Agro Industrieel Complex Dinteloord

Raamwerk Vergunningensysteem Eén inrichting - Eén vergunning
Concept

De Meern, 28 januari 2000

Samenvatting Raamwerk Vergunningensysteem: Eén inrichting - Eén vergunning. Het eindproduct, het vergunningenstelsel, hoe werkt het? Door de werkgroep milieuvergunningen is samen met een team van adviseurs een vergunningenstelsel ontwikkeld, dat gebaseerd is op: Een convenant tussen Suiker Unie, Provincie Noord Brabant, de gemeenten Steenbergen en Halderberge, en het Hoogheemraadschap, waarin de lange termijnafspraken t.a.v. de toelaatbare milieuruimte en ruimtelijke ordeningsaspecten en ook de 0-situatie voor milieu worden vastgelegd. Een vierjaarlijks plan, het Integraal Locatie Plan (ILP), dat voor deze periode de milieu-, ruimtelijke ordenings- en eventuele andere te behalen prestaties van de op het AICD aanwezige bedrijven vastlegt. Borging van de afspraken uit het ILP in de formele vergunningen van de Wet Milieubeheer, Wet Verontreiniging Oppervlaktewater, Bouwvergunningen en reguliere plannen zoals het bestemmingsplan. Jaarlijkse rapportages over de prestaties van het complex als geheel ten opzichte van de afspraken uit het ILP, de zgn. Integrale Jaarverslagen. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit de Wet Milieubeheer en Wet Verontreiniging Oppervlaktewater. Voor de Wet Milieubeheer geldt, dat: Het complex één basisvergunning heeft met veranderingsvergunningen. Dit betekent dat er voor het bevoegde gezag ook één aanspreekpunt is voor het gehele complex. Dat aanspreekpunt is tegelijkertijd de interne handhaver van het complex. In eerste instantie zal Suiker Unie als vergunninghouder deze taak op zich moeten nemen. Om de rol van interne handhaver effectief te kunnen invullen zal Suiker Unie met de zich vestigende bedrijven bindende privaatrechtelijke overeenkomsten met de benodigde machtsstructuur moeten afspreken. Op termijn kan het parkmanagement, wanneer deze als voldoende krachtige partij tot wasdom is gekomen, de rol van vergunninghouder overnemen. Vanwege de voor de complexvorming benodigde flexibiliteit, zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een vergunning op hoofdzaken. De vestiging van nieuwe processen of bedrijven werkt als volgt: De basisvergunning Wet Milieubeheer wordt uitgebreid met veranderingsvergunningen, waardoor de basisvergunning ongemoeid kan blijven. Het complex als geheel dient daarbij wel aan de in het convenant gemaakte afspraken te blijven voldoen. De te doorlopen procedure van de veranderingsvergunningen Wet Milieubeheer kan voordeel ondervinden van het feit dat het toetsingskader al is vastgelegd in de vorm van het convenant en er over de managementsystemen en -procedures binnen het complex al overeenstemming bestaat. Door de voortdurend verbeterende milieu- en ruimtelijke ordeningsprestaties zal er steeds opnieuw ruimte ontstaan tussen de formele vergunningen en de in het convenant gemaakte afspraken. Deze ruimte kan in principe telkens opnieuw ingezet worden bij de vestiging van nieuwe processen of bedrijven, zolang het complex blijft voldoen aan de in het convenant gemaakte afspraken. Uiteraard blijft hierbij streven naar verdergaande verbeteringen telkens het uitgangspunt.

Hoe luidde de opdracht? Opdracht was om een vergunningensysteem te ontwikkelen, dat de denkwijze en doelstellingen van het Agro Industrieel Complex Dinteloord (AICD) ondersteunt en dat tegemoetkomt aan de belangen van alle betrokken partijen. Dit vergunningensysteem moest gericht worden op complex vorming met gebiedsgerichte aanpak. Het te ontwikkelen systeem moest vooral op korte termijn implementeerbaar zijn en juridisch robuust, dus met als uitgangspunt de huidige regel en wetgeving. Wie was betrokken en welke uitgangspunten zijn gehanteerd? Vanaf de start van het project hebben alle betrokken partijen, namelijk aanvrager, het bevoegd gezag en wettelijke adviseurs gelijktijdig deelgenomen aan het ontwerpproces. Vanuit de verschillende partijen werden, denkend vanuit hun eigen belangen, de volgende randvoorwaarden ingebracht: Continuïteit van de Suiker Unie positie, maar beheerste ontwikkeling van het AICD toelatend. Op korte termijn te realiseren en juridisch robuust. Praktisch en met de voor de ontwikkeling en groei van het complex benodigde flexibiliteit. Beheersbaarheid en handhaafbaarheid van de locale problematiek (hinder, ruimtelijke inrichting, verkeersafwikkeling) Continue impuls voor verbetering, vernieuwing en innovatie. Bedrijfseconomische en milieutechnische afwegingen op complexniveau. Met deze ingrediënten is de werkgroep van start gegaan en is een boeiend proces doorgemaakt van belangenafwegingen, juridische onderbouwing en discussies over praktische invulling. 0-Situatie: Een bijzonder aspect dat aan de orde kwam tijdens het opstellen van het vergunningensysteem was de zogenaamde 0-situatie van het AICD. Met de 0-situatie wordt hier bedoeld een in de tijd gekozen ijkpunt, ten opzichte waarvan de toekomstige milieuprestaties van het AICD door het bevoegd gezag worden beoordeeld. De 0-situatie moet daarmee worden beschouwd als een lange termijn afspraak, waarbinnen de ontwikkeling van het AICD zich mag afspelen. Aangezien het overleg van de zogenaamde 0-situatie sterk samenhingen met de onderhandelingen over de huidige vergunning voor Suiker Unie en vanwege de complexiteit van deze onderhandelingen, zijn deze door de direct belanghebbende partijen in een apart overleg gevoerd. Voor de uiteindelijke afspraken rondom de 0situatie wordt dan ook naar de separate notitie verwezen. Alternatieven, waarom gekozen voor deze variant? Door de werkgroep en adviseurs zijn 2 hoofdvarianten onderzocht van mogelijke vergunningenstelsels: 1. Meerdere inrichtingen, meerdere vergunningshouders (gebonden door een convenant). 2. Één inrichting, één vergunninghouder

Een aantal argumenten hebben uiteindelijk geleid tot de keuze voor de 2e variant: Één aanspreekpunt en belangrijke zeggenschap is van belang voor de beheersbaarheid (van belang vooroverheden). Één inrichting is essentieel voor de toepasbaarheid van het ALARA-principe, niet per afzonderlijk project, maar over het complex als geheel. (bedrijfseconomische afweging) Juridische houdbaarheid (kracht van privaatrechtelijke contracten versus kracht van één inrichting) Praktische voordelen: Gemeenschappelijk worden een aantal managementsystemen op gelijke wijze gehanteerd, hierover hoeven de afzonderlijke bedrijven niet meer te onderhandelen. Conclusie: Alle betrokken partijen zijn het er over eens dat het gekozen vergunningenstelsel de grenzen van het mogelijke binnen de huidige wet- en regelgeving opzoekt en praktische voldoet aan alle gestelde eisen.

Inhoudsopgave Voorwoord ......................................................................................................................... 2 1 Inleiding ........................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................... 4 1.2 Leeswijzer ............................................................................................................... 4 2 Voordelen complex en uitgangspunten vergunningensysteem...................................... 6 2.1 De voordelen van een complex ............................................................................... 6 2.2 De voordelen voor overheid en omgeving ............................................................... 7 2.3 Uitgangspunten vergunningensysteem ................................................................... 7 3 Inrichtingenbegrip Wet milieubeheer ............................................................................. 8 3.1 Algemeen................................................................................................................ 8 3.2 Complex als inrichting ............................................................................................. 8 3.3 Eis 1: ‘technische, organisatorische of functionele bindingen' ................................. 9 3.4 Eis 2: ‘in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen zijn' ........................................... 10 3.5 Alternatieve modellen vergunningensysteem ........................................................ 10 3.6 Conclusie .............................................................................................................. 12 4 Elementen vergunningensysteem AICD...................................................................... 14 4.1 De positie van Suiker Unie .................................................................................... 14 4.2 De externe organisatie: relatie met bevoegd gezag, omgeving en derden ............ 15 4.3 De interne organisatie: relatie tussen de bedrijfsprocessen op het complex.......... 17 4.4 Flexibiliteit vergunning........................................................................................... 17 4.5 Kostenverevening ................................................................................................. 18 5 Bronvermelding........................................................................................................... 20 Bijlagen .......................................................................................................................... 21 Bijlage 1 Inhoudsopgave Integraal Locatieplan AICD ...................................................... 22 Bijlage 2 Inhoudsopgave gecombineerde aanvraag ........................................................ 24 Bijlage 3 Inhoudsopgave beschikking op maat ................................................................ 27

