De wielermicrobe…!

Net als alle andere leden van mijn familie werd ook ik besmet met dit hardnekkige ding. Dat beestje bijt zich vast in je ziel en stuurt zo je hele doen en laten. Het levenspad dat je er mee bewandeld is er één van hard labeur, valpartijen, tegenslagen, pijn, en vertwijfeling. Maar ook sprankelend van avontuur, spanning en momenten van opperste euforie! Dit alles werd gedurende dertig jaar mijn lot. Ik ben Hendrik Caethoven, en dit is mijn verhaal. “Triporteur” Het begon eigenlijk allemaal vlak na de tweede wereldoorlog. Grootvader Henri woonde op een boerderij ergens in het Antwerpse en mijn vader Jozef had er als tiener de zware taak om voor de aanvoer van het dierenvoeder te zorgen. In die goeie oude tijd gebruikte hij daar een raar vehikel voor, de zogenaamde "triporteur"of bakkersfiets! Dit was een grote houten bak op wielen waar achteraan een halve fiets aan bevestigd was. Elke dag toerde hij ermee, over wegen die meestal uit knoestige kasseien bestonden, rond om groenteafval en rotte appels bij lokale handelaars op te halen. Ik kan me levendig voorstellen dat het, met een volgeladen bak, stoempen en trekken was voor het kleine Jefke. Deze natuurlijke powertraining zorgde er wel voor dat hij steeds sterker werd. Met als resultaat dat de triporteur steeds harder en harder over de kasseien denderde! En toen kwam de dag dat alles in gang werd gezet. De fabrieken waren uit, en naar goede gewoonte keerden de arbeiders op hun zware ijzeren fietsen, want de auto was nog een verre toekomstluxe, naar huis. Op dat moment komt er daar op de kasseien een snotneus met een volgeladen triporteur die mannen voorbij gestoven, en plots roept er een flauwe plezante in zijn beste Antwaarps; "Héla ventje, ga moe coureur werre joung...!" Die man wist niet welke gevolgen zijn woorden zouden hebben. Jefke had hem goed gehoord en de woorden bleven de ganse weg huiswaarts door zijn hoofd spoken.Toen tot zijn grote verbazing zijn vader ook wel gevonden was voor het idee, was zijn besluit vlug genomen. Hij zou coureur worden! Van dan af ging alles snel; koersfiets gekocht, vergunning aangevraagd en hij was vertrokken!

Coureur Jefke. En het ging niet slecht. Het kleine geblokte kereltje werd snel een geducht renner, maar aan koersen winnen kwam hij echter niet toe. Grootvader begon het verdacht te vinden dat zijn zoon keer op keer nipt de overwinning verspeelde en voelde hem eens duchtig aan de tand. Wat bleek...! Vader was ontzettend verlegen en de gedachte alleen al dat hij bij een overwinning het bloemenmeisje zou moeten kussen deed hem de remmen dichtknijpen! Komt dat tegen…! Maar toch heeft hij één koers gewonnen. Heel toevallig was hij helemaal alleen voorop geraakt op het einde van een wedstrijd en grootvader zag hem van ver naar de aankomst komen! Nu kon hij niet meer terug, en bolde dan maar met tegenzin als overwinnaar over de eindmeet. Even probeerde hij nog te ontkomen langs een nabijgelegen weide maar bleef toen jammerlijk in de prikkeldraad hangen! Enfin, hij heeft het tenslotte toch overleefd.

Winnaar Jefke, met naast hem zijn fiere vader, terwijl het bloemenmeisje hem stevig in bedwang houd! De broers Toen kwam een keerpunt in de geschiedenis van de familie.Grootvader vond werk als conciërge in het landelijke Zele en verhuisde. Het gezin breide ook aanzienlijk uit en al mijn nonkels zouden het proberen als coureur. Eerst was er Eduard, alias "De witte" maar hij had meer oog voor het proviand van druiven in zijn zakken dan de koersontwikkelingen. Hij zou er dan ook vlug de brui aan geven met de historische woorden: "Koersen das gien pap eten zulle!" Eénmaal had hij iedereen toch eens goed bij de neus genomen. De grapjas had een "palm" geleend en kwam er fier mee van een wedstrijd, de verstomming op de gezichten van de familie toen hij thuis kwam was de moeite waard vond de witte…!

De volgende was Roger, een sterke beer in zijn tijd maar hij had geen goed koersdoorzicht, en na een kennismaking met de harde Vlaamse bodem, met een zware hersenschudding als gevolg hield ook hij het voor bekeken. Alle hoop was nu gevestigd op Henri junior, die had talent zij men! Maar helaas, een week voor hij zijn eerste koers zou rijden werd hij met fietsje en al van de baan gekegeld door een auto en hield daar een beenbreuk aan over. Hij zou nooit coureur worden ... De volgende in lijn was François. De benjamin van de vijf broers zou het nog het verst schoppen. Hij zou ook een belangrijke rol spelen in mijn wielerleven, want uiteindelijk is hij maar drie jaar ouder dan ik. Ja, ja..., want vader Jozef had ook niet stil gezeten en was zelf, samen met mijn moeder, aan opvolgers begonnen! Het zou er uiteindelijk maar ééntje worden; Ikke dus...

Henri, Frans en Roger, met koersfietsen natuurlijk!

De eerste keer! Op 11 september 1956 zag ik het levenslicht, of beter gezegd het wielerlicht! Mijn kleuterjaren bracht ik door op één of andere koers van mijn pa, wat op zich wel plezant was want er stond altijd een kermis! Tussen de geur van massageolie en smoutebollen draaide ik rondjes op de molentjes tot ik er misselijk van werd, intussen mijn pa luidkeels aanmoedigend met de kreet; "Priemmekes pakken..!!" zodat ik met het geld nog een ritje kon maken…! Nadat pa, Eduard en Roger uiteindelijk de fiets aan de haak hadden gehangen was de snelle opvolging, door het letterlijk wegvallen van Henri!, enigszins onderbroken. Franske was amper twaalf jaar, maar toch al gemotiveerd om de fakkel over te nemen. Dus werd er naarstig gezocht naar een manier om hem te laten koersen. De oplossing werd gevonden in een onooglijk klein dorpje; Walem. Daar werden, op een oud ovalen wielerbaantje, wedstrijden gehouden voor kleine rennertjes in spé. Zo kwam het dat op een zonnige zondag gans de familie optrok om de volgende Caethoven op de fiets te zetten. Maar toen we ter plaatse kwamen zag ik dat er ook kereltjes van mijn leeftijd, ik was négen…! aan competitie deden. Ik was niet meer te houden; "Ik wil ook koersen!" schreeuwde ik! De microbe had ook mij te pakken…! De volgende dagen knutselde vader een koersfiets in mekaar die paste bij mijn korte beentjes. Het zadel werd op de bovenbuis gebonden met ijzerdraad en klaar was kees. Pa moest mij wel op het vehikel hijsen, want alleen geraakte ik er immers niet op! Het volgende weekend werd de minifiets boven op onze oude Volkswagen geladen en weg waren we! Eenmaal aangekomen begon ik vlug mijn koersplunje aan te trekken en stelde tot mijn verbijstering vast dat we mijn splinternieuwe koersschoentjes vergeten waren! Daar stond ik dan, klaar voor mijn eerste wedstrijd; op sandalen...! Een beetje beschaamd stond ik aan de witgekalkte startlijn. En toen was het daar, een raar gevoel in mijn buik, net of er duizend vlinders in rond fladderden…; stress! Later zou ik die beestjes nog wel leren temmen. De wedstrijd zelf was eigenlijk één lang sprintje. Maar toen ik uiteindelijk met pijnlijke benen en buiten adem als eerste over die streep bolde werd ik overvallen door een gevoel van bobbels op mijn huid, al men haren recht, en een geluksgevoel dat door mijn lichaam stroomde! Die zalige sensatie zou ik voor de rest van mijn verdere sportleven najagen ; "kippenvel…!"

Kippenvel

De zegepalm van namaakbloemen die ik in mijn handen gestoken kreeg stonk naar bier en sigaretten, van dagenlang in de plaatselijke kroeg te hangen! Maar voor mij rook het als een duur parfum! En het ererondje dat ik toen mocht maken onder het applaus van een karig publiek maakten het kristalhelder voor mij; "Dit wil ik nog doen..!"

De parfumpalm!

Niet lang na mijn debuut werd er uitgeweken naar een beter baantje in Erembodegem. Daar werd ik Belgisch kampioen. Mijn pa lanceerde me die dag zo hard in de start dat ik een ronde lang niet moest trappen ! Het publiek moedigde mij aan omdat ik de kleinste lilliputter was, en nogal vinnig uit de hoek kwam in die sprintjes. Het was spannend maar het lukte me en moet het nog gezegd dat de "vlinders en kippenvel" niet ver af waren!

Pa de lanceerder.

De mini finish. Mijn ouders waren apetrots toen ik op de biertafel stond met een trui die meer weg had van een jurk, en dat gaf me als kind een heerlijk gevoel.

De kampioenenjurk!

Alles leek koek en ei, en de wereld kon niet meer stuk voor mij. Maar al vlug doken er ook minder aangename dingen op. Op school stootte ik op spot en nijd! Toen ik ze vertelde over mijn prille wielersuccessen geloofden mijn schoolmakkers me eerst niet en toen ik ze foto's liet zien werd ik uitgelachen! Zo leerde ik al op heel jonge leeftijd dat je als sporter een dik vel moet hebben om kritiek te kunnen slikken. Ook nonkel Frans was niet zo gelukkig, omdat ik het beter deed dan hem, maar dat zou allemaal veranderen. Hij werd later zowat mijn grote broer waar ik op kon terugvallen...

Ikke en nonkel Frans. Twee jaar lang genoot ik van mijn prille stappen als coureur. Maar toen was het plots allemaal voorbij…! De organisatoren moesten er mee stoppen van de overheid. De wedstrijden werden als illegale kinderarbeid afgedaan! De boeken gingen toe, en mijn wielerdroom ging de ijskast in, maar niet voor lang…!

Over de grens In het conservatieve belgenlandje van 1969 moest ik nog tot mijn vijftiende verjaardag wachten om terug te kunnen koersen, maar als klein voetballertje mocht ik wel al heel jong de beentjes van onder mijn vege lijfje laten schoppen. Wat deed dus een Belgische jongen van 11 als hij aan sport wou doen…? Juist…; voetballen! Ik werd dan maar, voor één jaar, rechtsback bij de kadetjes van "Eendracht Zele." Maar het was niet echt mijn ding. In een ploegsport wordt er collectief gewonnen en dat gaf mij niet die kick die ik kende na een felbevochten strijd van kind tegen kind. Ook afhankelijk zijn van ploegmakkers vond ik frustrerend. Ik besefte toen dat ik een "solitair" was, iemand die liever alleen vecht tegen zichzelf en de tegenstand. Deze karaktertrek zou me later nog parten spelen! In 1970 kon ik dan eindelijk terug in actie schieten…, in Nederland! Mijn pa kwam te weten dat er in het Hollands dorpje Achterveld een heuse "Tour de junior" werd verreden voor jonge kereltjes. Natuurlijk wilde ik daar absoluut aan meedoen, en in de zomervakantie trokken we dus de grens over! Het was een dikke 3 uur rijden maar dat hadden mijn sportieve ouders er voor over, en de benzine koste toen nog niet veel! De organisatie ter plaatse was perfect in orde. Alle deelnemers, uit verschillende landen, werden ingedeeld in ploegen. De mijne was een fraai zootje bij elkaar...

Mijn tourploeg! Alle buitenlandse rennertjes mochten bij een gastgezin logeren voor een ganse week, wat heel plezant was! Vooral 's morgens wanneer de oudste en bloedmooie dochter van mijn pleegouders in haar nachtjaponnetje rechtover mij aan de ontbijttafel zat. Ik moest wel bij de snurkende zoon slapen, wat ik minder leuk vond natuurlijk!

Mijn ouders met het gastgezin. Elke dag werd, onder grote publieke belangstelling, een ritje verreden. Het was hard knokken in de winderige polders. Vader had me echter geleerd om zo dicht mogelijk tegen mijn tegenstanders hun achterwiel te rijden om goed uit de wind te zitten, het zogenaamde wieltjes zuigen! Het zou één van mijn specialiteiten worden…! Tussen Duitsers, Nederlanders en Belgen werd ik tweede in de eindstand, achter een kaaskopje!

Het podium. Het volgende jaar nam ik terug deel, of wat dacht je! Maar toen hadden ze daar het lumineuze idee om een ploegentijdrit in te lassen die meetelde voor de eindstand en mijn ploegje was weer niet veel soeps!!

Ik kwam niet ver in het klassement. Maar ik had wel weer een héél leuke tijd bij hetzelfde gastgezinnetje…!

Ondertussen was nonkel Frans al 15 geworden en bij de Belgische wielerbond aan het echte werk begonnen als nieuweling; (15 / 16 jarigen.) Hij deed het onmiddellijk heel goed en won, dankzij zijn snelle beentjes, tientallen wedstrijden in de spurt! Hij had dan ook onmiddellijk een fanclub met een grote schare supporters. Getooid met kleurrijke petjes, met zijn naam erop, zakten ze enthousiast af naar de wedstrijden om hem aan te moedigen. Maar…!; toen Franske het bij de juniores (17/18 jarigen) minder goed deed viel ook de aanhang vlug weg. De fanclub werd opgedoekt en de petjes verdwenen in de kast. Alweer een goeie les! Trouwe supporters zijn zeldzaam. De meeste komen en gaan met het succes van een sportman! Ik besloot toen al dat ik nooit een supportersclubje wou. Tijdens de "Tour de junior" kwamen we te weten dat er in Nederland elke week wedstrijden voor kinderen vanaf 8 jaar werden georganiseerd!Het duurde dan ook niet lang voor ik bij een clubje aansloot uit "Sprundel" Elke week werd in één of ander polderdorpje op een klein maar volledig afgesloten parcours het jonge geweld losgelaten. Met elke ronde een premietje, mooie trofeetjes en een echt podium voor de winnaars was dit de hemel voor een wielergek kind als ik! Het was de ideale leerschool om door de bochten te leren scheren en positie te kiezen in de vele sprintjes! Ik was elke week niet uit de eerste drie plaatsen te slaan. Ik vond het enkel doodjammer dat we dit kleine wielerparadijs niet eerder hadden ontdekt. Eén jaar kon ik er maar van genieten want ik werd 15 en dus oud genoeg om het echte werk in België aan te vangen! Ik was er klaar voor…!

Het kleine wielerparadijs.

Spurter Rik Op het einde van het wielerseizoen 1971, reed ik eindelijk mijn eerste nieuwelingenkoers en werd onmiddellijk vierde in een wriemelende massaspurt van een dertigtal pubers. Mijn tegenstanders keken tijdens de prijsuitreiking in de plaatselijke kroeg verbaasd naar de nieuwkomer in hun midden. "Ja dit was pas mijn eerste wedstrijd bij de nieuwelingen, maar ik koers wel al van mijn negen jaar, en ik was al het hele jaar actief in Nederland", was mijn schamper antwoord op hun vragende blikken…! In de daaropvolgende winter kon ik mijn liefde voor de wielerbaan weer doen opflakkeren, want elk weekend werden er in het grote Antwerpse "sportpaleis" sprintwedstrijden gehouden, en daar zou ik een trouwe deelnemer van worden. Elk jaar zouden die baanwedstrijden een ideale voorbereiding zijn op het nieuwe seizoen. In de eerste wegwedstrijden was dit een groot voordeel op de tegenstand die meestal een ganse winter op hun luie krent zaten! Ondertussen was ik ook aan mijn studies A2 mechanica begonnen en reed elke dag 20km naar school door weer en wind. Het was eigenlijk de enige training die ik deed. Toen moesten we nog op zaterdagvoormiddag naar school, en het eerste uur hadden we 'zwemmen'. Ik vertikte het om met mijn benen te spartellen omdat ik 's namiddags ging koersen, tot grote ergernis van mijn turnleraar! In die tijd reden we elk weekend twee wedstrijden, en telkens was het dezelfde routine die ik nog honderden malen zou doen in mijn leven. Drie uur voor de start een biefstuk met droge rijst naar binnen werken, sportzak inpakken, fiets in de auto, en ergens naar een boerengat rijden, om in een plaatselijk bruin café tussen halfdronken wielerliefhebbers door, mij een weg te banen naar de tafel, waar tussen pot en pint, twee "délégés" de inschrijving deden. Daar kreeg je voor een kleine borgsom een rugnummer dat soms nog onder het slijk zat van een vorige wedstrijd. Ondertussen gingen mijn ouders van deur tot deur om een kleedplaats te zoeken. Dat kon variëren van washok tot varkenstal. Voor mij was het om het even waar, ik zat overal op mijn gemak. Behalve die keer in een schuur waar ook een stier stond die heel nerveus werd door de geur van massageolie. Want dat was de volgende routine; vader die mijn benen insmeerde met opwarmingsolie die soms tot uren na de wedstrijd je benen nog deed gloeien. Eens in vol ornaat werd er een beetje heen en weer gereden aan de aankomst, kwestie van de tegenstand te monsteren! En dan koersen! Na de wedstrijd; jezelf wassen in een emmer lauw water en weer naar de kroeg! Om ditmaal langs diezelfde maar intussen ladderzatte bende supporters te wringen naar de prijsuitreiking, alwaar je een enveloppe kreeg met enkele verkreukte bankbiljetten die recht vanachter de tapkast kwamen! Het wielrennen had zo zijn charmes! In dat eerste echte wegseizoen leerde ik ook voor het eerst de "vuile" kantjes van het wielrennen kennen!

Tot nu toe had ik altijd in zomerse weersomstandigheden kunnen rijden. Maar de lente van 1972 was koud…!, nat…!, en met wegen die er gevaarlijk glibberig bijlagen, was het soms een hele opgave om alleen maar de eindmeet te bereiken. Toch zou ik ondervinden dat in zulke omstandigheden ik best mijn mannetje kon staan. Mijn eerste zege dat jaar was er een voorbeeld van.Op die dag in maart was het een echt hondenweer, vol ijskoude regen die met bakken uit de hemel kwam! Wanneer je dan in een peloton renners zit, met koersfietsen zonder spatborden, lijkt het net of je onder een koude modderdouche fietst! Na enkele kilometers zit de smurrie in al de openingen van je lichaam. Tot overmaat van ramp liep het parcours toen langs enkele akkers die vers bemest waren,en het hele boeltje spoelde gewoon de weg over! De smaak van verse …, op een koude voorjaarsnamiddag vergeet je niet vlug! Het was dan ook niet verwonderlijk dat het deelnemersveld snel uitgedund was, alleen de meest taaie, of gekke, bleven over. Het kwam uiteindelijk tot een spurt met een kleine groep.Vader vatte post voor de aankomst, op een plek vanwaar ik volgens hem moest beginnen met mijn eindjump. Wanneer ik hem dan hoorde brullen "Rècht…!", sprong ik bovenop mijn trappers, om met verstand op nul en blik op oneindig naar de aankomstlijn te snellen, en het lukte! Ik kon rechtstaand aan een hoog ritme blijven trappen, terwijl de anderen op het zadel bleven zitten.Ze vonden wel geen meisje om de bloemen af te geven, wat niet verwonderlijk was want ik stonk uren in de wind!

In de regionale krant herdoopten ze me prompt tot Rik. Een dolle boel Na mijn eerste vroege succes kon er niets meer stuk voor mij, alles leek rozengeur en maneschijn. Maar valkuilen zijn talrijk op het sportpad en dat zou al vlug blijken! Een nieuwelingwedstrijd had eigenlijk niet veel om het lijf, het duurde maar een uurtje, en met een verplichte versnelling die zo klein was dat je benen ronddraaiden als een koffiemolen, was het aartsmoeilijk om aan een peloton te ontsnappen. Het werd dus meestal een massaspurt met alle gevaren van dien...! De plaats... Een smalle weg door een sparrenbos ergens in de Kempen. Het gegeven... De finish van een doorsnee wedstrijd. Een groep rennertjes stormt op de eindmeet af met mij er middenin. Alles ging goed en ik zat klaar om mijn eindjump te plaatsen toen plots een overijverig kereltje een wilde kwak uitdeelde en

ik zijn achterwiel raakte, terwijl ik neer ging kreeg ik kippenvel, maar dit keer niet van genot! Ik smakte tegen het asfalt en toen brak er een kakofonie los van piepende remmen, brekende fietsen, gillende renners èn ouders, want het gebeurde zo dicht bij de aankomst dat iedereen getuige was van de puinhoop die twintig in elkaar gevlochten fietsen en renners maakten. Enkele seconden, die een eeuwigheid leken, later kroop ik uit het kluwen kermende en vloekende lichamen, eentje had een tandwiel in zijn kuit gekregen en leek wel gebeten door een haai! Ik rukte mijn ros los en stapte op om langzaam naar mijn kleedplaats te rijden. Mijn moeder kwam toegelopen met een blik in haar ogen vol van horror, maar als bij wonder had ik alleen schaafwonden aan armen en benen. Dan kwam echter de grootste beproeving! De wonden moesten uitgewassen worden! Voor het eerst voelde ik dat brandende gevoel; net of ze met een heet strijkijzer over je huid gaan! Shit…! wat zou ik later die pijn nog vele keren moeten verbijten! Maar als je 15 bent geneest alles vlug en het volgende weekend stond ik weer aan de start om mij met volle overgave weer in de strijd te werpen! En strijd was er want in de regio rond Zele waren het de hoogdagen van het wielrennen. Er waren veel renners en koersen; de rivaliteit was er naar…! Eén van mijn voornaamste tegenstanders was Eddy, een grote kerel uit Hamme, hij stapelde de overwinningen op en had reeds een grote supportersclub met wel honderd leden, wat niet echt leuk was voor mij want ik zou hem vier keer een overwinning afsnoepen en dat vond zijn aanhang natuurlijk alles behalve. Deze naijver zou zijn hoogtepunt bereiken in een wedstrijd in zijn eigen gemeente. We spurten voor de overwinning en Eddy stak te vroeg zijn arm zegevierend in de lucht. Ik plaatste een laatste jump en was de winnaar volgens de délégé van dienst. Al zijn talrijk opgekomen supporters hadden Eddy natuurlijk als winnaar gezien en begonnen amok te maken. Wat ik allemaal heb moeten aanhoren is niet voor publicatie vatbaar. Hij diende klacht in en later werden we alle twee als winnaar uitgeroepen! Met Eddy gebeurde later net hetzelfde als wat nonkel Frans overkwam.In de hogere categorieën deed hij het niet meer zo goed, zijn grote supportersschare verdween als sneeuw voor de zon, en Eddy gaf er vlug de brui aan!

De dolle supporters Kussen uit Zele Twee jaar lang vocht ik een hevige strijd uit met kerels die vroegrijp waren, niet meer naar school gingen en leefden als grote wielerbelofte . Het was dan ook niet te verwonderen dat ik dikwijls het onderspit moest delven. Niet minder dan 22 keer zou ik tweede eindigen achter een "kleine prof." Als er zo iemand aan de start stond wist ik in wie zijn wiel ik moest kruipen om de sprint aan te gaan! En soms lukte het toch eens om ze te vloeren, wat natuurlijk dubbel plezier deed! Het ging er vaak heftig aan toe zoals op deze foto te zien is. Mijn drie tegenstanders maakten er een lange eindsprint van en beweerden allemaal dat ze gewonnen hadden maar ze hadden niet gezien dat ik hen de laatste meters op een diefje remonteerde!

De discussies liepen andermaal hoog op maar ik liet het niet aan mijn hart komen…!

Geen commentaar

Maar het ging niet altijd moeilijk en er was niet altijd heibel want ik liet mijn tegenstanders soms letterlijk ter plaatse door na de laatste bocht zo snel in gang te schieten dat de tegenstand bijna niet op de foto stond…!

Mooie momenten.

Maar het leukste vond ik altijd het interview bij de speaker van dienst, op school kon ik ook al goeie spreekbeurten geven.

Nauwgezet hield ik al mijn uitslagen in tabellen bij! De overwinningen werden in rood gezet en de gewonnen prijs mocht natuurlijk niet ontbreken! Dertien keer maakte ik het zegegebaar, en slechts enkele keren was ik niét bij de eerste vijf.

f In Geraardsbergen finishte ik zelfs derde in het provinciaal kampioenschap, maar het was weer zo nipt dat men de fotofinish moest raadplegen. Ondertussen was mijn tegenstander wel al in mijn plaats op het podium gaan staan zodat ik er nu geen foto van heb. Later werd de winnaar gediskwalificeerd zodat ik uiteindelijk nog officieel tweede werd. Ik was dan ook vol zelfvertrouwen om de overstap naar de juniores (17/18jarigen) te maken. Kleine misrekening!

Allé, allé…! Ik zat in mijn laatste jaar, A2 studies, toen ik de stap naar de juniorcategorie maakte, en al vlug wist ik waarom er zovele nieuwelingensterretjes verbleekten bij hun overgang. Het waren langere wedstrijden, waar heviger strijd werd geleverd, zodat het nog zelden tot een groepsprint kwam. Ik moest het nog altijd doen met een minimum aan training want ik wilde persé mijn diploma halen. Het zou een seizoen worden zonder overwinningen op de weg. Maar er was nog altijd de "piste!" Ik nam deel aan de Belgische kampioenschappen in Oostende! Op een betonnen openlucht wielerbaan werd ik vierde in de sprint en derde in de puntenkoers, een lange wedstrijd waarbij men punten moet sprokkelen in verscheidene tussensprinten.

Mijn prestaties werden opgemerkt door de bondscoach die mij prompt vroeg of ik mee wou naar de Europese kampioenschappen die werden gehouden in de hoofdstad van Polen;Warschau. Ik zei natuurlijk niet nee! Elk weekend was er groepstraining en de laatste veertien dagen voor ons vertrek zouden we een betaalde stage doen in Oostende. De eerste week viel echter samen met mijn eindexamens en ik besloot wijselijk die eerst te doen. Ik behaalde mijn A2 diploma en mijn jaren op de schoolbanken zaten er op. Vanaf nu zou ik alleen nog aan mijn sport denken! Na de stage kwam de grote dag van ons vertrek. Met een délégatie van 15 renners en 11 begeleiders, voor zowel de wegraces als de piste, stonden we vol enthousiasme op

de luchthaven. Maar toen we in het oude en gammele Russische vliegtuig opstegen was de sfeer al veel minder want het was voor de meeste van ons de luchtdoop. Wanneer we na enkele bange uurtjes eindelijk landen in het toen nog communistische Warschau werden we op de luchthaven eerst verwelkomt door gewapende soldaten, om vervolgens te worden ondergebracht in een landbouwschool voor meisjes…! Spijtig genoeg was het net grote vakantie! Een week lang moesten we in ijzeren stapelbedden met versleten matrassen slapen, luxe bestond daar gewoon niet. De wielerbaan daarentegen was een kanjer van 500 meter lang, dat hadden we nog nooit gezien!

De maxibaan. Eigenlijk was het een wereldkampioenschap want er deden 22 landen mee van over de hele wereld! Maar de meest gevreesde waren de Oostblok landen, die met hun wielerscholen en hun "medische begeleiding" veruit de besten waren. Jaren later, na de val van het communisme, zouden er veel onfrisse praktijken uit die tijd naar boven komen, zoals verplicht doping gebruik tot meerder eer en glorie van het vaderland.

