You are on page 1of 6

Theorie en Geschiedenis - de korte samenvatting

Handboek H1 – We bestuderen journalistiek omdat nieuws ons wereldbeeld, burgerschap


en collectieve geheugen vormt. Onderzoek was normatief (hoe moet journalistiek zijn?),
empirisch (wat zijn de structuren en processen?), sociologisch (culturen, framing,
verteltechnieken) en nu globaal-competitief (internationaal vergelijkend).

Handboek H3 – Journalistiek is bestudeerd vanuit de geschiedenis (waarom was het van


belang?), politicologie (waarom zou van het van belang moeten zijn?), culturele studies (wat
is voor journalisten van belang?), taalwetenschap (welke verbale en visuele gereedschappen
zijn van belang?) en sociologie (hoe werkt journalistiek en waarom is het belangrijk?).

Zelizer – Culturele studies kijken naar het zelfbeeld van journalisten. Journalisten maken
cultuur, maar zijn er ook onderdeel van. Voor culturele studies is journalistiek anders en dus
interessant, omdat er volgens hen geen waarheid is, externe factoren van belang zijn voor wat
nieuws is, ze de professionele status van journalisten bevragen en culturele studies over
meningen en constructies gaan.

José van Dijck - Het journalistieke proces bestaat uit nieuwsgaring, -selectie en –
presentatie. Er moet een code voor journalisten zijn, zodat het publiek weet hoe ze werken en
of zij hun werk goed (onafhankelijk) doen.

Handboek H29 – Er zijn vier paradigma’s binnen de vergelijkende journalistieke


wetenschap. In de jaren ’50-‘60 de VS versus de rest, in de jaren ’70 Noord en Zuid, in de
jaren ’80 West en West en recentelijk West en mondiaal. De drie modellen zijn mediterraan,
Noord-Atlantisch en Noord-Europees.

Esser – Angelsaksische newsrooms zijn gecentraliseerd; redacteuren hebben er specifieke


taken, een duidelijk beroepsprofiel en minder zelfstandigheid; daardoor zijn ze makkelijk aan
te sturen. Duitse newsrooms zijn gedecentraliseerd en redacteuren hebben meer taken en
zelfstandigheid; daardoor is er weinig organizational bias en is minder personeel nodig.

Reese – Door de opkomst van multinationale nieuwsorganisaties ontstaat een mondiale


journalistieke cultuur. Culturele globalisering leidt tot een botsing van beschavingen, maar
ook tot homogenisering. Instituties worden mondiaal, maar tegelijkertijd fragmenteert de
wereld in vele lokale projecten.

De Vreese – Onderzoek naar framing focust zich op mediaframes (hoe worden zaken
gepresenteerd in het nieuws) en publieksframes (hoe individuen zaken interpreteren).
Journalisten in vier Europese landen gebruikten allemaal frames die conflict benadrukten en
gebruikten bij de lancering van de euro het frame van de economische gevolgen.

Handboek H2 – Journalistieke geschiedenis komt voort uit een algemene interesse in de


evolutie van communicatiemiddelen en het historisch bewustzijn van de journalist. Van
praktisch ging de krant naar politiek partijdig naar commercieel. Het marxisme vond dat de
pers de bestaande klassenstructuur nabootsen; post-kapitalistische media zouden dat
probleem moeten overkomen.

Handboek H18 - Volgens Habermas zorgt PR voor de ondergang van de publieke sfeer
omdat niet iedereen meer voor zichzelf spreekt. Het intelligentste model van PR is het “two-
way symmetrical model” met dialoog tussen organisatie en publiek, daarna volgen het two-
way asymmetrische model (bijvoorbeeld marktonderzoek), eenzijdige publieke informatie en
“press agentry” (promotie via media).

Habermas – De publieke sfeer kwam tot stand na het einde van het feudalisme, maar ging
weer teloor door propaganda en PR. Een publieke sfeer is een omgeving van het sociale leven
waar de publieke opinie gevormd kan worden, en waar alle burgers toegang toe hebben.

Allan – De publieke sfeer ontstond door de oprichting van de Bank of England, het eerste
kabinet en de afschaffing van de censuur. Habermas’ model heeft geen historische basis, is
geïdealiseerd omdat mensen niet altijd voor zichzelf spreken, het is niet zeker of er één
publieke sfeer is, scheiding van publiek en privé is niet mogelijk, er is geen onbeperkte
toetreding tot de publieke sfeer en er wordt niet altijd naar het verzoenen van standpunten
gestreefd.

Downey en Koenig - Er is (nog) geen Europese publieke sfeer. Nationale media-instituties


brengen weinig Europees nieuws en er zijn geen Europa-brede media-instituties.

Handboek H17 – Taken van de journalist in de democratie zijn het dienen als
informatiebron, aandacht geven aan beide kanten van het verhaal (de mediatorfunctie),
overtuiging uitdragen en de waakhondfunctie. Internet zorgt de laatste jaren voor een
overvloed aan politieke journalistiek.

Handboek H21 – Journalistiek werkt traditioneel vanuit het liberale idee dat je objectief
moet zijn, maar dat is onmogelijk, dwingt tot strikte formats en beperkt de pers. Wel kun je je
verhaal aan zoveel mogelijk bronnen toetsen en zorgen voor een “marktplaats aan ideeën”.

Bennett – De pers faalde bij Irak in zijn waakhondfunctie. Bij Katrina werkte het wel door
het gebrek aan PR-mensen. De pers is te afhankelijk van de overheid.

Curran – Het waakhondargument is passé, want veel media besteden slechts een deel van
hun ruimte aan die functie, media moeten behalve de regering ook mediacorporaties
controleren en de staat heeft niet meer het monopolie op geweld. De functie legitimeert niet
de vrije markt, omdat de druk van de markt kan leiden tot minder onderzoeksjournalistiek,
minder kritisch kijken naar economische machtscentra en omdat mediabazen niet altijd
onafhankelijk zijn.

Handboek H7 – Onderzoek naar professionalisering gaat over in hoeverre journalistiek aan


bepaalde standaarden voldoet, en de culturele autoriteit van journalistiek in relatie tot andere
proefssies: waarom zijn journalisten professioneel?

Handboek H19 – Alternatieve media geven ander nieuws en maken het anders. Ze laten de
gewone burger aan het woord en verzetten zich tegen de conventies van de reguliere media,
hoewel ze aan dezelfde politieke, economische, culturele en sociale processen bloot staan.

Ward – Journalistiek kan niet objectief zijn. Objectiviteit kan worden gezien als ontologisch
(feit), epistemologisch (houding) of procedureel (besluit). Feitelijkheid en eerlijkheid zijn wel
belangrijk, maar absolute neutraliteit is niet mogelijk en ook niet gewenst.

Schudson – De objectiviteitsnorm kwam op toen journalisten onafhankelijker werden van


hun partijdige werkgevers, en door discussies in het werkveld. Ook werden politiek en
democratie objectiever, waardoor journalisten ook onafhankelijker werden. Een duidelijke
oorzaak of moment voor het ontstaan van de norm is niet aan te wijzen.

Chalaby – De Angelsaksische landen hebben de journalistiek uitgevonden in de 19e eeuw;


dat was objectief, terwijl de Fransen toen nog vooral literair en opiniërend waren. Alles
daarvoor was publiciteit en geen journalistiek.

Handboek H4 – Journalistieke opleidingen zijn niet kritisch genoeg over de journalistiek,


omdat ze er niet ver genoeg vanaf staan. Het nut van de opleidingen wordt door werkgevers
soms betwist. Er bestaat discussie over of journalistiek een ambacht of beroep is.
Handboek H5 – Nieuwsorganisaties (journalisten) en mediaorganisaties (uitgevers)
hebben elk hun eigen doelen en routines. Nieuwsroutines zijn patronen van praktijken die
mediawerkers gebruiken om hun beroep uit te oefenen. Beats zijn story suggestions. Nieuws
is homogeen, omdat routines van de organisaties niet variëren in tijd, plaats of organisatie.

Handboek H8 – De journalist is zowel waakhond als onderhandelaar. De relatie tussen


journalist en bron hangt af van de context; welke partijen hierop invloed hebben. Dat is van
belang omdat die partijen zo invloed uitoefenen op het publieke debat. Ook cultuur en de rol
van identiteit spelen een rol bij omgang van journalisten met bronnen.

Handboek H12 – Galtung en Ruge ontwikkelden 12 nieuwscriteria: frequentie,


drempelwaarde, ondubbelzinnigheid, betekenis, harmonie, uitzonderlijkheid, continuïteit,
compositie, elitelanden, elitepersonen, personificatie en negativiteit. Alternatieve media
proberen die nieuwswaarden te ondermijnen door andere criteria te hanteren.
Nieuwswaarden hoeven niet universeel te zijn.

Frith en Meech – Een journalistieke graad is een effectieve voorbereiding op het beroep;
afgestudeerden gaan moeiteloos op in de newsroomcultuur. De journalistiek is de laatste
jaren niet alleen als ambacht, maar ook als carrière veranderd.

Handboek H11 – Door agenda-setting worden onderwerpen vaker in de media gebracht,


waardoor ze belangrijker lijken.

Handboek H13 – Er zijn frames per onderwerp (issue-specific) en per thema (generic).
Framing vindt plaats in de cultuur, bij elites en voorlichters, in teksten en bij burgers.

Critcher – Agenda-setting kan niet verklaren waarom sommige onderwerpen niet worden
opgepikt. Morele paniek bestaat uit bezorgdheid onder het publiek, vijandigheid jegens
boosdoeners, overeenstemming over oorzaken, overeenstemming over remedie en
disproportionele actie. Kritiek is er op de bewering dat de staat morele paniek uitbuit en dat
de media dat ondersteunen, waardoor beleid voorspelbaar is.

Frank – Journalisten schrijven zichzelf in een verhaal, om zich te onderscheiden van de


groep journalisten. Daardoor doen ze alsof ze geen onderdeel zijn van pack journalism,
terwijl dat wel zo is.

Pan en Kosicki – Door nieuwsdiscourse komt nieuws over als objectief en betrouwbaar.
Nieuwsdiscourse kan worden onderzocht aan de hand van frames en framing.

Handboek H16 – Er bestaat een spanning tussen de commercialisering en de journalistiek.


Goede journalistiek kan duur zijn, met het gevaar dat deze door de marktdruk wordt
ondermijnd. Volgens McManus is er echter altijd nog de ethiek van de journalistiek.

Handboek H26 – Advocacy journalism was in Europa sterk verbonden aan politieke
partijen, in de VS meer aan bewegingen (bijvoorbeeld arbeiders of vrouwen). Recente
voorbeelden zijn FoxNews en media in het Zuiden. Civic advocacy journalism komt op en
geeft zo meer mensen een stem in het nieuws.

Broersma – Journalisten gebruiken vorm en stijl om te doen alsof hun berichtgeving waar
en neutraal is. Op tekstueel niveau gaat het om vorm, op sociocultureel niveau om stijl.
Gebruikt worden de reflexieve stijl (advocacy), het verhaalmodel (market) en het
informatiemodel (trustee).

Schudson (2) – De kracht van de media ligt in het presenteren van boodschappen in een
bepaalde vorm. Nieuws is afhankelijk van conventies in vertelvormen. Vanaf eind 19e eeuw
werden verhalen in de VS steeds subjectiever en er kwam meer politieke verslaggeving,
doordat journalisten meer zelfvertrouwen kregen, er meer lezers kwamen en journalisten
door de telegraaf beter geïnformeerd waren.

Broersma (2) – Kranten gebruiken een beheerst afstandelijke stijl of een emotionele,
betrokken stijl. De laatste stijl kwam vanaf de Eerste Wereldoorlog op in Nederland via De
Telegraaf en werd, hoewel eerst verafschuwd, door andere kranten overgenomen.

Handboek H10 – Convergentie is de vermenging van voorheen gescheiden


mediatechnologieën, gebaseerd op de digitalisering. Het wordt vaak opgevat als het parallel
produceren voor meerdere mediaplatformen tegelijk, maar ook is er convergentie tussen
journalist en publiek (produsage). Journalisten verliezen daardoor hun rol als gatekeeper.

Ryfe – Journalisten staan vaak huiverig tegenover veranderingen; de newsroomcultuur is


vaak conservatief. Dat is lastig in de huidige tijd, waarin convergentie een rol speelt.

Gordon – Convergentie kan zich voordoen bij eigendom, tactiek, structuur, informatie
verzamelen en presentatie.

Avilés en Carvajal – Men is bezorgd dat convergentie zal leiden tot een minder divers
medialandschap. Er bestaat convergentie in het crossmediamodel, waar productie is
gebaseerd op synergies en het geïntegreerde model waar één journalistieke cultuur de
grenzen van media overschrijdt.

Van Dijck (2) – Verschuivingen in technologie en economie leiden tot convergentie en


verandering van vorm en inhoud. Journalisten moeten meer kunnen en er is steeds meer
druk van de commercie.

Handboek H9 – Volgens sommige studies bedrijven vrouwen andere journalistiek dan


mannen en zal hun opkomst in de newsroom de journalistiek dus veranderen.

Anderson – Naties zijn denkbeeldige politieke gemeenschappen. Het beeld van de natie
kwam op toen mensen de zekerheden verloren dat taal waar was, monarchie natuurlijk en de
menselijke ontwikkeling gelijk aan die van de wereld. De verbeelding van de natie werd
bevorderd door de boekdrukkunst en opkomst van de krant.

Bourdieu – Regionale identiteit ontstaat wanneer mensen zichzelf als een groep zien, hun
groep een naam heeft en de groep zichtbaar is. Criteria voor de identiteit zijn zowel subjectief
(groepsgevoel) als objectief (taal, territorium, geloof, etc). Bij het creëren van een regionale
identiteit wordt taal gebruikt als machtsmiddel.

Conboy – Tabloids leggen door hun retoriek de identiteit van de natie vast. Zonder nieuws
om over te lezen is er geen staat, zonder tabloids geen natie. Naties zijn immers denkbeeldige
ideeën. In tabloids wordt scherp onderscheid gemaakt tussen wie er wel en niet bijhoort.

Handboek H14 – Discourse studies richt zich op natuurlijk taalgebruik en op de sociale


context eromheen. Discoursen kunnen ideologieën impliciet en indirect uitdragen.
Nieuwsdiscourse laat je denken dat berichtgeving waar en neutraal is, maar in werkelijkheid
is ook het nieuws doordenkt met ideologieën.

Allan (2) – Nieuwsdiscoursen ontsteunen de hegemonie van de machthebbers in de


samenleving door deze te presenteren als common sense. Hegemonie wordt altijd betwist.

Cameron – Met two-way conversaties in het nieuws wordt steeds vaker afgestapt van de
formele, feiten besprekende nieuwslezer, en komen meer meningen en speculaties in het
nieuws. Bijdragen zijn in de vorm van push en pull: een controversiële uitspraak doen en die
vervolgens nuanceren.
Fairclough – Discourse gaat zowel over gesproken en geschreven taal als over beelden en
non-verbale communicatie. Taal is een vorm van een sociale praktijk en onderdeel van een
sociale context. Discourse ondersteunt een hegemonie.

Matheson – Media hebben de rol van een mediator tussen verschillende meningen in de
samenleving. Door discoursanalyse kan het delen van ideeën in een cultuur met elkaar
worden bestudeerd. Door kritische discoursanalyse worden ideologische structuren zichtbaar
en ook waar die vandaan komen.

Handboek H15 – Nieuws is een verhaalvorm die als mythe functioneert: het heeft rituele
functies en archetypes (terugkerende motieven) komen erin voor. Nieuws is een vertelkunst:
journalisten die bestaande verhaalkaders gebruiken dienen alleen de status quo; er moeten
juist nieuwe kaders gebruikt worden. Goede verhalen kunnen de journalistiek redden.

Barthes – Mythes geven een diepere laag aan taal en verbinden stereotyperingen aan taal.
Ze stellen ons in staat de agenda van de bourgeoisie te doorzien. Taal bestaat uit een signifier
en een signified die samen een sign vormen. Mythe is connotatie.

Bell – Nieuwsverhalen hebben een abstract (waar gaat het over?), oriëntatie (wie, wat,
wanneer?), complicating action (wat is er gebeurd?), evaluatie (waarom belangrijk?),
oplossing (afronding) en een coda (formule dat verhaal klaar is).

Lule – Nieuwsverhalen worden gevormd door onderliggende narratieve structuren, zoals


mythen. Mythe schept orde, maar eist ook een orde. Er is altijd een zondebok nodig.

Handboek H22 – Halverwege de 19e eeuw kregen kranten een massapubliek. Populaire
cultuur en journalistiek komen voort uit hetzelfde tekstuele systeem en populaire cultuur is
de oorzaak van de journalistiek. Vaak wordt populaire journalistiek beschuldigd van
dumbing down the public, maar ook de gewone journalistiek kan niet objectief zijn.

Allan (3) – Newszak (de tendens naar soft news, Franklin) ziet nieuws als een product en
levert het af in hapklare brokken die weinig vragen van het publiek. Om weer bij te dragen
aan de journalistiek, moet deze gebruikersvriendelijk nieuws maken, lokaliseren,
participatory news maken, verklaren, opinies weergeven, andere news formats verzinnen,
nieuwe taken krijgen en moet het publiek betalen voor beter nieuws, zegt Gans.

Simons – Pessimisten stellen dat populaire cultuur gebaseerd is op kapitalistische


productielijnen, maar dat bepaalt diens karakteristieken niet volledig. Het pessimisme van
intellectuelen komt voort uit het verlies van een cultureel aanzien, dat is verbonden aan
typografie in plaats van televisiecultuur.

Bennett (2) – Populaire cultuur wordt gestructureerd door de strijd tussen de heersende
klasse en andere groepen om de hegemonie. Gramsci ziet cultuur als dynamisch proces en als
breed begrip, en wijst het belang van klassen of voor of tegen de populaire cultuur af. Dit in
tegenstelling tot culturalisme en structuralisme, die bourgeoisie en arbeidersklasse scheiden.

Tasker – Mainstream en vrouwelijke misdaadfictie worden in verschillende context


geproduceerd. Mainstream fictie bestempelt vrouwencultuur bij voorbaat als minderwaardig,
waardoor vrouwen een eigen literaire traditie hebben ontwikkeld. Populaire cultuur wordt
vaak gezien als vrouwelijk. Misdaadromans gaan over verstoring en herstel van de orde.

Holland – Enerzijds was de seksualisering van de Sun gevolg van de feminisering; er kwam
meer aandacht voor het genieten van seksualiteit door vrouwen. Anderzijds werd het plezier
van de man voorop gesteld, waardoor vrouwen hun minderwaardige positie behielden.
Vrouwen moeten juist inhoudelijk gaan deelnemen, en wel op hun eigen voorwaarden.

Handboek H28 – Overheidsinterventie in het publieke bestel kan minimaal, beperkt of


breed zijn. Beleidsstudies, institutionele studies, studies over natiestaten en postmoderne
studies doen onderzoek naar het publieke bestel. Reithianisme is de opvatting dat het publiek
niet moet krijgen wat ze wil, maar wat goed voor haar is. Onderzoek is vaak landgebonden.

Evans en Hall – Visuele cultuur vindt dat beelden net zo bepalend zijn voor de
werkelijkheid als teksten. Het werd genegeerd omdat men het dezelfde grammatica oplegde
als de tekstuele cultuur en bij fotografie zijn de insteek van de fotograaf en het medium ook
van belang. Visualiteit, apparatus, instituties, lichamen en figuurlijkheid spelen een rol.

Kress en Van Leeuwen – Visuele cultuur begint tekstuele cultuur te overheersen. Het
onderscheid entertainment-informatie is er minder scherp. Beeld heeft een eigen
grammatica: offer of demand, framegrootte, afstand, horizontale en verticale hoek. Filosofen
zeggen dat taal toch ook belangrijk blijft, omdat taal betekenis aan beelden geeft.

Becker – Foto’s geven een onvervormd beeld van de werkelijkheid, maar biedt ook niet de
nuances van de serieuze journalistiek. Bij zowel tabloids als journalistiek lokken de foto’s,
maar bij journalistiek staan personen minder vaak centraal, zijn ze niet altijd herkenbaar, is
de nieuwskeuze afstandelijker en zijn foto’s illustratie van tekst in plaats van andersom.

Matheson (2) – Mensen interesseren zich voor reality televisie omdat niet duidelijk is wat
echt en gespeeld is. Ook is de mens geïnteresseerd in spanningen rond identiteit. Andere
verklaringen zijn de overheersing van visuele cultuur, het tegelijkertijd beleven van
gebeurtenissen en hyperreality, representaties belangrijker vinden dan het object zelf.