De Aantrekkelijke Stad

Katalysator voor Economische Ontwikkeling en Sociale Revitalisering
Een internationaal vergelijkend onderzoek naar de ervaringen van Birmingham, Lissabon en Rotterdam

November 1999

Auteurs: Prof. dr. Leo van den Berg Dr. Jan van der Meer Drs. Alexander H.J. Otgaar European Institute for Comparative Urban Research (EURICUR) Erasmus Universiteit Rotterdam

Deze studie is gesponsord door VB Deloitte & Touche

ii De Aantrekkelijke Stad

Ten geleide
Wij staan op de drempel van het nieuwe millennium. De internationale markten zijn volop in beweging. Globalisering van bedrijfsactiviteiten brengt geografische expansie met zich mee. Dit resulteert in nieuwe samenwerkingsvormen en schaalvergroting. Overnames en fusies zijn aan de orde van de dag. Als gevolg van de ontwikkelingen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie verandert de relatie met toeleveranciers, intermediairs en toezichthoudende instanties. Zowel in de private als in de publieke sector groeit de belangstelling voor de maatschappelijke dimensie van het ondernemerschap. Bedrijven zijn zich ervan bewust dat van hen meer wordt verwacht dan winstmaximalisatie alleen. Dit uit zich met name in het grotere belang dat aan hergebruik en recycling wordt gehecht. En aan de overheid de uitdaging in de wet- en regelgeving op milieugebied de grenzen aan te scherpen. Deze ontwikkelingen plaatsen ambitieuze steden en spelers die de toekomst van steden mede bepalen voor nieuwe uitdagingen. Attractieve stedelijke voorzieningen hebben een directe invloed op de concurrentiepositie van de stad. Dit zowel uit het oogpunt van de bewoners als van de bedrijven en de bezoekers. Bestuurders van steden dienen zich breed te oriënteren om de verbanden te zien die de attractiviteit van een stad bepalen. Hierbij zijn regionale, nationale en internationale ontwikkelingen in het spel. Daarmee zijn zij in staat een voorsprong voor hun stad te creëren en deze ook vast te houden.

iv De Aantrekkelijke Stad
Deloitte & Touche is één van de wereldwijd toonaangevende organisaties op het gebied van de zakelijke dienstverlening (o.a. accountancy, management consultancy en tax services). VB Deloitte & Touche is marktleider in de publieke sector. Het is onze ambitie met deze publicatie aan te geven welke trends en ontwikkelingen van invloed zijn op de attractiviteit en de concurrentiepositie van steden als voorbereiding op de uitdagingen die het nieuwe millennium biedt.

G.J. Lokerse RA Voorzitter Office of the Chairman Overheid en Non-profit VB Deloitte & Touche

Voorwoord
Steden zijn tegenwoordig steeds nadrukkelijker genoodzaakt te investeren in hun aantrekkingskracht op bewoners, bedrijven en bezoekers teneinde hun concurrentiepositie veilig te stellen. Ervaringen van steden die erin geslaagd zijn hun attractiviteit te verhogen, kunnen voor bestuurders van gemeenten en bedrijven leerzaam zijn. Een internationaal vergelijkend onderzoek is zodoende een goed middel om de do’s and don’ts van investeringen in de aantrekkelijke stad te verkennen. Het European Institute for Comparative Urban Research (EURICUR) van de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft op verzoek van VB Deloitte & Touche een onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop Birmingham, Lissabon en Rotterdam geïnvesteerd hebben in hun aantrekkelijkheid. De ontwikkeling van het onderzoekskader is mede totstandgekomen dankzij een drietal Master Classes met sleutelfiguren van de overheid en het bedrijfsleven. Wij danken de deelnemers aan deze bijeenkomsten voor hun waardevolle bijdrage (een lijst van de deelnemers is opgenomen in de bijlage). Bovendien gaat onze dank uit naar alle gesprekspartners in de drie steden die bereid waren ons te ontvangen en ons van zeer veel nuttige informatie te voorzien (een lijst van de gesprekspartners is eveneens opgenomen in de bijlage), en in het bijzonder naar de heren Sandy Taylor (Birmingham City Council) en Alberto Laplaine Guimarãis (Gabinete do Presidente da República) voor hun hulp bij de selectie van gesprekspartners en het organiseren van het bezoek van het EURICUR-team aan respectievelijk Birmingham en Lissabon.

viii De Aantrekkelijke Stad
Tenslotte danken wij Peter Zimmerman, Anna Cijsouw en Cindy van der Hout van VB Deloitte & Touche en Ankimon Naerebout van EURICUR voor hun ‘organiserend vermogen’ en collega Erik Braun voor zijn inbreng tijdens de Master Classes en zijn inhoudelijke adviezen bij het schrijven van dit rapport.

Leo van den Berg Jan van der Meer Alexander H.J. Otgaar Rotterdam, 26 oktober 1999

Inhoudsopgave
Ten geleide Voorwoord Inhoudsopgave 1 Onderzoekskader Introductie Onderzoeksmethode Dynamiek in de stedelijke ontwikkeling Eigenschappen van de aantrekkelijke stad Investeren in de aantrekkelijke stad Samenvatting Birmingham; ‘Europe’s meeting place’ Introductie Profiel De strategie van Birmingham Investeren in een aantrekkelijk Birmingham Bereikte effecten en nieuwe uitdagingen Conclusies Lisbon; de impact van EXPO ‘98 Introductie Profiel EXPO ‘98 Een jaar na EXPO ’98: de effecten Conclusies iii v vii 1 1 2 4 9 15 20 23 23 24 27 32 39 48 51 51 52 60 67 78

2

3

viii De Aantrekkelijke Stad
4 Rotterdam; de Kop van Zuid en Wederzijds Profijt Introductie Profiel De Kop van Zuid en Wederzijds Profijt Effecten van de investeringen Conclusies Synthese Introductie Effectueren Investeren Organiseren Tot besluit 79 79 80 86 94 102 105 105 107 112 117 123 125 129 131

5

Referenties Gesprekspartners Deelnemers Master Classes

1 Onderzoekskader
Introductie
De kwaliteit van de leefomgeving (‘quality of life’) bepaalt in toenemende mate de aantrekkingskracht van locaties op mensen en bedrijven. Het is daarom niet verwonderlijk dat steden met een hoge quality of life vaak ook economisch succesvolle steden zijn. De esthetische kwaliteiten van een stad werken klaarblijkelijk als katalysator voor economische groei. Omdat stedelijk beleid zich in eerste instantie richt op het optimaliseren van het welzijn en de welvaart in de stad (en dus op economische groei) trachten veel steden hun attractiviteit te verhogen. De investeringen die hiermee gepaard gaan, hebben bijvoorbeeld betrekking op voorzieningen in de sfeer van cultuur, sport, recreatie, ontspanning en winkelen, alsmede op groenvoorzieningen – zoals parken en plantsoenen – en verbeteringen inzake bereikbaarheid zowel per auto als per openbaar vervoer. Dergelijke investeringen worden geacht een aanzienlijke bijdrage te leveren aan een duurzame sociaal-economische ontwikkeling van de stad. Daartoe is echter niet alleen een duidelijke visie op de ontwikkeling van de stad vereist, maar ook een benadering, waarbij geredeneerd wordt vanuit de gebruiker van de voorzieningen. Bovendien is het wenselijk dat publieke en private partijen de handen ineenslaan. Bestuurders van zowel overheid als bedrijfsleven worden bij dit soort investeringen geconfronteerd met tal van vragen. Wat is een aantrekkelijke stad? Hoe kan een stad haar aantrekkingskracht vergroten? Welke rol is daarbij weggelegd voor overheid en bedrijfsleven? Dergelijke vragen staan centraal in deze eerste verkenning naar de bouwstenen van een aantrekkelijke stad. In opdracht van Deloitte & Touche heeft het European Institute for Comparative Urban Research (EURICUR)

2 De Aantrekkelijke Stad
een oriënterend internationaal vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop drie steden in Europa inhoud geven aan hun streven de attractiviteit van de stad te vergroten door te investeren in voorzieningen en infrastructuur. Wat zijn aansprekende trends? Welke nieuwe concepten worden ontwikkeld? Wat zijn belangrijke succes- en faalfactoren? Het onderzoek beoogt beleidsimpulsen op te leveren voor bestuurders van gemeenten en bedrijven.

Onderzoeksmethode
Hoewel steden onderling in velerlei opzichten van elkaar verschillen, kunnen ze van elkaar leren. Positieve en negatieve ervaringen leveren een bijdrage aan het signaleren van min of meer algemene succes- en faalfactoren voor stedelijk beleid op diverse aspecten. Het onderwerp ‘de aantrekkelijke stad’ kent veel facetten, zo blijkt uit het onderzoekskader dat verderop in dit hoofdstuk aan de orde komt. Deze facetten zijn ter discussie gesteld gedurende drie Master Classes, die georganiseerd zijn door Deloitte & Touche in samenwerking met EURICUR en die ieder een bepaald aspect van de aantrekkelijke stad als thema hadden: • • • Nieuwe stedelijke infrastructuur en city-/regiomarketing; Nieuwe stedelijke infrastructuur en sociale revitalisering; Stedelijke voorzieningen als speerpunt voor economische ontwikkeling.

De Master Classes en relevante wetenschappelijke literatuur hebben als bronnen voor het onderzoekskader (hoofdstuk 1) gefungeerd. Om een beeld te kunnen vormen van de wijze waarop steden in hun aantrekkelijkheid investeren, is een drietal steden in het onderzoek betrokken: Birmingham (hoofdstuk 2), Lissabon (hoofdstuk 3) en Rotterdam (hoofdstuk 4). De stedenselectie Birmingham, Lissabon en Rotterdam zijn geselecteerd op basis van het gegeven dat zij elk nadrukkelijk trachten hun aantrekkelijkheid via gericht beleid te vergroten. De drie steden kampen met problemen die uitsluitend

Onderzoekskader

3

via een actieve en gezamenlijke inzet van politieke en private partijen succesvol kunnen worden aangepakt. Birmingham ervaart de nadelen van een industrieel verleden en de daarbij behorende noodzaak tot vernieuwing en vooral verbreding van de productiestructuur. Lissabon behoort tot de steden die qua sociaaleconomische ontwikkeling een inhaalslag moeten leveren om op het ‘Europees gemiddelde’ te komen. Bovendien kampt de stad met de gevolgen van gebrek aan ruimtelijke planning in het verleden en mede als gevolg daarvan met een forse congestieproblematiek. De Rotterdamse economie wordt gedomineerd door het haven- en petrochemiecomplex. Hoe belangrijk het complex ook voor de nationale en regionale economie is, het banenscheppend vermogen is gering. Rotterdam ziet zich net als Birmingham genoodzaakt de productiestructuur te verbreden teneinde ook een aantrekkelijke moderne dienstenstad te worden. Zowel in Birmingham als in Lissabon en Rotterdam is ingezet op projecten die ten doel hebben bij te dragen aan het creëren van nieuwe kansen. Birmingham heeft medio jaren tachtig de strategische beslissing genomen om zich te specialiseren als ‘meeting place’, met alle daarbij behorende voorzieningen zoals een internationale luchthaven, beurs- en congresfaciliteiten, hotels, kunst en cultuur, etc. Lissabon heeft in nauwe samenwerking met de Portugese overheid een groot evenement (de wereldtentoonstelling: EXPO ’98) aangegrepen om het internationale imago te versterken en een nieuw, goed bereikbaar stedelijk sub-centrum te ontwikkelingen. Rotterdam heeft via het prestigieuze Kop-van-Zuidproject geprobeerd bij te dragen aan de revitalisering van de stedelijke economie, waarbij ook nadrukkelijk de sociale component wordt betrokken. De opbouw van het onderzoekskader Het onderzoekskader begint met een korte schets van de dynamiek in de economie en de consequenties voor steden, waaruit blijkt dat een aantal ontwikkelingen steden ertoe stimuleert te investeren in hun aantrekkelijkheid. Vervolgens doet zich de vraag voor welke factoren bepalend zijn voor de aantrekkingskracht van steden en welke investeringen bijdragen aan de aantrekkelijke stad. Tenslotte staan we stil bij de relatie tussen het

4 De Aantrekkelijke Stad
organiserend vermogen en investeringen in de aantrekkelijke stad. Het hoofdstuk sluit af met een schematische weergave van het onderzoekskader, die de basis vormt voor de synthese (hoofdstuk 5).

Dynamiek in de stedelijke ontwikkeling
Het toenemende belang van de kwaliteit van de leefomgeving voor de stedelijke ontwikkeling is het gevolg van wijzigingen in de omgeving waarin steden functioneren. Economische, maatschappelijke, demografische en technologische ontwikkelingen hebben in de afgelopen eeuw het locatiegedrag van mensen en bedrijven en zodoende de rol van steden in de economie beïnvloed [Van den Berg, 1987]. Succes is geen onveranderlijk gegeven. Ook vóór 1900 was de ranglijst van Europese steden aan verandering onderhevig, zo blijkt uit tabel 1-1. Ontwikkelingen die zich tegenwoordig voordoen, zoals de opkomst van de informatiemaatschappij [Hall 1995a; Castells, 1991], kunnen op dezelfde wijze hun stempel drukken op de ontwikkeling van steden.

Onderzoekskader

5

Tabel 1-1: de tien grootste Europese steden tussen 1000 en 1900 1000 Constantinopel Cordoba Sevilla Palermo Kiev Venetië Regensburg Thessaloniki Amalfi Rome 1400 Parijs Milaan Brugge Venetië Granada Genua Praag Rouen Sevilla Gent 1700 Constantinopel Londen Parijs Napels Lissabon Amsterdam Rome Venetië Moskou Milaan 1900 Londen Parijs Berlijn Wenen Leningrad Manchester Birmingham Moskou Glasgow Liverpool

Bron: ‘The making of an Urban Europe’ [Hohenberg en Lees, 1985] Veranderingen in locatiefactoren: industrialisatie en tertiairisering Tot de negentiende eeuw waren steden compacte, meestal door muren en grachten omgeven nederzettingen met eigen rechten en vrijheden. De industrialisatie van de (West-Europese) samenleving die zich vanaf de negentiende eeuw voltrok, heeft aanmerkelijke consequenties met zich meegebracht voor de ruimtelijke spreiding van activiteiten en voor de maatschappelijke en economische rol van de stad. Industrialisatie heeft geleid tot een fundamentele verandering van arbeidsprocessen. De industriële samenleving kenmerkte zich in tegenstelling tot de agrarische maatschappij door grote concentraties van arbeidsplaatsen, namelijk in en rondom de fabrieken die zich in de steden vestigden. Vanwege de beperkte mobiliteit van de bevolking resulteerde de komst van fabrieken in de stad automatisch tot een sterke concentratie van werknemers rondom deze fabrieken. Steden zagen hun inwonertal als gevolg hiervan in

6 De Aantrekkelijke Stad
snel tempo stijgen. De steden die de meeste fabrieken trokken, dankten dit niet zozeer aan de kwaliteit van de leefomgeving, maar aan de nabijheid van grondstoffen en/of een gunstige ligging (bijvoorbeeld aan zee of bij een rivier). De aantrekkelijkheid van een locatie was zodoende min of meer een vast gegeven. Bovendien werd de spreiding van de woonfunctie bijna volledig bepaald door de spreiding van de werkfunctie (‘de mensen kwamen naar de fabrieken’). In de loop van de twintigste eeuw kon men zich in toenemende mate veroorloven verder van de werkplek te wonen dankzij een stijgende welvaart en een toenemende mobiliteit. Nieuwe woonwijken verrezen rondom de binnensteden, terwijl dorpen in de nabijheid van steden langzaam maar zeker een stedelijk karakter kregen. De opkomst van de auto als betaalbaar vervoermiddel deed velen ertoe besluiten de stad de rug toe te keren ten faveure van schonere, groenere, veiligere en betere bereikbare suburbs of nog verder van de stad gelegen dorpen. De spreiding van de woonfunctie werd zodoende autonoom ten opzichte van de werkgelegenheidsdistributie. Vanaf de jaren zestig nam het belang van de dienstensector in veel West-Europese steden toe. In vergelijking met de industriële sector bepaalde de dienstensector haar locatie in grotere mate op basis van factoren die géén vast gegeven zijn. Een en ander leidde tot de deconcentratie van werkgelegenheid. De stad in een nieuwe context De toenemende mobiliteit, de stijgende welvaart en het toenemende belang van de kwaliteit van de leefomgeving resulteerden niet in minder verstedelijking; in tegendeel: het percentage mensen dat in een stedelijke omgeving woont, is sinds het begin van de negentiende eeuw continu gestegen. Verstedelijking heeft aanvankelijk geleid tot de groei van steden en later tot de groei van omliggende gemeenten. De scherpe tegenstelling tussen stad en randgemeenten is daardoor minder pregnant geworden. In sterk verstedelijkte regio’s van Europa, zoals de Randstad, Vlaanderen, het Ruhrgebied, groot-Londen en groot-Parijs, groeien steden naar elkaar toe, waardoor het nauwelijks mogelijk is te bepalen waar een stad begint en eindigt.

Onderzoekskader

7

‘…de stad is niet alleen een geografisch begrip, een plaatsbepaling, een kluit gebouwen en kantoren met een ringweg er omheen. Een stad staat voor stedelijkheid. Steden zijn – van oudsher – centra van handel, bedrijvigheid, kunst en cultuur, verleden en toekomst. Stedelijkheid wordt bepaald door een labyrintische en dynamische wisselwerking tussen al deze functies, tussen werken en ontspannen, individualiteit en collectiviteit, wonen en openbaarheid.’ Bron: ‘Een complete stad is een werkende stad’ [Van Boxtel, 1999] De stad heeft in de huidige maatschappelijke context een nieuwe lading gekregen. Veel economische activiteiten hebben de stad verlaten en zich geconcentreerd rondom transportknooppunten nabij de stad, zoals luchthavens. De monocentrische stad heeft plaatsgemaakt voor de polycentrische stadsregio [Hall, 1995b]. De stad is niet meer de ommuurde nederzetting van voorheen, maar een beeldmerk voor het stedelijk regionetwerk, bestaande uit een aantal economische centra, waaronder de binnenstad van de centrale gemeente. Op dit schaalniveau spreken we ook wel van de ‘functional urban region’ (FUR), een regio die op basis van woon-werkverkeer (min of meer) een eenheid vormt. De netwerkvorming van steden manifesteert zich ook op hogere schaalniveaus. Zo vormen veel steden in Europa regionale netwerken met tal van onderlinge functionele economische relaties [Batten, 1995]. Voorbeelden van dergelijke regionale netwerken zijn de Randstad, de Brabantse stedenring en het Ruhrgebied. Op een nog hoger schaalniveau vormen (grote) steden door informatisering en globalisering ook een wereldwijd netwerk. Het begrip ‘stad’ heeft een meer emotionele, gevoelsmatige lading gekregen. Dat wat vroeger de stad was, bepaalt tegenwoordig het gezicht van de regio. Bewoners en bedrijven die zich formeel buiten de grenzen van de centrale gemeente bevinden, zijn functioneel en emotioneel verbonden met ‘de stad’. Voorbeelden van dergelijke functionele relaties zijn woonwerk- en woon-winkelverkeer (bewoners) en producent-afnemer- en leverancier-producentrelaties (bedrijven). Ook bezoekers (toeristen) storen zich niet aan de politiek-bestuurlijke gemeentegrenzen. Attracties die buiten deze grenzen gesitueerd zijn, bevinden zich in de perceptie van de bezoeker in de stad die hen tot de verbeelding spreekt. In de perceptie van mensen

8 De Aantrekkelijke Stad
zijn steden vaak groter dan ze in werkelijkheid – volgens de bestaande administratieve indeling – zijn. Menig toerist is ervan overtuigd dat de Keukenhof in een buitenwijk van Amsterdam ligt. De toenemende mobiliteit van bewoners, bedrijven en bezoekers gestimuleerd door technologische, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, zorgt ervoor dat de concurrentie tussen locaties zich op een steeds hoger schaalniveau afspeelt. Het is ten gevolge daarvan niet verwonderlijk dat regio’s in plaats van steden de actoren zijn in deze wereldwijde competitie. Het imago van de regio (de perceptie van de kwaliteiten als vestigingsplaats voor mensen en bedrijven enerzijds en als toeristische bestemming anderzijds) is echter wel in hoge mate afhankelijk van het imago van de stad, de naamgever van de regio. De ruimtelijke consequenties van het verstedelijkingsproces zijn dat de stad onmogelijk losgezien kan worden van de regio en vice versa. Implicaties voor stedelijk management De huidige economische context waarin steden opereren, stelt nieuwe eisen aan het stedelijk management. Globalisering, de eenwording van Europa en de toenemende mobiliteit van mensen en bedrijven vergroten de concurrentie tussen steden. In de huidige fase van stedelijke ontwikkeling zoals Van den Berg [1987] die onderscheidt, is een meer actieve, anticiperende en initiërende rol voor de overheid weggelegd. De lokale overheid, die zich ten doel stelt de welvaart van haar burgers te vergroten, dient zich actiever dan voorheen in te zetten om de stad aantrekkelijk te maken voor bewoners, bedrijven en bezoekers. Steeds meer steden houden zich dan ook nadrukkelijk bezig met de acquisitie van bedrijven, bewoners en bezoekers. Ze investeren bewuster in hun rol in de economie en proberen zich een duidelijk profiel aan te meten [Hall, 1995b].

Onderzoekskader

9

Eigenschappen van de aantrekkelijke stad
Nu het belang van aantrekkelijkheid is beschreven, doet zich de vraag voor welke factoren tegenwoordig de aantrekkingskracht van steden bepalen. Locatiegedrag en attractiefactoren De aantrekkingskracht van een bepaalde locatie (niet noodzakelijk een stad) is afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt per doelgroep (bewoners, bedrijven en bezoekers). Van den Berg [1987] beschrijft het locatiegedrag van bewoners en bedrijven met behulp van de relevante attractiefactoren voor deze groepen: • Bewoners hechten waarde aan goede, betaalbare huizen in een schone en veilige omgeving, de beschikbaarheid en diversiteit van werkgelegenheid en een ruim en kwalitatief hoogwaardig aanbod van voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur, gezondheidszorg, ontspanning, winkelen, religie en sociale zekerheid; Bedrijven bepalen hun locatie onder meer op basis van de beschikbaarheid van ruimte, grondprijzen, belastingpercentages en andere wettelijke regelingen, de kwaliteit en kwantiteit van het arbeidsaanbod, de aanwezigheid van andere bedrijven (leveranciers en afnemers), de marktvraag, de status van een locatie, de kwaliteit van de leefomgeving en de aanwezigheid en kwaliteit van nabijgelegen voorzieningen.

Het locatiegedrag van bewoners, bedrijven en bezoekers is de laatste decennia nogal veranderd. Voor bewoners heeft de toegenomen mobiliteit de maximale woon-werkafstand beduidend verhoogd; de toegenomen welvaart zorgt ervoor dat mensen steeds hogere eisen stellen aan de huizen, maar ook aan de voorzieningen in de directe omgeving. Ook de opkomst van eenpersoonshuishoudens en tweeverdieners heeft zo zijn invloed op het ruimtelijk gedrag van bewoners. Diverse ontwikkelingen hebben het ruimtelijk gedrag van bedrijven beïnvloed. De opkomst van nieuwe informatie- en communicatie-

10 De Aantrekkelijke Stad
technologie heeft netwerkvorming binnen en tussen bedrijven geïntensiveerd. De computerisering van de maatschappij heeft de noodzakelijkheid van fysieke nabijheid voor bepaalde relaties opgeheven [Castells, 1996]. Dit betekent echter niet het einde van persoonlijke face-toface-contacten. Sterker nog: het toenemende belang van hoogwaardige informatie, zeker in creatieve, innovatieve en complexe bedrijfsprocessen (zoals onderzoek & onwikkeling, marketing en management), en het feit dat economische activiteiten steeds meer in netwerken georganiseerd worden, vergroten juist het belang van face-to-face-contacten. De toegang tot informatie is een steeds belangrijker wordende locatiefactor en vraagt werknemers met een relatief hoog kennis- en opleidingsniveau. Dientengevolge groeit het belang van de kwaliteit van de leefomgeving als locatiefactor. Terwijl vroeger de mensen naar de bedrijven (fabrieken) trokken, is dit nu andersom. Hoogwaardige bedrijvigheid lijkt zich bij voorkeur in gebieden te vestigen die voldoen aan de hoge eisen van de werknemers ten aanzien van het voorzieningenniveau en de leefbaarheid van hun woonomgeving. Over het algemeen kan vastgesteld worden dat ‘zachte’ locatiefactoren belangrijker worden dan traditionele ‘harde’ locatiefactoren [Funck, 1995]. Harde locatiefactoren zijn vaak eenvoudig te kwantificeren en hebben een directe invloed op de kosten of opbrengsten van een bedrijf (zoals transportkosten en afzetmogelijkheden); voorbeelden zijn de geografische ligging (markt), de aanwezigheid (en nabijheid) van voorzieningen en de positie in transport- en communicatienetwerken. Zachte locatiefactoren zijn moeilijker te kwantificeren en hebben een indirecte invloed op de winstgevendheid; voorbeelden zijn de kwaliteit van de leefomgeving, de diversiteit en kwaliteit van culturele voorzieningen en vrijetijdsvoorzieningen en het imago van een bepaalde locatie. De stad: een verzameling locaties De stad is in feite een verzameling locaties. Mensen die besluiten in (of rondom) een stad te wonen of een stad te bezoeken en bedrijven die besluiten zich in (of rondom) de stad te vestigen, nemen deze beslissing op basis van de meest uiteenlopende factoren. Daarbij gaat het niet zozeer om de kwaliteit van één bepaalde locatie (een huis, een bedrijfspand of een

Onderzoekskader 11 hotel), maar veel meer om de kwaliteit en bereikbaarheid van (stedelijke) voorzieningen. Een bedrijf kan haar besluit om zich te vestigen in een bedrijvenpark mede baseren op de nabijheid van een levendige binnenstad. Sommigen kiezen een stad als woonplaats vanwege de nabijheid van een aantrekkelijk natuurgebied, anderen vanwege de aanwezigheid van hoogwaardige voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur en winkelen. De waardering voor een locatie is afhankelijk van de kwaliteit van andere (nabijgelegen) locaties, waarbij de transportkosten om de afstand tussen beide locaties te overbruggen, bepalend zijn voor de mate waarin de wederzijdse beïnvloeding van de attractiviteit gestalte krijgt [Van den Berg, 1987]. Een verbetering van de bereikbaarheid kan de aantrekkingskracht van een bepaalde locatie vergroten. Voor een aantrekkelijke stad is interne bereikbaarheid zodoende van groot belang. Een kwalitatief hoogwaardig openbaarvervoersysteem en een adequaat wegennet zijn onmisbare elementen in een polycentrische stadsregio. Bovendien is het wenselijk aandacht te besteden aan de bereikbaarheid te voet. Voor de winkel- en uitgaansfunctie blijkt het criterium ‘op loopafstand’ nog steeds actueel, ondanks de toenemende mobiliteit. In haar streven naar welvaartsgroei (de finale doelstelling van stedelijk beleid) dient de overheid zorg te dragen voor de aantrekkelijkheid van zowel het leefmilieu (voor bewoners) als het vestigingsmilieu (voor bedrijven) [Van den Berg, Klaassen en Van der Meer, 1990]. Hierbij wordt aangenomen dat het streven naar (kwalitatieve en duurzame) groei de voorkeur verdient boven stagnatie of inkrimping [zie bijvoorbeeld Funck, 1995]. Het is van belang te erkennen dat een aantrekkelijk leefmilieu bijdraagt aan een aantrekkelijk vestigingsmilieu. Hoogopgeleide werknemers stellen immers doorgaans hoge eisen aan hun woonomgeving. De aantrekkelijkheid van het leefmilieu is afhankelijk van [zie o.a. Van den Berg et al., 1990]: • • • De kwaliteit en bereikbaarheid van voorzieningen; De kwaliteit en bereikbaarheid van het woonmilieu; De kwaliteit en bereikbaarheid van de natuurlijke omgeving.

12 De Aantrekkelijke Stad
Voor de attractiviteit van het vestigingsmilieu zijn de volgende factoren belangrijk: • • • • De kwaliteit van het (potentiële) arbeidsaanbod; Technische voorzieningen (de prijs-kwaliteitverhouding van zowel bedrijfslocaties als aanvullende voorzieningen); Technische infrastructuur (bereikbaarheid; overigens ook van belang voor het leefmilieu); De relatieve ligging ten opzichte van economische zwaartepunten.

Bovendien bepalen bedrijven hun locatie op basis van de productiestructuur van het bedrijfsleven in de stad (onder meer vanwege toeleveringen) en het organiserend vermogen van de overheid als partner van het bedrijfsleven [Van den Berg et al., 1990]. Lokale en nationale regelgeving (waaronder belastingen en incentives) kunnen de aantrekkingskracht op bedrijven ook beïnvloeden. Een aantrekkelijke stad is opgebouwd uit basiselementen en onderscheidende elementen. Tot de eerste categorie behoren eigenschappen als een schone en nette omgeving, een veelzijdig en kwalitatief hoogwaardig woningaanbod en een goede interne bereikbaarheid. Basiselementen zijn noodzakelijke ingrediënten voor een aantrekkelijke stad. Onderscheidende elementen zijn belangrijk voor positionering en imagovorming. Hierbij valt de denken aan bijzondere bouwwerken (zogenoemde ‘landmarks’), musea en attracties. De aantrekkingskracht op bezoekers en toeristen Een aantrekkelijke stad trekt niet alleen bewoners en bedrijven, maar ook toeristen. De aantrekkelijkheid van een stad als toeristische bestemming is afhankelijk van de aanwezigheid en bereikbaarheid van primaire én complementaire toeristische producten [Van den Berg, Van der Borg en Van der Meer, 1995]. Primaire toeristische producten, zoals attracties, musea, evenementen, het klimaat en het landschap, vormen de belangrijkste motieven voor het bezoek, terwijl de complementaire producten, zoals

Onderzoekskader 13 hotels, restaurants, winkels en congrescentra, enkel bijdragen aan de aantrekkelijkheid van de primaire toeristische producten. Het ruimtelijk gedrag van bezoekers is ook aan veranderingen onderhevig. Mensen gaan steeds vaker en korter op vakantie [Van der Borg en Gotti, 1995] en kunnen daarbij kiezen uit een zeer ruim aanbod van stedentrips dichtbij huis tot rondreizen in exotische landen. Tabel 1-2: de tien meest aantrekkelijke steden in Europa, gemeten naar het aantal bezoekers Positie 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Geregistreerde overnachtingen (1991) Londen* Parijs Rome Wenen Nice* Amsterdam Dublin* Edinburgh Boedapest Praag 65.900.000 18.786.000 6.966.000 6.130.000 5.351.000 5.338.500 4.969.000 4.500.000 3.977.000 3.705.000 Geregistreerde overnachtingen (1996) Londen* Parijs Rome Amsterdam Wenen Praag Dublin* Nice* Barcelona Madrid 47.534.000 18.037.000 9.314.000 6.320.000 6.281.000 5.950.000 5.776.000 5.282.000 4.242.000 4.089.000

Bron: ‘City Tourism in Europe’ [The Federation of European Tourist Offices (FECTO) en Vienna University, 1996]; aangepast door VVV Amsterdam en de auteurs *) er bestaat onzekerheid over de vergelijkbaarheid van deze data Het gedrag van toeristen is in tegenstelling tot vroeger (toen iedereen één keer per jaar in een vaste periode vakantie vierde) moeilijk te voorspellen. Vooral actieve, culturele, veelzijdige en flexibele vakanties lijken een toenemende belangstelling te genieten. De bezoeker gedraagt zich daarbij

14 De Aantrekkelijke Stad
steeds meer als een ‘zap consumer’, oftewel een consument die zijn activiteitenpakket zelf wenst samen te stellen [VVV Amsterdam, 1998]. De harmonische stad De aantrekkelijkheid van een stad kan, zo blijkt uit het voorgaande, verschillen per functie (wonen, werken en recreëren) en per doelgroep (bijvoorbeeld zakelijke toeristen versus ‘leisure’ toeristen). Hoewel steden zich altijd enigszins kunnen specialiseren, is een zekere mate van evenwicht in zowel functies als doelgroepen wenselijk. Negatieve aspecten van monofunctionaliteit zijn eenzijdige verkeersstromen [Van den Berg, Klaassen en Van der Meer, 1990], gebrek aan levendigheid [Jacobs, 1961] en kwetsbaarheid voor conjunctuurschommelingen en andere exogene veranderingen. Bovendien blijkt dat de diverse functies en doelgroepen elkaar nodig hebben. Dat heeft enerzijds te maken met de opkomst van de netwerkeconomie en anderzijds met het waarborgen van stedelijke levendigheid. Schoolvoorbeeld van een stad die zich te eenzijdig heeft ontwikkeld, is Venetië, waar het massatoerisme bewoners en bedrijven uit de stad heeft verdreven. Niet alleen wat betreft functies en doelgroepen dient een stad in een harmonisch evenwicht te verkeren, maar ook in sociaal opzicht. Een concentratie van sociale problemen (zoals werkloosheid en criminaliteit) in een beperkt aantal stadsdelen kan de aantrekkelijkheid van een stad negatief beïnvloeden, bijvoorbeeld via het imago. Mede daarom streven veel steden naar inkomensdifferentiatie binnen de wijken. Anderzijds blijken concentraties van allochtonen, meestal samenvallend met concentraties van sociale problemen, juist ook positieve elementen met zich mee te brengen. Ze bevestigen het kosmopolitane karakter van een stad [Hall, 1995b]. Een goed voorbeeld van een dergelijke wijk is Kreuzberg in Berlijn, dat vanwege de grote concentratie mensen van Turkse komaf ook wel ‘klein Instanbul’ genoemd wordt. Daar heeft een verruiming van de openingstijden en een soepel overheidsbeleid ruimte gecreëerd voor de ontwikkeling van een alternatieve economie (zoals marktkramen op straat).