Onze mannen in de wegrit kwamen niet ver in de uitslag, al zouden die jongens later allemaal stuk voor stuk gerenommeerde profs worden…! Het zelfde lot zou ons, de piste délégatie, ook beschoren zijn dat kon ik zo voelen aan mijn ellebogen. En ja hoor, al mijn makkers werden uitgeschakeld in hun discipline. En dan moest ik aantreden in het allerlaatste nummer; de vijftien kilometer puntenkoers…! Elk land startte met twee deelnemers en dat maakte algauw een bende van 35 renners. Ik wist dat het moeilijk zou worden en dat we het link moesten spelen om ergens te geraken. Thierry mijn teamgenoot, was een jaar ouder dan ik, maar niet zo ervaren. Ik maakte een plannetje met hem. We zouden op verrassing spelen... In een puntenkoers moet je onderweg in tussenspurten punten verdienen, maar wanneer je een ronde voorsprong kan nemen win je, ook al heb je geen enkel punt! In de eerste spurt ondervonden we al dat het hopeloos was tegen de "communisten", die bovendien een grotere versnelling hadden gemonteerd dan ons! Ik zei tegen Thierry zich koest te houden tot ik een teken gaf. Rond half koers, na weer een heftige sprint, viel het peloton volledig stil en ik voelde dat dit het moment was. Ik reed tot naast Thierry en knikte, hij begreep het en pikte aan. We gingen bovenin de piste over het ganse pak en terwijl we de steile bocht afdoken demarreerde ik uit volle macht. Iedereen was verrast en we sloegen met ons twee onmiddellijk een aanzienlijke kloof. Wanneer we aan de Belgische reservepost voorbij stoven stonden alle renners en begeleiders langs de kant te brullen, allé, allé…! Zelfs onze, anders zo kalme coach, stond te springen. Man…, de rush die er dan door me heen ging leek wel een orgasme, gans de volgende ronde reed ik rond met het haar rechtop in mijn hals. En ons plan leek nog te lukken ook want we zagen de staart van het peloton al en ik wist dat, als we konden aanpikken, en een ronde voorsprong nemen we één en twee zouden worden in de uitslag! Maar dan kwam de Oostbloktrein op gang…! Bekomen van de eerste verassing begonnen de Russen en de Polen aan de kop van de bende te sleuren en wij zagen onze plan in duigen vallen. Na enkele ronden verbeten strijd werden we weer gegrepen.Maar ik gaf het nog niet op en probeerde het even later opnieuw met een Fransman. Dit keer ontsnapte ik vlak voor een tussensprint die ik dan ook won, en weer stonden de Belgen boven op de banken. Na de race werd ik omstuwd door gans de délégatie die vond dat we ons goed verdedigd hadden. Ik werd uiteindelijk achtste in de eindstand. Wanneer we terug in ons "schoolhotel" aankwamen kreeg ik felicitaties van de wegrenners, en vooral van André een grote wielerbelofte en vriend van mij die later een wreed lot zou beschoren zijn, maar meer daarover later. Die nacht heb ik heerlijk geslapen in mijn ijzeren bed met versleten matras.

Interval Na de terugkeer uit Polen begon ik vol overgave aan het resterende wegseizoen. Bevrijd van alle schoolbeslommeringen ging de prestatiecurve omhoog en dat resulteerde in een reeks dichte ereplaatsen waardoor ik de "Trofee van 't Waasland", een klassement over een aantal wedstrijden, won. Maar het was natuurlijk weer nipt. We stonden vlak voor de laatste wedstrijd met twee renners met gelijke punten en ik moest er alleen voor zorgen dat ik voor mijn concurrent eindigde. We gaven elkaar geen duimbreed toe en het kwam uiteindelijk tot een ultieme eindspurt met twee. Ik won, en mocht op de prijsuitreiking onder andere een fiets in ontvangst nemen.

Die winter ging ik op zoek naar werk, maar omdat ik het volgend jaar mijn militaire dienstplicht moest vervullen, want die bestond toen nog, kon ik geen vast contract versieren. Tenslotte kon ik toch aan de slag voor drie maanden, waarna ik kon genieten van een werkloosheidsuitkering, de zogenaamde "dop." Eigenlijk kwam mij dat goed uit want nu kon ik eens de kleine prof uithangen. Mijn ouders werkten allebei en ik deed een beetje het huishouden. 's Morgens een beetje opruimen en koken, soms wat aangebrand! In de namiddag trainen en om tien uur in mijn bed. Uitgaan deed ik niet, dat kwam als achttienjarige zelfs niet in mij op! Ik was al zo lang met het wielrennen bezig dat ik geen andere wereld kende. Al mijn vrienden waren renners en wij hadden maar één doel voor ogen…koersen! 't Huis werd er over niks anders gesproken en nonkel Frans die in dezelfde straat woonde als ons, en al bij de liefhebbers reed, sprong dikwijls binnen om samen aan de fietsen te sleutelen of op de rollen te rijden in onze fietswerkplaats. We gingen ook samen trainen en koersen op de piste in Antwerpen. Dit was het soort leven waar ik gek op was…!

Rollen maar

Pistegek

In dat voorjaar kon ik eindelijk trainen zoals het hoorde, en ik had mijn lessen getrokken uit het vorige wielerseizoen. Meestal werd bij de juniors alles uit elkaar gereden en waren er geen pelotonspurten meer zoals bij de nieuwelingen. Ik moest het dus over een andere boeg gooien. Toen begon ik met wat men veel later "intervaltraining" zou noemen. Een kilometer voluit rijden…even recupereren, en terug een kilometer alles geven! Uiteindelijk kon ik precies schatten hoe lang ik het hoogste ritme kon aanhouden, en een nieuw plannetje broeide in mijn hoofd. Weken trainde ik zo, op dezelfde weg, tegen de wind in, en toen het seizoen begon had ik dadelijk resultaat! Eind februari werden traditioneel de clubkampioenschappen gehouden, en ik was bij één van de grootste clubs van het land, met als sponsor een regionaal biermerk! Veel betekende zo een club eigenlijk niet, je kreeg een aantal truien en broeken en daar moest je het maar mee doen.

Er werd ook niet echt in ploegverband gereden in de regionale wedstrijden. De rivaliteit was soms groter dan de groepsgeest. In het kampioenschap werd dan ook altijd hevige strijd geleverd. Dat jaar was het er één met veel kasseistroken en de laatste ronde bleven we nog met een kopgroep over. Er reed een renner met kleine voorsprong voor ons uit, maar ik had de vorige ronden al een plaats uitgekozen van waar ik mijn "interval" zou beginnen. Het klopte perfect, ik ging precies op die plek in volle vaart er van door, remonteerde de vluchter en bleef doorgaan tot op de streep; ik won met een straatlengte! Mijn nieuwe tactiek was geslaagd…!

Intervaljump Op korte tijd won ik nog twee koersen op een identieke manier, telkens in helse weersomstandigheden waarbij elke andere sport zou afgelast worden. Ik hield me de ganse wedstrijd afzijdig, tot de laatste kilometer, om dan toe te slaan en afgescheiden te winnen!

Een straat voor! Maar toen mijn rivalen mijn plannetje door hadden, werd ik de volgende koersen nauwgezet in de gaten gehouden, en was het aartsmoeilijk om ze nog te verrassen! Toch zou ik dat seizoen afsluiten met acht zeges, waaronder ééntje waar ik veel voldoening van had. In Kontich kwam ik voorop te liggen met twee plaatselijke renners uit dezelfde club die onder één hoedje speelden. Ze probeerden om beurt mij los te gooien maar dat lukte ze niet. De spurt begon ik van ver, maar ik liet een gaatje langs de naderafsluiting, dat ik prompt weer sloot wanneer de snelle Luc mij wou rémonteren. Jawadde…, heb ik het daar moeten horen! De lokale supporters lynchten mij bijna, maar de délégé van dienst vond dat ik die mannen reglementair in de luren had gelegd. Dagen heb ik nog lopen grinniken als ik er aan terugdacht…!

twee tegen een

in de luren!

Het legerlijden! Op mijn negentiende verjaardag moest ik binnen bij den troep! Net als honderden jongens voor mij zou ik een jaar van mijn leven moeten geven aan het vaderland. De opleiding van een maand was nog enigszins avontuurlijk.

Bosjesman

Legerluxe

Een beetje kamperen en rondkruipen in de struiken en leren schieten op kartonnen doelwitten…! Alleen met tien snurkende jonge kerels, die allemaal zweetvoeten hadden van het vele marcheren op het binnenplein van de kazerne, op één grote kamer slapen in ijzeren bedden, (alweer!), dát viel een beetje tegen! Maar dan vloog ik voor mijn vaste dienst naar het verre Aarlen, in het hartje van de Ardennen. Daar moest ik de lay-out doen in een drukkerij van de infanterieschool. Een ganse dag zat ik mijn tijd te verprutsen in een klein lokaaltje. Ik mocht wel elk weekend naar huis, maar dat was dan weer een treinrit van meer dan twee uur! Natuurlijk bewoog ik hemel en aarde om te kunnen blijven trainen Daarvoor moest ik de plaatselijke sportoverste aan mijn kant zien te krijgen. Dus nam ik deel aan de loopcross van de kazerne die als selectie diende voor het militair kampioenschap. Zonder enige training liep ik me te pletter door modder en slijk! Een geluk dat de fysieke conditie van de meeste jongens tóen al veel te wensen over liet. Zodat ik, met een kop zo rood als een overrijpe tomaat, uiteindelijk als vijfde door de finish ging…! En zie…, ik werd geselecteerd als reserve. Enkele trainingen deed ik mee om de coach er van te overtuigen dat ik eigenlijk een renner was die wilde fietsen. Op het kampioenschap zelf moest ik enkel voor de trainingsvesten zorgen, wat voor mij perfect was…! Want ik had mijn doel bereikt.

Ik mocht mijn fiets laten overbrengen, en bovendien elke dag na mijn dienst de kazerne verlaten om te gaan trainen…yes!! Mijn grote doel was een goeie prestatie leveren in het "Belgisch kampioenschap", om zo een plaats in de militaire ploeg voor het WK te versieren. Met dat voor ogen begon ik aan lange zware en eenzame trainingstochten in de Ardennen. Op bosrijke wegen die constant op en af gingen maalde ik de kilometers af. Af en toe reed ik verloren en was het al pikdonker toen ik weer bij de kazerne aankwam! Stilletjes aan leerde ik hoe je een bergje op moest rijden, wat goed van pas zou komen, want het BK werd in Volkegem, op een knoestige kasseihelling, gehouden. Ik liet niets aan het toeval over en ging zelfs het parcours verkennen. Op de dag van de wedstrijd was ik dan ook vol vertrouwen dat het zou lukken. Van in het startschot stoof ik als eerste de lange lastige "Volkegemberg" op, vastbesloten er in te vliegen! En toen knalde, na amper vijfhonderd meter, mijn achterband aan flarden…! Het duurde een eeuwigheid voor ik een reservewiel, dat op de koop toe niet paste, kreeg toegestoken. Met enkele minuten vertraging begon ik aan een hopeloze achtervolging. Mijn kampioenschap zou welgeteld één ronde duren. In de kleedkamer zat ik met tranen in de ogen minutenlang te vloeken. Verdomme…! Al die moeite en trainingsuren,…allemaal voor niks! Als klap op de vuurpijl; mijn sportoverste was komen kijken om getuige te zijn…, van mijn complete afgang! De moed zonk me in de schoenen en razend smeet ik mijn fiets in een hoek! Tot het einde van mijn legerdienst zou ik hem niet meer aanraken!

Spartaans Er restten mij nog drie lange maanden in het glorierijke Belgische leger, en ook al had ik gezworen om geen fiets meer aan te raken tot ik weer een vrij man was, bleef ik mij een Spartaanse levenswijze opleggen.Terwijl mijn medesoldaten in de stad op de lappen gingen, en met een stuk in hun kraag in bed kropen, bleef ik in de kazerne. Als je dan 's morgens van corvee was om de douches te kuisen, had je pech want ze waren meestal ondergekotst door de stoere jongens die voor het eerst in hun leven los gelaten waren. Ook de nacht wc, op de gang, zat meestal verstopt door lege flessen drank, met alle gevolgen van dien. Bij hoogdringendheid moest je dan naar de Franse toiletten, die in de kelder waren, uitwijken. De ganse tijd je adem inhouden was aan te raden want de stank was er niet te harden…! Wat ons bij het eten brengt, dat was meestal vette en zware kost waarbij je soms moest vragen wat er eigenlijk op je bord werd gekwakt! Ik beperkte mij dan ook meestal tot de groenten en het fruit! Ja…, het leger maakte een man van je, het was dan ook niet te verwonderen dat ik zéven kalenders had om de dagen af te tellen! Er was eigenlijk maar één gebeurtenis die mijn lange beproeving doorbrak. Op een zwoele zomeravond, na mijn dienst, stak ik de grote binnenplaats van de kazerne over, en alles was leeg en stil! Waar anders een bedrijvigheid van jewelste heerste kon je nu een speld horen vallen! "Hier klopt iets niet…, waar is iedereen gebleven?" dacht ik nog. Maar plots hoorde ik rumoer in de grote keuken van de kazerne! Wanneer ik poolshoogte ging nemen zag ik tien man die druk in de weer waren met het maken van lunchpakketten en vullen van grote kannen met koffie. De chef kwam op mij af, en toen werd mij alles duidelijk! Er was een bosbrand uitgebroken op het schietterrein en gans de kazerne was opgeroepen om te gaan blussen! Mij waren ze blijkbaar vergeten..!Ik sprong mee op de vrachtwagen die de bevoorrading naar de jongens zou brengen en toen we even later bij het nog smeulende bos aankwamen kreeg ik apocalyptische beelden te zien die zo uit een oorlogsfilm leken te komen! Tussen de af en aan rijdende legerjeeps en camions, lag langs de kant van de weg een leger doodvermoeide soldaten die al uren lang met hun schopjes de brand hadden bestreden. Toen ik te kennen gaf dat we eten en drinken voor hen mee hadden, werd onze vrachtwagen bestormd door een hongerige meute. En terwijl ik de koffie in hun blikken gammel uitschonk genoot ik van mijn makkers hun héél dankbare zwartgeblakerde gezichten. Dat was het enige moment in een gans jaar legerdienst dat ik me nuttig voelde…! De veteraan Tijdens mijn legerdienst was mijn vader op medisch advies weer een beetje met de fiets beginnen rijden en dat wakkerde zijn wielermicrobe natuurlijk aan. Frans en ik hadden hem zitten plagen van, "Wanneer gaat ge nu terug beginnen koersen?", en dat deed hij ook…, bij de veteranen! Op zijn drieënveertigste begon hij aan een tweede carrière, die op het ogenblik dat ik dit schrijf nog altijd niet ten einde is. Bij een

onafhankelijke wielerbond rijd hij nu, op zijn achtenzestigste, nog steeds in een peloton van gepensioneerde… "wielergekken!", die allemaal door hetzelfde beestje gebeten zijn. Die mannen leven ondanks hun ver gevorderde leeftijd nog altijd als echte profs! Pa deed het belange niet slecht en won menig koersje waaronder zelfs enkele kampioenschappen, maar hij was dan ook niet voor niets de stichter van onze wielerclan!! Maar zijn nieuwe start zou wel gevolgen hebben voor mijn wielercarrière, want plots was ik mijn verzorger kwijt. Die ging nu liever zelf koersen in plaats van met mij mee te gaan..! Er was later zelfs discussie wie er met de enige wagen van ons gezin naar de koers mocht rijden. Maar op alle problemen vonden we wel een oplossing en tenslotte kwam alles op zijn pootjes terecht.

Jefke, de veteraan

Rubbens Het was volop economische crisis, toen ik in september 1976 eindelijk afzwaaide uit het leger, en er waren op dat moment een recordaantal werklozen. Die moesten elke dag in een ellenlange rij aanschuiven om een stempel op hun zogenaamde dopkaart te laten zetten. Tussen al die "doppers", die meestal in het zwart gingen bijklussen, stonden ook regelmatig twee kerels in koersoutfit die op training gingen…, Frans en ik dus! We kregen maandelijks een werkloosheidsuitkering van vijftienduizend frank, maar we zochten niet echt naar werk, want wielrennen dát was onze job! Omdat ik nogal wat vrije tijd had begon ik met iets totaal anders; schilderen…! Onze buurman deed het als hobby en nadat hij mijn interesse gewekt had, leerde ik van hem de grondbeginselen van de edele schilderkunst. Mijn eerste werkjes stelden niet veel voor, maar geleidelijk aan werden ze beter. Het kwam zelfs zover dat ik er kon verkopen. Het geld was mooi meegenomen en natuurlijk in het zwart. De volgende jaren werd dit een vaste gewoonte, én bijverdienste. Mijn olijke wielermakkers bedachten mij prompt met de toepasselijke bijnaam; de "Rubbens."

Een echte Rubbens.

In oktober gooide ik mij weer vol overgave op het nieuwe pisteseizoen, en dankzij mijn Spartaanse levenswijze in het leger was mijn conditie, tot mijn eigen verbazing, prima! Als twintigjarige kon ik bij de liefhebbers aan verscheidene nieuwe disciplines deelnemen zoals de ploegkoers, en de dernyrace. Het ploegkoersen was een spectaculair onderdeel waarbij je met twee renners om beurt in koers kwam door elkaar in volle vaart bij de broek af te lossen. Het eiste veel stuurmanskunst en lef om je teamgenoot, aan hoge snelheid, vast te grabbelen en met een felle ruk te lanceren in een meute van door elkaar slingerende renners. Samen met Patrick, een leeftijdsgenoot die ook over snelle benen beschikte, won ik er verscheidene. Frans werd er dat jaar zelfs Belgisch kampioen in, na wat hand en span diensten van Patrick en Rubens.

De ploegkoers De zesdaagse was ook zo een nieuwe uitdaging. Zes avonden na elkaar een ploegkoers rijden waarna een eindklassement opgemaakt werd. Het was meestal een randgebeuren van de profzesdaagsen, waarvan er toen nog een heleboel bestonden. Frans maakte er zijn specialiteit van en dweilde de halve wereld af om er aan deel te nemen, hij was een echte pistiér…! De dernyrace was een belevenis op zich. Achter een speciale brommer werd er aan een duizelingwekkende snelheid door de steile bochten van de wielerbaan gescheurd, het was een echte "rollercoaster" rit! Maar vijftig ronden lang aan zestig per uur rijden was niet van de poes…! De meeste renners begaven dan ook en moesten letterlijk de rol lossen vóór het einde van de wedstrijd. De kunst was om zo goed mogelijk in de slipstream van je derny te rijden. En aan het wiel plakken…, dat was één van mijn specialiteiten. Dat bleek al gauw in het Belgisch kampioenschap! Ik won gemakkelijk mijn kwalificatiereeks en zat in de grote finale. Frans had minder geluk want zijn derny viel stil en hij was uitgeschakeld. De finale werd aan een moordend tempo gereden en op vijfhonderd meter van het einde bleven we uiteindelijk nog met drie over voor de titel. Net toen mijn gangmaker vol gas gaf, om boven in de bocht de concurrentie te rémonteren, blokkeerde zijn motor…! Hoe ik aan meer dan zestig niet tegen hem aan knalde en toch overeind kon blijven is mij nog een raadsel! Ik probeerde nog aan te pikken bij de tegenstander naast mij maar daarvoor ging het véél te snel! Ik eindigde nog derde, maar de

toeschouwers vonden dat ik de zege verdiende…, zij gaven mij dan ook een spontaan applaus. Er werd na de race gefluisterd dat de gangmaker betaald was door een tegenstander om de koers te vervalsen. Hij had immers Frans ook uitgeschakeld met dezelfde truc! Spijtig genoeg zijn we de waarheid nooit te weten gekomen!

De truc met de derny!

Talent In Januari 1977 werden de renners van mijn club uitgenodigd om zich te laten testen in het UZ van Gent. Het was gratis en dus stond ik op de eerste rij! Viel dat tegen zeg…!, eerst werd ik met zware gewichten beladen om mijn maximale kracht te meten. Dan enkele snelheidsproeven en tenslotte op een hometrainer fietsen, met een luchtdarm in mijn mond, tot ik niet meer kon! Ze moesten mij eigenlijk betalen voor zulk een zware beproeving! De slimme bollen van dienst kwamen uiteindelijk tot de

conclusie dat ik wel snelle en sterke spierbundels had, maar mijn longinhoud en zuurstofopname vonden ze niet optimaal. Volgens hen had ik dus te weinig "talent" om ooit een toprenner te worden. Toen hechte ik daar weinig belang aan, want ik vond dat er zoveel meer bij kwam kijken dan alleen maar op de trappers duwen. Training, karakter en koersdoorzicht waren in mijn ogen ook van cruciaal belang voor een coureur. Enkele jaren later werd ik echter met mijn neus op de harde feiten gedrukt! Maar in de allereerste wegwedstrijd van dat jaar was ik die test al lang vergeten want in de "Omloop het volk" voor liefhebbers streed ik al meteen op de voorposten, en ik was er bij toen de beslissende ontsnapping tot stand kwam op de… Volkegemberg!! Ja…, ik nam zoete wraak op het noodlot dat mij op die kuitenbijter noch geen jaar eerder trof, en finishte als vierde in mijn eerste grote koers. Van dan af werd ik door mijn club regelmatig geselecteerd om internationale wedstrijden te betwisten. Zo namen we, met een ploeg van vijf renners, in Mei deel aan een 165km lange race tussen Enschede en Munster. Het leuke aan die buitenlandse koersen was dat je met de officiële Belgische shirtjes mocht rijden. Ik was altijd extra gemotiveerd als ik de tricolore mocht aantrekken en dat was nodig die dag want we werden een ganse wedstrijd getrakteerd op striemende regen en stormwind, maar in zulke weersomstandigheden was ik op mijn best. Wringen en wroeten om vooraan in het peloton te blijven en in zogenaamde waaiers voor een plaatsje knokken, dat was mijn lang leven! Meer dan honderd tegenstanders werden weggewaaid als vliegen en uiteindelijk bleven we nog met negen dapperen over. In het zicht van de streep waagde ik mijn kans en ging voluit in de aanval! Toen ik omkeek plakte er enkel nog een Hollander aan mijn achterwiel. Ik dacht hem gemakkelijk te kunnen kloppen en ging overmoedig de sprint van té ver aan! De vuile kaaskop profiteerde daarvan en vloerde mij geniepig in de laatste meters! Maar ik was best tevreden met mijn resultaat én met de zilveren reddingsband die ik om de hals kreeg! Ik had toen de zekerheid dat ik lange en harde wedstrijden aankon, ook zonder het grote "talent." Het was wel merkwaardig dat er alleen prijzen in natura werden uitgereikt. De winnaar mocht het eerst zijn keuze maken uit enkele, bij de lokale middenstand gekregen, attributen. Het had veel weg van een tombola. Ik koos het enige wat we nog in onze propvolle auto konden stoppen…een reiskoffer! Die zou nog goed van pas komen. De loterijprijzen gaven soms aanleiding tot hilarische toestanden bij mijn volgende buitenlandse uitstapjes!

Reddingsband

Vijf dagen later zaten we weer, met een ganse groep renners en begeleiders uren in de wagen om aan de "vierdaagse van West-Berlijn" deel te nemen. De reis zelf was niet zo leuk, want we moesten door Oost-Duitsland dat nog onder het communistisch regime gebukt ging. Daar werden we als westerse "kapitalisten" met grote argwaan in het oog gehouden! En om uiteindelijk in het vrije deel van de doormidden gesneden hoofdstad binnen te raken moesten we eerst in een zwaar bewaakte wachtpost onze paspoorten afgeven om vervolgens over een totaal verlaten snelweg, zonder afritten en afgezet met schrikdraad, door een niemandsland te rijden tot het volgende chèckpoint, waar ondertussen de passen op miraculeuze wijze verschenen waren. Na een laatste inspectie door tot de tanden bewapende soldaten konden we eindelijk West-Berlijn binnen! Moet het nog gezegd dat we opgelucht waren! De stad droeg nog duidelijk de sporen van de tweede wereldoorlog, want overal zag je nog kogelgaten in de gebouwen. De beruchte Berlijnse muur bestond toen ook nog, ze omsloot gans het westerse deel van de verdeelde metropool en dat gaf aanleiding tot vreemde koers situaties. De eerste rit ging over een autostrade die plots doodliep aan een gigantische brug waar in het midden een metershoge muur was opgetrokken…, aan de overkant lag het communistische Oost-Berlijn! Ze stuurden ons dan maar terug langs een modderig bospad ! Ja, het zou een vierdaagse worden met veel hindernissen. De truitjes die we van de Belgische wielerbond hadden gekregen waren aan de grote kant en dat was lastig, vooral als er een drinkbus in zat.

Maxi truitje. Maar de grootste flater kwam er van onze verzorgers in de tweede rit, een avondcriterium, ze hadden niet voor bevoorrading gezorgd en enkele van ons kregen in volle wedstrijd een appelflauwte van de honger! Toen we om eten smeekten zochten die mannen in paniek naar een winkel, maar ze vonden alleen nog enkele gepaneerde stukken vlees bij een beenhouwer…! Onze tegenstanders keken raar op toen we die aangereikt kregen én binnenspeelden. Ha, ha...,die Belgen fressen snitsels…! klonk het in het peloton! Na de rit heb ik gans de inhoud van mijn maag aan de Berlijnse riolering geschonken! Nee…, die vierdaagse was niets voor mij, maar het was wel een goeie leerschool, nu moest ik immers in dienst rijden van de ploeg, en dat was niet evident voor een eenzaat die gewoon was in de wielen te zitten en op het juiste moment met de goede ontsnapping mee te springen. Maar het was klein bier vergeleken met slavenwerk dat ik later in mijn wielercarriëre zou moeten doen! Denemarken De volgende buitenlandse trip deden we op eigen houtje. Frans had een uitnodiging versierd om vier criteriums in Denemarken te gaan rijden. De verplaatsing werd vergoed en voor logies zou er gezorgd worden, dus vertrok ik met nonkel en nog twee andere renners, Jan en Gert, in nonkel zijn oude aftandse occasiediesel, die meer olie verbruikte dan brandstof, naar het land der Vikings. Met vier fietsen boven op het dak en de koffer vol bagage leek ons karretje door zijn wielen te zakken, maar toch zouden we de duizend kilometer zonder problemen overbruggen. Onze eerste stop was vlak over de grens in een klein dorpje dat we enkel na lang zoeken, op de landkaart, konden vinden. We werden er hartelijk ontvangen en verwend in het enige hotel dat ze rijk waren! De wedstrijd was even klein als het stadje zelf, vijftig kilometer op een miniparcours. Frans probeerde in de laatste ronde iedereen te verschalken maar werd kort voor de meet terug gepakt, " 't is aan u ", riep hij me toe, en ik schoot in gang! Maar ik werd, ondanks een serieuze kwak van mij, geklopt door een snelle viking! We werden op een podium gevraagd om onze prijzen in ontvangst te nemen, en het zag er goed uit want de winnaar kreeg een mooie stereo-installatie. Ik kreeg echter een grote kartonnen doos in mijn armen geduwd waar een… dampkap!! bleek in te zitten. Het ding was zeker een meter lang en behoorlijk zwaar, hoe moesten we dat mormel in onze propvolle auto krijgen, want we moesten vertrekken naar onze volgende bestemming, een kleine honderd kilometer verderop! "Verdomme, kieken…! kont ge dienen Deen nie kloppen" moest ik de ganse weg aanhoren van op de achterbank, waar Jan en Gert verkrampt met die doos op hun schoot zaten! Ik zat lekker vooraan om de landkaart te lezen! Eenmaal op onze volgende bestemming probeerden we mijn prijs in een electrozaak te verkopen.

Dat viel niet mee, want vier vreemden die een dampkap proberen te verpatsen, leek natuurlijk heel verdacht voor die zaakvoerder. We waren al blij dat hij er geen politie bijhaalde en deden onze buit voor een habbekrats van de hand. Opgelucht trokken we naar de jeugdherberg die de komende drie dagen onze uitvalbasis zou worden. De excentrieke huisbaas verwelkomde ons hartelijk door de brabançonne op zijn piano te spelen, wat bizar was, want hij had maar enkele vingers aan beide handen!! We kropen achter elkaars rug om niet in een slappe lach uit te barsten! Die vreemde kerel reed de volgende dag met zijn gammel wagentje voor ons uit om de weg te tonen naar de volgende koers. Maar toen hij op een bepaald moment een straat miste en wou omdraaien, kreeg hij zijn hoopje oud ijzer niet in achteruit! Hij begon zich op te winden en op zijn wagen te kloppen, het was een hilarisch tafereel! Jan en Gert, doken al schaterend achter de zetels en ik bulderde het uit, weggestoken achter mijn landkaart. "Smeerlappen…,ik kan mij hier niet verstoppen,en die mens staat te zwaaien naar ons" vloekte Frans van achter zijn stuur! Enfin, we zijn tenslotte toch ter bestemming geraakt. In dat criterium leed ik bandbreuk en moest opgeven, maar ik had toch eerst een premiespurtje gewonnen. Ik wist wel niet wat het was want we verstonden geen bal van wat ze door de luidsprekers riepen. Het bleek een vreselijk lelijk en groot schilderij te zijn. En andermaal zaten er twee te vloeken op de achterbank met dat misbaksel voor hun neus. Frans en ik kwamen niet meer bij van het lachen. We schonken het onding aan onze Deense vriend die ons prompt bedankte met een pianoconcert, opnieuw lagen we in een deuk…! De volgende koers waren we heel voorzichtig met het nemen van premies, maar toen bleken het flinke geldprijzen te zijn! Weer pech! Ik werd wel derde en dat verzachte het leed een beetje! In de laatste wedstrijd moest ik starten met een lekkende achterband en een kapotte remkabel, want ons reservemateriaal was op, het werd weer niks dus. Ja…, het was misschien niet de succesrijkste buitenlandse trip die we gemaakt hadden maar het was wel veruit de plezantste! Controle, combine en chantage! Op mijn twintigste was ik eigenlijk al beroepsrenner en reed 84 wedstrijden, van gemiddeld 120km, in één jaar. Dat dit niet op boterhammen alleen kan weet elke wielergek! Regelmatig bij de dokter voor een bloedonderzoek was een must! Zware en langdurige inspanningen putten je reserves aan vitamines en mineralen vlug uit! Die kan je onmogelijk voldoende aanvullen met normale voeding. Dagelijks ijzer, vitamine B, C en magnesium innemen was onontbeerlijk om je lichaam en bloed in optimale conditie te houden, maar omdat veel pillen slikken danig op je spijsvertering ging werken was het soms aangewezen spuitjes te gebruiken, de dosis was veel hoger en kon dus met grotere intervallen toegediend worden. Andere middelen (doping) vond ik niet nodig ! In de regionale wedstrijden was ik toch bij de top, hetgeen normaal was want er waren meestal een beperkt aantal vertrekkers en het merendeel waren jongens die gingen werken, en koersen als hun hobby beschouwden! Er waren

maar een handvol streekrenners die alles op het wielrennen hadden gezet en daar ook de kans toe kregen! Sommige hadden er werkelijk alles voor over en begaven zich al gauw op het slechte pad van de verboden producten. Eéntje schepte zelfs regelmatig op dat hij "geslikt" had en hoe hij er van "vloog." Het zou hem later als beroepsrenner slecht bekomen. Hij werd drie keer betrapt en kon zijn carrière vaarwel zeggen! Het moet niet leuk geweest zijn om steeds met schrik voor een eventuele dopingcontrole te koersen! En het kon altijd gebeuren. Zo werd ik in het Provinciaal Kampioenschap, ondanks een povere achttiende plaats, uitgeloot om naar de controle te gaan. Deze gebeurde in de smoezelige keuken van een café door een délégé én dokter. Je mocht wel naar het toilet gaan om je plasje te maken, maar de dokter ging mee! Met twee in een wc van één vierkante meter je behoefte doen terwijl iemand op je ding staat te kijken is niet simpel! De urine werd mooi verdeeld in twee genummerde glazen potjes die vervolgens verzegeld werden met rode was. Nog even een controleblad tekenen en de klus was geklaard. Na enkele weken werd de uitslag gepubliceerd in het bondsblad. Het moet verschrikkelijk geweest zijn als je naam bij de positieve gevallen stond én de straf die je kreeg! Maar het merendeel van de liefhebbers reed wel clean, denk ik…! Apropos, ik was negatief! Er waren toen ook van die jongens die echte natuurtalenten waren en de klasse van in de wieg meegekregen hadden. Zoals Johnny, één blok graniet en een echte tempobeul. Als hij aan het vertrek stond met aangetrokken voetriempjes ontstond er paniek want hij knalde zo hard weg van in de start dat als je niet in zijn wiel plakte je hem nog enkel na de aankomst terug zag! Ik ben dan ook verschillende keren tweede geworden in het wiel van Johnny. Maar ik had daar geen moeite mee want fanatiek ambitieus was ik niet. Ik was gelukkig dat ik mocht koersen en aan écht bij de profs rijden dacht ik totaal niet! Dat bleek in een wedstrijd te Berlare, georganiseerd door de supportersclub van de plaatselijke Eric, een jongen die nog geen wedstrijd gewonnen had. Hij werd door zijn aanhang luid aangemoedigd en deed zijn uiterste best om te winnen. Toen hij kort voor het einde ontsnapte was ik de enige die hem bijbeende. Hij vroeg me of hij niet mocht winnen en beloofde me zijn geldprijs! Mijn rekening was snel gemaakt, samen met mijn prijs zou dit 3500 Bfr zijn, wat in die tijd veel geld was! Ik sleurde hem naar de laatste rechte lijn en liet hem dan overgelukkig en breed armen zwaaiend als eerste over de eindmeet bollen. Er brak spontaan een Vlaamse kermis los en ik werd in de huldiging betrokken want iedereen wist wel dat dit een "combine" was en ze duwden me vlug een beker in de hand als eervolle tweede. Soms was het wel eens leuk om tweede te zijn…!

Kermis

Maar op een bepaald moment was het al eind Juli en had ik nog geen enkele koers gewonnen. Dus wanneer ik in Hamme in een mooi kopgroepje zat, waarvan ik normaal de snelste was, sloot ik zelf een pakt met een concurrent. Voor amper 1000Fr trok hij de sprint aan voor mij zodat ik met gemak won, en nog wat over hield van mijn prijs! Zulke afspraakjes waren handig maar liepen soms ook uit de hand. Toen ik in Buggenhout in volle finale voorop kwam te liggen met een clubgenoot wilde die me persé betalen om te mogen winnen, ik weigerde en er ontstond een hevige discussie op de fiets en dat is niet aan te raden als men in volle inspanning is. Hij vertikte het plots om nog aan de leiding te rijden en zette zich prompt in mijn wiel! Ik bleef dan maar alleen doorduwen maar toen we dreigden ingelopen te worden door het peloton stond ik op koken en gaf ik toe aan zijn gezaag. Hij hielp weer mee, maar vertrouwde het zaakje toch niet. Wat goed gezien was, want in de spurt droogde ik hem gewoon af! Hij was in alle staten, maar ik bleef kalm en zij dat ik niet graag werd gechanteerd. Ik was wél niet fier op wat ik gedaan had, maar als renner mag je niet met je laten sollen!

Geen chantage !

Zigeuners Op een weekendvoormiddag was het altijd een drukte van jewelste in onze werkplaats. Frans, ik én mijn vader stonden elk onze fiets klaar te stomen om 's namiddags de strijd aan te gaan. De weersomstandigheden, die altijd heel belangrijk waren in een wedstrijd, werden bekeken en de te volgen tactiek besproken. Frans en ik reden elkaar zeker niet voor de wielen en als het even kon hielpen we elkaar een handje om te winnen. We reden in het weekend samen in zijn oude kar naar de koers, want mijn pa vorderde ónze wagen op om zíjn veteranenstrijd te gaan leveren. Mijn grootvader en moeder gingen meestal met ons mee als soigneurs. En dan was het stapelen geblazen om vier mensen, twee fietsen, acht wielen en twee grote sportzakken, met onze kleren, in één wagen te krijgen! We leken wel een bende zigeuners op trektocht! Als we dan op de koers aankwamen zag je de kopjes draaien… zo van; daar zijn de Caethovens! Vijfenzeventig duizend frank had ik dat jaar bijeen gefietst, wat op zich een mooi bedrag was, maar omdat ik geen supportersclubje had dat wat financiële steun kon geven, moesten we al mijn materiaal zelf bekostigen, en dat was niet goedkoop! Ik heb nooit een volledige fiets gekocht, het waren altijd onderdelen die met mondjesmaat vervangen werden. Vooral de tubes, (een soort van worstvormige bandjes), waren duur en ik herstelde ze dan ook minutieus als ik lek reed. En als ik eens nieuwe kocht kwamen die op mijn beste wielen te liggen om mee te koersen. De versleten tubes werden op de reserve en trainingswielen gelegd. Ja zo’n fietsje eiste veel onderhoud en ik deed alles zelf want ik had tenslotte een diploma mechanica! Voor elke wedstrijd werd alles nauwkeurig nagezien en gepoetst. Het was dan ook geen wonder dat ik heel gehecht was aan mijn ijzeren ros. Het was een deel van mezelf geworden waar ik elke dag lief en leed mee deelde. Het kwam zo ver dat ik er zelfs tegen sprak en aaide als was het een echt koerspaardje. Ik was ook een beetje bijgelovig want telkenmale ik een belangrijke koers moest rijden monteerde ik een nieuw stuurlintje en ging alles veel vlotter vond ik. En als we een spannende koersfinale indoken wreef ik steevast over de kop van mijn stuur als geluksbrenger Ook op mijn koerskleding was ik secuur, zo moesten de truitjes spannen, want anders gingen die wapperen en dat remde te veel af. Mijn koersschoenen liet ik op maat maken bij Verbrughe, een schoenmaker uit Roeselare die er zijn specialiteit van gemaakt had. Vele profs reden met zijn schoenen en je kon ze gemakkelijk herkennen aan de grote V op de zijkant. Je moest één keer tot bij hem gaan om je maat te nemen en daarna was een telefoontje voldoende om een paar te bestellen. Hij stuurde ze na een paar weken gewoon per post op. Maar dat jaar vroeg ik hem om me eens te verrassen met iets speciaals. Maar toen ik vol spanning zijn postpakket open maakte bleken het wítte koersschoentjes te zijn. Ik vond ze mooi, maar Frans gierde het uit van; "Gade gij met die jannetteschoentjes rijden!"

Ik zou er uiteindelijk alleen maar mee op de piste rijden want dan werden ze niet vuil en ik moet zeggen ze vielen wel op…!

Janetteschoentjes Six-days Winter 1978, ik dook opnieuw een druk pisteseizoen in, met deze keer vooral ploegkoersen op het programma, in navolging van nonkel Frans die een heleboel amateur zesdaagsen reed en dat jaar maar liefst 43 ploegkoersen won, waardoor de pers hem tot beste amateur-pistier van Europa doopte! Ik deed het rustiger aan en begon aan mijn eerste “six-days” in Kopenhagen. Samen met Ivan, een piepjong talent die mijn gelegenheidsploegmaat was, tuften we in zijn klein Fiatje half Europa door om in de mooie Deense hoofdstad van een luilekker leventje te genieten. Wij waren maar een voorprogramma van de beroepsrenners die zes dagen lang hun ziel uit het lijf moesten koersen, terwijl voor ons slechts een ploegkoersje van welgeteld één uurtje per avond op het menu stond. We verbleven gratis in een mooi hotel en hadden veel tijd om de stad te verkennen, en er was één persoontje dat ik zeker wou zien! Een bekend meisje dat het symbool was van deze wereldstad. Uiteindelijk vond ik na lang zoeken het kleine zeemeerminnetje op haar rots in de haven!

De kleine meermin Maar langs de kant van de wielerbaan leerde ik ook Annette kennen, een échte blonde Deense schone die gek was van wielrennen en er alles over verzamelde. We kletsten in het Engels over onze gezamenlijke passie. Moet ik nog zeggen dat ik een leuke tijd had. Ook in de koers deden we het niet slecht, ondanks de onervarenheid van mijn ploegmakker streden we mee met de besten en wonnen een ritje. Het afscheid was dan ook het moeilijkste moment van heel de trip! ’t Huis bleef ik nog lang telefonisch contact houden met Annette, maar toen we beiden een standje kregen van onze ouders omdat de telefoonrekening huizenhoog opliep, schreven we nog lange tijd brieven, jammer dat er toen nog geen internet bestond! Maar een langeafstandsrelatie is héél moeilijk vol te houden en na enkele maanden verbraken we na een laatste emotioneel telefoontje elk contact… Nee, dan verging het Frans beter. Hij leerde op bijna het zelfde moment Marleen kennen, een “snel” renstertje dat deelnam aan de allereerste vrouwen wedstrijden op de piste van Antwerpen! Verkering hebben met een coureuse, dát was natuurlijk ideaal, want nu kon hij samen met zijn lief gaan trainen, in plaats van met mij! Het werd uiteindelijk menens tussen die twee en ze zouden enkele jaren later trouwen, met als gevolg dat op het moment dat ik dit schrijf hun zoon Steven een wel héél beloftevol renner is. Hoe kan het ook anders als je béide ouders talentvolle sportmensen waren…! Toch zagen ze het eerst niet goed zitten dat hun zoon renner werd. Ze wisten immers allebei maar al te goed wat een hard leven dat was. Maar na enkele jaren het als voetballer geprobeerd te hebben bleek dat ook Steven de liefde voor de fiets geërfd had! En zie…, hij is nu op weg om de béste te worden van al de leden uit onze familie die het ooit als renner probeerden. Ja, ja, de wielermicrobe is nog lang niet dood in de Caethoven clan!Maar goed ik ben aan het afwijken. Het strijdtoneel voor mijn tweede “six” was deze keer Rotterdam. Het was mijn favoriete velodroom waar ik graag koerste! En omdat ik samen met Guido in de Belgische driekleur mocht rijden was ik in de zevende hemel en kreeg ik vleugels! We vlogen er

dus letterlijk in en pakten op de tweede dag de ritoverwinning én de leiderstrui! Toen was ik echt in de hemel, met engel en al..!

De zevende hemel

Maar mooie liedjes duren niet lang en dat was ook nu het geval. Kort nadien kwam Guido ten val en dat is op een wielerbaan, die volledig uit houten planken bestaat, heel pijnlijk! Bij het naar beneden schuiven uit de steile bocht liep hij brandwonden op en de splinters in zijn been waren ook aan de grote kant! De volgende dag kon hij amper lopen en met tranen in de ogen staakte hij de strijd. Ik moest nu verder met een Amerikaan die zijn ploegmaat ook kwijt gespeeld was. Maar het vuur was er uit en we werden uiteindelijk vijfde in de eindstand. De apotheose moest er komen in de zesdaagse van Antwerpen, onze thuisbasis. Ik mocht met de beste pistier van dat moment rijden; mijn nonkel Frans! Dit gaf wel reden tot verwarring want niemand buiten onze vriendenkring wist hoe het nu juist tussen ons zat. Waren we broers of neven, we zaaiden nog meer verwarring door telkens anders te antwoorden als een reporter ons de vraag stelde. Om zeker te spelen schreven ze dan maar “de familie Caethoven.” We vochten een verbeten strijd uit voor de eindzege, en wonnen de vijfde rit. Maar de laatste dag werd ik overvallen door een verkoudheid en kon ik niet voluit gaan, waardoor de overwinning in de eindstand ons ontglipte .

Neven of broers?

Duidelijk ziek dus Tussendoor werden we samen met Patrick en Luc Belgisch Kampioen in de ploegachtervolging. Een moeilijk en spectaculair nummer waarbij je met een ploeg bestaande uit vier man, vijf kilometer zo snel mogelijk moet afhaspelen door om beurt een stuk aan de leiding te vlammen, in een bocht omhoog te schieten en dan met een duik weer achteraan bij je team aan te pikken en dat aan een snelheid van bijna zestig per uur! Het verschil met de tweede ploeg was 22 honderdsten!!

The champs

Droomjaar De omschakeling in het voorjaar, van de droge en warme wielerbaan naar de koude en natte trainingen op de weg, was altijd een harde noot om te kraken! Begin februari trainden we met een aantal streekrenners, in slecht weer, soms 180km op één dag. Dat had ik nog nooit gedaan, maar als je in groep bent bijt je door en wil je niet onderdoen voor elkaar. Die gezonde rivaliteit maakte dat ik mijn topconditie, waarmee ik uit het pisteseizoen kwam, nog opdreef en onmiddellijk het clubkampioenschap voor een tweede keer won! Ook Frans dreef nog op een hoog vormpijl en won zowaar de "Omloop het Volk", de eerste belangrijke wedstrijd van dat jaar! We stimuleerden elkaar en in de regionale wedstrijden, van een kleine 120km, die we samen reden probeerden we altijd het maximum uit de koers te halen, en als twee sluwe vossen samen werken levert dat meestal resultaat op…

Zoals in Wetteren waar we met drie op de finish afgingen, Frans, ik en een sterke jongen; Luc. Na een slopende koers waren we allebei niet zo fris meer en besloten de koers te verkopen. Luc was akkoord, maar wist niet dat we op zekerheid speelden. "In de spurt gaan we tóch voluit voor de overwinning", fluisterde Frans me toe, en zo geschiede. Ik ging van ver aan en hij ging ook op volle kracht door, maar toen we voelden dat Luc sterker was, lieten we ons gewillig kloppen. "We hebben de spurt goed aangetrokken voor u, hé… ", meesmuilde Frans toen hij na de wedstrijd Luc feliciteerde en ons smeergeld in ontvangst nam. Maar onze tactiek moest in die eerste wedstrijden soms noch wat bijgeschaafd worden. In Berlare ging ik in de laatste ronde alleen aan de haal uit een kopgroep waar ook Frans in zat. Ik had dadelijk een riante voorsprong en was al aan het denken hoe ik het zegegebaar zou maken, toen plots uit het niets William,een trainingspartner van ons, in mijn wiel opdook. "Verdomme, die moet sterk zijn om zo vlug tot bij mij te geraken", flitste door mijn hoofd. Ik hapte dan ook toe toen hij 2000fr bood om te mogen winnen. Hij won…, en ik incasseerde, maar toen ik even later Frans zag riep die,"Kieken, ik heb afgestopt voor u en gij verkoopt de koers, en bovendien is William achter een auto tot bij jou geraakt". Nu werd mij alles duidelijk, maar ik kon moeilijk een klacht indienen, en ik heb het geld dan maar met nonkeltje gedeeld! Zulke taferelen speelden zich in de grotere interclubwedstrijden minder af en ik reed ze dat jaar allemaal en meestal was ik vooraan in de uitslag te vinden. De afstand, tot soms 170km, en de vele deelnemers schrikten mij niet af. Ik laveerde door de grootste pelotons als een vis in het water, wat heel belangrijk was om goed in de voorste

gelederen aan de hindernissen, meestal een stevige puist van een helling of een slechte kasseistrook, in het parcours te beginnen. Want daar werd meestal de beslissing geforceerd! Maar ik was niet ambitieus genoeg en liet me te vlug opzij zetten in de topkoersen. Zoals in Niel waar ik in een lastige clubkoers, met veel kasseistroken, alleen voorop kwam te liggen met de toen regerende Belgisch kampioen; Daniel Willems. Hij werd toen zowat als de nieuwe Merckx beschouwd en ik was zo onder de indruk dat ik zelfs geen weerstand bood in de sprint voor de overwinning! Een paar dagen later offerde ik mij dan weer op door, tegen vette betaling natuurlijk, in de finale van weer een grote wedstrijd een late vluchter terug te grijpen en vervolgens mijn gulle schenker naar de overwinning te loodsen! Ik speelde dus wel mee in die belangrijke koersen maar het zelfvertrouwen was er niet om zelf eens voluit voor de overwinning te gaan. Maar toen kwam die éne week waardoor mijn mentaliteit radicaal veranderde, en mijn leven een nieuwe wending nam…! Het begon eerst met een met een niet alledaagse wedstrijd. Een wielerclub uit Brussel was op het gekke idee gekomen om een welsprekendheidtornooi voor jonge renners te organiseren. In de beginperiode van de wielerverslaggeving waren de radio en tv interviews beneden alle peil. De meeste renners spraken alleen maar hun streekdialect en konden niet veel meer uitkramen dan, "ja, Eu…, ik was goe zulle…Eu,…!" Dus vond men het opportuun om eens te peilen naar het vlotte en beschaafde taalgebruik van de nieuwe generatie. Per wielerclub werden er enkele deelnemers afgevaardigd en Frans, André,(ja, onze vriend), en ik traden aan voor de onze. In een grote, en volle, zaal werd elk van de deelnemers door een jury gedurende enkele minuten ondervraagd over de wielersport. Maar omdat er een televisiereportageploeg aanwezig was gierden bij velen de zenuwen door de keel en gingen ze af als een gieter. Op het moment dat het mijn beurt was en ik mijn vlotste tong met een kwinkslag bovenhaalde, schoten die mannen weer in actie en verblindden me zowat met hun felle lamp. Ook mijn maag kromp ineen en mijn mond begon te trekken als had ik een ticnerveus. Gelukkig kon ik mij snel herpakken en kreeg ik even later de zaal op mijn hand door enkele grappige anekdoten te vertellen! De spanning was dan ook te snijden toen de uitslag bekend werd gemaakt. Andre werd als derde op het podium geroepen en we vonden dat al een succes! Maar toen ik seconden later als winnaar werd uitgeroepen gingen we helemaal door het dak! Ik werd overladen met prijzen gaande van een vliegreis tot strijkijzer…, én een medaille van de minister van cultuur! Iedereen vond het hele gebeuren een groot succes maar het zou wel de enige keer zijn dat het werd georganiseerd. Ik ben dus de enige die ooit zoiets gewonnen heeft.

Ticnerveus

De ganse volgende week werd ik gefeliciteerd, want iedereen had de reportage op tv gezien en ik leefde als op een wolk, maar wie aan het zweven gaat kan ook hard vallen! En dat gebeurde precies vijf dagen later. In Lebbeke zat ik achteraan in een kopgroep, toen ik plots door een moment van onoplettendheid van dichtbij kennis maakte met een wel héél ruw asfaltwegdek…! Maar anders dan voetballers die blijven liggen wanneer ze onderuit gaan, sprong ik vliegensvlug weer op mijn strijdros, om vervolgens een lange sprint in te zetten en weer bij mijn tegenstanders, die mij zelfs niet gemist hadden, aan te pikken. Dan pas nam ik de schade op van mijn tuimelpartij. Mijn rechter been was zo gehavend dat het bloed in mijn witte koerssokje sijpelde waardoor het helemaal rood kleurde en mijn onderarm was als een rauwe biefstuk, maar aan opgeven dacht ik niet. Ik reed de koers uit en werd zelfs nog tweede! De pijn en miserie kwam pas na de wedstrijd. Ik kon mijn lange jeansbroek niet meer aantrekken over het gehavende been, en ben dan maar in mijn onderbroek in de wagen gekropen om naar huis te rijden! De beste methode om die schaafwonden zo snel mogelijk te laten genezen was ze, na ontsmetting, gewoon bloot te laten tot het bloed een harde korst gevormd had, maar dat duurde wel een dagje.

De eerste nacht na zo een tuimelpartij was dan ook een hel! Het minste dat tegen het rauwe vlees kwam voelde aan als een messteek. Veel slapen was er dus niet bij, want als ik ‘s nachts op die tere plekken ging liggen was ik gegarandeerd klaar wakker. Het zag er op dat moment niet goed uit want twee dagen later moest ik starten in de "Omloop der Vlaamse gewesten"; de eerste van vijf klassiekers waaraan de beste renners van België verplicht moesten deelnemen.

Ik was door mijn goeie uitslagen in de voorjaarskoersen ook geselecteerd en vertrok, met dikke tegenzin en stramme benen samen met 116 kleppers van de toenmalige amateurselite in Kampenhout aan een grote ronde van 140km en vijf plaatselijke van 6 km. Ik was vastbesloten om er vlug de brui aan te geven en had dus mijn slechtste reservewielen met versleten tubes gemonteerd, want ik wilde mijn goeie niet kapot rijden op de vele kasseistroken die in het parcours zaten. Een halve koers lang bengelde ik achteraan de groep en probeerde zo zacht mogelijk over de kasseitjes te dokkeren want mijn half genezen wonden sputterden tegen bij elke schok. In de bevoorrading stapte Frans, (want die was er ook bij), uit de koers en ik twijfelde of ik zijn voorbeeld zou volgen maar ik voelde me eigenlijk niet zo slecht en besloot door te rijden. Ik liet me rustig meedrijven in de buik van het peloton tot op een kleine zestig kilometer van de aankomst. Dan schoof ik op naar de voorste gelederen en sprong op mijn sokken mee met vijf kerels die juist aan de haal gingen. Op korte tijd hadden we een minuut voorsprong, maar ik wist dat het nog ver was en reed een beetje op reserve want ik verwachte dat we op het einde zouden gegrepen worden door de grote kanonnen die ons op de hielen zaten. In de plaatselijke rondjes hadden we echter nog een kleine voorsprong en ik begon er stilaan in te geloven dat we voorop konden blijven, ik was nog zo fris als een hoentje en begon als een gek aan de leiding van ons groepje te sleuren. Mijn vluchtmakkers waren geen echte toppers en ik voelde mij zegezeker als we voorop konden blijven! We moesten echter elke ronde over een slecht stukje zandweg langs een kasseiweg. En plots besefte ik dat ik met twee versleten tubes op pad was die het elk moment konden begeven...! De schrik sloeg me om het hart en ik prevelde élke ronde een schietgebedje tot álle heiligen om niet lek te rijden want dan was alles om zeep!

Schietgebedjes! De spanning was te snijden want de achtervolgers zaten zo kort op onze hielen dat mijn medevluchters het wilden opgeven maar ik jutte ze op om door te zetten en trok nog enkele keren het tempo hoog op! Uiteindelijk konden we met 8 seconden voorsprong voor de overwinning strijden. Ik zette me achteraan ons kleine groepje en toen mijn tegenstanders van ver begonnen te sprinten en één voor één stilvielen stoomde ik ze op volle kracht voorbij om tussen een zee van toeschouwers brullend als een gek door de finish te scheuren…, het gevoel was onbeschrijfelijk…!

Onbeschrijfelijk Na de aankomst werd ik omstuwd door reporters van de schrijvende pers om het verslag te doen van de koers en dat was een kolfje naar mijn hand. Een half uur heb ik verteld over de wedstrijd en mijn ganse levensloop en toen iemand zei dat ik het goed kon uitleggen antwoorde ik; "Ik heb vorige week niet voor niets het welsprekendheidtornooi voor jonge renners gewonnen!" Nadat ik uiteindelijk gewassen was en het verplichte plasje voor de dopingcontrole gedaan had, demonteerde ik mijn fiets om hem in de koffer van onze wagen te steken. Ik schrok toen ik vaststelde dat mijn achtertube zo goed als plat stond, het had gewacht tot na de wedstrijd om de geest te geven…,ik heb het uit dankbaarheid eventjes gestreeld…!

De volgende dag stonden paginagrote artikels in de kranten over mijn gloriedag, en in de grote lege kerk van Zele stonden, al heel vroeg in de morgen twee kaarsen te branden, één voor elk wiel dat stand gehouden had…!

Monster De weken na mijn onverwachte zege in een echte klassieker bulkte ik van het zelfvertrouwen. Er werd natuurlijk gefluisterd dat mijn triomf een toeval was en ik besefte maar al te goed dat het die dag allemaal een beetje"bovennatuurlijk" meegezeten had, maar ik wist nu dat ik het kon, en het was Frans die mijn ambities pas echt wakker schudde met de woorden, "Dit is je kans om beroepsrenner te worden!" Geen haar op mijn hoofd had daar, tot dan toe, aan gedacht. Nu stond mijn besluit echter rotsvast, ik zou alles in het werk stellen om de droom ,die vele jonge renners koesteren, te realiseren…; prof worden! Gedaan met koersen verkopen, ik zou een zegehongerig monster worden in de regionale wedstrijden, en in de volgende klassiekers bewijzen dat ook zonder de nodige dosis geluk ik mijn mannetje kon staan! Nog geen week later versloeg ik in Berlare het voltallige korps streekrenners in een hectische spurt,…ze waren verwittigd!

Even later stond de klassieke "Ronde van Vlaanderen" voor amateurs op het programma. Met zijn 193km, bezaaid met zware hellingen en slechte kasseistroken, was het de zwaarste van allen! Het was eigenlijk een koers naar mijn hand. Constant wroeten om op smalle en kronkelend wegen, in de Vlaamse Ardennen, vooraan te blijven was een beetje het zelfde als een chaotische ploegkoers op de wielerbaan.

Altijd loeren op een gaatje in het peloton om enkele plaatsjes op te kunnen schuiven. Als je in de voorste gelederen aan de steile bergjes kon beginnen was het enkel nog volle bak naar boven sprinten, (hetgeen ik tijdens mijn legerdienst in de Ardennen geleerd had!), en dan kijken hoeveel tegenstanders er nog mee waren. Op de beruchte muur van Geraardsbergen, een kanjer van een Vlaamse bult, ontbond Daniel Willems zijn duivels en ik ging, zonder schroom deze keer, als eerste achter hem aan.

De beruchte muur

De grote schifting was gebeurd en met negen toprenners gingen we de finale in, maar iedereen beloerde iedereen en het tempo stokte. Een grote groep kon daardoor kort voor de finish weer aansluiten, waarna een spervuur van demarrages los brak. Drie kerels konden zich kort voor de finish loswerken en reden voor de zege. In de laatste kilometer kon ik nog let een verschroeiende tussensprint solo uit de grote groep weg gaan om uiteindelijk met minieme voorsprong de vierde plaats uit de brand slepen! Mijn doel was bereikt. Niemand had dit resultaat van mij verwacht en zelfs Frans zijn mond viel open toen ik de kleedkamers binnenstapte en hem koeltjes zei dat ik teleurgesteld was omdat ik maar vierde geworden was! Als toemaatje won ik de volgende dag een "kleine" koers met voorsprong! Sommige reporters zagen mij toen al in de pre-selectie van het Wereldkampioenschap…! Maar spijtig genoeg bleken die plaatsjes al bezet.

Schansspringer Na de "Ronde" was mijn fietsframe dringend aan vervanging toe! Het was al enkele jaren oud en begon over de weg te zwalpen als een natte dweil. Het nieuwe Italiaanse frame dat ik kocht zou echter geen lang leven beschoren zijn…, het zou daarentegen wel het mijne redden! Het gebeurde op de volgende grote klassieke afspraak; de "Ardense pijl" die met lange Waalse hellingen en gevaarlijke afdalingen ook niet van de poes was! Half wedstrijd zat ik attent in de voorste gelederen toen plots in een haarspeldbocht van een stijle afdaling mijn achterwiel wegschoof en ik aan hoge snelheid de bocht miste! Ik schoot als een schansspringer een heuvel af en zweefde enkele seconden in het ijle om vervolgens, ik schat een tiental meter, in de afgrond te duiken. Aanklampen aan mijn stuur was het enige wat ik kon doen en dat bleek de juiste reflex te zijn. Ik knalde frontaal met mijn voorwiel op de kasseien van een lager gelegen straat waar enkele rijhuisjes stonden. De stalen buizen van mijn frame plooiden dubbel en ik maakte een koprol waar een keurturner jaloers op zou zijn. Al mijn rugwervels kraakten in hun voegen maar hielden stand. Ik had als bij wonder geen schram, enkel

een stijve nek. Ik krabbelde recht en bekeek met afgrijzen mijn fiets waarvan het voorwiel naast het achterste stond en besefte dat mijn splinternieuwe frame de schok had opgevangen en mij van een gebroken nek had gered! Toen ik met mijn hoopje oud ijzer op mijn schouder het smalle straatje uitwandelde werd ik nagestaard door een oud vrouwtje die het hele tafereel met opengesperde ogen had gade geslagen. Net op tijd kwam ik weer op het parcours van de wedstrijd om in de bezemwagen, waar al enkele renners in zaten, te stappen. Ze keken met ongeloof naar mijn "minifiets" en konden niet begrijpen dat ik ongedeerd was. "Een goeie beschermengel zeker…," was de enige verklaring die ik hun kon geven.

Levensredder

Theater Van de leverancier kreeg ik een nieuw frame. Hij zou het wel als een constructiefout laten lijken, zij hij! Ik liet me dan ook niet uit het lood slaan door mijn "salto mortale" en ging de volgende weken gewoon door met ereplaatsen en zeges verzamelen. Zoveel mogelijk winnen was de boodschap. Als het nodig was betaalde ik zelfs iemand om een sprint aan te trekken of een gaatje dicht te rijden, en alle lepe trucjes waren goed om de tegenstand in de luren te leggen; zoals in Hamme waar ik in de

laatste ronde alleen aan de leiding reed. Plots zag ik achter mij een renner snel naderen. Het was Peter, een plaatselijke renner die praktisch voor eigen deur reed.

"Die wil hier absoluut winnen," dacht ik, en een jaar geleden zou ik hem, mits boter bij de vis, dat zeker gegund hebben. Maar nu moest ik hem, met wat theater, te grazen nemen! Terwijl ik mijn tempo liet zakken begon ik overdreven te schokschouderen, als was ik aan het einde van mijn latijn. Ik zag hem, onder mijn arm door, moed scheppen en nog verdapperen. Ik kwam wat op adem en toen hij me uiteindelijk bijbeende trok ik een lelijke grimas en pufte als een stoomtrein, "Komaan doorrijden!" hijgde ik. Er vast van overtuigd dat ik ten einde krachten was en hij mij kon verslaan, zette hij zich op kop en begon te rijden als gek. Ik liet me rustig meedrijven tot kort voor de aankomst en op het moment dat hij begon te verzwakken liet ik me enkele meters afzakken om vervolgens op volle snelheid hem voorbij te schieten. Ik heb hem pas na de finish terug gezien… Hij kon er niet mee lachen dat ik hem zo in de luren gelegd had! Soms moest ik ook tegen coalities opboksen. In Waasmunster lagen we met drie voorop en ééntje wilde ons betalen maar ik weigerde, "Ik wil prof worden en daarvoor moet ik zoveel mogelijk koersen winnen," scheepte ik hem af. Toen ik hem even later druk in gesprek zag met de derde man en die goedkeurend knikte, wist ik hoe laat het was! Ik deed hetzelfde als met Peter; gaatje laten…, volle bak op gang trekken…, en ze op volle snelheid voorbij knallen. Ik pakte vijftig meter, maar die twee plooiden zich dubbel om mij terug te pakken. Tot aan de eindmeet, zo een drie kilometer lang, bleven we hard tegen hard boksen maar ze kregen me niet meer te pakken! In verschillende wedstrijden was maatje Frans vaak een heel grote steun. Als ik in de laatste kilometer mijn befaamde intervaljump plaatste deed hij de deur dicht voor de concurrentie.

Ik deed hetzelfde voor hem als ik voelde dat ik geviseerd werd, dan kon hij daar van profiteren en de zege pakken, zoals in ons eigen Zele waar hij vlak voor het einde weg ging en ik elke tegenstoot in de kiem smoorde. We werden één én twee want ik won de sprint van de achtervolgers. In de "Schaal Schoeters", één van de grootste interclubkoersen, ging het ook zo. De finale werd in beestenweer gereden en dan waren we op ons best. Het regende aanvallen in onze kopgroep en het was uiteindelijk Frans die op vijfhonderd meter van de streep

een klein gaatje kon slaan. Ik zette me op kop van de rest en reed de laatste rechte lijn zigzaggend over de ganse breedte van de weg om elke tegenaanval te neutraliseren. Niemand kon nog iets ondernemen…, de buit was binnen en nonkel betrok me in de huldiging.

Niet onze mooiste foto!

Poenschepper In de zomermaanden van 1978 stond ik bijna elke dag aan de start van één of andere koers. Als ik echter niet mee was met de kopgroep gaf ik er gewoon de brui aan en probeerde het de volgende dag opnieuw. Als winnaar van een klassieker werd ik ook regelmatig gevraagd én betaald (2000Fr) om deel te nemen aan criteriums. Daar was veel poen te scheppen. Mijn startgeld, gewonnen premies, plus mijn prijzengeld konden tezamen oplopen tot 6000 Fr. Per maand verdiende ik zo meer dan ik ontving aan werkloosheidsuitkeringen, en dat was de controleurs van de R.V.A. niet ontgaan! Ik moest 10000Fr terugbetalen en omdat ik al bijna twee jaar stempelde stuurden ze mij de baan op om werk te zoeken. Maar ik was niet van plan om mijn wielerdroom

op te geven omdat één of andere pennenlikker mij het leven zuur wou maken. Ik weigerde drie maal een job en werd prompt geschorst. Nu was er geen weg terug meer, ik moest zo snel mogelijk een profcontract zien te versieren! Nog een geluk dat ik van mijn ouders alle steun kreeg om verder te koersen. Ik mocht als éénentwintigjarige volledig op hun kosten leven en zelfs mijn zuur verdiend prijzengeld mocht ik houden. Daarmee kocht ik voor een habbekrats mijn eerste auto; een knalrood tweedehands "mini-coopertje." Het ding was zo klein dat ik echt moest puzzelen om al mijn wielermateriaal er in te krijgen! Lang heb ik er echter niet mee gereden, want toen ik op een keer na een gewonnen wedstrijd mijn zegepalm er niet meer bij gepropt kreeg was de maat vol en ruilde ik het mormel in voor een oude maar ruime Peugeot 504 diesel die ik bij een bevriende garagist voor weinig geld op de kop kon tikken.

Die kar zijn kilometerteller was al twee keer rond gedraaid en de uitlaat rookte als een kolenkachel maar er was een ruime koffer aan voor mijn fiets en ik was nu niet meer afhankelijk van mijn pa of nonkel hun auto. Mijn "set of wheels" zou later ook voor andere dingen heel nuttig blijken…!

Mijn kolenkachel André

Ik moest nog enkele goeie prestaties leveren om de aandacht van één of andere profwielerploeg te trekken. Maar het zat me een tijdje niet mee. In de vierde klassieker finishte ik op de elfde plaats, hetgeen niet slecht was, en menig renner zou daar heel blij mee geweest zijn, maar ik niet! In zulke koersen telt alleen de eerste plaats. Ereplaatsen worden vlug vergeten. Ook in de laatste klassieker, de "Ronde van Henegouwen" liep het verkeerd. Er ontstond een vroege ontsnapping op het moment dat ik lek reed, ik kon nog wel terug keren maar even later werd het ganse peloton de verkeerde weg opgestuurd en bleven de vroege vluchters voorop. Het enige positieve daaraan was dat onze vriend André de wedstrijd won. Hij leek op het punt van de grote doorbraak te staan. Maar toen sloeg het noodlot hard toe! Korte tijd later kreeg hij plots ernstige hartproblemen en moest onmiddellijk stoppen met koersen. Wanneer ik hem een maand later, als toeschouwer van een wedstrijd, terug zag schrok ik me een ongeluk. De grote guitige blonde atleet van enkele weken geleden was nog een schim van zichzelf. Lijkbleek en moedeloos moest hij met een hartmonitor rondlopen en van de dokters mocht hij absoluut geen zware inspanningen meer leveren! Het trieste beeld van de eens zo beloftevolle renner, die ik in de zes jaar dat we elkaar kenden had leren waarderen als tegenstander én vriend, maakte zo een diepe indruk op mij dat ik daar ter plekke voor mezelf de eed aflegde om nooit mijn lichaam zover te drijven dat het er aan kapot zou gaan! André zou nooit meer koersen en op jonge leeftijd jammerlijk aan zijn einde komen ten gevolge van een hartstilstand tijdens een vriendschappelijk voetbalpartijtje…

Lol maken met André

Eindelijk prof ! De “Schaal Sels,” (ik weet ook niet waarom ze al die grote koersen schalen noemen, er werd immers nooit een schaal aan de winnaar uitgereikt,) was in 78 de enige interclubwedstrijd waar zowel amateurs en profs aan deel namen. Het was eigenlijk een veredelde kermiskoers op een biljartvlak parcours in het hartje van Merksem, maar ze ging wel over 200km en dát was voor de meeste amateurs een onoverkomelijke hindernis! Vijf renners gingen, na een ultrasnelle race, de laatste ronde in met een kleine voorsprong; vier profrenners én ik… Eéntje wist nog te ontkomen maar in de sprint voor de tweede plaats hield ik enkele gereputeerde beroepsmensen achter mij!

Eén er van was Roger Rosiers, een ancien die voor een grote Franse profploeg reed en zeker niet traag was in de spurt. Hij was zo onder de indruk, dat hij mij prompt een voorstel deed om bij hem in de ploeg te komen. Hij zou dat wel even regelen met zijn sponsor!

Het leek eindelijk te gaan lukken om bij de grote jongens te geraken en ik wachtte met spanning op het verlossende telefoontje van hem. Het liep echter op een sisser uit. Een hele tijd later liet hij me weten dat er spijtig genoeg geen plaats meer was in zijn ploeg. Het seizoen liep dan ook naar zijn einde toen ik uiteindelijk zelf contact

begon te zoeken met sportbestuurders van enkele Belgische profploegen, maar de meeste bleken al voltallig te zijn. Mijn laatste gesprek was met Florent, de ploegleider van een bescheiden team met als hoofdsponsor; Safir, een brouwerij uit Aalst. Hij stelde me voor om een lijstje op te sturen met mijn uitslagen van het voorbije jaar. Het werd een lange lijst want ik had twaalf overwinningen geboekt waaronder mijn klassieke zege en in tien grote interclubwedstrijden van meer dan 150km was ik bij de tien eerste! Florent moet wel erg onder de indruk geweest zijn van mijn palmares want hij nodigde mij prompt uit voor een gesprek bij de grote baas van Safir. Dat verliep zo goed dat die mij voorstelde om sito presto prof te worden voor de rest van het seizoen…! Ik zij geen nee natuurlijk en enkele minuten later wandelde ik overdonderd en juichend de Safir brouwerij buiten met een profcontract op zak… Ik kon het bijna niet geloven, maar toen ik twee dagen later met mijn splinternieuwe outfit aan de start stond van mijn eerste beroepsrennerkoers kon ik wel bleiten van

geluk!

Ik werd achttiende en ik was daar tevreden mee, want bij de grote jongens werd er beduidend harder gevlamd. Het waren dan ook stuk voor stuk renners die al bewezen hadden dat ze een stukje met de fiets konden rijden, anders geraak je doodeenvoudig niet bij de elite! Ik reed enkele wedstrijden met matig succes en ik wist toen al dat de tijd van veel koersen winnen voor mij voorbij was want om er bij de profs een tiental op een jaar te winnen moet je al een supertalent zijn en dat was ik eigenlijk niet dat besefte ik maar al te goed! Maar met strijdlust en een beetje lef kom je ook al ver, dat bewees ik in de traditionele sluitingsprijs van dat wielerseizoen te Putte-Kapelle. Het was een snelle koers en niemand kon aan het voortijlende peloton ontsnappen. Het publiek bereide zich al voor op een massasprint maar ik waagde nog een uitval bij het ingaan van de laatste ronde. Verbeten bleef ik met een kleine voorsprong voor de meute uitrijden wat bij de talrijke toeschouwers aan de aankomststreep een spontaan applaus uitlokte. Het was een hopeloze strijd tot ik op enkele km van de finish bijgebeend werd door drie renners waaronder eentje van IJsboerke, op dat moment

één van de beste ploegen van België. Die zetten het slot op het peloton en we bleven buiten schot. In de spurt gaf ik alles wat ik had maar moest toch de duimen leggen tegen “ijsboerke, Jos.” Bijna had ik mijn eerste zege te pakken en dat na amper een maand profbestaan! Barstensvol zelfvertrouwen ging ik dan ook de winter in, er rotsvast van overtuigd dat ik het volgende jaar mijn man zou staan in mijn eerste volle seizoen bij de eliterenners…

Bijna!

Partybeest Vijftienduizend Frank per maand bedroeg mijn prille profcontract van één jaar, wat het verplicht minimum was. De meeste van de zestien renners in onze bescheiden ploeg kregen dat want het waren bijna allemaal jonge kerels die aan hun eerste profjaar begonnen. Het was net evenveel als een werkloosheidsuitkering, maar voor het geld deden we,althans in het begin, niet! We waren allemaal vol ambitie om het te maken in het profpeloton en we hadden het eigenlijk getroffen want we werden de volle twaalf maanden stipt betaald hetgeen in vele kleine ploegjes, die toen bestonden, niet het geval was. Zij betaalden hun renners slechts tien maanden of helemaal niet! Om wantoestanden als deze te verhinderen moesten alle profploegen het loon van de renners bij de Belgische Wielerbond deponeren en die betaalde de lonen dan uit. Om dit te omzeilen lieten sommige malafide teams hun renners een deel van het loon terugstorten. Ik bleef gelukkig gespaard van zulke praktijken maar kwam toch vlug met de scherpe kantjes van het profbestaan in aanraking. Als

werknemer moest ik mij nu schikken naar de grillen van mijn sportdirecteur. Het eerste wat hij mij verbood was op de piste te rijden. Hij vond dat je moest rusten in de winter, dat was de algemene trend in die tijd! Je moet weten dat de sportdirecteurs twintig jaar geleden meestal oudere ex-wielrenners waren die, enkel omdat ze een sponsor zo ver gekregen hadden om in het wielrennen te investeren, de leiding hadden over een ploeg en daar een beetje naar eigen goeddunken dictator konden spelen. De meeste hadden geen diploma en soms helemaal geen kaas gegeten van hoe jonge sporters fysisch en psychologisch te begeleiden. Wat moest ik nu een ganse winter uitvoeren, ik was jarenlang gewoon geweest van naadloos over te schakelen tussen weg en wielerbaan, en dat viel nu weg! Ik stortte me dan maar op mijn schilderhobby om wat bij te verdienen en dweilde sportavonden en supporterbals van verschillende wielrenners af, wat op zich wel leuk was maar niet bevorderlijk voor de conditie.

Balavonden Voor het eerst stortte ik ook mij in het uitgaansleven. Maar ik hield het binnen de perken, alcohol dronk ik niet en heel laat werd het ook nooit, (een echt partybeest dus!) Het waren de hoogdagen van de discomuziek en de dancings zaten stampvol. Hier kwam mijn auto goed van pas want er waren altijd wel meisjes die een lift zochten, en liefst met een nuchtere chauffeur! Zo leerde ik Lilian kennen, een piepjong en knap ding dat een boontje had voor sporters. Ze had al enkele vriendjes gehad die voetballer of renner waren. We gingen een paar keer op stap en het klikte wel, maar toen het nieuwe wielerseizoen er aan kwam en ik niet meer uitging verwaterde het contact, ook al woonden we nog geen kilometer van elkaar. Onze korte relatie stierf een stille dood. We wisten toen nog niet dat het lot plannen had met ons, daar was geen ontkomen aan…

Sandwichman Het was nog putje winter en guur weer toen onze ploeg verzamelen blies voor de eerste groepstraining. Dit zou tweemaal per week gebeuren tot aan de start van de eerste wedstrijden. Het waren lange dagen…! Eerst met de wagen naar Gent of Leuven waar we ons in een zaaltje konden omkleden om vervolgens, ingepakt als eskimo’s die op zeehondenjacht trokken, met zestien man, twee aan twee, over natte wegen vol slijk; vijf a zes uren te gaan trainen. Bij temperaturen die rond het vriespunt lagen, duurde het niet lang voor je vingers, voeten en andere edele delen totaal verkleumd raakten van de kou! De sportdirecteur reed in zijn lekker verwarmde wagen achter ons. Na zo een diepvriestraining stonden we dikwijls helse pijnen uit als bevroren vingertoppen ontdooiden in het emmertje warm water waarin we ons pleegden te wassen! Na een sobere maaltijd van boterhammen met hesp konden we onze autorit, met de verwarming op volle bak, naar huis aanvangen! Er waren gelukkig ook leuke momenten in het voorjaar, zoals de ploegvoorstelling. In de brouwerij van de sponsor kregen we onze nieuwe uitrusting in aanwezigheid van de verzamelde pers, kwestie van reclame te maken natuurlijk. We werden als echte sandwichmannen gebruikt. Overal moesten we de naam van de sponsors proberen in beeld te brengen, daar kregen we een volledige garderobe voor én onze nieuwe fiets. Spijtig genoeg was het een Belgische fietsleverancier die niet direct bekend stond om zijn blitse racefietsen. Veel renners van de ploeg lieten dan ook Italiaanse fietsen, die toen superieur waren, spuiten in de kleuren van onze officiële fietssponsor om daar vervolgens mee te koersen. Daar werd geen probleem van gemaakt!

Goei fietsken?

We kregen ook een pak promotiefoto’s die dienden om met een handtekening aan fans uit te delen. Ik dacht toen dat er nooit iemand ééntje van mij zou willen, maar er bleken echter mensen te zijn die foto’s van álle renners verzamelen en zelfs nu, na twintig jaar, zijn er soms nog verzamelaars die vragen of ik er hen ééntje kan bezorgen. We werden zelfs op bierviltjes gezet, het gedacht dat er een druipende pint bier op mijn kop zou staan vond ik wel grappig!

Sandwichman

Oorlog Op zaterdag 4 Maart 1979 was ik met de “Omloop het Volk” aan mijn eerste klassieker bij de profs toe. Fier als een pauw stond ik aan de startlijn naast de grote vedetten van toen. Mannen wiens foto nog niet zo lang voordien boven mijn bed hingen, De Vlaeminck, Hinault, Moser… Het speet mij enkel dat Eddy Merkcx het jaar voordien een punt gezet had achter zijn schitterende carrière. Ik had graag eens in het wiel van de beste renner aller tijden gezeten! Het bleek al snel dat de manier van koersen in die klassiekers een klasse apart was. Het was tien keer erger dan bij de liefhebbers. In de beginfase ging het er nog meestal gemoedelijk en rustig aan toe en er was zelfs tijd voor een babbeltje, maar op een tiental kilometer van de eerste helling of kasseistrook, waar het primordiaal was om vooraan te zitten, schoot de snelheid met een ruk de hoogte in. Met een bende van een paar honderd renners die allemaal naar de kop van de groep wilden was het een geduw en getrek van jewelste. Er was nergens een speld tussen te krijgen, want iedereen wou zijn veroverde plaats

niet zo maar afgeven! Ellebogen, wielen en stuurstangen raakten elkaar als er met tien kerels naast elkaar, met duizelingwekkende snelheid, op een bocht werd afgestormd waar iedereen als eerste doorheen wou. Even aan je remmen komen koste je algauw een pak plaatsen. Bruuske manoeuvres zorgden voor schokgolven in die bonte zee van vloekende en stoempende renners. Het was dan ook onvermijdelijk dat er valpartijen gebeurden. Het kraken van fietsen die over het asfalt schuurden en de kreten van mannen die in de lucht gekatapulteerd werden als ze op een gevallen concurrent knalden, deden je haren ten berge rijzen…! Het was echt oorlog…!

Het leek wel een charge van een middeleeuws leger waarbij bezwete ridders in vol ornaat op hun blinkende strijdrossen vloekend ten aanval trokken, en met een blik vol doodsverachting over lijken gingen! Je kon alleen maar hopen dat je met de nodige stuurmanskunst en een grote dosis geluk je vege lijf kon redden. Hier was het werk van goeie knechten van goudwaarde voor een kopman. Zij moesten hun spitsrijder uit die verbeten strijd houden. Door de wind en langs de zijkant van het slagveld moesten ze proberen hem vooraan te krijgen en op het gepaste moment aan de eerste hindernis afzetten. Met een meute die als een sneltrein over de weg denderde was dit alleen voor sterke kleppers weggelegd. Als die hun werk goed gedaan hadden zaten hun kopmannen nog fris vooraan, terwijl de meeste renners na het “stellinggevecht” al op hun adem zaten te trappen, om aan een hele reeks kasseihellingen te beginnen. Op die smalle hindernissen verbrokkelde de bende in tientallen groepjes en als je niet bij de eersten zat kon je het wel vergeten want vooraan werd er hard doorgereden terwijl achteraan de ploegmakkers moesten afstoppen! In de klassiekers stapte iedereen die niet met de kopgroep mee was gewoon af. Er waren toen immers geen FICP punten te verdienen voor een ranking zoals heden ten dagen. Meer nog, als je doorreed om nog een prijsje mee te pikken werd je scheef bekeken, want dan had je de ziel niet uit je lijf gereden voor de kopman… Onze ploeg was nergens te bespeuren in de uitslag, wat niet verwonderlijk was want met alleen maar onderkoelde groepstrainingen als voorbereiding konden wij onmogelijk opboksen tegen renners uit grote ploegen die al, in zonnig weer, menige wedstrijd in Italië en Spanje gereden hadden. We hadden gewoon de snelheid en de afstand niet in de benen om te rivaliseren met hen.

Harde noten De volgende dag, voor de wedstrijd in Kuurne, maakte ik verder kennis met de harde mentaliteit en wetten in het profwereldje. In een grote zaal waren enkele ploegen zich aan het omkleden. Naast mij zat een jonge ploegmakker, die zijn eerste profkoers ging rijden, met rond hem zijn ouders en enkele supporters. Het was in de jongerenreeksen bij sommige renners de gewoonte dat voor de wedstrijd er een hele aanhang hielp bij het klaarmaken van hun coureur. Terwijl de één het rugnummer op de koerstrui spelde smeerde de andere de benen in van hun poulain. Sommige werden zelfs helemaal gewassen door hun lief na de koers…! Dat kon niet meer bij de grote jongens en om dat duidelijk te maken sprong een Nederlandse toprenner, die later nog wereldkampioen zou worden, poedelnaakt boven op een tafel..., keerde zijn achterste naar het gezelschap en terwijl hij met zijn klokkenspel tussen zijn benen zwaaide riep hij in sappig Hollands; “Hebbe julli alles goe gesien!” De boodschap was helder; geen pottenkijkers in de kleedkamers. Met rode koppen droop mijn makker zijn gevolg af. In Kuurne reed ik de wedstrijd die toch over 200km ging uit, hetgeen al een prestatie was vond ik. Maar de echte vuurdoop kwam er enkele dagen later toen ik moest starten in “Parijs-Nice.” De koers naar de zon, zoals deze rittenwedstrijd ook wel genoemd werd, was met zijn 1200km verdeeld over zeven dagen een lastige brok! Het zouden, mede door ons gebrek aan een degelijke voorbereiding, harde noten om te kraken zijn. De proloogtijdrit in Parijs was echter een prachtige ervaring. Het was mooi lenteweer en het parcours liep vlak langs de Eifeltoren. De straten zagen dan ook zwart van het volk.

