Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Actualisatie 2004: monitoring uitgifte- en voorraadontwikkeling periode 1997-2003

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL
Actualisatie 2004: monitoring uitgifte- en voorraadontwikkeling periode 1997-2003

September 2004

Colofon
Uitgave: Provincie Limburg Afdeling EIT Bezoekadres: Limburglaan 10 Correspondentieadres: Postbus 5700 6202 MA Maastricht Telefoon: 043-3899999 Fax: 043-3618099 Contactpersoon: drs. R.J.P.J.B. Creemers Telefoon: 043-3897315 E-mail adres: rjpjb.creemers@prvlimburg.nl Foto’s: Karen Beckers Fotografie Grafische vormgeving: Peter Soudant (Vormaat) Druk: Provincie Limburg

2

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Inhoud

1.

Inleiding

5

2. 2.1. 2.2.

Waarom deze voortgangsrapportage Uitgangspunten van beleid Monitoring: wat en waarom?

7 7 9

3.

Conclusies actualisatie 2003

10

4. 4.1. 4.2. 4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.2.5.

Actualisatie 2004 Het algemene beeld voor Limburg Consequenties per regio Zuid-Limburg Midden-Limburg Noord-Limburg Landelijk gebied Conclusies Kaart 1: Nog te realiseren bedrijventerreinen 2005-2010

11 11 12 12 16 19 22 25 26

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4.

In gesprek met de regio Inleiding Terugblik regiogesprekken en regionale agenda Voortgangsrapportage 2003 Efficiënte uitvoering bedrijventerreinenbeleid per regio REBIS op internet

27 27 27 30 31

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

3

4

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Inleiding

1

Het coalitieakkoord 2003-2007 “Limburg verlegt grenzen” zet in op een vijftal thema’s. Eén van die thema’s is “Ondernemend Limburg”. Dat thema bestaat uit een drietal actieprogramma’s, waarvan één het actieprogramma “bereikbaarheid en ruimte voor dynamische ondernemers” is. Dit programma zet onder andere in op revitalisering van bestaande en realisatie van nieuwe bedrijventerreinen. Voor wat betreft de realisatie van nieuwe bedrijventerreinen borduurt het nieuwe coalitieakkoord voort op de planningsopgaven en strategische reserves zoals die zijn verankerd in het Provinciale Omgevingsplan Limburg (POL, juni 2001). Om een beeld te schetsen voor gemeenten, regio’s en Provinciale Staten stelt Gedeputeerde Staten van Limburg deze voortgangsrapportage op. Immers revitalisering van bestaande en realisatie van nieuwe bedrijventerreinen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten/regio’s en provincie. Provincie formuleert taakstellingen, de planningsopgaven (PO) en de strategische reserves (SR) die, in dit geval tot 2010, voldoende ruimte moeten opleveren voor die dynamische ondernemers. In een aantal grote nieuwe bedrijventerreinen (in prioritaire provinciaal economische kerngebieden) participeert de provincie zelf in de planontwikkeling. Voor het overige beziet de provincie in samenspraak met regio’s en gemeenten hoe voor de resterende planningsopgaven en strategische reserves voldoende en adequate locaties kunnen worden aangewezen. De uiteindelijke realisatie van een nieuw bedrijventerrein is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende gemeente, die via het bestemmingsplan, aanleg van het terrein en het al dan niet uitbesteden van de exploitatie, zorgdraagt dat de ruimte ook daadwerkelijk beschikbaar komt voor ondernemers. Om de voortgang in die uitvoering te kunnen beoordelen is monitoring noodzakelijk. Nadrukkelijk stelt het coalitieakkoord dan ook dat realisatie van planningsopgaven en daaraan gekoppeld het al of niet inzetten van strategische reserves jaarlijks in beeld dient te worden gebracht. Dit laatste is essentieel omdat de provincie, na samenspraak met gemeenten, uiteindelijk het besluit dient te nemen strategische reserves ook daadwerkelijk in te zetten. Gedeputeerde Staten dienen dit besluit tevens te melden aan Provinciale Staten.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

5

Voor die monitoring hebben wij het systeem REBIS (Regionaal Economisch Bedrijventerreinen InformatieSysteem) ontwikkeld. REBIS geeft ons een beeld van de feitelijke vraag- en aanbodontwikkelingen op de bedrijventerreinenmarkt van Limburg. Deze (geografische) databank, gebaseerd op bedrijventerreineninformatie die door de gemeenten zelf wordt aangeleverd, verschaft ons het basismateriaal om te kunnen bezien of wij met de uitvoering van ons bedrijventerreinenbeleid op de goede weg zitten. In 2002 is een eerste “voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinen POL” opgesteld door de provincie Limburg. Deze was gebaseerd op de geregistreerde ontwikkelingen ten aanzien van de bedrijventerreinen over de periode vanaf 1997. Na een actualisatie 2003 brengt de provincie Limburg nu de actualisatie 2004 uit van die voortgangsrapportage. Primaire doel van een dergelijke actualisatie is te bezien of de conclusies van de vorige voortgangsrapportages bijstelling behoeven. De volgende vraagstellingen staan centraal: 1. Hoe is het gesteld met de uitvoering van de resterende planningsopgaven in de regio’s? Hectares zullen moeten worden omgezet in concrete plannen en projecten. In deze actualisatie gaan we met name in op de initiatieven in de regio die invulling (kunnen) geven aan die resterende planningsopgave. Dit correspondeert met de opgaven zoals opgenomen in het thema “Ondernemend Limburg” van het coalitieakkoord. 2. Wanneer dient in een regio de strategische reserve te worden ingezet? Iedere voortgangsrapportage maken we op basis van de meest recente uitgifte- en voorraadgegevens, gerelateerd aan langjarige ervaringsgegevens, een inschatting of de bestaande voorraad en de nog te realiseren planningsopgaven adequaat zijn om in 2010 voldoende voorraad aan bedrijventerreinen in Limburg te hebben. Is dat niet het geval dan geven wij concreet het jaartal aan wanneer inzetten van strategische reserves noodzakelijk kan zijn. Naast de check of de conclusies over de uitvoering per regio van de vorige voortgangsrapportage nog steeds gelden, gaat deze actualisatie 2004 ook in op hoe wij willen omgaan met die conclusies, hoe te komen tot een efficiëntere uitvoering van het bedrijventerreinenbeleid per regio en welke ideëen er zijn over ontsluiting van bedrijventerreimgegevens. Hiermee wordt een directe link gelegd met het thema “Ondernemend Limburg” van ons coalitieakkoord.

6

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Waarom deze voortgangsrapportage
2.1. Uitgangspunten van beleid

2

Het economisch beleid in het coalitieakkoord gaat voor de komende periode uit van selectieve vernieuwing. Vernieuwing gebaseerd op dynamisch ondernemerschap, dat zich met minder regels geconfronteerd zal weten. Dat beleid is geconcretiseerd in een drietal actieprogramma’s, waarbij het eerst programma inzet op een omslag van een traditionele naar een meer kennis gedreven industriële economie onder het motto “Limburg, technologische topregio”. Het tweede actieprogramma poogt aan die vernieuwing invulling te geven aan hand van de thema’s senioren-economie en toerisme. Dat betekent invulling geven aan de kansen die de toename van het aantal ouderen biedt en op zoek gaan naar nieuwe product-markt-combinaties in de toeristische bedrijfskolom. Het derde actieprogramma wil die vernieuwing stimuleren door meer ruimte te bieden voor dynamische ondernemers. Dit dient ten dele letterlijk te worden opgevat door zorg te dragen voor nieuwe en (ver)beter(d)e bedrijventerreinen, die vernieuwend (duurzamer) worden ingericht en beheerd (parkmanagement). Dit laatste actieprogramma borduurt voort op de uitgangspunten van de bedrijventerreinenstrategie, zoals die is vastgelegd in POL (juni 2001). Concreet luiden die uitgangspunten van het bedrijventerreinenbeleid: • Wij streven naar een marktgericht aanbod van bedrijventerreinen. Dit betekent dat wij tijdig moeten voorzien in voldoende voorraad aan bedrijventerreinen. Wij hebben bewust gekozen voor een lange termijn planning van bedrijventerreinen. - Immers het creëren van nieuw aanbod door de aanleg van nieuwe terreinen heeft, vanwege alle procedures die doorlopen moeten worden, een voorbereidingstijd van circa 7 jaar. Tijdig zal gestart moeten worden met de procedures om de feitelijke ingebruikname van de bedrijventerreinen mogelijk te maken op het moment dat het geboden is. - Bij de berekening van de vraag naar bedrijventerreinen zijn wij uitgegaan van een gemiddelde uitgifte. De ervaring leert dat de vraag naar bedrijventerreinen een grillig verloop laat zien. Perioden met een hoge uitgifte worden afgewisseld met perioden met een lage uitgifte. Door uit te gaan van een langere periode vallen beiden tegen elkaar weg. - Zoals eerder gesteld kan het aanbod zich maar in beperkte mate aanpassen aan korte termijn fluctuaties in de vraag. Dit willen wij ondervangen door voor een langere termijn over voldoende aanbod te beschikken. Vandaar ook dat wij de planning zo ingericht hebben dat wij in 2010 nog over een voorraad beschikken van vijfmaal de gemiddelde uitgifte per regio en per segment (de ijzeren voorraad). • Het kwaliteitsaspect van de bedrijventerreinen speelt een belangrijke rol in ons beleid. Immers bedrijven stellen voor wat betreft hun bedrijfsvoering verschillende kwaliteitseisen aan bedrijventerreinen op het gebied van ligging, bereikbaarheid, milieuruimte en uitstraling. Daarom hebben wij het aanbod van bedrijventerreinen in de diverse regio’s ingedeeld in een aantal categorieën, deels onderverdeeld in segmenten. Onderstaande indeling sluit aan bij een typering van soorten bedrijventerreinen die het Ministerie van Economische Zaken heeft ontwikkeld in het kader van het nationale ruimtelijk-economisch beleid. - stedelijke terreinen hebben een functie voor bedrijven die gebonden zijn aan de steden: de segmenten bedrijvenpark en modern gemengd. Het betreft terreinen voor kleinschalige en middelgrote bedrijven. Voor het segment modern gemengd ligt de nadruk op functionaliteit, terwijl voor bedrijvenparken het accent ligt op een hoog waardige verschijningsvorm qua inrichting en voorzieningen. - logistiek/industriële terreinen: op deze terreinen vestigen zich transport- en distributiebedrijven èn grote produktiebedrijven. Gezamenlijk kenmerk van beide typen bedrijvigheid is de vervoersintensiteit die ze oproepen. Voor het segment transport en distributie is de directe ontsluiting op de autosnelweg essentieel. Voor het segment gemengd plus is daarnaast ook de beschikbaarheid van milieuruimte van essentieel belang. - functiespecifieke terreinen: dit zijn terrreinen die geografisch gebonden zijn aan bestaande economische

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

7

clusters in de regio (zoals de automotive, chemie, luchthaven e.d.). - lokale en regionaal verzorgende verzamelterreinen: dit zijn terreinen voor de opvang van kleinschalige- en middelgrote bedrijven in het landelijk gebied. • Op basis van behoefteramingen voor de lange termijn (1997-2015) hebben wij de tekorten voor de verschillende categorieën bedrijventerreinen berekend. Deze tekorten zijn berekend door de vraag naar bedrijventerreinen te verminderen met het aanbod. Het aanbod bestaat uit de reeds beschikbare voorraad en de bekende plannen voor terreinen die binnen een termijn van vijf jaar op de markt komen. Voor het vaststellen van het aanbod per 1-1-1997 hebben wij gebruik gemaakt van de door de gemeenten aangeleverde aanbodgegevens (input REBIS). In 2002 hebben we een uitgebreide actualisatie daarvan gemaakt. • Bij het vaststellen van de tekorten hebben wij gewerkt met een marge. In ieder geval is per categorie bedrijventerrein per regio en per stedelijk gebied het tekort uitgedrukt in een planningsopgave. Als marge houden wij een strategische reserve achter de hand die wij kunnen inzetten, indien na realisering van de planningsopgave er toch nog sprake is van een tekort. Bij het eventueel inzetten van een strategische reserve zal ook gekeken worden naar de mogelijkheden die ontstaan, of de voorafgaande jaren reeds zijn ontstaan, als gevolg van revitalisering en herontwikkeling van reeds bestaand aanbod. • Voor het realiseren van grootschalige nieuwe terreinen, neemt de provincie de regie om te komen tot die grootschalige planontwikkeling (St. Joost, MAA-Oost). • In alle gevallen zal nadrukkelijk worden ingezet op revitalisering van bestaande bedrijventerreinen. Dit is ook een speerpunt in het derde economisch actieprogramma “Ruimte voor dynamische ondernemers” als onderdeel van thema Ondernemend Limburg uit het coalitie-akkoord. Een aantal bedrijventerreinen voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Voor een deel verhuizen de bedrijven daarom naar betere locaties, waardoor de betreffende bedrijventerreinen in een neergaande spiraal terecht komen. Door revitaliseringsprojecten willen wij dit proces doorbreken zodat de verhuisgeneigdheid van bedrijven in de toekomst afneemt. Hierdoor kan op termijn de claim op nieuwe ruimte worden teruggedrongen. Echter, daar waar mogelijk zullen wij ook via revitalisering ruimtewinst op korte termijn proberen te boeken door het herontwikkelen van leegstaande kavels op deze terreinen. Bij het al dan niet inzetten van de strategische reserve zullen wij nadrukkelijk de resultaten van revitalisering betrekken. • Om te voorkomen dat wij in de toekomst wederom voor een revitaliseringsopgave staan, zullen wij een actief beleid voeren om bedrijventerreinen duurzaam te ontwikkelen en het beheer van bedrijventerreinen goed te regelen. Daarmee kan het kwaliteitsniveau van de terreinen voor de toekomst gewaarborgd worden. Ook hierin voorziet thema Ondernemend Limburg via de aanpak parkmanagement.

8

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

2.2. Monitoring: wat en waarom?
Om de lange termijn planning voor stedelijke en logistiek/industriële terreinen te halen zijn de gemeenten aan zet om de planningsopgave in bestemmingsplannen te regelen en locaties aan te wijzen die achter de hand gehouden kunnen worden als strategische reserve. In onze strategie voor bedrijventerreinen is een expliciet onderscheid gemaakt v.w.b. de logistiek/industriële terreinen: de planningsopgave en de strategische reserve van het segment “transport en distributie” respectievelijk het segment “gemengd plus” binnen deze categorie zijn niet altijd uitwisselbaar. Dit heeft te maken met de vestigingsmogelijkheden op potentiële locaties voor deze segmenten. Niet alle locaties hebben de ruimtelijke mogelijkheden om beide segmenten te huisvesten. Beide segmenten zullen dan ook apart in beeld worden gebracht. De volgende vragen achten wij van belang om een goed beeld te krijgen van de voortgang van ons beleid: 1. 2. 3. In hoeverre is de planningsopgave al geregeld in bestemmingsplannen en zijn locaties aangewezen als strategische reserve? Hoe is de uitgifte geweest voor de verschillende categorieën bedrijventerreinen? Wijkt de feitelijke uitgifte af van de prognose, in welke richting en waarom?

Indien de uitgifte hoger is geweest: Zijn restcapaciteit + planningsopgave nog voldoende om in 2010 over de ijzeren voorraad te kunnen beschikken Voortgang plannen/projecten nieuwe bedrijventerreinen

Indien de uitgifte lager is geweest: Oorzaak van de lagere uitgifte? te beperkt aanbod/verdringing Voortgang plannen/projecten nieuwe bedrijventerreinen

Wel/geen strategische reserve inzetten? Termijn?

Consequenties voor het gevoerde beleid? flexibiliteit segmenten/temporisering

De bedoeling van monitoring is tweërlei. Naast het informeren van Provinciale Staten, gemeentebesturen en marktpartijen over de samenhang tussen de gerealiseerde vraagontwikkeling (=uitgifte) en de aanbodontwikkeling, is het daarnaast de bedoeling vanuit die analyse een systematiek te ontwikkelen die de uitvoeringsgerichtheid van het bedrijventerreinenbeleid verder gestalte kan geven. Het definiëren van een taakstelling richting gemeenten/regio’s voor nieuwe bedrijventerreinen “an sich” is niet voldoende. Wil je als provincie dat planningsopgaven en strategische reserves ook daadwerkelijk worden geëffectueerd zul je niet alleen de voortgang in beeld moeten brengen via dit soort rapportages, maar ook de resultaten en de consequenties daarvan moeten communiceren met de uitvoeringspartners en afspraken maken hoe hiermee om te gaan (gemeenten en andere terreinbeheerders). Met de eerste rapportage in 2002 hebben we al ingezet op het intern en extern informeren van partijen en het ontwerpen van een systematiek. Aanvankelijk zijn alleen op ambtelijk niveau gesprekken gevoerd met gemeenten, waarin op de urgentie van knelpunten is gewezen. Om op korte termijn ook die actie te zien welke de knelpunten vereisen, zijn er naderhand ook bestuurlijke signalen afgegeven. Via de systematiek van bestuurlijke signalering en ambtelijke gesprekken over de voortgangsrapportages willen we in samenspraak en/of coöperatie met gemeenten bereiken dat de opgaven ook daadwerkelijk en tijdig worden gerealiseerd.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

9

Conclusies actualisatie 2003
het niveau van de 100 ha

3

Uit de actualisatie van het vorig jaar over de periode 1997 tot en met 2002 kwam het volgende beeld naar voren: • 2002 duidelijk lagere uitgifte (76 ha) in vergelijking met de laatste jaren; sinds 1994 voor het eerst weer onder • door hoge uitgiften van de voorafgaande jaren, nog ruim een kwart meer uitgegeven in vergelijking met de prognose; daardoor extra ingeteerd op de beschikbare voorraad in de periode 1997 t/m 2002 • 90% jaarlijkse verkochte kavels gaan naar uitbreidingen dan wel naar regionale/locale verplaatsingen • continu beschikbare ruimte op bedrijventerreinen leidt steeds meer tot clustering van bedrijfsmatige activiteiten op deze specifiek daarvoor ingerichte locaties • deel van de planningsopgave POL is al geregeld in bestemmingsplannen • grote voortvarendheid gemeenten nodig om volledige planningsopgave POL te concretiseren in bestemmingsplannen • idem voor het aanwijzen van locaties als strategische reserve • in sommige regio’s zal voor bepaalde segmenten de planningsopgave van POL onvoldoende zijn om in 2010 uit te komen op het niveau van de ijzeren voorraad; dit betekent dat op enig moment vóór 2010 dan strategische reserves moeten worden ingezet; per regio leidt dat tot volgende conclusies: - Sittard-Geleen stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2006) - Parkstad stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2008) - Maastricht geen strategische reserves nodig tot 2010, wel noodzaak direct uitgeefbaar maken terrein Maastricht-Eijsden i.v.m. inhaalvraag - regio-opgave Zuid-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen: “gemengd plus” geen strategische reserves nodig tot 2010, wel mogelijk inzetten strategische reserve voor “transport en distributie” (2009) - Weert stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2009) - Roermond stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2009) - regio-opgave Midden-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen geen strategische reserves nodig tot 2010 - Venray stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2008) - Venlo geen strategische reserves aan de orde, wel compensatie voor intrekken van een geplande uitbreiding van ca. 30 ha - regio-opgave Noord-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen geen strategische reserves nodig tot 2010, wel voortvarendheid gewenst bij het realiseren van de planningsopgave voor het segment transport en distributie

10

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Actualisatie 2004

4

4.1. Het algemene beeld voor Limburg
In vergelijking met de groeiperiode 1997-2001 is vanaf 2002, als gevolg van de ingezette conjunctuurteruggang, de uitgifte fors teruggevallen. De ingezette daling van de grondverkopen heeft zich in 2003 versterkt doorgezet. Na een uitgifte in 2002 van ruim 76 ha liep dit cijfer in 2003 terug naar 49 ha aan verkochte bedrijfskavels. Sinds 1987 is de uitgifte van bedrijventerreinen in Limburg niet meer zo laag geweest. Het uitgiftecijfer van 49 ha ligt ruim 50% onder het langjarig gemiddelde (105 ha) en in vergelijking met de hoogconjunctuur van de jaren 1997 tot en met 2001, toen de gemiddelde uitgifte zo’n 120 ha per jaar bedroeg, is die daling zelfs 60%. De verwachting is wel dat het uitgifteniveau niet verder zal dalen. Uitgiftereeksen van tussen de 20 en 40 ha per jaar, zoals die begin 80-er jaren voorkwamen, liggen niet in de lijn der verwachtingen. De huidige laagconjunctuur blijkt minder scherp in vergelijking met die periode. De signalen van het 1e helft 2004 duiden in elk geval op een stabilisatie en mogelijk zelfs al een eerste licht herstel van de grondverkopen in onze provincie. Ondanks lagere uitgiftecijfers de laatste 2 jaren (2002/2003) blijft de totale uitgifte sinds 1997 nog steeds hoger in vergelijking met de prognose in POL. Juist door die hoge uitgifte in de eerste vijf jaren ligt de feitelijke uitgifte na 7 jaren nog steeds zo’n 15% boven de geprognosticeerde uitgiftecijfers. Wel is het uitgegeven surplus in vergelijking met de prognose gehalveerd (na de vijf eerste jaren bedroeg het surplus in 2001 nog meer dan 30%). Hierdoor blijft voor bepaalde segmenten in bepaalde regio’s het mogelijk inzetten van strategische reserves vóór 2010 reëel. Daarnaast blijkt in bepaalde regio’s de voorraadontwikkeling het afgelopen jaar nauwelijks te zijn veranderd. In die gebieden groeit de urgentie om naast het regelen van de resterende planningsopgave in bestemmingsplannen, ook locaties aan te wijzen als strategische reserve. Het daadwerkelijk inzetten van strategische reserves is in 2004 nog niet aan de orde. Voor de stedelijke terreinen in regio Westelijke Mijnstreek lijkt dit moment het eerst aanstaande (2007). Behalve in en rond Sittard-Geleen speelt dit mogelijk ook vóór 2010 in Parkstad Limburg, Roermond, Venray (2008). Voor het overige zijn een aantal conclusies uit de vorige voortgangsrapportages ook nu nog steeds valide. Zo gaan bijna alle verkochte kavels naar bedrijven die uitbreiden dan wel binnen de regio verhuizen. In tijden van economische teruggang neemt dit toe tot bijna 100%; zo telde 2002 en 2003 slechts 9 uitgiftes aan bedrijven afkomstig van buiten Limburg op een totaal van 173, waarvan 6 aan Brabantse bedrijven, 2 aan buitenlandse ondernemingen en 1 bedrijf was afkomstig uit het westen van het land. Verder leidt de continu beschikbare ruimte op bedrijventerreinen steeds meer tot clustering van dezelfde type activiteiten op terreinen. Daarmee komt de segmentering van bedrijventerreinen steeds beter tot zijn recht.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

11

4.2. Consequenties per regio
4.2.1. Zuid-Limburg Stedelijke terreinen Westelijke Mijnstreek

Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: herontwikkeling Sluisweg (max. 10 ha) herontwikkeling Chemelot-locaties Knelpunten in voorraadontwikkeling ? SR toevoegen aan PO:

10 ha 25 ha 8 ha 14 ha 51 ha

Ja 2007

De feitelijke uitgifte is in de Westelijke Mijnstreek in 2003 verder teruggevallen tot zo’n 3 ha. Desondanks is de gemiddelde uitgifte sinds 1997 nog altijd fors hoger in vergelijking met de prognose, door de hoge uitgifte in de jaren 1997 tot en met 2001. De belangrijkste conclusie uit de vorige voortgangsrapportages blijft overeind: realisatie van alleen de planningsopgave in de regio blijkt absoluut onvoldoende om de noodzakelijke voorraadontwikkeling tot 2010 veilig te stellen. Inzetten van de strategische reserve lijkt op termijn onafwendbaar. De voorraadontwikkeling in de regio is cruciaal. In dat opzicht is het belangrijk dat men in de Westelijke Mijnstreek in 2003 weer een klein deel van de planningsopgave heeft kunnen invullen: door de uitbreiding van het terrein Borrekuil met 5 ha resteert voor de regio nu nog een planningsopgave van 10 ha. Verder lijkt herontwikkeling van een deel van het terrein Sluisweg een optie. Op dit terrein kan mogelijk via een beoogde grootschalige verplaatsing van een logistieke functie ruimte worden gecreëerd. Indien vervolgens de vrijkomende ruimte (ca. 10 ha) uitputtend ingevuld kan worden met functies die bij zo’n stedelijk terrein passen (handelsbedrijven, kleinschalige productie, onderhoud, reparatie etc.), zou dat invulling kunnen geven aan de resterende planningsopgave van de regio. De starttermijn voor herontwikkeling is daarvoor bepalend. Gezien onzekerheden rond zo’n herontwikkeling en de strategische reserve van 25 ha die nog invulling behoeft, blijft zoeken naar ruimte voor bedrijvigheid in deze regio voorlopig een continu aandachtspunt. In dat kader zijn de afspraken die zijn gemaakt tussen provincie, gemeente, terreingebruikers (DSM/Sabic) en -beheerder (Chemelot) om te komen tot een visie voor het chemiecluster in de regio ook van betekenis. Die visie moet onder andere duidelijk maken welke ruimte de chemiesector nodig heeft. Vervolgens kan worden bezien welke ruimte van het Chemelot-terrein via herontwikkeling of herstructurering beschikbaar zou kunnen komen voor niet chemiegerelateerde activiteiten. Voor wat betreft de bestaande restcapaciteit, die vooral op Bedrijvenstad Fortuna is gesitueerd, zal daar zorgvuldig mee moeten worden omgegaan. In geval van niet maximale invulling van de bedrijventerreinfunctie van Fortuna, vereist dat wederom een extra zoektocht naar compensatie voor de verloren ruimte aan bedrijventerrein.

12

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

figuur 1 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Westelijke Mijnstreek 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Stedelijke terreinen Parkstad Limburg

Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: structuurvisie lange termijn programma kleinschalige bedrijfslocaties Knelpunten in voorraadontwikkeling ? SR toevoegen aan PO:

0 ha 25 ha 10 ha 14 ha 83 ha

Nee 2008

In Parkstad Limburg had de economische achteruitgang in 2002 nog niet geleid tot een terugval in de uitgifte, die in dat jaar nog zelfs 14 ha bedroeg. In 2003 is met 7 ha duidelijk minder uitgegeven en werkt de economische teruggang alsnog door in de regionale uitgiftecijfers. Door die vertraagde doorwerking is de feitelijke uitgifte in de regio nog steeds duidelijk hoger (38%) dan geprognosticeerd. En hoewel de voorraadontwikkeling niet slecht is in de regio (planningsopgave is geregeld/voldoende grootschalige terreinen beschikbaar) zijn er nog steeds geen locaties aangegeven voor de strategische reserve. Die strategische reserves zal men vooral via kleinschalige terreinen moeten invullen, gezien de beperkte voorraad aan dergelijke terreinen. De zoektocht naar locaties is in gang gezet via de Parkstad-structuurvisie. Echter die visie is nog niet gereed en de tijd begint te dringen, aangezien de indicatie voor inzetten van de strategische reserve ongewijzigd blijft. De ontwikkelingstermijnen om extra aanbod in 2008 ook daadwerkelijk te kunnen inzetten worden krap.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

13

figuur 2 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Parkstad Limburg 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Stedelijke terreinen Maastricht

Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Maastricht/Eijsden MAA-Oost (ged. van 15 ha voor sted. terr. M’tricht) Lanakerveld 1e fase Panneslager Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

65 ha 25 ha 8 ha 2 ha 57 ha

Ja n.v.t.

De uitgifte van stedelijke bedrijventerreinen in de regio Maastricht is niet teruggevallen naar aanleiding van de conjunctuurdip, aangezien de uitgifte in deze stedelijke regio reeds jaren achter blijft bij de prognoses. Het ontbreken van enig substantieel aanbod sinds 1999 in de stad Maastricht heeft ertoe geleid dat er in de laatste vijf jaren in totaliteit maar 5 ha zijn uitgegeven. Dit majeur knelpunt in de voorraadontwikkeling heeft lang bestaan. In 1997 was namelijk voor een beperkt gedeelte goedkeuring onthouden aan het eerste bestemmingsplan voor het nieuwe terrein Maastricht-Eijsden. Nu de integrale herziening van dit bestemmingsplan medio 2004 is goedgekeurd kan daar verandering in komen. Het is nu zaak dat de gemeente Maastricht reeds in de 2e helft van 2004 inspanningen verricht om de eerste bouwrijpe kavels van dit terrein op de markt te kunnen aanbieden.

14

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Als bovenstaand knelpunt in de voorraadontwikkeling is opgelost, kan via de monitoring van de uitgifte vervolgens duidelijk worden of er in Maastricht e.o. een inhaaleffect zal optreden. Een te verwachten inhaalvraag die tot op heden voor de Provincie Limburg en de gemeente Maastricht reden is om vast te houden aan de originele planningsopgave voor de regio. Afhankelijk van het toekomstige uitgiftetempo kan worden bepaald of en in welke mate die planningsopgave voor Maastricht voor de periode tot 2010 dient te worden gerealiseerd. In de “POL-aanvulling bedrijventerreinen Zuid-Limburg” is niet alleen de planningsopgave voor Maastricht gelocaliseerd, maar is ook gesteld dat voor een deel van die opgave (25 ha Panneslager) “het moment van op de markt komen afhankelijk wordt gemaakt van de feitelijke uitgifte op terreinen binnen het stedelijk gebied van Maastricht”. Feitelijk is Panneslager daarmee een strategische reserve geworden, waarbij de vraag is wanneer die moet worden ingezet. Om dit laatste goed te regelen is er een convenant opgesteld ( 8 maart 2004) tussen de gemeenten Eijsden, Maastricht en de provincie Limburg. Rol van de provincie daarin is het aanleveren van de gegevens uit haar monitoringsysteem (REBIS) om op basis van de af te spreken criteria uiteindelijk het voorstel te maken wanneer Panneslager wordt ingezet.

figuur 3 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Maastricht 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Industrieel-logistieke terreinen regio

Actualisatie 2004

Gemengd plus

Transport en distributie

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

10 ha 10 ha 4 ha 4 ha 61 ha Hendrik Nee n.v.t.

15 ha 20 ha 2 ha 0,4 ha 11 ha MAA-Oost (PO)/Hendrik (SR) Ja n.v.t.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

15

De uitgifte in het segment “gemengd plus” ontwikkelt zich conform prognose. De voorraad “gemengd plus” in de regio is vooral geconcentreerd op één terrein (Trilandis, Heerlen) en gezien uitgifte-ontwikkeling voorlopig ook nog voldoende. Echter gezien dat ontwikkeling van dit soort industrieterreinen lastig is, dient ook de planuitwerking voor het bedrijventerrein Hendrik (Brunssum) te worden opgestart. Ten aanzien van het segment transport en distributie was in de vorige voortgangsrapportages reeds de conclusie dat de uitgifte achter bleef bij de prognose. Nu de economie een pas op de plaats maakt, is het niet verwonderlijk dat in die situatie geen verandering is opgetreden. Echter naast de momenteel mindere vraag, speelt in dit segment nog veel meer het gebrek aan aanbod. Bedrijven in dit segment hebben de afgelopen jaren hun vraag geëffectueerd op andere (lees: stedelijke) terreinen in de regio. Dit verdringingseffect vergroot de druk op de planningsopgave voor transport en distributie in de regio. Zeker gezien de beperkte restcapaciteit die er nog is (enkel de “Haven Stein”). Al met al voldoende reden om te zorgen dat MAA-Oost ook voor het segment transport- en distributie zo snel mogelijk wordt ontwikkeld. figuur 4 Uitgifte en prognose industrieel-logistieke terreinen Zuid-Limburg 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

4.2.2. Midden-Limburg Stedelijke terreinen Weert Actualisatie 2004 Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Pannenweg West Kampershoek Noord Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO: Nee n.v.t. 15 ha 20 ha 5 ha 7 ha 38 ha

16

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

In afwijking van het algemene beeld is in de stadsregio Weert de uitgifte reeds een jaar eerder (2001) teruggevallen. Nu zich dat in 2002 en 2003 doorzet geeft dat meer en meer lucht in de voorraadontwikkeling van de regio. Hoewel door de voorafgaande betere tijden de feitelijk uitgifte-ontwikkeling nog steeds duidelijk boven de prognose ligt, lijkt het inzetten van strategische reserves niet meer nodig. Wel blijft voortvarendheid geboden bij het realiseren van de planningsopgave in de regio: de projecten Pannenweg West en Kampershoek Noord. Deze terreinen dienen in 2004 respectievelijk 2005 voor de markt beschikbaar te zijn. De geluiden dat het “niet wil vlotten” met Pannenweg West zijn zorgelijk. De regio heeft bij optredend economisch herstel ook direct uitgeefbare capaciteit nodig. Dit betekent dat “alle zeilen moeten worden bijgezet” om dit terrein in 2004 op de markt te krijgen. Daarnaast geldt voor Kampershoek Noord dat het meerdere segmenten moet bedienen. Het dient niet alleen vanaf 2005 invulling te geven aan de resterende planningsopgave van 15 ha en de strategische reserve van 20 ha voor de stedelijke terreinen. Ook het deel van de overgehevelde planningsopgave vanuit het regionale segment transport en distributie (15 ha van de totale regio-opgave van 40 ha) dient op dit terrein te worden gefaciliteerd. Snelle invulling via het plan Kampershoek Noord is noodzakelijk, aangezien er momenteel geen aanbod in MiddenLimburg voorhanden is in dit segment. figuur 5 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Weert 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Stedelijke terreinen Roermond Actualisatie 2004 Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: St. Joost (ged.) Stadsrand Roermond Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO: Ja 2008 15 ha 15 ha 4 ha 5 ha 23 ha

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

17

De uitgifte voor de stedelijke terreinen in Roermond dreigt uit de pas te gaan lopen nu in 2003 de stadsregio ineens een zeer hoge uitgifte te zien geeft. Ondanks de minder economische periode teert de regio daardoor in op een niet al te omvangrijke voorraad. Hoewel die hoge uitgifte voor het grootste deel op een ander segment betrekking heeft (een groot distributiecentrum voor supermarkten) is dit de handicap van de regio. Zoals ook al vermeld bij de stadsregio Weert is er geen aanbod in Midden-Limburg direct beschikbaar in het segment transport en distributie. Gevolg is, zie deze situatie, dat een dergelijk bedrijf kiest voor een goed ontsloten stedelijk terrein. Bij de beperkte voorraden aan stedelijk terrein in de stadsregio Roermond leidt dat er toe dat mogelijk op termijn strategische reserves moeten worden aangesproken (2008). Echter zowel voor de planningsopgave als de strategische reserve dienen nog locaties te worden aangewezen. Dit wordt nu urgent. Voor een deel kan de stedelijke planningsopgave worden ingevuld bij het nieuwe terrein St. Joost (zie ook “POL-aanvulling bedrijventerrein St. Joost). Hier gaat het echter om een beperkt aantal hectaren. De locatie “stadsrand Roermond” moet nu op korte termijn worden opgepakt.

figuur 6 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Roermond 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Industrieel-logistieke terreinen regio

Actualisatie 2004

Gemengd plus

Transport en distributie

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

0 ha 0 ha 3 ha 3 ha 69 ha n.v.t. Nee n.v.t.

(*)40 ha 10 ha 3 ha 0 ha 0 ha Kampershoek Noord/St. Joost Ja/Nee n.v.t.

(*) hiervan dient 15 ha op korte termijn in Weert te worden gelocaliseerd

18

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

De uitgifte in het segment “gemengd plus” loopt in de pas met de prognose. Ook ten aanzien van de voorraadontwikkeling in de regio zijn er geen knelpunten te verwachten. Het segment transport- en distributie kent een soortgelijk probleem als Zuid-Limburg, maar dan in optima forma: geen aanbod. Dit is een serieus knelpunt, reeds gesignaleerd in vorige rapportages. Gevolg was dat er verdringing is opgetreden richting de stedelijke terreinen van Weert. Het begin van de oplossing ligt echter ook in Weert: Kampershoek Noord. Dit terrein dat, vooruitlopend op de aanleg van het grote logistieke terrein St. Joost, voor Midden-Limburg uitkomst kan bieden dient snel voor de markt beschikbaar te komen. Inmiddels wordt ook voor de locatie St. Joost gewerkt aan de planvorming, waarbij medio 2005 mogelijk met de aanleg kan worden begonnen. Dit verhoogt de noodzaak om in de aanloop daar naartoe al het stedelijke terrein Kampershoek Noord in Weert in 2004 op de markt te brengen. Niet alleen omdat op dit terrein een deel (15 ha) van de regionale planningsopgave voor transport- en distributie moet worden gerealiseerd, maar ook om te voorkomen dat beide terreinen straks gelijktijdig op de markt komen en ondertussen de verdringing richting andere stedelijke terreinen mogelijk blijft voortduren.

figuur 7 Uitgifte en prognose industrieel-logistieke terreinen Midden-Limburg 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

4.2.3. Noord-Limburg Stedelijke terreinen Venray Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Smakterheide III Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

10 ha 25 ha 3 ha 2 ha 24 ha

Nee 2008

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

19

In 2002 en 2003 is de uitgifte ook in deze stadsregio teruggevallen. Vraag is echter waaraan dit te wijten is. Is het de algemene conjunctuurdaling die doorwerkt of de specifieke Venrayse situatie dat er tijdelijk geen direct uitgeefbaar aanbod was in dit segment. Dit laatste probleem is met het beschikbaar komen voor de markt van het bedrijventerrein De Hulst II deels opgelost. Door dit terrein te ontwikkelen heeft Venray een gedeelte van de benodigde ruimte voor planningsopgave en strategische reserve voor het segment stedelijke terreinen ingevuld. Echter zelfs bij een doorzetten van een lichte teruggang in uitgifte, lijkt het toch waarschijnlijk dat die strategische reserves in Venray op termijn moeten worden aangesproken. Daarom is het belangrijk dat het nieuwe terrein Smakterheide III, dat nu in de planvormingsfase zit, niet al te lang op zich laat wachten. Niet alleen vanwege de behoefte aan stedelijke terreinen (nog 10 ha planningsopgave en 25 ha strategische reserve). Daarnaast is namelijk afgesproken dat de regio-opgave voor transport en distributie (20 ha PO en 10 ha SR) ook op dit nieuwe terrein wordt ingevuld. Zie ook onder kop “industrieel-logistieke terreinen” van deze paragraaf.

figuur 8 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Venray 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Stedelijke terreinen Venlo Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Alternatieve planontwikkeling 30 ha noodzakelijk i.v.m. schrappen Geloërveld-uitbreiding Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

30 ha 0 ha 5 ha 3 ha 42 ha

Ja n.v.t.

20

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Het uitgiftetempo op deze terreinen blijft achter bij de prognose. Voor wat betreft dit segment bestaat dat beeld al van voor de conjunctuuromslag. Dat lijkt gunstig aangezien er aanvankelijk geen planningsopgave is geformuleerd voor stedelijke terreinen in Venlo. In 1997 bood de bestaande voorraad inclusief plannen voldoende ruimte om tot 2010 bedrijven in dit segment te faciliteren. Indertijd was echter bij de bestaande voorraad ook het voorgenomen plan Geloërveld-uitbreiding (ca. 30 ha) reeds meegerekend. De gronden daarvoor waren reeds als zodanig gereserveerd. Het schrappen van dit plan betekent dat de gemeente Venlo een alternatief voor de verloren gegane 30 ha dient te zoeken. Als dit alternatief niet wordt gevonden zal het aanbod voor stedelijke terreinen rond 2009 tot nul gereduceerd zijn. Überhaupt dient Venlo zich te realiseren dat het schrappen van bestaande plannen en/of terreinen compensatie van die verloren gegane ruimte vereist. Dit principe wordt mogelijk weer actueel bij de afweging het bestaande, volledige bezette bedrijventerrein Hagerhof al dan niet voor een andere functie te bestemmen.

figuur 9 Uitgifte en prognose stedelijke terreinen Venlo 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

Industrieel-logistieke terreinen regio (excl Venlo’s transport- en distributiefunctie) Actualisatie 2004 Gemengd plus Transport en distributie

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Knelpunten in voorraadontwikkeling? SR toevoegen aan PO:

0 ha 0 ha 1 ha 9 ha 11 ha n.v.t. Nee n.v.t.

(*)20 ha (*)10 ha 2 ha 1 ha 2 ha Smakterheide III Nee n.v.t.

(*) PO en SR zullen in Venray, gekoppeld aan een stedelijk terrein, dienen te worden gelocaliseerd

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

21

Aangezien in Noord-Limburg veel meer is uitgegeven aan gemengd plus terreinen in vergelijking met de prognose, lijkt de conclusie dat er geen knelpunten zijn in de voorraadontwikkeling op het eerste gezicht misschien merkwaardig. Echter in dit segment bestond een forse overcapaciteit, die de afgelopen jaren is ingezet voor en ingevuld door bedrijven uit andere segmenten (transport en distributie/stedelijke terreinen). De feitelijke uitgifte is uiteraard wel geregistreerd bij deze terreinen, vandaar de veel hogere uitgiftecijfers in vergelijking met de prognose. De overcapaciteit aan gemengd plus terreinen is nu volledig ingevuld. De resterende capaciteit is momenteel ruim voldoende om de behoefte aan gemengd plus terreinen voor de resterende planperiode af te dekken. Voor het segment transport en distributie in Noord-Limburg is, buiten het Haven- en Industrieterrein Wanssum, op dit moment geen apart terrein beschikbaar. Logischerwijs blijft de uitgifte in de regio achter bij de prognose als naast de beperkte beschikbaarheid rekening wordt gehouden met hetgeen in de vorige alinea is gememoreerd: het inzetten van de overcapaciteit van gemengd plus terreinen voor onder andere transport en distributie. Dit is met name gebeurd rond Venray. Vandaar dat ook de bedoeling was en is in Venray een nieuwe locatie te ontwikkelen die de resterende regionale behoefte aan transport en distributie kan opvangen. Venray werkt momenteel aan een bestemmingsplan voor het terrein Smakterheide III, waarbij de gemeente de planningsopgaven voor het segment transport- en distributie en de stedelijke terreinen gaat combineren op één groot terrein. Daarbij zal ook de zoekruimte voor de strategische reserves worden meegenomen.

figuur 10 Uitgifte en prognose industrieel-logistieke terreinen Noord-Limburg 30 25 = feitelijke uitgifte 20 ha 15 10 5 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 = prognose

4.2.4. Landelijk gebied Het landelijk gebied heeft geen taakstellingen op het gebied van bedrijventerreinen. Zowel in de bedrijventerreinenstrategie (1999) en POL (2001) hebben we bepaald dat nieuwe ontwikkelingen en grotere uitbreidingen van bedrijventerreinen geconcentreerd dienen te worden rond de stedelijke gebieden enerzijds en provinciaal economische kerngebieden anderzijds. Dit laatste betreft grootschalige industrieel-logistieke terreinen. Daarop zijn twee uitzonderingen. In het landelijk gebied van Noord-Limburg zijn twee gemeenten aangewezen die een regionale opvangfunctie hebben: Helden en Gennep. Aangezien Helden in 1997 voldoende voorraad aan (geplande) bedrijventerreinen had, is alleen voor Gennep een planningsopgave geformuleerd. Voordat wordt ingegaan op de algemene situatie in het landelijk gebied, wordt eerst kort de situatie van Gennep aangestipt.

22

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Gennep Actualisatie 2004

Nog te regelen planningsopgave (PO) Strategisch te reserveren gronden (SR) Gemiddelde uitgifte per jaar volgens prognose Gemiddelde uitgifte per jaar, feitelijk Restcapaciteit Plannen/projecten: Aanleg bedrijventerrein De Brem Knelpunten in voorraadontwikkeling?

15 ha n.v.t. 1 ha 2 ha 4 ha

Nee

In Gennep doen zich geen knelpunten voor. Voor de nog te regelen planningsopgave van 15 ha is men momenteel bezig met de voorbereidingen voor het bestemmingsplan. Het is noodzakelijk die extra capaciteit vóór 2010 beschikbaar te hebben.

Algemene situatie landelijk gebied In de Voortgangsrapportage van 2002 en 2003 is geconcludeerd dat in het landelijk gebied in zijn algemeenheid de afgelopen jaren veel uitgifte is geweest en dat de gemeenten in het landelijk gebied ook nog over een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen beschikken. Nu één jaar later zijn deze conclusies nog steeds valide. Lagere uitgiftecijfers, die ook in 2003 in het landelijk gebied hebben doorgezet, hebben de voorraden niet wezenlijk doen slinken. En aangezien de economische teruggang in 2003 over de gehele linie de uitgiftecijfers in Limburg heeft doen slinken, is de relatieve positie van het landelijk gebied ook nauwelijks veranderd. Dat bevestigt de belangrijkste conclusie uit vorige voortgangsrapportages dat de versterkte concentratie van beschikbaarheid en uitgifte van bedrijventerreinen in stedelijke gebieden en op regionale logistiek-industriële terreinen ten opzichte van terreinen in het landelijke gebied pas op de lange termijn duidelijk tot uiting kan komen. De noodzakelijke contramal is dan uiteraard dat voldoende voorraad bedrijventerreinen in de stedelijke gebieden wordt ontwikkeld. Historisch is er namelijk sprake van een bepaalde gegroeide situatie van aanbod aan bedrijventerreinen in landelijk versus stedelijk gebied. In de situatie van met name het landelijke gebied in Noord- en Midden-Limburg was er altijd al sprake van relatief veel aanbod van bedrijventerreinen t.o.v. het stedelijk gebied. Dit werkt natuurlijk nog jaren door in de uitgiftecijfers. Het beleidstreven om terughoudend om te gaan met bedrijventerreinen in het landelijk gebied, kan zich dus op termijn pas vertalen in concrete resultaten. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat het aanbod in het landelijk gebied niet groeit. In Midden-Limburg is dit in 2003 wel gebeurd. De gemeente Heythuysen heeft een beperkte uitbreiding van een bestaand terrein geëffectueerd en een nieuw terrein gepland. Met name dit laatste is de vraag hoe zinvol en effectief het is als één landelijke gemeente afzonderlijk een (klein) terrein ontwikkeld. Dit werkt verdere versnippering van het bedrijventerreinaanbod in de hand. In dit geval zal alleen al binnen de gemeente Heythuysen sprake zijn van 7 plekken waar bedrijven gevestigd (kunnen) zijn, variërend van 1 tot ruim 10 ha. Gemeenten in het landelijk gebied dienen veel meer samen te werken bij de huisvesting van locale bedrijven. Afspraken over hoe dit te regelen worden ook gemaakt in het kader van de regionale uitvoeringsorganisaties. Los daarvan zullen gemeenten in het landelijk gebied zorgvuldig moet blijven omgaan met de uitgifte van bedrijfskavels. Het blijkt namelijk dat de landelijke gemeenten redelijk zorgvuldig omgaan met aan wie ze verkopen, maar dat men veel minder zorgvuldig omgaat met de omvang van de bedrijfskavels.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

23

POL stelt namelijk dat bedrijfskavels op locale terreinen bedoeld zijn voor locaal gevestigde bedrijven en voor de regionale verzorgende terreinen geldt opvang van locaal gevestigde bedrijven plus de aangrenzende landelijke gemeenten. In de regel houdt men zich hier aan: ruim 15% van de kavelverkopen past niet binnen bovenstaande beleidsregel. Dat zijn dus grondverkopen aan niet in de gemeente gevestigde bedrijven, of aan bedrijven niet afkomstig uit de eigen dan wel omliggende landelijke gemeenten in het geval van de regionaal verzorgende terreinen. In POL zijn echter ook maximale kavelmaten gegeven voor kavels op locale en regionaal verzorgende terreinen, respectievelijk 5.000 m2 en 10.000 m2. Diezelfde 15% van alle kavelverkopen is ook te groot. Maar het gaat in bijna alle gevallen om veel te grote kavels, vaak veel meer dan een verdubbeling van de toegestane oppervlaktematen. Het aandeel totale oppervlakte aan bedrijventerrein dat daarmee gemoeid is, bedraagt in het landelijk gebied van Limburg ruim 45%. Met name in Noord- en Midden-Limburg is dit het geval: in deze regio’s gaat het om bijna 60% respectievelijk bijna 45% van de totale uitgifte qua oppervlak (in Noord-Limburg betreft het bijna uitsluitend het gebied rondom Horst en Helden). In Zuid-Limburg betreft het iets minder dan 25% van de totale uitgifte qua oppervlakte. Als dat wordt vergeleken met de situatie enkele jaren terug is de conclusie dat het in Noord-Limburg erger is geworden (was 45%), dat het in Midden-Limburg gelijk is gebleven en dat enkel de situatie in Zuid-Limburg is verbeterd (was 30%). Dergelijke grote kavelverkopen hadden in principe een plek kunnen vinden op de stedelijke en/of logistiek-industriële terreinen in de regio. Doordat dit niet is gebeurd komt ook de doorstroomfunctie van de locale en regionale verzorgende terreinen zelf onvoldoende tot zijn recht.

24

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

4.2.5. Conclusies Samenvattend kunnen de conclusies uit hoofdstuk 4 als volgt kernachtig worden weergegeven: • uitgifte in 2003 laagste sinds 1987 • uitgifte nog steeds boven prognose; ondanks lage uitgiften in 2003 (49 ha) en 2002 (76 ha) is halfweg de POLperiode 1997-2010 de gecumuleerde uitgifte van de afgelopen 7 jaren nog steeds 15% hoger dan geprognosticeerd • 95% van de verkochte kavels in de periode 1997-2003 waren uitbreidingen dan wel regionale/locale verplaatsingen • behoorlijk deel van de planningsopgaven POL zijn al geregeld in bestemmingsplannen • voortvarendheid gemeenten nodig om volledige planningsopgave POL te concretiseren in bestemmingsplannen • dit laatste geldt ook voor het aanwijzen van locaties als strategische reserve • in sommige regio’s zal voor bepaalde segmenten de planningsopgave van POL onvoldoende zijn om in 2010 uit te komen op het niveau van de ijzeren voorraad; dit betekent dat op enig moment vóór 2010 dan strategische reserves moeten worden ingezet; per regio leidt dat tot volgende conclusies: - Sittard-Geleen stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2007) - Parkstad stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2008) - Maastricht geen strategische reserves nodig tot 2010; wel noodzaak direct uitgeefbaar maken terrein Maastricht-Eijsden om in de stadsregio weer enig substantieel en courant aanbod direct beschikbaar te hebben - regio-opgave Zuid-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen: “transport en distributie” en “gemengd plus” geen strategische reserves nodig tot 2010 - Weert stedelijke terreinen geen strategische reserve nodig - Roermond stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2008) - regio-opgave Midden-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen geen strategische reserves nodig tot 2010 - Venray stedelijke terreinen mogelijk inzetten strategische reserve (2008) en voortvarendheid gewenst bij het realiseren van de planningsopgave stedelijke terreinen (Smakterheide III) - Venlo geen strategische reserves aan de orde, wel compenseren niet doorgaan geplande uitbreiding van 30 ha Geloërveld (alternatieve locatie gereed 2009) - regio-opgave Noord-Limburg voor de industrieel-logistieke terreinen geen strategische reserves nodig tot 2010, wel voortvarendheid gewenst bij het realiseren van de planningsopgave voor het segment transport en distributie(Smakterheide III) De bovenstaande conclusies en wat zij betekenen voor de regio’s zijn ook vervat in kaart 1 “Nog te realiseren bedrijventerreinen”.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

25

Kaart 1: Nog te realiseren bedrijventerreinen 2005-2010

26

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

In gesprek met de regio
5.1. Inleiding

5

Het algemene beeld in de voortgang van het bedrijventerreinenbeleid en de specifieke conclusies per regio worden actief gecommuniceerd. Immers we willen dat de voor de uitvoering primair verantwoordelijke partijen - de gemeenten - hun opgaven ook oppakken. In de communicatie met de uitvoerende partijen is deze voortgangsrapportage vertrekpunt. Naar aanleiding van die voortgangsrapportages organiseren we een jaarlijkse gespreksronde. In 2004 zijn wederom gesprekken gevoerd op ambtelijk niveau om de conclusies van de actualisatie 2003 te bespreken. In de par. 5.2 willen we daar kort op terugblikken. Om het bedrijventerreinenbeleid qua efficiëncy meer “body” te geven spreken we ook via bestuurlijke overleggen hierop aan en vragen wij ook aan intermediairs gemeenten aan te spreken op voortgang in de uitvoering. We willen tenslotte in gezamenlijkheid bereiken dat de planningsopgaven voor bedrijventerreinen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Daarover meer in par. 5.3 Tot slot gaan we in par. 5.4 nog in op de laatste stand van zaken voor wat betreft het verder toegankelijk maken van de provinciale gegevens over bedrijventerreinen.

5.2. Terugblik regiogesprekken en regionale agenda Voortgangsrapportage 2003
Naar aanleiding van de conclusies per regio in de Voortgangsrapportage, actualisatie 2003 zijn gesprekken gevoerd. Behalve over de knelpunten in de voorraadontwikkeling is met gemeenten ook gesproken over problemen in de planontwikkeling. Kort zullen we per gesprek de belangrijkste conclusies en afspraken weergeven. Gemeente Venray: • Voortgang planontwikkeling Smakterheide III komt (nog) niet van de grond. De beschikbare voorraad aan grootschalige kavels is beperkt. Zowel voor de opvang van de gemengde stedelijke bedrijvigheid alsook voor de regioopvang van logistiek-industriële activiteiten is dit terrein noodzakelijk. • Segmentering werkt goed, tot nog toe. Echter bij voortdurende stagnatie planontwikkeling Smakterheide III lijkt het een kwestie van tijd dat capaciteit in andere segmenten (De Hulst) onder druk komt te staan. Vanuit het oogpunt van segmentering is het niet wenselijk dat specifieke gereserveerd aanbod zomaar als verzamelterrein wordt ingezet. • afspraak: gemeente neem initiatief om een aantal scenario’s uit te werken n.a.v. de ontstane situatie en die in de 2e helft van 2004 verder uit te werken in overleg met de provincie Limburg. Gemeente Venlo: • De procedures voor de functiespecifieke opgave (logistiek) van Venlo lopen: bestemmingsplannen voor Trade Port Noord 1 + 2 zijn in voorbereiding, afstemming via het project “Klavertje 4”. Vraag is of het geplande moment voor eerste uitgifte in 2005 haalbaar blijft? • Origineel had Venlo geen planningsopgave voor stedelijke terreinen. Uitgaande van voldoende voorraad in com binatie met plannen, is daar nu door het schrappen van het plan Uitbreiding Geloërveld verandering in opgetreden. Vanuit de compensatiegedachte zal nu een nieuwe locatie van 30 ha ontwikkeld moeten worden. • Afspraak: de op deze wijze alsnog ontstane planningsopgave zal vanuit de economische lijn bij de gemeente Venlo actief worden opgepakt om die alternatieve ruimte voor bedrijven beschikbaar te krijgen.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

27

Gemeente Weert: • Planningsopgave voor Weert biedt voldoende soelaas, dient echter wel met voortvarendheid gerealiseerd te worden. Nadere uitwerking globaal bestemmingsplan Kampershoek Noord is noodzakelijk, zowel voor de resteren de planningsopgave stedelijke terreinen (15 ha), de strategisch reserve voor dit segment (20 ha) alsook voor het deel van de regionale planningsopgave transport en distributie Midden-Limburg (15 ha), waarvan afgesproken is dat Weert dat voor zijn rekening neemt. • Segmentering komt, mede door het werken met globale bestemmingsplannen, nu nog onvoldoende tot uiting tussen de segmenten modern gemengd en transport & distributie. Bij planvorming van Kampershoek Noord, een terrein dat beide segmenten moet bedienen, zal een duidelijke zonering tot stand moeten komen. • Afspraak: in het kader van de nog uit te werken programmeringsafspraken van de pilot Regionale Uitvoeringsorganisatie Land van Weert & Cranendonck zullen bovenstaande aspecten nader worden uitgewerkt. Gemeente Roermond: • Kwantitatief zijn er in de Stadsrand Roermond voldoende ruimtelijke mogelijkheden voor het invullen van het restant aan planningsopgave en strategisch te reserveren gronden. Uit de beoordeling van de uiteindelijke bestemmingsplannen zal moeten blijken of bij de kwalitatieve invulling van de plannen de bedrijventerreinfuncties adequaat zijn ingevuld. • Als de druk op de beperkt beschikbare terreinen in de regio groot is en, zoals in 2003, ondanks economisch mindere tijden toch veel wordt uitgegeven, zullen procedures moeten worden versneld. • Afspraak: concreet aangeven locatiemogelijkheden voor bedrijven in een globaal bestemmingsplan voor de zuidelijke stadsrand en in definitief bestemmingsplan voor de noordelijke stadsrand; aangezien deze bestemmingsplannen pas in 2005/6 ter goedkeuring zullen voorliggen en het beschikbare aanbod op korte termijn uitbreiding behoeft, zal de gemeente in 2005 initiatieven nemen om via artikel 19 WRO hierop te anticiperen. Gemeente Sittard-Geleen: • Bevestiging beeld rapportage: gemeente beseft dat de hoge uitgifte van de jaren voor 2002 de restcapaciteit sterk heeft doen slinken; het niveau ijzeren voorraad nadert. • De constatering dat ontwikkeling van nieuwe plannen moeizaam loopt (alleen een beperkte uitbreiding van het terrein Borrekuil is tot stand gekomen) in relatie tot de ruimteproblematiek die speelt rond het chemiecomplex in de regio heeft tot een set afspraken over projecten geleid, waarin gemeente en provincie gezamenlijk zullen optrekken. Daarbovenop zal de provincie zorgdragen voor een overkoepelend afstemmingsoverleg. • Afspraak: provincie onderzoekt de ruimtebehoefte voor het chemiecluster en start een pilot doorkijk planning bedrijventerreinen regio Westelijke Mijnstreek 2010-2020 en de gemeente onderzoekt welke locaties geschikt zijn om invulling te geven aan de resterende planningsopgave en de strategische reserve, zoals die naar voren komen uit deze Voortgangsrapportage Uitvoering Bedrijventerreinen POL. Daarbij zal ook worden gekeken naar de mogelijkheden voor stedelijke bedrijventerreinen op nog beschikbare chemie-locaties. Gemeente Maastricht: • Bevestiging dat het ontbreken van enig substantieel aanbod aan direct beschikbare terreinen al jaren de bottleneck is in Maastricht. Nu de goedkeuring van het bestemmingsplan Maastricht-Eijsden onherroepelijk is, zal de gemeente alle noodzakelijke inspanningen verrichten om in 2005 daadwerkelijk de eerste kavels op dit terrein te kunnen verkopen. • De gemeente onderschrijft de noodzaak om een duidelijk beeld uit te werken van programmering en fasering voor de nieuwe en de her te ontwikkelen terreinen. Deze oproep is ook gedaan vanuit de Kamer van Koophandel in Maastricht. De mogelijke onttrekkingen van bedrijventerreinfuncties in het Belvedère-gebied zijn in deze een additionele onderstreping van die noodzaak. Ook hiervan moet duidelijk worden welke ruimtedruk het oplevert. • Afspraak: gemeente maakt in de 2e helft van 2004 een notitie aangaande de programmering en fasering van de Maastrichtse bedrijventerreinen. Parkstad Limburg: • Bevestiging beeld rapportage: relatief hoge uitgifte, voldoende grootschalige terreinen en weinig kleinschalige terreinen.

28

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

• Deze kwalitatieve mismatch is mogelijk op te lossen via de zoekruimte voor 25 ha aan strategische reserves, waar de regio nog locaties voor moet aanwijzen. Daarnaast is ook gerefereerd aan de mogelijke compensatie (ca. 15 ha) die aan de orde is bij onttrekking van een deel van de bedrijventerreinfunctie op het terrein De Locht (omgeving PSL-stadion). • Invulling geven aan die strategische reserve alsook compensatie zijn noodzakelijk, gezien het krappe aanbod in het segment modern gemengd. • Afspraak: structuurvisie ontwikkelen; niet alleen als verkenning van mogelijkheden voor kleinschalige locaties, maar veleer als totaalbeeld voor programmering en fasering van de terreinen in de regio. Deze afspraak stond al vanuit de vorige rapportage. Procedurele vragen (wie is verantwoordelijk gemeenten of regiobestuur) maken een inhoudelijke uitwerking niet minder noodzakelijk.

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

29

5.3. Efficiënte uitvoering bedrijventerreinenbeleid per regio
In het thema “Ondernemend Limburg” van het provinciaal coalitieakkoord, zijn onder actieprogramma 1.3 “bereikbaarheid en ruimte voor dynamische ondernemers” onder andere afspraken opgenomen over realiseren en monitoren van planningsopgave voor stedelijke en industrieel-logistieke terreinen. Uitvoering van het beleid is afhankelijk van adequate planontwikkeling op regionale/locale schaal. Plannen moeten worden omgezet in concrete projecten. We zullen gemeenten/regio’s aansporen om die planontwikkeling actief op te pakken. Niet alleen ambtelijk, maar ook door voortgang van projecten op de bestuurlijke regionale agenda te plaatsen. Deze geactualiseerde voortgangsrapportage is daarbij voor de provincie een signaleringsinstrument, waarop wij ook aangesproken willen en kunnen worden. Gezien het belang van die uitvoering van bedrijventerreinopgaven voor ondernemend Limburg, is het essentieel dat op politiek/bestuurlijk niveau de verantwoordelijkheid voor de tijdige realisering van terreinen ervaren wordt. In de huidige mindere economische tijden is een “pas op de plaats” niet gewenst. Anders dreigt onvoldoende aanbod bij economisch herstel. Het is niet doenlijk om op bestuurlijk niveau iedere gemeente aan te spreken. Voor het thema bedrijventerreinen is dit ook niet wenselijk, omdat de schaal van de problematiek regionale afstemming vergt. Toch willen we gemeenten met belangrijke taakstellingen op het gebied van bedrijventerreinen rechtstreeks blijven aanspreken. In het kader van het thema “Ondernemend Limburg” van het provinciaal coalitieakkoord voert de thema-verantwoordelijke bestuurder (half)jaarlijks overleg met gemeentelijke portefeuillehouders in regionaal verband. Daarnaast is er ook overleg met de diverse intermediairs. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan partijen, zoals in “L-6”-verband (Kamers van Koophandel, LWV, LOZO, LIOF, LLTB). Deze partijen zijn zowel bestuurlijk als ambtelijk aangesproken om een bijdrage te leveren. Ook zij kunnen bij gemeenten en in de regio aandringen op het belang van een snelle realisatie van de planningsopgaven. Verder is ondersteuning bij concretisering van zoeklocaties gewenst. Een overzicht van wat nog te doen is tot 2010 is aan de intermediaire organisaties aangereikt. Vanuit de thematiek van bedrijventerreinen, uitvoering en voortgang, zullen we de regiospecifieke conclusies uit deze voortgangsrapportage op de diverse bestuurlijke overleggen agenderen. Dit sluit goed aan bij de regionale insteek die nodig is voor het thema bedrijventerreinen en kan zo een tussenstap zijn om op termijn te komen tot regionale uitvoeringsorganisaties. Op basis van de conclusies in deze rapportage, zijn de volgende items interessant voor de regionale agenda: Maastricht Knelpunt in voorraadontwikkeling oplossen door zo spoedig mogelijk het bedrijventerrein Maastricht-Eijsden uitgeefbaar te maken; notitie in zake programmering en fasering van terreinen; het uitwerken convenant met gemeenten Maastricht en Eijsden over monitoring uitgifte in relatie tot terrein Panneslager. Parkstad Zoeklocaties strategische reserves aanduiden, zowel voor korte als lange termijn; met name op korte termijn locaties met een kleinschalige kavelstructuur; uitwerken in een Parkstad-structuurvisie; compensatievraagstuk in geval van incidentele onttrekking bedrijventerreinfunctie (PSL-stadion). Sittard-Geleen Planningsopgave en locaties strategische reserves regelen; mogelijkheden Chemelot-terrein bezien en zorgvuldig omgaan met bestaande restcapaciteit en indien afgewogen toch substantiële onttrekking bedrijventerreinfunctie compensatievraagstuk aan de orde stellen (Bedrijvenstad Fortuna). Roermond Functionele invulling Stadsrand Roermond (voldoende ruimte voor restant planningsopgave en strategische reserve stedelijke terreinen); voortgang bestemmingsplannen noordelijke resp. zuidelijke stadsrand. Weert Pannenweg West ontwikkelen om op korte termijn uitgeefbare capaciteit aan stedelijke terrein te hebben en idem Kampershoek Noord ontwikkelen om ook voor het segment transport en distributie in de regio Midden-Limburg

30

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

over uitgeefbare gronden te kunnen beschikken. Bewaking invulling en voortgang van bestemmingsplannen in deze. Venray Smakterheide III ontwikkelen zowel voor de planningsopgaven/strategische reserve aan stedelijke terreinen voor Venray alsook de regionale opvang voor transport- en distributie; scenario-ontwikkeling in relatie tot segmentering. Venlo Compensatie zoeken voor het verlies aan capaciteit aan stedelijk terrein in Venlo door het schrappen van plan Geloërveld-uitbreiding (extra planningsopgave). De provincie Limburg zelf is betrokken en aanspreekbaar op de voortgang van de projecten MAA-Oost en St. Joost. Beide terreinen geven zowel invulling geven aan de stedelijke behoefte van respectievelijk Maastricht en Roermond, alsook aan de regionale behoefte aan transport- en distributieterreinen.

5.4. REBIS op internet
Het coalitieakkoord van de Provincie Limburg zet onder andere in op meer openheid en communicatie. Daarnaast is in het thema “Ondernemend Limburg” één van de actieprogramma’s gericht op ruimte geven aan dynamische ondernemers. Deze twee thema’s communicatie en ruimte voor ondernemers willen wij samenbrengen door ons provinciaal bedrijventerreineninformatiesysteem REBIS beschikbaar te stellen via internet. REBIS ( = Ruimtelijk Economisch Bedrijventerreinen Informatie Systeem) is een monitoringsysteem dat we hebben opgezet voor bewaking en (bij)sturing van ons bedrijventerreinenbeleid. Het is een geografische databank gevuld met kaarten- en gegevensbestanden, waarvoor de informatie wordt aangeleverd door de terreinbeheerders, zowel gemeenten als private partijen. Alle gegevens worden jaarlijks geactualiseerd via een vaste cyclus. Met dit systeem houden wij “een vinger aan de pols” voor wat betreft de ontwikkelingen op de Limburgse bedrijventerreinenmarkt met tweërlei bedoelingen. Ten eerste om de voortgang te bewaken in de uitvoering van het bedrijventerreinenbeleid. Zowel voor wat betreft onze eigen rol als die van de gemeenten. Immers het definiëren van taakstellingen richting gemeenten/regio’s voor nieuwe bedrijventerreinen is pas effectief als je kunt beoordelen welke vorderingen worden gemaakt. Beoordelen of planningsopgaven en strategische reserves worden geëffectueerd kan alleen door systematische informatieverzameling te koppelen aan beleidsdoelstellingen en de resultaten/consequenties die daaruit voortvloeien te communiceren met onze uitvoeringspartners (gemeenten, private terreinbeheerders en ontwikkelingsmaatschappijen). De conclusies die daaruit naar voren komen zijn gebundeld in deze beleidsrapportage. Ten tweede informatieverschaffing, zowel over vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in onze provincie als ook over vraag- en aanbodontwikkelingen, lees uitgifte- en voorraadgegevens richting onze eigen organisatie, gemeenten, ontwikkelaars en overige geïnteresseerden. Deze gegevens bundelen we in een feitenrapportage, die we jaarlijks uitgeven onder de naam “Bedrijventerreinen aan bod in Limburg”. De laatste jaren ervaren we ook de roep om directe toegang tot REBIS in verband met beschikbaarheid van gronden (ondernemers) en als input voor beleid (gemeenten). Nu, we na een klein decennium sleutelen aan inhoud en vormgeving van het systeem, de technische en inhoudelijke standaarden op presenteerbaar niveau hebben, willen we aan die behoefte gaarne tegemoet komen. Tegelijkertijd met het publiceren van deze rapportage ontsluiten we dan ook het systeem REBIS via onze website (www.limburg.nl).

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

31

32

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL

33

34

Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL