F I N A N C I Ë L E

V E R H O U D I N G

Het voorlopige kabinetsstandpunt over de verruiming van het vestigingsbeleid voor de perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen (pdv, gdv), zoals verwoord in de nota Meer met minder; naar een nieuw ruimtelijk beleid voor de detailhandel, later overgenomen in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, wordt door diverse betrokken partijen gezien als een regelrechte bedreiging voor de fijnmazige structuur van de detailhandel. Het aldus laten vervallen van de branche- en oppervlaktecriteria is volgens hen ook in flagrante tegenspraak met de eveneens nagestreefde versterking van het (binnen-)stedelijke vestigingsklimaat. Tegelijkertijd leiden het veranderend consumentengedrag, de autonome ontwikkelingen in de detailhandel en de verslechterde bereikbaarheid van de binnenstad steeds weer tot aangepaste vestigingsplaatseisen en nieuwe ruimteclaims. Of, hoe en door wie onder deze omstandigheden een optimale detailhandelsstructuur kan worden bewerkstelligd, is daarbij de centrale vraag.

Detailhandelsbele
H
et eerste regeringsstandpunt ten aanzien van de perifere detailhandel is in de loop van de jaren ‘70 van de vorige eeuw ontwikkeld op basis van het verslag van de Interdepartementale Werkgroep Detailhandelsactiviteiten buiten de Winkelgebieden. Dergelijke vestigingen in de periferie van steden werden slechts toelaatbaar geacht indien zij een complementaire functie vervullen ten opzichte van de bestaande voorzieningen in de binnensteden. De brede uitleg van de bestemmingsplancategorie ‘handel’ – naast groothandel ook detailhandel – werd door het invoeren van strakkere regels onmogelijk gemaakt. De categorieën auto's, boten, caravans, brand- en explosiegevaarlijke stoffen en goederen, en showrooms voor ter plaatse gefabriceerde producten vormden een uitzondering op deze regeling. Ondanks dit beleid hebben zich onder de noemer ‘volumineuze goederen’ grootschalige meubeldetailhandelbedrijven, bouwmarkten en sanitiar- en keukenspeciaalzaken toch op perifere locaties gevestigd. Dit omdat er binnen de bestaande winkelstructuur niet voldoende verkoopvloeroppervlakte tegen acceptabele huurprijzen beschikbaar was. Voor de regering is dat aanleiding om het pdv-beleid te actualiseren. De categorie volumineuze goederen werd aan de uitzonderingslijst toegevoegd onder de voorwaarde dat in de bestaande winkelgebieden en de schil rondom de binnenstad geen ruimte beschikbaar was. Een branchegericht onderzoek om de noodzaak aan te tonen en inpassing in het bestemmingsplan te realiseren, werden verplicht. De gemeenten werden mede verantwoordelijk gesteld voor het beleid. Daartoe diende een detailhandelsstructuurvisie te worden opgesteld. Het tot dan toe verplichte distributie-planologisch onderzoek kwam te vervallen omdat daarvan ten onrechte een economische beïnvloeding uit zou kunnen gaan (TK 1984-1985, 18 786, nrs. 1-2). In de vorm van de grootschalige discounters, die een sterke marge-concurrentie voeren, dient zich een nieuwe categorie gegadigden voor perifere vestiging aan. Daarnaast blijft de verdergaande branchevervaging een reden tot zorg. In de evaluatie van het rijksbeleid tussen 1985-1990 wordt de waarde van het branchegerichte onderzoek in twijfel getrokken, blijken
B & G M A A R T 2 0 0 2

DR. P.R.A. TERPSTRA

Universitair hoofddocent bij de Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen
2 6

eid op de helling?!
veel perifere vestigingen zonder dat er naar alternatieven binnen de bestaande structuur is gezocht, tot stand te zijn gekomen en is de verwarring over de wel of niet toegestane assortimenten nog steeds aanwezig. In reactie hierop stelt de regering dat onder het begrip perifeer nu wordt verstaan: alle terreinen of locaties binnen de bebouwde kom die niet binnen een bestaand of gepland winkelgebied of het onmiddelijk daaraan grenzende gebied liggen. De besluitvorming over de toegestane aanverwante artikelen en assortimenten worden bij de lagere overheden gelegd, en het maken van een detailhandelsstructuurvisie wordt niet langer dwingend opgelegd. (TK 1991-1992, 18786, nr. 24.) In 1993 duikt voor het eerst het begrip grootschalige detailhandelsvestingen (gdv) op. Bepaalde grote gemeenten – de stedelijke knooppunten – krijgen de mogelijkheid om speciale locaties aan te wijzen voor de geconcentreerde vestiging van grootschalige detailhandel. In dit geval gelden er geen beperkingen met betrekking tot branche en/of assortiment. De bruto vloeroppervlakte dient minimaal 1500 vierkante meter te zijn (TK 19921993, 18 786, nrs. 26-27).
2 7

In 1995 werden de uitgangspunten van het gdv- en het pdv-beleid en de verantwoordelijkheid van de lagere overheden bij de beleidsuitvoering nogmaals bevestigd (TK 1994-1995, 18 786, nr. 29). Jansen en Stam (1996) wijzen op het feit dat pdv-locaties zich steeds meer ontwikkelen tot themacentra, die zowel geschikt zijn voor het doen van gerichte aankopen met een prijsconcurrerend aspect als voor het thematisch-vergelijkend winkelen. Steeds vaker worden de grootschalige vestigingen gecombineerd met kleinschaliger zaken, waardoor de volledigheid en de diepte van het assortiment binnen het thema toenemen. Om de verblijfskwaliteit te verbeteren en de verblijfsduur te verlengen, worden horeca en leisure elementen toegevoegd. Seip en Voogd (1997) benadrukken de betrokkenheid van de gemeenten. Zij moeten immers de afwegingen maken voor de eventuele gdv-en pdv-locaties. Hoewel het versterken en de complementariteit ten opzichte van de bestaande (binnen)stedelijke centra daarbij voorop dient te staan, spelen vaak ook meer opportunistische aspecten als de concurrentie ten opzichte van andere gemeenten of de angst om de boot te missen een belangrijke

rol. Bij de jongste ontwikkelingen op het gebied van de pdv- en gdv-locaties lijken de verschillen tussen beide door middel van conceptuele en ruimtelijke integratie te vervagen. Wessels (1998) wijst in dit verband op het streven naar het onderbrengen van meerdere branches op dezelfde, liefst overdekte, locatie, en het verhogen van de kwaliteit van het aanbod en de interne attractiviteit. Voorbeelden in dit verband zijn: het Alexandrium (Rotterdam), Mega Stores Haaglanden (Den Haag) en het Arena-gebied (Amsterdam). Als jongste ontwikkeling loot aan de stam geldt het factory outlet centre of de fabriekswinkel. Van de Wiel en Bulthuis (1999) geven hiervan de volgende definitie: een factory outlet centre is een winkelcentrum van waaruit fabrikanten rechtstreeks, zonder inschakeling van de tussenhandel, zelfgeproduceerde goederen aan de consument verkopen. Kleding en schoeisel, vormen de hoofdmoot van het assortiment. Verder gaat het om zaken als huishoudelijke artikelen, electronica en lichaamsverzorging. Gezien de geplande omvang van 20.000 à 25.000 vierkante meter ligt het voor de hand om de fabriekswinkels aan te merken als perifere detailhandel. De gevoerde assortimenten vallen echter niet onder de gehanteerde uitzonderingscategorieen. Volgens Van de Wiel en Bulthuis (1999) moet het factory outlet centre als aparte categorie, op basis van de vorenstaande definitie, worden aangeduid. Met het verschijnen van de Vijfde Nota is er op het gebied van het pdven gdv-beleid een geheel nieuwe situatie ontstaan. Er worden geen branchebeperkingen en oppervlaktecriteria meer gesteld, zodat in beginsel iedere soort winkel de mogelijkheid krijgt zich ‘perifeer’ te vestigen. Verder is het onduidelijk in hoeverre er bij het nieuwe rijksbeleid sprake is van liberalisering – overlaten aan de dynamiek van de markt – of dat het gaat om decentralisatie – herschikking tussen overheden – waarbij binnen de gegeven kaders gemeenten en provincies meer beleidsvrijheid krijgen om op lokale/regionale schaal ‘maatwerk’ te leveren. In het eerste geval komt de bedreiging vanuit de opvatting dat ‘alles mag, kan of moet’, terwijl in het andere geval het gevaar schuilt in de onderlinge concurrentie tussen gemeenten of het, weliswaar in onderlinge afstemming, inzetten op een ontwrichtend hoog ambitieniveau. Om na te gaan welke uitwerking deze beleidsvoorneB & G M A A R T 2 0 0 2

mens van de rijksoverheid hebben, moeten ze worden geconfronteerd met de trends in het consumentengedrag en de ontwikkelingen in de detailhandel.

verblijfsduur van de consumenten beinvloeden en hen moeten doen besluiten tot (impuls)aankopen. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) (2001) beschrijft de ontwikkeling in het consumentengedrag aan de hand van de factoren tijd en geld. Onder invloed van vergrijzing komen er steeds meer kapitaalkrachtige ouderen die eveneens over veel vrije tijd beschikken. Onder jonge(re) tweeverdieners en alleenstaanden zijn ook groepen ontstaan die weliswaar een hoog besteedbaar inkomen hebben, maar daarentegen juist over weinig tijd beschikken om boodschappen te doen. Als er sprake is van een laag inkomen uit arbeid of een uitkering blijft het prijspeil de doorslaggevende factor bij de keuze van de consument. Doordat er hierbij vaker sprake is van een samenlevensvorm met één kostwinner/ uitkeringsontvanger of een tijdelijke situatie – studerenden – speelt tijdgebrek niet zo’n grote rol. In wisselwerking met deze ontwikkelingen in het consumentengedrag zal ook de detailhandel voortdurend volop in beweging zijn.

Consument is grillig
De tijd dat het gedrag van ‘dé consument’, getypeerd naar inkomen en gezinssamenstelling, tamelijk voorspelbaar is, is grotendeels achterhaald. De huidige consumenten zijn eerder te typeren als grillig, veranderlijk en impulsief, en zij vertonen een steeds individueler gedrag. Ook het ontstaan van nieuwe samenlevingsvormen – alleenstaanden, tweeverdieners – naast het traditionele gezin met de man als kostwinner heeft grote invloed op het winkelgedrag. De Nationale Winkelraad van MKB-Nederland (2000) concludeert dat ‘de consument verwend is geraakt, een ruime ervaring met winkelen heeft, haast heeft, op zoek is naar “iets nieuws dat raakt” en over het algemeen geld heeft dat uitgegeven moet/kan/mag worden. De consument wil een product op maat voor een massaproductiebedrag aanschaffen, en liefst gisteren klaar’. Tegelijkertijd is er bij bepaalde groepen consumenten een ‘graascultuur’ ontstaan. Dat wil zeggen dat consumenten inzichten in de prijs-kwaliteitverhouding steeds minder koppelen aan de hoogte van de prijs en daarmee aan een bepaald ‘niveau’ van de winkel, zij verlaten de stelling ‘elke waar is naar zijn prijs’. Op grond van de aard van de producten en de wijze van aankopen wordt een onderverdeling gemaakt in dagelijkse levensbehoeften, thematischvergelijkend winkelen en funshopping. Al naar gelang de behoefte zal de consument zijn of haar gedrag hierop afstemmen. De factor tijd is vooral doorslaggevend bij de dagelijkse artikelen, gekenmerkt door een hoge gebruiksfrequentie en een relatief geringe variatie in kwaliteit, uitvoering of prijs. Thematischvergelijkend winkelen betreft artikelen met een grote heterogeniteit, een lange levensduur en dus een navenant lagere aankoopfrequentie. De geboden keuze in het (thematische) aanbod is hier hét belangrijke gedragsbepalende element. Funshopping is eerder een vorm van vrijetijdsbesteding. Het wel of niet doen van aankopen is daardoor in sterke mate afhankelijk van subjectieve factoren die de
2 8

Detailhandel van vraagvoorspellend naar vraagvolgend
De positie van de detailhandel ten opzichte van de producent enerzijds als de consument anderzijds is in de afgelopen decennia duidelijk aan verandering onderhevig geweest. Eerst hadden de producenten het heft in handen omdat de vraag groter was dan het aanbod. Het al dan niet goed functioneren van de detailhandel was voornamelijk een kwestie van distributie. Naarmate de vraag achterbleef bij de almaar stijgende productie, verschoof de macht in de keten in de richting van de detailhandel. De fabrikantenprijzen kwamen hierdoor onder druk te staan en er werd een begin gemaakt met de zogenaamde formule-marketing. De kernactiviteit van deze formules was het voorspellen van de vraag van de vrij eenduidige categorieën consumenten. Anticipatie als uitgangspunt voor het versterken van de concurrentiepositie. Ondertussen is de macht in de keten opgeschoven in de richting van de grillige individualistische consument. Voor de detailhandel betekende dit een overschakeling van een vraagvoorspellend naar een vraagvolgend model of de ‘consumer-response’ aanpak. Ondanks deze ver-

schuivingen in machtposities en aanpak is er volgens Van der Kind (2000) nog steeds sprake van een eenzijdige focus op de transactiekosten. Daardoor staat in veel gevallen het perspectief van de detailhandel nog voorop en wordt er te weining recht gedaan aan de kosten en moeite die de consumenten zelf voor hun rekening nemen. Van der Kind beveelt daarom aan om uit te gaan van een zoekkostenmodel. In dit denkraam worden zowel de echte – positieve – kosten die de consumenten voor hun rekening nemen als de positieve ervaringen – negatieve kosten – die zij opdoen meegenomen. Naast de algemene meetbare lasten en lusten bestaan er echter ook de van persoon tot persoon, van tijdstip tot tijdstip en van situatie tot situatie verschillende subjectieve aspecten. Het is vooral deze laatste categorie – de subjectieve waardebeleving – die grotendeels bepalend is voor het feitelijke consumentengedrag. Uit deze analyse kan worden afgeleid dat de segmentatie in de detailhandel zich niet meer zal richten op de klassieke doelgroepen maar op artikelgroepen. Enerzijds is er sprake van ‘experience shopping’ met hoge negatieve zoekkosten – hoog gehalte winkelplezier – en anderzijds van ‘convenience shopping’ waarbij de snelle beschikbaarheid van ‘me-tooproducten’ – met lage positieve zoekkosten – essentieel is. Het SCP (2001) stelt dat deze beide typen, deels, een complementair karakter hebben. Zo is er in de food-sector sprake van het introduceren van producten die meer experience-variatie, verrassing – in de convenience – gemak – met zich meebrengen. Van der Toorn e.a. (1998) stellen dat het ruimtebeslag voor de functies in de sfeer diensten en leisure zowel in de winkels als in en om de winkelcentra gemiddeld circa 30% bedraagt van het ruimtebeslag ten behoeve van de detailhandel. Een verdere toename tot 50% wordt zeer aannemelijk geacht.

Samenhang
De tijd dat de detailhandel in alle eenvoud fungeert als doorgeefluik tussen producent en consument is definitief voorbij. De groei en diversificatie in de consumptie, de ontstane grilligheid in het consumentengedrag en het vervagen van de grenzen tussen de detailhandel en de daaraan gelieerde functies in de sfeer van diensten en leisure
B & G M A A R T 2 0 0 2

De tijd dat het gedrag van ‘dé consument’, getypeerd naar inkomen en gezinssamenstelling, tamelijk voorspelbaar was, is grotendeels achterhaald
leiden voortdurend tot interne aanpassingen in de bedrijfsvoering, het assortiment en het winkelpand. Verder is er in de afgelopen decennia continu sprake van schaalvergroting. Door de uitval van kleine onrendabele bedrijven en de toetreding van nieuwe grotere winkels is de gemiddelde verkoopruimte toegenomen van 50m2 in 1960 tot 100m2 in 1980 en tot gemiddeld ruim 170 m2 nu (van der Toorn e.a., 1998).Naar verwachting zal dit proces in de komende jaren doorzetten. Tegelijkertijd is het aantal zelfstandige ondernemers sterk afgenomen en is het marktaandeel van het grootwinkelbedrijf navenant gestegen. Het grootwinkelbedrijf vergroot eveneens zijn machtspositie doordat
2 9

het zich meer toelegt op de distributie en de logistiek. Via voorwaartse integratie neemt het een groter deel van de distributieketen voor zijn rekening. Hierdoor is de behoefte aan opslagruimte minder groot, waardoor een gunstigere verhouding tussen het verkoopvloeroppervlak en de totale bedrijfsvloeroppervlakte wordt bereikt. Uitgaande van de ontwikkelingen in de foodsector wijst Kruyzen (2001) op het gegeven dat de Nederlandse consumenten niet meer geïnteresseerd zijn in hun dagelijkse boodschappen. Driekwart van de consumenten koopt inmiddels al zijn levensmiddelen, dus inclusief de verse waar, bij het grootwinkelbedrijf. Dit in grote meerderheid per auto en met een frequentie

van één à twee keer per week. Behalve met dit gewijzigde consumentengedrag is het aanbod van producten in de supermarkt ondertussen vervijfvoudigd en wordt er geëxperimenteerd met non-food producten als: computers, magnetrons en video's. Deze gang van zaken maakt het steeds moeilijker om in de bestaande winkelcentra een voldoende groot verkoopvloeroppervlak tegen betaalbare huurprijzen te bemachtigen. Ook kan de door de consument gewenste autobereikbaarheid is op de traditionele locaties nauwelijks of niet meer realiseerbaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de druk om grote super-/hypermarkten te mogen vestigen op goed bereikbare perifere locaties, alom toeneemt. Tot nu toe stuiten dergelijke pogingen op een op het pdv-beleid gebaseerd planologisch ‘nee’. Hét argument daarbij is de angst voor de aantasting van de bestaande fijnmazige winkelstructuur. Hiermee is de cirkel rond, aangezien het juist deze winkelstructuur zelf is, die de foodsector in zijn mogelijkheden beperkt. Om de situatie te doorbreken is een minder krampachtig planologisch kader noodzakelijk. Het bereiken van een acceptabele vloeroppervlakteproductiviteit en een goede (auto)bereikbaarheid via aantakking op de (hoofd)verkeersnetwerken zijn ongetwijfeld de belangrijkste vestigingsplaatskenmerken van de food-sector in antwoord op het moderne ‘convenience-shopping’. Positief geformuleerd levert het toestaan van perifere super-/hypermarkten voor de stedelijke hoofdwinkelcentra niet alleen enige winkel- en parkeerruimte op, maar vormt het deels ombouwen van de traditionele supermarkten tot kleine ‘experience gerichte foodstores’ ook een verrijking van het ‘funshopping’ aanbod op. Om een soortgelijke ontwikkeling bij het thematischvergelijkend winkelen tegen te gaan is in de grote steden een begin gemaakt met het ontwikkelen van gdv-locaties in de nabijheid van het bestaande hoofdwinkelcentrum. Dit omdat bij het thematischvergelijkend winkelen voor bijvoorbeeld wit- en grijsgoed de aanschaf weliswaar met relatief grote tussenpozen plaatsvindt, maar de consument zich in de tussentijd wel regelmatig op de hoogte wil houden van of wil vergapen aan de nieuwste snufjes. Dergelijk consumentengedrag vertoont zodoende, naast het op aanschaf doelgerichte winkelen, meerdere eigenschappen van funshopping. Doordat funshopB & G M A A R T 2 0 0 2

ping als hét kenmerkende winkelen in de stedelijke hoofdwinkelcentra wordt gezien, is het logisch de bedreigingen voor de toekomstige gang van zaken juist vanuit dit perspectief nader te bezien. Als belangrijkste probleem geldt de verschraling van het winkelbestand, dit niet zozeer door het gemis van de door schaalvergroting verdwenen branches als wel door de steeds verder doorgeschietende filialisering. De als gevolg daarvan optredende uniformiteit tussen de centra, is de consument een doorn in het oog. Een trend die enerzijds wordt versterkt door de ook in de non-food sector verdergaande branchevervaging. Anderzijds bevinden zich onder de nieuwe vestigers veel brandstores, gespecialiseerde (ict-)ketens en diverse vormen van gefilialiseerde daghoreca. De concurrentie om de schaarse ruimte op de A1 locaties door deze grote ketens, die allemaal alleen daar gevestigd willen zijn, heeft de huurprijzen tot een zodanige hoogte opgedreven dat de hier nog aanwezige, zelfstandige, detaillisten zijn of worden verdreven naar de A2 en B1 loca-

ties. Ook in de warenhuizen zijn de food-sector en het traditionele thematisch-vergelijkend winkelen grotendeels verdwenen. De aldus vrijgekomen ruimte wordt deels ingezet voor zaken als mode, personal care, leisure en diensten. Belangrijke doelen daarbij zijn het verlengen van de verblijfsduur en het verleiden van de consument tot het doen van aankopen. Door deze ontwikkelingen worden de kernen van de hoofdwinkelcentra steeds afhankelijker van grote gelijkmatige assortimenten – veel van het zelfde – uit het (lage-)mid-densegment met een hoge omloopsnelheid – bijna permanente staat van uitverkoop – en een min of meer impulsief aankoopgedrag. Een tweede bedreiging is het afvloeien van de koopkracht van de hogere inkomens. Deze consumenten volgen de winkeliers uit het hoge segment die vanwege de te hoge huurprijzen uitwijken naar locaties aan de randen van het kernwinkelcentrum of de omliggende forensenplaatsen. Daarnaast is de slechte autobereikbaarheid voor zowel de consumenten als de be-

voorrading van de winkels een grotere belemmering geworden. Zo is het stedelijke hoofdwinkelcentrum qua branchering en prijs/kwaliteit verhouding niet meer de vanzelfsprekende top van de verzorgingspyramide. Ook de schaalvergroting heeft bijgedragen aan het wegvallen van veel buurtwinkels en buurtcentra aan de onderkant van deze pyramide. Het thematischvergelijkend winkelen is het sterke punt geworden van de pdv- en gdv-locaties. Tenslotte is er in bepaalde gevallen sprake van solitaire vestigingen en factory outletcentra waarvan de omzetten zo groot zijn dat deze de locatie bepalen. Dit in tegenstelling tot het gros van de detailhandelsvestigingen waarbij juist de locatie de omzet bepaalt. Het zijn deze ontwikkelingen die tezamen met het huidige grillige consumentengedrag – gekenmerkt door de multipurpose trip, graascultuur, fun- en runshopping – de basis vormen voor het detailhandelsbeleid.

Beleid
De dynamiek in zowel de vraag- als de aanbod zijde blijkt te hebben gezorgd voor grote veranderingen aan de onderkant en de top van de, voor Nederland zo kenmerkende, fijnmazige detailhandelsstructuur. Dit ondanks het feit dat in de afgelopen decennia deze structuur niet alleen is opgebouwd, maar ook bij voortduring is getracht haar te behouden. Zaken als het pdvbeleid, het ABC-beleid en het gdv-beleid hebben de verhoudingen tussen de periferie en de binnensteden weliswaar gereguleerd, maar het ontbreekt ook aan de nodige afstemming op vooral het regionale niveau. In de Vijfde Nota vormt het goed op elkaar aansluiten van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verschillende overheden dan ook het centrale uitgangspunt. Om de weg voor het nieuwe beleid vrij te maken, worden de bestaande rijksregels omtrent branchebeperkingen, vloeroppervlakten en parkeernormen ingetrokken. Uitgangspunt wordt het nieuwe locatiebeleid, dat als doelstelling heeft: ‘Een zodanige vestiging van bedrijven en voorzieningen mogelijk te maken dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de vitaliteit van de stedelijke netwerken en de steden en de dorpen.’ De vitaliteit kent in economische ontwikkelingsmogelijkheden, bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteit
B & G M A A R T 2 0 0 2

Driekwart van de consumenten koopt inmiddels al zijn levensmiddelen, dus inclusief de verse waar, bij het grootwinkelbedrijf
3 0

van de leefomgeving, een viertal dimensies die qua onderling gewicht verschillen in de woon/werkmilieus: centrum-stedelijk, buiten-centrum, groen-stedelijk, centrum-dorps, landelijk-dorps en specifieke werkmilieus. Het locatiebeleid groepeert deze vervolgens tot een drietal vestigingsmilieus voor bedrijven en voorzieningen. Het centrum-milieu: concentraties op en rond ‘knopen’ in het stedelijk netwerk, zoals stationsomgevingen, binnensteden en stadsdeel-centra; geschikt voor ruimte- en bezoekerintensieve kantoren, winkels en andere voorzieningen. Specifieke werkmilieus: bedrijventerreinen en andere concentraties, zoals multimodale locaties langs vervoerassen en bijzondere winkel- en recreatiecomplexen. De gemengde milieus omvatten kleinschalige centra op wijk- en buurtniveau en individuele verspreide vestigingen, in hetzij buiten-centrum, groenstedelijke of dorpse milieus. Deze locatiemilieus zijn niet elkaars concurrent, maar moeten elkaar aanvullen. In het nieuwe bottom-up geformuleerde locatiebeleid worden de gemeenten primair verantwoordelijk gesteld voor dit beleid. Op zich is dit geen nieuw gegeven. In de praktijk van het detailhandelsbeleid van met name de grote gemeenten staat de vitaliteit van het binnenstedelijke hoofdwinkelcentrum reeds langer centraal. Dosering van uitbreidingen, het vernieuwen van de entrée's en de buitenomgeving, het versterken van leisurecomponenten – daghoreca, cultuur, recreatie, kinderopvang – en aandacht voor de bereikbaarheid zijn daarbij bekende uitgangspunten. Voor de provincies en de kaderwetgebieden die zich vanuit hun regisserende rol actief moeten gaan bezighouden met die aspecten van het locatiebeleid die het gemeentelijk niveau overstijgen, is dat zeker niet het geval. Zij hebben tot nu toe weinig aandacht besteed aan de detailhandel en worden nu verplicht om een detailhandelsstructuurvisie te ontwikkelen. Belangrijke bouwstenen voor een dergelijke beleidsvisie zijn een beschrijving van de huidige ruimtelijke detailhandelsstructuur en de gewenste ontwikkeling hiervan. Dit op grond van een analyse en een prognose van de belangrijkste ontwikkelingen in de detailhandel en de gevolgen daarvan voor de ruimte-behoefte op provinciale/regionale schaal. Verder omvat deze structuurvisie de criteria om te kun3 1

nen vaststellen of er bovenlokale aspecten in het geding zijn die een nadere afweging vergen en de inhoudelijke toetsingscriteria voor dergelijke plannen. Deze laatste eventueel gedifferentieerd naar de aard van de detailhandel. Voor de beoordeling van substantiele ontwikkelingen waarop de structuurvisie niet op voorhand berust – zoals nieuwe grootschalige vormen van detailhandel en detailhandel bij traffic centres (brandstofverkoopunten en stationslocaties) – moet een apart toetsingskader aanwezig zijn. Ook moet in de wijze van afstemming met de betrokken partijen worden voorzien.Het doen van onderzoek naar het verloop van de koopstromen en de (concurrentie)verhoudingen tussen steden en kernen met een regionaal verzorgende functie is hierbij een goed uitgangspunt. De provinciale detailhandelsstructuurvisie dient als uitwerking te worden verankerd in het provinciaal omgevingsplan. Cruciaal hierbij is de wijze waarop provincies en gemeenten in hun onderlinge samenhang inhoud geven aan dit nieuwe beleid. Gemeenten moeten daarbij in hun eigen detailhandelsvisie uitgaan van de positie/functie die aan de betreffende stedelijke of hoofdkern, in het provinciale omgevingsplan is toegekend. Aandachtspunten hierbij zijn de food- en non-foodlocaties, prognoses van vloeroppervlaktes, bereikbaarheid, branchering, verhouding tussen centrum, stadsdelen en perifere vesti-

gingen, toe- en afvloeiing van koopkracht, en de aspecten die de aantrekkelijkheid van de centra voor de consument bevorderen. Op deze wijze wordt in een gezamenlijk provinciaal/regionaal/lokaal perspectief wederom getracht om de trends in de vraag en de trends in het aanbod qua ruimtebehoefte, locatie en bereikbaarheid te faciliteren en daarbij tegelijkertijd ongewenste ontwikkelingen – vervlakking, concurrentie, perifere vestigingen, solitaire weilandwinkels – in de verzorgingsstructuur binnen en tussen kernen te voorkomen.

Literatuur Kind, van der R. (2000) Plezier versus gemak. www.emerce.nl. Kruyzen, H. (2001) Onze levensmiddelenhandel is blijven steken op het niveau van de buurtsuper. www.mt.nl/magazine/ Nationale Winkelraad van MKB Nederland (2000), Detailhandel & Winkelambacht: visie, strategie en actiepunten. Seip., M., Voogd, H. (1997), Grootschalige perifere winkelcentra en de binnenstad: een kwestie van slikken of stikken? Planologische Discussiebijdragen 1997, p. 595 - 605. Delft. Sociaal Cultureel Planbureau (2001) Het nieuwe consumeren: een vooruitblik vanuit de demografie en individualisering. Werdocument 72. Toorn Vrijthoff, W. van der, Jonge, H. de (1998) www.nvbk.nl/TBH/1998/2/ Tweede Kamer, stukken 1973 -1996, nrs. 18 786, nrs. 1-30. Wiel, J.H.N. van der, Bulthuis, H.O. (1999), factory outlet centres in Nederland. I&O Research.

De detailhandel kenmerkt zich door een sterke dynamiek. Het consumentengedrag speelt aan de vraagzijde een belangrijke rol. Door het efficiënt, thematischvergelijkend en recreatief winkelen worden aan de assortimenten van de verschillende winkels ook verschillende eisen gesteld. Belangrijke trends in de aanbodzijde zijn schaalvergroting, branchevervaging en filialisering. De keuze van de optimale locatie is voor de individuele ondernemer in de detailhandel direct verbonden met het eigen resultaat en niet of in veel mindere mate met het instandhouden van een goede winkelstructuur. Nu het Rijk binnen de kaders van het locatiebeleid de verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk detailhandelsbeleid bij de gemeenten en provincies legt, zullen veel aspecten opnieuw op hun waarde moeten worden geschat. Hopelijk wordt niet getracht om daarbij het wiel geheel opnieuw uit te vinden. De kracht van het nieuwe beleid zal moeten berusten op het faciliteren van, op de veranderende vraag gebaseerde, ontwikkelingen in de detailhandel binnen te versterken regionaal-specifieke samenhangen. De geboden mogelijkheid tot het leveren van maatwerk betekent echter niet dat ‘de markt alles bepaalt’. De randvoorwaarden van duurzaam ruimtegebruik vergen een voortdurend samenspel van lokale en provinciale overheden en de betreffende private partijen.

B & G

M A A R T

2 0 0 2