faciliterend en coördinerend op. Eveneens heeft het Rijk afgezien van het inbouwen van een planningsreserve om de hardheid van de gemaakte afspraken te benadrukken. Van de provincies wordt verwacht dat deze maximaal een jaar na ondertekening met een overtuigende planning aannemelijk maken dat de gestelde doelen ook daadwerkelijk behaald gaan worden. Voor de verschillende provincies is het volgende vermogen gerealiseerd en zijn de volgende doelen vastgesteld (in MW):

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (11)

Provincie Groningen Friesland Drenthe Overijssel Gelderland Flevoland Utrecht Noord Holland Zuid Holland Zeeland Noord Brabant Limburg Nederland

BPW 50 200 125 250 150 250 75 1100

Vermogen per 13-08-2002 61 74 1 0 0 201 0 73 45 48 29 1 534

BLOW 165 200 15 30 60 220 50 205 205 205 115 30 1500

Gezien de meest recente ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijk beleid bij de afzonderlijke provincies lijkt de gestelde taakstellingen haalbaar. Op ruimtelijk/planologisch niveau is de totale landelijke taakstelling van 1500 MW aan windenergie inmiddels ook vastgesteld.

De visie van overheden en maatschappelijke organisaties op windenergie
Tot slot worden in dit hoofdstuk de verschillende visies van overheden en maatschappelijke organisaties op windenergie besproken. Ingegaan wordt op:(a) de voorkeur van de Rijksoverheid voor windenergie op bedrijventerreinen; (b) de voorkeur van lagere overheden voor windenergie op bedrijventerreinen; (c) de door natuur en milieuorganisaties opgestelde richtlijnen voor plaatsing van windparken. Rijksoverheid geeft bedrijventerreinen de voorkeur In de Vijfde Nota RO (VIJNO) geeft het rijk criteria aan volgens welke naar locaties voor windenergie dient te worden gezocht. De keuze hierin gaat uit naar ‘windturbines zoveel mogelijk te bundelen tot lijnen of in parken onder te brengen en te plaatsen op industrieterreinen en langs vaarwegen’. Tevens geeft de VIJNO aan dat bij de plaatsing van windturbines bij voorkeur in jonge grootschalig ingerichte landschappen moet worden gezocht. De Nederlandse Windenergievereniging (NEWIN) signaleert dat diverse gemeenten en provincies deze

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (12)

voorkeur interpreteren als een verbod en dat partijen die bezwaar maken tegen de plaatsing van windturbines dit zullen aangrijpen als regel dan wel als gebod.7 Lagere overheden spreken voorkeur uit voor bedrijventerreinen Het beleid met betrekking tot windenergie verschilt aanzienlijk per provincie. Een van de oorzaken van deze verschillen in visie schuilt in het feit dat een aantal provincies pas sinds het opstellen van de BLOW met windenergie in aanraking zijn gekomen. Daar waar een windrijke provincie als Flevoland reeds een decennium met de ontwikkeling van windparken ervaring heeft opgedaan, is in Limburg pas sinds kort een inventarisatie van de mogelijkheden op dit gebied uitgevoerd. Naast de hoeveelheid opgedane ervaring spelen per provincie ook verschillende maatschappelijke en bestuurlijke bewegingen een belangrijke rol. In de volgende tabel zijn de voornaamste beleidsaspecten opgenomen.
Provincie Groningen Beleid tav bedrijventerreinen Geen solitaire turbines. Geen molens buiten industriegebieden Eemshaven en Delfzijl, reeds gegeven verklaringen van geen bezwaar ingetrokken. Friesland Voorkeur: (Nieuwe) solitaire turbines koppelen aan bedrijventerreinen Bij revitaliseren oude bedrijventerreinen ook mogelijkheden betrekken van windturbines. Drenthe Geen solitaire molens en groepen slechts op plaatsen waar geen landschapschade mogelijk is dan wel reeds aanwezig is 1 terrein t.z.v. Coevorden. Overijssel Niet op voorhand belemmeringen; solitair alleen op bedrijventerreinen. Gelderland Met uitzondering van bedrijventerreinen in kansrijke en gebieden die slechts onder stringente voorwaarden voor plaatsing in aanmerking zijn solitaire turbines uitgesloten. Flevoland Alles kan, solitair geen probleem (Strookt niet met POP overigens) Geen concrete projecten op bedrijventerreinen. Utrecht Zoveel mogelijk (ook solitair) plaatsen op bedrijventerreinen met zo hoog mogelijk vermogen. Zo min mogelijk ruimtebeslag Noord-Holland Plaatsing middelgrote turbines op bedrijventerreinen aanvaardbaar eventueel solitair als lijnopstelling niet mogelijk is (liever niet). Zuid-Holland Concentratie in de Delta-havengebied. Gelet op toenemende hoogte turbines plaatsen op bedrijventerreinen. Zeeland Beleid gericht op stimulatie en verkrijgen draagvlak

7

Inspraakreactie NEWIN op Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, mei 2001.

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (13)

Vergroten opgesteld vermogen zeehavengebonden industriegebieden. Noord-Brabant Voorkeur voor plaatsing van windturbines op of nabij bedrijventerreinen. Limburg Bijvoorkeur geen solitaire turbines. Turbines minimaal 600 kW en clusters minimaal 3 MW.

Ondanks de verschillen per provincie zijn uit het overzicht een aantal overeenkomsten op te maken:(a) het plaatsen van solitaire turbines kan bij het merendeel van de provinciale besturen op weinig enthousiasme rekenen; (b) functiecombinatie van windenergie met bedrijventerreinen geniet de voorkeur. Natuur en milieuorganisaties hebben richtlijnen opgesteld voor plaatsing van windparken In haar rapport ‘Frisse Wind Door Nederland’ heeft de Stichting Natuur en Milieu (SNM), samen met de twaalf aangesloten provinciale milieufederaties, plaatsingscriteria opgesteld voor de inpassing van windenergie. Als uitgangspunten worden gehanteerd:(a) voorkeur voor clustervorming en concentratie; (b) aansluiting bij infrastructuur (spoorlijnen, [water]wegen, hoogspanningsleidingen) en voorkeur voor lijnopstelling; (c) bedrijventerreinen als voorkeurslocatie. SNM onderkent de geluidsproblematiek op gezoneerde bedrijventerreinen en pleit voor het vinden van een oplossing hiervoor; (d) creativiteit bij nieuwe locaties: windturbines hoeven geen permanente aantasting van de omgeving te betekenen aangezien een turbine relatief eenvoudig is weg te halen. Locaties met reeds een bestemming, maar waarop de komende 15 á 20 jaar niet gebouwd kan worden, kunnen tijdelijk ruimte bieden voor windenergie; (e) geen windparken in of dichtbij de ecologische hoofdstructuur, in ecologische verbindingszones en natuurgebieden, in of dichtbij gebieden met belangrijke landschappelijke of cultuurhistorische waarden of met beschermde stads- en dorpsgezichten of belangrijke vogelgebieden.

Windenergie op bedrijventerreinen: ontwikkelingen en trends (14)

2 Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het inpassen van windenergie op bedrijventerreinen. Zowel een windturbine als haar omgeving stellen hun specifieke randvoorwaarden. Ingegaan wordt op:(a) rendement en randvoorwaarden van windturbines op bedrijventerreinen; (b) inschatting van de toepassingsmogelijkheden van windenergie op bedrijventerreinen; (c) mogelijke alternatieven voor traditionele toepassing van windenergie.

Rendement en technische randvoorwaarden bepalen toepasbaarheid van windenergie
Het inpassen van windenergie op bedrijventerreinen kent op voorhand geen belemmeringen indien aan de volgende twee criteria wordt voldaan:(a) de rendementseis: de windturbine moet in economisch opzicht rendabel geëxploiteerd kunnen worden; (b) de randvoorwaarden, die in technische zin worden gesteld aan de fysieke inpassing van een turbine op een bedrijventerrein. Kan de windturbine rendabel worden geëxploiteerd Aangenomen mag worden, dat voor een investeerder het rendement op het installeren van een windturbine een ‘harde’ randvoorwaarde is, tenzij andere overwegingen een rol spelen, zoals imagebuilding, herkenbaarheid of milieubesef. De rendementseis wordt in hoofdzaak bepaald door:(a) het windaanbod; (b) de netinpassingskosten; (c) beschikbare ruimte. Windaanbod Het is genoegzaam bekend dat het rendement van windstroom wordt bepaald door de vrije aanstroom van wind. De windsnelheid en daarmee de energieopbrengst neemt af naarmate meer oostwaarts (binnenland) wordt gegaan. De hoogte van de mast en daarmee het oppervlak dat de rotorbladen bestrijken is van grote invloed op de energieopbrengst.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (15)

Voor bedrijventerreinen gelegen in het binnenland geldt de rentabiliteitsvraag in het bijzonder als een vraag naar welke ashoogtes nodig zijn om een voldoende hoog gemiddelde windsnelheid te bereiken. Veel bedrijventerreinen zijn gelegen in een stedelijke omgeving waarbij vaak sprake is van terreinruwheid (als gevolg van obstakels als woon-, industrie- en utiliteitsbebouwing, infrastructuur). Deze obstakels veroorzaken windvang en turbulentie die ten koste gaan van het rendement. Voor het rendement zal dus gezocht moeten worden naar een optimum tussen windturbine en de specifieke omstandigheden op een locatie. Als vuistregel kan worden gehanteerd dat op bedrijventerrein, met voorkeur de locaties gelegen aan de zuidwestrand van het terrein bezien in samenhang met de omgeving, in aanmerking komen voor plaatsing van windturbines. Aansluitend op de notie dat windaanbod een bepalende voorwaarde is voor het rendement van een windturbine, ligt het voor de hand dat met name zeehaventerreinen zich het beste lenen voor windenergie. Hier staat tegenover, dat dit type bedrijventerrein in Nederland op één hand te tellen is. Netinpassingskosten De kosten voor aansluiting van de windturbines op het elektriciteitsnet maken vaak een substantieel deel uit van de totale investeringskosten van een turbine (circa 10%). Zeker wanneer het gaat om beperking van netinpassingskosten lijken bedrijventerreinen een interessante optie. Beschikbare ruimte Het benodigd grondoppervlak voor een windturbine bedraagt ongeveer 100 tot 150 m2. Wanneer de exploitant van de windturbine de grond niet in eigendom heeft, wordt een vergoeding betaald voor het ter beschikking stellen van de grond (opstalrecht) variërend van € 2.000,- tot circa € 7.000,- per jaar (afhankelijk van de kwaliteit (opbrengst) van de locatie). Bestaande bedrijventerrein zijn onmiddellijk herkenbaar en hebben reeds vorm gekregen. Het belang van windenergie ‘schuift aan’ bij reeds aanwezige objecten en obstakels, die kansen op windenergie kunnen belemmeren. Het integreren van windenergie heeft dus meer kans op nieuwe bedrijventerreinen. Denk bijvoorbeeld aan het vrijhouden van de zuidwestrand van een terrein, waarbij al dan niet gebruik wordt gemaakt van reststroken.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (16)

In onderstaande tabel is samengevat aan welke voorwaarden een terrein moet voldoen vanuit de optiek van (het behalen van rendement met) windturbines.
Tabel 2.1: Voorwaarden geschiktheid terrein voor windturbines
Voorwaarden vanuit windturbine Windaanbod Omschrijving Windsnelheid: min. 6,2 – 6,5 m/s op ashoogte Ashoogte: variërend van 40 meter (windrijk) tot meer dan 80 meter hoog (niet windrijk: binnenlandlocatie) Voldoende capaciteit op rendabele afstand Afhankelijk van grootte windpark - solitair: <1000 meter -5 MW <7500 meter -10 MW <10.000 meter -20 MW of meer, vrijwel geen afstand beperking Benodigd grondoppervlakte: 100 tot 150 m2 Bereikbaarheid: verharde weg minimaal 3 meter breed Onderlinge afstand tussen turbines: minimaal 300 meter tussen turbines in lijnopstelling; Vergoeding voor grondgebruik: € 2.000,- tot € 7.000,- per jaar/turbine (vergoeding aan eigenaar van de grond)

Netinpassing

Fysieke ruimte

-

Een uitgebreide toelichting op de in de tabel genoemde aspecten is opgenomen in bijlagen A en B. Bedrijventerreinen stellen randvoorwaarden aan windturbines, maar sluiten plaatsing op voorhand niet uit Op een bedrijventerrein is sprake van een grote verscheidenheid aan functies, activiteiten en objecten. De specifieke kenmerken van een bedrijventerrein stellen eisen en beperkingen aan het plaatsen van windturbines en hebben betrekking op:(a) slagschaduw; (b) leidingen; (c) straalpaden; (d) infrastructuur; (e) fauna; (f) vliegvelden. In onderstaande tabel wordt beschreven met welke technische randvoorwaarden rekening moet worden gehouden bij de plaatsing van windturbines op een bedrijventerrein. In bijlage B is een uitgebreide beschrijving van deze randvoorwaarden opgenomen.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (17)

Tabel 2.2 Voorwaarden vanuit de omgeving
Voorwaarden Vanuit omgeving Slagschaduw Leidingen Omschrijving te bepalen m.b.v. slagschaduwberekening. op basis van het besluit ‘kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer’ kunnen worden gesteld aan de plaatsing van windturbines nabij bovengrondse en ondergrondse leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. voor bovengrondse en ondergrondse leidingen waardoor geen gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zijn geen eisen bekend. ondergrondse leidingen kennen een veiligheidszone van 50 meter waarbinnen bepaalde bestemmingen of installaties kunnen worden geweerd. voor hoogspanningleidingen geldt conform NEN 1060 ‘Bovengrondse hoogspanningsleidingen’ een minimale afstand tussen windturbine en leiding afhankelijk van de spanningsafstand, een veiligheidstoeslag en de vrij ruimte. indicatief geldt voor hoogspanningsleidingen een rechtsstrook van circa 50 meter. te bepalen m.b.v. geluidscontouren berekening aan dichtstbijzijnde gevel max. immissie aan dichtstbijzijnde gevel (uitgangspunten wetgeving): - landelijk gebied 40 dB(A) - geluidgevoelige bestemming 50 dB(A) - industrieterrein 55 dB(A) voor onbeschermde straalpaden (mobiele telefonie) gelden geen harde uitsluitingen voor beschermde straalpaden (vaste telefonie en TV en radio) worden de volgende criteria gehanteerd: - buiten 1 km van de zend- of ontvangstinstallatie bedraagt de minimale afstand tussen het hart van de turbine en het hart van het straalpad minimaal de rotorstraal, met een minimum van 35 meter. - binnen 1 km van de zend- of ontvangstinstallatie bedraagt de minimale afstand tussen de tip van de rotor en het hart van het straalpad minimaal de rotorstraal + 35 meter. radar: obstakelvrije zone afhankelijk van gebruik. Indicatief is 50 meter voor scheepsradar, 100 meter voor overig en 5 à 6 km voor luchtvaart aan weerszijden van het straalpad.

