Beleidsdocument Economische Visie

stadsregio Rotterdam sector RWE december 2003

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Beleidsdocument Economische Visie stadsregio Rotterdam
Een van de taken van de stadsregio Rotterdam (SRR) is het opstellen van een regionaaleconomische visie op het stadsregionale gebied. De stadsregio heeft aan ECORYS – NEI de opdracht gegeven een samenhangend regionaal-economisch beleid te formuleren voor de stadsregio Rotterdam. Deze economische visie (NEI rapport) omvat allereerst een analyse van de economische structuur, waarin hoofd- en bijzaken worden onderscheiden en de ontwikkelingen van de afgelopen periode worden geanalyseerd. Vervolgens is de economische positionering van deze regio in Europees verband belicht aan de hand van internationale benchmarkstudies. Dit leidt tot de vaststelling van sterke en zwakke kanten met betrekking tot de internationale concurrentiepositie. Dit is aangevuld met interviews van deskundigen op deelgebieden en belangrijke policymakers in de regio. In dit beleidsdocument komen eerst de analyse resultaten van het NEI aan de orde, vervolgens de aanbevelingen van het NEI, daarna een kort overzicht van de meest recente ontwikkelingen en tenslotte de beleidsinzet voor de stadsregio. De resultaten van de NEI-Ecorys analyse De analyse van de economische structuur tot 2001 bracht zowel positieve als negatieve ontwikkelingen aan het licht: enerzijds: het HIC (haven en industrieel cluster) bleef de motor van de regionale economie, het marktklimaat werd als goed ervaren, de ontwikkeling van het bruto regionaal produkt (BRP) per hoofd van de bevolking lag iets hoger dan de landelijke groei, waardoor de relatieve achterstand kleiner werd; anderzijds: de werkgelegenheidsgroei bleef iets achter bij het nationaal gemiddelde en het leefklimaat werd als minder dan elders ervaren. Deze ontwikkelingen bevestigen het bekende beeld van de stadsregio: de productiviteitsontwikkeling ligt hoger dan de werkgelegenheidsontwikkeling. Dit is bedrijfseconomisch positief te waarderen. Regionaal-economisch betekent dit echter dat in de stadsregio het gegenereerde inkomen onvoldoende in de eigen regio beklijft en wordt omgezet in (verzorgende) werkgelegenheid. Binnen de stadsregio zijn Rotterdam en Schiedam de zorgenkindjes. Dit geldt voor zowel werkloosheid (respectievelijk 2 en 5% hoger) als inkomen (bijna 5% lager). Het overig deel van de stadsregio presteert op een met Nederland vergelijkbaar niveau. Het haven-industrieel complex (HIC) is met afstand het belangrijkste cluster van de regionale economie. Het HIC omvat ook activiteiten zoals Value Added Logistics, Randstaddistributie, shared service centres, assemblage etc. Het heeft bovendien een zeer sterke internationale oriëntatie. Tevens is er binnen de regio (inclusief Delft) een samenballing van kennis

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

2

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

en ervaring inzake de betrokken activiteiten. Daarmee is dit cluster ook een exponent van de kenniseconomie. Andere relatief goed vertegenwoordigde clusters, maar van geringere absolute omvang, zijn de agro-industrie, de milieudienstverlening, groot- en kleinhandel alsmede de zakelijke diensten. De zakelijke diensten richten zich sterk op de eigen regio. Hetzelfde geldt voor de bouw, die veel werk voor het HIC verricht. Samenvattend: De NEI conclusies dat deze regio achterblijft qua inkomens- en werkgelegenheidsgroei zijn niet nieuw, maar worden opnieuw bevestigd. Minder algemeen bekend zijn de NEI conclusies dat de regionale economie nog steeds zeer sterk aan de haven en het daarin aanwezige industriële complex is opgehangen en dat een groot deel van onze zakelijke dienstverlening en kenniseconomie daaraan gekoppeld is. Daarbuiten zijn er nog wel enkele andere stuwende sectoren, zoals de glastuinbouw, een stuk foodcluster, en een deel van de financiële en zakelijke dienstverlening dat landelijk opereert los van het HIC. Echter deze zijn kwantitatief toch vrij beperkt in omvang. Er moeten dan ook geen wonderen worden verwacht in die zin, dat de regio in de toekomst kan gaan omschakelen naar totaal andere stuwende sectoren. Het aantal arbeidsplaatsen op de haven- en bedrijventerreinen zelf is bij enkele bedrijfstakken niet opvallend hoog, maar de aldaar gegenereerde toegevoegde waarde en gepleegde investeringen vaak wel. De arbeidsplaatsontwikkeling wordt vaak gegenereerd in de begeleidende kantoor-activiteiten in de regio, evenals bij de toeleverde en afnemende bedrijven elders in de regio. Qua internationaal vestigingsmilieu wordt naar aanleiding van Europese benchmark-studies geconstateerd dat (naast te weinig ruimte en slechte bereikbaarheid) met name woningen, woonmilieus, natuurlijke omgeving en de geringe kwaliteit van het stedelijk centrum te wensen overlaten. Onze regio scoort wel positief op andere punten, zoals de beschikbare afzetmarkt, en een goed ondersteunend en toeleverend bedrijfsleven. Ook de bestaande kennisinfrastructuur scoort voldoende. Er is echter niet altijd voldoende personeel met de juiste opleiding. Belangrijk door het NEI genoemd knelpunt is verder het koopkrachtlek; dat wil zeggen mensen uit de stadsregio Rotterdam besteden te veel buiten de regio en mensen van elders te weinig hier; ook het niet kunnen vasthouden of aantrekken van hogere inkomensgroepen in de regio versterkt dit probleem. Door dit koopkrachtlek is het verzorgingseconomiedeel in onze regio kleiner dan elders en is met name het hoogwaardige deel hierin te beperkt. De werkeloosheidsproblematiek is onevenwichtig over de regio gespreid; er is een oververtegenwoordiging in Rotterdam en Schiedam. Beleidsaanbevelingen van het NEI De bovengenoemde conclusies leiden tot een aantal beleidsaanbevelingen van het NEI, die er toe moeten leiden dat de regio een inkomensniveau en werkgelegenheidsniveau krijgt dat meer naar het landelijk gemiddelde trekt.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

3

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Voor het creëren van meer werk moet langs twee lijnen gewerkt worden: 1. het stimuleren van groei van de stuwende activiteiten en; 2. het aantrekkelijker maken van de bedrijfsomgeving om de vestigingskans van nieuwe bedrijven te vergroten. Een belangrijke opgave bij het stimuleren van stuwende activiteiten ligt bij het verhogen van het marktgericht kenniselement van deze activiteiten. Hiervoor zijn de bestaande clusters, met het HIC als kern, het uitgangspunt. Meer in het bijzonder gaat het dan om het dichten van de missing links tussen bedrijfsleven en niet-commerciële kennisinstituten, inclusief de Technische Universiteit Delft. Inzake het verbeteren van de vestigingsvoorwaarden ligt er een drietal opgaven die prioriteit behoeven. 1. De eerste daarvan is het verhogen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Met name aan praktisch technisch geschoolden is een tekort. Het is daarom noodzakelijk de banden tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven te versterken. De schooluitval is vrij hoog, acties om schooluitval terug te dringen verdienen steun. Tenslotte dient de regio ook aantrekkelijker te worden als woonplek voor hoger opgeleiden. In de woonvisie liggen aanzetten hiervoor. In het Ruimtelijk plan regio Rotterdam (RR2020) dient hier rekening mee te worden gehouden. 2. Een tweede opgave ligt in het verbeteren van de bereikbaarheid over de weg. Ook geen nieuw geluid, maar noodzakelijker als nooit tevoren. Het bekende rijtje A13/A16, A4 MiddenDelfland en A4–Zuid, opheffen van de knelpunten op de A15 blijft maar op de plank liggen, terwijl de problemen groter worden. Het gaat evenwel niet alleen om de rijkswegen. Ook het onderliggend wegennet behoeft capaciteitsaanpassingen, al dan niet met behulp van moderne technologie. 3. De derde opgave ligt in het aanbieden van voldoende haven- en droog bedrijven-terrein. Op korte termijn moet circa 140 hectare droog bedrijventerrein op de markt gebracht worden. Tot 2010 is behoefte aan 530 hectare, terwijl na 2010 uiteraard de behoefte aan nieuw bedrijventerrein nog doorloopt. Dit is een opgave voor RR2020, waarbij voldoende reserveringen gemaakt moeten worden. De daadwerkelijke aanleg is uiteraard conform de economische ontwikkeling. Ook bij een directe snelle(re) ontwikkeling van bedrijventerreinen zal er voorlopig toch een situatie van schaarste blijven. Aanvullende oplossingen zijn daarom nodig. Dit zal een combinatie van de volgende opties zijn: selectief uitgiftebeleid; herstructurering; stofkamlocaties (inbreiden); regionaal samenwerken; intensief ruimtegebruik; park- en terreinmanagement. Dit is opgenomen in het regionaal actieplan bedrijventerreinen. Op onderdelen hiervan is de uitvoering reeds gestart. Voor het HIC (haven-industrieel complex) als economisch stuwende sector is de havenuitbreiding Maasvlakte II gepland, die zowel ruimte gaat bieden aan nieuwe bedrijven als een bijdrage levert aan het schuifproces bij modernisering van de bestaande havengebieden. Het beleid inzake glastuinbouw als één van de overige stuwende sectoren moet er op gericht zijn om vooral de activiteiten met hoge toegevoegde waarde en een sterke internationale positie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003 4

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

in dan wel nabij de regio te houden. Bedacht moet echter wel worden, dat de arbeidsplaatsendichtheid van een bedrijventerrein per hectare 10 tot 30 maal hoger ligt dan in de glastuinbouw, dus planning van glastuinbouw is niet wenselijk op plekken waar ook een regulier bedrijventerrein had kunnen komen. Door het grote ruimtebeslag en de lage arbeidsplaatsendichtheid kan planning van nieuwe glaslocaties in de knel komen op plekken met grote verstedelijkingsdruk zoals de Zuidplaspolder. Om die reden beveelt het NEI de Hoeksche Waard als alternatief voor de Zuidplaspolder aan. Deze voorkeur zou ook bij de glassector zelf bestaan. Om meer inkomen en bestedingskracht in de regio te genereren doet het NEI de volgende aanbevelingen voor een aantrekkelijker verblijfs- en woonomgeving: Het beleid om meer inkomen aan de regio te binden loopt, naast het inkomensgenerend vermogen van de stuwende activiteiten, via het creëren van een meer aantrekkelijke verblijfsomgeving (voor bezoekers) en een meer aantrekkelijke woonomgeving (voor hoger opgeleiden). De centrale stad en met name het centrum van de gemeente Rotterdam is onvoldoende aantrekkelijk / gezellig om bezoekers van buiten voor langere tijd vast te houden. Rijnmonders geven meer geld uit buiten de regio dan bezoekers in de regio. Daar waar Rotterdam erg goed is in het organiseren van festivals en evenementen, is de ‘toeristische basisinfrastructuur’ onvoldoende in vergelijking met andere regio's. Meer levendigheid in het stadscentrum is daarom noodzakelijk. Concreet voorstel hiervoor is bijvoorbeeld het ontwikkelen van woningen voor jongeren, studenten, artiesten etc. in het gebied Lijnbaan-Hoogstraat. Ook meer avondverkoop (kiosken) zou moeten worden gestimuleerd. Qua openluchtrecreatie en natuurlijke omgeving bezit de regio in de kust en eilanden in theorie een gebied dat landelijke kwaliteit kan hebben. Echter deze kust en eilanden hebben onvoldoende onderscheidende kwaliteit ten opzichte van soortgelijke bestemmingen in Nederland. Het verdient aanbeveling om gebruik te maken van de creativiteit en marktgerichtheid van ondernemers in de vrije tijdsector om te zoeken naar nieuwe impulsen en attracties. ‘Rijnmond’ heeft zeker buiten de regio een slecht imago als woongebied. Er zal daarom voldoende aanbod van woningen in relatie tot de vraag van hogere inkomens gerealiseerd moeten worden. De Woonvisie van de stadsregio biedt hiervoor goede inzichten en plannen. Deze zullen evenwel in kwantitatieve zin verder moeten worden uitgewerkt. Als complement van het wonen behoeft ook het groen in de omgeving de nodige aandacht. De natuurlijke omgeving van de regio scoort slecht. Dit is niet verrassend gegeven het karakter van de regio, die vrijwel uitsluitend uit landbouw- en weidegebieden bestaat, maar is ook niet iets om je bij neer te leggen. Het gaat dan met name om groenvoorzieningen van een landelijk onderscheidend karakter, dus geen “standaard groen”. In RR2020 kan dit nader uitgewerkt worden.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

5

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

In de benchmark scoort de regio slecht op woonvoorzieningen. Nadere analyse wijst uit dat dit met name het ‘betere’ winkelaanbod betreft, er zijn wel veel of zeker voldoende winkels, maar er is te weinig landelijk onderscheidend topaanbod. Ter vergelijking: de regio heeft wel het enige driesterren restaurant van Nederland, maar ontbeert voldoende winkels van ‘Parkheuvel niveau’. Dit is in eerste instantie een marktkwestie. Wel kan de overheid, regionaal afgestemd, nagaan waar en op welke wijze een meer hoogwaardige winkelbestand gerealiseerd kan worden. Tot zover de aanbevelingen van het NEI. Actuele stand van zaken Economie De NEI analyse baseert zich op cijfers tot ultimo 2001. Sinds dat moment is de economische toestand verslechterd. Dit leidt tot onderstaande aanvulling uit recente berichtgeving: Algemeen Economisch Beeld (conjunctuur) Dit was in 2002 al negatief. De omzetten in het bedrijfsleven in de regio zijn in 2002 met 0,6 % teruggelopen in plaats van gegroeid. Er waren lichtpuntjes; de overslagcijfers in de haven zijn licht toegenomen, dit lijkt een positief signaal, maar nog onbekend is wat hiervan de oorzaak is. Verder bleek onze economie minder gevoelig voor de ICT-crisis dan Amsterdam en Utrecht waardoor de problemen op de kantorenmarkt binnen de perken zijn gebleven in de regio Rotterdam. Werkgelegenheid In 2002 was er nog een kleine stijging van 1% van de werkgelegenheid, echter wel vooral gerealiseerd bij de overheid. De werkeloosheid steeg niettemin in 2002 al met 11.000 personen van 72.000 tot 83.000. Voor 2003 lijkt het er somberder uit te gaan zien. Per 1 augustus 2003 zijn er al 92.000 werkzoekende zonder baan. Als dit zo doorgroeit dan zou het totaal aan werklozen eind 2003 wel eens boven de 100.000 personen kunnen komen; en dat op een actieve beroepsbevolking van ruim 500.000 personen in de regio. Dat betekent dat er tijdig maatregelen genomen moeten worden; zoals maatregelen voor de opvang schoolverlaters. Uitgifte van bedrijventerreinen Dit beeld is somber. Werd er in het verleden gemiddeld meer dan 50 hectare per jaar uitgegeven in de regio Rotterdam; momenteel is dit gezakt naar minder dan 20 hectare per jaar. Daar is een hoofdoorzaak voor en dat is dat er überhaupt nauwelijks uitgeefbaar terrein is in de regio. Geschat mag worden dat er de afgelopen 4 jaar in totaal ongeveer 100 hectare te weinig is uitgegeven. Het verlies aan banen dat hierdoor de laatste 4 jaar is ontstaan, moet ruwweg geschat worden op 5.000 direct op de bedrijventerreinen en mogelijk ook nog 5.000 aan indirecte banen, ondermeer in de bijbehorende kantoorfuncties. Het laatste jaar versterkt ook de teruglopende conjunctuur dit probleem. Momenteel hebben veel minder bedrijven uitbreidingsplannen, of wachten zij af vanwege de onzekere economische vooruitzichten. De algemene conclusie is dat op dit moment de werkeloosheid rap toeneemt door groei van de beroepsbevolking en stagnerende of mogelijk zelfs afnemende banengroei. Dit heeft uiteraard een belangrijke conjuncturele oorzaak, maar negatieve vestigingsplaatsfactoren en een tekort aan bedrijventerrein versterken dit nog. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003 6

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De Stadsregionale beleidsinzet c.q. maatregelen ter uitvoering van de aanbevelingen uit de economische visie Vooraf dient geconstateerd dat de stadsregio als orgaan weinig bevoegdheden heeft op het werkveld economie en ook geen subsidiestromen beheert. Dat wil zeggen dat zij vooral functioneert als samenwerkingsorgaan, dat gemeenschappelijke standpunten probeert te bereiken, waardoor gemeentelijk beleid op regionaal schaalniveau onderling wordt afgestemd en gecommuniceerd met hoger overheden. Daarnaast speelt de stadsregio een coördinerende adviserende en initiërende rol op het gebied van de economie. Het vergroten van het aanbod aan nieuwe terreinen In het programma ruimte voor bedrijven (actieplan bedrijventerreinen) is dit ondergebracht. Vanuit de regio wordt aan provincie en rijk gevraagd in hun ruimtelijke plannen voldoende ruimte voor bedrijventerreinen te realiseren. Speerpunten van regionale zijde zijn de wens overloopruimte voor de stadsregionale bedrijventerreinvraag in de Hoeksche waard en Zuidplaspolder op te nemen. Verder is in 2000 een communicatieactie met Ton Planken gehouden richting gemeenten teneinde de urgentie van de aanleg van nieuwe terreinen te onderstrepen met onder meer het verzoek de aanleg van planologisch reeds aangewezen terreinen te versnellen. Echter ook als nu direct actie wordt ondernomen om nieuwe terreinen te realiseren, zal dit geruime tijd in beslag nemen. Aanvullende oplossingen zijn daarom nodig. Dit zal een combinatie van de volgende opties zijn: selectief uitgiftebeleid; herstructurering; zoeken naar stofkamlocaties (inbreiden); meer regionaal samenwerken; intensief ruimtegebruik; parkmanagement. Dit is opgenomen in het lopende regionaal actieplan bedrijventerreinen. Op onderdelen hiervan is uitvoering reeds gestart. De herstructurering van de oude terreinen De problematiek is reeds via stadsregionaal onderzoek in 2002 in beeld gebracht. Voorstellen voor prioritering binnen de uitvoering zijn gereed voor behandeling in het REO (Regionaal Economisch Overleg) (ETIN onderzoek). Herstructurering van bedrijventerreinen is echter een heel kostbaar en arbeidsintensief proces. Ondanks de bestaande subsidiëringsinspanningen van rijk en provincie voor herstructurering is nog maar voor een beperkt deel van de voorgenomen herstructureringsinspanning financiële dekking voorzien. In REO verband zal gepoogd worden een door de gemeenten aangedragen pilotproject meer uitvoeringsgereed te krijgen. Gedacht wordt aan een project met complexe problematiek, dat als praktijkcase kan dienen voor het meer praktijk gericht bijstellen van subsidiering en regelgeving. Een bijkomend aandachtspunt is dat per jaar ongeveer 14 hectare bedrijventerrein naar andere functies, veelal wonen, wordt omgezet. Aanbevolen wordt deze omzetting van bedrijventerrein naar woningbouw te beperken, zolang die niet door voldoende extra nieuw terreinaanbod wordt gecompenseerd. Dit punt ware mee te nemen bij de herstructureringsprogramma’s en RR2020. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003 7

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Meer stuwende bedrijvigheid Naast het verruimen van het uitgeefbare terreinaanbod wordt, vanwege de terreinschaarste binnen de stadsregio, gewerkt met het regionaal afgesproken selectief uitgiftebeleid (als onderdeel van het actieplan ruimte voor bedrijven) waarbij onder meer stuwende bedrijven voorrang dienen te krijgen. Intensief ruimtegebruik Dit is als selectiecriterium in het regionale selectief uitgiftebeleid opgenomen. Ook in de economische Decor (Duurzaam Economisch Ruimtegebruik) subsidiering van de Provincie Zuid Holland is intensief ruimtegebruik als criterium actief. Verder is dit ook een thema voor de R.O. sector, om het thema intensief ruimtegebruik in ontwerpen en bijbehorende bestemmingplannen mee te nemen. Kenniseconomie Kenniseconomie is een vrij breed begrip, waar veel onder kan vallen. Bij de recente Rijksbegroting wordt hier aandacht aan geschonken door aangekondigde maatregelen ten aanzien van vergroting van het aantal bètastudenten, stimulering technostarters, stimulering van biotechnologie, ICT en energiebesparingsonderzoek, verbetering relatie bedrijfsleven/onderwijs, opstelling ICT agenda met actie breedband. Vanuit de Provincie Zuid Holland is het initiatief Kennisalliantie opgestart, dat zich ondermeer richt op het sectorsgewijs koppelen van bedrijven en kennisinstituties. Verder wordt als concreet project binnen gemeente Rotterdam gedacht aan het opzetten van technocenters c.q. kenniscentra door de overheid, tezamen met de betrokken partijen. In de kennisalliantie is ook het thema “verhogen van het opleidingsniveau” ondergebracht. Als deze programma's van Rijk, provincie en gemeente Rotterdam concreter zijn geworden kan de rol van de stadsregio nader worden geformuleerd. Een ander aspect van kenniseconomie is het verbeteren van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. De stadsregio is betrokken bij de hieronder genoemde acties met de Regionale opleidingscentra (ROC’s) en het Openbaar Lichaam voor Volwasseneneducatie en scholing Rijnmond (OLIVER) in het kader van de arbeidsmarkt.

Arbeidsmarktbeleid Het creëren en accommoderen van economische groei en daardoor creatie van nieuwe banen is één kant; het laten aansluiten van het arbeidspotentieel hierop is de andere kant. De stadsregio vervult een (bescheiden) rol in toeleiding naar de arbeidsmarkt en de afstemming tussen werkgelegenheid en scholing, (werkprogramma makelen en schakelen). In de praktijk is dit het bijeenbrengen van partijen, trachten gezamenlijk op te trekken, etc. De stadsregio maakt onder meer deel uit van het platform arbeidsmarkt Rijnmond. Hierin fungeert een kernteam (tripartite samengesteld: gemeenten, werkgevers, werknemers en onderwijs) dat de jeugdwerkloosheid tot probleem no. 1 heeft benoemd en daarvoor onorthodoxe oplossingen bedenkt. Dit in nauwe aansluiting op het landelijk offensief om de jeugdwerkloosheid te bestrijden (Prinsjesdagplannen).

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

8

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

De stadsregio is betrokken bij een aantal projecten die de toegang tot de arbeidsmarkt en aansluiting onderwijs/arbeidsmarkt beogen te verbeteren. Kennis delen is hierbij een belangrijk element. Enkele voorbeelden: Spijkenisse: methodiek om nietuitkeringsgerechtigden weer aan de slag te krijgen; Capelle aan den IJssel: methodiekontwikkeling om 'lastige' groepen op de arbeidsmarkt te krijgen en te behouden. Ook wordt ondersteuning gegeven aan kansrijke initiatieven, zoals publicitaire steun aan het vacatureoffensief van het Centrum Werk en Inkomen (CWI) en SMS-jobs. De stadsregio is daarnaast ook in gesprek met de Regionale Opleidingscentra (ROC's) en ondersteunt hen in het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. Dit door de betrokkenheid bij OLIVER (behalen van startkwalificaties voor uitvallers of tweede-kansers in Algemeen Voortgezet Onderwijs) en de initiatieven van met name het Albeda college om 'uitgevallen' leerlingen weer op het opleidingenspoor te krijgen (veelal door duale trajecten van werken en leren). Het in het voorgenomen rijksbeleid aangekondigde streven om ouderen langer te laten doorwerken om budgettaire problemen in de oude dagvoorzieningen te voorkomen, lijkt in het huidige tijdsgewricht wel op gespannen voet te staan met de noodzaak meer banen te creëren of vrij te krijgen. Daar staat tegenover dat er ook projecten worden voorzien, waarbij juist de ervaring van ouderen benut wordt door hen als coach in te zetten om jongeren te helpen bij hun eerste schreden in het arbeidsproces. Ook leeftijdsbewust loopbaanbeleid is een mogelijkheid om de kennis die bij oudere werknemers zit, niet verloren te laten gaan. De stadsregio ondersteunt een conferentie over dit onderwerp. De regio als aantrekkelijker woonplek In de regionale woonvisie zijn hiervoor al inhoudelijke aanzetten gegeven met voorbeelden voor nieuwe aantrekkelijke woonmilieus. Het RR2020 dient voldoende ruimte en mogelijkheden te bieden voor de realisatie van de ontbrekende aantallen aantrekkelijke woningen en woonmilieus, uitgewerkt naar kwaliteiten. Geconstateerd wordt dat de kwaliteit van natuur en landschap in de regio achterblijft bij die van de rest van Nederland. Die constatering is ook in de regio zelf gedaan. Mede met het oog op het versterken van die kwaliteit wordt nu het Regionaal Groenblauw Structuur Plan 2 (RGSP2) ontwikkeld. Daarin wordt een visie op de groenblauwe structuur, als onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit van de regio, ontwikkeld. Tevens worden daarin de prioriteiten voor de komende periode vastgesteld en wordt het geheel voorzien van een uitvoeringsprogramma. Alles tezamen vormt één van de bouwstenen voor het ruimtelijk plan van de regio, het RR2020. Van groot belang is het creëren van voldoende recreatieve mogelijkheden in de directe nabijheid van de stad. De ontwikkeling van de drie regioparken IJsselmonde, Delfland en de Rottemeren moet hierin voorzien. Deze gebieden moeten beschikken over voldoende recreatieve opvangcapaciteit en moeten goed toegankelijk en bereikbaar zijn vanuit het stedelijk gebeid. Daarnaast is versterking van het groenblauwe karakter van het eiland van Voorne-Putten van belang, gezien de toenemende recreatieve en stedelijke druk op dit gebied. Koppeling met de wateropgave, evenals met opgaven voor landelijk wonen en werken, biedt kansen voor realisering van een sterke regionale groenblauwe structuur.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

9

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Verbeteren van de bereikbaarheid De boogde verbetering van de bereikbaarheid over de weg is opgenomen in het Ontwerp Regionaal Verkeers- en Vervoersplan (RVVP). Met de uitvoering van de benodigde grote infrastructuurprojecten is veel tijd gemoeid, terwijl van veel projecten de financiering nog niet is zeker gesteld. Het is daarom noodzakelijk om op korte termijn maatregelen te nemen om het bestaande wegsysteem (zowel rijkswegen, maar met name ook het onderliggend wegennet) beter te benutten en waar mogelijk snel uit te voeren verbeteringen aan te brengen. Op diverse plaatsen in de regio (bijvoorbeeld de Hartelcorridor en de N209) wordt al op die manier gewerkt. Tevens wordt gepoogd om de samenwerking tussen de wegbeheerders te verstevigen om met diverse middelen, zoals dynamisch verkeersmanagement, de bestaande infrastructuur beter te benutten. Het door de regio ondersteunde project vervoersmanagement op bedrijventerreinen kan verlichting geven indien dit ook voldoende door de ondernemers wordt opgepikt. In de Regioraad van 17 december 2003 is besloten: 1 2 de economische visie vast te stellen het regionaal Actieplan Bedrijventerreinen voort te zetten met het accent op de volgende onderdelen: 3 versnelde ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen; aanpak herstructurering bedrijventerreinen; streven naar meer planologische reserveringen voor bedrijventerreinen; selectief uitgiftebeleid op bedrijventerreinen; streven naar regionale samenwerking bij aanpak bedrijventerreinen. de economische visie vast te stellen als input voor RR2020, RGSPII en uitwerking RVVP. Dit betreft de na te streven punten: voldoende bedrijventerrein; omzetting van bedrijventerrein naar woningbouw alleen bij voldoende compensatie; voldoende woonlocaties voor hoogwaardig wonen; planning van enkele landelijk onderscheidende natuurlijke milieus; korte termijn maatregelen voor meer capaciteit op bestaande rijkswegen en onderliggend wegennet.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------Economische Visie / december 2003

10