Onderzoekskader 15 Promotie en het creëren van een imago Steden kunnen in de interstedelijke competitie niet volstaan met het simpelweg investeren in de kwaliteit van de stedelijke voorzieningen. Het is ook van belang de (verworven) aantrekkelijkheid te communiceren naar mensen en bedrijven binnen en buiten de stad [Funck, 1995]. Het creëren van een eigen onderscheidend imago is een van de grootste uitdagingen waar steden voor staan. Communicatie en imagovorming zijn belangrijke elementen in een strategisch citymarketingbeleid [Van den Berg, Klaassen en Van der Meer, 1990]. Een slecht imago kan toeristen afschrikken [Van den Berg, Van der Borg en Van der Meer, 1995] of bedrijven ervan weerhouden zich in de stad te vestigen. De beeldvorming over een stad of een stadsdeel is meestal niet eenduidig. Ten eerste is het imago vaak afhankelijk van de afstand tussen de stad en de persoon in kwestie. Het imago op nationaal niveau kan bijvoorbeeld afwijken van dat op internationaal niveau. Ten tweede zijn er vaak verschillen tussen doelgroepen – toeristen hebben een andere beeldvorming dan bedrijven – of binnen doelgroepen – bijvoorbeeld verschillen tussen sociale klassen.

Investeren in de aantrekkelijke stad
Bewoners, bedrijven en bezoekers stellen, zoals hierboven behandeld, eisen aan de stad, zoals een bepaald voorzieningenniveau en een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving. Investeringen in deze locatiefactoren dragen bij aan de aantrekkelijkheid van de stad. Moderne infrastructuur die de bereikbaarheid ten goede komt, en stedelijke voorzieningen inzake cultuur, sport, evenementen, recreatie, amusement en winkelen zijn in dit verband wenselijk. De lokale overheid streeft naar een optimale allocatie op het niveau van de stad of de regio. De investeringen dienen een substantiële bijdrage te leveren aan de welvaart en het welzijn van de bewoners, bijvoorbeeld door voldoende werkgelegenheid te genereren, ook voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Veel gemeenten trachten met investeringen in de aantrekkelijkheid van de stad hun economische structuur te moderniseren

16 De Aantrekkelijke Stad
en/of achterstandswijken een nieuw leven in te blazen onder de noemer ‘sociale revitalisering’. Sociale revitalisering past in het streven van veel gemeenten om een dreigende sociale tweedeling (tussen arm en rijk) te voorkomen. De overheid is echter niet de enige investeerder in dit verband. Ook private partijen kunnen een bijdrage leveren aan een voortvarende stad door te investeren in voorzieningen op het gebied van cultuur, winkelen, uitgaan, ontspanning, onderwijs, etc. Daarnaast kunnen bewoners en bedrijven in de stad investeren door zorg te dragen voor de kwaliteit van de buitenkant en de directe omgeving van de woning of het bedrijfspand. Private investeerders hanteren normaliter andere criteria dan de overheid, waardoor zij veelal niet bereid zijn te investeren in projecten met veel risico of een laag rendement. Daarnaast gaan zij veelal voorbij aan de eventuele positieve effecten van hun investeringen ten aanzien van de aantrekkelijkheid van de stad. In eerste instantie bepaalt de verwachte bijdrage aan de winstgevendheid van een bedrijf de investeringsselectie. Maximalisering van de aandeelhouderswaarde is echter bij veel bedrijven niet langer de enige doelstelling. Ten behoeve van de continuïteit streven bedrijven ook andere doelen na. Steeds meer bedrijven plegen investeringen die niet direct winstgevend zijn, maar via een verbetering van het bedrijfsimago (‘corporate image’) de resultaten indirect gunstig kunnen beïnvloeden. Ondernemers realiseren zich dat het niet alleen zaak is om de aandeelhouders, maar ook andere partijen die hun invloed kunnen uitoefenen, tevreden te stellen. Hiertoe rekenen we onder meer de werknemers, de bewoners in de omgeving van een bedrijf, de afnemers, de leveranciers en belangengroeperingen. Om het imago van een bedrijf niet te schaden, is meer maatschappelijke betrokkenheid nodig. Sommigen noemen dit ethisch ondernemen, maar in feite is dit een vorm van verlicht eigenbelang [Lubbers, 1999]. Dit eigenbelang kan zich ook in relatie tot ‘de aantrekkelijke stad’ manifesteren. Bedrijven profiteren immers van een locatie in een aantrekkelijke stad vanwege een grotere afzetmarkt, een betere bereikbaarheid, de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel en een goed imago. Het is dientengevolge niet ondenkbaar dat bedrijven in

Onderzoekskader 17 toenemende mate bereid zullen zijn te investeren in de kwaliteit van de leefomgeving, sociale revitalisering en citymarketing [zie ook Funck, 1995]. Het belang van organiserend vermogen Investeringen in de aantrekkelijke stad vereisen organiserend vermogen. De uiteenlopende belangen en de diverse functionele en ruimtelijke relaties tussen actoren maken van het investeren in de aantrekkelijke stad een organisatorische uitdaging. Van den Berg, Braun en Van der Meer [1997] stellen vast dat organiserend vermogen de basis vormt voor modern stedelijk management. Zij definiëren ‘organiserend vermogen’ als de mate waarin men in staat is alle actoren bijeen te krijgen en gezamenlijk nieuwe ideeën te genereren en beleid te ontwikkelen en te implementeren, dat inspeelt op fundamentele ontwikkelingen en dat voorwaarden creëert voor duurzame economische groei. Het organiserend vermogen is onder meer afhankelijk van visie en strategie, publiek-private netwerken, een politiek en maatschappelijk draagvlak en leiderschap. Een visie en een daaraan gerelateerde strategie helpen partijen op één lijn te brengen. Visie en strategie bepalen in welke richting een stad zich wil ontwikkelen, wat het maken van keuzen impliceert, niet alleen door de overheid maar ook door andere actoren in de stad. Investeringen dienen logischerwijs voort te vloeien uit de visie en strategie. De formulering van visie en strategie in samenspraak met relevante publieke en private actoren (ten behoeve van het verkrijgen van draagvlak) is te beschouwen als een profilering van de stad. Hierbij is een marktgerichte benadering gewenst. Aan de hand van sterkten en zwakten van de stad en kansen en bedreigingen in de omgeving kan men ontwikkelingspotenties identificeren. Citymarketing [zie o.a. Van der Meer, Klaassen en Van der Meer, 1990] en regiomarketing [zie o.a. Van ’t Verlaat, 1997; De Kruijk, Otgaar en Renssen, 1998] zijn wat dat betreft actuele managementfilosofieën voor het ontwikkelen van een aantrekkelijke stad. Samenwerking tussen gemeenten en tussen overheid en bedrijfsleven is voor zowel citymarketing als regiomarketing een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Publiek-private netwerken zijn immers nodig om investeringen

18 De Aantrekkelijke Stad
in de aantrekkelijke stad op elkaar af te stemmen teneinde optimale effecten te bewerkstelligen. De vorming van dergelijke netwerken is afhankelijk van de bereidheid tot samenwerken in een stad of regio. In veel gevallen is dit een cultuurkwestie, maar ook ruimtelijk-economische omstandigheden (zoals een gemeenschappelijke kans of bedreiging) kunnen de bereidheid tot samenwerken vergroten. ‘Het convenant grote-stedenbeleid, dat Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht in 1995 met elkaar hebben afgesloten, is een goed voorbeeld van hoe de steden en het rijk elkaar hebben gevonden om de problemen aan te pakken en de kansen die steden hebben optimaal te benutten. Samenwerking is daarbij het sleutelwoord. Werken aan de toekomst van de grote steden is – gezien de veelheid van onderwerpen – een zaak van lange adem. En je kunt alleen goede resultaten boeken als alle betrokkenen er gezamenlijk de schouders onder zetten (…)’ Bron: ‘De stad moet kansen pakken’, Simons [1996] Zonder politiek draagvlak hebben investeringsplannen voor een aantrekkelijke stad weinig kans van slagen. Steun van de nationale overheid en/of de Europese Commissie is vaak een beslissende factor bij het verkrijgen van het benodigde financiële draagvlak. Daarnaast zijn publieke investeringen afhankelijk van politieke besluitvorming op diverse niveaus (van Europa tot de deelgemeente). Het politieke draagvlak staat ook onder invloed van het maatschappelijke draagvlak . De steun van de bevolking en het bedrijfsleven voor bepaalde investeringen is bovendien van belang voor het draagvlak van voorzieningen, de investeringsbereid van de private sector en de mate waarin bezoekers van de stad op een vriendelijke wijze ontvangen worden. Een trotse bevolking draagt bij aan een positief imago. Het vierde element van organiserend vermogen is leiderschap. Leiderschap kan zowel betrekking hebben op een persoon als op een organisatie. In veel gevallen neemt de overheid het initiatief tot investeringen in de aantrekkelijke stad, maar ook private actoren kunnen het leiderschap op zich nemen. Een sterke leider heeft autoriteit, een uitgebreid netwerk en kennis van zaken. Een charismatische uitstraling vergroot daarbij het vermogen om anderen te activeren en bepaalde zaken voor elkaar te krijgen.

Onderzoekskader 19 Effecten van investeringen in de aantrekkelijke stad Investeringen in de aantrekkelijke stad zijn geen doel op zich. In de visie van de (lokale) overheid dienen dergelijke investeringen een optimale bijdrage te leveren aan een verbetering van het welzijn en de welvaart van de bewoners. Funck [1995] merkt op dat stedelijke groei (in de ruime zin van het woord) zich op diverse wijzen kan manifesteren: ‘The concept of urban growth has a multitude of interrelated facets. It is, of course, based on the set of indicators that describes the (economic) position of a city at a certain point in historic time. Among these are (in my judgement the most important ones): (1) population size (by age groups); (2) migration balance; (3) commuting balance; (4) number of enterprises (by size, and control structure); (5) number of job opportunities (by quality groups, such as educational requirements, income categories, quality of workplace); (6) income creation (as total or per capita income); (7) urban taxes revenues; (8) sectoral structure of enterprises, and of urban employment (or of income creation); (9) relative number of headquarter functions and of jobs in such functions.’ Bron: ‘Competition among Locations: Objectives, Instruments, Strategies, Perspectives’ [Funck, 1995] De overheid dient ervoor te waken dat de investeringen voldoende effect sorteren. We onderscheiden hier vier effecten: • Een verhoging van de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu; dit effect kan zich bijvoorbeeld manifesteren via veranderingen in de kwaliteit van voorzieningen, de kwaliteit van transportinfrastructuur en de kwaliteit van de openbare ruimte; Een versterking van de economische structuur; bijvoorbeeld zichtbaar door het ontstaan van nieuwe groeipolen in de stad, de opkomst van nieuwe groeisectoren en een groei van het aantal bezoekers; Een versterking van de sociale structuur; dit effect kan zich onder meer manifesteren via een daling van de werkloosheid, een stijging van het gemiddelde inkomen, een vermindering van de sociale tweedeling, een

20 De Aantrekkelijke Stad
verhoging van het gemiddelde opleidingsniveau en een verlaging van de criminaliteit; • Een verbetering van het imago; bijvoorbeeld te achterhalen met behulp van marktonderzoek (enquêtes) en indirect te herleiden uit een toename van het aantal bezoekers, bewoners en/of bedrijven.

Investeringen in de aantrekkelijke stad beogen doorgaans een of meerdere van bovenstaande effecten te realiseren. De effecten staan echter niet los van elkaar. Een integrale beoordeling van de effecten is zodoende noodzakelijk.

Samenvatting
Op basis van literatuuronderzoek en drie Master Classes is een onderzoekskader geformuleerd dat als leidraad kan dienen voor het analyseren van investeringsprojecten in de aantrekkelijke stad. Het kader steunt in belangrijke mate op de veronderstelling dat de kracht van het organiserend vermogen in een stad in belangrijke mate bepaald in hoeverre de investeringen de gewenste effecten sorteren (zie figuur 1-3). Figuur 1-3: onderzoekskader voor investeringen in de aantrekkelijke stad
ORGANISEREN Visie en strategie Netwerken Draagvlak Leiderschap INVESTEREN Basisvoorwaarden Voorzieningen Transportinfrastructuur Mensen Promotie EFFECTUEREN Kwaliteit van het leef- en werkmilieu Economische structuur Sociale structuur Imago

Onderzoekskader 21

Investeringen in de aantrekkelijke stad vereisen, zo blijkt uit het onderzoekskader, een integrale visie en strategie, intensieve netwerken van relevante publieke en private actoren, een politiek en maatschappelijk draagvlak en leiderschap. De investeringen zijn hier onderverdeeld in een vijftal categorieën: basisvoorwaarden (veiligheid, kwaliteit van de openbare ruimte), voorzieningen (woningen, bedrijfsruimte, kantoren, winkelcentra), infrastructuur (wegen, openbaar vervoer), mensen (onderwijs, afstemming tussen arbeidsvraag en -aanbod) en promotie. De belangrijkste doelstelling van stedelijk beleid (het vergroten van het welzijn en de welvaart) kan verwezenlijkt worden via verbeteringen van de kwaliteit van het leef- en werkmilieu, de economische structuur, de sociale structuur en het imago van de stad.

22 De Aantrekkelijke Stad

2 Birmingham
‘EUROPE’S MEETING PLACE’

Introductie
Tot halverwege de jaren tachtig was Birmingham niet bepaald een aantrekkelijke stad. De stad kampte met ernstige sociale en economische problemen, die grotendeels veroorzaakt werden door de neergang van de West-Europese basisindustrie. De Engelse industriestad had duidelijk moeite met de transitie naar een diensteneconomie. Het voorzieningenniveau was laag, de kwaliteit van de leefomgeving liet te wensen over en het imago was slecht. Door het vertrek van bewoners en bedrijven dreigde de stad in een neerwaartse spiraal te geraken. Het gemeentebestuur van Birmingham wilde het echter niet zover laten komen. Daartoe heeft men in 1985 een strategie ontwikkeld die gericht was op het moderniseren van de economische structuur van de stad. In deze strategie kiest de lokale overheid er onder meer voor om te investeren in de aantrekkelijkheid voor (zakelijke) bezoekers. Een en ander leidt tot de bouw van het International Convention Centre (ICC) en investeringen in de luchthaven. Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop Birmingham heeft geïnvesteerd in de ontmoetingsfunctie. Welke investeringen hebben publieke en private partijen gedaan en hoe heeft men dit georganiseerd? Bovendien komen de diverse effecten aan de orde. In hoeverre hebben de inspanningen daadwerkelijk geleid tot een aantrekkelijke stad?

24 De Aantrekkelijke Stad

Profielschets
De stad Birmingham is gelegen in de West Midlands in het centrum van Engeland. De West Midlands vormen het oudste en belangrijkste industriële centrum van het Verenigd Koninkrijk. De stedelijke regio van Birmingham omvat circa 950 vierkante kilometer en bestaat uit zeven districten, waarvan Birmingham de meeste inwoners telt. De andere districten zijn Coventry, Dudley, Sandwell, Walsall, Wolverhampton en Solihull. Districten zijn sinds 1986 de tweede bestuurslaag in stedelijke regio’s in Groot-Brittannië. Gemiddeld telt een district 118.000 inwoners [Pumain et al., 1992]. In landelijke gebieden zijn districten de derde bestuurslaag. Tussen de eerste en derde laag (‘state’ en ‘district’) opereren de ‘counties’. Voor stedelijke gebieden, zoals de regio Birmingham, is deze bestuurslaag in 1986 opgeheven. Van 1974 tot 1986 functioneerde de West Midlands Metropolitan County Council nog als een belangrijk regionaal orgaan op het gebied van infrastructuur en openbaar vervoer. De taken van dit orgaan worden nu deels uitgevoerd door de districten, deels door onafhankelijke organisaties (zoals ‘Joint Boards’) en deels door vrijwillige samenwerkingsverbanden van districten (de zogenoemde ‘Joint Committees’). Birmingham is onderverdeeld in elf ‘constituencies’. Iedere constituency kiest één lid van het ‘House of Parliament’. Een consituency bestaat uit drie of vier ‘wards’. Iedere ward kiest drie leden (‘Councillors’) voor de ‘City Council’, te vergelijken met de gemeenteraad. Van de 39 wards van Birmingham rekent men 9 wards tot de binnenstad, te weten: Aston, Handsworth, Ladywood, Nechells, Small Heath, Soho, Sparkbrook, Sparkill en Washwood Heath. Bevolking Na een daling van het inwonertal tussen 1971 en 1988 (van ruim 1,1 miljoen tot iets minder dan 1 miljoen) neemt het aantal inwoners van Birmingham de laatste jaren weer toe. Het huidige inwonertal bedraagt iets meer dan 1 miljoen inwoners. Ruim een kwart van de bevolking behoort tot

Birmingham 25 een etnische minderheid, waaronder veel Indiërs, Pakistani, Bengalezen en andere Aziaten1 . De stedelijke regio van Birmingham telt circa 2,6 miljoen inwoners en is qua bevolkingsomvang redelijk stabiel. In de regio West Midlands wonen ongeveer 5,2 miljoen mensen. Economie Net zoals veel andere Europese industriesteden kreeg de economie van Birmingham het in de jaren zeventig en begin jaren tachtig hard te verduren. De opkomende dienstensector en de toenemende concurrentie van Aziatische industrielanden leidde tot een daling van de industriële bedrijvigheid en dienovereenkomstig tot een daling van de werkgelegenheid in deze sector. Tussen 1981 en 1993 nam het aantal banen met ongeveer 300.000 af. Vooral de automobielindustrie en verwante sectoren, de dominante pijlers van de regionale economie, kregen rake klappen. De werkgelegenheid in de industrie daalde met 34 procent, een daling die slechts ten dele gecompenseerd kon worden door een groei van de werkgelegenheid in de dienstensector. Het werkloosheidspercentage bereikte haar top in 1985 met 18 procent voor de West Midlands en 20 procent voor de stad Birmingham. Sinds 1984 herstelt de regionale economie zich. De economische groeicijfers houden in tegenstelling tot de periode voor 1984 gelijke tred met de nationale cijfers. Het verlies van werkgelegenheid in fabrieken voltrekt zich langzamer en de werkloosheid daalt (tot 9,8 procent in 1998). De industriële productie vertoont een stijgende tendens, terwijl ook de dienstensector zich naar behoren ontwikkelt. Ondanks de tertiairisering van de regionale economie domineert de industrie nog steeds, zoals blijkt uit tabel 2-1. Bovendien is een groot deel van de dienstensector direct of

1

Volgens de census van 1991 was het aandeel van etnische minderheden nog 21,5%. Door hogere geboortecijfers en immigratie is dit percentage inmiddels opgelopen tot meer dan 25%.

26 De Aantrekkelijke Stad
indirect afhankelijk van de industrie [Van den Berg, Van der Meer en Pol, 1995]. Tabel 2-1: de werkgelegenheidsstructuur van Birmingham (1996) Sector Landbouw en visserij Energie- en watervoorziening Industrie Bouw Distributie, hotels en restaurants Transport en communicatie Financiële instellingen Overheid, onderwijs en gezondheidszorg Overige diensten Totaal Werkzame personen 120 1.545 105.985 15.553 81.952 26.143 91.456 106.612 18.941 448.307 % 0,0 0,3 23,6 3,5 18,3 5,8 20,4 23,8 4,2 100,0

Bron: ‘Annual Employment Survey’ [Birmingham Economic Information Centre/Office for National Statistics, 1996] Het economisch herstel van Birmingham is mede gerealiseerd dankzij een actief overheidsbeleid gericht op een diversificatie van de economische basis met een accent op hoogwaardige industriële activiteiten en zakelijke dienstverlening. Bovendien heeft de City Council getracht de kwaliteit van de huisvesting en het leefmilieu te verbeteren. Bij de economische revitalisering van Birmingham werd de lokale overheid met twee obstakels geconfronteerd: ten eerste het imago als onaantrekkelijke industriestad en ten tweede het gebrek aan geschikte bedrijfslocaties voor nieuwe economische activiteiten. Het eerste probleem heeft de City Council getracht te verhelpen door te investeren in nieuwe of reeds bestaande voorzieningen ter vergroting van de aantrekkelijkheid voor zakelijke dienstverlening, zakelijk toerisme en vrijetijdstoerisme, en door in de marketing van de stad de nadruk te leggen op positieve punten zoals de

Birmingham 27 goede bereikbaarheid en de centrale ligging. Het tweede obstakel heeft de lokale overheid weggenomen door oude industrielocaties te herstructureren.

De strategie van Birmingham
De veranderingen die zich de afgelopen jaren in Birmingham hebben voorgedaan, zijn voor een belangrijk deel gerelateerd aan een strategienota uit 1985. De fundamenten voor deze strategie werden gelegd gedurende enkele informele bijeenkomsten van belangrijke ‘stakeholders’ (belanghebbenden) in Birmingham. Hierbij waren zowel publieke als private partijen betrokken. In tegenstelling tot veel andere steden in het Verenigd Koninkrijk heeft Birmingham een traditie van goede verhoudingen tussen de overheid en de private sector. De strategienota beoogt een sterke lokale economie te creëren, die werkgelegenheid van een aanvaardbare kwaliteit verschaft aan alle bewoners van Birmingham die een baan willen [Birmingham City Council, 1986]. De nota verscheen aan het eind van een diepe recessie die had geresulteerd in het verlies van 200.000 banen in de stad tussen 1971 en 1986 [Birmingham City Council, 1986]. Een belangrijke aanleiding voor het formuleren van een nieuwe strategie was het feit dat de economische structuur van Birmingham, grotendeels gericht op traditionele industrie, niet meer in de diensteneconomie paste die zich in de jaren zeventig en tachtig had ontwikkeld. De strategienota richt zich op de volgende thema’s: • Revitalisering, modernisering en herstructurering van bestaande, geselecteerde (hoofdzakelijk industriële) sectoren teneinde hun concurrentiepositie te verbeteren; Diversificatie van de economie met nieuwe industrie- en dienstensectoren met goede export- en groeiperspectieven; Benutting van de werkgelegenheidspotenties van sectoren die afhankelijk zijn van deze basisindustrieën; in het bijzonder door de identificatie van ontwikkelingspotenties;

• •

28 De Aantrekkelijke Stad
• Mobilisatie van de stedelijk ‘human resource’ door trainings- en opleidingsprogramma’s.

Eind jaren tachtig wanneer de regionale economie zich reeds enigszins heeft hersteld, organiseert de City Council twee symposia om in goed overleg met het bedrijfsleven en de plaatselijke bevolking een ontwikkelingsstrategie voor de stad te bepalen. Deze strategie behelst vier programma’s die onderling gerelateerd zijn: • • • • Het afstemmen van het arbeidsaanbod op de vraag (‘matching people to jobs’); Het investeren in het bedrijfsleven en ondernemers; Het investeren in onroerend goed; Het verbeteren van het imago van de stad.

Om het imago van de stad te verbeteren (het laatstgenoemde programma), is een goede interne en externe bereikbaarheid noodzakelijk, alsmede een verdere ontwikkeling van culturele bezoekersattracties in de stad, waarbij een uitbreiding van de binnenstad nodig is, ook om nieuwe functies te kunnen accommoderen [Van den Berg en Van der Meer, 1991]. Een van deze nieuwe functies is de ontmoetingsfunctie. De City Council heeft met het formuleren van een duidelijke visie en strategie het initiatief genomen tot een integrale vergroting van de aantrekkingskracht van Birmingham op bewoners, bedrijven en bezoekers. Het gemeentebestuur heeft erkend dat private initiatieven zich vaak beperken tot één sector en dat publieke initiatieven er daarom op gericht moeten zijn om verbindingen tussen de sectoren te leggen. Een holistische benadering is daarbij noodzakelijk. Het stedelijk beleid in de jaren negentig De strategienota uit 1985 en de ontwikkelingsstrategie van 1989 hebben als blauwdruk voor het beleid in de jaren negentig gefunctioneerd. In de jaren negentig is het politieke draagvlak voor de ontwikkelingsstrategie onverminderd groot gebleven. Veranderingen in de samenstelling van de City Council hebben hooguit andere beleidsaccenten tot gevolg gehad. Wel heeft de City Council het aantal aandachtsgebieden teruggebracht tot vier,

Birmingham 29 waarvan ‘economic and urban regeneration’ het meest strategisch is, en een klein uitvoerend bestuur gevormd teneinde haar slagvaardigheid te vergroten. De huidige economische ontwikkelingsstrategie sluit aan op de thema’s van de strategienota uit 1985 en bestaat uit twee delen: enerzijds de visie (‘the vision’), die de uitdagingen in de stad identificeert, en anderzijds het actieplan (‘action plan’), dat een beschrijving is van de maatregelen die nodig zijn om deze uitdagingen succesvol te benaderen. Sinds 1998 is het Economic Development Partnership (EDP) verantwoordelijk voor het formuleren van de economische ontwikkelingsstrategie. Het EDP is een samenwerkings-verband van de City Council, het ‘Training and Education Committee’ (TEC) en de Kamer van Koophandel. Conform de visie dient Birmingham een ‘world class city’ te worden met een sterke economie die alle burgers een kans om te werken en een veilige en voorspoedige toekomst biedt. Het actieplan beschrijft de maatregelen die nodig zijn om deze visie te verwezenlijken, waarbij de acties onderverdeeld zijn in een drietal aandachtsgebieden [Economic Development Partnership, 1998]: • Het ontwikkelen van mensen en bevolkingsgroepen (‘developing people and communities’); het vergroten van de vaardigheden en kwalificaties van de bewoners van Birmingham en het verbeteren van de voortgang in hun carrières; Het verbeteren van de concurrentiekracht en diversiteit van het bedrijfsleven; het bevorderen van de concurrentiekracht en duurzaamheid van bedrijven en de diversiteit van de stedelijke economie; Het investeren in een duurzame ontwikkeling en infrastructuur; het vasthouden van bestaande bedrijvigheid door een uitgebreid aanbod van bedrijfslocaties en een economisch milieu te creëren dat nieuwe investeringen aantrekt.

Per aandachtsgebied is een aantal prioriteiten gedefinieerd, zoals weergegeven in tabel 2-2. Het belang dat de City Council aan een bepaalde prioriteit toekent, verschilt in de tijd en is afhankelijk van de economische omstandigheden op lokaal en nationaal niveau. Voor iedere prioriteit heeft het gemeentebestuur een aantal thema’s en bijbehorende doelstellingen

30 De Aantrekkelijke Stad
vastgelegd, en kritische acties geïdentificeerd die nodig zijn om deze doelstellingen te realiseren. Ter evaluatie van het beleid dienen de ‘impact assesment indicators’2 . Met deze indicatoren vergelijkt men de situatie in Birmingham met die in de regio West Midlands en het Verenigd Koninkrijk. Een voorbeeld van een dergelijke indicator is het werkloosheidspercentage (Birmingham: 9,8%; West Midlands: 4,9%; Verenigd Koninkrijk: 4,9%).

2

Enkele van deze indicatoren zullen verderop gebruikt worden ter beoordeling van de effecten van de ontwikkelingsstrategie.

Birmingham 31 Tabel 2-2: beleidsprioriteiten volgens het actieplan van Birmingham Key Area 1: Het ontwikkelen van mensen en bevolkingsgroepen Kansen voor jonge mensen creëren Het ontwikkelen en herscholen van volwassen Economische ontwikkeling van wijken Key Area 2: Het verbeteren van de concurrentiekracht en de diversiteit van bedrijven Het ontwikkelen van concurrentiekracht en duurzaamheid van bedrijven Het differentiëren van de stedelijke economie De langetermijnkoppositie als de belangrijkste Britse industriestad veiligstellen De toekomst van de dienstensector waarborgen De bezoekerservaring in de stad verbeteren Het investeren in conferentie- en tentoonstellingsaccommodaties Key Area 3: Het investeren in een duurzame ontwikkeling en infrastructuur De regeneratie van land en bedrijfslocaties Het creëren van significante ontwikkelingsmogelijkheden Investeringen in de transportinfrastructuur veiligstellen Het ontwikkelen van de IT- en communicatie-infrastructuur Bron: ‘Economic Strategy: Action Plan’ [Economic Development Partnership, 1998]

32 De Aantrekkelijke Stad

Investeringen in een aantrekkelijk Birmingham
Op basis van de hierboven omschreven strategieën, tot uiting komend in een aantal thema’s en programma’s, heeft de City Council van Birmingham ervoor gekozen investeringen in de ontmoetingsfunctie te stimuleren. Enerzijds is deze keuze ingegeven door externe omstandigheden (de markt voor congressen en tentoonstellingen groeide) en anderzijds door een interne sterkte. Met het ‘National Exhibition Centre’ (NEC) had Birmingham immers een sterke troef in handen. Het NEC werd in 1976 geopend en is sindsdien het grootste tentoonstellingscentrum van Groot-Brittannië. Het bevindt zich vlakbij Birmingham International Airport, net buiten de stad in het district Solihull. Met een vloeroppervlakte van 190.000 vierkante meter is het een van de grootste tentoonstellingscentra van Europa. Jaarlijks vinden er circa 180 tentoonstellingen plaats, waarmee het NEC zelfs nummer één van Europa is. Het bezettingspercentage van 40% is eveneens ongeëvenaard3 . Ieder jaar brengen ruim 3 miljoen mensen een bezoek aan het centrum dat ook beschikt over een sporthal annex concertzaal: de NEC Arena. Het succes van het NEC is mede te danken aan de goede bereikbaarheid. De bereikbaarheid zal de komende jaren verbeteren door investeringen in de luchthaven (met name in de faciliteiten voor de reizigers) en een verbetering van de railverbinding tussen Londen en Birmingham. Een andere reden voor het succes is het feit dat het NEC in de beginperiode weinig concurrentie ondervond van andere accommodaties in Engeland. De concurrentie is tegenwoordig aanmerkelijk groter en zal alleen maar groter worden vanwege de bouw van soortgelijke accommodaties in andere Britse steden (zo wil Manchester het G-Mex Centre uitbreiden en heeft Londen plannen om het Millennium Dome te Greenwich na de eeuwwisseling om te bouwen tot beursgebouw). Desalniettemin blijft het NEC over een goede

3

Het gaat hier om het netto bezettingspercentage; dat wil zeggen: exclusief de op- en afbouwdagen.