-

-

-

Geluid -

Straalpaden

-

-

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (18)

Infrastructuur

autowegen: minimaal 30 meter tussen mast en verharde weg of minimaal een halve rotordiameter bij een rotordiameter van meer dan 60 meter (beleidsregel Rijkswaterstaat). - spoorwegen: minimaal 7,85 meter + halve rotordiameter tussen mast en spoor (visie Rijkswaterstaat). - waterwegen: minimaal 50 meter tussen mast en rand waterweg (beleidsregel Rijkswaterstaat). - dijk en waterkering: buiten kernzone (het eigenlijke dijk-, duin- of damlichaam zijnde de primaire waterkering als bedoeld in de Wet op de waterkering). Fauna - niet toegestaan in vogeltrekroutes Vliegvelden - bouwhoogte: beperking tot 5000 meter rondom vrij Veiligheid - Gecertificeerde turbines: conform NVN 11400-0 Bron: Handboek Risicozonering Windturbines.

-

Inschatting toepassingmogelijkheden van windenergie op bedrijventerrein
Ruimte voor windenergie moet worden verworven en blijkt in het algemeen gesproken geen vanzelfsprekendheid te zijn. In open water moet zij concurreren met onder meer beroeps- en recreatieve vaart en milieubelangen. In open grasland zijn er gevestigde agrarische bestemmingen en speelt uiteraard de aantasting van de horizon mee en dient rekening worden gehouden met vogeltrekroutes.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (19)

In grasland met verspreide bebouwing is er sprake van regelgeving op het gebied van geluid, landschappelijke inpassing en natuurwaarden. Op bedrijventerreinen spelen aanvullend de relatief hoge grondprijs, belangen van ondernemers, beschikbare geluidsruimte en een hoge ruwheidklasse in het windaanbod een rol. Deze niet uitputtende beschrijving weerspiegelt de toenemende moeilijkheidsgraad waarbinnen windenergie zich begeeft richting bedrijventerreinen. Naarmate bij het in gebruik nemen van ruimte zich meerdere partijen aandienen met even zoveel belangen, dan nemen de kansen op het inpassen van windenergie niet toe. Tegen de achtergrond van deze voortschrijdende complexiteit waarvan sprake is op locaties voor windturbines vindt een inschatting plaats van het potentieel van windenergie op bedrijventerreinen. De analyse van fysieke randvoorwaarden, aangevuld met informatie vanuit de marktconsultatie, levert geen sterke aanwijzing op voor het vermoeden, dat het plaatsingspotentieel voor windenergie op bedrijventerreinen in belangrijke mate wordt bepaald door het type bedrijventerrein. De verschillende activiteiten die plaats vinden op de verschillende type bedrijventerreinen (zware industrie, zeehaventerrein etc) stellen wel bepaalde randvoorwaarden aan de plaatsing van windturbines, maar sluiten plaatsing op basis van technische en fysieke overwegingen niet op voorhand uit. Verondersteld mag worden dat vanuit de optiek windaanbod zeehavens aantrekkelijke opties zijn. Distributieterreinen bieden potentieel fysieke ruimte en bieden wellicht mogelijkheden tot gecombineerd ruimtegebruik. De kans dat windturbines op binnenstedelijk gelegen bedrijventerreinen worden geplaatst, mag ter zijde worden gelegd. Uit de marktconsultatie zijn echter niet op voorhand type bedrijventerreinen of specifieke branches naar voren gekomen die zich expliciet lijken te lenen voor toepassing van windturbines. Conclusie is, dat mogelijkheden voor windenergie op bedrijventerreinen (het potentieel) niet zozeer afhankelijk zijn van het type terrein, maar van de status: bestaand of nieuw. Het verschil schuilt in de wijze waarop windenergie kan worden ingepast: aanpassen aan een bestaand dan wel integreren in (vorming van) een nieuw en nog uit te geven bedrijventerrein. Het windaanbod is en blijft hierin van dominante betekenis vanwege de rentabiliteiteis van windenergie.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (20)

Het potentieel van windenergie kan worden verruimd door pro-actief te anticiperen op planvorming met betrekking tot nieuwe bedrijventerreinen. Aanvullende argumenten hiervoor zijn, dat in juridisch opzicht meer ruimte beschikbaar is voor windturbines bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen (zie hoofdstuk 3 juridische kansen en belemmeringen). Bovendien ontstaat ruimte voor het verbreden van draagvlak voor windenergie bij ondernemers (zie hoofdstuk 4 marktanalyse). Factoren die samengevat in gunstige zin bepalen of windenergie op bedrijventerreinen technisch/economisch kansrijk is, zijn:(a) beschikbaarheid van zuidwest locatie (overheersende windrichting); (b) geen of slechts zeer beperkte obstakels (turbulentie); (c) betrokkenheid en enthousiasme voor windenergie/duurzame energie bij ondernemers. Voor inzicht in de mogelijkheden en beperkingen, gezien vanuit de juridische invalshoek wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk.

Mogelijke alternatieven voor traditionele toepassing van windenergie
De afgelopen jaren is met name aandacht besteed aan de ontwikkeling van grootschalige windturbines voor gecentraliseerde energieopwekking. De windturbines hebben tegenwoordig dusdanig grote afmetingen dat geschikte locaties vrijwel alleen nog maar op grote afstand van de consument van de geproduceerde energie wordt gevonden. Zoals ook uit de volgende hoofdstukken zal blijken, worden mede hierdoor windturbines soms beschouwd als een planologisch probleem. Het gebruik van opwekking van windenergie in de gebouwde omgeving heeft nog slechts beperkt aandacht gekregen; dit in tegenstelling tot zonne-energie. Hierin lijkt nu verandering te komen. Diverse marktpartijen zijn bezig met de ontwikkeling van kleinere voor de gebouwde omgeving geschikte windturbines. Ook architecten en bouwpartijen tonen een toenemende belangstelling voor de integratie van gebouwen en windenergie. Daarnaast is er ook een ontwikkeling van integratie en functiecombinatie van windenergieconcepten met infrastructuur, zoals bijvoorbeeld de integratie met hoogspanningsleidingen voor het treinverkeer en hoogspanningsmasten. In de gebouwde omgeving kunnen zowel horizontale als verticale as turbine worden toegepast. De turbines kunnen op of naast gebouwen worden geplaatst, maar ook in het gebouwontwerp worden geïntegreerd. Diverse marktpartijen kiezen derhalve verschillende technologische oplossingen.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (21)

Uit onderzoek in opdracht van Novem naar de stand van zaken, de knelpunten en het plaatsingspotentieel van energieopwekking uit wind in de gebouwde omgeving, volgt dat enkele concepten de potentie hebben om in de nabije toekomst bij te dragen aan een duurzame energievoorziening in de gebouwde omgeving8. Windturbines met een horizontale as zijn daarbij vermoedelijk het eerst kostendekkend, waarna niet al te lang daarna windturbines met een verticale as zullen volgen. Het verwachte plaatsingspotentieel wordt ingeschat op 55-65 MW, waarmee de bijdrage aan de landelijke doelstelling voor duurzame energie minder dan 1% bedraagt. De in het genoemde onderzoek genoemde knelpunten, die het benutten van het plaatsingspotentieel (nog) in de weg staan, zijn:(a) technische knelpunten:(i) op een enkele uitzondering na, verkeren de turbines nog in een ontwikkelingsstadium (ii) de meeste turbines zijn of worden ontworpen voor lage windsnelheden, terwijl het windaanbod op hoge gebouwen groter kan zijn dan in de vrije ruimte (iii) er zijn (nog) geen turbines die speciaal ontworpen zijn voor schuine daken en de constructies van sommige platte daken en de maatverhoudingen van utiliteitsgebouwen vormen een knelpunt (iv) op maaiveldniveau kan de vorm van het gebouw, bij een windturbine die in het gebouw is geïntegreerd, voor onverwachte windhinder veroorzaken (v) bouwtechnische ontwerpen zijn (nog) niet ontwikkeld (vi) stedenbouwkundige ontwerpen houden nog geen rekening met integratie van windturbines in de gebouwde omgeving (vii) kostentechnisch zijn de kleine turbines nog niet rendabel, financiële stimuleringsmaatregelen zijn onvoldoende (b) ruimtelijke knelpunten:(i) het ‘Not in my backyard’(Nimby) effect zal zo mogelijk nog een grotere rol spelen dan bij traditionele plaatsing van windturbines in het landelijk gebied (c) juridische knelpunten:(i) de AMvB ‘Voorzieningen en installaties milieubeheer’ (zie hoofdstuk 3) is niet van toepassing waardoor een milieuvergunning noodzakelijk zal zijn (ii) de procedures voor vergunningaanvragen zijn complex en langdurig (iii) er zijn nog geen (IEC- of NVN-) normen ontwikkeld voor dit soort turbines (iv) de gemeentelijke bouwverordening geeft geen normen voor dit soort turbines (v) de bestemmingsplannen spelen niet in op windturbines in de gebouwde omgeving.

8

Bron: ‘Opwekking van windenergie in de gebouwde omgeving’, Royal Haskoning, 18 januari 2002.

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (22)

Ondanks de vele knelpunten, zijn er reeds praktijkvoorbeelden van toepassing van kleine windturbines in de gebouwde omgeving en zijn er plannen om het aantal uit te breiden9.

In Tilburg is op het dak van een flat een miniwindturbine van het type ‘Turby’ geplaatst met een verwachte energieopbrengst van 5.000 kWh per jaar. Behalve in Tilburg zijn er plannen voor plaatsing van miniwindturbines in Twente en Drenthe (bron website Novem: www.novem.nl).

9

Technische en ruimtelijke kansen en belemmeringen voor windenergie op (23)

3 Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen
In het vorige hoofdstuk is de toenemende complexiteit beschreven van het installeren van windenergie op bedrijventerreinen. Technische, fysieke en omgevingsfactoren werden gerelateerd aan meervoudige belangen die aanspraak maken op het gebruik van schaarser wordende grond en ruimte. Geconcludeerd werd, dat op het niveau van bedrijventerreinen een aanmerkelijke complexiteit werd bereikt. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de juridische mogelijkheden en belemmeringen voor het plaatsen van windturbines op bedrijventerreinen. Terugkerend signaal is de complexiteit en onvolledigheid van met name de geluid wet- en regelgeving. In sommige gevallen blijkt realisatie van windenergie onmogelijk vanwege te grote geluidbelasting. Geluid is dan een directe ‘stopfactor’ voor het realiseren van windenergie. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op:(a) de randvoorwaarden die volgen uit de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO); (b) de randvoorwaarden die volgen uit Wet geluidhinder (Wgh); (c) de randvoorwaarden die volgen uit de Wet milieubeheer (Wm) en de AMvB; (d) het binnen de regelgeving inpasbaar maken van windturbines door het optimaal gebruiken van technische mogelijkheden; (e) de algemene conclusies ten aanzien van de juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen.

WRO stelt randvoorwaarden aan toepassing van windenergie op bedrijventerreinen
Uit de WRO volgen randvoorwaarden voor het toepassen van windenergie op bedrijventerreinen. De belangrijkste randvoorwaarde is het bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op:(a) de veelal vereiste aanpassing van het bestemmingsplan om windenergie op bestaande bedrijventerreinen mogelijk te maken; (b) het creëren van gunstige randvoorwaarden voor nieuwe terreinen; (c) overige relevante plankaders.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (24)

Windenergie op bestaande bedrijventerreinen vereist veelal aanpassing van het bestemmingsplan Het bestemmingsplan is het belangrijkste instrument van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en functioneert als toetsingskader voor bouwplannen. Als het plan niet voorziet in de oprichting van windturbines, dan zal daarvoor geen bouwvergunning worden afgegeven. In de praktijk voorzien de meeste bestemmingsplannen niet in de oprichting van windturbines op bedrijventerreinen. Om plaatsing toch mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Volgens een artikel 19-procedure kan het gemeentebestuur vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan en kan alsnog worden voorzien in de oprichting van een windturbine. Voorwaarde is wel dat een ‘voorbereidingsbesluit’ voor het desbetreffende gebied is genomen of een ontwerp van herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Met ingang van 3 april 2000 is evenwel een wetswijziging van kracht geworden, waardoor het eenvoudiger wordt om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. De gemeenteraad kan vrijstelling verlenen indien het verzoek is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hierdoor wordt het eenvoudiger om vrijstelling te verlenen. Heeft het verzoek betrekking op een bestaand bedrijventerrein, waarop een bestemmingsplan rust dat ouder is dan tien jaar, dan blijven in principe de oude voorwaarden (voorbereidingsbesluit of ontwerp van een herziening van een bestemmingsplan) bestaan. In hoeverre het hierdoor eenvoudiger wordt om met behulp van deze procedure nieuwe windturbines op te richten is nog onduidelijk. Verwacht wordt dat voor 70% van de verzoeken tot vrijstelling gunstige tijden aanbreken. Het is niet uitgesloten dat de overheid strenger wordt als het gaat om de beoordeling van de resterende 30% artikel 19-procedures, inclusief die betrekking hebben op windturbines. Het creëren van gunstige randvoorwaarden voor nieuwe terreinen De meest gunstige conditie voor windenergie bestaat uiteraard uit het rechtstreeks bestemmen van gronden voor windturbines. Een bestemmingsplan kan hierin op twee manieren voorzien:(a) rechtstreeks; (b) indirect.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (25)