Toen ik in die wereldstad op het startschavotje stond, flitste het door mijn hoofd; dit is het dan…,nu ben ik echt beroepsrenner! En terwijl het kippenvel mijn rug opkroop dwaalden mijn gedachten terug naar dat zenuwachtige kind op het betonnen baantje in Walem, en de lange weg die het afgelegd had om hier te kunnen staan! Opgepept door de omstandigheden stoof ik, in een vlaag van jeugdig enthousiasme, als een gek op de eerste bocht af om die vervolgens totaal te missen en bijna in de dranghekken te belanden. Mijn dagdroom was vlug over en ik eindigde op een schamele vijfenzestigste plaats. De volgende dagen leerde ik het echte leven kennen van een internationale prof, en dat was niet altijd zo glamoureus als ik me had voorgesteld. Om acht uur s’morgens een biefstuk met rijst achter de kiezen werken, dan met de ploegwagen een verplaatsing maken naar de start van de etappe waar de benen ingesmeerd werden op de rand van de stoep. Starten om elf, en aankomen rond vijf uur. Dan vlug een training aanschieten en zonder ons te wassen weer de wagen in om naar het hotel te rijden dat soms op een

half uur rijden lag. Eens aangekomen; vlug een douche nemen, als je pech had en je kamergenoot was je voor kon je nóg een tijdje wachten. Met gans de ploeg het avondmaal nuttigen was nog het aangenaamste. In elk hotel smaakte het eten natuurlijk anders, (niet altijd beter,) maar je moest niet te kieskeurig zijn of je kon met honger naar je bed. Elke dag in een ander bed slapen, dat was ook altijd even wennen. Onze koffer pakten we gewoon niet uit want dat was de moeite niet voor één nacht. Na een massage werd er heel vroeg onder de wol gekropen want veel zin om iets anders te doen had je niet na een lange vermoeiende dag! De volgende morgen begon het allemaal weer opnieuw.

Het was echt verstand op nul zetten en alleen aan de koers denken. De eerste dagen waren het vlakke etappes en daar stond ik goed mijn mannetje. Ik was telkens bij de hoofdmacht aan de aankomst maar in de spurt kon ik me niet mengen want dit was ook volledig anders dan bij de liefhebbers, waar je slechts een paar honderd meter voluit moest gaan. Maar nu werd de sprint al van kilometers ver voor de finish ingeleid door de ploegmaats van de sprinters en dan was het weer oorlog om vooraan te zitten. Als je enkele malen door de wind naar de kop moest rijden zat je gegarandeerd op je tandvlees als de echte spurt werd ingezet… Ik moest engelbewaarder spelen voor Benny, onze spurter van dienst maar die bakte er ook niet veel van ook al offerde ik mijn kansen op om hem vooraan in het peloton te

houden. Maar ik voelde mij goed en stond zelfs niet slecht in het klassement na dat ik in een rit met veel zijwind in de eerste waaier was binnengekomen. Toen ik in de ploegentijdrit één van de betere was van onze groep stond mijn moral in het zenith. De volgende dag stond echter de grote proef op het programma; de eerste bergrit… Ik

was, in al mijn onervarenheid, optimistisch voor de opdracht, ook al had ik nog nooit een echte “col” van dichtbij gezien.

Ik stelde mijn sportdirecteur zelfs een loonsverhoging voor als ik weer in de eerste groep kon eindigen. Hij ging akkoord en ik vertrok voor de rit waarin ik één van de grootste blunders uit mijn wielerloopbaan zou begaan…! Brabants trekpaard Ervaring is één van de peilers van een succesvol renner en dat was nu net wat ik miste in het hooggebergte op dat moment, en de begeleiding was spijtig genoeg zo goed als onbestaande in ons ploegje. Onze sportdirecteur predikte alleen maar, ”Zo veel mogelijk vooraan koersen!” Maar hij had ons eigenlijk moeten intomen die dag, want jonge onervaren renners aan hun lot overlaten in een lastige bergrit was vragen om zelfmoord, dat besef ik nu maar al te goed. Maar als prille twintiger was mijn strijdlust huizenhoog en begon ik op het einde van de zware etappe overmoedig aan mijn eerste beklimming van een lastige Alpencol van meer dan tien kilometer lang…! Ik plaatste mij, in het begin, bij de beste renners van de groep en was verbaasd hoe snel die werd uitgedund. Nu weet ik dat de ervaren profs, die geen klimmer waren, zich vlug lieten uitzakken om op hun éigen tempo naar boven te rijden. Ik bleef echter, in al mijn onwetendheid, aanklampen bij de kopgroep alsof mijn leven er van af hing. Maar ik was een sprinter, met de dijen en kuiten van een Brabants trekpaard, en geen frêle berggeit. Het tempo ging de hoogte in en al vlug begonnen mijn snelle spierbundels te verzuren. Het leek alsof de weg alsmaar steiler werd en dat was misschien wel zo, maar het was eigenlijk mijn lichaam dat over zijn limiet ging en letterlijk blokkeerde. Men benen leken te ontploffen en toen mijn ademhaling begon te stokken werd alles zwart voor mijn ogen. Het werd zelfs zo erg dat ik voet aan de grond moest zetten.

Vloekend en hijgend moest ik, over mijn stuur gebogen, terug op adem komen. Dit was me nog nooit overkomen! Toen besefte ik dat de testen van twee jaar eerder in het UZ van Gent niet gelogen hadden. Een topper zou ik nooit worden… Maar nu moest ik doorbijten, en dat kon ik wel! Ik zwalpte over de weg en werd voorbij gereden door de ganse volgerskaravaan. Het was één van de pijnlijkste momenten uit mijn leven, zowel letterlijk als figuurlijk! Maar ik gaf niet op en kwam uiteindelijk toch boven op dat monster, om onmiddellijk met een andere verschrikking geconfronteerd te worden; de afdaling…. Ik was een acrobaat op de fiets, dat had ik op de piste al dikwijls bewezen, maar op een smalle bergweg,

vol putten en kiezels, tegen hoge snelheid naar beneden gieren met langs de ene kant een diep ravijn en aan de andere kant een steile rotswand, dat was toch nog straffere kost…! De bochten waren gewoon niet in te schatten omdat ze telkens achter de rotsen verdwenen. Enkele keren ging ik bijna onderuit omdat ik te hard in de remmen ging. Mark de Meyer, een ervaren meesterknecht kwam langs me rijden en riep; “enkel vóór de bochten op je vóórwiel remmen en dan alles los”, zo kreeg ik mijn eerste les in afdalen! Maar de schrik zat er goed in en ik bereikte de aankomst met twintig minuten achterstand. Geen enkele renner van onze ploeg had de slag overleefd en er werd niet veel gesproken aan tafel die avond, want de volgende dag stond er een beklimming, vlak na de start, op het menu. Iedereen van onze ploeg stond te bibberen die morgen en het was niet van de kou. We vielen weer als vliegen op een hete zomerdag. Mijn spieren voelden aan als beton en dat is pijnlijk als de weg bergop gaat.

Maar opgeven overwoog ik niet want dan werd je de volgende dag met je koffer in het dichtstbijzijnde treinstation afgezet en moest je maar op eigen houtje zien ‘t huis te geraken. Dus klampte ik aan en finishte in het laatste groepje op een kwartier van de winnaar. Uiteindelijk reed ik, op mijn tandvlees, Parijs-Nice helemaal uit. Nu kon ik even recupereren, maar niet voor lang want de volgende dag reisden we met de wagen door naar Milaan om daar enkele dagen later te starten in “Milaan San-Remo”, één van de langste en mooiste klassiekers op de kalender! Het korte verblijf in Milaan deed me goed en toen ik aan de start stond op het “Piazza del Duomo”,

tussen een massa van renners en kijklustigen, was ik de nare ervaring in Frankrijk al vergeten…een nieuw avontuur wenkte! En dat was het ook want met zijn 288

kilometer was dit een kanjer! De eerste wedstrijdhelft was echter een wandeltochtje over landelijke, biljartvlakke wegen. In alle dorpjes, die versierd waren met vlaggen en wimpels, werd het peloton met gejuich verwelkomd alsof het een Romeins legioen was dat van een succesvolle veldtocht terugkeerde. Het was voor de inwoners het hoogtepunt van het jaar als de “Primavera” voorbijkwam en met bijna driehonderd renners in een lange sliert door de smalle dorpstraatjes slingerde.

De strijd brak echter goed los toen we de azuurblauwe middellandse zee bereikten. In de laatste tachtig kilometers was het langs de kust tegen de wind in beuken op een heuvelachtig parcours. We stonden dikwijls bijna stil als we, met een stormwind pal op de neus, boven op een klimmetje kwamen. Op een bepaald moment dacht ik dat het zeewater zelfs tot in mijn gezicht spatte, maar het was de renner voor mij die, van op de fiets, zijn behoefte deed en mij rijkelijk besproeide met zíjn zout water…! Tussen wuivende palmbomen en langs prachtige vergezichten, waar we geen tijd voor hadden om te bekijken, was het weer knokken om een koppositie te bemachtigen.Voor de wedstrijd had ik de opdracht gekregen om onze kopman; Willem, bij te staan en dat deed ik dan ook naar best vermogen. Op de vele hellingen gaf ik hem regelmatig een zetje zodat hij zijn krachten kon sparen. Toen was dat nog een veel voorkomende praktijk. Sommige kopmannen gingen zelfs gewoon aan de trui van een knecht hangen als het bergop ging en sleurden er soms gewoon de rugzakken af. Maar toen dit trekwerk enkele jaren later meermaals door de televisiecamera’s werd vastgelegd verdween dat barbaars gedoe gelukkig uit het peloton. Mijn hulp kon echter niet baten want door de vele valpartijen, die onvermijdelijk waren met zulk een grote groep, brak het peloton in tientallen stukken en werd mijn kopman uiteindelijk zesentwintigste. Ik werd na zeven uur en vijf minuten wedstrijd, uiteindelijk vijfennegentigste… Maar wie dacht dat de lange dag er dan op zat was mis want na een vlugge wasbeurt was het onmiddellijk in de wagen van een verzorger springen om de reis terug naar België aan te vangen! Na een nachtelijke rit van vele uren, kon ik eindelijk afgepeigerd in mijn eigen bed kruipen. Het leven van een internationale beroepsrenner was hard, dat had ik de voorbije veertien dagen kunnen ondervinden.

Maar het ergste was nog dat ik aan die twee weken afzien geen cent verdiend had en daar was het als prof toch om te doen dacht ik. Het enige voordeel was, dat ik door al dat harde labeur in topconditie verkeerde en enkele dagen later derde werd in Harelbeke. In een winderige koers over 190km met twee beklimmingen van de beruchte Kemmelberg reed ik als een trein. Daardoor werd ik prompt door de ploeg geselekteerd voor de volgende klassiekers. Alles zag er plots rooskleurig uit, en ik

leek op het goede spoor te zitten om potten te breken, maar het noodlot zou kort nadien voor de eerste keer toeslaan… Sleutelbeen Gebeurtenissen die we niet in de hand hebben kunnen ons leven een gans andere wending geven. Het wordt door sommigen toeval genoemd, door anderen; lotsbestemming… Ik had al zo een pósitieve wending gekend met mijn klassieke overwinning bij de amateurs maar nu stond me een totaal andere switch te wachten! Ik zat, door mijn mooie prestatie in Harelbeke, in de kern van onze ploeg en mocht starten in de driedaagse van de Panne, die als algemene voorbereiding op de voorjaarsklassiekers in België geld. Ik denk dat ik nooit in mijn leven in zo een blakende conditie verkeerde. Ik plukte nu de vruchten van mijn doorbijten in ParijsNice en Milaan-San Remo. Ik speelde met de pedalen en werd in de eerste rit zevende vlak achter een kopgroep van zes. Ik was in de laatste kilometers nog uit het peloton weg gereden en kwam daardoor vooraan in het klassement te staan. De volgende dag kregen mijn ploegmaats dan ook de opdracht om mij te helpen in de wedstrijd, ik was dus eigenlijk een beetje kopman op dat moment en dat gaf me extra motivatie!

Bovendien was de tweede rit een kolfje naar mijn hand; vlakke wegen, veel wind en wringen om in de eerste waaier te zitten! Zelfverzekerd zat ik daar ook op het einde van de etappe. Het was een unieke kans om mijn doorbraak in het profpeloton te forceren. Ik zal jammer genoeg nooit weten of het me gelukt zou zijn want toen gebeurde hetgeen waar je compleet machteloos tegenover staat; brute pech…! Een plotse deining in het lange lint van renners, even het achterwiel van mijn voorganger raken en een seconde later ging ik neer. Ik had al veel ervaring met valpartijen en kon in eerste instantie de schade nog beperken door een koprol te maken maar op het moment dat ik zo snel mogelijk wou recht kruipen, knalde een renner met een geweldige smak tegen mijn rechterschouder aan en werd ik meters weggeslingerd. Toen ik verdwaasd naar mijn fiets grabbelde schoot een helse pijn door mijn lijf en mijn arm hing zo slap als een vod. Een grote bult verscheen op mijn schouder en ik wist het meteen; “mijn sleutelbeen is kapot…!” Het was glad in twee gebroken en één uiteinde priemde net niet door mijn vel. De pijn sneed me door merg en been, het leek of ze met en gloeiend hete kachelpook in men schouder ramden! Mijn race van de waarheid was definitief afgelopen en ik werd kermend in een ziekenwagen afgevoerd naar het dichtstbijzijnde hospitaal. Daar werd ik behandeld door twee stagiairs, die nog les gekregen hadden van een oude Nazi-beul denk ik. Zij zouden mijn breuk wel even “rechtzetten…” Terwijl de ene mijn schouder vasthield trok de ander, zonder mij enigsins te verdoven, aan mijn arm om zo de twee delen van mijn sleutelbeen weer op elkaar te krijgen. Ik had een hoge pijndrempel maar deze keer brulde ik het

uit van de pijn! Een verpleegster, die mijn kreten gehoord had, kwam zelfs verontrust de kamer binnengestormd.

Het leek een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk lukte het hen toch om alles weer op zijn plaats te trekken. Ik kreeg een soort van worstvormig verband aan en een doek om mijn manke arm in te hangen. Ze gaven me ook nog even de raad om mij zeker niet te laten opereren. Later zou ik nog eens terugdenken aan de woorden van die twee beulen. Toen een verzorger van de ploeg me, na enkele lange uren wachten in mijn natte koerskleren, kwam halen was ik helemaal groggy. Het galmde alsmaar door mijn hoofd, “Hoe is dit kunnen gebeuren, ik was verdomme zo goed bezig en nu lig ik opeens in de lappenmand.” De ploegleiding vond dat ik mij toch maar moest laten opereren door Dr. Derweduwen, een chirurg die al menig sporter geholpen had. En inderdaad zijn kabinet hing vol met foto’s van sportpatiënten van hem. Hij verzekerde me dat ik binnen de veertien dagen weer op de fiets zou zitten! Dat zag ik wel zitten en diezelfde week nog ging ik onder het mes. Hij fixeerde de breuk met twee glimmende stalen plaatjes en acht schroeven. Het leek een perfecte oplossing want ik kon bijna onmiddellijk mijn arm weer gebruiken en op de rollen trainen. Maar toen begon de miserie pas! Ik trainde als bezeten en liep daarbij te hard van stapel. Daardoor begon de breuk te ontsteken. Mijn schouder begon op te zwellen. De operatieve snee barste open en de etter spoot er uit! Ik kon het blinkend plaatje door het gapende gat, van enkele centimeters, zien zitten. Derweduwen naaide alles weer dicht maar de boel wou niet genezen en scheurde voor een tweede keer open. Zo reed ik na twee maanden mijn eerste wedstrijd; met steriele doekjes op die open wonde! Uiteindelijk moest hij het plaatje dat net onder mijn huid zat terug verwijderen. Pas dan bleef alles eindelijk dicht… Na het wielerseizoen moest ik dan weer onder het mes om het tweede plaatje te laten weg nemen. Ik werd het op de lange duur al gewoon van op de operatietafel te springen. Die domme valpartij had echter niet enkel gevolgen op sportief vlak, ze zou uiteindelijk ook mijn hele leven in positieve zin veranderen…, want kort na de operatie zat ik ’t huis te mokken over de tegenslag die me was overkomen, toen er plots aan de deur werd gebeld. Toen ik opendeed stond daar volkomen onverwachts een knappe verschijning. Het was Lilian…, het meisje waarmee ik in de winter enkele keren op stap was geweest. Ik dacht dat die mij al lang vergeten was! Ze had van mijn tegenslag gehoord en kwam mij een hart onder de riem steken. We praatten een hele tijd en het klikte wonderwel tussen ons. Ze hielp zelfs mijn wonde verzorgen en het was net of we elkaar al ons hele leven kenden. We gingen de volgende weken samen

op stap en ik ondervond dat ze heel sportief ingesteld was en graag naar sportwedstrijden ging. Van het een kwam het ander en Lilian zou nooit meer van mijn zijde wijken. De volgende jaren zou ze me vergezellen naar al mijn koersen en mijn grote steun en toeverlaat worden… Ja, ja, zonder die val zouden we elkaar waarschijnlijk nooit meer terug gezien hebben. Of hoe kleine oorzaken soms grote gevolgen kunnen hebben in een mensenleven…!

Mijn grote liefdes. Doe iets! Het leven op mijn tweeëntwintig was bijna perfect; ik had van mijn hobby mijn beroep gemaakt, ik had mijn eigen wagen om naar de koers te rijden én een knap lief om mij te "soigneren." Wat kon ik mij nog meer wensen! Alleen..., het koste me bloed zweet en tranen om, in de eerste wedstrijden die ik reed na mijn ongeval, de aankomst te bereiken. Mijn topconditie van voor mijn ongelukkige tuimelpartij was natuurlijk, na twee maanden op de sukkel te zijn geweest, gesmolten als sneeuw voor de zon. Er stonden die zomer een pak kleinere koersen op het programma voor onze ploeg.Twintig jaar geleden had elk boerengat én elke grote stad, van de Westhoek tot de Kempen, nog zijn eigen grote prijs voor beroepsrenners en die werd meestal gehouden tijdens de plaatselijke kermisweek, het waren de zogenaamde "kermiskoersen." De aankomststreep was dan ook meestal ergens halverwege het schietkraam en de paardenmolen getrokken! Tussen het gedreun van discomuziek en schlagers van Eddy Wally moesten wij ons ding doen. De lokale"sportliefhebbers" keken er een gans jaar naar uit om, in hun

zondagse pak, zich een stuk in hun kraag te drinken terwijl de profs rond de kerktoren draaiden. Het parcours werd meestal zo kort mogelijk gehouden, kwestie van de renners zoveel mogelijk aan de plaatselijke kroegen te laten voorbij flitsen. We werden over pleinen en door smalle steegjes gestuurd om toch maar in het centrum van het feestgedruis spektakel te brengen. Meestal was er in de voormiddag, ergens op het parcours, nog een jaarmarkt geweest en moest de brandweer eerst in zeven haasten het wegdek nog afspuiten om al de paardendrollen en koeienvlaaien op te ruimen die de prijsbeesten achtergelaten hadden! Als het dan regende wist je het wel; ...het wordt weer stront vreten!

Een kermiskoers was maximum 150 km lang, maar het vele draaien en keren op de korte omlopen maakte het zoveel lastiger. Er waren toen soms twee koersen op één dag en de inrichters beconcurreerden elkaar om zoveel mogelijk renners aan de start van hún wedstrijd te krijgen! Ze boden de sportbestuurders geld aan voor elke renner van hun ploeg die de start nam. Zo kon het zijn dat we moesten starten in een koers in Wallonië terwijl er vlak naast de deur ook een wedstrijd was. Van het startgeld zagen we geen cent. Plezant was anders! Elke maand kregen we een ploegbulletin waar de wedstrijden instonden die we móesten rijden. En dat waren er veel! Als je eens twee dagen vrijaf had was dat uitzonderlijk. Het begrip "dwangarbeiders van de weg" kreeg plots een echte betekenis voor mij. Het was dan ook niet verwonderlijk dat we niet in alle koersen even gemotiveerd waren om er in te vliegen. Als het peloton het dan eens rustig aan deed werden we gegarandeerd door het publiek uitgescholden voor luiaards en tamme zakken. Dat we soms aan onze zesde koers op rij bezig waren wisten ze niet natuurlijk! Het waren dan ook altijd dezelfde zestigtal renners uit kleinere ploegen die al die kermiskoersen reden. Maar dat wilde niet zeggen dat het makkelijk was om er eentje te winnen. Iedereen wilde zijn graantje meepikken en er werd hard gebikkeld voor de zege.Er werd zelfs redelijk wat geld tegenaan gesmeten om eens te kunnen winnen! Maar de poen werd alleen maar in volle finale bovengehaald als er nog een kleine kopgroep overbleef. Dan werd er gesproken en het hing er meestal van af met hoeveel ploegmaats je vertegenwoordigd was.

Het waren ook meestal de plaatselijke renners die de overwinning afkochten en zo was iedereen tevreden...het publiek incluis, want zij zagen hun régional zegevieren. Het enige wat je in die snelle korte ritjes moest doen was op het einde van de koers in de goede ontsnapping zitten en dan kon je winnen of incasseren! Maar dat wist elke renner natuurlijk en dus werd er vóór de eigenlijke finale begon al een keiharde strijd geleverd. Om daarin je mannetje te kunnen staan moest je natuurlijk goed rijden en op dat moment was daar bij mij nog geen sprake van. Maar ik was niet de enige die niet vooruit kwam. De hele ploeg deelde in de malaise, wat niet verwonderlijk was met zoveel jonge renners. Onze kopman Willem, die het jaar voordien toch de Omloop het Volk gewonnen had, stelde ook teleur. Er was nog geen enkele koers gewonnen en dat begon Florent, onze sportdirecteur, danig op zijn heupen te werken! Voor de wedstrijd in Deinze kwam hij de kleedkamer, waar de voltallige ploeg bijeen zat, binnengestapt en ik kon aan het trillen van zijn neusvleugels zien dat er wat op til was! Hij begon een scheldtirade af te steken die kon tellen. "Dit kan zo niet verder!, als er niet vlug resultaten komen zal onze sponsor afhaken en staan we allemaal op straat!" Hij dacht vooral aan zijn eigen job natuurlijk. Toen Willem hem voorzichtig aan het verstand wou brengen dat het maar niet wou lukken om een koers te winnen omdat hij niet zo goed reed, kreeg hij als antwoord van onze leider "Maar dóe dan iets...!!!" Een doodse stilte viel in de kleedkamer en menige mond viel open van verbazing, want iedereen begreep maar al te goed wat hij daar mee bedoelde...doping! Het kan toeval geweest zijn maar raad eens wie er na de wedstrijd met de bloemen stond te zwaaien..., juist ; Willem! De volgende wedstrijden moesten we met de voltallige ploeg voor onze kopman rijden en het lukte hem wonderwel om een paar koersen te winnen. Tot in Templeuve! In dit Waalse dorpje zou een abrupt einde komen aan die zegereeks. Willem won en moest naar de dopingcontrole! Ik werd negende en moest eveneens een plasje maken, wat voor mij geen probleem was. Maar toen ik de angstige blik van mijn kopman, die na mij aan de beurt was om in het kleine achterkamertje van een kroeg zijn behoefte te doen, zag wist ik het meteen, oei, oei; stront aan de knikker! En mijn vrees was gegrond. Hij werd betrapt op fraude! Hij had urine van een andere persoon in een condoom binnengesmokkeld en deponeerde die in het officiële potje, maar de dokter van dienst merkte op dat het urinestaal koud was en Willem viel hij door de mand. Dit was natuurlijk een klap voor de ploeg, nu moesten we op een andere manier de meubelen zien te redden. Ik probeerde dit met enkele marathonontsnappingen in grotere koersen. In de Grote Scheldeprijs reed ik met een kopgroepje 150km aan de leiding waardoor ik redelijk wat publiciteit mee grabbelde en zelfs de TV reportage haalde.

We werden echter kort voor het einde door een grote groep gegrepen en ik stapte totaal leeggereden af. Ik dacht dat ik een schouderklopje ging krijgen van mijn sportdirecteur maar het werd eerder een opdoffer. Hij gaf me een uitbrander omdat ik zo kort voor de finish er de brui had aan gegeven. Ik kon niet veel goeds meer doen in zijn ogen ook al begon ik beter te rijden. In het kampioenschap van België zat ik zelfs, na 260km, in de laatste bocht nog in derde stelling van de massaspurt maar raakte ingesloten en werd uiteindelijk maar twintigste. In het najaar kwam ik pas echt goed op dreef en sprokkelde een paar dichte ereplaatsen bijeen. In Temse zat er zelfs een zege in. In de laatste ronde ging ik samen met Richard weg uit een kopgroep en ik vond dat we nogal makkelijk veel voorsprong kregen, maar toen biechtte mijn vluchtgenoot mij op dat hij de rest van de kopgroep betaald had om te winnen. Mij had hij proberen in de luren leggen. Hij stelde voor om mij ook maar uit te betalen en ik ging met veel tegenzin akkoord want ik wilde geen hommeles met de andere kerels die in het complot zaten. Ik hield er wel zesduizend frank aan over en dat verzachte de ontgoocheling natuurlijk. Het was Florent ondertussen ook opgevallen dat er weer snee op mij zat en hij vroeg me of ik mee wou naar de ronde van Zwitserland, waar nota bene constant in de alpencols moest geklommen worden. Dat zag ik echt niet zitten. Ik wist dat ik het grote klimwerk niet aankon en elke dag op de fiets zitten afzien als een beest om uiteindelijk op minuten van de winnaar over de eindmeet te bollen daar had ik niet veel zin in.

Ik reed liever de regionale wedstrijden waar je in één wedstrijd soms meer kon verdienen dan in heel die ronde van Zwitserland. De ploeg die uiteindelijk deelnam bakte er totaal niets van, wat bewees dat ik gelijk had.

Maar ik had het nu wel totaal verkorven bij mijn ploegleider en toen stond het voor hem al vast dat ik niet bij Safir in de ploeg zou blijven. Hij liet me echter bewust in het ongewisse daarover zodat ik niet zou uitkijken naar een andere ploeg en uiteindelijk nergens nog onderdak zou geraken. Deze vuile trucjes waren gemeengoed bij de profs. Op het einde van het seizoen stond ik dan ook zonder sponsor op straat. Was dit, na één jaar al het einde van mijn prille profbestaan? Zeepboerke Het zag er een tijdje slecht uit, en mijn prille profcarrière leek een kort leven beschoren, maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij! Er werd een nieuwe wielerploeg opgericht in mijn eigen streek. Tuur, een ex-renner,(natuurlijk!) had zijn werkgever, een bedrijf dat net als IJsboerke met een ganse armada bestelwagens deur aan deur verkoop deed van zeepproducten, zo ver gekregen om te investeren in een kleine wielerploeg. De kopman zou Johnny worden. De gevreesde hardrijder die mij bij de amateurs menige koers afgesnoepte had twee jaar in een grote ploeg gereden maar was te kort geschoten in de klassieke wedstrijden omdat hij geen molshoop op kon en schrik had om in het peloton te vechten voor een koppositie. Via hem kon ik een gesprek versieren met de baas van “Masta,” en als ik het mocht uitleggen kwam alles meestal wel in kannen en kruiken! Ik werd aangenomen voor een maandsalaris van 18000 Fr. Ik ging er dus op vooruit!

Zeepboerkes De baas was echter een gewiekst zakenman en verplichte zijn renners om hem een reeks klanten aan de hand te doen teneinde een deel van zijn geld te kunnen recupereren. Samen met hem moesten we dan een dag de baan op om die mensen te bezoeken. Toen kwam aan het licht dat zijn firma er wel heel dubieuze verkooptechnieken op na hield. Hij verkocht “zakjes” waspoeder en een hele reeks andere kuisproducten alsof het niks was. Maar wanneer de aankoopbon getekend werd bleken het plots zakken van 25kg te zijn en liep de rekening huizenhoog op…! Het was niet leuk voor mij om te zien hoe mensen opgelicht werden. Ik verwittigde dan ook iedereen, voordat ik langs kwam met mijn baas. Op sportief vlak was er wel een verbetering. Ik mócht op de piste rijden en startte in Januari 1980 ,in het sportpaleis van Antwerpen, in mijn eerste profzesdaagse. Samen met Johnny en Guido vormde ik een ploeg. Het werd een regelrechte fiasco. Guido was zo vet als een hoogzwanger varken en totaal niet in vorm. Hij viel al letterlijk uit op de eerste avond.