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Voorwoord Begin 1999 is de subwerkgroep milieuvergunning AICD, op verzoek van de AICD projectorganisatie, gestart met het ontwikkelen van een instrument voor de vergunningverlening van het gehele complex. De subwerkgroep was samengesteld uit vertegenwoordigers van de Suiker Unie, Provincie Noord-Brabant, het Hoogheemraadschap van West-Brabant, de Gemeenten Steenbergen en Halderberge en het ministerie van VROM. Het unieke van deze samenstelling was dat alle direct betrokken partijen bij de vergunningverlening aan het gehele ontwerpproces van de vergunningensystematiek hebben kunnen deelnemen, zijnde: de aanvrager, de bevoegde gezagen en de wettelijke adviseurs. Tevens is door het ministerie van VROM in het traject een actieve rol vervuld, welke door de subwerkgroep als bijzonder waardevol is ervaren, evenals de door het ministerie ter beschikking gestelde financiële middelen. In de loop van het ontwerpproces heeft de subwerkgroep nog ondersteuning gekregen van de Regionale Milieudienst Westelijk Noord-Brabant en Rijkswaterstaat/RIZA en zijn er diverse bilaterale contacten geweest met andere organisaties, die fungeerden als agendalid. Graag wil de subwerkgroep milieuvergunning AICD ook deze partijen bedanken voor hun bijdrage aan de realisatie van de opdracht van de AICD projectorganisatie. De opdracht aan de subwerkgroep was de ontwikkeling van een vergunningensysteem dat aansluit bij de denkwijze en doelstellingen van het Agro Industrieel Complex Dinteloord en tegemoetkomt aan de belangen van alle betrokken partijen. Door de AICD projectorganisatie werden aan het te ontwikkelen vergunningensysteem AICD de volgende eisen gesteld: 1. op korte termijn te realiseren en juridisch robuust; 2. praktisch en bijdragen aan de benodigde flexibiliteit; 3. het beheersbaar maken van de lokale ontwikkelingen; 4. het geven van impulsen aan continue verbetering, vernieuwing en innovatie; 5. bedrijfseconomische afwegingen op complexniveau mogelijk maken. Met deze ingrediënten is de subwerkgroep van start gegaan en is een boeiend proces doorgemaakt van belangenafwegingen, juridische onderbouwing en discussies over praktische invulling. Hierbij is door alle partijen vanuit hun eigen kennis en invalshoek een bijdrage geleverd aan dit vernieuwende product. De subwerkgroep werd hierbij procesmatig en inhoudelijk ondersteund door een team van adviseurs. Een bijzonder aspect dat aan de orde kwam tijdens het opstellen van het vergunningensysteem was de zogenaamde 0-situatie van het AICD. Met 0-situatie wordt hier bedoeld een in de (recent verleden) tijd gekozen ijkpunt ten opzichte waarvan de toekomstige milieuprestaties van het AICD door het bevoegd gezag worden beoordeeld. De 0-situatie kan daarmee worden beschouwd als een lange termijn afspraak waarbinnen de ontwikkeling van het AICD zich mag afspelen. Als gevolg van de complexiteit is de discussie aangaande deze 0-situatie buiten de opdracht van de subwerkgroep geplaatst en hebben de Suiker Unie, de Provincie Noord-Brabant, het Hoogheemraadschap van West-Brabant, de Gemeenten Steenbergen en Halderberge hierover in onderling overleg een akkoord geformuleerd. De subwerkgroep milieuvergunning AICD biedt hierbij aan de project- en stuurgroep van het AICD het voorliggende eindproduct aan dat voldoet aan de bovenstaande eisen. Met het voorliggende Raamwerk Vergunningensysteem AICD is een goede basis gelegd voor de verdere invulling van de vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De subwerkgroep hoopt met dit raamwerk voldoende informatie te bieden voor de besluitvorming over de verdere ontwikkeling van het AICD en is uiteraard gaarne bereid tot een nadere toelichting.

6

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

De leden van de subwerkgroep milieuvergunning AICD Subwerkgroep milieuvergunning AICD: Mw. drs. A. Mariën-Meuffels, Projecten Innovatie Team (voorzitter) Dhr. ir. P.J. Hagens, Agro Industrieel Complex Dinteloord Dhr. ing. A.P.M. Backx, Suiker Unie Dhr. drs. ing. J. Schoonbeek, Hoogheemraadschap van West-Brabant Dhr. ing. E. Weijtmans, Provincie Noord-Brabant Dhr. drs. J.A. Keij, Gemeente Halderberge Dhr. M.S.A. van Leeuwen, Gemeente Steenbergen Mw. A.L.M.F. van Blaricum, Ministerie van VROM Dhr. P. Wetzels, Regionale Milieudienst westelijk Noord-Brabant Dhr. ing. R.J. van den Hoek, Rijkswaterstaat/RIZA Secretariaat: Mw. A. Kaspers-Verhagen, Provincie Noord-Brabant Adviseursteam: Dhr. drs. P.J. Wijnker, KPMG Milieu (projectleider) Dhr. mr. P. de Putter, KPMG Milieu Dhr. prof. mr. J.M. Verschuuren, KUB, Centrum voor Wetgevingsvraagstukken Dhr. drs. P. Beijer, Grontmij Agendaleden: Dhr. drs. H.B.M.A. Dormans, Kamer van Koophandel West-Brabant Dhr. ing. H. Smetsers, Inspectie Milieuhygiëne Zuid Mw. mr. dr. J.E. Hoitink, Stichting Natuur en Milieu Dhr. R. Broeren, Provincie Noord-Brabant Dhr. ing. C.J.M.J. Hack, Suiker Unie Dhr. ir. R. Kalwij, COSUN Dhr. mr. J. Teekens, Ministerie van VROM

7

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

1 Inleiding 1.1 Aanleiding

Suiker Unie is in de loop van 1997 begonnen met het ontwikkelen van het ‘Agro Industrieel Complex Dinteloord' (AICD). Een eerste stap vormde de oprichting van een projectorganisatie. De gedachtevorming over het AICD is nu zover ontwikkeld dat de meest kansrijke Product Markt Technologie Combinaties (PMT's) nader worden bekeken en haalbaarheidsstudies worden uitgevoerd naar de levering van utilities en facilitaire dienstverlening. Dit is ook de fase waarin aandacht wordt besteed aan de organisatorische, juridische, financiële en fysieke infrastructuur. Een belangrijk onderdeel in deze fase is de ontwikkeling van een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) en van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) voor het AICD. Voor het AICD is de ambitie geformuleerd een milieuvergunning en een Wvo-vergunning op te stellen die van toepassing is voor het gehele complex, er wordt in dit verband gesproken over een parasolvergunning. Een dergelijke vergunning op complexniveau wordt gezien als een noodzakelijke randvoorwaarde voor het ontwikkelen van een duurzaam bedrijventerrein De combinatie KPMG Milieu, Grontmij en de KUB is door het AICD gevraagd hen hierbij te begeleiden. Het AICD geldt als een duurzaam bedrijventerrein. De Nota Milieu en Economie vermeldt (p.48): "Op duurzame bedrijventerreinen werken bedrijven onderling en met overheden samen met als doel een bijdrage te leveren aan duurzame productie en/of een efficiënter ruimtegebruik. Voorbeelden hiervan zijn: het sluiten van kringlopen; hergebruik van rest- of bijproducten; het gezamenlijk gebruik van productiemiddelen en gezamenlijke afvalverwerking en/of transport. De rentabiliteit van samenwerkingsprojecten staat voorop. Gelijktijdige versterking van milieu. en economie is het uitgangspunt bij het vormgeven van duurzame bedrijventerreinen". 1.2 Leeswijzer

Het voorliggende Raamwerk Vergunningensysteem is opgesteld in overleg met de bij de vergunningverlening betrokken partijen zijnde: Suiker Unie, de Provincie Noord-Brabant, het Hoogheemraadschap van West-Brabant, de Gemeente Steenbergen en de Gemeente Halderberge. Dit raamwerk geeft de onderbouwing voor een aantal belangrijke doelstellingen van het AICD, namelijk: het formuleren van een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het gehele complex en ‘op maat'. Dit raamwerk biedt betrokken partijen een richtlijn voor het opstellen van een integraal locatieplan, de aanvraag, de beschikking en considerans van de vergunningen Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het opstellen van dit Raamwerk Vergunningensysteem is door KPMG Milieu, Grontmij en KUB de bestuurlijke en juridische mogelijkheden bestudeerd voor het opstellen van een vergunning of vergunningensysteem voor het gehele complex 1. In hoofdstuk 3 van dit raamwerk wordt het gedachte- en besluitvormingsproces, dat door de subwerkgroep milieuvergunning AICD is doorlopen om een uiteindelijke keuze te maken, beschreven. Gekozen is voor het model waarbij sprake is van één inrichting en één vergunning. De keuze voor dit model is nader uitgewerkt in het voorliggende Raamwerk Vergunningensysteem AICD. Achtereenvolgens wordt in deze rapportage aandacht besteed aan:

1

KPMG Milieu, Grontmij en KUB, Notitie Vergunningenbeheerssysteem, 9 juli 1999

8

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

De voordelen van de ontwikkeling van een industrieel complex en de daaruit volgende uitgangspunten voor het vergunningensysteem (Hoofdstuk 2). De belangrijkste juridische bouwstenen voor een vergunningensysteem en de motivering van het in dit raamwerk gehanteerde model (Hoofdstuk 3). De elementen van het vergunningensysteem voor de AICD (Hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan: - de positie van Suiker Unie; - de externe organisatie: de relatie met het bevoegd gezag, de omgeving en derden; - de interne organisatie: de relatie tussen de bedrijfsprocessen op het complex; - de verevening van kosten.

9

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

2 Voordelen complex en uitgangspunten vergunningensysteem 2.1 De voordelen van een complex

Uitgangspunt bij de ontwikkeling van de milieuvergunning zijn de beoogde voordelen die zijn te behalen bij het ontwikkelen van een industrieel complex. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfseconomische en milieutechnische voordelen en voordelen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Het vertrekpunt voor het AICD is dat het complex, door een vergaande vorm van samenwerking van de verschillende bedrijfsprocessen of ondernemingen, in staat moet zijn een betere prestatie te leveren dan de som van de individuele bedrijfsprocessen of ondernemingen. Let wel: afhankelijk van de nadere invulling van het complex en van de ontwikkelingsrichting van het AICD zal concrete invulling moeten worden gegeven aan de verwachte voordelen. Wij volstaan hier met een verwijzing naar voorbeelden van mogelijke voordelen van een industrieel complex. Door de initiatiefnemers van het AICD is in verschillende andere documenten uitvoerig uiteengezet welke voordelen met het complex worden nagestreefd (zie onder meer het Masterplan AICD). 2.1.1 Economie Economische voordelen: • Een betere concurrentiepositie voor de betrokken bedrijven. • Creëren van nieuwe markten die passen bij de core-business. • Verkrijgen van extra inkomsten uit de levering van (omvangrijke) reststromen. • Betere spreidingsmogelijkheden voor investeringen. • Besparing van kosten op de inkoop van grond- en hulpstoffen, energie en water. • Betere spreiding van de kosten voor energie- en watervoorziening. • Kostenverlaging van een eenheid energie of water door een optimale bezettingsgraad. • Verlaging van de transportkosten door de vermindering van de mobiliteitsvraag. • Besparing van kosten door de preventie van afvalstoffen. • Lagere kosten voor afvalverwerking (goedkopere collectieve contracten voor verwerking). • Verbetering van het werkklimaat door treffen van gezamenlijke voorzieningen. • Versterking sociaal-economische positie regio. • Vermindering van de (milieu-)kosten in het algemeen. 2.1.2 Milieu & water Milieuvoordelen: • Vergroten van (financieel en technisch) draagvlak voor het treffen van milieumaatregelen. • Vergroten van de mogelijkheden voor gebruik alternatieve grondstoffen. • Vermindering van het cumulatieve gebruik van grond- en hulpstoffen. • Vermindering van het cumulatieve gebruik van drinkwater, grondwater en energie. • Vermindering van de cumulatieve emissie van milieubelastende stoffen (zoals CO2, SO2 en NOx). • Vermindering van de cumulatieve emissie naar water. • Reductie van de cumulatieve hoeveelheid afvalstoffen.