Rechtstreeks Een bestemmingsplan kan rechtsreeks voorzien in de oprichting van windturbines door de bestemming ‘windturbine’ of woorden van gelijke strekking toe te kennen aan bepaalde gronden. Dit betekent vanuit planologisch oogpunt dat geen bezwaren bestaan tegen windturbines op de aangewezen plaatsen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen die voorzien in de oprichting van windturbines op een bedrijventerrein moet vanuit planologisch oogpunt rekening worden gehouden met:(a) veiligheidsaspecten; (b) geluidhinder; (c) andersoortige hinder dan geluidhinder (bijvoorbeeld slagschaduw, lichtschittering); (d) landschapsbescherming; (e) aanvaringsslachtoffers (te weten vogels die tegen de rotorbladen aan kunnen vliegen). De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft gemeenten een handreiking, waarin staat aangegeven op welke wijze bedrijvigheid verantwoord kan worden ingepast in haar fysieke omgeving. In het AmvB-besluit voorzieningen en installaties milieubeheer zijn, voor de in dat besluit aangewezen situaties waarin windturbines worden geplaatst, afstandsnormen opgenomen. Bevindt een windturbine met een bepaalde rotordiameter zich buiten de gestelde afstand tot woonbebouwing, dan hoeft geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Voor een uitvoerigere beschrijving van de AMvB wordt verwezen naar het vervolg van dit hoofdstuk.
Tabel 3.1: Afstand tussen bebouwing en windturbine waarbij geen akoestisch onderzoek is vereist
Rotordiameter Tussen 20 en 30 meter Tussen 30 en 50 meter Groter dan 50 meter Bron: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer Afstand tot woonbebouwing 100 meter 200 meter 300 meter

Ook is van belang dat het bestemmingsplan het aantal op te richten windturbines aan een maximum verbindt, omdat anders een onbeperkt aantal windturbines kan worden geplaatst. Dit is in strijd met de rechtszekerheid, omdat omwonenden niet weten waar zij aan toe zijn.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (26)

Indirect Daarnaast kan het plan indirect voorzien in de oprichting van windturbines. Dit betekent dat doorgaans het gemeentebestuur een nader besluit moet nemen, waardoor alsnog planologisch gezien de oprichting van een windturbine op een bedrijventerrein mogelijk wordt gemaakt. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden, bijvoorbeeld:(a) opnemen van ‘globale’ bestemmingen in het plan om nog zoveel mogelijk alternatieven open te houden voor het gebruik van gronden die globaal zijn bestemd10. Vervolgens bepaalt het plan dat het gemeentebestuur deze globale bestemming aan de hand van uitwerkingsregels nader dient uit te werken tot een definitieve bestemming. Op deze wijze kan een bestemmingsplan alsnog voorzien in de oprichting van windturbines; (b) opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan11. Hierdoor is doorgaans het gemeentebestuur bevoegd bestemming A te veranderen in bestemming B. Deze bevoegdheid wordt in het plan opgenomen om een soepele aanpassing van het plan aan gewijzigde omstandigheden mogelijk te maken. Hierdoor kan bijvoorbeeld de oprichting van windturbines mogelijk worden gemaakt; (c) opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid in het plan12. Deze bevoegdheid houdt in dat het gemeentebestuur volgens regels, die in het bestemmingsplan zijn opgenomen vrijstelling kan verlenen van bepaalde voorschriften van het bestemmingsplan. Deze voorschriften gelden in dat concrete geval dan niet. In tegenstelling tot de uitwerkings- en wijzigingsbevoegdheid geldt de vrijstellingsbevoegdheid per concreet geval. Vrijstellingsbevoegdheden kunnen betrekking hebben op bebouwingsvoorschriften (hoogte van gebouwen etc.) maar kunnen ook in een bestemmingsplan zijn opgenomen om mogelijk te maken dat een niet toegelaten inrichting (bij voorbeeld een windturbine) toch kan worden geplaatst als komt vast te staan, dat de milieubelasting van deze inrichting niet hoger is dan het bedrijf dat wel is toegelaten.

10 11

Op basis van artikel 11 WRO Op basis van artikel 11 WRO 12 Op basis van artikel 15 WRO

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (27)

Overige relevante plankaders Streekplan belangrijkste toetsingskader voor bestemmingsplannen Het streekplan is het voornaamste toetsingskader van bestemmingsplannen. De inhoud van bestemmingsplannen mogen niet in strijd zijn met de in het streekplan aangegeven ontwikkelingen. Dit betekent concreet dat per streekplan moet worden bekeken welke oprichtingsmogelijkheden van windturbines op bedrijventerreinen aanwezig zijn. In een aantal gevallen beschikken provincies over aanvullende beleidsdocumenten en toetsingskaders (zoals planbeoordelingsrichtlijnen) met betrekking tot de toelatingscriteria voor windturbines13. De toelatingscriteria hebben veelal betrekking op maximale of juist minimale hoogtebepalingen van windturbines, al dan niet toestaan van solitaire windturbines en het uitsluiten van specifieke gebieden (natuurgebieden, recreatiegebieden e.d.). Het in beeld brengen van de diverse provinciale (beleids)richtlijnen voor toelating van windturbines valt buiten de scope van dit onderzoek. Aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van VROM Tevens is in dit verband de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van belang (37 WRO). Deze bevoegdheid houdt in dat de Minister aan een gemeenteraad opdracht kan geven tot het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan en een aanwijzing kan geven omtrent de inhoud van een plan. Het in praktijk brengen van deze bevoegdheid wordt gezien als een zwaar middel, waarvan niet lichtvaardig gebruik wordt gemaakt. Europese regelgeving Tot slot dient rekening te worden gehouden met Europees rechtelijke regelgeving. De Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn bieden verregaande bescherming aan bepaalde soorten vogels, maar ook aan bepaalde soorten gebieden in verband met de aanwezigheid van zeldzame vogelpopulaties. Windturbines vormen een bedreiging voor vogels indien deze bijvoorbeeld in een vluchtroute staan opgesteld. Omdat natuurwaarden en bedrijven logischerwijs niet samengaan lijkt deze beperking eerder van toepassing rondom bedrijventerreinen en niet op het bedrijventerrein zelf.

13

Voorbeelden hiervan zijn: Nota Planbeoordeling van de provincie Zuid-Holland, Windstreek 1999 van de provincie Fryslân

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (28)

Complexe zoneringsbepalingen Wgh vormen belangrijk obstakel
In deze paragraaf wordt ingegaan op de juridische aspecten van de Wet geluidhinder (Wgh) ten aanzien van windturbines op bedrijventerreinen. De volgende aspecten komen aan bod:(a) de Wgh stelt zones voor bepaalde industrieterreinen; (b) indien plaatsing van de windturbine leidt tot overschrijding van de geluidsgrenswaarden dan wordt plaatsing bemoeilijkt. De Wgh stelt zones voor bepaalde industrieterreinen Artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer definieert bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Artikel 41 van de Wgh geeft aan dat industrieterreinen welke mede bestemd zijn voor de vestiging van dergelijke bedrijven (ook wel A-inrichtingen genoemd) als industrieterreinen in de zin van de Wgh gelden. Specifiek daarbij is dat de geluidbelasting ten gevolge van een dergelijk industrieterrein als geheel aan grenswaarden dient te voldoen welke voortvloeien uit de wettelijke bepalingen van de Wgh. De toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van (alle) individuele bedrijven op het industrieterrein wordt hieruit afgeleid. Is de vestiging van ‘Art. 2.4 bedrijven’ uitgesloten, dan is het beschouwen van de geluidbelasting van het industrieterrein als geheel niet aan de orde. De toelaatbare geluidbelasting van individuele bedrijven vloeit dan voort uit de regelgeving uit hoofdstuk 4 van de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ van het ministerie VROM (zie verderop in dit hoofdstuk). Deze maakt het mogelijk, buiten de sfeer van de Wgh, aan het totaal aan industriegeluid van een bedrijventerrein een maximum te verbinden. Hoe in de praktijk de hardheid van de koppeling tussen de toelaatbare industriële geluidbelasting vanwege een bedrijventerrein (gemeentelijke geluidsnota) en de doelvoorschriften in de vergunning van individuele bedrijven zal zijn is vooralsnog niet duidelijk. Verandering van de zone kan alleen plaatsvinden bij de vaststelling en de herziening van het bestemmingsplan. Hiervoor is een akoestisch onderzoek nodig naar de geluidbelasting. Om te kunnen bepalen of oprichting van een windturbine op een bedrijventerrein mogelijk is en welke geluidsgrenswaarden op het terrein gelden, is het onder meer van belang om na te gaan of sprake is van een gezoneerd bedrijventerrein. De eerste zonevaststellingen in het kader van de Wgh hebben medio 1993 plaatsgevonden.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (29)

Indien plaatsing van de windturbine leidt tot overschrijding van de geluidsgrenswaarden dan wordt plaatsing bemoeilijkt De Wgh bepaalt geluidsgrenswaarden ter plaatse van woningen. Voor andere gebouwen en geluidsgevoelige objecten binnen een zone geeft het ‘Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen’ voorkeursgrenswaarden aan14. In veel gevallen zullen windturbines op grote al dan niet gezoneerde bedrijventerreinen in de regel zonder veel problemen inpasbaar zijn vanwege de irrelevante geluidproductie van de windturbines ten opzichte van het industriegeluid als geheel van het industrieterrein. Voorbeelden hiervan zijn Rotterdam Rijnmond in Rotterdam en Amsterdam Westpoort. Op kleinere bedrijventerrein (wel of niet gezoneerd) is vestiging vrijwel altijd een probleem vanwege het feit dat de afstand tot woningen veelal minder groot is en bewoners vanuit het ‘Not in my backyard’ (Nimby) effect reageren. Geluid wordt hierbij als belangrijke kapstok gebruikt om in formele zin in bezwaar en beroep in te stellen. Het feitelijke bezwaar is daarbij de dominantie van de aanwezigheid van de windmolens in de woonomgeving en de vrees dat daardoor de beleving van de leefomgeving zich in negatieve zin zal ontwikkelen. Wanneer geluidsgrenswaarden, zoals de onderstaande, worden overschreden door de oprichting van één of meer windturbines, betekent dit dat de oprichting in beginsel niet mogelijk is (behoudens hieronder genoemde ontheffingen). Buiten de zone mag de geluidbelasting niet hoger zijn dan 50dB(A). Binnen de zone kunnen twee situaties optreden:(a) 50 dB(A) als hoogst toelaatbare geluidbelasting aan de gevel van een woning of andere geluidgevoelig object; (b) 55 dB(A) als hoogst toelaatbare geluidbelasting geldt voor woningen en andere geluidgevoelige objecten in situaties die ten tijde van de zonevaststelling al aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd zijn en die een hogere geluidbelasting ondervinden dan 50 dB(A). De Wgh biedt de mogelijkheid om voor de hiervoor genoemde grenswaarden die gelden binnen een zone ontheffing aan te vragen. Ontheffing is mogelijk tot respectievelijk 55, 60 en 65 dB(A) afhankelijk van de specifieke omstandigheden15.
14

Zie ook art. 49/50 en 68 Whg. In het Besluit grenswaarden worden ondermeer genoemd: basisscholen, scholen voor voorgezet onderwijs etc. Andere gebouwen dan de hiervoor genoemde, die niet zijn genoemd in de regelgeving, kennen geen bijzondere bescherming ingevolgde de Wgh. Wel maakt de rechter hierop af en toe een uitzondering (bijvoorbeeld recreatiewoningen). 15 Ingevolge art. 47, 50, 66, 67 en 68 van de Wgh

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (30)

Wet milieubeheer en Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer stelt voorwaarden aan plaatsing van windturbines
In de Wet milieubeheer is voorzien in de vergunningplicht voor inrichtingen of onderdelen daarvan die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Voor het oprichten en in werking hebben van een windturbine is in principe ook een milieuvergunning nodig. Van belang hierbij is dat op gezoneerde bedrijventerreinen de geluidsgrenswaarden van de Wgh niet mogen worden overschreden. Verder is de vraag of een vergunning wordt verleend afhankelijk van de omstandigheden. Met name is van belang in hoeverre de specifieke omgeving bescherming nodig heeft tegen eventuele overlast van de windturbine. De vergunningplicht vervalt wanneer een activiteit voldoet aan een aantal voorschriften en eisen die de Rijksoverheid kenbaar heeft gemaakt in een Besluit, ook wel genoemd Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Wanneer een inrichting of onderdeel daarvan voldoet aan de regels die de AMvB stelt, vervalt de vergunningplicht en kan worden volstaan met een melding aan het bevoegd gezag. Ten aanzien van de oprichting van windturbines is op 1 december 2001 het Besluit voorzieningen en installaties in werking getreden.16 Voor het oprichten van windturbines die voldoen aan de voorwaarden die in het Besluit zijn genoemd, vervalt derhalve de vergunningplicht en kan worden volstaan met een melding aan het bevoegd gezag. De algemene regels van het Besluit zijn dan geldig. Hierna zal nader worden ingegaan op het Besluit en de overige relevante milieuregelgeving. AMvB vergroot kansen voor windturbines op bedrijventerreinen Het Besluit voorzieningen installaties en milieubeheer is eind 2001 in werking getreden. Op grond van dit besluit zal in de meeste gevallen bij de oprichting van windturbines kunnen worden volstaan met een melding.

16

Staatsblad 2001, nr. 487, 18 oktober 2001.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (31)

Windturbines vallen onder dit besluit voor zover:(a) windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast; (b) windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor; (c) de afstand tussen elke afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidgevoelige bestemming, tenminste vier maal de ashoogte bedraagt, en; (d) de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW. Windturbines kunnen in het kader van het Besluit in drie verschillende situaties worden geplaatst. Het Besluit spreekt van drie typen inrichtingen:(a) Type A Eén of meer windturbine(s) die een zelfstandige inrichting vormt/vormen (bijvoorbeeld windturbine(s) in het vrije veld). (b) Type B Eén of meer windturbine(s) die onderdeel zijn van een inrichting waarop reeds een andere AMvB van toepassing is. (c) Type C Eén of meer windturbine(s) die deel uitmaken van een vergunningsplichtige inrichting. Omdat voor de inrichtingen van het type B en C reeds in een ander kader voorschriften zijn gesteld (AMvB of Wm vergunning), gelden voor die inrichtingen alleen de specifieke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 van het Besluit. Op de type A-inrichtingen zijn de voorschriften van zowel bijlage 1 als bijlage 2 van het Besluit van toepassing. Voor onzelfstandige windturbines (type B en C) zijn in het Besluit geen voorschriften opgenomen die bepalen hoeveel geluid zij maximaal mogen veroorzaken. Dit wordt namelijk bepaald in de voorschriften die gelden voor de inrichting waarvan ze onderdeel uitmaken. Voor de zelfstandige windturbines (type A) gelden ook de in bijlage 2 bij het Besluit opgenomen voorschriften, waarin onder meer standaard geluidsgrenswaarden zijn opgenomen. Deze grenswaarden, die gelden onafhankelijk van het reeds heersende omgevingsgeluid, gelden op de gevel van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Een veelvoorkomend voorbeeld van een type-A inrichting is het plaatsten van windturbines op het openbaar groen van een (niet gezoneerd) bedrijventerrein.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (32)

In het Besluit is bij het stellen van geluidsgrenswaarden tevens rekening gehouden met het feit dat bij een stijgende windsnelheid ook het achtergrond geluidsniveau toeneemt. Dit wordt bepaald met de zogenaamde Windnormcurve (WNC) uit bijlage 3 van het Besluit. De WNC moet worden geïnterpreteerd als de gecorrigeerde norm- of grenswaarde bij hogere windsnelheden. Door rekening te houden met toenemend achtergrondgeluid bij toenemende windsnelheid, zijn de kansen voor inpassing van windenergie op een bedrijventerrein groter geworden. De standaard geluidsgrenswaarden kunnen, aldus de toelichting op de bovengenoemde bijlage, worden verhoogd tot boven de standaard WNC, indien het referentieniveau (dit is de hoogste waarde van nader omschreven geluidsniveaus in de omgeving, exclusief nietomgevingseigen bronnen) hoger is dan de standaard WNC. Bedacht dient te worden dat de WNC optimistisch is (te hoge waarden) wat betreft het referentieniveau bij lage windsnelheden. Dit betekent dat in de praktijk belangrijk lagere achtergrondgeluidniveaus bij lage windsnelheden kunnen optreden dan in de WNC verondersteld wordt. Bovendien dient het locatiespecifieke achtergrondgeluid uiteraard tenminste vastgesteld te worden bij de in Nederland dominante zuidwestelijke en westelijke windrichting. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden kan dit gunstig of ongunstig uitpakken bij de bepaling van de inpassing van de windturbines. Het verdient aanbeveling om in gevallen waar de komst van windturbines gevoelig ligt (grote kans op bezwaren) het locatiespecifieke achtergrondniveau te onderzoeken en niet de standaard WNC tot geluidsnorm te verheffen. Indien men op gezoneerde bedrijventerreinen grenswaarden binnen de geluidzone toelaat welke hoger zijn dan de standaard windnormcurve dan worden geluidbelastingen toegestaan van meer dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Deze waarde kan groter zijn dan de plaatselijke maximaal toelaatbare grenswaarde voor het industrieterrein als geheel. Zoals eerder gesteld zal de behoefte voor een dergelijke verruiming nauwelijks spelen bij grote industrieterreinen. Bij kleine industrieterreinen bestaat al gauw het eerder gesignaleerde probleem met de geringere afstand tot woningen hetgeen een zorgvuldig achtergrondgeluidsniveau-onderzoek rechtvaardigt. Overigens wordt opgemerkt dat in de Wet geluidhinder geen rekening wordt gehouden met eventuele windsnelheidscorrectie. Voor geluidgezoneerde terreinen wordt de geluidbelasting berekend via een zonebewakingsmodel. Om de geluidsruimte te kunnen berekenen zijn alle bestaande geluidsbronnen op het bedrijventerrein in een model ingevoerd. Het meetvoorschrift in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, dat geldt voor de bepaling van de bronsterkte van industriële geluidsbronnen, bepaalt dat de bronsterkte moet zijn gemeten onder gangbare meteocondities.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (33)

De akoestisch slechtst denkbare situatie die naar verwachting meer dan twaalf maal per jaar zal voorkomen geldt als leidend voor de in het zonemodel op te nemen bronsterkte. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van de geluidproductie bij een windsterkte die meer dan twaalf maal per jaar zal voorkomen. Aan het feit dat de AMvB wel en de Wgh geen rekening houdt een eventuele windsnelheidcorrectie wordt thans aandacht besteedt in het evaluatie en beheerstraject van de AMvB. Het verschil tussen de AMvB en de Wgh is overigens geen belemmering voor het naast elkaar kunnen bestaan van de beide regelingen. Een aantal marktpartijen stelt voor om, in ieder geval bij bedrijventerreinen waarbij de afstand van de windturbine tot de woonbebouwing groter dan 300 meter is (de afstand uit de AMvB waarbij geen geluidsonderzoek meer nodig is voor turbines groter dan 25 meter bladlengte), bij de bepaling van de geluidemissie van een windturbine rekening te houden met het achtergrondniveau. Dit past binnen het wettelijk kader van de Wgh. Voorgesteld wordt dat de minister van VROM deze beleidsregel uitvaardigt die daarmee duidelijkheid schept aan gemeenten. Het hanteren van deze beleidsregel betekent voor veel bedrijventerreinen dat het geluidsprobleem dan niet meer de ‘stopfactor’ is.1718 Ongeacht deze discussie zal in een geluidgevoelige omgeving het milieueffect van de realisatie van windturbines voldoende nauwkeurig in beeld dienen te worden gebracht. Locatiespecifiek achtergrondgeluidonderzoek onder dominante windrichtingen bij verschillende windsnelheden is dan gewenst. Het antwoord op de vraag of er onder gangbare meteocondities een aantoonbaar milieueffect is, is relevanter dan de status van het industrieterrein. Verwacht mag worden dat vanwege het normale industriegeluid de milieurelevantie van het geluid van windturbines gering is (zeker bij grote terreinen). Of een industrieterrein gezoneerd is of niet is hierbij niet van belang. Bij niet-gezoneerde terreinen geldt (vooralsnog) wel het grote voordeel dat de grenswaarden niet voortvloeien uit geluidzonebeheer waar nieuwe initiatieven een klein deel van het beschikbare industriegeluid krijgen. Op niet-gezoneerde terreinen wordt bij realisatie op het openbare groen het overig industriegeluid als achtergrondgeluid beschouwd.

17

Ook de Stichting Natuur en Milieu onderkent het probleem dat op bedrijventerreinen de geluidsnormen worden overschreden door het zoevende geluid van windturbines- opgeteld bij de bestaande geluidbelasting van het bedrijventerrein. SNM geeft eveneens aan dat hiervoor een oplossing moet worden gevonden. (SNM: Frisse Wind Door Nederland, april 2000). 18 Staatsraden hebben ter zitting aangegeven dat zij geen rekening mogen houden met de kwaliteit van het geluid van windturbines. Het voornamelijk aerodynamische geluid van windturbines – dat wellicht vergelijkbaar is met de wind door de bomen – mag niet in haar oordeel worden betrokken. Hiervoor biedt de regelgeving nog geen aanknopingspunt. Bij de beoordeling van de mate van geluidhinder – conform het principe van de AMvB-VIM – dient de kwaliteit van het geluid te kunnen worden betrokken door rechters.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (34)

Gecumuleerd met windgeruisgeluid maakt dit verruiming tot boven 50 dB(A) etmaalwaarde mogelijk, hetgeen in een geluidzone ex Wgh niet kan. Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening: een nieuwe systematiek De toelaatbare geluidbelasting van individuele bedrijven vloeit voort uit de regelgeving uit hoofdstuk 4 van de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ van het ministerie VROM. De Handreiking Industrie en Vergunningverlening vervangt de Circulaire Industrielawaai en sluit aan bij het gedachtegoed van het project Modernisering Instrumentarium Geluid (MIG) (zie bijlage D). Dit betekent dat in de Handreiking wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeentelijk geluidsbeleid hetgeen het mogelijk maakt (buiten de sfeer van de Wgh) aan het totaal aan industriegeluid van een bedrijventerrein een maximum te verbinden. Met de opstelling van de hiervoor noodzakelijke gemeentelijke geluidsnota’s wordt thans (medio 2002) in steeds grotere mate aangevangen. In de Handreiking zelf is opgenomen dat deze dient te worden gezien als een handreiking voor het vaststellen van beleidsregels. Gemeenten dienen derhalve op basis van deze Handreiking een eigen geluidshinderbeleid vast te stellen, waaraan moet worden voldaan. Zolang een gemeente dat nog niet heeft gedaan, moet wat betreft de grenswaarden voor de geluidsnormering bij de vergunningverlening nog gebruik worden gemaakt van de normstellingsystematiek in de circulaire.

Optimaal gebruik maken van technische mogelijkheden maakt windturbines op bedrijventerreinen inpasbaar binnen de regelgeving
In de voorgaande alinea’s is stilgestaan bij de juridische wet- en regelgeving met betrekking tot windenergie op bedrijventerreinen. Geconstateerd is, dat met name de geluidsproblematiek juridisch zeer complex is en een obstakel kan vormen voor toepassing van windenergie op bedrijventerreinen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de specifieke technische aspecten van windturbines ten aanzien van geluid en de wijze waarop optimaal gebruik kan worden gemaakt van de technische en juridische (akoestische) mogelijkheden. Geluidsaspecten van windturbines technisch complex In het kader van bepalingen uit de Wet geluidhinder (bij gezoneerde terreinen) en de Wet milieubeheer moet een windturbine voldoen aan bepaalde eisen met betrekking tot de toegestane geluidbelasting.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (35)

Deze eisen zijn in de wet geformuleerd als maximaal toegestane immissie aan de dichtstbijzijnde gevel van (woon)bebouwing. Het maximaal toegestane niveau, uitgedrukt in dB(A), is afhankelijk van het gebied. De geluidsnormering bij windturbines wordt in het kader van de toetsing van de vergunning, beoordeeld bij één windsnelheid: namelijk 8 meter per seconde op 10 meter hoogte. De geluidproductie van windturbines is echter sterk afhankelijk van de windsnelheid en de tipsnelheid van de rotorbladen. De tipsnelheid en daarmee de geluidsproductie is rechtsevenredig met het toerental van de turbine. De exacte relatie tussen geluidsproductie en windsnelheid is afhankelijk van de toegepaste technologie. Er is onderscheid te maken tussen:(a) een constant toeren turbine: het rotor toerental is onafhankelijk van de windsnelheid. Het toerental staat vast en daarmee de tipsnelheid van de bladen. De geluidproductie neemt slechts minimaal toe bij hogere windsnelheden; (b) tweetoeren turbine: bezit twee generatoren en heeft daarmee de mogelijkheid om tussen twee vaste toerentallen te schakelen. Het lage toerental wordt gebruikt bij lage windsnelheden (<6m/s). Het hoge toerental wordt bij hogere windsnelheden ingezet. Op deze wijze ontstaat een sprong in de relatie van de geluidproductie ten opzichte van de windsnelheid; (c) variabel toeren turbine: het toerental is afhankelijk van de windsnelheid volgens een vooraf geprogrammeerde curve. Deze curve behaalt een hoger rendement zodra bij lage windsnelheden het toerental ook laag is en zodra de windsnelheid toeneemt ook het toerental toeneemt. De onderstaande grafiek geeft een overzicht van de verschillende relaties van geluidproductie ten opzichte van de windsnelheid bij de verschillende windturbinetypen.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (36)

Constant toeren 101,0 2-toeren Variabel toeren 100,0

99,0

Geluidsdruk (dB(A))

98,0

97,0

96,0

95,0

94,0

93,0 4 5 6 7 8 9

Windsnelheid (m/s)

Bij een toenemende windsnelheid neemt ook het achtergrondgeluidsniveau toe. De Windnormcurve uit de AMvB ‘Voorzieningen en installaties milieubeheer’ houdt hier rekening mee. Bij de moderne twee- en variabeltoerenturbines is het mogelijk om het toerental bij een bepaalde windsnelheid vanuit de besturing te bepalen. Dit biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld gedurende de nachtelijke uren een lagere geluidsproductie te hebben dan gedurende de dag. Dit gaat echter wel ten koste van de elektriciteitsproductie. Een dergelijke maatregel als uiterst ongewenst zal worden ervaren door de initiatiefnemer, daar goed is te kapitaliseren hoeveel productieverlies op jaarbasis hierdoor ontstaat. Het wordt ervaren als een laatste redmiddel. Zeker in een ontwerpstadium wil men niet van beperkingen in het gebruik spreken. Veelal wordt naar alternatieven gezocht door toepassing van kleinere molens in een groter aantal. Technische mogelijkheden om windenergie inpasbaar binnen de regelgeving te krijgen Zoals reeds gesteld wordt het bepalen van het referentie-emissie niveau van een windturbine bepaald bij een windsnelheid van 8 m/s op 10 meter hoogte. In de praktijk is een windturbine slechts een klein deel van de tijd in dit bereik actief.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (37)

Windturbine als ‘situatie afhankelijk bedrijf’ biedt mogelijkheid om aan geluidproductie aan te passen aan eisen milieuvergunning

Kritieke bandbreedte:

waarbij turbinegeluid het maximale immissieniveau overschrijd Windturbine geluid valt binnen normstelling Mogelijke oplossing: -omschakeling naar lager toerental -toerencurve optimaliseren naar elektriciteit- én geluidproductie
Windturbinegeluid valt weg tegen achtergrondgeluid

windsnelheid <6m/s (indicatief)

windsnelheid >6m/s en < 8m/s (indicatief)

windsnelheid >10m/s (indicatief)

Bij moderne windturbines van twee- of variabeltoerensystemen, zal het grootste probleem ten aanzien van vergunningverlening ongeveer bij deze windsnelheid (8m/s) liggen. Bij lagere windsnelheden is de geluidsemissie zodanig laag, dat waarschijnlijk geen overschrijding van de geluidsgrenswaarden plaatsvindt. Bij hogere windsnelheden zal het achtergrondgeluid zodanig toenemen dat er geen sprake meer is van overschrijding van de geldende geluidsgrenswaarden. Door aanpassing van het toerental van de windturbine in het ‘kritieke’ gebied, kan binnen de gestelde geluidsnormen gebleven worden. Door het toepassen van windturbines op een bedrijventerrein, waarbij het toerental bij een bepaalde windsnelheid aangepast kan worden, kan de windturbine als een ‘situatie afhankelijk bedrijf’ functioneren. Hierdoor is het mogelijk om kansen voor windenergie op bedrijventerreinen te creëren. (zie ook bovenstaande figuur).