Fiasco Johnny en ik moesten dan maar de ganse zes dagen lang, in verschillende disciplines, met ons twee opboksen tegen ploegen van drie in topconditie verkerende fulltime pistiers. Het was geen luilekker leven zoals bij de amateurs, maar elke dag tot een stuk in de nacht, in een walmende mengeling van sigarettenrook en dernyuitlaatgassen waarvan je keel in brand leek te staan, rijden tot je tong tussen je voorwiel draaide. Wij moesten in de kleinere nummers voor animatie zorgen en dat was enkel op woensdagnamiddag leuk want dan kwamen er schoolklasjes naar het sportpaleis afgezakt. De winnaar van een tussensprintje mocht dan een zak met snoepgoed, bij wijze van reclame, aan die gastjes uitdelen. Het waren de enige spurtjes waar ik mij voor inzette. Sinterklaas spelen op de fiets dat was weer eens wat anders. Het brak de sleur van de lange vermoeiende dagen. Zo een zesdaagse was wel ideaal om de conditie aan te scherpen voor het nieuwe wegseizoen en de verdienste van 40000 Fr voor enkele dagen afzien was ook niet mis.

Dat was al een dikke twee maanden extra loon! Normaal hadden we nog meer, maar een deel van ons geld bleef, in het zwart, aan de handen van enkele corpulente en corrupte managers plakken. Het prijzengeld en premies werd door de toprenners verdeeld onder de andere deelnemers. Zij schuimden natuurlijk het grootste deel zelf

binnen, de rest was voor de mindere goden. Die poen kwam al vlug van pas, want we zouden met de ploeg een stage doen in Spanje. Om het lamlendige weer in ons kikkerlandje te ontvluchten gingen we veertien dagen in Benidorm trainen. We moesten echter een deel van het verblijf zelf betalen. Het was eens wat anders, maar niet echt een succes! Het regende er de helft van de tijd en nadat we tijdens een oefentrip een raid op een appelsienenplantage gedaan hadden kreeg iedereen buikloop. Waarschijnlijk was het fruit bespoten met insectenverdelger of zo…! Het kan natuurlijk ook de soep, met wormpjes, in het hotel geweest zijn die iedereen naar de plee deed spurten… De eerste zes wedstrijden van het nieuwe wielerseizoen waren zoals altijd een hele opgave. Het waren dan ook altijd kanjers van om en bij de 200km. Ik reed ze echter allemaal uit. Ik had meestal geen last om de kilometers rond te maken, maar vooraan eindigen dat zat er nog niet in. Tot de driedaagse van de Panne. De wedstrijd die me het vorige jaar de das omdeed verliep nu gunstiger. Met een negende en achtste plaats in lange ritten van 230km en een zestiende plaats in de eindrangschikking was ik veruit de beste van de ploeg.

Twee dagen later vertok ik in mijn eerste gróte “Ronde van Vlaanderen!.” Het was een wedstrijd die me móest liggen. Met mijn kleine geblokte gestalte was ik geknipt

om, op een bochtig parcours, over bonkige kasseien te dokkeren en de vele korte hellingen explosief naar boven te spurten. Ik wist nu ook dat om een plaatsje in de eerste groep te veroveren je met ware doodsverachting moest vechten in het peloton. Toen mochten nog álle ploegen deelnemen aan de grote klassiekers en dat maakte dat meer dan 250 renners klaar stonden om de strijd aan te gaan. Ik had ondertussen enkele manieren geleerd om door die wriemelende bende renners te slalommen. Op het moment dat iedereen probeerde zich, langs de buitenkanten van de bonte voortijlende meute, een weg naar voor te banen kwamen er kleine openingen in het midden van de groep. Ik dook daar met verstand op nul in en reed zo zonder al teveel moeite naar de eerste gelederen. Het hield natuurlijk risico’s in en menige valpartij kon maar op het nippertje vermeden worden. Meermaals raakte ik het achterwiel van een tegenstander en kon alleen een bliksemreflex een ramp vermijden. Na zo een incidentje raasde steeds de adrenaline door mijn hele lijf en ging al het haar in men nek recht staan. Nadenken was op zulke momenten dus uit den boze. De tweede truc bestond er in om, net als een F1 piloot, zo laat mogelijk in de remmen te gaan voor een bocht werd aangesneden. Het was een aartsgevaarlijk manoeuvre en het lokte vaak gevloek uit bij de opponenten, maar het kon enkele plaatsen winst opleveren en dus dééd ik het! Nadat ik een massale valpartij in de laatste bocht voor de beruchte Kwaremont helling overleefd had geraakte ik, na een helse beklimming, in de eerste kopgroep van vijftien renners. Ik wist dat de beslissing wel eens kon gevallen zijn want in de achtergrond was alles aan stukken geslagen en vooraan werd als een gek doorgefietst. Op weg naar de steile Koppenberg doken we met een razende vaart een smalle landweg in. Het wegdek lag echter vol modder, waarschijnlijk door een keuterboertje met zijn tractor achtergelaten, de paniek was groot want enkele renners gingen onderuit en ik schoot in een poging om ze te ontwijken een metersdiepe gracht in. Ik ging compleet over kop en mijn fiets knalde tegen een boom aan. Gelukkig kwam ik in de zachte modder terecht, maar mijn vehikel was naar de filistijnen! De twee wielen waren krom en ik kon niets anders doen dan als een kikker uit het slijk kruipen en op de ploegwagen te wachten. Het duurde minuten vooraleer de lange sliert renners en wagens voorbij was en ik eindelijk een stel nieuwe wielen kreeg. Het kalf was natuurlijk al verdronken en de “Ronde” zat er voor mij dus op. Het gevoel van ontgoocheling op dat moment is met geen pen te beschrijven. Je bent kwaad om zoveel pech en je wil vloeken en huilen tegelijk.

Maar lang mag je niet blijven mokken. Als wielrenner moet je blijven doorgaan, want het verdriet en tegenslag kan heel vlug omslaan in vreugde en geluk. Zo gaat dat nu eenmaal in de wielersport! Dat zou ik kort nadien nog maar eens ondervinden… Euforie Het leven van een wielrenner is hard en gevaarlijk, maar ook heel intens. Elke koers is een avontuur waarvan je nooit weet hoe het gaat aflopen. Het kan eindigen op het podium of in het hospitaal! Hoe gevaarlijk het soms was kan ik illustreren met een voorval in de koers van Heist aan zee. Daar reden we in de polders door een open vlakte toen er plots een hevig onweer losbarste. Een helle bliksemschicht sloeg in op amper twintig meter van het peloton. De enorme donderslag blies ons bijna allemaal omver! Velen waren zo geschrokken dat ze de wedstrijd staakten, ik reed gewoon door… en werd zesde. Gevaarlijk waren ook de, altijd onvoorzichtige, automobilisten. Zoals de vrouw die een seingever negeerde en vervolgens panikeerde toen ze plots een wielerpeloton van honderd man op zich af zag stormen. Ze stopte met haar kleine Lada in het midden van de weg en zag die golf van renners zich op het laatste nippertje rond haar karretje splitsen als de rode zee voor de staf van Mozes! Ééntje van ons keilde zijn drinkbus tegen de voorruit van de wagen en bedekte die zo met een kleverige laag warme thee. Dat vrouwtje zou nooit meer een seingever negeren denk ik! De harde kant van de stiel daarentegen heeft vooral te maken met de tegenslagen en kwaaltjes die een renner soms tot aan de rand van de wanhoop drijven. Fysiek eist het zoveel van je lichaam dat ziekte en kwetsuren schering en inslag zijn.

Keelontstekingen en griep in het voorjaar en peesontstekingen door overbelasting waren ook mijn deel van de miserie, maar één van de ongemakkelijkste dingen waar ik in 1980 mee te maken kreeg was een zweer op… mijn zitvlak! Het constante schuren over het zadel maakte dat de huid geïrriteerd raakte en begon te ontsteken.We hadden wel een zeemvel in onze koersbroek die telkens met een dikke laag zalf werd ingesmeerd, maar dat was nutteloos als je met een knikker vol etter op je gat zat. Pijnscheuten schoten door mijn achterste als ik terug op mijn zadel plofte na een zoveelste bocht. Normaal moest ik de fiets een tijdje aan de kant zetten om het “ettertje” te laten genezen, maar elke dag dat een renner niet op zijn vehikel zit is er één teveel. Dus bleef ik rijden met die puist tussen mijn billen. Zo ook in Kessel waar we met de ganse ploeg van start gingen voor 195 lange en pijnlijke kilometers. Met een broek vol verdovende zalf gesmeerd nam ik de start om te proberen de ploeg nog tot enige dienst te zijn. Mijn conditiepeil was echter nog in orde en ik was dan ook mee met de goeie ontsnapping van twaalf man. We waren er met vier van Masta bij

en kopman Jhonny zou de wedstrijd gaan winnen, dat stond vast. Maar naar het einde toe kon ik het niet meer harden van de pijn en vroeg ik aan Tuur, onze sportdirecteur, of ik uit de koers mocht stappen. Hij moedigde me aan om toch door te bijten en uit te rijden, wat ik dan ook deed; en het ongelooflijke gebeurde. In de laatste ronde kreeg Jhonny een lekke band en ik wou hem graag mijn wiel afstaan. “ Nee… rij maar door,” riep hij. “Het is te kort bij de aankomst, ik kan nooit meer op tijd aansluiten!” Dus bleef ik in de kopgroep en sprong in de laatste kilometer mee met een sterke kerel die zijn ultieme aanval plaatste. In de laatste rechte lijn spurtte ik hem gemakkelijk voorbij en won tot mijn eigen stomme verbazing nog de koers...!

De ontlading bij het zegegebaar was enorm, en toen ik even later in de armen van een wenende Lilian viel was dat een moment van opperste euforie, dat kan ik je verzekeren. Het was voor haar dan ook de eerste keer dat ze mij een koers zag winnen. Ze deelde volop in de vreugde. Na zo een zege leef je echt een tijdje op een wolk. Felicitaties van vriend en vijand na de koers. Met de zegebloemen voor de achterruit van de auto naar huis rijden. Daar de opgetogen familie en kennissen op de hoogte brengen en hun het hele verhaal van de koers doen. De volgende dag de kranten uitpluizen en de artikels verzamelen. Zulke momenten… daar deed je het dus eigenlijk allemaal voor…!

Euforie met Lilian. Maar mijn euforische momenten bij de beroepsrenners waren schaars. Anders dan bij de amateurs kon ik nu geen pak zeges bij elkaar sprokkelen en dat was frustrerend, maar heel logisch. Alle profs zijn in principe goeie renners, want anders geraak je niet tot bij de elite. Dáárom is het, zelfs in de kleinste wedstrijden, aartsmoeilijk om te winnen. Je moet een echte klasbak zijn om de rest meermaals achter je te laten. En niet iedereen is dat. Je mag nog zo hard trainen, je bent altijd gebonden aan de fysieke limieten die je meekrijgt van in de wieg. Hierdoor komt de verleiding van het dopingmonster om de hoek kijken, want wat ze ook beweren, er zíjn producten die je limieten kunnen verleggen. De beruchtste daarvan zijn de… amfetamines. Die waren in de jaren tachtig nog volop in het peloton aanwezig. Eigenlijk waren die producten in de tweede wereldoorlog ontwikkeld om jachtpiloten, die nachtmissies boven vijandelijk gebied moesten uitvoeren hun vermoeidheid, pijn , angst en honger weg te nemen. O, ja…ik had mij goed geïnformeerd en kwam tot de conclusie dat deze wondermiddelen vele slechte kantjes hadden.

Het hartritme wordt erdoor naar het hoogste toerental gedreven en dit heeft nefaste gevolgen voor de gebruiker. Agressief gedrag en depressies waren ook neveneffecten. Ze zijn bovendien ook zeer verslavend en telkens moet de dosis verhoogd worden om hetzelfde effect te bekomen, zoals bij alle drugs ten andere. Ze zijn verboden en alleen op doktersvoorschrift te krijgen, maar er bestond toen al een zwarte markt, en

het waren dikwijls renners zelf die het spul tegen woekerprijzen verkochten. Enkele van mijn leeftijdsgenoten konden niet aan de lokroep weerstaan en begaven zich op het verkeerde pad. Jongens, die in de jeugdreeksen niet beter waren dan mij, reden plots op een hoger niveau en wonnen meerdere wedstrijden. De verleiding was dan ook groot om aan het verboden spul te zitten, daar moet ik eerlijk in zijn… Maar het lot van André was ik nog lang niet vergeten en Lilian was er ook radicaal tegen. Zij had tijdens haar koffiekransjes, die tijdens de wedstrijden door de rennersvrouwen langs het parcours werd gehouden, allerlei wilde indianenverhalen gehoord van huiselijke problemen die het gevolg waren van de dope.

Koffiekransje

Kerels die ‘s nachts nog hun gras afreden omdat ze de slaap niet konden vatten of de boel kort en klein sloegen omdat ze tegenslag hadden gehad en hun agressie moesten uitwerken. Sommigen bleven zelfs lang na hun wielercarrière nog verslaafd aan het spul. Ik volgde dan ook mijn gezond verstand en bleef van de amfetamines af… Ik had er mij dan ook al lang mee verzoend dat ik tot de middenmoot van het peloton zou blijven behoren. Maar liever dat dan elke koers met de daver op het lijf zitten dat het wel eens dopingcontrole kon zijn…! Als dat gebeurde stegen plots mijn kansen op een goeie prijs, want dan doken er verscheidene tegenstanders de kleedkamers in omdat ze door hun verzorger getipt waren dat er een dokter naar een geschikt controlelokaal zocht. Ik heb het ooit meegemaakt dat een kerel, die mee in de kopgroep zat, voor mijn ogen met opzet een bocht miste, vervolgens een gespeelde tuimeling maakte in de graskant en de wedstrijd verliet. Ik snapte niet wat hem plots bezielde, maar toen ik hoorde dat er controle was na de koers vond ik het wel een goeie truc van hem om op een minder verdachte manier de plaat te poetsen…

De veiling Onze zeepploeg deed het niet slecht in de “kermiskoersen.” We kwamen dan ook telkens met de ganse ploeg aan de start, en als je met enkele renners in de kopgroep vertegenwoordigd was kon je de koers naar je hand zetten. Kopman Jhonny won dan ook, met onze steun, regelmatig een wedstrijd. Het was soms wel niet prettig om je winstkansen op te offeren, maar het was de ploegtactiek om hem zoveel mogelijk te laten winnen. Hij was dan ook de beste van het team. Het zou voor mij dan ook bij die ene overwinning blijven. Twintig maal reed ik bij de eerste tien.

Mijn sterke punt was dat ik het juiste moment kon inschatten om mee te gaan in de goeie ontsnapping. Ik taxeerde voor de wedstrijd zorgvuldig de tegenstand en koos de renners uit die in vorm waren en zeker zouden mee zijn in de eerste groep. Als die samen in de aanval gingen was deze jongen nooit ver af. Enkele keren was ik er alleen bij van onze ploeg en kon ik mijn eigen kans gaan, maar dat was dan weer moeilijk omdat er altijd wel ééntje enkele bondgenoten “omkocht” en dan moest je tegen die coalitie opboksen. En het was zo verleidelijk om gemakkelijk geld te verdienen door je benen stil te houden en een ander de koers te laten winnen. Ik speelde dan ook meestal het spel mee en ontving na de koers een envelopje met enkele briefjes van duizend frank in. Het was niet sportief maar we waren profs en reden dus om onze boterham te verdienen. Het gebeurde soms dat ik meer aan steekpenningen verdiende dan dat mijn karig maandloon opbracht. Één keertje liep het wel echt de spuigaten uit! In de kermiskoers van Waasmunster gingen we met vijf, met een kleine voorsprong, de laatste kilometers in. Ik dacht,”Dit is het moment om nog eens te winnen…” Ik wou vier, (vierduizend oude Belgische franken) de man geven, dat was dus twintig in totaal. Omdat we er tien van de ploeg kregen voor een overwinning plus de eerste prijs van zeven zou het mij nog goedkoop uitkomen redeneerde ik! Maar er waren nog kandidaat winnaars... Toen werd er, in volle inspanning, een echte veiling gehouden en de prijs schoot de hoogte in alsof er werd geboden op de BH van Madonna! Uiteindelijk was het Dirk, een streekrenner natuurlijk, die er zeven gaf. Dat was toch wat veel voor mijn geldbeugel. Nadat iedereen akkoord was, het houten hamertje kwam er net niet aan te pas, knepen we op discrete manier de remmen dicht en lieten de gulle bieder zegevierend over de meet bollen!

Ik heb wel enige tijd op mijn veilinggeld moeten wachten, want die kerel was nadien niet happig om over de brug te komen. Maar in het peloton was een gemaakte

afspraak heilig en als je die niet nakwam werd je met de vinger gewezen. De volgende koersen werd je dan geviseerd en kon je rekenen op heel wat tegenkanting van al je collega’s. Enfin, zo ging het profbestaan zijn gewone gang en ik voelde mij thuis in dat wereldje. Ik was dan ook opgetogen toen ik op het einde van het wielerseizoen verzekering kreeg van een plaatsje in de ploeg voor het volgende jaar. Albert, de oudste van onze groep hing de fiets aan de haak en zou de nieuwe sportdirecteur worden. Wij stonden op goeie voet met elkaar want ik had hem de laatste overwinning uit zijn carrière helpen behalen. Ik hield toen, in mijn ééntje, een gans peloton net lang genoeg aan de praat om hem een solovlucht met succes te laten afronden. Ik had die winter dus, twee maanden lang, een zorgeloos bestaan. Mijn leven leek helemaal in de plooi te vallen. Mijn wielertoekomst zag er rooskleurig uit en mijn liefdesleven kon niet meer stuk. Lilian en ik kenden elkaar nu al twee jaar en het ging steeds beter. We zouden in de lente gaan samenwonen en huurden een klein huisje. Alles liep dus op wieltjes en begin Februari reed ik zoals gewoonlijk de zesdaagse van Antwerpen met Jhonny als voorbereiding op het nieuwe wielerseizoen. De persvoorstelling van de ploeg werd speciaal voor ons de dag na de slotavond gehouden. Ons team was versterkt met enkele goeie kermiscoureurs waaronder André Boonen, de vader van de latere toprenner Tom Boonen.

De versterkte Masta ploeg.

Het was voor mij al een fysiek zware week geweest en de dag na de voorstelling stond er alweer een lange groepstraining op het programma. Ik probeerde Albert aan zijn verstand te brengen dat ik vermoeid was en een dagje rust goed kon gebruiken. Hij drong echter aan om de training toch te doen. “Door eens tot op de bodem te gaan zal je sterker worden” was zijn redenering. O, wat zouden zijn woorden een ironisch tintje krijgen want ik zou inderdaad de bodem zien,...letterlijk!

Vrijdag de dertiende Het was koud…, heel koud die morgen van ongeluksdag; vrijdag dertien februari 1981. We vertrokken met de voltallige ploeg bij het ochtendgloren voor een training waar ik helemaal geen zin in had. Ik was al moe van bij de start. Dikke truien, handschoenen en een bivakmuts die alleen de ogen niet bedekte konden niet voorkomen dat de kille ochtendlucht tot op mijn huid doordrong en me kippenvel bezorgde. Had ik geweten wat me die dag boven het hoofd hing dan was ik nooit uit mijn bed gekomen. Maar nu zat ik half slapend op mijn fiets en reed op automatische piloot in het wiel van mijn ploegmakkers, toen er vooraan in de groep tumult ontstond en een makker voor mij plots uitweek. Door mijn vermoeidheid en de dikke onhandige handschoenen was ik veel te laat bij mijn remgrepen en kon ik niet vermijden dat ik het achterwiel van mijn voorganger raakte. Ik spartelde nog even tegen, en die luttele seconde dat ik langer recht kon blijven zou uiteindelijk mijn leven redden! Want op het moment dat ik halverwege de weg naar moeder aarde was knalde iets met enorme kracht tegen mijn linkerschouder en been. Door de klap werd ik de lucht in geslingerd en belande met een doodsmak tegen het betonnen wegdek… Ik was aangereden door een auto! Die was, bij een inhaalmanoeuvre, tegen zeventig per uur frontaal op onze groep ingereden. De jongens voor mij hadden hem nog nipt kunnen ontwijken maar ik was vlak voor hem neergegaan. Gelukkig dat ik nog eventjes mijn val had kunnen uitstellen anders was ik zeker onder de wagen terecht gekomen en zou deze jongen voer voor de pieren geweest zijn. Later heb ik vernomen dat de chauffeur een ouwe vent van zeventig was met een steriliseerbokalen bril op zijn kop. “Ik heb ze niet

gezien,” was zijn verklaring. Ik was nog bij mijn volle verstand toen de tornado van pijn door mijn schouder raasde, het leek wel of hij afgerukt was.

Mijn linkeronderbeen was er nog erger aan toe en hing helemaal los aan mijn lichaam.Toen ik probeerde recht te krabbelen bleek dat gewoon onmogelijk. Alles begon vervaarlijk op te zwellen en besefte ik meteen dat het over en uit was. Ik probeerde toch kalm te blijven en niet te bewegen, wat heel belangrijk is bij een ernstige breuk. Dat wist ik maar al te goed sinds mijn sleutelbeenbreuk. Toen mijn makker Jhonny me wilden oprapen zei ik; “ Laat me maar liggen…, mijn been is áf!” Ik denk dat hij en de ploegmaats, die rond me stonden op dat moment, nog bleker werden dan mij. Daar lag ik dan, bij vriestemperaturen, in het midden van de openbare weg. Gelukkig was ik dik gekleed en gooide een vrouw, die in de buurt woonde, een deken over mij. Zij was ook degene die een ambulance belde. Maar die liet heel lang op zich wachten waardoor ik bijna een half uur roerloos op de ijskoude grond lag. Uiteindelijk werd ik dan toch opgeschept en afgevoerd. De ambulancier was echter een echte cowboy en scheerde op volle snelheid door de bochten. Ik werd zo erg heen en weer geslingerd dat de pijnscheuten door mijn gewonde ledematen schoten. Ik brulde dat hij stiller moest rijden. “Ik lig hier nog niet op sterven zulle!!” snauwde ik hem toe. In de kliniek bolden ze me eerst in zeven haasten naar de dienst radiografie. Daar probeerde een nerveus jong verpleegstertje mijn trainingsbroek uit te trekken. In andere omstandigheden zou ik dat graag toegestaan hebben. Maar nu vroeg ik haar nadrukkelijk om het ding gewoon kapot te knippen. Het was niet mooi wat ik toen te zien kreeg en de schrik sloeg me nu wel echt om het hart. Mijn knie leek wel een blauwe tennisbal en mijn kuit was in omvang verdubbeld en helemaal paars. “Verdomme…!, d’as allemaal naar de kloten,” vloekte ik in een moment van vertwijfeling. De pijn werd steeds erger en de moed zakte in mijn schoenen. Ik riep in paniek; “ Doe er iets aan…!” Op dat moment kwam er een chirurg in vol ornaat de kamer binnen gestapt. Hij was net met een operatie bezig want zijn witte kiel was helemaal besmeurd met bloed. Hij keek even met een bezorgde blik naar mijn geteisterde been en zei “Doe hem maar vlug in slaap!” Een verpleger stroopte onmiddellijk mijn mouw op en plantte een spuit in mijn arm. Toen ik de verlossende prik, die eindelijk een einde aan mijn leiden zou maken, in mijn ader voelde branden en alles voor mijn ogen zwart begon te worden hoorde ik mezelf nog prevelen; “ Dokter…, maak alsjeblieft dat ik nog kan koersen…”

Hard labeur Het eerste wat ik zag toen ik uit mijn diepe duistere slaap ontwaakte was het bezorgde gezichtje van Lilian. Zij en mijn moeder zaten al een tijdje aan mijn ziekenhuisbed. Ik was nog zo zat als een Zwitser van de zware verdoving en alles draaide nog voor mijn ogen maar ik merkte wel op dat mijn been, van mijn lies tot aan mijn tenen, in één grote gips verpakt was. Enkel mijn grote teen stak nog boven het witte gedrocht uit.Toen ik tegen de avond eindelijk weer een beetje bij mijn positieven was kwam de arts die mij behandeld had poolshoogte nemen. De kalme bejaarde man straalde ervaring uit en dat gaf me vertrouwen in hem. Het eerste wat die grijze eminentie me vroeg was; “Wiebel eens met je tenen!” Ik keek hem verbaasd aan en vroeg me af of hij nu echt met mijn voeten aan het spelen was, maar hij maakte me vlug duidelijk dat zijn vraag een heel goeie reden had. Mijn scheenbeen was immers gebroken en had zich door de slag in mijn kuitspieren geboord! Om te testen of er geen vitale zenuwen geraakt waren, en mijn voet niet verlamd zou blijven, moest ik dus met mijn grote teen kunnen bewegen… Tot mijn grote opluchting, en van iedereen in de kamer, wiebelde mijn kleinood een paar millimeter…! Er was echter nog iets dat de arts zorgen baarde. Mijn knieschijf was eveneens glad doormidden gekliefd en moest zo vlug mogelijk geopereerd worden, anders kon ik er een stijf been aan overhouden! Maar eerst moest de enorme zwelling van mijn been verminderen. Daarvoor had hij een zogenaamde “drain” gestoken. Het was een darmpje dat van in mijn kuitspieren door het plaasterwerk heen kwam en in een plastic zakje uitmondde dat naast mijn bed hing. Het zat al halfvol met etter en bloed. Het onsmakelijke zicht deed vermoeden wat een ravage er onder dat gipsen been stak. Ook mijn schouder was zwaar gekneusd en deed zeer als hel! Ik kreeg zware pijnstillers in mijn dij gespoten en was een ganse nacht van de wereld. De volgende morgen echter werd ik weer wakker met kloppende pijn. Het leek wel of mijn knie op het punt stond te ontploffen! De dokter gaf de opdracht om het gips voor een deel open te zagen en een verpleger maakte vervolgens een vierkant gat ter hoogte van mijn knieschijf. Toen leek het wel alsof er een paarse huidballon in dat venstertje opgeblazen werd. Al het vocht dat zich in de knie opgehoopt had zocht zich nu een weg naar buiten. Het bracht me enige verlichting, maar ik heb nog enkele dagen pijn gegeten! Na een week was de zwelling eindelijk afgenomen en kon ik geopereerd worden. Het scheenbeen werd door middel van een stalen plaat van 12 centimeter lang en acht vijzen weer aan elkaar gezet en de twee helften van de knieschijf werden door middel van een stalen draad verbonden. Deze ijzerwinkel was de enige manier om zo vlug mogelijk met de revalidatie te kunnen beginnen. Het been moest echter nog minstens

een volle maand in het gips ingepakt blijven. Al die tijd lag ik in de kliniek plat op mijn rug. Alles moest ik liggend doen, eten, wassen en plassen.