10

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

2.1.3 Ruimtelijke Ordening Ruimtelijke voordelen: • Vermindering van het ruimtebeslag. • Optimalisering van het ruimtegebruik. • Benutten mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik. 2.2 De voordelen voor overheid en omgeving

Niet alleen voor de deelnemende bedrijven binnen het AICD zijn er belangrijke voordelen te realiseren door de ontwikkeling van een industrieel complex, dat geldt ook voor de betrokken overheden en de omgeving. Zo kan de ontwikkeling van het AICD resulteren in een verbetering van het vestigingsklimaat en het creëren van nieuwe werkgelegenheid. Daarnaast kan door de vorming van het industrieel complex een substantiële bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de milieubelasting op bovenlokaal niveau. In het specifieke geval van het AICD geldt dat in ieder geval geen toename plaatsvindt van de lokale hinder (zoals geur en geluid) voor de woonkern Stampersgat. Voor de overheid maakt het de vergunningensituatie eenduidiger en overzichtelijker. Het moet hen (en derde belanghebbenden) de mogelijkheid bieden voor het maken van een ‘integrale afweging' op complexniveau met doorwerking naar de te leveren milieu- en RO-prestaties van de afzonderlijke onderdelen. 2.3 Uitgangspunten vergunningensysteem

De subwerkgroep milieuvergunning AICD heeft uitgebreid stilgestaan bij de vraag welke uitgangspunten moesten worden gehanteerd bij het uitwerken van de Wm- en de Wvo-vergunning. Deze afweging heeft geresulteerd in de navolgende uitgangspunten. Om de voordelen, zoals staan genoemd in paragraaf 2.1, te kunnen realiseren zal in de toekomst sprake moeten zijn van een complex dat functioneert als één geheel. Het te ontwikkelen vergunningensysteem moet een bijdrage leveren aan de beheersbaarheid van het complex. De eenduidige handhaving van de vergunningen en van de vastgelegde afspraken vormt een harde randvoorwaarde voor de betrokken partijen. Tevens moest het vergunningensysteem bijdragen aan de benodigde flexibiliteit en niet verstarrend werken. Samenvattend kunnen de volgende uitgangspunten worden geformuleerd: 1. Het vergunningensysteem moet bijdragen aan de beheersbaarheid van de milieu- en RO-prestaties van het complex als geheel. 2. Binnen het vergunningensysteem moet sprake zijn van één aanspreekpunt voor het bevoegd gezag met betrekking tot de milieu- en RO-prestaties. 3. Het vergunningensysteem moet bijdragen aan de benodigde flexibiliteit bij de vorming en verdere uitbouw van het complex. 4. De mogelijkheid om het ALARA-beginsel toe te kunnen passen op het gehele complex, in plaats van op de individuele bedrijven, waardoor investeringen op basis van het hoogst economisch en milieurendement kunnen worden ingezet bij de verschillende bedrijven.

11

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

3 Inrichtingenbegrip Wet milieubeheer 3.1 Algemeen

Wanneer een bedrijf activiteiten uitoefent die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, dan is het waarschijnlijk dat op die activiteiten de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van toepassing is. Deze wetten beogen het gedrag van bedrijven, voor zover dat de kwaliteit van het milieu bedreigt, te reguleren. De vergunningplicht geldt alleen voor ‘inrichtingen'. De Wet milieubeheer verstaat onder een inrichting "elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht". Een bedrijf valt al snel onder deze omschrijving. Er is echter alleen sprake van vergunningplicht wanneer de activiteiten van het bedrijf ook vallen onder het ‘Inrichtingen- en vergunningenbesluit'. Wanneer aan de voorwaarden van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningen besluit wordt voldaan, wordt er gesproken van een vergunningplichtige inrichting. 3.2 Complex als inrichting

In hoofdstuk 2 is aangegeven dat bij de vorming van een industrieel complex een aantal belangrijke bedrijfseconomische voordelen kan worden behaald. Daarbij kan, zoals aangegeven, worden gedacht aan de onderlinge uitwisseling van utilities, personeel, kennis en energie en verwerking van rest- en afvalstoffen. Om die voordelen te kunnen behalen dient er echter sprake te zijn van één inrichting. Wanneer er namelijk sprake is van één inrichting, dan is onderlinge uitwisseling mogelijk en wordt op complexniveau bepaald of het behaalde milieurendement voldoende is. Wordt daarentegen elk bedrijfsproces als een individuele inrichting beschouwd, dan valt het milieuvoordeel lager uit. Er wordt immers per bedrijfsproces bepaald of het behaalde milieurendement voldoende is, waarbij de mogelijkheden van een onderlinge samenwerking nauwelijks in ogenschouw worden genomen. Voor de uitbouw van het AICD is het uitgangspunt één inrichting dan ook essentieel. In een situatie van een complex met meerdere inrichtingen (vergelijkbaar met een industrieterrein) zal per inrichting een milieuvergunning moeten worden aangevraagd. Dit betekent dat per inrichting het ALARA-beginsel moet worden toegepast en dat per inrichting de gevolgen voor het milieu worden beschouwd. Echter, indien Suiker Unie en alle te vestigen bedrijfsprocessen binnen het AICD als één inrichting kunnen worden beschouwd, dan kan het ALARA-beginsel op het complex als geheel worden toegepast. Op basis van het hoogste economische en milieurendement kunnen dan de investeringen bij de verschillende bedrijfsprocessen worden ingezet. Op deze wijze kan binnen het complex op een veel efficiënter en effectiever wijze inhoud worden gegeven aan het ALARA-beginsel, hetgeen overigens ook geldt voor het in de Wm geformuleerde uitgangspunt van best toepasbare technieken (BTM). Bij de toepassing van ALARA wordt ook een economische haalbaarheidstest toegepast 2. Per saldo zal de uitkomst van de toepassing van het ALARA-beginsel op het complex een groter economisch- en milieuvoordeel opleveren dan bij het toepassen van ALARA per bedrijfsproces afzonderlijk. De Wet milieubeheer geeft in art. 1.1 vierde lid Wet milieubeheer criteria waarmee kan worden vastgesteld of nabijgelegen bedrijven als één inrichting kunnen worden aangemerkt: "Als één

2

Uit jurisprudentie blijkt dat toepassing van ALARA afhankelijk is van een in de bedrijfsvoering gehanteerde combinatie van reductie van milieubelasting door toepassing van BTM, BPM en gerichte milieu-investeringen

12

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

inrichting wordt beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties, die onderling een technische, organisatorische of functionele binding hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen"3. Het criterium van technische, organisatorische of functionele bindingen is niet cumulatief. Wanneer aan twee van de drie aspecten wordt voldaan kan van één inrichting sprake zijn4. 3.3 Eis 1: 'technische, organisatorische of functionele bindingen'

Deze aanduiding wordt doorgaans in zijn geheel benaderd. Gezien de feitelijke omstandigheden moeten er voldoende ‘technische, organisatorische of functionele bindingen' zijn om te kunnen spreken van één inrichting, waarbij ze niet per definitie alle drie aanwezig moeten zijn. Hoewel de jurisprudentie niet een duidelijke lijn te zien geeft, lijkt het feit dat er één exploitant is bepalend te zijn. Hieronder is een lijst van onderwerpen aangegeven die bepalend zijn voor het aanmerken van ‘technische, organisatorische of functionele bindingen'. Het aantal plusjes (+) geeft de frequentie weer waarmee de genoemde onderwerpen door jurisprudentie worden aangehaald5. Relevante onderwerpen: • één exploitant/directeur/directie/verantwoordelijke • uitwisseling van personeel tussen bedrijven • verweven bedrijfsprocessen • één dagelijkse leiding • een gemeenschappelijke bedrijfsvoering • een gemeenschappelijke ingang/toegangsweg • gemeenschappelijke machines • een gemeenschappelijke verkoopruimte • één eigenaar • één boekhouding • dezelfde activiteiten • een gezamenlijke administratie • een gezamenlijke technische dienst • een gezamenlijke schoonmaakdienst • een gezamenlijke telefooncentrale • een gezamenlijke parkeerplaats • gezamenlijke bedrijfsriolering • centrale afvalopslagplaats • gebouwen A gebruikt voor opslag goederen B • gebruik dezelfde grondstoffen ++++ ++++ ++++ ++++ +++ ++ ++ + + + + + + + + + + + + +

3 4 5

Artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer. Dit artikel legt een sinds 1976 gevolgde lijn in de jurisprudentie vast AGRvS 12 juni 1990, BR 1990, p. 850 VzABR 27 mei 1997, KG 97, 255: 1,2,4,6,10,13,14,15 VzABR 24 oktober 1997, KG 98, 24: 4,7,10,16,19 ABR 19 maart 1998, M en R 1998, 83: 17,18 ABR 29 augustus 1996, Praktijkboek Milieu, D44-261: 4 ABR 5 november 1996, Praktijkboek Milieu, D44-262: 2,4,5 ABR 27 juni 1997, GSt. 7074: 11 ABR 21 juli 1997, GSt. 7074: 4 T.E.P.A. Lam, De Wm-inrichting: met een definitie verder van huis? in: GSt. 1998, 7074, p. 221 H.E. Woldendorp, P.C.M. Hemen, Agrarische activiteiten en de Wet milieubeheer, Het begrip ‘inrichting', de integrale milieuvergunning, bestaande vergunningrechten, in: Agr.r. 1998/12, p.633 H.E. Woldendorp, P.C.M. Heinen, Het begrip inrichting in de Wet milieubeheer, een analyse van de jurisprudentie, in: Bouwrecht 1999/5, p. 375

13

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Als slechts twee of drie van de in de jurisprudentie minder vaak genoemde aspecten aanwezig zijn is er geen sprake van één inrichting. Er moeten altijd circa zeven of meer van dit soort argumenten aangevoerd kunnen worden, waarbij dus de leiding, directie en verantwoordelijkheid veruit het belangrijkste zijn. Voor het AICD bestaat de uitdaging er dan ook uit om de belangrijkste criteria voor de eigen situatie vorm te geven. Concrete invulling hiervan vergroot de juridische robuustheid en verkleint eventuele juridische risico's. 3.4 Eis 2: 'in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen zijn'

Het criterium ‘in elkaars onmiddellijke nabijheid' blijkt in de praktijk niet zo problematisch te zijn. Uit de jurisprudentie is een voorbeeld bekend van een houthandel en een 450 meter verder gelegen aannemersbedrijf die als één inrichting worden gezien. Ze hebben dezelfde directeur (organisatorische samenhang) en zij leveren materialen en instrumenten aan elkaar (functionele samenhang)6. Het is niet nodig dat de onderdelen tot één rechtspersoon of concern behoren. De bedrijven mogen ook weer niet at te ver van elkaar verwijderd te liggen, in de literatuur wordt gesproken over een maximale afstand tussen de 450 en 1000 meter7. 3.5 Alternatieve modellen vergunningensysteem

Om een keuze te kunnen maken welk vergunningensysteem het meest geschikt is voor het AICD, heeft de subwerkgroep milieuvergunning AICD eerst bepaald welke uitgangspunten voor de partijen van belang waren. Deze uitgangspunten staan geformuleerd in paragraaf 2.3. Min of meer tezelfdertijd heeft de subwerkgroep zich de vraag gesteld welke voordelen de vorming van een industrieel complex biedt en aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan om die mogelijke voordelen ook werkelijk te behalen. De mogelijke voordelen en randvoorwaarden zijn besproken in hoofdstuk 2 en 3. Een confrontatie van die verschillende vragen en de daarop volgende analyses heeft niet logischerwijze tot één soort vergunning of vergunningensysteem geleid. Voordat een keuze voor één model kon worden gemaakt zijn verschillende alternatieven in kaart gebracht en zijn vóór- en nadelen van diverse opties gewogen. Gedeeltelijk was dat een theoretische benadering. Daarnaast is bij een aantal ondernemingen of industriële complexen onderzocht hoe de vergunning(en)situatie vorm is gegeven. De verschillende voorbeelden die hier worden genoemd voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. In de subwerkgroep is verschillende keren de optie besproken om middels een convenant het complex te structureren. Het achterliggende idee was om op complexniveau afspraken te maken in de vorm van convenanten, onder meer over de toepassing van ALARA, en deze in tweede instantie in de vergunning te borgen. Op dit moment is een dergelijke optie juridisch niet mogelijk is. Door het ministerie van VROM wordt momenteel onderzocht of en zo ja, hoe een dergelijke structuur kan worden vormgegeven. Uit het onderzoek naar verschillende vergunning(en)situaties op bestaande locaties bleken, binnen de huidige wet- en regelgeving, de volgende praktijkvoorbeelden te bestaan: 3.5.1 Meerdere vergunningen en meerdere vergunninghouders In deze optie heeft elke bedrijf (inrichting) zijn eigen vergunning. Afspraken over samenwerking (op alle denkbare terreinen) worden in een convenant of een vergelijkbare overeenkomst vastgelegd. Bedrijven die zich vervolgens op het terrein willen vestigen moeten meedoen aan de afspraken, zoals die in het convenant zijn vastgelegd. In deze optie wordt elk

6 7

ABR 25 juli 1994, M en R 1995, 26 Bron: Milieurecht, Brussaard e.a., vierde druk, W.E.J. Tjeenk Willink, 1996 Deventer

14

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

bedrijf vervolgens door het bevoegd gezag aangesproken op de haar geleverde milieuprestaties. Weging: Het voordeel van deze optie is dat ieder bedrijf autonoom blijft en er geen bevoegdheden worden gemandateerd. Een belangrijk nadeel is dat het ALARA-beginsel per inrichting wordt toegepast en als gevolg daarvan geen uitruil van milieubelasting mogelijk is op de locatie. Feitelijk is hier sprake van een regulier bedrijventerrein in plaats van een bedrijfsterrein of complex. Voor de ontwikkeling van het AICD valt deze optie daarmee af. 3.5.2 Eén vergunning en één vergunninghouder In deze optie is sprake van één Wm- en één Wvo-vergunning voor de gehele locatie en één partij die optreedt als vergunninghouder. Deze vergunninghouder is het centrale aanspreekpunt voor het bevoegd gezag, vervult de brugfunctie tussen het bevoegd gezag en de andere bedrijven op de locatie en is verantwoordelijk voor de milieuprestatie van het gehele complex. Om haar verantwoordelijkheid gestalte te kunnen geven sluit de vergunninghouder met de afzonderlijke bedrijven privaatrechtelijke overeenkomsten. In deze contracten wordt vastgelegd dat de bedrijven zich aan de vergunningvoorschriften en randvoorwaarden conformeren die gelden voor vestiging op het complex. Deze optie is ontleend aan de situatie op Schiphol Airport. Schiphol Airport is vergunninghouder voor het gehele terrein en bedrijven die zich op het terrein vestigen ondertekenen een ‘addendum', waarmee wordt aangegeven dat zij zich conformeren aan de van toepassing zijnde vergunningvoorschriften. Weging: De belangrijkste voordelen van deze optie zijn dat voor nieuw toetredende bedrijven niet een complete vergunningprocedure hoeft te worden doorlopen, het bevoegd gezag één aanspreekpunt heeft voor het gehele complex en het ALARA-beginsel van toepassing is op het gehele terrein. Ook is voor de uitwisseling van afval- en reststromen geen aparte inzamelof verwerkingsvergunning noodzakelijk. Binnen één inrichting is namelijk een vrije uitwisseling van stromen mogelijk. Daarmee komt deze optie dicht bij de door het AICD geformuleerde uitgangspunten. Toch valt deze optie voor het AICD af. De vestiging van elk nieuw bedrijf op het AICD zou voor het bevoegd gezag aanleiding zijn om de milieuvergunning te herzien indien sprake zou zijn van één vergunning. Bij Schiphol Airport is dit risico veel minder aanwezig als gevolg van de aard en geringe milieubelasting van de bedrijven. 3.5.3 Eén vergunning en een derde partij als vergunninghouder Een derde mogelijkheid bestaat erin dat een onafhankelijk orgaan wordt opgericht en als vergunninghouder opereert. In het onafhankelijke orgaan (bijvoorbeeld een Stichting of een BV) participeren alle afzonderlijke bedrijven. Dit orgaan functioneert als intermediair tussen het bevoegde gezag en de andere bedrijven. Er is voor de gehele locatie één Wm-vergunning en één Wvo-vergunning. Door het sluiten van contracten tussen de vergunninghouder en de afzonderlijke bedrijven wordt bereikt dat de vergunningvoorschriften worden nageleefd. Ook lopen allerlei gemeenschappelijke activiteiten op het milieugebied via dit orgaan. Deze optie is ontleend aan een bedrijventerrein in Hardenberg. Op deze voormalige Wavin-locatie staan 8 bedrijven die samenwerken op milieugebied. Wavin Nederland BV Locatiebeheer is de vergunninghouder en heeft de daaruit volgende verplichtingen uitbesteed aan een faciliterend bedrijf. Dit bedrijf vervult een cruciale rol op het terrein. Zij stelt bijvoorbeeld milieuprogramma's en milieujaarverslagen op en ontwikkelt gezamenlijke milieumaatregelen.

15

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Weging: Deze optie komt sterk overeen met optie 3.5.2. Het enige verschil zit hem in het feit dat een derde partij is opgericht om te fungeren als vergunninghouder. Daarmee gaan ook dezelfde voordelen op. Desalniettemin valt ook deze optie af voor het AICD. Wederom is het inflexibele karakter van een constructie met één vergunning daarvan de oorzaak. Door de bedrijven op de voormalige Wavin-locatie wordt dit niet als bedreigend ervaren, omdat de 8 bedrijven oorspronkelijk één bedrijf vormden. Bij de opsplitsing heeft men de vergunningsituatie als het ware in stand gehouden. 3.5.4 Eén oprichtingsvergunning, diverse veranderingsvergunningen en één vergunninghouder Optie vier gaat uit van één vergunninghouder met één oprichtingsvergunning die voor alle (nieuwe) bedrijven op het complex een veranderingsvergunning aanvraagt (aanvrager en ‘gebruiker' van de vergunning hoeven niet dezelfde partij te zijn). In deze optie blijft de aanvrager verantwoordelijk voor de, vergunning, is voor het bevoegd gezag het centrale aanspreekpunt en verantwoordelijk voor de handhaving. Hiervoor sluit de vergunninghouder contracten met de andere bedrijfsprocessen op basis van de ‘machtspositie' die zij inneemt op het complex. Deze optie is ontleend aan de situatie bij DSM te Geleen. DSM is begin jaren '80 gestart met de vorming van een industrieel complex. Veel aspecten van de organisatorische en juridische uitwerking zijn inmiddels in beleid vastgelegd en in de praktijk gerealiseerd. Een belangrijk aspect is dat voor het gehele industriële complex één bedrijfsmilieuplan wordt gemaakt. In dat bedrijfsmilieuplan staan alle afspraken op het niveau van het complex met het bevoegd gezag en belanghebbende partijen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. Om de vier jaar wordt het plan herzien. Jaarlijks wordt een milieuverslag uitgebracht. Bedrijven die zich op het complex vestigen worden verplicht om het bedrijfsmilieuplan te onderschrijven. Hierbij gaat het niet alleen om ‘DSM-bedrijven', maar ook om zelfstandige ondernemingen. In totaal zijn ruim 40 uitbreidingsvergunningen afgegeven. Een belangrijke voorwaarde bij deze optie is de mogelijkheid voor DSM om kennis te kunnen nemen van de andere bedrijfsprocessen. De ervaring bij DSM leert dat andere bedrijven bereid zijn om informatie aan elkaar door te geven. In de loop van de tijd is met diverse instanties over dit vergunningensysteem gesproken. Bevoegd gezag (provincie), VROM en de Raad van State hebben kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben. Het risico dat DSM wordt teruggefloten wanneer een procedure wordt aangespannen blijft overigens aanwezig. Weging: Ten eerste kent deze optie dezelfde voordelen als optie 3.5.2. Een belangrijk aanvullend voordeel van dit vergunningensysteem is de hoge mate van flexibiliteit. Afzonderlijke veranderingsvergunningen per bedrijfsproces houden het systeem continu en op onderdelen aanpasbaar. Problemen met één onderneming hebben daarbij geen gevolgen voor het gehele complex. Daarnaast is het een voordeel van dit model dat het direct is te operationaliseren en de juridische risico's zijn te overzien. 3.6 Conclusie

Op basis van de bovenstaande opties kan de volgende conclusie worden getrokken. Elke optie heeft haar eigen voor- en nadelen. Of er sprake is van een voor- of nadeel wordt vooral bepaald door de locale situatie. Optie 4 sluit het meest aan bij de uitgangspunten die door de subwerkgroep zijn geformuleerd voor het vergunningsysteem van het AICD. In onderstaande tabel zijn de voor- en nadelen van de bovenstaande opties nogmaals bijeen gebracht en getoetst aan de uitgangspunten: 1. Beheersbaarheid. 2. Eén aanspreekpunt. 3. Flexibiliteit. 4. Toepassing ALARA.

16

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Vergelijking voor- en nadelen opties

Optie 1:
Meerdere vergunningen en meerdere vergunninghouders

Optie 2:
Eén vergunning en één vergunninghouder

Optie 3:
Eén vergunning en een derde partij als vergunninghouder

Optie 4:
Diverse veranderingsvergunningen en één vergunninghouder

Beheersbaarheid Eén aanspreekpunt Flexibiliteit Toepassing ALARA

+ -++ --

++ ++ -++

++ ++ -++

++ ++ ++ ++

Naar aanleiding van de bovenstaande analyse en conclusies zijn door de subwerkgroep milieu AICD de volgende additionele uitgangspunten geformuleerd voor de verdere uitwerking van het vergunningensysteem AICD (zie hoofdstuk 4). 1. Het vergunningensysteem moet uitgaan van één vergunninghouder c.q. één partij met zeggenschap over de milieu- en RO-prestaties van het gehele complex in verband met de handhaafbaarheid. Tevens moet deze partij toegang hebben tot alle ruimten en installaties en informatie. 2. Voor het bevoegde gezag (en ook andere belanghebbenden) moet het vergunningensysteem waarborgen bieden voor een ‘integrale afweging' op complexniveau en moet het inzicht geven in de milieu- en RO-prestaties van de individuele bedrijfsprocessen. 3. Door Suiker Unie/AICD en de betrokken bevoegde gezagen wordt een lange termijn afspraak gemaakt waarbinnen het AICD zich mag ontwikkelen (de zogenaamde 0-situatie). Deze afspraak heeft betrekking op het complex als geheel. 4. De aanvaardbare milieubelasting van de aanwezige bedrijfsprocessen op het AICD wordt bepaald aan de hand van een integraal plan. Dit plan wordt in overleg met betrokken partijen opgesteld onder de eindverantwoordelijkheid van de vergunninghouder en wordt om de vier jaar herzien. Jaarlijks wordt een integraal verslag opgesteld over het functioneren van het complex. 5. Door de individuele ondernemingen worden -in onderling overleg- integrale plannen opgesteld waarin de doorwerking van het integrale plan op complexniveau wordt vertaald naar de individuele bedrijfsprocessen. Deze plannen worden jaarlijks herzien. 6. Voor het bevoegde gezag is de vergunninghouder het centrale aanspreekpunt voor de externe handhaving en eindverantwoordelijke voor de interne handhaving, het meet- en registratiesysteem, de meldingen (in het geval van ongevallen en calamiteiten), de afhandeling van klachten en het calamiteitenplan voor het gehele complex. 7. De vergunninghouder sluit privaatrechtelijke overeenkomsten (contracten) met de op het complex vestigende bedrijfsprocessen, waarmee deze zich conformeren aan de uitgangspunten van het complex en aan de afspraken die op zijn gemaakt met bevoegd gezag en derden.

17

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

4 Elementen vergunningensysteem AICD 4.1 De positie van Suiker Unie

Op dit moment is Suiker Unie het enige bedrijf dat zich bevindt op de locatie van het te vormen AICD. Voor de verdere ontwikkeling van het AICD wordt momenteel de markt verkent naar bedrijven en/of bedrijfsprocessen die kansen bieden voor synergie met Suiker Unie en die zich willen vestigen op het AICD. Om de doelstellingen van het AICD waar te kunnen maken moeten deze bedrijfsprocessen onderdeel gaan uitmaken van een gezamenlijk bestuursrechtelijke en privaatrechtelijk regime opdat de verschillende bedrijfsprocessen van het AICD zoveel mogelijk gaan functioneren als één geheel. Een belangrijk uitgangspunt voor het vergunningensysteem AICD is dat Suiker Unie (in ieder geval op de korte termijn8) in de rol treedt van de vergunninghouder c.q. de eindverantwoordelijke partij voor de milieu- en RO-prestaties van het gehele complex. Om deze rol ook feitelijk te kunnen vervullen is het voor Suiker Unie van belang te beschikken over een sterke onderhandelingspositie naar andere partijen binnen het complex. De volgende condities kunnen die onderhandelingspositie in belangrijke mate versterken, te weten: 1. Grondeigendom. Er moet sprake moeten zijn van een ‘machtspotitie' aan de hand waarvan Suiker Unie regels kan stellen aan de milieu- en RO-prestaties van de andere bedrijfsprocessen op het complex. De positie van Suiker Unie kan worden versterkt indien zij eigenaar is van de grond waarop het AICD is gevestigd en deze grond aan andere bedrijven ter beschikking stelt. Door middel van contracten kan Suiker Unie regels verbinden aan (de zeggenschap over) de milieu- en RO-prestaties van de andere bedrijfsprocessen en de wijze waarop deze worden gerealiseerd. Voor zover Suiker Unie gronden niet in eigendom heeft, draagt zij ervoor zorg dat zij ook in deze situatie haar ‘machtspositie' behoudt. 2. Expertisecentrum. Er zal op termijn sprake moeten zijn van een ‘expertisecentrum' met behulp waarvan Suiker Unie invulling kan geven aan haar eindverantwoordelijkheid. De taken op het gebied van milieu en RO die voortvloeien uit het vergunningensysteem AICD vergen specifieke kennis op beide vakgebieden (inhoudelijk en procesmatig). Taken van het expertisecentrum zijn: • Het opstellen van een Integraal Locatieplan. • De afstemming omtrent de Integrale Jaarplannen. • Het opstellen van een Integraal Locatieverslag. • Het aanvragen van de veranderings/wijzigings/uitbreidingsvergunningen/meldingen. • De afstemming over kostenverdeling van maatregelen. • De implementatie en het beheer van beheersinstrumenten voor het gehele complex. • De interne en externe communicatie. • De interne handhaving. Op korte termijn zullen de bovengenoemde condities moeten worden ingevuld door Suiker Unie. In de toekomst is het mogelijk dat de eindverantwoordelijkheid verschuift van Suiker Unie naar een ten behoeve van het AICD op te richten ‘parkmanagement' organisatie.

8

Op de langere termijn te vervangen door een andere partij die verantwoordelijk wordt voor het functioneren van het complex

18

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

4.2

De externe organisatie: relatie met bevoegd gezag, omgeving en derden

Een essentieel onderdeel van het vergunningensysteem AICD is de bedrijfseconomisch verantwoorde sturing die moet gaan plaatsvinden op de milieu- en de RO-prestaties van zowel het gehele complex als de individuele bedrijfsprocessen. In het vergunningensysteem AICD wordt daarom uitgegaan van een Integraal Locatieplan met behulp waarvan het AICD haar milieu- en RO-doelstellingen inzichtelijk maakt en op basis waarvan het overleg plaatsvindt met het bevoegde gezag, de omgeving en derden. Het Integrale Locatieplan heeft in de relatie tussen het AICD en het Wm-bevoegde gezag een vergelijkbare status als een bedrijfsmilieuplan (BMP). Bij het opstellen van het Integrale Locatieplan wordt gebruik gemaakt van het beleid zoals vastgelegd in diverse beleidsdocumenten, zoals: het Nationaal Milieubeleidsplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan en het Streekplan. Tevens worden ook de afgeleide plannen betrokken, zoals: gemeentelijke beleidsplannen, waterbeheersplannen, eventuele structuurplannen en bestemmingsplannen. Het Integrale Locatieplan is dus het niveau waarop in materiële zin de onderhandelingen worden gevoerd met de bevoegde gezagen voor milieu, water en RO. Bij het opstellen van het Integraal Locatieplan worden ook andere belanghebbende partijen betrokken, daarbij kan worden gedacht aan omwonenden, maatschappelijke organisaties e.d. Indien naar aanleiding van de onderhandelingen op en rond het AICD fundamentele wijzigingen ontstaan, dan worden de normale wettelijke procedures in het kader van de Wm, Wvo en RO doorlopen. Deze procedures fungeren daarmee als een sluitstuk voor de formele of wettelijke borging van de afspraken die zijn gemaakt in het Integraal Locatieplan.

19

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Voor de relatie met de bevoegde gezagen, de omgeving en derden spelen de volgende elementen van het vergunningensysteem een belangrijke rol (zie figuur 1): 1. Integraal Locatieplan (ILP). Voor het gehele complex wordt een ILP gemaakt. In dat plan staan de doelstellingen op complexniveau waarover met het bevoegd gezag (en eventueel met de omgeving en derden) over de milieu- en RO-doelstellingen van de AICD (emissiereductie, energie- en grondstoffengebruik, lozingen, ontsluiting locatie, etc.) overeenstemming is bereikt. Tevens worden in het ILP de doelstellingen van elk afzonderlijk bedrijfsproces zichtbaar gemaakt. Het ILP wordt om de vier jaar herzien of indien dat tussentijds nodig is (bijvoorbeeld als bij de vestiging van een nieuw bedrijfsproces de doelstellingen of onderlinge taakstellingen fundamenteel moeten worden gewijzigd). De criteria voor het ILP zijn opgenomen in bijlage I. De Suiker Unie is verantwoordelijk voor het opstellen van het ILP. 2. Integrale Jaarplannen (IJP). Per bedrijfsproces wordt een IJP opgesteld met daarin de doorvertaling van de in het ILP opgenomen milieu- en RO-doelstellingen naar concrete activiteiten. Bij het opstellen van de IJP's wordt de samenhang tussen de verschillende bedrijfsprocessen en het gehele complex gewogen. De IJP's worden jaarlijks opgesteld. De criteria voor de IJP's worden vastgesteld in het ILP. De individuele bedrijfsprocessen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de IJP's. Het expertisecentrum ondersteunt de bedrijfsprocessen bij de onderlinge afstemming. De Suiker Unie is verantwoordelijk voor het organiseren van de toepassing van ALARA op het gehele complex, de bundeling van de IJP's en de besprekingen met het bevoegde gezag. 3. Integraal Locatieverslag (ILV). Voor het gehele complex wordt jaarlijks een Integraal Locatieverslag (overheids- en een publieksverslag) opgesteld met daarin weergegeven de evaluatie van de milieu- en RO-prestaties van het gehele complex cq. de individuele bedrijfsprocessen en (op hoofdlijnen) de plannen ter verbetering van deze prestaties. Het verslag moet voldoen aan de criteria voor milieuverslagplicht in het kader van de Wm. De Suiker Unie is verantwoordelijk voor het opstellen van het ILV. Het expertisecentrum zorgt daarbij voor ondersteuning. 4. Vergunningen bedrijven. Suiker Unie vraagt als vergunninghouder voor alle bedrijfsprocessen een veranderings-/uitbreidingsvergunning9 op de revisievergunning van Suiker Unie aan. Tevens vraagt zij de Wvo-vergunningen aan. Suiker Unie is vergunninghouder en daarmee ook verantwoordelijk voor de uitvoering en de naleving ervan. Individuele bedrijven hebben dus zèlf geen vergunning. De afstemming tussen Suiker Unie en de bedrijven vindt plaats via het ILP. De criteria waaraan de vergunningaanvraag en de beschikking op maat moeten voldoen zijn opgenomen in bijlage 2 en 3 van dit raamwerk. 5. Externe handhaving. Suiker Unie is voor het bevoegd gezag en de omgeving het centrale aanspreekpunt voor de externe handhaving door de provincie en het hoogheemraadschap. Dit betekent tevens dat Suiker Unie tevens verantwoordelijk is voor alle externe communicatie inzake de milieu- en RO-prestaties van de AICD.

9

Artikel 8.4 Wet milieubeheer. Indien een veranderingsvergunning wordt aangevraagd kan het bevoegd gezag bepalen dat er een (deel)revisievergunning wordt aangevraagd. Bij een (deel)revisievergunning kan het bevoegd gezag de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunningen ontleende, niet wijzigen behalve voor zover blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. Een dergelijke veranderings- of uitbreidingsvergunning brengt de flexibiliteit van het complex dus niet in gevaar.

20

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

6. Interne handhaving. Suiker Unie is tevens verantwoordelijk voor de interne handhaving. Hierbij zullen door Suiker Unie de bedrijfsprocessen op een structurele wijze worden getoetst op naleving van de op hun van toepassing zijnde vergunningvoorschriften. Suiker Unie zal intern maatregelen moeten afdwingen indien niet aan de voorschriften wordt voldaan. 4.3 De interne organisatie: relatie tussen de bedrijfsprocessen op het complex

Naast de externe organisatie speelt ook de interne organisatie van het AICD een belangrijke rol binnen het vergunningensysteem. Bij de interne organisatie staat de relatie tussen de individuele bedrijfsprocessen centraal en in het bijzonder de relatie van Suiker Unie met de andere partijen. Zoals in het bovenstaande reeds is aangegeven zal Suiker Unie vanuit haar ‘machtspositie' regels moeten stellen aan de milieu- en RO-prestaties van de individuele bedrijfsprocessen en de wijze waarop de prestaties tot stand komen door het ontwikkelen, implementeren en beheren van milieuzorgsystemen. Voor de relatie tussen de bedrijfsprocessen op het complex spelen de volgende elementen van het vergunningensysteem een belangrijke rol (zie figuur l): 1. Contracten: Suiker Unie sluit met de individuele bedrijfsprocessen die zich willen vestigen op het complex van het AICD een contract, waarin bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het gebruik van het terrein (rechten en plichten) en de aansprakelijkheid bij eventuele incidenten of calamiteiten. In het contract zal tenminste aandacht worden besteed aan het Integraal Locatieplan, de Integrale Jaarplannen, het Integrale Locatieverslag, het ontwikkelen, implementeren en beheren van milieuzorgsystemen, interne en externe handhaving en de verevening van kosten voor het treffen van maatregelen voor de verbetering van de prestaties. 2. Milieuzorgsystemen: Voor beheersing en verbetering van de milieu- en RO-prestaties ontwikkelen, implementeren en beheren alle individuele bedrijfsprocessen milieuzorgsystemen, die de toets aan de ISO 14001 norm moeten kunnen doorstaan. De criteria voor de elementen beleid, plannen, rapportages, verslaglegging, meten & registreren, meldingen (in verband met ongevallen en calamiteiten), afhandeling van klachten en calamiteitenplan worden vastgesteld door Suiker Unie. Op deze onderwerpen dienen de milieuzorgsystemen nadrukkelijk op elkaar afgestemd te zijn. Van bedrijfsprocessen die te klein zijn voor een milieuzorgsysteem op basis van ISO 14001 wordt verlangd dat de belangrijkste zaken aantoonbaar zijn geregeld en vastgelegd. In overleg met het bevoegde gezag wordt daarnaast bepaald voor welke bedrijfsprocessen certificering nodig is. 3. Rapportages en verslaglegging: In de twee bovenstaande punten wordt aandacht besteed aan het aspect informatievoorziening door middel van rapportages en verslaglegging door de individuele bedrijfsprocessen. Voor het functioneren van het vergunningensysteem en de invulling van haar rol als verantwoordelijke partij is het voor Suiker Unie van groot belang dat de individuele bedrijfsprocessen zorgdragen voor inzichtelijke rapportages en verslaglegging van de milieuprestaties. In de contracten en bij de vaststelling van de criteria voor de milieuzorgsystemen zal door Suiker Unie extra aandacht moeten worden besteed aan de eisen die worden gesteld aan de bedrijfsprocessen. 4.4 Flexibiliteit vergunning

Zoals staat aangegeven in Hoofdstuk 1 stond bij de ontwikkeling van dit Raamwerk Vergunningensysteem AICD ook het onderwerp vergunningverlening ‘op hoofdzaken' of ‘op maat' centraal. Met het oog op de gewenste flexibiliteit van het vergunningensysteem AICD, is 21

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

door de betrokken partijen het besluit genomen om op korte termijn te gaan werken met ‘vergunningen op maat'. Afhankelijk van de verdere invulling en het functioneren van de bovengenoemde elementen van het vergunningensysteem AICD (ILP, ILV en milieuzorgsystemen) kan op termijn ook sprake zijn van 'vergunningen op hoofdzaken'. De Wegwijzer Vergunning op Hoofdzaken10 is voor de betrokkenen hierbij het uitgangspunt. Om te komen tot een vergunning op maat wordt in bijlage 2 Inhoudsopgave gecombineerde aanvraag, een onderscheid gemaakt in een statisch deel en een dynamisch deel van de aanvraag. In het statische deel worden de begrenzingen aangegeven waarbinnen het AICD moet opereren. In het dynamische deel van de aanvraag wordt ingegaan op de instrumenten die het AICD hanteert om ontwikkelingen voortdurend te toetsen aan de begrenzingen en te voorkomen dat deze worden overschreden. In het dynamische wordt een toelichting gegeven op deze instrumenten en hun werking. Tevens worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de betrokken partijen elkaar informeren en omgaan met veranderingen. 4.5 Kostenverevening

Zoals in paragraaf 3.2 reeds is aangeven is de achterliggende filosofie van het AICD het op het niveau van het complex kunnen toepassen van centrale thema's uit de milieuwetgeving, zoals: ALARA en BTM. Op deze wijze kunnen noodzakelijke investeringen bij de verschillende bedrijfsprocessen met het hoogste financieel en milieurendement worden ingezet. In tegenstelling tot in een stand-alone situatie, kunnen in een industrieel complex verdergaande afwegingen worden gemaakt tussen de wijze waarop en waar (welk onderdeel van het complex) de milieu- en RO-doelstellingen worden gerealiseerd. In een stand-alone situatie is het aantal mogelijkheden voor het nemen van milieu- en RO-maatregelen veelal beperkt. Bij het opzetten van een industrieel complex neemt, zeker naarmate het aantal bedrijfsprocessen groeit, ook het aantal mogelijkheden voor het reduceren van de cumulatieve milieubelasting toe en ontstaan nieuwe mogelijkheden voor het treffen van milieu- en RO-maatregelen. Zo kunnen rest- en afvalstoffen in een volgende productieketen worden ingezet als grondstof, kan restwarmte een nuttige toepassing krijgen e.d. Niet alleen neemt het aantal technische mogelijkheden toe. Ook de mogelijkheden om investeringen zo te sturen dat een optimaal rendement wordt behaald nemen toe. Daarom is de ontwikkeling van een systematiek die een zorgvuldige afweging mogelijk maakt van groot belang. In paragraaf 4.2 is aangegeven dat de milieu- en RO-doelstellingen van het AICD in het ILP worden vastgelegd na overleg met het bevoegd gezag, omgeving en derden. Het is vervolgens aan het AICD en de individuele bedrijfsprocessen om te bepalen op welke wijze deze milieu- en RO-doelstellingen worden gehaald. Om een gedegen afweging te kunnen maken tussen de verschillende mogelijkheden om de milieu- en RO-doelstellingen uit het ILP te kunnen realiseren, is het noodzakelijk de verschillende opties onder één noemer te brengen. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende grootheden met elkaar worden vergeleken. Het lijkt dan ook voor de hand te liggen om de bijdrage van de individuele bedrijfsprocessen aan het realiseren van de milieuen RO-doelstellingen te vertalen in benodigde investering. Kortom, de bijdrage uit te drukken in guldens.

10

Wegwijzer Vergunning op Hoofdzaken Vergunningverlening op Maat, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Augustus 1999.

22

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Elk individueel bedrijfsproces kan inzichtelijk maken welke kosten zijn gemoeid met het reduceren van de milieubelasting. Op basis daarvan kan worden aangegeven wat de kosten zijn per eenheid reductie (kosten per ton emissie, per m' of decibel). Op complexniveau kunnen vervolgens afspraken worden gemaakt bij welke bedrijfsproces(sen) de milieu- en RO-doelstelling het beste kan worden gerealiseerd. Bedrijfsprocessen waar de ratio tussen de investering en het milieu- en RO-rendement het hoogst is komen logischerwijze in eerste instantie in aanmerking. Een dergelijke werkwijze staat of valt met de bereidheid van de bedrijfsprocessen om op het niveau van het complex milieu-investeringen te financieren. Het is mogelijk dat bedrijfsprocessen aan andere bedrijfsprocessen binnen het complex een bijdrage leveren c.q. betalen om zo de milieu- en RO-doelstellingen op complexniveau en daarmee ook van de individuele bedrijfsprocessen te realiseren. In deze gedachte nemen bedrijfsprocessen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de milieu- en RO-doelstellingen. Binnen het AICD zal een systematiek voor kostenverevening nog nader moeten worden uitgewerkt.

23

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

5 Bronvermelding Afd. Bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart 1998 nummer 83, m. Nt. Van Gestel. Bedrijfsmilieuplan 1998-2001: DSM locatie Geleen, DSM Limburg b.v., Geleen, Juni 1998. Duurzaam in symbiose: samenvatting Masterplan Agro, Industrieel Complex Dinteloord, AICD, Dinteloord, 1998. Een complex-vergunning voor zelfstandige bedrijven, door H.J.M. Besselink, H.E. Uniken Venema en M. Verbree, in: Milieu en Recht, februari 1996, nummer 2. Industriële ecologie, Rapport aan de raad, Raad voor het Milieu- en Natuuronderzoek, Rijswijk, november 1997, RMNO nummer 131, Masterplan Agro Industrieel Complex Dinteloord, AICD, Dinteloord, 1998. Tel. onderhoud met dhr. Later van Hoogovens tel. 0251494676, september 1999. Tel. onderhoud met dhr. Kasvec van Infomil. tel. 0703610575, september 1999. Wet Milieubeheer, 29 april 1999, Stb.208. Wet Milieubeheer, Algemene Voorschriften Hoogovens IJmuiden, Provincie Noord-Holland, Dienst Milieu en Water. R.A.J. van Gestel en J.M. Verschuuren, Juridische handleiding bedrijfsinterne milieuzorg en vergunning op hoofdzaken, KUB, Schoordijk Instituut, Centrum voor wetgevingsvraagstukken, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer 1999. Wegwijzer Vergunning op Hoofdzaken Vergunningverlening op Maat, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Augustus 1999.

24

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Inhoudsopgave Integraal Locatieplan AICD. Inhoudsopgave gecombineerde aanvraag. Inhoudsopgave beschikking op maat.

25

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Bijlage 1 Inhoudsopgave Integraal Locatieplan AICD In deze bijlage is een voorstel opgenomen voor de structuur en inhoudsopgave van het ILP van de AICD. 1. Inleiding • achtergrond Integraal Locatieplan; • verwijzing naar raamwerk vergunningensysteem en korte uitleg van het vergunningensysteem; • voordelen van het vergunningensysteem (ketengedachte, sluiten van stofstromen, etc.); • rapportages en communicatie. 2. Activiteiten op het complex • beschrijving van het complex; • kaart met voorgenomen bedrijvigheid, omvang complex, ecologische hoofdstructuur, etc. • beschrijving van de individuele bedrijfsprocessen; • beschrijving van het milieuzorgsysteem. 3. Hoofdlijnen van het milieu- en RO-beleid • nationaal, regionaal en lokaal milieu- en RO-beleid • AICD milieu- en RO-doelstellingen algemeen (0-situatie) • AICD milieu- en RO-doelstellingen per thema bovenlokaal: - verandering van klimaat (broeikasgassen, energie en ozonlaag-aantastende stoffen); - verspreiding naar lucht en water; • AICD milieu- en RO-beleid per thema lokaal: - bodembeheer: zorgplicht Wbb, saneringsverplichting/werkzaamheden, e.d.; - rest- en afvalstoffen: gebruik, hergebruik, verwerking, afvoer, e.d.; - verstoring: geluid, geur en verkeer. 4. Het beheersinstrumentarium • locatiespecifieke beheersinstrumenten: - organisatorische maatregelen: • integrale jaarplannen (jaarlijks); • integraal locatieverslag (jaarlijks); • overleg- en coördinatiestructuren; • metingen & registraties; • meldingen (bij ongevallen en calamiteiten); • afhandeling van klachten; • intern en externe handhaving; • calamiteitenplan; • verevening van kosten; - technische maatregelen (ketenbeheer en sluiten kringlopen): • stoom; • stroom; • water; grond- en hulpstoffen; • rest- en afvalstoffen; • afvalwater; • goederenstromen; • processtops, uitval en horizonvervuiling;

26

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

• research & development: - duurzaam bouwen op het terrein: ontwerp en materialen; - onderzoek/studies: doel: voortdurend zoeken naar mogelijkheden van verbetering, m.e.r.achtige studies; - gevaarlijke stoffen (asbest, cfk's, e.d); • bedrijfsproces specifieke beheersinstrumenten: - strategische instrumenten (product stewardship, communicatie als leidraad); - managementsystemen (inclusief audits en certificatie); - monitoring en controle. 5. Milieumaatregelen • samenvatting van de afzonderlijke IJP's per thema (met het referentiejaar/de nulsituatie, prioriteiten, ALARA-beginsel en fasering); • de ‘ver'-thema's (volgens NMP) en daarbij horende stoffen (per stof een beschrijving van de milieubelasting, missie, doelstelling [kwantitatief], maatregelen, acties en fasering); • milieuzorgsysteem (een beschrijving van het milieuzorgsysteem); • actualisering van vergunningen en vergunningenoverzicht. 6. Visie op de toekomst • visie op concrete verbeteringen: waar wordt de meeste milieuwinst verwacht, welke emissies worden eerst aangepakt, welke studies worden hiervoor uitgevoerd, welke ontwikkelingen elders zijn interessant voor het complex, etc.? 7. Bijlagen • lijst van begrippen en afkortingen; • overzicht bedrijfsprocessen op het terrein; • beschrijving klachtenprocedure; • kaarten, tekeningen, etc.; • andere gewenste bijlagen (adressen, telefoonnummers, e-mailadres, etc.).

27

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Bijlage 2 Inhoudsopgave gecombineerde aanvraag In deze bijlage is een voorstel opgenomen voor de structuur en inhoudsopgave van een gecombineerde aanvraag voor een Wm- en Wvo-vergunning op maat. Een belangrijk kenmerk van een aanvraag voor een vergunning op maat is dat de aanvraag dient te worden opgebouwd uit een statisch en een dynamisch deel. In het statische deel worden begrenzingen aangegeven waarbinnen het bedrijf moet opereren. In het dynamische deel van de aanvraag geeft een omschrijving van de noodzakelijke instrumenten waarmee het bedrijf voortdurend inzichtelijk maakt dat ontwikkelingen worden getoetst aan de aangegeven begrenzingen en deze begrenzingen niet worden overschreden. Onderwerpen die in het dynamische deel aan de orde komen zijn bijvoorbeeld plannen, milieuzorgsystemen, meet & registratiesystemen, rapportages en verslaglegging. Ook worden in het dynamische deel afspraken gemaakt over de wijze waarop de betrokken partijen elkaar informeren over en omgaan met veranderingen. Dit onderscheid tussen statisch en dynamisch maakt de vergunning voldoende flexibel. 1. Inleiding 1.1 Vergunningensituatie op moment van aanvraag. 1.2 Aanleiding onderhavige vergunningaanvraag Wm/Wvo. 1.3 Relatie tussen aanvraag en vergunning Wm/Wvo. 1.4 Motivering van een vergunning op maat. 1.5 Verwijzing naar ‘Raamwerk Vergunningensysteem'. Beschrijving van de te vergunnen inrichting 2.1 Beschrijving van wat wordt aangevraagd en de emissies (wettelijke verplichting): - globale beschrijving van de inrichting en de activiteiten die daar plaatsvinden; - procesbeschrijving/processchema; - beschrijving van de belangrijkste installaties; - beschrijving van de belangrijkste voorzieningen voor b.v. opslag en onderhoud, etc.; - opgave van de maximale capaciteit van de inrichting; - opgave van het maximale motorische of thermische vermogen van de installaties; - opgave van de tijden, dagen, perioden van in bedrijf zijn van de inrichting. 2.2 Beschrijving van wat aan verandering onderhevig is. Grondstoffen, stoffen en producten 3.1 Gebruikte (grond- en hulp)stoffen. 3.2 Geproduceerde (bij)producten. Duurzaamheid en integraal ketenbeheer Vergunningensysteem AICD 5.1 Algemene beschrijving vergunningensysteem AICD. 5.2 Relatie tussen vergunningensysteem AICD en vergunning Wm/Wvo: - integraal Locatieplan en relatie met vergunning Wm/Wvo; - integraal Locatieverslag en relatie met vergunning Wm/Wvo; - integrale Jaarplannen en relatie met vergunning WmfWvo; - interne en externe handhaving en relatie met vergunning Wm/Wvo; - milieuzorgsystemen bedrijfsprocessen en relatie met vergunning Wm/Wvo. 5.3 Audits en certificering. 5.4 Toekomstige ontwikkelingen die van invloed zijn op: - vergunningensysteem; - milieuprestaties van de inrichting. Lucht 6.1 Emissieprofiel. 6.2 Metingen en registraties. 6.3 Maatregelen ter beperking luchtverontreiniging. 6.4 Zekere taakstellingen en (toekomstige) maatregelen. 6.5 Onzekere en voorwaardelijke taakstellingen. 28

2.

3. 4. 5.

6.

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14. 15. 16.

Bodem 7.1 Bodemrisico inventarisatie en evaluatie. 7.2 Metingen en registraties. 7.3 Bodembescherming. 7.4 Bodemsanering. 7.5 Rioolsystemen. 7.6 Preventie, reductiedoelstellingen, (toekomstige) maatregelen en onderzoeken. Afval- en reststoffen 8.1 Aard en omvang afval- en reststoffen. 8.2 Bedrijfsrest- en afvalstoffen. 8.3 Gevaarlijke stoffen. 8.4 Metingen en registraties. 8.5 Preventie, reductiedoelstellingen, (toekomstige) maatregelen en onderzoeken. Water 9.1 Afvalwatersysteem. 9.2 Lozingspunten. 9.3 Aard en omvang waterverontreiniging. 9.4 Beheersmaatregelen om de lozing te beperken. 9.5 Omgaan met storingen. 9.6 Lozingen bij starten/stoppen en onderhoud. 9.7 Metingen en registraties. 9.8 Taakstellingen, (toekomstige) maatregelen en onderzoeken. Geluid 10.1 Geluidzone. 10.2 Geluidproductie. 10.3 Maatregelen ter beperking geluidhinder. 10.4 Metingen en registraties. Energie 11.1 Energiegebruik. 11.2 Preventie, reductiedoelstellingen, (toekomstige) maatregelen en onderzoeken 11.3 Metingen en registraties. Verkeer 12.1 Omvang verkeer naar en van de inrichting. 12.2 Metingen en registraties. 12.3 Reductiedoelstellingen, (toekomstige) maatregelen en onderzoeken. 12.4 Personenvervoer. 12.5 Reductiedoelstellingen (toekomstige) maatregelen en onderzoeken. Veiligheidsvoorzieningen en bestrijding van noodsituaties 13.1 Noodplan en overige noodvoorzieningen 13.2 Specifieke gevarenaspecten, ongewone voorvallen en maatregelen 13.3 Externe veiligheid 13.4 Milieuincidenten Tekeningen Niet-technische samenvatting Bijlagen 15.1 Integraal Locatieplan. 15.2 Integraal Locatieverslag. 15.3 Beschrijving vergunningensysteem AICD. 15.4 Procedure metingen en registraties. 15.5 Procedure klachtenbehandeling. 15.5 Calamiteitenplan. 15.6 Overzicht vergunningen.

29

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

Bijlage 3 Inhoudsopgave beschikking op maat In deze bijlage is een voorstel opgenomen voor de structuur en inhoudsopgave van een gecoördineerde beschikking op maat. Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van [datum] 1. Aanvraag • Korte beschrijving van de inrichting en de bédrijfsonderdelen (welke bedrijfsprocessen vinden plaats?). • Aanleiding onderhavige aanvraag. • Oogmerk onderhavige aanvraag. 2. Procedure • Voor de voorbereiding van de beschikking is de procedure als bedoeld in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer gevolgd. 3. Coördinatie Wet milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewateren • Kort aangeven dat en in hoeverre de afstemmingsprocedure wordt doorlopen (is er bijvoorbeeld advies van het Wvo-gezag ontvangen?). • Geldt het Integraal Locatieplan ILP ook voor het wateraspect? • Is het Wvo-gezag akkoord met het ILP? 4. Algemene voorwaarden a. Integraal Locatieplan • Wat staat er in (plus korte omschrijving van de inhoud): vergelijk bijlage 1 van dit raamwerk. b. Adequate milieuprestaties gedurende langere periode en een proactieve opstelling • Korte beschrijving van de doelen die het AICD zich heeft opgelegd voor het reduceren van milieubelasting, maatregelen, streven naar duurzaamheid en nalevingsgedrag van het AICD. c. Gecertificeerd milieuzorgsysteem (MZS) • Korte beschrijving van het vergunningensysteem AICD (inclusief onderliggende milieuzorgsystemen, akkoord bevoegd gezag en certificatie volgens ISO 14001). De verhouding tussen de vergunning en het vergunningensysteem AICD. d. Openheid naar overheid en derden • De wijze waarop het AICD de overheid en derden informeert over zijn milieuprestaties. e. Procedure met betrekking tot wijzigingen binnen de inrichting • De wijze waarop het AICD de overheid informeert omtrent wijzigingen en uitbreidingen (van bedrijfsprocessen). • De wijze waarop het AICD de overheid informeert omtrent wijzigingen en verbeteringen van het vergunningensysteem. 5. Van belang zijnde milieuhygiënische aspecten • Korte samenvatting van de belangrijkste milieuaspecten, zoals die uit de aanvraag blijken (emissies lucht, bodem, afval- en reststoffen, water, geluid, energie, verkeer, veiligheid, gebruik grondstoffen en hulpstoffen).

30

Agro Industrieel Complex Dinteloord Raamwerk Vergunningensysteem

6. Adviezen over de aanvraag (art. 8.7 Wm) • Wie zijn in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen, hoe luidde het advies en wat is er mee gedaan in de vergunning? Uitgesplitst naar adviseur (RIZA, B&W omliggende gemeenten, de Inspectie Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu) en onderwerp van advies. 7. Adviezen en bezwaren naar aanleiding van de openbare terinzagelegging van de aanvraag en de ontwerp-beschikking (art. 3:23 en 3:24 Awb) • Wie heeft schriftelijke bedenkingen ingediend en wat was de essentie daarvan, en wat is ermee gedaan in het besluit tot vergunningverlening? 8. Voorschriften 1. Algemeen (zorgplicht, iets over melden onvoorziene activiteiten die buiten de reikwijdte van de vergunning vallen - NB: het mag hier niet gaan om ‘ongewoon voorval' ex art. 17.1 Wm). 2. Vergunningensysteem AICD (bijv. verplichting om actuele handboeken ter beschikking te stellen aan bevoegd gezag. NB: niet voorschrijven dat er een milieuzorgsysteem moet zijn). 3. Keuringen en inspecties (welke installaties, volgens welke procedures/normen, verwijzen vergunningensysteem AICD). 4. Metingen en registraties (transparant en betrouwbaar, gegevens te allen tijde beschikbaar, welke elementen moeten er in elk geval worden gemeten, bijvoorbeeld emissies naar de lucht, waterverbruik, geluid etc., eventueel verwijzen naar het vergunningensysteem). 5. Rapportages (bijv. van externe audits – maar ook hier geen externe audit voorschrijven –, Integraal jaarverslag en Integrale Jaarplannen). 6. Emissies naar de lucht (doelvoorschriften over elke geëmitteerde chemische verbinding en stof, eventueel ook toekomstige doelen vastleggen, als jaarvracht, eventueel halfjaarlijkse tussendoel, eventueel voorschriften voor lekverliezen en ademen vulverliezen). 7. Rest- en afvalstoffen (reductiepercentage t.o.v. nul-jaar en zorgplicht). 8. Bodem (bijvoorbeeld: bodem-risico-analyse laten maken, zorgplicht, mits verder uitgewerkt dan art. 13 Wbb, vloeistofdichte vloeren op bepaalde locaties). 9. Geluid (als doelvoorschrift, bijv. etmaalwaarde van equivalente geluidsniveau voor hele inrichting, eventueel iets over bijzondere omstandigheden, eventueel verschillende waarden voor verschillende periodes (dag/nacht), eventueel aangevuld met maximale geluidsniveaus aan de gevel van woningen). 10. Geur (doelvoorschrift in geureenheden per uur; kan eventueel ook in hoofdstuk ‘emissies naar lucht'). 11. Grond- en hulpstoffen (reductiedoelstelling of onderzoeksplicht plus rapportageplicht, zorgplicht). 12. Energie (idem). 13. Verkeer en vervoer (idem, eventueel iets over aan- en afvoertijden). 14. Veiligheid. 15. Bijzondere activiteiten (bijvoorbeeld tijdens de bietencampagne aanvullende eisen). 9. Besluit tot het afgeven van de vergunning overeenkomstig de aanvraag en de daarbij overlegde stukken • Aangeven welke delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van de vergunning. Beroep (over mogelijkheden instellen beroep) Ondertekening GS

31