Birmingham 33 concurrentiepositie beschikken dankzij de centrale locatie in nationaal perspectief, wat met name voor consumentenbeurzen relevant is. Door de stad nadrukkelijker op de kaart te zetten als congres- en beursstad, hoopte men het imago te verbeteren en de economische basis te verbreden. Het feit dat zakelijk toerisme veel werkgelegenheid creëert, ook voor lager geschoolden, heeft de beleidskeuze eveneens beïnvloed. De strategische keuze om Birmingham te ontwikkelen als toplocatie voor beurzen, tentoonstellingen en congressen heeft in grote mate het (investerings-)beleid van de publieke sector in de jaren negentig bepaald. Dit beleid komt tot uitdrukking in de bouw dan wel modernisering van enkele nieuwe stedelijke voorzieningen (al dan niet in samenwerking met private partijen), investeringen in de interne en externe bereikbaarheid en inspanningen om het imago van de stad te verbeteren. Deze investeringen zijn zowel afkomstig van de publieke als de private sector. Nieuwe stedelijke voorzieningen Het vlaggenschip van de nieuwe stedelijke voorzieningen is het ‘International Convention Centre’ (ICC). Voor dit congres- en conferentiecentrum heeft de lokale overheid bewust een binnenstadslocatie gekozen teneinde de positieve effecten voor de stad optimaal te benutten. Het NEC heeft zich immers vrijwel los van de stad ontwikkeld. Het ICC opende in 1991 haar deuren in het midden van de stad, ten westen van de ‘City Centre Core’ in wat nu het ‘International Convention Centre and Broad Street Quarter’ genoemd wordt. Het complex biedt plaats aan 10.000 deelnemers en beschikt over diverse conferentiezalen en executive rooms. Er zijn in totaal elf hallen met capaciteiten variërend van 120 tot 3000 plaatsen. De publieke investering van £200 miljoen werd voor een kwart gefinancierd door de Europese Unie. De City Council heeft ervoor gekozen om het complex voor het publiek toegankelijk te maken met behulp van een fraai vormgegeven openbare ruimte op de begane grond met enkele winkels en horecagelegenheden. Het ICC staat via een loopbrug over de weg in verbinding met een 320 kamers tellend vijfsterrenhotel. In het complex bevindt zich bovendien de ‘Symphony Hall’, dat plaats biedt aan 2200 muziekliefhebbers. Het is de

34 De Aantrekkelijke Stad
thuisbasis van het ‘City of Birmingham Symphony Orchestra’, dat internationale bekendheid geniet. Het ICC heeft de aantrekkelijkheid van de directe omgeving gunstig beïnvloed. De private sector toonde zich al snel bereid om te investeren in dit deel van de stad. Een van de meest in het oog springende private investeringen in het gebied rondom het ICC is het project ‘Brindley Place’. Dit project omvat horecavoorzieningen, kwalitatief hoogwaardige kantoren, appartementen, een theater, cultuurvoorzieningen en twee ruim opgezette pleinen. De hoge kwaliteit van de openbare ruimte in dit gebied is opvallend. Er zijn tal van groenvoorzieningen, fonteinen en verlichte bomen. De ontwikkelaar heeft bewust geïnvesteerd in de openbare ruimte om de waarde van het onroerend goed te verhogen. Slechts een brug over een van de vele kanalen, die overigens intensief gebruikt worden voor recreatieve vaartochten, scheiden Brindley Place van het ICC. Deze brug brengt de congresbezoeker op ‘The Water’s Edge’, een aantrekkelijke kanaaloeverlocatie met restaurants, bars, verwarmde terrassen en winkels, die gehuisvest zijn in zeer nieuwe, maar in traditionele Engelse stijl gebouwde panden. De interesse van private investeerders is door de City Council aangegrepen om een andere stedelijke voorziening, namelijk de ‘National Indoor Arena’ (NIA), gerealiseerd te krijgen. Bij de verkoop van de grond waar Brindley Place uiteindelijk is verrezen, heeft de gemeente de koper ertoe verplicht deze indoor sportaccommodatie te bouwen: een ‘package deal’ derhalve. Deze sportaccommodatie biedt plaats aan circa 12.000 toeschouwers en kan tevens benut worden voor grote plenaire sessies van conferenties die voor het overige deel in het op loopafstand gelegen ICC plaatsvinden. De Nationonal Indoor Arena maakt tegenwoordig samen met het ICC, het NEC, de Symphony Hall en de NEC Arena (de indoor sportaccommodatie bij het NEC) deel uit van de NEC Group. Deze onderneming is halverwege de jaren negentig opgericht om het mogelijk te maken geld te lenen op de kapitaalmarkt. Door een wetswijziging mogen publieke organisaties in het Verenigd Koninkrijk namelijk geen geld meer lenen op de kapitaalmarkt. Het samenvoegen van de accommodaties in een bedrijf heeft belangrijke voordelen. Een van deze voordelen is het feit dat de winst die het NEC

Birmingham 35 maakt, gebruikt kan worden om de verliezen van andere onderdelen, met name het ICC, te dekken. Door deze constructie kunnen verliesgevende, maar gezichtsbepalende stedelijke voorzieningen, gehandhaafd blijven. Bereikbaarheid Het afgelopen decennium heeft Birmingham ook nadrukkelijk geïnvesteerd in haar bereikbaarheid. Wat betreft de externe bereikbaarheid speelt de ontwikkeling van Birmingham International Airport (BIA) een belangrijke rol. Aangezien deze luchthaven in 1995 geprivatiseerd is (vanwege de eerder genoemde wetswijziging omtrent de mogelijkheden om geld te lenen op de kapitaalmarkt), betreft het hier zowel publieke als private investeringen. Voor de privatisering was BIA nog eigendom van de zeven gemeenten die samen de West Midlands Metropolitan County Council (de regionale autoriteit die in 1986 is opgeheven) vormden. De privatisering heeft de luchthaven de mogelijkheid verschaft om 260 miljoen pond te lenen voor een uitbreiding. De uitbreiding heeft niet zozeer betrekking op het aantal start- en landingsbanen (dat is namelijk wettelijk onmogelijk vanwege de zogenoemde ‘green belt restrictions’), maar wel op de hoeveelheid voorzieningen voor het toenemend aantal reizigers. De behoefte hieraan is groot, ook vanwege het groeiend belang van BIA als transferluchthaven en vertrekpunt van vakantiecharters. BIA heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt. Vroeger was de afstand tussen BIA en de luchthavens in Londen (met name Heathrow) te klein om een substantiële hoeveelheid reizigers te trekken. De groei van de internationale luchtvaart en de ontwikkeling van Birmingham als toplocatie voor beurzen en congressen hebben BIA in de kaart gespeeld. Nu is de luchthaven van Birmingham de op vier na grootste van het Verenigd Koninkrijk (na drie luchthavens in Londen en die van Manchester). Birmingham International Airport stelt zich ten doel alle bewoners van de Midlands regio te bedienen. Op dit moment is het aandeel van BIA in de Midlands regio 50%. Veel mensen maken nog steeds gebruik van Heathrow, Manchester Airport of Midlands Airport. Het aantal reizigers zal in 1999 op circa 7 miljoen uitkomen en men rekent op 9,5 miljoen in 2005.

36 De Aantrekkelijke Stad
Gemiddeld groeit het aantal reizigers 10% per jaar, wat een relatief hoog groeicijfer is vergeleken met andere Europese luchthavens. BIA bedient circa 40 bestemmingen, waaronder Amsterdam en Rotterdam, Parijs, maar liefst zeven Duitse steden, New York en zusterstad Chicago. De luchthaven is van groot belang voor de lokale economie, niet alleen voor de congres- en tentoonstellingsfunctie, maar ook voor de industrie. Een van de sterke punten van de luchthaven is de goede treinverbinding met de binnenstad van Birmingham. Birmingham heeft de afgelopen jaren ook geïnvesteerd in haar interne bereikbaarheid. De Engelse ‘Motown’ (zoals de stad vanwege haar autoindustrie wel genoemd wordt) beschikt al jaren over een uitgebreid wegennet inclusief twee binnenstedelijke rondwegen, één rondom de oude binnenstad en één rondom de nieuwe binnenstad, die met behulp van diverse wegen met elkaar in verbinding staan. Parkeergarages zijn volop te vinden. De uitgebreide weginfrastructuur heeft echter ook zijn nadelen, zo realiseerde men zich halverwege de jaren tachtig. Het was namelijk zeer omslachtig om de stad lopend te verkennen. Daarom heeft men getracht de barrièrewerking van de wegen te verminderen door bruggen over de wegen te bouwen en wegdekken te verzinken. Hierdoor zijn wandelroutes ontstaan tussen gebieden die vroeger fysiek van elkaar gescheiden waren. Het wegnemen van de infrastructurele barrières vloeide tevens voort uit een wijziging van de binnenstadsafbakening, zoals de City Council die in haar beleid hanteert. Dit heeft geresulteerd in een binnenstad die tien keer zo groot is als voorheen (van het gebied binnen de binnenste rondweg tot het gebied binnen de buitenste rondweg). De oude binnenstad, de City Centre Core, moest in de nieuwe opzet veranderen van een Central Business District in een multifunctioneel stadscentrum. Het gebied rondom de Core heeft men beleidsmatig verdeeld in een aantal ‘quarters’ (zie figuur 2-3). Ieder quarter heeft weliswaar een bepaalde specialisatie, maar functiemenging blijft daarbij het uitgangspunt.

Birmingham 37 Figuur 2-3: de binnenstad van Birmingham

Bron: Birmingham Marketing Partnership Promotie: het Birmingham Marketing Partnership Bij de verbetering van het imago speelt het Birmingham Marketing Partnership (BMP) een belangrijke rol. Het BMP is een private stichting die publiek-privaat gefinancierd wordt. De gemeente geeft jaarlijks een subsidie van 970.000 pond. Uit Europese middelen komt daar nog eens 1,6 miljoen pond bij. Private partijen genereren via sponsorcontracten 3,6 miljoen pond per jaar. De stichting is opgericht op aandringen van Birmingham City 2000, een belangenvereniging voor de zakelijke dienstverleners (advocaten, accountants, consultants, etc.) in de stad. Bedrijven in deze sector hadden te lijden onder het feit dat vooral veel Engelsen Birmingham nog steeds zien als een grijze industriestad. Het BMP heeft zichzelf ten doel gesteld

38 De Aantrekkelijke Stad
activiteiten ter verbetering van het imago te coördineren en (potentiële) bezoekers, bedrijven en bewoners over de kwaliteiten van Birmingham te informeren. Tabel 2-4: een selectie van de activiteiten van het Birmingham Marketing Partnership Verspreiding van het Birmingham-logo Verzorging ‘free publicity’ (via de pers) Uitvoering marktonderzoek Informatieverschaffing aan ‘ambassadeurs’ ‘City dressing’ tijdens evenementen Informatieverschaffing aan bedrijven Informatieverschaffing aan politici (‘briefings’) Promotie en informatieverschaffing via internet Acquisitie van evenementen (posters, advertenties) Samenstelling brochures en ander promotiemateriaal Informatieverschaffing aan bezoekers (‘hotel tv’) Merchandising

Bron: ‘Success City’ [Birmingham Marketing Partnership, 1998] De marketinginspanningen van BMP (zie tabel 2-4) richten zich zowel op externe als op interne actoren. Daarbij heeft de organisatie een coördinerende rol. Het BMP is een soort holding company die de publieke en private initiatieven om het imago van Birmingham te verbeteren, verenigt, zoals activiteiten van de ‘City Centre Association’ (die de belangen van binnenstadswinkeliers vertegenwoordigt) en het ‘Birmingham Convention and Visitors Bureau’ (dat informatie aan bezoekers verschaft). Het BMP houdt zich onder meer bezig met de acquisitie van evenementen en het aankleden van de stad gedurende evenementen (‘city dressing’). Bij het aantrekken van evenementen werkt het BMP nauw samen met de hotelbranche. Men maakt met de hoteliers afspraken over de tarieven gedurende toekomstige evenementen, hetgeen de organisatoren van een evenement (bijvoorbeeld een grote conferentie) enige zekerheid verschaft.

Birmingham 39 De stichting vervult een belangrijke rol bij het vergroten van het maatschappelijke draagvlak (interne citymarketing). Door bewoners en bedrijven nadrukkelijker te betrekken bij de nieuwe ontwikkelingen in de stad (zoals nieuwe faciliteiten en evenementen) tracht het BMP de steun van de bevolking en het bedrijfsleven voor investeringen te vergroten. Informatie is daarbij cruciaal. Men informeert taxichauffeurs tijdens bijeenkomsten en via nieuwsbrieven over wat er gaande is in Birmingham, zodat bezoekers een goede eerste indruk krijgen. Ook verstrekt de organisatie informatie aan diegenen die men de ambassadeurs van Birmingham noemt: ‘bekende mensen’ die iets hebben met Birmingham en hun netwerk kunnen aanwenden om de stad wereldwijd te verkopen. De City Council heeft zich ook ingezet om het maatschappelijke draagvlak voor investeringen in de ontmoetingsfunctie te vergroten; niet alleen door inspraak (de symposia van 1988 en 1989), maar ook door te investeren in andere gebieden van de stad, waar de woonfunctie overheerst. Tegelijkertijd probeert de City Council de overlast die veroorzaakt wordt door bouwwerkzaamheden enigszins te verzachten door de bouwputten te beschouwen als een soort attracties en open te stellen voor bewoners en bezoekers. Een andere organisatie die een belangrijke rol speelt bij het realiseren van een maatschappelijk draagvlak is het ‘Economic Information Centre’ dat bewoners en bedrijven informatie verschaft over de ontwikkelingen in Birmingham.

Bereikte effecten en nieuwe uitdagingen
Wat is er veranderd in Birmingham sinds de strategienota van 1985 en sinds de strategische keuze van het stadsbestuur om te investeren in de ontmoetingsfunctie en waar liggen nieuwe uitdagingen? In welk opzicht is de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu veranderd? Wat zijn de economische en sociale effecten? En hoe staat het met het imago van Birmingham? Effectmeting wordt in de huidige economische ontwikkelingsstrategie van groot belang geacht getuige het gebruik van de eerder genoemde impact assessment indicators. Enkele van deze indicatoren zullen in de nu volgende analyse de revue passeren.

40 De Aantrekkelijke Stad
Veranderingen in de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu De kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu in Birmingham is de afgelopen jaren ingrijpend verbeterd. De investeringen in het ICC hebben als katalysator voor het omliggende gebied gefungeerd met tal van private investeringen als gevolg. Het kanalensysteem van Birmingham heeft zich ontwikkeld tot een toeristische attractie. De kwaliteit van de openbare ruimte is zichtbaar beter geworden, niet alleen dankzij investeringen van de lokale overheid, maar ook dankzij private investeringen. Een goed voorbeeld hiervan betreft het ‘fifth public square’ dat deel uit maakt van Brindley Place. De ontwikkelaar heeft dit bijzonder aantrekkelijke plein (inclusief fontein, gazon, verlichte bomen en een horecavoorziening) bewust in de beginfase van het project aangelegd teneinde de kantorenprijzen een positieve impuls te geven. Ook elders in de stad investeren ontwikkelaars in de kwaliteit van de directe omgeving van kantoren. De nieuwe binnenstadsdefinitie heeft zich vertaald in de ruimtelijke verdeling van economische functies. De City Centre Core (de oude binnenstad) is niet meer het monofunctionele Central Business District van voorheen, maar een multifunctioneel centrum waar ook de woonfunctie een duidelijke plaats krijgt; een ongekende situatie in de Britse stadsplanning die momenteel navolging vindt in andere Britse steden. Men erkent het belang van stimulering van de woonfunctie omwille van een verbetering van het voorzieningenniveau en het waarborgen van de levendigheid in de stad. De kwaliteit van de ruimte krijgt in het stedelijk beleid veel aandacht, waarbij Barcelona als lichtend voorbeeld geldt. Een punt van zorg voor Birmingham is de transportinfrastructuur. De toenemende congestie, mede veroorzaakt door het succes als congres- en tentoonstellingsstad, vormt een bedreiging voor de aantrekkelijkheid van de stad en de positie van het NEC en het ICC in het bijzonder. De stad dreigt, vooral tijdens de ochtend- en avondspits, vast te lopen. Het verbeteren van de interne bereikbaarheid staat voor de komende jaren hoog op de politieke agenda. Door tal van campagnes probeert men de ‘modal split’ te wijzigen ten faveure van het openbaar vervoer en ‘de benenwagen’.

Birmingham 41 Op het gebied van openbaar vervoer dient de stad echter nog een behoorlijke inhaalslag te plegen. Birmingham is de enige Europese stad van een dergelijke omvang zonder tram, metro of andere hoogwaardige vorm van openbaar vervoer. Er liggen plannen om het nieuwe Midland Metro systeem, dat momenteel wordt aangelegd tussen Wolverhampton en Birmingham Snow Hill (ten noorden van de City Centre Core), door te trekken tot het stadscentrum (volgens planning operationeel in 2003). Het systeem zal bovengronds worden aangelegd en kost circa 45 miljoen pond (voor de gehele regio). Het is voor de stad een uitdaging om de publiekprivate netwerken aan te wenden teneinde een kwalitatief hoogwaardig openbaar-vervoersysteem te ontwikkelen. Bedrijven zijn zich immers in toenemende mate bewust van hun belang bij een goede interne en externe bereikbaarheid. Economische effecten De economische structuur is in de loop der jaren niet onveranderd gebleven. De diversificatie van de economie heeft inmiddels in aanzienlijke mate gestalte gekregen. Birmingham heeft zich ontwikkeld tot een belangrijk centrum voor zakelijke dienstverlening met een duidelijk accent op financiële en juridische dienstverlening. Veel werknemers in deze sectoren zijn echter niet woonachtig in Birmingham. Het aandeel van de industrie in de productiestructuur is in vergelijking met andere (Britse) steden onveranderd groot gebleven. Bovendien zijn veel banen in de dienstensector afhankelijk van de industrie. Birmingham zal zich actief moeten inzetten om de economische structuur nog verder te versterken. Het identificeren van groeiclusters kan hierbij behulpzaam zijn. De centrumfuncties hebben zich in de loop der jaren uitgebreid, wat mede te danken is aan de verminderde barrièrewerking van de infrastructuur. Sommige winkelgebieden zijn zelfs autovrij gemaakt. De aanleg van voetgangersgebieden, waar de detailhandel aanvankelijk tegen protesteerde, heeft bijgedragen aan een upgrading van het winkelbestand. De winkelfunctie lijkt zich vooral in zuidwaartse richting te ontwikkelen, terwijl het gebied rondom het ICC een concentratie van cultuur en entertainment biedt. De specialisering lijkt vooralsnog niet ten koste te gaan van functiemenging.

42 De Aantrekkelijke Stad
In de komende jaren is het de bedoeling dat het voorzieningenniveau nog verder zal stijgen, gezien de diverse voorgenomen investeringen op het gebied van leisure, entertainment en winkelen. Een hiervan is ‘the new Bull Ring’, een nieuw winkelcentrum met een vloeroppervlak van 110.000 vierkante meter in het ‘Chinese and Markets Quarter’ ten zuiden van de City Centre Core (overigens ligt een klein gedeelte van dit project ín de City Centre Core). Een ander belangrijk project betreft de ‘Martineau Galleries’ in de City Centre Core. Hier ontwikkelen twee private investeerders een gebied met een omvang van 10 hectare ten behoeve van winkels en vrijetijdsvoorzieningen. De City Council van Birmingham heeft de twee partijen gestimuleerd om samen te werken, wat voor de kwaliteit en het rendement van het project gunstig zou zijn. Een en ander heeft geleid tot de oprichting van de ‘Birmingham Alliance’, een samenwerkingsverband tussen twee nationaal opererende ontwikkelingsmaatschappijen, speciaal voor Birmingham. Op het gebied van leisure en entertainment zijn elders in de stad diverse projecten in ontwikkeling. Eén hiervan is ‘Arena Central’. Dit 350 miljoen pond kostende project beschrijven de private investeerders als ‘an innovative new concept in sophisticated city centre life style and living, offering the most exciting 24-hour leisure and entertainment experience in Europe’. Het entertainmentcomplex zal verrijzen aan de Broad Street vlakbij het ICC. Ten oosten van de City Core, in het ‘Digbeth/Millennium Quarter’, verrijst het ‘Millennium Point’, een mix van speciaalzaken, cultuur, ontspanning, kantoren en appartementen. Deze attractie wordt door de lokale overheid beschouwd als een katalysator voor de stedelijke revitalisering van het stadsdeel in kwestie. Dergelijke investeringen zullen ongetwijfeld de positie van Birmingham als toeristische bestemming versterken. Ondanks de grootschalige investeringen is het werkloosheidspercentage nog steeds aanzienlijk in vergelijking met het Britse gemiddelde, namelijk 9,8% tegenover 4,9%. In dat opzicht staat Birmingham er derhalve nog steeds niet al te best voor. Overigens betekent dit gegeven nog niet dat de investeringen geen werkgelegenheidseffecten met zich mee hebben gebracht. Het is immers niet duidelijk wat de situatie geweest zou zijn zonder de

Birmingham 43 investeringen in de congres- en tentoonstellingsfunctie. Vooral onder allochtonen is de werkloosheid aanzienlijk (zie ook sociale effecten). Terwijl het werkloosheidspercentage in Birmingham relatief groot blijft, gaat de economische groei echter onverminderd voort. Het Bruto Regionaal Product van Birmingham is in 1997 met 4,8% gegroeid, iets meer dan het Britse gemiddelde (4,0%). Opmerkelijk is dat de stijging van het ‘manufacturing gross domestic product’ van Birmingham hoger is dan het Brits gemiddelde (5,4% ten opzichte van 4,7%) en dat de stijging van het ‘services gross domestic product’ juist lager is (3,7% ten opzichte van 4,2%) [Economic Development Partnership, 1998]. Toerisme Birmingham profileert zich steeds nadrukkelijker als een toeristische bestemming. Toerisme genereert veel werkgelegenheid: met behulp van het Cambridge Model schat het Birmingham Economic Information Centre (BEIC) dat het toerisme 19.550 directe en 7.800 indirecte banen oplevert [Notman, 1998]. Vooral het zakelijk toerisme floreert met het National Exhibtion Centre (NEC) en het International Convention Centre (ICC) als belangrijke trekkers. In 1996-1997 bezochten 21,8 miljoen mensen Birmingham en het NEC, onder wie 19,7 miljoen excursionisten en 2,1 miljoen verblijfstoeristen. In de markt voor leisure toerisme doet de stad het echter aanmerkelijk minder goed. Een van de struikelblokken is het imago (zie imago-effecten). Bovendien ontbeert de stad een kritische massa van toeristische attracties. Het toeristisch product is zodoende nog te beperkt. De investeringen in de diverse accommodaties hebben in economisch opzicht effect gesorteerd. Zo heeft het NEC een regionale economische impact ter waarde van £441 miljoen en voorziet in ruim 12 duizend fulltime banen [Birmingham Economic Information Centre, 1999]. De G8-meeting genereerde £11.65 miljoen extra bestedingen in de regio. Ook het Eurovisiesongfestival en de internationale bijeenkomst van de Lions Clubs zorgden in 1998 voor een aanzienlijk bijdrage aan de regionale economie, zoals blijkt uit tabel 2-5.

44 De Aantrekkelijke Stad
De geschatte bijdrage aan de nationale economie van de ‘International Exhibition of Textile Manufactury’ (ITMA), die in 2003 in Birmingham in het NEC plaatsvindt, bedraagt zelfs £291 miljoen pond. Deze beurs, die om de vier jaar in een andere stad georganiseerd wordt, zal naar verwachting 150.000 bezoekers en 1200 exposerende bedrijven vanuit de hele wereld ontvangen. Meer dan 70% van de bedrijven en tweederde van de bezoekers zal van buiten het Verenigd Koninkrijk komen. Tot de bedrijven die zullen profiteren van het evenement behoren hotels, restaurants en leveranciers van expositiediensten. Bovendien zal de ITMA 1300 fulltime banen genereren. Tabel 2-5: evenementen en additionele uitgaven in Birmingham en de regio Evenement G8 Birmingham Summit Eurovisiesongfestival Lions Clubs International Convention Totaal Uitgaven in miljoenen Engelse Ponden 11,65 1,50 22,50 35,65

Bron: ‘The Tourism Sector in Birmingham’ [Notman, 1998] Een van de problemen waar Birmingham nu tegenaan loopt, is het tekort aan hotelcapaciteit. Dit probleem zal wellicht enigszins verholpen worden door de geplande bouw van twee nieuwe hotels nabij het NEC. Er is vooral een tekort aan hotelbedden in de hoogste categorie en gedurende grote evenementen. Tijdens weekends zijn de hotelbedden sterk onderbezet, doordat het vrijetijdstoerisme in Birmingham nog niet echt van de grond komt. Sociale effecten In Birmingham zijn zowel positieve als negatieve ontwikkelingen met betrekking tot de sociale structuur waar te nemen. Het project Brindley Place voorziet ook in de bouw van appartementen in een gebied waar vroeger alleen industrie was. De sociale structuur van het ICC-gebied ondergaat zodoende een verandering. Dat ook geldt ook voor de binnenstad

Birmingham 45 die een toenemende belangstelling geniet als woongebied (zie ‘veranderingen in de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu’). Toch heeft de opmars van Birmingham als congres- en beursstad niet weten te voorkomen dat de sociale tweedeling in de stad eerder groter dan kleiner is geworden. De ruimtelijke verdeling van sociale problemen is de afgelopen jaren nauwelijks gewijzigd. Nog steeds concentreert de werkloosheid zich in de binnenstad. In 1986 had de ward Sparkbrook met 40,5% het hoogste werkloosheidspercentage (tegenover 21,2% in Birmingham en 11,9% in het Verenigd Koninkrijk). In 1998 telt Sparkbrook nog steeds de meeste werklozen met een werkloosheidspercentage van 24,9, tegenover 9,8% voor Birmingham en 4,6% voor het Verenigd Koninkrijk. Uit deze cijfers kan zelfs geconcludeerd dat Birmingham er verhoudingsgewijs (ten opzichte van het nationaal gemiddelde) slechter voorstaat dan in 1986 en dat ook de ruimtelijke verdeling van werkloosheid binnen de stad schever is geworden (zie tabel 2-6). Het indexcijfer van het werkloosheidspercentage in Sutton Foar Oakes (de ward met het laagste werkloosheidspercentage) is zelfs gedaald, wat de scheve verdeling nog eens benadrukt. Tabel 2-6: werkloosheid in Birmingham in 1986 en 1998 (geïndexeerd ten opzichte van het Brits gemiddelde) 1986 Sutton Four Oakes (laagste) Sparkbrook (hoogste) Birmingham Groot-Brittannië 9,2% 40,5% 21,2% 11,9% Index 77 340 178 100 1998 2,9% 24,9% 9,8% 4,6% Index 63 541 213 100

Bron: ‘Economic Strategy: Action Plan’ [Economic Development Partnership, 1998] en ‘Economic Strategy 1986 Review’ [Birmingham City Council, 1986]; bewerkt door de auteurs De werkloosheidsproblematiek hangt nauw samen met het gemiddelde opleidingsniveau van de bewoners van Birmingham, dat relatief laag is ten opzichte van het Britse gemiddelde. Tegenover een aanzienlijk aantal

46 De Aantrekkelijke Stad
mensen met een universitaire of vergelijkbare opleiding staat een enorme groep mensen zonder opleidingen (29,9% van de beroepsbevolking). Vooral het aantal langdurig werklozen is zorgwekkend met 35,8% van alle werklozen, significant meer dan het Britse gemiddelde (26,9%). Het actieplan, onderdeel van de economische ontwikkelingsstrategie, hecht daarom veel waarde aan het investeren in het arbeidsaanbod. Nu de economische ontwikkeling in gang is gezet, is de tijd aangebroken om de verworven welvaart aan te wenden voor sociale doeleinden. De City Council hecht veel waarde aan het reduceren van de sociale tweedeling. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de economische ontwikkelingsstrategie voor de komende jaren. Een van de prioriteiten die men definieert, is versterking van de wijkeconomie (‘community economic development’). De acties die hieruit voortvloeien, beogen het economisch welzijn van achterstandswijken en -groeperingen in de stad te verbeteren [Economic Development Partnership, 1998]. Zo probeert de gemeente koppelingen te realiseren tussen werkgelegenheidsprogramma’s zoals New Deal en grote ontwikkelingsprojecten zoals Millennium Point. Bovendien zet de City Council zich in om betere communicatie, dialogen en verbindingen tussen de lokale bevolking en het lokale bedrijfsleven te leggen teneinde de lokale werkgelegenheid, veiligere gemeenschappen en lokale trots te bevorderen. Een andere actie in dit kader betreft het verhogen van het aantal kinderdagverblijven om ouders de gelegenheid te geven te werken of te studeren. Voor een structurele oplossing van de sociale problemen is een verhoging van het gemiddelde opleidingsniveau wenselijk. Het gemiddelde opleidingsniveau van de beroepsbevolking is immers beduidend lager dan het Britse gemiddelde. ‘De komende jaren staat de stad voor de uitdaging om het opleidingsniveau van de beroepsbevolking te verhogen, daarmee tegemoetkomend aan de transitie naar een kenniseconomie’ [Birmingham Economic Information Centre, 1999]. In de huidige strategie komt deze ambitie tot uitdrukking in de acties die erop gericht zijn om kansen voor jonge mensen te creëren en om volwassenen te ontwikkelen en te herscholen. Zo wil men jongeren van 18 tot 24 jaar toegang verschaffen tot de arbeidsmarkt via de New Deal. Daarbij legt men het accent op jongeren uit de wards met de hoogste werkloosheidspercentages. Bovendien zijn er

Birmingham 47 tal van programma’s die erop gericht zijn om samen met het bedrijfsleven de werkloosheid en het gebrek aan gekwalificeerd personeel te bestrijden [Economic Development Partnership, 1998]. Birmingham staat voor de uitdaging om het bedrijfsleven ervan te overtuigen dat ze ook belang hebben bij een sociaal evenwichtige stad. Imago-effecten Ondanks de metamorfose van Birmingham zien veel mensen de stad nog steeds als een onaantrekkelijke industriestad. Vooral onder Engelsen, die de stad nog kennen van vroeger uit eigen ervaring of uit boeken, heeft de stad een slecht imago [Notman, 1998], wat wellicht een belangrijke reden is voor het feit dat het vrijetijdstoerisme zich moeizaam ontwikkelt. Ten aanzien van het imago in het buitenland hebben de investeringen meer effect gesorteerd. De stad heeft bij buitenlanders volgens het BMP het imago een moderne en vooruitstrevende stad te zijn. Probleem is echter dat veel mensen, ook buiten het Verenigd Koninkrijk, nog niet bekend zijn met het nieuwe Birmingham. Alleen door daadwerkelijk een bezoek te brengen aan de stad raken mensen ervan overtuigd dat Birmingham een aantrekkelijke stad is om te wonen, te werken en te bezoeken. De stad heeft goede hoop dat zakelijke bezoekers de stad zullen promoten als toeristische bestemming. Uit onderzoek van het BMP blijkt dat evenementen een positieve invloed hebben op het imago van Birmingham. Het ICC heeft Birmingham op de kaart gezet als ‘Europe’s meeting place’ [Notman, 1998], mede dankzij de bijeenkomst van de politieke leiders van de G8 (het overlegplatform van de acht meest invloedrijke landen ter wereld) in 1998. Deze bijeenkomst leverde veel (positieve) publiciteit op. Het BMP heeft na de G8-meeting de imago-effecten van deze bijeenkomst geanalyseerd (zie tabel 2-7). Van de ondervraagden beschouwde 68% de stad als ‘an improved city’, vergeleken met 39% in 1994, en vond 55% Birmingham ‘a friendly city’, vergeleken met 29% in 1994.

48 De Aantrekkelijke Stad
Tabel 2-7: marktonderzoek naar de perceptie van Birmingham Mee eens ‘a friendly city’ ‘an improved city’ ‘a leading event city’ ‘a leading international city’ ‘my perception has changed’ 55% 68% 70% 53% 46% Mee oneens 16% 9% 17% 32% 27% Geen mening 29% 23% 13% 15% 27%

Bron: ‘Success City’ [Birmingham Marketing Partnership, 1998] Ondanks de inspanningen van BMP heeft Birmingham nog steeds een zwak imago. Ook de komende jaren heeft het verbeteren van het imago een hoge beleidsprioriteit. Media-aandacht genererende evenementen zijn mogelijke instrumenten voor een dergelijke verbetering.

Conclusies
De City Council van Birmingham is erin geslaagd om als een van de eerste steden in Europa te anticiperen op een groeimarkt: de markt voor congressen en beurzen. De investeringen in dit verband zijn gekoppeld aan een integrale visie en strategie gericht op een modernisering van de economische structuur. Nu, bijna vijftien jaar na het vaststellen van de strategie, kan geconcludeerd worden dat Birmingham op de goede weg zit. De stad heeft zichzelf op de kaart gezet als een van de belangrijkste ontmoetingsplaatsen in Europa. Voor een stad die destijds bekend stond als een onaantrekkelijke industriestad is dit een bewonderenswaardige prestatie. Birmingham heeft zich gerealiseerd dat zakelijke bezoekers hoge eisen stellen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de kwaliteit van voorzieningen. Het publiek gefinancierde International Convention Centre heeft als katalysator gefungeerd voor de revitalisering van de directe omgeving van dit complex. De investeringen in de luchthaven beschouwde men als een noodzakelijke voorwaarde voor het veiligstellen van de

Birmingham 49 internationale bereikbaarheid van de stad. In zowel de ontwikkeling van het gebied rondom het International Convention Centre als de binnenstad legt de gemeente een accent op functiemenging, dat beschouwd wordt als een voorwaarde voor levendigheid, waar bezoekers veel waarde aan hechten. De lokale overheid heeft in het transitieproces de rol van initiator op zich genomen. Door samen met relevante actoren een visie en strategie voor de toekomst op te stellen, heeft het gemeentebestuur de negatieve spiraal waar de stad in dreigde te komen, omgekeerd. Birmingham is dankzij het organiserend vermogen in de stad een stuk aantrekkelijker geworden. Voor de komende jaren staan publieke én private actoren in de stad voor de uitdaging om het transformatieproces te continueren door aandacht te besteden aan de interne bereikbaarheid (via het realiseren van hoogwaardig openbaar vervoer), het tegengaan van de sociale tweedeling door te investeren in mensen, en door zorg te dragen voor promotie van de stad (onder meer via het organiseren van evenementen).

50 De Aantrekkelijke Stad

3 Lissabon
DE IMPACT VAN EXPO ‘98

Introductie
Lissabon en Portugal hebben in 1998 vanuit de hele wereld bezoekers van de wereldtentoonstelling ontvangen. Het opzetten en managen van een dergelijk evenement vereist een aanzienlijk organiserend vermogen; niet in de laatste plaats vanwege het feit dat men voor de locatie van het EXPOterrein één van de meest onaantrekkelijke delen van de hoofdstad had uitgekozen. Deze keuze paste echter in een weloverwogen visie en strategie op de toekomst van de stad, zo blijkt uit een eerder onderzoek van EURICUR naar de ervaringen met het organiseren van grote projecten in Europese steden [Van den Berg, Braun en Van der Meer, 1997]. Ruim een jaar na de officiële sluiting van de EXPO is het mogelijk een voorlopige balans op te maken; niet alleen wat betreft de bezoekersaantallen, maar ook inzake de sociaal-economische effecten. In welke mate heeft het evenement bijgedragen aan een aantrekkelijker Lissabon? Wat heeft de EXPO betekend voor het imago van Lissabon en Portugal? Wat zijn de grote uitdagingen voor de komende jaren? Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop Lissabon en Portugal de wereldtentoonstelling hebben aangewend om hun aantrekkingskracht op bewoners, bedrijven en bezoekers te vergroten.

52 De Aantrekkelijke Stad

Profielschets
De stad Lissabon, hoofdstad van Portugal, strekt zich uit over een gebied met een oppervlakte van 83,3 km². Onder de agglomeratie Lissabon rekent men doorgaans een gebied van ruim 3.000 km², waarbinnen 18 gemeenten (waaronder de hoofstad zelf) gesitueerd zijn aan beide oevers van de Taag. Portugal kent een in hoge mate gecentraliseerd bestuur. Beslissingen worden op nationaal niveau genomen en ook de meeste kennis bevindt zich op dat niveau. Lagere overheden hebben soms moeite bij het verzamelen van de juiste informatie en het verwerven van de benodigde kennis en inzichten. In theorie bestaat de administratieve structuur van Portugal uit drie lagen: de nationale overheid, zeven regio’s en de gemeenten. In praktijk zijn er twee onafhankelijke publieke actoren: de Staat en de gemeenten. De regio’s fungeren als afdelingen van de nationale overheid (‘extended state administration’). Hun taak is om staatsbeslissingen te coördineren en te implementeren, en ervoor te zorgen dat de benodigde maatregelen getroffen worden ten behoeve van de ontwikkeling van de regio in kwestie. Binnen hun wettelijke verantwoordelijkheden zijn de gemeenten autonoom. De huidige taken en verantwoordelijkheden van de gemeenten zijn vastgelegd in een gemeentewet uit 1984. In dat zelfde jaar trad een wet in werking om de gemeentelijke financiën te reguleren. Gemeenten verkrijgen hun inkomen uit twee bronnen: gemeentebelastingen en overdrachten van de Staat. Teneinde gemeentegrens overschrijdende problemen (vooral transportproblemen) beter te kunnen bestrijden, is in 1991 een wet van kracht geworden die de mogelijkheid opent tot het vormen van een regiobestuur in de stedelijke regio’s van Lissabon en Porto. Tot op heden is van deze mogelijkheid echter nog geen gebruik gemaakt, vooral vanwege (politieke) weerstand in de randgemeenten. Recentelijk lijkt zich hier een verandering in voor te doen. Enkele gemeenten in de agglomeratie Lissabon hebben de noodzaak om samen te werken, erkend.

Lissabon 53 Bevolking Lissabon telt volgens de meest recente telling (in 1991) ruim 660.000 bewoners, terwijl in de agglomeratie ruim 2,5 miljoen mensen gehuisvest zijn. Uit tabel 3-1 blijkt dat het bevolkingsaantal van de stad – na een periode van groei – dalende is. Tussen 1981 en 1991 verloor de stad circa 17 procent van haar bevolking, onder meer doordat de sterftecijfers (15,9 per duizend) aanzienlijk uitstegen boven de geboortecijfers (9,6 per duizend). Tegelijk raakte de stad inwoners kwijt vanwege de omvangrijke migratie van hoofdzakelijk middeninkomens naar de suburbs in de agglomeratie. Dit demografisch fenomeen heeft een behoorlijke impact gehad op het stadscentrum, waar overwegend mensen in slechte sociaal-economische omstandigheden achterblijven. Een en ander versterkt de consolidatie van stedelijke armoede in de binnenstad. Volgens schattingen heeft de daling van het inwonertal van Lissabon zich na 1991 voortgezet tot circa 572.000 in 1997 [The Economist Intelligence Unit, 1998]. Tabel 3-1: bevolkingsontwikkeling Lissabon stad en agglomeratie 1930 Stad Agglomeratie 592 n.b.* 1960 801 1.470 1970 760 1.781 1981 808 2.433 1991 663 2.552

Bron: ‘Metropolitan Organising Capacity’ [Van den Berg, Braun en Van der Meer, 1997] *) niet bekend Eén consequentie van het migratieproces is de vergrijzing van de stadsbevolking; terwijl kinderen niet meer dan 14,2 procent voor hun rekening nemen, bedraagt het aantal 64-plussers 18,8 procent (zie tabel 32). Tegelijkertijd steeg het inwonertal van de agglomeratie met 2,1 procent tussen 1981 en 1991. Vergeleken met de hoge groeipercentages in de jaren zestig en zeventig is dit praktisch een stabilisering te noemen. De

54 De Aantrekkelijke Stad
agglomeratie is jonger dan de stad, met 13,1 procent ouderen tegenover 19,2 procent kinderen. Indicatoren van de sociale omstandigheden van Lissabon laten zien dat de stad zich boven het landelijk gemiddelde bevindt. Tegelijkertijd is het echter ook de plaats waar de meest acute problemen van ‘social exclusion’ geconcentreerd zijn. In ruimtelijk opzicht zijn de sociale problemen voornamelijk te vinden in het historische stadscentrum. De binnenstad kampt met een vergrijsde bevolking, een laagwaardig huizenbestand en een zwakke interne bereikbaarheid (mede vanwege de steil oplopende straten). Tabel 3-2: leeftijdsopbouw van Lissabon (stad en agglomeratie) (1991) Stad 0-15 jaar 15-64 jaar 65 en ouder 14,2% 67,0% 18,8% Agglomeratie 19,2% 74,3% 13,1%

Bron: ‘Lisboa Elementos Estatísticos Básicos’ [Câmara Municipal de Lisboa, 1994] De kwantiteit en kwaliteit van het huizenbestand zijn ontoereikend. Er is een groot tekort aan huizen. Bovendien leven nog steeds veel mensen in krottenwijken of provisorische huizen, onder meer aan de randen van de bebouwde kom. In de binnenstad zijn de huizen oud en vervallen. Er zijn weinig economische activiteiten en de bevolking heeft een laag opleidingsniveau vergelegen met de rest van de stad. Ondanks de inspanningen van de autoriteiten is de noodzaak om mensen aan een andere woning te helpen urgent; men verwacht dat er 11000 extra wooneenheden nodig zijn in 2001, in het kader van het ‘Programma Especial de Realojamento’. De gebrekkige kwaliteit van het huizenbestand en de concentratie van oude mensen is de nalatenschap van de huurbeheersingswet. Deze wet

Lissabon 55 verdedigde de belangen van huurders door de huurprijzen te fixeren. Sinds de oliecrisis van 1972 heeft de inflatie het reële inkomen van verhuurders verlaagd, waardoor zij minder geneigd zijn te investeren in hun huizen. Nu de wet gewijzigd is, bepalen marktkrachten weer de allocatie. Enkele stadsdelen kenmerken zich door concentraties van sociale problemen. Eén van die wijken is Casal Ventoso, waar een URBAN-project geïmplementeerd wordt en diverse mensen in marginale omstandigheden leven door drugsproblemen en dakloosheid alsmede geestelijke en fysieke problemen. Analfabetisme is een ander serieus probleem in de agglomeratie van Lissabon. Het percentage analfabeten bedraagt 8,2, maar dit gemiddelde verdoezelt verschillen tussen gemeenten, waarvan enkele te maken met 15 procent analfabeten. Het verhogen van opleidingsniveaus is een belangrijk element in de meeste ontwikkelingsprogramma’s. Economie Hoewel Portugal de laatste jaren een flinke economische inhaalslag heeft gemaakt en zich in de kopgroep heeft genesteld van landen die voldoen aan de voorwaarden voor de Europese Monetaire Unie, geldt Portugal in zekere zin toch nog als een ontwikkelingsland binnen Europa. Net zoals Ierland en Griekenland is Portugal in zijn geheel een ‘Doelstelling-1-gebied’ voor de Europese structuurfondsen. Dit betekent dat het land in sociaal-economisch opzicht aanzienlijk achterblijft bij het Europese gemiddelde. Het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking is minder dan 75% van het Europees gemiddelde [The Economist Intelligence Unit, 1998]. Tot 1974 werd Portugal bestuurd door Marcelo Caetano, de opvolger van Salazar die veertig jaar lang aan de macht is geweest. In 1974 kwam de dictatuur ten einde. Daarvoor heeft het land nauwelijks contact gehad met de buitenwereld; het land was op zichzelf gericht. De Portugese overheid beschouwt die erfenis als een probleem dat verholpen moet worden. Daarom grijpt Portugal iedere kans om zich internationaal te manifesteren. Het beleid tijdens de dictatuur heeft een remmende werking gehad op de modernisering van de economie, waardoor Portugal fors achterop raakte ten opzichte van andere Europese landen. De economische ontwikkeling werd

56 De Aantrekkelijke Stad
bovendien vertraagd door het feit dat veel geld gestoken werd in het behouden van de controle over de diverse kolonies die het land in het verleden had veroverd. Sinds 1974 is Portugal een democratie. Geleidelijk heeft het land aansluiting gekregen met de rest van Europa. In 1986 trad Portugal samen met Spanje in 1986 toe tot de Europese Gemeenschappen (EG), oftewel de huidige Europese Unie (EU). De stad Lissabon is de belangrijkste werkgelegenheidsconcentratie in Portugal (gevolgd door havenstad Porto). Naar schatting werken circa 600.000 mensen binnen de gemeentegrenzen, waarvan de helft ook binnen de grenzen woont. De forensenstromen zijn aanzienlijk in omvang, namelijk gemiddeld 300.000 forensen per dag, exclusief winkelpubliek en studenten. Het totaal aantal forensen stijgt nog steeds. De grootste sector in Lissabon is de sector publieke diensten die meer dan 35% van de banen genereert. Dit soort activiteiten is gerelateerd aan de functie als hoofdstad van Portugal. Detailhandel & horeca vormen eenvijfde van de werkgelegenheid. Op enige afstand volgen sectoren als industrie, zakelijke dienstverlening en de communicatie & transport (zie tabel 3-3). De industriële sector van de stad bestaat hoofdzakelijk uit de productie van metaal en transportmateriaal, uitgeverijen & grafische vormgeving, chemie & olie, levensmiddelen en textiel & kleding. Tussen 1981 en 1991 is het aandeel van zakelijke dienstverlening het meest gestegen, terwijl verliezen zich voornamelijk in de industrie voordeden. Het percentage actieven in de agglomeratie bedraagt 51,1 procent (1991), waarbij het aandeel actieve mannen (55,9 procent) het aandeel actieve vrouwen met tien procentpunten overstijgt. Het werkloosheidspercentage is relatief laag, namelijk 7,7 procent van de beroepsbevolking in 1991. Na 1991 is dit percentage licht gestegen. Hoewel het aantal werklozen relatief laag is, kennen sommige gemeenten grote concentraties van werkloosheid. In de stedelijke regio zijn zeven van de tien werkenden actief in de tertiaire sector, met een piek van acht op de tien in de stad Lissabon, waar de industriële sector het restant voor haar rekening neemt. Verder is het

Lissabon 57 vermeldenswaardig dat in zes van de achttien gemeenten de agrarische sector 10 tot 20 procent van de werkgelegenheid omvat. Tabel 3-3: de werkgelegenheidsstructuur van Lissabon Sector Industrie Bouw Detailhandel & horeca Transport & communicatie Zakelijke dienstverlening Publieke diensten Overige Totaal Arbeidsplaatsen (in duizenden) 66 24 116 54 71 194 7 522 % 13 5 22 10 14 35 1 100

Bron: ‘Lisboa Elementos Estatísticos Básicos’ [Câmara Municipal Lisboa, 1994] Recente ontwikkelingen De laatste jaren ontwikkelt groot-Lissabon zich langzaam maar zeker tot een polycentrische regio. De binnenstad heeft moeten toezien hoe op diverse plaatsen grote, goed bereikbare en luxe winkelcentra gebouwd werden. Voorbeelden hiervan zijn het winkelcentrum Colombo vlakbij het stadion van voetbalclub Benfica en een winkelcentrum bij het EXPOgebied. Diverse bedrijven verlaten de binnenstad die zwaar te lijden heeft onder congestie, in ruil voor een van de nieuwe economische centra in de regio, waaronder het EXPO-gebied en de omgeving van de luchthaven. De locatie van de luchthaven staat momenteel ter discussie; men overweegt een

58 De Aantrekkelijke Stad
nieuwe locatie op ruime afstand van de stad om te anticiperen op een verdere groei van de luchtvaart. Tegenstanders van deze verplaatsing wijzen op het beperkte nut van uitbreiding van de luchthaven vanwege capaciteitsproblemen die op grote Europese luchthavens bestaan, de voordelen die de geringe reistijd tussen de stad en de luchthaven opleveren en de investeringen die verricht zijn om het EXPO-gebied via een metrolijn met de luchthaven te verbinden. Bovendien klagen weinig bewoners over geluidsoverlast. Voorstanders van de verplaatsing wijzen op de langetermijnontwikkeling waarbij de groei van de luchtvaart en het toenemende milieubesef een locatie verder van de stad onontkoombaar zullen maken. Om op deze ontwikkeling tijdig in te kunnen spelen, vinden zij dat nu reeds het besluit tot verplaatsing genomen zou moeten worden. Ondanks de opkomst van diverse economische centra in de regio vervult de binnenstad nog steeds een zeer belangrijke economische rol, getuige de honderdduizenden forensen die iedere dag de stad inrijden. De winkels in de binnenstad profiteren van de verruimde openingstijden. Om de congestie terug te dringen, heeft de gemeente onlangs ‘betaald parkeren’ ingevoerd in de gehele binnenstad. Hoewel dit beleid sommigen ertoe beweegt gebruik te maken van het openbaar vervoer, neemt het aantal auto’s nog steeds toe vanwege de economische vooruitgang. Het gemeentebeleid ten aanzien van de binnenstad richt zich op het stimuleren van de woonfunctie (vooral door het aantrekken van jonge bewoners) en het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving (o.a. door ernaar te streven om krottenwijken uit het straatbeeld te krijgen). Het aantrekken van bewoners wordt echter bemoeilijkt door het hoge percentage huisbezitters in Lissabon (90%), wat de bewoners relatief immobiel maakt. Jonge starters op de woonmarkt krijgen van de gemeente een financiële tegemoetkoming bij het kopen van een huis in de stad. Huidige strategie Een aantal jaren lang was een strategisch plan uit 1992 de basis voor het beleid. In dit bewuste plan – opgesteld onder leiding van de vorige burgemeester van Lissabon, de huidige president van Portugal – toont de stad haar ambitie om uit te groeien tot de Atlantische hoofdstad van Europa. Daartoe acht men het noodzakelijk om de economische basis van de stad te

Lissabon 59 moderniseren, (jonge) bewoners aan te trekken, de visuele kwaliteiten van de stad te verdedigen en de historische identiteit van de stad te behouden [Câmara Municipal de Lisboa, 1992]. Sinds de burgemeesterswisseling is het strategisch plan echter niet langer de leidraad voor het stedelijk beleid. De huidige ontwikkeling van Lissabon is niet gerelateerd aan een expliciete strategische visie op de gewenste ontwikkeling van de stad. Volgens de huidige burgemeester is het wenselijk om op een flexibele wijze te anticiperen op kansrijke ontwikkelingen. Een belangrijke coördinerende organisatie voor de strategische ontwikkeling en promotie van Lissabon is AMBELIS (Agência para a Modernização da Base Económica de Lisboa). Deze organisatie is in 1992 opgericht bij het aannemen van het strategisch plan. AMBELIS is belast met het promoten van de stad Lissabon en omgeving. Bovendien beoogt de organisatie bij te dragen aan de vernieuwing van de stedelijke en economische structuur en zodoende op te treden als een katalysator van ideeën, projecten en bronnen die een bijdrage leveren aan de modernisering van de economische basis van de stad. Deze taak is vertaald in vier doelstellingen: • Het promoten van de stad, zowel nationaal als internationaal, door nieuwe investeringen en economische activiteiten naar Lissabon te trekken, in samenwerking met reeds gevestigde organisaties en bedrijven in het gebied; Het genereren van nieuwe economische activiteiten door nationaal en buitenlands kapitaal voor projecten met een hoge toegevoegde waarde (technologiecentra, ‘science parks’ en kantorenparken) aan te trekken, mogelijk met gebruik van EU-gelden, teneinde de economische basis van de stad te vernieuwen; Stedelijke planning en vernieuwing door samenwerking tussen publieke en private actoren bij het gebruik van gebieden en gebouwen, gericht op het ontwikkelen van stedelijke projecten die milieuvriendelijk zijn en goed voor de stedelijke economie; Het ontwikkelen van infrastructuur om economische activiteiten te ondersteunen, in het bijzonder op het gebied van geavanceerde technologie, de ontwikkeling van gebieden met logistieke activiteiten,

60 De Aantrekkelijke Stad
intermodale vervoersknooppunten, kantoren- en industrieparken, recreatie- en sportvoorzieningen, vakantiecentra, tentoonstellingscentra en congrescentra. De belangrijkste aandeelhouder van dit publiek-private bedrijf is de gemeente Lissabon (26%); tot de overige aandeelhouders behoren handelsassociaties, opleidings- en onderzoeksinstituten (‘research & development’), verzekeringsbedrijven, financiële dienstverleners en bedrijven actief in de industrie, bouw en overige dienstverlening. Parque EXPO ’98 S.A. (de ontwikkelaar van het EXPO-gebied; zie verderop) is geen aandeelhouder maar werkt wel samen met AMBELIS. Vier keer per jaar komt het algemeen bestuur onder voorzitterschap van de burgemeester bijeen om het beleid van AMBELIS voor de komende periode vast te stellen. In feite wordt tijdens deze bijeenkomst op een informele wijze gesproken over de gewenste ontwikkeling van de stad, waarbij AMBELIS de schakel is tussen alle partners in de stad. Deze aanpak, waarbij publieke en private netwerken bijeen worden gebracht, draagt aanzienlijk bij aan het organiserend vermogen.

EXPO ‘98
In 1998 waren Portugal en Lissabon gastheer van de laatste wereldtentoonstelling van de twintigste eeuw (EXPO ’98), die in het teken stond van de toekomst van oceanen. Portugal en haar hoofdstad hebben het evenement met beide handen aangegrepen om zich internationaal te profileren (als Atlantische hoofdstad van Europa) en het imago te verbeteren. De EXPO is echter vooral ingezet als hefboom voor de duurzame revitalisering van het sterkst vervuilde en verwaarloosde deel van Lissabon. Zodoende paste het organiseren van de wereldtentoonstelling in het strategisch plan voor Lissabon, zoals dat in 1992 was geformuleerd. De strategie De organisatoren van EXPO ’98 hebben getracht te leren van de negatieve en positieve ervaringen van respectievelijk Sevilla (gastheer van EXPO ’92)

Lissabon 61 en Barcelona (gastheer van de Olympische Spelen in 1992). De eerstgenoemde stad is er niet in geslaagd om duurzaam te profiteren van het evenement. De voorzieningen die speciaal voor de wereldtentoonstelling waren gebouwd, waaronder een grote expositiehal, zijn na het evenement onbenut gebleven met financiële tekorten voor de organisatie als gevolg. De verantwoordelijken in Barcelona daarentegen hebben met behulp van de Olympische Spelen duurzame investeringen gepleegd in de aantrekkelijkheid van deze stad. Zeven jaar naar dato zijn de meeste Olympische voorzieningen nog in gebruik, terwijl de stad ook volop profiteert van de verbeterde interne en externe bereikbaarheid en het positieve imago. Op basis van de lessen van Sevilla en Barcelona werden twee doelstellingen geïdentificeerd [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999]: • De wereldtentoonstelling moest een origineel, sprankelend evenement worden met een internationale aantrekkingskracht; ‘the projection of Portugal in the world’; De EXPO moest de drijvende kracht worden voor een stedelijk revitaliseringsplan (EXPO URBE), met een voor Portugal ongekende omvang, dat de organisatiekwaliteiten van het land zou onderstrepen en de stad een modern internationaal karakter zou geven; ‘an urban regeneration and implementation of the exposition in accordance with the highest standards of quality and efficiency, which involves proving the modernity of the country and its capacity to plan and implement very complex projects’.

In het programma dat het commissariaat voor EXPO ’98 in november 1993 presenteerde, zijn de twee doelstellingen verder uitgewerkt in zeven ‘objectives’ [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999]: • De nadruk leggen op de belangrijke bijdrage van de Portugese ontdekkingsreizen aan het proces van Europese expansie in de vijftiende en zestiende eeuw, dat geleid heeft tot een verbeterde kennis van de mens en de aarde, en het te projecteren op de toekomst; Het opnieuw bevestigen en uitdrukking geven aan de roep van Portugal om een vredig en voor alle betrokkenen nuttig treffen tussen verschillende mensen en culturen;

62 De Aantrekkelijke Stad
• Het kenbaar maken van de realiteit van een modern land dat volledig betrokken is in het proces van modernisatie en integratie in een groter economisch en institutioneel gebied; Het creëren van een evenement met een wereldwijde projectie, dat in staat is een unieke kans voor de Europese Unie te verschaffen om kenbaarheid te geven aan en publieke bewustwording te stimuleren van projecten, activiteiten en doelen van de Unie op terreinen gerelateerd aan het expositiethema; Een bijdrage leveren aan de bevestiging van Lissabon als grote Atlantische stad, door in te grijpen in de vernieuwing van de stedelijke structuur op een creatieve en duurzame wijze; Zorg dragen voor de oprichting van forum over de huidige kennis van zaken over oceanen in Lissabon in 1998, daarmee een bijdrage leverend aan de gewenste vorming van nieuwe systemen om de vloeiende massa op de aarde te managen en de ecologische balans te behouden, door een rationeel gebruik van de bronnen uit de oceaan; Een stimulans geven aan het bedrijfsleven in Portugal, namelijk door de uitbreiding van specifieke deelsectoren van de diensten- en transportsector en de binnenlandse industrie en het scheppen van werkgelegenheid.

Vanuit regionaal-economisch perspectief zijn de derde, vijfde en zevende doelstelling het meest interessant. Ze verwoorden immers het streven van Portugal en Lissabon om het evenement als katalysator te gebruiken voor een verbetering van de sociaal-economische structuur en het imago. Voor de fase direct na de wereldtentoonstelling heeft de Portugese overheid een drietal aanvullende doelstellingen gedefinieerd [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999]: • • Het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig stedelijk milieu in het ontwikkelingsgebied; Het veiligstellen van een snelle ontwikkeling van stedelijke activiteiten in het gebied teneinde de overgangsperiode zo kort mogelijk te houden;

Lissabon 63 • Het maximaliseren van inkomsten teneinde de leningen terug te betalen, door een strikt en terughoudend beleid te voeren, overeenkomstig kosten-batenoverwegingen;

Om de tien bovengenoemde doelen te bereiken, heeft de Portugese overheid met publiek kapitaal een organisatie in het leven geroepen: Parque EXPO ’98 S.A. (hierna aangeduid met Parque EXPO). Deze organisatie, waarvan de aandelen in het bezit zijn van de staat, is belast met de revitalisering van het stedelijk gebied in kwestie en het organiseren van de wereldtentoonstelling binnen dit gebied. De voorzitter van het bestuur van deze organisatie is de ‘General Commissioner’. Deze persoon is direct verantwoordelijk voor het evenement en vertegenwoordigt de Portugese overheid in alle aangelegenheden betreffende de EXPO. Bovendien rapporteert de General Commissioner aan het ‘Bureau International des Expositions’ (BIE). Het bedrijf kreeg binnen het aangewezen gebied van 340 hectare vergaande bevoegdheden, waarmee langdurige en dus vertragende procedures omzeild werden. Uiteraard kon Parque EXPO niet geheel voorbijgaan aan overheidsinterventie, maar een speciaal wettelijk kader heeft bijgedragen aan het versnellen van procedures. Parque EXPO heeft een masterplan voor het gebied opgesteld, dat goedgekeurd is door de nationale overheid, de twee betrokken gemeenten en enkele regionale organisaties. De bouw van de nieuwe stadswijk heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de acceptatie van de EXPO door de Portugezen. Volgens een in 1996 gehouden onderzoek stond 96 procent van de Portugezen achter het evenement [NieuwsTribune, 1997]. Sindsdien is het maatschappelijke draagvlak alleen maar groter geworden. Naast de tweevoudige doelstelling heeft men ook aandacht aan de financiën besteed. Zowel Barcelona als Sevilla waren immers achtergebleven met een aanzienlijk tekort dat de verdere ontwikkeling van de steden bemoeilijkte. In Lissabon heeft men het duidelijk anders aangepakt. De wereldtentoonstelling moest zichzelf terugbetalen. Het entreegeld van de bezoekers diende de exploitatiekosten te dekken. De hoofdbron voor inkomsten moest echter EXPO URBE, het stedelijk revitaliseringsplan, worden. Parque EXPO wilde namelijk de voorzieningen die gebouwd werden voor de EXPO na het

64 De Aantrekkelijke Stad
evenement verkopen ten behoeve van andere gebruiksvormen, met name commerciële dienstverlening. De grond zou verkocht worden aan investeerders en projectontwikkelaars. Men verwachtte dat de markt een groot deel van de risico’s van EXPO URBE op zich zou nemen. Een consortium van de grootste Portugese banken heeft het project voorgefinancierd. Het EXPO-gebied Het stedelijk gebied dat gerevitaliseerd is, strekt zich uit over een deel van de ‘Oriental Zone’ in oost-Lissabon en over een deel van buurgemeente Loures. De Oriental Zone is nabij de luchthaven gesitueerd en werd begin jaren negentig gedomineerd door verouderde en in veel gevallen buiten gebruik geraakte industrieterreinen en sociale woningbouw. Gelet op het thema van de EXPO – de toekomst van oceanen – heeft men een strook land van vijf kilometer langs de oever van de rivier Taag gekozen. De interventiezone van Parque EXPO omvat een gebied van 340 hectare. Binnen die interventiezone is een gebied van 60 hectare gebruikt voor de wereldtentoonstelling. De centrale ligging van het gebied in regionaal perspectief en het streven om een betere balans te creëren tussen oost- en west-Lissabon hebben de locatiekeuze mede beïnvloed. Voordat de revitaliseringswerkzaamheden begonnen, was het ontegenzeggelijk het meest vervallen en vervuilde industriegebied in de regio. Een kleine buiten gebruik geraakte haven, een versleten olieraffinaderij, opslagtanks, een vuilstortplaats en een afvalverwerkingsinstallatie ‘sierden’ het gebied. Het land onder de petrochemische installatie was zwaar verontreinigd door olieresten en ander afval van de raffinaderij. De Tranção, een riviertje dat ter plaatse in de Taag uitmondt, was voor 100% vervuild door de stroomopwaarts gesitueerde industrie die vrijelijk afval op het water loosde. Tot overmaat van ramp kampte de Tranção vaak met overstromingen, waardoor de krottenwijken in het nabijgelegen gebied regelmatig onderliepen met vervuild water. Het departement voor stedelijke planning van Lissabon heeft voorafgaand aan de EXPO een masterplan opgesteld dat aandacht vraagt voor de mogelijke dreiging van een tweedeling in het stadsdeel. Er is geld geïnvesteerd in het opwaarderen van de omliggende woonwijken. Voor de

Lissabon 65 EXPO verwachtte men dat de ontwikkelingen op het EXPO-terrein de interesse in de omliggende wijken zou vergroten. De gemeente heeft bovendien de interactie tussen de twee stadsdelen gestimuleerd door de aanleg van verbindingswegen. Plan van aanpak Parque EXPO heeft in totaal 1,3 miljard US$ uitgegeven aan het schoonmaken van de grond en het verwijderen van de verouderde installaties, het uitkopen van bewoners en bedrijven, investeringen in nieuwe infrastructuur en een trein-, bus- en metrostation. Het bedrijf begon met een startkapitaal van 3,5 miljoen US$ van de nationale overheid en een landwaarde van 50 miljoen US$. Het restant is afkomstig van commerciële leningen; de overheid stond garant voor 300 miljoen US$. De bedoeling was dat de wereldtentoonstelling en het revitaliseringsproject voldoende opbrengsten zouden genereren om de leningen terug te betalen. De opbrengsten van grond werden geschat op 600 miljoen US$, meer dan de helft van de totale opbrengsten. De bijdrage van de Europese Unie (zie tabel 3-4) heeft betrekking op het schoonmaken van de rivierbedding van de Tranção nabij het expositieterrein. Tabel 3-4: de financiering van de EXPO Grondverkoop Opbrengsten van de wereldtentoonstelling Waarde van aandelen in EXPO sub-projecten Bijdragen van de Europese Unie Waarde van aandelen in Parque EXPO ‘98 Totaal 53% 30% 7% 4% 6% 100%

Bron: ‘Metropolitan Organising Capacity’ [Van den Berg, Braun en Van der Meer, 1997]

66 De Aantrekkelijke Stad
Parque EXPO heeft de intentie om van EXPO URBE een gestructureerd alternatief te maken voor de expansie van Lissabon met een planningskader dat tegemoetkomt aan de behoeften van de eindgebruiker. Het masterplan heeft de volgende doelstellingen [Comissário-geral da EXPO ’98, 1999]: • Het creëren van een nieuwe stedelijke groeipool (‘a new urban polarity’) in de regio (het veiligstellen van een goede bereikbaarheid en zorg dragen voor een relevante economische basis gesteund door geavanceerde infrastructuurprogramma’s); Een kwalitatief hoogwaardig stedelijke leefomgeving verschaffen door een gebalanceerde mix van de diverse stedelijke functies, de nadruk leggend op de voordelen van de locatie aan het water.

