Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Eindrapport

1

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

OPZET EN CONCLUSIES VAN DE RAPPORTAGE Voor rapportage stonden twee vragen centraal. 1. Verdient het de voorkeur het Agro Industrieel Complex Dinteloord (AICD) juist in Dinteloord te vestigen en niet elders? 2. Op welke wijze kan tot een verantwoorde inpassing van het AICD op het terrein van Suiker Unie gekomen worden? De opbouw van de rapportage is gebaseerd op het beantwoorden van deze twee vragen en opgesplitst in drie delen: Deel I: Uitgangspunten Deel II: Onderbouwing van de locatiekeuze Deel III: Onderbouwing ruimtelijke inpassing Het rapport schets in het eerste deel de uitgangspunten en de plaats die de ontwikkeling van het AICD binnen de beleidskaders inneemt. In hoofdstuk 2 wordt uitleg gegeven van het initiatief. Hier staan de mogelijkheden en de positieve effecten van de met het AICD voorgestelde vormen van symbiose. Ook is aangegeven welke instrumenten ingezet (ontwikkeld) kunnen worden om in de toekomst de positieve ontwikkeling te kunnen waarborgen. De ontwikkeling van het AICD met de daarbij behorende doelstellingen en effecten worden in hoofdstuk 3 geplaatst binnen de relevante beleidskaders. De belangrijkste relaties van de ontwikkeling van het AICD met deze beleidskaders zijn: het dilemma tussen de strijdigheid van de ruimtevraag voor het AICD met het vastgestelde RO-beleid, maar daarnaast de grote overeenkomsten tussen de voorgestelde ontwikkeling van agrificatie, duurzaam ruimtegebruik en complexvorming met de onderwerpen in de discussie over de toekomstige invulling van het RO-beleid; de invulling die het AICD wil geven aan het beleid op het gebied van milieu en economie; het aanhaken bij de ontwikkelingen van de infrastructuur in West-Brabant. In Deel II van de rapportage gaat het om de economisch betekenis van het initiatief en de daaruit af te leiden randvoorwaarden. Daarnaast worden varianten op alternatieve locaties afgewogen. Uit de economische verkenning van de regio West-Brabant in hoofdstuk 4 volgt dat in West-Brabant de beroepsbevolking harder groeit dan het aantal banen en dat West-Brabant dus voor de opdracht staat een hoge economische groei te realiseren. Hierbij spelen de agro-industrie en de voedings- en genotmiddelen industrie (waaronder Suiker Unie valt) een belangrijke rol. Tevens is het economische bestaansrecht van Suiker Unie en het AICD aangetoond, aangezien er voor de Nederlandse suikerfabrieken nadrukkelijk een positie ligt op de (toekomstige) wereldsuikermarkt. Bij de afweging van de locatie wordt in hoofdstuk 5 de autonome ontwikkeling van de huidige suikerfabriek vergelegen met een verplaatsing van de fabriek (referentie) en de ontwikkeling van het AICD in Dinteloord. Hierbij wordt gekeken in hoeverre er alternatieve locaties zijn voor een eventuele verplaatsing van de suikerfabriek en welke mogelijkheden en beperkingen er zijn voor het ontwikkelen van een AICD-concept op de alternatieve locatie. Uit de vergelijking volgt dat verplaatsing van de suikerfabriek financieel gezien geen optie is en de winst voor de omgeving gering is. Tevens komt naar voren dat de ontwikkeling van het AICD op de locatie Dinteloord de grootste (milieu)winst oplevert en dat het AICD geen concurrent wordt voor de nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen in West-Brabant. Integendeel, de ontwikkeling van het AICD kan zelfs een versterkend effect voor deze terreinen hebben.

2

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Deel III van de rapportage beschrijft de ruimtelijke inpassing van het complex. Hier wordt antwoord gegeven, hoe tot een verantwoorde inpassing van het AICD op de locatie Dinteloord kan worden gekomen. In hoofdstuk 6 wordt de ruimtelijke analyse van de aanbodzijde vanuit de omgeving beschreven, waarbij relevante aspecten op 3 schaalniveaus (regionaal, lokaal en terreinniveau) worden geanalyseerd. Na een uitvoerige diagnose wordt in hoofdstuk 7 de visie op de ruimtelijke inpassing en het plan besproken. Hier is aangegeven dat op elk van de 3 schaalniveaus er voor het AICD een opgave ligt. Op regionaal niveau is de opgave: Het creëren van een nieuwe ruimtelijke, functionele en sociale samenhang tussen het AICD en het gebied. Hiervoor wordt voorgesteld om naast de in de doelstellingen van het AICD opgenomen symbiose, agrificatie en innovatie, de ontwikkeling van het AICD op te laten lopen met de natuurontwikkeling in het buitendijkse gebied van de Mark/Dintel. Op lokaal niveau ligt de nadruk op het aanpakken van de schaaldiscrepantie om beter dan nu de ruimtelijke en functionele scheiding te realiseren waar dat nodig is en kan, en verweving toe te passen waar dat noodzakelijk is. De invulling van het AICD krijgt vorm door met harde overgangen het complex in de omgeving te isoleren, maar tegelijkertijd openbare doorsnijdingen (het kanaal en de waterkering en locale weg) op het complex een plaats te geven met een eigen sfeer en inrichting. Op terreinniveau tenslotte is de belangrijkste opgave de activiteiten van het AICD ruimtelijk te structureren zodat de wens om vervlechting (symbiose) mogelijk te maken. Hiervoor wordt een zonering voorgesteld van fijnmazig en hoog in het centrum naar grofmazig en laag naar buiten toe. Met het voorgestelde plan - wat een eindsituatie van het AICD over 20 jaar schetst is een mogelijkheid gegeven voor de landschappelijke inpassing van het AICD op de locatie Dinteloord.

3

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Inhoudsopgave OPZET EN CONCLUSIES VAN DE RAPPORTAGE DEEL I: UITGANGSPUNTEN 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Onderzoeksopdracht en uitgangspunten 1.3 Begeleiding van het onderzoek 2. HET CONCEPT VAN HET AICD 2.1 De doelstelling van het AICD 2.2 Symbiosevormen 2.3 Effecten van symbiose 2.4 Ruimtebeslag 2.5 Borgingsinstrumenten 3. BELEIDSKADERS 3.1 Ruimtelijke Ordening 3.2 Milieu en economie 3.3 Infrastructuur 3.4 Besluit milieueffect rapportage DEEL II: ONDERBOUWING VAN DE LOCATIEKEUZE 4. ECONOMISCHE BETEKENIS 4.1 Positionering van West-Brabant 4.2 Betekenis van de agro-industrie 4.2.1 De agrobusiness in het algemeen 4.2.2 De positie van Suiker Unie binnen de agro-industrie 4.2.3 De potentie van de suikerindustrie in Nederland 5. AFWEGING VAN DE LOCATIE DINTELOORD 5.1 Suikerfabriek stand alone verder (de autonome ontwikkeling) 5.2 Verplaatsing van de suikerfabriek Dinteloord (referentie) 5.2.1 De effecten van verplaatsing 5.2.2 Alternatieve locaties in West-Brabant 5.3 De ontwikkeling van het AICD (voorgenomen activiteit) 5.4 Conclusies

pagina 1 5 7 7 8 9 11 11 13 15 18 19 23 23 25 26 27 29 31 31 33 33 34 35 37 37 39 39 42 45 49

4

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

DEEL II: ONDERBOUWING RUIMTELIJKE INPASSING 6. ANALYSE VAN HET AANBOD 6.1 Inleiding 6.2 Geomorfologie en bodem 6.3 Cultuurhistorie 6.4 Landschap 6.5 Oppervlaktewater 6.6 Natuur 6.7 Bereikbaarheid 6.8 Wonen 6.9 Recreatie 7. HET PLAN 7.1 Diagnose en opgave 7.1.1 Inleiding 7.1.2 Het regionaal niveau 7.1.3 Het lokale niveau 7.1.4 Het terreinniveau 7.2 Het concept van de stolp 7.3 Het plan 7.3.1 Regio 7.3.2 Lokaal 7.3.3 Terrein

51 53 53 54 55 58 60 61 64 64 65 65 65 66 68 68 69 69 69 71 72

5

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

DEEL I: UITGANTGSPUNTEN 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding AI zo'n honderd jaar is er sprake van een suikerfabriek aan de Mark / Dintel bij Stampersgat. In de eeuw is de fabriek uitgegroeid tot één van de grootste en modernste bedrijven in de sector.

De Nederlandse suikerindustrie heeft door haar vergaande rationalisering een goede concurrentie positie opgebouwd in de bietsuikerindustrie. De Nederlandse suikerfabrieken behoren tot de grootste en meest efficiënte bietsuikerfabrieken in Europa. De huidige suikerregeling van de Europese Unie wordt in 2001 verlengd, maar staat wel ter discussie en zal naar alle waarschijnlijkheid aangepast worden. Alhoewel het in verband met de WTO onderhandelingen en nieuw EU beleid onmogelijk is met zekerheid aan te geven welke veranderingen er plaats gaan vinden, lijkt het voor de hand te liggen dat in eerste instantie de productiequota per land zullen worden bijgesteld om de export van suikeroverschotten te beperken. Op de langere termijn zouden ook de suiker- en doorgerekende bietenprijzen significant kunnen gaan dalen. Om de concurrentiepositie binnen Europa te kunnen verdedigen en te versterken, is Suiker Unie onder andere van plan de productiekosten verder te verlagen. Suiker Unie heeft zich op deze situatie al grotendeels voorbereid door het doorvoeren van rationalisatie en concentratie van de productie in Dinteloord, Groningen en Puttershoek. De fabriek in Dinteloord is van de drie de meest optimale productiefaciliteit in Nederland geworden.

6

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

De functionele samenhang van Suiker unie met de omgeving heeft te maken met de vervlechting tussen de primaire sector in de regio en de verwerkende voedings- en genotmiddelenindustrie. Sociale samenhang hangt vooral samen met de overeenkomst in belang tussen de bevolking in de regio en Suiker Unie. Door de schaalvergroting staat de functionele en sociale samenhang onder druk. Met het concept van het AICD kan mogelijk een nieuwe impuls worden gegeven aan het herstel van de samenhang en het economisch draagvlak van het buitengebied. Met het oog op de toenemende mondiale concurrentie heeft Suiker Unie in 1998 in samenwerking met de NV Brabantse Ontwikkelings Maatschappij, de PNEM-MEGA Groep NV, de Kamer van Koophandel West-Brabant en de NCB het initiatief genomen tot het project Agro industrieel Complex Dinteloord (AICD). Het AICD-concept beoogt de ontwikkeling van een uniek complex van agrarisch gerelateerde bedrijven op het terrein van de suikerfabriek in Dinteloord, waarbij op zoveel mogelijk bedrijfsaspecten nauw wordt samengewerkt. Zo dient te worden gekomen tot een optimale benutting van economische kansen in de agro-industrie, van grondstoffen, energie, ruimte, water, (neven)producten, reststoffen, productiemiddelen, kennis en mankracht, samen te vatten onder de termen symbiose en duurzaamheid. In Masterplan van het AICD-project 1 is de wijze beschreven waarop de initiatiefnemers streven naar zuinig gebruik van energie en (herwinbare) grondstoffen en het tot stand brengen van een symbiose tussen (te vestigen) agro-industriële bedrijven en Suiker Unie. 1.2 Onderzoeksopdracht en uitgangspunten om tot een ontwikkeling van het AICD op de locatie Dinteloord te kunnen komen dient inzicht te worden verkregen in de mogelijkheden en randvoorwaarden voor een verantwoorde ruimtelijke inpassing. Suiker Unie, de gemeenten Steenbergen en Halderberge, de provincie Noord-Brabant en de Kamer van Koophandel West Brabant hebben BRO, Adviseurs in Ruimtelijke Ordening, Economie en Milieu opdracht gegeven de inpassingsmogelijkheden en randvoorwaarden in beeld te brengen. De onderzoeksopdracht luidde: Geef een ruimtelijke onderbouwing voor de totstandkoming van het AICD, op basis waarvan een principe-uitspraak over het AICD gevraagd kan worden aan de PPC.

1

AICD, Masterplan Agro Industrieel Complex Dinteloord, 16 december 1998

7

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

De prioritaire vragen waren: 1. Verdient het de voorkeur het AICD juist in Dinteloord te vestigen en niet elders (locatiekeuze)? 2. Op welke wijze kan tot een verantwoorde inpassing van het AICD op het terrein van Suiker Unie gekomen worden (inrichting)? In de onderbouwing zijn economische, milieutechnische als planologische aspecten integraal afgewogen. 1.3 Begeleiding van het onderzoek De projectorganisatie van het AICD bestaat uit een stuurgroep, een projectgroep en de werkgroepen: Bedrijfsomgeving, Vitueel Complex, Bedrijven, PMT's, Duurzame energie, Parkmanagement en Algemene voorzieningen. Onder de werkgroep Bedrijfsomgeving zijn vier subwerkgroepen geformeerd die elk een deelaspect uitwerken, te weten: Planologische Inpasbaarheid, Milieuvergunningen, Nul-situatie Milieu en Verkeer en Infrastructuur. Voorliggend onderzoek is begeleid door de subwerkgroep Planologische Inpasbaarheid. In de subwerkgroep hebben zitting: Kamer van Koophandel (voorzitter), Suiker Unie, Provincie Noord-Brabant, PIT, Gemeente Steenbergen, Gemeente Halderberge. Tijdens het onderzoek heeft op relevante onderdelen afstemming plaatsgevonden met andere (sub-)werkgroepen. Daarnaast is teruggekoppeld met de projectgroep en de stuurgroep en heeft informeel oriënterend overleg plaatsgevonden met de PPC en de BMF.

8

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

2 HET CONCEPT VAN HET AICD 2.1 De doelstelling van het AICD In het Masterplan van het AICD zijn de uitgangspunten en de doelstelling van AICD beschreven. Dit concept vormt de basis voor de beoordeling van de inpassingsmogelijkheden, waarbij de uitgangspunten in de volgende hoofdstukken tegen het (integrale) licht gehouden worden. De suikerfabriek in Dinteloord is de grootste, meest moderne en flexibele fabriek van Suiker Unie, met van oudsher een aansluiting op vaarwater en gelegen in het dunbevolkt buitengebied van West-Brabant. De fabriek in Dinteloord heeft de laagste productiekosten van de drie fabrieken van Suiker Unie. Bovendien is de afstand van Dinteloord tot het grootste deel van de Nederlandse suikerverwerkende industrie klein. Verdere rationalisatie en concentratie van de productie zal wellicht noodzakelijk kunnen worden door de mogelijke vermindering van de Nederlandse productiequota en verlaging van de bietenprijs. Investeren in de productieprocessen en installaties kan nog steeds verdere kostenbesparingen opleveren, maar ook daar speelt de wet van de afnemende meeropbrengsten een steeds belangrijkere rol. Suiker Unie wil haar positie op de suikermarkt behouden en versterken, door te zoeken naar nieuwe innovatieve concepten. Daarbij is Suiker Unie zich bewust, dat allianties aangegaan moeten worden met de omgeving: afnemers, toeleveranciers, primaire sector en ingespeeld moet worden op maatschappelijke ontwikkelingen, zoals duurzaamheid en zorg voor de leefen woonomgeving. Kernbegrippen van het AICD-concept zijn symbiose en duurzaamheid Deze hebben betrekking op zowel regionaal, lokaal als microschaalniveau. Op regionaal niveau beoogt het AICD een bijdrage te leveren aan het versterken van de voedings- en genotmiddelenindustrie in West-Brabant en daarmee van de concurrentiekracht van de regio en vergroten / behouden van werkgelegenheid in de industrie en de agrarische sector. De afzet van bieten, maar ook van mogelijk andere agrarische producten zoals vlas en biomassa zou door het AICD kunnen worden veiliggesteld. Door concentratie van gelieerde activiteiten in Dinteloord kan schaarse ruimte elders worden bespaard en kan wellicht de totale milieudruk omlaag. Op lokaal niveau wordt de economische relatie met de primaire sector verstevigd of met nieuwe producten hersteld. Het economisch draagvlak in de gemeenten Steenbergen en Halderberge wordt versterkt. Door kritische selectie van partnerbedrijven en door de juiste inrichtingskeuzes zal het AICD geen extra milieuhinder veroorzaken voor de woonkern Stampersgat. AICD streeft ernaar de hinder verder terug te dringen. Met het fasegewijs ontwikkelen van het AICD zal gelijktijdig een actieve bijdrage worden geleverd aan de ecologische en landschappelijke ontwikkeling van het gebied rondom de fabriek in Dinteloord. Deze zal aansluiten op reeds lopende regionale initiatieven en zelfs een extra stimulans kunnen betekenen. Op bedrijfsniveau betekent het AICD het waarborgen en versterken van de concurrentiepositie van Suiker Unie en de bedrijven die zich op het terrein van Suiker Unie vestigen. Daarnaast zal het beheren van de milieuhinder in combinatie met adequaat parkmanagement het functioneren van de fabriek in Dinteloord verder verbeteren.

9

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Suiker Unie verwacht op den duur kosten te kunnen besparen en inkomsten te verhogen door symbiose met bedrijven bij: valorisatie van reststromen (melasse, bietenpulp, organische resten, klei, kalk, zand, water, warmte) door gebruik in andere productieketens, zowel gedurende als na de campagne periode; gedeeld gebruik van installaties (waterzuivering, warmtekrachtcentrale, extractie en evaporatie apparatuur) met andere productieketens, vooral gedurende de intercampagne periode; gezamenlijke investeringen (procesinstallaties en milieu) die voor de afzonderlijke bedrijven niet rendabel zouden zijn. In het Masterplan zijn vijf binnen Suiker Unie reeds bestaande bedrijven en negen potentieel kansrijke product-markt-technologieën (PMT's) geïdentificeerd, die de symbiose van het AICD nader concretiseren: Bestaande bedrijven • Suiker Unie (pulpbedrijf, dunsapbedrijf, diksapbedrijf, suikerbedrijf) • energiebedrijf • grondbedrijf • waterbedrijf • kalkbedrijf PMT's • • • • • • • • • algenteelt alcoholbedrijf kalkzandsteenbedrijf keramisch bedrijf vlasbedrijf groenten/kruiden verwerking solid state fermentatie pectine chemicals extractie van natuurlijke anti-oxidanten

De energie-, grond, en waterbedrijven zijn reeds aanwezig als integraal onderdeel van de suikerfabriek. Als de suikerfabriek zich beperkt tot pulp-, dunsap-, diksap en suikerbedrijf, kunnen de eerder genoemde onderdelen een distribuerende en controlerende rol spelen voor de grond-, rest-, en energiestromen van de PMT's. De PMT's zijn geselecteerd op basis van de potentie om bovenstaande stromen te verwerken. In vervolgonderzoeken van het AICD zal de gewenste en de bedrijfseconomische schaalgrootte van elk PMT nader worden onderzocht. In de kern is het concept van het AICD ingegeven door het continu (duurzaam) zoeken naar de meest optimale aanpassing aan markt, ecologie en ruimte. Derhalve gaat het concept niet uit van een definitief of vast eindbeeld of een volledige realisering in een beperkt aantal jaren. De eisen van de markt en wijzigend inzicht in de milieutechnische, landschappelijke en ecologische en ruimtelijke aspecten en de wijziging van de stand der techniek zullen 'on-going' in het concept dienen te kunnen worden gevolgd. Daarbij kennen markt, ecologie en productietechniek/ -innovatie ieder hun eigen veranderingssnelheden. De ruimtelijke inpassing van het AICD dient derhalve kaders aan te geven, waarbinnen de verschillende snelheden zich flexibel kunnen ontwikkelen, zonder nadelige invloed op andere ontwikkelingen te hebben. 2.2 Symbiosevormen Symbiose kan betrekking hebben op ruimtewinst, het verwerken van primaire, secundaire en energiestromen, het efficiënter inzetten van utilities en procesinstallaties en het gecombineerd terugdringen van de milieuemissies. In de praktijk zal vrijwel altijd sprake zijn van een combinatie. De dragers van de symbiose zullen de te vestigen bedrijven of bedrijfsonderdelen zijn, die de PMT's realiseren. De symbiose zal meer volledig zijn, naarmate meer of nieuwe PMT's gerealiseerd worden. In die zin is symbiose een dynamisch proces.

10

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Ruimtewinst Doordat de nieuwe bedrijven zich op de terreinen van Suiker Unie vestigen, wordt ruimte bespaard op bedrijventerreinen elders. Daarbij worden bedrijfsonderdelen ook in of tussen de bestaande gebouwen geplaatst of wordt een deel van het terrein omgevormd voor andere bedrijfsfuncties (vloeivelden). Directe ruimtewinst is er ook voor bedrijfsonderdelen die binnen de huidige gebouwen van de suikerfabriek gevestigd kunnen worden. Daarnaast kan gedacht worden aan procesonderdelen van nieuwe bedrijven, die gebruik maken van delen van de procesinstallatie van Suiker Unie of van (afgeleide) stromen uit het proces en aan proefopstellingen op beperkte schaal. Gelet op de huidige lay-out van de suikerfabriek wordt bij de directe inpassing nadrukkelijk grenzen gesteld aan de fysieke omvang. Op de langere termijn zal bij eventuele wijziging in de lay-out van de suikerfabriek met deze vorm van symbiose rekening gehouden moeten worden. Primaire stromen Het direct in het AICD verwerken van de productstromen uit de suikerbiet maakt tussentransport over de weg overbodig. Gedacht kan worden aan suikerwaren en snoepgoedfabrieken, productie van alcohol en veevoeder uit melasse en pulp. De pulp bevat waardevolle chemicaliën als pectine en fytosterolen en energie. De chemicaliën kunnen uit het pulp gehaald worden, waarna vervolgens de energie uit de pulp teruggewonnen kan worden door vergassen, verbranden of vergisten. Bij vergassen is het gevormde synthesegas nieuwe grondstof voor de industrie. Reststromen In het productieproces komen reststromen vrij. Deze producten zijn zand, klei, kalk, water en organische resten. De reststromen zouden ingezet kunnen worden voor de productie van keramiek, (kalkzand)stenen, algen, vlas of compost. Door een andere manier van afscheiden van de klei uit het afvalwater kan de verwerking van de klei op de locatie van de bestaande vloeivelden plaatsvinden. Naast de productie van algen als bruikbare biomassa kunnen algen een functie vervullen als waterzuivering met de mogelijkheid tot B-waterproductie. Energie Op het terrein van Suiker Unie staat een warmte-krachtcentrale (WKC). Tijdens de campagne is er restwarmte in de vorm van condensaat aanwezig. Nieuwe bedrijfsprocessen kunnen gebruik maken van de restwarmte. Buiten de campagne staat de centrale echter stil en is er ook geen warmte beschikbaar. De dimensionering van de WKC vraagt een grootverbruik van warmte (stoom) om bedrijfseconomisch verantwoord te kunnen functioneren. Gestudeerd wordt op de mogelijkheid de productie van suiker over een langere periode van het jaar te spreiden, door tijdens de campagne diksap te produceren, deze deels op te slaan en pas na de campagne tot kristalsuiker te verwerken. Daarmee wordt de operationele periode van de centrale verlengd, is er gedurende een langere periode restwarmte beschikbaar en zijn er meer mogelijkheden optimaal te profiteren van restwarmte op kleinere schaal. Door organische reststromen om te zetten in biogas en dit gas te gebruiken voor de energieproductie is een verdere besparing van fossiele brandstoffen en een verlaging van de CO2 en NOx uitstoot te realiseren. De mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie met windmolens op het terrein is momenteel in onderzoek.

11

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Utilities en installaties In principe zijn buiten de campagne alle procesinstallaties van ontvangst, drogen/indampen tot en met de opzaklijn en de waterzuivering beschikbaar. In de installaties zouden processen als het winnen van anti-oxidanten, pectine en andere chemicaliën het drogen van groenten en kruiden en solid-state fermentatie kunnen plaatsvinden. De invulling van deze vorm van symbiose is zeer specifiek en de ontwikkelingen bevinden zich thans nog op laboratoriumschaal. Milieuemissies De bestaande waterzuivering, de biovergassing en rookgassen zouden gezamenlijk geoptimaliseerd kunnen worden, waardoor er een betere reiniging plaats kan vinden. Zo kan bijvoorbeeld de CO2 emissie gebruikt worden bij de algenteelt en de eventueel te realiseren biogascentrale direct geschikt gemaakt kunnen worden voor het verwerken van geurstoffen en ammoniak, zodat deze emissie vermeden worden. Het afvalwater kan hergebruikt worden bij bijvoorbeeld de algenteelt of compostering, waardoor er minder vervuild afvalwater vrijkomt. De waterzuivering kan aangepast worden op het nieuwe aanbod en een zuivering tot B-waterkwaliteit realiseren, met hergebruik bij de wasinstallaties. 2.3 Effecten van symbiose Om een eerste inschatting te kunnen maken van de effecten van symbiose is een procesintegratiestudie uitgevoerd2. In deze paragraaf wordt een samenvatting gegeven van de bevindingen uit de procesintegratiestudie. In de studie zijn de PIVIT's doorgelicht op samenwerking voor een blijvende verlaging van de kosten en vermindering van de totale druk op het milieu. De PMT's zijn modelmatig gekoppeld op basis van de product- en energiestromen. De proces gerelateerde symbiose (utilities en installaties) en de symbiose van ruimtegebruik en milieuemissies zijn volgend geweest op de koppeling van de stromen. Voor de eerste modelmatige berekening zijn naast de suikerfabriek, een kalkzandsteenbedrijf, een keramisch bedrijf, een vlasbedrijf en een groente- en kruidenverwerker maatgevend geweest. Energie Gebleken is dat de huidige energie-infrastructuur van de suikerfabriek niet 'ondermeer inzetbaar is voor het AICD. Er zijn een aantal ingrepen nodig om verder te optimaliseren, waaronder het aantrekken van bedrijfsonderdelen met een aanzienlijke warmte en eventueel elektriciteitsvraag. De organische reststromen van het AICD kunnen (binnen zekere grenzen) omgezet worden in elektriciteit en warmte. Er is voldoende biomassa om een substantieel deel van de energievoorziening te kunnen leveren. In het model worden de pulpdrogers volledig gevoed met biogas. De locatie Dinteloord leent zich voor de opwekking van windenergie. De winst met deze optie is in de procesintegratiestudie niet verder uitgerekend.

2

KEMA: "Het AICD; een procesintegratiestudie" Voortgangsrapportage werkgroep Virtueel Complex, 17 augustus 1999

12

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Vermeden emissies Een combinatie van het gebruik van restwarmte van de WKC en de inzet van biogas bij de pulpdrogers levert een vermindering van de CO2-emissie als gevolg van het verbranden van fossiele brandstoffen. Daarnaast wordt de drooglucht van de groente- en kruidenverwerker gebruikt als verbrandingslucht in de ketels van de suikerfabriek. Hierdoor worden extra geuremissies vermeden en verlaagt het water in de drooglucht de NOx emissie. In de biomassa vergasser kunnen de ammoniakemissies van de suikerfabriek verwerkt worden waardoor de ammoniakemissie volledig vermeden wordt. Het resultaat is een besparing van de emissies van CO2, NOx en NH3 van respectievelijk 25%, 50% en 100%. Een verder optimalisatie van het energiebedrijf met meer inzet van biogas en een grote afnemer van stoom kan een verdere forse besparing van de CO2-emissie opleveren. Over de geuremissies zijn geen gegevens bekend. De symbiose heeft echter wel tot gevolg dat door een aanpassing in de luchthuishouding de geurbelasting van de groente- en kruidenverwerker geen extra belasting van de omgeving oplevert. Het hergebruik van het afvalwater en het wegvallen van een groot deel van de vloeivelden kan een reductie in de geuremissie opleveren. Het verminderen van het verbruik van (grond-)water kan bereikt worden door het hergebruiken van het afvalwater van de suikerfabriek. Door dit afvalwater in te zetten hoeft er geen extra grondwater opgepompt te worden en zullen er geen extra waterlozingen zijn. In de onderzochte situatie zijn twee watergebruikende PMT's betrokken (vlasbedrijf en de algenteelt), maar er wordt nagenoeg geen extra water verbruikt of geloosd. De kwantitatieve en kwalitatieve kanten van de emissies naar water zijn niet verder onderzocht. Ruimtegebruik De integratie van het energiebedrijf, het waterbedrijf, het vlasbedrijf en de groenteen kruidenverwerking bleek de beste mogelijkheden te bieden voor ruimtewinst binnen het procesgedeelte van de suikerfabriek. De uitbreidingen bij en aanpassingen van het water- en energiebedrijf passen binnen het huidige fabrieksterrein. Het vlasbedrijf en de groente- en kruidenverwerking zijn voor de water-, energie- en luchthuishouding grotendeels te integreren binnen het huidige bebouwde gedeelte van Suiker unie. De ruimtewinst die hierbij te verwachten is ligt tussen de 50% en 80% ten opzichte van solitaire vestiging op een andere locatie. Voor het grond-, keramisch en kalkzandsteenbedrijf is een vestiging op de huidige vloeivelden mogelijk, omdat een direct gebruik van de klei en zand de afscheiding uit het afvalwater en de opslagcapaciteiten gecombineerd kunnen worden. Door de combinatie en integratie van de drie PMT's is minder ruimte nodig dan voor de afzonderlijke bedrijven. In totaliteit is voor deze drie bedrijfsonderdelen een ruimtebehoefte berekend van ca. 45 ha. Door een volledige inpassing op de vloeivelden van Suiker Unie te realiseren is de ruimtewinst meer dan 100% ten opzichte van de situatie waarbij de bedrijven solitaire vestigingen elders zouden hebben. Voor het alcoholbedrijf en de algenteelt is een integratie binnen de huidige fabrieksbebouwing niet mogelijk, door de maatvoering en de milieu-technische eisen voor met name de alcoholfabriek. Bij een verlenging van de productieperiode van de suikerfabriek, waardoor een veel betere benutting van de WKC mogelijk is, zijn extra opslagtanks voor diksap nodig. Deze tanks voor de opslag van diksap zijn niet inpasbaar in de huidige fabrieksbebouwing. Er zijn mogelijkheden voor dubbelruimtegebruik als de tanks ondergronds aangelegd worden.

13

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Grondstoffen Door het hergebruiken van reststoffen van de suikerfabriek bij de fabricage van keramisch producten en de kalkzandstenen wordt een besparing op de grondstoffen gerealiseerd. In totaal wordt 90.000 ton zand en klei hergebruikt. Het inzetten van 200.000 ton pulp als biomassa voor energiewinning levert een besparing op in het gebruik van fossiele brandstoffen. Transport De logistieke winst betreft het wegvallen van de wegtransporten van de reststoffen, de aanvoer van grondstoffen over het water en het verbeteren van de ontsluiting over de weg. De schaalgrootte van de PIVIT's (keramisch bedrijf en kalkzandsteen bedrijf) is bij de modelberekeningen gebaseerd op bestaande bedrijven. Dit zijn bedrijven met een aanzienlijke doorzet van grondstoffen. Hierdoor moet een groot gedeelte van de grondstoffen (klei en zand) aangevoerd worden om ook buiten de campagne rendabel te kunnen produceren. De aanvoer van deze grondstoffen kan bij de realisatie van een tweede kade over het water plaatsvinden. Gezien de capaciteit van de huidige kadefaciliteiten kan ca 7% van de suikerbieten over water aangevoerd worden. Bij de aanleg van een tweede kade wordt de capaciteit uitgebreid. De huidige kade van Suiker Unie kan in gebruik genomen worden voor de aanvoer van suikerbieten uit Flevoland3. De afvoer van de producten vindt over de weg plaats. De huidige capaciteit van de ontsluitingsweg (de Kreekweg) is onvoldoende voor deze extra verkeersbewegingen`. Bij de ruimtelijke inpassing van het AICD dient uitgegaan te worden van een nieuwe ontsluiting van het AICD en het doortrekken van de A4. De toename van het wegverkeer zal bij de nieuwe ontsluiting geen toename van de hinder tot gevolg hebben in de nabijgelegen woonkernen.

