Televisiegeweld

‘en de invloed ervan op kinderen’

Kim van Amersfoort 27-03-2005 Kunst en Techniek KNT1G 90276 Begeleiders: Dhr. Visschedijk Mevr. van der Horst

Inhoudsopgave Blz. Samenvatting Inleiding Hoofdstuk 1 Oorzaak en gevolg van agressief gedrag bij kinderen. §1.1 Het verband tussen het zien van geweld en het plegen van geweld. §1.2 De effecten op korte en lange termijn. §1.3 Imitatie. §1.4 Soorten televisiegeweld. §1.5 De conclusie van Belson. Hoofdstuk 2 Kwaliteit versus commercie §2.1 Kinderen verdienen kwaliteit. §2.2 Overzicht huidige kindertelevisiezenders in Nederland. Hoofdstuk 3 Het Jeugdjournaal §3.1 Wat is het Jeugdjournaal? §3.2 Wie /wat maakt het Jeugdjournaal? §3.2 Geweld in het Jeugdjournaal. Hoofdstuk 4 Werkgroep Tv-Geweld §4.1 Wat doet de Landelijke Werkgroep Tv-Geweld? §4.2 Wat je zelf kunt doen. §4.3 Kijkwijzer. Slot Literatuurlijst Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage I II III IV Verzwegen tv-geweld Geweld in het televisienieuws Geweld op tv en agressieve jongeren Samenvatting boek Media-ethiek 2 3 4 4 5 6 7 8 9 9 9 11 11 11 12 13 13 14 14 15 17 18 23 28 33

2

Samenvatting Dit verslag bevat onder andere informatie over de oorzaak en het gevolg van agressief gedrag bij kinderen. Ik heb onderzoek gedaan naar de verschillende soorten televisiegeweld. En ook komt de invloed van de commercie op de kwaliteit van de programma’s aan bod. Aan de hand van een drietal artikelen, die ik heb gevonden1 ben ik gaan zoeken naar verdere achtergrondinformatie. Zo kwam ik voor verassende dingen te staan.

1

Zie bijlagen

3

Inleiding Al sinds het bestaan van de televisie, onderzoeken wetenschappers het verband van het zien van geweld op televisie en het plegen van geweld. En door de steeds groeiende onrust bij ouders en opvoeders vliegen de artikelen je tegenwoordig om de oren. Want de televisie brengt naast veel positiefs ook een wereld vol geweld en agressie met zich mee. Zo wordt het heel gewoon om geweld als een vorm van amusement te beschouwen. Hoe hanteer je nou eigenlijk een duidelijke ethiek betreffende het vertonen van geweld? Wie bepaalt er wat uitgezonden wordt, en wat goed voor ons is? Echter, de conclusies staan veelal haaks op elkaar. In dit werkstuk zal ik deze vragen zo goed mogelijk beantwoorden. Het verslag is interessant voor journalisten, studenten, ouders en programmamakers.

4

Hoofdstuk 1 Oorzaak en gevolg van agressief gedrag bij kinderen. §1.1 Het verband tussen het zien van geweld en het plegen van geweld. Sigmund Freud (1856-1939) heeft hierover een psychoanalytische theorie. Deze theorie gaat er van uit dat agressie een aangeboren primitieve eigenschap is en dat de belangrijkste drijfveer is: frustratie. Bij deze visie ligt de hoeveelheid agressie dus vast en kan er niet veel aan veranderd worden. Bij de humanistische theorie van Watson (1878-1985) ga je er vanuit dat de mens agressief wordt gemaakt door zijn omgeving. Agressie zit niet in de mens, maar wordt aangeleerd. Dit betekent dus dat agressie beïnvloedt kan worden. Dankzij de vele onderzoeken van Bandura (1977) kun je aantonen dat kinderen na het zien van agressie dit willen imiteren. Bandura gaat er van uit dat de mens leert door het zien van 'future consequences'. Deze hebben een aantal functies: informatie verstrekken (wat levert het op), motiveren (aanzetten tot hetzelfde gedrag) en respons verhogen (zorgen dat het gedrag ook werkelijk wordt vertoond). Een mens leert over de relatie tussen de opbrengsten en een bepaald gedrag en baseert daarop verwachtingen dat bepaald gedrag bepaalde opbrengsten zal opleveren. Bandura’s belangrijkste theorieën: De sociale leertheorie en de observationele leertheorie. En ook de Griekse wijsgeer Plato (428 tot 348 v. Chr.) beweerde al dat het zien van agressie ervoor kon zorgen dat mensen gestimuleerd werden tot andere agressieve daden.

5

Dit betekent dat er een groot aantal oorzaken zijn waardoor kinderen agressief gedrag vertonen. De conclusies en meningen zijn hierover verdeeld, maar kort samengevat kun je deze samenvatten in drie hypotheses: Stimulatiehypothesen In deze theorieën staat voorop dat het zien van geweldbeelden leidt tot de imitatie en/of de versterking van agressie. Reductiehypothesen Bij deze theorieën wordt juist het tegendeel beweerd. Zo luidt de stelling hier dat het zien van geweldbeelden juist tot een vermindering van de agressie bij de kijker leidt. 'Geen effect'- hypothesen In deze theorieën wordt gesteld dat geweldbeelden in het dagelijkse leven géén invloed hebben op de agressie van de kijker. §1.2 De effecten op korte en lange termijn. Tussen de gevolgen op korte termijn en op langere termijn kun je een duidelijk onderscheid maken. Van belang hierbij is het dat de frequentie van het waargenomen geweld een behoorlijk hoog niveau bereikt en zo constant mogelijk blijft. Maar als je slechts af en toe geweld op tv bekijkt zal dit alleen op een korte termijn invloed hebben. En vervolgens, wanneer je gedurende een lange periode weinig naar geweld zal kijken zal het effect op lange termijn weer verminderen. Ook moet je rekening houden met het feit dat er gewenning optreedt bij een overvloed aan geweld waardoor de invloed uiteindelijk zal verminderen (afstomping). Zo zei Mevrouw Volders, lerares:” De kinderen zijn vooral 's maandags ongevoelig voor de gevolgen van geweld, als ze in het weekend veel naar de televisie hebben gekeken.” Zo ga je dus geweld langzaam als normaal beschouwen.

6

Enkele feiten uit een onderzoek 2: In Europa is gemiddeld vijf keer per uur een gewelddadige activiteit op televisie te zien. In de VS is dat het dubbele.

• • • • •

Peuters van 14 maanden kijken gemiddeld een half uur per dag tv. Nederlandse kinderen zitten gemiddeld 3 uur per dag voor het beeldscherm: 2 uur voor de tv en 1 uur achter de pc. Ze krijgen gemiddeld op hun 9e een mobiele telefoon. 55% van de kinderen van 6 tot 11 jaar heeft een eigen pc en 50% heeft een eigen televisie. Kinderen van 6 tot 12 jaar keken in 2004 gemiddeld 125 minuten per dag tv.

§1.3 Imitatie Zoals ik eerder heb beschreven is er veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van agressie. Het imitatiegedrag dat kinderen al op de peuterleeftijd vertonen speelt hierbij een belangrijke rol. Door de programma’s op televisie hebben kinderen meer mogelijkheden om zich met anderen te identificeren dan hun ouders. Je ziet dan ook dat wanneer kinderen naar de basisschool gaan ze het gedrag van hun televisiehelden willen naspelen. Uit een onderzoek met 200 jongeren door de psychologen Miller en Reeves bleek dat 70% van de 8 tot 11 jarigen een televisiefiguur noemde, toen aan hen werd gevraagd op wie ze zouden willen lijken. Op basisscholen zie je dat jongeren ergens bij willen horen. Vriendjes en vriendinnetjes spelen een erg belangrijke rol. En ze delen iets, wanneer ze naar dezelfde programma’s kijken.
2

Dit stuk bevat nieuwsfeiten ontleend aan het artikel 'Zorgen om greep media op kinderen' dat verscheen

in AD Haagsche Courant van 13 oktober 2005.

7

Enkele functies van televisie kijken: • • • • Ontspanning Informatie Socialisatie Ontvluchting

§1.4 Soorten televisiegeweld Er zijn verschillende soorten televisiegeweld, maar hierbij maak je voornamelijk onderscheid tussen reëel en fictief geweld. Reëel geweld: • • • Het journaal Actualiteitenrubrieken Sportuitzendingen

Bijvoorbeeld: het NOS/jeugdjournaal, NOVA, Barend en van Dorp enz. Fictief geweld: • • • • • • • Komische tekenfilms Informatieve tekenfilms Politieseries Fysieke gewelddrama Oorlogsfilms Komedies Slapsticks
Afb. 1: Komische tekenfilm: Tom en Jerry

Bijvoorbeeld: Goede tijden slechte tijden, Tom en Jerry, Power Rangers, Rambo, enz.

8

§1.5 De conclusie van Belson, 1978 Films die veel agressie oproepen: • • • • • Films waarin geweld voorkomt in de context van nauwe persoonlijke relaties. Films met niet functioneel geweld (geweld wordt gebruikt om het geweld zelf). Films met fictief geweld van een realistische soort. Films waarin geweld wordt gebruikt voor een goede zaak. Westerns van een gewelddadige soort.

Films die weinig of geen agressie oproepen: • • • • Sportprogramma's die gewelddadig gedrag van deelnemers of toeschouwers in beeld brengen (met uitzondering van programma's over boksen of worstelen). Gewelddadige tekenfilms. Science-fiction geweld. Slapsticks met verbaal/fysiek geweld.

9

Hoofdstuk 2 Kwaliteit versus commercie §2.1 Kinderen verdienen kwaliteit Kinderen zijn uitzonderlijke, kwetsbare toehoorders en verdienen kwaliteit. Televisie kan creativiteit stimuleren, het bewustzijn scherpen en deelname bevorderen. Natuurlijk willen ze zich ook ontspannen, maar deze vorm van ontspanning leidt tot stompzinnigheid. Het ‘bespelen van de angst’ vind ik een van de goedkoopste vormen van vermaak. Het is erg jammer dat zelfs kindertelevisie meer en meer als ‘markt’ wordt beschouwd, betaald en overheerst door adverteerders. Eigenlijk zou het een goede gelegenheid zijn om kinderen te bereiken, stimuleren en informeren. §2.2 Overzicht huidige kindertelevisiezenders in Nederland Nickelodeon is een Amerikaans televisiedistributeur en tevens televisienetwerk dat zich voornamelijk heeft toegelegd op het produceren en uitzenden van kinderprogramma's. In Nederland is Nickelodeon eigendom van MTV Networks Benelux. Het kanaal zendt niet 24 uur per dag uit, Nickelodeon deelt het kanaal met Talpa. Jetix is een Nederlandse televisiezender. (Nieuwe naam voor Foxkids) Jetix is een zender die zich richt op kinderen en zendt voornamelijk tekenfilms (vooral anime) uit. Er worden ook enkele Nederlandse programma's uitgezonden, zoals de Kids Top 20 en Ernst, Bobbie en de rest. Z@pp / Z@ppelin bestaat uit ongeveer tien omroepen die elk hun eigen programma’s uitzenden. Z@ppelin is het kleuter- en peuterblok van de Nederlandse publieke omroep. Z@ppelin zendt, samen met Z@pp, overdag uit op Nederland 3 en bevat programma's van bijna alle publieke omroepen. Z@ppelin richt zich voornamelijk op kinderen onder de 6 jaar.

10

Nickelodeon en Jetix zijn beide commerciële omroepen, in tegenstelling tot Z@pp, dat alleen uitzendt op de publieke zenders, vooral op Nederland 3. Persoonlijk ben ik een grote voorstander van Z@pp, omdat deze omroep een rijk aanbod heeft van educatieve, amusante en informatieve kinderprogramma’s voor verschillende leeftijden, over zeer uiteenlopende onderwerpen. (bijv. nieuws & actualiteit, natuur, muziek en cultuur.) Maar het bereik van Z@pp is slechts ongeveer 10-12%. En het bereik neemt nog steeds dramatisch af. Jetix en Nickelodeon daarentegen hebben een veel groter bereik, maar er is dan ook gebrek aan concurrentie. Voornamelijk jeugdige kijkers in de grote steden kijken het liefst naar cartoonzenders als Nickelodeon en Jetix. De tijdstippen waarop de publieke omroep uitzendt is heel anders dan die van de commerciële omroepen. Ook is het aanbod van programma’s op de publieke zenders te ‘braaf’. Tot een bepaalde leeftijd vinden ze Z@ppelin leuk, daarna vinden ze het kinderachtig. Het commerciële Jetix blijft dus groeien (vooral onder oudere kinderen) en lijkt nu zelfs Z@ppelin naar de kroon te gaan steken door met educatieve programma’s te komen. Ze willen kennelijk meer inhoud bieden. Jetix en Z@pp gaan zelfs samen een televisieuitzending maken.

11

Hoofdstuk 3 Het Jeugdjournaal §3.1 Wat is het Jeugdjournaal? Het Jeugdjournaal is een onderdeel van het NOS-journaal. Het is een nieuwsprogramma voor kinderen en maakt gebruik van dezelfde middelen en bronnen als het journaal voor volwassenen. Dagelijks kijken ongeveer 700.000 kinderen en volwassenen naar het programma. §3.2 Wie /wat maakt het Jeugdjournaal? Dagelijks maken journalisten een keuze uit het grote aanbod aan nieuws. Er wordt bij de selectie rekening gehouden met de belangstelling, de kennis en de gevoelens van de doelgroep, kinderen tussen 9 en 12 jaar. Op deze leeftijd zijn kinderen erg bezig met de realiteit en beeldvorming van de werkelijkheid. Maar uit onderzoek blijkt ook dat er veel jongere kinderen kijken. Hierom raden deskundigen ouders aan om mee te kijken. Het Jeugdjournaal geeft uitleg bij het nieuws en gaat ook de gevolgen voor kinderen na. De redactie gaat geen enkel onderwerp uit de weg. Alles kan aan kinderen uitgelegd worden, vind ze. Speciale aandacht is er voor het nieuws dat kinderen betreft, en ook wordt er actief gezocht naar ‘goed’ nieuws. Het beeld dat het Jeugdjournaal geeft, moet zo compleet mogelijk zijn. Ze willen laten zien wat de oorzaak, en wat het gevolg is voor iedereen. Zo kan het kinderen helpen zich een beeld te vormen van de wereld. Aan de hand van het nieuws van de dag wordt er steeds iets verteld over de achtergronden en voorgeschiedenis. Er zit dus veel herhaling in de formule. Het stelt de regelmatige kijker in staat om de puzzel compleet te maken.

12

Een kind van ongeveer 10 jaar kan net een concreet bericht verwerken terwijl een kind van 12 jaar al redelijk abstract kan denken en zelf conclusies wil trekken. Om aan de behoefte van beide te voldoen is het belangrijk om de informatie in kleine stapjes aan te bieden. Zo kunnen ze het nieuws begrijpelijk en herkenbaar maken. Dit alles vraagt de journalisten om zich goed te kunnen verplaatsen in de belevingswereld van het kind. De redactie stelt zichzelf de vraag: ”Vinden wij zit onderwerp zelf interessant? Vinden we het leuk?” Daarna denken ze na over hoe ze het verhaal zo kunnen vertellen dat er verwondering en verbazing ontstaat, net zoals de journalisten dat voelden. Een voorwaarde is dus dat het nieuws ook bij de journalisten aan moet slaan, omdat het anders door de kinderen wordt aangevoeld. §3.2 Geweld in het Jeugdjournaal Er zijn twee grondslagen voor de nieuwsselectie. De eerste opdracht is om het wereldnieuws uit de wereld van ‘volwassenen’ te brengen. Hierin komt vaak gewelddadig nieuws voor, maar deze beelden worden wel zorgvuldig geselecteerd en gedoseerd voordat ze uitgezonden worden. Zou het Jeugdjournaal bepaalde onderwerpen niet uitzenden, dan zou dit de betrouwbaarheid van het Jeugdjournaal beschadigen. Een tweede taak dat het meest kenmerkende is; er wordt nieuws gebracht uit de ‘kinderwereld’. Meestal nieuws dat in het NOS journaal niet terugkomt. Het Jeugdjournaal ontleent zijn bestaansrecht aan het recht van kinderen om geïnformeerd te worden. De vraag is dus niet: ”Zenden we wel of geen geweld uit in het Jeugdjournaal?” Maar: “Welk geweld zenden we uit, en hoe presenteren we het?”

13

Hoofdstuk 4 Werkgroep Tv-Geweld §4.1 Wat doet de Landelijke Werkgroep Tv-Geweld? De Werkgroep Tv-Geweld (opgericht in 1986, te Haarlem) vindt de gewenning, het domweg accepteren van geweld en agressie als vorm van ontspanning geen goede zaak. Ze willen de overheid en de omroepwereld overtuigen van het belang van een minder op geweld gebaseerd programma-aanbod. Daartoe zoekt de werkgroep steun in de samenleving, zowel bij individuele mensen als bij organisaties. Het is niet de bedoeling om een nieuw taboe of enige vorm van censuur in het leven te roepen, en het gaat er ook niet om ieder spoortje van geweld van de beeldbuis te weren. Maar ze zijn tegen het vertonen van geweld om geweld. Dit wijzen ze beslist af! De Werkgroep Tv-geweld richt zich hiermee tot ieder die het met de huidige overmaat aan geweld op de buis niet eens is. Om daar verandering in te brengen hebben we: • • • • • • De Kring van Kritische Kijkers, die tv-programma's beoordeelt en daarover rapporten uitbrengt. Een Sprekerslijst met sprekers voor ouderavonden, buurthuizen, culturele, maatschappelijke en politieke organisaties, pedagogische opleidingen enz.. Contacten met de Media, om onze denkbeelden bekendheid te geven en de door ons gewenste bijstelling op gang te brengen. Contacten met de Omroepen over hun aankoop- en productiebeleid voor de televisie, vooral op het gebied van jeugdprogramma’s. Contacten met Overheden, volksvertegenwoordiging en politieke partijen in verband met de naleving van bestaande regels en een zorgvuldiger invulling daarvan. Een halfjaarlijkse Nieuwsbrief, in wijde kring verspreidt, die betrokkenen, organisaties en instanties op de hoogte houdt van onze activiteiten en wat verder in

14

het licht van onze doelstelling interessant kan zijn. Deze nieuwsbrief is tegelijk contactorgaan voor onze leden en donateurs. • • • Af en toe een Congres of Studiedag. Materiaal voor studenten en scholieren die een scriptie of werkstuk maken. Een eigen Website: www.tvgeweld.nl.

§4.2 Wat je zelf kunt doen: • • • • • • • Geef klachten over de Kijkwijzer-aanduidingen door. Boycot programma's met geweld, zet de tv uit. Gebruik uw invloed als lid van een omroepvereniging. Protesteer tegen gewelddadige programma's van 'uw' omroep. Zeg desnoods uw lidmaatschap op. Klaag bij de uitzendende omroep. Koop geen gewelddadige computerspelletjes. Wordt lid of donateur van de Werkgroep Tv-Geweld. Steun de Werkgroep Tv-Geweld door een bijdrage te storten op giro: 27.84.954 t.n.v. Werkgroep Tv-Geweld te Delft. §4.3 Kijkwijzer Kijkwijzer waarschuwt ouders en opvoeders tot welke leeftijd een televisieprogramma of film schadelijk kan zijn voor kinderen. Kijkwijzer doet dat ten eerste met het geven van een leeftijdsadvies: Alle Leeftijden, 6 jaar, 12 jaar en 16 jaar. Daarnaast zijn er de pictogrammen die de reden van het advies aanduiden: geweld, angst, seks, discriminatie, drugs- en alcoholmisbruik en grof taalgebruik. De ‘adviesleeftijd’ van kijkwijzer betekent niet dat een programma of film ook direct geschikt is. Daarover willen ze geen uitspraak doen. De film kan namelijk ook een te moeilijke inhoud bevatten.

15

Slot Huub Evers3, wijst er in zijn boek Media-ethiek op dat naarmate het aanbod op de televisie toeneemt, er meer naar amusement en minder naar serieuze informatie gekeken wordt. Infotainment en reality-tv deden hun intrede. Steeds vaker komt de keiharde praktijk van moord en doodslag als amusement op de beeldbuis. Evers zou willen dat mediaconsumenten kritischer waren: "Programmamakers nemen de kijker niet serieus. ... Er zou een forum moeten komen van kritische mediaconsumenten. In Engeland bestaat dit al: The voice of the listener and the viewer. Die spreekt op beleidsniveau met de BBC over kwaliteitsstandaarden." Goed, zoals je tot nu toe hebt kunnen lezen is het moeilijk een duidelijke vaste structuur te hanteren, maar is het dan ook noodzakelijk? Hoe je het ook wend of keert, geweld zal altijd een plek hebben in de verbeelding. Of dat nu op televisie is, of zoals vroeger in verhalen en sprookjes. Ergens hanteren we een soort schijnheiligheid rondom geweld in de media, maar de gemiddelde volwassene wil nou eenmaal de onschuld van kinderen beschermen. Dus hoe hanteer je nou een duidelijke ethiek betreffende het vertonen van geweld? Wie bepaalt er wat uitgezonden wordt, wat goed voor ons is? Het is goed om te minderen met het uitzenden van Amerikaanse programma’s, en om de publieke omroep een kans te (blijven) geven. Maar geweld hoeft niet per sé te verdwijnen van de televisie.

3

Docent media-ethiek aan de Academie voor Journalistiek in Tilburg.

16

Controle gebeurt van deur tot deur. Daartoe verschillen de voorkeuren en normen van ouders te veel. Elke ouder draagt een verantwoordelijkheid, behoort op de hoogte te zijn van de do’s en dont’s en kan zo hun kind beschermen, op hun eigen manier. We hoeven er dus geen groot drama van te maken, maar ik vind het wel belangrijk dat er stichtingen blijven bestaan zoals de Werkgroep Tv-Geweld. En ook hebben we de ‘Kijkwijzer’. Ouders, kijk mee met je kind. Weet wat ze zien. Zo voorkom je dat je kinderen gaan wennen aan het geweld op televisie. Want dat is slechts een kleine stap om zich dan ook gewelddadig te gaan gedragen tijdens het spelen met vriendjes of gewoon op straat.

17

Literatuurlijst Evers, H. (2002), Media- ethiek; Morele dilemma’s in journalistiek, communicatie en reclame. Tweede druk, Martinus Nijhoff: Groningen. Janssen, D (red.) Jansen, F Kinkhorst, G.(2002), Zakelijke communicatie deel 1. Vierde, geheel herziene druk, Wolters Noordhoff: Groningen, Houten. Janssen, D (red.) Jansen, F Kinkhorst, G.(2002), Zakelijke communicatie deel 2. Vierde, geheel herziene druk, Wolters Noordhoff: Groningen, Houten. • • • • • • • • • Werkgroep Tv-Geweld, http://tvgeweld.nl/ Z@pp, Z@ppelin, http://portal.omroep.nl/ Technische verzorging werkstukken, http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/technische_verzorging_werkstukken.htm Media onderzoek, http://www.mediaonderzoek.nl/ NOS Magazine, http://nosmagazine.web-log.nl/ Aan*Uit, http://janrensen.nl/aanuit.htm Trouw, http://www.trouw.nl/deverdieping/ Wikipedia, http://www.wikipedia.org/ Kijkwijzer, http://www.kijkwijzer.nl/

18

I. Verzwegen tv-geweld
Bewezen effect op agressie dringt moeilijk door in samenleving Hendrik Spiering, NRC 6 april 2002

TV-geweld leidt tot agressiviteit, meldde Science vorige week. In de psychologie wisten ze dat allang. De vraag is: wat kun je er tegen doen? Betrokkenheid van de ouders helpt. Patti Valkenburg, Beeldschermkinderen, Theorieën over kind en media, Boom, 2002 Hoe lang mag je een peuter van anderhalf televisie laten kijken? Kan het kwaad als zevenjarigen graag naar gewelddadige films kijken? En moet je een meisje van 12 naar een gruwelijke horrorfilm laten kijken? En zijn de antwoorden anders als de ouder meekijkt en er over praat? Het zijn vragen die de Amsterdamse hoogleraar kind en media dr. Patti Valkenburg al jarenlang moet beantwoorden. En ze doet het geduldig, tijdens een gesprek in haar huiskamer in een fraai Amsterdams grachtenpand. Inderdaad, kleine kinderen moet je niet naar geweld laten kijken, legt ze uit. En te veel tv kijken is altijd verkeerd, maar met nuance: "Voor kleine kinderen is half uurtje per dag niet zo erg. Er is zoveel mooie en leuke kindertelevisie! Er is ook niets mis als kinderen van twaalf een uur kijken. Als je maar weet wáár ze naar kijken. En je moet er met ze over praten. De betrokkenheid van ouders bij het tv-gedrag van hun kinderen is cruciaal, zeker nu sommige programma's zo verschrikkelijk gehyped worden dat er geen ontkomen aan is.'' Een uur tv-kijken. In werkelijkheid kijken kinderen van 6 tot 12 jaar gemiddeld twee uur per dag. Sinds 1989 is het tv-kijken door kinderen in tijdsduur verdubbeld.

19

Valkenburg: “Maar zo lang ze voldoende andere ervaringen opdoen in hun dagelijks leven, wat dan nog? Alles draait om variatie. Maar naar tv-geweld kijken is wel slecht. Het is bewezen dat veel kinderen daar angstig en agressiever van kunnen worden.'' En dan zegt ze: "Als je nadenkt, ligt dit allemaal voor de hand, vind je niet? Moet je daarvoor nou naar een hoogleraar Kind en Media?'' Het moet Valkenburg van het hart dat het een beetje merkwaardig is dat al deze praktische vragen nog altijd zo indringend worden gesteld door ouders en journalisten: "Dat tv-geweld agressie op kan roepen klinkt in de media niet door. En dus krijg ik telkens dezelfde vragen: kan het ècht kwaad?'' In de pers wordt de invloed van tv-geweld op agressiviteit vrijwel altijd behandeld als een kwestie die niet opgelost is. Of als een effect dat te verwaarlozen is, zo valt Valkenburg op. Twee Amerikaanse psychologen stelden vorig jaar zelfs vast dat het wetenschappelijk bewijs voor het verband tussen tv-geweld en agressiviteit sinds midden jaren zeventig alleen maar toeneemt, terwijl het gemelde verband in de Amerikaanse media sindsdien lager wordt (`Media violence and the American public', in American Psychologist juni/juli 2001). De psychologen Anderson en Bushman spreken daarom zelfs het vermoeden uit dat de media-industrie een duidelijk belang heeft bij het verzwijgen van het negatieve effect van tv-geweld op kinderen. De grote mediaconcerns verdienen er namelijk miljarden aan. Hier en daar duikt zelfs al de gedachte op dat de mediaconcerns om die reden voor de rechter moeten worden gedaagd, in navolging van de tabaksprocessen. In Nederland speelt vaak de weerzin van journalisten tegen censuur en betutteling een rol, vermoedt Valkenburg. Tenslotte worden op grond van de negatieve effecten van tvgeweld allerlei beperkende maatregelen ingevoerd, zoals een verbod op het vroeg in de avond uitzenden van bepaalde programma's. De media hoeven overigens niet ver te zoeken om het tegengeluid te vinden, niet bij de sociale wetenschappen maar bij de cultural studies. Want de wetenschappelijke consensus dat er een 'middelgroot' effect is van tv-geweld op agressiviteit bestaat alléén onder psychologen en communicatiewetenschappers, zo geeft Valkenburg toe. In de

20

zogenoemde cultural studies, de kritische cultuurwetenschap die vooral sterk is in Engeland, zetten wetenschappers zich sterk af tegen de negatieve effecten van tvgeweld op kinderen. "Ze kraken elk empirisch onderzoek dat zoiets vindt af, experimenten geloven ze gewoon niet'', zegt Valkenburg. En de uitspraken van deze ándere deskundigen leiden natuurlijk gauw tot stukken in de pers dat de wetenschappers het nog altijd niet eens zijn over het effect. Gek genoeg, vindt Valkenburg, zijn veel cultural studies-onderzoekers het er wel over eens dat de televisie een patriarchaal en racistische denken versterken bij kinderen. "Maar die conclusie ontlenen ze dan aan analyse van de inhoud van de programma's, niet aan empirisch onderzoek in een laboratorium of in het 'veld', met echte kinderen.'' Een goed voorbeeld van de tegenkracht die de cultural studies opwerpen is de bundel Ill effects. The media/violence debate, in 1997 uitgeven door de Britten Martin Barker en Julian Petley. In hun inleiding 'ontmaskeren' ze het effect van tv op de gewelddadigheid van jongeren als een vervolg op bezwaren van de elite tegen goedkope romannetjes in de negentiende eeuw. Daar zouden de lagere klassen maar opstandig van worden. En ook nu weer: "degenen die het meest 'beïnvloed' worden door tv-geweld zijn jongeren, en vooral arbeidersjongeren [...] Zij worden gezien als de slachtoffers van een mythische 'losbandigheid' die leidt tot het uit elkaar vallen van families die zich de hele dag gek laten maken door gewelddadige video's en dan naar buiten gaan om verschrikkelijke misdaden te plegen als een direct gevolg daarvan'', zo sneren ze. Kern van het bezwaar tegen de invloed van de televisie is dat kinderen geen passieve ontvangers van de boodschappen op televisie zijn, maar dat ze deze boodschap zelf construeren. Overigens schrijft de vooraanstaande cultural studies onderzoeker David Buckingham in dezelfde bundel dat de vaardigheid van kinderen om de tv-beelden naar hun hand te zetten duidelijke grenzen kent, afhankelijk van hun opvoeding en opleiding. "En we kunnen nu eenmaal niet bewijzen dat de televisie géén effect heeft. We kunnen daarom maar beter voorzichtig zijn met kinderen en media.''

21

De uitersten van het debat lijken elkaar te naderen, want ook Valkenburg spreekt warme woorden over de cultural studies in haar recente boek Beeldschermkinderen. "Beide tradities erkennen dat de sociale context een belangrijke rol speelt in de manier waarop kinderen met media omgaan en wat ze eruit oppikken.'' 'De fout ligt meer in onze woonkamers en klaslokalen dan op onze televisieschermen' zo valt te lezen in Ill effects. Valkenburg beaamt dat: "Inderdaad, want met goede sociale strategieën kun je als opvoeder kinderen beschermen tegen de schadelijke invloed. Door op het onrealistische van tvgeweld te wijzen en aandacht te vragen voor het slachtoffer en door in te gaan tegen de heersende tv-norm dat geweld beloond wordt als het maar voor een goed doel is.'' Agressievergrotend Dat tegenmaatregelen effect kunnen hebben is niet verbazingwekkend. Want het verband tussen tv-geweld en agressiviteit is niet enorm groot. Valkenburg verwijst voor de omvang van het effect naar een grote meta-analyse uit 1994 (Communication Research 21, 516-546). "Daarin is vrij overtuigend vastgesteld dat geweld op televisie een agressievergrotend effect heeft. En dat effect is middelgroot. Het gaat om een correlatie van 0,30. Dat zou je zo kunnen vertalen dat kinderen die bovengemiddeld vaak naar geweld op televisie kijken 65 procent kans hebben om gewelddadiger te worden.''

22

Er zijn verschillende experimenten die het negatieve effect van tv-geweld aantonen. In laboratoriumexperimenten zijn groepen kinderen blootgesteld aan geweldfilms of gewone films en na afloop geobserveerd. Er zijn ook veldexperimenten, zoals in de jaren tachtig in Canada, waar de kinderen in een afgelegen stadje waar geen tvontvangst mogelijk was, werden vergeleken met kinderen in vergelijkbare steden mét tv. En het stadje werd opnieuw onderzocht toen het eindelijk ook televisie kreeg. De kinderen bleken er agressiever te zijn geworden, maar in de andere steden was alles hetzelfde gebleven. Zoveel onderzoeken over verband tussen tv-geweld en agressief gedrag, en toch publiceerde Science vorige week een fors artikel waarin dat allemaal ook nog eens wordt vastgesteld. Het gaat om gegevens uit een langlopend medisch onderzoek, waarbij kijkgedrag op veertienjarige leeftijd kon worden verbonden met agressief gedrag op latere leeftijd, gecontroleerd voor allerlei andere belangrijke factoren als opleiding en inkomen. Zowel NRC Handelsblad als Trouw schreven erover op de voorpagina. "Voor insiders is het gek, dat Science zo'n onderzoek publiceert en dat het dan ook nog zoveel publiciteit krijgt'', zegt Valkenburg. "Want zo'n artikel zou in een vooraanstaand communicatiewetenschappelijk of psychologisch tijdschrift waarschijnlijk helemaal niet geaccepteerd worden. Het is theoretisch erg simplistisch en de uitkomsten zijn ook niet erg verrassend. In de echte psychologische tijdschriften moet je tegenwoordig verklaren hóe tv-geweld invloed heeft op het gedrag. Klopt bijvoorbeeld de sociale leertheorie, dat kinderen zien hoe anderen door geweld hun zin krijgen en dan dat gedrag imiteren? Of is het een kwestie van gewenning aan geweld? Of is het afstomping? Of juist een verhoogde opwinding? Daarover gaan nu de debatten in de empirische sociale wetenschappen.''

23

II. Geweld in het televisienieuws beïnvloedt kinderen

Auteur: Jeroen Winckers Bron: UvA Persvoorlichting

De afgelopen jaren is de toestroom van nieuws sterk vergroot. Ook wordt het nieuws steeds sensationeler gebracht en bevat het vaak indringende beelden van geweld en slachtoffers. Vooral regionale zenders verslaan veel geweld. Kinderen volgen meer nieuws dan veel opvoeders denken - ongeveer 65% van de 7-12-jarigen kijkt bijna dagelijks of zelfs elke dag naar het nieuws -terwijl het meeste nieuws voor een volwassen publiek wordt gemaakt. UvA-communicatiewetenschapper dr. Juliette Walma van der Molen (1967) onderzoekt welke gevolgen dit heeft voor kinderen. Hoe gaan zij om met nieuws over de oorlog in Irak, terreuraanslagen en de moorden van Dutroux? Wat kunnen ouders en leerkrachten doen? Volgens Walma van der Molen is het maatschappelijk debat over geweld op televisie, en de gevolgen daarvan voor kinderen, te eenzijdig. "Het gaat vrijwel geheel over geweld in fictie, zoals in televisieseries, (teken)films en computerspelletjes. De effecten van geweld in het nieuws worden nauwelijks in die discussie betrokken. Ook het meeste onderzoek naar de invloed van mediageweld op kinderen spitst zich toe op geweld in entertainment. De huidige nieuwsverslaggeving bevat kenmerken waarvan in mediapsychologische onderzoeken naar geweld in fictie gebleken is dat zij de negatieve effecten van mediageweld versterken. Zo wordt veel nieuws uiterst realistisch in beeld gebracht, met steeds vaker sensationele beelden van echt geweld of de ernstige gevolgen daarvan. Soms is er zelfs sprake van verheerlijking van wapens, zoals recent in de Irakoorlog met alle live beelden van gevechtshandelingen. Daarnaast kiest men regelmatig voor een human-interest invalshoek, waardoor kijkers zich net als bij een film kunnen inleven in het leed van slachtoffers. En bovendien geeft het nieuws, net als

24

fictie, een vertekend beeld van de hoeveelheid misdaad en geweld in de samenleving, wat bij kinderen én volwassenen aantoonbaar leidt tot een grotere inschatting van de kans om zelf slachtoffer te worden. Hoewel ik niet vind dat kinderen helemaal weggehouden zouden moeten worden van nieuws, vind ik wel dat je om deze redenen nieuws in het debat over mediageweld zou moeten betrekken”. Onderzoek Voor het onderzoek naar de emotionele gevolgen van geweld in het nieuws voor kinderen maakt Walma van der Molen gebruik van klinisch psychologische en emotietheorieën over de ontwikkeling van angsten en zorgen bij kinderen en de factoren die bijdragen aan het ontstaan van emoties. "Jonge kinderen tot een jaar of zes kunnen nog moeilijk onderscheid maken tussen fictie en realiteit. Zij zijn nog vaak bang voor dingen als heksen, spoken en monsters. Vanaf een jaar of zeven maken ze echter onderscheid tussen fictie en realiteit en zie je dat ze bang worden voor echte gevaren, zoals branden, ongelukken en doodgaan. De angsten die zij in het werkelijke leven hebben zie je terug in de ontwikkeling van angsten voor media-inhoud. Ook blijkt dat de meerderheid van de oudere kinderen geweld in het nieuws enger en zorgelijker vindt dan hetzelfde realistische geweld in films of series, juist vanwege de werkelijkheidswaarde die zij toekennen aan het nieuws. De meeste kinderen ervaren af en toe dit soort emoties bij het nieuws en zij lijden er niet erg onder. Echter, een groep van ongeveer 15% zegt zich vaak tot heel vaak angstig te voelen en deze angsten ook als ernstig te ervaren. Er wordt wel een duidelijk onderscheid gevonden tussen de affectieve kant van angst, zoals directe schrikreacties, en een cognitieve component, zoals zorgen over de eigen veiligheid. Kinderen uit groep 4 en 5 van de basisschool ervaren naar aanleiding van nieuws vaker directe angstreacties dan oudere kinderen, terwijl de emotionele reacties van oudere kinderen voornamelijk bestaan uit piekeren en zorgen. Ook in de geruststellingstrategieën die kinderen toepassen zie je een ontwikkeling van meer gedragsmatige strategieën, zoals de handen voor de ogen doen of zappen naar een ander programma, naar cognitieve strategieën, zoals denken dat het jou toch niet zal overkomen en er met iemand over

25

praten. In overeenstemming met cognitive appraisal-theorieën blijkt ook dat de emotionele reacties sterker zijn naarmate kinderen het nieuws als meer persoonlijk relevant ervaren. Factoren als de locatie van het nieuwsgeweld en de manier waarop kinderen zich kunnen identificeren met slachtoffers spelen hierbij een rol.” Voor het onderzoek maakt Walma van der Molen vooral gebruik van vragenlijsten die kinderen zelf invullen en van interviews. De vragenlijsten zijn speciaal ontworpen voor kinderen. Ondanks de jonge leeftijd van de kinderen levert deze manier van onderzoek doen goede resultaten op. Experimenten waarin factoren als locatie en gedetailleerdheid van de verslaggeving worden gevarieerd, heeft zij tot nu toe alleen gedaan bij kinderen vanaf tien jaar en met behulp van geschreven nieuwsstukken. "Je kunt kinderen nu eenmaal geen heel heftig beeldmateriaal kunt laten zien”. Het onderzoek vindt plaats op basisscholen, in aparte ruimtes waar de kinderen rustig getest kunnen worden. "Op deze manier proberen we te voorkomen dat allerlei emoties worden opgeroepen door een onnatuurlijke onderzoekssituatie”. Nieuws over de oorlog in Irak Tijdens de eerste twee weken van de oorlog in Irak onderzocht Walma van der Molen bijna 450 kinderen uit groep 7 en 8 van acht 'witte', gemengde en 'zwarte' basisscholen in het stadsdeel Zeeburg in Amsterdam. Het onderzoek richtte zich op de emoties angst, zorg en woede. Ook werd gekeken naar twee waarneembare gevolgen van deze emoties, namelijk lichamelijke reacties (zweten en hartkloppingen) en slaapstoornissen (niet kunnen slapen, nachtmerries). Alle kinderen volgden het nieuws over de oorlog, meer dan 90% zelfs meerdere keren per week tot elke dag. Ruim 95% van de kinderen volgde het nieuws vooral via televisie. Tweederde van hen keek voornamelijk naar het jeugdjournaal, maar bijna allemaal volgden ze daarnaast het nieuws voor volwassenen. "Het is ongelofelijk hoeveel nieuws kinderen hebben gekeken. Bij de Irakoorlog zagen we dat de emoties bij kinderen heftiger waren en vaker voorkwamen dan je bij ander dagelijks nieuws ziet. Zeer betrokken kinderen gaven aan niet te kunnen stoppen met kijken, zelfs als zij nare gevoelen kregen door al dat nieuws. Opvallend is dat kinderen tijdens de oorlog in Irak zowel veel boosheid over het leed van slachtoffers als veel angsten rapporteerden. Op een schaal van nooit tot heel vaak kwamen deze reacties

26

gemiddeld vaak voor. De verschillen in emoties tussen kinderen werden vooral verklaard door de mate waarin kinderen zich inleefden in de slachtoffers. Kinderen van Marokkaanse ouders identificeerden zich sterk met Irakese slachtoffers, maar er waren ook veel autochtone kinderen die zich met de slachtoffers identificeerden. Identificatie en empathie bleken de belangrijkste verklarende factoren voor emotionele reacties, wanneer gecontroleerd werd voor culturele achtergrond en sekse van de kinderen. De sterke identificatie van de kinderen is opmerkelijk, want de kinderen hadden eigenlijk geen enkele reële binding met het conflict. Behalve een paar kinderen van Irakese ouders had niemand fysieke of familiebanden met mensen in het conflictgebied.” Discussie in de klas Uit de studies van Walma van der Molen blijkt dat kinderen uitstekend over hun meningen en gevoelens kunnen praten en dat kinderen ook behoefte hebben aan het uitwisselen van emoties. "Ik vind het van groot belang dat leerkrachten (en ook ouders) samen met kinderen naar het nieuws kijken. Kinderen kunnen naar aanleiding daarvan hun mening geven, en belangrijker, ze kunnen hun verhaal kwijt en emoties ontladen. Ik vind dat er meer aandacht moet komen voor mediaopvoeding. Hoe ga je als mens om met alles wat de media aanbieden, zoals geweld, nieuws, reclame en informatie? Je moet kinderen later weten hoe nieuws gemaakt wordt en dat het uiteindelijk ook maar een constructie van de werkelijkheid is, die gemanipuleerd kan worden”. Kijkwijzer voor het nieuws Jongeren zijn aan het eind van de basisschool behoorlijk betrokken bij allerlei maatschappelijke en politieke onderwerpen. Je kunt kinderen dus niet afzijdig houden van het nieuws. "Je moet ze eerlijk informeren. Het is goed om kinderen langzaam te laten wennen aan wat er in de wereld gebeurt. Niet te moeilijk en te heftig, want dat kunnen vooral jongere kinderen nog niet aan. Het volwassenennieuws is voor kinderen onder de tien eigenlijk ongeschikt, want het is niet aangepast aan hun cognitieve en emotionele ontwikkelingsniveau. Het Jeugdjournaal en Schooltv-weekjournaal doen meer aan duiding en achtergrond van het nieuws en ze verwerken verschillende

27

geruststellingstrategieën in hun onderwerpen.” De Kijkwijzer adviseert ouders of een televisieprogramma geschikt geacht wordt voor kinderen van een bepaalde leeftijd. Voor het nieuws is echter geen Kijkwijzer. Walma van der Molen pleit dan ook voor een kijkwijzeraanduiding bij het nieuws. "Dat is lastig want je weet niet precies wat er live in het nieuws komt en journalisten zijn terecht bang voor censuur. Maar vrijwel iedere journaaluitzending bevat geweld, daarom zou je standaard het advies kunnen geven 'ongeschikt voor kinderen onder de zes'. Dat is geen aanval op de journalistieke vrijheid. Maar het advies aan ouders zou hen bewust kunnen maken dat het nieuws minder geschikt is voor hun jonge kroost." Amerika In Amerika, waar veel aandacht is voor geweld op televisie, wordt aan geweld in het nieuws zeer weinig aandacht besteed. Met de 24-uurs nieuwszenders die de hele dag live-breaking nieuws brengen en een enorm aanbod van sensatiegericht lokaal nieuws, is de situatie daar zorgelijker dan hier. Er is ook geen speciaal landelijk kindernieuwsprogramma. Om het debat over geweld in het nieuws ook in Amerika aan te zwengelen publiceert Walma van der Molen in juni een artikel in het gezaghebbende tijdschrift Pediatrics. Dit is een veel gelezen tijdschrift voor kinderartsen, consultatiebureauartsen en pedagogen. "Ik ben zeer benieuwd wat dit artikel in Amerika gaat opleveren. De reacties van de reviewers die mijn artikel hebben beoordeeld zijn veelbelovend.”

28

III. Geweld op tv en agressieve jongeren
Publicatiedatum: 30-03-2002 14:25:00 | laatst gewijzigd: 28-10-2003 14:08:23 | auteur: J. Jeronimus

Jongeren die rond hun veertiende meer dan één uur per dag televisie kijken, gedragen zich een paar jaar later agressiever dan leeftijdgenoten die minder kijken. Dat blijkt uit een uniek langjarig Amerikaans onderzoek met als titel "Television Viewing and Aggressive Behavior During Adolescence and Adulthood". Het gezaghebbende tijdschrift Science Magazine publiceerde de bevindingen op 29 maart 2002. Volgens de auteurs, Johnson, Cohen, Smailes et.al., is het effect van veel televisie kijken groot. Van degenen die op 14-jarige leeftijd minder dan een uur tv per dag keken, pleegde bijna zes procent gewelddaden tussen hun zestiende en 22ste. Maar van de veertienjarigen die meer dan drie uur per dag keken, pleegde meer dan een kwart deze gewelddaden. Bij de groep kijkers die een tot drie uur per dag keek, ligt het percentage op 18 procent. Bij meisjes is het verband minder duidelijk dan bij jongens. Tenminste, bij pubers. Het effect van tv op latere agressie was wél groot bij tv-kijkende vrouwen van 22 jaar. Een verrassende vondst die de onderzoekers niet kunnen verklaren. De onderzoekers hebben er rekening mee gehouden dat zaken als kinderverwaarlozing, onveilige woonomgeving, laag inkomen en laag opleidingsniveau sowieso leiden tot meer tv-kijken en ook tot meer gewelddadig gedrag. Ook als ze die invloed met statistische aanpassingen 'wegfilteren', blijft het verband tussen veel kijken en gewelddadig gedrag duidelijk aanwijsbaar. Er werd overigens géén samenhang gevonden tussen tv-kijken en misdaden als diefstal, brandstichting of vandalisme. Hoeveel televisie kijken kinderen? In het onderzoek is niet duidelijk aangegeven naar welke televisieprogramma's de jongeren keken. Het zal wel geen Sesamstraat zijn geweest, maar programma's kunnen nogal verschillen in de hoeveelheid geweld die ze bevatten. Amerikaanse kinderen tussen de twee en zeventien jaar kijken gemiddeld 25 uur per week televisie. Bijna een op de vijf (19 procent) kijkt meer dan 35 uur televisie per

29

week, aldus een artikel in The Journal of Applied Developmental Psychology. Dit sluit aan bij de bevindingen van andere onderzoeken, zoals Kids & media @ the new milennium, gebaseerd op een nationaal representatieve steekproef. Volgens cijfers van het CBS (Landelijke jeugdmonitor 2001), kijkt 42 procent van de jeugd tussen 4 en 11 jaar, en 42 procent van de jeugd tussen 12 en 17 jaar in Nederland tussen de 10 en 19 uur televisie per week. Van beide groepen kijkt respectievelijk 14 en 34 procent twintig uur of meer. De American Psychological Association beweert dat een gemiddeld kind dat twee tot vier uur per dag tv kijkt, op het moment dat het de basisschool verlaat, minimaal 8.000 moorden en meer dan 100.000 andere agressieve handelingen op tv heeft gezien. In Amerika vertoont de televisie op prime time gemiddeld drie tot vijf geweldsdaden per uur, in kindertelevisie ligt dat aantal zelfs op 20 tot 25, al is dat vooral in tekenfilms. Cijfers voor Nederland kunnen hiervan afwijken. Is de bezorgdheid terecht? De studie van Johnson, Cohen, Smailes et.al. is de zoveelste in een lange rij onderzoeken naar het verband tussen tv-geweld en 'echt' geweld. Bezorgheid over de mogelijke negatieve effecten van langdurige blootstelling aan geweld op televisie zijn vrijwel net zo oud als televisie zelf. Van conservatieve instellingen als Plugged In, "helping parents and youth leaders guide teens through the world of popular youth culture" en Family.org, "a website of focus on the family", kun je verwachten dat ze een heleboel media-uitingen afwijzen als ongeschikt voor de jeugd. Maar dit soort organisaties staat echter niet alleen in hun mening over de relatie tussen geweld in media en de slechte invloed op jongeren. In hetzelfde Science Magazine gaan tv-geweldsdeskundigen Anderson en Bushman in op de effecten van geweld in de media op de samenleving. Ze uiten kritiek op de berichtgeving in dezelfde media over wetenschappelijke bevindingen: "We recently demonstrated that even as the scientific evidence linking media violence to aggression has accumulated, news reports about the effects of media violence have shifted to weaker statements, implying that there is little evidence for such effects. This inaccurate reporting in the popular press may account for continuing controversy

30

long after the debate should have been over, much as the cigarette smoking/cancer controversy persisted long after the scientific community knew that smoking causes cancer. Ook andere wetenschappers zijn bezorgd. Zes prominente organisatie in de VS, de American Psychological Association, de American Academy of Pediatrics, de American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, de American Medical Association, de American Academy of Family Physicians, en de American Psychiatric Association, representeren samen een groot deel van de publieke gezondheidssector in de VS. Zij verklaren in een "Joint Statement on the Impact of Entertainment Violence on Children" (26 juli 2000): "Although a wide variety of viewpoints on the import and impact of entertainment violence on children may exist outside the public health community, within it, there is a strong consensus on many of the effects on children's health, well-being and development [...] There are some in the entertainment industry who maintain that 1) violent programming is harmless because no studies exist that prove a connection between violent entertainment and aggressive behavior in children, and 2) young people know that television, movies, and video games are simply fantasy. Unfortunately, they are wrong on both counts." Kortom: het idee dat geweld in media ervoor zorgt dat jongeren zich agressief gedragen, lijkt bijna net zo wijdverbreid als de opvatting dat agressief gedrag zoveel mogelijk moet worden vermeden. Dat Johnson et.al. een wetenschappelijk verband hebben gevonden tussen televisiegeweld en gewelddadig gedrag is niet nieuw, maar in hun onderzoek zijn voor het eerst de effecten over vele jaren bekeken. Het onderzoek begon in 1983 en liep door tot 2000. In de kortlopende onderzoeken tot nu toe leidde het gevonden verband tussen tv-kijken en agressie altijd tot twijfel of nu televisie leidt tot agressie of dat agressieve mensen gewoon vaker televisie kijken. Uit andere recente, grote meta-onderzoeken (waarin tientallen of honderden onderzoeken samen worden genomen), blijkt televisie ongeveer 10 procent van latere gewelddadigheid te kunnen verklaren. Als gemiddeld effect van gewelddadige televisie

31

op agressief gedrag lijkt dat vrij weinig. Maar in hun analyse wijzen Anderson en Bushman erop dat dit verklaringspercentage te vergelijken is met het verband tussen longkanker en roken (16 procent) en bijvoorbeeld vele malen groter is dan het effect van huiswerk op schoolprestaties (1 procent). Doorgeschoten assertiviteit als oorzaak van agressie Socioloog Gabriël van den Brink legt in zijn studie "Geweld als uitdaging: de betekenis van agressief gedrag bij jongeren" (2001) een grote nadruk op assertiviteit. Tegelijk met de opkomst van assertiviteit als een centrale persoonlijke waarde in het leven, halverwege de jaren zeventig, begonnen ook de cijfers voor geweld en agressie te stijgen. De toegenomen mondigheid van burgers zorgde voor een vergaande informalisering en meer egalitarisme in de opvoeding. Massaal en in vrij korte tijd werd zowel in het publieke leven als in het privé-domein overgeschakeld van een 'bevelsstructuur' op een 'onderhandelingsstructuur'. Geweld en agressie kennen vele oorzaken of, beter gezegd, voedingsbodemachtige risicofactoren, zoals: jong zijn, man zijn, gebroken gezinnen, lage welstandsklasse, slechte schoolprestaties, geneigdheid tot alcohol- of druggebruik, en (de laatste tijd) allochtoon zijn. Voor de meeste van deze verbanden geldt dat men geneigd is ze te zien als feiten die bij het leven horen, omdat ze zo weinig aangrijpingspunten voor verandering bieden. Aan iemands sekse valt niets te doen, jongheid gaat voorbij en sociaaleconomische problemen zijn notoir lastig aan te pakken. Preventiebeleid slaat doorgaans te pletter tegen de rotsen van de maatschappelijke status quo. Het opmerkelijke is echter dat de welvaart voor iedereen, dus ook voor de lagere klassen, de afgelopen 25 jaar juist enorm is toegenomen. Mensen maken zich niet zozeer druk over het aloude "instrumentele geweld" (inbraak, beroving), alswel over wat "zinloos geweld" is gaan heten. Zinloos geweld dient geen duidelijk doel, het is gratuit, arbitrair en toevallig. Het heeft vooral een expressieve functie. De plegers worden overmand door emotie en handelen in een impuls. Analyse van 'zinloos-geweld'-incidenten laat zien dat de daders lang niet altijd uit de bekende risicogroepen afkomstig zijn. Onder voetbalhooligans bevinden zich huisvaders

32

met een vaste baan, iets wat ook gold voor de groep die Meindert Tjoelker doodschopte. Het makkelijk toegeven aan agressieve impulsen staat volgens Van den Brink in verband met de toegenomen assertiviteit. Wie er een groot gevoel van eigenwaarde op nahoudt, is relatief vatbaarder voor narcistische krenkingen, zo redeneert Van den Brink. Als een onbekende de assertieve persoon bedoeld of onbedoeld niet het verschuldigde respect betuigt, ontsteekt hij in woede en bij gebrek aan zelfbeheersing kunnen er dooien vallen. Ook andere maatschappelijke ontwikkelingen versterken de ontsporing van assertiviteit in agressie. Kinderopvoeding staat tegenwoordig in het teken van liefde en zorg, waarbij disciplinering en regels op de achtergrond zijn geraakt. Kinderen worden in materieel en geestelijk opzicht veel meer verwend, waardoor er niet of nauwelijks tolerantie voor frustratie wordt aangeleerd, zo betoogt Van den Brink. Ouders zijn trouwens niet de enigen die moeite hebben met het handhaven van regels, want de Nederlandse overheid is bijna synoniem met het begrip gedoogbeleid. Anders geformuleerd: jongeren plegen statistisch meer geweld, maar dat is niet zozeer de invloed van geweld in media, alswel een imitatie van de assertieve opstelling van ouderen. Ook onder volwassenen komt veel agressiviteit voor. Het gaat dan vaak om situaties die agressie oproepen door drukte en volheid, en waarin gevraagd wordt om zelfbeheersing. Er is teveel vraag naar goederen, diensten, hulp, informatie en er zijn te weinig mensen om de stroom van instant-behoeftebevredigers vlotjes te verwerken. In een maatschappij waar iedereen de hele dag bezig is zijn recht en zijn plezier te zoeken, doen jongeren vanzelfsprekend mee, meent Van den Brink. Hoe zouden ze beter moeten weten?

33

IV. Media-ethiek Wat is ethiek? Ethiek kan worden gedefinieerd als een gedragswetenschap die zich bezighoudt met reflectie op de moraal dat wil zeggen het geheel van waarden, normen en regels die in een bepaalde sociale context het gedrag reguleren van uit het gezichtspunt van wat wel en niet behoort, wat wel en niet mag, wat juist of onjuist is. Ethiek als wetenschap is studie van en reflectie op de moraal. Het woord ‘moraal’ verwijst naar het geheel van gedragsregels, normen en waarden dat binnen een bepaalde gemeenschap als vanzelfsprekend wordt aanvaard en nageleefd. De ethiek als vak duikt daar op waar het vanzelfsprekende ophoudt en de morele consensus verdwijnt. In de ethiek worden morele vraagstukken zoveel mogelijk op een wetenschappelijke wijze benaderd. De ethiek als vak duikt daar op waar het vanzelfsprekende ophoudt en de morele consensus verdwijnt. Het doel van de ethische reflectie is het tot stand brengen van een zo groot mogelijke overeenstemming over morele richtlijnen, liefst op basis van gedeelde morele uitgangspunten. ‘Smalle’ en ‘brede’ ethiek De descriptieve benadering draait om het inventariseren en het categoriseren van ethische kwesties. Met een normatieve benadering maak je richtlijnen voor het handelen. Ethici moeten zich niet laten verleiden om oplossingen aan te dragen of regels te formuleren. Het is allereerst hun taak de bezinning en de maatschappelijke discussie over morele vraagstukken te stimuleren.Ethici moeten vragen stellen en niet te koop lopen met hun antwoorden op de vragen. Van een ethicus mag niet worden verwacht dat hij problemen oplost.

34

Ethiek hoeft geen rechtstreekse bijdrage te leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, maar een indirecte, namelijk door waarden-oriëntaties te expliceren en zingevingvragen te stellen. Deze tegenstelling tussen wat wel de ‘smalle’ en de ‘brede’ ethiek wordt genoemd. Ethiek en recht Bij beide gaat het om individuele en maatschappelijke waarden en normen. Hiertoe kan de jurist zich niet beperken, maar moet ook rechtsregels in hun werking en toepassing bestuderen en verder uitwerken. Bovendien wordt niet alles door de overheid en het recht geregeld. De vrije ruimte biedt mogelijkheden voor maatschappelijke zelfregulering en dus voor ethiek. Een ander verschil is dat ethische normen niet bindend zijn en dat het naleven ervan niet door sancties kan worden afgedwongen. In gevallen van conflict prevaleert de rechtsregel boven de morele regel. In de ethiek schuilt zowel een persoonlijke als een maatschappelijke component, terwijl het recht alleen een maatschappelijke component bevat: de rechten en plichten van burgers in hun onderlinge betrekkingen en in de verhouding met de overheid. Beroepsethiek Slechts een beperkt aantal beroepen houdt er een uitgewerkte beroepsethiek en gedragscode op na. Het gaat dan om speciale beroepen. Een dergelijk beroep heeft een uniforme beroepsopleiding met duidelijke omschreven opleidingseisen, een wettelijk beschermde beroepsnaam, een beroepsvereniging en door haar opgestelde beroepscode voortkomend uit een bezinning op de eigen vakethiek. In veel gevallen beschikt een beroepsorganisatie over de mogelijkheid tot tuchtrechtspraak.

35

Beslismodellen Ter bewerking van morele dilemma’s wordt in ons land vaak gebruikt gemaakt van een beslismodel. Dit model bestaat uit het zoeken van een antwoord op de volgende zeven vragen. 1. Wat is het morele kernprobleem? 2. Wie zijn de betrokkenen? 3. Wie zijn de aanspreekbare individuen of instanties? 4. Welke aanvullende informatie is nodig om tot een verantwoorde morele stellingname te komen? 5. Welke argumenten kunnen worden aangevoerd? 6. Wat is de conclusie? 7. Is bij een terugblik op het beslissingsmodel met het bereikte resultaat te leven? Wat is media-ethiek? De media-ethiek houdt zich bezig met een systematische en methodische reflectie op het functioneren van de massamedia, meer in het bijzonder op de probleemsituaties die samenhangen met de informatievoorziening door middel van de massamedia. Het gaat hierbij dus om informatievoorziening door zenders die van het communiceren hun beroep en broodwinning maken. Tot het domein van de ‘media-ethiek’ behoort allereerst de beroepsethiek van de diverse categorieën zenders. Ethische kwesties doen zich niet alleen voor aan de zijde van de zender, meestal de professionele communicator, maar ook aan de zijde van de ontvanger, de mediaconsument. Morele opvattingen kunnen voortkomen uit of samenhangen met religie en levensbeschouwing. Inmiddels kan worden geconstateerd dat de aandacht voor een ethiek van mediaconsumenten vrijwel volledig is weggeëbd.

36

Bestaat journalistieke ethiek? Het bestaan van een journalistieke ethiek wordt niet door iedereen erkend. Journalisten hebben zoals iedere burger algemeen normbesef en ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Een journalist onderscheidt zich enkel van zijn medeburgers door zijn vakmatigheid. Journalisten zijn de ogen en oren van de burgers. De journalist fungeert op basis van de grondwettelijk aan alle burgers gegarandeerde vrijheid van meningsuiting en is derhalve geen gesloten beroepsgroep met duidelijk omschreven opleidingseisen en een beschermende beroepstitel. Maatschappelijke verantwoordelijkheid In een vrijemarkteconomie met een vrije pers zou de waarheid in een ‘free market place of ideas and informations’ als vanzelf boven komen drijven. Allereerst dient de pers te zorgen dat de media nauwgezet, betrouwbaar en veelzijdig moeten berichten. Objectiviteit wordt gezien als het hoogste goed. Ook moet de pers een podium bieden voor het uiten van opinie en kritiek. Tot slot dient de pers te er voor te zorgen zodat het publiek volledig en veelzijdig mogelijk wordt geïnformeerd. Elke verantwoordelijkheid heeft een persoonlijk, maar daarnaast ook een collectief aspect: de verantwoordelijkheid van de gehele redactie van de gehele afdeling, van het totale bedrijf en van de beroepsorganisatie. Vier niveaus van normen: 1. De persoonlijke normen: persoonlijke morele opvattingen 2. De organisatienormen: in elk bedrijf geschreven of ongeschreven normen 3. De beroepsnormen: het geheel van geschreven en ongeschreven normen van de beroepsorganisatie 4. Maatschappelijke normen: de algemeen in samenleving geldende maatschappelijke normen Naast deze normen zijn er uiteraard de grenzen die getrokken worden in wet en jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraken van de mediarechter in kort geding.

37

Media-ethiek en mediarecht Globaal geformuleerd zou men kunnen stellen, dat van een beledigende dan wel onrechtmatige publicatie pas dan sprake is, wanneer die publicatie ofwel ‘onnodig grievend’ is dan wel ‘verwijtbaar onjuist of onvolledig’. Een publicatie kan alleen dan onrechtmatig geoordeeld worden, wanneer er sprake is van schuld, verwijtbaarheid. Nu wordt het publiceren van feitelijke onjuistheden al gauw beschouwd als onachtzaamheid en daarmee als verwijtbaar, tenzij het gaat om kleine onnauwkeurigheden. Bij belediging kan een journalist zich verweren met het argument dat hij handelde in het algemeen belang. De journalist moet echter wel kunnen aantonen, dat hij de zaak zorgvuldig heeft onderzocht en gecontroleerd en dat hij te goeder trouw mocht uitgaan van de juistheid van de feiten zoals door hem weergegeven. Hij mag geen onjuistheden publiceren en geen beschuldigingen die niet voldoende aannemelijk gemaakt kunnen worden. De raad zou eigenlijk juist omdat hij machtelozer is dan de rechter en het om ethisch oordelen gaat zonder sancties, strenger mogen oordelen, meer kunnen en moeten zeggen dan de rechter doet. Veel beroepsnormen zijn in feite niks anders dan juridische regels. Uiteindelijk bepaalt de rechter immers wat niet mag. Wie zich op welke wijze dan ook onheus bejegend voelt door de media, moet immers naar de rechter stappen. Zolang niemand dat doet of zolang de rechter een journalistieke handelwijze of publicatie niet onrechtmatig oordeelt is er niets aan de hand! Actuele vraagstukken      Informatisering van de samenleving Reality-tv Nieuwe technische mogelijkheden Commerciële belangen Noodzaak tot reflectie

38

Wat is zelfregulering Zelfregulering staat tegenover de wet- en regelgeving door de overheid. Het is de beroepsgroep zelf die de vaknormen formuleert en toezicht houdt op naleving ervan. Ten eerste is de geschreven gedragscode een stelsel van door de beroepsgroep zelf geformuleerde ethische normen voor het vak. Daarnaast is er in de journalistiek de ombudsman als bemiddelaar tussen het publiek en de krant. Waarom zelfregulering Het is de beroepsgroep zelf die de vaknormen formuleert en toezicht houdt op naleving ervan. Zelfregulering is efficiënter en effectiever dan wettelijke maatregelen en procedures. Efficiënter omdat toetsing sneller en goedkoper kan geschieden. Het is effectiever, omdat kritiek van vakgenoten harder aankomt dan van de rechter. Bovendien is zelfregulering complementair aan de wet, is de toetsingsnorm ruimer en kan men zich dus makkelijker en over meer zaken uitspreken dan de rechter. Zo kan niet alleen worden opgetreden tegen gedragingen die in strijd zijn met de wet, maar ook tegen handelingen die maatschappelijk ongewenst zijn maar waar juridisch gezien niets op aan te merken is. Nadelen van zelfregulering is dat de toetsing wordt verricht door vakgenoten, wat een grote solidariteit zou kunnen suggereren. Anderzijds kan men onnodig streng optreden, ook zijn er weinig of onvoldoende sancties. Betalen voor informatie? Wat is chequeboekjournalistiek? Het betalen van informanten is in diverse gradaties te onderscheiden. Allereerst het honoreren van de door derden aangeleverde journalistiek producten. Vervolgens is er het honoreren van deskundigheid en verrichte arbeid of de inkomstenderving en de vergoeding van reis- en verblijfskosten. Een andere vorm is het betalen van smeergeld om de contacten met informanten en leveranciers van primeurs warm te houden. Vervolgens is er het exclusieve interview. Het omgekeerde kan natuurlijk ook voorkomen: de journalist accepteert geld van derden en houdt als tegenprestatie

39

bepaalde zaken uit het nieuws. Het aannemen van steekpenningen is in de journalistieke codes absoluut verkeerd. De zogenaamde chequeboekjournalistiek waarbij de journalist een geldbedrag uitlooft voor bepaalde informatie in de hoop dat iemand toehapt, contact zoekt en het gewenste verhaal vertelt in ruil voor een beloning valt volgens velen in ons land nog wel mee. Zeker is dat niet, want aanbieder noch ontvanger van het geld hebber er belang bij die transactie aan de grote klok te hangen. Situatie in het buitenland Er mogen geen betalingen of zelfs maar aanbiedingen gedaan worden aan iemand van wie bekend is of redelijkerwijs verwacht kan worden, dat hij moet getuigen in een strafproces. Verder mogen personen die zich crimineel of aan de andere kant buitensporig gedragen, geen betalingen worden gedaan voor artikelen waarmee het algemeen belang niet wordt gediend. Niet alleen het direct of indirect betalen van criminelen is ongeoorloofd. Ook het van hun familieleden, vrienden, buren en collega’s. Kranten zijn principieel verplicht zo volledig mogelijk te informeren over al die zaken – hoe afschuwelijk ook – waarin de lezers belang stelle. Soms zal die informatie gekocht moeten worden van mensen met wie de redactie normaliter geen zaken zou willen doen. Een groot gedeelte van de media houdt zicht dan ook niet aan de verklaring. Het betalen van ‘bloedgeld’ kan alleen worden tegengegaan door wetgeving. Dat zou onoverkomelijke problemen opleveren: wanneer is precies sprake van ‘chequeboekjournalistiek’ of ‘bloedgeld’? Argumenten pro en contra Het is een vrij algemeen gehoorde opvatting – zeker in ons land – dat chequeboekjournalistiek ‘not done is’. De roddelpers mag dan niet op een flapje meer of minder kijken, de serieuze pers doet dat wel degelijk. Wanneer stelselmatig voor informatie wordt betaald, wordt het nieuws tot koopwaar voor de meest biedende. Een ander argument tegen betalen is, dat op termijn het aantal mensen dat probeert munt te slaan uit de bereidheid van journalisten om voor een interview te betalen, zou kunnen toenemen. Een volgend bezwaar is, dat het vaak moeilijk zo niet onmogelijk is

40

exclusieve verhalen waarvoor betaald is, op hun betrouwbaarheid te controleren. Bovendien is er ook het risico, dat de informant die betaald wordt het verhaal aandikt of zelfs geheel uit zijn duim zuigt, omdat hij de journalist waar voor zijn geld wil leveren. Ten slotte is er nog het element ‘uitlokking’. Wanneer de persoon die tegen betaling bereid is de pers informatie te verstrekken, een geheimhoudingsplicht heeft, dan is er aan twee kanten sprake van een strafbaar feit. De journalist maakt zich schuldig aan uitlokking en de geheimhoudingsplichtige schendt zijn zwijgplicht. Vrijheid van nieuwsgaring Hét fundamentele bezwaar tegen chequeboekjournalistiek is de aantasting van de vrijheid van nieuwsgaring, essentieel onderdeel van de vrije stroom van informatie. Het is ontoelaatbaar, dat bepaalde media op voorhand worden uitgesloten van die vrije nieuwsgaring. Nieuws behoort niet onderworpen te zijn aan copyright, afgedwongen exclusiviteit en monopolisering door de hoogste bieder. Journalistieke cultuur De opvatting dat chequeboekjournalistiek ‘not done’ is, berust niet alleen en waarschijnlijk niet eens in de eerste plaats op morele en juridische argumenten, maar op de overtuiging dat deze wijze van nieuwsgaring ‘niet past binnen de journalistieke cultuur in ons land’. Chequeboekjournalistiek als het zwaaien met de geldbuidel in de jacht op nieuws en exclusieve interviews druist in tegen de ongeschreven regel van fair play in het proces van nieuwsgaring. In het binnenhalen van een primeur zit een element van sportiviteit, namelijk slimmer en/of sneller zijn dan de concurrent. Samenvattend: chequeboekjournalistiek is een diffuus begrip. Er is niet zozeer sprake van een vastomlijnde praktijk als wel van een glijdende schaal.

41

De journalist als infiltrant Undercoverjournalistiek De journalist verzwijgt bewust zijn identiteit als journalist en speelt een rol om aldus door te dringen in bepaalde kringen met het oogmerk eventuele misstanden op te sporen en deze vervolgens te onthullen. Geschiedenis van de undercovermethode De undercovermethode als werkwijze binnen de onthullingjournalistiek is bepaald niet nieuw. Ook niet de vraag of een dergelijke aanpak wel door de beugel kan. ‘Het rollenspel’ is een van de meest gebruikte en meest omstreden bijzondere rapportagetechnieken in de journalistiek. Rollenspel als rapportagetechniek? Wat is er nu eigenlijk zo onredelijk aan het gebruiken van het rollenspel als reportagetechniek? Het verzwijgen van de journalistieke identiteit en het gebruik maken van anonieme tipgevers leidt in een aantal gevallen tot betere resultaten dan het werken met open vizier. Toch is niet alles geoorloofd. De journalist dient zich terdege te realiseren waar de grenzen van het toelaatbare liggen. Zo is het ongeoorloofd uitoefenen van een beschermd beroep strafbaar en het dragen van een uniform uit den boze. Verder moet hij op zijn hoede zijn voor schadeclaims, omdat hij door derden aansprakelijk kan worden gesteld voor geleden schade. Bovendien moet de journalist zelfs maar de schijn vermijden, dat het hem te doen is om eigen materieel voordeel te verwerven. Lichamelijk geweld is niet toelaatbaar. Verborgen camera Journalisten dienen zich bij uitoefening van hun werk als zodanig bekend te maken en duidelijkheid te verschaffen over hun bedoelingen en over het karakter van de uizending c.q. de publicatie die zij voorbereiden. Zij mogen dan ook in beginsel slechts met toestemming en medeweten van betrokkenen hun portret of stam opnemen en

42

openbaar maken. Uitzonderingen op deze regel zijn: dat het maken van opnamen op openbare plaatsen zonder gerichtheid op bepaalde personen doorgans toelaatbaar zijn. Verder kan het zo zijn, dat ‘zwaarwichtige redenen van algemeen belang’ een uitzondering op de regel rechtvaardigen: ‘Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien na behoorlijk onderzoek is gebleken is dat de journalist geen andere middelen ten dienste staan om overeenkomstig de taak van de pers in een democratische samenleving het publiek voor te lichten over ernstige misstanden of ernstige rechtsschendingen’ Bovendien moet in de afweging betrokken worden of het journalistiek belang zwaarder weegt dan de schending van de privacy van de mensen die heimelijk gefilmd worden. Draaiende camera In programma’s als Breekijzer en De Week van Willibrord wordt gebruikgemaakt van de overvaltactiek door met draaiende camera een (kantoor)pand binnen te vallen en zo een gesprek af te dwingen met de directie. De Raad voor de Journalistiek oordeelde over deze methode: ‘De Raad was het met de zienswijze niet eens en vond dat dit journalistiek middel, gezien het intimiderende karakter ervan, alleen mag worden gebruikt wanneer dat nodig is om in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen en wanneer dat op de gewone manier niet lukt’. Criteria voor toepassing van undercovermethoden Als de journalisten gerichte en gefundeerde verdenkingen hebben tegen concrete personen of firma’s. Mogen ze gebruik maken van undercovermethoden Die verdenkingen hebben betrekking op zodanig ernstige wanpraktijken of misstanden, dat die in het algemeen belang openbaar gemaakt dienen te worden. De journalisten hebben al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om in die concrete gevallen de misstanden langs andere wegen boven tafel te krijgen.

43

Wederhoor Heeft iemand die zonder het te beseffen het slachtoffer is geworden van een ‘undercover’ opererende journalist, nog recht op een weerwoord voor publicatie van de onthullingen? Het is voor hen allebei zeer pijnlijk om dit te vragen, allereerst uiteraard voor degene die op dat moment merkt dat hij in de journalistieke val is getrapt, maar ook voor de journalist zelf. Hij heeft immers het vertrouwen gewonnen van mensen in de wetenschap dat hij diezelfde mensen later keihard met zijn journalistieke identiteit zal confronteren. Undercoverjournalistiek als uiterste middel Het uitgangspunt van elke journalist dient te zijn dat hij met open vizier opereert en zich dus in zijn functie kenbaar maakt aan informanten. Dit uitgangspunt zou hij enkel in zeer bijzondere situaties mogen loslaten, namelijk slechts dan wanneer er sprake is van gerichte en gefundeerde verdenkingen met betrekking tot zodanig ernstige wanpraktijken of misstanden, dat die in het algemeen belang openbaar gemaakt dienen te worden. Bovendien dient in zo’n situatie eerst het redelijkerwijs mogelijke gedaan te zijn om de vermeende misstanden langs andere wegen boven tafel te krijgen. Zo zijn undercoverjournalistiek en het werken met verborgen camera of het hanteren van de overvaltactiek geen ‘gewone’ journalistieke methoden om te onthullen, maar uiterste middel. Journalistiek beroepsgeheim en bronbescherming Bronbescherming als journalistieke plicht Een groot gedeelte van het nieuws dat per dag verschijnt, is afkomstig van mensen die journalisten die informatie verschaffen onder de voorwaarde dat hun naam niet wordt genoemd. Ook gebeurt het herhaaldelijk dat de journalist ongevraagd inlichtingen krijgt van iemand die anoniem wenst te blijven. Het ‘lekken’ bijvoorbeeld door overheidsdienaren, is steeds meer praktijk geworden. Journalisten kunnen hun werk niet naar behoren verrichten wanneer de vertrouwelijkheid van hun bronnen in het geding komt of wanneer ze als handlangers van het opsporingsapparaat beschouwd

44

worden. De journalist komt in deze gevallen voor de vraag te staan, of hij gehouden is als staatsburger mee te werken aan het opsporen van strafbare feiten dan wel moet weigeren als verlengstuk van politie en justitie te fungeren. In al deze gevallen kan het beroep op de journalistieke onafhankelijkheid en op bronbescherming aan de orde zijn. De Raad voor de Journalistiek heeft zich ook uitgesproken over dit soort zaken: wanneer een journalist toezegt de naam van een informant niet te zullen vermelden, schept hij daarmee een vertrouwensrelatie. Hij behoort dit vertrouwen niet te beschamen door de naam wel te vermelden, ook niet aan de leden van de Raad zelf. Weigert een journalist, als getuige opgeroepen in een rechtzaak, de naam van zijn bronnen te noemen, dan moet hij desgewenst voldoende aannemelijk maken waarom hij volledig op die bronnen mocht vertrouwen zonder de verstrekte inlichtingen ergens anders te controleren. Hij dient hoge eisen te stellen aan de controle van de juistheid van de informatie, zeker van de feitelijke elementen daarin. Geen journalistieke verschoningsrecht De overheid heeft in de loop der jaren, wanneer het verschoningsrecht van getuigen in strafzaken aan de orde was, over geen beroepsgroep vaker en uitvoeriger gediscussieerd dan over de journalistiek. Een steevast terugkerend argument in discussies binnen en buiten het parlement was de twijfel aan de kwaliteit van de beroepsuitoefening en aan de integriteit van de beroepsgroep als geheel.‘De eis mag daarom worden gesteld dat hij door opleiding en scholing een juist inzicht heeft in (de grenzen van) zijn taak en bereid is naar objectief te toetsen maatstaven zijn houding te bepalen tegenover de bij de uitvoering daarvan optredende tegenstrijdige belangen.’ Bovendien zal het niet eenvoudig zijn de journalist als subject van verschoning te erkennen, omdat de journalistiek juist vanwege de vrijheid van meningsuiting geen gesloten beroep kan zijn en iedereen zich dus journalist kan noemen. Een ander argument, nauw samenhangend met de twijfel aan de integriteit van de beroepsgroep als geheel, is het vermoeden, dat te veel kwalijke praktijken verborgen zouden blijven achter het beroep van de journalist op de bronbescherming.

45

Toch een wettelijke regeling? Mediajurist Korthals Altes meent dat het verschoningsrecht voor journalisten op een zodanige manier te regelen valt, dat alle in het geding zijnde belangen op een evenwichtige wijze worden gediend. Voor de journalist geldt hetzelfde uitgangspunt als voor elke burger; het uitgangspunt blijft de algemeen geldende plicht voor iedere burger om voor de rechter te getuigen. Het journalistiek privilege is daarop een uitzondering. Daarom dient de journalist slecht in enkele nauw omschreven gevallen, waar onmiskenbaar sprake is van een vertrouwensrelatie, het recht te krijgen zijn bron of informatie te beschermen. Allereerst is dat aan de orde wanneer hij bepaalde informatie slechts kan krijgen als hij belooft de identiteit van de verstrekker geheim te houden en wanneer hij onder toezegging van geheimhouding de gelegenheid krijgt een gebeurtenis op een besloten plaats bij te wonen. Treedt de journalist niet met ‘open vizier’ op, dan is er geen sprake van een vertrouwensrelatie en dus ook geen reden om het journalistiek privilege hoge prioriteit te geven. Bij het ter beschikking stellen van materiaal aan justitie is niet primair van belang, of het om gepubliceerd dan wel ongepubliceerd materiaal gaat, maar of het gevraagde materiaal meer kan opleveren dan de gepubliceerde informatie zelf. Ook materiaal met ongepubliceerde informatie dient onder het privilege te vallen, indien er voorzover de journalist bewust heeft getracht bepaalde personen te beschermen. Zo kan een krant besluiten een foto niet te plaatsen, omdat dat voor bepaalde personen bezwaarlijk zou zijn. Een anonieme bron is geen bron In de discussie over bronbescherming en verschoningsrecht gaat het om journalisten die weigeren de identiteit van hun bronnen te onthullen. Daarnaast zijn er journalisten die in artikelen iemand citeren om zich vervolgens te beroepen op anonieme bronnen. Een artikel dient in beginsel controleerbaar te zijn. In beginsel, want in de praktijk van alledag kan de lezer natuurlijk niet alles daadwerkelijk controleren. Om die controleerbaarheid te garanderen is in de Amerikaanse jurisprudentie de ‘no source presumption’ ontwikkeld, oftewel: een anonieme bron is geen bron.

46

Samenvattend kan gesteld worden dat het gebruik van anonieme bronnen een riskante zaak is, althans wanneer de journalist niet daarnaast over “hardere informatie” beschikt. Slachtoffers Zij hebben er dus recht op dat journalisten op prudente wijze omgaan met de persoonlijke gegevens die zij krijgen van de politie of anderen. Over het algemeen dienen nabestaanden van slachtoffers van een misdrijf met rust gelaten te worden, tenzij publieke belangen in het geding zijn. In algemene zin stelde de raad voorop, dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk feitelijke gegevens moet bevatten, opdat de lezer een zo waarheidsgetrouw en controleerbaar mogelijk beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Berichtgeving over misdrijven kan bovendien een signaalfunctie hebben voor burgers en overheid. Het noemen van namen kan voorkomen, dat verwarring met anderen en eventuele ongerustheid bij mensen optreedt. Daar staat tegenover, dat de journalist zicht behoort af te vragen of hij personen kwetst of benadeelt, wanneer het slachtoffer, zijn partner of naaste familieleden door het bericht herkend kunnen worden. Dit laatste beland moet voorrand krijgen. Het ‘outen’ Wie vanwege zijn successen een bekend persoon is, vervult een voorbeeldfunctie en moet dus ook zelf het goede voorbeeld geven en niet geheimzinnig doen of leugens rondstrooien over zijn privé-leven. Doet hij dat wel, dan is er de pers om de waarheid achter geheimen of leugens tevoorschijn te halen en in het licht van de schijnwerpers te plaatsen. Dat is immers de taak van de pers! Publieke figuren Een publiek figuur geeft zijn mening in het kader van de publieke discussie over aangelegenheden die iedereen aangaan.

47

De media en extreemrechts Er zijn verschillende manieren voor de media om extreemrechts te behandelen: doodzwijgen bagatelliseren of zakelijk tegemoet treden. Het is een dilemma voor de media, omdat extreemrechts altijd balanceert op de rand van de wet. Er is de plicht het publiek zo volledig en betrouwbaar mogelijk te informeren, maar ook de angst om aan het verspreiden van verderfelijke opvattingen mee te werken. Men is er wel achter gekomen, dat negeren van problemen met behulp van criminele allochtone jongeren niet effectief is. Ook moeten journalisten op hun hoede blijven en uitspraken van woordvoerders van rechts-extremisten kritisch bezien. De media mag extreemrechts geen podium verschaffen, waarop ze hun waanideeën kunnen uiten Foto’s: Tussen shockeren en informeren Beeldcultuur Een pakkende foto zegt meer dan kolommen met tekst. De foto is het verhaal zelf. Geweld Wanneer de beelden zo afschuwelijk zijn, dat de kijker zijn hoofd afwendt, streef je je doel voorbij, namelijk het informeren van de mensen. Verder moet uiteraard rekening gehouden worden met het tijdstip van uitzending: hoe vroeger op de dag, hoe voorzichtiger en terughoudender! Internetjournalistiek: nieuwe ethische vragen?

48

Een schets van het werkterrein Internetjournalistiek bestaat eigenlijk uit twee soorten. De ‘oriënterende’ journalistiek legt zich toe op het verschaffen van algemene achtergrondinformatie en duiding aan een breed publiek en de ‘instrumentele’ journalistiek bied specialistische informatie aan geïnteresseerde Ethiek en internetjournalistiek Waarden zijn waarden en ethiek is ethiek of het nu om oude of om nieuwe media gaat. Een journalist blijft immers een journalist die bepaalde beroepsstandaard hanteert ongeacht het medium waarvoor hij werkt. Internet is een gloednieuw medium, waar nog geen tradities en routines aanwezig zijn. Zoals men niet alles wat op papier gezet wordt, kan meten aan standaarden van journalistieke ethiek, zo kan met dat ook niet bij alle websites. Een serieuze ethische kwestie met betrekking tot internetjournalistiek is zeker het gevaar van te snel publiceren. Redactionele versus commerciële informatie Volgens critici zien bezoekers het onderscheid tussen feit en fictie niet meer. In de klassieke journalistiek is in het redactiestatuut de journalistieke onafhankelijkheid vastgelegd; de verantwoordelijkheid voor de redactionele gedeelte van de krant berust uitsluitend bij de (hoofd)redactie. Redactie en commercie zijn duidelijk van elkaar gescheiden domeinen. In de internetjournalistiek is dat niet het geval. Interactiviteit Het online nieuws ziet er anders uit dan het nieuws elders: het kan tekst, beeldmateriaal, geluid of videoclips bevatten plus hyperlinks naar andere websites en daarnaast een chatroom of bulletinboard waar lezers met elkaar van gedachten kunnen wisselen over het nieuws. Kenmerkend voor internetjournalistiek is interactiviteit. Community publishing, iedereen kan lokale informatie publiceren op een nieuwssite en die informatie geregeld actualiseren en van context voorzien.

49

Zelfregulering Zelfregulering in de journalistiek is een moeilijke en moeizame aangelegenheid. Conclusie De spanning tussen snelheid en zorgvuldigheid is niet een morele kwestie die wordt opgeroepen door de internetjournalistiek. Integendeel, ook in de klassieke journalistiek is er de neiging om snel, soms té snel, te publiceren onder druk van de vaak moordende concurrentie. Ten aanzien van de gesignaleerde vervaging van de grenzen tussen redactionele en commerciële boodschappen is de situatie vergelijkbaar. Ook hier is niet direct sprake van een vraagstuk dat exclusief verbonden is aan de internetjournalistiek. Bovendien is de journalistiek geen gesloten en duidelijk afgebakende beroepsgroep, zeker niet online. Kernthema’s in de communicatie-ethiek Voorlichtingsethiek: waarom en waartoe? Allereerst is er de fundamentele vraag: voorlichting, waarom en waartoe? Het vaststellen van doelstellingen houdt al een normatieve keuze in; wanneer voorlichting een vorm van dienstverlening is om te bereiken wat men waardevol en daarom nastrevenswaardig acht, dan is daarmee de vraag aan de orde wie iets waardevol vindt en waarom. Het accent ligt op de intentie van de zender, de voorlichter die mensen wil helpen hun besluiten effectief te nemen. Er zijn zodoende drie typen voorlichting te onderscheiden uitgaande van de doelstelling: het aanbieden van informatie, het bieden van hulp bij mening- of besluitvorming en het proberen een mentaliteit- of gedragsbeïnvloeding tot stand te brengen. Men dient de waarheid te vertellen, maar wat is waarheid? Liegen is een mededeling doen waarvan met weet dat ze niet kloppen. Ook bewust dingen verzwijgen kan een vorm van liegen zijn. De halve waarheid vertellen is ook liegen.

50

Drie kernthema’s Er zijn 3 kernthema’s waar morele conflicten in het dagelijks leven zijn onder te verdelen 1. Waarheid In de codes staat standaard de bepaling dat de communicatieprofessional waarachtig moet zijn, dat wil zeggen dat hij anderen tijdig, betrouwbaar en zo volledig mogelijk moet informeren. Hij moet op een eerlijke wijze te werk gaan en geen informatie verspreiden die onjuist of misleidend is. Een voorlichter moet betrouwbare informatie verschaffen en hij moet dat tijdig en doeltreffend doen en zo volledig mogelijk, zodat de ontvanger een duidelijk beeld krijgt en kan beoordelen welk belang hij heeft en dat hij zich een oordeel kan vormen. Hij moet ook vermelden welke informatie hij niet heeft en hij moet verwijzen naar andere bronnen. 2. Loyaliteit In codes staat de bepaling dat de communicatieprofessional loyaal moet zijn, dat wil zeggen dat hij de openbaarheid moet dienen in overeenstemming met de belangen van zijn werkgever of opdrachtgever. Hij moet dus rekening houden met de belangen van zowel de organisatie die hij dient als ook de betrokken publieksgroepen. Hij mag geen tegenstrijdige of concurrerende belangen vertegenwoordigen zonder expliciete toestemming van de betrokken cliënten of werkgevers op basis van een volledige uiteenzetting van de feiten. Belangenverstrengelingen kunnen ook aan de orde zijn wanneer iemand een zaak moet dienen waarmee hij het persoonlijk oneens is. Wie zelf als communicatieprofessional enig belang heeft dat in de strijd kan zijn met dat van zijn werk- of opdrachtgever is verplicht dat aan die werk- of opdrachtgever te melden. Ook is hij verplicht tot geheimhouding van alle vertrouwelijke informatie die hem bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden ter kennis komt. De adviseur die fungeert als sociaal geweten van de organisatie, is intermediair tussen de organisatie en het publiek.

51

3. Beïnvloeding De huidige generatie voorlichting lijkt een meer pragmatische taakopvatting te huldigen: de communicatie tussen de overheid en burger moet zo efficiënt en effectief mogelijk geschieden. Het gaat er om dat het handelen van de burger uiteindelijk past in het beleid zoals de overheid dat langs democratische lijnen heeft ontworpen. Inmiddels is voorlichting dus al lang niet meer alleen in de oervorm (het uitleggen, verklaren en informeren van de burger) aan te treffen. Daarnaast is de voorlichting als afgeleide van traditionele sturingsmechanismen als regelgeving en subsidiering een belangrijk ondersteunend beleidsinstrument geworden. Inmiddels is voorlichting een zelfstandig beleidsinstrument geworden, als in instrumentale voorlichting gericht op de normering van het gedrag. Hierin schuilt het gevaar van betutteling of bevoogding door de overheid die opnieuw zedenmeester wordt. Waar het scala aan vormen van sociale controle ofwel niet meer bestaat of in elk geval niet langer werkt, springt de overheid in het zo ontstane gat om met publiekscampagnes te trachten gedragsbeïnvloeding te bewerkstelligen. Dit kan alleen dan tot succes leiden wanneer diezelfde overheid als boodschapper serieus genomen wordt door het publiek. In meer algemene zin is er de vraag welke criteria de voorlichter hanteert wanneer hij moet kiezen uit een aantal argumenten. Goede smaak en fatsoen in reclame ter discussie Wat is reclame? Communicatie van een ondernemer met de consument over een product. Een belangrijk verschil met voorlichtingsproducten is dat ook hier sprake kan zijn van een commercieel effect, maar niet van een commercieel motief. In reclame-uitingen staat juist de commerciële intentie centraal. In opdracht van het bedrijfsleven van organisaties en van de overheid probeert reclame mensen te informeren en te beïnvloeden, naar houding en gedrag

52

Kritiek op reclame-uitingen Allereerst kan reclame als misleidend en bedrieglijk worden ervaren omdat de consument onjuist of onvolledig wordt geïnformeerd. Reclame manipuleert en werkt suggestief. Reclame wil beïnvloeden en overreden en is ook als zodanig herkenbaar, hetgeen weerstanden en irritaties kan oproepen. Kritiek op het fenomeen ‘reclame’ Samengevat in termen als ‘concentratie’ en ‘verspilling’. Reclame veroorzaakt overconsumptie omdat behoeften worden gekweekt waar mensen buiten zouden kunnen. Reclame is dienstbaar aan de kapitalistische consumptiemaatschappij en bevordert een materialistische levenshouding. De klant blijft de koning die zich door de reclame laat informeren, adviseren, beïnvloeden en misschien ook wel manipuleren. Ethische grenzen en reclame In de reclamebranche krijgt die zelfregulering vooral gestalte in het werk van de Reclame Code Commissie die toeziet op een correcte naleving van de in de Reclame Code vastgelegde normen. Opvattingen over goede smaak en fatsoen In de reclamebranche gaan zakelijke overwegingen en ethische motieven meestal hand in hand. Een reclame-uiting die zich te ver verwijdert van het algemeen in de samenleving heersende normbesef, wordt door het publiek niet getolereerd en straft zichzelf af. De consument verwacht van topmerken een zeker ethisch niveau. Toetsingcriteria De beste en meest effectieve straf is dat de consument weigert langer zaken te doen met wie zich presenteert op een manier die hem niet bevalt.

53

Toetsingsnormen Kritiek is er ook op de toetsingscriteria en op de wijze waarop de Commissie die criteria hanteert. ‘Wie zo ver wil gaan om een uiting verboden te krijgen, die moet daar maar wat voor over hebben. De regels die de Reclame Code Commissie en de Reclameraad hanteren, komen uit alle hoeken en gaten en worden vaak willekeurig toegepast. En daarvoor is het gebied waarop ze zich begeven te gevoelig. Als er echt dingen te regelen zijn, kan je dat beter doen bij de wet. Dat is nog democratisch ook.’ De beste en meest effectieve straf is dat de consument weigert langer zaken te doen met wie zich presenteert op een manier die hem niet bevalt. Willen uitspraken over de goede smaak en fatsoen van een reclame-uiting overtuigender zijn, dan dienen de criteria te worden geëxpliciteerd. Dit kan door de onduidelijke artikelen in de Reclame Code te vervangen door de volgende toetsingsnormen: • • • Het toebrengen van schade Het openlijk kwetsen, beledigen, discrimineren of belachelijk maken van iemand. Het geven van aanstoot

54