Het masterplan voor EXPO URBE legt de nadruk op multifunctionaliteit: wonen, werken, winkelen en recreëren in één gebied. Wat betreft de woonfunctie houdt men rekening met de veranderende woonvoorkeuren, waarbij de omgeving een steeds grotere rol lijkt te spelen. Voor de economische functies heeft het gebied een grote aantrekkingskracht dankzij een goede communicatie-infrastructuur en een uitstekende bereikbaarheid. De bereikbaarheid is onlangs ook verbeterd door de vlak voor de EXPO gereedgekomen Vasco-da-Gamabrug, een mede door de Europese Unie gefinancierde tolbrug over de Taag vanuit EXPO URBE. De bouw van deze brug was noodzakelijk om de eerste en tot dan toe enige brug over de Taag (de 25-aprilbrug) te ontlasten. Het masterplan voor EXPO URBE behelst de aanleg van een zakencentrum vlakbij het nieuwe trein-, bus- en metrostation, gecombineerd met hotels, winkels (waaronder een winkelcentrum) en restaurants. Door de ontwikkeling van EXPO URBE als nieuwe stedelijke groeipool verandert Lissabon van een monocentrische regio in een bicentrische regio (of wellichte een polycentrische regio; zie profielschets). Voor de ontwikkeling van een nieuw centrum in de regio was het noodzakelijk dat de interventiezone op een adequate wijze geïntegreerd zou worden in de stad en de regio. Investeringen in de infrastructuur dienden niet alleen de bereikbaarheid van het nieuwe centrum maar ook de interne en externe bereikbaarheid van de regio in het algemeen te verbeteren.

Lissabon 67

Een jaar na de EXPO: de effecten
De wereldtentoonstelling is succesvol verlopen. Weliswaar viel het aantal bezoekers enigszins tegen (10 miljoen in plaats van de verwachte 14 miljoen mensen), maar dit wordt toegeschreven aan het slechte weer in de eerste maanden en de concurrentie van het WK voetbal in Frankrijk in de maanden juni en juli. Figuur 3-5 toont het aantal bezoekers per maand. Opmerkelijk gegeven is dat de bezoekersaantallen stegen naarmate de sluitingsdag naderde. Figuur 3-5: aantal bezoekers aan EXPO ’98 per maand
4.000.000 3.500.000 3.000.000 2.500.000 2.000.000 1.500.000 1.000.000 500.000 0 mei jun jul aug sep avond (na 20.00 uur) overdag

Bron: ‘Relatório Exposiçao Mundial de Lisbao de 1998’ [Comissário-geral da EXPO ‘98] Uit opiniepeilingen blijkt dat 95% van de bezoekers de EXPO een positieve waardering geeft. Ongeveer 65% meende dat EXPO ’98 een aanzienlijke bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling van Portugal. Wat zijn de effecten van de wereldtentoonstelling tot nu toe? Waar liggen nog kansen voor een versterking van de effecten?

68 De Aantrekkelijke Stad
Veranderingen in de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu De interventiezone Het gebied dat ooit het minst aantrekkelijke deel van Lissabon was, vertoont tegenwoordig een totaal andere aanblik. Er zijn diverse investeringen gepleegd, zowel in voorzieningen voor de EXPO als in de kwaliteit van het stedelijk gebied. In het ‘Parque das Nações’ (park der naties), zoals het expositieterrein nu heet, bevindt zich midden in de haven het Oceanarium, het grootste aquarium van Europa dat tijdens de EXPO fungeerde als het Paviljoen van de Oceanen (‘Pavilhão dos Oceanos’). In de eerste tien maanden na de opening van het park (op 16 oktober 1998) bezochten meer dan één miljoen mensen deze attractie [Parque EXPO, 1999]. Een ander gebouw is het Paviljoen van Portugal (‘Pavilhão de Portugal’) dat wordt ingericht om de Portugese Raad van Ministers te huisvesten (het gebouw wordt verkocht aan de staat). De derde voorziening is het ‘Pavilhão Atlântico’, een multifunctioneel stadion dat plaats biedt aan concerten, congressen en sportevenementen (met een capaciteit van 15 duizend plaatsen); tijdens de EXPO was dit het Utopia Paviljoen, waar de bezoekers (toekomstige) multimediatoepassingen ten aanzien van oceanen konden ervaren. In de tien maanden na de EXPO passeerden meer dan 300.000 mensen de poorten [Parque EXPO, 1999]. Dan is er nog het ‘Living Science Centre’ dat in juli 1999 geopend werd met vijf tentoonstellingen afkomstig uit diverse Europese musea en ‘science centres’. Het voormalige Kennis-van-de-Zee-Paviljoen (‘Pavilhão do Conhecimento dos Mares’) is tegenwoordig eigendom van de staat en wordt gemanaged door het ministerie van wetenschap en technologie. Een van de belangrijkste trekkers van het gebied is het ‘Centro de Exposições de Lisboa’: het moderne expositiecentrum van Lissabon dat deze functie heeft overgenomen van een in de jaren vijftig gebouwde accommodatie in het westen van de stad, die nu wordt omgebouwd tot een nieuw congrescentrum. Het expositiecentrum is eigendom van de ‘Associaçao Industrial Portuguesa’ (Portugese Industriële Associatie) en omvat 60.000 vierkante meter expositieruimte. Sinds de opening in maart 1999 trok het centrum meer dan 500.000 bezoekers [Parque EXPO, 1999]. Het besluit om de handelsbeurs te verhuizen van het westen naar het EXPO-

Lissabon 69 terrein heeft de locatiekeuze van dit terrein voor een belangrijk deel beïnvloed. De detailhandel in het gebied is geconcentreerd in en rondom het winkelcentrum ‘Vasco da Gama’, dat 162 winkels telt (en daarmee het derde winkelcentrum van Lissabon is) en in de periode tussen april en augustus 1999 8,5 miljoen bezoekers ontving [Parque EXPO, 1999]. Het winkelcentrum is gesitueerd in de voormalige entreehal van de EXPO die via een loopbrug verbonden is met het nieuwe station, ‘Gare do Oriente’. Het modern vormgegeven stationscomplex is een knooppunt voor de trein, de bus en de metro en biedt voldoende parkeermogelijkheden. De metro verbindt het gebied met het huidige Central Business District (gesitueerd in de binnenstad) en er is een directe verbinding met de luchthaven. Daarnaast zijn er nog diverse andere voorzieningen, zoals een ‘virtual reality park’ (meer dan 300.000 bezoekers in de periode oktober 1998 tot augustus 1999), een jachthaven, een theater (het ‘Teatro Camões’, de toekomstige thuisbasis van zowel het ‘Portuguese Symphony Orchestra’ als ‘The National Ballet Company’; eigendom van de staat), thematische tuinen en groene ruimten. Nabij het station verrijst een zakendistrict van hoge kwaliteit. De bedoeling is dat dit zakendistrict het nieuwe ‘Central Business District’ van Lissabon wordt. Een van de sterke punten is de hoogwaardige telecommunicatie-infrastructuur. Tenslotte fungeert EXPO URBE ook als een belangrijk uitgaansgebied met diverse terrassen en een boulevard, waar mensen kijken en bekeken worden. Infrastructuur De wereldtentoonstelling heeft niet alleen de kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu van het interventiegebied, maar ook dat van de rest van Lissabon verbeterd. In het kader van de EXPO zijn diverse investeringen in de infrastructuur gepleegd, die de interne bereikbaarheid aanzienlijk hebben verbeterd. Het metrosysteem is uitgebreid en er zijn twee rondwegen aangelegd – de ‘Lisbon Outer Ring-Road’ (CREL) en de ‘Lisbon Inner Ring-Road’ (CRIL) – waardoor de binnenstad minder last heeft van doorgaand verkeer (zie figuur 3-6). De Vasco-da-Gamabrug heeft ervoor gezorgd dat de 25-aprilbrug niet langer de enige verbinding is met de zuidoever van de Taag. De steden aan de andere kant van de rivier

70 De Aantrekkelijke Stad
profiteren ook nadrukkelijk van de nieuwe oeververbinding. Ook de externe bereikbaarheid van de stad is verbeterd via aansluitingen op regionale, nationale en internationale netwerken. Figuur 3-6: transportinfrastructuur van Lissabon

Bron: Lusoponte Lisboa Economische effecten De wereldtentoonstelling heeft op verschillende schaalniveaus economische effecten gesorteerd. Allereerst heeft het evenement veel werk opgeleverd voor (Portugese) bouwbedrijven, architecten, aannemers en leveranciers in de bouwbranche. De directe bijdrage van de EXPO aan het Bruto Nationaal Product (BNP) bedroeg in 1998 tussen de 0,9 en 1,2 procent, terwijl het evenement ook in de jaren daarvoor een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het BNP (1996: 0,1-0,3%; 1997: 0,6%). Tussen 1994 en 1996 heeft het evenement 18.000 banen gecreëerd, in 1997 circa 19.000 banen en in 1998 23.000 à 29.000 banen [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999].

Lissabon 71 De interventiezone ontwikkelt zich tot het tweede centrum van Lissabon. Het Parque das Nações trekt redelijk veel bezoekers. In de tien maanden na de EXPO bezochten tien miljoen mensen het park [Marcelino, 1999], dat overigens geen toegangsprijzen rekent. Topattractie was het Oceanarium met ruim één miljoen bezoekers. De beginperiode, die kritisch was vanwege het feit dat het winkelcentrum en de expositiehal nog niet geopend waren, verliep beter dan verwacht. Vooral in de weekends ontvangt het park veel stadsbewoners die even willen genieten van de ruimte. Op werkdagen buiten de zomervakantie is het aanmerkelijk rustiger; het park is dan vooral het terrein van schoolexcursies. Parque EXPO heeft er bewust voor gekozen de levendigheid in het EXPO-gebied te bewaren. Reeds vijftien dagen na de sluiting van de wereldtentoonstelling (namelijk op 16 oktober 1998), opende het Parques das Nações haar poorten. Ook het gebied rondom het park (binnen de interventiezone) heeft zich positief ontwikkeld. Dagelijks gebruiken 70.000 mensen het ‘Estação do Oriente’ (het nieuwe trein-, bus- en metrostation), wat overeenkomt met 25 miljoen reizigers per jaar, en men verwacht dat het station het belangrijkste vervoerknooppunt van de regio wordt. Alle treinen (321 in totaal) – lokaal, regionaal en nationaal – stoppen op het station. Het aantal metropassagiers, dat reeds aanzienlijk is, zal nog verder groeien door een overheidsbesluit om de metrolijn in westelijke richting uit te breiden. Ook het aantal busdiensten zal toenemen door een afspraak met de gemeente om alle ‘express coach terminals’ (behalve de ‘Arco do Cego terminal’) over te brengen naar het intermodale station. Dit zorgt voor 3 miljoen extra passagiers per jaar. De verkoop van grond loopt voorspoedig. In augustus 1999 was reeds 1,1 miljoen vierkante meter verkocht, meer dan de helft van het totale geplande bouwgebied (2,1 miljoen vierkante meter). De opbrengst bedraagt 70,2 miljoen escudo’s (circa 7,6 miljard gulden). Van het verkochte gebied is 707.000 vierkante meter bedoeld voor woningen en 406.000 voor economische activiteiten. Tot de bedrijven die reeds een kantoor hebben betrokken in het gebied, behoren Portugal Telecom, Telecel (telecommunicatie), Sony, Mitsubishi en Ford. Het aantal werkenden in het gebied bedraagt 5.000, wat volgens planning zou moeten toenemen tot 10.000 in 2001 en 18.000 in 2008. Het aantal bewoners in het EXPO-gebied

72 De Aantrekkelijke Stad
is nu nog beperkt met 2.500 inwoners. In 2001 zouden dat er al 8.000 moeten zijn, terwijl de prognoses voor 2008 zelfs spreken over 25.000 woonachtigen. Bedrijven beschouwen het gebied als zeer aantrekkelijk vanwege de uitstekende bereikbaarheid (metro, bus en trein én in het bijzonder de directe verbinding met de luchthaven), de moderne communicatieinfrastructuur en de beschikbaarheid van ruimte. Het is niet geheel duidelijk of de aanwezigheid van leisure-achtige activiteiten een directe attractiefactor is, maar zondermeer dragen deze activiteiten bij aan een goed imago van het gebied bij de bevolking, hetgeen voor bedrijven wel degelijk van belang is. Daarnaast valt op dat bedrijven steeds vaker een integraal onderdeel willen zijn van de omgeving waarin zij zich bevinden. Het Portugese telecommunicatiebedrijf Telecel bouwt een kantoor dat op de begane grond vrij toegankelijk is voor publiek, waarmee het een soort openbare ruimte wordt. Voor de economische revitalisering van het gebied was het van belang om de vorming van een spookstad tegen te gaan. Parque EXPO heeft er daarom voor gekozen om het park zo snel mogelijk na de sluiting van de EXPO open te stellen voor publiek. Op die manier heeft de organisatie het momentum weten te behouden en tegelijkertijd voor voldoende levendigheid gezorgd. Teneinde de attractiewaarde van het Parque das Nações te behouden heeft Parque EXPO een schema opgesteld dat de sluiting van een paviljoen koppelt aan de openstelling van attractie. Tevens heeft de organisatie zich ingezet om het aantal bouwwerkzaamheden beperkt te houden om het ontstaan van één grote bouwput te voorkomen. Deze aanpak blijkt zeer succesvol te zijn. Het project EXPO URBE is echter nog niet volbracht. Of het gebied zich daadwerkelijk zal ontwikkelen tot een aantrekkelijk centrum van Lissabon, is nog niet met honderd procent zekerheid te zeggen. Het voorzieningenniveau zal op een acceptabel niveau gebracht moeten worden, terwijl de aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte en de voorzieningen op een hoog niveau gehandhaafd dient te blijven. Een en ander stelt hoge eisen aan het organiserend vermogen. Een gecontroleerde ontwikkeling van het gebied is wenselijk. Verder is het aanbevelenswaardig

Lissabon 73 om het aantal evenementen op peil te houden teneinde de levendigheid in het gebied te waarborgen en de kwaliteiten van EXPO URBE (internationaal) te promoten. Voor Lissabon is het zaak om te blijven investeren in de aantrekkelijkheid. De stad staat voor de uitdaging om haar gunstige ligging aan de Atlantische Oceaan en het goede klimaat beter te benutten. Een van de problemen waar de stad mee te maken krijgt, is het vertrek van veel hoofdkantoren van multinationals naar Madrid. In een grenzenloos Europa blijken veel internationals te kiezen voor één hoofdkantoor op het Iberisch schiereiland, waarbij Madrid meestal aan het langste eind trekt. De Spaanse hoofdstad heeft een meer centrale ligging en is bovendien groter (wat betreft het aantal inwoners) dan de Portugese hoofdstad. In de concurrentiestrijd met Madrid zou Lissabon nadrukkelijker in moeten zetten op kwaliteit. Bovendien is het wenselijk om in het beleid accenten op bepaalde sectoren of clusters te leggen. Voorbeelden van groeiclusters met potentie zijn toerisme (en zakelijk toerisme in het bijzonder), logistieke dienstverlening, telecommunicatie, culturele bedrijvigheid en financiële dienstverlening. Het feit dat Lissabon zich nog onvoldoende positioneert hangt wellicht ook samen met het ontbreken van een expliciete strategie voor de toekomst. Door de gunstige economische omstandigheden zijn de incentives om een dergelijke strategie te formuleren gering. Dat mag echter geen reden zijn om de ingeslagen weg omhoog niet met kracht te blijven volgen. Toerisme De EXPO heeft Portugal en Lissabon gepromoot als toeristische bestemming. En niet zonder succes. In 1998 beleefde het land een topjaar met 11,6% meer bezoekers dan het jaar daarvoor (gedeeltelijk betreft het hier een direct effect van de EXPO-bezoekers), het hoogste groeipercentage van alle landen die aangesloten zijn bij de ‘World Tourism Organisation’ (WTO) [Direcção-General do Turismo, 1998]. De inkomsten uit toerisme stegen met meer dan 13% ten opzichte van 1997 [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999]. Naar men nu verwacht, zal het aantal bezoekers ook in 1999 stijgen, namelijk met 2,7%. De door velen voorspelde terugval in het jaar na de EXPO blijft dus uit. De wereldtentoonstelling heeft de verzadigd

74 De Aantrekkelijke Stad
veronderstelde toeristische markt van Portugal een nieuwe impuls gegeven. Ook als bestemming voor zakelijke toeristen lijkt Lissabon te profiteren van de EXPO getuige het feit dat de stad stijgt op de ranglijst van congressteden. Het expositiecentrum van Lissabon heeft ook niet te klagen, gezien de indrukwekkende groeicijfers van het aantal bezoekers. De gemiddelde bezettingsgraad van hotels in Lissabon was in 1998 continu hoger dan in 1997 (zie figuur 3-7), zowel in het hoogseizoen (de lente en de herfst) als in het laagseizoen (de zomer en de winter). In 1999 lagen de bezettingsgraden gedurende de eerste vijf maanden hoger dan in 1998. In de maanden juni, juli en augustus van 1999 waren de hotels weliswaar minder vol dan een jaar daar daarvoor (de EXPO begon immers op 22 mei 1999), maar er werden meer gasten dan in 1997 ontvangen. Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat het aantal hotelovernachtingen in Lissabon substantieel is gestegen na de EXPO. Hoewel het nauwelijks aantoonbaar is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wereldtentoonstelling en de gestegen bezettingsgraden, is de Portugese overheid ervan overtuigd dat de EXPO bij heeft gedragen aan een versterking van het toeristisch imago van Lissabon.

Lissabon 75

Figuur 3-7: bezettingsgraden hotels in Lissabon (1997-1999)
80 70 60 1997 50 40 30 20 jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec 1998 1999

Bron: Direcção-General do Turismo [1999] Uit een imago-onderzoek van ‘Turismo de Lisboa’ in september 1998 blijkt dat de bezoekers over het algemeen tevreden zijn over de stad. Meer dan de helft van de ondervraagden (51,5%) ziet de EXPO als het belangrijkste bezoekmotief. Niet minder dan 96% geeft te kennen Lissabon aan te zullen bevelen als toeristische bestemming [Turismo de Lisboa, 1998]. Dankzij de EXPO hebben Portugal en haar hoofdstad er een groot aantal ambassadeurs bij gekregen. Sociale effecten In het EXPO-gebied in Lissabon is ook ruimte gereserveerd voor de woonfunctie. Naar verwachting zal het gebied voornamelijk mensen uit hogere inkomensgroepen trekken. De sociaal-economische uitstraling naar de omliggende wijken is momenteel nog marginaal. EXPO URBE heeft zich vooralsnog min of meer als een eiland ontwikkeld: een stad in een stad. De integratie van EXPO URBE in de stad moet nog plaatsvinden. De omliggende wijken zijn weliswaar beter bereikbaar dan voorheen, maar bieden nog lang niet dezelfde kwaliteit als het plangebied van Parque EXPO ’98. Minpunten van deze wijken zijn het monofunctionele karakter (weinig

76 De Aantrekkelijke Stad
economische functies; vooral wonen) en de eenzijdige inkomensstructuur (voornamelijk sociale woningbouw). De treinrails vormen de grens en wellicht ook een fysieke barrière tussen het pretentieuze EXPO URBE en de woonwijken in de Oriental Zone. Lissabon staat voor de uitdaging om economische activiteiten in omliggende stadsdelen te stimuleren (zodat deze wijken hun monofunctionele karakter verliezen), inkomensdifferentiatie te bevorderen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Vooral het gebied ten westen van het park heeft potenties om te kunnen profiteren van de dynamiek in EXPO URBE, mede dankzij de prachtige ligging aan het water en het ontbreken van een fysieke barrière tussen beide stadsdelen. Lange tijd was dit gebied enkel in gebruik voor watergebonden activiteiten zonder hoogwaardig karakter. Omdat de niet havengebonden grond onlangs is overgedragen van het havenbedrijf aan de gemeente, liggen er kansen voor dit gebied. De cruisehaven, die een toenemend aantal cruiseschepen verwelkomt, zou een potentiële katalysator van nieuwe ontwikkelingen kunnen zijn. De gemeente heeft reeds plannen met dit gebied: woningbouw in combinatie met economische activiteiten (waaronder leisure). Uiteindelijk hoopt de gemeente een zone met centrumfuncties te creëren van het Parque das Nações in het oosten via de binnenstad tot het westen (waar het nieuwe congrescentrum komt). Imago-effecten EXPO ’98 heeft het imago van Lissabon en Portugal aanzienlijk verbeterd. Zij hadden tot de wereldtentoonstelling niet zozeer te kampen met een slecht imago, maar vooral met een gebrek aan internationale bekendheid: onbekend maakt onbemind. Het evenement heeft een ongekende bijdrage geleverd aan het vergroten van de internationale bekendheid van Portugal en haar hoofdstad. In totaal hebben 6.312 buitenlandse journalisten uit 88 landen en werkend voor 2382 media-organisaties toestemming gevraagd om over de EXPO te berichten. Datzelfde geldt voor 5204 Portugese journalisten, werkend voor 917 media-organisaties [Comissário-geral da EXPO ‘98, 1999]. Deze enorme ‘media exposure’ is van grote betekenis

Lissabon 77 voor het imago geweest. Zonder een groot evenement als de EXPO was een dergelijke verbetering van het imago niet eenvoudig te realiseren geweest. Nationale trots Een van de belangrijkste effecten van de EXPO is echter de nationale trots die het evenement in heel Portugal heeft bewerkstelligd. Voorafgaand aan de wereldtentoonstelling was men kritisch en discussies over de kosten van het evenement domineerden de publiciteit. Vooral buiten Lissabon (en in het bijzonder in Porto) werd het nut van de EXPO aanvankelijk in twijfel getrokken. Over de mogelijke positieve, niet altijd te kwantificeren, spinoffs werd veel minder gesproken, maar het zijn juist deze effecten die het evenement tot een succes hebben gemaakt. Een jaar na de wereldtentoonstelling heerst overal in het land een stemming van ‘we hebben het gemaakt’. Het zelfvertrouwen van de Portugezen is aanzienlijk groter dan vóór de EXPO. Via het Parque das Nações toont Lissabon naast het waardevolle culturele erfgoed waar de stad over beschikt, het gezicht van een moderne grootstedelijke metropool. ‘The implementation of the urban regeneration project and the Lisbon Word Exhibition have an important series of effects on the economic, social and cultural reality of Portugal and furthermore a factor that strengthened Portugal’s image and recognition. First of all, because of the innovative capacity, organisation, achievement and quality demonstrated. Secondly, because of the very positive reaction of the man in the street, both in terms of the public approval and the degree of satisfaction and confidence transmitted by the project.’ Bron: ‘Relatório Exposiçao Mundial de Lisbao de 1998’ [Comissário-geral da EXPO ’98, 1999] De ervaringen met de wereldtentoonstelling in 1998 en de festiviteiten rond de Culturele Hoofdstad van Europa in 1994 hebben Lissabon en andere steden in Portugal ervan bewust gemaakt dat evenementen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van het imago. Lissabon blijkt veel te hebben opgestoken van de goede en slechte voorbeelden in het buitenland. Evenementen kunnen als katalysator fungeren voor een verbetering van de bereikbaarheid met behulp van investeringen in het

78 De Aantrekkelijke Stad
openbaar vervoer en het wegennet. Een goed voorbeeld doet volgen: Porto grijpt haar benoeming tot Culturele Hoofdstad van Europa in 2001 (samen met Rotterdam) aan om de binnenstad te vernieuwen. In 2004 is Portugal gastheer van de Europese Kampioenschappen voetbal, wat ook weer volop kansen biedt voor sociale, economische en promotionele doeleinden.

Conclusies
De wereldtentoonstelling (EXPO ‘98) betekent een mijlpaal voor zowel Lissabon als Portugal. Het evenement heeft het land en haar hoofdstad internationale bekendheid gegeven, wat heeft geresulteerd in een aanzienlijke stijging van het aantal bezoekers; ook in het jaar na de EXPO. De wereldtentoonstelling heeft onder de Portugezen gevoelens van trots en zelfvertrouwen opgewekt. Er heerst in het land veel optimisme ten aanzien van de toekomst. De revitalisering van het meest vervallen industriegebied van Lissabon heeft de stad een nieuw centrumgebied opgeleverd; een gebied met een internationale uitstraling, waardoor de Portugese hoofdstad zich kan meten met andere Europese steden. Bij de ontwikkeling van het gebied is veel zorg besteed aan kwaliteit en het veiligstellen van levendigheid door functiemenging te stimuleren. De EXPO heeft bovendien als katalysator gefungeerd voor een integrale upgrading van de interne en externe bereikbaarheid van Lissabon. Een punt van zorg voor de toekomst is de enigszins geïsoleerde ligging van het EXPO-gebied (veroorzaakt door de barrièrewerking van infrastructuur), waardoor de positieve uitstraling naar de directe omgeving belemmerd kan worden. Lissabon staat voor de uitdaging om het nieuwe centrumgebied als katalysator te gebruiken voor de sociale en economische revitalisering van een veel groter gebied. Dit stelt hoge eisen aan het organiserend vermogen en vereist visie en strategie op de gewenste sociale en economische structuur van de stad, alsmede op de gewenste kwaliteit van het leef- en vestigingsmilieu.

4 Rotterdam
DE KOP VAN ZUID EN WEDERZIJDS PROFIJT

Introductie
Rotterdam was tot de jaren tachtig een gedeelde stad. De Nieuwe Maas scheidde het stadscentrum op de noordoever van de haventerreinen op de zuidoever. De wijken ten zuiden van de rivier, waar vroeger veel havenarbeiders woonden, liepen in sociaal-economisch opzicht achter ten opzichte van de andere wijken in Rotterdam. In de loop van de jaren tachtig heeft de gemeente een stedenbouwkundig plan ontwikkeld om de zogenoemde Kop van Zuid een nieuwe bestemming te geven. Door de bouw van een nieuwe stadsbrug hoopte de lokale overheid het centrum in zuidelijke richting uit te breiden. Al snel realiseerde het gemeentebestuur zich dat het van belang was om de wijken aanpalend aan de Kop van Zuid te laten profiteren van het megaproject teneinde een sociale tweedeling te voorkomen. Rotterdam hoopte dus met het Kop-vanZuidproject de aantrekkelijkheid van de wijken in kwestie en de Kop van Zuid in sociaal, economisch en fysiek opzicht te verbeteren. In dit hoofdstuk zal nagegaan worden in hoeverre deze doelstellingen zijn bereikt. Heeft de Kop van Zuid zich ontwikkeld als een nieuw centrumgebied? In hoeverre is de stad erin geslaagd de sociale tweedeling en de verschillen tussen noord en zuid op te heffen? Om dergelijke vragen te kunnen beantwoorden, zullen de diverse investeringen en initiatieven van zowel publieke als private partijen de revue passeren.

80

De Aantrekkelijke Stad

Profielschets
De Rotterdamse regio telt 1,4 miljoen inwoners en ligt op korte afstand van de regio Den Haag (circa 700.000 inwoners) en de regio Delft/Westland (250.000 inwoners) aan de noordwestzijde en de regio van de Drechtsteden (210.000) aan de zuidoostkant. Samen met de regio Amsterdam (1,1 miljoen) en de regio Utrecht (540.000) en enkele kleinere stedelijke regio’s behoort de Rotterdamse regio tot de Randstad, een van de grootste stedelijke gebieden in Europa. De Randstad, die geen formele status heeft als statistische of politiek-bestuurlijke eenheid noch als planningseenheid, strekt zich uit over drie Nederlandse provincies en een groot aantal onafhankelijke gemeenten. Hoewel er geen duidelijke afbakening is, kan gezegd worden dat de Randstad ongeveer eenvierde van het Nederlandse grondgebied omvat; de Randstad herbergt circa tweevijfde van de Nederlandse bevolking (wat overeenkomt met 6 miljoen mensen) en heeft een dominante positie in de economie, in het bijzonder in de tertiaire sector. De (internationale) bereikbaarheid van de regio is goed. Rotterdam heeft een kleine regionale luchthaven (met een beperkt aantal bestemmingen) en ligt op geringe afstand van de internationale luchthaven Schiphol. Bovendien zijn er directe rail- en wegverbindingen met Brussel, Parijs, Keulen, Frankfurt en andere grote Europese steden. Rotterdam is halteplaats van de Thalys, de hogesnelheidstrein van Parijs via Brussel naar Amsterdam. De gemeente Rotterdam bestaat uit een dertiental deelgemeenten (waaronder het stadscentrum) met gemiddeld 45.000 inwoners. Een van deze deelgemeenten is Feijenoord, die aan de zuidoever van de Nieuwe Maas tegenover de binnenstad ligt. Bevolking Rotterdam is met 590.000 inwoners de tweede stad van Nederland. Sinds het einde van de negentiende eeuw, toen transport-, industrie- en handelsfuncties (scheepsbouw, havenarbeid, petrochemische industrie, groothandel, etc.) floreerden, heeft Rotterdam een sterke groei van de bevolking doorgemaakt resulterend in een piek van 732.000 inwoners in

Rotterdam

81

1965. Vanaf de jaren zeventig hebben de toegenomen welvaart en de daaraan gerelateerde grotere mobiliteit, veranderende huisvestigingspreferenties, kleiner wordende huishoudens en een nationaal beleid gericht op ruimtelijke deconcentratie geleid tot een netto bevolkingsafname van circa 160.000 inwoners in twintig jaar. Deze zeer selectieve deconcentratie (‘suburbanisatie’) resulteerde, in combinatie met de effecten van de energiecrises in 1973 en 1978, in ernstige sociaal-economische problemen. Tabel 4-1: bevolkingsomvang Rotterdam (stad en regio) in duizenden 1970 Stad Regio 687 1093 1975 621 1074 1980 579 1067 1985 571 1084 1990 579 1110 1995 598 1148 1999 593 1159

Bron: ‘Kerncijfers Rotterdam 1999’[Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 1999] Rigoureuze beleidsveranderingen op nationaal en lokaal niveau hebben bijgedragen aan het omkeren van het tij: rond 1985 kwam de bevolkingsafname tot stilstand. Op dat moment telde de stad iets meer dan 571.000 inwoners. Sindsdien is het aantal inwoners licht gestegen, zo blijkt uit tabel 4-1, tot het huidige inwonertal van 590.000 [Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 1999]. De andere gemeenten in de regio hebben geprofiteerd van de suburbanisatie. Hun bevolkingsomvang steeg van circa 275.000 inwoners in 1960 tot ongeveer 558.000 in 1998. Deze toename heeft zich nu gestabiliseerd tot een lichte groei. Tegenwoordig telt de Rotterdamse regio ruim 1,14 miljoen inwoners [Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 1999] Economie Met een overslag van 310,1 miljoen tonnen in 1997 is de Rotterdamse haven de grootste ter wereld [Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, 1998]. Het zeehavencomplex is een belangrijke pilaar van de Rotterdamse en de Nederlandse economie. De totale (directe en indirecte) bijdrage aan de nationale economie wordt geschat op bijna 60 miljard gulden

82

De Aantrekkelijke Stad

[OntwikkelingsBedrijf Rotterdam, 1997]. Tot ver in de jaren zestig groeide de Rotterdamse economie snel, vooral dankzij de voortvarende groei van de haven en havengerelateerde activiteiten. Vanaf halverwege de jaren zestig stagneerde de industriële ontwikkeling. Scheepsbouw en scheepsonderhoud, eens florerende sectoren, kwamen in problemen en de tertiairisering voltrok zich langzaam. Bovendien waren de nieuwe industriële groeisectoren matig vertegenwoordigd in de productiestructuur. De productieomgeving bleek sterk georiënteerd te zijn op de transportsector en de meer traditionele (basis)industrieën en diensten. Investeringen werden vooral verwacht van de (kapitaalintensieve) petrochemie-industrie. Aangezien mensen meer waarde begonnen te hechten aan welzijn dan aan verdere economische groei en zodoende milieubewuster werden, kreeg Rotterdam een slechte reputatie inzake de kwaliteit van de leefomgeving. De Rotterdamse economie, kwetsbaar als die was, leed hevig onder de economische recessie van begin jaren tachtig. De werkloosheid in de stad zelf steeg tot eenvijfde van de beroepsbevolking. Niettemin was in de jaren zeventig een uitgebreid stadvernieuwingsprogramma, bijna geheel publiek gefinancierd, opgezet en voor een groot deel uitgevoerd (vooral rehabilitatie van de woonfunctie). Hoewel de investeringen in de ‘droge’ economie sterk stegen, slaagde Rotterdam er ook in haar positie als Europese mainport te behouden onder meer door te investeren in de fysieke infrastructuur en de communicatieinfrastructuur. De havenactiviteiten verschoven naar het westen, richting de Noordzee. Vanaf halverwege jaren tachtig deden zich belangrijke veranderingen voor. De economie zat weer in de lift en Rotterdam profiteerde mee van de hernieuwde interesse voor grote steden als locatie voor zakelijke dienstverlening en als woonplaats voor mensen uit bepaalde segmenten van de hogere inkomensgroepen. Niet aan de haven gerelateerde Rotterdamse bedrijven begonnen op grote schaal te investeren in nieuwe kantoorgebouwen, in het bijzonder in het stadscentrum dat zodoende meer en meer een internationale aanblik verwierf.

Rotterdam

83

Tabel 4-2: de werkgelegenheidsstructuur van Rotterdam (1999) Sector Landbouw Industrie Openbare nutsbedrijven Bouw Handel Transport/communicatie Financiële instellingen Zakelijke dienstverlening Overheidsdiensten Horeca Cultuur, recreatie en overige dienstverlening Totaal Werkzame personen 618 30.406 1.501 16.116 40.541 40.214 17.686 54.612 72.998 8.440 11.618 294.750 % 0,2 10,3 0,5 5,5 13,8 13,6 6,0 18,5 24,8 2,9 3,9 100,0

Bron: ‘Kerncijfers Rotterdam’ [Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 1999] Tabel 4-2 toont de huidige werkgelegenheidsstructuur van Rotterdam. Sinds halverwege jaren tachtig heeft de zakelijke dienstverlening een groei doorgemaakt. De voorraad kantooroppervlakte steeg van 2,5 miljoen in 1986 tot 3,2 miljoen vierkante meter in 1993. Deze toename was vooral imposant tussen 1988 en 1990. Diverse Rotterdamse hoofdkantoren van grote ondernemingen zoals Unilever, de Internationale Nederlanden Groep (bank- en verzekeringswezen), Stad Rotterdam (verzekereringsmaatschappij), Robeco Groep (investeringsmaatschappij), Nedlloyd (transport), Mees & Hope (bankwezen) en Crédit Lyonnais (bankwezen) verplaatsten naar nieuwe kantoorgebouwen, vaak met een imposante architectuur, in de binnenstad en vergezelden de hoofdkantoren van Shell, ABN-AMRO (bankwezen) en enkele anderen die daar al aanwezig waren.

84

De Aantrekkelijke Stad

Een nieuwe beurs annex World Trade Centre werd ook voltooid. De golf van nieuwe gebouwen, inclusief het dominante hoogste kantoorgebouw van Nederland, het 150-meter-hoge hoofdkantoor van ING, een nieuw casino, een nieuw theater, enkele exclusieve woontorens, etc., heeft het stadshart een moderne aanblik gegeven. Het waren vooral private investeringen die deze metamorfose hebben bewerkstelligd. Bovendien heeft het winkelcentrum een nieuw elan gekregen dankzij een deels ondergrondse winkelstraat: de Beurstraverse, ook wel ‘de koopgoot’ genoemd. Vanaf 1991, heeft Rotterdam, net zoals andere regio’s, enkele jaren te maken gehad met een stagnerende economie. De werkloosheid bleek hardnekkig, in het bijzonder onder de allochtone bevolking die ongeveer eenvijfde van de regionale bevolking vertegenwoordigt. Hoewel de Rotterdamse economie de laatste jaren weer in de lift zit, verloopt het herstel toch minder welvarend dan in de meeste andere Nederlandse steden. Vanaf 1996 is de werkgelegenheid aanzienlijk toegenomen met 3,1% in 1996 en 5% in 1997. De werkgelegenheidsgroei wordt voor een belangrijk deel behaald in de zogenoemde speerpuntclusters en voornamelijk in de cluster telecommunicatie, audiovisuele diensten, recycling, grafische industrie en media [OntwikkelingsBedrijf Rotterdam, 1998]. De Rotterdamse economie is tegenwoordig minder afhankelijk van de haven dan vroeger het geval was. De stad ontwikkelt zich de laatste jaren steeds nadrukkelijker tot kunst- en cultuurstad. De uitverkiezing tot Culturele Hoofdstad van Europa in 2001 bevestigt een en ander. Stedelijk beleid Het meest recente collegeprogramma bouwt voort op Koers 2005; een toekomstvisie, waarin Rotterdam haar ambities neerzet om zich te versterken als dienstenstad en regionale kern van cultuur, uitgaan, winkelen en toerisme alsmede om de stad aantrekkelijker te maken voor ondernemers, bewoners en bezoekers [Van der Vegt, 1998]. Deze toekomstvisie heeft zich in het collegeprogramma ‘Met raad en daad’ vertaald in een tiental uitvoeringsprogramma’s (zie tabel 4-3). Binnenkort zal de gemeente een nieuwe visie presenteren (Visie 2010), die in het verlengde ligt van het collegeprogramma.

Rotterdam Tabel 4-3: thema’s van het collegeprogramma ‘Met raad en daad’ Thema 1: Sterke Stad Economie en werk: meer werk en een gezonde stadseconomie Duurzame stad: Rotterdam als sterke stad met toekomstwaarde

85

Ruimte voor Rotterdammers: Ruimtelijk Plan Rotterdam 2010 en Attractieve Stad Thema 2: Wijken van Waarde Wijkaanpak: stadsvernieuwing, Grote-stedenbeleid en sociaal activeren gaan gezamenlijk verder Schoon en heel: Rotterdam moet als schone stad gewaardeerd worden Veilig: het verbeteren van de veiligheidssituatie in Rotterdam Thema 3: Betrokken burgers Bestrijding sociaal isolement en armoede: een ‘honderd procents armoedebeleid’ Opgroeien in Rotterdam: het jeugdbeleid met daarbinnen het onderwijs Thema 4: Ondernemende Overheid Overheid 2000+: klantvriendelijkheid en burgerparticipatie Bron: ‘Met Raad en Daad; Collegeprogramma 1998-2002’ [Gemeente Rotterdam, 1998] Onderdeel van het uitvoeringsprogramma ‘Ruimte voor Rotterdammers’ is het deelprogramma ‘Attractieve Stad’. Dit is erop gericht de aantrekkelijkheid van Rotterdam te vergroten, waarbij de nadruk ligt op evenementen (de festiviteiten rondom Culturele Hoofdstad 2001 in het bijzonder) en het leggen van verbindingen tussen gebieden die veel bezoekers trekken. Attractieve Stad richt zich zodoende overwegend op de aantrekkelijkheid voor bezoekers. Andere uitvoeringsprogramma’s besteden nadrukkelijk aandacht aan het bestrijden van armoede en het tegengaan van een sociale tweedeling, het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving en het verbreden van de economische basis.

86

De Aantrekkelijke Stad

Het sociaal-economisch beleid van de gemeente Rotterdam sluit aan op het nationaal beleid voor grote steden: het Grotestedenbeleid (GSB). Het GSB beoogt de werkgelegenheid in grote steden4 te verbeteren, de veiligheid op straat terug te brengen, de inburgering van migranten te stimuleren en de leefbaarheid op peil te brengen. In Rotterdam richt het GSB zich op vijf wijken, waaronder Hillesluis en Oud-Charlois, twee wijken die zich in de nabijheid van de Kop van Zuid bevinden. De wijken Feijenoord en Afrikaanderwijk (die direct ten zuiden van de Kop van Zuid liggen) vallen vooralsnog niet onder het GSB5 .

De Kop van Zuid en Wederzijds Profijt
De Kop van Zuid bevindt zich op de linkeroever van de Nieuwe Maas tegenover het stadscentrum dat aan de andere kant van de rivier gesitueerd is. Tot de Tweede Wereldoorlog was het een belangrijk havengebied, maar sindsdien liepen de havenactiviteiten gestaag af doordat ten westen van de stad nieuwe, moderne en grootschalige haventerreinen werden ontwikkeld. De gemeente heeft enige tijd nodig gehad om een nieuwe bestemming te vinden voor het gebied. Toen in 1986 de sociale, economische, bestuurlijke en stedelijke vernieuwing volop in de belangstelling stond, ging het

4

Tot ‘de grote steden’ in Nederland rekent men Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (de vier grootste steden) en 21 middelgrote steden. In het regeerakkoord 1998-2002 is bovendien afgesproken dat ook andere steden op deelterreinen of voor specifieke probleemwijken met een vergelijkbare (deel)problematiek gebruik kunnen maken van de instrumenten van het GSB [Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1999].
5

Het GSB in Rotterdam richt zich voorlopig op vijf gebieden in de deelgemeenten Noord, Delfshaven, Charlois, Feijenoord en Hoogvliet. Dit zijn de zogenaamde strategische wijkaanpakgebieden. In de loop van 1999 vindt mogelijk uitbreiding van deze gebieden plaats. Een en ander is mede afhankelijk van extra financiering die het rijk hiervoor beschikbaar stelt [Gemeente Rotterdam, 1999]

Rotterdam

87

gemeentebestuur steeds serieuzer overwegen om de onttakelde haventerreinen te benutten voor uitbreiding van het stadscentrum. Figuur 4-4: de Kop van Zuid, een uitbreiding van het stadscentrum

Bron: ‘Kop van Zuid; City of Tomorrow’ [Communicatie-team Kop van Zuid, 1996] Het OntwikkelingsBedrijf Rotterdam (OBR) erkende de potenties van het gebied: een ideale locatie voor grootschalige waterfrontontwikkeling gebaseerd op het concept dat in Londen en Baltimore was toegepast. Met een extern stedenbouwkundige werd gewerkt aan een samenhangend stedenbouwkundig plan waarbij de Nieuwe Maas niet langer als barrière beschouwd werd, maar als het hart van de stad Rotterdam. Rotterdam baseert haar plannen voor de Kop van Zuid op een uit 1987 afkomstige en sindsdien enige keren aangepaste integrale visie op de toekomstige

88

De Aantrekkelijke Stad

ontwikkeling van de stad. Het Kop-van-Zuidproject wordt in de Rotterdamse strategie beschouwd als een belangrijk instrument voor de revitalisering van de stad. Kernelementen van het project zijn de bouw van hoogwaardige bedrijfslocaties, de bouw van dure woningen om meer draagkrachtige bewoners naar de stad te trekken, het bevorderen van de metropolitaanse atmosfeer door kunst, cultuur en ruimtelijke kwaliteit te stimuleren, het verbeteren van de bereikbaarheid van het gebied en het bewerkstelligen van uitstralingseffecten naar de sociaal zwakke omgeving. In de plannen werd veel nadruk gelegd op een goede bereikbaarheid. Men achtte een nieuwe brug, een nieuwe metrostation en een viaduct van cruciaal belang. Uiteindelijk werd de ontwikkeling van de Kop van Zuid vastgelegd in een bestemmingsplan. De essentie van dit plan is het scheppen van een ongedeelde stad met het centrum op beide oevers van de Nieuwe Maas. Het plan is conform de stedelijke vernieuwingsvisie die in de loop van de jaren tachtig is ontstaan. Kernelementen van deze visie zijn een integraal karakter, kwaliteit van de leefomgeving en diversificatie van zowel de economische als sociale structuur van de stad. Voor het bestemmingsplan Kop van Zuid heeft deze visie zich vertaald in functionele, visuele en ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheid (onder meer via de bouw van een nieuwe brug) en functiemenging (wonen, werken en recreëren). De Kop van Zuid diende een bonte mix van woningen, kantoren, winkels en andere voorzieningen te worden teneinde de leefbaarheid en levendigheid van het gebied veilig te stellen. Het is een globaal eindplan met een sturende en procesbegeleidende werking; het vermeldt de maatschappelijke, planologische en kwalitatieve doelstellingen en formuleert criteria waaraan de ontwikkeling dient te voldoen. Het plan is echter zo opgesteld dat tussentijdse wijzigingen (binnen bepaalde marges) mogelijk zijn. Aanvankelijk reageerden de Rotterdammers sceptisch op de plannen. Het gebied was een van de meest onaantrekkelijke delen van de stad met verlaten haventerreinen, sociale problemen en een slechte bereikbaarheid door de barrièrewerking van de Nieuwe Maas. Ook de bewoners van de omliggende wijken betwijfelden de haalbaarheid van de plannen. Desalniettemin kreeg het OBR toestemming om het plan uit te voeren. Het

Rotterdam

89

plan werd achtereenvolgens goedgekeurd door de gemeente (1991), de provincie (1992) en de Staat (1994). De nationale overheid heeft de financiering van de nieuwe brug op zich genomen. Om de ontwikkeling van de Kop van Zuid zo efficiënt mogelijk aan te sturen, is er gekozen voor een projectorganisatie. Deze organisatie coördineert de activiteiten van de diverse gemeentelijke diensten die bij het project betrokken zijn, waaronder het OBR, de dienst Stedebouw en Volkshuisvesting (dS+V), Gemeentewerken, de Bestuursdienst, de RET (het openbaarvervoerbedrijf) en het Gemeentelijk Havenbedrijf (GHR). Tabel 4-5: bestemmingsplan Kop van Zuid 5300 nieuwe woningen 400.000 m² kantoorruimte 35.000 m² bedrijfsruimte 30.000 m² onderwijsvoorzieningen 30.000 m² recreatieve en overige voorzieningen Bron: ‘Kop van Zuid; City of Tomorrow’ [Communicatie-team Kop van Zuid, 1996] Een van de belangrijkste elementen in het bestemmingsplan is kwaliteit. Dit blijkt onder meer uit de kwaliteitsboeken die een kader scheppen voor het stedenbouwkundig ontwerp, de buitenruimte en het (toekomstig) functioneren van het gebied (‘het programmaboek’). De boeken geven deelnemende projectontwikkelaars en architecten enig houvast. Om de benodigde kwaliteit te waarborgen heeft de gemeente Rotterdam een speciale Kamer van Welstand in het leven geroepen: het zogenoemde Q(uality)-team. ‘De leden van dit team beoordelen alle ontwikkelingen in het gebied met als uitgangspunt dat het geheel meer dient te zijn dan de som der delen. Alle deelprojecten moeten gezamenlijk een samenhangend nieuw stadsdeel vormen. De elementen wonen, werken en ontspannen moeten in balans zijn. En meer dan dat. Het is de bedoeling dat ze elkaar versterken’ [Communicatie-team Kop van Zuid, 1996]. Zowel bij de bouw van de Erasmusbrug als bij de aanleg van een nieuw metrostation (Wilhelminaplein) is veel aandacht geschonken aan de esthetische kwaliteit.

90

De Aantrekkelijke Stad

Het bestemmingsplan beschouwt de Wilheminapier als economisch zwaartepunt van de Kop van Zuid. Vanwege de strategische ligging, aan de rivier, pal tegenover het stadscentrum, achtte de gemeente dit gebied name geschikt voor functies op het gebied van zakelijke dienstverlening; dienstverlening gerelateerd aan Rotterdam als mainport. Vandaar dat er gekozen is voor het thema ‘haven en handel’. Het masterplan voor de Wilheminapier gaat uit van een geïntegreerd woonen werkgebied met tal van recreatieve en andere stedelijke voorzieningen. Het programma omvat de ontwikkeling van circa 180.000 m² kantoren, 55.943 m² recreatieve en commerciële functies en 1300 woningen in de vrije sector. De totale investering voor de ontwikkeling van de Wilheminapier wordt geraamd op 1,5 miljard gulden. Het plan laat de oorspronkelijke structuur van de pier en enkele beeldbepalend gebouwen in tact, zoals de passagiersterminal en het voormalig hoofdkantoor van de Holland Amerika Lijn, dat sinds 1993 in gebruik is als viersterrenhotel: Hotel New York. Sociale en economische revitalisering van de omliggende wijken De Kop van Zuid bevindt zich in de deelgemeente Feijenoord. De wijken in deze deelgemeente – Feijenoord, Afrikaanderwijk, Katendrecht en Hillesluis – kenmerkten zich bij aanvang van het Kop-van-Zuidproject door een lage kwaliteit van de leefomgeving, een zwakke sociaal-economische structuur en een slecht imago. Met name Feijenoord, Afrikaanderwijk en Hillesluis hadden te maken met veel werkloosheid en een hoog percentage allochtonen. De huizenvoorraad in deze wijken was zeer eenzijdig en onaantrekkelijk, wat de eenzijdige sociale structuur verklaarde. Door het vertrek van havengebonden bedrijvigheid met veel laaggeschoolde arbeid is in de jaren tachtig de werkloosheid in deze wijken sterk gestegen. Om een sociale tweedeling tussen de Kop van Zuid en de directe omgeving te voorkomen, heeft de gemeente in het bestemmingsplan nadrukkelijk aandacht besteed aan de relatie tussen het project en de omliggende wijken; niet alleen wat betreft fysieke infrastructuur (verbindingen tussen de Kop van Zuid en de omliggende wijken), maar ook inzake werkgelegenheid en economie [Van den Berg, Braun en Van der Meer, 1997].

Rotterdam

91

‘Voor de aangrenzende en omliggende wijken moet de Kop-van-Zuidontwikkeling een schakel vormen die hen met elkaar verbindt. Er zal van de bouw en de integratie een stimulans uitgaan voor wat betreft de voorzieningen (kantoren, bedrijven, winkels, scholen, enz.) en de werkgelegenheid. Reden om van het begin af aan te streven naar een relatie tussen de Kop van Zuid en de aangrenzende wijken’ Bron: ‘Bestemmingsplan Kop van Zuid’ [Gemeente Rotterdam, 1991] Een en ander heeft geresulteerd in het (deel)project Wederzijds Profijt (WP), oorspronkelijk ‘Social Return’ genaamd. Het project is medio 1991 van start gegaan en ressorteert onder het OntwikkelingsBedrijf Rotterdam (OBR). Wederzijds Profijt diende mede ter verkrijging van een politiek draagvlak voor het gehele Kop-van-Zuidproject. Het sociale element heeft immers het maatschappelijke draagvlak onder de wijkbewoners vergroot, waardoor ook de linkse politieke partijen hun steun voor het project toezegden [Van den Berg, Braun en Van der Meer, 1997]. WP stelt zich ten doel sociaal-economische verbindingen te leggen tussen de ontwikkelingen op de Kop van Zuid en de omringende wijken. Daartoe richt het project zich op drie pijlers [Communicatie-team Kop van Zuid, 1999]: • Toeleiding naar werkgelegenheid; Wederzijds Profijt probeert zoveel mogelijk werkgelegenheid die ontstaat door de ontwikkeling van de Kop van Zuid ten goede te laten komen aan werkzoekenden uit de omringende wijken. De projectorganisatie doet dit door in een vroegtijdig stadium contacten te leggen met projectontwikkelaars, aannemers van nieuwe projecten op de Kop van Zuid en nieuwe bedrijven die zich daar gaan vestigen. In deze gesprekken brengt WP het ‘wederzijds profijt’-principe naar voren: door inschakeling van werkzoekenden uit omringende wijken doen projectontwikkelaars, aannemers en bedrijven iets terug voor de omgeving waarin zij kansen krijgen en kweken zij ‘commitment’ vanuit de omgeving voor hun eigen organisatie. WP neemt hierbij de rol van makelaar op zich: de organisatie brengt de personeelsvraag in kaart en zet deze uit in de back-office om zo een optimale ‘match’ en dienstverlening te realiseren;

92

De Aantrekkelijke Stad Economische structuurversterking; een goede economische structuur versterkt de werkgelegenheid en brengt de beide wijken nader tot elkaar. Wederzijds Profijt stimuleert daarom de economie in de deelgemeente Feijenoord. De economische situatie kenmerkt zich hier onder andere door zwak lopende winkelgebieden, een hoge werkloosheid en daardoor weinig koopkracht, gevoelens van onveiligheid en te weinig mogelijkheden voor startende ondernemers. WP levert een bijdrage door ondersteuning te bieden aan winkelcentra (advisering aan ondernemers, ondersteuning van winkeliersverenigingen, bijdragen aan evenementen, beveiligingsprojecten) en initiatieven te ontwikkelen om startende ondernemers meer kansen te geven. Het zogenaamde ‘schatgraven in het eigen gebied’ wordt op deze manier uitgevoerd; Het ontwikkelen van vernieuwende producten en diensten; Wederzijds Profijt fungeert ook als economisch ontwikkelaar: de organisatie signaleert behoeften in de markt en ontwikkelt in samenwerking met marktpartijen nieuwe producten en diensten die te maken hebben met Kop van Zuid en de omliggende wijken. WP treedt daarbij op als aanjager, coördinator en/of tijdelijk financier in de startfase. Als het produkt of de dienst zich in de markt heeft bewezen kan het door de marktpartijen worden overgenomen.

Enkele voorbeelden verduidelijken de wijze waarop WP deze pijlers inhoud geeft. Ten behoeve van de toeleiding naar werkgelegenheid (de eerste pijler) heeft de organisatie een contract afgesloten met een supermarktketen om 100 van de 150 medewerkers in de omliggende wijken te werven. Bij het bekende Hotel New York zijn door werving van de projectgroep driehonderd werkzoekenden aan een baan geholpen. Daarnaast organiseert WP wervingsdagen, die inspelen op de steeds krapper wordende arbeidsmarkt. De wervingsdagen typeren de directe aanpak van Wederzijds Profijt. Een van de projecten ter versterking van de economische structuur (de tweede pijler) betreft de oprichting van een winkeliersvereniging voor de Winkeldriehoek in de Afrikaanderwijk. Deze vereniging ontplooit diverse initiatieven om het winkelgebied naar een hoger niveau te tillen. Door een schoon en veilig winkelgebied te creëren, hoopt de vereniging ook mensen

Rotterdam

93

uit de Kop van Zuid en de omliggende wijken aan te trekken en op die manier meer omzet en meer banen te genereren [Projectbureau Wederzijds Profijt, 1997]. Ook de oprichting van Zaken voor Zuid past binnen het streven om de economische infrastructuur te versterken. Deze ondernemersvereniging richt zich op het versterken van het klein- en middenbedrijf, onder meer door advies te geven op het gebied van kwaliteitsverbetering en personeelsbeleid [Nederlands Economisch Instituut, 1996]. De projectgroep Wederzijds Profijt zet zich ook in om verborgen ondernemerstalenten onder de wijkbewoners zichtbaar te maken. Zo heeft het projectbureau een prijsvraag uitgeschreven, waarin bewoners en bedrijven uitgedaagd worden om een ondernemingsplan te schrijven. Daarnaast is WP nauw betrokken bij de openstelling van een ondernemershuis in het bedrijfsverzamelgebouw Zuiderpoort. Dit pand biedt in totaal 13.000 m² ruimte aan (door)startende ondernemers. Er is bovendien een ondernemersloket dat bedrijven informatie verschaft over ontwikkelingen, regelingen en procedures binnen de gemeente. De projectgroep Wederzijds Profijt wil in het ondernemershuis ook een kenniscentrum ontwikkelen in samenwerking met kennisinstellingen en bedrijven. De bedrijven kunnen immers (startende) ondernemers van veel praktische tips voorzien. Een tweetal bedrijven (een bank en een levensmiddelenfabrikant) heeft zich als medefinanciers van het ondernemershuis aangemeld. Bovendien leveren zij ook de managers die als mentors voor starters fungeren. Een van de kennisinstellingen waarmee Wederzijds Profijt contacten onderhoudt, is het Albeda College. Deze scholengemeenschap is niet alleen betrokken bij het ondernemershuis, maar probeert ook de leerlingen in contact te brengen met het bedrijfsleven in de buurt, waaronder het hoofdkantoor van de belastingdienst, gevestigd op de Kop van Zuid. Belangrijke schakels bij het versterken van de economische structuur vormen de Centra voor Werk en Scholing in Afrikaanderwijk en Feijenoord. De mede door de Europese Unie gefinancierde centra bieden onderdak aan diverse instellingen die werkzoekenden informeren, begeleiden of praktijkgericht opleiden voor een passende baan.

94

De Aantrekkelijke Stad

Een van de nieuw diensten die WP heeft ontwikkeld (de derde pijler) is Comfortdienst. Deze dienst speelt in op het feit dat veel bewoners van de Kop van Zuid tweeverdieners zijn en weinig tijd hebben voor het huishouden. Comfortdienst heeft diverse schoonmakers voor particulieren in dienst, die tegen een concurrerend tarief (ten opzichte van zwartbetaalde schoonmakers) huishoudelijke klussen doen. Bovendien is er een sleuteldienst die ervoor zorgt dat de bewoner niet thuis hoeft te zijn, wanneer een postorderbedrijf iets aflevert. Het project is in samenwerking met een schoonmaakbedrijf en een uitzendbureau gestart. Een ander opmerkelijk product waarvan de ontwikkeling mede gesteund is door WP, is City Safari. De bedoeling van dit initiatief is het trekken van bezoekers en toeristen naar Afrikaanderwijk [Projectbureau Wederzijds Profijt, 1997].

Effecten van de investeringen
Fysieke effecten Hoewel het project nog maar halverwege is, zijn de fysieke effecten van het Kop-van-Zuidproject al zeer duidelijk waar te nemen. Zo is in 1996 de Erasmusbrug geopend, waarmee niet alleen de bereikbaarheid van de Kop van Zuid maar ook die van de aanpalende wijken aanzienlijk is verbeterd. Vanaf het Centraal Station is het gebied per bus, tram en metro eenvoudig en snel te bereiken, dankzij de aanleg van een nieuw metrostation (Wilheminaplein) en een nieuwe tramverbinding (tramlijn 20; volgens het tram-plus-concept). Met de aanleg van de Laan op Zuid is het gebied bovendien direct gekoppeld aan de ring van snelwegen rondom de stad. Ook de omliggende wijken zijn via tal van wegen met het gebied verbonden. Het Feijenoord-stadion (‘de Kuip’), dat vroeger tamelijk perifeer lag ten opzichte van het stadscentrum, is nu veel eenvoudiger te bereiken vanuit het centrum. Het Entrepotgebied en de Wilhelminapier zijn de meest gezichtsbepalende elementen van de Kop van Zuid geworden. In het eerstgenoemde gebied bevindt zich een historisch pakhuis, het Vrij Entrepot, dat plaats biedt aan dure koopappartementen. Op de begane grond van dit pakhuis bevindt zich een winkelcentrum (De Vijf Werelddelen) met winkels, die niet alleen

Rotterdam

95

voorzien in de dagelijkse boodschappen, maar ook in speciale artikelen uit alle delen van de wereld. Een belangrijke trekker in dit gebied is een filiaal van een grote supermarktketen. Ook de diverse eet- en drinkgelegenheden aan de Entrepothaven laten hun bezoekers kennis maken met allerlei gerechten uit verre landen. In het Entrepotgebied bevindt zich ook het Informatiecentrum Kop van Zuid. Hier kunnen bewoners en bezoekers uitgebreide informatie krijgen over de ontwikkelingen in het gebied. Het gebouw biedt tevens plaats aan het Communicatie-team Kop van Zuid en de projectgroep Wederzijds Profijt. De Wilheminapier ontwikkelt zich als een concentratie van centrumfuncties. Deze ontwikkeling is mede gestimuleerd door het besluit van een Nederlandse telecommunicatie-onderneming om zich hier te vestigen in een nieuw kantoorgebouw. Dankzij de bijzondere architectuur wordt dit gebouw (dat eind 1999 zal worden opgeleverd) een echte ‘eye catcher’ aan de skyline van Rotterdam. Begin 2000 zal het World Port Centre opgeleverd worden: een verzamelgebouw voor havengerelateerde bedrijven, dat voor een deel bestemd is voor de huisvesting van het Gemeentelijk Havenbedrijf. In het najaar van 2000 zal het gebied er nog een blikvanger bij krijgen, namelijk het ‘Luxor Theater’. De ligging van dit gebouw aan water zal optimaal gebruikt worden door de mogelijkheden van vervoer over water beter te benutten. De fysieke effecten beperken zich niet tot het projectgebied. Er zijn diverse signalen dat de effecten zich ook buiten de Kop van Zuid manifesteren. In Katendrecht verrijzen 1300 dure koopwoningen. Winkelcentra in de wijken worden opgeknapt. Woningcorporaties krijgen meer zicht voor kwaliteit van de huizen en de openbare ruimte. De Kop van Zuid zorgt voor hogere ambitieniveaus in de omringende wijken. Economische effecten De economische ontwikkeling van de Kop van Zuid verloopt voorspoedig. Aanvankelijk had de Kop van Zuid nogal moeite met het aantrekken van investeerders, maar het tij lijkt enigszins gekeerd. De verplaatsingen van het Rechtsgebouw en het hoofdkantoor van de belastingsdienst naar de Kop van Zuid hebben mede bijgedragen aan het succes. Samen met het eerder

96

De Aantrekkelijke Stad

genoemde hoofdkantoor van een telecommunicatieberijf hebben zij als katalysatoren voor de ontwikkeling van het gebied gefungeerd. Ook het nog te realiseren World Port Centre biedt toekomstige investeerders een stuk zekerheid. De ontwikkeling van de Kop van Zuid vereiste de betrokkenheid van een groot aantal partijen. In de beginfase hebben de initiatiefnemers zich ingezet om het draagvlak onder publieke actoren te vergroten. Daartoe heeft men een consequente en heldere boodschap uitgedragen, wat het vertrouwen onder private investeerder heeft vergroot. Ook bewonersorganisaties werden vroegtijdig in de planvorming betrokken. Hun steun werd verworven door op hun verzoek in te stemmen met een plan om nadrukkelijk aandacht te besteden aan de relatie tussen de Kop van Zuid en de omliggende wijken teneinde ‘wederzijds profijt’ te bewerkstelligen. De verworven politieke steun op lokaal en nationaal niveau heeft de investeringsbereidheid van de private sector vergroot. Woningcorporaties en private ontwikkelaars raakten geïnteresseerd in het gebied. Wat betreft kantoren en bedrijfsruimte lieten de investeringen aanvankelijk op zich wachten, wat te wijten was aan marktomstandigheden (een overaanbod van kantoorruimte). Met de vestiging van publieke diensten in het gebied groeide de interesse van kantoorontwikkelaars echter aanzienlijk. Wederzijds profijt Bij de aanvang van Wederzijds Profijt in 1991 heeft men vanuit een macroeconomische benadering een schatting gemaakt van de totale werkgelegenheidseffecten die de realisatie van de Kop van Zuid zou gaan genereren. In totaal verwachtte men, zo blijkt uit tabel 4-6, meer dan twintigduizend banen te realiseren.

Rotterdam

97

Tabel 4-6: verwachte werkgelegenheidseffecten (gerealiseerde arbeids- en scholingsplaatsen) Direct Bouw Exploitatie Totaal 4.000 13.500 17.500 Indirect 1.350 1.650 3.000 Totaal 5.350 15.150 20.500

Bron: ‘Evaluatie Wederzijds Profijt; Hoe werkt het scheppen van werk’ [Nederlands Economisch Instituut, 1996] In de loop van 1992 heeft WP projecten gedefinieerd en voor deze projecten in een ‘bottom-up’ aanpak werkgelegenheidsdoelstellingen vastgesteld. Voor de bouw hanteerde WP een doelstelling van 150 gerealiseerde banen tot en met 1995. Dit is al aanmerkelijk lager dan het in 1991 verwachte werkgelegenheidseffect voor de bouw. Uiteindelijk werden er slechts 130 banen gerealiseerd. Het tegenvallende succes heeft meerdere oorzaken. De bouw bleek ten eerste terughoudend bij werkgelegenheidsprojecten en wilde de opleiding van werkzoekenden in eigen hand houden. Ten tweede was de arbeidsmarkt destijds minder gunstig dan tegenwoordig het geval is. Destijds was het aanbod van arbeid beduidend hoger dan de vraag terwijl dit nu andersom lijkt te zijn. Ook het aantal in de exploitatiefase gerealiseerde banen is, zo blijkt uit tabel 4-7, minder dan WP aanvankelijk verwachtte. Ten derde was er in hoge mate sprake van verplaatsing in plaats van creatie van arbeidsplaatsen, zoals bij de rechtbank en het kantoor van de belastingdienst. Wel hebben dergelijke verplaatsingen indirect arbeidsplaatsen opgeleverd via aanvullende diensten (horeca, catering, schoonmaak, detailhandel, etc.).

98

De Aantrekkelijke Stad

Tabel 4-7: gerealiseerde banen t/m december 1995 in het kader van Wederzijds Profijt Aantal gerealiseerde banen Bouw Beveiliging Comfortdiensten Overige Totaal 130 25 5 134 289

Bron: ‘Evaluatie Wederzijds Profijt; Hoe werkt het scheppen van werk’ [Nederlands Economisch Instituut, 1996] Het totaal aantal gerealiseerde banen voor omwonenden bedraagt 289, de helft van het beoogde aantal banen. Het aantal gerealiseerde banen is echter na 1995 aanzienlijk gestegen. Op dit moment werken er bij Comfortdienst circa 80 mensen en het bedrijf kan geheel los van Wederzijds Profijt opereren. Sociale effecten De Kop van Zuid had vóór het gelijknamige project geen noemenswaardige woonfunctie. De ontwikkeling van het stadsdeel hoefde daarom niet ten koste te gaan van eventuele bestaande woningen. De sociale structuur is hierdoor in per definitie veranderd door de komst van bewoners. Door de ontwikkeling van de Kop van Zuid is de bevolkingssamenstelling van de deelgemeente Feijenoord aanmerkelijk veranderd. Het projectgebied trekt namelijk veel mensen aan met een bovenmodaal inkomen. Dit is mede te danken aan de gunstige ontwikkeling van de woningmarkt gedurende de jaren negentig: de dalende rente in combinatie met een gunstige economische situatie. Vanwege de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van de Kop van Zuid heeft dit reeds in een vroeg stadium geresulteerd in een grote bereidheid om te investeren in woningen op de Kop van Zuid. Dankzij de flexibiliteit van het masterplan kon de Kop van

Rotterdam

99

Zuid, dat zich aanvankelijk met name richtte op de kantorenmarkt, profiteren van de ontwikkelingen op de woningmarkt. Een en ander heeft ertoe geleid dat de sociale structuur van de deelgemeente Feijenoord aanmerkelijk is veranderd en wel zodanig dat de deelgemeente minder Europese subsidies krijgt op basis van het feit dat het gebied beter scoort op bepaalde sociaal-economische indicatoren. De aanpalende wijken hebben echter vooralsnog hun eenzijdige inkomensstructuur behouden. De werkloosheid is er weliswaar gedaald, maar dat is geheel overeenkomstig de landelijke trend, waardoor de daadwerkelijke effecten van de Kop-van-Zuidontwikkeling moeilijk te kwantificeren zijn. Tabel 4-8 toont dat de deelgemeente Feijenoord zich nog steeds in negatief opzicht onderscheidt van Rotterdam, waarbij gezegd dient te worden dat Rotterdam op de genoemde criteria slecht scoort in vergelijking met andere Nederlandse steden. Het aantal allochtonen in de deelgemeente vertoont nog steeds een stijgende lijn. Tabel 4-8: sociaal-economische indicatoren voor de deelgemeente Feijenoord en Rotterdam Deelgemeente Feijenoord Gemiddeld inkomen per huishouden Werkzoekenden per 100 inwoners Uitkeringsontvangers per 100 inwoners Etnische minderheden per 100 inwoners Koopwoningen per 100 woningen ? 34.350 15,9 15,1 43,5 7,8 Gemeente Rotterdam ? 38.850 11,3 10,4 26,0 21,8

Bron: ‘Buurten in Cijfers’ [Centrum voor Onderzoek en Statistiek, 1998, bewerkt door de auteurs] Er zijn echter diverse signalen waar te nemen die wijzen op een positieve uitstraling van de Kop van Zuid. Het aantrekkelijke karakter van dit gebied lijkt langzaam maar zeker ook een gunstige uitwerking te hebben op de aantrekkingskracht van de omliggende wijken. Zo worden er in

100 De Aantrekkelijke Stad
Katendrecht, op een voormalig industrieterrein net buiten het projectgebied, dure koopwoningen ontwikkeld en ook rondom de Veranda (gemeente IJsselmonde) verrijzen tal van koopwoningen, waardoor het percentage sociale woningbouw in deze gebieden aanmerkelijk daalt. De woningbouwcorporaties in de omringende wijken hebben dankzij de Kop van Zuid hogere ambities gekregen. Ze bouwen duurdere woningen en richten zich meer op het koopsegment. De verkoop van goedkope koopwoningen in de genoemde wijken lijkt goed te verlopen. De meeste kopers komen echter uit de wijk zelf, waardoor de bevolkingssamenstelling (nog) niet echt verandert. Ook besteden de corporaties nadrukkelijker aandacht aan de kwaliteit van de buitenruimte. In de praktijk blijkt dat de nabijheid van de Kop van Zuid een positieve invloed heeft op de ontwikkelingspotentie van de omgeving. Deze positieve tendens is mede veroorzaakt door de verzelfstandiging van woningcorporaties, die nu marktgerichter handelen dan voorheen. Sommige corporaties ontwikkelen zelf, andere gaan strategische allianties met marktpartijen aan. De markt beperkt haar interesse niet tot de grenzen van de Kop van Zuid. Er liggen plannen voor kantorenbouw in Katendrecht en een supermarktketen die zich overwegend richt op hogere inkomensgroepen overweegt een vestiging te openen in Hillesluis. De interesse van marktpartijen, die vaak wat verder vooruit kijken, bevestigt de ontwikkelingspotentie van de deelgemeente Feijenoord. Het is diezelfde ontwikkelingspotentie die ervoor zorgt dat de deelgemeente weinig geld krijgt bij de verdeling van het URBAN-budget. De gemeente gaat ervan uit dat de markt een grote bijdrage kan leveren aan de revitalisering van Feijenoord en kiest ervoor om minder kansrijke gebieden voorrang te verlenen. De nabijheid van de Kop van Zuid is echter geen garantie voor succes. De wijken zullen ook aantrekkelijker moeten worden, om te beginnen door meer variatie in het woningaanbod te bewerkstelligen; zeker gezien het feit dat de ambities van de huidige bewoners stijgen. Driekamerappartementen in flats zonder lift zijn nauwelijks meer te verhuren. Tegelijkertijd is de woningmarkt dermate gunstig dat de bewoners van deze wijken (ook de allochtonen) de voorkeur geven aan een koopwoning. Sommigen van hen kunnen huizen van 250 à 300 duizend gulden kopen.

Rotterdam 101 De sociale problemen hebben een ruimtelijke en een menselijke kant. Investeringen in mensen zijn daarom ook noodzakelijk. Veel bewoners zijn structureel werkloos en slaagt er niet in te profiteren van de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Hun problemen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door het gegeven dat hun opleidingsniveau niet aansluit op de wensen van de werkgevers. Voor ongeschoolden is weinig werk beschikbaar. Fabrieken die vroeger veel ongeschoolden op de loonlijst hadden staan, hebben zich ontwikkeld tot hightechbedrijven, hetgeen consequenties heeft voor de opleidingseisen ten aanzien van werknemers. Ongeschoolden lijken hooguit banen te kunnen vinden in additionele diensten, zoals in schoonmaak- en cateringbedrijven. Structurele problemen zoals deze kunnen waarschijnlijk alleen op lange termijn opgelost worden, onder meer door investeringen in het onderwijs. Imago-effecten Het imago van Rotterdam Zuid was vóór de ontwikkeling van de Kop van Zuid uitermate zwak. Bewoners van Rotterdam Noord bezochten zelden de overkant en een verhuizing naar dit stadsdeel was voor velen ondenkbaar. De interactie tussen Noord en Zuid is tegenwoordig beduidend intensiever. Veel bewoners van de Kop van Zuid zijn afkomstig uit het noordelijk stadsdeel en de faciliteiten in het nieuwe centrumgebied oefenen een aantrekkingskracht uit op mensen uit de hele regio. De psychologische barrière tussen Noord en Zuid lijkt gebroken, mede dankzij het opheffen van een fysieke barrière (de rivier) met behulp van de Erasmusbrug. Het imago van het overige deel van Rotterdam Zuid is weliswaar nog niet optimaal, maar heeft wel een impuls gekregen door de ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel. De Kop van Zuid heeft het imago van Rotterdam veranderd. Daarbij dient gezegd te worden dat het project niet los gezien kan worden van andere ontwikkelingen in de stad die hebben bijgedragen aan een nieuw imago, zoals de Beurstraverse (een deels ondergrondse winkelstraat), het schouwburgplein, het Filmfestival, het Gergiev-festival en diverse sportevenementen (de marathon, het ABN AMRO tennistoernooi, etc.). Dankzij deze ontwikkelingen slaagt de stad er langzaam maar zeker in om haar imago als werk-, haven- en industriestad te verrijken met elementen als

102 De Aantrekkelijke Stad
winkelen, uitgaan, sport, cultuur en kunst. De binnenstad heeft haar positie als regionaal winkelcentrum herwonnen. De zondagopenstelling en de verbeterde kwaliteit van het winkelaanbod in het stadscentrum hebben hieraan bijgedragen. De Erasmusbrug is niet alleen het boegbeeld van het Kop-van-Zuidproject, maar ook een imagobepalend element van Rotterdam geworden. Veel mensen associëren Rotterdam met de Erasmusbrug. Bovendien profileert de Kop van Zuid zich nadrukkelijk als toplocatie voor bedrijven, wat het imago van Rotterdam voor deze doelgroep gunstig beïnvloedt. Het Communicatieteam heeft zich ingespannen om het project een eigen gezicht en imago te geven door een eenduidig beeld van het gebied naar buiten te brengen [Communicatie-team Kop van Zuid, 1999]. De Kop van Zuid heeft veel media-aandacht gegenereerd, onder meer omdat het als een voorbeeldproject voor andere steden dient. Aandacht voor de Kop van Zuid in de media heeft ook bijgedragen aan de trots van bewoners uit de nabijgelegen wijken. Aanvankelijk stonden de meeste bewoners sceptisch tegenover het project, maar nu de media vooral positieve aandacht schenkt aan het gebied is dat veranderd.

Conclusies
De ontwikkeling van de Kop van Zuid in een sociaal zwakke deelgemeente van Rotterdam is in vele opzichten een succes te noemen. Door een flexibel strategisch plan is de stad erin geslaagd om het accent te verschuiven van kantoren naar woningen, hiermee anticiperend op marktomstandigheden. Door een aantal overheidsdiensten naar het projectgebied te verplaatsen is een goede basis gecreëerd voor de ontwikkeling van de Kop van Zuid als toplocatie voor kantoren. De interesse van het bedrijfsleven in een locatie op de Kop van Zuid groeit gestaag. De kernelementen uit het bestemmingsplan – waaronder kwaliteit, functiemenging en bereikbaarheid – zijn daadwerkelijk terug te vinden in de uitbreiding van het stadscentrum. Het Kop-van-Zuidproject heef een belangrijke bijdrage geleverd aan een verbetering van het Rotterdams imago. Dankzij een sterk organiserend vermogen is de gemeente erin

Rotterdam 103 geslaagd een breed maatschappelijk en politiek draagvlak te creëren. De koppeling van het project aan de sociaal-economische revitalisering van de omliggende wijken heeft hieraan bijgedragen. Het is nog niet eenduidig vast te stellen in hoeverre men erin geslaagd is de omliggende wijken te laten profiteren van het project. De wijken zijn beter bereikbaar geworden en hebben een beter imago. De sociaal-economische structuur is echter nog niet significant verbeterd. Er zijn daarentegen ontwikkeling waar te nemen, die enig optimisme ten aanzien van de toekomst van deze wijken rechtvaardigen. Het vereist veel organiserend vermogen om het ‘wederzijds profijt’ nog meer inhoud te geven. De betrokkenheid van bedrijfleven en kennisinstellingen vormt daarbij in toenemende mate een voorwaarde voor succes.

104 De Aantrekkelijke Stad

5 Synthese
Inleiding
De kwaliteit van het leefmilieu (‘quality of life’) lijkt hét sleutelbegrip te worden voor de aantrekkelijkheid van steden; niet alleen voor bewoners en bezoekers, maar ook voor bedrijven. Mensen hechten immers steeds meer waarde aan een schone en veilige woonomgeving, de nabijheid van kwalitatief hoogwaardige voorzieningen en een evenwichtige sociale structuur. Omdat bedrijven hun locatie mede baseren op de omvang en kwaliteit van de arbeidsmarkt, laten ook bedrijven hun locatiegedrag mede door de kwaliteit van het leefmilieu beïnvloeden. Steden ervaren zodoende in toenemende mate de noodzaak om te investeren in hun aantrekkelijkheid, onder meer vanwege de groeiende internationale concurrentie tussen steden. Dit onderzoek is een verkenning naar factoren die een rol spelen bij het creëren van een aantrekkelijke stad en beoogt beleidsimpulsen en nieuwe inzichten op te leveren; niet alleen ten behoeve van bestuurders van gemeenten maar ook voor bedrijven, aangezien een voortvarende stad een gemeenschappelijk belang is van een ieder die in de stad leeft, werkt of investeert. Birmingham, Lissabon en Rotterdam behoren tot de Europese steden die nadrukkelijk geïnvesteerd hebben in hun aantrekkelijkheid. De steden hebben met elkaar gemeen dat ze kampen met sociale en economische problemen en trachten deze problemen te bestrijden met gerichte projecten die als katalysator voor een sociale en economische revitalisering van de stad dienen: • Birmingham heeft medio jaren tachtig de strategische keuze gemaakt om zich internationaal te profileren als ‘meeting place’. Daartoe is op creatieve wijze, onder andere met financiële hulp van de Europese

106 De Aantrekkelijke Stad
Unie, geïnvesteerd in congres- en beursfaciliteiten, in een concerthal en een indoor sportaccommodatie, alsmede in de luchthaven en de ruimtelijke kwaliteit van het stadscentrum; dit om de stad niet alleen aantrekkelijker te maken voor de eigen burgers, maar vooral ook om tegemoet te komen aan de noodzaak de economische structuur te moderniseren; • Lissabon heeft, in nauwe samenwerking met de Portugese overheid, de wereldtentoonstelling (EXPO ’98) aangegrepen om de internationale bekendheid te vergroten en tegelijkertijd het meest vervallen industriegebied van de stad te veranderen in een nieuw modern stedelijk centrum dat zich kenmerkt door een mix van hoogwaardige functies en een uitstekende bereikbaarheid; Rotterdam heeft met behulp van de nationale overheid geïnvesteerd in een uitbreiding van het stadscentrum op de linkeroever van de Nieuwe Maas (de Kop van Zuid) met de bedoeling hoogwaardige kantooractiviteiten en draagkrachtige bewoners naar de stad te trekken en zo een positieve bijdrage te leveren aan de sociale en economische revitalisering van het zuidelijk stadsdeel. Tegelijkertijd dient het project Rotterdam ‘completer’ te maken via een versterking van de culturele en toeristische uitstraling van de stad.

Omdat steden van elkaar kunnen leren, is het interessant om na te gaan in hoeverre Birmingham, Lissabon en Rotterdam erin geslaagd zijn aantrekkelijker te worden (effectueren), welke investeringen hiertoe geleid hebben (investeren) en in hoeverre het organiserend vermogen in de stad mede bepalend is geweest voor het succes (organiseren). Het onderzoekskader, zoals weergegeven in figuur 5-1, biedt inzicht in de factoren die in algemene zin een rol spelen bij ‘de aantrekkelijke stad’.

Synthese 107 Figuur 5-1: onderzoekskader voor ‘de aantrekkelijke stad’
ORGANISEREN Visie en strategie Netwerken Draagvlak Leiderschap INVESTEREN Basisvoorwaarden Voorzieningen Transportinfrastructuur Mensen Promotie EFFECTUEREN Kwaliteit leef- en vestigingsmilieu Economische structuur Sociale structuur Imago

Effectueren
Allereerst doet zich de vraag voor in hoeverre Birmingham, Lissabon en Rotterdam erin geslaagd zijn aantrekkelijker te worden. Hebben de investeringen geresulteerd in een verhoging van de kwaliteit van het leef- en werkmilieu, een versterking van de sociale en economische structuur en een verbetering van het imago? Kwaliteit van het leef- en werkmilieu De kwaliteit van het leef- en werkmilieu in de drie steden is in de afgelopen jaren niet onveranderd gebleven. Het gebied rondom het International Convention Centre (ICC) in Birmingham heeft een belangrijke upgrading ondergaan. Illustratief hiervoor is het aantrekkelijke Brindley Place dat een mengeling is van hoogwaardige kantoren, uitgaansvoorzieningen, winkels, appartementen en veel groenvoorzieningen. Behalve het ICC bevinden zich in het gebied onder meer een indoor sporthal, een concertzaal, hotels en een theater. EXPO URBE in Lissabon is niet te vergelijken met het vervallen industriegebied van weleer. De raffinaderij, opslagtanks, een vuilstortplaats en een afvalverwerkingsinstallatie hebben plaatsgemaakt voor een wandelpromenade met uitzicht op de Taag, diverse terrasjes, een

108 De Aantrekkelijke Stad
winkelcentrum, een multifunctionele sporthal, een expositiecentrum, een nieuw station en kantoren. In Rotterdam heeft de Kop van Zuid heeft zich getransformeerd van een onaantrekkelijk haven- en industriegebied in een levendig woon-, werk- en uitgaansgebied met luxe appartementen, kantoren, attracties (waaronder een theater in aanbouw), een jachthaven, winkels en restaurants. De steden hebben aan de investeringen ook een betere bereikbaarheid overgehouden. Birmingham heeft zich een goede positie verworven in het internationale luchtverkeer dankzij investeringen in de luchthaven. Lissabon heeft mede dankzij de wereldtentoonstelling een verbetering van zowel de interne als externe bereikbaarheid gerealiseerd via de aanleg van rondwegen, een tweede brug over de Taag met een aanlandingspunt in het nieuw ontwikkelde gebied, een uitbreiding van de metro en de bouw van een nieuw trein-, bus- en metrostation in het EXPO-gebied. In Rotterdam is de interne bereikbaarheid aanmerkelijk verbeterd, dankzij de bouw van de Erasmusbrug, de aanleg van hierop aansluitende wegen en de realisatie van een nieuw metrostation. De economische structuur Dat investeren in ‘de aantrekkelijke stad’ kan bijdragen aan een versterking van de economische structuur wordt bevestigd in elk van de drie steden. Birmingham heeft zich ontwikkeld tot een congres- en beursstad en trekt veel zakelijke bezoekers. De diverse evenementen genereren aanzienlijke economische spin-offs. De dienstensector is mede als gevolg hiervan aanmerkelijk gegroeid, waarbij vooral de zakelijke dienstverlening haar aandeel zag toenemen. De groei van het regionaal product is hoger dan de groei van het nationaal product. Het ICC-gebied ontwikkelt zich als een centrumgebied met voorzieningen op het gebied van cultuur en entertainment. Bovendien bevinden zich in het gebied appartementen, kantoren, hotels, restaurants en winkels. De ontwikkeling van Birmingham als congres- en beursstad lijkt ook elders in de stad investeringen aan te jagen, gezien de bouw van nieuwe voorzieningen in de sfeer van leisure en entertainment.

Synthese 109 Lissabon heeft nadrukkelijk geprofiteerd van de EXPO die mede is ingezet als aanjager voor grootschalige investeringen in het sterkst vervallen industriegebied van de stad. De economische structuur is sterk verbeterd. De stad geniet een toenemende populariteit als beurs- en congresstad, terwijl ook steeds meer toeristen de stad weten te vinden. De gemiddelde bezettingsgraad van hotels in de stad is na de EXPO substantieel hoger dan in de periode voor de EXPO. De interventiezone van Parque EXPO (de organisatie die de EXPO heeft georganiseerd en het voormalig industriegebied heeft gerevitaliseerd) ontwikkelt zich in een snel tempo tot het tweede centrum van Lissabon; de bedoeling is dat het een concentratie van leisure-activiteiten, kantoren, winkels en appartementen wordt. Het Parque das Nações (zoals het expositieterrein nu heet) trekt veel bezoekers: 10 miljoen in de eerste tien maanden na de wereldtentoonstelling. De realisatie van EXPO URBE heeft ook de belangstelling van de markt voor de rest van het rivierfront (tussen EXPO URBE en de oude binnenstad) gewekt. De ontwikkeling van de Kop van Zuid laat ook de economische structuur van Rotterdam niet ongemoeid. Het projectgebied ontwikkelt zich als een aantrekkelijke woonlocatie (met veel dure appartementen) en heeft een goede uitgangspositie om een toplocatie voor kantoren te worden. Bovendien heeft het gebied potentie om bezoekers te trekken, gezien de vele voorzieningen die reeds gerealiseerd zijn (waaronder een jachthaven, diverse restaurants en een aantal overheidsdiensten) en die nog gerealiseerd zullen gaan worden (waaronder een theater). Verder zijn er aanwijzingen dat de Kop-van-Zuidontwikkeling de economische structuur van de omringende wijken gunstig beïnvloedt. Het investeringspotentieel van de sociaal zwakke deelgemeente Feijenoord (waartoe deze wijken behoren) wordt door de gemeente Rotterdam hoog ingeschat. Net buiten de Kop van Zuid verrijzen enkele appartementencomplexen. Een grote supermarktketen die zich richt op hogere inkomensgroepen heeft plannen voor een vestiging in één van de wijken.

110 De Aantrekkelijke Stad
De sociale structuur Het EXPO-gebied en de Kop van Zuid hadden voor de desbetreffende projecten geen noemenswaardige woonfunctie. De ontwikkeling van beide stadsdelen hoefde daarom niet ten koste te gaan van eventuele bestaande woningen. De sociale structuur is hierdoor in beide gebieden per definitie veranderd door de komst van bewoners. De bevolking van de Kop van Zuid onderscheidt zich in diverse opzichten van de bevolking van de omringende wijken: een hoger gemiddeld inkomen, een hoger gemiddeld opleidingsniveau, veel autochtonen en weinig werklozen (veel tweeverdieners). Een en ander heeft ertoe geleid dat de sociale structuur van de deelgemeente Feijenoord (waartoe de Kop van Zuid behoort) aanmerkelijk is veranderd. De realiteit is echter minder florissant dan de cijfers doen vermoeden. De omringende wijken bevinden zich immers nog steeds in een achterstandspositie ten opzichte van het Rotterdams gemiddelde. In de wijken Feijenoord, Afrikaanderwijk en Hillesluis wonen relatief veel werklozen, mensen met een laag inkomen en laagopgeleiden. De sociale structuur kenmerkt zich bovendien door een hoog en stijgend percentage allochtonen. De wijken rondom de Kop van Zuid kenmerken zich derhalve door weinig differentiatie, hetgeen zowel blijkt uit het woningaanbod (veel, relatief kleine huurwoningen) als uit de bevolkingssamenstelling. Enig optimisme over de toekomstige ontwikkeling van de sociale structuur is echter gerechtvaardigd. Net buiten de grenzen van het projectgebied worden koopappartementen gerealiseerd. Bovendien houden ook woningcorporaties (die zich vroeger alleen op de huursector richtten) zich in toenemende mate bezig met het bouwen van koopwoningen en het verkopen van huurwoningen. De verkoop van goedkope koopwoningen in de genoemde wijken lijkt goed te verlopen. De meeste kopers komen echter uit de wijk zelf, waardoor de bevolkingssamenstelling (nog) niet echt verandert. De verwachting is echter dat deze ontwikkelingen een positieve bijdrage kunnen leveren aan de sociale en economische revitalisering van de desbetreffende wijken. In het EXPO-gebied in Lissabon is ook ruimte gereserveerd voor de woonfunctie. Naar verwachting zal het gebied voornamelijk mensen uit

Synthese 111 hogere inkomensgroepen trekken. Tot nu toe is het nog niet duidelijk in hoeverre het gebied een positieve uitstraling heeft op de woonwijken in de omgeving. De barrièrewerking van de aanwezige infrastructuur kan een positieve uitstraling mogelijk belemmeren. EXPO URBE dreigt in sociaal opzicht een enigszins geïsoleerde wijk te worden. In Birmingham zijn zowel positieve als negatieve ontwikkelingen met betrekking tot de sociale structuur waar te nemen. Het project Brindley Place voorziet ook in de bouw van appartementen in een gebied waar vroeger alleen industrie was. De binnenstad geniet een toenemende belangstelling als woongebied, een opmerkelijke tendens die zich ook elders in Groot-Brittannië manifesteert. Toch heeft de opmars van Birmingham als congres- en beursstad niet weten te voorkomen dat de sociale tweedeling in de stad eerder groter dan kleiner is geworden. Bepaalde delen van de stad onderscheiden zich nog sterker dan voorheen door een eenzijdige sociale structuur met veel werklozen, laagopgeleiden en allochtonen. Imago Birmingham, Lissabon en Rotterdam slagen er alle drie in hun imago te verbeteren. Dankzij de investeringen in de ontmoetingsfunctie heeft Birmingham bij steeds meer buitenlanders het imago een moderne en vooruitstrevende stad te zijn. Het ICC heeft de stad op de kaart gezet als ‘Europe’s meeting place’. Veel Engelsen hebben weliswaar nog steeds een negatieve perceptie van de stad, maar deze houding verandert meestal bij een daadwerkelijk bezoek. Het gegeven dat het nationale imago van Birmingham afwijkt van het internationale imago lijkt de veronderstelling te bevestigen dat het imago beïnvloed wordt door de afstand tussen de stad en de persoon in kwestie. Lissabon is erin geslaagd de stad internationaal bekend te maken. De stad kampte immers vóór de EXPO niet zozeer met een slecht imago, maar meer met het ontbreken van een imago: onbekend maakt onbemind. Dankzij de wereldwijde media-aandacht voor de wereldtentoonstelling zijn meer mensen buiten Portugal op de hoogte gebracht van de kwaliteiten van Lissabon. Zodoende is de aantrekkingskracht op toeristen en bedrijven vergroot. Tegelijkertijd heeft de bouw van een nieuw centrum (EXPO

112 De Aantrekkelijke Stad
URBE) nadrukkelijk geresulteerd in een verbetering van het imago van Lissabon en het oostelijk deel van de stad in het bijzonder. Bovendien heeft de EXPO misschien ook bijgedragen aan een verbetering van het Portugees imago, gezien de gunstige ontwikkeling van het aantal toeristen (een groei van ruim 11% in het EXPO-jaar 1998 en een groei van bijna 3% in het jaar na de EXPO). Het imago van Rotterdam Zuid was vóór de ontwikkeling van de Kop van Zuid uitermate zwak. Bewoners van de rechteroever van de Nieuwe Maas bezochten zelden de linkeroever en een verhuizing naar dit stadsdeel was voor velen ondenkbaar. De interactie tussen beide stadsdelen is tegenwoordig beduidend intensiever. Veel bewoners van de Kop van Zuid zijn afkomstig uit het noordelijk stadsdeel en de faciliteiten in het nieuwe centrumgebied oefenen een aantrekkingskracht uit op mensen uit de hele regio. De psychologische barrière tussen noord en zuid lijkt gebroken, mede dankzij het opheffen van een fysieke barrière (de rivier) met behulp van de Erasmusbrug. Het imago van het overige deel van Rotterdam Zuid is weliswaar nog niet optimaal, maar heeft wel een impuls gekregen door de ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel. Tenslotte heeft ook het imago van de stad Rotterdam als geheel een stimulans gekregen door de Kop van Zuid. Internationale belangstelling voor het project heeft de stad immers veel publiciteit bezorgd. Hierbij fungeert de markante Erasmusbrug in toenemende mate als een beeldmerk voor de stad.

Investeren
Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de drie onderzochte steden er ieder op hun eigen wijze in geslaagd zijn aantrekkelijker te worden. De vraag die zich nu voordoet, is op welke wijze de steden in kwestie dit hebben bewerkstelligd en welke eventuele conclusies we hieraan kunnen verbinden. Ten aanzien van Birmingham, Lissabon en Rotterdam stellen we vast dat de elementen kwaliteit, verscheidenheid en transportinfrastructuur bijgedragen hebben aan het succes van de investeringen.

Synthese 113 Kwaliteit Kwaliteit speelt in de drie onderzochte steden een centrale rol in het transformatieproces. Birmingham heeft geïnvesteerd in kwalitatief hoogwaardige accommodaties (het ICC, een indoor stadion en een concertzaal) om de concurrentie met andere steden op basis van kwaliteit te winnen. De zorg voor kwaliteit is met name goed zichtbaar in Brindley Place: groenvoorzieningen, fonteinen, verlichte bomen, verwarmde terrassen en in traditioneel Engelse stijl gebouwde panden bepalen het beeld. Aan de kwaliteit van de buitenruimte besteedt Birmingham bijzonder veel zorg, waarbij Barcelona een voorbeeldfunctie vervult. Deze zorg is noodzakelijk gebleken om de ontmoetingsfunctie te ontwikkelen, aangezien bezoekers hun oordeel over de stad grotendeels baseren op de kwaliteit van de buitenruimte. Birmingham besteedt verder nog veel aandacht aan de aankleding van de stad (‘city dressing’) tijdens evenementen en de kwaliteit van het winkelaanbod (diverse winkelcentra zijn in aanbouw). Lissabon heeft minstens zoveel aandacht aan kwaliteit besteed. De gemeente noemt het ‘verdedigen van de visuele kwaliteiten’ één van de doelstellingen in een strategisch plan uit 1992. De gemeente is zich ervan bewust dat de historische kwaliteiten van het oude stadscentrum in tact gehouden moeten worden. Ook bij de ontwikkeling van EXPO URBE is kwaliteit de leidraad geweest. Het masterplan voor dit stadsdeel spreekt over de realisatie van een kwalitatief hoogwaardig stedelijk milieu. Vooralsnog lijkt men hier in te slagen, gezien de vele groenvoorzieningen, de schone straten en de bijzondere architectuur van enkele gebouwen. Het hoge kwaliteitsniveau geeft het gebied een grootstedelijk karakter. Kwaliteit is een centraal thema in het bestemmingsplan voor de Kop van Zuid. De gemeente Rotterdam zegt in dit plan te streven naar visuele en ruimtelijke kwaliteit. Bij de ontwikkeling van het gebied is veel zorg besteed aan het conserveren van industrieel en cultureel erfgoed. Zo is een historisch pakhuis omgebouwd tot winkelcentrum en het hoofdkantoor van de Holland-Amerikalijn tot een hotel. De aandacht voor kwaliteit speelde ook een rol bij de keuze voor een ontwerp van een nieuwe brug. Het moeste een bijzondere brug worden met esthetische kwaliteiten. Om de kwaliteit in het projectgebied te waarborgen heeft men een commissie in het leven

114 De Aantrekkelijke Stad
geroepen: het zogeheten Q-team (Quality-team). Deze commissie beoordeelt of een bepaald gebouw past bij het hoge ambitieniveau van de Kop van Zuid. Verscheidenheid De bestudeerde investeringen richten zich niet alleen op kwaliteit maar ook op verscheidenheid: differentiatie in diverse opzichten. Birmingham heeft met de investeringen in de ontmoetingsfunctie getracht de economische structuur van de stad te verbreden. De gemeente heeft bovendien veel aandacht besteed aan functiemenging. Men heeft alles in het werk gesteld om de binnenstad te veranderen van een typisch Brits central business district in een levendig woon-, werk-, winkel- en uitgaansgebied. De City Council erkent het belang van de woonfunctie omwille van een verbetering van het voorzieningenniveau en het waarborgen van de levendigheid in de stad. Ook in de uitbreidingsgebieden van de binnenstad (de eerder genoemde quarters) stimuleert de gemeente functiemenging, ook al hebben de gebieden een bepaalde specialisatie. Bij de ontwikkeling van Brindley Place lijkt functiemenging een minstens zo belangrijke rol te spelen. Op een relatief klein oppervlak (op loopafstand) bevinden zich immers winkels, kantoren, appartementen en horecavoorzieningen. Lissabon erkent eveneens het belang van veelzijdigheid. De gemeente zet zich actief in om de woonfunctie van de binnenstad te versterken en de sociale structuur van het vergrijsde stadscentrum te differentiëren (het beleid richt zich onder andere op het aantrekken van jongere bevolkingsgroepen). Bij de ontwikkeling van EXPO URBE spelen verscheidenheid en variatie een belangrijke rol. De Portugese overheid en de gemeente Lissabon hebben in het masterplan de wens geuit om een ‘gebalanceerde mix van stedelijke functies’ te bewerkstelligen, aangezien dat bijdraagt aan een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving. Functiemenging zorgt ervoor dat gebieden zowel overdag als ’s avonds levendig zijn. Het belang van levendigheid blijkt uit de inspanningen van Parque EXPO, de ontwikkelaar van EXPO URBE. Na de sluiting van de wereldtentoonstelling heeft deze organisatie alles in het werk gesteld om het momentum niet verloren te laten gaat door het park zo snel mogelijk weer

Synthese 115 open te stellen voor publiek teneinde de interesse van het bedrijfsleven en ontwikkelaars in het gebied veilig te stellen. Parque EXPO gaat er namelijk vanuit dat levendigheid (gegenereerd door attracties) de aantrekkingskracht op bedrijven vergroot. Het gaat hier niet zozeer om een direct verband maar eerder om een imago-aspect: een levendige omgeving kan in positieve zin bijdragen aan het bedrijfsimago. Bij de ontwikkeling van de Kop van Zuid is functiemenging de leidraad. Het eerder genoemde Q-team ziet erop toe dat ‘de elementen wonen, werken en recreëren in balans zijn en elkaar versterken’. Een en ander komt tot uitdrukking in het bestemmingsplan dat voorziet in woningen, kantoren, bedrijfsruimte, onderwijsvoorzieningen en recreatieve en overige voorzieningen. Functiemenging wil echter niet zeggen dat specialisatie ongewenst is. Clustering van onderling gerelateerde voorzieningen op loopafstand kan zorgen voor een kritische massa. De uitgaansvoorzieningen en de winkels in de Kop van Zuid zijn hoofdzakelijk geconcentreerd op de Wilheminapier en in het Entrepotgebied. Een van de redenen hiervoor is dat de uitgaansfunctie en de woonfunctie elkaar niet altijd verdragen. Functiemenging kent dus haar grenzen. Transportinfrastructuur De drie cases hebben met elkaar gemeen dat transportinfrastructuur een cruciale rol speelt in het ontwikkelingsproces. De versterking van de ontmoetingsfunctie door Birmingham zou niet mogelijk geweest zijn zonder de investeringen in de luchthaven en de verbinding tussen de luchthaven en de binnenstad. In Lissabon heeft men ook nadrukkelijk geïnvesteerd in infrastructuur: een nieuwe brug over de Taag, de uitbreiding van de metro, de aanleg van nieuwe wegen en de bouw van een trein-, bus- en metrostation in EXPO URBE. Deze investeringen hebben de interne bereikbaarheid van de stedelijke regio aanmerkelijk verbeterd. De steden die aan de zuidoever van de Taag liggen hebben een grotere aantrekkingskracht gekregen dankzij de brug over deze rivier. In het Kopvan-Zuidproject is eveneens veel geld uitgetrokken voor transportinfrastructuur. De nieuwe stadsbrug (de Erasmusbrug die tevens fungeert als ‘landmark’ aan de indrukwekkende Rotterdamse skyline), een nieuw

116 De Aantrekkelijke Stad
metrostation, de aansluiting op de rondweg, een nieuwe tramlijn over de brug en een jachthaven bevestigen dit. De steden erkennen dat het noodzakelijk is om te investeren in transportinfrastructuur die de interne bereikbaarheid verbetert, gelet op de deconcentratie van werkgelegenheid. Het gemeentebestuur van Birmingham heeft ervoor gekozen om de binnenstad ruimer te definiëren en getracht de werkgelegenheid te verspreiden over een groter gebied met specialisaties in een aantal ‘quarters’ rondom de binnenstad. Dit resulteert in de vorming van een polycentrische stad, hetgeen de roep om een adequaat wegennet en een kwalitatief hoogwaardig openbaarvervoersysteem versterkt. In Birmingham overweegt men de regionale Midlands Metro (die overigens bovengronds rijdt) door te trekken tot het stadscentrum om aan deze roep tegemoet te komen. Birmingham, vanwege de automobielindustrie ook wel het Engelse ‘Motown’ genoemd, heeft namelijk als een van de weinig Europese steden van een dergelijke omvang niet de beschikking over een hoogwaardige vorm van openbaar vervoer zoals een tram of metro. Hier ligt een belangrijke uitdaging voor de nabije toekomst. Teneinde de onderlinge bereikbaarheid van de verschillende quarters te optimaliseren, heeft de stad ook veel voorzieningen voor voetgangers gerealiseerd. Birmingham realiseerde zich halverwege de jaren tachtig dat de stad een walhalla was voor automobilisten – dankzij de brede autowegen door de stad – maar een doolhof voor de voetganger. De stad heeft veel geld uitgegeven aan het verzinken van wegen en de aanleg van tunnels en loopbruggen. Deconcentratie van werkgelegenheid in een beperkt aantal centra manifesteert zich ook in Lissabon. Het masterplan voor EXPO URBE beoogt een nieuwe stedelijke groeipool aan de rand van de stad te creëren in reactie op deze tendens. Dergelijke trends bevestigen de veronderstelling dat zich in veel stedelijke systemen een polycentrische structuur ontwikkelt.

Synthese 117

Organiseren
Investeren in de aantrekkelijke stad vereist niet alleen middelen, maar vooral ook organiserend vermogen. In hoeverre waren de investeringen gerelateerd aan een visie en een strategie? Welke publiek-private netwerken zijn geactiveerd? Op welke wijze hebben de steden een politiek en maatschappelijk draagvlak voor de investeringen gecreëerd? Welke eisen stelt dit aan het leiderschap van de overheid? Visie en strategie De drie geanalyseerde steden hebben ieder hun investeringen gekoppeld aan een langetermijnvisie en een daaraan gerelateerde strategie ten aanzien van de ontwikkeling van de stad. Birmingham beschouwt de investeringen in de ontmoetingsfunctie als een antwoord op het streven naar de diversificatie van de economie die centraal staat in de uit 1985 daterende ‘strategienota’. Lissabon beschouwt de EXPO en de ontwikkeling van een vervallen industriegebied als een uistekende kans om inhoud te geven aan de ambitie om Atlantische hoofdstad van Europa te worden, wat een belangrijk thema is in het strategisch plan uit 1992. Rotterdam baseert haar plannen voor de Kop van Zuid op een uit 1987 afkomstige en sindsdien enige keren aangepaste integrale visie op de toekomstige ontwikkeling van de stad. Het Kop-van-Zuidproject wordt in de Rotterdamse strategie beschouwd als een belangrijk instrument voor de revitalisering van de stad. Kernelementen van het project zijn de bouw van hoogwaardige bedrijfslocaties, de bouw van dure woningen om meer draagkrachtige bewoners naar de stad te trekken, het bevorderen van de grootstedelijke atmosfeer door kunst, cultuur en ruimtelijke kwaliteit te stimuleren, het verbeteren van de bereikbaarheid van het gebied en het bewerkstelligen van uitstralingseffecten naar de sociaal zwakke omgeving. De casestudies bevestigen het belang van visie en strategie met het oog op continuïteit. In Rotterdam en Birmingham is men er in geslaagd om ondanks wijzigingen in de politieke context de strategie op een consequente wijze om te zetten in acties. In Lissabon blijken politieke veranderingen

118 De Aantrekkelijke Stad
verantwoordelijk te zijn voor wijzigingen in de visie en strategie. Een burgemeesterswisseling heeft ertoe geleid dat de eerder genoemde strategienota uit 1992 niet langer meer de leidraad voor het beleid is. Het ontbreken van een duidelijke visie en strategie kan op de langere termijn negatieve consequenties hebben voor het ontwikkelingsproces van Lissabon en EXPO URBE in het bijzonder. Anderzijds dient er ook voor gewaakt te worden dat een strategie te rigide wordt toegepast en dat er onvoldoende flexibiliteit is ingebouwd voor noodzakelijk geachte aanpassingen. Het formuleren van een visie heeft Birmingham ertoe gedwongen zich te bezinnen op de positie ten opzichte van andere steden. Hierdoor heeft de stad inzicht gekregen in de eigen sterke en zwakke punten enerzijds en externe kansen en bedreigingen anderzijds. Zodoende heeft Birmingham als een van de eerste Britse steden kunnen anticiperen op de groeiende beursen congresmarkt. De stad die met het National Exhibition Centre reeds een sterke troef in handen had, wist een voorsprong te nemen op andere Engelse steden. Anders gezegd: de stad heeft optimaal geprofiteerd van het ‘first mover advantage’. Birmingham heeft dankzij haar visie andere steden die een betere uitgangspositie hadden om congres- en beursstad te worden (waaronder Londen) achter zich gelaten. Rotterdam anticipeerde op de gunstige ontwikkelingen op de woningmarkt door in het bestemmingsplan voor de Kop van Zuid meer nadruk te leggen op de woonfunctie. Dankzij de flexibiliteit van het strategisch plan was deze koerswijziging ook in een later stadium mogelijk. De ontwikkelingsstrategieën van Birmingham, Lissabon en Rotterdam beogen successen op meerdere terreinen te boeken. Zo besteden de drie steden veel aandacht aan het investeren in ‘human resources’ en de sociale en economische revitalisering van de stad. Om een stad daadwerkelijk aantrekkelijker te maken is een integrale benadering noodzakelijk. In de praktijk blijkt echter dat de steden deze integrale benadering niet altijd even consequent doorvoeren. Birmingham legt geen directe relatie tussen de investeringen in de ontmoetingsfunctie en sociale revitalisering. Lissabon heeft weinig specifieke aandacht besteed aan de mogelijkheden om het EXPO-project ten goede te laten komen aan omliggende wijken. Hoewel in Rotterdam deze link in de plannen voor de Kop van Zuid wel nadrukkelijk

Synthese 119 gelegd wordt (via het deelproject ‘Wederzijds Profijt’), gebeurt dit niet altijd op andere beleidsgebieden. Het URBAN-programma legt bijvoorbeeld weinig relaties met het Kop-van-Zuidproject. Rotterdam staat voor de uitdaging om economische kansen voor de wijken rondom de Kop van Zuid te definiëren op basis van de nabijheid van het nieuwe centrumgebied, de kwaliteiten van de wijken zelf en ontwikkelingen in de markt. Netwerken Door netwerken te activeren, zijn de drie steden erin geslaagd de visie en strategie om te zetten in resultaten. In Birmingham heeft de gemeente reeds in een vroeg stadium publieke en private actoren in de stad betrokken bij het ontwikkelingsproces. De basis voor de strategienota is immers gelegd tijdens een informele bijeenkomst van belanghebbende partijen in de stad. De betrokkenheid van het bedrijfsleven is sindsdien onverminderd groot gebleven. Sinds 1998 wordt de ontwikkelingsstrategie geformuleerd door het Economic Development Partnership, een samenwerkingsverband van de gemeente, de Kamer van Koophandel en het Training and Education Committee. Een ander voorbeeld van publiek-private samenwerking is het Birmingham Marketing Partnership (BMP), dat zich ten doel heeft gesteld publieke en private initiatieven ter verbetering van het imago te coördineren en (potentiële) bezoekers, bedrijven en bewoners over de kwaliteiten van Birmingham te informeren. BMP werkt onder meer samen met winkeliersverenigingen, hotels en promotiebureaus. Bovendien schakelt de organisatie bekende mensen uit Birmingham in, die hun netwerk kunnen aanwenden voor promotie van de stad. De gemeente Lissabon activeert publieke en private netwerken door middel van AMBELIS. Behalve de gemeente zijn diverse private actoren in deze organisatie vertegenwoordigd. AMBELIS fungeert onder meer als schakel tussen alle ontwikkelaars in de stad. Tijdens bijeenkomsten onder leiding van de burgemeester overleggen de aandeelhouders over de gewenste ontwikkeling van de stad. In Rotterdam spelen publiek-private netwerken vooral een rol bij het deelproject Wederzijds Profijt (WP) en in mindere mate bij het Kop-vanZuidproject, dat aanvankelijk overwegend een overheidsproject was.

120 De Aantrekkelijke Stad
Wederzijds Profijt tracht sociale effecten in de omringende wijken te bewerkstelligen. Daartoe probeert WP de gecreëerde werkgelegenheid op de Kop van Zuid ten goede te laten komen aan werkzoekenden uit omringende wijken, de economische structuur van deze wijken te versterken en innovatieve producten en diensten te ontwikkelen, die te maken hebben met de Kop van Zuid en de omliggende wijken. Hierbij werkt WP samen met diverse andere organisaties, waaronder kennisinstellingen en bedrijven. Het projectbureau van WP tracht arbeidsaanbod en -vraag op een directe en pragmatische wijze samen te brengen en startende ondernemers te begeleiden. Het bedrijfsleven lijkt zich steeds meer bewust te worden van het belang van een aantrekkelijke omgeving. In Birmingham realiseerden zakelijke dienstverleners zich dat niet alleen de stad maar ook zij zelf behoefte hadden aan een stad met een goed imago. Op hun aandringen is het Birmingham Marketing Partnership opgericht. Bedrijven zien zichzelf ook steeds nadrukkelijker als een onderdeel van de omgeving. Zowel in Birmingham als Lissabon stellen sommige bedrijven een deel van hun kantoor open voor publiek. Kantoren worden letterlijk en figuurlijk doorzichtiger en toegankelijk. Tegelijkertijd beseft het bedrijfsleven in Birmingham dat de kwaliteit van de openbare ruimte een visitekaartje voor het bedrijf is. Ze investeren in de groenstructuur rondom het bedrijf. Ontwikkelaars spelen hierop in door eerst groenvoorzieningen te creëren alvorens de kantoren te bouwen teneinde de waarde van de kantoorlocatie een extra impuls te geven. In Rotterdam lijken nog maar weinig bedrijven zich te bekommeren om de sociaal-economische structuur van hun omgeving. Slechts een enkeling komt tot de conclusie dat het van belang is om een goede relatie met de omgeving te hebben om een maatschappelijk draagvlak voor de aanwezigheid van het bedrijf te creëren. Bij sommige bedrijven groeit weliswaar het besef dat ze een maatschappelijke rol hebben, maar ze hebben er moeite mee om deze rol te vertalen in een takenpakket.

Synthese 121 Draagvlak In elk van de drie steden was een politiek draagvlak voor de investeringen aanwezig. Birmingham realiseerde zich dat een breed politiek draagvlak (zelfs op regionaal niveau) noodzakelijk was om aanspraak te kunnen maken op Europese subsidies. De EXPO en EXPO URBE zijn nationale projecten en hebben een politiek draagvlak op alle niveaus; alle ministeries werken samen om beide projecten tot een goed eind te brengen. In Rotterdam is het politieke draagvlak niet minder groot. De nationale overheid heeft het belang van het project erkend en dit vertaald in een financiële bijdrage. In Lissabon en Rotterdam heeft het maatschappelijke draagvlak voor de investeringen ongeveer dezelfde ontwikkeling doorgemaakt. In Lissabon waren de meeste mensen sceptisch over de EXPO en de revitalisering van het stadsdeel in kwestie. Vooral de negatieve elementen van het evenement (de kosten) werden in de media belicht. Het maatschappelijk draagvlak was vooral buiten Lissabon gering. In de aanloop naar het evenement nam de steun van de bevolking voor het project echter snel toe tot bijna 100%. De Portugezen zijn trots op het bereikte succes en hebben mede door dit succes veel vertrouwen in de economische toekomst van het land. De bewoners van de wijken rondom de Kop van Zuid stonden aanvankelijk zeer sceptisch tegenover het project; dit ondanks het feit dat het politiek draagvlak juist was vergroot door de uitbreiding van het stadscentrum te koppelen aan de revitalisering van de wijken in kwestie. Naarmate het project tastbare vormen ging aannemen, groeide het vertrouwen van de wijkbewoners. Positieve publiciteit over ‘hun deel van de stad’ heeft uiteindelijk zelfs geresulteerd in een vorm van trots. Deze trots heeft er mede toe bijgedragen dat woningcorporaties in de wijken rondom de Kop van Zuid hun ambities verhogen. Communicatie blijkt van groot belang te zijn voor het verkrijgen van maatschappelijke draagvlak. Het informatiecentrum Kop van Zuid en het ‘communicatie-team’ zijn hier mede verantwoordelijk voor geweest. In Birmingham heeft men nadrukkelijk getracht het maatschappelijke draagvlak voor de investeringen in de ontmoetingsfunctie te vergroten. Het

122 De Aantrekkelijke Stad
Birmingham Marketing Partnership informeert bewoners en bedrijven in de stad over ontwikkelingen en stimuleert bewoners om gebruik te maken van de faciliteiten die in de afgelopen jaren gerealiseerd zijn en deel te nemen aan evenementen. De City Council speelt ook een rol bij het vergroten van het maatschappelijke draagvlak voor investeringen in de ontmoetingsfunctie; niet alleen door inspraak (de symposia van 1988 en 1989), maar ook door te investeren in andere gebieden van de stad, waar de woonfunctie overheerst. Tegelijkertijd probeert de City Council de overlast door bouwwerkzaamheden enigszins te verzachten door de bouwputten te beschouwen als een soort attracties en open te stellen voor bewoners en bezoekers. Leiderschap Het succes van de investeringsprojecten in Birmingham, Lissabon en Rotterdam is mede te danken aan sterk leiderschap. De charismatische burgemeesters van de desbetreffende steden hebben de visie en strategie een gezicht gegeven. In zowel Birmingham als Rotterdam heeft de gemeente het initiatief genomen voor een integrale verbetering van de aantrekkelijkheid door een stedelijke visie te formuleren, die jarenlang de leidraad is geweest voor investeringen in de stad. De City Council van Birmingham realiseerde zich dat het International Convention Centre een mogelijke katalysator voor sociale en economische revitalisering van de directe omgeving was. De gemeenteraad van Rotterdam erkende het belang van een bijzondere brug als ‘landmark’ van het Kop-van-Zuidproject en heeft daarom alles in het werk gesteld om de nationale overheid van het belang van een bijzondere, maar duurdere brug te overtuigen. In Lissabon hebben de nationale overheid en de gemeente Lissabon samen het initiatief genomen tot de sociale en economische revitalisering van het meest vervallen industriegebied in de hoofdstad door het te koppelen aan een mega-evenement: de wereldtentoonstelling. Beide partijen hebben het initiatief overgedragen aan een met publiek kapitaal gefinancierde organisatie: Parque EXPO ’98 S.A. Deze organisatie, waarvan de aandelen in het bezit zijn van de staat, kreeg binnen het aangewezen gebied van 340 hectare vergaande bevoegdheden, waarmee langdurige en dus vertragende procedures omzeild werden. Uiteraard kon Parque EXPO niet geheel

Synthese 123 voorbijgaan aan overheidsinterventie, maar een speciaal wettelijk kader heeft bijgedragen aan het versnellen van procedures. De projectleiders van Parque EXPO konden dankzij deze constructie een daadkrachtig leiderschap ontwikkelen.

Tot besluit
De ervaringen in Birmingham, Lissabon en Rotterdam hebben aangetoond dat grootschalige investeringsprojecten een bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van een aantrekkelijke stad. Belangrijke succesfactoren voor investeringen in ‘de aantrekkelijke stad’ blijken kwaliteit, verscheidenheid en transportinfrastructuur (ten behoeve van bereikbaarheid). Een andere factor die de performance van investeringen in de aantrekkelijke stad beïnvloedt, is het organiserend vermogen. De casestudies bevestigen het belang van een visie en strategie, publiek-private netwerken, het maatschappelijke en politieke draagvlak en leiderschap. Enkele belangrijke conclusies uit het rapport zijn: • Een actieve overheid kan een bijdrage leveren aan een versterking van de economische structuur door de ontwikkeling van nieuwe groeisectoren en/of nieuwe groeipolen te stimuleren; Een actieve overheid kan door een gericht revitaliseringsbeleid verpauperde locaties de potentie bieden zich te ontwikkelen tot hoogwaardige woongebieden. Hierdoor kan de sociale structuur van stadsdelen worden versterkt; Investeringen in een nieuwe groeipool resulteren niet zondermeer in de sociaal-economische revitalisering van de omliggende wijken; Een integrale visie en strategie die inhoud geven aan de economische en sociale koppeling tussen een groeipool en de omliggende wijken zijn noodzakelijke voorwaarden voor ‘wederzijds profijt’; Het succes van nieuwe groeipolen draagt mede bij aan het vergroten van het maatschappelijke draagvlak voor revitaliseringsprojecten onder bewoners en bedrijven;

• •

124 De Aantrekkelijke Stad
• Soms is het noodzakelijk om een project met weinig maatschappelijk draagvlak (getypeerd door scepsis onder de bevolking en het bedrijfsleven) toch uit te voeren, indien dit past in een weloverwogen visie en strategie; De kwaliteit van de buitenruimte wordt in toenemende mate erkend als een belangrijke attractiefactor met positieve effecten voor zowel de sociale als de economische structuur; Steden ontwikkelen zich tot polycentrische systemen (stedelijke regio’s met meerdere centra). Het adequaat functioneren van een polycentrisch systeem vereist een hoogwaardige onderlinge bereikbaarheid; Stedelijke bedrijfslocaties blijken hun aantrekkelijkheid in toenemende mate te ontlenen aan een mix van functies. Levendigheid (ook na werktijd) en een gevarieerde bedrijfsomgeving worden ook steeds meer gewaardeerd door bedrijven; Bedrijven zullen zich uit eigenbelang steeds actiever bezighouden met de sociale en economische revitalisering van de stad; Aansprekende projecten met een grootstedelijke uitstraling trekken (internationale) media-aandacht. Deze aandacht versterkt het imago van een stad. De aanwezigheid van ‘organiserend vermogen’ in de stad – dat wil zeggen dat publieke en private partijen gezamenlijk op een strategische wijze duurzame resultaten nastreven – is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van langetermijnvoordelen bij het organiseren van een groot evenement.

• •

Referenties
Onderzoekskader
Batten, D.F. [1995], Network Cities: Creative Urban Agglomerations for the 21st century’, in: Urban Studies, vol. 32, nr. 2, p.313-327. Berg, L. van den [1987], Urban systems in a dynamic society, Aldershot: Gower. Berg, L. van den, E. Braun en J. van der Meer [1997], Metropolitan Organising Capacity; Experiences with Organising Major Projects in European Cities, Ashgate, Aldershot. Berg, L. van den, J. van den Borg en J. van der Meer [1995], Urban Tourism, Avebury, 1995. Berg, L. van den, L.H. Klaassen en J. van der Meer [1990], Strategische City-Marketing. Bedrijfskundige signalementen 90/3, Academic Service, Schoonhoven. Borg, J. van der en G. Gotti [1995], Tourism and cities of art: the impact of tourism and visitors flow management in Aix-en-Provence, Amsterdam, Bruges, Florence, Oxford, Salzburg and Venice. UNESCO Regional Office for Science and Technology for Europe, Venetië. Boxtel, R.H.L.M. [1999], ‘Een complete stad is een werkende stad’, Toespraak op de Bilderbergconferentie van het VNO-NCW, 30-1-1999. Castells, M. [1991], The Informational City: Information, Technology, Economic Restructuring and the Urban-Regional Process, Basil Blackwell, Oxford. Castells, M. [1996], The Information Age: Economy, Society and Culture; volume I: The Rise of the Network Society, Blackwell Publishers, Oxford. Federation of European Cities’ Tourist Offices (FECTO) en Vienna University [1996], City Tourism in Europe Funck, R.H. [1995], ‘Competition among locations’, in: E. Giersch (ed.), Urban agglomeration and economic growth, Springer, Berlijn, p.227-256

126 De Aantrekkelijke Stad
Hall, P. [1995a], ‘Towards a General Urban Theory’, in: J. Brotchie, M. Batty, E. Blakely, P. Hall en P. Newton (red.), Cities in competition: productive and sustainable cities for the 21st century, Longman Australia, Melbourne. Hall, P. [1995b], ‘The future of planning’, in: E. Giersch (ed.), Urban agglomeration and economic growth, Springer, Berlijn, p.257-272. Healey & Baker [1996, 1998], European Cities Monitor; Europe’s Top Cities. Hohenberg, P.M. en L.M. Lees [1985], The making of an urban Europe: 1000-1950, Harvard University Press, Cambridge. Jacobs, J. [1961], The death and life of great American cities. Random House, New York. Kruijk, G.P., A.H.J. Otgaar en F. Renssen [1998], Regiomarketing: een nieuwe dimensie, VB Deloitte & Touche, Nieuwegein. Lubbers, R.F.M. [1999], ‘Bedrijfsleven, politiek en de civil society’, in: Economisch Statische Berichten, vol. 84, nr. 4224, 8 oktober 1999, p.729731. Simons, S. [1996], ‘De stad moet kansen pakken’, in: Rotterdams Dagblad, 20-09-1996. Verlaat, J. van ‘t [1997], Productontwikkeling binnen regiomarketing: naar een nieuwe rol van overheden, bezien in een Rotterdamse context, Proefschrift Erasmus Universiteit Rotterdam, De Kuif, Rotterdam. VVV Amsterdam [1998], Strategisch marketing- en communicatieplan voor toeristisch Amsterdam.

Birmingham
Berg, L. van den en J. van der Meer [1991], Regional Airports and Urban Economic Development, Experiences of five European cities, Euricur, Erasmus Universiteit Rotterdam. Berg, L. van den, J. van der Meer en P.M.J. Pol [1995], Impact of the European Union on metropolitan cities; inventory of European policies and the experiences and perceptions of the cities of Antwerp, Bilbao, Birmingham, Lisbon, Lyon and Rotterdam, Euricur, Erasmus Universiteit Rotterdam. Birmingham City Council [1986], Economic Strategy; 1986 review.

Referenties 127 Birmingham Economic Information Centre (BEIC) [1999], Economic Review 1999. Birmingham Economic Information Centre (BEIC) /Office for National Statistics [1996], Annual Employment Survey. Birmingham Marketing Partnership [1998], Success City. Economic Development Partnership [1998], Economic Strategy: Action Plan. Notman, S. [1998], The Tourism Sector in Birmingham, Birmingham Economic Information Centre. Pumain, D., Th. Saint-Juliën, N. Cattan, C. Rozenblad [1992], The Statistical Concept of the Town in Europe, NUREC/Eurostat, Parijs.

Lissabon
Berg, L. van den, E. Braun en J. van der Meer [1997], Metropolitan Organising Capacity; Experiences with Organising Major Projects in European Cities, Ashgate, Aldershot. Câmara Municipal de Lisboa [1992], Plano Estratégico de Lisboa Câmara Municipal de Lisboa [1994], Lisboa Elementos Estatisticos Básicos. Comissário-geral da EXPO ’98 [1999], Relatório Exposiçao Mundial de Lisbao de 1998. Marcelino, P.I. [1999], ‘Parque das Nações: um ano depois da Expo’98’, in: Semanário Económico, 13-8-1999, nr. 657. Nieuwtribune [1997], Lissabon in de ban van EXPO’98, 6 februari 1997, p. 31-44. Parque EXPO 98 S.A. [1999], Parque das Nações – The first 10 months. The Economist Intelligence Unit [1998], Country profile Portugal 1998-99, Redhouse Press, Kent. Turismo de Lisboa [1999], Observatório; O efeito EXPO’98, Barómetro Nº 0 – Janeiro de 1999.

Rotterdam
Algemeen Dagblad [7-6-1999], Een onzichtbare muur door de wijk . Algemeen Dagblad [9-6-1999], ‘Arm en rijk mixen is wél goed voor de wijk’

128 De Aantrekkelijke Stad
Berg, L. van den, E. Braun en J. van der Meer [1997], Metropolitan Organising Capacity; Experiences with Organising Major Projects in European Cities, Ashgate, Aldershot. Centrum voor Onderzoek en Statistiek [1998], Buurten in Cijfers. Centrum voor Onderzoek en Statistiek [1999], Kerncijfers voor Rotterdam 1999. Communicatie-team Kop van Zuid [1996], Kop van Zuid; City of Tomorrow. Communicatie-team Kop van Zuid [1999], ‘Wat is Wederzijds Profijt’, Internet (http://www.kopvanzuid.rotterdam.nl) Gemeente Rotterdam [1991], Bestemmingsplan Kop van Zuid. Gemeente Rotterdam [1998], Met Raad en Daad; Collegeprogramma 19982002. Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (GHR) [1998], Jaarverslag 1997 en organisatie. Nederlands Economisch Instituut [1996], Evaluatie Wederzijds Profijt; Hoe werkt het scheppen van werk?, Rotterdam. OntwikkelingsBedrijf Rotterdam (OBR) [1998], Trendbericht Rotterdam 1998; Sociaal-economische rapportage. Projectbureau Wederzijds Profijt [1997], Samen aan de slag. Van der Vegt, J. [1998], Rotterdam Orgware, OntwikkelingsBedrijf Rotterdam.

Gesprekspartners
Birmingham
J. Bird, Vice-directeur ‘Department of Planning and Architecture’ J. Bloomfield, European Unit Council House A. Bore, Leider van de Birmingham City Council T. Bradley, Directeur ‘Business Management and Policy’, Birmingham Chamber of Commerce and Industry J. Cole, Directeur van de NEC-groep B.R. Conway, Hoofd externe relaties, Birmingham International Airport G. Coyne, Raadslid Birmingham City Council; Hoofd van het ‘Urban and Economic Regeneration Committee’ B. Gilbert, Voorzitter van het Birmingham Marketing Partnership D. Shelat, Directeur Institute of Asian Businesses S. Soar, Businesses and Community Partnerships M. Taylor, Department of Planning and Architecture, Birmingham City Council S. Taylor, Birmingham City Council

Lissabon
V. Cabrita Neto, Secretaris-Generaal van het Ministerie voor Toerisme F. Caldeira Santos, Associação Industrial Portuguesa M. Carvalho Pereira, Directeur van het congrescentrum van Lissabon J. Dotti, Vice-voorzitter van de Associação Industrial Portuguesa A. Laplaine Guimarãis, Kabinet van de President van de Republiek A. Magrinho, Economisch adviseur van de Minister-President J. Manuel Boavida, Voormalig coördinator transport in het kader van EXPO’98 P. Martins, Associação Industrial Portuguesa

130 De Aantrekkelijke Stad
A. Mega Ferreira, Parque das Nações, President-Directeur van Parque EXPO ’98 S.A. J. Sampaio, President van Portugal J. Soares, Burgemeester van Lissabon L. de Sousa Fadigas, Voorzitter van AMBELIS J. Torres Campos, Voormalig voorzitter Parque EXPO’98 S.A.

Rotterdam
F.A.M. Belderbos, Voormalig projectleider Kop van Zuid F. Erkens, Voorzitter Woningbedrijf Rotterdam R. Korstanje, Feijenoord Impuls G. Oude Engbrink, Projectbureau Kop van Zuid P.J. Rodenberg, Projectleider Kop van Zuid G. Smits, Directeur Van den Bergh & Jurgens P. Smolders, Projectleider Wederzijds Profijt

Deelnemers Master Classes
F.A.H.M. van Attekum (VB Deloitte & Touche) L. van den Berg (EURICUR) J.C. de Boer RA (Gemeente Hengelo) E. Braun (EURICUR) C. van Dijk (Gemeente Eindhoven) A. Elsenaar (VB Deloitte & Touche) F.M. Erkens (Woningbedrijf Rotterdam) A.H. Flierman (Gemeente Arnhem) W.N. Hamming (Rotterdam Marketing) E. Helder (Gemeente Enschede) S. Kolthek (Projectbureau Amsterdam Zuidas) G.P. de Kruijk (VB Deloitte & Touche) G.J. Lokerse (VB Deloitte & Touche) J. van der Meer (EURICUR) J. Moerman (Rotterdam Festivals) J.E. Moreu (VVV Amsterdam) A.H.J. Otgaar (EURICUR) R. Payer (Hilton Hotel, Amsterdam) Th.J.J. Schmitz (Nederlands Bureau voor Toerisme) P. Schuiten (Peter Schuiten Producties) H.J. Simons (Wethouder Haven- en Economische Zaken; Gemeente Rotterdam) J.A.P.M. Smeekens (NV REDE) F. van Steenis (Deloitte & Touche) J. Stekelenburg (Burgemeester van de Gemeente Tilburg) G.A.A. Verkerk (Wethouder Economie en Personeel; Gemeente Den Haag) C.J. Vrolijk (VB Deloitte & Touche)

132 De Aantrekkelijke Stad