3

AICD: Afweging varianten logistiek en infrastructuur, Grontmij, concept 27 januari 2000

14

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Bedrijfseconomisch De bedrijfseconomische winst wordt voor een groot deel gerealiseerd door het hergebruik van de WKC van Suiker Unie. Hierdoor worden kosten bespaard voor aardgas, elektriciteit en opwekken van stoom. Uit de modelberekeningen blijkt dat bij de gekozen invulling een totale besparing van ca. ƒ 4,1 miljoen haalbaar is. Hiervan is ca. ƒ 3 miljoen toe te schrijven is aan besparing van energiekosten. Overige besparing wordt gerealiseerd door het hergebruik van afvalwater en kalk. Voor het hergebruik van de reststromen zand, klei en pulp is geen economische winst opgenomen, omdat deze restproductie ook zonder het hergebruik op het AICD een economische waarde hebben. Ook de extra opbrengsten van nieuwe producten zoals keramische producten, algen, vlas, groenten en kruiden zijn niet in de economische winst opgenomen, omdat hiervoor een gedetailleerdere berekening nodig is. 2.4 Ruimtebeslag Voor de ontwikkeling van het AICD wordt voor de nieuwe bedrijfsonderdelen uitgegaan van vestiging op de bestaande terreinen van Suiker Unie. Dit zijn: fabriekscomplex van de suikerfabriek (26 ha.); ontvangstterrein voor de bieten met de omliggende agrarische percelen (24 ha.); vloeivelden/ afvalwaterberging (90 ha.). Voor kleine vergaand geïntegreerde bedrijfsonderdelen zullen er voldoende mogelijkheden bestaan binnen het huidige fabriekscomplex. Voor de ontwikkeling van het AICD is het omvormen van in ieder geval een deel van de vloeivelden essentieel. Bij een toepassing waarbij de oppervlakte van de vloeivelden en afvalwaterberging afneemt komen er terreinen vrij waar vestiging van bedrijfsonderdelen mogelijk wordt. Een deel van het vrijkomende terrein zal als bestemming de kade voor de overslag van goederen kunnen krijgen. Ter compensatie voor de aanleg van de kade kan een deel van het terrein gereserveerd worden voor de realisatie van de ecologische verbindingszone die langs de Dintel is geprojecteerd. Zoals uit de symbiosevormen en bij de modelberekeningen van de procesintegratiestudie naar voren is gekomen zullen er voor een optimale symbiose, naast volledig integreerbare bedrijfsonderdelen, ook bedrijfsonderdelen gerealiseerd worden die qua schaalgrootte overeenkomen met de schaalgrootte van onderdelen van de huidige suikerfabriek. Deze kunnen niet geïntegreerd worden binnen het huidige productiecomplex van de suikerfabriek. Door de reservering van een gedeelte van het terrein van Suiker Unie voor de kade en de invulling van de ecologische hoofdstructuur zal op het terrein van Suiker Unie ruimte in de directe omgeving van het huidige fabriekscomplex gereserveerd moeten worden. De inspanningsverplichting zo efficiënt mogelijk met de beschikbare ruimte om te gaan blijft uitgangspunt van het AICD, maar een te krappe afbakening van het plangebied zal de haalbaarheid van het AICD negatief beïnvloeden. Als aanvullend terrein is daarom ook het agrarisch gebied ten zuiden van de Noordzeedijk bij het plangebeid van onderhavige studie betrokken (ca. 100 ha) voor meer extensief gebruik. Deze gronden zijn ook in eigendom van Suiker Unie.

15

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

2.5 Borgingsinstrumenten De nulsituatie voor milieu Binnen de werkgroep Milieuvergunningen zijn voorstellen uitgewerkt voor de nulsituatie voor het AICD. In de voortgangsnotitie van de betreffende subwerkgroep4 is aangegeven dat de partijen (Suiker Unie, provincie Noord-Brabant, Hoogheemraadschap van West Brabant en de gemeenten Steenbergen en Halderberge) overeenstemming hebben bereikt over de nul-situatie. De nulsituatie geeft aan wat op het gebied van hinder en bovenlokale emissies de maximale grenzen zijn van de relevante milieuaspecten voor het toekomstige AICD. Vestiging van bedrijven is alleen mogelijk zolang het AICD als geheel binnen de grenzen van de nul-situatie blijft. Eventuele ruimte binnen de nul-situatie grenzen die vrijkomen door verbeterde milieuprestatie van de gevestigde bedrijven kan in principe opgevuld worden door de vestiging van nieuwe bedrijven en/of bedrijfsprocessen mits binnen de grenzen van de nul-situatie gebleven wordt. De nul-situatie is een multilaterale afspraak tussen de betrokken partijen. De gegunde situatie kan echter alleen rekening houden met de op dat moment aanwezige bedrijven en kan niet meer bevatten dan voor de bedrijven noodzakelijk is. In principe zal het bevoegd gezag voor de vestiging van nieuwe bedrijven of bedrijfsprocessen uitbreidings- of veranderingsvergunningen kunnen verlenen zolang het AICD als geheel binnen de grenzen van de nul-situatie blijft. Aan de kant van de woonkern Stampersgat mag er geen toename van hinder zijn. De komende beschikking op de aanvraag Wet milieubeheer van de suikerfabriek zal hieromtrent duidelijkheid geven. De nul-situatie is dan de situatie na de beschikte maatregelen. Om het AICD ruimte voor ontwikkeling te geven zou aan de westelijke kant van het toekomstige AICD voor geur en geluid in overleg met bevoegd gezag op beperkte schaal afgeweken kunnen worden van de beschikking. Daarbij moet uitdrukkelijk rekening gehouden worden met geur- en geluidsgevoelige objecten. Voor de periode buiten de campagne zal de hinder lager zijn dan in de periode van de campagne. Parasolvergunning Zoals uit de beschrijving van de symbiose blijkt zal het AICD in de toekomst moeten functioneren als één geheel. Bij de afweging bij de toe te passen modellen voor het vergunningensysteem5 komt naar voren dat een constructie waarbij het AICD wordt gezien als één partij die fungeert als vergunninghouder voordelen biedt. Deze constructie is direct te operationaliseren en de juridische risico's zijn gering. De voordelen van de constructie zijn: er is een centraal aanspreekpunt die als vergunninghouder ook verantwoordelijk is voor het naleven van de voorschriften in de vergunningen; de vergunningsituatie blijft helder en handhaafbaar, omdat er voor de hele locatie één Wm-vergunning en één WVO-vergunning is; nieuw toetredende bedrijven hoeven niet de complete procedure van een vergunningaanvraag te doorlopen.

4 5

AICD: Eindconcept subwerkgroep nulsituatie; 27 januari 2000 AICD: Raamwerk Vergunningensysteem, een inrichting - een vergunning, concept versie 3, 15 december 1999

16

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Dat er van één inrichting gesproken kan worden, biedt vanuit het ALARA-beginsel bij de vergunningverlening voordelen. Het ALARA-principe is van toepassing voor en tussen alle milieucompartimenten op het gehele complex en er is een vrije uitwisseling van afval en reststromen mogelijk. Hierdoor kunnen de noodzakelijke investeringen bij de verschillende bedrijfsprocessen met het hoogste financieel en bedrijfsrendement worden ingezet. Door bovenstaande constructie biedt de parasolvergunning de volgende waarborgen: er is één aanspreekpunt, één eindverantwoordelijke partij vanuit het AICD. Voor de korte termijn is dat Suiker Unie. Op de langere termijn kan een andere partij deze functie overnemen; voor het bevoegd gezag biedt het vergunningensysteem de waarborgen voor een integrale afweging op complex niveau met een doorwerking naar milieu- en RO-prestaties van de individuele bedrijfsprocessen; de maximale milieubelasting van het AICD wordt vastgelegd in de nulsituatie. hoe omgegaan wordt met de inpassing van de verschillende processen en de noodzakelijke emissiebeperkende maatregelen, wordt bepaald aan de hand van een integraal plan voor het gehele complex; de individuele bedrijfsprocessen zijn opgenomen in het integraal plan en daarmee afgestemd. Vanuit de subwerkgroep Milieuvergunningen van het AICD zijn de concrete taken voor het milieu en RO-management benoemd. Vanuit de opzet van de parasolvergunning één inrichting - één vergunning, zal er sprake zijn van een faciliterende organisatie. Parkmanagement Voor het AICD wordt in de werkgroep Parkmanagement de mogelijkheden onderzocht van parkmanagement 6. Parkmanagement is het containerbegrip voor een veelheid aan activiteiten, zoals voor ontwikkeling, beheer en onderhoud, organisatie, facilities en utilities. In de betreffende werkgroep wordt het Parkmanagement verder uitgewerkt en een keuze gemaakt uit Parkmanagement als regelaar, als exploitant of als ontwikkelaar en exploitant.

6

AICD: "Parkmanagement AICD", Voortgangsrapportage, 19 november 1999

17

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

3. BELEIDSKADERS 3.1 Ruimtelijke Ordening Rijk Als aanloop naar de vijfde nota Ruimtelijke Ordening is de Startnota "De ruimte van Nederland”7 verschenen. Bij de behandeling van de startnota in de Tweede Kamer8 heeft de Minister aangegeven te overwegen een stelsel van rode en groene contouren in de Vijfde Nota op te nemen. Groene contouren rond landschappelijke en ecologisch belangrijke gebieden en rode contouren rond steden en dorpen, met daartussen de zogenoemde balansgebieden, waar onvermijdelijke verstedelijking en infrastructuur toelaatbaar is mits onderdeel van verbeteringsprojecten. Kernbegrip is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit 9: 1. ruimtelijke functionaliteit: het elkaar versterken van de verschillende economische functies; 2. ruimtelijke diversiteit: afwisseling van verstedelijking met open ruimten; 3. culturele diversiteit: de historie dient zichtbaar te blijven naast technologische vernieuwing; 4. ruimtelijke-sociale rechtvaardigheid: de ruimtelijke omstandigheden moeten iedereen gelijke kansen bieden tot een goed en gezond leven; 5. de ruimtelijke ordening moet bijdragen aan de bestrijding van milieuproblemen: kwaliteit vergt duurzaamheid; 6. meer aandacht voor inrichting en ontwerp: een culturele opgave; 7. ruimtelijke kwaliteit is een kwestie van menselijke maat: waar de maatvoering groot is moet extra aandacht aan de inrichting van de publieke ruimten besteed worden. Provincie Het vestigingsbeleid voor bedrijven10 richt zich op uitbreiding van bedrijventerreinen bij de groeiklasse 5 gemeenten11 Roosendaal en Bergen op Zoom en de stadsregio Breda. Suiker Unie is gelegen naast de kern Stampersgat, een zogeheten groeiklasse 1-kern. In principe past een ontwikkeling als het AICD niet binnen een groeiklasse 1-kern. Bij een uitbreiding geldt dat verplaatsing naar een kern van een hogere groeiklasse de voorkeur heeft indien de uitbreidingen de lokale functie overstijgt. In West-Brabant is alleen Moerdijk genoemd als 'regionaal bedrijventerrein buiten de stadsregio’12. Het provinciaal beleid biedt wel mogelijkheden voor het bedrijventerrein Moerdijk II, omdat zij "door haar ligging in aanmerking voor (grootschalige) bedrijven die in of nabij woongebieden uit milieuoverwegingen minder aanvaardbaar zijn"13. De herziening van het streekplan14 verschilt van het vigerende beleid: aandacht voor gebiedsgerichte uitwerkingen. 'Dintelland' met grote ingrepen als: een nieuw duurzaam bedrijventerrein bij Moerdijk, een glastuinbouwcomplex, mogelijk een agri-industrieel complex en diverse wegen en spoorwegen;

7 8 9 10 11 12 13 14

Ministerie van VROM, Startnota "De ruimte van Nederland, 1999. Behandeling van de startnota "De Ruimte van Nederland in de Tweede Kamer, 15 november 1999. Toespraak van Minister Pronk over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening op ANWB-nieuwjaarsbijeenkomst op 18 januari 2000, te Den Haag Provincie Noord-Brabant, Bedrijventerreinen Op Maat, 1999 Het groeiklassebeleid geeft de mate aan waarin verstedelijking van een stad of dorp wordt nagestreefd door de bouw van woningen en de vestiging van bedrijven. Provincie Noord-Brabant, Streekplan Noord-Brabant, juli 1992. Provincie Noord-Brabant, Partiele herziening van het Streekplan Noord-Brabant, februari 1998. Prov. Noord-Brabant: Brabant Contrastrijk, Ruimtelijke visie op de toekomst van Brabant, dec 1999.

18

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

meer aandacht voor de potenties van Noord-Brabant als scharnierpunt tussen de Randstad, het Ruhrgebied en de Vlaamse Ruit. Van belang is wel dat het woon- en leefmilieu en de draagkracht van natuur en landschap grenzen stellen aan het (economisch) uitbuiten van deze positie; meer ruimte voor beken en rivieren met het oog op de waterhuishouding. Er komt meer ruimte voor natuur; er wordt afgestapt van de indeling in vijf groeiklassen. Er komt alleen een tweedeling in stedelijke regio's en landelijk gebied, met in het landelijke gebied een duurzame begrenzing van de kernen en de ontwikkelingen van bedrijventerreinen op een beperkt aantal locaties; bij de ordening van het landelijke gebied komen er op Brabantse schaal drie zones: natuurgebied, verwervingsgebied en perspectiefgebied. Op lokale schaal kunnen meer zones onderscheiden worden. Een extra zone op lokaal niveau is de zogeheten opknapzone waar de natuur- en landschapswaarden een impuls wordt gegeven door extra bebouwing toe te staan ('rood voor groen'); het thema regionale accentuering is verbreed, waardoor er meer rekening gehouden kan worden met het eigen karakter van de regio's en er meer gelegenheid wordt geboden voor maatwerk. Lokaal Het bestemmingsplan "Kom Stampersgat"15 bestemt de bestaande situatie (gemeente Harderberge). Er is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding, waarin de voorkeur wordt uitgesproken de locatie aan de Markiezaatstraat te ontwikkelen voor woningbouw. Deze locatie wordt ook in de in voorbereiding zijnde StructuurvisiePlus 16 van de gemeente Halderberge aangegeven. Wat betreft de ontwikkeling van het AICD op het terrein van Suiker Unie is de gemeente Halderberge van mening dat een toename van de hinder in de kern Stampersgat als gevolg van deze plannen dient te worden voorkomen17. Het bestemmingsplan Beaumondpolder18 bestemt de gronden van Suiker Unie (gemeente Steenbergen). Op het terrein ten westen van het Mark-Vlietkanaal is zeer beperkt bebouwing toegestaan. Grootschalige bebouwing is toegestaan op de terreinen ten oosten van het Mark-Vlietkanaal. Ten noorden van de Noordzeedijk mag tot 50% van het oppervlakte bebouwd worden tot een maximale hoogte van 45 meter. Ten zuiden van de Noordzeedijk mag 25% bebouwd worden met een hoogte van maximaal 7 meter met vrijstelling tot 15 meter. 3.2 Milieu en economie Rijk Het kabinet heeft in de Nationale Milieubeleidsplannen (NMP's) haar milieubeleid vormgeven. Berekeningen van het RIVM19 laten zien dat met de maatregelen uit het NMP-3 aanzienlijke emissiereducties kunnen worden bereikt. De NMP-doelstellingen zullen grotendeels gerealiseerd kunnen worden, zij het in een aantal gevallen later dan aangegeven. Het betreft hier met name de doelstellingen voor verzuring (NOx en ammoniak), verstoring (geluidhinder) en klimaatveranderingen (broeikaseffect). De

15 16 17

18
19

SAB, Gemeente Ouden Nieuw Gastel, Bestemmingsplan Kom Stampersgat, april 1975; vastgesteld door raad d.d. 25 augustus 1976, goedgekeurd door GS d.d. 28 september 1977. BRO, Gemeente Halderberge, StructuurvisiePlus, concept 1999. Structuurvisie deel II, pagina 65 RBOI, Gemeente Dinteloord en Prinsenland, Bestemmingsplan Beaumondpolder, juli 1981; vastgesteld door raad dal. juli 1991, goedgekeurd door GS dal. 21 december 1982. RIVM Milieuverkenning 1998

19

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

hoofdoorzaak ligt in de nauwe verwevenheid tussen de groei van de economie en de effecten op het milieu. In de startnota zijn voor de Vijfde nota RO ook uitgangspunten voor een duurzame economie in relatie met energie geformuleerd: absolute ontkoppeling economische groei en milieudruk; streven naar milieuwinst bij energiegebruik, verkeer en vervoer en landbouw; modernisering economische activiteiten door preventie, bundeling en integratie; betere situering vragers en aanbieders van energie. Een duurzame economie20 weerlegt de schijnbare tegenstelling tussen economische groei en vermindering van de milieudruk. Aan de milieuzijde zijn er de volgende kernthema’s; minder materiaalgebruik verhoging van energie en materiaalefficiency sluiten van kringlopen leveren van schonere producten en diensten overstap van end-of-pipe- naar procesgeïntegreerde technologie. Provincie Het provinciale milieubeleid is gericht op het in stand houden van het draagvermogen van het milieu en zodoende een duurzame ontwikkeling mogelijk te maken21. Centraal staat de gedachte dat integraal ketenbeheer de kwaliteit van producten en processen moet bevorderen en zowel lekverliezen als uitputting van energie- en grondstofvoorraden moet voorkomen. 3.3 Infrastructuur Rijk Voor de ontsluiting van het terrein van het AICD is het doortrekken van de Rijksweg A4 van belang22. De autosnelweg vormt een ontbrekende schakel in de hoofdtransportas in zuidelijke richting (onder andere Antwerpen). Provincie In het PVVP (Provinciaal verkeers- en vervoersplan) is een toekomstbeeld geschetst tot 2030. Dit toekomstbeeld sluit aan bij het rijksbeleid en is gebaseerd op een categorisering van wegen conform het concept ”Duurzaam Veilig”. Voor vervoer over water wordt gebruik gemaakt van de Dintel en het Volkerak; een hoofdtransportas voor vervoer over water23.

20 21 22 23

Ministerie van VROM, EZ. LNV en V&W: Nota Milieu en Economie; op weg naar een duurzame economie, 1997 Provincie Noord-Brabant, Provinciaal Milieubeleidplan 1995-1999, oktober 1995 Minister van Verkeer en Waterstaat en ministerie van VROM, Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer, 1988. N.B. Er is reeds een begin gemaakt met de actualisatie van dit Structuurschema. Ministerie van VROM, Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra, december 1993.

20

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

3.4 Besluit milieu-effect rapportage Voor een bedrijventerrein geldt. volgens de nieuwe regeling Milieu Effect Rapportage het volgende schema24:

Is het een nieuw bedrijventerrein welke inclusief wettelijk verplichte zones een omvang heeft van > 150 ha? nee Is het een nieuw terrein van > 75 ha, of een wijziging of uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein met een totale omvang van > 75 ha (inclusief wettelijke zones)? nee

ja

MER-plicht volgens lijst C

Wel een MER opstellen ja Beoordelingsplicht volgens lijst D. Zijn er bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen en is een MER dus noodzakelijk? nee ja

Er hoeft geen MER opgesteld te worden

Samengevat geldt dat: ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein welke inclusief de wettelijke zones een omvang heeft van > 150 ha. is MER-plichtig; ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding of wijziging van een bestaand bedrijventerrein met een totale omvang, inclusief de wettelijke zones, van > 75 ha. is beoordelingsplichtig. De ontwikkeling van het AICD betreft een uitbreiding/ wijziging van een bestaand terrein dat inclusief de geluidzone een oppervlakte van ca. 550 ha bestrijkt. Dit initiatief is in principe niet MER-plichtig. De Suiker Unie hecht echter veel waarde aan heldere en open communicatie met overheden en omwonenden en heeft besloten een vrijwillig inrichtings-MER op stellen.

24

Bron: Besluit milieu - effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij besluit van 7 mei 1999 Stb.224

21

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

DEEL II: ONDERBOUWING VAN DE LOCATIEKEUZE 4. ECONOMISCHE BETEKENIS 4.1 Positionering van West-Brabant West Brabant ligt binnen de Noordwest-Europese kernzone, die bestaat uit de agglomeraties Randstad, Vlaamse Ruit en Rijn-Ruhrgebied, met uitlopers naar LilleParijs en Frankfurt-München. Om te kunnen concurreren met omliggende regio's in de Noordwest-Europese kernzone wordt het concurrentieprofiel gebaseerd op die activiteiten waarvoor de regio reeds een sterke concurrentiepositie heeft opgebouwd. Voor West Brabant zijn dit de voedings- en genotmiddelen industrie en de chemische sector. Suiker Unie en de bedrijfsactiviteiten van het AICD-concept behoren tot de voedings- en genotmiddelenindustrie. In West-Brabant zijn de sectoren industrie, horeca en handel en de zakelijke en overige diensten goed vertegenwoordigd. De werkgelegenheid in deze sectoren is de afgelopen jaren gegroeid, met uitzondering van de industrie. Binnen de sector industrie is met name de werkgelegenheid in de voedingsmiddelen-, metaal- en machine-industrie gedaald. Productiestructuur in West-Brabant
Categorie

Basis: Toegevoegde waarde (COROP): 1993 Voedings- en genotmiddelenindustrie
Chemie Papier en kanonindustrie Bouwmaterialenindustrie Openbare nutsbedrijven Bouwmaterialenindustrie Metaal-elektro Bouwnijverheid Groothandel (+detailhandel) Transport Landbouw

Basis: Werkgelegenheid (Gewest-indeling):1996 Voedings- en genotmiddelenindustrie Chemie Vervoer Transportmiddelenindustrie Papier- en kartonindustrie Openbare nutsbedrijven Groothandel Bouwnijverheid Landbouw

Zeer sterk vertegenwoordigd

Sterk vertegenwoordigd

Overige belangrijke categorieën

Bron: West Brabant: veelzijdige en kansrijke regio in Noordwest Europa Ten opzichte van geheel Noord Brabant en Nederland blijkt dat in West Brabant de beroepsbevolking sterker groeit dan het aantal banen. Naar verwachting zal tot 2005 de werkgelegenheid in West Brabant met 2.500 arbeidsplaatsen per jaar moeten toenemen om de groei van de beroepsbevolking op te vangen25.

25

West Brabant: veelzijdige en kansrijke regio in Noordwest Europa; het concurrentieprofiel van West-Brabant

22

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Groei aantal banen (exclusief uitzendkrachten) en beroepsbevolking Regio Banengroei per jaar 1992-1996
West Brabant Nederland
1
1

Groei Beroepsbevolking Absoluut per jaar Absoluut 1992- 1992-1996 1997-2005 1992-1996 1997-20053 1996
3.000 48.500 268.000
2 2 2

0,3% 1,3% 1,1%

1,4% 1,5% 1,5%

0,9% 0,9% 1,0%

15.200 58.300 385.000

20.100 75.000 550.000

Noord Brabant

WGR-indeling 1997 ('gewest' indeling)

LISA

Volgens CPB-scenario 'European Coordination'

Daarmee staat West Brabant voor de opgave een hoge economische groei te realiseren en een groei van het Bruto Regionaal Product van 3,5%. Naar verwachting zal met alleen autonome groei het vereist aantal banen niet gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent, dat naast de autonome groei gezocht zal moeten worden naar mogelijkheden om investeringen aan te trekken. De ontwikkeling van het AICD zou hierin een rol kunnen spelen. Gelet op de complexiteit van het concept mag echter niet verwacht worden, dat er op korte termijn een groot effect van uit zal gaan naar de omvang van de werkgelegenheid. De suikerfabriek van Suiker Unie te Dinteloord is gevestigd in de gemeente Steenbergen op de grens met de gemeente Halderberge. In de gemeente Steenbergen is de agrarische sector en de handel en reparatie procentueel sterk vertegenwoordigd. De industrie en zakelijke dienstverlening kenden in de periode 1994-1998 een negatieve werkgelegenheidsgroei. Positieve groei was er in de gezondheidszorg, overige diensten, horeca, logistiek en handel en reparatie. Ook in Halderberge26 zijn de agrarische sector en de handel en reparatie procentueel beter vertegenwoordigd dan in de rest van Brabant. De werkgelegenheid in de industrie is in de periode 1994-1998 evenwel gedaald. De werkgelegenheid in de andere sectoren is in de periode toegenomen (zakelijke en overige diensten en horeca). 4.2 Betekenis van de agro-industrie 4.2.1 De agrobusiness in het algemeen De Agribusiness heeft binnen de productiestructuur van Noord-Brabant een werkgelegenheidsaandeel van 9%. In het Noordwestelijk kleigebied in West-Brabant is het aandeel van de agribusiness relatief kleiner dan in geheel Noord-Brabant. Aandeel productiestructuur bij plattelandsgemeenten totaal Noord-Brabant Landbouw Overige Agribusiness totaal Agribusiness bron: Agribusiness in beeld 11% 5% 16% Noordwestelijk kleigebied 8% 6% 14%

26

Kamer van Koophandel voor West Brabant.

23

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

De werkgelegenheid op het platteland is tussen 1993 en 1998 gegroeid met 14%. Indien het Noord-Brabantse platteland opgedeeld wordt in vier regio's, dan blijkt dat de groei in West-Brabant het laagste is geweest (10-11% tegen 14-17% in de oostelijke regio's. Het aantal werkzame personen in de primaire sector van Noord-Brabant blijft stabiel; echter het arbeidsvolume daalt, zodat er relatief meer parttimers in de agribusiness actief zijn. Werkgelegenheidsgroei 1993-1998

Regio Totaal Plattelandsgemeenten Noordwestelijk kleigebied Zuidwestelijk kleigebied Kempen/Midden-Brabant/Meierij Peelgebied (ruime zin) bron: Agribusiness in beeld

werkgelegenheidsgroei 14% 11% 10% 17% 14%

Voor de agribusiness wordt een daling van de werkgelegenheid verwacht, maar dit laat onverlet dat de sector van groot belang voor de Brabantse economie blijft 27. Berekeningen aan de hand van de CPB-scenarios European Coordination (EC) en Global Competition (GC) laten het volgende beeld zien: Verwachte Werkgelegenheidsgroei tov 1998 Primaire sector 2010 EC 2010 GC bron: Agribusiness in beeld De druk op de agribusiness betekent een noodzakelijke extra inspanning voor het zoeken naar mogelijkheden om meer toegevoegde waarde te creëren, meer kwaliteitsbewust te produceren en een hogere opbrengst per product te genereren. Het concept van het AICD sluit hier op aan. Bovendien kan het AICD ongewenst versnipperen van agro-industriële activiteiten voorkomen. Binnen de agribusiness dienen ook andere (nieuwe) activiteiten meer economisch draagkracht krijgen, met name kleinschalige diensten zoals agro gerelateerde handel, makelaardij en accountancy. Deze activiteiten kunnen in principe goed met de woonfunctie gecombineerd worden, kunnen in de buitengebiedkernen plaats vinden of aansluiten bij bestaande initiatieven. 4.2.2 De positie van Suiker Unie binnen de agro-industrie Met 196 personen in vaste dienst en 128 extra tijdens de campagne heeft de suikerfabriek in Dinteloord een bescheiden aandeel in de werkgelegenheid in de voedings- en genotmiddelenindustrie (ca. 2%). -14% -32% Overige agribusiness -8% -20% Totaal agribusiness -9% -27%

27

ETIN: "Sociaal economische verkenning voor Noord-Brabant"; oktober 1999

24

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Het belang van Suiker Unie is vooral gelegen in de centrale positie in de regionale productiestructuur. De productie van suiker staat aan het begin van de productieketen en kent evenals andere VGM-productie een relatief grote multiplier werking (ca. 3 - 4). De suikerfabriek neemt van ca. 1.300 bedrijven in West-Brabant en 1.500 bedrijven in Oost-Brabant suikerbieten af. West-Brabant is door de grondslag een bij uitstek geschikt gebied voor de productie van bieten en de nabijheid van Suiker Unie is daarbij van essentiële betekenis. De vervoerskosten van de bieten zijn een bepalende factor. De aanwezigheid van een afzetstructuur en de mogelijkheid tot nieuwe (teelt-) stimulansen zijn voor het toekomstperspectief van de agrarische sector een kritische factor. Het concept van het AICD, waarbij vanuit de productie van suiker wordt gezocht naar vernieuwende concepten in de agro-industrie zijn dan ook vanuit de productiestructuur gezien van grote betekenis. Op lokaal niveau is de suikerfabriek een grote werkgever. De fabriek maakt reeds generaties deel uit van het profiel van Stampersgat. De invloed van de suikerfabriek op de ontwikkeling van Stampergat is door het arbeidsextensieve karakter van de huidige productie minder geworden. Vanuit de agrarische sector gezien is de lokale betekenis van de suikerfabriek als afnemer van de suikerbieten echter onveranderd groot. 4.2.3 De potentie van de suikerindustrie in Nederland Het concept van het AICD speelt in op de trend van netwerk en clustervorming. Zoals in bijna alle gebieden in de wereld is de suikermarkt in Europa gereguleerd (EU-suikerregeling of suikermarktordening). De Fusieregeling is gebaseerd op het beginsel: de beschikbaarheid van suiker - een basisvoedingsmiddel - binnen de Europese Unie te verzekeren tegen een betaalbare, stabiele prijs; de teler van suikerbieten zal een billijk inkomen ontvangen; de productiviteit en specialisatie binnen de landbouw zal worden bevorderd. De regeling beperkt de suikerproductie in Europa door toewijzing van productiequota aan lidstaten en daarbinnen vast verdeeld onder nationale suikerproducenten. Daarnaast zijn er minimumprijzen voor suiker en suikerbieten vastgesteld en is er een bescherming tegen onbeperkte invoer van suiker afkomstig uit derde landen. De huidige EU- suikerregeling zorgt ervoor dat Suiker Unie voor haar productiequotum - te weten 543.000 ton kristalsuiker - een gegarandeerde prijs ontvangt en dat de concurrentie vooral op Europees niveau plaatsvindt. De EU-suikerregeling staat evenals elders in de wereld onder druk als gevolg van de nieuwe WTO-ronde, gericht op een toenemende liberalisering van de wereldmarkt. Ook de toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU en de korting van Europese budgetten zuilen een duidelijke invloed hebben op de EU-suikerregeling. De verwachting is dat er gedurende de komende decennia een geleidelijke afbouw van de suikermarktordening zal plaatsvinden. In eerste instantie zullen de productiequota met kleine hoeveelheden naar beneden aangepast worden. Daarna zullen ook suikerprijzen omlaag gaan. Uiteindelijk zal er op de lange termijn (15 á 25 jaar) mogelijk een volledig vrije marktsituatie kunnen ontstaan. Voor de volledig vrije marktsituatie zijn de verwachtingen er is geen quotumregeling meer, hetgeen betekent dat suikerproducenten hun productiehoeveelheden bepalen; suikerproducenten vanuit derde landen krijgen onbeperkt vrije toegang tot de Europese suikermarkt; de concurrentie op de Europese suikermarkt zal toenemen door groeiende Europese suikerproductie en aanbod van suiker vanuit derde landen; de prijzen worden bepaald door vraag en aanbod;
25