Maar het grootste kotsmoment was altijd wanneer ik mijn grote behoefte moest doen op een ijzeren bedpan. De geur alleen al…! Weken lang in dat kleine muffe kamertje, waar de zonlicht amper door de ramen viel, te liggen niksen was heel deprimerend. Het vechten tegen de verveling en de twijfel over mijn toekomst waren een echte verschrikking. Vooral ’s nachts als ik alleen in mijn bed naar het gebarsten plafond lag te staren en doembeelden, van een toekomstig leven als gehandicapte, voor mijn ogen begonnen te dansen. Het is op zulke momenten dat een mens tot een hogere macht om hulp bid…, dat kan ik je verzekeren! Gelukkig was er Lilian die elke dag vele uren naast mijn bed zat, hetgeen voor een jong meisje niet zo evident was. Ze bleef me steunen en verzorgen ook al wist ze niet wat de uiteindelijke gevolgen van mijn ongeval zouden zijn. Op een namiddag was ze in de oude versleten ziekenhuiszetel in slaap gedommeld en toen ik naar haar lag te kijken besefte ik plots dat ik zo een liefde niet mocht kwijt spelen. Toen ze even later wakker werd zei ik; “Schat…, ik kan wel niet op mijn knie gaan zitten om je dit te vragen, maar wil je met mij trouwen…?” Toen ze ja zei leek het of de zon plots weer haar weg had gevonden naar mijn grauwe kamertje. Dit was de motivatie die ik nodig had om door te gaan, en ik zwoer een dure eed. Ik zou alles doen om weer de oude te worden en met Lilian een gezinnetje te stichten. Mijn optimisme werd echter niet door iedereen die mij bezocht gedeeld. Bijna elke bezoeker wist niet wat te zeggen tegen mij. Maar als ze naar mijn ingepakte been keken zag je ze denken; “Dat komt nooit meer goed!” Het absolute dieptepunt kwam er toen de voltallige Masta ploeg op bezoek kwam en ze allemaal in stilte rond mijn bed stonden. Het leek wel mijn begrafenisplechtigheid!

Na vier lange weken kreeg ik een lichtere plaaster aangemeten en mocht ik eindelijk het hospitaal verlaten. Lilian en ik trokken in ons half afgewerkt huisje, en ik kon beginnen aan de lange weg terug. Stappen deed ik met krukken en een trap nemen ging al zittend.

De weg terug Dagelijks kwam Luc, mijn kinesist, langs om te revalideren. Toen besefte ik pas wat een liggend leven van een maand mijn lichaam aangedaan had. Ik kon met moeite enkele simpele buikspieroefeningen doen en bij de minste inspanning was ik bekaf. Maar toen de gips er eindelijk voorgoed af mocht kreeg ik pas echt de schok van mijn leven. Ik had nog amper het been van een lepralijder! Mijn spieren waren helemaal weggekwijnd en mijn knie én voet kon ik amper plooien. Dit was erger dan ik ooit had kunnen vermoeden. Ik begon sterk te twijfelen of ik nog ooit zou kunnen lopen, laat staan koersen, maar Luc verzekerde me dat alles weer goed kon komen als ik er maar voor vocht en geen hard labeur schuwde.

Er waren twintig jaar geleden nog geen voorbeelden geweest van renners die na een zware beenbreuk terug gekeerd waren in het peloton. Ik wist dus niet of het eigenlijk wel mogelijk was! Er was maar één manier om dat te weten te komen,; hard trainen…, afzien… en hopen. Elke morgen én avond vertoefde ik in Luc zijn praktijk. Soms tot vijf uur per dag deed ik oefeningen van mijn buik, rug, arm en beenspieren. Alles werd meedogenloos afgebeuld en elke dag werd mijn knie door Luc, met de nodige pijn, een beetje meer gebogen. Op zijn kleine hometrainer deed ik voor het eerst weer enkele omwentelingen. Dag na dag liet ik plassen zweet achter op zijn vloer en na zes weken begon het labeurwerk eindelijk resultaat op te leveren.

Honderd sit-ups waren geen probleem meer en het hometrainertje begaf het letterlijk na de vele uren van intervaltraining. En toen kwam de dag dat ik voor het eerst weer op mijn koersfiets kroop! Het was 10 Mei, een mooie lentedag. Drie maanden na die ongelukkige vrijdag schoof ik voorzichtig op mijn lederen zadel en reed stapvoets de straat uit. Het was even wennen. Ik leek wel een kleuter op zijn eerste driewieler. Dit was dé ultieme test in mijn ogen! Stilaan dreef ik het tempo op, “harder…”, “komaan nog harder” pepte ik mezelf op. Ik sprong recht op de trappers en perste er een sprintje uit… en ik had geen pijn…!!! Toen was opeens het besef daar ik dat ik weer renner kon worden en hevige emoties schoten als een vloedgolf door me heen… Ik kreeg een krop in de keel en tranen borrelden op in men ogen. Al die maanden van onzekerheid en angst gleden nu van me af. Ik had nog een toekomst…! Het ritje duurde niet lang… Maar het was wel het mooiste uit mijn hele leven…!

Mirakelman Maandelijks moest ik op controle bij de chirurg die mij geopereerd had, hij noemde mij steevast zijn wonderboy omdat ik zulke spectaculaire vorderingen maakte. Hij liet me ook doorschemeren dat hij ernstig had getwijfeld aan mijn volledig herstel. Ik besefte toen dat ik door het oog van een naald was gekropen en blij mocht zijn voor de nieuwe kans die ik nu kreeg. De motivatie kon niet beter zijn en trainen deed ik voortaan met plezier. Ik was zo gelukkig weer mijn sport te kunnen uitoefenen dat mijn liefde voor de fiets er nóg groter door werd. Zo vrij als een vogel langs landelijke wegen door de natuur fietsen en mijn lichaam op volle toeren laten draaien; beide longen volledig volzuigen met gezonde buitenlucht, en het hart in de keel voelen kloppen, dat was voor mij écht leven…! Mijn revalidatieprogramma werd, nu ik weer kon fietsen, aangepast.’s Morgens oefeningen doen bij de kinesist en in de namiddag fietstraining op de weg. Elke dag hetzelfde, bijna twee maanden lang! Ik ontdekte wilskracht in mij die ik niet voor mogelijk hield, met verstand op nul en blik op oneindig deed ik wat nodig was om weer coureur te worden. Voor Lilian was dit ook een moeilijke periode want zij stond er ´t huis alleen voor, ik was immers een ganse dag weg. Gelukkig konden we rekenen op de onvoorwaardelijke steun van onze ouders. Als we deze beproeving konden doorspartelen was dat het bewijs dat onze liefde niet stuk kon! En dat was ook zo…Uiteindelijk kreeg ik van de dokter het groen licht om weer aan competitie te doen, zijn enige advies was, “Niet vallen!”

Op 1 Juli, nog geen vijf maand na mijn ongeval, stond ik weer aan de start van een profkoers. Het halve peloton stond met verbazing naar mijn gehavende been te kijken. De grote operatieve littekens waren nog duidelijk zichtbaar en de stalen plaat en draad waren vlak onder mijn huid akelig voelbaar. Ik kreeg kippenvel toen de start werd gegeven. Ik was weer een deel van die bonte bende. Veel renners kwamen even langszij rijden om te vragen hoe het met me ging. Op zulke momenten was er een vleug van solidariteit in dat anders zo rivaliserende wielerwereldje…

130 km reed ik mee in het peloton en dan moest ik uitgeput de rol lossen. Ik had nog een lange weg af te leggen, maar de aanmoedigingen van iedereen gaven me moed. Het verbaasde velen dat ik al zo ver stond op zo een korte tijd, maar ik wou meer! Elke wedstrijd had ik het lastig maar ik voelde dat het enkel een kwestie van tijd en training was om weer een competitief renner te worden.

Veertien dagen, en acht koersen later reed ik mijn eerste prijs; zevende. Het was voor mij als een overwinning en ik ging er nog harder tegen aan. Ik koerste bijna elke dag en ik voelde me beter en beter worden. De maandenlange powertraining bij de kinesist had mijn lichaam gehard, ik had spieren sterker gemaakt die ik vroeger totaal verwaarloosde. Eigenlijk was ik nu een completer atleet dan voorheen. Ik voelde me ook mentaal sterker, als ik zo een tegenslag kon overwinnen dan was de rest klein bier! Half augustus stond ik er weer helemaal. Een vijfde en een derde plaats waren de aanloop naar datgene wat niemand voor mogelijk had gehouden. In de kermiskoers van Ruiselede zat ik in de kopgroep die een ganse wedstrijd voorop reed. We waren er met drie van Masta bij en met de hulp van die ploegmaats kon ik op het einde solo naar de overwinning rijden. Het was raar, maar ik was niet verrast door dit succes. Het was de beloning van een maandenlang streven, en Lilian wou ik dicht bij mij op dat moment want zij had een grote rol gespeeld in mijn spectaculaire comeback.

Onze beloning Een journalist had mijn lijdensweg al die maanden van dichtbij gevolgd en ik had in een interview vlak na de operatie verklaard dat het een klein mirakel zou zijn moest ik nog een koers winnen dat jaar. Hij bedacht me dan ook met de eretitel “Mirakelman”

Eind goed… Als je dacht dat ik mijn deel van de pech nu wel had gehad, dan ben je goed mis! Nog één keer zou mijn hart stil staan in dat ongeluksjaar. Ik kreeg af te rekenen met een probleem waar de ploeg al het hele seizoen mee kampte: gammele koersfietsen! Ze waren mooi en heel licht gemaakt door onze italiaanse materiaalsponsor en ik hoor de invoerder van de onbekende “Denti” fietsen nog fier verkondigen op de ploegvoorstelling,: “ Op zulke sterke fietsen hebben jullie nog nooit gereden.” Maar het tegendeel ondervond ik tot mijn ontzetting in de grote prijs van de suikerstad; Tienen. Halfkoers kwam er plots een raar geluid uit mijn fiets, net of er een muis in zat te knagen. Ik had geen vermoeden dat er wat kon schorten aan mijn nieuwe nog blinkende ros, want ik reed er per slot van rekening nog maar een goeie twee maanden mee. Maar toen ik in de finale een demarrage plaatste gebeurde het.

De onderbuis van mijn frame brak plots volledig af en mijn voorwiel plooide helemaal onderuit. Daardoor begaf ook de bovenbuis het! Ik reed dus, een fractie van een seconde, met een soort van circusfiets uit twee delen. Om vervolgens onherroepelijk met een harde knal op mijn linkerflank tegen de grond te gaan… Mijn hart sloeg een paar keer over want mijn linkerbeen zat op enkele tellen volledig onder het bloed. “Nee, toch weer niet…!” riep ik met een schreeuw van vertwijfeling. Gelukkig bleek het, na een vlugge inspectie, maar om enkele diepe schaafwonden te gaan. De stalen plaat op mijn scheenbeen stak net niet door mijn huid en de gerepareerde knieschijf bleek ook nog in orde. Wat een opluchting! Mijn “bionische” been had de crash wonderwel doorstaan. Dit was voor mij het ultieme bewijs dat alles stevig aan elkaar vast zat daar beneden. Ik heb het voorval wel nooit aan mijn arts verteld, die zou daar niet mee kunnen lachen hebben… De rest van het wielerseizoen 1981 verliep, voor de verandering, rimpelloos. Ik reed nog een vijftiental top tien plaatsen bij elkaar en dat was genoeg om de ploegleiders van Masta er van te overtuigen dat ik mijn plaats in het wielerpeloton nog verdiende. Ik kreeg dan ook een nieuw contract aangeboden. Ik ging echter nóg een contract aan, en dit keer ééntje voor het leven! Op 17 oktober trouwde ik met mijn liefste Lilian, en naar aloude traditie in het wielermilieu vormden enkele ploegmaats een erehaag met wielen toen we de kerk verlieten.

Contract voor het leven. Nu had ik de dromen die ik, tijdens de lange nachten van vertwijfeling in mijn ziekenhuisbed, gezworen had te bereiken waar gemaakt…, getrouwd en nog steeds profrenner! Zo eindigde dit horrorjaar dus tóch nog goed voor mij. Ik keek dan ook al uit naar het nieuwe wielerseizoen en dit keer moest het beter zijn. Om daar voor te zorgen bleef ik, bij de kinesist die mij zo vlug weer op de fiets gekregen had, een ganse winter lang de power training oefeningen doen. Nú is dit in de moderne sportwereld de normaalste zaak van de wereld. Maar twintig jaar geleden was het nog revolutionair. De oude garde van ploegleiders vond dat een renner niks anders mocht doen dan op zijn fiets zitten en in het tussenseizoen rusten! Na nieuwjaar moesten dan de vergaarde kilo’s er weer afgetraind worden met lange en saaie fietstrainingen. De grote hervormer was toen Roger de Vlaeminck, die in de wintermaanden aan footing en krachttraining deed. Toen er een foto in de krant stond, op het moment dat hij met zijn privé trainer op de rug, rondjes liep in een bos, werd daar smalend mee gelachen in het wielermilieu. Maar Roger was wél elk voorjaar in topconditie! Hij was dan ook mijn grote voorbeeld in die tijd. Mijn lichaam had ook duidelijk baat bij deze trainingen en ik begon dan ook heel scherp aan mijn seizoen van de nieuwe hoop.

Scherp Het systeem-Masta! Onze sportdirecteur Albert, een ervaren rat in het wielermilieu had een uitgekookt plan bedacht om dat jaar de kleine regionale koersen naar zijn hand te zetten. Wij zouden telkens met onze voltallige ploeg, die uit veertien renners bestond, aan de start verschijnen. Het was zijn bedoeling om onze kopman Jhonny koning van de kermiskoersen te maken. Hij vond dat hij zo de meeste publiciteit kon grabbelen voor de sponsor. Om de ploeg op één lijn te krijgen zette hij een vernuftig systeem op poten…

Als er gewonnen werd zouden alle ploegmakkers die aan het succes meegeholpen hadden delen in de prijzenpot die verdiend werd in die koers. Hiervoor kwam hij met de wielerbond, die het prijzengeld maandelijks aan de renners overmaakte met een cheque, tot een akkoord. Hij gaf per wedstrijd de namen door van iedereen die mee mocht delen. Zij kregen dan allemaal hetzelfde bedrag uitbetaald. Het was perfect, want nu kon je geld verdienen door een ploegmakker naar een zege te loodsen. De winnaar kreeg ook nog eens een extra premie van 10.000 Frank die naar believen kon gebruikt worden om eventuele combines met tegenstanders aan te gaan.

De Masta-clan Het plannetje liep lekker van in het begin. Jhonny won al vlug de Omloop van het waasland, een belangrijke koers vlak voor de deur van de Masta thuisbasis. Het moreel van de ploeg was direct opgekrikt. Koers na koers domineerden we, en altijd volgens hetzelfde scenario. Eens Jhonny, en enkele ploegmaats, deel uitmaakten van een kopgroepje werd er een blauw-witte muur opgetrokken in de kop van het peloton.

Omdat er soms maar een veertigtal vertrekkers aan de start verschenen was het niet moeilijk om alle weerstand in de kiem te smoren. Vooraan werden de voornaamste concurrenten in de “slag” genomen en later uitbetaald… Waren er echter teveel hardnekkige keikoppen in de kopgroep die niet akkoord gingen dan reden de makkers vooraan niet meer mee en begon de Masta-clan in het peloton als gek te fietsen tot de vluchters weer gegrepen werden…, en dan kon het spelletje weer van vooraf aan beginnen! We waren echt de schrik van het kermiskoersmilieu. Zelfs als er eens een vedette de start nam in één van ónze koersen was die machteloos tegen de overmacht! Dat ondervond ondermeer Roger de Vlaeminck, die toen kampioen van België was en voor een pak startgeld aanzette in de kermiskoers van Buggenhout. Zoals gewoonlijk was Jhonny al vroeg in de wedstrijd in de aanval getrokken. De Vlaeminck sprong, met mij als waakhond in zijn wiel, in één lange verschroeiende demarrage naar de koplopers. Ik moet toegeven dat ik nooit in mijn leven zo hard op de tanden heb moeten bijten om één enkele kilometer in iemand zijn wiel te kunnen blijven…! Maar het was de moeite waard want met drie Masta’s op zes renners hadden we het

absolute overwicht in de kopgroep! Twee tegenstanders kozen dan ook eieren voor hun geld en gingen met ons in de slag. In de laatste ronde ging onze kopman er dan alleen vandoor en niemand reageerde natuurlijk. De Vlaeminck voelde dat hij in de tang zat en niet meer kon winnen. De grote kampioen hield echter de eer aan zichzelf en kneep, onder onze verbaasde blikken, de remmen dicht en maakte in volle finale rechtsomkeer…, richting kleedkamers. Hij wilde gewoon niet geklopt worden daar een bende lepe kermiscoureurs…

In de tang. Dit voorval illustreert hoe sterk onze greep was op de regionale wedstrijden. Het kwam zelfs zo ver dat de tegenstanders ons begonnen te ontlopen en koersen opzochten waar de Mastaploeg niet aantrad. Zo kwam het wel eens voor dat we maar een vijftiental concurrenten tegenover ons kregen en dat leidde soms tot pijnlijke toestanden. De koers in Sinaai zou daar het absolute dieptepunt van worden. Er waren nauwelijks tegenstanders voor onze ploeg en algauw reed Jhonny met zijn klassieke kopgroepje zo een ácht minuten voorop. De ploeg was zo goed geworden in het lamleggen van het peloton dat we op bepaalde momenten nog stapvoets reden. De concurrentie had immers geen zin meer om een nutteloze achtervolging in te zetten. Uiteindelijk werd het ganse peloton, onder luid awoert geroep van de toeschouwers, uit de wedstrijd genomen! Het liep uit op één grote pijnlijke klucht en het was dan ook niet te verwonderen dat het de laatste profkoers was die er ooit in Sinaai georganiseerd werd..

Unicum Nieuwjaar 1982; voor de derde keer in nog geen jaar tijd lag ik op de operatietafel. Deze keer was het echter met plezier want ik werd eindelijk verlost van de plaat die op mijn scheenbeen gevezen zat en de staaldraad die rond mijn knieschijf gewikkeld was. Alhoewel ik geen hinder meer ondervond van de zware kwetsuren die mijn “close encounter” met een wagenbumper teweeg had gebracht, zou ik toch nooit meer dezelfde worden. Zo kon ik mijn knie niet meer volledig plooien en mijn linker beenspieren zouden, ook al trainde ik nog zo hard, nooit meer dezelfde omvang krijgen. Om over de in totaal vijfentwintig centimeter lange littekens nog maar te zwijgen! Omdat de aanrijding gebeurd was tijdens het uitoefenen van mijn beroep werd het voorval erkend als een arbeidsongeval. Ik werd daarvoor door een specialist van de verzekering uitvoerig gekeurd en tenslotte voor zes procent invalide verklaard. Ik zal tot aan mijn pensioen een jaarlijkse uitkering van enkele procenten van mijn toenmalig loon trekken. Door mijn povere maandloon toen stelt die uitkering nu niet veel meer voor… Er kwam ook een proces van het ongeval want de oude man die mij aangereden had betwiste zijn schuld. Toen de rechter één blik op die kerel zijn brilbokalen had geworpen wist hij genoeg. Ik werd in mijn gelijk gesteld en mocht een dikke tweehonderdduizend frank, pijn en smartengeld, ontvangen. Bovendien moest hij, of zijn verzekering, voor alle kosten opdraaien. Het was een zoete wraak voor alles wat hij mij, op enkele seconden tijd, had aangedaan. Alhoewel…, het ongeval gaf me wel een andere kijk op het leven. Het besef dat ik op die vrijdag de dertiende op een haar na aan de zeis van Pietje de dood ontsnapt was deed me veel dingen relativeren.

Het maakte me ook een beetje voorzichtiger. Zo zou ik nadien, als we weer met twee naast elkaar reden op groepstrainingen, altijd langs de kant van de berm rijden…! Op het moment dat het nieuwe wielerseizoen begon was ik dus technisch een invalide profrenner, ik denk dat dit tot op de dag van vandaag een unicum is! Maar ondanks mijn handicap zou dit mijn beste jaar als broodrenner worden. Het harde werk in de winter en het feit dat ik deze keer gespaard bleef van tegenslagen en ziekte maakte dat ik in de voorjaarsklassiekers de beste was van ons kleine ploegje. Ik mocht mijn eigen kans gaan omdat Albert goed wist dat ik één van de weinigen uit de ploeg was die zich in het gewriemel van een groot peloton durfde mengen. Ik was er deze keer wel niet gerust in want zou ik, na wat ik het vorige jaar allemaal meegemaakt had, daar nu nog het lef voor hebben? Mijn eerste grote test was de ronde van Vlaanderen. Ik liet niets aan het toeval over en

monteerde, op eigen kosten, speciale dikke koerstubes die eigenlijk voor ParijsRoubaix gebruikt werden. Maar in de ronde zijn de wegen ook bezaaid met kinderkopjes, dus was dit geen overbodige luxe. Een bevriende schoenmaker plaatste rubbers onder de tippen van mijn koersschoenen om op de gevreesde koppenberg én muur betere grip te hebben in het naar boven lopen. Hetgeen altijd het geval was als het regende! Het was die dag echter stralend weer en tot mijn eigen grote verbazing was er bij mij geen spoor van angst in de aanloop naar de heuvelzone. Ik omzeilde de vele klassieke valpartijen in het voortijlende peloton en begon op de voorste rijen aan de gevreesde koppenberg. Mijn “antislipzolen” moest ik niet gebruiken en ik kwam, met René Martens in mijn wiel, goed boven op de helse helling.

Helse koppenberg Ik zat in de eerste grote groep die voort denderde door het Vlaamse landschap. Door het zomers weer was de publieke

belangstelling fenomenaal. Op de smalle slingerende wegen moesten we ons letterlijk een weg banen door een massa volk. Tegen hoge snelheid langs die joelende menigte scheuren was huiveringwekkend en op elke helling die we beklommen was het gejuich zo overweldigend dat het soms pijn deed aan je oren!

Het deed me over het hele lichaam kippenvel krijgen. De kick was bijna zo heftig als bij het winnen van een koers. Ik reed als in een roes en ging dieper dan ooit in mijn krachtenarsenaal. Ik streed voor wat ik waard was en toen we bij de beruchte “Muur van Geraardsbergen” aankwamen zat ik nog in de kopgroep. Na meer dan tweehonderd kilometer knokken op heuvels en kasseien was dit de ultieme test. Als gekken stormden we op de hindernis af, het leek wel een massasprint! Ik raakte even ingesloten en begon zo in een slechte positie aan de klim. Ik wist onmiddellijk dat ik het verkorven had. Op de slechte en steile kasseisteentjes verbrokkelde onze groep helemaal. Met enkele renners probeerden we nog terug in de kop van de wedstrijd te komen maar het tempo lag vooraan te hoog. Ik reed uiteindelijk de wedstrijd uit op een minuut van de winnaar; René Martens…! Ik was diep teleurgesteld. Een ganse dag geknokt voor niks…

De muur!

Ik was de enige van de ploeg die de ronde uitgereden had en dat zou ook in de “Amstel Gold race” zo zijn! Het is één van de lastigste wedstrijden op gebied van stuurvaardigheid. Op de Nederlandse wegen was het constant draaien en keren langs vluchtheuvels en verkeersdrempels. Een ganse dag wroeten op de fiets daar schrok ik echter niet voor terug en ik reed nooit beter dan toen! Constant reed ik vooraan met de besten over de vele venijnige hellinkjes. Pas na 230km brak mijn veer op de laatste helling. Amper tien kilometer van de streep. Ik werd uiteindelijk 29° in een groepje met onder andere toenmalig wereldkampioen Freddy Maertens.

Naast de champ

Ook in de ronde van België, die toen nog een grote uitstraling had en waar alle grote vedetten aan deelnamen, trok ik mijn streng. In de finale van de eerste rit in Roeselare probeerde ik het voltallige peloton met een late demarrage te verschalken. Toen ik een kleine voorsprong had zag ik plots iemand in mijn zog opduiken. Het was niemand minder dan de grote Bernard Hinault! Hij nam onmiddellijk de kop en gaf er een ferme snok aan. Wij denderden als een sneltrein over de weg en sloegen direct een mooie kloof. Ondanks het hoge tempo sloten even later nog twee renners bij ons aan. Mijn mond viel zowat open van verbazing… Het waren Francesco Moser en Roger de Vlaeminck, nog twee superkampioenen. Ik dacht dat ik droomde. Hier was ik op weg met drie van de beste renners van die tijd…! Maar de droom was vlug voorbij. De drie rivalen gunden elkaar het licht niet in de ogen. Ze begonnen elkaar te beloeren en vertikten het plots allemaal om nog aan de leiding te rijden. Dat gaf een wel heel raar beeld toen ik als klein coureurke aan de kop van ons groepje moest sleuren met die grote vedetten in mijn wiel. Ondertussen werd er in het peloton natuurlijk druk afstoppingswerk verricht door hun ploegmaats. Ik wist dat natuurlijk en bleef alles uit de kas rijden, en hopen dat we toch nog met een kleine voorsprong voorop konden blijven. Met deze mannen naar de aankomst gaan dat zou nog eens een stunt zijn! Maar alleen kon ik het niet rooien en op vijfhonderd meter van de streep denderde de spurtende bende over ons heen… Albert vertelde me na de aankomst dat hij toch wel even van de kaart was geweest toen hij, in volle finale, over zijn boordradio de samenstelling van mijn titanen kopgroepje hoorde. Het was weer één van die vele gemiste kansen uit mijn carrière om opgemerkt te worden.

Ook al reed ik nu op de top van mijn kunnen, het lukte niet om eens dicht te eindigen in een écht grote koers. Ik wist het nu wel zeker dat ik niet genoeg talent had om potten te breken bij de toppers. Dus maar terug naar de kermiskoersen waarvoor ons Mastaploegje eigenlijk gemaakt was. Dáár zouden wij dat jaar heer en meester worden… Teloorgang Eenentwintig koersen zou onze kopman dat jaar winnen. Hij werd daarmee zegekoning van België en dat was een groot succes voor onze kleine ploeg, maar niet voor de wielersport…! Het gemor van de toeschouwers werd alsmaar luider en ook de organisatoren waren alles behalve tevreden met het makke verloop van hun wedstrijden. Bovendien lagen de combines er soms zo vingerdik op dat het niet mooi was om aan te zien. De wielerbond zou de daarop volgende jaren maatregelen nemen om deze wantoestanden een halt toe te roepen! Het prijzengeld en de vergoeding die de inrichters aan de bond moesten betalen werd stelselmatig verhoogd waardoor vele

kermiskoersen verdwenen, wegens te duur! Men hoopte zo meer vertrekkers per koers te krijgen, met een eerlijker verloop tot gevolg. Wij waren dus, door met ons Masta-systeem de koersen te terroriseren, een klein beetje de aanzet tot de teloorgang der volkse kermiskoersen die al decennia lang in bijna elke gemeente gehouden werden… Maar het zou ook mijn ondergang betekenen want halfweg het seizoen begon het systeem ook danig op mijn heupen te werken! Ik reed rond met de vingers in de neus, zoals ze in wielertermen zeggen, met als gevolg dat ik keer op keer in de goeie ontsnapping mee was.

Maar winnen was er niet bij voor mij want meestal was ook Johny mee en dan móest hij winnen van onze sportdirecteur. In het begin deed ik dat met plezier maar gaandeweg begon het te knagen. Telkens met “goeie benen” de remmen moeten toeknijpen begon mij te frustreren en mijn individualistisch karakter dat ik als kind al had begon weer de kop op te steken. Ik deed mijn beklach bij Albert want telkens moest ik ook nog eens een deel van mijn prijs afstaan aan de makkers die hadden afgestopt. Per maand scheelde dat een pak geld en nu ik een gezin had en we het niet breed hadden kon ik elke cent goed gebruiken. Albert stak me dan ook tweemaal 15000Fr zwart geld in de handen om het leed te verzachten. Het kwam echter ook tot strubbelingen met de ploegmaats, de leiding én met de concurrenten die ons spelletje door hadden en hun eisen begonnen te stellen voor ze akkoord gingen om onze kopman te laten winnen. Ze wilden bovenop hun smeergeld ook nog eens tweede of derde worden, wat niet slecht gezien was want die vette prijs bracht óók nog eens een pak geld op! Zo profiteerden ze ook van ons ploegenspel om zonder moeite een dichte ereplaats te rijden! In Haasdonk ging ik voor het eerst tegen de coalitie in! Er werd gebikkeld wie er de ereplaatsen zou bezetten achter Johny, het kwam zo ver dat de vier eerste plaatsen besproken werden door onze rivalen en dat ging mij toch wat te ver! Uit pure frustratie ging ik in de aanval en werd zelf tweede achter onze kopman. Het kwam tot hoog oplopende discussies na de wedstrijd en de relatie met enkele ploegmaats die hun zin wilden doordrijven verzuurde. Ik bleef de volgende wedstrijden nog wel in dienst rijden maar probeerde toch hier en daar voor eigen rekening te kampen… In het kampioenschap van Vlaanderen te Koolskamp dat zowat de koningin van de kermiskoersen was ging ik resoluut mijn kans.

Traditioneel waren er veel goeie renners aan de start want de koers was met vette geldprijzen en premies een groot evenement dat traditioneel een massa toeschouwers

lokte. Het was een ideale gelegenheid om mij in de kijker te fietsen! Hier kon de ploeg zijn wil niet opdringen omdat de tegenstand te groot was. Het was een lastige koers met veel wind en een smal parcours, iets naar mijn hand dus! In de finale zat ik dan ook als enige van de ploeg in de kopgroep en ging voluit voor de overwinning. Er ontsnapte echter nog een sterke kerel en ondanks een felle tegenaanval strandde ik met enkele seconden achterstand op de tweede plaats. De ontgoocheling was groot…

Ontgoocheling

Ook in Merelbeke was ik er dicht bij maar daar stuitte ik op een coalitie van IJsboerke die één van hun mannetjes naar de overwinning stuurden. Ik klopte uit pure irritatie Sean Kelly, toch ook geen krabber in zijn tijd, in de spurt voor de tweede plaats. Het was de ploegleiding ook niet ontgaan dat ik voor eigen rekening mooie resultaten behaalde maar als ik vroeg of ik mijn contract mocht verlengen voor het volgende jaar werd ik afgescheept met de woorden,”Masta gaat misschien niet door in 1983.” Wat ik echter niet wist was dat het al een tijdje vast stond dat ik niét meer in de ploeg

gewenst was. Maar net als bij Safir verzweeg men dat liever omdat ik anders niet meer voor het ploegbelang zou gereden hebben. Daar stond ik dan, uitgerekend na mijn knapste profjaar ooit waarin ik dertig keer bij de zes eerste eindigde en veruit één van de beste van de ploeg was geweest, afgedankt en zonder contract… Perlav Oktober 1982, ik stond op straat…! Afgedankt als een ouwe dweil… Precies een jaar eerder was ik nog euforisch geweest omdat ik de mooiste prestatie uit mijn leven geleverd had door na mijn ongeval weer zo snel op topniveau te komen. En nu zat ik in de put als nooit tevoren. Dat is het leven, vol ups en downs, van een sportman zeker? Ik kon het maar niet vatten dat ik zonder één woord van uitleg gedumpt was door mensen waar ik jaren mee samen gewerkt had. Een nieuw team vinden zou niet eenvoudig zijn want het was op dat moment crisis en vele sponsors hielden het voor bekeken. De plaatsjes in het peloton waren dan ook schaars. Ik had me dan ook al verzoend met de gedachte dat mijn profcarrière een stille dood zou sterven.

Ook nonkel Frans die het twee jaar als beroepsrenner geprobeerd had gaf er de brui aan. Hij had ook vele wantoestanden meegemaakt in kleinere wielerteams. Omdat hij die, in naam van zijn ploegmaats, bij de leiding aanklaagde gingen ook voor hem alle deuren dicht. In het profmilieu moest je zwijgen en doen wat je gezegd werd want de sportdirecteurs hadden de absolute macht en ontdeden zich van rebelse elementen alsof het slaafse honden waren! Ik kon echter niet bij de pakken blijven zitten want ik moest geld verdienen voor mijn gezinnetje. Ik vond gelukkig nogal vlug een job in een houtzagerij. Het was wel zwaar en ongezond werk maar ik had bijna het dubbele maandloon dan als renner. Twee maanden lang sleurde ik, in een ijskoude loods, met zware houten palen tot mijn armen er bijna van ontploften. Het was zeker geen baantje dat ik mijn hele leven wou doen, maar ik zou met de tijd wel iets beters vinden dacht ik. Mijn wielerleven leek die winter achter mij te liggen, tot op 23 december dat éne telefoontje als een vroeg kerstcadeau uit de lucht kwam vallen. Het was Oscar, een ex-ploegmaat van bij Masta die daar ook de bons gekregen had… “Hendrik heb je geen zin om bij Perlav, een nieuw wielerploegje uit Leuven, te komen,” klonk het aan de andere kant van de lijn. Ik was compleet overdonderd en stamelde; ”misschien…” Ze waren nog op zoek naar een goeie kermiscoureur en Oscar had mij aanbevolen. Ik mocht direct binnen springen voor een gesprek. Ik moet zeggen dat ik eerst getwijfeld heb om toe te happen. Mijn desillusie bij Masta was nog niet verteerd. Het was echter mijn vader die me overtuigde om het nog een jaartje

te proberen. “Je zal nog lang genoeg moeten werken in je leven,” was zijn filosofische opmerking.

Het gesprek bij Perlav verliep prima en toen ik mijn uitslagen van het voorbije wielerjaar op tafel smeet was de zaak vlug beklonken,…ik was weer prof!

Weer prof. Het kleine team had geen ambities in de grote voorjaarswedstrijden en dat was maar goed ook want ik had een ganse winter niet getraind en daardoor nog meerdere kilos te zwaar. Ik had ook geen power training gedaan zoals het vorige jaar en dat liet zich voelen. De eerste groepstrainingen waren duivels zwaar voor mij en het duurde tot in Mei vooraleer ik weer op niveau was. In de omloop van het Hageland, een koers van 183km was ik derde en twee dagen later vijfde in Destelbergen.

Daar kon ik nog eens wat smeergeld innen van…, mijn vroegere kopman bij de Masta ploeg! Die kwam niet meer zo sterk voor de dag, en zou dat jaar maar vijf koersen winnen. “Je had me maar in de ploeg moeten houden” zei ik hem, met een zelfgenoegzame grijns op mijn gezicht… O, zoete wraak…! Maar kort daarop ging mijn seizoen weer de mist in! Door de zware belasting, van het vele optrekken met de grootse versnelling, raakten mijn achillespezen weer ontstoken… Alleen rusten was aangewezen in dat geval en dat was nefast voor het vormpeil. Mijn moreel zonk op dat moment naar een dieptepunt en de motivatie was weg! Door de perikelen met Masta was er bovendien iets gebroken in mij… Ik kon me niet meer motiveren om voor de ploeg te rijden want ik wist nu wel zeker dat daar later toch geen rekening mee gehouden werd. Het was allemaal een kwestie van mouwvegen en vriendjespolitiek, waar ik niet echt goed in was… Ik reed nog wel enkele dichte ereplaatsen bij elkaar maar de liefde voor het profwereldje was over. Ik begon ernstig te twijfelen of ik er wel goed aan gedaan had om er nog mee door te gaan. Ik besefte ook dat ik ter plaatse bleef trappelen als renner en dat ik verboden producten zou moeten nemen om hogerop te geraken. Dat werd nog maar eens bevestigd toen ik een toprenner, die nog Belgisch kampioen was geweest, per ongeluk betrapte in de toiletten toen hij een plasje maakte in een plastiek zakje dat tussen zijn onderlijfje was genaaid. In de wedstrijd kon hij dan nemen wat hij wou en als het dopingcontrole was had hij altijd een dosis cleane urine bij…! De druppel die de spreekwoordelijke emmer echter deed overlopen was een voorval na het kampioenschap van België in Ronse. Het was een heel zware koers met elke ronde de beklimming van de lastige kruisberg.

Ik reed me te pletter om dicht te eindigen maar de conditie was gewoon niet goed genoeg en ik moest totaal leeg gereden de wedstrijd staken.

Te pletter Op de terugweg naar huis kreeg ik in de auto plots een “appelflauwte!” Het koud zweet brak me uit…,mijn hart ging van slag en ik beefde over mijn ganse lichaam… Ik moest de wagen aan de kant zetten en Lilian reed het laatste stuk naar huis. Ik dacht dat ik mijn hart geforceerd had en beleefde de schrik van mijn leven…

Gelukkig bleek het later alleen maar om een te lage bloedsuikerspiegel te gaan! Ik dronk in die tijd altijd druivensuikerwater in de koers, speciale sportdranken bestonden immers nog niet. Het gaf een enorme energieboost maar het nadeel was dat er na enige tijd een plotse daling van glucose in het bloed kon optreden met een zware

inzinking tot gevolg! Ik was er deftig van geschrokken. Al deze voorvallen maakten dat ik meer en meer begon te denken aan stoppen met wielrennen. Toen ik in september dan weer het zelfde deuntje van de ploegleiding hoorde, “ We weten nog niet of de ploeg nog wel door gaat volgend jaar!” wist ik meteen wat me te doen stond! Ik ging weer op zoek naar werk en vond het al snel in een bedrijf dat tapijtgarens maakte. Daar kon ik beginnen als onderhoudstechnicus in een weekendploeg. Een goeie job, volledig in de lijn van mijn A2 diploma. Ik moest enkel zaterdag en zondag twaalf uren werken en voor de rest was ik een ganse week vrij. Het was ideaal voor mij want ik was nogal op mijn vrijheid gesteld… en in het weekend bezig zijn had ik als renner al heel mijn leven gedaan. Ik reed mijn laatste koers op 29 september en mijn ploegmakkers keken wel verbaasd op toen ik hen in de kleedkamer droogweg mede deelde dat ik er een punt achter zette. Ik leverde mijn fiets in en begon de volgende dag bevrijd en fluitend aan mijn nieuwe leven…

Het zwarte gat Ik was nu wel geen beroepsrenner meer…, maar de wielermicrobe woekerde nog altijd in mij. De drang om te koersen keerde in 1984 vlug terug en ik besloot om een stap terug zetten en puur als hobby weer bij de liefhebbers aan competitie te doen. Vrij te kunnen koersen zonder betutteling van zagende ploegbazen leek heel aanlokkelijk én doenbaar. Door mijn werk in het weekend had ik immers een zee van tijd om in de week te trainen en aan wedstrijden deel te nemen. Mijn plannen werden echter abrupt teniet gedaan door de Belgische wielerbond. Die verbood precies op dat moment dat er geen ex-profs meer bij de liefhebbers mochten rijden. De reden…, er waren de voorgaande jaren enkele oudere ex-beroepsrenners geweest die het al te bont hadden gemaakt bij de jongeren. Ze lieten zich dik betalen om voor de één of andere renner te rijden en terroriseerden, met al hun ervaring, de regionale wedstrijden. Er kwam fel protest tegen deze maffiapraktijken en de wielerbond zag zich genoodzaakt drastische maatregelen te nemen…; geen oud-profs meer in de liefhebberscategorie dus! Het was voor mij een bittere pil om te slikken. De fiets ging dus toch, met pijn in het hart, aan de haak en ik begon voor het eerst in vijftien jaar

aan het leven van een gewone sterveling. Ik had het er moeilijk mee… Gedaan met de spannende wedstrijden, de beklijvende massaspurten en de euforische momenten. Ik had nooit gedacht dat ik het zo zou missen. Het spreekwoordelijke zwarte gat lag op de loer! Ik probeerde onder impuls van een vriend andere “sporten” uit en werd lid van een darts en snookerclub.

We gingen ook soms eens vissen en dat was allemaal wel leuk maar niet te vergelijken met het wielerwereldje. Het was gewoon bezigheidstherapie… Ik kon het echter niet laten om te leven als een sportman. Zo bleef ik letten op mijn eten, rookte niet en dronk totaal geen alcohol. Ik was dit al van in mijn prille jeugd met de paplepel ingegeven en anders dan vele ex-renners, die zich aan de geneugten des levens overgaven, kon ik mijn Spartaanse levensstijl niet laten varen. Ik kroop ook nog regelmatig op de fiets om de conditie wat op peil te houden. Zo kabbelde het leven van mij en Lilian rustig verder. In 1986 werd onze zoon Gianni geboren en dat maakte ons gezinnetje compleet en alhoewel ik toen heel gelukkig was miste ik toch iets… Tot er op een doordeweekse morgen een klein artikel in de krant stond dat mij uit mijn luie zetel deed opveren! “Ex-profs weer toegelaten bij amateurs…!” was de bondige titel. Het verbod dat de KBWB opgelegd had aan ex-profs werd plots beschouwd als een soort van discriminatie en dus onwettelijk. De reglementen werden onder dwang van het gerecht nog maar eens aangepast en iedereen mocht weer vrij bij de liefhebbers rijden! Om de jongere renners toch nog enigszins te beschermen werd dan maar een splinternieuwe reeks in het leven geroepen…, de huidige “beloften!” Dit was het gene waar ik op zitten wachten had. “Lilian…!, ik ga weer beginnen koersen!” riep ik uit. “Meende gij da echt…!” was haar verbaasde antwoord. Ze wist maar al te goed wat dat inhield… Ze probeerde het nog even uit mijn hoofd te praten maar aan de sprankel in mijn ogen zag ze dat het onbegonnen werk was. De wielermicrobe woekerde weer hevig in mijn bloed. De rillingen liepen dan ook over mijn rug toen ik enkele maanden later, met mijn nieuwe kleurige koersoutfit, aan de start van een echte wielerwedstrijd stond...

Rillingen Conditioneel was ik natuurlijk nog niet in orde, dat kon ook moeilijk na drie jaar inactiviteit. De eerste maanden was het afzien en aanklampen maar eens de zomer er aankwam en ik meer koersen kon rijden begon het lekker te lopen en eind Juli was het zo ver. Uitgerekend in mijn eigen Zele kon ik weer eens met de bloemen zwaaien! Daarvoor paste ik de intervaltactiek van in mijn jeugd nog eens toe. Dagen van tevoren trainde ik op het parcours en koos een plaats uit waar ik in de laatste kilometer zou toeslaan. Wonderwel lukte mijn plannetje en kon ik met kleine voorsprong nog eens proeven van het euforisch gevoel om met wijd open gespreide armen over de eindstreep te bollen. Dát was het gene wat ik al die jaren had gemist…

Ouwe zak Nog jarenlang zou ik het liefhebberspeloton teisteren. Ik was nu al een eind in de dertig maar kon nog altijd mijn mannetje staan net als nonkel Frans, die andere wielergek uit de familie, trouwens. Hij wist ook van geen ophouden en zou nog tot op zijn veertigste verjaardag koersen! De tegenstand sidderde als we samen aan de start stonden… We vormden dan ook, net als in onze jonge jaren, een geducht sprinters duo… We werden wel op tijd en stond, als we weer eens hun vette prijs afgesnoept hadden, door de “groentjes” voor ouwe zak verweten. Maar dat kon ons niet deren. Mijn antwoord was steevast, “ We zullen eens zien wat jullie nog kunnen als je ónze leeftijd bereikt hebt…!” Wij moesten immers nog meer trainen en voor onze sport leven om het niveau van twintig jarigen, op de top van hun kunnen, te halen. We konden natuurlijk wel rekenen op onze jarenlange ervaring om de koers te “lezen”en het goeie moment te herkennen om in de aanval te gaan. Menig vader spoorde zijn onervaren zoon aan om ons te schaduwen opdat hij de beslissende ontsnapping niet zou missen, want als nonkel en ik een waaier trokken kon je er van op aan dat de Caethoven trein vertrokken was…

Geducht duo Het zou teveel zijn om ál mijn lotgevallen, die ik in die jaren meegemaakt heb, op te sommen. Ik zal me dan ook beperken tot de dingen die me het sterkste bijgebleven zijn. Er waren natuurlijk de onvermijdelijke valpartijen waarvan de ergste wel diegene was toen mijn stuur afbrak op het moment dat ik op volle snelheid een haakse bocht nam. Balans…, zwaar gekneusde schouder, diepe snee in de kin en een been dat op americain préparé leek! Ik werd ter plaatse afgevoerd naar een tentje van het rode kruis alwaar ik de eerste zorgen zou krijgen. Ik was echter zo toegetakeld dat het knappe maar o zo piepjonge verpleegstertje bijna van haar stokje draaide bij het zien van mijn grote bloederige schaafwonden. Ze wou met een klein watje en ontsmettingsalcohol aan die ravage beginnen maar dat zou een pijnlijke eeuwigheid geduurd hebben. “Geef me gewoon wat water en zeep…” zei ik haar.

Met verbaasde blik stond ze te kijken hoe ik met een goed ingezeept washandje op de wonden begon te schrobben om ze proper te krijgen. De pijn sneed me door merg en been maar ik gaf geen krimp en wandelde even later, stevig op mijn tong bijtend, het tentje uit. Wie stoer wil doen moet pijn kunnen verbijten… Eén van mijn betere stunts op de fiets was dan weer het moment dat ik rustig in de buik van het peloton reed en plots iedereen voor mij uitweek. Tot mijn afgrijzen dook er vlak voor mijn neus een vluchtheuvel, bezaaid met stevige houten palen, op. Ik kon geen kant meer uit en knalde met een rotvaart op de boordstenen van wel 15cm hoog. Hoe ik met twee totaal verhakkelde wielen toch nog overeind kon blijven en met een bliksemreflex nog door dat bos van palen slalomde is me nog een raadsel… Met knikkende knieën strompelde ik aan de andere kant van het hindernisparcours van de fiets en dankte prompt onze lievenheer voor zijn bijstand… Het grootste kotsmoment kwam er toen ik in volle wedstrijd misselijk werd en van op de fiets mijn maaginhoud rijkelijk, voor de wielen van mijn tegenstanders, over het wegdek sproeide. Hun kreten van afschuw waren zo hilarisch dat ik zelf ook in een lach schoot…! Lachen en spuwen tegelijkertijd is niet aan te raden, vooral als de kots er ook nog eens langs je neus uit komt…! Na de koers deed ik dat op de terugweg nog eens dunnetjes over in de wagen, gelukkig kon Lilian nog net op tijd een plastic zakje onder mijn kin duwen. Ik maakte een noodstop in de berm en de situatie was zo komisch dat we niet meer bijkwamen van het lachen.

Maar het meest absurde voorval was toch de keer dat ik met een kopgroep de voorlaatste ronde inging en ik mijn voorste bandje voelde leeglopen. Ik wist waar Lilian met de auto stond en kon nog net tot daar geraken. “ Vlug…;een wiel!!!, riep ik haar toe. Ze dook de koffer van onze wagen in, om tevoorschijn te komen met een wieltje van mijn zoon...! Gianni was toen negen en reed soms samen met mijn vader rond op het parcours. Zijn koersfietsje, dat mijn vader speciaal voor hem had gemaakt met kleinere wieltjes die toen voor tijdritten gebruikt werden, lag bovenop mijn reservewielen in de wagen. In haar haast grabbelde Lilian één van die kleine mormels en stak het in mijn hand. “Wat moet ik daar mee aanvangen…!” riep ik nog met verstomming in mijn stem. Maar ik had geen tijd te verliezen…,en dus stak ik het minivoorwiel in mijn fiets en schoot weer de weg op. Met mijn neus op het stuur en mijn kont in de lucht stoof ik aan de aankomst voorbij. Ik hoorde het publiek lachen met mijn clownfiets, en gans de laatste ronde voelde ik me een circusartiest. Ik kon nog net voor het peloton uit blijven en toen ik eindelijk over de finish bolde kreeg ik, voor mijn komische show, een welgemeend applaus van het publiek… Het meest genante moment was ontegensprekelijk die keer toen ik een gewonnen bloemtuil moest teruggeven aan een tegenstander! Wat was er gebeurd…? In volle

finale van een wedstrijd had ik in het heetst van de strijd een pact gesloten met een andere ex prof; Ronny. Als iemand van ons twee won, zou de andere vergoed worden door de winnaar… We gingen met een vijftal naar de spurt en Ronny had het lumineuze idee om mij met een handaflossing te lanceren vlak voor de laatste bocht. Daar scheurde ik als een kamikazepiloot doorheen en won met groot machtsvertoon de sprint!

We hadden echter pech, want enkele supporters van de kerel die tweede werd hadden ons piste manoeuvre gezien en gingen vliegensvlug hun beklach doen bij de délégé van dienst. Ik wist van geen kwaad en nam de kussen en bloemen in ontvangst. Maar toen ik even later mijn prijs ging afhalen kreeg ik te horen dat ik gedeclasseerd was. “Heb je het manoeuvre met je eigen ogen gezien…?” vroeg ik aan de sportafgevaardigde. “Ja!” was zijn korte antwoord. Daar kon ik niks tegen inbrengen en haalde de bloemen uit mijn auto om ze vervolgens aan mijn concurrent te geven… Later zou blijken dat de délégé had gelogen en hij helemaal niets gezien had. Hij was gewoon op de verklaringen van enkele supporters afgegaan! Hij kreeg daarvoor zelfs een blaam van de wielerbond, maar daar was ik vet mee… Ik hield er wel deze knappe foto in de krant aan over; één met een verhaal waar een geurtje aan zat dus…!

Geurtje aan.

Er waren natuurlijk ook overwinningen die ik zuiver op de graat behaalde en die deden telkens deugd. Zeker als het tegen veel jongere kerels was.

In Waasmunster moest ik er wel alles uitpersen in een lange nijdige sprint. Met een ferme ultieme jump kon ik een jonge zuid Afrikaanse clubgenoot met enkele centimeters in het zand doen bijten.

Links wint!

Maar de knapste was toch mijn overwinning in Lovendegem. Niet zo zeer de koers, maar de omstandigheden waren speciaal. Ik werkte in een weekendploeg en moest op zaterdag en zondag twaalf uur met de nachtshift werken. Om vijf uur maandagmorgen zat mijn job er op en kon ik eindelijk met kleine oogjes in mijn bed duiken. Ik sliep tot de middag om dan ,op mijn nuchtere maag, een bord spaghetti met bruine suiker naar binnen te wurmen. Vervolgens werd de fiets in de wagen gemikt en in zeven haasten naar de koers gereden. Om dan een wedstrijd van 120 km te rijden was eigenlijk gekkenwerk. Maar het leek me niet te deren want ik won de wedstrijd nog ook en dat vonden veel mensen nen straffen toer…!

Straffen toer!

Bloed kruipt! Aan alles komt een einde…, ook aan een wielerloopbaan. Mijn levensteller ging stilaan naar de veertig en ik vond dat het welletjes geweest was. Mijn besluit stond vast; 1995 zou mijn laatste wielerseizoen worden. Ik wou echter in schoonheid eindigen en trainde nog één keer voluit. Gans dat jaar presteerde ik op hoog niveau en in de zomermaanden lukte het me nog om twee wedstrijden, zij het op mijn eigen geslepen manier, te winnen… De eerste koers werd verreden onder een loden zon en mijn wielerinstinct zij me dat het een uitputtingsslag zou worden. Ik hield me dus gedeisd en schoof gepast en zuinig mee in de goeie ontsnapping. In de finale liet ik de klassieke schermutselingen aan mij voorbij gaan en wachtte geduldig mijn moment af om in de aanval te trekken. Toen, na een hevige ontsnappingspoging in de laatste ronde, alles weer samen liep en iedereen even naar adem hapte knalde ik ze, vanuit laatste stelling, op de grootste versnelling voorbij. Ik sloeg onmiddellijk een mooie kloof en snelde op volle kracht naar de finish. In de laatste kilometer gluurde ik even onder mijn arm door en zag Guy, een sterke ex prof en gepatenteerd hardrijder, op volle snelheid naderen. Toen kwam de sluwe ouwe vos in mij weer boven… Ik vertraagde een beetje om te recupereren en paste mijn tempo zo aan dat hij net in de laatste rechte lijn bij mij kwam aanpikken. Ik gaf hem echter niet de tijd om op adem te komen en zette onmiddellijk de sprint van heel ver in. De aankomst was een smalle straat waarvan het wegdek er aan de zijkanten miserabel bij lag. Ik koos dan ook het midden van de weg en dwong hem om over dat slechte deel te sprinten. Hij kwam nog even langzij maar moest zich uiteindelijk uitgeput en ontgoochelt, hij reed in zijn eigen gemeente, gewonnen geven…

Sluwe ouwe vos De tweede wedstrijd was dicht bij huis en net op mijn negenendertigste verjaardag. Ik wou kost wat kost voor eigen volk mijn laatste zege behalen en bereidde de koers tot in de puntjes voor. Omdat het parcours elke ronde over een lange slechte kasseistrook ging, kocht ik zelfs speciale hoge bandjes. Een tegenstander lachte me aan de start nog uit met die dikke worsten op mijn velgen, maar het lachen zou hem snel vergaan…Het regende lekke banden op de bonkige stenen en het peloton verbrokkelde elke ronde. Ik plaatste me telkens goed voorin bij het opdraaien van de hindernis en zweefde moeiteloos over de stenen terwijl mijn concurrenten van links naar rechts botsten. Uiteindelijk bleven we nog met drie renners in de spits over!

Mijn laatste twee concurrenten verschalkte ik door een ultieme demarrage te plaatsen en met veel risico’s door enkele haakse bochten te scheuren.

De luttele meters die ik op die manier kon nemen waren genoeg voor de overwinning. Het was een perfecte race… Het deed me ook veel plezier dat mijn negenjarig zoontje mijn laatste triomf van dichtbij kon meemaken. Het was immers exact dertig jaar geleden dat ik zelf als kleine wittekop mijn eerste wielerstappen, op het betonnen baantje van Walem, had gezet. Ik kon mij geen mooier afscheid wensen…!

Met mijn kleine wittekop.

Alhoewel…, mijn allerlaatste koers had ik ei zo na ook nog gewonnen! Zoals gewoonlijk ging ik er in de finale hectometers alleen vandoor en even leek het mij te gaan lukken, maar het was de toen regerende wereldkampioen mountainbike; Filip Meirhaege, die de laatste aanval uit mijn loopbaan verijdelde. Ik werd uiteindelijk nog derde in de laatste spurt van mijn leven…

Dertig jaar had ik in het zadel gezeten, waarom…? Een goeie vraag! Mijn antwoord is… Er zijn twee soorten mensen; gewone…, en wielrenners! Want wat moet je denken van iemand die zich zonder enige verplichting uren, dagen, en maanden door weer en wind op een fiets afbeult, enkel en alleen maar om als eerste over een witte lijn te kunnen rijden. Het is een passie die niet rationeel te verklaren is. Maar die je wél mee draagt tot in de kist… Voor mij was het ook een beetje ontsnappen aan de dagelijkse sleur van het leven. Net als Spiderman of Batman een felgekleurd en strak aansluitende lycrapakje aantrekken om, tegen sterke tegenstanders, ten strijde te trekken…, dát gaf mij altijd een kick

spiderman

Je had ook altijd iets om naar toe te leven; een nieuw wielerseizoen, een belangrijke koers… Het bleef altijd spannend. De ervaringen die ik in al die tijd onderging waren soms zo intens dat ik ze mij na vijfentwintig jaar nog levendig kan herinneren! Maar vraag me niet wat ik vorige week op mijn werk heb gedaan, want dat weet ik niet meer! Je begrijpt wel wat ik bedoel zeker. Er zijn natuurlijk ook minder leuke dingen die ik aan mijn wielerleven heb over gehouden.

De vele valpartijen hebben geen goed gedaan aan mijn gewrichten en artrose teistert nu mijn lijf. Binnenkort moet ik een knieprothese laten steken omdat de knie, die in 1981 gebroken heb, totaal versleten is… Ik zal het voortaan wat kalmer aan moeten doen. Mijn wielerhoogdagen zijn dus definitief voorbij, máár…, onlangs vertrouwde mijn zoon mij toe dat hij na zijn studies graag zou willen koersen… Tja…, bloed kruipt waar het niet gaan kan, en dáár zit nu juist die hardnekkige microbe in die je,… juist; wielergek maakt!!! EINDE Copywrite 2001

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful