Bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven

CODE: 2005-013

voorontwerp: ontwerp: vaststelling goedkeuring: in werking: onherroepelijk:

november 2005 17 april 2007

Bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven
Toelichting en bijlagen

CODE: 2005-013

voorontwerp: ontwerp: vaststelling goedkeuring: in werking: onherroepelijk:

november 2005 17 april 2007

1.

Aanleiding.

De gemeente Tilburg heeft sinds september 2002 landgoed Charlotte in eigendom, groot circa 20 ha. Op een groot deel van het landgoed, 12 ha, rust de bestemming “Gemengde Doeleinden” Dit deel ligt aan de Dongenseweg/Swaardvenstraat. Op de resterende 7,8 ha van het landgoed gelegen aan de Swaardvenstraat/Zevenheuvelenweg rust een bedrijfsbestemming. De bestemming “Gemengde Doeleinden” biedt vestigingsmogelijkheden voor milieugevoelige functies, zoals medische en paramedische voorzieningen en in beperkte mate ook maatschappelijke voorzieningen. Die functies zijn in planologisch en milieuhygiënisch opzicht niet verenigbaar met de industriële bedrijfsactiviteiten op de omringende bedrijventerreinen Vossenberg, Albionstraat en Kraaiven. Bij de aankoop van landgoed Charlotte hebben voor de gemeente Tilburg twee aspecten een belangrijke rol gespeeld. Dat zijn: a) het verwerven van een strategische locatie ten behoeve van behoud en uitbreiding werkgelegenheid in Midden-Brabant in het algemeen; b) de belangen van de omliggende bedrijven en dan met name het belang van IFF Nederland BV. Ten tijde van de aankoop waren de plannen in voorbereiding om de bedrijfsactiviteiten uit te breiden c.q. te intensiveren. Handhaving van de geurgevoelige bestemming van gemengde doeleinden zou in strijd zijn met de uitbreidingsplannen van IFF. Als de gemeente destijds in 2001/2002 niet tot handelen was overgegaan, had dat zeer reëel de werkgelegenheid bij IFF in gevaar kunnen brengen. Aankoop van het landgoed bood voor de gemeente maximale mogelijkheden om de werkgelegenheid bij IFF te kunnen waarborgen. Inmiddels heeft de uitbreiding/intensivering in Tilburg plaatsgevonden in combinatie met sluiting van IFFvestigingen elders in Europa. In 2001 is door de raad als voorloper op de onderhavige bestemmingsplanherziening een voorbereidingsbesluit genomen voor de gronden die deel uitmaken van landgoed Charlotte. Eind 2003 is door de raad opnieuw een voorbereidingsbesluit genomen dat op 5 december 2005 is verlopen. Het is wenselijk gevonden om de raad nog een nieuw voorbereidingsbesluit te laten nemen. Dit is besluit is genomen op 12 december 2005 en is geldig tot en met 22 december 2006. Aanvankelijk is de opzet geweest om het plangebied van de bestemmingsplanherziening te beperken tot het bestaande bouwblok, zoals dat is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg. Mede op basis van de ingekomen reacties op het voorontwerp-bestemmingsplan is echter besloten om ook het rond dit bouwblok gelegen bosgebied bij de bestemmingsplanherzienig te betrekken. Ook is besloten tot een verruiming van de zone industrielawaai van het bedrijventerrein Kraaiven. Ook die zoneverruiming is in deze bestemmingsplanherziening opgenomen. 2. Beschrijving plangebied.

Landgoed Charlotte lag lange tijd aan de noordwestelijke rand van de stad langs de weg naar Dongen. Deze situering in het buitengebied, evenals de omheining van het terrein, droeg bij aan de typering van landgoed. Door de bouw van met name het bedrijventerrein Vossenberg ligt het landgoed nu tussen de bedrijventerreinen Kraaiven, Vossenberg en Albionstraat in. Het totale landgoed is circa 20 ha groot, waarvan een deel, groot 7,8 ha, reeds een bedrijfstemming heeft. Het bedrijvenpark Charlotte beslaat circa 4,2 ha, zijnde het huidige bouwblok in het overige deel van het landgoed. De komende jaren wordt gewerkt aan de voltooiing van de Noordwesttangent (Burgemeester Letschertweg). In het najaar van 2005 is het gedeelte tussen de Dongenseweg en de MiddenBrabantweg opengesteld. In 2007 zal de Burgemeester Baron Van Voorst tot Voorstweg verlengd

worden en daarmee aansluiten op de Noordwesttangent. Met deze tangent zal uiteindelijk (in 2010) de ring rondom Tilburg voltooid worden ( A65 -Noordoosttangent -Noordwesttangent- A58 -). Landgoed Charlotte is daarmee definitief opgenomen in het stedelijk netwerk. Ten westen van het landgoed ligt een gemengd gebied waar bebossing, landbouw en caravanstalling elkaar afwisselen. Ten noordwesten ligt eveneens een bosgebied met een afgraving welke openbaar toegankelijk is. Door aanleg van bovengenoemde wegen komt dit totale bosgebied binnen de stadstangent te liggen. Tot voor kort werd de Zevenheuvelenweg-Swaardvenstraat-Dongenseweg door auto/vrachtverkeer zwaar belast. Met de verdere voltooiing van de Noordwesttangent is het de verwachting dat dit verder zal afnemen en daarmee de autobereikbaarheid goed zal worden. 3. Vigerende bestemmingsplannen.

Het grootste deel van het landgoed gelegen aan de Dongenseweg/Swaardvenstraat, zijnde het deel waarop de onderhavige bestemmingsplanherziening betrekking heeft, is opgenomen in het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg, zoals vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 27 juni 1994, gedeeltelijk goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 27 januari 1995 (nr. 127558) en onherroepelijk geworden op 15 maart 1996. De betreffende gronden, zijnde het bouwblok van 4,2 ha en de omliggende bosgebied, zijn hierin bestemd tot Gemengde Doeleinden. In verband met de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al voorziene opheffing van het ter plaatse gevestigde revalidatiecentrum met onderwijsvoorzieningen, is destijds nog een verruiming van de gebruiksmogelijkheden opgenomen ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan Reeshof – Vossenberg. Daarbij is uitgegaan van het behoud van het waardevolle karakter van het binnen deze bestemming gelegen bosgebied, om welke reden het bouwblok is opgenomen. Op de plankaart is in het bouwblok de 50 dB(A)-contour aangegeven van de zone van het industrieterrein Kraaiven (zie kaart 4. Zonering industrielawaai). Blijkens de voorschriften (lid 1: Doeleinden en lid 2: Beschrijving in hoofdlijnen) zijn de op de plankaart als “Gemengde Doeleinden” aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden: medische en paramedische voorzieningen met ondersteunende activiteiten; horeca (uitsluitend een hotel en/of partycentrum); sociaal/culturele instellingen; maatschappelijke voorzieningen (uitsluitend vormings- of bezinningscentra e.d., eventueel met een logiesmogelijkheid); de aanleg en beheer van bosgebied; groenvoorzieningen; verkeersvoorzieningen, waaronder wegen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen. De verruimde zone industrielawaai Kraaiven loopt over percelen gelegen ten noorden van de Dongenseweg, een deel van de Dongenseweg zelf en een perceel ten zuiden van de die weg. Al die delen vallen binnen het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg, met uitzondering van het perceel Dongenseweg 61. Dit perceel valt in het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg, 2e herziening. De betreffende percelen gelegen ten noorden van de Dongenseweg liggen binnen de bestemming Landelijk gebied. Het perceel Dongenseweg 61 heeft de bestemming Caravanstalling en wonen. Dit laatste betreft een bestaande woning. Het betreffende weggedeelte van de Dongenseweg heeft de bestemming Verkeer en het peceel ten zuiden van die weg heeft de bestemming Volkstuinen. 4. Algemene Beleidskaders.

In Tilburg zijn op verschillende terreinen beleidsnota's van toepassing. Het beleid in deze nota's vormt de basis voor het bestemmingsplan . Daarom zal in dit hoofdstuk een samenvatting worden

gegeven van het reeds vastgestelde gemeentelijk beleid, echter voor zover dit relevant is met betrekking tot het plangebied. Structuurvisie Tilburg. Op 31 januari 2005 heeft de raad van de gemeente Tilburg de Ruimtelijke structuurvisie 2020 vastgesteld. ‘Tilburg, stad van contrasten’ is de noemer waaronder de stad Tilburg haar ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren schetst. De ruimtelijke contrasten die Tilburg karakteriseren maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van andere grote steden in NoordBrabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving. Binnen die stad in haar groene omgeving zijn in 2020 de geconstateerde tekortkomingen in woon- en werkmilieus aangevuld en zijn de sterke punten zoals cultuur, het onderwijs en een groene omgeving gehandhaafd of versterkt. Landgoed Charlotte is in deze structuurvisie aangeduid als nieuw kleinschalig bedrijventerrein, maximaal 2 ha. per kavel. Hoofdlijnen economisch beleid Tilburg 2001-2010. De hoofdlijnennota Economisch beleid van oktober 2001 beoogt de hoofdpunten weer te geven van het toekomstige Tilburgse economische beleid en vormt een onderdeel van het totale gemeentelijke beleid zoals dat is vastgelegd in het meerjaren investerings- en ontwikkelingsprogramma (MIOP). Ruimte voor bedrijven. Doel van de nota Ruimte voor bedrijven (1998) is het oplossen van de knelpunten op korte en middenlange termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. Gezien de lange productietijd van bedrijventerreinen wordt als planhorizon het jaar 2015 aangehouden. In die nota is ondermeer aangegeven dat behalve voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen de gemeente ruimte wil bieden voor kleine bedrijven door de revitalisering van bestaande bedrijventerreinen (Kanaalzone, Loven, Kraaiven) en door de herontwikkeling van oude bedrijfslocaties in de stad. Bedrijventerreinen in 2004. De voortgang van het bedrijventerreinenprogramma vanuit de nota Ruimte voor bedrijven 1998 is in beeld gebracht met voortgangsrapportages. In de voortgangsrapportages is het programma ingrijpend getemporiseerd bijgesteld en als zodanig afgestemd met het uitwerkingsplan van de structuurvisie Breda-Tilburg. Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (mobiliteit in balans). Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het TVVP (Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. In de visie is verwoord hoe de gemeente Tilburg wil om wil gaan met de verwachte toename van de mobiliteit. Er worden uitspraken gedaan over goederenvervoer; mobiliteitsmanagement; parkeren; binnenstad Totaal; verkeer. Fietsplan Tilburg Doelstelling van het Tilburgse fietsbeleid is het bieden van een duidelijke en veilige plaats aan de fiets in de totale verkeersstructuur van de stad teneinde een reëel alternatief te bieden voor (potentiële) autogebruikers en de huidige fietsgebruikers als zodanig te behouden.

Zevenheuvelenweg. Door de aanleg van de noordwesttangent en de verlengde Baron van Voorst tot Voorstweg is de verwachting dat de route Zevenheuvelenweg-Swaardvenstraat-Dongenseweg in de toekomst minder zwaar belast zal zijn. Overigens blijft deze route een gebiedsontsluitingsweg met een sternetfietsroute (Heikantroute). Tilburgs Openbaar vervoer Plan. Het 'Tilburgs Openbaar vervoer Plan' (2000) is een aanscherping van het collectief-vervoerbeleid. De doelstelling van het collectief vervoer is het structureel zeker stellen van een integraal pakket van collectief-vervoerdiensten, waarmee een substantiële bijdrage kan worden geleverd aan de bereikbaarheid en het sociaal functioneren van de stad. Er wordt voorzien in de aanleg van expresselijnen, T-bussen en Combitaxen. Over de Dongenseweg zal ook in de toekomst de streeklijn halteren. Architectuur en stadsbeeld Het architectuurbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de kadernota architectuurbeleid: "Tilburg geeft vorm aan zijn identiteit". In de nota wordt voorgesteld in de toelichting van bestemmingsplannen voor het bestaand stedelijk gebied een welstandsparagraaf op te nemen als leidraad voor het welstandsbeleid in een bepaald gebied. Monumenten/archeologie. Naast bescherming, behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle objecten (rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, beeldbepalende panden, stadsgezichten en overige monumentale panden) is het gemeentelijke monumentenbeleid meer en meer gericht op bescherming dan wel planologische inpassing van cultuurhistorisch waardevolle gebieden en structuren. In het (landelijke) 'Monumenten Selectie Project' (MSP) is voor heel Tilburg nagegaan welke panden in aanmerking komen voor aanwijzing als rijksmonument. Ook de gemeentelijke monumentenlijst zal op termijn worden uitgebreid. Hoewel in dit kader in het bestemmingsplan geen extra voorschriften hoeven te worden opgenomen, moet wel aangetekend worden voor de feitelijke monumenten en objecten binnen de grenzen van een beschermd stadsgezicht aanvullende regelgeving (Monumentenverordening 1997 of Monumentenwet 1988) van toepassing is. De monumentencommissie is daarbij het adviserende orgaan (en toetst naast welstandsaspecten ook op cultuurhistorische waarden). Indien activiteiten gaan plaatsvinden die het nog onverstoorde bodemarchief aantasten moet tijdig een Standaard Archeologische Inventarisatie worden verricht. Op basis van een dergelijk onderzoek kan worden bepaald wat de waarden zijn en of een vervolgonderzoek (b.v. in de vorm van een Aanvullende Archeologische Inventarisatie en/of onderzoek) noodzakelijk is. Streekplan Noord-Brabant en Uitwerkingsplan Breda-Tilburg. Het Streekplan Noord-Brabant 2002 beschrijft globaal hoe de provincie er over 10 jaar uit zou moeten zien. In het Streekplan heeft het Provinciebestuur tevens vastgelegd dat er voor 5 stedelijke en 14 landelijke regio’s uitwerkingsplannen opgesteld moeten worden. Hierin wordt nauwkeuriger bepaald op welke locaties woningbouw kan plaatsvinden en bedrijventerreinen kunnen worden aangelegd, en in welke gebieden natuur, landschap en landbouw ruimte moeten krijgen. De uitwerkingsplannen zijn samen met gemeenten en waterschappen opgesteld en met belangenorganisaties besproken. Bouwstenen voor de uitwerkingsplannen zijn het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld en het programma. In het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld wordt het landschappelijk raamwerk in beeld gebracht. Dat bestaat uit de gebieden die vanuit het oogpunt van natuur, landschap of landbouw zo waardevol zijn, dat er niet gebouwd mag worden. Daarnaast worden in het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld 'voor transformatie afweegbare gebieden' aangegeven. Dit zijn gebieden die geen deel uitmaken van het landschappelijk raamwerk en die

geschikt zijn voor verstedelijking. Binnen de 'voor transformatie afweegbare gebieden' mogen in principe woningbouwlocaties en bedrijventerreinen worden ontwikkeld. In het uitwerkingsplan wordt bekeken op welke manier het programma een plaats kan krijgen binnen het duurzaam ruimtelijk structuurbeeld. Provincie en gemeenten geven aan welke locaties binnen de 'voor transformatie afweegbare' gebieden het meest geschikt zijn voor woningbouw en bedrijventerreinen. Voor deze locaties kunnen gemeenten bestemmingsplannen ontwikkelen. Hierin wordt de precieze begrenzing en invulling van de locaties bepaald. Het uitwerkingsplan Breda-Tilburg is op 21 december 2004 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Het uitwerkingsplan geeft de ruimtelijke ontwikkelingen aan voor de periode tot 2015 met een doorkijk naar 2020 en vormt een kader voor de ruimtelijke plannen in het gebied. Het uitwerkingsplan fungeert thans (tezamen met het streekplan en andere provinciale beleidsdocumenten) als toetsings- en ontwikkelingskader voor ruimtelijke plannen. Groenstructuurplan en Groenstructuurplan plus. Het 'Groenstructuurplan' (1992) en het 'Groenstructuurplan Plus' (1998) geeft richtlijnen voor de aanpak van het groen in Tilburg. Enerzijds gaat het om het scheppen van kwaliteit, anderzijds om het instandhouden van deze kwaliteit door een effectief beheer. Het groenstructuurplan geeft een lange termijnvisie op de inrichting en het beheer van de openbare ruimte met speciale aandacht voor het groen. Enerzijds gaat het om het scheppen van kwaliteit, anderzijds om het instandhouden van deze kwaliteit door een effectief beheer. In het Groenstructuurplan plus wordt het groenstructuurplan geëvalueerd en geactualiseerd (voor periode 1997-2013). Waterplan en waterstructuurplan. Het gemeentelijk waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Waterplan (1997) en verder uitgewerkt en ruimtelijk vertaald in het Waterstructuurplan (2002). In het Waterplan zijn algemene doelstellingen geformuleerd met betrekking tot het gemeentelijk waterbeleid op de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidsgedachte. Externe veiligheid. De beleidsnota externe veiligheid ‘Koersen op veiligheid’ is op 21 mei 2002 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Het beleidsveld externe veiligheid houdt zich bezig met de beheersing van de activiteiten met gevaarlijke stoffen die een risico voor de omgeving op kunnen leveren. Energiebeleidsplan 2002 t/m 2005. Het Energiebeleidsplan 2002 t/m 2005 is een vervolg op het Energiebeleidsplan uit 1994 en de bijbehorende actualisatie in 1997. Beiden vormden de basis van de strategie Duurzaam Stedelijk Energiebeheer in het tweede Gemeentelijke Milieubeleidsplan (GMP-2). In het Energiebeleidsplan zijn de energiedoelstellingen/-ambities voor Tilburg bepaald waarbij vervolgens voor de realisatie de nodige impulsen zijn geformuleerd. 5. Opzet bestemmingsplan. Bij het zoeken naar een passende herbestemming van (het huidige bouwblok) van Landgoed Charlotte is op de eerste plaats rekening gehouden met enkele hierna te beschrijven aspecten. het Streekplan Noord-Brabant 2002./ Uitwerkingsplan stedelijke regio Breda – Tilburg 2004

In het uitwerkingsplan voor de stedelijke regio Breda-Tilburg is de totale locatie van landgoed Charlotte aangegeven als “Stedelijk gebied” met de aanduiding “Beheer en intensivering” omdat dit gebied in overwegende mate een stedelijke bestemming heeft en het Streekplan geldende bestemmingen respecteert.

Het landgoed is daarbij specifiek genoemd als locatie waar een planontwikkeling speelt in het kader van het bevorderen van te ontwikkelen bedrijventerreinen. Om nieuw ruimtebeslag te beperken wordt in het streekplan het realiseren van bedrijventerreinen binnen het bestaand stedelijke gebied gestimuleerd. Een belangrijk deel van landgoed Charlotte wordt in het streekplan tevens gerekend tot de Groene Hoofdstructuur. Bij de nadere begrenzing van de GHS in het onderhavige bestemmingsplan is uitgegaan van de plankaart van het streekplan, waarbij het plangebied geen onderdeel vormt van de GHS. Daarmee wordt niet geheel het begrenzingsvoorstel van Ecologisch Adviesbureau Cools (EAC) van december 2002 gevolgd. Dat begrenzingsvoorstel rekent echter (van het gedeelte dat tot het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg behoort) circa 7.35 ha tot de GHS en circa 4.9 ha niet tot de GHS. In het bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven wordt echter circa 8.1 ha tot de GHS gerekend en circa 4.15 ha niet. Geconstateerd kan worden dat per saldo een groter en meer aaneengesloten gedeelte GHS gerespecteerd zal worden (het oude parkeerterr ein in het bosgebied komt bijvoorbeeld te vervallen). Op 12 juli 2005 is besloten om het deel van het landgoed (ter grootte van 7,8 ha) dat binnen het bestemmingsplan Industrieterrein Noord valt conform de vigerende bestemming Handel en nijverheid te ontwikkelen. Over de herontwikkeling van Landgoed Charlotte is de afgelopen jaren diverse malen met de Groene Malpartners overleg gevoerd. In 2004 is een studie verricht naar de mogelijkheid voor het inrichten van de Noord-Zuidzone (tussen Huis ter Heide en Landgoederen Kaaistoep) als ecologische verbindingszone, waar landgoed Charlotte ook toegerekend wordt. Daarbij is als eerste gekeken welke verwante ecosysteemtypen aan beide zijden van de geplande verbinding voorkomen en welke soorten daarbij horen. Vervolgens is geanalyseerd voor welke soorten een verbinding op dit schaalniveau mogelijk en noodzakelijk is. Mede op basis van deze studie en financiële overwegingen is geconcludeerd dat het niet realistisch is om de ecologische verbindingszone in de Noord-Zuidzone aan te leggen. Bovendien werd er in de studie geconcludeerd dat als er al een verbindingszone zou zijn, landgoed Charlotte daar geen onderdeel vanuit maakt. Door de natuurorganisaties uit de Groene mal is bovendien op 21 februari 2005 een uitruil voorgesteld waarbij Landgoed Charlotte zich maximaal tot bedrijventerrein kan ontwikkelen en het Bij de Steenfabriek in Udenhout geplande bedrijventerrein geheel komt te vervallen. Voor de natuurorganisaties is van belang dat op de locatie Steenfabriek e.o. een substantiële natuurwinst is te bereiken, terwijl zij inschatten dat de natuurwaarden op Landgoed Charlotte door de ingesloten ligging en de voorgestane bedrijfsontwikkeling in de toekomst ernstig aan belang zullen inboeten. Mede gezien de voorkeur van de natuurorganisaties heeft het college besloten om op de locatie Steenfabriek de ecologie prioriteit te geven en ten aanzien van Landgoed Charlotte de economie. De toekomstige ecologische kwaliteit van de nog resterende delen Groene Hoofdstructuur op het landgoed zal daardoor vanwege de ligging direct tegen bedrijvigheid van industrieterrein Kraaiven en vanwege de geringe omvang feitelijk zeer gering zijn. Op basis daarvan wordt het niet zinvol geacht om bij onderhavige bestemmingsplanherziening een bufferzone te hanteren ter vermindering van de verstoring. Kadernota Groene Mal.

Met betrekking tot landgoed Charlotte is in de intentieovereenkomst Groene Mal gesteld dat de binnen de Groene Mal gelegen bestemmingen Bedrijven en Gemengde Doeleinden in principe gehandhaafd blijven. Het handhaven van de vigerende bestemmingen wordt daarbij zó geïnterpreteerd dat ook andere bestemmingen die uit een oogpunt van natuur en milieu kwalitatief vergelijkbaar zijn met de vigerende bestemming mogelijk zijn. Hierbij wordt de "oppervlakte" van deze bestemmingen ten opzichte van de huidige bestemmingen gehandhaafd. Deze bestemmings-

planwijziging beperkt zich tot het reeds bestaande bebouwingsvlak. Dit bebouwingsvlak krijgt als bestemming bedrijvigheid. Gelet op de daarbij toegestane milieucategorieën wordt die bestemming uit een oogpunt van natuur en milieu als kwalitatief vergelijkbaar beschouwd met hetgeen mogelijk was binnen de bestemming Gemengde Doeleinden. Flora en Faunawet.

De bestemmingsplanherziening beperkt zich tot het reeds bestaande bouwvlak. In het geval maatregelen nodig zijn in het kader van de Flora- en Faunawet dan zal het rapport natuurwaarden Landgoed Charlotte van Ecologisch Adviesbureau Cools (juni 2005) daar leidend bij zijn. De Flora- en Faunawet kent geen compensatieplicht. Wanneer echter negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden is compensatie het laatste middel om de staat van instandhouding van streng beschermde soorten niet verder te verslechteren. Op het landgoed Charlotte zou de compensatie betrekking hebben op de streng beschermde vleermuizen als er sprake zou zijn van vaste verblijf- of voortplantingplaatsen. Aangezien het landgoed uitsluitend wordt gebruikt als foerageergebied wordt compensatie echter niet noodzakelijk geacht. Voor de algemene soorten hoeft naar verwachting geen gedragscode te worden opgesteld dan wel gedragscode te worden aangevraagd. Voor de overige soorten zal volgens een gedragscode worden gewerkt (waarin bijvoorbeeld omschreven is dat geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd). Negatieve effecten dienen volgens de zorgplicht zoveel mogelijk gemitigeerd worden. Maatregelen in dat kader kunnen zijn alternatieve nestgelegenheden, aanpassing groenbeheer, specifieke maatregelen ten aanzien van beperking van overlast van kunstlicht en geluid. functionele/ruimtelijke uitgangspunten.

Naast hetgeen hierboven is beschreven is bij het bepalen van de concrete functionele en ruimtelijke uitgangspunten ook rekening gehouden met hetgeen is opgenomen in hoofdstuk 6 Milieu. De herziening richt op het bestaande bouwblok dat is gelegen op het Landgoed Charlotte en op het rond dit bouwblok gelegen bosgebied. Laatstbedoeld gebied blijft onaangetast. Gekozen is voor de ontwikkeling van het plangebied - lees de gronden binnen de bestemming Bedrijven - als een hoogwaardig bedrijventerrein. De gewenste hoogwaardigheid zal ten opzichte van de omringende bedrijventerreinen vooral tot uitdrukking moeten komen in een functioneel ander type bedrijvigheid en een andere verhouding tussen kantoor- en bedrijfshalcomponent. Bovendien zal het zichtbaar moeten zijn in architectuur en verkaveling. Daarbij gelden de volgende randvoorwaarden: het landgoed is in beginsel bestemd voor hoogwaardige bedrijvigheid, dat wil zeggen: o bedrijven hoger in de bedrijfskolom; o kennisintensievere of kennisgerelateerde (R&D of ICT) bedrijven met een veelal hoger aandeel kantoorhoudendheid tot maximaal 50% van het te realiseren bvo per bouwperceel; o bedrijven anderszins met een hoger aandeel kantoorhoudendheid eveneens tot maximaal 50% van het te realiseren bvo per bouwperceel; o productie -, onderzoeks of opslagbedrijven, die als gevolg van specifieke bedrijfsactiviteiten vallen in een hogere bedrijfskolom, dit al dan niet in een combinatie met een kantoorfunctie en/of showroom. Vestiging is daarmee niet mogelijk voor ondermeer: o louter productie of louter opslagbedrijven; o detailhandel, waaronder ook autobedrijven, caravanhandel, botenverkoop; o horecabedrijven; o transport/vervoer/expeditiebedrijven;

o -

bedrijven met buitenopslag en/of buitenactiviteiten;

-

voor het terrein wordt voorgestaan een combinatie van kleine en middelgrote hoogwaardige bedrijven in een verhouding van 50/50; ondanks de uitgangspunten opgenomen in de Structuurvisie Tilburg (kleinschalig bedrijventerrein; maximaal 2 ha per kavel) wordt de mogelijkheid opengehouden dat het terrein aan één gebruiker wordt uitgegeven. In dat geval blijft er nog steeds sprake van een kleinschalig bedrijventerrein in relatie tot die visie; bij een hoogwaardig bedrijventerrein op een voormalig landgoed kan de wijze van beheer door middel van parkmanagement daarmee in overeenstemming worden gebracht.

De milieucategorie voor de te vestigen bedrijven is 3. Inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder (grote lawaaimakers; voorheen categorie A-inrichtingen) zijn uitgesloten. De vestiging van bedrijfswoningen is vanwege mogelijke beperkingen die deze opleveren voor de te vestigen bedrijven en de zittende bedrijven niet toegestaan. Ten aanzien van de ruimtelijke verdeling wordt uitgegaan van ongeveer 50% voor onzelfstandige kantoren in 3 bouwlagen en 50% voor bedrijfsgebouwen in 1 laag. Dat komt overeen met ± 34 100 m² bvo. Het bebouwingspercentage per bouwperceel is gesteld op maximaal 75%. De bouwhoogte is gesteld op maximaal 15 meter. De bedrijven in c.q. het plangebied dienen/dient in beginsel op minstens twee manieren voor autoverkeer ontsloten te kunnen worden. Dat betekent dat er twee aansluitingen gemaakt dienen te worden op het bestaande wegennet, één op de Swaardvenstraat ter hoogte van de Ledeboerstraat (de bestaande inrit) en één aan de noordwestzijde in het verlengde van de zuidelijk van de Dongenseweg gelegen Albionstraat. Gezien echter de beperkte omvang van het plangebied wordt volstaan met één openbare ontsluiting op de Swaardvenstraat. De tweede ontsluiting betreft een noodontsluiting voor huldiensten op de Dongenseweg. Daartoe wordt de bestaande ontsluiting op de Dongenseweg aangewend . Er dient op eigen terrein te worden voorzien in ruimte voor parkeren. Dit kan een bebouwde parkeervoorziening zijn dan wel een voorziening op het onbebouwde terrein dat bij het bedrijfsgebouw behoort. Voldaan moet worden aan de minimumnorm, zodat parkeerproblemen niet worden afgewenteld op de openbare ruimte. De gemeente Tilburg hanteert een eigen parkeerbeleid, waarbij de parkeercijfers van het CROW als uitgangspunt dienen. Ook voor het laden of lossen van goederen moet in voldoende mate zijn voorzien in of onder het bedrijfsgebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het bedrijfsgebouw behoort. Onder laden en lossen is tevens begrepen het manoeuvreren t.b.v. laden en lossen. De verruiming van de zone industrielawaai is enerzijds ingegeven door het feit dat bij vaststelling van de zone industrielawaai een deel van het bedrijventerrein Kraaiven (groot 7,8 ha) dat deel uitmaakte van het landgoed Charlotte, niet bij die zone is betrokken en dat deel nu dus een zone industrielawaai van rechtswege kent en anderzijds door het feit dat de bestemming van het bouwblok binnen het landgoed Charlotte wordt omgezet in een bedrijfsbestemming. Als gevolg van de verruiming van die zone komt er, rekening houdende met de uitbreiding van het bedrijventerrein Kraaiven met het bedrijvenpark Charlotte en de invulling van hiervoren bedoelde bestaande bedrijvenlocatie (die reeds onderdeel uitmaakt van het bedrijventerrein Kraaiven), extra geluidruimte in de nachtperiode beschikbaar voor bestaande en nieuwe bedrijven.

Consequentie van de verruiming is ook dat de bestaande woning gelegen in het voormalige landgoed Charlotte nabij de Dongenseweg is wegbestemd. Dit geldt ook voor de op het perceel Dongenseweg 61 bestaande woning. Dit perceel is reeds aangekocht door de gemeente. juridische opzet/toelichting op de voorschriften.

De voornaamste in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen zijn Bedrijven en Bos. In de voorschriften is expliciet aangegeven dat inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder (grote lawaaimakers; voorheen categorie A-inrichtingen) zijn uitgesloten. Ook is in de voorschriften vastgelegd dat zelfstandige kantoren zijn uitgesloten. Het maximale bebouwingspercentage, dat geldt per bouwperceel, is vastgelegd op de plankaart. Ook de maximale bebouwingshoogte is vastgelegd op de plankaart. In de voorschriften is aangegeven dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte, maar ook in ruimte voor laden en lossen moet worden voorzien. De bestemming Bos is gericht op natuur, bos en bebossing en groenvoorzieningen. In beperkte mate is bebouwing toegestaan ten behoeve van beheer en onderhoud. De 50 dB(A) grens van de verruimde zone industrielawaai is op de plankaart aangegeven. Voorts is een kaart bijgevoegd waarop de gehele zone van het bedrijventerrein Kraaiven is aangegeven. De verruimde zone industrielawaai loopt over percelen gelegen ten noorden van de Dongenseweg, een deel van de Dongenseweg zelf en een perceel ten zuiden van de die weg. Al die delen vallen binnen het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg, met uitzondering van het perceel Dongenseweg 61. Dit perceel valt in het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg, 2e herziening. De betreffende percelen gelegen ten noorden van de Dongenseweg liggen binnen de bestemming Landelijk gebied. Het perceel Dongenseweg 61 heeft eveneens de bestemming Landelijke gebied met de medebestemmingen caravanstalling en wonen. Het betreffende weggedeelte van de Dongenseweg heeft de bestemming Verkeer en het perceel ten zuiden van die weg heeft de bestemming Volkstuinen. Die vigerende bestemmingen, zoals die zijn opgenomen in het de bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg en Vossenberg en Dongenseweg, 2e herziening, zijn in de planherziening overgenomen. Dit geldt echter niet voor het perceel Dongenseweg 61. De medebestemmingen caravanstalling en wonen zijn geschrapt. De bij de diverse bestemmingen behorende voorschriften zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Vanwege de leesbaarheid zijn de betreffende voorschriften als bijlage toegevoegd aan de planvoorschriften van de onderhavige bestemmingsplanherziening. In de algemene vrijstellingsbepaling is opgenomen ten behoeve van de uitoefening van een activiteit die niet voorkomt in de tot het plan behorende Bedrijvenlijst maar overeenkomt met de toegelaten categorieën, alsmede voor de uitoefening van een activiteit die naar de aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de toegelaten categorieën bedrijfsactiviteiten. Een vrijstelling is ook mogelijk voor bedrijfsactiviteiten die vallen in milieucategorie 2. Verder zijn vrijstellingsmogelijkheden opgenomen met betrekking tot: - geringe afwijkingen van het bestemmingsvlak; - afwijking van de maximale bouwhoogte voor erfafscheidingen. 6. Waterpararaaf. bestaand watersysteem.

Gebiedskenmerken

De ontwikkeling in en rond het bedrijvenpark Charlotte betreft een bruto oppervlakte van ongeveer 20 Ha, waarvan twee delen onderscheiden worden: het noordoostelijke gedeelte, begrensd door de Swaardvenstraat, de Zevenheuvelenweg en de Dongenseweg. Het betreft voornamelijk bos en heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 7,8 ha; het zuidwestelijke gedeelte, begrensd door de Swaardvenstraat en de Dongenseweg. Het betreft een opener gebied, waarin centraal het bedrijvenpark Charlotte gesitueerd zal worden. Het heeft een bruto oppervlakte van ruim 12 ha. De bebouwing en verhardingen in de oorspronkelijke situatie (revalidatiecentrum Charlotteoord) omvatten in totaal ongeveer 17.000 m2. De hoogte van het huidige maaiveld loopt van het noordoosten af vanaf ongeveer 12,90 m + NAP, in zuidwestelijke richting tot ongeveer 11,40 m + NAP. Centraal op de locatie is een plateau aanwezig met een hoogte van ongeveer 12,80 m + NAP. Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Donge en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Brabantse Delta. Bodem Het gehele 20 Ha gebied is in 2003 – 2004 bodemkundig / hydrologisch onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt de bodemopbouw te bestaan uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot zeer fijn zand. De bovenste 0,5 tot 1,0 m (plaatselijk 0,2 m) is matig humeus. In een boring is humeuze bodem aangetroffen op één meter onder het maaiveld. Dat betekent dat het terrein in het verleden opgehoogd is. Leembandjes komen voornamelijk voor in het zuidoostelijk gedeelte, en wel vanaf ongeveer één meter onder het maaiveld. Verspreid over de locatie komen compacte leemlaagjes voor, met een dikte vanaf 10 cm. In het plangebied zijn doorlatendheidsmetingen in de onverzadigde zone uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de doorlatendheid in deze zone goed te noemen is, met berekende waarden op basis van metingen van 0,8 à 3,0 meter per etmaal bedraagt. De maatgevende hoogste grondwaterstand varieert van ongeveer 9,20 m. + NAP, is de westelijke punt, tot ongeveer 9,90 m. + NAP, in de oostelijke hoek. De lokale grondwaterstroming van het eerste afvoerende pakket is globaal westelijk gericht. Met maatgevende grondwaterstanden variërend tussen 1,8 en 3,5 meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie ruim voldoende. Riolering en oppervlaktewater In de Dongenseweg en de Swaardvenstraat ligt riolering van het gemengde stelsel. Vlak langs de zuidoostelijke rand van het plan ligt een stamriool tot het nabij gelegen hoofdgemaal Swaardven. Deze belangrijke transportleiding zorgt voor de afwatering van de gemengde rioolstelsels in de zuid- en westelijke helft van Tilburg. In het bestaande nabije bedrijventerrein Kraaiven, ten zuiden van de Swaardvenstraat, ligt ook riolering van het gemengde stelsel. Ten noorden van deze weg ligt een gescheiden stelsel. Bij de capaciteit van de leidingen in de Zevenheuvelenweg, is reeds rekening gehouden met de benodigde capaciteit voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Kraaiven, conform het vigerend bestemmingsplan. Het vuilwater in beide stelseltypes stroomt verder richting de zuivering Tilburg, in beheer van het waterschap De Dommel. Het hemelwater van het gescheiden systeem stroomt af richting de voormalige zandwinput Wolterbeek. Deze plas is ontstaan door intredend grondwater en is dan ook grondwaterafhankelijk. Het waterpeil schommelt rond 9,50 m + NAP (eenmalige waarneming). Het beslaat een oppervlakte van ongeveer 4,5 Ha. Voor het geval het waterniveau in de plas voor grondwateroverlast zou kunnen zorgen, werd het vijzelgemaal Wolterbeekstraat aangelegd. Dit kunstwerk heeft echter nauwelijks ooit hoeven draaien. Binnen het in ontwikkeling gebied ligt slechts riolering voor de voormalige bouwwerken van Charlotteoord. Deze leidingen zijn aangesloten op het bestaande gemengde stelsel. Bij het

landgoed hoort een siervijver met een oppervlakte van ongeveer 4.000 m2. Deze vijver heeft geen waterhuishoudkundige betekenis. duurzaam stedelijk water.

Afwegingen Voor de noordoostelijke helft (7,8 Ha) worden de ontwikkelingen conform het vigerende bestemmingsplan: regulier bedrijventerrein als uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Kraaiven. De resterende ruim 12 Ha zijn planologisch in tweeën in te delen: circa 8,1 Ha natuur / bos overeenkomstig vigerend bestemmingsplan en circa 4,2 Ha bestemming gewijzigd naar hoogwaardige bedrijvigheid. Hoewel deze waterparagraaf betrekking heeft op de bestemmingsplanwijziging, is bij alle afwegingen voor het watersysteem rekening gehouden met het hele in ontwikkeling gebied. Ten aanzien van het voornemen om Landgoed Charlotte te herontwikkelen en vooruitlopend op deze waterparagraaf is een grondonderzoek verricht, met als doel de bodemkundig hydrologische situatie van het plangebied in beeld te brengen. Het bovengenoemde onderzoek en de ontwikkelingen in het plangebied zijn gehanteerd voor het verkennen van de kansen om duurzaam om te gaan met hemelwater, zoals omschreven in het gemeentelijke waterplan (GWP) en zijn vertaling in het Waterstructuurplan (WSP), het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en de vierde nota waterhuishouding (NW4). Het uit te breiden deel van Kraaiven wordt conform het vigerende bestemmingsplan afgewaterd via de hiervoor al eerder aangelegde riolering. Het bedrijvenpark wordt hoogwaardig ingericht. Het bedrijvenprofiel vormt een laag risico voor de verontreiniging van het oppervlaktewater: zakelijke dienstverlening, groothandel, ambacht, enz. (categorie 3a en 3b). Het bedrijvenpark kan dan ook gerioleerd worden door middel van een conventioneel gescheiden stelsel, met vrije lozing op de plas Wolterbeek. De bodemdoorlatendheid is zeer gunstig voor infiltratie in de bodem, door middel van een percolatiesysteem. Deze infiltratie kan echter eenvoudiger via de bestaande plas Wolterbeek gebeuren, gezien de beschikbare bergingscapaciteit ruim voldoende is om geen gebruik te hoeven maken van de bestaande nooduitlaat (vijzelgemaal Wolterbeerstraat). Bij een neerslag van 40 mm treedt een extra peilstijging op van hoogstens 10 cm. Watersysteem Op grond van het bovengenoemde onderzoek, ontwikkelingen en beleidsdocumenten, zijn in overleg met de waterbeheerder de bouwstenen vastgelegd voor het nieuwe watersysteem. In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en), dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden bij het herontwikkelen van het plangebied: gezien de ruim voldoende ontwateringdiepte hoeven in het plangebied geen structurele aanvullende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van ontwatering, behalve in de nabijheid van de bestaande vijver; de bestaande vijver wordt naar verwachting op termijn gedempt en het terrein geëgaliseerd met het nabije terrein. Uitgangspunt is een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 m. Verdiepte bouwdelen worden te allen tijde waterdicht gebouwd; het vuil- en het hemelwater worden per perceel inpandig gescheiden ingezameld en aangeboden bij de perceelgrens; hergebruiken van hemelwater wordt door de ontwerpers en installateurs als een optie beschouwd in dit plan, voor bijvoorbeeld toiletspoeling e.d.; de uitbreiding van Kraaiven watert af via het bestaande gescheiden rioolstelsel en eventueel aan te leggen aftakkingen in de ontsluitingswegen; het hemelwater afkomstig van het bedrijvenpark Charlotte stroomt af via een aan te leggen hemelwaterriool richting de Zevenheuvelenweg;

-

-

de af te wateren dakoppervlakte in het bedrijvenpark Charlotte, op basis van de maximale bouwpercentage, bedraagt ongeveer 33.750 m2. Daarbij komt de behorende verharde oppervlakte in wegen, parkeer, e.d.; het vuilwater stroomt af richting het bestaande gemengde stelsel in de Swaardvenstraat, / de bestaande vuilwaterriolen in de Zevenheuvelenweg; het gescheiden stelsel voert het hemelwater af richting de bestaande plas Wolterbeek, waar het water instroomt als vrije lozing; de plas heeft voldoende capaciteit om het hemelwater van het plangebied en uitbreiding van Kraaiven op te vangen, zonder een nooduitlaat. watertoets.

-

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Waterplan (1997) en verder uitgewerkt en ruimtelijk vertaald in het Waterstructuurplan (2002). In het Waterplan zijn algemene doelstellingen geformuleerd op de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte. Het Waterstructuurplan1 koppelt het actieprogramma uit het Waterplan aan ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en geeft hiermee onder andere invulling aan water als ordenend principe. In het waterstructuurplan zijn de volgende hoofddoelstellingen voor het gemeentelijk waterbeleid opgenomen: • streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem • optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water • vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water De hoofddoelstellingen zijn vertaald in lange termijn doelstellingen voor de verschillende compartimenten van het watersysteem. De paragraaf waterhuishouding en riolering is gebaseerd op het gemeentelijk waterbeleid en het concept is eerst voorgelegd aan de waterbeheerders. Het plan is voorgelegd aan de waterbeheerder, het waterschap de Brabantse Delta, in verschillende overlegmomenten bij de aanvang van het plan en gedurende de twee jaar van de planvorming. In overleg met Brabantse Delta is het bodemkundig / hydrologisch onderzoek gedaan en de mogelijkheden om duurzaam om te gaan met het watersysteem in beeld gebracht. Bij de analyse van de onderzoeksresultaten is de Brabantse Delta betrokken. Aan de hand van het gerealiseerde onderzoek en de ontwikkelingen is een conceptparagraaf opgesteld. Dit concept samen met de resultaten van het onderzoek zijn voorgelegd aan de waterbeheerder. De Brabantse Delta leverde op- en aanmerkingen / een wateradvies aan, als reactie op het concept. Deze opmerkingen zijn verder verwerkt in de definitieve waterparagraaf. De Brabantse Delta stemt in met deze waterparagraaf, met de voorwaarde het verstrekte wateradvies te verwerken en het omschrijven watersysteem te realiseren aan de hand van de vastgestelde uitgangspunten. Dit alles en in het bijzonder de instemming met deze waterparagraaf is vastgelegd in het wateradvies van De Brabantse Delta, verwoord in de brief met kenmerk 06u000621, d.d. 26 januari 2006. 7. Milieu-aspecten. Wet geluidhinder.

De beoogde invulling van het plangebied (milieucategorie 3a en 3b/geen zelfstandige kantoren/ geen bedrijfswoningen) is ingevolge de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig waardoor toetsing aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet van toepassing is. Enkel voor kantoren worden ingevolge het Bouwbesluit eisen gesteld aan de minimale geluidwering van de buitengevels om een maximaal optredend binnenniveau als gevolg van het wegverkeerslawaai te waarborgen.

Op het aangrenzend bedrijventerrein Kraaiven zijn wel zware bedrijfsactiviteiten toegestaan voorkomend in categorie 5 van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsacti-viteiten alsmede inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder (grote lawaai-makers; voorheen categorie A-inrichtingen). Bij besluit van 9 december 1991 van gedeputeerde Staten van Noord-Brabant is een zone vanwege industrielawaai vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder. In dat zonebesluit is echter niet het gebied ter grootte van 8 ha dat ligt direct ten zuiden van de Zevenheuvelenweg opgenomen. Op dit gebied ligt een bedrijfsbestemming met dezelfde regeling als voor het industrieterrein Kraaiven (d.w.z. zware bedrijfsactiviteiten voorkomend in categorie 5 van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsacti-viteiten, alsmede inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder). Aangezien voor bedoeld gebied nimmer een zonebesluit is genomen heeft dat gebied dus een zone industrielawaai van rechtswege. Door de gemeente is als zonebeheerder een zgn. zonebewakingssysteem opgesteld. Middels dit systeem wordt voorkomen dat de geluidbelasting op de zone boven de 50 dB(A) etmaalwaarde komt. Zo wordt bij vestiging, wijziging of uitbreiding van milieuvergunningplichtige bedrijvigheid op Kraaiven middels een geluidvoorschriftenpakket afgepaste geluidruimte op de zone vergund. Deze zonering biedt in situaties rondom bedrijventerreinen waarvan het bestemmingsplan èn de geluidzonering is vastgesteld voldoende bescherming voor de omwonenden en voldoende ruimte voor de bedrijvigheid. Het nieuwe bedrijvenpark Charlotte is onderzocht op de akoestische gevolgen voor de omgeving. Ook zijn de gevolgen onderzocht van de invulling van een braakliggende perceel op het aangrenzende bedrijventerrein Kraaiven. Dit perceel dat onderdeel uitmaakte van het landgoed Charlotte. Is, ondanks dat is opgenomen in het bestemmingsplan voor het industrieterrein Kraaiven en daarin bestemd is voor de vestiging van bedrijvigheid, nimmer meegenomen in de zonering industrielawaai van dat industrieterrein. Omdat op het nieuwe nog in te vullen deel van Kraaiven bedrijven zullen worden toegestaan binnen de milieucategorieën 4 en 5 die volcontinu in werking kunnen zijn en aan de zuidwestzijde van het plangebied zich woningbouw en andere geluidgevoelige bestemmingen (aan de Dongenseweg) bevinden, is onderzoek vereist op grond van artikel 77 van de Wet geluidhinder (=Wgh). Ondanks dat op het bedrijvenpark Charlotte bedrijven worden toegestaan binnen de milieucategorie 3 is de geluidimmissie van dit nieuw bedrijventerrein meegenomen in het geluidonderzoek ten behoeve van de gedeeltelijk wijziging van de geluidcontour van Kraaiven. Vanwege de twee bedoelde extra invullingen met bedrijvigheid is besloten de bestaande zone rondom Kraaiven aan te passen, dit met in achtneming van de nabijgelegen bestaande woningbouw aan met name de Dongenseweg. De bescherming van de omwonenden is derhalve ook het uitgangspunt om te bepalen welk type industrie zich kan vestigen op beide nieuwe locaties. Hier wordt praktisch invulling aangegeven door het gehele gebied (Kraaiven en de twee nieuwe locaties met bedrijvigheid) opnieuw te zoneren. De 50 dB(A) contour mag in dit geval hooguit de eerstelijns bebouwing aan de Dongenseqweg (bestaande woningen) raken. Uit het akoestisch onderzoek is als gevolg van een aangehouden bronvermogen per oppervlakeenheid de gewijzigde 50 dB(A)-contour bepaald rondom het industrieterrein Kraaiven. De in dit onderzoek gepresenteerde gewijzigde geluidcontour dient als randvoorwaarde voor het bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en gedeeltelijke verruiming van de geluidszone rond industrieterrein Kraaiven. Middels een akoestisch onderzoek en het actuele zonebewakingssysteem van industrieterrein Kraaiven is op basis van de invulling van de nieuwe bedrijfsbestemming Charlotte en van het 7.8 haterrein de geluidcontour bijgesteld.

Als gevolg van aangehouden bronvermogens per oppervlakeenheid is de gewijzigde 50 dB(A)-contour bepaald rondom het industrieterrein Kraaiven. Deze contour, die met name gewijzigd is aan de zuidwestzijde, loopt voor langs de woningen aan de Dongenseweg. Uit dit akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat vanwege het aangepast akoestisch vlekkenplan ter plaatse van de aanwezige woningen aan de Dongenseweg de voorkeursgrenswaarde van industrielawaai van 50 dB(A) niet zal worden overschreden. De bestaande woningen aan Dongenseweg 57 en 61 binnen het plangebied Charlotte zullen in dit bestemmingsplan worden wegbestemd. Er is dus geen sprake van ontheffingssituaties als bedoeld in de Wet geluidhinder. luchtkwaliteit.

In het kader van het bestemmingsplan bedrijvenpark Charlotte is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in de omgeving van de het plan. Het plan voorziet binnen het bestemmingsplan grenzen het vestigen van bedrijvigheid tot categorie 3. Op het terrein was het revalidatiecentrum Charlotteoord gevestigd. Om de realisering van het bedrijventerrein mogelijk te maken is dit centrum inmiddels gesloopt. De Swaardvenstraat (afstand 25 meter tot de oostzijde van de perceelsgrens) is de meest de dichtstbijliggende straat. De overige straten liggen op een dusdanige afstand van de bestemmingsplangrens dat deze niet relevant zijn voor de luchtkwaliteit. Het gebied zal worden ontsloten worden via de Swaardvenstraat. Om een indicatie te krijgen van de verkeersaantrekkende werking is een globale berekening gemaakt van de te verwachten voertuigbewegingen. Geschat wordt dat het bedrijventerrein een verkeersaantrekkende werking zal hebben van 3.700 mvt per etmaal. Om deze ontsluiting mogelijk te maken zal een aansluiting worden gerealiseerd via de Swaardvenstraat het terrein op . De verkeersaantrekkende werking van het toenmalige revalidatiecentrum Charlotteoord is niet bekend. Bij een bestemmingsplantoets is het gebruikelijk dat 10 jaar wordt vooruit gekeken; de situatie in 2015. Dit houdt in dat getoetst wordt aan de (strengere) luchtkwaliteitsnormen die gelden vanaf 2010. Daarbij is voor de berekeningen uitgegaan van de geprognosticeerde verkeersintensiteit voor 2015. Omdat de norm voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 2010 is dit jaar ook in de beschouwing meegenomen. De gemeente Tilburg heeft in 2004 het luchtkwaliteitsplan 'Tilburg klaart de lucht' 2005-2010 vastgesteld. Een van de maatregelen uit het luchtkwaliteitplan is het stimuleren van schoon vrachtverkeer. Door TNO Inro (rapport 04-6B-083-64028) is het effect van de maatregelen berekend. Voor de Swaardvenstraat blijkt dat deze maatregel resulteert in een verlaging van de jaargemiddelde concentratie fijn stof tussen de 1 en 5µg/m3. Wanneer de jaargemiddelde concentratie ter plekke met 1 µg/m3 daalt zal het aantal overschrijdingen met 4 afnemen. Samenvattend kan gesteld worden dat: • Het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddele concentratie over de jaren 2001 t/m 2004 varieert tussen de 10 en 67 overschrijdingen • Voor de jaren 2010 en 2015 de jaargemiddelde stadsachtergrond geprognosticeerd is op 34 ug/m3. Het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddel norm door de stadsachtergrond bedraagt maximaal 69 overschrijdingen. De positieve effecten van het nationaal luchtkwaliteitplan zijn nog niet opgenomen in de prognoses • De vestiging van het bedrijventerrein zorgt voor maximaal 4 extra overschrijdingen langs de wegrand van de Swaardvenstraat. Met betrekking tot de bestemmingsplangrens zal de komst van het bedrijventerrein zorgen voor 1 extra overschrijding. Dit aantal is niet significant ten opzichte van de fluctuatie (10-67 overschrijdingen)in de regionale achtergrondconcentratie.

Het luchtkwaliteitsplan er voor zorgt dat de jaargemiddelde concentratie fijn stof en het aantal overschrijdingen ter hoogte van het bestemmingsplan met minimaal 4 extra overschrijdingen zal dalen.

Artikel 7 lid 3b uit het Besluit luchtkwaliteit geeft aan dat 'bij een beperkte toename van de concentratie van een desbetreffende stof, door en met uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert'. Uit de tekst van het Besluit en de tot nu toe bekende jurisprudentie wordt niet duidelijk of erop individueel planniveau gesaldeerd mag worden met een plan van aanpak dat positieve effecten heeft op de luchtkwaliteit in grote delen van de stad. De gemeente Tilburg is van mening dat een dergelijke zienswijze niet in strijd is met de geest van het Besluit luchtkwaliteit. Op basis van bovenstaande overwegingen is de conclusie dat de onderhavige bestemmingsplanherziening niet in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005. bodemgesteldheid.

Voor het gebied Landgoed Charlotte is een historisch onderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is in kaart gebracht: welke delen van het landgoed reeds zijn onderzocht en waar dus bodemgegevens van bekend zijn en welke delen als potentieel verdacht worden beschouwd. Voor het onderzoek zijn computerbestanden, hinderwet- en bodemarchieven geraadpleegd. Ook is op basis van de gegevens een overzicht van de (mogelijk) te saneren delen gegeven. Samenvatting van de resultaten van het historisch onderzoek. Voor het plangebied zijn diverse archieven geraadpleegd. Op de locatie Swaardvenstraat 75 blijkt reeds een bodemonderzoek te zijn uitgevoerd: locatienummer BIS4all 3435, Verkennend bodemonderzoek Swaardvenstraat 75, Geofox b.v. 22 april 2002. Hieruit blijkt dat de locatie maximaal licht verontreinigd is met de geanalyseerde parameters. Uit het historisch bodembestand blijkt dat op de locatie Swaardvenstraat 75: ondergrondse brandstoftanks zijn geregistreerd. Volgens de archiefgegevens blijken er 2 brandstoftanks te hebben gelegen, deze zijn verwijderd met KIWA-certificaat. Er blijkt geen verdere actie noodzakelijk te zijn. enkele slootdempingen hebben plaatsgevonden. Op de locatie waren in het verleden enkele slootracés gesitueerd. Hiervan is niet bekend met welk materiaal deze zijn gedempt. Een bodemverontreiniging kan derhalve nog niet worden uitgesloten. Nader onderzoek hiernaar wordt aanbevolen. Conclusie. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (2002) zijn geen noemswaardige verontreinigingen aangetroffen. De slootdempingen op het terrein zijn niet afdoende onderzocht. Afhankelijk van de inrichting van het terrein zal bij mogelijke (nieuw)bouw een bodemonderzoek vereist zijn in het kader van de bouwvergunningsaanvraag. Een dergelijk onderzoek kan, gezien de beperkte geldigheid, het best korte tijd (tot maximaal twee jaar) voor de bouwvergunningaanvraag uitgevoerd worden. externe veiligheid.

De beleidsnota externe veiligheid ‘Koersen op veiligheid’ is op 21 mei 2002 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Het beleidsveld externe veiligheid houdt zich bezig met de beheersing van de activiteiten met gevaarlijke stoffen die een risico voor de omgeving op kunnen leveren. Externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen waardoor de

veiligheid van de omgeving in het geding is. Deze risico’s worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico’s en groepsrisico’s waarbij in de normering onderscheid wordt gemaakt in bestaande en toekomstige situaties. In het NMP4 (Nationaal MilieubeleidsPlan 4) heeft de normering voor het plaatsgebonden risico een wettelijke status gekregen. Ten aanzien van het groepsrisico is er in de wetgeving een verantwoordingsplicht opgenomen met betrekking tot de keuzes over de aanvaardbaarheid ervan. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Hierbij wordt verondersteld dat een (fictieve) persoon zich gedurende 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op een plaats bevindt. De grenswaarde van het plaatsgebonden risico mag niet worden overschreden. Deze is voor nieuwe situaties 1 op de 1.000.000, voor bestaande situaties 1 op de 100.000. Groepsrisico. Het groepsrisico wordt naast de mogelijke ongevallen en bijbehorende ongevalsfrequentie bepaald door de aanwezige mensen in de nabijheid van een eventueel ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe hoog het aantal slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de aanwezige mensen. Het gaat hier om een oriëntatiewaarde. Mobiele bronnen. Onder mobiele bronnen wordt verstaan het vervoer van gevaarlijke stoffen, over de weg, het spoor en door buisleidingen. Een aantal wegen dat nabij het plangebied loopt vormt een onderdeel van de routering gevaarlijke stoffen. Dit is de Swaardvenstraat en de Dongenseweg. Deze wegen hebben geen PR-contour. Stationaire bronnen. Buiten het plangebied zijn bedrijven aanwezig, waarvan bekend is dat zij opslag aan gevaarlijke stoffen voorhanden hebben. Het gaat hier om IFF en Delicia. Beide bedrijven worden aangewezen in het BEVI. Van IFF is bekend dat de PR contour van 10-6 net het bedrijvenpark Charlotte raakt, maar er niet overheen ligt. Delica heeft geen PR contour volgens het REVI. Verantwoording groepsrisico. In artikel 13 van het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' zijn criteria gegeven die bij invulling van de verantwoordingsplicht in acht moeten worden genomen indien het plangebied is gesitueerd binnen het invloedsgebied van een risicobron. De in deze rapportage opgenomen informatie biedt een basis inzake de aanvaardbaarheid van het het restrisico. Voor een afweging inzake die aanvaardbaarheid dienen de onderstaande categorieën a t/m f behandeld te worden: a. Ligging groepsrisico t.o.v. oriënterende waarde. b. Toename groepsrisico t.o.v. nulsituatie. c. De mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking. d. De mogelijkheden van hulpverlening. e. Nut en noodzaak van de ontwikkeling. f. Het tijdsaspect. Een uitgebreide beschouwing hierover is opgenomen in de bijlage. Uit de verantwoording blijkt dat er ten opzichte van het revalidatiecentrum een gunstige ontwikkeling plaatsvindt ten aanzien van externe veiligheid wat betreft de zelfredzaamheid van de personen die zich in het gebied bevinden. Echter worden bedrijven met risicovolle activiteiten niet uitgesloten waardoor er mogelijk nieuwe risico's voor de omgeving genomen worden. De verantwoording hiervan zal plaatsvinden binnen de milieuvergunning.

Om voldoende mogelijkheden voorhanden te hebben om op te treden binnen het plangebied voor is het van belang dat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Deze moeten gecreëerd worden door het aanbrengen van een Nortonput en kan tevens gevonden worden in de aanwezigheid van de vijver net buiten het plangebied. Met het voorhanden hebben van bluswatervoorzieningen kan bij bepaalde calamiteiten de mogelijkheid vergroot worden dat mensen het gebied kunnen verlaten. Mocht deze vijver in de toekomst niet meer bruikbaar zijn dan dient hiervoor een andere bluswatervoorziening gerealiseerd te worden. Ook wordt met een tweede ontsluitingsweg op de Dongenseweg de mogelijkheden voor de hulpdiensten vergroot om het gebied te bereiken. geur.

Over een deel van het bedrijvenpark Charlotte ligt een geurcontour afkomstig van IFF. De geurcontour heeft geen invloed op de toekomstig mogelijk gemaakte bedrijvigheid, aangezien hier geen sprake is van geurgevoelige bestemmingen. bedrijvigheid.

Het bedrijvenpark Charlotte zal uitsluitend categorie 3 bedrijven omvatten. Er wordt een onderscheid gemaakt in categorie 3a en 3b bedrijven. Categorie 3a bedrijven zijn bedrijven die volgens de indeling van het VNG boekje bedrijven en milieuzonering een milieucontour hebben van maximaal 50 meter. Categorie 3b bedrijven zijn bedrijven met een milieucontour van 100 meter. Bij een afstand van meer dan 100 meter worden categorie 3a en 3b bedrijven toegestaan. Hiermee wordt een bescherming geboden voor woningen aan de overzijde van de Dongenseweg. duurzame ontwikkeling.

Het verwezenlijken van de doelstellingen van duurzaamheid dienen bij de bouw en het toekomstig gebruik van dit omvangrijke complex voortvarend ter hand te worden genomen. Strategieën die voor het plan van toepassing zijn worden hieronder genoemd. Duurzame stedelijke bouw* Voorgestaan beleid (duurzaam bouwen) - sluiten kringlopen grondstoffengebruik - voorkomen en hergebruik - verminderen van restemissies naar het milieu bij de productie van bouwmaterialen en het bouwproces Duurzaam stedelijk energiebeheer Voorgestaan beleid - vraag naar energie verminderen - aanbod duurzame energie vergroten - zo zuinig mogelijk omgaan met niet duurzame energiebronnen Duurzaam stedelijk afvalbeheer Voorgestaan beleid - preventie van afval - hergebruik Sinds 1 juli 1999 is het Bouwstoffenbesluit (Bsb) van kracht. Dit besluit stelt regels aan de toepassing van steenachtige bouwstoffen in werken. Dit kunnen zowel nieuwe (primaire) als gebruikte (secundaire) materialen zijn die buiten of aan de buitenkant van een werk worden

toegepast, waarbij ze in contact kunnen komen met regenwater en/of grondwater of oppervlaktewater. Het Bouwstoffenbesluit streeft twee doelen na: 1. Het hergebruik van (steenachtige) bouwstoffen stimuleren. Dit om het gebruik van eindige producten zoals zand, grind, klei etc. en het storten van afval te beperken. 2. Het uitspoelen van verontreinigingen uit deze bouwstoffen naar de bodem of naar het oppervlaktewater terug te brengen tot een maximaal toelaatbaar niveau. Alle werken waarbij ‘buiten’ steenachtige materialen worden toegepast, moeten aan de regels van het Bouwstoffenbesluit voldoen. Zo moeten gegevens over de samenstelling (en uitloging) van de bouwstoffen bekend zijn (kwaliteitsverklaring). Tevens geldt voor verschillende bouwstoffen een meldingsplicht.
7.

Economische uitvoerbaarheid.

Landgoed Charlotte is in 2002 aangekocht met het doel het te herontwikkelen tot een hoogwaardig en regulier bedrijventerrein. Van de 20 ha. zal 4,2 ha aan de zuidkant ontwikkeld worden als hoogwaardige bedrijventerrein. Aan de noordkant wordt 7,8 ha van het terrein ontwikkeld als reguliere bedrijventerrein. Het overblijvende gedeelte blijft zijn groene karakter behouden. Als uitgegaan wordt van een uitgifteperiode van 5 jaren, in de periode van 2008 t/m 2012 wordt het negatieve exploitatieresultaat per 31-12-2013 (eindwaarde) € 6,9 mln. Contant wordt dit per 1-12007 € 5,1 mln. In de Beleidsanalyse Grondexploitatie 2006 is rekening gehouden met een tekort op eindwaarde van € 8,2 mln. (inclusief risico) Het huidige tekort van € 6,9 mln. wordt hierin afgedekt. De woning Dongenseweg 57 is meegenomen en het wegbestemmen van die woning leidt derhalve niet tot een verhoging van het negatieve exploitatieresultaat. Het perceel Dongenseweg 61 is niet aangekocht ten behoeve van bovengenoemde ontwikkelingen. 8. Bevolkingscontact.

Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van 9 tot en met 30 januari 2006 ter inzage gelegen. Op 18 januari 2006 is er een inloopbijeenkomst gehouden. Er zijn 2 inspraakreacties ingekomen. Voor wat betreft het standpunt op de reacties en adviezen wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage notitie afdoening inspraakreacties en reacties overleginstanties. 9. Reacties overleginstanties. Bij brief van 24 maart 2006 is een reactie ingediend door de Brabantse Milieufederatie te Tilburg. Op 21 maart 2006 is door de directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving (ROH) van de provincie een advies uitgebracht inzake het voorontwerp-bestemmingsplan. De Provinciale Planologische Commissie heeft in samenhang met het advies van de directe ROH het plan behandeld in haar vergadering van 5 april 2006. Op 5 april 2006 (verzonden 19 april 2006) is door die commissie een advies uitgebracht. Voor wat betreft het standpunt op de reacties en adviezen wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage notitie afdoening inspraakreacties en reacties overleginstanties. Bijlagen: bewonersbrief inspraak voorontwerp-bestemmingsplan; kaart ligging plangebied; kaart vigerende bestemmingen; rapportage Luchtkwaliteit; rapportage externe veiligheid;

-

akoestisch onderzoek (los bijgevoegd); notitie afdoening inspraakreacties en reacties overleginstanties.

Rapportage luchtkwaliteit. Inleiding. In het kader van het bestemmingsplan Charlotteoord is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in de omgeving van de het plan. Het plan voorziet binnen het bestemmingsplan grenzen het vestigen van bedrijvigheid milieucategorie 3a en 3b. De Swaardvenstraat (afstand 25 meter tot de oostzijde van de perceelsgrens) is de meest de dichtbijliggende straat. De overige straten liggen op een dusdanige afstand van de bestemmingsplangrens dat deze niet relevant zijn voor de luchtkwaliteit. Het gebied zal worden ontsloten worden via de Swaardvenstraat. Om een indicatie te krijgen van de verkeersaantrekkende werking is een globale berekening gemaakt van de te verwachten voertuigbewegingen.Geschat wordt dat het bedrijventerrein een verkeersaantrekkende werking zal hebben van 3.700 mvt per etmaal. De verkeersaantrekkende werking van het toenmalige revalidatiecentrum Charlotteoord is niet bekend. Bij een bestemmingsplantoets is het gebruikelijk dat 10 jaar wordt vooruit gekeken; de situatie in 2015. Dit houdt in dat getoetst wordt aan de (strengere) luchtkwaliteitsnormen die gelden vanaf 2010. Daarbij is voor de berekeningen uitgegaan van de geprognosticeerde verkeersintensiteit voor 2015. Omdat de norm voor stikstofdioxide (NO2) geldt vanaf 2010 is dit jaar ook in de beschouwing meegenomen. De berekeningen zijn uitgevoerd met emissiecijfers van de voertuigen voor 2010 en 2015.Voor fijn stof geldt dat de normen per 1 januari 2005 van kracht zijn. Omdat het rekenmodel niet beschikt over de emissieprognoses voor het jaar 2005 zijn voor het plangebied de achtergrondconcentraties fijn stof voor het jaar 2001 t/m 2004 beschouwd. Uit de jaarrapportages luchtkwaliteit 2001 tot en met 2004 berekeningen die gemaakt zijn in het kader van het Tilburgs luchtkwaliteitsplan 2005-2010 blijkt dat er alleen overschrijdingen te verwachten zijn m.b.t. fijn stof en stikstofdioxide. Om deze reden zijn alleen de berekende waarden voor stikstofdioxide en fijn stof weergegeven. Voor de overige stoffen wordt verwezen naar de bijlage.
Berekeningen.

De uitgebreide in- en uitvoergegevens zijn als bijlage bijgevoegd. Een samenvatting van de rekenresultaten zijn opgenomen in onderstaande tabel 1 (2010, ingangsdatum grenswaarde NO2) en tabel 2 (2015). Getoetst is ter hoogte aan de oostzijde van de bestemmingsplangrens aan de Swaardvenstraat. Om de invloed van de verkeersaantrekkende werking te beschouwen is tevens berekend of de 3700 extra verkeersbewegingen invloed hebben op de luchtkwaliteit aan de oostzijde van de bestemmingsplangrens aan de Swaardvenstraat. Naast deze berekening is berekend of de verkeersaantrekkende werking invloed heeft op de luchtkwaliteit direct langs de Swaardvenstraat. Hiervoor is een berekening gemaakt met en zonder verkeersaantrekkende werking op 6 meter uit de as van de weg. Tevens is de luchtkwaliteit berekend ter hoogte van het plangebied zonder de invloed van het wegverkeer voor de prognosejaren 2010 en 2015. Voor fijn stof is tevens de stadsachtergrond voor de jaren 2001 t/m 2004 weergegeven. De emissie van de bedrijfsgebouwen zijn niet beschouwd. Vanwege het karakter van de gebouwen (kantoren en distributie) kan worden aangenomen dat de verkeersaantrekkende werking en het wegverkeer op de Swaardvenstraat maatgevend is voor luchtkwaliteit ter hoogte van de bestemmingsplangrens en direct langs de Swaardvenstraat.

De berekeningen zijn uitgevoerd met het TNO-rekenmodel CAR II,versie 4. De in- en uitvoergegevens zijn weergegeven in bijlage 4. Gerekend is met een voor de luchtkwaliteit ongunstige situatie. Dat wil zeggen met meerjarige meteorologische omstandigheden en de kortste afstand tussen de Swaardvenstraat en de bestemmingsplangrens. In tabel 1 is de luchtkwaliteit aan de oostzijde van de bestemmingsplangrens ter hoogte van de Swaardvenstraat weergegeven zonder verkeersaantrekkende werking voor de prognosejaren 2010 en 2015. In tabel 2 is de luchtkwaliteit aan de oostzijde van de bestemmingsplangrens ter hoogte van de Swaardvenstraat weergegeven met verkeersaantrekkende werking (3.700 mvt) voor de prognosejaren 2010 en 2015. In tabel 3 is de luchtkwaliteit ter hoogte van de wegrand van de Swaardvenstraat weergegeven zonder verkeersaantrekkende werking (3.700 mvt) voor de prognosejaren 2010 en 2015. In tabel 4 is de luchtkwaliteit ter hoogte van de wegrand van de Swaardvenstraat weergegeven met verkeersaantrekkende werking (3.700 mvt) voor de prognosejaren 2010 en 2015. In tabel 5 is de stadsachtergrond voor de prognosejaren 2001 en 2015 weergegeven; dit wil zeggen de achtergrondconcentratie ter hoogte van de bestemmingsplangrens zonder de invloed van het wegverkeer op de omliggende wegen. In tabel 6 is de stadsachtergrond voor fijn stof weergegeven voor de jaren 2001 t/m 2004; dit wil zeggen de achtergrondconcentratie ter hoogte van de bestemmingsplangrens zonder de invloed van het wegverkeer op de omliggende wegen. Tabel 1:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen bestemmingsplangrens oostzijde 2010 en 2015 autonoom
Grenswaarde 2010 Beoordelin g 2015 beoordeli ng 26 Voldoet

NO2 jaargemiddelde in µg/m3 NO2 uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

28

Voldoet

18

0

Voldoet

0

Voldoet

40

35

Voldoet

35

Voldoet

50

56

Voldoet Niet

54

Voldoet niet

Tabel 2:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen bestemmingsplangrens oostzijde 2010 en 2015 met verkeersaantrekkende werking
Grenswaarde 2010 Beoordelin g 2015 beoordeli ng 27 Voldoet

NO2 jaargemiddelde in µg/m3 NO2 uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

28

Voldoet

18

0

Voldoet

0

Voldoet

40

35

Voldoet

35

Voldoet

50

57

Voldoet Niet

55

Voldoet niet

Tabel 3:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen wegrand Swaardvenstraat zonder verkeersaantrekkende werking
Grenswaarde 2010 Beoordelin g 2015 beoordeli ng 30 Voldoet

NO2 jaargemiddelde in µg/m3 NO2 uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

33

Voldoet

18

0

Voldoet

0

Voldoet

40

37

Voldoet

36

Voldoet

50

65

Voldoet Niet

62

Voldoet niet

Tabel 4:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen wegrand Swaardvenstraat met verkeersaantrekkende werking
Grenswaarde 2010 Beoordelin g 2015 beoordeli ng 31 Voldoet

NO2 jaargemiddelde in µg/m3 NO2 uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

34

Voldoet

18

0

Voldoet

0

Voldoet

40

38

Voldoet

37

Voldoet

50

69

Voldoet Niet

66

Voldoet niet

Tabel 5:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen stadsachtergrond ter hoogte bestemmingsplangrens en Swaardvenstraat 2010 en 2015
2010 Grenswaard e Beoordeli ng 26 Voldoet 25 2015 Beoordeli ng Voldoet

NO2 jaargemiddelde in µg/m3 NO2 uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

18

0

Voldoet

0

Voldoet

40

34

Voldoet

34

Voldoet

50

53

Voldoet Niet

51

Voldoet niet

Tabel 6:
Type norm

resultaten luchtkwaliteitberekeningen stadsachtergrond Fijn stof 2001 t/m 2004
2001 Grenswaard e 2002 2003 2004

PM10 jaargemiddelde in µg/m3 PM10 24-uurgemiddelde, overschrijdingen per jaar

40

35

37

36

26

50

54

67

63

10

Uit de tabellen 1t/m 6 blijkt dat aan alle normen wordt voldaan behalve aan de 24 -uurs norm voor fijn stof. Uit de tabellen 3 en 4 blijkt hoe sterk de jaargemiddelde concentratie fijn stof en het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddelde concentratie wordt beïnvloed voor de achtergrondconcentratie. In de jaren 2001 t/m 2004 varieerde de jaargemiddelde achtergrondconcentratie tussen de 35 en 37µg/m3. Het aantal overschrijdingen varieert tussen de 10 en 67 overschrijdingen. Wanneer de verkeersaantrekkende werking op het aantal overschrijdingen wordt beschouwd blijkt dat ter hoogte van de bestemmingsplangrens zorgt voor 1 extra overschrijding, ter hoogte van de wegrand van de Swaardvenstraat zorgt de verkeersaantrekkende werking voor 4 extra overschrijdingen. Deze extra aantal overschrijdingen is in het kader van de fluctuerende stadsachtergrond dan ook niet significant. Het jaar 2004 was voor de luchtkwaliteit een uitzonderlijk goed jaar. Dit is de reden dat in 2004 ter hoogte van het plangebied wel voldaan wordt aan de 24-uurs norm voor fijn stof en in 2001 t/m 2003 niet. Voor 2010 en 2015 is de verwachting dat er niet voldaan wordt aan de 24-uurs norm voor fijn stof. De reden hiervoor is de geprognosticeerde stadsachtergrond van 34 µg/m3 jaargemiddeld. In de geprognosticeerde stadsachtergrond zijn de effecten van het nationaal luchtkwaliteitsplan nog niet meegenomen. Deze effecten worden waarschijnlijk pas volgend jaar meegenomen in de nieuwe emissieprognoses. De stadsachtergrond wordt voor ongeveer 90% bepaald door de regionale achtergrondconcentratie. Dit wil zeggen de concentratie fijn stof die van elders Tilburg binnen komt. De regionale achtergrondconcentratie wordt circa ca. voor de helft bepaald door natuurlijk stof (opwaaiend stof en 'zeezout aërosol')en voor de helft door emissiebijdragen van elders gelegen

bronnen. Hieronder vallen bronnen buiten Tilburg. Dit leidt ertoe dat over zuidelijke Nederland, België en het Roergebied een vrij constante achtergrondconcentratie heerst met lokaal kleine variaties. Het aantal overschrijdingen van de 24-uurgemiddelde norm wordt statistisch uit de jaargemiddelde waarde bepaald. Dit betekent dat een hogere jaargemiddelde waarde een hoger aantal overschrijdingen oplevert. De achtergrondconcentraties zijn zodanig hoog dat het in Tilburg niet mogelijk is om aan de gestelde grenswaarde van ten hoogste 35 overschrijdingen te voldoen. De lokale invloed op het aantal overschrijdingen van de 24-uurgemiddelde concentratie is heel beperkt. Dit blijkt uit tabel 6. Uit de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 volgt dat de berekende waarden voor zeezout gecorrigeerd mogen worden. Voor gemeente Tilburg betekent dit dat de jaargemiddelde concentratie met 3 µg/m3 verminderd mag worden. Het aantal overschrijdingen van de 24-uurgemiddelde concentratie mag met 6 worden verminderd. Ook inclusief deze aftrek blijven er overschrijdingen van de 24uurgemiddelde-concentratie. Door de hoge regionale achtergrondconcentratie aan fijn stof wordt in en rondom het plangebied niet aan de 24-uurgemiddelde norm fijn stof voldaan. Zelfs niet als het bouwplan niet wordt gerealiseerd. Volgens de berekeningen neemt het aantal overschrijdingen door realisatie van bedrijvenpark maximaal met 4 toe, langs de wegrand van de Swaardvenstraat. Met betrekking tot het aantal overschrijdingen ter hoogte van de bestemmingsplangrens neemt het aantal overschrijdingen maximaal met 1 toe. De gemeente Tilburg heeft in 2004 het luchtkwaliteitsplan 'Tilburg klaart de lucht' 2005-2010 vastgesteld. Een van de maatregelen uit het luchtkwaliteitplan is het stimuleren van schoon vrachtverkeer. Door TNO Inro (rapport 04-6B-083-64028) is het effect van de maatregelen berekend. Voor de Swaardvenstraat blijkt dat deze maatregel resulteert in een verlaging van de jaargemiddelde concentratie fijn stof tussen de 1 en 5µg/m3. Wanneer de jaargemiddelde concentratie ter plekke met 1 µg/m3 daalt zal het aantal overschrijdingen met 4 afnemen. Samenvattend kan gesteld worden dat: • Het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddele concentratie over de jaren 2001 t/m 2004 varieert tussen de 10 en 67 overschrijdingen • Voor de jaren 2010 en 2015 de jaargemiddelde stadsachtergrond geprognosticeerd is op 34 ug/m3. Het aantal overschrijdingen van de 24-uursgemiddel norm door de stadsachtergrond bedraagt maximaal 69 overschrijdingen. De positieve effecten van het nationaal luchtkwaliteitplan zijn nog niet opgenomen in de prognoses • De vestiging van het bedrijventerrein zorgt voor maximaal 4 extra overschrijdingen langs de wegrand van de Swaardvenstraat. Met betrekking tot de bestemmingsplangrens zal de komst van het bedrijventerrein zorgen voor 1 extra overschrijding. Dit aantal is niet significant ten opzichte van de fluctuatie (10-67 overschrijdingen)in de regionale achtergrondconcentratie. • Het luchtkwaliteitsplan er voor zorgt dat de jaargemiddelde concentratie fijn stof en het aantal overschrijdingen ter hoogte van het bestemmingsplan met minimaal 4 extra overschrijdingen zal dalen. Artikel 7 lid 3b uit het Besluit luchtkwaliteit geeft aan dat 'bij een beperkte toename van de concentratie van een desbetreffende stof, door en met uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert'. Uit de tekst van het Besluit en de tot nu toe bekende jurisprudentie wordt niet duidelijk of erop individueel planniveau gesaldeerd mag worden met een plan van aanpak dat positieve effecten heeft op de luchtkwaliteit in grote delen van de stad. De gemeente Tilburg is van mening dat een dergelijke zienswijze niet in strijd is met de geest van het Besluit luchtkwaliteit.

Op basis van bovenstaande overwegingen is de conclusie dat het bestemmingsplan niet in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Rapportage Externe veiligheid. De beleidsnota externe veiligheid ‘Koersen op veiligheid’ is op 21 mei 2002 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Het beleidsveld externe veiligheid houdt zich bezig met de beheersing van de activiteiten met gevaarlijke stoffen die een risico voor de omgeving op kunnen leveren. Externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Deze risico’s worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico’s en groepsrisico’s waarbij in de normering onderscheid wordt gemaakt in bestaande en toekomstige situaties. In het NMP4 (Nationaal MilieubeleidsPlan 4) heeft de normering voor het plaatsgebonden risico een wettelijke status gekregen. Ten aanzien van het groepsrisico is er in de wetgeving een verantwoordingsplicht opgenomen met betrekking tot de keuzes over de aanvaardbaarheid ervan. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico (voorheen individueel risico) geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Hierbij wordt verondersteld dat een (fictieve) persoon zich gedurende 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op een plaats bevindt. De grenswaarde van het plaatsgebonden risico mag niet worden overschreden. Deze is voor nieuwe situaties 1 op de 1.000.000, voor bestaande situaties 1 op de 100.000. Groepsrisico. Het groepsrisico wordt naast de mogelijke ongevallen en bijbehorende ongevalsfrequentie bepaald door de aanwezige mensen in de nabijheid van een eventueel ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe hoog het aantal slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de aanwezige mensen. Het gaat hier om een oriëntatiewaarde. Mobiele bronnen. Onder mobiele bronnen wordt verstaan het vervoer van gevaarlijke stoffen, over de weg, het spoor en door buisleidingen. Een aantal wegen dat door het plangebied loopt vormt een onderdeel van de routering gevaarlijke stoffen. Dit is de Swaardvenstraat en de Dongenseweg. Deze wegen hebben geen PR-contour. Stationaire bronnen. Buiten het plangebied zijn bedrijven aanwezig, waarvan bekend is dat zij opslag aan gevaarlijke stoffen voorhanden hebben. Het gaat hier om IFF en Delicia. Beide bedrijven worden aangewezen in het Besluit BEVI. Van IFF is bekend dat de PR contour van 10-6 net het bedrijvenpark Charlotte raakt, maar er niet overheen ligt. Verantwoording groepsrisico. In artikel 13 van het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' zijn criteria gegeven die bij invulling van de verantwoordingsplicht in acht moeten worden genomen indien het plangebied is gesitueerd binnen het invloedsgebied van een risicobron. De in deze rapportage opgenomen informatie biedt een basis voor de besluitvorming van het college van burgemeester en wethouders. Het is aan burgemeester en wethouders om te besluiten of het restrisico bestuurlijk aanvaardbaar wordt geacht. Voor deze afweging dienen de onderstaande categorieën a t/m f behandeld te worden: a. Ligging groepsrisico t.o.v. oriënterende waarde b. Toename groepsrisico t.o.v. nulsituatie

c. d. e. f.

De mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking De mogelijkheden van hulpverlening Nut en noodzaak van de ontwikkeling Het tijdsaspect

In artikel 13 van het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' zijn criteria gegeven die bij invulling van de verantwoordingsplicht in acht moeten worden genomen indien het plangebied is gesitueerd binnen het invloedsgebied van een risicobron. a. In het gebied kan door de toekomstige aanwezigheid van bedrijven met bijbehorende kantoorpanden een toename ontstaan van het groepsrisico. Deze toename kan niet exact worden aangegeven aangezien er nog geen invulling kan worden gegeven ten aanzien van de bedrijven die zich hier gaan vestigen. Er is dan ook geen rapport gemaakt waaruit de toename blijkt van het groepsrisico. b en c. Charlotte-oord is gesloopt, maar was een revalidatiecentrum gericht op kinderen. Hiervoor was een school aanwezig, revalidatieruimten en slaapgelegenheden. De hoeveelheid mensen die hier aanwezig was is niet meer te achterhalen. Destijds was er in ieder geval sprake van een groep die gezien hun leeftijd en fysieke gesteldheid als zeer beperkt zelfredzaam aangemerkt kunnen worden. De toekomstige bestemming als bedrijventerrein kan wat betreft de zelfredzaamheid dan ook als gunstiger worden aangemerkt. Ook worden kwetsbare bestemmingen niet op het terrein toegelaten, vandaar dat er in de voorschriften een relatie wordt voorgeschreven tussen de productieruimte en de kantoorruimte. Wel is het mogelijk dat bedrijven die zijn aangewezen in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen en waar dus sprake is van risicocontouren mogelijk gemaakt zich hier te vestigen. Bij de milieuvergunning zal dan ook een beschouwing plaatsvinden ten aanzien van de risico's van deze bedrijven ten opzichte van hun omgeving. d. Op het terrein wordt naast een reguliere ontsluiting aan de Zwaardvenstraat een tweede ontsluiting gemaakt vanaf de Dongenseweg, die uitsluitend door hulpdiensten gebruikt kan worden. Daarnaast zal in overleg met de brandweer een nortonput worden geslagen en kan gebruik gemaakt worden van een vijver die zich op korte afstand van het plangebied bevindt. Mocht deze vijver in de toekomst niet meer bruikbaar zijn dan dient hiervoor een andere bluswatervoorziening gerealiseerd te worden. e. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar hoofdstuk 4 Opzet bestemmingsplan. f. Het tijdsaspect is geen noemenswaardig positief of negatief gegeven voor de beoordeling van de ontwikkeling en de risico-aspecten. Uit het vorenstaande worden de volgende conclusies worden getrokken; • Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van IFF, wat met de komst van nieuwe bedrijven effect zal hebben op het groepsrisico. Ten opzichte van het revalidatiecentrum is de ontwikkeling van een bedrijventerrein als gunstig aan te merken ten aanzien van dit aspect gezien de zelfredzaamheid van werknemers. • Er zullen voldoende bluswatervoorzieningen in het gebied worden gerealiseerd. • Naast een reguliere ontsluiting zal een ontsluiting worden gerealiseerd aan de Dongenseweg uitsluitend bestemd voor hulpdiensten. • De bereikbaarheid van het gebied is door de doortrekking van de Noordoosttangent in westelijke richting verbeterd en zal bovendien nog verder verbeteren zodra de Noordwesttangent geheel is afgerond.

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg is zich bewust van het aspect externe veiligheid en onderschrijft en accepteert punt voor punt de bovenstaande conclusies.

Bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven
Voorschriften en bijlagen

CODE: 2005-013

voorontwerp: ontwerp: vaststelling goedkeuring: in werking: onherroepelijk:

november 2005 17 april 2007

Artikel 1: Begripsomschrijvingen In deze voorschriften wordt verstaan onder: Aanbouw Uitbreiding van een gebouw welke direct ten dienste staat van het gebouw doch niet één open ruimte vormt met de rest van het gebouw en is uitgevoerd in één bouwlaag. Afschuiningshoek Hoek die gevormd wordt door een schuin en een horizontaal vlak die elkaar snijden op de afschuiningshoogte (zie hierna). Afschuiningshoogte Hoogte waarop zich de snijlijn bevindt van een vertikaal en een hellend vlak, waarbij die vlakken de begrenzing zijn van het maximaal toegestane bouwvolume. Bebouwing Een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bebouwingsindex Het getal dat de verhouding uitdrukt tussen de bruto-vloeroppervlakte van de bebouwing op een bepaald terrein en de oppervlakte van dat terrein. Bebouwingspercentage Een percentage, dat de oppervlakte aangeeft van het deel van een bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd (verhouding tussen het bebouwde deel en het gehele perceel). Bedrijfsgebouw Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten. Bedrijfswoning: zie Dienstwoning Bedrijven Zie omschrijving in artikel 3, onder 3.1.a. Bestemmingsplan Document zoals omschreven in de Wet en het Besluit op de Ruimtelijke Ordening, afdeling 3 (1985). Bestemmingsvlak Een op een plankaart met eenzelfde teint of arcering aangeduid vlak, waarmee gronden zijn aangegeven met eenzelfde bestemming. Bouwbesluit De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet (Wet van 29-8-1991 Stb. 439). Bouwblok Door openbare ruimte omsloten geheel van percelen (al dan niet -reeds- bebouwd), dat te beschouwen is als een stedebouwkundige eenheid.

Bouwen Het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Bouwgrens Een lijn, die niet door een bouwwerk mag worden overschreden, behoudens toegelaten afwijkingen. Bouwhoogte - De hoogte van gebouwen met uitzondering van lift- en trappenhuizen, lichtkappen en soortgelijke onderdelen van gebouwen zoals schoorstenen, masten en delen van ventilatie-installaties, gemeten uit het hoogste punt boven het (straat-)peil. - De hoogte van bouwwerken die geen gebouw zijn, gemeten uit het hoogste punt boven het (straat-)peil. Bouwlaag Een deel van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkant van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,50m in hoogte verschillen, zulks met uitzondering van een onderbouw of zolder. Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing en het daarbij behorend gebruik zijn toegelaten. Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Bruto-vloeroppervlakte van een gebouw (b.v.o) De som van de buitenwerks en horizontaal gemeten oppervlakten van de inpandige vloeren -horizontale vlakken ter plaatse van trappen, hellingen en vides daaronder begrepen- voorzover de ruimten waarbinnen de vloeren zich bevinden een grotere inwendige hoogte hebben dan 1,5 meter. Bijgebouw Een aanbouw, uitbouw of vrijstaand gebouw dat behoort bij een hoofdgebouw en slechts één bouwlaag omvat. Calamiteit Gehele of gedeeltelijke vernieling van een bouwwerk door overmacht: brand, overstroming, aardbeving en dergelijke. dB(A)-contour Een denkbeeldige lijn die aangeeft waar -op een bepaalde afstand van en op een bepaalde hoogte ten opzichte van een geluidsbron- een langs die lijn gelijkblijvend geluidniveau voorkomt.

Deelvlak en -grens Een deel van een bestemmingsvlak dat van een ander deelvlak wordt gescheiden door een deelvlakgrens. Deelvlakken onderscheiden zich door een -op de plankaart aangegeven- verschil in bouwhoogte en/of bebouwingspercentage. Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop/ter gebruik aanbieden van goederen (waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop/gebruik), het verkopen en/of leverenvan goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps - of bedrijfsactiviteit. Functionele eenheid - Een samenstel van activiteiten dat, gelet op de aard en de organisatie van die activiteiten alsmede op de plaats waar die activiteiten worden verricht, als een eenheid moet worden beschouwd; - Het complex van bebouwde en onbebouwde gronden waarop de hiervoor bedoelde activiteiten worden verricht. Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijk, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Goothoogte Zie afschuiningshoogte Groothandel Het bedrijfsmatig te koop of ter gebruik aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop / gebruik, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Handel Groothandel en detailhandel. Hoofdgebouw of hoofdbebouwing Een gebouw of bebouwing, dat/die op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Horeca-inrichting een bedrijf dat tot doel heeft het bieden van overnachtingsmogelijkheden en/of het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie al dan niet ter plaatse. Houtopstand Houtachtige overblijvende gewassen zoals struiken, heggen en bomen. Inrichtingen art. 41 Wet Geluidhinder Inrichtingen genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer (IVB) van 5 januari 1993 houdende aanwijzing van categorieën inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet Geluidhinder.

Kantoren - niet zelfstandig. Een samenstel van activiteiten, waarbij het accent ligt op het verrichten van administratieve handelingen ten behoeve van en als onderdeel van een binnen de bestemming toegelaten bedrijf. Langzaam verkeer Voetgangers- en fietsverkeer. Monumentale boom of houtopstand Een boom of houtopstand die is opgenomen in de gemeentelijke lijst van monumenale bomen zoals geldt die op het moment van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Natuur(waarde). De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorphologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. Netto vloeroppervlak (n.v.o.) De som van de binnenwerks gemeten oppervlakten van de voor publiek toegankelijke verblijfsruimten binnen een horecavoorziening I, II of III, zoals caféen barruimte (inclusief bar), eetzaal, foyer, dansvloer / podium, entree e.d. Hiertoe behoren derhalve niet oppervlakten t.b.v. keuken, toiletgroepen, garderobe, opslag, dienstruimten e.d. Onderbouw Een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20m boven peil is gelegen. Onderkomen Voor verblijf geschikte -al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken- voer- of vaartuigen, kampeermiddelen, loodsen, keten en andere soortgelijke verblijfsmiddelen, voor zover bovengenoemde zaken niet als bouwwerken zijn aan te merken. Oppervlakte de oppervlakte van een bouwwerk buitenwerks gemeten boven het peil met uitzondering van de oppervlakte van: een ondergeschikt bouwdeel (zoals open buitentrap, hellingbanen, e.d.) waarvan de verticale projectie op het horizontaal vlak kleiner is dan 4m² óf een uitkragend constructiedeel (zoals entree-overkapping, dakoverstekken, niet beweegbare zonweringconstructies e.d.) waarvan de breedte van de verticale projectie op het horizontale vlak kleiner is dan 0,75m; - de oppervlakte van een onbebouwd gedacht terrein, gemeten binnen de grenzen van dat terrein. Peil (straatpeil) voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de straat grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Perceel Zie: "Bouwperceel". Plan Het onderhavig bestemmingsplan, samengesteld uit voorschriften, plankaarten en toelichting. Plangrens Een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens van het plan aanduidt. Plankaart De kaart of kaartenset, met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven, of waarop tevens op het plangebied betrekking hebbend planologisch beleid voor een groter gebied vertaald is. Straatpeil Zie: Peil. Uitbouw Uitbreiding van een gebouw welke direct ten dienste staat van het gebouw en één ruimte vormt met de rest van het gebouw en is uitgevoerd in één bouwlaag. Uitwendige scheidingsconstructie Constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water. Verblijfsruimte Besloten ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen. Vergunningplichtig ingevolge Wet Milieubeheer Milieuvergunning voor inrichtingen (bedrijven) volgens het "Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer" (staatsblad 50, 1993) , zonder welke het niet toegestaan is een inrichting op te richten, te veranderen in werking te hebben of de werking te veranderen. Verkoopvloeroppervlak (v.v.o.) De oppervlakte van de geheel of grotendeels voor publiek toegankelijke ruimte die is bestemd en feitelijk ingericht voor de verkoop van goederen, waaronder begrepen showroom, uitstallingsruime e.d. Hiertoe behoren niet magazijn, opslagruimte, kantoor, e.d. Weg Alle -al dan niet binnen de bestemming "Verkeer en Verblijf" gelegen- voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. Wet Geluidhinder De wet van 16 februari 1979, staatsblad 99 (1979), houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder.

Wet Milieubeheer De wetstekst (van de Wet Milieubeheer) zoals geplaatst in het staatsblad 551 (1992). Deze wet is in werking getreden op 1 maart 1993. Woning Een (gedeelte van een) gebouw of een complex van ruimten dat krachtens zijn indeling geschikt en bedoeld is voor de huisvesting van één huishouden, daaronder begrepen beroep aan huis. Zolder De bovenste verdieping onder het schuine dak van een gebouw vaak dienende tot bergplaats.

Artikel 2: Wijze van meten 2.1 Lengte breedte en diepte van een bouwwerk Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren). 2.2 Oppervlakte van een bouwwerk Tussen (de buitenste verticale projecties van de buitenzijde van) de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren). 2.3 Inhoud van een bouwwerk Tussen de buitenste gevelvlakken (en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren) en de dakvlakken, zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen, en boven peil. 2.4 Bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het (straat-)peil tot het hoogste punt van het bouwwerk. De hoogte van bouwwerken (gevels) die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. 2.5 Afstand tot zijdelingse perceelgrens Tussen de zijdelingse grenzen van een perceel en enig punt van het op dat perceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

Artikel 3: Bedrijven 3.1. Doeleinden. a. De gronden op de plankaart aangewezen voor Bedrijven zijn bestemd voor het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten die liggen op het vlak van: - informatie- en computertechnologie, computerservice en communicatieverkeer, kennisintensieve - of kennisgerelateerde (R&D of ICT) bedrijven e.d., al dan niet met een hoog aandeel kantoorhoudendheid; - groothandel met bijbehorende showroom, al dan niet met een hoog aandeel kantoorhoudendheid; - productie -, onderzoeks of opslagbedrijven, die als gevolg van specifieke bedrijfsactiviteiten vallen in een hogere bedrijfskolom, dit al dan niet in een combinatie met een kantoorfunctie en/of showroom. Onder "bedrijven" worden bedrijfspompen, zijnde pompen die in hoofdzaak zijn bedoeld voor de eigen brandstoffenvoorziening, niet begrepen. b. De gronden zijn tevens bestemd voor: - kantines/restauratieve voorzieningen (voor zover ondersteunend en ondergeschikt); - andere bijbehorende voorzieningen zoals: verkeersvoorzieningen zoals wegen, fiets- en voetpaden, ontsluitingen, in- en uitritten, wegen en paden die deel uitmaken van een intern verkeerscirculatiesysteem, bevoorradingshof e.d.; parkeer - en stallingsvoorzieningen zoals parkeerterreinen, plaatsen, fietsenstallingen, parkeer- c.q. stallingsgarages of -kelders e.d.; groenvoorzieningen, zoals beplanting, plantsoentjes, paden, waterpartijen e.d. c. De toelaatbare hindercategorie voor functies of activiteiten bedraagt 3, zoals is aangegeven in de bij deze planvoorschriften behorende Staat van bedrijfsactiviteiten. d. De vestiging van zelfstandige kantoren, dat wil zeggen kantoren die geen deel van een binnen de bestemming gevestigd bedrijf vormen, is niet toegestaan. Van het te realiseren bvo per bouwperceel mag maximaal 50% wordt gebruikt voor kantoordoeleinden. e. De vestiging van inrichtingen als bedoeld in art. 41 Wet Geluidhinder jo. art. 2.4. van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet Milieubeheer is uitgesloten. 3.2. Bebouwingsvoorschriften. 3.2.1. Gebouwen. a. b. Op de in lid 1 bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig de in lid 3.1. aangegeven doeleinden.. Het bebouwingspercentage mag per bouwperceel niet meer bedragen dan hetgeen op de plankaart is aangegeven.

c. d. e.

f.

De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hetgeen op de plankaart is aangegeven. De afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens dient tenminste 5 meter te bedragen. Er moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte worden aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Onder parkeren en stallen van auto's is tevens begrepen het manoeuvreren t.b.v. parkeren of stallen. Er moet aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Onder laden en lossen is tevens begrepen het manoeuvreren t.b.v. laden en lossen.

3.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 15 meter bedragen, echter met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen, die maximaal 3 meter mag bedragen. 3.3. Gebruik. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik: a. voor wonen; b. voor de uitoefening van enige tak van handel inclusief detailhandel, nijverheid en dienstverlening anders dan volgens het bepaald in lid 3.1. van dit artikel is toegestaan.

Artikel 4: Bos 4.1. Doeleinden. a. De gronden op de plankaart aangewezen voor Bos zijn bestemd voor: natuur, bos en bebossing en groenvoorzieningen. b. De gronden zijn tevens bestemd voor: - voet - en fietspaden en verhardingen, alsmede ontsluitingswegen; - geluidwerende voorzieningen, waaronder wallen, schermen e.d. en objecten voor beeldende kunst. 4.2. Bebouwingsvoorschriften. 4.2.1. Gebouwen. a. b. c. d. Toegestaan zijn maximaal 2 gebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud. De oppervlakte van elk gebouw mag ten hoogste 30 meter bedragen. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter. De afstand van de gebouwen tot de bestemmingsgrens dient tenminste 5 meter te bedragen.

4.2.2. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 15 meter bedragen, echter met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen, die maximaal 3 meter mag bedragen. 4.3. Gebruik. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik: a. voor wonen; b. voor de uitoefening van enige tak van handel.

Artikel 5: Landelijk gebied Het bepaalde in artikel 8 van het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg vastgesteld bij besluit van de raad van 27 juni 1994 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bij besluit van 27 januari 1995 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6: Volkstuinen Het bepaalde in artikel 11 van het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg vastgesteld bij besluit van de raad van 27 juni 1994 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bij besluit van 27 januari 1995 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7: Verkeersdoeleinden Het bepaalde in artikel 5 van het bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg vastgesteld bij besluit van de raad van 27 juni 1994 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bij besluit van 27 januari 1995 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8: Gebruik 8.1. Gebruik van onbebouwde gronden Het is verboden de in dit plan begrepen gronden, voor zover en voor zolang zij onbebouwd blijven, te gebruiken voor doeleinden of op een wijze strijdig met de in het plan daaraan gegeven bestemming. 8.1.2. Hieronder wordt in ieder geval begrepen: a. het storten van puin en afvalstoffen; b. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan; c. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan; d. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens. Het bepaalde in 8.1.2 is niet van toepassing op: a. het storten van puin of andere materialen ter realisering en / of handhaving van de in het plan aangewezen bestemmingen; b. het normale onderhoud van de gronden; c. tijdelijke opslag, welke nodig is voor de realisering en / of handhaving van de in het plan aangewezen bestemmingen. 8.2. Gebruik van bouwwerken Het is verboden de in het plan begrepen bouwwerken te gebruiken voor doeleinden of op een wijze strijdig met de krachtens het plan gegeven bestemming, behoudens vrijstellingen die op grond van deze voorschriften zijn verleend. 8.3. Vrijstellingen Burgemeester en wethouders verlenen met inachtneming van de procedurevoorschriften in artikel 11 vrijstelling van het bepaalde in 8.1 en 8.2, indien strikte toepassing van het voorschrift zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 9: Algemene vrijstellingsbevoegdheid 9.1. Maten Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van een afwijking van de in het plan genoemde maten, afmetingen, aantallen, percentages e.d. met ten hoogste 10%. Deze vrijstelling wordt slechts verleend indien de met die vrijstelling te realiseren bebouwing in overeenstemming is met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden en indien er gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan. 9.2. Geringe afwijkingen bestemmingsvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan ten behoeve van het in geringe mate afwijken van een vastgesteld onderdeel van een grens of van de inrichting van een weg of de vorm van een plein en van de dienovereenkomstig vastgestelde vorm of grens van een bestemmingsvlak, deelvlak o.d., indien bij het definitief ontwerp, bij definitieve uitmeting o.d. blijkt dat enige afwijking in het belang van een behoorlijke bebouwing of inrichting is. 9.3. Afwijking maximale bouwhoogte erfafscheidingen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van de in artikel 3, onder 3.2.2. en artikel 4, onder 4.2.2. maximaal aangegeven bouwhoogte voor erfafscheidingen. 9.4. Bedrijfsactiviteiten Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van de procedurevoorschriften zoals bedoeld in artikel 11 bevoegd vrijstelling te verlenen van het plan ten aanzien van de toelaatbaarheid van activiteiten ten behoeve van: a. de uitoefening van een bedrijfsactiviteit in een lagere dan de toegelaten milieucategorie, echter niet lager dan milieucategorie 2; b. de uitoefening van een activiteit in een categorie die niet is toegestaan op het betreffende perceel, terwijl door of namens de aanvrager of andere betrokkenen aannemelijk wordt gemaakt dat de activiteit naar aard en omvang wel passend is, mits deze activiteit naar de aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de krachtens de bepalingen van dit plan ter plaatse toegelaten milieucategorie.

Artikel 10: Bepalingen betreffende nadere eisen 10.1. Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nader eisen te stellen ten aanzien van: a. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. de situering en afmetingen van groenvoorzieningen; c. de situering en afmetingen van bouwwerken geen gebouwen zijnde en andere werken ten behoeve van utiliteitsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzienigen en groenvoorzieningen; d. de situering en afmetingen van parkeergelegenheid, ook op eigen terrein; e. de situering van toegangswegen en -paden tot gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open erven. 10.2. De in 10.1. bedoelde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld met het oog op de voor de desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden en de wijze(n) waarop deze worden nagestreefd, de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open terreinen en/of ter waarborging van de stedebouwkundige kwaliteit, in relatie tot een specifieke verkaveling. 10.3. Bij het stellen van nadere eisen door burgemeester en wethouders worden de procedureregels als bedoeld in artikel 11 in acht genomen.

Artikel 11: Procedurevoorschriften 11.1. Procedurevoorschriften vrijstelling. 11.1.1 Het in dit lid bepaalde is van toepassing voorzover in de betreffende vrijstellingsbepaling naar dit voorschrift wordt verwezen. 11.1.2 Het voornemen tot het verlenen van vrijstelling ligt -zo veel mogelijk na gevoerd overleg met belanghebbenden- met bijbehorende stukken gedurende 14 dagen voor eenieder ter inzage. 11.1.3 Burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren in een of meerdere dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden. 11.1.4 De bekendmaking houdt de mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van de terinzagelegging schriftelijk zienswijzen tegen het voornemen in te dienen bij burgemeester en wethouders. 11.1.5 Burgemeester en wethouders nemen zo spoedig mogelijk een beslissing. Deze beslissing is, als tegen het voornemen zienswijzen zijn ingediend, met redenen omkleed. Zij delen hun beslissing mee aan degenen die zienswijzen hebben ingediend. 11.2. Procedurevoorschriften nadere eisen. 11.2.1 Het voornemen tot het stellen van nadere eisen ligt -zoveel mogelijk na gevoerd overleg met belanghebbenden- met bijbehorende stukken gedurende 14 dagen voor een ieder ter inzage. 11.2.2 Burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren in een of meerdere dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden. 11.2.3 De bekendmaking houdt de mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van de terinzagelegging schriftelijk zienswijzen tegen het voornemen in te dienen bij burgemeester en wethouders. 11.2.4 Burgemeester en wethouders nemen zo spoedig mogelijk een beslissing. Deze beslissing is, als tegen het voornemen zienswijzen zijn ingediend, met redenen omkleed. Zij delen hun beslissing mee aan degenen die zienswijzen hebben ingediend.

Artikel 12: Overgangsbepalingen 12.1. Bouwen Een bouwwerk, dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, danwel is of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend en dat afwijkt van het in dit plan -behoudens het in dit artikellid- bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mag, mits de bestaande afwijkingen ook naar aard niet worden vergroot en behoudens onteigening: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft; b. uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit is teniet gedaan, geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd, met in achtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse -behoudens in dit artikellid- zijn bepaald tenzij herbouw hierdoor niet zou zijn toegestaan en mits de aanvraag tot bouwvergunning is ingediend binnen 2 jaar nadat het bouwwerk teniet is gegaan; c. tot niet meer dan 115% van de oppervlakte van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse -behoudens in dit artikellid- zijn bepaald. 12.2. Vrijstelling algehele vernieuwing of verandering Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van de procedureregels zoals bedoeld in artikel 11 vrijstelling verlenen van het in onder 12.1. onder a bepaalde ten behoeve van een algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef van 12.1. bedoelde bouwwerk. 12.3. Gebruik Het gebruik van de gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in dit plan behoudens in dit artikellid- bepaalde en bestaat op het tijdstip, waarop het plan voor zover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik van kracht wordt, mag worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot. Dit is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het tot bedoeld tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat tot op 3 maanden voor dat tijdstip niet bestond.

Artikel 13: Strafbaarstellingsbepaling Overtreding van het bepaalde in artikel 8, lid 8.1. en lid 8.2. en artikel 12, lid 12.3. wordt aangemerkt als een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a, onder 2° van de Wet op de Economische Delicten.

Staat van bedrijfsactiviteiten.

Artikel 14: Titel Deze voorschriften kunnen worden aangehaald als de voorschriften van het bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven van de gemeente Tilburg.

Bijlagen: - voorschriften bestemmingsplan Vossenberg en Dongenseweg bestemmingen Landelijk gebied, Volkstuinen en Verkeersdoeleinden. - Staat van bedrijfsactiviteiten. - plankaart plangebied. - kaart nieuwe zone industrielawaai bedrijventerrein Kraaiven.

Vastgesteld bij besluit van de raad van,

Mij bekend, de griffier,