You are on page 1of 95

Gelijkenissen van het Koninkrijk

(Matthes 13)

Aren van Waarde

Voorwoord

Wie over de gelijkenissen van de Heiland begint te spreken of te schrijven


begeeft zich op glad ijs. Er is over deze Bijbelgedeelten immers enorm vaak
gepreekt. De evangelieverhalen zijn overbekend, en vrijwel iedere christen
meent precies te weten wat de Heere met zijn onderwijs heeft bedoeld.
Hoewel er in rooms-katholieke, protestantse en evangelische kring niet exact
dezelfde uitleg wordt gegeven, is men het wel eens over de hoofdlijnen. Van
die standaard-uitleg willen de meeste christenen niet afwijken.
Wanneer ik zon verklaring hoor, bekruipt mij toch een angstig gevoel. Aan
allerlei symbolen uit de verhalen (zoals de vogels in de mosterdboom, de
zuurdesem in het meel of de koopman van de parels) wordt in de gangbare
uitleg namelijk een betekenis toegekend die niet overeenstemt met de uitleg
die de Heere zelf van zulke symbolen heeft gegeven. Bovendien beweert
men dat de Heere gelijkenissen vertelde om zijn boodschap te
verduidelijken, zodat eenvoudige mensen zijn onderwijs gemakkelijk konden
onthouden. Maar volgens de Heere was dat niet de bedoeling van zijn
spreken in gelijkenissen. Deze vorm van onderricht was juist bedoeld om zijn
boodschap voor de menigten te verhullen! Alleen de leerlingen, die hun
Leraar om nadere uitleg vroegen, werden in staat gesteld om zijn
gelijkenissen te verstaan (Matthes 13:10-17).
De boodschap van de gelijkenissen is dus niet voor de hand liggend en voor
een buitenstaander ook niet gemakkelijk te begrijpen. Bij het lezen van
klassieke verhandelingen over de gelijkenissen en bij het luisteren naar
orthodoxe preken rezen er in mijn hoofd bange vragen: Is ons hart
misschien k vet geworden? Zijn nze oren wellicht hardhorend en hebben
wj onze ogen gesloten? (Matthes 13:15). Het boekje dat voor u ligt is een
poging om op zulke vragen antwoord te krijgen.
Vanaf het begin stond het voor mij vast dat een gezonde verklaring van de
gelijkenissen van de volgende basisprincipes zou moeten uitgaan:
1. De uitleg die de Heere in enkele gevallen zelf heeft gegeven is
maatgevend. Daarvan mogen we in geen enkel opzicht afwijken.
2. De verklaring van de beeldspraak die in de gelijkenissen worden
gebruikt moet allereerst worden gezocht in het tekstverband. In

tweede instantie kan men de uitleg zoeken in de rest van de


evangelin en in laatste instantie in de wet en de profeten. De
indruk die de beelden op kerkvaders (of zeventiende-eeuwse
theologen) hebben gemaakt, is in geen enkel opzicht maatgevend.
3. Bij de interpretatie van een gelijkenis moet worden gelet op de
structuur van het Bijbelgedeelte waarin de gelijkenis voorkomt en op
de plaats van die gelijkenis in het betoog van de evangelist.
4. Aan details in de verhalen moet aandacht worden besteed, want
wanneer de Heere van een gelijkenis een uitleg gaf, bleken zulke
details van groot belang te zijn.
5. Een uitlegger moet echter vasthouden aan het punt van de
vergelijking, dat de Heere in zijn vertelling heeft genoemd. Van dat
hoofdpunt behoort men niet af te wijken. De gelijkenis van de zaaier
heeft bijvoorbeeld betrekking op de groei en de opbrengst van het
zaad. Niet op technieken die de boer had kunnen aanwenden om de
kwaliteit van zijn grond te verbeteren.
Iedere Bijbellezer zal met deze uitgangspunten kunnen instemmen. Maar
wanneer u de volgende beschouwing over Matthes 13 leest1, bent u het
misschien toch niet altijd met mijn interpretaties eens. Op sommige punten
voelt u zich wellicht ernstig aangevallen. Wanneer dat het geval is, kan ik
maar n ding van u vragen: Onderzoek de Schriften en ga na of deze
dingen zo zijn (Handelingen 17:11). Wat naar de Schrift is, moet u ter harte
nemen, ook al komt het misschien onaangenaam op u over. Moge de genade
van onze Heer Jezus Christus met u zijn (1 Thessalonicenzen 5:28).

In de tekst zijn citaten uit het Nieuwe Testament ontleend aan: Het Nieuwe
Testament Herziene Voorhoeve-Uitgave. Uitgeverij H.Medema, Vaassen, 1982.
Citaten uit het Oude Testament zijn ontleend aan de vertaling van het Nederlands
Bijbel Genootschap, die dateert uit 1951.

Gelijkenissen van het Koninkrijk

Matthes heeft In het dertiende hoofdstuk van zijn evangelie acht


gelijkenissen van de Here Jezus te boek gesteld. Ze staan bekend als
gelijkenissen van het koninkrijk omdat de spreker zijn betoog dikwijls
begint met de woorden: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan...
Bovendien komt het woord koninkrijk herhaaldelijk voor in de uitleg die de
verteller van enkele gelijkenissen geeft.
Opbouw van het betoog
De gelijkenissen vallen uiteen in twee groepen van vier. De eerste groep was
voor een ander publiek bestemd en werd op een andere plaats uitgesproken
dan de tweede. Schematisch zouden we dit als volgt kunnen weergeven:
1. Vanaf een schip (uit de zee) gericht tot de menigte op het strand (13:1-2)
A. De zaaier (13:3-9) zaait het woord
B. De mens en zijn vijand (13:24-30) onkruid en tarwe
C. Een mosterdzaad (13:31-32) een bm onder de kruiden
D. Zuurdeeg (13:33) - verborgen
2. In het huis gesproken tot de discipelen (13:36)
D. Een schat (13:44) - verborgen
C. Een koopman (13:45-46) een prel onder de parels
B. Een sleepnet in de zee (13:47-50) goede en rotte vis
A. Een heer des huizes (13:51-52) brengt uit de schat van het woord
Het huis waarvan in vers 1 en vers 36 sprake is, is vermoedelijk de woning
van de Heere in Kapernam. Na de terechtstelling van zijn neef, Johannes de
Doper, had Hij Nazareth verlaten en was gaan wonen in Kapernam dat aan
de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Naftali (Matthes 4:12-16). De zee
waarnaar Hij zich volgens vers 1 begaf, is de zee van Galilea, dat wil
zeggen: het meer van Gennsareth.
Matthes heeft de gelijkenissen doelbewust geordend in de stijlfiguur die
bekend staat als een kruisstelling of een chiasme (ABCDDCBA). De elementen

A horen bij elkaar, evenals de elementen B, de elementen C en de elementen


D. Er bestaat een inhoudelijk verband (of een inhoudelijke tegenstelling)
tussen de eerste en de achtste, de tweede en de zevende, de derde en de
zesde, en de vierde en de vijfde gelijkenis uit de reeks2.
Van twee gelijkenissen geeft Jezus een uitgebreide verklaring. Het is
opvallend dat er dan tussen de gelijkenis en de uitleg steeds een
tekstgedeelte is ingelast. We zouden dit als volgt in een schema kunnen
weergeven:
De zaaier (13:1-9) vertelling van de gelijkenis
INTERMEZZO (13:10-17) waarom spreekt U in gelijkenissen?
Uitleg van de gelijkenis van de zaaier (13:18-23)
Onkruid onder de tarwe (13:24-30) vertelling van de gelijkenis
INTERMEZZO no.1 (13:31-32) gelijkenis van het mosterdzaad
INTERMEZZO no.2 (13:33) gelijkenis van het zuurdeeg
INTERMEZZO no.3 (13:34-35) waarom Jezus in gelijkenissen sprak
Uitleg van de gelijkenis van het onkruid (13:36-43)
Nadat Jezus de gelijkenis van de zaaier had verteld gaf Hij antwoord op de
vraag van de discipelen, waarom Hij tot de menigten in gelijkenissen sprak.
Pas daarna legde hij de gelijkenis van de zaaier uit. Er is blijkbaar verband
tussen het verhaal van de zaaier en de geestelijke toestand van het volk
Isral, die voor de Heere aanleiding was om in gelijkenissen te gaan spreken.
Alvorens Hij de gelijkenis van het onkruid uitlegde vertelde Jezus de
gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdeeg. Bovendien gaf de
evangelist opnieuw antwoord op de vraag, waarom de Messias tot de
menigten in gelijkenissen sprak. Er bestaat blijkbaar een nauw verband
tussen de gelijkenissen van het onkruid, het mosterdzaad en het zuurdeeg.
Daarom heeft Matthes de gelijkenissen van mosterdzaad en zuurdeeg
tussen de gelijkenis van het onkruid en de uitleg geplaatst. Indien de
2

Er zijn ook wel andere structuren voor dit Bijbelgedeelte voorgesteld, bijvoorbeeld
AABBCCDD en ABCCDDB(A). Deze alternatieven berusten op de misvatting dat de
gelijkenissen van het mosterdzaad en de zuurdesem, en ook de gelijkenissen van de
verborgen schat en de parel dezelfde betekenis zouden hebben. De meeste
uitleggers veronderstellen bovendien dat het hoofdstuk niet acht maar zeven
gelijkenissen bevat. Maar in vs.52 vertelt Jezus een achtste gelijkenis door een
parallel te trekken tussen een Schriftgeleerde en een rijke huiseigenaar.

gelijkenis van het onkruid betrekking heeft op een onverwachte en


ongewenste groei, dan is dit bij de gelijkenissen van het mosterdzaad en het
zuurdeeg ook het geval. Omdat de kiem van die ongewenste groei onder de
menigten al aanwezig was, sprak Jezus tot hen in gelijkenissen.
Het koninkrijk der hemelen
Onder het koninkrijk der hemelen verstaat een Israliet niet: een rijk in de
hemelen, maar, zoals de Bijbeltekst dat ook zegt: het rijk van de hemelen.
Het koninkrijk der hemelen vangt aan wanneer de hemelen over de aarde, of
op aarde, beginnen te regeren. Wanneer aan een Jood wordt gevraagd wat
de uitdrukking koninkrijk der hemelen betekent, dan zal hij antwoorden,
dat we dit kunnen lezen in het Bijbelboek Danil, in de uitleg die Danil gaf
van de droom van koning Nebukadnezar:
Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk
oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de
heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan, het zal al die
koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het
bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van
mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het
leem, het zilver en het goud verbrijzelde (Danil 2:44-45)
In een later visioen van Danil werd er ook gesproken over dit rijk:
Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels
kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen,
en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en
koninklijke macht, en alle volken, natin en talen dienden hem. Zijn
heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn
koningschap is een, dat onverderfelijk is (Danil 7:13-14)
En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de
ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des
Allerhoogsten; zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten
zullen het dienen en gehoorzamen (Danil 7:27)
Over het koninkrijk der hemelen wordt in het boek Danil het volgende
gezegd:

1. Rijken die een aardse oorsprong hebben zijn tijdelijk van aard. Na kortere
of langere tijd gaan ze te gronde, doordat de heerschappij van het ene volk
op een ander volk overgaat. Met het rijk dat zijn oorsprong heeft in de
hemelen zal dat niet het geval zijn, de heerschappij daarvan zal op geen
ander volk meer overgaan en in eeuwigheid niet te gronde gaan (Danil
2:44).
2. Het koninkrijk der hemelen zal de wereldrijken vernietigen en in hun
plaats komen. Het zal immers al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan
een einde maken, maar zelf bestaan in eeuwigheid (Danil 2:44). De steen
in de droom van Nebukadnezar die het rijk uitbeeldt, wordt tot een grote
berg, die de hele aarde vult (Danil 2:35).
3. De vorst over het rijk is iemand gelijk een mensenzoon, dat wil zeggen:
een menselijk wezen (Danil 7:13). Maar geen gewoon mens, want hij sterft
niet en wordt nooit oud. Zijn heerschappij is eeuwig (d.w.z. blijvend) en zijn
koningschap is onverderfelijk. Het begint nooit te tanen en het raakt nooit in
verval (Danil 7:14).
4. De vorst over het rijk ontvangt zijn koningschap pas nadat hij met de
wolken des hemels bij de Oude van dagen is gekomen, dat wil zeggen: bij
God (Danil 7:13).
5. De vorst over het rijk heerst over de hele mensheid. Alle volken, natin
en talen dienen hem (Danil 7:14).
6. De vorst over het rijk heerst niet alleen. Onder alle volken, natin en talen
die samen de mensheid vormen is er n volk dat samen met hem de
koninklijke heerschappij uitoefent, het volk van de heiligen des
Allerhoogsten (Danil 7:27). Die naam betekent: het volk dat de
Allerhoogste, de Schepper, op een bijzondere wijze toebehoort en dat door
Hem van alle andere naties is afgezonderd.
7. Het koninkrijk der hemelen is (uiteindelijk) een wereldrijk op aarde, want
aan het heilige volk zal het koningschap, de macht en de grootheid van de
koninkrijken onder de ganse hemel worden gegeven (Danil 7:27).
Bij het Nederlandse woord koninkrijk denken wij aan een natie met een
bepaalde staatsvorm, of aan het grondgebied waarover een koning heerst.
Het Bijbelse begrip basileia heeft echter in de eerste plaats betrekking op het

gezag van de vorst, of de koninklijke waardigheid waarmee hij is bekleed.


Basileia kan zowel koninkrijk als koningschap betekenen. Een man van
hoge geboorte kan naar een ver land reizen om voor zich een koninkrijk te
ontvangen (d.w.z. het koningschap te ontvangen) en naar zijn onderdanen
terug te keren (Lukas 19:12). Het koninkrijk der hemelen is niet de hemel of
een bepaald gebied in de hemelen, maar bestaat uit mensen die het gezag
van de hemelen d.w.z. van God, over hun levens erkennen en ervaren.
Uiteindelijk zal de hele mensheid dat doen. Momenteel bevat het rijk nog
zowel onkruid als tarwe (Matthes 13:36-43). Pas bij de voleinding van de
eeuw zal de Zoon des mensen...
zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen alle
aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen (13:40-41)
In vers 41 heeft het woord koninkrijk betrekking op de eerder genoemde
akker waarin onkruid was gezaaid, en die akker is de wereld (vers 38), het
totale grondgebied waarover de Messias eens zal heersen (Danil 2:35, 7:14,
7:27; Psalm 2:8). De gelijkenissen van het koninkrijk hebben dus betrekking
op de godsdienstige ontwikkelingen op aarde tussen de eerste en de tweede
komst van Christus.
Voorgeschiedenis
Toen Jezus de gelijkenissen van het koninkrijk vertelde was Hij op een
beslissend keerpunt in zijn optreden gekomen. Zowel Johannes de Doper
(Matthes 3:1-2) als Jezus (Matthes 4:17) en Zijn discipelen (Matthes 10:7)
hadden Isral opgeroepen tot bekering, op grond van het goede nieuws dat
het koninkrijk der hemelen nabij was gekomen. Johannes deed geen enkel
teken (Johannes 10:41) maar de Heere en Zijn discipelen lieten zien dat het
rijk nabij was door zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen te
reinigen en demonen uit te drijven (Matthes 10:8). Toch nam Isral hun
oproep niet ter harte.
De farizeen hadden beweerd dat Jezus zijn wonderen niet verrichtte door
de macht van God maar door de macht van de duivel (Matthes 13:22-32).
Ze hadden zoveel afkeer van de rabbi uit Nazareth, dat ze plannen
beraamden om Hem uit de weg te ruimen (Matthes 13:14). En ook het volk
kwam niet tot bekering. De tijdgenoten van Jezus waren een boos en
overspelig geslacht, slechter dan de (heidense) inwoners van Ninev ten
tijde van Jona of de (heidense) koningin van Scheba ten tijde van Salomo. De

mannen van Ninev hadden naar Jona geluisterd, en de koningin van Scheba
had er een verre reis voor over gehad om naar Salomo te kunnen luisteren.
Maar Isral luisterde niet naar het woord van God (Matthes 12:38-42). Hun
hart was vet geworden en hun oren waren hardhorend geworden en hun
ogen hadden zij gesloten (Matthes 13:15). Al kijkend zagen ze niet en al
horend luisterden of begrepen ze niet. Jezus dorpsgenoten meenden Hem
door en door te kennen. Ze vonden dat die eenvoudige timmermanszoon
niet zoveel kapsones moest hebben (Matthes 13:53-58). De afwijzende
houding van het volk en zijn leiders was voor Jezus aanleiding om
gelijkenissen te gaan vertellen (Matthes 13:13-15). Aan de hand van deze
verhalen laat Hij zien wat er zou gaan gebeuren nu het volk haar koning had
verworpen.
Doel van de gelijkenissen
Jezus omschreef het doel van de gelijkenissen als volgt:
1. Ze betroffen de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen
(Matthes 13:11): ontwikkelingen van het rijk, die in de profetische Schriften
niet of slechts op verhulde wijze waren voorzegd en die door de Joodse
hoorders niet werden verwacht (Matthes 13:35).
2. Ze zouden bij het gehoor tweerlei uitwerking hebben. Wie bereid was om
te leren en Jezus naar de gelijkenissen vroeg, ontving uitleg en kreeg een
groeiend inzicht in Gods bedoelingen. Wie alles al meende te weten, of
alleen belust was op sensatie en lichamelijke genezing, zou van de verhalen
echter niets begrijpen. Aan wie had, zou worden gegeven en hij zou
overvloed hebben. Wie echter niet had, zou zelfs worden ontnomen wat
hij nog had (Matthes 13:12).
Vanwege deze tweevoudige bedoeling (onthullen voor de gelovigen,
verhullen voor de ongelovigen) zijn de gelijkenissen in twee reeksen van vier
geordend. De reeks voor de menigten (Matthes 13:1-33) laat zien dat het
rijk dat nabij was (in de persoon van de koning) zich niet volgens de gangbare
verwachtingen zou ontwikkelen. De reeks voor de discipelen (Matthes
13:36-51) laat zien wat God ondanks deze ontsporing zou gaan doen en hoe
het beloofde rijk uiteindelijk toch volmaakt gestalte zou krijgen.
Dat de eerste reeks een negatieve strekking heeft blijkt uit het volgende:

a. Goed zaad dat op onbewerkte grond terechtkomt brengt geen


vrucht voort (13:1-8).
b. Hoewel er alleen goed zaad in de akker is geplant, schiet er giftig
onkruid op dat een vijand stiekem heeft uitgezaaid (13:24-30).
c. Een klein zaadje dat geacht werd om zich tot een fors kruid te
ontwikkelen wordt een boom waarin vogels nestelen (13:31-32).
Zulke dieren pikken het zaad van de landeigenaar weg (13:4).
d. Een stukje zuurdeeg dat in meel wordt verborgen maakt al het meel
zuur (13:33).
De tweede reeks heeft echter een positieve strekking:
a. Het vinden van een schat leidt tot grote blijdschap bij de vinder, die
alles opoffert om de akker met de schat te kunnen kopen (13:44).
b. Een koopman vindt een kostbare parel en verkoopt al zijn
bezittingen om dat unieke sieraad te verwerven (13:45-46).
c. Een sleepnet dat in de zee is geworpen raakt vol en er wordt veel
goede vis verzameld (13:47-50).
d. Een huiseigenaar brengt uit zijn schat nieuwe en oude dingen voort
(13:51-52).
Details onbelangrijk?
Theologen beweren dat we niet aan elk detail van de gelijkenissen betekenis
mogen hechten. Een allegorie is een verzonnen verhaal waarin elk detail
betekenis heeft. Maar een gelijkenis is een verhaal over het dagelijks leven
dat (volgens de theologen) slechts n geestelijke waarheid illustreert. De
meeste details van een gelijkenis zouden verband houden met de

beschreven gebeurtenis uit het dagelijks leven, maar niet zijn bedoeld om
geestelijke informatie over te dragen3.
Op het eerste gezicht lijkt deze bewering aannemelijk. De gelijkenis van de
barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37) geeft antwoord op de vraag: Wie
is mijn naaste? (Lukas 10:29). Zodra een Bijbellezer andere vragen begint te
stellen: Wie waren de rovers? Hoeveel rovers waren er? Wat betekenen het
verband, de olie en de wijn? Wat stelt het rijdier voor? In welke stad stond
de herberg? Waarom betaalde de Samaritaan met denaren? Waarom gaf hij
er twee? Waar ging de Samaritaan heen nadat hij het slachtoffer bij de
herbergier had achtergelaten?, dan begeeft hij zich buiten de in de Schrift
gemarkeerde paden. Zulke vragen worden in de Bijbel niet gesteld.
Toch kunnen we de opvatting van de theologen niet aanvaarden. Want wie is
bevoegd om te bepalen welke details van een gelijkenis van belang zijn en
welke niet? Kan dit op grond van objectieve criteria worden vastgesteld? Zou
er in de Bijbel werkelijk iets staan dat geen betekenis heeft? Zodat lezers het
kunnen negeren, zonder de boodschap geweld aan te doen? Moeten we op
gezag van experts aanvaarden dat bepaalde woorden van Jezus van belang
zijn, terwijl andere woorden er minder toe doen? Het gezag van de Schrift is
daarvoor te groot. Ook al begrijpen wij niet waarom details worden vermeld
of juist worden weggelaten, God heeft hier stellig een bedoeling mee gehad.
We kunnen niet op voorhand aannemen dat details die de evangelisten
vermelden onbelangrijk zijn.
In de uitleg die Jezus van de gelijkenis van de zaaier geeft blijken de details
van het verhaal juist wel betekenis te hebben: de zaaier, het zaad, de vier
soorten grond, de vogels en de dorens (Matthes 13:18-23). In de uitleg van
de gelijkenis van het onkruid is dat ook het geval. De boer, de akker, de
tarwe, het onkruid, de vijand, de oogst en de maaiers hebben allemaal
betekenis (Matthes 13:36-43)4. Het is daarom onverstandig om op de
details van de gelijkenissen geen acht te slaan.

Zie b.v. George Eldon Ladd, The Gospel of the Kingdom, Grand Rapids: Eerdmans
st
1994 [1 ed. 1959], p.59-60 voor een uiteenzetting van deze visie.

Arthur W.Pink heeft in dit verband terecht geschreven: There are some who decry
the idea that we should seek for a meaning to every detail in our Lords parables,
and tell us we should be content with discovering its general significance. But such a
loose conception is manifestly condemned by Christs own example. In His

10

Identieke betekenissen?
Met de genoemde opvatting hangt een tweede kwestie samen. In sommige
Bijbelcommentaren wordt beweerd dat uiteenlopende gelijkenissen dezelfde
betekenis hebben. De gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdeeg
zouden dezelfde waarheid prediken. Ook de gelijkenis van de schat in de
akker en de kostbare parel zouden dezelfde strekking hebben.
Zulke denkbeelden kunnen alleen maar ontstaan door de verschillen tussen
de gelijkenissen te negeren, en aan menselijke meningen meer gewicht toe
te kennen dan aan het woord van God. Wanneer twee Bijbelverhalen precies
dezelfde betekenis zouden hebben, zou n van de twee kunnen worden
geschrapt zonder verlies van informatie. Maar dat was niet de
Schriftopvatting van de Here Jezus. Volgens Hem hadden zelfs de leestekens
in de Torah en de profeten betekenis, geen enkele daarvan kon worden
gemist (Matthes 5:18, Lukas 16:17).
Gemakkelijk te begrijpen?
Een derde misvatting betreft het doel van de gelijkenissen. Velen menen dat
gelijkenissen bedoeld waren om het onderwijs van Jezus te verduidelijken.
Zelfs eenvoudige hoorders zouden zulke verhalen nog kunnen begrijpen en
ze gemakkelijk kunnen onthouden. Volgens de Bijbel is echter het tegendeel
het geval. Gelijkenissen waren niet bedoeld om Jezus boodschap voor de
menigten te verduidelijken, maar om die te verhullen (Matthes 13:10-17).
Alleen de leerlingen, die hun leraar naar de betekenis van de verhalen
vroegen, was het gegeven om de verborgenheden van het koninkrijk der
hemelen te kennen (vs.11). Aan de menigten was dit niet gegeven. Uit het
tweeledig doel van de gelijkenissen (verhullen voor de menigten, openbaren
aan de discipelen) blijkt dat we er niet voetstoots van uit kunnen gaan dat
we de betekenis van Jezus woorden begrijpen. De algemeen aanvaarde
uitleg van de gelijkenissen is waarschijnlijk onjuist. Want de menigten
begrepen niet wat Jezus met zijn gelijkenissen wilde zeggen. Toch bestonden
die menigten uit Joden die de Schriften van jongs af kenden!
* * * * * * *
interpretation He gave a meaning to every detail (in: The Prophetic Parables of
Matthew 13, Summer Hill, NSW, Australia: Studies in the Scriptures, 1927, eind van
het artikel over de gelijkenis van de zaaier)

11

12

De zaaier
De gelijkenis van de zaaier is overgeleverd in alle synoptische evangelin
(Matthes 13:1-9, Markus 4:1-9 en Lukas 8:4-8). Een uitleg van deze
gelijkenis is vastgelegd in Matthes 13:18-23, Markus 4:13-20 en Lukas 8:1115.
Jezus zei:
Zie, de zaaier ging uit om te zaaien. En terwijl hij zaaide, vielen sommige
zaden bij de weg, en de vogels kwamen en aten ze op. Andere nu vielen op de
rotsachtige bodems, waar ze niet veel aarde hadden, en ze kwamen terstond
op, doordat ze geen diepe aarde hadden. Toen echter de zon was opgegaan,
verschroeiden ze, en doordat ze geen wortel hadden, verdorden ze. Andere
zaden nu vielen tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten ze.
Andere zaden nu vielen in de goede aarde en gaven vrucht, het ene honderd-,
het andere zestig- en het andere dertigvoudig. Wie oren heeft om te horen,
laat hij horen (Matthes 13:3-9)
Tussen de weergave van de drie evangelisten bestaan sterke overeenkomsten, maar ook verschillen. Bij alle evangelisten is de volgorde dezelfde:
1. zaad bij de weg wordt opgegeten, 2. zaad op de rotsgrond kiemt snel maar
verdort in de middaghitte, 3. zaad tussen de dorens wordt verstikt en 4. zaad
in goede aarde draagt vrucht. Matthes spreekt over honderd-, zestig- en
dertigvoudige opbrengst; Markus draait deze volgorde om en spreekt van
dertig-, zestig- en honderdvoudige vrucht. In tegenstelling tot de overige
evangelisten noemt Lukas alleen honderdvoudige vrucht (Lukas 8:8). Hij
vertelt als enige dat zaad bij de weg niet alleen wordt opgegeten maar ook
wordt vertrapt. Verder spreekt hij niet over vogels zonder nadere
aanduiding, maar over vogels van de hemel (Lukas 8:5). En hij vermeldt dat
het zaad op de rotsgrond verdorde omdat het geen vochtigheid had (Lukas
8:6).
De symbolen van de gelijkenis
Van de symbolen in de gelijkenis gaf Jezus de volgende verklaring:

13

1. Het zaad gebruikte Hij als beeld van het woord (Markus 4:14), meer
specifiek het woord van het koninkrijk (Matthes 13:18) of het woord van
God (Lukas 8:11).
2. Van de zaaier gaf Hij geen verklaring. Maar dat was ook niet nodig. Indien
het zaad het woord van God is, dan kan de zaaier (althans in laatste
instantie) niemand anders zijn dan God zelf.
3. De weg is een aanduiding van keiharde grond, die volledig ongeschikt is
voor het kiemen van zaad. Jezus gebruikte die als beeld van een hoorder die
het woord niet begrijpt (Matthes 13:18).
4. Vogels zijn een beeld van handlangers van Gods tegenstander. Matthes
noemt hem de Boze (Matthes 13:18), Markus de satan (Markus 4:15),
en Lukas de duivel (Lukas 8:12). Vogels zijn er in het dagelijks leven als de
kippen bij om zaad dat open en bloot ligt op te eten.
5. Het opeten van het zaad staat model voor: het woord wegnemen
(Markus 4:15, Lukas 8:12) of wegroven (Matthes 13:18). Handlangers van
de Boze roven het woord weg opdat de hoorders niet geloven en behouden
worden (Lukas 8:12). Zij willen voorkomen dat een hoorder het onthoudt en
het begrijpt.
6. Rotsachtige bodems zijn plaatsen met ondiepe aarde, waar het zaad niet
echt wortel kan schieten en de hoeveelheid vocht beperkt is. Zaad dat daar
valt kiemt snel omdat ondiepe aarde spoedig warm wordt, maar bij gebrek
aan vocht gaat de kiemplant ook weer snel te gronde. De rotsachtige
bodems zijn een beeld van oppervlakkige hoorders die niet diepgaand door
het woord worden benvloed. Ze nemen het woord terstond met vreugde
aan(Matthes 13:20, Markus 4:16, Lukas 8:13), maar zijn mensen van het
ogenblik (Matthes 13:21, Markus 4:16). Ze geloven voor een tijd (Lukas
8:13) en hebben geen wortel in zichzelf (Matthes 13:21, Markus 4:16,
Lukas 8:13).
7. Het opgaan van de zon staat model voor hitte en droogte die het leven
van de kiemplant bedreigen. Volgens Jezus is dit een beeld van
geloofsvervolging, verdrukking en beproeving (Matthes 13:21, Markus 4:17,
Lukas 8:13).

14

8. Bij gebrek aan water kan een kiemplant door de zonnehitte verschroeien
en verdorren. Jezus verklaarde dit als een aanduiding van afvallig worden en
het geloof verliezen (Matthes 13:21, Markus 4:17, Lukas 8:13)
9. Wanneer zaad tussen de dorens valt, zal blijken dat distels sneller groeien
dan het jonge graan. In de gelijkenis is dit een beeld van aardse
beslommeringen die alle aandacht opeisen en na kortere of langere tijd geen
ruimte voor het woord meer overlaten. Het kan gaan om zorgen (Matthes
13:22, Markus 4:19, Lukas 8:14), maar ook om het bedrieglijke van de
rijkdom (Matthes 13:22, Markus 4:19) dat Jezus omschrijft als de jacht om
steeds mr te bezitten (Markus 4:19), en het najagen van de genietingen
van het leven (Lukas 8:14).
10. Goede aarde is een aanduiding van grond die zodanig is voorbewerkt dat
aan alle voorwaarden voor de ontwikkeling van het zaad is voldaan. Volgens
Jezus is dit een beeld van hoorders die diepgaand en blijvend door het woord
worden benvloed omdat ze het begrijpen en het ter harte nemen (Matthes
13:23, Markus 4:20, Lukas 8:15). Het woord draagt in hun levens vrucht. De
oogst waarop de zaaier had gehoopt ontstaat.
De volgorde van de grondsoorten
De gelijkenis van de zaaier wordt doorgaans uitgelegd alsof deze zou leren
dat waar en wanneer het woord van God ook maar verkondigd wordt, er
altijd vier soorten hoorders zijn, terwijl het woord slechts bij n van de vier
het beoogde resultaat te weeg brengt. Let op hoe je luistert, zou Jezus
willen zeggen, Begrijp je wel wat je hoort? Heb je de kosten van
gehoorzaamheid wel berekend? Heb je het onkruid in je hart wel
opgeruimd? Ben je wel voldoende op je hoede voor wereldse invloeden?
Onjuist is deze verklaring niet, maar wel onvolledig. Indien de gelijkenis
bedoelde te leren dat er altijd en overal vier soorten hoorders zijn, dan zou
de volgorde van de grondsoorten er weinig toe doen. Maar alle evangelisten
vermelden de grondsoorten in dezelfde volgorde. Het zaad ontwikkelt zich in
elke volgende grondsoort een stukje verder, om uiteindelijk tot volle
wasdom te komen.

15

1. Zaad bij de weg: Kiemt niet, wordt door de vogels weggeroofd of


door de mensen platgetrapt vr het kiemen kan.
2. Zaad op de rotsgrond: Kiemt, maar het kiemplantje verdort in een
vroeg ontwikkelingsstadium.
3. Zaad tussen de dorens: Kiemt en ontwikkelt zich normaal, maar de
kiemplant wordt uiteindelijk verstikt door het sneller groeiende
onkruid.
4. Zaad in goede aarde: Ontwikkelt zich volledig en draagt vrucht.
Bij elke volgende grondsoort blijft het zaad langer aanwezig. De volgorde van
de grondsoorten weerspiegelt voortgaande ontwikkeling en is daarom ook
een volgorde in de tijd.
De gelijkenis begint met het uitstrooien van het zaad, maar eindigt met de
oogst. Pas in de oogsttijd kan men immers vaststellen hoeveel vrucht het
zaad heeft voortgebracht. In de gelijkenissen die Jezus vertelde is de
oogsttijd een beeld van de voleinding van de eeuw (Matthes 13:39,49):
de komst van het koninkrijk met kracht, het moment waarop onkruid en
tarwe worden gescheiden (Matthes 13:30)5. De gelijkenis van de zaaier
vertelt over vergeefse inspanning en een teleurstellend resultaat, maar bevat
ook een hoopvolle profetie voor de toekomst. Tijdens het uitstrooien van het
zaad lijkt het alsof er van het jonge gewas niets terecht komt. Maar in de
oogsttijd blijkt dat het zaad wel degelijk vrucht heeft voortgebracht, tegen
ieders verwachting in en alle verwachtingen overtreffend. Tot
honderdvoudige vrucht toe. Er staat immers geschreven:
Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet
weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en
doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, zo zal
mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn: het zal niet ledig tot Mij
wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe
Ik het zend (Jesaja 55:10-11)

Op deze eschatologische betekenis van de gelijkenis van de zaaier is gewezen


door Joachim Jeremias (Die Gleichnisse Jesu [Kurzausagabe], Gtersloher
Verlagshaus Gerd Mohn 1976, 6. Auflage, p.101-102). In de meeste Bijbelcommentaren wordt deze betekenis over het hoofd gezien.

16

In de gangbare uitleg wordt de gelijkenis van de zaaier betrokken op het


gedrag van individuen. Hoorders worden vermaand om zich te onderzoeken
en om na te gaan hoe ze naar het woord van God luisteren.
Maar in het verhaal dat Jezus vertelde ligt de nadruk op de ontwikkeling van
het zaad. De gelijkenis betreft niet de redding van de enkeling maar de groei
en de opbrengst van het gezaaide woord. Het verhaal loopt uit op het
binnenhalen van de oogst nadat de boer met veel volharding zijn land heeft
ingezaaid. Ondanks het feit dat er aanvankelijk van een oogst niets terecht
leek te komen, is er uiteindelijk toch sprake van vrucht.
In de richting van een verklaring
De zaaier zaait het woord van God (Lukas 8:11), te weten het woord van het
koninkrijk (Matthes 13:18). Wat God laat verkondigen, is de boodschap:
Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (Matthes
3:2, 4:17, 10:7).
In het land Isral heeft deze boodschap drie maal geklonken6. Allereerst uit
de mond van Johannes de Doper (Matthes 3:2). Vele inwoners van Juda en
de Jordaanstreek kwamen naar Johannes toe en lieten zich door hem dopen
(Matthes 3:5-6). Zelfs enkele farizeen en sadduceen gingen naar de
profeet luisteren, maar bij hen was er van geloof of ommekeer geen sprake
(Matthes 3:7-10, 21:32; Lukas 3:7-9). De missie van Johannes had geen
blijvend resultaat. De leiders van het volk bleven boos en overspelig
(Matthes 12:39). Volgens Jezus hadden Zijn tijdgenoten niet naar Johannes
geluisterd:
Van de dagen nu van Johannes de Doper tot nu toe wordt het koninkrijk der
hemelen met geweld ingenomen [of: geweld aangedaan], en geweldenaars
rukken het weg. Want alle profeten en de wet hebben tot op Johannes
geprofeteerd. En als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen. Wie oren
6

Op de viervoudige vervulling van de gelijkenis van de zaaier in de geschiedenis van


het volk Isral is o.a. gewezen door G.J.Pauptit (Uit Israls Profetie, Den Haag: Uit de
Schriften, 1933, p.306 en 344-345) en door E.W.Bullinger (Companion Bible,
aantekeningen bij Matthes 13).

17

heeft om te horen, laat hij horen. Met wie echter zal Ik dit geslacht
vergelijken? Het is gelijk aan kinderen die op markten zitten en de anderen de
woorden toeroepen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie
hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en jullie hebben
niet geweeklaagd. Want Johannes is gekomen zonder te eten en te drinken,
en zij zeggen: Een demon heeft hij. De Zoon des mensen is gekomen en heeft
gegeten en gedronken, en zij zeggen: Zie, een mens die een gulzigaard en
wijndrinker is, een vriend van tollenaars en zondaars... (Matthes 11:12-19)
In de Griekse tekst van Matthes 11:12 wordt voor wegrukken hetzelfde
werkwoord (harpazoo) gebruikt als in Matthes 13:19: Als iemand het
woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft
weg (Gr. rukt weg) wat in zijn hart was gezaaid. Het optreden van Johannes
was in veel opzichten te vergelijken met zaaien bij de weg. De vogels zijn
gekomen en hebben het zaad opgegeten.
Voor de tweede maal klonk het woord uit de mond van Jezus en zijn
discipelen (Matthes 4:17, 10:7). Aangezien Jezus wonderen deed om te
bewijzen dat het rijk nabij was (Markus 16:20, Hebreen 6:5), kwamen grote
mensenmassas op Hem af en werd Hij door vele nieuwsgierigen gevolgd.
Maar de godsdienstige leiders beweerden dat Hij demonen uitdreef met
hulp van Belzebul, de overste van de demonen (Matthes 9:34,10:25,
12:24). De belangstelling van de menigten was vluchtig en hield geen stand.
De meesten lieten Jezus weer spoedig in de steek (Lukas 4:28-30, Johannes
6:66). Het volk koos Barabbas en liet de rabbi uit Nazareth vallen (Matthes
27:21-26). Het optreden van Jezus en zijn discipelen was te vergelijken met
zaaien op rotsachtige bodem. Velen leken oprechte belangstelling te
hebben en de boodschap te aanvaarden, maar die belangstelling begon
spoedig te tanen.
Voor de derde keer klonk het woord van het koninkrijk uit de mond van de
apostelen - nadat Jezus uit de doden was opgestaan en de Heilige Geest was
uitgestort:
Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat
de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer en Hij de
voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt, die de hemel moet opnemen tot

18

op de tijden van de herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken
door de mond van zijn heilige profeten van oudsher (Handelingen 3:19-21).
De oproep van de apostelen had aanvankelijk groot succes. Er werden velen
aan de gemeente toegevoegd (Handelingen 2:41,47; 6:7). Maar Lukas schetst
ook toenemende tegenstand en afwijzing vanuit Isral, die uitliep op de
steniging van Stefanus en op felle vervolging van de aanhangers van de
weg (Handelingen 7:54-8:3). Dorens en distels groeiden sneller dan het
goede zaad. Toen de verwoesting van Jeruzalem voor de deur stond schreef
de auteur van de brief aan de Hebreen over de situatie in Isral:
... het is onmogelijk hen die eens verlicht zijn geweest en van de hemelse
gave geproefd hebben en deelgenoten van de Heilige Geest geworden zijn, en
het goede woord van God en de krachten van de toekomstige eeuw geproefd
hebben en afgevallen zijn, nog eens te vernieuwen tot bekering, daar zij voor
zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken.
Want de grond die de dikwijls daarop komende regen indrinkt en nuttig
gewas voortbrengt voor hen ten behoeve van wie hij ook bebouwd wordt,
ontvangt zegen van God; maar als hij dorens en distels voortbrengt, is hij
verwerpelijk en de vervloeking nabij, en het einde ervan leidt tot
verbranding (Hebreen 6:4-8)
Omdat na verloop van enkele decennia de meeste gelovigen afvallig waren
geworden en Isral dorens en distels had voortgebracht, werd het land in
het jaar 70 verwoest door de Romeinen.
Uit de gelijkenis die Jezus vertelde blijkt dat het woord van het koninkrijk nog
nmaal zal klinken, en dan in goede, dat wil zeggen goed voorbereide,
aarde zal vallen. Dat zal zijn in het tijdperk dat voorafgaat aan de oogst, in
de voleinding van de eeuw. De HERE heeft aangaande Zijn volk beloofd:
Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN
komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der
kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban
(Maleachi 4:5)
Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want mijn
toorn keert zich van hen af (Hosea 14:5)

19

Vervuld zal deze belofte worden wanneer de verschijning van de Messias


nabij is, opdat de heilige rest van Isral het koninkrijk der hemelen kan
binnengaan. Bekeerde Isralieten zullen dan tegenover de volken van het
komende rijk getuigen. Want Jezus heeft gezegd:
...Dit evangelie van het koninkrijk [d.w.z. het goede nieuws dat het rijk nabij
is] zal over het hele aardrijk worden gepredikt tot een getuigenis voor alle
volken, en dan zal het einde komen (Matthes 24:14)
Evenals andere gelijkenissen ziet de gelijkenis van de zaaier uit naar de
oogst: het moment waarop de vrucht wordt ingezameld en de opbrengst van
de akker wordt vastgesteld.
* * * * * * *

20

Het onkruid

De gelijkenis van het onkruid is alleen door Matthes opgetekend. Tegen de


menigten zei Jezus het volgende:
Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens die goed zaad
in zijn akker zaaide. Terwijl echter de mensen sliepen, kwam zijn vijand en
zaaide dolik midden tussen de tarwe en ging weg. Toen nu het graan
opkwam en vrucht voortbracht, toen kwam ook de dolik te voorschijn. De
slaven van de heer des huizes nu kwamen en zeiden tot hem: Heer, hebt u
niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar heeft hij dan dolik vandaan? Hij
nu zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De slaven nu zeiden tot
hem: Wilt u dan dat wij het gaan verzamelen? Hij echter zei: Nee, opdat u bij
het verzamelen van de dolik niet misschien tegelijk daarmee de tarwe
uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst; en in de oogsttijd zal ik tot
de maaiers zeggen: Verzamelt eerst de dolik en bindt het in bossen om het te
verbranden, maar brengt de tarwe bijeen in mijn schuur (Matthes 13:2430)
De uitleg
Ook van deze gelijkenis heeft de Heere een uitleg gegeven. Een verslag
daarvan vinden we in Matthes 13:36-43. Van zeven symbolen in het verhaal
gaf Hij een verklaring:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.

Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen (vs.37)
De akker is de wereld (vs.38)
Het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk (vs.38)
De dolik zijn de zonen van de boze (vs.39)
De vijand die het gezaaid heeft is de duivel (vs.39)
De oogst is de voleinding van de eeuw (vs.39)
De maaiers zijn de engelen (vs.39)

Het is opmerkelijk dat de uitleg van de Heiland niet onmiddellijk op de


gelijkenis volgt, maar pas werd gegeven nadat Hij twee andere gelijkenissen
had verteld: het verhaal van het mosterdzaad en van het zuurdeeg. Blijkbaar
bestaat er tussen deze drie gelijkenissen een inhoudelijk verband; ze zijn
door de evangelist opzettelijk op deze manier gegroepeerd.

21

Dolik
Dolik (Gr. zizania, botanische naam Lolium temulentum) is een gras dat in
jonge toestand op tarwe lijkt en er alleen maar door experts van kan worden
onderscheiden7. Pas wanneer tarwe en dolik beginnen te bloeien, wordt het
verschil tussen beide gewassen duidelijk. De aartjes van dolik staan met de
smalle zijkant naar de as van de hoofdaar gericht, bij tarwe is dat de brede
zijkant.
Dolik heeft weinig voedingswaarde en vormt een bedreiging voor de
gezondheid. Aartjes van het gras zijn vaak genfecteerd met een schimmel
(Neotyphodium coenophialum) die duizeligheid, stoornissen van het
gezichtsvermogen, en bij hoge dosering blindheid en dood kan veroorzaken.
Vandaar dat dolik in artikel 536 van het Belgische Wetboek van Strafrecht
wordt vermeld:
...wordt gestraft hij die kwaadwillig... zaad van dolik of van enig ander
schadelijk kruid of gewas op een akker strooit..."
Wat de vijand van de landeigenaar in de gelijkenis deed, wordt in de
Belgische wet verboden. De vijand zaaide onkruid terwijl de mensen
sliepen, zodat niemand hem op heterdaad zou betrappen en voor het
gerecht zou slepen.
Voor Joodse hoorders was dolik een bekende plant. De patriarch Job
verklaarde dat hij zijn pachters altijd rechtvaardig had behandeld:
Indien mijn akker over mij heeft gejammerd en zijn voren altezamen hebben
geweend, indien ik zijn opbrengst heb verteerd zonder te betalen en de ziel
van zijn bezitters heb bedroefd, dan mogen dorens voor tarwe opschieten, en
onkruid voor gerst (Job 31:38-40).

Volgens E.W.Bullinger, de schrijver van de Companion Bible, zou het Griekse woord
zizania een aanduiding zijn van zewan of sewan gras (Lasiurus scindicus, ook bekend
onder de naam Saccharum hirsutum). Zewan lijkt echter niet op tarwe en is niet
giftig (hoewel Bullinger het tegendeel beweert).

22

Het Hebreeuwse woord voor onkruid (boshah, Job 31:40) is een


aanduiding van dolik. In tegenstelling tot de waardevolle tarwe en gerst was
dolik een onnut en schadelijk gewas.
Zonen van het koninkrijk
De uitdrukking zonen van het koninkrijk komt in de Griekse schriften op
meerdere plaatsen voor. Matthes had hem in zijn evangelie al eerder
gebruikt. Naar aanleiding van het grote geloof van de Romeinse centurio in
Kapernam zei Jezus:
Voorwaar, Ik zeg u, bij niemand heb ik zon groot geloof in Isral gevonden.
Ik zeg u echter, dat velen zullen komen van oost en west en met Abraham,
Izak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk der hemelen; de zonen van
het koninkrijk echter zullen worden uitgeworpen in de buitenste duisternis;
daar zal het geween zijn en het tandengeknars (Matthes 8:12)
Zonen van het koninkrijk is hier een synoniem van nakomelingen van
Abraham, Izak en Jakob dat wil zeggen: Isralieten. Toen de feestvreugde
aanbrak, werden deze zonen uitgeworpen, ze konden geen straaltje licht
meer ontwaren. Maar ze droegen nog steeds hun eretitel; het bleven zonen
van het rijk. Matthes 8:12 is vervuld toen de deur van het geloof werd
opengezet voor de heidenen en het Joodse land in het jaar 70 werd verwoest
door de Romeinen.
Zonen van het koninkrijk is een hebrasme. In de Griekse schriften vinden
we verwante uitdrukkingen, sommige met een positieve en andere met een
negatieve betekenis:
Positief
zonen van het licht (Lukas 16:8, Johannes 12:36, 1 Thessalonicenzen 5:5)
zonen van de dag (1 Thessalonicenzen 5:5)
kinderen van het licht (Efeze 5:8)
zonen van de opstanding (Lukas 20:36)
mens van God (1 Timothes 6:11, 2 Timothes 3:17)
kinderen van de belofte (Romeinen 9:8, Galaten 4:28)
Negatief
zonen van de ongehoorzaamheid (Efeze 2:2, 5:6; Kolossenzen 3:6)
kinderen van de toorn (Efeze 2:3)

23

zonen van deze eeuw(Lukas 16:8, 20:34)


zoon van het verderf (Johannes 17:12, 2 Thessalonicenzen 2:3)
mens van de zonde (2 Thessalonicenzen 2:3)
kinderen van het vlees(Romeinen 9:8)
De tweede naamval geeft aan dat het bestaan van deze mensen wordt
gekenmerkt door wat volgt. Zonen van het koninkrijk kunnen mensen zijn
die het woord van het koninkrijk ter harte hebben genomen, die in hun
dagelijks leven de heerschappij van God erkennen, of die door de Schepper
voor dat (toekomstige) rijk zijn bestemd. In Matthes 13:43 blijkt dat de
rechtvaardigen een synoniem is van de zonen van het koninkrijk
(Matthes 13:38). Het gaat om mensen die God op Zijn woord geloven
want God rekent geloof tot gerechtigheid (Romeinen 4:5-8).
Bij een latere gelegenheid zei de Heere tegen zijn discipelen:
Laat de kinderen [begaan] en verhindert ze niet bij Mij te komen; want van
de zodanigen is het koninkrijk der hemelen (Matthes 19:14, Markus 10:14,
Lukas 18:16).
Hij verklaarde zelf wat het punt van vergelijking tussen (kleine) kinderen en
zonen van het koninkrijk was:
Op dat uur kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie is toch de grootste
in het koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind bij zich, plaatste het in hun
midden en zei: Voorwaar, Ik zeg u: als u niet verandert en wordt als de
kinderen, zult u het koninkrijk der hemelen geenszins binnengaan. Wie dan
zichzelf zal vernederen als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der
hemelen, en wie n zon kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Wie
echter n van deze kleinen die in Mij geloven, een aanleiding tot vallen is,
het zou nuttig voor hem zijn dat een molensteen om zijn hals werd gehangen
en hij in de diepte van de zee zou zinken (Matthes 18:1-6)
Kleine kinderen vernederen zichzelf, dat wil zeggen: ze denken gering van
zichzelf. Ze gaan niet prat op eigen werken of prestaties, maar ze verwachten
alles van hun vader en moeder, of van volwassenen in hun omgeving. Zonen
van het koninkrijk zijn mensen die alles van God en zijn Messias verwachten.
Maar hun omgeving plaatst vraagtekens bij dat geloof, maakt het belachelijk
en verzet zich er tegen.

24

Over zulke aanleidingen tot vallen, personen die voor anderen een
struikelblok zijn en hen belemmeren om het koninkrijk der hemelen in te
gaan, spreekt Jezus ook in de gelijkenis van het onkruid.
Zonen van de boze
Bij de uitdrukking zonen van de boze denken wij aan mensen die zich
buiten de kring van de gelovigen bevinden, misdadigers die met God of
gebod geen rekening houden en die nergens voor terugdeinzen. Maar dat is
niet de betekenis die de Bijbelschrijvers aan de uitdrukking hechtten.
Zonen van de boze worden in de Griekse schriften op meerdere plaatsen
vermeld. Onder andere in de volgende tekst:
Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u, de twaalf, uitverkoren? En n van u is
een duivel. Hij nu sprak van Judas Iskariot, [de zoon] van Simon; want die zou
Hem overleveren, n van de twaalf (Johannes 6:70)
Judas was een godsdienstig mens en een discipel. In een Messias die de weg
van de vernedering moest gaan, kon hij echter niet geloven. Een succesvolle,
overwinnende Messias was de leider naar wie hij verlangde.
In het Johannes-evangelie lezen we hoe Jezus tegen zijn tijdgenoten zei:
Waarom kent u mijn spraak niet? Omdat u mijn woord niet kunt horen. U
bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die
was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid,
omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij
uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan. Maar omdat Ik de
waarheid zeg, gelooft u Mij niet (Johannes 8:43-45)
Volgens de evangelist richtte Jezus zich hier tot Joden die in Hem
geloofden (Johannes 8:31). Hij had hun boosheid opgewekt door hen slaven
van de zonde te noemen (vers 34) en te ontkennen dat ze kinderen van God
waren (vers 42). Vanwege die opmerkingen waren ze moordlustig geworden.
Zo kwam hun ware aard op schrijnende wijze aan het licht.

25

Toen hij op het eiland Cyprus bij de landvoogd Sergius Paulus te gast was,
gebruikte de apostel Paulus de uitdrukking zoon van de duivel eveneens.
Tegen een zekere Elymas zei hij:
O jij, vol van alle bedrog en alle schurkerij, zoon van de duivel, vijand van
alle gerechtigheid, zul je niet ophouden de rechte wegen van de Heer te
verdraaien? (Handelingen 13:9-10)
Deze Elymas (of Bar-Jezus) was een Jood. Hij ging door voor een profeet
(Handelingen 13:6) maar keerde zich tegen het geloof dat Paulus predikte
(Handelingen 13:8). Godsdienstige mensen die het van eigen werken
verwachten en zich verzetten tegen de boodschap dat een mens door geloof
gerechtvaardigd wordt, worden in het boek Handelingen zonen van de
duivel en vijanden van alle gerechtigheid genoemd.
In zijn brieven gebruikte Paulus de uitdrukkingen dienaren van satan,
bedrieglijke arbeiders en boze arbeiders in dezelfde zin. We lezen daar:
Want zulke mensen zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich
voordoen als apostelen van Christus. En geen wonder, want de satan zelf
doet zich voor als een engel van het licht. Het is dus niets bijzonders als ook
zijn dienaars zich voordoen als dienaars van de gerechtigheid; hun einde zal
zijn naar hun werken (2 Korinthe 11:13-15)
Kijkt uit voor de honden, kijkt uit voor de boze arbeiders, kijkt uit voor de
versnijdenis (Filippenzen 3:2)
De personen die Paulus bestreed waren vrome Joden (2 Korinthe 11:22). Ze
spraken over de Messias (2 Korinthe 11:23), maar het was een andere
Jezus dan Paulus verkondigde (2 Korinthe 11:4). Ze brachten een evangelie,
maar het was een andersoortig evangelie met een andersoortige geest
(2 Korinthe 11:4). Ze weken af van de eenvoudigheid in Christus (2
Korinthe 11:3). Bij hen was het: geloof in Christus plus eigen werken (zoals de
besnijdenis), bij Paulus was het: geloof in Christus en u zult worden gered
(Handelingen 16:31).
Volgens de gelijkenis die Jezus vertelde zaait de duivel geen dorens of
distels, dat wil zeggen: geen openlijk zondige of wereldse mensen.
Wanneer de Boze dat deed, zou het onderscheid tussen onkruid en tarwe
direct duidelijk zijn. Openlijke zondaars zijn er genoeg en ze ontstaan door de

26

werking van het menselijke vlees. De duivel komt daar niet bij te pas. Diens
strategie is veel geraffineerder. Zijn zonen doen zich voor als boden van
het licht en dienaars van de gerechtigheid (2 Korinthe 11:13-15). Het zijn
buitengewoon godsdienstige mensen: briljante theologen en ijverige
verdedigers van normen en waarden. Ze prediken gerechtigheid, maar
omdat ze de gerechtigheid van God niet kennen trachten ze hun eigen
gerechtigheid op te richten (Romeinen 10:3).
Zonen van de Boze lijken in alle opzichten op zonen van het koninkrijk,
net zoals dolik in jonge toestand alleen maar door experts van tarwe kan
worden onderscheiden. Ze bevinden zich binnen de kring van de gelovigen.
Onkruid en tarwe zijn immers nauw verstrengeld (Matthes 13:29). Pas na
enige tijd en door naar hun vruchten te kijken (Matthes 7:16, 12:33), wordt
hun aard openbaar.
Aanleidingen tot vallen
Van het verzamelen van de dolik door de maaiers ten tijde van de oogst en
het binden van dit gras in bossen om het te verbranden (vs.30) gaf Jezus de
volgende uitleg:
Zoals dan de dolik verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het zijn in
de voleinding van deze eeuw. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen
die de wetteloosheid doen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen; daar zal
het geween zijn en het tandengeknars (vs.41-42).
Voor alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen staat in
de Griekse tekst letterlijk: alle struikelblokken (panta ta skandala) en de
bedrijvers van de wetteloosheid (tous poiountas ten anomian). Wie dit
leest, denkt dat iedere reclame voor de zonde en elke verstokte zondaar zal
worden weggenomen (en dat is waarschijnlijk ook zo). Maar de evangelist
Matthes hechtte aan de woorden skandalon (struikelblok) en anomia
(wetteloosheid) een heel andere betekenis.
Onder een aanleiding tot vallen verstaan wij een pornografisch blaadje in
een kiosk, of een onbewaakte kas met geld erin. Maar het Griekse woord
skandalon, dat in Matthes 13:41 met aanleiding tot vallen is vertaald, en
het werkwoord skandalizoo (een struikelblok opwerpen), hebben in de

27

Bijbel betrekking op godsdienstige belemmeringen om in Christus te gaan


geloven of het rijk van God binnen te gaan.
Wie zich plaatst tussen God (of Christus) en de kleinen die in Jezus geloven,
door zich groot te maken, aanzien en eer te zoeken en rivaliserende
geestelijke leiders te bestrijden die is voor anderen een struikelblok
(Matthes 18:1-14). Over zulke mensen spreekt Jezus een hard oordeel uit:
Tenzij ze zich veranderen en worden als de kinderen, zullen ze het Koninkrijk
der hemelen niet binnengaan (Matthes 18:3).
Wie het alleenrecht op Christus meent te bezitten, zijn eigen groep wil
versterken en anderen verhindert om namens Christus te handelen of te
spreken, die is een aanstoot (Markus 9:33-50).
Wie zich verheft boven zijn broeder en niet bereid is om hem te vergeven,
ook al heeft hij berouw over zijn falen, die is een aanleiding tot vallen
(Lukas 17:1-4).
Wie niet bedacht is op de dingen van God maar op de dingen van de mensen,
wie in de tegenwoordige tijd wil heersen in plaats van met Christus te dienen
en te lijden, die is voor Gods dienaren een aanstoot (Matthes 16:23).
Godsdienstig optreden dat geen rekening houdt met de gevoeligheden van
anderen is in de evangelietaal een skandalon (Matthes 17:27).
Juist de theologen onder Jezus tijdgenoten: de wetgeleerden,
Schriftgeleerden en farizeen wierpen struikelblokken op en gaven
aanleiding tot vallen. Tegen hen heeft Jezus gezegd:
Wee u echter, Schriftgeleerden en farizeen, huichelaars, want u sluit het
koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en
hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen (Matthes
23:13)
Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen;
zelf bent u niet binnengegaan en hen die wilden binnengaan, hebt u
verhinderd (Lukas 11:52)
Verhinderen dat anderen in Jezus gaan geloven en het rijk van God
binnengaan, dat is in de evangelin de betekenis van het woord skandalon.

28

Die de wetteloosheid doen


Onder wettelozen verstaan wij: mensen die zich om God noch gebod
bekommeren. Maar in het vocabulaire van Matthes is een wetteloze een
godsdienstig mens die zich in zijn optreden niet houdt aan de regels die God
heeft voorgeschreven. Op alle plaatsen in het evangelie waar het woord
wetteloosheid voorkomt, gaat het om een godsdienstige vorm van
wetteloosheid.
Aan het slot van de Bergrede waarschuwde Jezus:
Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen
binnengaan, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemelen is.
Velen zullen in die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet door uw
naam geprofeteerd en door uw naam demonen uitgedreven en door uw
naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u
nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid (Matthes
7:21-23)
Wie hier worden bestempeld als werkers der wetteloosheid hebben zich
voor Jezus ingespannen: ze zijn als Zijn woordvoerders opgetreden en
hebben in Zijn naam grote dingen tot stand gebracht. Maar in de ogen van
de Messias zijn het mensen die de wetteloosheid doen, omdat ze niet in
overeenstemming met de wil van zijn Vader hebben gehandeld. Ze zochten
eer van mensen in plaats van eer van God (Matthes 6:1-18). Het waren
geen vreedzame duiven die hun vijanden lief hadden en baden voor wie hen
vervolgden (Matthes 5:44-45,48), maar strijdlustige haviken die hun
tegenstanders met geweld uitschakelden. Ze deinsden er niet voor terug om
in naam van de Messias naar de wapens te grijpen, en zich te verrijken ten
koste van de schapen. Daarom noemt Jezus hen: roofzuchtige wolven
(Matthes 7:18).
Dat wettelozen godsdienstige mensen kunnen zijn, blijkt ook uit wat Jezus
zei tegen de leiders van Isral:
Wee u, Schriftgeleerden en farizeen, huichelaars, want u lijkt op
witgepleisterde graven, die van buiten wel fraai schijnen, maar van binnen
vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn. Zo ook u, van buiten schijnt u
de mensen wel rechtvaardig, maar van binnen bent u vol huichelarij en
wetteloosheid (Matthes 23:27-28)

29

Het blijkt bovendien in de toespraak die Hij eens hield op de Olijfberg:


Vele valse profeten zullen opstaan en zij zullen velen misleiden. En omdat
de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkoelen (Matthes
24:11-12)
De wetteloosheid die Jezus aankondigde, bestaat uit het optreden van valse
profeten. Predikers die een last verkondigen die God hun niet opgelegd
heeft. Wie dikwijls naar zulke verhalen heeft geluisterd, kan z teleurgesteld
raken dat hij ook niet langer liefde heeft voor de Torah, de betrouwbare
onderwijzing van God.
Twee gewassen
Naar aanleiding van de gelijkenis van de zaaier zei Jezus, dat het zaad een
beeld is van het woord van het koninkrijk dat in het hart van mensen wordt
gezaaid (vs.19). Maar over de gelijkenis van het onkruid zei Hij: Het goede
zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk (vs.38). Die twee verklaringen zijn
niet in tegenspraak. Wie gelovigen wil oogsten moet het woord zaaien
(Romeinen 10:17). Zonen van het rijk zijn opnieuw geboren, niet uit
vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend
woord (1 Petrus 1:23). En kinderen van de duivel zijn verwekt door de
leugen (Johannes 8:41-45).
Toen Jezus de gelijkenis vertelde heerste er in het land Isral en ook in de
diaspora een gespannen Messiasverwachting. Het woord van het
koninkrijk dat Hij predikte8 was goed zaad. Het werd in opdracht van God
uitgestrooid en het was de waarheid. Dat zaad groeide als kool. Massas
mensen waren naar Johannes de Doper komen luisteren, en talrijke
menigten gingen achter Jezus aan. Het leken oprechte gelovigen,
Godvrezende mensen die uitzagen naar de komst van het koninkrijk der
hemelen. Maar na enige tijd bleken er onder de hoorders verschillen te
bestaan.
Toen de volken later door de apostel Paulus werden opgeroepen om zich te
bekeren met het oog op de komst van Hem die alles zal gaan rechtzetten
(Handelingen 17:30-31) gebeurde er precies hetzelfde. Er werden
bekeerlingen gemaakt. Maar niet alle bekeerlingen hadden dezelfde aard.
8

Bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (Matthes 3:2, 4:17,
10:7; Markus 1:15).

30

De verschillen openbaarden zich pas na enige tijd. Net zoals dolik


aanvankelijk nauwelijks van tarwe kan worden onderscheiden. Pas toen het
graan vrucht begon te dragen, werd duidelijk dat er behalve graan ook
onkruid was opgeschoten (vs.26).
Zonen van het koninkrijk en zonen van de Boze lijken op elkaar. Ze gaan
allebei uit van Gods woord en ze spreken over dezelfde dingen. Zonen van
de Boze zijn echter gekant tegen de boodschap dat een mens door geloof
gerechtvaardigd wordt. Er moet volgens hen gewerkt worden. Zonder werk
komt niets tot stand, het gaat erom wat wij met het evangelie doen, we
moeten de boodschap handen en voeten geven. In onze eigen omgeving
moeten we het rijk van God gestalte geven en daarvan tekenen oprichten.
Een mens kan niet zomaar naar God toegaan en als een volgeling van
Christus worden beschouwd. Om voor een gelovige te kunnen doorgaan
moet men in ieder geval een keuze maken, zich onderwerpen aan bepaalde
rituelen, en goede werken doen. Wie zich niet aan zulke rituelen houdt,
moet worden bestreden, desnoods met geweld. Want de samenleving moet
voor God worden gewonnen.
Zonen van het koninkrijk beseffen dat niet wat de mens doet maar wat
God doet allesbeslissend is. Dat Zijn rijk nog moet komen en dat wij
geroepen zijn om voor die komst te bidden (Matthes 6:10). Dat wat de
Schepper door een mens tot stand brengt goud en zilver is, maar wat een
sterveling zelf produceert hout, hooi en stro (1 Korinthe 3:10-17). Dat wij
niet zijn geroepen om onze vijanden te vervolgen, maar om die lief te
hebben, voor hen te bidden en hen te zegenen (Matthes 5:44-48,
Romeinen 12:14-21; 1 Korinthe 4:12, 1 Petrus 3:9).
In de tijd van Jezus waren zonen van de Boze mensen die opriepen tot
verzet, in Isral de theocratie wilden herstellen en hun land met Gods hulp
van de Romeinse overheersing meenden te kunnen bevrijden. De kwalijke
vrucht van dit onkruid werd in het zevende decennium van de eerste eeuw
op vreselijke wijze openbaar.
Overijverige slaven
Het is opvallend dat Jezus van allerlei elementen van de gelijkenis een
verklaring geeft: de zaaier, de akker, het goede zaad, het onkruid, de vijand,
de oogst, de maaiers, het verzamelen van de dolik, en het bijeenbrengen van

31

de tarwe. Wat de slaven van de heer des huizes met hun misplaatste ijver
(vs.27-29) uitbeelden, verklaart hij niet. Toch zijn die slaven een belangrijk
element van de vertelling; bijna de helft van het verhaal is aan hen gewijd.
De gelijkenis bevat een scherpe waarschuwing om echte of vermeende
tegenstanders van God onder geen enkel beding met geweld te gaan
bestrijden9.
De slaven van de heer des huizes nu kwamen en zeiden tot hem: Heer, hebt
u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar heeft hij dan dolik vandaan? Hij
nu zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De slaven nu zeiden tot
hem: Wilt u dan dat wij het gaan verzamelen? Hij echter zei: Nee, opdat u bij
het verzamelen van de dolik niet misschien tegelijk daarmee de tarwe
uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst (Matthes 13:27-30)
Uit het antwoord dat de heer aan zijn slaven geeft blijkt dat verzamelen in
deze verzen de betekenis heeft van uittrekken of uitroeien. Ook de
apostel Paulus waarschuwde:
Hij die mij beoordeelt is de Heer. Oordeelt daarom niets vr de tijd, totdat
de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal
brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal
ieder zijn lof ontvangen van God (1 Korinthe 4:4-5)
Tarwe en dolik zijn nauw met elkaar verstrengeld en kunnen pas bij de oogst
worden gescheiden. Wie het onkruid probeert uit te roeien, zal altijd ook wat
tarwe uittrekken. Voor het bijeenverzamelen van het onkruid zijn Goddelijk
inzicht en een Goddelijke volmacht vereist. De uit de doden opgestane
Messias zal die inzameling voltrekken, samen met zijn boodschappers, de
engelen (vs.30,41). Vr die tijd mogen Zijn knechten dwaling alleen maar
bestrijden door van de waarheid te getuigen.
Een steeds duidelijker verschil
Wanneer de oogst nadert die volgens Jezus een beeld is van de voleinding
van de eeuw (vs.39) zal het onderscheid tussen zonen van de Boze en zonen
van het koninkrijk zich scherp beginnen af te tekenen. God zal een
(krachtige) werking van de dwaling zenden, die velen ertoe brengt om de
9

Op dit aspect van de gelijkenis is ook gewezen door Joachim Jeremias (a.w., p.148150)

32

leugen te geloven, opdat allen geoordeeld worden die een welgevallen


hebben gehad in de ongerechtigheid (2 Thessalonicenzen 2:12). Wie veel
van de mens verwacht, wordt een volgeling van de antichrist. Wie alles van
God verwacht, zal worden weggerukt om de Heere tegemoet te gaan in de
lucht (1 Thessalonicenzen 4:13-18), of vluchten naar de woestijn en daar
veilig worden bewaard (Openbaring 12:6,13-18; vgl. Matthes 24:15-22), of
worden gered door de dood heen (Openbaring 20:4).
Uit het slot van Jezus uitleg blijkt opnieuw dat de dolik een schokkend beeld
is van een bepaald soort godsdienstige mensen. Hij zei:
Zoals dan de dolik verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het zijn in
de voleinding van deze eeuw. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden
en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen
die de wetteloosheid doen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen; daar zal
het geween zijn en het tandengeknars (vs.41-42).
Het woord dat de Heere voor geween gebruikt betekent geklaag. En
tandengeknars is in de Bijbel niet een uiting van pijn maar van ingehouden
woede (Job 16:9-11, Psalm 35:15-17, 37:12-15, 112:1,9-10; Klaagliederen
2:16, Markus 9:19, Handelingen 7:54). Wanneer het onkruid door de
engelen bijeenverzameld wordt, zullen de mensen die het rijk worden
uitgegooid, zich onrechtvaardig behandeld voelen en vreselijk boos zijn. Ze
zullen tegen de Heer van de engelen roepen:
Heer, heer, hebben wij niet door uw naam geprofeteerd en door uw naam
demonen uitgedreven en door uw naam vele krachten gedaan? (Matthes
7:22)
Hoe kunt u ons nu zo behandelen? We hebben ons juist zo voor u
ingespannen! Ze zullen roepen:
Heer, doe ons open!... Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en u
hebt in onze straten geleerd! (Matthes 25:11, Lukas 13:25-27)
We zijn burgers van uw land, we behoren tot uw volk, we kennen u! Hoe
kunt u ons dan de deur wijzen?
Maar de Messias zal onvermurwbaar blijken.

33

Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen
binnengaan, maar (alleen) hij die de wil doet van mijn Vader die in de
hemelen is (Matthes 7:21).
De vuuroven
De vuuroven waarin engelen de zonen van de Boze zullen werpen, wordt
door velen opgevat als de (roomse) hel waarin zondaren onafgebroken en
onophoudelijk gepijnigd worden. Maar zon uitleg is on-Bijbels. Jezus
ontleende het beeld van de vuuroven aan de Hebreeuwse schriften. De
profeet Maleachi heeft over de dag des HEREN gezegd:
Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle
overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de
dag die komt, zal hen in brand steken zegt de HERE der heerscharen
welke hun wortel noch tak zal overlaten (Maleachi 4:1)
En David heeft over de messiaanse koning geprofeteerd:
Uw hand zal al uw vijanden vinden,
uw rechterhand zal uw haters vinden.
Gij zult hen maken als een vurige oven
Ten tijde dat gij verschijnt, o HERE.
In zijn toorn zal Hij hen verslinden,
en het vuur zal hen verteren;
hun kroost zult Gij van de aarde verdelgen
en hun nageslacht uit de mensenkinderen (Psalm 21:9-11)
De voorloper van de Messias, Johannes de Doper, had tegen de
godsdienstige leiders van Isral al gezegd:
Adderengebroed, wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn
te ontvluchten? Brengt dan vrucht voort, de bekering waardig; en denkt niet
dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg u,
dat God uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. En de bijl ligt al
aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht
voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen (Matthes 3:7-10)
De profeet Maleachi liet er geen twijfel over bestaan wat het vuur van de
oven met zonen van de Boze zou doen:

34

ze zullen zijn als stoppels (4:1)


de dag die komt, zal hen in brand steken (4:1)
de HERE der heerscharen zal hun wortel noch tak overlaten (4:1)
tot stof zullen zij zijn onder uw10 voetzolen (4:3)
Stoppels op het veld en gras in de oven (Matthes 6:30) verbranden in een
ogenblik, er blijft alleen stof en as van over. Zo is het oordeel ook eens
gekomen over Sodom en Gomorra. God heeft die steden
tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld voor hen,
die goddeloos zouden leven (2 Petrus 2:6)
Beide plaatsen en de steden in hun nabijheid liggen nog steeds
als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur (Judas:7)
In het koninkrijk der hemelen dat de Messias zal oprichten zullen er geen
zonen van de Boze, geen aanleidingen tot vallen of bedrijvers van de
wetteloosheid meer zijn. Godsdienst zal niet langer worden misbruikt om
mensen van God af te houden. De aarde zal vol worden van de kennis van de
Heer, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Jesaja 11:9).
De tegenwoordige boze eeuw heeft tweerlei uiteinde. De tarwe, die uit
het goede zaad is opgeschoten, wordt binnengebracht in de schuur (vs.30).
De Heere verklaarde dit door te zeggen: De rechtvaardigen zullen stralen als
de zon in het koninkrijk van hun Vader (vs.43). Maar het onkruid dat de
vijand heeft gezaaid wordt bijeenverzameld in bossen en in de oven
geworpen om te worden verbrand (vs.30, 41-42). Uit de geschriften van de
profeten waarop de Heere zijn gelijkenis baseerde blijkt dat de
rechtvaardigen - die op God hebben vertrouwd en Zijn woord hebben
geloofd - met eer en heerlijkheid worden bekleed, en het rijk van de
toekomstige eeuw mogen binnengaan. De onrechtvaardigen die bedrieglijk
veel op rechtvaardigen leken maar de wil van de Vader niet hebben gedaan
zullen echter omkomen en in een ogenblik vergaan.
Hier eindigt het onderricht van de gelijkenis. De Heere sprak immers over de
komst van het Koninkrijk. Uit andere Bijbelboeken mogen we echter weten
dat de Schepper bij een latere gelegenheid zal omzien naar hen die eens
10

De zolen van de zonen van het koninkrijk.