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

de samenstelling van het suikeraanbod zal wijzigen; minder kostefficiënte bieten rietsuikerproducenten in de wereld, die nu door een suikerregulering worden beschermd, verdwijnen. De gewijzigde samenstelling van vraag en aanbod leidt ertoe dat de suikerprijs in Europa flink (ca. 25%) zal dalen ten opzichte van het huidige minimumniveau. De concurrentie spitst zich toe op kostprijs in combinatie met een sterke binding van de afzetmarkt (commerciële concurrentiepositie). De wereldvraag naar suiker zal op het moment dat er een vrije marktsituatie ontstaat sterk ten opzichte van het huidige niveau zijn gegroeid. De verwachting is dat in 2015 de vraag ten opzichte van het huidige niveau met ca. 50% (tot 168 miljoen ton suiker) is toegenomen. De stijging komt grotendeels voor rekening van de toenemende importbehoefte van Afrika en Azië als gevolg van sterke bevolkingsgroei in combinatie met een stijgend welvaartspeil. Het aanbod zal worden ingevuld door de meest kostenefficiënte riet- en bietsuikerproducenten in de meest geschikte klimatologische en agrarische productiegebieden. Alleen de efficiënte rietsuikerproducenten kunnen tot de laagste kostprijzen op wereldniveau komen. Door een tekort aan areaal en beschikbaarheid van water en milieu kunnen zij echter niet de volledige suikermarkt met een sterk groeiende suikervraag bedienen. Dit betekent dat bietsuikerproductie zoals in Nederland een belangrijke rol kan blijven spelen. Naar verwachting van deskundigen is de productie van kristalsuiker in deze regio daarmee verzekerd. Ook Suiker Unie zal op de lange termijn te maken krijgen met de vrije marktsituatie. Dit betekent dat de concurrentie op haar markt zal toenemen tegen een lagere suikerprijs. Suiker Unie verwacht de goede concurrentiepositie ondanks grote veranderingen op de korte, middellange en lange termijn te kunnen blijven verdedigen en zelfs verder te verbeteren. Als argumenten worden aangevoerd: de fabrieken van Suiker Unie in met name Midden en Zuid Nederland liggen aan de rand van het meest optimale suikerbieten productiegebied van Europa; suiker Unie beschikt over de grootste en meest efficiënte fabrieken van Europa; Nederland heeft een sterke suikerverwerkende industrie en de Suiker Unie fabrieken liggen op korte afstand van die markt; suiker Unie is sterk in productkwaliteit en logistieke- en producttechnische service. Zij heeft bovendien langdurige relaties met haar afnemers; de Suiker Unie fabrieken liggen ook op de meest logische aanvoer route voor geïmporteerde ruwe suiker voor raffinage.

26

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

5. AFWEGING VAN DE LOCATIE DINTELOORD Om inzicht te krijgen in de vraag of het AICD in Dinteloord gevestigd zou moeten worden zijn drie varianten onderzocht: autonome ontwikkeling: voorzetten van de huidige situatie zonder AICD; referentiesituatie: de suikerfabriek verplaatsen naar een nieuw bedrijventerrein; voorgenomen activiteit: ontwikkeling van het AICD op Dinteloord. Voor deze varianten zijn de volgende effecten in samenhang onderzocht: milieubelasting, ecologische effecten, ruimtelijke consequenties voor de omgeving, verkeerskundige effecten, bedrijfseconomische effecten en sociaal economische effecten. 5.1 Suikerfabriek stand alone verder (de autonome ontwikkeling) Uitgegaan is van het continueren van de productie van suiker op de locatie Dinteloord zonder ontwikkeling van het AICD. Milieu De huidige lokale milieubelasting in de omgeving van de suikerfabriek wordt in de milieuvergunning van het bedrijf vastgelegd. Het betreft de emissies naar de lucht van o.a. CO2, NO2 en SO2 uit de energiecentrale en de emissies van NH3, stof en geur als gevolg van de suikerproductie. Daarnaast zijn er de geluidbelasting door de procesinstallaties en de aan en afvoertransporten en de lozingen van afvalwater. In Dinteloord staat een moderne fabriek met de noodzakelijke procesgeïntegreerde bron gerichte maatregelen om emissies te voorkomen. De milieubelasting kan alleen verder teruggedrongen worden door toepassing van nageschakelde zuiveringstechnieken. De huidige geluid- en geurcontouren vormen momenteel de belemmeringen voor het ontwikkelen van de woningbouwlocatie Markiezaatstraat. Ecologie De aangegeven ecologische verbindingszones zullen door de aanwezigheid van Suiker Unie niet verder worden aangetast. De kade aan de Dintel blijft gehandhaafd en beperkt in gebruik. De actuele natuurwaarden op en rond het terrein van Suiker Unie zijn eenzijdig en in de huidige vorm slechts interessant voor weidevogels, ganzen en watervogels. Er zijn echter voldoende potenties aanwezig om het gebied voor meer diersoorten aantrekkelijk te maken, zoals het aanbrengen van meer variatie en het creëren van gradiënten. De verdere invulling van de ecologische hoofdstructuur zal binnen het provinciale beleid verder vormgegeven worden. De waterschappen zullen de plannen verder tot uitvoering brengen binnen de beschikbare financiële mogelijkheden. Eenvoudige maatregelen zijn: instellen van een randenbeheer langs sloten waardoor er een ruigte vegetatie kan ontwikkelen; verschralen van de dijken middels een aangepast maaibeheer; versterken (verbreden) van wegbermen en het aanpassen van het bermbeheer waardoor een bloemrijke berm kan ontstaan; inrichten van natuurvriendelijke oevers door middel van het verflauwen van het talud of het aanleggen van een hoogwaterstrook. Ruimtelijke consequenties Het ruimtegebruik van de suikerfabriek zal beperkt toenemen. Suiker Unie streeft naar een intensivering van de bebouwing en functies. Voor noodzakelijke extra milieutechnische maatregelen kunnen op de bestaande terreinen voorzieningen opgericht worden.

27

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Verkeer De aan en afvoer van goederen van en naar de suikerfabriek gebeurt vrijwel volledig over de weg en in de campagne tijd. In de drie maanden campagnetijd worden de volgde hoeveelheden getransporteerd: aanvoer van 1.700 kton suikerbieten; aanvoer van 8 kton hulpstoffen; afvoer van 430 kton reststoffen. Gedurende het gehele jaar wordt 225 kton suiker en 70 kton klei afgevoerd. Voor de (interne) verkeersafwikkeling op lokaal niveau blijft het vrachtverkeer van en naar de vloeivelden gebruik maken van de Noordzeedijk en de brug over het kanaal, waar ook het lokale verkeer gebruik van maakt. 15% van de bieten komen uit de regio West Brabant, 40% uit Zeeland. Het transport van deze bieten zal gebruik maken van de N259 en de bestaande ontsluitingsweg richting het ontvangstterrein. Op bovenlokaal niveau zal de belasting op de N640 en in Oud-Gastel tot het moment van de realisatie van de A4 aanwezig blijven. De situatie kan verbeteren als de bietenaanvoer omschakelt van wegtransport naar transport over water. Deze afweging wordt binnen Suiker Unie regelmatig gemaakt op basis van omvang van de suikerbietenstroom, de afstanden, flexibiliteit, noodzakelijke aanpassingen voor interne logistiek en opslagcapaciteit en de kosten. Bedrijfseconomische gevolgen De bedrijfsvoering zal ten opzichte van de huidige situatie niet veranderen en de suikerproductie zal een sterk seizoensgebonden karakter houden. De installaties draaien optimaal bij volle belasting gedurende de korte campagnetijd. Suiker Unie heeft aangegeven dat de suikerfabriek in Dinteloord van strategisch belang is voor het concern. Bij verdere concentratie van de productie zal de fabriek in Dinteloord als eerste in aanmerking komen voor schaalvergroting. Werkgelegenheid Het huidige aantal arbeidsplaatsen blijft gehandhaafd. Dit zal voor een belangrijk deel seizoenswerk blijven. Een uitbreiding van de werkgelegenheid zal niet plaatsvinden. De indirecte werkgelegenheid en multipliereffecten blijven ongewijzigd. 5.2 Verplaatsing van de suikerfabriek Dinteloord (referentie) Voor het referentiebeeld is uitgegaan van de verplaatsing van de suikerfabriek naar een bedrijventerrein waarbij de locatie Dinteloord voor andere ontwikkelingen vrijkomt. 5.2.1 De effecten van verplaatsing Milieu De locale milieubelasting als gevolg van de suikerfabriek komt volledig te vervallen, De milieubelasting op bovenlokaal niveau blijft gelijk als er een integrale verplaatsing van de suikerfabriek plaatsvindt. De belasting komt alleen op een andere locatie terecht. Bij een verplaatsing zal waarschijnlijk een duurzame invulling nagestreefd worden en samenwerking gezocht met derden waardoor de bovenlokale milieubelasting af zal nemen. Deze afname zou direct plaats kunnen vinden als bij vestiging direct gebruik gemaakt kan worden van de aanwezige duurzame faciliteiten, zoals duurzaam opgewekte energie, waterzuivering en stromen beheer. Deze voorzieningen dienen echter wel op het schaalniveau van de suikerfabriek tijdens de campagne volledig beschikbar te zijn. Als de aanwezige capaciteit onvoldoende is, zal Suiker Unie haar eigen energie dienen op te wekken en een eigen waterzuivering aan te leggen.
28

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

De suikerfabriek vormt in die situatie de eerste schakel in een op te zetten energie- en waternetwerk op het terrein en wordt opnieuw de motor van complexvorming. Zij het dat door de verplaatsing ten opzichte van de huidige situatie een aanzienlijke vertraging in de tijd ontstaat. Ecologie De ecologische potenties van het gebied dat vrijkomt zijn groot, gezien de geprojecteerde ecologische hoofdstructuur. In principe zijn er ruime mogelijkheden voor de concrete invulling van de ecologische hoofdstructuur. De verkoop van het vrijkomende terrein kan echter onvoldoende middelen genereren voor de financiering van eventuele natuurontwikkeling. Ruimtelijke consequenties Voor de ruimtelijke consequenties zal bij sanering van de suikerfabriek het huidige provinciale beleid maatgevend zijn. De mogelijkheden voor woningbouw en nieuwvestiging van bedrijven zal naast een groeiklasse 1-kern beperkt zijn. Het overgrote deel van de 250 ha eigendom van Suiker Unie zal weer terug in agrarisch gebruik komen of voor natuurontwikkeling aangekocht worden. Er zijn geen belemmeringen meer voor woningbouw in Stampersgat. De verplaatste suikerfabriek zal ruimte op het nieuwe bedrijventerrein in gebruik nemen terwijl de locatie Dinteloord vervalt als vestigingslocatie voor bedrijven. De verplaatsing van de suikerfabriek heeft door het grote ruimtebeslag een negatief effect op het beschikbare en toekomstige aanbod van bedrijventerrein voor categorie 4 en 5 bedrijven in West-Brabant. Verkeer De lokale overlast als gevolg van het bietentransport verdwijnt. De nieuwe bedrijventerreinen liggen goed ontsloten aan rijkswegen, doch verder naar het oosten van Brabant. Aangezien 70% van de bieten uit het landbouwgebied ten zuidwesten van Dinteloord komen zullen de transportafstanden voor de aanlevering van bieten zullen door de verplaatsing toenemen. Bedrijfseconomische gevolgen De inventaris op de locatie Dinteloord is getaxeerd28 op ƒ 760.568.500. De inventaris is globaal als volgt opgebouwd.

28

Bijl Taxaties BV

29

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Inventaris suikerfabriek Dinteloord Onderdeel PRIMAIRE PRODUCTIE het ontvangen en bewerken van de bieten; het winnen, zuiveren en verdampen van het sap; het kristalliseren opslaan en uitslaan van de suiker. MEET- EN REGELINSTALLATIES centrale besturing communicatie WARMTEKRACHTCENTRALE opwekken energie distribueren van de energie VOORZIENINGEN EN FACILITEITEN verwerken van de pulp bereiden van de kalk afvalwaterzuivering werkplaats magazijn huishoudelijke inventaris GRONDEN EN GEBOUWEN gebouwen terreinen overige toebehoren TOTAAL Waarde 375 miljoen

98 miljoen

160 miljoen

107 miljoen

20 miljoen

760 miljoen

Als naast de kapitaalsvernietiging van het geïnvesteerde vermogen ook de kosten voor de verplaatsing, renteverlies tijdens de bouw, sloopkosten en productieverliezen in ogenschouw wordt genomen, dan bedraagt het verplaatsen van de suikerfabriek Dinteloord meer dan ƒ 1 miljard. Bij het eventueel toekennen van subsidiegelden voor de verplaatsing van een suikerfabriek zal een afweging plaatsvinden over het nut en noodzaak van de verplaatsing. Naast een planologische afweging zal ook het milieurendement van de investering meegenomen worden. Bij deze afweging is gezien de ligging van de andere knelpunten in West-Brabant de milieuwinst bij een verplaatsing van een grote fabriek in stedelijk gebied vele malen groter dan die bij de verplaatsing van de suikerfabriek Dinteloord. Werkgelegenheid De 250 arbeidsplaatsen in de campagneperiode blijven behouden in West-Brabant, doch gaan voor de directe werkgelegenheid voor de kernen Dinteloord, Fijnaart en Stampersgat verloren. De werknemers in vaste dienst zullen waarschijnlijk niet van werkgever, noch van woonplaats wijzigen. Het woon-werk kan hierdoor toenemen. Het aantal seizoenswerkers op de suikerfabriek vanuit de gemeenten Halderberge en Steenbergen zal wellicht afnemen.

30

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

5.2.2 Alternatieve locaties in West-Brabant De suikerfabriek vraagt een dusdanig grote oppervlakte, dat alleen vestiging op nieuw terrein in West-Brabant overwogen kan worden. In West Brabant zijn zes gemeenten met regionale bedrijventerreinen. (zie onderstaande tabel). Bedrijventerreinen regio West Brabant Gemeente Breda Terrein Achter Emer Heilaar (IABC) Hoogeind Kievitsloop De Krogten Effen-Leur Oosterhout Vosdonk Vosdonk-Zuid Hoevestein De Heijkant De Wijsterd Weststad 1 en II Bergen op Zoom Noordland Theodorushaven Oude molen Roosendaal Borchwerf Noord Majoppeveld Nrd.111 Vijfhuizenberg Moerdijk Industrieterrein Moerdijk Segment Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Zware Industrie Gemend terrein Zware Industrie Zware Industrie Zware Industrie Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Gemend terrein Zeehaven terrein

Geconstateerd wordt, dat nu reeds een nijpend tekort aan bedrijventerrein bestaat. In lijn met de landelijke discussie rond de Vijfde Nota en beleidsintenties zoals duurzaam en intensief ruimtegebruik wordt in Noord-Brabant gestreefd zoveel mogelijk gebruik te maken van mogelijkheden voor inbreiden. Het concept van het AICD te Dinteloord sluit op deze intenties aan. Het primaat voor vestiging van bedrijven op de nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen ligt in eerste instantie bij bedrijven waarvan de verplaatsing van het bedrijf noodzakelijk is, gezien de milieutechnische, ecologische of economische situatie. In West-Brabant zijn drie bedrijventerreinen in voorbereiding die mogelijk ruimte kunnen bieden aan de suikerfabriek en het AICD: Borchwerf II, Moerdijkse Hoek en de Auvergnepolder. De ontwikkeling van Borchwerf II bij Roosendaal hangt nauw samen met de realisatie van de Noord-oost tangent (de verbinding tussen de A17 en A58). Daar deze verbinding in 2010-2015 aangelegd wordt, zal het bedrijventerrein vanaf 2000 gefaseerd ontwikkeld worden. De uiteindelijke bruto omvang van het totale bedrijventerrein komt naar verwachting uit op ca. 200-250 ha. Hiervan is een deel nodig voor verplaatsingen en uitbreidingen van bedrijven uit Halderberge en Roosendaal. Op het terrein zijn er milieutechnisch
31

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

mogelijkheden voor de vestiging van een suikerfabriek. Het ruimtebeslag voor de ontwikkeling van een (Agro) Industrieel Complex is niet in verhouding met de totale oppervlakte van Borchwerf II. Moerdijkse Hoek betreft de ontwikkeling van een bedrijventerrein in de directe omgeving van het bestaande bedrijventerrein Moerdijk in de oksel van de rijkswegen A16/A17 bij Zevenbergen. De omvang van het terrein wordt maximaal bruto 600 ha, waarvan ca. 475 netto uitgeefbaar. Het terrein wordt voor een belangrijk deel ontwikkeld voor reeds in Brabant gevestigde bedrijven. De verwachting is dat zo'n 70% van de nieuw uit te geven terreinen hiervoor nodig is. De suikerfabriek past qua omvang in principe op het terrein. Ook hier geldt dat op zijn minst een deel van het bedrijventerrein het karakter van schone productie (voedingsmiddelen) moet krijgen om te voorkomen dat de verschillende economische functies elkaar hinderen. Van het te ontwikkelen bedrijventerrein "Auvergnepolder" bij Bergen op Zoom staan de oppervlakte en randvoorwaarden nog niet vast. De druk voor het ontwikkelen van dit terrein is vooral vanuit Bergen op Zoom groot, aangezien de gemeente geen uitgeefbaar bedrijventerrein meer heeft. De vestiging van een suikerfabriek op dit terrein zal gezien de functie en omvang van het terrein met dezelfde soort beperkingen te maken krijgen als bij Borchwerf 11; qua omvang zal de ontwikkelingen rond de suikerfabriek niet passen binnen de schaal van het nieuwe bedrijventerrein. De ontwikkeling van de bedrijventerreinen Borchwerf II bij Roosendaal en Auvergnepolder bij Bergen op Zoom is ingegeven door de behoefte aan een versterking van de economische structuur van de regio en de grote ruimtebehoefte van regionale bedrijven. Daarnaast hebben de terreinen een bovenregionale functie voor grootschalige en zwaardere industrieën en dient de ontwikkeling van de terreinen voldoende werkgelegenheid bieden voor de groeiende beroepsbevolking. Moerdijkse Hoek wordt een bedrijventerrein gericht op diepvaarwater-georienteerde en in de hogere hindercategorieën zittende bedrijven. Een verplaatsing van de suikerfabriek Dinteloord naar een bedrijventerrein in West-Brabant dient beschouwd te worden in combinatie met de ontwikkeling van een agro-industrieel complex. Voor de vestiging op een bedrijventerrein gelden de volgende uitgangspunten: koppeling met (bestaande) warmtekrachtcentrale, waterzuivering en koelwaterfaciliteiten; direct benodigd oppervlakte voor de suikerfabriek minimaal 20 ha; direct benodigd oppervlakte voor de ontvangst en opslag van de bieten 10 ha; (tijdelijk) benodigd oppervlakte voor de vloeivelden minimaal 60 ha; een terrein van ca. 100 ha nodig (in optie voor ca. 20 jaar) rond de suikerfabriek voor het ontwikkelen van het (Agro) Industrieel Complex; (in)directe ontsluiting aan vaarwater; vestigingsmogelijkheden voor ca. 5 bedrijven; een voor geluid gezoneerd terrein. Ruimtebeslag en karakter De verplaatsing van de suikerfabriek zelf (directe ruimtebehoefte 30 ha.) past in algemene termen binnen de fasering van te ontwikkelen grootschalige bedrijventerreinen. De in eerste instantie noodzakelijke waterberging in de vloeivelden (60 ha.) met een minimale werkgelegenheid betekent echter een laagwaardig gebruik van grond op nieuw industrieterrein. Tevens legt het een beslag op de in West-Brabant schaarse percelen met een bestemming (zwaardere) industrie. De lange claim (20 jaar) op reserve terreinoppervlakte (100 ha.) in de directe omgeving van de suikerfabriek staat haaks op de fasering in de uitgifte van bedrijventerrein.
32

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

De symbiosevormen op het gebied van energie en water kunnen aansluiten bij de ambities en faciliteiten van Moerdijkse Hoek. Knelpunt vormt echter de piekvraag van Suiker Unie tijdens de bietencampagne. De algemene voorzieningen op het bedrijventerrein zullen niet uitgelegd kunnen worden voor de (tijdelijke) behoefte van Suiker Unie. De vrij te vestigen bedrijven accepteren waarschijnlijk geen beperkingen in het gebruik van de voorzieningen tijdens de campagneweken. De aanleg van centrale faciliteiten en voorzieningen komt hiermee mogelijk onder druk te staan. 5.3 De ontwikkeling van het AICD (voorgenomen activiteit) Onderzocht is de ontwikkeling van het AICD bij de bestaande suikerfabriek Dinteloord. De invulling van het AICD wordt bepaald door de symbiose met de bestaande installaties, faciliteiten, gebouwen en producten. De schaalgrootte van de suikerfabriek stelt direct eisen aan de schaalgrootte van de (toekomstige) bedrijfsactiviteiten op het AICD. De maximale omvang dat het complex uiteindelijk zou kunnen krijgen bedraagt 150-200 ha. Deze omvang wordt naar verwachting niet eerder dan na 20 jaar bereikt. Milieu De maximaal toelaatbare lokale milieubelasting in de omgeving van de suikerfabriek wordt in de nulsituatie vastgelegd en geborgd door het vergunningenstelsel. De ontwikkeling van het AICD veroorzaakt geen overschrijding van deze belasting. Het streven van het AICD is de lokale belasting verder te laten dalen door het toepassen van nieuwe technieken. De milieubelasting op bovenlokaal niveau zal door de symbiose tussen de bedrijfsprocessen afnemen. De afname speelt voornamelijk op het gebied van emissies naar lucht, energieverbruik, verminderen van de overlast als gevolg van het transport over de weg door een ontsluiting via de westelijke zijde direct op de A4 en het optimaliseren van het hergebruik van afvalstoffen. De eerste modelberekeningen (zie elders in de rapportage) laten zien dat bij de gekozen invulling van het AICD de milieubelasting afneemt. Het resultaat uit de modelberekeningen laten een besparing zien van de emissies van CO2, NOx en NH3 van respectievelijk 25%, 50% en 100%. Een verder optimalisatie van het energiebedrijf kan tot een grotere besparing van de CO2-emissie leiden. Het hergebruik van het afvalwater en het wegvallen van een deel van de vloeivelden kan een reductie in de geuremissie opleveren. Bij vestiging van bedrijfsonderdelen die in symbiose met het afvalwater van de suikerfabriek blijven ook de emissies naar water nagenoeg gelijk. Door de borgingsinstrumenten toe te passen op de ontwikkeling van het AICD is het mogelijk de randvoorwaarden voor het milieu voor een groot deel vooraf vast te stellen. Zo legt de nulsituatie de maximale lokale milieuhinder en -belasting vast, wordt aangegeven hoe met de bovenlokale milieuemissies omgegaan moet worden en staat vast tot welk niveau de gevoelige functies maatgevend zijn voor de huidige en toekomstige milieubelasting. De parasolvergunning en het parkmanagement bieden inzicht in de huidige en toekomstige activiteiten en de gevolgen daarvan voor het milieu. Het uitgangspunt één inrichting, één vergunning, één aanspreekpunt maakt de cumulatieve milieu-invloed van het AICD als geheel inzichtelijk. Deze constructie verschaft duidelijkheid (een vergunning met voorschriften voor alle cumulatieve milieubelastingen), controleerbaarheid (jaarlijkse rapportage verplichtingen) en rechtszekerheid (eenduidige procedures met vaststaande mogelijkheden voor inspraak) voor burgers en overheden. Dit geldt zowel voor de huidige situatie als voor toekomstige ontwikkelingen.

33

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Ecologie De aangegeven ecologische verbindingszones mogen als functie niet worden aangetast. De ontwikkeling van het AICD zal in samenhang met het ontwikkelen van de verbindingszones plaats kunnen vinden. Het AICD heeft met name door de aanleg van een kade een directe invloed op de functie van de Dintel en het Kanaal als ecologische verbindingszone. De uitwerking van de ecologische hoofdstructuur zou door de invulling van het AICD een versnelling kunnen ondergaan. Naast de noodzakelijke compensatie van de ecologische functies voor de aanleg van de kade, kan met de invulling van het AICD een impuls gegeven worden aan de ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur in West-Brabant. Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van bos, natuurlijke oevers op eigen buitendijkse terreinen. Ruimtelijke consequenties De omschakeling van de huidige suikerfabriek naar het AICD zal extra bebouwing met zich meebrengen. Suiker Unie streeft naar een intensivering van de bebouwing en functies op de bestaande terreinen, maar gezien de noodzakelijke schaalgrootte van de in symbiose werkende activiteiten (bedrijven), de aanleg van de kade en de daaraan verbonden compensatieverplichting voor de ecologische hoofdstructuur zal er ook een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte van Suiker Unie nodig zijn. Voor de nieuwe activiteiten, de milieutechnische maatregelen, de aanpassingen van de infrastructuur zullen op de huidige terreinen en in de directe omgeving voorzieningen en gebouwen gerealiseerd moeten worden. De ontwikkeling van het AICD heeft betrekking op agro-industriële doelgroepen. Suiker Unie zoekt naar bedrijven die op de schaalgrootte van de suikerfabriek productieprocessen hebben of nieuwe processen kunnen aanbieden die aansluiten bij de reeds aanwezige processen, (rest)producten, installaties en stromen en waarvan de samenwerking een meerwaarde vormt voor zowel Suiker Unie als het bedrijf. Tevens moet het bedrijf bereid zijn een intergraal onderdeel te vormen van het AICD. Het vestigingsaanbod op het AICD is daarmee niet concurrerend aan het vestigingsaanbod van bedrijventerrein elders in West-Brabant. Verkeer De afwikkeling van het verkeer op lokaal niveau zal van de Noordzeedijk en de huidige ontsluitingsweg naar de N259 (Noordlangeweg) verplaatst worden naar een nieuwe ontsluitingsweg. Na het doortrekken van de A4 hoeft het transport van bieten door de kernen in de omgeving niet meer plaatsvinden. Door gebruik te maken van de aan- en afvoer van goederen over water en de nieuwe ontsluiting direct in de richting van de A4/A29 zal de belasting als gevolg van verkeer op lokale schaal kunnen afnemen. Bedrijfseconomische gevolgen Omdat de symbiose gebaat is bij een spreiding van de activiteiten van de suikerfabriek over een langere periode, zal de productie van suiker zoveel mogelijk in de tijd gespreid moeten worden. Waar mogelijk wordt de fabricage van suiker opgesplitst in een voorbewerking van de binnenkomende bieten tot een halffabrikaat en de opwerking van dit halffabrikaat tot kristalsuiker. De voorbewerkingsstap is aan de bietencampagne gerelateerd, de opwerkingstap is hier minder afhankelijk van. De installaties kunnen hierdoor gedurende een langere periode optimaal draaien, waardoor de mogelijkheden voor symbiose op energiegebied en de directe bewerking van vrijkomende stromen vergroot worden.

34

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Werkgelegenheid Het bestaand aantal arbeidsplaatsen van de suikerfabriek Dinteloord (196 vast en 128 tijdens de campagne) blijft gehandhaafd. Door de spreiding van de werkzaamheden en de nieuwe activiteiten zal de werkgelegenheid toe kunnen nemen, waar van een deel seizoenswerk. De groei van de werkgelegenheid is afhankelijk van de groei van het AICD. Naar verwachting zal in de komende jaren sprake zijn van een groei van enkele tientallen arbeidsplaatsen. Kenmerken en verschillen in duurzame ontwikkeling De ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen zal tegenwoordig altijd met een duurzame invulling gepaard gaan. Hierbij spelen specifieke vestigingsconditie, de integratie van duurzaamheidprincipes in de planvorming, het karakter en uitstraling van het terrein en de activiteiten die hierop plaatsvinden. Er zijn echter duidelijke verschillen tussen de ontwikkelingsmogelijkheden van het AICD en andere duurzame bedrijventerreinen. Hieronder staan de meest kenmerkende verschillen tussen duurzame bedrijventerreinen en het AICD weergegeven. 1. Verschil in aanbod en vraag Duurzame bedrijventerreinen zijn terreinen waar een nadrukkelijk duurzaam concept wordt aangeboden, zoals parkmanagement, toegesneden logistieke concepten, duurzame ruimtelijke inrichting, collectieve voorzieningen en netwerken voor o.a. transport, energie en datacommunicatie. Op het AICD zijn onrendabele overschotten aan energie, restproducten, afvalwater en onbenutte (inpandige) ruimte en installaties waarvoor passende activiteiten en productiemiddelen gezocht worden. Suiker Unie biedt geen algemeen duurzaam terrein aan, maar zoekt binnen een specifieke doelgroep naar bedrijven die samen met Suiker Unie een win-win situatie voor milieu en economie moeten gaan vormen. 2. Verschil tussen een duurzaam terrein en een industrieel complex Op een bedrijventerrein worden de condities geschapen voor een duurzame ontwikkeling, waarbij het streven is de economische groei niet gepaard te laten gaan met een toename van de milieudruk. De vestigingseisen zijn daarop aangepast, maar een bedrijf blijft een individuele bedrijfsvestiging binnen een duurzaam, gemeenschappelijk netwerk van faciliteiten en voorzieningen. Bij het AICD gaan de suikerfabriek en het bedrijf een intensieve samenwerking aan die voor beiden verplichtingen inhouden. Door vergaande symbiose op proces- en gebouwniveau is de samenwerking definitief en geïntegreerd. Het resultaat hiervan is een verbetering van zowel de milieusituatie als de bedrijfseconomische situatie ten opzichte van individuele vestiging. Omdat de bedrijfsvoering van beide bedrijven nauw verweven is, zullen de contractuele verplichtingen en rechten de continuïteit van de samenwerking moeten waarborgen. Hierdoor kunnen verdergaande borgingsinstrumenten worden in gezet dan bij een regulier bedrijventerrein (zie elders in de rapportage) 3. Verschil in uitgeefbaarheid en fasering. Bedrijventerreinen worden gefaseerd in ontwikkeling gebracht om de behoefte aan terrein voor de komende jaren veilig te stellen en hoge kredietlasten zo veel mogelijk te voorkomen. De fasering zorgt ervoor dat gedurende lange tijd voldaan kan worden aan de marktvraag naar bedrijventerrein. Bij het vrijgeven van een nieuwe fase worden de randvoorwaarden vastgesteld, is de milieuruimte gewaarborgd en is de vestiging van nieuwe bedrijven mogelijk. Bij de vestiging van een bedrijf op een bedrijventerrein is primair de vraag of er direct uitgeefbare kavels beschikbaar zijn.
35

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Bij de ontwikkeling van het AICD is de uitgifte van de terreinen volgend op de invulling van de noodzakelijke symbiose. Dat wil zeggen dat Suiker Unie pas grond vrijgeeft (mag vrijgeven) als er activiteiten gaan plaatsvinden die een aantoonbare meerwaarde hebben voor milieu en economie. De beoordelingscriteria in de bestemmingsplannen in de vrijstellingsregelingen of wijzigingsbevoegdheden en de toetsing bij de milieuvergunningen zijn de instrumenten waarmee het bevoegd gezag een middel heeft om op te treden. Bij de vestiging op het AICD is de primaire vraag of er aantoonbare meerwaarde is voor milieu en economie. 5.4 Conclusies 1. Gezien de hoge verplaatsingskosten (meer dan 1 miljard) is het niet realistisch uit te gaan van verplaatsing van de suikerfabriek naar een andere locatie. 2. Bij verplaatsing zal het milieu op lokaal niveau positief beïnvloed wordt door het weghalen van een belastende activiteit. Deze belasting komt echter elders terecht. Op bovenlokaal niveau blijft de milieuwinst beperkt tot een betere afstemming tussen de energievraag en -aanbod, met goede mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en een directere aansluiting op de infrastructuur. 3. Bij verplaatsing wordt het huidige terrein van Suiker Unie vrijwel volledig als bedrijventerrein aan de markt onttrokken. Dit houdt in dat er elders in de regio minstens 100 ha. bedrijventerrein extra ontwikkeld moet worden om dit verlies te compenseren. 4. Het ontwikkelen van het AICD op de locatie Dinteloord biedt de meest gegarandeerde en controleerbare kans op milieuwinst. Dit geldt zowel op lokaal als op bovenlokaal niveau. 5. Op lokaal niveau kan vooraf de maximale milieuhinder en belasting vastgelegd worden, de koppeling tussen de ontwikkeling van het AICD en het versterken van de ecologische hoofdstructuur vormgegeven worden en een vermindering van de verkeersdruk gerealiseerd worden. Op bovenlokaal niveau treedt winst op door het vergaand toepassen van de verschillende vormen van symbiose. Deze winst ligt niet alleen op het vlak van de milieuemissies, maar ook op het vlak van ruimtegebruik en economie. 6. Het concept van (verplichte en noodzakelijke) symbiose en duurzame integratie van de bedrijfsprocessen bij een bestaande suikerfabriek maakt dat de ontwikkeling van het AICD niet concurrerend is met de ontwikkeling van andere bedrijventerreinen in de regio. Door de actieve houding van Suiker Unie in het zoekproces vindt er een versterking van de regionale productiestructuur plaats. Het aantrekken van gelieerde bedrijfstakken van buiten de regio biedt kansen voor (nieuwe) toeleveranciers en verwerkers in de regio.

36

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

DEEL III: ONDERBUWING RUIMTELIJKE INPASSING 6. ANALYSE VAN HET AANBOD 6.1 Inleiding Om inzicht te krijgen in de samenhang tussen de locatiekenmerken zijn de betreffende relevante ruimtelijke schaalniveaus onderzocht. Het hanteren van de schaalniveaus (regionaal, lokaal en terrein) is als ordeningsprincipe gehanteerd voor het inpassingsmodel van het AICD. Argumenten op de verschillende niveaus zijn inzichtelijk gemaakt en vervolgens is een afweging gemaakt tussen de soms conflicterende belangen per schaalniveau. In dit plan worden drie schaalniveaus onderscheiden, namelijk: het hoogste schaalniveau, de regio Noordwest-Brabant:

het midden schaalniveau, de driehoek Fijnaart, Dinteloord, Oud-Gastel

37

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

het laagste schaalniveau, het zoekgebied voor het AICD.

6.2 Geomorfologie en bodem Beschrijving De ondergrond van grote delen van Brabant bestaat uit zand en grind waarop een dekzandlaag is afgezet. Deze zandformatie loopt naar het noordwesten af en duikt daar weg onder een zeekleipakket. De overgang van zand naar klei is in het gebied tamelijk scherp en ligt ter hoogte van Oud-Gastel en Oudenbosch. De bodem in het overgangsgebied is gevarieerd. Naast overgangen tussen zand- en kleigronden bevinden zich in dit gebied moerige- en veengronden.

In het zeekleigebied komen geringe hoogteverschillen voor, variërende van +1m. NAP tot -1 m. NAP. Het reliëf bestaat uit zandafzettingen langs rivieren en kreken, die iets hoger in het landschap liggen dan de verder van het water bezonken en ingeklonken kleiafzettingen. De bodem verloopt navenant van lichte zavel naar zware klei. Als hoogste delen in het landschap waren vooral de zandruggen geschikt als vestigingsplaats.

38

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Waardering Het overgangsgebied van hoge arme zandgronden naar lage voedselrijke kleigronden is een waardevolle gradiënt voor natuur. In het zeekleigebied zelf zijn de zandruggen langs de kreken en de daarop gevestigde boerderijen kenmerkend. De zeekleigronden zijn uiterst geschikt voor een breed landbouwkundig gebruik. 6.3 Cultuurhistorie Beschrijving Na grote overstromingen tijdens de St. Elizabethsvloed (1421) werd in het zeekleigebied overgegaan tot omvangrijke bedijking en inpoldering. Vanuit een centrale polder (bijvoorbeeld de Oude Prinslandse Polder) werden steeds nieuwe polders aangewonnen, waarbij schilvormige polders en dijken zijn ontstaan (bijvoorbeeld de Jufvrouwenpolder). De centrale polders werden orthogonaal verkaveld, zonder duidelijke ontginningsbasis. De latere polders hadden vaak de bestaande dijk als ontginningsbasis.

Door de aanleg van dijken werden veel kreken doorsneden en opgedeeld in een binnendijks en een buitendijks gelegen deel. Het binnendijks gelegen deel van de kreken is nu nog vaak als open water aanwezig binnen de polders. Het toenmalige buitendijkse deel bleef onder invloed van getijdenwerking staan, waar door stagnering van water voor de dijk verlanding optrad. Bij latere inpolderingen zijn deze buitendijkse delen vaak verloren gegaan.

39

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

In de nieuwe polders zijn verschillende nederzettingsvormen te herkennen. In eerste instantie ontstonden binnendijks gelegen 'Flakeese' dorpen (bijvoorbeeld Dinteloord en Fijnaart). Ook de dijken werden bewoond. Uit verspreid staande huisjes zijn later lintvormige dijkdorpen als Stampersgat en Heijningen ontstaan. In de vrijwel uitsluitend voor landbouw in gebruik zijnde polders staan verder veel verspreide boerderijen langs wegen en kreken.

De regionale industrie en bedrijvigheid is altijd sterk gericht geweest op de agrarische functie van dit gebied. Buitendijks, langs de Mark / Dintel, ontstonden verschillende gewasverwerkende fabrieken, waaronder suikerfabrieken. Later werd dit uitgebreid met andere vormen van watergebonden bedrijvigheid.

40

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Het zoekgebied van het AICD heeft veel raakvlakken met cultuurhistorische elementen. De Noord Zeedijk en Gastelse Dijk West zijn dijken van de centrale Oude Prinslandse Polder. De Galgendijk hoort bij de schilvormige Willemspolder. Zowel open als gedempte delen van de Derriekreek liggen in het zoekgebied. Waardering Het patroon van kreken en dijken, een specifieke combinatie van natuurlijke processen en ingrijpen van de mens, is kenmerkend voor West Brabant en delen van Zeeland. Veelal is het patroon in tamelijk oorspronkelijke staat aanwezig. Op nationale en internationale schaal is het een zeldzaam verschijnsel. De combinatie van dijken en kreken, met name op de plekken waar ze elkaar kruisen is daarmee zeer waardevol. 6.4 Landschap

Beschrijving Het zeekleigebied wordt aan de noordzijde begrensd door de grote wateren van het Hollands Diep en Volkerak en is aan de zuidzijde begrensd door de hoger gelegen zandgronden. Het gebied wordt gekenmerkt door polders, dijken, grootschaligheid en zeer grote open ruimten met vergezichten.
41

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Opgaande beplantingen en natuurgebieden zijn er schaars. óók langs de Mark / Dintel, waardoor deze weliswaar landschapsordenend, maar veel minder ruimtevormend van betekenis is. Verstedelijking heeft in dit gebied nog geen serieuze vormen aangenomen en de polders zijn mede door de sterk agrarische functie vrijwel onaangetast gebleven. Dit ondanks ruilverkavelingen en schaalvergroting in de landbouw. Ingrijpend waren de aanleg van een aantal buitendijks gelegen bedrijventerreinen, het Mark-Vlietkanaal en de snelwegen A59 en A29. Deze infrastructurele werken vormen autonome lijnen in het landschap. De verstedelijkingsdruk lijkt in de nabije toekomst overigens aanzienlijk te gaan toenemen. Naast het AICD, zijn er in de regio onder andere plannen voor uitbreiding van industrie en glastuinbouw en de aanleg van goederenspoorlijnen. In de omgeving van het AICD bepaalt de fabriek van Suiker Unie van oudsher het beeld. De fabriek wordt weliswaar omringd door met bomen beplante dijken, bossages en het dorp Stampersgat, maar is door de openheid van het landschap vrijwel overal zichtbaar.

42

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Het zoekgebied van het AICD wordt van oost naar west doorsneden door de Noord Zeedijk. Deze dijk vormt de scheiding tussen de Oude Prinslandse Polder en Beaumond Polder en is de verbindingsroute tussen Stampersgat en Dinteloord. Van noord naar zuid stroomt bovendien het bedijkte Mark-Vlietkanaal door het terrein. Dit kanaal is beperkt in gebruik als scheepvaartverbinding tussen Volkerak, Dintel en de haven van Roosendaal. Door deze doorkruisingen is het AICD in vier kwadranten opgedeeld: de vloeivelden, het fabrieksterrein, het bietenoverslagstation en de aangekochte akkers. Op het fabrieksterrein en het overslagstation staan de gebouwen en machines. Op de met grondwallen afgeschermde de vloeivelden bevind zich de kleibezinking- en opslag. De akkers zijn als landbouwgrond in gebruik. Waardering In het zeekleigebied bestaat een grote samenhang tussen polders, dijken, dorpen, wegen en het agrarisch grondgebruik. Grootschaligheid en openheid zijn in dit gebied kenmerkend, maar dit maakt tevens de ruimtelijke variatie en belevingswaarde van het gebied beperkt. De Mark / Dintel met buitendijkse bedrijvigheid is ook kenmerkend voor dit gebied. De aanwezigheid van de suikerfabriek is functioneel logisch en is door de grote hoogte van het complex van oudsher een visueel dominant element in het landschap. Tegelijkertijd is het ook een symbool van de sterk agrarische functie van dit gebied. 6.5 Oppervlaktewater

Beschrijving De dijken die het buitendijkse gebied van de Mark / Dintel, het Mark-Vlietkanaal en de Roosendaalsche Vliet begrenzen hebben bij het waterbeheer in het gebied een dubbelfunctie. Enerzijds maken deze dijken onderdeel uit van het waterkeringssysteem, waarbij de bovengenoemde dijken onderdeel zijn van de secundaire waterkering. Anderzijds scheiden de dijken bij het waterbeheer de boezem van de polders. De boezem van Mark / Dintel, Mark-Vlietkanaal en Roosendaalsche Vliet vormt de ontwateringsverbinding tussen de polders en het Volkerak. Een intensief stelsel van sloten voert het water binnen een polder af naar grotere sloten en kreken, vanwaar het water vervolgens richting de gemalen stroomt. De gemalen slaan het water uit op de boezem, waarbij het waterpeil in de Dintel zoveel mogelijk op NAP wordt gehouden. Bij eventueel watertekort kan water uit het Mark-Vlietkanaal worden ingelaten in de Derriekreek.

43

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Waardering Het waterbeheer in dit gebied is vooral gericht op de landbouw. Voor natuur interessante dynamiek komt in dit gebied niet (meer) voor. 6.6 Natuur Beschrijving in tegenstelling tot de hogere zandgronden, kent het zeekleigebied maar weinig natuurgebieden. De gebieden die er zijn, zijn alle gericht op natte natuurtypen en liggen langs de grote wateren Hollands Diep en Volkerak. De Mark / Dintelzone doorsnijdt het zeekleigebied en is een natte verbinding met algemene natuurwaarden. Samen met de kreken is de Mark / Dintelzone binnen de groene hoofdstructuur (GHS) aangewezen als natte ecologische verbindingszone. Droge natuurtypen bestaan in dit open gebied uit enkele ruilverkavelingbosjes en wegbeplantingen.

In de omgeving van het AICD bestaan de natuurwaarden hoofdzakelijk uit de natuurwaarden langs watergangen. Daarbij gaat het om de Mark / Dintel, een aantal kreken waaronder de Derriekreek en in mindere mate om het Mark-Vlietkanaal. Deze watergangen zijn in de GHS allen als natte verbindingszones aangewezen.

44

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Waardering Het ontbreken van centraal in het zeekleigebied gelegen natuurgebieden van betekenis, versterkt de rol die de Mark / Dintel binnen dit landschap speelt en kan spelen. Doorgaande lijnen als die van de Mark / Dintel, de dijken en kreken vormen samenhangende structuren waar ook droge natuurtypen goed tot hun recht kunnen komen. Het beheer moet daar dan op worden aangepast. 6.7 Bereikbaarheid Beschrijving Het zoekgebied van het AICD ligt aan de Mark / Dintel, die via sluizen is verbonden met het Volkerak. In de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra is het Volkerak aangeduid als hoofdtransportas voor vervoer over water. De Mark / Dintel en het MarkVlietkanaal vormen een scheepvaartverbinding tussen het Volkerak en de haven van Roosendaal. De vaardiepte en manoeuvreerruimte op de Mark / Dintel en het kanaal is echter beperkt. De route is momenteel vooral voor recreatievaart in gebruik.

45

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Over land is het AICD vanuit het noorden goed bereikbaar over de A29, die ten oosten van Dinteloord over gaat in een provinciale weg. De fabriek van Suiker Unie heeft vanaf deze weg een eigen toegangsweg tot het terrein. Vanuit oostelijke richting (A17) kan de A59 worden genomen en kan men via Fijnaart Stampersgat en het fabrieksterrein bereiken. Vanuit het zuiden lopen de transportroutes naar het terrein door de kernen van Oud-Gastel en Steenbergen. Op dit moment bestaat het transport voornamelijk uit de toelevering van suikerbieten aan Suiker Unie. Doordat de meeste suikerbieten vanuit het zuiden worden aangevoerd, zal het doortrekken van de A29 / A4 naar Bergen op Zoom de dorpen Oud-Gastel en Steenbergen kunnen ontlasten .

Het terrein van het AICD wordt van oost naar west doorsneden door de Noord Zeedijk. De Noord Zeedijk vormt een belangrijke toevoerroute naar het fabrieksterrein en is tevens de verbindingsroute voor auto's en fietsers tussen Stampersgat en Dinteloord. Omleiding van het verkeer rond het terrein van het AICD is wenselijk, maar dit betekent vooral voor fietsers een grote omweg. Het autoverkeer kan worden omgeleid over de provinciale weg. Waardering Over het algemeen is het AICD-terrein over de weg goed bereikbaar, zeker na verlengen van de A29/A4. Ook de bereikbaarheid over water is redelijk goed, mits rekening wordt gehouden met de beperkte afmetingen van het vaarwater. Bij intensivering van het transport over water moet dan wel rekening worden gehouden met de nadelige gevolgen voor natuur langs de Mark 1 Dintel. 6.8 Wonen Beschrijving Stampersgat is van oorsprong een oud dijkdorp, ontstaan vanuit een sterke sociale-ruimtelijke samenhang met de vier aanwezige suikerfabrieken. In de loop der jaren is het dorp uitgebreid richting Dintel en de huidige locatie van Suiker Unie; de enig overgebleven suikerfabriek. Op dit moment raken de milieucontouren van de suikerfabriek aan het woongebied van Stampersgat. De milieuoverlast bestaat voornamelijk uit geur-, geluid-, en verkeersoverlast. Dit geldt vrijwel alleen tijdens de campagnetijd, van september tot december. De nieuwste uitbreidingsplannen van Stampersgat liggen aan de Markiezaatstraat, vlak bij het fabrieksterrein van Suiker Unie.

46

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Waardering In het verleden heeft een verschuiving van de suikerfabriek naar het westen plaats gevonden. Ook nu wordt voor de invulling van de hoofdactiviteiten van het AICD de ruimte in westelijke richting gezocht. 6.9 Recreatie Regio De toeristisch-recreatieve betekenis van de omgeving van het AICD is beperkt tot de betekenis van de Mark / Dintel, het Mark-Vlietkanaal en de Roosendaalsche Vliet als doorgangsroute voor de pleziervaart. Daarmee samenhangend hebben ook de kleine havens van plaatsen als Dinteloord, Stampersgat en Oudenbosch een recreatieve functie. Waardering Het gebied is van beperkte toeristisch-recreatieve betekenis.

47

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

7. HET PLAN 7.1 Diagnose en opgave 7.1.1 Inleiding West-Brabant is een gebied met hoge dynamiek. Het ligt binnen de corridor Amsterdam-Parijs en is, naar verhouding, eenvoudig te verstedelijken. Het is uiterst goed ontsloten voor auto's, de ruimtelijke maten zijn groot, er is weinig natuur, er zijn geen grote steden die een claim op het buitengebied leggen, er zijn weinig bomen en de recreatie is in het gebied niet sterk ontwikkeld.

Toch is het gebied, in internationaal perspectief, een van de meer bijzondere landschappen van Europa en uiterst kenmerkend voor Nederland. De strakke dijken die verhalen over een langzame maar gestage landaanwinning op de zee, in krachtige contrast met de kronkelige kreekresten die kunnen bestaan uit breed water of verlande stukken, afhankelijk van hun ligging ten opzichte van de dijk. In dit spanningsveld van uitersten ligt de opgave voor de inpassing van het AICD. Een inpassingsvraag is, op de keper beschouwt, een vraag naar de aard van de samenhang tussen het ene landschapselement en het andere. Daarnaast is het de vraag of deze samenhang al dan niet verbroken is of wordt. De samenhang kan ruimtelijk, functioneel, of sociaal zijn. Bij deze drie aspecten staat centraal op welk schaalniveau welke vorm van samenhang gestalte moet krijgen. 7.1.2 Het regionaal niveau Diagnose De ontwikkelingen die nu op West-Brabant afkomen zijn minstens van regionale en vaak van bovenregionale aard. Het AICD is daarvan slechts één voorbeeld. Deze ontwikkelingen kunnen nooit een plaats vinden wanneer gepoogd wordt om vast te houden aan de huidige samenhang op lokaal niveau of op elementniveau (terreinniveau). Want de ruimtelijke

48

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

elementen van West-Brabant zijn niet robuust genoeg om omvangrijke ingrepen op te vangen. Wat nodig is, is een nieuwe ruimtelijke hoofdstructuur voor West-Brabant die opgewassen is tegen de grote nieuwe ontwikkelingen. Dat vraagt omvangrijke investeringen in de omgeving en een volledige reconstructie van dit gebied. Want wie kan ook denken dat 400 tot 1000 ha bedrijfsterrein, een grote glastuinbouwlocatie, de HSL en het AICD kan worden ingepast zonder het landschap fundamenteel aan te passen? Voor de ruimtelijke samenhang zijn de recente ontwikkelingen in het denken over de ruimtelijke samenhang in deze regio inspirerend. Hoewel de Structuurvisieplus van Moerdijk niet adequaat anticipeert op de ruimtelijke dynamiek zoals die in de inleidende paragraaf van dit hoofdstuk is verwoord, geeft zij wel richting aan het denken over de toekomst van de Mark / Dintel zone.

In de Nota ecologische bouwstenen van begin jaren '90 was de Mark / Dintel nog exclusief een 'natte ecologische verbindingszone' alleen gekoppeld aan het water zelf.

In de Structuurvisieplus Moerdijk (1999) is deze verbinding inmiddels verbreed tot de gehele buitendijkse zone. Hierbij gaat het om het water, de oever en de gronden in de uiterwaarden als 'extensieve' graslanden.
49

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Een ander belangrijk regionaal initiatief is het plan voor het gepast beplanten van de dijken in de regio. Dit is niet alleen inhoudelijk inspirerend omdat een van de belangrijkste kenmerken van het landschap beter afleesbaar wordt gemaakt, het is daarnaast vooral ook het begin van een cultuuromslag. Na jarenlange verwaarlozing van het landschapsbeeld lijkt het gelukt regionaal draagvlak te krijgen voor verbeteringen in het landschapsbeeld. Omdat de dijken samenhangen met bijna alle cultuurhistorische waarden en de meeste landschapswaarden van de regio is dit initiatief belangrijk.

Opgave Voor de inpassing van het AICD is de kernopgave: Het creëren van een nieuwe ruimtelijke, functionele, en sociale samenhang op het regionale schaalniveau tussen het AICD en het gebied. 7.1.3 Het lokale niveau Diagnose Op het lokale niveau komt tot uiting dat de aard en de omvang van de werkzaamheden van de huidige suikerfabriek zich slecht verhouden tot de andere activiteiten in de omgeving, vooral het wonen. Het is vooral om dit soort redenen dat gewoonlijk functionele zoneringen tussen bedrijfs- en woongebieden worden aangebracht. Dergelijke zonering is erop gericht functies die elkaar bijten ruimtelijk op het juiste schaalniveau van elkaar te scheiden en ruimtelijke verweving van functies op een hoger schaalniveau te plaatsen. De omvorming van de suikerfabriek tot het AICD moet er toe leiden dat de huidige discrepantie tussen de activiteiten in de suikerfabriek en die in Stampergat en omgeving in ieder geval niet groter wordt. Gelijktijdig moet er een ambitie zijn om de discrepantie minder groot te maken, en moet het geloofwaardig zijn dat die ambitie te realiseren is.

50

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Opgave Het aanpakken van de schaaldiscrepantie is op het lokale niveau de opgave een verbeterde ruimtelijke en functionele scheiding te realiseren waar dat nodig is en kan en verweving alleen toe te passen waar dat noodzakelijk is. 7.1.4 Het terreinniveau Diagnose Er zijn twee aandachtspunten op terreinniveau. Het huidige terrein is ingericht als één bedrijf en de verschillende bedrijfsonderdelen zijn gerangschikt rond het hart van de totale installatie. Deze ruimtelijke verspreiding is niet optimaal voor het AICD omdat het medegebruik van stromen en installaties bemoeilijkt wordt. De stromen en installaties liggen, vanuit het perspectief van het AICD, vaak op te grote afstand van elkaar, of niet logisch. Het potentiële AICD-terrein kent twee openbare doorsnijdingen, het MarkVlietkanaal en de dijk die de lokale verbinding is tussen Stampersgat en Dinteloord. Hoewel het kanaal weinig gebruikt wordt is omlegging of afsluiting niet aan de orde en moet het als gegeven worden beschouwd. De lokale verbinding is vooral voor fietsers belangrijk. Voor auto's is omleiding rond het AICD mogelijk maar fietsers zouden dan te ver moeten omrijden (ook: de leefruimte van Stampersgat). Daarnaast zijn op terreinniveau relevant: het buitendijkse gebied zal hoog moeten blijven liggen, niet lager dan ongeveer een meter beneden dijkniveau; een nieuwe laad- en loskade kan, praktisch gesproken, alleen aan een hoogwatervrij terrein worden gelegd; Opgave De belangrijkste opgave is de activiteiten van het AICD ruimtelijk te structuren om vervlechting (symbiose) mogelijk te maken. Daarnaast is de opgave de openbare doorsnijdingen ook daadwerkelijk openbaar te houden, zonder daarbij het functioneren van het terrein te verstoren. 7.2 Het concept van de stolp Samenvattend luidt de kern van de opgave op regionaal niveau een nieuwe samenhang te maken tussen het AICD en het gebied, op lokaal niveau een heldere ruimtelijke en functionele scheiding te maken terwijl op het terreinniveau een zodanige inrichting moet komen dat het AICD optimaal tot ontwikkeling kan komen. De metafoor van de 'stolp' die steeds gebruikt is om het AICD in 'één woord te vangen' is tot nu toe vooral ingegeven door de milieu-invulling van dat AICD. Het kan echter ook als een ruimtelijke metafoor dienen. Immers 'de stolp' is een voorziening die er voor zorgt dat essentiële processen plaats kunnen vinden terwijl die processen schadelijk zijn voor de directe omgeving. Een stolp verzelfstandigt de processen ruimtelijk waarna er een eigen wereld binnen de stolp over blijft. De stolp doorbreekt de samenhang van de fabriek met z'n omgeving op het lokale niveau omdat op dat niveau de processen niet bij elkaar passen.

51

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

7.3 Het plan 7.3.1 Regio De sociale en functionele samenhang is een expliciete doelstelling van het initiatief van het AICD en is verwoord in de begrippen symbiose, agrificatie en innovatie: Symbiose: deze doelstelling richt voor op functionele samenhang op regionaal niveau door vervlechting tussen Agri-Business bedrijven; Agrificatie: deze doelstelling richt zich zowel op functionele als sociale samenhang. Functionele samenhang heeft te maken met de gewenste vervlechting tussen de primaire sector in de regio en de verwerkende industrie. Sociale samenhang hangt vooral samen met de overeenkomst in belang tussen de bevolking in de regio en het bedrijf; Innovatie: dit heeft eveneens een sociale component, want vanuit het AICD zal een wervende kracht moet uitgaan op het ontwikkelen van nieuwe mogelijkheden voor symbiose en agrificatie, waarbij de bedrijven van het AICD en de primaire sector op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden. Voor de ruimtelijke verankering wordt voorgesteld de ontwikkeling van het AICD te laten oplopen met de ontwikkeling van natuurontwikkeling in het buitendijkse gebied van de Mark/ Dintel.

De Mark / Dintel is op het regionale niveau het enige grote ruimtelijk onderscheidende element in (het kleigebied van) West-Brabant. In zijn huidige vorm is het echter geen robuust element dat een ruimtelijk kader voor de beschreven dynamiek kan vormen. Zowel wat betreft het beeld als wat betreft de functie lijkt het sprekend op het gemiddelde kleigebied. Door deze zone met natuurontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan: er ontstaat een visueel-ruimtelijk kader voor de bedrijfsontwikkelingen langs de Mark / Dintel. Bedrijven zijn nog wel zichtbaar maar niet meer zo overheersend; De ecologische verbindingszones wordt uitgebouwd tot een kerngebied, het enige zinvolle kerngebied in het kleigebied en een eindpunt in de beleidsmatige evolutie van 'watergebonden natuur' naar gecombineerde natuur; er ontstaat een gebied dat interessant is voor recreatie en als recreatief uitloopgebied; gecombineerd met het plan de dijken nadrukkelijker te beplanten ontstaat een nieuwe landschappelijke samenhang.

52

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

In de afgelopen 10 jaar is een begin gemaakt met een bosontwikkeling, hier en daar zijn aanplanten verschenen. Het AICD kan een stimulerende bijdrage leveren, zodat deze geïsoleerde ontwikkelingen uit worden gebreid naar een omslagpunt waarbij bosbepalende beplanting de norm wordt. 7.3.2 Lokaal Staat op het regionale niveau het maken van een nieuwe samenhang centraal, op dit schaalniveau is juist het isoleren van het AICD de opgave. Functioneel wordt, om dat te bereiken, het volgende voorgesteld. al het nieuwe verkeer dat het AICD genereert zal in de richting van de A 29 afgewikkeld worden. Wanneer deze weg is doorgetrokken zal ook het bietentransport via deze route plaatsvinden. De ontsluiting zal ten westen van het kanaal komen te liggen. De huidige aansluiting aan de Kreekweg komt te vervallen voor het bedrijfsverkeer; het zwaartepunt van het AICD zal in westelijke richting komen te liggen zodat de afstand tot de woningen in Stampersgat vergroot wordt. Deze westelijk verschuiving kan niet te ver worden doorgevoerd omdat de afstand tot de suikerfabriek niet te groot mag worden. Ruimtelijk wordt voorgesteld harde overgangen tussen het AICD en de omgeving te maken. Deze harde randen kunnen bestaan uit grondlichamen, waterpartijen en/of beplantingsstroken, afhankelijk van de aard van de grens.

53

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

Het AICD blijft doorkruist door twee lijnen, het kanaal en de waterkering. AI op dit structuurniveau worden deze elementen onderkend en krijgen ze een plaats. Ze krijgen een afwijkende en eigen sfeer en inrichting zodat ze als corridors werken. Het kanaal heeft daarbij vooral een functie als natuurcorridor, de waterkering als langzaamverkeerverbinding. 7.3.3 Terrein Wanneer het AICD wordt gerealiseerd zal het terrein zelf een ingrijpende wijziging ondergaan. De verandering is een ander ruimtegebruik van het bebouwd terrein en een andere manier van denken over de wijze waarop de onderdelen van de verschillende bedrijven worden geplaatst. De processen van de suikerfabriek zijn omvangrijk. Symbiose zal in ieder geval ook mogelijk moeten zijn op de schaal waarop de huidige bedrijfsprocessen plaatsvinden wil er voldoende spin-off van de symbiose zijn. Het gebruik van deelstromen en installaties kan altijd gemakkelijker worden ingepast dan het gebruik van de volledige stromen. Daarom wordt er vanuit gegaan dat er ruimte moet zijn om tweemaal een bedrijf met de (proces)omvang van suikerfabriek een plaats te geven. Daaromheen kan dan een groter aantal kleinere bedrijven een plaats krijgen. Het is niet mogelijk definitief aan te geven op welke wijze het AICD de organisatie van de symbiose vormgeeft, omdat de invulling van de verschillende vormen van symbiose een doorlopend proces is en blijft en daarmee ook de organisatie. In deze visie wordt daarom alleen op hoofdlijnen een aantal uitspraken gedaan. Bedrijven van de omvang van Suiker Unie brengen hun bedrijfsactiviteiten gewoonlijk niet in één gebouw onder, maar bestaan uit een samenstel van verschillende 'subbedrijven' die aan elkaar gekoppeld worden. Ieder subbedrijf heeft zijn eigen ruimtelijke kenmerken. De kalkoven, de drooginstallatie en de energiecentrale zijn voorbeelden van dergelijke subbedrijven. In het ideale geval zouden de subbedrijven niet langer gezien moeten worden als subbedrijf van Suiker Unie maar van het AICD. Dit heeft echter een groot aantal haken en ogen omdat de bedrijfszekerheid van het totale bedrijf bepaald wordt door de cumulatieve

54

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

bedrijfsonzekerheid van de subbedrijven. Zowel Suiker Unie als nieuwe bedrijven zullen vertrouwen moeten hebben in het betrouwbaar kunnen inzetten van de subbedrijven. Wat nu al mogelijk is, is om de ruimtelijke positionering van de subbedrijf vanuit de logica van het AICD te beredeneren. In de logica van het AICD staan de subbedrijven centraal. Ieder subbedrijf heeft ingaande en uitgaande stromen die soms voor bedrijf A zijn en soms voor bedrijf B. Het beheer van die stromen is daarbij cruciaal, de ene stroom wordt afgesloten en de volgende opgestart. Of bepaalde subbedrijven zijn opgenomen in een bepaald bedrijfsproces dient hierbij flexibel te zijn. Immers, wanneer zich een nieuw bedrijf meldt, dan zet het zelf een subbedrijf neer én het legt verbinding met een of meer andere subbedrijven. Maar dat moet dan wel ruimtelijk mogelijk zijn. Sommige stromen zijn bijvoorbeeld over grote afstand te vervoeren en ander niet. Om bovenstaande overwegingen wordt een tweeledige, abstracte zonering voorgesteld van: fijnmazig in het centrum van het terrein naar grofmazig naar buiten

hoog in het centrum naar laag naar buiten Op de volgende pagina's staan twee impressies van een mogelijke ruimtelijke invulling van het AICD waarin het principe van hoog in het centrum en laag naar buiten is weergegeven.

55

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

56

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

57

Ruimtelijke onderbouwing Agro Industrieel Complex Dinteloord

58