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (38)

Toepassing van juridische mogelijkheden veronderstelt gedegen kennis van zaken bij vergunningverlenende instanties Door optimaal gebruik te maken van de richtlijnen uit de bijlagen bij de AMvB ‘Voorzieningen en installaties milieubeheer’ en deze in samenhang te brengen met de technische mogelijkheden (variabele toerentallen, invloed van achtergrond) is het mogelijk om onder bepaalde omstandigheden (bij bepaalde windsnelheden of gedurende bepaalde uren van de dag) de geluidproductie aan te passen, zodat de in de AMvB opgenomen geluidsgrenswaarden niet worden overschreden. Ook is het mogelijk om een windparkinrichting te laten voldoen aan de gestelde geluidsnormen, door bij andere objecten, binnen de dezelfde vergunning, geluidsreducerende maatregelen toe te passen. Op locaties met gunstige windcondities is het vaak mogelijk om deze maatregelen te bekostigen vanuit de exploitatie van het windpark. Deze ‘creatieve’ toepassingen veronderstellen echter wel gedegen kennis van zaken bij de vergunningverlenende instantie. In de figuur op de volgende pagina is een ‘beslisboom vanuit planologie en milieuregelgeving’ opgenomen voor de plaatsing van windturbines. In deze beslisboom zijn de cruciale vragen gestructureerd en in logische volgorde geplaatst wat een handvat biedt om te bepalen in hoeverre een bedrijventerrein goede juridische mogelijkheden biedt voor oprichting van windturbines.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (39)

Beslisboom vanuit planologie en milieuregelgeving voor plaatsing van windturbines op bedrijventerreinen
Bestaand bedrijventerrein

Is er ruimte of komt er ruimte vrij door vertrek/revititalisering/uitbreiding? t i ? Ja Nee

Is het een gezoneerd terrein?

Ja

Nee

Is de geluidruimte vol? Voorziet het bestemmingsplan in de oprichting van een windturbine? Nee Ja

Ja

Nee

Eventueel zone verruimen door herziening bestemmingsplan, of art. 19 proc.

Is sprake van (hinder)gevoelige (zoals geluid, slagschaduw e.d) (woon)bebouwing? Bepaal inpasbaarheid op basis van de resultaten van zorgvuldig onderzoek

Ja

Nee

Is er sprake van onevenredige aantasting van landschap/omgeving? Nee Ja

Is er sprake van goede ruimtelijke condities voor windturbines (openheid landschap e.d.)

Nee

Ja

Goede mogelijkheden voor oprichting windturbines

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (40)

Conclusies voor juridische kansen en belemmeringen van windenergie op bedrijventerreinen
In deze paragraaf worden als eerste enkele algemene conclusies getrokken ten aanzien van de juridische kansen en belemmeringen van het toepassen van windenergie op bedrijventerreinen. Vervolgens wordt nader ingegaan op de factoren die de kansen voor toepassing van windturbines op bedrijventerreinen beïnvloeden. Algemene conclusies Op basis van de juridische analyse kunnen de volgende algemene conclusies worden getrokken:(a) de vraag of oprichting van een windturbine mogelijk is op een bedrijventerrein hangt primair af van het antwoord of het bestemmingsplan daarin voorziet. Voorziet het bestemmingsplan daarin niet, dan is oprichting in principe niet mogelijk. Eventueel kan met behulp van een artikel 19-procedure worden geprobeerd een windturbine op te richten; (b) nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein bieden vanuit juridische optiek gunstiger mogelijkheden voor de oprichting van windturbines in vergelijking met bestaande terreinen; (c) wordt in planologisch opzicht voorzien in de oprichting van windturbines, dan speelt de Wet geluidhinder vervolgens een rol bij plaatsing van windturbines op gezoneerde bedrijventerreinen. Leidt plaatsing van windturbines tot overschrijding van de geluidsgrenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder, dan wordt oprichting van windturbines eveneens bemoeilijkt; (d) voor het oprichten en het in werking hebben van een windturbine is ook een milieuvergunning nodig. Van belang hierbij is dat op gezoneerde bedrijventerreinen de geluidsgrenswaarden van de Wet geluidhinder niet mogen worden overschreden. Verder is de vraag of een vergunning wordt verleend afhankelijk van de omstandigheden. Het antwoord op de vraag in hoeverre de specifieke omgeving bescherming nodig heeft tegen de eventuele overlast van een windturbine is met name van belang. Dit kan van geval tot geval verschillen; (e) het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer vervangt, indien voldaan wordt aan enkele randvoorwaarden, de vergunningplicht voor de oprichting en het in werking hebben van windturbines door een meldingsplicht. Dit betekent een aanmerkelijke verbetering voor de mogelijkheden van oprichting van (een) windturbine(s), omdat vooraf vast staat aan welke vereisten de windturbine moet voldoen. Bij vestiging op openbaar groen zal het Besluit van toepassing zijn; (f) belemmeringen voor het plaatsen van windturbines komen met name voort uit de gevoeligheid van de omgeving. Pas indien de gevoeligheid minder speelt is van belang of het gaat om een gezoneerd of niet-gezoneerd bedrijventerrein;

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (41)

(g)

(h)

door optimaal gebruik te maken van technische mogelijkheden kan (juridische) ruimte worden gecreëerd voor windturbines op bedrijventerreinen. Om (met name bestaande) bedrijventerreinen echter daadwerkelijk interessante locaties te laten worden voor windenergie, is een nadere beschouwing (door VROM) op de mogelijkheden om de geluidsruimte voor windturbines ‘op te rekken’ gewenst; toepassing van de juridische en technische mogelijkheden veronderstelt wel een gedegen kennis van de problematiek bij vergunningverleners.

Factoren die kansen voor windturbines op bedrijventerreinen beïnvloeden Uit de juridische analyse blijkt dat het voor de inschatting van de juridische kansen van belang is om onderscheid te maken naar:(a) het type inrichting conform de AMvB met enerzijds type-A inrichtingen (zelfstandige inrichtingen) en type-B en –C inrichtingen (onderdeel van bestaande inrichting); (b) de situatie ten aanzien van zonering (wel of niet gezoneerd); (c) omvang van het bedrijventerrein (groot of klein); (d) bestaande en nieuw te ontwikkelen terreinen. Typering inrichting Het plaatsen van een windturbine op een bedrijventerrein als zelfstandige inrichting (bijvoorbeeld op openbaar groen) biedt meer juridische kansen dan wanneer diezelfde windturbine onderdeel uitmaakt van een bestaande inrichting. Bij plaatsing als zelfstandige inrichting (type-A uit de AMvB) geldt slechts een meldingsplicht indien aan de randvoorwaarden uit de AMB wordt voldaan. Is de afstand tot de woonbebouwing groter dan 300 meter is (de afstand uit de AMvB waarbij geen geluidsonderzoek meer nodig is voor turbines groter dan 25 meter bladlengte), dan nemen de plaatsingskansen nog verder toe. Wanneer een windturbine onderdeel uitmaakt van een bestaande inrichting (type-B en –C uit de AMvB), dan zullen de plaatsingskansen afnemen vanwege de geldende geluidseisen die zijn voorgeschreven in de algemene regels of milieuvergunning van de inrichting.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (42)

Zonering bedrijventerrein Gezoneerde bedrijventerrein dienen als geheel aan de geluidsgrenswaarden op de zonegrens te voldoen. Indien de toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van het bedrijventerrein reeds maximaal is ingevuld door de aanwezige bedrijven, dan zal de plaatsing van windturbines sterk worden bemoeilijkt omdat grote kans bestaat dat de 50 dB(A)-contour wordt overschreden. Wanneer de maximale geluidbelasting nog niet is opgevuld of door revitalisering geluidsproducerende bedrijven zijn vertrokken en/of aanvullende geluidsreducerende maatregelen zijn getroffen, kan geluidsruimte ontstaan waarvan windturbines eventueel gebruik kunnen maken. Voordeel van een gezoneerd bedrijventerrein kan zijn dat de in acht te nemen voorkeurgrenswaarden binnen de zone tamelijk hoog kunnen zijn. Van deze situatie kan een windturbine eventueel profiteren. Het voordeel van een ongezoneerd terrein is dat niet aan zonegrensbepalingen hoeft te worden getoetst. Anderzijds kan niet worden geprofiteerd van eventueel hoge voorkeursgrenswaarden die gelden voor gezoneerde bedrijventerreinen. Verder bestaat het gevaar van oprukkende woonbebouwing en andere geluidgevoelige objecten als gevolg van het ontbreken van een 50 dB(A)-contour. Over het algemeen bieden ongezoneerde bedrijventerreinen echter meer mogelijkheden voor plaatsing van windturbines omdat de windturbine(s) in dat geval zelfstandig aan de geluidsgrenswaarden moeten voldoen. Deze geluidsgrenswaarden worden dan in de vergunning of AMvB gesteld. Omvang bedrijventerrein Over het algemeen zal een omvangrijk bedrijventerrein vanwege de veelal afwezige woningen op korte afstand van het terrein, goede mogelijkheden bieden voor het plaatsen van windturbines. Kleinschalige bedrijventerreinen liggen vaker dichter bij woningen waardoor de kans op bezwaren toeneemt. Ook indien het terrein is gezoneerd zal een omvangrijk terrein meer kansen bieden dan een kleinschalig terrein omdat de maximale geluidbelasting vaak nog niet is ingevuld bij een grootschalig terrein.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (43)

Bestaande of nieuw te ontwikkelen terreinen Bij een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein kan vooraf in het bestemmingsplan rekening worden gehouden met de plaatsing van windturbines. Het bestemmingsplan kan zodanig worden opgesteld, dat rekening wordt gehouden met geluidhinderaspecten, slagschaduwhinder en lichtschittering als gevolg van ronddraaien van de rotorbladen, landschappelijke inpassing, vermijding van storing van ontvangstapparatuur, optimale windvang etc. Bovendien is de geluidbelasting van windturbines doorgaans minder groot dan die van grote lawaaimakers. Een nieuw te ontwikkelen terrein biedt daarom meer mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines dan een bestaand bedrijventerrein. Over het algemeen voorzien de bestemmingsplannen van oude bestaande bedrijventerreinen niet in de oprichting van windturbines. De in het bestemmingsplan opgenomen flexibiliteitsbepalingen, zoals de mogelijkheid het plan verder uit te werken (uitwerkingsverplichting) en de mogelijkheid bestemmingen in een plan te wijzigen (wijzigingsmogelijkheid) kunnen al zijn benut. Daarnaast zijn bestaande bedrijventerreinen vaak al volgebouwd, waardoor de ruimte voor plaatsing van windturbines niet aanwezig is. Wanneer een bestaand bedrijventerrein is gerevitaliseerd, dan wel dat daartoe plannen bestaan, en bij die revitalisering rekening wordt gehouden met de oprichting van windturbines door het wijzigen van het bestemmingsplan, nemen de kansen voor plaatsing weer toe. Revitalisering van bedrijventerreinen houdt een algehele kwaliteitsverbetering in, op het ruimtelijke-, het milieutechnische -, het technische- en het sociale vlak. Ook kan de artikel 19-procedure een rol spelen op het moment dat een bestaande inrichting in het kader van de revitalisering vertrekt en er ruimte vrijkomt op het bedrijventerrein. Met behulp van deze procedure kan in afwijking van het bestemmingsplan een windturbine worden opgericht. Verder is de kans niet ondenkbaar dat bij bestaande terreinen de woonbebouwing en andere objecten, die gemakkelijk hinder kunnen ondervinden van windturbines, inmiddels tot vlakbij het bedrijventerrein zijn opgerukt, hetgeen aan de oprichting van windturbines beperkingen oplegt. Per saldo moeten de juridische mogelijkheden voor oprichting van windturbines op bestaande terreinen als laag worden ingeschat.

Juridische kansen en belemmeringen voor windenergie op bedrijventerreinen (44)

4 Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen
Marktpartijen, zoals energiebedrijven, projectontwikkelaars en windturbinefabrikanten, zijn continu op zoek naar kansrijke/haalbare locaties voor het realiseren van windenergieprojecten. Marktpartijen onderzoeken ook de mogelijkheden op bedrijventerreinen, daarbij zijn anno 2001 circa 30 projectinitiatieven voor windenergie op bedrijventerreinen geïdentificeerd19. Toch zijn marktpartijen voorzichtig met hun verwachtingen. Op basis van de gevoerde gesprekken met marktpartijen kunnen de volgende constateringen worden gedaan:(a) marktpartijen zijn verdeeld over de kansrijkheid van windenergie op bedrijventerreinen; (b) er heerst geen uitgesproken voorkeur voor nieuwe of bestaande bedrijventerreinen; (c) overheid en milieuorganisaties realiseren zich onvoldoende de complexiteit van windenergie op bedrijventerreinen.

Marktpartijen zijn verdeeld over kansrijkheid van windenergie op bedrijventerreinen
Marktpartijen schatten de haalbaarheid van windenergie op bedrijventerreinen verschillend in. De diverse marktpartijen hebben in de praktijk verschillende ervaringen met projecten opgedaan en baseren hierop hun oordeel. Daarbij valt op dat met name de meer kritische bedrijven in de praktijk reeds tegen een aantal belemmeringen is opgelopen waardoor projectinitiatieven alsnog zijn afgeblazen. Gesteld kan worden dat marktpartijen geen uitgesproken voorkeur hebben voor bedrijventerreinen. Hieronder is een overzicht gegeven van de belangrijkste voor- en nadelen die door marktpartijen zijn genoemd inzake de kansrijkheid van windenergie op bedrijventerreinen:(a) argumenten voor:(i) bedrijventerreinen geven kans om op relatief eenvoudige manier toch turbines te plaatsen Bij bedrijventerreinen kan gebruik gemaakt worden van de bestaande energie-infrastructuur. Verwacht wordt dat locatieverwerving en vergunningen simpeler is dan bij ‘gewone’ windparken wanneer het initiatief van bedrijven zelf komt.

19

Dit betreft initiatieven die onderling in verschillende fasen bevinden, veelal nog in een oriënterend stadium.

Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen (45)

(b)

Dit wordt ondermeer toegeschreven aan het feit dat bedrijven vaak invloedrijk zijn door de bijdrage die zij leveren aan de locale werkgelegenheid. (ii) marktpartijen ervaren dat bedrijventerreinen de voorkeur hebben van de overheid en de natuur en milieubeweging Een aantal marktpartijen verwacht dat, door de voorkeur van die verschillende overheden en natuur en milieuorganisaties uitspreken voor bedrijventerreinen, plaatsing van windturbines eenvoudiger en sneller zal kunnen plaatsvinden dan op de meer ‘traditionele’ locaties. Men verwacht hierdoor eenvoudiger en snellere (vergunning)procedures te kunnen doorlopen waardoor relatief kleine windparkjes op een bedrijventerrein toch commercieel interessant worden. (iii) wind op bedrijventerreinen mede gedreven door profilering op duurzaamheid door bedrijven Gesignaleerd wordt dat de initiatieven voor windenergie ook bij de bedrijven zelf vandaan komt. Bedrijven wensen zich in toenemende mate duurzaam te profileren naar hun klanten en toeleveranciers. Een energiebedrijf verwoorde het als volgt: ‘wij leveren geen windturbines als product, maar eigenlijk leveren wij een ‘duurzaam imago’. Ervaren wordt dat de markt voor windenergie op bedrijventerreinen gedreven wordt door een ‘pull-’principe in plaats van een ‘push-’principe. Dit in tegenstelling tot andere sectoren van projectontwikkeling van windenergie. Individuele bedrijven die energiebedrijven benaderen worden uiteraard ook gedreven door het feit dat zijn weten dat er geld valt te verdienen aan windenergie. Vaak is dit echter niet de belangrijkste drijfveer. argumenten tegen:(i) windenergie op bedrijventerreinen blijft een complexe zaak Bedrijventerreinen worden ervaren als complexe locaties voor windenergie. Hiervoor worden een aantal argumenten genoemd:geluidsproblematiek en slagschaduwhinder continue veranderingen in de grondsituatie en inrichting van een terrein dat in ontwikkeling is veiligheidsaspecten groot aantal omwonenden en belanghebbenden op een bedrijventerrein inpasbaarheid (met name ook de beperkte beschikbaarheid aan ruimte om de windturbine op te bouwen). Enkele marktpartijen geven dan ook aan dat volgens hen daadwerkelijke potentie van bedrijventerreinen te optimistisch wordt ingeschat. Deze marktpartijen schatten de slaagkans voor projecten op bedrijventerreinen in het algemeen lager in dan voor projecten in het buitengebied.

Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen (46)

(ii)

beperkt projectomvang op bedrijventerreinen Windprojecten op bedrijventerreinen worden veelal gekenmerkt door kleinschaligheid (vaak maar één of twee turbines). Aangegeven wordt dat er een relatie ligt tussen de omvang van het park en de kansrijkheid van het project. De hoeveel voorbereidingstijd voor het realiseren van één windturbine of tien windturbines loopt niet op met een factor tien 10. Grootschaliger projecten hebben eerder de voorkeur bij marktpartijen.

Er heerst geen uitgesproken voorkeur voor nieuwe of bestaande bedrijventerreinen
De marktpartijen schatten de mogelijkheden voor windenergie op nieuwe dan wel bestaande bedrijventerreinen verschillend in. Wij geven zowel voor nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen als voor bestaande bedrijventerreinen een overzicht van positieve dan wel negatieve kwalificaties:(a) nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen:(i) als voordelen worden genoemd:invloed op terreinindeling: bij de inrichting en verkaveling van het bedrijventerreinen kan beter rekening worden gehouden met de inpassing van windturbines de mogelijkheid om rekening te houden met geluidscontouren gemeenten kunnen aan nieuw te ontwikkelen terreinen specifieke duurzame energie doelstellingen verbinden20 (ii) als nadelen worden genoemd:de angst voor waardevermindering van de grond. De grondeigenaar (projectontwikkelaar, gemeentelijk grondbedrijf, industrieschap, havenschap) zijn bang dat de grond minder waard wordt wanneer er windturbines worden geplaatst. Dit is voor gemeenten en projectontwikkelaars een zeer grote ‘demotivator’ een bedrijventerrein is een dynamische omgeving: de feitelijke grondsituatie voor bedrijventerreinen in ontwikkeling is complex als gevolg van voortdurend wisselende opties op de grond (b) bestaande bedrijventerreinen:(i) als voordelen worden genoemd:de grond is vergeven en de eigenaren en belanghebbenden zijn bekend er is een goed beeld van de mogelijke ruimte op het terrein waar eventueel turbines kunnen worden geplaatst steeds meer bedrijven nemen zelf al initiatieven om met duurzame energie aan de slag te gaan: verwerven van een duurzaam imago
20

Een voorbeeld hiervan de Ecofactorij in de gemeente Apeldoorn.

Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen (47)

-

(ii)

elektrische inpassing relatief eenvoudig (energie-infrastructuur is aanwezig) invloedrijke bedrijven kunnen vergunningverleningstraject versnellen. Gemeentebestuurders zijn gevoelig voor de economische positie en de bijdrage aan de werkgelegenheid van het bedrijf als nadelen worden genoemd:de complexiteit van de omgeving: aanwezigheid woonbebouwing, bedrijfswoningen, kantoren. Dit heeft met name consequenties voor de geluidsaspecten en slagschaduw. Langere vergunningverleningsprocedures zijn de praktijk, waarbij afbreukrisico’s als reëel worden ingeschat inpasbaarheid: in de praktijk blijkt het vaak moeilijk om een plek te vinden voor een windturbine, zodanig dat de windturbine ook fatsoenlijk opgebouwd kan worden en een ‘nette’ opstelling te maken.

Uit deze opsomming blijkt duidelijk dat het geven van een precieze slaagkans van windenergie op een bedrijventerrein erg afhankelijk is van de specifieke situatie op een locatie. In deze zin wijkt het bedrijventerrein niet af van andere mogelijke locaties voor windenergie.

Overheid en milieuorganisaties realiseren zich onvoldoende de complexiteit van windenergie op bedrijventerreinen
Meerdere marktpartijen signaleren dat de optimistische geluiden over windenergie bedrijventerreinen met name uit de hoek komt van de overheid en milieuorganisaties. Marktpartijen ervaren dat zij door de overheid soms richting bedrijventerreinen opgedrongen, maar dat in de praktijk blijkt dat het daadwerkelijk realiseren van projecten op bedrijventerreinen geen sinecure is. Marktpartijen ervaren in de praktijk dat door de focus op bedrijventerreinen, het vervolgens steeds moeilijker wordt om in het buitengebied nog windprojecten te realiseren. Terwijl juist in het buitengebied de plaatsingsproblematiek in het algemeen eenvoudiger wordt ervaren. Een marktpartij verwoorden zijn zorg als volgt: ‘Op bedrijventerreinen zijn misschien enkele tientallen windturbines te winnen, maar in het buitengebied zijn enkele honderdtallen te verliezen’. Bij meerdere marktpartijen is de zorg aanwezig dat de positieve promotie van de mogelijkheden op bedrijventerreinen ten koste gaat van de mogelijkheden in het buitengebied.

Voorkeurslocaties voor windenergie van marktpartijen (48)

5 Conclusies
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de ontwikkelingen en de technische en juridische kansen en belemmeringen ten aanzien van windenergie op bedrijventerreinen. Tevens is beschreven hoe marktpartijen ten opzichte van windenergie staan. In dit hoofdstuk staan de belangrijkste conclusies. Aangezien het beschikbaar krijgen van ruimte voor windenergie van cruciale betekenis is voor het realiseren van de duurzame energiedoelstellingen van de overheid, vormt de ruimte die in het kader van respectievelijk nieuw te ontwikkelen en te revitaliseren bedrijventerreinen wordt aangemerkt, een interessante beleidsoptie. In Nederland bedraagt in de periode tot 2020 de netto vraag naar nieuwe bedrijventerreinen circa 22.000 hectare en is een verwachte herstructurering nodig van circa 10.000 hectare. In totaal is dus tot 2020 een (her)ontwikkeling nodig van circa 32.000 hectare bedrijventerreinen. De MJA-2, het klimaatconvenant en het BLOW vormen prikkels die de toepassing van duurzame energie stimuleren. Zowel bedrijven als gemeenten en provincies dienen te onderzoeken welke mogelijkheden zij hebben om de toepassing van duurzame energie te vergroten. Windenergie wordt in het bijzonder door het BLOW op de agenda gezet bij gemeenten en provincies, waarbij iedere provincie een doelstelling opgelegd heeft gekregen. In menig ruimtelijke ordeningsnota van zowel het Rijk als provincies en gemeenten wordt de locatie van bedrijventerreinen aangemerkt als een ruimtelijke bestemming voor (het plaatsen van) windturbines. Deze bestemming wordt vaak in een adem genoemd met locaties langs dijken, kanalen en snelwegen, terwijl aan het plaatsen van windenergie in het buitengebied, waar nu vrijwel alle windenergie wordt gegenereerd, in toenemende mate stringente voorwaarden worden verbonden. Ook maatschappelijke organisaties zoals natuur & milieubelangengroepen opteren voor windenergie op bedrijventerreinen Er is geen significant verschil te traceren tussen type bedrijventerreinen (zware industrie, zeehaven, bedrijvenpark, etc.) en de kansen en beperkingen van windenergie. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde kantorenlocaties. Met name op deze locaties blijkt de veiligheid (kans op loslatende onderdelen van een turbine) en slagschaduwhinder een groot obstakel voor het plaatsen van windturbines. Bedrijventerreinen als potentiële locaties voor windenergie hebben in vergelijking met (agrarische) buitengebieden een hogere complexiteit. Zowel complexe wet- en regelgeving op het gebied van milieu (geluid) en ruimtelijke ordening als de financieel-economische belangen op bedrijventerreinen vormen hiervoor een verklaring.

Conclusies (49)

Bestaande bedrijventerreinen hebben veel overeenkomsten met gebouwde omgeving, waarin met windenergie nog maar weinig ervaring is opgedaan. Dit sluit niet uit dat toepassing van kleine windturbines in de gebouwde omgeving een goed alternatief kunnen zijn voor toepassing van windenergie op bedrijventerreinen. Om windenergie te kunnen toepassen moet in het algemeen worden voldaan aan enkele voorwaarden. De windturbine moet rendabel kunnen worden geëxploiteerd maar er moet ook rekening worden gehouden met ruimtelijke beperkingen. Het onderscheid tussen bestaande en nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen is hierbij van wezenlijk belang voor de inschatting van het potentieel van windenergie. Nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen bieden, op voorwaarde dat pro-actief wordt geparticipeerd in planvorming, de meeste kansen op windenergie. Nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen bieden de mogelijkheid om bij de inrichting van het terrein (het stedenbouwkundig ontwerp) optimaal te anticiperen op de plaatsing van windturbines en hiervoor ook in stedenbouwkundig opzicht gunstige voorwaarden te creëren. Bijvoorbeeld: beschikbaarheid van zuidwestlocaties (overheersende windrichting) en geen of slechts zeer beperkte obstakels (turbulentie). De voorwaarden die de omgeving stelt aan het plaatsen van windturbines zijn divers (slagschaduw, leidingen, geluid, straalpaden, infrastructuur, veiligheid, fauna, etc.) en meermaals een reden voor het afzien van windturbines. Ook in juridisch opzicht bieden omvangrijke terreinen met ruime afstand tot woningen meer ‘ruimte’ voor toepassing van windenergie. Bovendien biedt het integreren van windenergie, reeds vanaf de planvorming, de mogelijkheid om het draagvlak voor windenergie bij ondernemers te vergroten. Bovendien zijn technische mogelijkheden beschikbaar, zoals verlagen van het toerental, waarmee aan de geluidseisen tegemoet kan worden gekomen. De ruimtelijke ordening wetgeving (WRO) en de milieuwetgeving (Wgh, Wm) brengen veel randvoorwaarden met zich mee voor het plaatsen van windturbines in het algemeen en op bedrijventerreinen in het bijzonder. De komst van de AMvB ‘Voorzieningen en installaties milieubeheer’, zal echter voor veel situaties de complexe milieuvergunningprocedure vervangen voor een meldingsplicht. De toepassing van windturbines op gezoneerde bedrijventerreinen blijft echter een lastige situatie. Bij de bepaling van de geluidbelasting van de omgeving ten gevolge van het bedrijventerrein wordt in de Whg, in tegenstelling tot de genoemde AMvB, geen rekening gehouden met het toenemende achtergrondgeluid bij oplopende windsnelheid. Dit neemt niet weg dat beide regelingen naast elkaar kunnen bestaan. Ongeacht de situatie zal in een geluidsgevoelige omgeving het milieueffect van de realisatie van windturbines voldoende nauwkeurig in beeld dienen te worden gebracht.

Conclusies (50)

Locatiespecifiek achtergrondgeluidonderzoek onder dominante windrichtingen bij verschillende windsnelheden is dan gewenst. Het antwoord op de vraag of er een aantoonbaar milieueffect is, is relevanter dan de status van het industrieterrein. Nu de voorkeur zich gestadig ontwikkelt in de richting van rijen windturbines, die zich kunnen voegen in een omgeving met infrastructurele kenmerken, dient men zich ook te realiseren, dat verreweg de meeste bedrijventerreinen te klein zijn voor opstelling van turbines in een rij. Gelet op het gebruik en de waarde van de ruimte op een bedrijventerrein is de kans groot, dat slechts reststroken kunnen overblijven voor windenergie. Doorgaans blijken deze stroken in de praktijk weinig ruimte te bieden voor een harmonieuze plaatsing in relatie tot de overige bouw, laat staan dat er plaats is voor een keurige rij met windturbines. Het is een opvallend feit, dat marktpartijen in de praktijk veel waarde toekennen aan het voorkomen van tegenstellingen tussen de voor- en tegenstanders van windenergie. Ook voor het tot stand brengen van windenergie op bedrijventerreinen is het communiceren met alle betrokkenen van wezenlijk belang. De opstelling van natuur & milieuorganisaties is van doorslaggevende betekenis voor het draagvlak en derhalve de acceptatie van plannen voor het tot stand brengen van windenergie op bedrijventerreinen. Het deelgenoot maken van een proces is belangrijk. In succesvolle verhalen blijkt altijd weer een verbindende schakel op het juiste moment de doorslag te hebben gegeven. Communiceren en participeren in processen die met het introduceren van windenergie op bedrijventerreinen worden geïnitieerd, veronderstellen regie en maatvoering, waarover bewust moet worden nagedacht en worden voorbereid. Marktpartijen zijn verdeeld over de toepassing van windturbines op bedrijventerreinen. Bedrijven zien dat de terreinen een relatief eenvoudige manier zijn om turbines te plaatsen en zien ook dat de overheid en maatschappelijke organisaties zich hiervoor inzetten. Verder kan het toepassen van windenergie het imago van de bedrijven versterken. Bedrijven zien echter ook de complexe factoren, zoals tijdrovende procedures, ruimtebeslag en veiligheidseisen. Bedrijven hebben daarbij geen uitgesproken voorkeur voor bestaande of nieuwe bedrijventerreinen.

Conclusies (51)

Bijlagen

Bijlagen (52)

Factsheet windenergie
WAAROM WINDENERGIE Windenergie is een van de meest economische manieren om duurzame energie te produceren. In veel gevallen kunnen windturbines rendabel worden geëxploiteerd. Knelpunten WAT IS HET Beschrijving technologie Windturbines zijn installaties met een twee- of driebladige rotor die de stromingsenergie in de wind via een generator omzetten in elektriciteit. Rotordiameter: 30-80 m Masthoogte: 20-80 m Vermogen Opbrengst Toepassingsmogelijkheid Van 100 kWe tot 1.500 kWe per turbine Gemiddelde productie bedraagt 1.500 tot 3.000 kWh per kW Risico’s Agrarische bedrijven Industriële bedrijven met omvangrijke bedrijventerreinen Productie van duurzame energie met als gevolg dat geen CO2-emissie plaatsvindt Bijdrage aan de realisatie van MJA2-doelstelling Zichtbaarheid en imago Concurrentie met andere gebruiksfuncties van bedrijventerrein Geluidsruimte

Voordelen

Windturbines zijn betrouwbare machines. De technische beschikbaarheid is hoger dan 99%. In de nabijheid van wegen, grote infrastructurele werken of industriële installaties is een risicoanalyse noodzakelijk

Ervaring

Algemeen Er is veel ervaring bij agrarische bedrijven. Met het plaatsen van windturbines op bedrijventerreinen is beperkte ervaring. Kwantitatief Er zijn in Nederland circa 1.350 windturbines geplaatst, met een gezamenlijk vermogen van circa 530 Mwe

Voorbeelden op bedrijventerreinen Wat is nodig

Moerdijk, Heerenveen, Leeuwarden, Heerlen, Haarlem

Bijlagen (53)

Randvoorwaarden

-

Voldoende wind Voldoende ruimte op bedrijventerrein voor vrije aanstroming Voldoende afstand tot woonbebouwing i.v.m. geluid (300 m) Passen binnen de geluidsruimte op gezoneerde bedrijventerreinen Bestemmingsplan moet wind toelaten (hoogte) Bouw- en milieuvergunning

Vergunningen

Bouw- en milieuvergunning. Bij vergunningaanvragen moet rekening gehouden worden met: Belangen van omwonenden en belangenorganisaties bij de oprichting van windturbines nabij de bebouwde omgeving Goede landschappelijke inpassing bij de oprichting van windturbines in het landelijk gebied Plaats voor windenergie in bestemmingsplan

ECONOMISCHE ASPECTEN Investering Economische levensduur 1100 EUR/kW 15 jaar Kust Specifieke jaarlijkse opbrengst 2.400 kWh/kW Binnenland 1.800 kWh/kW

KOSTEN Afschrijving (incl. VAMIL/EIA) Onderhoudskosten TOTAAL 2,3 euroct/kWh 0,9 euroct/kWh 3,2 euroct/kWh 3,1 euroct/kWh 0,9 euroct/kWh 4,0 euroct/kWh

Bijlagen (54)

OPBRENGSTEN BIJ VERKOOP Elektriciteitverkoop REB 36o (producent) REB 36i (nihil regeling consument) TOTAAL 3,6 euroct/kWh 2,0 euroct/kWh 6,0 euroct/kWh 11,6 euroct/kWh 3,6 euroct/kWh 2,0 euroct/kWh 6,0 euroct/kWh 11,6 euroct/kWh

Financieringsmogelijkheden

-

REB-terugsluisregeling voor de stroom die aan het net wordt geleverd (Wet Belastingen op Milieugrondslag, WBM 36o, extra vergoeding van 2,0 euroct per kWh) Energie-investeringsaftrek (windturbines en netaansluiting) VAMIL-regeling Regeling Groen Beleggen

-

NB. Het kabinet is voornemens de financieringsregeling aan te passen. Naar verwachting zal dit in 2003 plaatsvinden. WAAR IS HET TE KOOP Informatie Informatiecentrum Duurzame Energie (tel. 0900-9892) Novem Utrecht (tel. 030 – 239 3493) Novem Sittard (tel. 046 – 420 2202) Internetsites: www.novem.nl/wind en www.pde.nl Adviseurs Leveranciers Informatieproducten via informatiecentrum Duurzame Energie via informatiecentrum Duurzame Energie Novem-publicaties

Bijlagen (55)

Randvoorwaarden bij keuze voor windenergie Technische voorwaarden Windaanbod Omschrijving Windsnelheid: min. 6,2 – 6,5 m/s op ashoogte Ashoogte: variërend van 40 meter (windrijke kustprovincies) tot meer dan 80 meter hoog (minder windrijk binnenland) Voldoende capaciteit beschikbaar op bestaand net om extra vermogen kwijt te kunnen Anders: netverzwaring noodzakelijk Benodigd onbebouwd oppervlak: 100 tot 150 m2 Bereikbaarheid: verharde weg minimaal 3 meter breed Onderlinge afstand tussen turbines: minimaal 300 meter tussen turbines in lijnopstelling Vergoeding voor vestiging zakelijk recht grondgebruik (indien in eigen bezit of huur): € 9.000,- tot € 18.000,- per jaar per turbine grondeigenaar

Netinpassing

Fysieke ruimte

Vergunningsvoorwaarden Slagschaduw Leidingen

Geluid

Straalpaden

Infrastructuur

Fauna Vliegvelden Veiligheid

Omschrijving te bepalen m.b.v. slagschaduwberekening - Veilige afstand tot bovengrondse hoogspanningsleidingen (ten minste buiten zakelijk rechtstrook van 40-60 meter) - in acht nemen van veiligheidszone van 50 meter tot ondergrondse (buis)leidingen - te bepalen m.b.v. geluidscontouren berekening - max. immissie aan dichtstbijzijnde gevel: - landelijk gebied 40 dB(A) - industrieterrein 55 dB(A) - radar: 5 km rondom vrij - luchtvaart: 5 à 6 km rondom vrij - radio en tv: 1500 meter rondom ontvangstinstallatie, 50 km rondom zendinstallatie - autowegen: minimaal 30 meter tussen mast en verharde weg - spoorwegen: bladen niet boven bovenleiding, tip rotor blad minimaal 5 meter van de bovenleidingportaal (zijkant), zone en zichtvrij, seinen zichtvrij - waterkeringen: bezwaarlijk niet toegestaan in vogeltrekroutes Bouwhoogte: beperking tot 5000 meter rondom vrij Gecertificeerde turbines: conform NVN 11400-0

Bijlagen (56)

Randvoorwaarden inpassing windenergie
Randvoorwaarden inpassing vanuit windturbine Voor een investeerder in windenergie is het rendement op het installeren van een windturbine een harde randvoorwaarde. De rendementseis wordt in hoofdzaak bepaald door:(a) windaanbod; (b) fysieke ruimte; (c) netinpassing. Windaanbod Een rendabele exploitatie van windturbines stelt eisen aan het windaanbod in combinatie met het door wind bestreken rotoroppervlak en ashoogte. Het windaanbod zal variëren al naar gelang de locatie. Op een locatie in het binnenland waait het minder dan in een kustprovincie. De windturbinetechnologie heeft zich de laatste jaren echter snel ontwikkeld. Het bereiken van een rendabele exploitatie met een windturbine die meer landinwaarts is geplaatst, wordt nu ook tot de mogelijkheden gerekend. Voorwaarde is wel dat de verhoudingen tussen rotordiameter en vermogen groter worden en de ashoogte hoger. Waar in de windrijke provincies 40 tot 50 meter maximaal wordt toegestaan, zullen voor minder windrijke locaties turbines met 70 tot 100 meter ashoogte dienen te worden geplaatst om van een voldoende hoge gemiddelde windsnelheid gebruik te kunnen maken. De gemiddelde windsnelheid in een bepaald gebied kan worden afgelezen van betrouwbare windaanbodkaarten. De regionaal gemiddelde windsnelheid kan echter weer verschillen van de gemiddelde windsnelheid op een bepaalde locatie, vanwege obstakelhoogte, zoals bebouwing en begroeiing in de omgeving van een locatie. Obstakels oefenen namelijk een remmende invloed uit op het windaanbod en veroorzaken vaak turbulente luchtstromingen. Fysieke ruimte en netinpassing Voor het bepalen van de benodigde fysieke ruimte en netinpassing voor een windturbine dient rekening te worden gehouden met:(a) fundering; (b) toegangsweg; (c) ruimte voor elektriciteitskabels en onderstation. Voor het bepalen van de benodigde fysieke ruimte speelt tevens de landschappelijke inpasbaarheid van windturbines een belangrijke rol. De inpasbaarheid lijkt te variëren met de vorm en grootte van bedrijventerreinen. Een windturbine heeft, om geplaatst te kunnen worden, in de grond aan de oppervlakte slechts de ruimte nodig van een betonnen funderingsplaat. Een middelgrote turbine van

Bijlagen (57)

600 kW vereist een ruimtebeslag van ongeveer 100 vierkante meter; een 1500 kW turbine circa 150 m2. Bovendien dient er nog een verharde toegangsweg voor de bereikbaarheid inzake bouw, onderhoud en calamiteiten aanwezig te zijn van minimaal 3 meter breedte. Hieraan moet de lengte van de toegangsweg worden toegevoegd, die aansluit op bestaande toegangswegen in de buurt. De elektriciteitskabels worden in de grond aangebracht. Voor de aanleg is toestemming nodig van de eigenaar van de grond (recht van overpad). Een voorbeeld: als een windpark met 10 turbines van 1,5 MW op de landkant van een dijk wordt aangelegd, dan is circa 1500 m2 nodig voor de turbines. Voeg een toegangsweg toe van 1500 meter lengte, dan is in totaal 6000 m2 nodig. In open landschap kan de ruimte tussen de turbines en onder de draaiende bladen gewoon in gebruik blijven als weiland, bouwland, dijk of water. Het installeren van windturbines veronderstelt dikwijls de noodzaak van een versterkte elektrische infrastructuur in het gebied. Bedrijventerreinen kunnen ingevolge hun functie inmiddels de beschikking hebben over een verzwaarde infrastructuur. De specifiek technische randvoorwaarden zijn onder meer afhankelijk van de capaciteit van de turbine en de aantallen. Landschappelijke inpasbaarheid: vorm en grootte De fysieke ruimte voor het plaatsen van windturbines op bedrijventerreinen is afhankelijk van de onmiddellijke setting. De bebouwing en in het bijzonder het voor het plaatsen van windturbines uit te sluiten terrein beperken het gedeelte waarop in principe geplaatst kan worden. De aanwezigheid van nabijgelegen bedrijfswoningen levert vanwege geluidshinder een beperking op. Uit onderzoek21 is gebleken, dat inzicht in fysieke mogelijkheden en beperkingen van het plaatsen van windturbines op bedrijventerreinen in belangrijke mate is gelegen in het onderscheid naar de grootte en de vorm van de terreinen. Verwacht wordt, dat grote bedrijventerreinen ≥ 50 hectare in het algemeen minder beperkingen opleveren dan kleine(re) terreinen. Veel grote bedrijventerreinen hebben doorgaans een vierkante vorm, terwijl de kans op het plaatsen van een rij windturbines op een relatief langgerekt terrein groter geacht wordt dan op een relatief vierkant terrein.

21

Uit: Wyn yn bedriuw, Provincie Fryslân, 1999

Bijlagen (58)

Randvoorwaarden inpassing vanuit de omgeving Op bedrijventerreinen is sprake van een grote verscheidenheid van functies, activiteiten en objecten. De gemeente heeft de formele taak al dan niet in te stemmen met initiatieven voor het plaatsen van windenergie binnen haar grenzen. Op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer moeten procedures worden afgewikkeld, die dienen te resulteren in een zorgvuldige afweging van diverse belangen. De betrachte zorgvuldigheid veronderstelt een ruim tijdbeslag en een groot uithoudingsvermogen van initiatiefnemers. Het beoogde resultaat is immers, dat een bouw- en een milieuvergunning wordt afgegeven. De bouwvergunning wordt getoetst aan het (al dan niet aangepaste) bestemmingsplan; in de milieuvergunning kunnen allerlei specifieke voorwaarden worden opgenomen ten aanzien van veiligheid en milieu. Deze zijn:(a) certificering van windturbines; (b) afstandsnormering; (c) schaduw en lichthinder; (d) relatie met infrastructuur; (e) leidingen; (f) straalpaden; (g) vliegvelden. Certificering van windturbines. Turbines moeten worden gecertificeerd overeenkomstig de Nederlandse norm NEN 6096/2, die, oorspronkelijk gebaseerd is op het windklimaat van Den Helder, vanaf april 1999 met NVN 11400-0 wordt aangeduid, indien het beslagen rotoroppervlak 40 m2 of groter is. Certificering wordt verlangd voor de afgifte van een bouwvergunning. In de norm liggen criteria opgesloten, betreffende veiligheid, geluidsemissie en rendement. De hoge veiligheidseisen die aan windturbines worden gesteld, sluiten de kansen op ongevallen niet uit. Bladbreuk en ijsafwerping vormen risico’s en kunnen schade toebrengen aan derden, bijvoorbeeld in het kader van verkeersveiligheid. In de aanvraag voor een milieuvergunning kunnen afstanden worden vastgesteld tot andere activiteiten, zoals gebouwde omgeving. De afstanden hebben echter betrekking op het aspect van geluidsemissie en niet op veiligheid, met uitzondering van ijsafwerping. In het laatste geval kan de milieuvergunning voorschrijven de windturbine(s) stil te zetten, zoals men evenzeer kan voorschrijven in geval sprake is van een vogelroute, die over het gebied trekt. Afstandnormering In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), is per bedrijfstype vermeld, welke afstanden onder meer voor het aspect veiligheid in de meeste gevallen in acht moeten worden genomen. Het gaat hier met name om afstanden tussen een bedrijf en de gevel van woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaarde normen te houden.

Bijlagen (59)

Windturbines kunnen een storende invloed uitoefenen op natuurlijke en cultuurhistorische waarden en obstakels vormen voor radarposten, straalpaden en -stations, radio- en televisiezendstations en seizoentrekroutes van vogels. Het plaatsen van een installatie als een windturbine kan worden beschouwd als een nevenactiviteit van een bedrijf. Naast planologische consequenties heeft de nevenactiviteit in combinatie met een ‘gemiddeld’ bedrijf gevolgen voor de afstand tot de gebouwde omgeving (zie ook juridische randvoorwaarden). De afstand tussen elke afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidsgevoelige bestemming bedraagt ten minste viermaal de masthoogte. Windturbines kunnen vanwege windvang niet te dicht op elkaar staan. De vereiste minimale onderlinge afstand bedraagt +/- 5 maal de rotordiameter. Voor windturbines met een wiekdiameter van 50 meter is de afstand volgens de brochure Bedrijven en Milieuzonering op 300 meter gesteld. Alvorens tabellen toe te passen, is het belangrijk te weten, dat tabellen slechts hulpmiddelen zijn bij het toelatingsbeleid. Het wordt ontraden om zonder motivering de tabel één op één over te nemen in een bestemmingsplan. Belangrijk is bijvoorbeeld te weten welke specifieke omgevingsfactoren van invloed zijn op de locatie. Bovendien lijkt de bezettingsgraad van een bedrijventerrein een belangrijke motivering te zijn voor het opnemen van windturbines. Is en blijft de bezettingsgraad laag, dan is het restant aan terrein hoog. En dat biedt kansen op en ruimte voor wind. Schaduw en lichtschittering. Een draaiende windturbine wordt gekenmerkt door een draaiend schaduwpatroon, uitgedrukt in passeerfrequenties. Hinder is te verwachten voor hen die in de nabijheid en ten noorden van de turbines werkzaam zijn in werkplaatsen en kantoren. Ook het reflecteren van zonlicht op de draaiende wieken kan hinderlijk zijn voor hen, die zich binnen een afstand van 10 maal de rotordiameter bevinden. De reflectie kan namelijk lichtschittering of flikkering veroorzaken. In de milieuvergunning kunnen in het kader van Arbo-wetgeving eisen worden opgenomen om de turbine buiten gebruik te plaatsen en antireflectielagen aan te brengen op de bladen, dan wel zonwering of beplanting voor de ramen aan te brengen. De veiligheid die geboden is voor personeel, dat de turbines plaatst, test en onderhoudt, laten wij hier buiten beschouwing.

Bijlagen (60)

Relatie infrastructuur Het inpassen van windturbines in de ruimtelijke structuur is allesbehalve een objectief proces; vaak mengen zich subjectieve meningen in de besluitvorming. Bezwaren tegen windturbines zijn veelal van visuele aard en lijken minder zwaar te wegen, zodra turbines in een lijnopstelling gerelateerd worden aan een wegen- of verkavelingpatroon. Auto-, spoor- en vaarwegen lenen zich hiertoe het beste. Waterwegen Vaarwegen grenzen dikwijls aan dammen en dijken, die een functie vervullen in het keren van water. Vanwege de vaak vrije toevoer van wind bieden de oevers van vaarwegen interessante locaties.Beleidsregel van Rijkswaterstaat is dat de minimale afstand tussen de rand van de waterweg en de windturbine 50 meter dient te bedragen. Waterkeringen Waterkeringen liggen bij uitstek op locaties, die qua windaanbod zeer geschikt zijn voor windturbineparken. De beschikbaarheid van deze locaties stuit evenwel op bezwaren, omdat draaiende turbines trillingen veroorzaken, paalfunderingen kunnen waterafsluitende lagen doorboren, onderhoud en verbetering van dijken worden bemoeilijkt, kansen op erosie van de kruin en de helling van dijken vormen bedreigingen. Windturbines mogen niet binnen de kernzone (het eigenlijke dijk-, duin- of damlichaam zijnde de primaire waterkering als bedoeld in de Wet op de waterkering) worden geplaatst. Spoorwegen Rail Infrabeheer (RIB) en Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland hebben een visie ontwikkeld inzake plaatsingsmogelijkheden van windturbines. Deze visie is door NS vertaald naar een plaatsingsadvies voor windturbines binnen het beheersgebied van RIB. In verband met de spoorwegveiligheid moeten in elk geval bij ieder verzoek tot plaatsing twee aspecten worden beoordeeld, te weten: de afstand tot de spoorweg en het veiligheidsrisico. Ten aanzien van de minimaal vereiste afstand van de mast tot het spoor heeft RIB het volgende vastgesteld: minimale afstand = 2,85 m + 5,0 m + halve rotordiameter. Ten aanzien van het veiligheidsrisico kan RIB een risicoanalyse eisen. Enkele kanttekeningen die kunnen worden gemaakt zijn:(a) de aanbevelingen gelden voor plaatsing van windturbines langs spoorwegen in het algemeen (personen- en goederenvervoer). Een aanbeveling in dit verband luidt dat nader onderzocht dient te worden in hoeverre voor spoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor goederenvervoer (zoals de Betuweroute), dezelfde veiligheidsnormen dienen te gelden als voor spoorwegen bestemd voor personenvervoer;

Bijlagen (61)

(b)

op een aantal locaties in Nederland (o.a. in Groningen) zijn enkele windturbines geplaatst waarbij de rotorbladen boven de bovenleiding draaien22.

Leidingen Op basis van het besluit ‘kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen milieubeheer’ kunnen eisen worden gesteld aan de plaatsing van windturbines nabij bovengrondse en ondergrondse leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Voor bovengrondse en ondergrondse leidingen waardoor geen gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zijn geen eisen bekend. Ondergrondse leidingen voor het transport van water, gas, olie, elektriciteit of communicatie kennen een veiligheidszone van 50 meter waarbinnen bepaalde bestemmingen of installaties kunnen worden geweerd. Voor hoogspanningleidingen geldt conform NEN 1060 ‘Bovengrondse hoogspanningsleidingen’ een minimale afstand tussen windturbine en leiding afhankelijk van de spanningsafstand, een veiligheidstoeslag en de vrij ruimte. Indicatief geldt voor hoogspanningsleidingen een rechtsstrook van circa 50 meter. Straalpaden Voor onbeschermde straalpaden (mobiele telefonie) gelden voor zover bekend geen harde uitsluitingen. voor beschermde straalpaden (vaste telefonie en TV en radio) worden de volgende criteria gehanteerd: (a) buiten 1 km van de zend- of ontvangstinstallatie bedraagt de minimale afstand tussen het hart van de turbine en het hart van het straalpad minimaal de rotorstraal, met een minimum van 35 meter; (b) binnen 1 km van de zend- of ontvangstinstallatie bedraagt de minimale afstand tussen de tip van de rotor en het hart van het straalpad minimaal de rotorstraal + 35 meter. In het beïnvloedingsgebied van radarposten die worden gebruikt in de scheeps- en luchtvaart of voor het verzamelen van meteorologische informatie ten behoeve van het KNMI, kunnen evenmin onvoorwaardelijk windturbines worden geplaatst. In het gebied dat door radar wordt bestreken, kunnen bouwbeperkingen gelden. Het verstoren van radarsignalen is nagenoeg uitgesloten, indien binnen het zogenoemde straalpad een afstand van 100 meter aan weerszijden van de straalverbinding vrij blijft van bebouwing. Voor scheepsradar geldt een landinwaartse obstakelvrije zone van 50 meter. De Rijksluchtvaartdienst houdt rond de radar van de luchtvaart maximaal 5 à 6 kilometer aan. Windturbines kunnen een storende invloed uitoefenen op straalpaden en de ontvangst van radio- en tv-signalen. Straalpaden worden door KPN en het Ministerie van Defensie gebruikt voor het doorgeven van signalen. Binnen straalpaden en nabij straalzenders kunnen niet zonder meer hoogopgaande elementen, zoals windturbines, worden geplaatst.

22

Mondelinge informatie de heer De Joode NS RIB Regio Noordoost.

Bijlagen (62)

Ook rond een straalzendermast moet een zone van 6000 meter worden vrijgehouden. Rond ontvangstinstallaties dient een zone van maximaal 1500 meter te worden aangehouden. Vliegvelden Binnen veiligheidszones rond vliegvelden en laagvlieggebieden gelden bouwhoogtebeperkingen. Deze beperkingen zijn niet voor elk luchtvaartterrein hetzelfde. De beperkingen hangen nauw samen met de richting van de start- en landingsbanen en het soort luchtvaartverkeer. Er zijn kaarten beschikbaar met hoogtebeperkingen. Op militaire terreinen en veiligheidszones eromheen gelden evenzeer beperkingen voor andere grondgebruikvormen. Voor radarposten ten behoeve van Defensie worden zones, waar een bouwhoogtebeperking geldt, aangehouden van 5000 meter. Het Ministerie van Defensie streeft echter naar meervoudig gebruik van militaire gebieden.

Bijlagen (63)

Afbakening bedrijventerreinen
Afbakening begrip bedrijventerreinen
Type bedrijventerrein 1. Zware industrieterreinen Omschrijving Terreinen waar vestiging van alle soorten bedrijvigheid (inclusief milieuhinderlijke bedrijven) is toegestaan Terreinen waar minimaal bedrijvigheid in hindercategorie 5 is toegestaan Zware milieuhinderlijke industrie; overige (modale) industrie en bouwondernemingen; transport- distributiebedrijven Terreinen met laad-/loskade langs diep vaarwater toegankelijk voor grote zeeschepen Zware milieuhinderlijke industrie, zeehavenverbonden transport- en distributieterreinen; Terreinen met hindercategorie 1-4, bestemd voor reguliere bedrijvigheid Zware milieuhinderlijke industrie, lichte moderne industrie, overige (modale) industrie en bouwondernemingen, transport- en distributiebedrijven Terreinen die specifiek bestemd zijn voor bedrijven met hoogwaardige (productie- en/of R&D-) activiteiten Lichte moderne industrie, overige (modale) industrie en bouwondernemingen, transport- en distributiebedrijven Terreinen die specifiek bestemd zijn voor transport- en distributiebedrijven Kantorenlocaties (met sterk monofunctioneel karakter) in stadsrandzones; Bij uitstek bedoeld voor kantoren met een behoefte aan goede autobereikbaarheid en mogelijkheden voor profilering van de eigen identiteit (onder andere alle kantorenlocaties met het bereikbaarheidsprofiel van een B-locatie) Zakelijke dienstverlening zonder baliefunctie, solitaire (hoofd)kantoren van ondernemingen in industrie, nuts- en bouwbedrijven; groothandel en transport- en telecommunicatiesector Kantorenlocaties (met multifunctionele invulling en/of omgeving) in binnenstedelijke gebieden;

2. Zeehaventerreinen

3. Gemengde terreinen

4. Hoogwaardige bedrijvenparken

5. Distributieparken 6. Stadsrand kantorenlocaties

7.Binnenstedelijke kantorenlocaties

Bijlagen (64)

Bij uitstek bedoeld voor kantoren met behoefte aan een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en nabijheid van binnenstedelijke voorzieningen (onder andere alle kantorenlocaties met het bereikbaarheidsprofiel van een A-locatie) Zakelijke dienstverlening met baliefunctie, zakelijke dienstverlening, zonder baliefunctie, overheid/onderwijs/gezondheidszorg/maatschappelijke dienstverlening, solitaire (hoofd)kantoren van ondernemingen in industrie, nuts- en bouwbedrijven; groothandel en transport- en telecommunicatiesector

Bijlagen (65)

Modernisering instrumentarium geluid (MIG)
De beleidsnota MIG is in september 1998 in de Kamer aan de orde geweest. Kern van deze nota is dat elke bestuurslaag (gemeente, provincie, rijksoverheid) een eigen geluidsbeleid dient te ontwikkelen, waarin naast (gebiedsgerichte) grenswaarden ook een reductiedoelstelling voor geluidhinder en de daarvoor benodigde maatregelen is opgenomen. In het nieuwe systeem blijven er wettelijke richtwaarden bestaan, die vergelijkbaar zijn met de huidige voorkeurgrenswaarden uit de Wet geluidhinder. Gemeenten kunnen hier echter gemotiveerd van afwijken en hun geluidsbeleid gaan vastleggen in het gemeentelijk milieubeleidsplan of hun geluidsbeleid integreren in omgevingsplannen. Ze kunnen dus zelf hun grenswaarden vaststellen voor verschillende gebieden, afhankelijk van de functies van dat gebied. Wel mogen gemeenten het provinciale geluidsbeleid of het geluidsbeleid van de rijksoverheid niet doorkruisen. Of het geluidsbeleid van een van deze bestuurslagen geldt, is afhankelijk van de objecten in het desbetreffende gebied. Zo zal de geluidsruimte voor een regionaal bedrijventerrein dat gemeentegrenzen overschrijdt, worden bepaald door de provincie. Zowel het gemeentelijke geluidsbeleid als het provinciale geluidsbeleid komen tot stand na inspraak en overleg met onder meer de bevolking, het bedrijfsleven en overige maatschappelijke groeperingen. Of het gemeentelijke/provinciale beleid kansen dan wel belemmeringen oplevert voor het oprichten van windturbines op bedrijventerreinen is afhankelijk van de gemeentelijke/provinciale visie Hier omtrent. Hierover valt op dit moment weinig te zeggen. Groot voordeel ten opzichte van de huidige situatie is wel dat via inspraak en overleg geluidsruimte kan worden bedongen voor het oprichten van windturbines op bedrijventerreinen. In het nieuwe systeem vervallen de bepalingen over zonering en het verlenen van hogere waarden binnen de zone. In de beleidsnota wordt ervan uitgegaan dat in het nieuwe systeem geen afbreuk zal worden gedaan aan de voor bedrijfsterreinen reeds geldende geluidsgrenswaarden en evenmin aan reeds verleende geluidsruimte voor daarop aanwezige inrichtingen. Dit betekent voor windturbines op bestaande bedrijfsterreinen dat zij door de invoering van het nieuwe systeem wat betreft reeds beschikbaar gestelde geluidsruimte er niet op achteruit gaan.

Bijlagen (66)

De Raad van State heeft inmiddels een advies uitgebracht over het wetsvoorstel-MIG, waarop het kabinet Kok het wetsvoorstel heeft aangepast. Op 21 juni 2002 heeft het kabinet Kok besloten de behandeling van het aangepaste wetsvoorstel over te laten aan het nieuwe kabinet. Advies, wetsvoorstel en memorie van toelichting zijn pas openbaar als het nieuwe kabinet heeft besloten ze aan te de Tweede Kamer aan te bieden. Niet valt uit te sluiten dat in het wetgevingsproces veranderingen worden aangebracht in de hierboven geschetste ruwe uitgangspunten voor het geluidsbeleid. In mei 2002 heeft het Europees Parlement een richtlijn aangenomen voor de bestrijding van omgevingslawaai. Binnen twee jaar na publicatie zal Nederland de richtlijn moeten uitwerken in nationale regelgeving. Het ministerie van VROM is inmiddels begonnen met de voorbereiding van de invoering van de richtlijn.

Bijlagen (67)