35

onkruid waren. Net zoals de verbranding van Sodom en Gomorra niet het
definitieve einde van de beide steden betekent (Ezechil 16:44-62, Matthes
10:15, 11:24), zo betekent de verbranding van het onkruid ook niet dat het
met deze mensen voorgoed afgelopen is. Bij het oordeel van de grote witte
troon zullen ze opstaan en worden geoordeeld op grond van wat er in de
boeken geschreven staat, naar hun werken (Openbaring 20:11-13). Wanneer
ze niet geschreven blijken te zijn in het boek van het leven, worden ze in de
poel van vuur geworpen, waarvan de Bijbel zegt: Dit is de tweede dood
(Openbaring 20:14-15). Maar na de tijden van de eeuwen zullen ze worden
levend gemaakt. Want in Christus zullen llen worden levend gemaakt, ieder
in zijn eigen rangorde (1 Korinthe 15:22-23). Als laatste vijand wordt de dood
te niet gedaan (1 Korinthe 15:26, 2 Timothes 1:10).

* * * * * * *

36

Het mosterdzaad

De gelijkenis van het mosterdzaad is te vinden in alle synoptische evangelin


(Matthes 13:31-32; Markus 4:30-32; Lukas 13:18-19). Jezus vertelde de
menigten het volgende verhaal:
Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mens
nam en in zijn akker zaaide; het is wel kleiner dan alle zaden, maar als het is
opgegroeid, is het groter dan de groenten en wordt een boom, zodat de
vogels van de hemel in zijn takken komen nestelen (Matthes 13:31-32)
De gangbare uitleg van de gelijkenis is te vinden in de kanttekeningen van de
Statenvertaling: Het woord van Christus zou aanvankelijk worden veracht,
maar zich enorm uitbreiden en een wereldwijde omvang krijgen. Vanuit een
klein begin zou het christendom zich ontwikkelen tot de belangrijkste
wereldgodsdienst. Op grond van het Markus evangelie kan men tot deze
uitleg komen, maar gezien het tekstverband in de evangelin van Matthes
en Lukas kan men zich afvragen of de verklaring van de Statenvertalers wel
volledig is.
Het kleinste zaad
De gelijkenis van het mosterdzaad bevat minstens zeven symbolen: een
mosterdzaad, een mens, zijn akker, de groenten, een boom, zijn takken, en
de vogels van de hemel. Aangezien Jezus de gelijkenis niet heeft verklaard,
moeten we uit het tekstverband afleiden wat de betekenis van deze
beeldspraak is. Kort tevoren had de Here tegen zijn leerlingen gezegd:
U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier: Als iemand het woord van het
koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft weg wat in zijn
hart was gezaaid: dit is hij die bij de weg is gezaaid (Matthes 13:18-19)
Zaad is blijkbaar een beeld van het woord van het koninkrijk. Over de
gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe merkte Jezus op:
Het goede zaad, dat zijn de zonen van het koninkrijk (Matthes 13:38)
Deze duiding is niet in tegenspraak met de voorafgaande, want zonen van
het koninkrijk worden verwekt door het woord van God. In de uitleg van de

37

gelijkenis van de zaaier vereenzelvigt Jezus het zaad zowel met het woord
van het koninkrijk (vers 19) als met de persoon die uit dat zaad opschiet, hij
zegt immers:
dit is hij die bij de weg is gezaaid (vers 19)
Hij nu die op de rotsachtige bodem is gezaaid (vers 20)
Hij nu die tussen de dorens is gezaaid (vers 22)
Hij nu die in goede aarde is gezaaid (vers 23)
Niet in absolute zin, maar onder de zaden van de tuinkruiden was het
(zwarte) mosterdzaad het kleinste (vers 32). Wanneer het publiek van Jezus
met de aanhang van andere godsdienstige stromingen werd vergeleken,
bijvoorbeeld de achterban van de farizeen, de sadduceen of de Essenen,
dan was het maar een kleine kudde (Lukas 12:32) die bovendien bestond
uit onaanzienlijke mensen. Hoewel er grote menigten naar Jezus kwamen
luisteren, had Hij maar weinig standvastige volgelingen. De Statenvertalers
hadden het wat dit betreft bij het rechte eind.
Een mens en zijn akker
De handelende persoon in de gelijkenis is een mens maar niet de eerste
de beste mens, want de later genoemde akker is niet het eigendom van
iedereen. In verband met de gelijkenis van het onkruid zou de Heere later
nog opmerken:
Hij, die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen (Matthes 13:37)
We mogen daarom veronderstellen, dat ook in de gelijkenis van het
mosterdzaad de zaaiende landeigenaar de Zoon des mensen is.
In verband met de gelijkenis van het onkruid zei Jezus bovendien:
De akker is de wereld (Matthes 13:38)
De wereld is Zijn akker, want als Mensenzoon is Hij bestemd om te heersen
over alle volken, natin en talen (Danil 7:13-14).
Groenten
Het woord groenten (Gr. lachanoon) komt buiten de gelijkenis van het
mosterdzaad maar in twee andere Bijbelteksten voor. De farizeen

38

onderwezen hun leerlingen dat die zelfs van de groenten in hun tuin tienden
behoorden te geven (Lukas 11:42). En de apostel Paulus merkt op dat wie
gewetensbezwaren heeft tegen de consumptie van vlees omdat runderen in
afgodstempels worden geslacht, kan besluiten om voortaan alleen nog maar
groenten te eten (Romeinen 14:2). Met het symbool van de groenten
bedoelde Jezus: cultuurgewassen op de akker die uit ander zaad zijn
opgeschoten. Niet het joods-christelijke mosterdzaad, maar de kiemen van
andere godsdiensten of ideologien.
Een boom
Bij een boom die zo groot wordt dat de vogels van de hemel in zijn takken
komen nestelen zullen Joodse hoorders hebben gedacht aan een droom van
koning Nebukadnezar, die door de profeet Danil als volgt is verklaard:
De boom die gij gezien hebt, die groot en sterk was, welks hoogte tot de
hemel reikte en die over de gehele aarde te zien was, welks loof schoon en
welks vrucht zo overvloedig was, dat hij voedsel bood voor allen, onder welke
het gedierte des velds huisde en in welks takken het gevogelte des hemels
nestelde dat zijt gij, o koning, die groot en sterk zijt geworden, wiens
grootheid zo is toegenomen, dat zij tot aan de hemel reikt, en wiens
heerschappij zich uitstrekt tot aan het einde der aarde (Danil 4:20-22)
In de Bijbelse profetie zijn reusachtige bomen een beeld van vooraanstaande
leiders of machtige koningen met hun rijken (vgl. Ezechil 31, Danil 4 en
Matthes 3:7-12). Een boom is het symbool van aardse grootheid, aanzien
in de wereld, en beschuttende macht.
Het is opvallend dat de Heere slechts n zinnetje uit de droom van
Nebukadnezar aanhaalt. Hij zegt niet, dat de mosterdboom z hoog wordt
dat hij over de hele aarde te zien is. Ook vertelt Hij niet dat de boom mooie
bladeren heeft en overvloedig vrucht draagt, zodat hij voedsel geeft aan
allen en de dieren onder hem een schuilplaats zoeken. Indien Hij had willen
onderwijzen dat Zijn woord de hele aarde zou vervullen en het
wereldgebeuren positief zou gaan benvloeden, dan waren zulke citaten
goed van pas gekomen. Maar Jezus zwijgt erover. Hij vermeldt alleen de
vogels van de hemel, die in de takken van de mosterdboom komen
nestelen (Matthes 13:32). Aan dat symbool uit de gelijkenis moeten we
bijzondere aandacht schenken.

39

Vogels van de hemel


Het beeld van de vogels wordt doorgaans positief opgevat. Maar boeren en
tuinders hebben aan vogels juist een grote hekel. Ze plaatsen verschrikkers
op hun land en hangen een net over hun aardbeien, omdat ze vogels willen
weren. Zulke dieren eten immers het zaad op en ze vergrijpen zich aan de
oogst, zodat er minder overblijft voor de boer.
Aan het vogelsymbool in de gelijkenis moeten we een negatieve betekenis
hechten. Niet alleen omdat boeren nu eenmaal een hekel aan vogels hebben
(natuurminnende boeren niet uitgezonderd), maar vooral om wat Jezus kort
tevoren had gezegd. In de gelijkenis van de zaaier kwamen er vogels en
aten het zaad langs de weg op (Matthes 13:4). Van dat aspect van de
gelijkenis had de verteller de volgende uitleg gegeven:
Als iemand het woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de
Boze en rooft weg wat in zijn hart was gezaaid; dit is hij die bij de weg is
gezaaid (Matthes 13:18)
Vogels zijn een beeld van de trawanten van de Boze11. Dat zulke handlangers
zich in de joods-christelijke wereld zouden gaan nestelen12 en daar invloed
zouden gaan uitoefenen, is voorzegd door de apostelen Paulus (Handelingen
20:29-30, 2 Korinthe 11:1-15, Galaten 2:4, Kolossenzen 2:8, 1 Timothes 4:13), Petrus (2 Petrus 2:1-3), Johannes (1 Johannes 2:18-19, 4:1-3, 2
Johannes:7-11, 3 Johannes:9-10) en Judas (Judas:4).
De uitleg die de Statenvertalers van de gelijkenis hebben gegeven is dus niet
onjuist maar wel onvolledig. Zij zagen over het hoofd dat vogels op een akker

11

Op de negatieve betekenis van het vogelsymbool is o.a. gewezen door G.Campbell


Morgan, The Parables of Christ: Parables and Metaphors of our Lord, Old Tappan, NJ:
Fleming H.Revell Co., 1943, p.47 e.v.; C.Larkin, Dispensational Truth, Glenside
PA:Clarence Larkin Estate, 1918, p.89; G.J.Pauptit, a.w., p.307 en 346; J.D.Pentecost,
Things to Come, Grand Rapids MI:Zondervan, 1979, p.147; A.W.Pink, The Prophetic
Parables of Matthew 13, ad loc. Aasetende vogels werden in Isral beschouwd als
onreine dieren (Genesis 15:11, Deuteronomium 28:26) en als een symbool van
kwade machten (Openbaring 18:2).
12

Het werkwoord kataskeenoun betekent eigenlijk niet: hun nest maken, maar
letterlijk hun tent opslaan. De vogels zouden in de takken van de mosterdboom
gaan wonen.

40

ongewenste gasten zijn. En dat Jezus over die vogels opmerkt, dat het
handlangers zijn van de Boze.
In de richting van een uitleg
Het koninkrijk der hemelen dat vanaf de dagen van Johannes nabij was
gekomen (Matthes 3:1-2) en in het optreden van Christus gestalte had
gekregen (Matthes 12:28) begon als een mosterdzaad. Niet aan de grote
menigte, maar aan een klein groepje van onaanzienlijke mensen werd het
gegeven om de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te kennen
(vers 11). Alleen hun ogen zagen en hun oren hoorden (vers 16). Het zaad
van zwarte mosterd is kleiner dan dat van andere tuinkruiden, maar het kan
uitgroeien tot een grote plant. Zo zou het woord van Christus gaan groeien
vanuit een klein begin. Uit het onderwijs en het geloofsvertrouwen van n
onbetekenende rabbi uit een onaanzienlijk dorpje in een uithoek van het
Romeinse rijk, een rabbi die werd vermoord door zijn volksgenoten en die
door al zijn discipelen in de steek werd gelaten (Matthes 26:56).
De boodschap van die rabbi zou een ongekend grote invloed krijgen. De
plant die uit dat kleine zaad zou opschieten zou in de akker (beeld van de
wereld) groter worden dan de (overige) groenten. De joods-christelijke
traditie zou in de loop van de geschiedenis een groter deel van de mensheid
gaan benvloeden dan de andere wereldgodsdiensten of ideologien. Wie
het schamele begin zag had dit nooit verwacht.
Dat de mosterdplant zou groeien was op grond van het leven dat God in dit
zaad heeft gelegd wel te verwachten. Maar dat het een boom zou worden,
een meerjarig houtgewas met takken, is met de aard van deze plantensoort
in strijd. En dat er vogels in zouden nestelen, moet op grond van het
tekstverband negatief worden opgevat. Handlangers van de Boze zouden
zich in de joods-christelijke traditie gaan nestelen. Zij zouden het woord van
Christus wegroven en het door leugens en halve waarheden vervangen, om
de mensheid te bedriegen en de plannen van God te dwarsbomen.
Menselijke activiteit zou in velerlei opzicht in de plaats komen van het werk
van God. Nadat men in de Geest was begonnen, wilde men volmaakt worden
in het vlees (Galaten 3:3). Werken van wet vervingen in toenemende mate
de prediking van geloof (Galaten 3:5, 1 Tim.1:7-11, 2 Korinthe 11:1-15).
Rituelen en godsdienstige kalenders kwamen in de plaats van de dagelijkse
vrede die God geeft. Men begon te streven naar beknotting van de

41

persoonlijke vrijheid en naar organisatie van plaatselijke gemeenten in


steeds grotere regionale, nationale en wereldomspannende verbanden.
Waarbij er een klasse van geestelijken ontstond die zich met leerstellige,
ethische en bestuurlijke zaken ging bezighouden, terwijl de eenvoudige
leken zich met zulke zaken niet meer mochten bemoeien. Al deze
menselijke inspanningen en organisatiepogingen hadden groot succes. Ze
leidden tot een groeiende aanhang van het christendom en tot toenemende
invloed van de christelijke leiders. Maar het christendom werd hierdoor ook
een broedplaats van onreine geesten. Zoals dat eerder was gebeurd met de
groeiende wereldmacht Assur en met het snelgroeiende wereldrijk van
koning Nebukadnezar:
Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, met schaduwrijk
loof, hoog van stam; zijn top reikte tot de wolken In zijn twijgen nestelde al
het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds
zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken (Ezechil 31:3,6)
De boom die gij gezien hebt, die groot en sterk was, welks hoogte tot de
hemel reikte en die over de gehele aarde te zien was, welks loof schoon en
welks vrucht zo overvloedig was, dat hij voedsel bood voor allen, onder welke
het gedierte des velds huisde en in welks takken het gevogelte des hemels
nestelde dat zijt gij, o koning, die groot en sterk zijt geworden, wiens
grootheid zo is toegenomen, dat zij tot aan de hemel reikt, en wiens
heerschappij zich uitstrekt tot aan het einde der aarde (Danil 4:20-22)
Uit het schamele mosterdzaad zou een boom ontstaan die hoger werd dan
alle andere gewassen op Gods akker. Het gewas zou ontaarden. Vogels van
de hemel zouden er gaan nestelen. Bij oppervlakkige beschouwing is de
mosterdboom iets geweldigs. Maar het Goddelijke en het demonische zijn
er op een geraffineerde manier vermengd. In plaats van vreemdelingen en
bijwoners zijn de discipelen van Jezus aanzienlijken en machthebbers
geworden. Jammer genoeg hebben vooraanstaande schapen zich hierbij
dikwijls ontpopt als bloeddorstige wolven.
Het lot van de boom
Met alle ontzagwekkende bomen die in de Hebreeuwse Bijbel worden
vermeld - houtgewassen waarin de vogels nestelden - is het slecht afgelopen.
De profeten Ezechil en Danil laten zien waarom dit het geval is:

42

Daarom, zo zegt de Here HERE, omdat hij hoog van stam geworden was en
zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd
had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over. Vreemden, de gewelddadigste
der volken, velden hem en deden hem neerstorten. opdat geen boom aan
het water zich meer verhovaardige op zijn hoogte of zijn top tot in de wolken
steke, en opdat de waterdrinkers in hun trots zich niet verbeelden in eigen
kracht te kunnen staan. Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om
naar de onderwereld te gaan, te midden der mensenkinderen, naar hen die in
de groeve zijn neergedaald (Ezechil 31:10,12,14).
Ik zag in de gezichten die mij op mijn legerstede voor ogen kwamen, en zie,
een wachter, een heilige, daalde uit de hemel neer: hij riep luide en sprak
aldus: Houwt de boom om en kapt zijn takken, stroopt zijn loof af en
verstrooit zijn vruchten. opdat de levenden mogen weten, dat de
Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan
wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt (Danil
4:13-14,17).
De normale ontwikkeling van het mosterdzaad zou zijn geweest: een groei
in nederigheid, zachtmoedigheid en dienstbetoon, in navolging van de
Messias die niet kwam om gediend te worden maar om te dienen (Matthes
20:28). Jezus heeft immers tegen zijn discipelen gezegd:
Wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, en wie onder u de
eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn (Matthes 20:26-27)
Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig
van hart (Matthes 11:29)
Maar het mosterdzaad ontwikkelde zich al spoedig op een heel andere
manier. Mannen die zich volgelingen van de Messias noemden streefden
naar heerschappij, aanzien, wereldse grootheid en macht, vertoon van
pracht en praal. Een goede ontwikkeling was dat beslist niet. Het was een
vorm van groei die niet in overeenstemming was met de aard van het zaad.
Toen het streven van eerzuchtige mensen succes had, werd het christendom
een broedplaats van onrein gevogelte. En een organisatie die
andersdenkenden met geweld begon te onderdrukken en vervolgen.
Wanneer het tijdstip voor de oogst aanbreekt en de mens bij de
voleinding van de eeuw zijn akker komt bezien, zal er uit het mosterdzaad

43

een geweldige boom opgeschoten blijken te zijn. De joods-christelijke


traditie zal het ideaal van een wereldomspannend rijk van vrede en
voorspoed vrijwel verwezenlijkt lijken te hebben. Men zal dit niet
toeschrijven aan Gods hulp en almacht, maar aan de inspanningen van
goedwillende onderdanen en aan de wijsheid van hun politieke en
geestelijke leiders. Omdat men op menselijke kracht en wijsheid roemt zal de
mosterdboom worden omgehakt, net zoals dat ooit met de Assyrische en
Babylonische bomen is gebeurd (vgl. Danil 4:30-33).
Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de
nacht. Wanneer zij zullen zeggen: Vrede en veiligheid, dan zal een plotseling
verderf over hen komen zoals de barensnood over een zwangere, en zij zullen
geenszins ontkomen (1 Thessalonicenzen 5:2-3)
Wanneer het koninkrijk der hemelen uiteindelijk verschijnt, zal ieder
surrogaat moeten wijken. De bijl ligt al aan de wortel van de bomen. Elke
boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur
geworpen (Matthes 3:10).
De nederigste onder de mensen (Danil 4:17) zal als koning worden
aangesteld. Omdat Hij zichzelf heeft vernederd en gehoorzaam is geworden
tot de dood, ja, tot de kruisdood, heeft God Hem uitermate verhoogd en
Hem de naam geschonken die boven alle naam is (Filippenzen 2:8-9). We
mogen Gods Zoon uit de hemelen verwachten, die Hij heeft opgewekt uit de
doden (1 Thessalonicenzen 1:9-10). Aan alle aardse macht zal dan een einde
komen en alleen de HERE zal op die dag zijn verheven (Jesaja 2:10-22).

* * * * * * *

44

Het zuurdeeg

De gelijkenis van het zuurdeeg is opgetekend door Matthes en door Lukas.


Jezus vertelde de menigten het volgende verhaal:
Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en
verborg in drie maten meel, totdat het geheel doorzuurd was (Matthes
13:33, Lukas 13:21)
De gangbare uitleg veronderstelt dat de gelijkenissen van het mosterdzaad
en het zuurdeeg dezelfde betekenis hebben. In de kanttekeningen van de
Statenvertaling wordt hierover het volgende opgemerkt:
Met deze twee gelijkenissen wijst Christus aan de kracht van zijn woord,
hetwelk, hoewel het in het begin klein en veracht scheen, nochtans daarna
zich wijd zou uitbreiden en de gehele wereld doordringen.
Vooral uit het tekstverband in het Lukasevangelie blijkt echter dat de uitleg
van de Statenvertalers onbevredigend is.
Drie maten fijn meel
Bij drie maten fijn meel zullen Joodse hoorders onmiddellijk hebben
gedacht aan de geschiedenis van hun stamvader Abraham. Toen er drie
mannen verschenen bij de terebinten van Mamre, ontving Abraham die
gastvrij. Hij liet water halen om hun voeten te wassen, gaf hun een zitplaats
in de schaduw, liet zijn vrouw Sara drie maten fijn meel kneden en daarvan
koeken (d.w.z. ongezuurde broden) bakken (Genesis 18:6), slachtte een kalf
en bereidde het vlees. Hij richtte voor zijn gasten een vorstelijke maaltijd
aan: brood, boter, melk en vlees en bleef bij hen staan om hen te bedienen
(Genesis 18:8). Zijn gasten zoals later zou blijken de engel des Heren en
twee andere engelen namen het voedsel van de patriarch aan en aten dit
op.
In de geschiedenis van Abraham staan drie maten fijn meel model voor de
gemeenschap van de mens met God. Fijn meel was ook de voorgeschreven
gave voor het spijsoffer (Leviticus 2:4-10). Van die gave werd een
gedenkoffer (bestaande uit ongezuurde koeken) op het altaar verbrand om
dit te doen opgaan voor de HERE, waarna de rest bestemd was als voedsel

45

voor de priesters (Leviticus 2:9-10). Het spijsoffer was als het ware een
gezamenlijke maaltijd van God en Arons zonen, net zoals de drie hemelse
gasten de maaltijd gebruikten bij Abraham en zijn gezin.
Een stiekeme daad
De vrouw in de gelijkenis doet wat Sara niet deed: zij neemt zuurdeeg en
verbergt dat in de drie maten meel. Terwijl Sara het meel onmiddellijk begon
te kneden en er met haast koeken van ging bakken (Genesis 18:6), laat de
vrouw in Jezus verhaal het meel rijzen en zuur worden.
Jezus beschrijft de handelwijze van de vrouw op een manier die te denken
geeft: ze neemt zuurdeeg en verbergt dat in het meel. Hij zegt niet, dat
de vrouw zuurdeeg aan het meel toevoegt of een stukje zuurdeeg met het
meel vermengt. Door het woord verbergen te gebruiken, wekt Hij de
indruk dat de vrouw het zuurdeeg stiekem toevoegt13. Zoals de vijand van de
landeigenaar uit een eerdere gelijkenis dolik in de akker zaaide terwijl de
mensen sliepen (Matthes 13:25), zodat niemand het zou zien, zo verstopt
de vrouw zuurdeeg in het meel. Wiens meel dit was wordt in het midden
gelaten. Gezien de parallel met de geschiedenis van Abraham is het
aannemelijk dat Gods meel door de vrouw zuur werd gemaakt.
Waarom handelde zij zo? Waarschijnlijk om dezelfde reden als waarom de
vijand in de eerdere gelijkenis zijn dolikzaad s nachts uitstrooide. De vijand
en de vrouw wilden niet gezien of betrapt worden. Zolang het onkruid nog
niet volgroeid was, zou niemand in de gaten hebben dat er dolik tussen de
tarwe stond. En zolang het meel nog niet doorzuurd was, zou niemand
vermoeden dat het aan het verzuren was.
Zuurdeeg in de evangelin
Wanneer we nagaan wat de Bijbel over zuurdeeg zegt, dan wordt dit
negatieve beeld van het optreden van de vrouw uit de gelijkenis bevestigd14.
De dichtstbijzijnde tekst in de evangelin is de volgende:

13

Hierop is o.a. gewezen door Ray C.Stedman in een toespraak van 20 juni 1971 over
dit onderwerp (The Case of the Sneaky Housewife, www.raystedman.org).
14

Op de negatieve betekenis van zuurdeeg is o.a. gewezen door de Chinese arts Yves
I-Bing Cheng (The Parable of the Leaven, www.meetingwithchrist.com).

46

Jezus nu zei tot hen: Let op en past op voor het zuurdeeg van de farizeen en
sadduceen! Zij nu overlegden onder elkaar en zeiden: Dat is omdat wij geen
broden hebben meegenomen. Daar nu Jezus dit merkte, zei Hij: Waarom
overlegt u onder elkaar, kleingelovigen, dat u geen broden hebt
meegenomen? Begrijpt u nog niet... Hoe begrijpt u niet, dat Ik niet over
broden heb gesproken? Past u echter op voor het zuurdeeg van de farizeen
en sadduceen. Toen beseften zij dat Hij niet had gezegd dat zij moesten
oppassen voor het zuurdeeg van de broden, maar voor de leer van de
farizeen en sadduceen (Matthes 16:5-12)
In het Markusevangelie blijkt dat er behalve een zuurdeeg van de farizeen
ook een zuurdeeg van Herodes bestaat:
En Hij gebood hun en zei: Let op en kijkt uit voor het zuurdeeg van de
farizeen en voor het zuurdeeg van Herodes. (Markus 8:15)
In het Lukasevangelie wordt het zuurdeeg van de farizeen gelijkgesteld aan
huichelarij:
Toen intussen de duizenden van de menigte bijeengekomen waren, zodat zij
elkaar verdrongen, begon Hij allereerst tot zijn discipelen te zeggen: Past u op
voor het zuurdeeg, dat is de huichelarij van de farizeen (Lukas 12:1)
Bovengenoemde drie plaatsen zijn de enige teksten in de evangelin waar
over zuurdeeg wordt gesproken, afgezien van de gelijkenis die we aan het
bestuderen zijn (Matthes 13:33, Lukas 13:21).
Uit wat Jezus over zuurdeeg zegt kunnen we een aantal dingen afleiden:
1.

Zuurdeeg is het beeld van een kwalijke leer (zie Matthes 16:12).

2.
Jezus noemt verschillende vormen van zuurdeeg: het deeg van de
farizeen (Matthes 16:6,11,12; Markus 8:15; Lukas 12:1), van de
sadduceen (Matthes 16:6,11,12) en van Herodes (Markus 8:15). Met het
zuurdeeg van de farizeen en de sadduceen bedoelt Hij bepaalde
godsdienstige denkbeelden, met het zuurdeeg van Herodes: politieke
inzichten.
3.
Het zuurdeeg van de farizeen omschrijft Hij als huichelarij (Lukas
12:1). Huichelarij (Gr. hupokrisis) betekent: iets zeggen maar iets anders

47

doen, voor de vorm godsdienstig zijn maar zich in werkelijkheid verzetten


tegen God, een vroom uiterlijk combineren met een binnenste vol kwade
verlangens.
4.
Van het zuurdeeg van de sadduceen geeft Jezus geen omschrijving,
maar uit Lukas 20:27 blijkt dat dit bestaat uit: Niet alles geloven dat God
gesproken heeft, maar slechts een deel daarvan geloven. De sadduceen
leerden dat er geen opstanding is. Ze aanvaardden de vijf boeken van Mozes,
maar niet de profeten en de geschriften. Ze meenden uit het woord van God
een selectie te kunnen maken en maakten onderscheid tussen historisch
betrouwbare en mytische passages.
5.
Ook van het zuurdeeg van Herodes geeft Jezus geen definitie, maar
Hij duidde deze machthebber eens aan als die vos (Lukas 13:32). Blijkbaar
bestaat het zuurdeeg van Herodes uit sluwheid en politiek opportunisme.
Om zijn eigen positie te handhaven, maakte de koning gebruik van slinkse
streken. Toen Jezus veel aanhang kreeg en in de ogen van de gevestigde orde
gevaarlijk werd, stuurde de vorst enige farizeen naar Hem toe die zeiden:
Vertrek en ga weg van hier, want Herodes wil u doden (Lukas 12:31). In
werkelijkheid wilde de koning dat helemaal niet. Een volksoproer gevolgd
door een militair ingrijpen van de Romeinen wilde hij niet riskeren. Hij liet
een vals gerucht verspreiden omdat hij hoopte dat Jezus op grond van dat
gerucht het besluit zou nemen om uit zijn gebied te vertrekken. Maar Jezus
trapte er niet in. Hij zag in dat het gerucht van Herodes zelf afkomstig was.
Dus zei Hij tegen de farizeen: Zeg tegen jullie opdrachtgever, dat Ik
vandaag en morgen wonderen moet doen, en pas op de derde dag zal
omkomen in Jeruzalem, want als profeet kan Ik nergens anders sterven!
(Lukas 13:32-33).
6.
Zuurdeeg is een verborgen kiem van bederf. Discipelen van Jezus
moeten goed uitkijken en ervoor oppassen (Matthes 16:6,11,12;
Markus 8:15; Lukas 12:1). Zoals er zuurdeeg verstopt was in het meel, zo ligt
er aan veel dat als geestelijk voedsel of als bestuurlijke wijsheid wordt
verkocht, een kwalijk principe ten grondslag. Wie niet oplet, slikt gif zonder
het in de gaten te hebben.
7.
Het tekstverband waarin de gelijkenis van het zuurdeeg voorkomt is
niet in alle evangelin hetzelfde. Volgens Matthes maakte de gelijkenis deel

48

uit van onderricht dat Jezus vanaf een schip in de zee gaf aan de menigten op
het strand (Matthes 13:2). Volgens Lukas was de gelijkenis de afsluiting van
een toespraak die Hij in een synagoge hield op de sabbat (Lukas 13:10,2021). Blijkbaar heeft Jezus dezelfde gelijkenis bij verschillende gelegenheden
verteld. Het Lukasevangelie verschaft aanvullende informatie over de
betekenis van de gelijkenis.
Het tekstverband van de gelijkenis bij Lukas
Op een zekere sabbat gebeurde er het volgende: Jezus bevond zich in een
synagoge en mocht daar het woord voeren. Onder de gemeenteleden
bevond zich een vrouw die al achttien jaar ziek was. Haar rug was helemaal
kromgegroeid en ze kon zich niet meer oprichten. Jezus, die haar zag, riep
haar bij zich en genas haar volkomen door tegen haar te spreken en haar de
handen op te leggen (Lukas 13:10-13).
De leider van de synagoge nam het Jezus bijzonder kwalijk dat Hij op de
sabbat genas en zei tegen de gemeente:
Er zijn zes dagen waarop men moet werken; komt u dan op die dagen laten
genezen en niet op de sabbatdag! (Lukas 13:14).
Deze reactie van het synagogebestuur was ronduit walgelijk. Alsof
gehandicapte mensen een bepaalde dag zouden kunnen uitkiezen om zich te
laten genezen, en op de sabbat niet naar de synagoge zouden mogen komen
om het woord van God te horen!
Blijkbaar vertolkte de synagogeleider de mening van de farizeen. Want
Jezus zei:
Huichelaars (Gr. hupokrita), maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of
ezel van de kribbe los, leidt hem weg en geeft hem te drinken? Moest dan
deze, die een dochter van Abraham is, die de satan, zie, achttien jaar had
gebonden, niet van deze band worden losgemaakt op de sabbatdag? (Lukas
13:15-16)
De synagogeleider was geheel doorzuurd met de huichelarij van de
farizeen (Lukas 12:1) en daardoor een zuurpruim geworden. De
gemeenteleden dachten er net zo over als hij, daarom verweet Jezus niet
alleen hm dat hij een huichelaar was, maar de synagoge als geheel. Volgens
Jezus was de sabbatdag juist de aangewezen dag om een gebondene los te

49

maken. Want de betekenis van het woord sabbat is: ophouden


ophouden met zwoegen en in vrijheid rusten.
Meteen daarop stelde Jezus de vraag: Waaraan is het koninkrijk van God
gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken? (Lukas 13:18). Hij beantwoordde
die vraag door de gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdeeg te
vertellen. De gelijkenis van het zuurdeeg houdt blijkbaar verband met de
houding van de farizeen, de leider van de synagoge in het bijzonder. Star
vasthouden aan de vorm van het sabbatsgebod was voor hen belangrijker
dan handelen in de geest van de sabbat, het lenigen van andermans nood
zodat ook die ander kan rusten (vgl. Deuteronomium 5:12-15). Handhaving
van hun eigen leiderspositie was waar het hun eigenlijk om ging. Een
wonderbaarlijke genezing, een zichtbaar teken van Gods nabijheid,
beschouwden ze als een bedreiging. Godsdienstig zuurdeeg kan als
uitwerking hebben dat men elke sabbat preekt over de beloften van God en
het komende rijk van God maar wanneer dat rijk plotseling openbaar wordt
blijkt men zich er fel tegen te verzetten.
Zuurdeeg in de brieven
Niet alleen in de evangelin, maar ook in de brieven van het Nieuwe
Testament wordt er over zuurdeeg gesproken. Aan de Korinthirs schreef
Paulus:
Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg
doorzuurt? Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent, u
bent immers ongezuurd. Want ook ons pascha, Christus, is geslacht. Laten wij
daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van
slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en
waarheid (1 Korinthe 5:6-8)
Zuurdeeg staat model voor het oude leven, het bestaan zonder Christus, dat
werd gekenmerkt door slechtheid en boosheid. Aan de Galaten schreef de
apostel:
U liep goed; wie heeft u tegengehouden, dat u de waarheid niet zou
gehoorzamen? Die overreding is niet uit Hem die u roept. Een beetje
zuurdeeg doorzuurt het hele deeg. Ik vertrouw van u in de Heer, dat u niet
anders gezind zult zijn; maar hij die u in verwarring brengt, zal het oordeel
dragen, wie hij ook is (Galaten 5:7-10)

50

In de gemeenten van Galati waren mannen ingeslopen die beweerden dat


gelovigen uit de volken zich moesten houden aan de wet van Mozes en zich
moesten laten besnijden om in Gods oog rechtvaardig te kunnen zijn
(Galaten 5:1-6). De reactie van Paulus was furieus: rechtvaardiging is door
geloof, niet door werken. Wie een keuze, een daad of een werk van de mens
noodzakelijk acht voor het behoud of rekent tot de grond van de
rechtvaardiging, verstopt in de blijde boodschap een zuurdeeg dat
uiteindelijk de hele verkondiging zal bederven. Het woord van God zal dan
door menselijke overlevering worden aangetast, net zoals dat in Isral
gebeurde door de overlevering van de ouden (Matthes 15:9, Markus 7:7).
In de richting van een verklaring
Volgens de gangbare verklaring van de gelijkenis is het zuurdeeg het woord
van Christus en de vrouw is de kerk. De kerk brengt het evangelie naar de
mensheid die wordt uitgebeeld door de drie maten meel. Het evangelie zal
die mensheid langzaam maar zeker in positieve zin veranderen. Uiteindelijk
is heel de samenleving erdoor benvloed. Zo krijgt het koninkrijk der hemelen
gestalte.
Dat deze interpretatie onjuist is, blijkt niet alleen uit de betekenis van
zuurdeeg in de Schriften, maar ook uit wat Jezus vertelde over de
toekomst. Hij kondigde aan dat de boodschap van zijn leerlingen geen bijval
zou oogsten, maar afwijzing, verwerping en haat zou oproepen (Johannes
15:18-21). Hij zei niet dat Hij zou terugkomen naar een wereld die door het
evangelie ten goede was veranderd, maar Hij vroeg zich af of Hij bij zijn
komst nog wel het geloof zou vinden op aarde (Lukas 18:8). Het tijdperk dat
aan zijn komst zou voorafgaan vergeleek hij met de dagen van Noach die
uitliepen op de zondvloed, en met de dagen van Lot waarin Sodom en
Gomorra met vuur en zwavel werden verbrand (Lukas 17:26-30). De
mensheid zou Hem verwerpen en een ander aanvaarden die kwam in zijn
eigen naam, een pseudo-messias (Johannes 5:43).
Wanneer we het symbool van het zuurdeeg niet in positieve zin, maar op
grond van de Schrift als iets negatiefs opvatten dan komen we tot een heel
andere uitleg dan de gangbare. Een vrouw plaatst een kiem van bederf dat
de gemeenschap tussen God en mensen zal aantasten.
Voor vrouw gebruikte de Heere het woord gunee, dat wil zeggen: een
getrouwde vrouw, een echtgenote. Voor zijn hoorders die de Schriften

51

kenden kan het niet moeilijk zijn geweest om te raden wie deze dame was.
In de Hebreeuwse Bijbel wordt Isral immers dikwijls voorgesteld als de
echtgenote van de HERE. De geestelijke en politieke leiders van het volk
zetelden in de dochter Sions, dat wil zeggen: de stad Jeruzalem. Vooral zij
waren de verspreiders van een gevaarlijk zuurdeeg (Matthes 16:6,11,12;
Markus 8:15; Lukas 12:1).
Van dat zuurdeeg bestaan er verschillende vormen:
1. Allereerst huichelarij (het zuurdeeg van de farizeen). De Bijbel laat zien
hoe zulk deeg werkt:
Maar toen Kefas [d.w.z. Petrus] in Antiochi kwam, weerstond ik [Paulus]
hem in zijn gezicht, omdat hij te veroordelen was. Want voordat er enigen
van Jakobus kwamen, at hij met [die uit] de volken; maar toen zij gekomen
waren, onttrok hij zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de]
besnijdenis; en met hem huichelden <ook> de overige Joden, zodat zelfs
Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept. Maar toen ik zag dat zij
niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas in
het bijzijn van allen: Als u, die een Jood bent, leeft als de volken en niet als de
Joden, waarom dwingt u de volken naar joodse wijze te leven? (Galaten
2:11-14)
De waarheid van het evangelie is dat God geen onderscheid maakt tussen
Joden en niet-Joden, omdat Hij door het geloof hun harten reinigt
(Handelingen 15:8-9). Ieder mens die op Christus vertrouwt mag als broeder
of zuster worden aanvaard. Zo iemand behoort tot hetzelfde gezin, ook al
gedraagt hij zich misschien niet in elk opzicht als wij. Waar het zuurdeeg van
huichelarij insluipt, verliest men uit het oog dat niet wat de mens doet
beslissend is maar wat God doet. De rechtvaardiging door geloof raakt hoe
langer hoe meer uit het zicht. In de tijd van de apostelen betekende dit dat
men alleen mensen die zich aan de spijswetten hielden, nog maar als
gelovigen wilde aanvaarden en alleen nog maar met hen wilde eten. In onze
tijd wil men alleen mensen die zich aan een bepaald doopritueel hebben
onderworpen, die er een bepaalde opvatting van het avondmaal op na
houden, en die bepaalde leefregels eerbiedigen, nog maar als christen
aanvaarden. Paulus schreef over zulke denkbeelden:
De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in [de] latere tijden sommigen van het
geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezighouden met verleidende

52

geesten en leringen van demonen die in huichelarij leugen spreken en hun


eigen geweten hebben dichtgeschroeid. Zij verbieden te trouwen [en
gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met
dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid
kennen. Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk
als het met dankzegging wordt genomen, want het wordt geheiligd door
Gods woord en door gebed (1 Timothes 4:1-5)
Wie beweert dat men door ascese een beter christen wordt en wie alleen
nog maar asceten als christenen wil aanvaarden, heeft zuurdeeg geslikt
zonder dit te beseffen. Ook de gemeente uit de volken zou door huichelarij
worden aangetast, want de Schrift zegt van de laatste dagen, dat de
mensen
ogenschijnlijk godsvrucht zullen bezitten maar de kracht daarvan zullen
verloochenen (2 Timothes 3:5, vgl. Titus 1:13-16).
Moderne huichelarij kan zich op precies dezelfde wijze uiten als in de
synagoge waar Jezus ooit een kromgebogen vrouw genas (Lukas 13:10-16).
Gloedvol praten over het komende rijk, maar ondertussen hopen dat de
wederkomst nog maar zo lang mogelijk uitblijft.
2. De tweede vorm van zuurdeeg is afkomstig van de sadduceen: selectief
Bijbelgebruik. Ook dat zou de joods-christelijke gemeenschap doorzuren. De
apostel waarschuwt:
Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar
naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het
gehoor te laten strelen; en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich
tot de fabels wenden (2 Timothes 4:3).
Men spreekt wel over de Bijbel, maar men ontleent aan de Schrift alleen wat
men graag wil horen of waarmee men vertrouwd is. Het overige negeert
men, of men wijst het af. Men wil een leraar der wet zijn en men hamert
op het sabbatsgebod en het belang van het gezin, maar men gebruikt de wet
niet wettig (vgl. 1 Timothes 1:7-8). Men citeert de Torah op enkele
zelfgekozen punten, maar men vermeldt niet dat die onderwijzing voor het
leven in n bepaald land aan n bepaald volk is gegeven, en dat Gods wet
grootgrondbezit en het heffen van rente verbiedt. Men spreekt gloedvol over
de hemel. Maar dat de Schrift spreekt over een nieuwe aarde die de

53

zachtmoedigen zullen berven en waar het volk Isral een koninklijk en


priesterlijk bestuur zal uitoefenen, wordt glashard ontkend.
3. De derde vorm van zuurdeeg bestaat uit het heulen met de aardse macht
(het zuurdeeg van Herodes). Jakobus waarschuwde de twaalf stammen in de
verstrooiing al voor deze kwalijke praktijk (Jakobus 1:1; 2:1-13). Sedert de
dagen van keizer Constantijn is ook de gemeente uit de volken van dit
zuurdeeg doortrokken. De meeste christenen menen dat indien iets werkt
en succes heeft het gebruik ervan geoorloofd is, maar dat is een dwaling.
De verbintenis van georganiseerde godsdienst en aardse macht zal uitlopen
op de situatie die we in 2 Thessalonicenzen 2:1-12 en Openbaring 13
beschreven vinden.
De synagoge en de christelijke gemeente kunnen worden beschouwd als
voorposten van het koninkrijk der hemelen. Hier is geestelijk voedsel te
vinden. Hier kan de gemeenschap tussen God en mensen worden beleefd.
Maar leringen van mensen en wereldse denkbeelden worden overal met dat
voedsel vermengd, zodat de gemeenschap wordt bedorven.
De voleinding van de eeuw
Ook de gelijkenis van het zuurdeeg bevat een verwijzing naar de voleinding
van de eeuw. Het zuurdeeg dat de vrouw in de drie maten meel heeft
verstopt, zet immers een gistingsproces in gang dat pas na verloop van tijd
zijn werk heeft gedaan. Het meel is dan geheel doorzuurd (Matthes
13:33).
Wanneer het zuurdeeg van wetteloosheid onder de dekmantel van
godsdienst zijn werk heeft volbracht, is de aarde gerichtsrijp geworden. Dan
zal de Messias verschijnen om de wereld te richten (dat wil zeggen: recht
te maken) in gerechtigheid (Psalm 98:9).

* * * * * * *

54

De schat in de akker

Matthes heeft als enige van de vier evangelisten de gelijkenis van de schat
in de akker doorgegeven. Jezus vertelde deze gelijkenis nadat Hij naar zijn
huis in Kapernam was teruggekeerd (Matthes 13:36). Hij had zich aan
boord van een schip begeven en vanuit de zee de menigte op het land
onderricht gegeven in gelijkenissen (Matthes 13:1-3). De gelijkenis van de
schat in de akker was bestemd voor de discipelen en had een korte maar
krachtige boodschap:
Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die
een mens vond en verborg; en vanwege zijn blijdschap daarover gaat hij heen
en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker (Matthes 13:44)
Uitleg van de gelijkenis gaf Jezus niet, maar zijn discipelen begrepen wat Hij
wilde zeggen (Matthes 13:51). Of wij het k begrijpen, is de vraag want
er worden van deze gelijkenis uiteenlopende verklaringen gegeven.
De gangbare uitleg
De gangbare uitleg is te vinden in de kanttekeningen van de Statenvertaling:
Met deze gelijkenis wijst Christus aan de uitnemende waardigheid van de
leer en de beloften des Evangelies, mitsgaders den ijver en naarstigheid, die
men behoort aan te wenden om dezelve te verkrijgen, al ware het ook met
schade en verlies van alle tijdelijke dingen (zie Filippenzen 3:7).
Volgens de Statenvertalers staat de mens in de gelijkenis model voor de
gelovige. Om te verkrijgen wat in het evangelie wordt beloofd, volgens de
kanttekeningen toegang tot het koninkrijk der hemelen, behoort een
gelovige ijver en opofferingsgezindheid aan de dag te leggen. Hij moet bereid
zijn om afstand te doen van alles wat hij heeft, ja zelfs van zijn eigen leven,
om het hemelrijk te kunnen berven.
De redacteuren van de NIV Study Bible zijn het met de Statenvertalers eens.
Hun commentaar is het volgende:

55

Het koninkrijk is van zon grote waarde dat men bereid behoort te zijn om
alles wat men bezit op te geven ten einde het te kunnen winnen15.
Ook de bekende Engelse commentator Matthew Henry meende dat dit de
betekenis van de gelijkenis was, hij schreef:
Wie door Christus behouden willen worden moeten bereid zijn om alles voor
Hem op te geven, alles in de steek te laten en Hem te volgen16.
Onbevredigend
Hoe het u vergaat weet ik niet, maar mij heeft bovengenoemde uitleg nooit
kunnen overtuigen. En wel om de volgende redenen:
1. Volgens Jezus eigen woorden hadden de gelijkenissen die Hij
vertelde betrekking op de verborgenheden van het koninkrijk der
hemelen geheimen die aan de discipelen werden bekendgemaakt,
maar die de menigte niet begreep omdat hun hart vet was
geworden en zij hun ogen en oren hadden gesloten (Matthes
13:10-17, 34-35).
2. Dat het volgen van Christus offers vraagt, was echter geen geheim
Jezus had dat al meerdere malen onomwonden gezegd (Matthes
6:24, 8:18-22, 10:34-39) en Hij zou het bij een latere gelegenheid
opnieuw zeggen (Matthes 16:24-27).
3. De mens in de gelijkenis koopt niet de schat maar de akker, en krijgt
de schat op de koop toe. De schat maakt deel uit van de akker en is
in de akker verborgen. In de gangbare uitleg wordt aan dit aspect
van het verhaal geen enkele betekenis toegekend.
4. Ook aan andere details van de gelijkenis wordt in de uitleg van de
Statenvertalers geen aandacht besteed. De schat werd volgens Jezus
niet gevonden in een akker maar in DE akker, d.w.z. de ene,
15

Barker K (ed.) The NIV Study Bible (New International Version). Grand Rapids, MI:
Zondervan Bible Publishers, 1985, p.1462.

16

Matthew Henrys Commentary: The Four Gospels [edited and introduced by David
Winter] London: Hodder and Stoughton, 1974, p.119-120.

56

welbekende akker waarover Hij eerder had gesproken. Wat wil het
zeggen dat de schat in die akker werd gevonden? En dat de vinder
hem weer verborg en wegging om de akker te gaan kopen? Waarom
moest de vinder alles wat hij had verkopen om de akker te
verwerven? Waarom alles, en niet veel?
5. De gelijkenis kan niet als een aansporing voor de gelovigen zijn
bedoeld, want indien de hoofdpersoon een beeld was van de mens
in het algemeen, dan handelde hij onoprecht. De vinder van de schat
had de landeigenaar behoren te informeren. Maar hij zweeg en
betaalde alleen de koopprijs voor het stuk grond. Het offer van zijn
bezittingen was voor hem een kleinigheid, binnen enkele
ogenblikken zou hij immers schatrijk zijn! Ten koste van een
nietsvermoedende volksgenoot, wel te verstaan17. Aan een
geschiedenis als deze kon een gelovige Jood onmogelijk een
voorbeeld nemen.
6. De gangbare uitleg ontleent aan het verhaal een conclusie die in de
Bijbel niet wordt getrokken. De mens uit de gelijkenis moet niet
afstand doen van al wat hij heeft, maar hij is z blij over zijn vondst
dat hij al zijn bezittingen spontaan verkoopt. In de gangbare uitleg
ligt de nadruk op moeten, behoren, en plicht. Maar in het
verhaal dat Jezus vertelde ligt de nadruk op blijdschap18.
7. De schat in de akker is volgens het Bijbelwoord niet een erfdeel in
het koninkrijk of behoud door Christus of toegang tot het rijk,
maar het koninkrijk zlf.
De symbolen van de gelijkenis
Door Schrift met Schrift te vergelijken kan de betekenis van de symbolen in
de gelijkenis worden achterhaald. Ook dan moeten we nog gissen naar het
punt van de vergelijking, maar de kans dat we de plank mis slaan wordt wel
een stuk kleiner. In het tekstverband ontdekken we het volgende:
17

In zijn verklaring maakt Joachim Jeremias zich er op dit punt wel wat gemakkelijk
van af door te schrijven: ber die Rechtslage wird nicht reflektiert; es wird
geschildert wie der Durchschnittsmensch handelt (a.w., p.132).
18

Hierop is terecht gewezen door Joachim Jeremias (a.w., p.133-134).

57

a. De schat is het koninkrijk der hemelen want Jezus zegt: Het


koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat (Matthes 13:44).
Niet een erfdeel in het rijk, of toegang tot het rijk, maar het rijk zelf.
Daarbij moeten we beseffen dat het Griekse woord basileia zowel
koninkrijk als koningschap kan betekenen. De schat kan een
bepaald grondgebied uitbeelden maar ook de natie die in dat gebied
woont of de koninklijke waardigheid. Wie het koninkrijk der
Nederlanden koopt, verkrijgt zevenendertigduizend vierkante
kilometer grond, verwerft zestien miljoen onderdanen en mag zich
voortaan koning noemen.
b. Wat de akker voorstelt is niet onmiddellijk duidelijk. Maar binnen
het tekstverband komt het woord akker meerdere malen voor
(vs.24,27,31) en in zijn uitleg van de gelijkenis van het onkruid had
Jezus gezegd: De akker is de wereld (vs.38). Direct daarna vertelde
Hij de gelijkenis van de schat in de akker. Het ligt voor de hand om te
veronderstellen dat de akker ook daar model staat voor de wereld.
Temeer omdat er in de Griekse grondtekst nadrukkelijk over DE
akker wordt gesproken (vs.44), de bekende akker die kort tevoren
door de verteller was genoemd (vs.38).
c. Wie de mens in de gelijkenis is, wordt niet verteld. Maar uit vers
44 blijkt dat deze persoon het rijk koopt. Wie het rijk koopt, wordt
koning. Als we dat inzien, begrijpen we wie de betrokkene is. Het is
Jezus zelf. Een ogenblik geleden had Hij zich de Zoon des mensen
genoemd (vs.37,41), wat in het Hebreeuws zoiets betekent als de
erfgenaam van Adam, de mens bij uitstek.
Over deze drie punten kan mijns inziens geen twijfel bestaan. De mens in de
gelijkenis kan onmogelijk iedere gelovige zijn en de schat is niet het
behoud van die gelovige.
Het is opvallend dat de mens in de gelijkenis de schat verbergt nadat hij hem
heeft gevonden. Hij gaat weg en verkoopt alles wat hij heeft. Het verhaal
veronderstelt dat de vinder na het kopen van de akker zal terugkeren om de
schat op te graven en zich die toe te eigenen. Maar over die terugkeer wordt
in de gelijkenis niet gesproken. Het verhaal dat Jezus vertelde eindigt met de
koop van de akker.

58

Verband met het voorafgaande


De eerste vier gelijkenissen die Jezus aan de menigten vertelde, lieten zien
dat de blijde boodschap dat het koninkrijk nabij was niet het gewenste
resultaat zou hebben. Zaad dat in onbewerkte grond terechtkwam, zou geen
vrucht voortbrengen. Behalve goed zaad werd er ook onkruid gezaaid dat
bedrieglijk veel op tarwe leek. Het kleine zaad in de moestuin zou uitgroeien
uit tot een boom van onnatuurlijke afmetingen, waarin vogels huisden die
zich aan de opbrengst van de tuin zouden vergrijpen. Het product van de
tarwe (meel) zou zuur worden omdat een vrouw er stiekem zuurdeeg in had
verstopt.
In het hoofd van de discipelen moet de vraag zijn opgekomen: Als zulke
kwade invloeden de groei van het koninkrijk belemmeren en verstoren, hoe
kan het rijk waarvan de profeten hebben gesproken dan nog ooit ontstaan?
Toen Jezus naar huis was teruggekeerd en alleen zijn discipelen nog maar bij
Hem waren, vertelde Hij opnieuw vier gelijkenissen om die onuitgesproken
vraag te beantwoorden.
Uit een aantal overeenkomsten en tegenstellingen blijkt, dat de eerste
gelijkenis uit de tweede reeks staat tegenover de laatste gelijkenis uit de
eerste reeks.
Een vrouw nam (vs.33)
Een mens vond (vs.44)
Een vrouw verborg (vs.33)
Een mens verborg (vs.44)
In drie maten meel (product van de akker) (vs.33)
In de akker (vs.44)
Niet verteld, maar verondersteld worden:
Vrouw komt terug wanneer het meel is doorzuurd
de koop van de akker

Mens komt terug na

De boodschap van de gelijkenis


Wanneer een schat in een akker is verborgen, is er geen sprake van normale
omstandigheden. Een schat is bedoeld om die te gebruiken en ervan te
genieten. Men behoort met hem te investeren, dan kan hij rente of winst
opleveren (zie Matthes 25:14-30). Het verbergen van een schat wijst op een
oorlogssituatie. Men verbergt een schat om te voorkomen dat die als buit
door een invallend leger of door invallende roversbenden wordt

59

meegenomen. In de dagen van Johannes de Doper en van Jezus werd het


koninkrijk der hemelen geweld aangedaan; geweldenaars rukten het
weg (Matthes 11:12). Daarom nam de vinder het besluit om de schat weer
te verbergen.
In de evangelin lezen we slechts n keer dat Jezus zich verheugde. Dat
was toen de zeventig (of tweenzeventig) leerlingen van een rondreis door
het land Isral bij hun leraar terugkeerden en Hem berichtten dat ze niet
alleen hadden kunnen prediken maar in zijn naam ook demonen hadden
kunnen uitdrijven (Lukas 10:17-24). Ongetwijfeld verheugde Jezus zich over
het feit dat de krachten van de toekomstige eeuw (Hebreen 6:5) zich
hadden geopenbaard. Omdat er door de Geest (of: vinger) Gods demonen
waren uitgedreven was het rijk van God zichtbaar geworden (Matthes
12:28, Lukas 11:20).
Maar de reactie van het volk op de openbaring van het rijk was niet unaniem
positief. De menigten hadden wel belangstelling, vooral om te worden
genezen van hun kwalen, maar de rijken en machtigen reageerden uiterst
vijandig. Hun vijandschap zat z diep, dat ze zelfs unieke wonderen van
barmhartigheid bestempelden als werken van de duivel (Matthes 12:22-32,
Markus 3:20-30, Lukas 11:14-23). Van een bekering van heel Isral was geen
sprake. Zelfs bij een groot deel van de menigte was er geen sprake van
blijvende of diepgaande verandering.
De mens, Jezus, vond de schat in de akker - het koninkrijk van God werd
zichtbaar in de wereld. Hij verheugde zich daarover, maar vanwege de
omstandigheden nam Hij het besluit om de schat weer te verbergen. Wat dit
verbergen inhoudt, kunnen we lezen in Matthes 12:31-32 en 43-46. Het
huis dat was geveegd en geordend zou weer net zo vies worden als het was
geweest, ja zelfs nog viezer. Het rijk dat even zichtbaar was zou weer uit het
zicht verdwijnen.
Betekent dit dat de mens zijn vondst heeft opgegeven en de schat voorgoed
verloren is? Volgens de gelijkenis niet.
Vanwege zijn blijdschap over de vondst ging de mens heen en verkocht alles
wat hij had, en kocht de akker. In plaats van de rijkdom te grijpen die voor
het oprapen lag, ging hij weg en verkocht al zijn bezittingen. Dit heeft
betrekking op de gang naar het kruis, waar Jezus afstand deed van alles wat
Hij had, van iedere eer of waardigheid, ja zelfs van zijn leven. Door die weg te

60

gaan kocht Hij de akker, de schat incluis. Heel de wereld (Gr. kosmos) is zijn
eigendom geworden, met alles wat daarin is. Niet alleen Isral, ook de
volken. Niet alleen de levenden, maar ook de gestorvenen (vgl. Romeinen
14:7-12). Niet alleen de schepselen op de aarde en onder de aarde, maar ook
die in de hemel (Filippenzen 2:10). Elke knie zal zich buigen en elke tong zal
belijden, dat Hij heer is (Filippenzen 2:5-11).
De gelijkenis veronderstelt dat de koper naar de akker zal terugkeren om die
in bezit te nemen, de schat op te graven, zich die toe te eigenen en hem te
gaan gebruiken. Maar dat gedeelte van het verhaal wordt niet verteld. De
gelijkenis beantwoordt de vraag hoe het koninkrijk der hemelen zich tijdens
het leven van de luisteraars zou ontwikkelen. Het opeisen van de akker bij de
voleinding van de eeuw wordt in andere gelijkenissen beschreven.
Tegenstelling met het voorafgaande
Tussen de gelijkenis van de schat in de akker en die van het zuurdeeg
bestaan belangrijke tegenstellingen. Met de gelijkenis van het zuurdeeg
beschreef Jezus een geleidelijk proces dat zich gedurende het hele
tegenwoordige tijdperk voortzet. De verborgenheid van de wetteloosheid
is nu al aan het werk (2 Thessalonicenzen 2:7). Zuurdeeg begint zijn werk te
doen zodra het in het meel is verstopt. Uiteindelijk is het meel geheel
doorzuurd en rijp geworden voor de oven. Het zuurdeeg is een beeld voor
krachten van de tegenwoordige eeuw die in de joods-christelijke
gemeenschap werkzaam zijn en die haar naderingsgave voor de Eeuwige
negatief benvloeden: mensenwerk, eigenmachtig en selectief Bijbelgebruik,
vervolging van andersdenkenden, kerkelijke intriges en de verleiding van de
aardse macht. De Messias heeft zijn discipelen gewaarschuwd voor het
zuurdeeg van de farizeen, de sadduceen en Herodes, en Hij heeft van het
symbool van het zuurdeeg een verklaring gegeven.
In tegenstelling tot de gelijkenis van het zuurdeeg beschrijft het verhaal van
de schat in de akker een proces met twee (of drie) gescheiden fasen. De
hoofdpersoon vindt een schat en is daar erg blij mee. Maar na zijn
ontdekking verbergt hij zijn vondst weer goed. Hij gaat weg en verkoopt alles
wat hij heeft om de akker te kunnen kopen. Na het verbergen van de schat is
die weer even onzichtbaar als eerst. Wanneer de hoofdpersoon naar de
akker terugkeert, de akker die intussen zijn eigendom is geworden, zal de

61

schat worden opgegraven. Die afloop wordt in de gelijkenis echter niet


verteld.
Uit de evangelieverhalen blijkt dat het vinden van de schat in de akker
betrekking heeft op het zichtbaar-worden van het koninkrijk van God op
aarde. In het optreden van Jezus en zijn discipelen manifesteerden zich de
krachten van de toekomstige eeuw. Zodat het volk Isral kon proeven van
de hemelse gave en deelgenoot werd van de heilige Geest (Hebreen 6:46). Het rijk openbaarde zich doordat demonen die veel macht bezaten
werden uitgeworpen. Hun menselijke slachtoffers werden in vrijheid gesteld.
Maar Isral wees de prediking van het nabije koninkrijk af (zie Matthes
11:20-24, 12:22-42). En zelfs de heidenvolken waren niet blij met een
openbaring van Gods macht in hun midden (zie Matthes 8:28-34). Daarom
nam de hoofdpersoon in de gelijkenis het besluit om de schat weer te
verbergen.
Het verhaal van de schat nam daarom een onverwachte wending. De
hoofdpersoon ging weg, verkocht alles wat hij bezat en kocht de akker. De
Zoon des mensen deed afstand van zijn messiaanse heerlijkheid en zelfs van
iedere vorm van menselijke waardigheid. Hij vernederde zich en werd
gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de meest vernederende dood, het sterven
aan een kruis (Filippenzen 2:5-11). Zijn vijanden spotten: Anderen heeft Hij
verlost, zichzelf kan Hij niet verlossen (Matthes 27:42-44, Markus 15:3132, Lukas 23:35). En er gebeurde niets. Er was geen spoor meer te zien van
de bescherming die Hij eens had genoten (Lukas 4:29-30, Johannes 8:59,
10:39), of van het gezag over de demonen en de krachten van de natuur dat
Hij aanvankelijk ten toon had gespreid.
Toch kocht Hij z de akker19 - volgens zijn eigen woorden de kosmos (vs.38).
Hij betaalde de losprijs voor allen (1 Timothes 2:6). Door zijn dood deed Hij
19

De beeldspraak betreffende de hoge prijs die Christus betaalde is o.a. te vinden in


de volgende Bijbelteksten: zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te
worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen
(Matthes 20:28, Markus 10:45). Hij, de Ene, betaalde de prijs voor velen, d.w.z.
voor de rest van de mensheid (in 1 Timothes 2:6 staat daarom: voor allen). Want
allen hebben gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God, en worden om
niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is
(Romeinen 3:23-24). Verlossing betekent vrijkoping, bevrijding door middel van
het betalen van een prijs. Want er is n God en n middelaar tussen God en
mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor

62

hem die de macht van de dood had te niet om allen te verlossen die uit vrees
voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren
(Hebreen 2:14-15). Door n mens is de zonde in de wereld gekomen en
door de zonde de dood. De dood is vervolgens tot alle mensen doorgegaan
(Rom.5:12). Maar zoals de sterfelijkheid er is door n mens, zo is ook de
opstanding van de doden er door n mens. Want evenals in Adam allen
sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden (1 Korinthe
15:21-22). Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen die
ontslapen zijn (1 Korinthe 15:20).
* * * * * * *

allen (1 Timothes 2:5-6) Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben,
heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet
zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen
die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren
(Hebreen 2:14-15). U bent voor een prijs gekocht; verheerlijkt dan God in uw
lichaam! (1 Korinthe 6:20). U bent voor een prijs gekocht; wordt geen slaven van
mensen (1 Korinthe 7:23). U weet dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of
goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,
maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van
Christus (1 Petrus 1:18-19).

63

64

De parelkoopman
De gelijkenis van de kostbare parel is evenals het verhaal van de schat in de
akker alleen door de evangelist Matthes overgeleverd (Matthes 13:45-46).
Tegen zijn discipelen zei Jezus:
Het koninkrijk der hemelen is eveneens gelijk aan een koopman die mooie
parels zocht; toen hij nu n zeer kostbare parel gevonden had, ging hij weg
en verkocht alles wat hij had, en kocht die
Gezien de overeenkomst tussen een kostbare parel en een verborgen schat
nemen vele uitleggers aan dat vers 44 en vers 45-46 dezelfde strekking
hebben. Volgens de NIV Study Bible onderwijzen beide gelijkenissen dezelfde
waarheid: Het koninkrijk der hemelen is z kostbaar dat men bereid moet
zijn om daarvoor alles op te geven. Volgens Matthew Henry is de parel van
grote waarde Christus, en de zoekende koopman is de gelovige, die niet
moet rusten totdat hij Hem gevonden heeft. Zodra hij Hem vindt, moet een
zondaar alles achterlaten en de Messias volgen.
De gangbare uitleg
Ook de verklaringen die doorgaans van deze gelijkenis worden gegeven
kunnen mij niet erg overtuigen. De redenen voor mijn twijfels zijn de
volgende:
1. Commentaren spreken over de parel van grote waarde of de
gelijkenis van de kostbare parel. Maar in de Bijbel is de parel niet
het punt van de vergelijking. In vers 45 staat niet: Het koninkrijk der
hemelen is gelijk aan een parel. Er staat: Het koninkrijk der
hemelen is gelijk aan een koopman. Kopjes in Bijbelvertalingen
kunnen de argeloze lezer misleiden. Er had moeten staan: de
gelijkenis van de parelkoopman.
2. Gelijkenissen waren bedoeld om aan de
discipelen
verborgenheden te openbaren (Matthes 13:11). Dat het volgen
van Christus offers vraagt, was echter geen verborgenheid. Jezus had

65

het dikwijls tegen zijn discipelen gezegd (Matthes 6:24, 8:18-22,


10:34-39, 16:24-27).
3. Wanneer twee gelijkenissen dezelfde strekking zouden hebben, zou
n van beide verhalen uit de tekst geschrapt kunnen worden
zonder de Bijbelse boodschap geweld aan te doen. Maar in
werkelijkheid staat er in de Bijbel niets voor niets, geen tittel of
jota kan worden gemist (Matthes 5:18).
4. Er zijn tussen beide gelijkenissen inderdaad belangrijke
overeenkomsten. In beide gelijkenissen gaat de gelukkige vinder
weg (of heen) om een koop te kunnen regelen. In beide gevallen
verkoopt de hoofdpersoon alles wat hij heeft om zijn grote
aanschaf te kunnen doen.
5. Tussen beide gelijkenissen bestaan echter ook belangrijke
verschillen. Over blijdschap wordt gesproken in de eerste gelijkenis
maar niet in de tweede. Over het zoeken van de koper wordt
gesproken in de tweede gelijkenis maar niet in de eerste. Van het
verbergen van kostbaarheden is er sprake in het eerste verhaal,
maar niet in het tweede. Het koninkrijk der hemelen is in de eerste
gelijkenis gelijk aan een schat, maar in de tweede gelijkenis aan een
parelkoopman. Uit de verschillen tussen beide verhalen blijkt dat
hun strekking niet identiek is.
Parels in de Bijbel
Parels worden in het Nieuwe Testament bij zeven gelegenheden vermeld. In
de evangelin vinden we buiten deze gelijkenis maar n verwijzing. Tegen
zijn discipelen heeft Jezus gezegd:
Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de
varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich
omkeren en u verscheuren (Matthes 7:6)
In deze tekst is parels een parallel van het heilige, waarmee Jezus
bedoelt: de heilige dingen van God, het onderwerp van zijn eigen onderricht
in de Bergrede, het koninkrijk en zijn gerechtigheid (vgl. Matthes 6:33). De

66

leerlingen zouden niet aan iedereen kunnen voorhouden wat ze van hun
Meester hadden gehoord. De honden en de zwijnen, dat wil zeggen: de
niet-Joden (vgl. Matthes 15:26-27, Markus 7:27-28), zouden de boodschap
niet waarderen en zich tegen de discipelen keren als die in hun bijzijn over
heilige dingen zouden beginnen. Omdat Jezus het woord parels gebruikte
als symbool van het heilige: de gerechtigheid van het koninkrijk, ligt het
voor de hand om aan te nemen dat het woord ook in de gelijkenis van de
parelkoopman deze betekenis heeft.
Uit een drietal teksten blijkt dat parels vooral door vrouwen als sieraad
werden gedragen (1 Timothes 2:9, Openbaring 17:4, 18:16). Qua
kostbaarheid worden ze op n lijn gesteld met goud, zilver en edelstenen
(Openbaring 18:12).
Een laatste tekst is van bijzonder belang. Over het nieuwe Jeruzalem, de
bruid, de vrouw van het Lam, merkt de ziener Johannes op:
En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten
was uit n parel (Openbaring 21:21)
De bruid (Openbaring 21:9) is met allerlei edelgesteente voor haar man
versierd (Openbaring 21:2 en 19). In verband met haar poorten wordt
vermeld:
En geenszins zal in haar iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en
leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het
Lam (Openbaring 21:27)
Indien de parel model staat voor de gerechtigheid van het koninkrijk, dan
beelden de paarlen poorten van het nieuwe Jeruzalem uit dat alleen wie
deze gerechtigheid bezit de stad kan binnengaan.
Het zoeken naar parels
Van de koopman in de gelijkenis wordt gezegd dat hij mooie parels zocht.
Over dat zoeken had Jezus eerder gesproken, we lezen in het Matthes
evangelie immers:

67

Weest dan niet bezorgd, door te zeggen: wat zullen wij eten, of wat zullen
wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen
zoeken de volken; want uw hemelse Vader weet dat u al deze dingen nodig
hebt. Zoekt echter eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid , en al deze
dingen zullen u erbij gegeven worden (Matthes 6:31-33)
In verband met de gerechtigheid van het rijk had Jezus ook gezegd:
Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal
worden opengedaan. Want ieder die bidt, ontvangt, en die zoekt, vindt; en
die klopt, zal worden opengedaan (Matthes 7:7-8)
Uit deze teksten blijkt dat het zoeken van mooie parels beeldspraak is voor
het zoeken van de gerechtigheid van het koninkrijk.
Aangezien het rijk gelijk is aan een koopman die mooie parels zocht is de
koopman uit het verhaal niet een beeld van de gelovige. In vers 45 staat niet,
dat wie het rijk binnengaat gelijk is aan een koopman, maar dat het rijk gelijk
is aan een koopman. De koopman is de belichaming van het rijk, en daarom
een beeld van de koning. Vorst en rijk worden in de Schrift vaak
vereenzelvigd. Dat deed Danil bijvoorbeeld in zijn uitleg van de droom van
Nebukadnezar (Danil 2:36-39). De koopman is de Messias - Jezus zelf.
Over het zoeken naar parels wordt in de evangelin dikwijls gesproken. De
evangelisten vertellen hoe Jezus al vanaf zijn vroegste jeugd bezig was met
de Schriften, die overpeinsde en ijverig bestudeerde. Toen Maria en Jozef
hun twaalfjarige zoon tijdens het paasfeest in Jeruzalem uit het oog hadden
verloren en Hem dagenlang hadden gezocht, bleek er het volgende aan de
hand te zijn:
En het gebeurde na drie dagen, dat zij Hem in de tempel vonden, waar Hij
zat temidden van de leraren en naar hen luisterde en hun vragen stelde. Allen
nu die Hem hoorden, waren buiten zichzelf over zijn inzicht en zijn
antwoorden. En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld; en zijn moeder zei
tot Hem: Kind, waarom heb je ons dit aangedaan? Zie, je vader en ik hebben
je met smart gezocht! En Hij zei tot hen: Waarom hebt u mij gezocht? Wist u
niet dat ik in de dingen van mijn Vader moet zijn? En zij beseften het woord
niet dat Hij tot hen sprak (Lukas 2:46-50)

68

De geestelijke leiders van Isral beschouwden Jezus als een ongeletterde


handwerksman, in theologisch opzicht dus als een beunhaas. Maar ze
konden niet ontkennen dat zijn kennis van de Hebreeuwse Bijbel
ongevenaard was:
... toen het feest al half voorbij was, ging Jezus op naar de tempel en leerde.
De Joden [d.w.z. de Juders] dan verwonderden zich en zeiden: Hoe is deze zo
geleerd zonder onderwezen te zijn? (Johannes 7:14-15)
Iets dergelijks gebeurde ook toen Jezus sprak in de synagoge van Nazareth.
En Hij kwam in zijn vaderstad en leerde hen in hun synagoge, zodat zij
versteld stonden en zeiden: Waar heeft deze die wijsheid en die krachten
vandaan? Is deze niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet
Maria en zijn broers Jakobus, Jozef, Simon en Judas? En zijn zijn zusters niet
allemaal bij ons? Waar heeft deze dan dit alles vandaan? (Matthes 13:5456)
Jezus bezat wijsheid omdat Hij vanaf zijn vroegste jeugd de Schriften had
onderzocht en daarbij was geleid door Gods Geest. Drie maal lezen we dat
Hij geleidelijk groeide zoals ieder menselijk wezen, maar zich in geestkracht
van zijn omgeving onderscheidde:
Het kind nu groeide op en werd gesterkt in [de] geest, en was in de
woestijnen tot [de] dag van zijn optreden tegenover Isral (Lukas 1:80)
Het kind nu groeide op en werd gesterkt, vervuld met wijsheid; en [de]
genade van God was op Hem (Lukas 2:40)
En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en gunst bij God en mensen (Lukas
2:52)
De Messias was een koopman, omdat Hij naar parels zocht met de
bedoeling om die aan anderen door te geven. In de Hebreeuwse Schriften
was Isral opgeroepen om waarheid, wijsheid, tucht en verstand te kopen
(Spreuken 23:23), de ware spijs en drank die het hart blijvend kan
verzadigen (Jesaja 55:1-7). Voor de gerechtigheid die God vereist kunnen

69

gelovigen terecht bij de parelkoopman. Die verkoopt zulke parels zonder


geld en zonder prijs. En tch is het de allerbeste waar (Jesaja 55:1-3).
De kostbare parel
Toen Jezus de gelijkenis vertelde, leek zijn handel te worden bedreigd met
een faillissement. Velen in Isral moesten van Hem en zijn onderwijs niets
hebben. De geestelijke leiders van het volk beweerden dat Hij met hulp van
de duivel wonderen verrichtte (Matthes 12:22-32). De tijdgenoten van
Jezus bekeerden zich niet, in tegenstelling tot de inwoners van Ninev, die
zich hadden bekeerd op de prediking van Jona. Ze waren slechter dan de
(heidense) koningin van Scheba, want die had een verre reis gemaakt om
naar Salomo te kunnen luisteren (Matthes 12:38-42). Zelfs Jezus broers
geloofden niet in Hem en zijn moeder begreep van zijn missie weinig
(Matthes 12:46-50).
Wat zou de parelkoopman nu doen? Zijn winkel sluiten? Volgens de
gelijkenis deed Hij dat niet. Hij vond n zeer kostbare parel. Op grond van
de Schrift kunnen we naar de betekenis van dit symbool gissen:
1. In de profetie van Jesaja over het kopen van ware rijkdom door Isral
wordt gesproken over een eeuwig verbond (of: verbond van de eeuw),
de betrouwbare genadebewijzen van David (Jesaja 55:3). Betrouwbaar
ondanks de ontrouw van het volk Isral en haar koningen.
2. In het laatste Bijbelboek vormen parels de toegangspoorten tot het
nieuwe Jeruzalem. Elke poort van die stad bestaat uit n parel
(Openbaring 21:21). Een parel van enorme afmetingen en daarom
ongelooflijk kostbaar.
Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat de zeer kostbare parel die
de koopman vond een beeld is van de gerechtigheid die nodig is om het rijk
van God in de toekomstige eeuw te kunnen binnengaan. Een gerechtigheid
die niet van de mens maar van God afkomstig is, en daarom onvergankelijk
en smetteloos wit is als een schitterende parel. Een gerechtigheid die
overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en farizeen (Matthes
5:20). De gerechtigheid waarmee de vrouw van de HERE zich in de toekomst
zal mogen tooien.

70

Toen er ondanks de vele wonderen en tekenen die Hij met zijn discipelen
had gedaan van bekering en gehoorzaamheid bij Isral geen sprake was,
moet Jezus hebben gedacht aan de passages uit de wet en de profeten, waar
sprake is van een nieuw verbond dat God eens met zijn volk zal oprichten.
Een verbond waarvan de zegeningen niet afhankelijk zijn van de trouw van
de menselijke verbondspartners, maar alleen van de trouw van hun
Schepper. Een verbond waarin de Schepper de gerechtigheid die nodig is om
in Zijn nabijheid te kunnen verkeren zlf in het binnenste legt van het volk
dat Hij heeft uitgekozen:
"Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van
Isral en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het
verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand
nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken
hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dt is
het verbond, dat Ik met het huis van Isral sluiten zal na deze dagen, luidt het
woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart
schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan
zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent
de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste
onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid
vergeven en hun zonde niet meer gedenken (Jeremia 31:31-34)
Wanneer de wet in je binnenste is gelegd en in je hart is geschreven dan
ben je niet langer ongehoorzaam en vijandig, maar rechtvaardig en trouw.
Dan kun je het nieuwe Jeruzalem binnengaan (Openbaring 21:27) en de
betrouwbare genadewijzen van David, de zegeningen van het nieuwe
verbond, genieten.
De koop van de parel
Nadat hij de kostbare parel had gevonden, ging de koopman weg en
verkocht alles wat hij had, en kocht die (vers 46). Dezelfde beeldspraak had
Jezus al eerder gebruikt (vers 44). In de gelijkenissen van de schat in de akker
en de parelkoopman heeft weg gaan of heen gaan dezelfde betekenis als
in het evangelie van Johannes. Het heeft betrekking op de gang van de
Messias naar het kruis. Hij zou van zijn leerlingen weg gaan door te
sterven. Hij verkocht alles wat hij had door afstand te doen van zijn

71

messiaanse heerlijkheid en zelfs van iedere vorm van menselijke


waardigheid. Al zijn kennis, alle parels die Hij uit het woord had opgegraven,
moest Hij opgeven. Want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in
het dodenrijk waarheen Hij ging (Prediker 9:10).
Toch kocht Hij juist z de kostbaarste parel. Hij verwierf voor Isral de
gerechtigheid die nodig is om het rijk van God te kunnen binnengaan. Zo
loste Hij het probleem van de menselijke zonde op. De schrijver van de
Hebreenbrief zegt over het werk van Jezus:
Deze is nadat Hij <door zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand
heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de]
hoge. Maar nu is Hij eenmaal in [de] voleinding van de eeuwen
geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf
(Hebreen 1:3, 9:26)
En Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen:
Want als door de overtreding van de ene de dood heeft geregeerd door die
ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave der
gerechtigheid ontvangen, in [het] leven regeren door de Ene, Jezus Christus
Zoals dus door n overtreding tot alle mensen veroordeling [kwam], zo ook
door n gerechtigheid tot alle mensen [de] rechtvaardiging van [het] leven
(Romeinen 5:17-18)
Door Zijn dood werd de Messias de verbondmaker (d.w.z. het inwijdende
slachtoffer, Hebreen 9:16-18) en door Zijn opstanding de hogepriester van
het nieuwe verbond. Hij zal zijn volk besprenkelen met zijn eigen bloed, en
daarmee hun zonden bedekken (Hebreen 12:24-25). Hij legt zijn eigen leven
in de mensen die Hem toebehoren, waardoor ze anders gaan denken en
handelen en God oprecht gaan dienen (Hebreen 9:13-14). Zo zal de belofte
van het nieuwe verbond worden vervuld, dat God zijn wetten in het verstand
van Isral zal geven en die in hun harten zal schrijven, zodat Hij hun tot een
God en zij Hem tot een volk zullen zijn (Hebreen 8:8-10). Deze kostbare
parel is door de Messias verworven. Daarvoor offerde Hij alles op wat Hij
bezat.

72

Tegenstelling met het voorafgaande


De gelijkenis van de parelkoopman is in menig opzicht de tegenpool van de
gelijkenis van het mosterdzaad. Met het verhaal van het mosterdzaad
beschreef de Messias wat er zou gaan gebeuren wanneer de mensheid,
uitgaande van het woord van God, ging werken en haar eigen
gerechtigheid trachtte op te richten (vgl. Romeinen 9:30-10:4). Door het
streven om naar eigen inzicht aan het rijk van God te bouwen, zou er een
machtige boom ontstaan imponerend en indrukwekkend, maar juist
daardoor ook een woonplaats voor vogels van de hemel, dat wil zeggen:
voor handlangers van de satan. Met het verhaal van de parelkoopman liet de
Heere zien hoe de gerechtigheid van God zou worden verworven, de ware
gerechtigheid die nodig is om het koninkrijk der hemelen te kunnen
binnengaan (Matthes 5:20). De Messias zou op aarde niet groot worden,
maar zou juist alles verkopen wat hij had om langs die weg de ene parel in
bezit te krijgen.
* * * * * * *

73

74

Het sleepnet

De gelijkenis van het sleepnet is evenals de gelijkenissen van de schat in de


akker en de parelkoopman alleen te vinden in het evangelie van Matthes.
Jezus zei tegen zijn discipelen:
Het koninkrijk der hemelen is eveneens gelijk aan een sleepnet dat in de zee
werd geworpen en van allerlei soort bijeenbracht; toen het vol was, trokken
zij het op het strand, en zij gingen zitten en verzamelden het goede in vaten,
maar het bedorvene wierpen zij weg (Matthes 13:47-48)
Van deze gelijkenis heeft Jezus een uitleg gegeven, evenals van de
gelijkenissen van de zaaier en van het onkruid. Hier volgt de uitleg echter
onmiddellijk op de gelijkenis (Matthes 13:49-50). De Heere zei:
Zo zal het zijn in de voleinding van de eeuw: De engelen zullen uitgaan en de
bozen uit [het] midden van de rechtvaardigen afscheiden en hen in de
vuuroven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars (Matthes
13:49-50)
Omdat de uitleg van de gelijkenis van het sleepnet veel overeenkomst
vertoont met het slot van de uitleg van de gelijkenis van het onkruid (vs.4142), menen veel commentatoren dat beide verhalen dezelfde strekking
hebben. Er bestaan tussen de twee gelijkenissen echter belangrijke
verschillen.
Overeenkomsten en verschillen
1. Het toneel van de gelijkenis van het onkruid is een akker (vs.24), die
volgens Jezus model staat voor de wereld (vs.38). In de oorspronkelijke
Griekse tekst wordt daar het woord kosmos gebruikt. De akker is een beeld
van de geschapen werkelijkheid, waartoe zowel Isral als de volken behoren.
Het toneel van de gelijkenis van het sleepnet is echter de zee (vs.47). In de
Bijbel is die zee een beeld van de volkerenwereld buiten het land Isral.

75

2. In de gelijkenis van het onkruid worden slaven van de landeigenaar


beschreven. Deze mensen willen het onkruid op de akker gaan verwijderen,
maar de heer verbiedt het hun (vs.28-30). In de gelijkenis van het sleepnet is
er sprake van vissers die een net dat in zee is geworpen op het strand
trekken en de vangst gaan sorteren (vs.47-48). Gezien de uitleg die Jezus van
de gelijkenis geeft, zijn die vissers geen mensen maar engelen (vs.49). De
scheiding (tussen onkruid en tarwe, of goede vis en bijvangst) wordt in beide
gelijkenissen voltrokken door engelen die de Messias uitzendt (vs.41) of
doet uitgaan (vs.49). De scheiding vindt plaats wanneer de oogst rijp of het
net vol is geworden.
3. De gelijkenis van het onkruid betreft tarwe en dolik, die tot het tijdstip van
de oogst moeilijk kunnen worden onderscheiden (vs.26). De gelijkenis van
het sleepnet betreft eetbare en ongenietbare vangstdieren. In eerste
instantie kunnen we daarbij denken aan vissen die voor consumptie geschikt
zijn en onreine dieren die het volk Isral niet mag eten: krabben, kreeften,
garnalen, en schelpdieren. Jezus zegt immers dat het net dieren van allerlei
soort bijeenbrengt (vs.47). Maar later merkt Hij op, dat de vissers het
goede scheiden van het bedorvene. Voor bedorven gebruikt Hij een
Grieks woord dat rot betekent (sapros). Hetzelfde woord komt binnen het
Nieuwe Testament nog op zeven andere plaatsen voor. Het is meestal
weergegeven als bedorven, maar in een enkel geval ook als vuil:
Aan hun vruchten zult u hen kennen. Men plukt toch geen druiven van
dorens, of vijgen van distels? Zo brengt elke goede boom mooie vruchten
voort, maar de bedorven boom brengt slechte vruchten voort. Een goede
boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een bedorven boom geen
mooie vruchten voortbrengen (Matthes 7:16-18)
Of stel: de boom is goed, en [dan ook] zijn vrucht goed; of stel: de boom is
bedorven, en [dan ook] zijn vrucht bedorven. Want aan de vrucht wordt de
boom gekend (Matthes 12:33)
Want er is geen goede boom die bedorven vrucht voortbrengt, en evenmin
een bedorven boom die goede vrucht voortbrengt; want elke boom wordt
aan zijn eigen vrucht gekend; want men plukt geen vijgen van dorens en men
oogst geen druiven van een braamstruik (Lukas 6:43-44)

76

Laat geen vuil woord uit uw mond komen, maar veeleer n dat goed is tot
opbouwing waar dat nodig is, opdat het genade geeft aan hen die horen
(Efeze 4:29)
Door het woord bedorven (of rot) te gebruiken wekt Jezus de indruk, dat
de vangstdieren in het net vooral gescheiden worden op grond van de vraag
of ze levend en gezond dan wel dood en bedorven zijn.
4. De gelijkenis van de dolik sluit af met de woorden: Verzamelt eerst de
dolik en bindt het in bossen om het te verbranden (vs.30). De gelijkenis
van het sleepnet heeft een ander slot. Het net brengt (dieren) van allerlei
soort bijeen en het wordt vol. Het vol worden van het net is voor de vissers
een aanleiding tot grote vreugde (vgl. Johannes 21:1-14). Dat er behalve
goede vissen ook onbruikbare dieren worden gevangen, is onvermijdelijk. De
gelijkenis sluit af met de woorden en zij gingen zitten en verzamelden het
goede in vaten (vs.48). Uit het gebruik van het werkwoord verzamelen
(Gr. sullegoo) blijkt, dat de gelijkenis van de dolik betrekking heeft op het
verzamelen van het onkruid, terwijl de gelijkenis van het sleepnet vooral
gericht is op het verzamelen van het goede. De gelijkenis van de dolik heeft
een negatieve strekking. De gelijkenis van het sleepnet is in de eerste plaats
positief.
5. Hoewel de uitleg van de gelijkenis van het sleepnet veel overeenkomst
vertoont met het slot van de uitleg van de gelijkenis van de dolik, is er ook
sprake van verschillen. In de uitleg van de gelijkenis van de dolik zegt Jezus,
dat de engelen alle aanleidingen tot vallen verzamelen en hen die de
wetteloosheid doen (vs.41). Maar in verband met het sleepnet spreekt hij
over het afscheiden van de bozen (vs.49). In verband met de eerste
gelijkenis wordt er gezegd, dat de engelen het onkruid uit het koninkrijk
zullen verzamelen (vs.41). In verband met de tweede gelijkenis merkt de
verteller op, dat de bozen worden afgescheiden uit het midden van de
rechtvaardigen (vs.49).
De symbolen in de gelijkenis
De gelijkenis van het sleepnet maakt gebruik van zeven symbolen: het net,
de zee, goede en rotte vissen, het strand, de vaten en de vissers.
Laatstgenoemden worden in het verhaal aangeduid als zij.

77

Voor sleepnet gebruikt Matthes een Grieks woord (sageenee) dat binnen
het Nieuwe Testament alleen hier voorkomt. Ons Nederlandse woord
zegen is mogelijk van dit Griekse woord afgeleid. Een zegen is een
bepaald type visnet, dat bestaat uit een drijfnet met een soort fuik eronder
en daaraan twee lange vleugelnetten.
Het woord dat de evangelist gebruikt voor het bijeenbrengen van allerlei
soort (sunagoo) is veel bekender. In de tweenzestig Bijbelteksten waarin
het voorkomt heeft het bijna altijd betrekking op het bij elkaar brengen van
mensen gelovigen voor de eredienst, of vijanden van God voor het
beramen van kwade plannen. Het Nederlandse woord synagoge is van dit
Griekse werkwoord afgeleid.
Bij de zee moeten we denken aan de grote zee, d.w.z. de Middellandse
Zee. Jezus opmerking dat het net (vissen) van allerlei soort bijeenbrengt
heeft in de Hebreeuwse Schriften een parallel in een profetie van Ezechil
over de toekomst van de Dode Zee:
Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglam; het zal een plaats zijn
om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn,
zoals de vissen van de grote zee, zeer talrijk (Ezechil 47:10)
Bij vissen van allerlei soort dacht een Israliet aan de vissen van de grote zee.
In de profetische Schriften is die grote zee een beeld voor de
volkerenwereld buiten het land Isral (zie bijvoorbeeld Danil 7:2 e.v.).
Het woord vaten is een aanduiding van (stenen) potten of kruiken. In
het Nieuwe Testament komt het verder alleen nog maar voor in de gelijkenis
van de wijze en de dwaze meisjes. De wijzen hadden olie in kruiken
meegenomen om hun lampen te kunnen bijvullen (Matthes 25:4), in
tegenstelling tot de dwazen wier lampen uitgingen.
Voor wegwerpen staat in het Grieks letterlijk uitwerpen. Dezelfde
uitdrukking gebruikt Jezus later voor het uitwerpen van een onnutte slaaf
in de buitenste duisternis (Matthes 25:30).

78

Gezien de uitleg die de verteller van het slot van de gelijkenis geeft zijn de
vissers, die het net op het strand trekken wanneer het vol is geworden om
de vis te gaan sorteren: engelen (vers 49).
In de richting van een verklaring
Jezus ging over tot het vertellen van gelijkenissen omdat het volk Isral
kijkend niet keek en horend niet hoorde. Hun hart was vet geworden. Ze
namen de blijde boodschap van het nabije koninkrijk niet ter harte en ze
begrepen de zin niet van de vele tekenen die wezen op de Koning en zijn
volmacht (Matthes 13:10-17).
Met de eerste reeks van vier gelijkenissen liet de Messias zien dat het
koninkrijk dat nabij was zich vanwege de verwerping van Zijn boodschap niet
normaal zou ontwikkelen. In de tweede reeks van vier wijst Hij zijn discipelen
op het feit dat Gods heilsplan ondanks alles doorgaat en dat Zijn bedoelingen
volmaakt gestalte zullen krijgen.
De schat die even aan het daglicht kwam werd weer verborgen. De krachten
van de toekomstige eeuw die zich in Isral hadden gemanifesteerd hielden
op (Hebreen 6:4-8). De vinder vertrok om de hele akker te gaan kopen
(Matthes 13:44). De vorst van het toekomstige rijk wendde zich af en ging
op weg naar het kruis. Maar de manifestaties van dat rijk verdwenen niet
voorgoed. De gelijkenis veronderstelt dat de vinder die een koper is
geworden, eens zal terugkomen om zich de akker te gaan toe-eigenen. Dan
zal de schat opnieuw, en ditmaal definitief, zichtbaar worden. Isral wordt de
bruid van het Lam. De koninkrijken van de wereld worden het eigendom van
onze Heer en van zijn Gezalfde (Openbaring 11:15). De koper zal de akker die
door de betaling van de losprijs aan het kruis Zijn eigendom werd eens
opeisen.
De parelkoopman deed afstand van zijn hele verzameling en ging weg om
n kostbare parel te kopen. De Messias sprak niet meer over het nabije
koninkrijk en riep de scharen niet meer op om zich vanwege de nabijheid van
dat rijk te gaan bekeren. Integendeel, Hij sprak een wee uit over de
farizeen, sadduceen en wetgeleerden, en ook over de inwoners van
Jeruzalem en het Joodse land. Hij sprak met Zijn discipelen over Zijn
naderend einde. Door dat sterven zou Hij de dood overwinnen en na Zijn

79

opstanding en hemelvaart zou Hij de levendmakende Geest verwerven. Door


die Geest zou het nieuwe verbond voor Isral mogelijk worden, een verbond
dat niet berust op de gebrekkige trouw en gehoorzaamheid van de
menselijke partners, maar op God die Zijn wet in hun harten schrijft. Alleen
z kan Isral de bruid van het Lam worden, en kunnen de Isralieten het
nieuwe Jeruzalem binnengaan.
De gelijkenis van het sleepnet staat met de beide voorafgaande gelijkenissen
in nauw verband. De dood en de opstanding van Jezus zouden door een
onverwachte gebeurtenis worden gevolgd. Het net (symbool van een
verborgen gestalte van het koninkrijk der hemelen) zou worden uitgeworpen
in de volkeren zee. Dat de volken nog vr de komst van de Messias in
heerlijkheid uitgenodigd zouden worden om zich tot de God van Isral te
wenden werd in de tijd van Jezus niet verwacht. Orthodoxe Joden
verwachtten dat de Messias zou verschijnen, en allereerst zijn volk Isral zou
zegenen. Bij het zien van de zegen van God voor zijn uitverkorenen zouden
de volken zich dan in tweede instantie tot de HERE gaan wenden. Volgens de
gelijkenis die Jezus vertelde zou het net echter al in zee worden geworpen
vr de voleinding van de eeuw, niet pas in de toekomstige eeuw!
Het goede bericht van vergeving van zonden en nieuw leven door Christus
zou overal worden gepredikt, allereerst in Jeruzalem (zie Handelingen 5:3132, 10:43, 13:38-39). Velen zouden komen van oost en west en met
Abraham, Izak en Jakob aanliggen in het koninkrijk der hemelen (Matthes
8:11). Het net zou uiteindelijk vol worden, een volheid uit de volken zou
ingaan (Romeinen 11:25).
Het net zou goede vissen bijeenbrengen: mensen wier harten door geloof
gereinigd zijn en die rechtvaardigen zijn geworden, maar ook rotte vis:
mensen die de genade van God hebben veranderd in losbandigheid (Judas:4)
en die hebben gezegd: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit
voortkomt (Romeinen 3:8).
Wanneer het net vol geworden is, zullen de vissers het op het strand trekken
en de vangst gaan sorteren. Goede vis wordt dan verzameld en de rotte
wordt weggegooid. Van dit slot van het verhaal geeft Jezus de volgende
uitleg:

80

De engelen zullen uitgaan en de bozen uit [het] midden van de


rechtvaardigen afscheiden en hen in de vuuroven werpen; daar zal het
geween zijn en het tandengeknars (Matthes 13:49-50)
In de voleinding van de eeuw, dat wil zeggen: bij het einde van de
tegenwoordige boze eeuw, in de tijd van de oogst of de inzameling, zal er
een scheiding plaatsvinden. Wie Gods boodschap van genade ter harte heeft
genomen, mag het komende rijk in en mag delen in de heerlijkheid die
daarmee gepaard gaat. Maar wie de genade als dekmantel voor
kwaadwilligheid heeft gebruikt, wordt er uitgegooid (Matthes 13:48, vgl.
25:30, 2 Thessalonicenzen 1:8). Zonder pardon, ook al knarsetandt zo
iemand van woede en klaagt hij dat hij onrechtvaardig wordt behandeld.
Rotte vis komt terecht in de afvaloven. Daar gaan alle ziektekiemen te
gronde en blijft er van zulk afval niets over (vgl. Maleachi 4:1,3).
Maar net zoals dit bij de verbranding van het onkruid het geval was, is de
oven niet het definitieve einde van de rotte vissen. Ze zullen bij de
opstanding ten oordeel uit de dood opstaan en bij de grote witte troon
geoordeeld worden naar hun werken (Openbaring 20:11-15). En na de tijden
van de eeuwen, wanneer de dood als laatste vijand te niet wordt gedaan (1
Korinthe 15:26), zullen ze worden levend gemaakt. Want in Christus zullen
llen worden levend gemaakt. Zelfs zij die ooit rot waren. Hoewel die pas
het laatst aan de beurt zullen komen (1 Korinthe 15:22-23).

* * * * * * *

81

82

De Schriftgeleerde
De laatste gelijkenis die Jezus in het huis aan zijn discipelen vertelde is
evenals de voorafgaande drie alleen maar opgetekend door Matthes. Naar
aanleiding van de zeven gelijkenissen die Hij had verteld, vroeg de Spreker:
Hebt u dit alles verstaan? (vs.51). En de discipelen gaven een bevestigend
antwoord. Waarop Jezus tegen hen zei:
Daarom is iedere Schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der
hemelen is gemaakt, gelijk aan een heer des huizes die uit zijn schat nieuwe
en oude dingen voortbrengt (Matthes 13:52).
De meeste uitleggers gaan voorbij aan het feit dat hier van een achtste
gelijkenis sprake is20. En toch is dat het geval. Want Jezus verklaart dat iets in
de geestelijke werkelijkheid gelijk is aan iets uit het dagelijks leven.
Bovendien laat Matthes op het verhaal van de Schriftgeleerde volgen:
En het gebeurde toen Jezus deze gelijkenissen had beindigd, dat Hij
vandaar vertrok (Matthes 13:53)
De evangelist schreef niet dat Jezus toen Hij het verhaal van het sleepnet had
verteld deze gelijkenissen had beindigd. Wanneer Matthes dat had
geschreven, zou de gelijkenis van het sleepnet de laatste uit de reeks zijn
geweest. Maar de evangelist merkt pas na het verhaal van de Schriftgeleerde
op dat Jezus na deze gelijkenissen te hebben beindigd, vandaar vertrok.
Het verhaal van de Schriftgeleerde is k een gelijkenis.
Overeenkomsten en verschillen
De gelijkenis van de Schriftgeleerde vertoont zowel overeenkomst als
verschil met de gelijkenis van de zaaier. De overeenkomsten zijn de
volgende:

20

Dat er in vers 52 van een achtste gelijkenis sprake is, is opgemerkt door de
protestantse uitleggers G.Campbell Morgan en G.J.Pauptit, en de katholieke
uitlegger L.Sabourin (in: The Parables of the Kingdom, Biblical Theology Bulletin
6:115-160,1976).

83

1. Beide gelijkenissen hebben betrekking op het koninkrijk (zie vers 18 en


vers 52), maar geen van beiden begint met de uitdrukking het koninkrijk der
hemelen is gelijk aan.
2. In beide gelijkenissen speelt het woord van God een rol: de zaaier zaait het
woord (vs.18, 20, 22, 23) en de Schriftgeleerde graaft erin om wat hij eruit
opdiept aan anderen door te geven (vs.52).
3. De zaaier blijft zaaien, ook al komt het zaad dikwijls op onbewerkte grond
terecht waar het zich niet volledig kan ontwikkelen (vs.1-9). De goedgeefse
huiseigenaar blijft putten uit zijn schat en daaruit zowel nieuwe als oude
dingen voortbrengen (vs.52).
Toch is er ook een belangrijke tegenstelling:
In de gelijkenis van de zaaier is het zaad steeds hetzelfde maar de grond
waarop het valt is verschillend. In de gelijkenis van de Schriftgeleerde brengt
de heer van het huis verschillende goederen uit zijn schat naar buiten
(nieuwe en oude).
De symbolen van de gelijkenis
De achtste gelijkenis maakt gebruik van drie symbolen: een huiseigenaar, zijn
schat, nieuwe en oude voorwerpen uit die schat. Niet genoemd maar wel
verondersteld worden: huisgenoten die voorwerpen uit die schat ontvangen.
Het is opmerkelijk dat Jezus voor zijn laatste gelijkenis als hoofdpersoon
kiest: een Schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der hemelen is
gemaakt. Tot de discipelgroep behoorden op dat moment immers nog geen
Schriftgeleerden. Het waren eenvoudige vissers en er was een zeloot bij:
een politiek activist. Schriftgeleerden waren over het algemeen juist fel
gekant tegen Jezus en de boodschap die Hij verkondigde. Zij probeerden de
man uit Nazareth via strikvragen ten val te brengen en ze zochten een grond
voor een aanklacht tegen Hem. De achtste gelijkenis gaat ervan uit dat
sommige Schriftgeleerden leerlingen van het koninkrijk der hemelen zouden
worden. We kunnen daarbij denken aan Nicodemus (Johannes 3:1, 7:50,
19:39) aan Jozef van Arimathea (Johannes 19:38), en natuurlijk ook aan
Saulus, de latere apostel Paulus (Filippenzen 3:4-11). Volgens de evangelist

84

Johannes, die goede contacten had in priesterkringen, geloofden vele van de


oversten in Jezus maar durfden dit vanwege de vijandschap van de farizeen
niet openlijk te zeggen (Johannes 12:42-43)
Met het woord heer des huizes doelt Jezus niet op wat wij een
huiseigenaar zouden noemen. Het Griekse woord oikodespotes betekent:
een heer die zeggenschap heeft over een huis in de antieke zin, dat wil
zeggen: een vermogend man die beschikt over een groot aantal bedienden
en slaven. Een dergelijke heer begunstigde vaak allerlei mensen: beeldende
kunstenaars, schrijvers, acteurs en filosofen, die hij financieel ondersteunde.
Daartoe putte hij uit zijn priv vermogen. In de gelijkenis wordt dit
aangeduid als zijn schat (Gr. thesauros), wat zeggen wil: een in de loop van
vele jaren, of in de loop van vele generaties, vergaard bezit. In de
oorspronkelijke Griekse tekst wordt de hoofdpersoon aangeduid als
anthropoo oikodespotes, d.w.z. een mens, een huisheer, om aan te geven
dat Jezus een parallel trekt tussen geestelijke en financile bezigheden die
zich beiden afspelen in de wereld van de mensen. In de Bijbel is heer van
het huis dikwijls een aanduiding van God, maar niet in deze gelijkenis21.
Voor nieuw gebruikt de verteller het Griekse woord kainos, niet het
verwante begrip neos. Kainos is een aanduiding van iets dat zowel qua aard
als leeftijd nieuw is, terwijl neos een aanduiding is van ongebruikt.
Wanneer een volwassene een nieuwe fiets krijgt dan betekent dat een
ongebruikt exemplaar, maar overigens een fiets als alle andere. Wanneer
een uitvinder echter een totaal nieuw vervoermiddel bedenkt en zijn vriend
met zijn uitvinding laat rijden, dan heeft die vriend iets ontvangen dat
werkelijk totaal nieuw is. In Matthes 13:52 gebruikte Jezus het woord
nieuw in de laatste zin. Hij spreekt over iets onbekends en iets
ongehoords.
Het is niet moeilijk te raden wat de Spreker bedoelde met de nieuwe
dingen die iedere Schriftgeleerde die een discipel van het koninkrijk der
hemelen was gemaakt, uit zijn schat zou voortbrengen. In het voorafgaande
had Hij immers gezegd, dat het zijn discipelen was gegeven de
verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te kennen (Matthes
21

De uitdrukking een mens, een huisheer moet worden opgevat als een
Aramesme. Het betekent: een welgesteld iemand, een zeker mens die de heer is
van een huis (en voor dat huis verantwoordelijkheid draagt).

85

13:11). En de evangelist had over Jezus onderwijs in gelijkenissen


opgemerkt, dat dit de vervulling was van een door de psalmdichter Asaf
uitgesproken profetie:
Ik zal mijn mond opendoen in gelijkenissen; ik zal dingen uitspreken die van
[de] grondlegging <van [de] wereld> af verborgen zijn geweest (Matthes
13:35)
Nieuwe dingen zijn feiten aangaande het koninkrijk der hemelen die van
de grondlegging van de wereld af verborgen zijn geweest, geheimen
waarvan het volk Isral niet op de hoogte was, en die pas werden onthuld
toen Jezus aan de menigten en aan zijn discipelen gelijkenissen begon te
vertellen22. Tot die nieuwe dingen behoort bijvoorbeeld het feit dat het
woord van het Koninkrijk lange tijd in onbewerkte grond zou vallen en
daardoor geen vrucht zou voortbrengen. Of het feit dat het net van het
Koninkrijk nog vr de voleinding van de eeuw, en niet pas in de
toekomende eeuw, in zee werd geworpen.
Oude dingen zijn feiten aangaande dat rijk die het volk Isral al kende,
omdat de Schriftgeleerden en farizeen er op grond van het profetische
woord onderricht over hadden gegeven. Zoals het feit dat het woord van het
Koninkrijk eens tch een ruime oogst zou opleveren. En het feit dat de
Messias eens zou verschijnen in heerlijkheid en het rijk voor iedereen
zichtbaar zou worden.
In de richting van een verklaring
De Heere had aangekondigd dat er kwade krachten werkzaam zouden zijn
binnen de kring van mensen die Gods heerschappij erkennen: zaadetende
vogels, verschroeiende hitte, snelgroeiende dorens, onkruid dat bedrieglijk
veel op tarwe lijkt, onnatuurlijke groei en verborgen zuurdeeg. Binnen de
discipelkring zou dit veel verwarring veroorzaken. Maar sommige gelovigen
22

Volgens H.Ridderbos zou het nieuwe dat een Schriftgeleerde uit zijn schat naar
buiten kon brengen vooral bestaan uit het feit dat in de persoon van Jezus de
Messias is verschenen (De Komst van het Koninkrijk, Kampen:J.H.Kok, 1950). Gezien
het voorafgaande (Matthes 13:1-51) gaat het echter ook om de ontwikkeling van
het koninkrijk nadat Jezus het woord van dat rijk had gezaaid, een vorm van
ontwikkeling die door de profeten niet duidelijk was voorzegd of voorzien.

86

zouden graven in het woord van God, en hun medegelovigen ondersteunen


door uit dat woord nieuwe en oude dingen naar buiten te brengen.
Men heeft uit de gelijkenis willen afleiden dat elke discipel van het koninkrijk
der hemelen, dat wil zeggen: ieder mens die in Jezus gelooft, een
Schriftgeleerde wordt en geroepen is om zich te gedragen als een
huiseigenaar die uit zijn schat nieuwe en oude dingen naar buiten brengt.
Maar Jezus zei niet dat iedere discipel een Schriftgeleerde zou zijn. Hij zei
letterlijk: Iedere Schriftgeleerde, leerling gemaakt in het koninkrijk der
hemelen, is gelijk aan een mens, een heer van een huis, die uitwerpt uit zijn
schat nieuwe en oude. Bepaalde discipelen zijn Schriftgeleerden, maar niet
alle. En zulke discipelen waren al Schriftgeleerden voordat ze tot discipelen
van het koninkrijk der hemelen werden gemaakt. Ze zouden kostbaarheden
uit hun schat opdiepen, maar die niet aan buitenstaanders geven. Men
behoort heilige dingen immers niet aan de honden te geven en parels niet
voor de varkens te werpen (Matthes 7:6). De waardevolle inhoud van de
schat zou worden aangewend ten bate van hen die in het huis zijn: de
gezinsleden, het huispersoneel en de vrienden van de heer in wier
levensonderhoud hij wil voorzien.
De schat van een Schriftgeleerde is de Schrift. Nieuwe dingen uit die schat
zijn verborgenheden uit die Schriften die de Messias bij monde van zijn
apostelen zou bekendmaken. Het is opvallend dat Schriftgeleerden die
discipelen waren geworden niet alleen nieuwe maar ook oude dingen uit
hun schat naar buiten zouden brengen. Het nieuwe maakt het oude niet
ongedaan. De heilsbeloften uit de Hebreeuwse Bijbel blijven van kracht. Er
zullen tijden komen van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft
gesproken door [de] mond van zijn heilige profeten van oudsher
(Handelingen 3:21). Wat de profeten hebben aangekondigd en wat het volk
Isral al eeuwenlang verwacht, zal beslist werkelijkheid worden. Na Jezus
dood en opstanding mogen gelovigen blijven uitzien naar de vervulling van
de beloften die in de Hebreeuwse Schriften zijn gegeven. De nieuwe
rijkdommen uit de schat stellen hen in staat om de ontwikkelingen te duiden
die aan de voleinding van de eeuw voorafgaan. Via onverwachte wegen zal
het Koninkrijk der hemelen uiteindelijk openbaar worden.
* * * * * * *

87

88

Slotwoord
De boodschap die Jezus door middel van de acht gelijkenissen van Matthes
13 doorgaf is verrassend. Omdat hij geliefde stokpaardjes omver werpt heeft
hij een ontnuchterende werking. Maar omdat hij laat zien wat God ondanks
het falen van de mens gedaan heeft en nog zal gaan doen is hij ook
bemoedigend.
Een ontnuchterende boodschap
1. Velen menen dat dankzij de prediking van het evangelie en het werk van
de zending de aarde met de kennis van God zal worden vervuld. Maar dit
stokpaardje wordt door Christus weerlegd. Onkruid en tarwe zullen samen
opgroeien tot de oogst. Juist bij de voleinding van de eeuw zal er zoveel
onkruid aanwezig zijn dat het kan worden bijeengebonden in bossen!
(Matthes 13:30, 13:37-43). De aarde zal beslist vol worden van de kennis
van de HERE zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Jesaja
11:9). Maar dat zal pas gebeuren in de toekomstige eeuwen (aionen, of
wereldtijdperken, vgl. Efeze 2:7) en het zal een gevolg zijn van het aanbreken
van de dag des Heren.
2. Velen gaan ervan uit dat de Kerk de bron is van sociale gerechtigheid en de
bouwster van een rechtvaardige samenleving. Maar wie op kerkelijke
bijstand hoopt, kan volgens de derde gelijkenis (Matthes 13:31-32) bittere
teleurstelling ervaren. Het streven naar aanzien en grootheid dat overal op
aarde werkzaam is functioneert k binnen de discipelkring, met
persoonsverheerlijking, protectionisme, intrige, manipulatie en vervolging als
het wrange resultaat. De doelen die de Kerk nastreeft en de middelen die zij
gebruikt zijn niet altijd wegen die God behagen.
3. Velen geloven dat het christendom de waarheid predikt. Wat in
belijdenisgeschriften wordt uitgesproken, zou elke christen dienen te
beamen. Maar volgens Jezus moeten gelovigen juist oppassen voor het
geestelijk voedsel dat herders hun kudde verschaffen (Matthes 13:33). Het
is met zuurdeeg vermengd, waardoor het de geestelijke gezondheid kan
aantasten in plaats van die te bevorderen. Feestvieren kan men alleen met
het ongezuurde (1 Korinthe 5:8).

89

4. Velen nemen als vanzelfsprekend aan dat de christelijke boodschap altijd


zal worden bevestigd door tekenen en wonderen, mits de predikers en
hoorders maar beschikken over voldoende Godsvertrouwen. Volgens de
Bijbel is dat een dwaling (Matthes 12:43-45, 13:44). De schat die de Mens
vond en waarover Hij zich verheugde, is weer in de akker verborgen (vgl.
Hebreen 2:4). Zijn gezanten mogen nu verkondigen dat Hij is heengegaan
en de akker heeft gekocht. Pas wanneer de Mens naar zijn akker terugkeert,
zal de schat weer worden opgegraven. Pas in de voleinding van de eeuw
keren de tekenen terug (vgl. Openbaring 11:3-6).
5. Velen geloven dat discipelen van Jezus zich behoren in te spannen om
heiliger te gaan leven. Elke dag moeten ze tegen de zonde strijden, ook al
falen ze voortdurend. In werkelijkheid kan alleen God maar de gerechtigheid
verschaffen die nodig is om Zijn rijk te kunnen binnengaan. Het goede
nieuws luidt dat de Messias deze kostbare parel heeft gekocht (Matthes
13:46). Zodat Zijn volgelingen zich mogen tooien met het sieraad dat Hij
heeft verworven.
6. Velen verwachten dat de boodschap van genade en eeuwig leven elk mens
in een discipel zal veranderen. En het sleepnet van de Messias wordt
inderdaad vol (Matthes 13:48). Maar zelfs een reusachtig net vist niet de
hele zee leeg. Bovendien zal het allerlei diersoorten verzamelen. Er is goede
vis bij: mensen in wier levens het werk van God zichtbaar is geworden.
Maar binnen de mazen van het net bevindt zich ook rotte vis: innerlijk
onveranderde personen die het woord van God misbruiken om rijkdom,
aanzien, eer en macht te verwerven in de tegenwoordige wereld. Zulke
mensen zullen het komende rijk niet berven (1 Korinthe 6:9-10, Matthes
13:48-50).
7. Menigeen beweert dat de oudtestamentische beloften van een
nationaal herstel van Isral en van koninklijke en priesterlijke dienst door dat
volk na het kruis en de opstanding van de Messias hebben afgedaan. Isral
zou zijn vervangen door de christelijke gemeente, en Israls heilsbeloften
zouden zijn overgegaan op de gelovigen uit de volken. Volgens de laatste
gelijkenis die Jezus vertelde is dit echter volstrekt onjuist (Matthes 13:5152). Schriftgeleerden die leerlingen van het rijk zijn geworden mogen uit hun
schat zowel nieuwe als oude dingen naar buiten brengen. God houdt vast
aan wat Hij heeft beloofd, Zijn plannen zullen in geen enkel opzicht falen.

90

Een bemoedigende boodschap


1. Buitenstaanders menen dat Gods plannen hebben gefaald, dat het
openbare optreden van Jezus is geindigd in een mislukking en dat het rijk
van God niet is verschenen (2 Petrus 3:3-4). Maar in Zijn wijsheid heeft God
het falen van de mens gebruikt om een groter en allesomvattend plan ten
uitvoer te brengen (vgl. Romeinen 11:11-15).
2. De schat in de akker die even te voorschijn kwam is weer verborgen, want
de Mens is heengegaan om de akker te kopen. Hij betaalde niet alleen de
losprijs voor Isral maar voor allen. Hij kocht de wereld om die wereld uit de
slavernij van de vergankelijkheid te bevrijden. Hij bracht onvergankelijk leven
aan het licht dat uiteindelijk allen ten deel zal vallen, hoewel niet allen het op
hetzelfde tijdstip zullen ontvangen. Isral verlangde naar een Messias die
hen zou voeden, zou genezen van hun ziekten en zou bevrijden van het juk
van de Romeinse overheerser. Maar de Messias loste het probleem van de
vergankelijkheid op door onvergankelijk leven aan het licht te brengen. God
doet door Hem de dood te niet (vgl. 2 Timothes 1:10). Waarop Isral
hoopte is daarbij inbegrepen.
3. In de verwerping van de Messias aanvankelijk door Israls leiders, later
door het hele volk bleek hoe onbetrouwbaar menselijke gerechtigheid is.
God gebruikte het dieptepunt van Israls rechtspraak, de veroordeling van
de Messias tot de kruisdood, om Zijn eigen gerechtigheid te tonen, een
gerechtigheid die door geloof is. De Messias toonde deze gerechtigheid door
zelfs in het donkerste uur van zijn leven rotsvast op God te blijven
vertrouwen, en zijn Vader toonde deze gerechtigheid door ondanks de haat
en vijandschap van de mensheid vast te houden aan de beloften uit zijn
Woord. Door de volmaakte gehoorzaamheid van n mens Christus worden de velen, d.w.z. allen die van Adam afstammen, tot rechtvaardigen
gesteld (vgl. Romeinen 5:12-21, 3:23-24). God zal zijn wetten in het verstand
van Isral geven en die in hun harten schrijven, zodat Hij hun tot een God en
zij Hem tot een volk zullen zijn (Hebreen 8:10, Jeremia 31:31-34). Gelovigen
uit de volken mogen delen in deze belofte die voor Isral is bestemd. Door
zelfs aan het kruis het koninkrijk en zijn gerechtigheid te blijven zoeken heeft
Jezus deze kostbare parel verworven.

91

4. Johannes de Doper had tegenover Isral gesproken over de scheiding


tussen bomen met goede en slechte vrucht, en tussen kaf en koren die de
Messias zou voltrekken (Matthes 3:11). De Doper verwachtte dat deze
zuivering zou plaatsvinden zodra de Messias op het toneel was verschenen.
Het bevreemdde hem dat het in het optreden van Jezus niet aan het licht
kwam (Matthes 11:2-6). Meerdere gelijkenissen die Jezus vertelde spreken
daarom over een tijdrovend proces dat moet plaatsvinden tussen de
prediking van het nabije koninkrijk en de uiteindelijke verschijning van dat
rijk. Het zaad moet groeien en vrucht voortbrengen. Onkruid en tarwe
moeten samen opgroeien tot de oogst. De mosterdplant zal zich ontwikkelen
tot een boom. De drie maten meel zullen geheel worden doorzuurd. Het net
dat in de zee is geworpen moet vol worden. Maar na een lange wachttijd zal
het beloofde rijk beslist verschijnen en de scheiding (die is aangekondigd
door Johannes de Doper en de profeet Maleachi) zal dan worden voltrokken.
5. Jezus sprak over het uitwerpen van een sleepnet in de volkerenzee, een
handeling van God die vr het openbaar-worden van het rijk niet werd
verwacht. Er moet (en er zal) een volheid uit de volken worden gevangen
alvorens de grote scheiding op de dag des Heren plaatsvindt.
Eindconclusie
In onze beschouwing van Matthes 13 hebben we de betekenis van elk
symbool dat in de gelijkenissen voorkomt gezocht in het tekstverband of in
de Hebreeuwse Schriften. Vanuit dat principile standpunt zijn we tot een
uitleg gekomen die van de gangbare verklaring afwijkt. De woorden van de
Heere Jezus hebben ongetwijfeld nog veel mr betekenis dan wij hebben
kunnen ontdekken. Als velen onderzoek doen zal de kennis zich
vermeerderen.

* * * * * * *

92

Inhoud
Voorwoord 1
1. Gelijkenissen van het koninkrijk .. 3
Opbouw van het betoog .. 3
Het koninkrijk der hemelen 5
Voorgeschiedenis .. 7
Doel van de gelijkenissen . 8
Details onbelangrijk? .. 9
Identieke betekenissen? . 11
Gemakkelijk te begrijpen? . 11
2. De zaaier . 13
De symbolen van de gelijkenis 13
De volgorde van de grondsoorten 15
In de richting van een verklaring .. 17
3. Het onkruid 21
De uitleg . 21
Dolik .. 22
Zonen van het koninkrijk 23
Zonen van de Boze . 25
Aanleidingen tot vallen 27
Die de wetteloosheid doen .. 29
Twee gewassen . 30
Overijverige slaven . 31
Een steeds duidelijker verschil 32
De vuuroven 34
4. Het mosterdzaad .. 37
Het kleinste zaad . 37
Een mens en zijn akker 38
Groenten .. 38
Een boom . 39
Vogels van de hemel . 40
In de richting van een uitleg . 41
Het lot van de boom . 42

93

5. Het zuurdeeg ............. 45


Drie maten fijn meel . 45
Een stiekeme daad . 46
Zuurdeeg in de evangelin 46
Het tekstverband van de gelijkenis bij Lukas 49
Zuurdeeg in de brieven 50
In de richting van een verklaring .. 51
De voleinding van de eeuw .. 54
6. De schat in de akker 55
De gangbare uitleg . 55
Onbevredigend . 56
De symbolen van de gelijkenis .. 57
Verband met het voorafgaande 59
De boodschap van de gelijkenis 59
Tegenstelling met het voorafgaande . 61
7. De parelkoopman ...... 65
De gangbare uitleg . 65
Parels in de Bijbel 66
Het zoeken naar parels 67
De kostbare parel 70
De koop van de parel 71
Tegenstelling met het voorafgaande . 73
8. Het sleepnet . 75
Overeenkomsten en verschillen 75
De symbolen in de gelijkenis 77
In de richting van een verklaring .. 79
9. De Schriftgeleerde ..... 83
Overeenkomsten en verschillen 83
De symbolen van de gelijkenis 84
In de richting van een verklaring .. 86
10. Slotwoord 89
Een ontnuchterende boodschap .. 89
Een bemoedigende boodschap . 91

94