2003. Nr. Dnst. Bestemmingsplan Oostvlietpolder. Leiden, 2 december 2003. 1.

Inleiding Het voornaamste doel van het bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ is de mogelijkheid creëren om in de Oostvlietpolder een bedrijvenpark te ontwikkelen. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Vliet, de Vrouwenweg, rijksweg A4 en recreatiegebied Vlietland. Krachtens de nu geldende bestemmingsplannen voor de Oostvlietpolder heeft de polder voor een groot deel een agrarische bestemming. Bij uitspraak van 29 augustus 2001 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan een eerder bestemmingplan voor de Oostvlietpolder de volledige goedkeuring onthouden. 2. Essentie van het plan 2.a Behoefte aan bedrijvenpark Het bestemmingsplan maakt door middel van een uit te werken bestemming de realisatie mogelijk in 2 fasen van 35 ha uitgeefbaar bedrijvenpark. De behoefte aan bedrijvenparken binnen de gemeente, maar ook binnen de regio is namelijk groot. De Oostvlietpolder is weliswaar na Polderpark Cronestein de laatste open polder binnen de grenzen van gemeente Leiden. Maar voor een goede verhouding tussen wonen, werken en recreatie in de stad Leiden is gekozen voor een gedeeltelijke verstedelijking van de Oostvlietpolder ten behoeve van extra werkgelegenheid. Elders binnen de stad of de regio is geen geschikte locatie voor een dergelijk bedrijvenpark. Fasering ontwikkeling bedrijvenpark Uitgangspunt is geweest om 40 ha uitgeefbaar bedrijvenpark in het plangebied mogelijk te maken. Krachtens het op 19 februari 2003 vastgestelde streekplan ‘Zuid-Holland West’ moest echter van een gedeelte van het geplande bedrijvenpark afgezien worden. Binnen het plangebied zal daarom gezocht worden naar een nieuwe locatie om de netto uitgeefbare grond voor het bedrijvenpark op 40 ha te brengen. De locatiekeuze is op dit moment echter afhankelijk van nader onderzoek en besluiten omtrent de infrastructuur in het gebied. Dit dient zorgvuldig te gebeuren. Voor de aanvullende locatie zal daarom een nieuwe bestemmingsplanprocedure noodzakelijk zijn. Momenteel wordt voor mogelijke uitbreiding gedacht aan: 1. in zuidelijke richting langs de A4 in het Aln-gebied 2. een gedeelte van het gebied voor de volkstuinen, indien dit gebied niet geheel nodig blijkt te zijn om te voldoen aan de vraag naar volkstuinen 3. het gebied tussen de Europaweg en de Vrouwenweg, indien de provincie in de toekomst verstedelijking van dit gebied toestaat. Verkeer In het bestemmingsplan heeft een reservering plaatsgevonden voor regionale en stedelijke verkeersontsluiting. Het plan houdt twee opties open, te weten een tracé voor de aanleg van een verbinding tussen de A4 en de A44 ten zuiden van Leiden en een tracé voor de verlenging van de Churchilllaan tot aan de A4. De reservering houdt in, dat op deze tracés niet gebouwd mag worden. De aanleg van beide tracés wordt door dit bestemmingsplan nog niet mogelijk gemaakt. : 03.0178. : BOWO

2.b

2.c

2

De tweede fasen van het bedrijvenpark kan in de toekomst ontsloten worden via de mogelijke tracés. Er wordt in het plan geen voorkeur uitgesproken voor één van de tracés. In het plan is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de Europaweg te verbreden, zodat de capaciteit van deze verkeersontsluiting vergroot kan worden. Verder is de mogelijke verbreding van de A4 buiten het plangebied gehouden, maar wordt er bij de inrichting van het plangebied wel aangesloten bij die mogelijke verbreding; het tankstation langs de A4 zal bijvoorbeeld verdwijnen. Ten slotte maakt het plan het mogelijk om ter hoogte van de (buiten het plangebied gelegen) waterzuiveringsinstallaties een fietsbrug aan te leggen over de Vliet. De fietsbrug zal aansluiten op een fietspad in oostelijke richting naar Zoeterwoude. 2.d Inrichting bedrijvenpark: verkaveling, hoogtes, groene inpassing en milieuzonering Bij de verkaveling van het bedrijvenpark wordt aangesloten bij het in het landschap aanwezige historische slagen patroon, dat wil onder meer zeggen dat lokale verkeersontsluiting zal plaatsvinden over wegen langs het bestaande sloten patroon. Door middel van de maximaal toelaatbare bouwhoogtes wordt voorkomen, dat er sprake zal zijn van een zichtlocatie vanaf de A4. Om deze reden wordt ook een groenstructuur aangebracht aan de oost- en zuidzijde van het bedrijvenpark. Aan de zijde van de Europaweg is daarentegen wel een zichtlocatie wenselijk, opdat hier een stedelijke entree ontstaat. In de toekomst zou daar de ontwikkeling van de zone tussen de Europaweg en de Vrouwenweg als bedrijvenpark op aan kunnen sluiten. Ten slotte is met de milieuzonering rekening gehouden met de omliggende functies als wonen en volkstuinen. Zone tussen Vrouwenweg en Europaweg Volgens het huidige bestemmingsplan, dat stamt uit 1961, mogen in dit gebied villa’s gebouwd worden. Dit past nu echter niet meer in de ruimtelijke visie voor dit gebied. Zoals aangegeven, was het oorspronkelijk de bedoeling ook in deze zone een deel van het bedrijvenpark aan te leggen, maar laat het nieuwe streekplan verstedelijking van de zone niet toe. Om voor de toekomst uitbreiding van het bedrijvenpark hier niet uit te sluiten en toch voor deze planperiode zo’n gunstig mogelijke bestemming aan de zone toe te kennen, is gekozen voor een recreatieve bestemming. Krachtens die bestemming mogen er ook sportvelden aangelegd worden. De nieuwe bestemming betekent echter een waardevermindering van de grond. Indien de grond niet aangekocht wordt door de gemeente, ligt een planschadeclaim van de projectontwikkelaar die de grond in eigendom heeft, voor de hand. Indien de zone echter buiten het plangebied gelaten wordt, zullen er villa’s gebouwd worden, hetgeen niet wenselijk is. De bestaande woningen aan de Vrouwenweg zijn in het plan positief bestemd. Vlietwegzone Het bestemmingsplan beoogt verder de ruimtelijke ontwikkelingen langs de Vlietweg te sturen. Voor de zuidelijke helft geldt een conserverend karakter, terwijl voor de noordelijke helft meer mogelijkheden gegeven worden, zoals extra woningbouw. Voor de locatie van de voormalige graansilo langs de Vliet is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van appartementen binnen de bouwmassa van de graansilo, als een soort landschappelijk-historisch geheugen. Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid wordt voorkomen, dat de bouw van de appartementen de verlenging van de Churchilllaan in toekomst om milieutechnische redenen belemmert.

2.e

2.f

3 Nr. Dnst. 2.g : 03.0178 : BOWO

Baggerstortlocatie - natuurcompensatie In het verleden is sprake geweest om in de Oostvlietpolder een baggerstortlocatie aan te wijzen. In voorliggende plan is een dergelijke locatie niet opgenomen. De locatie die ooit gedacht was voor de baggerstort, krijgt nu de bestemming natuur. Dit is noodzakelijk om in overeenstemming met de Flora- en Faunawet voldoende natuurcompensatie te bieden voor de aanleg van het bedrijvenpark. Het gebied zal nu juist afgeplagd moeten worden om voor een hoge waterstand te zorgen, hetgeen gunstig is voor weidevogels, in plaats van opgehoogd ten gevolge van baggerstort. Ecologische zone en Groenzone Door het plangebied loopt een ecologische zone. Deze verbindt Polderpark Cronestein en Recreatiegebied Vlietland met elkaar langs de bestaande wetering. Onder de Europaweg ligt reeds een duiker. Deze verkeersweg levert dus geen belemmering op. Daarnaast is in het plangebied een groenzone opgenomen langs de Vlietweg om het recreatieve karakter van deze verbinding tussen Polderpark Cronestein en Recreatiegebied Vlietland te versterken. Volkstuinencomplex Het aanwezige volkstuincomplex in het plangebied dient ook in het nieuwe plan een plaats te krijgen, waarbij rekening gehouden wordt met de verplaatsing van het volkstuinencomplex Veldheim ten behoeve van de uitbreiding van de begraafplaats Rhijnhof. Vooruitlopend op dit bestemmingsplan wordt de herinrichting van het volkstuinencomplex in de Oostvlietpolder gerealiseerd door middel van een vrijstelling van het huidig geldende bestemmingsplan op grond van artikel 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Studentenhuisvesting in voormalig klooster aan de Vrouwenweg Gemeente Leiden heeft een inspanningsverplichting op zich genomen om zo veel als mogelijk mee te werken aan nieuwe locaties voor studentenhuisvesting. In dat kader is bekeken of het mogelijk is om de studentenhuisvesting bij het voormalige klooster uit te breiden. Gebleken is echter, dat extra studentenhuisvesting op deze locatie niet mogelijk is. Gezien de geluidsoverlast en luchtkwaliteit vanwege de rijksweg A4 en de Europaweg is uitbreiding van de woonfunctie op deze locatie onmogelijk. Bovendien ligt het complex buiten de rode bebouwingscontour van het streekplan, hetgeen betekent dat verstedelijking en dus extra woonruimte hier niet toegestaan is. Wel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het bestaande complex ten einde hier een horecafunctie, congrescentrum of bedrijfsverzamelgebouw mogelijk te maken.

2.h

2.i

2.j

3. Procedure Aangezien de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 29 augustus 2001 de volledige goedkeuring onthouden heeft aan het door uw raad op 27 april 1999 vastgestelde bestemmingsplan voor de Oostvlietpolder, dient het gemeentebestuur binnen de door de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet voorgeschreven termijnen met een nieuw bestemmingsplan te komen ten einde de aanhoudingsplicht met betrekking tot bouwaanvragen voor het plangebied, te handhaven. Op dit moment geldt, dat uw raad uiterlijk op 23 januari 2004 een nieuw bestemmingsplan dient vast te stellen voor de Oostvlietpolder ten einde de aanhoudingsplicht te continueren. De aanhoudingsplicht houdt in, dat bouwaanvragen voor het plangebied waarvoor geen weigeringsgrond geldt, aangehouden worden. Dat is in dit geval van belang om te voorkomen, dat voor het gebied tussen de Vrouwenweg en de Europaweg een bouwvergunning afgegeven dient te worden voor de bouw van 21 villa’s conform het huidig geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is vastgesteld in 1961 door de raad van gemeente Zoeterwoude, toen dit gebied nog tot deze gemeente behoorde. De bouw van de villa’s past nu echter, zoals hierboven aangegeven is, niet meer in de ruimtelijke visie voor dit gebied.

4

Het voorontwerp-bestemmingplan heeft ingevolge artikel 6a WRO en de Inspraakverordening van gemeente Leiden met ingang van 13 januari 2003 tot en met 3 maart 2003 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk commentaar te geven op het voorontwerp. Op 20 februari 2003 heeft over het voorontwerp-bestemmingsplan een inspraakbijeenkomst plaatsgevonden. Deze werd bezocht door 95 belangstellenden. In totaal zijn 42 verschillende schriftelijke reacties ontvangen. In het kader van het vooroverleg met andere overheden ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening zijn 13 schriftelijke reacties ontvangen. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 WRO met ingang van 28 augustus 2003 tot en met 24 september 2003 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een zienswijze op het ontwerp kenbaar te maken. Naar aanleiding van het ontwerp zijn 233 schriftelijke zienswijzen ingediend. Hiervan zijn er respectievelijk 174, 10 en 2 (afgezien van enkele individuele aanvullingen) gelijkluidend en 12 van instanties. Het betreft in totaal 50 verschillende schriftelijke zienswijzen. 4. Zienswijzen en ambtshalve voorgestelde aanpassingen In de notitie ‘Zienswijzen’ (met kenmerk 153.10242.22 van 25 november 2003) is de zakelijke inhoud van de schriftelijke zienswijzen weergegeven. Verder wordt per zienswijzen een conclusie voorgesteld, namelijk ontvankelijk of niet-ontvankelijk. Indien voorgesteld wordt een zienswijze ontvankelijk te verklaren, wordt tevens voorgesteld om de zienswijze ongegrond, gegrond of gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond te verklaren. De notitie dient als onlosmakelijk onderdeel van dit raadsvoorstel te worden beschouwd. Te uwen informatie willen wij de zienswijzen als volgt samenvatten: Nut en noodzaak van het bedrijvenpark. Natuurwaarden Verkeer Bouwhoogten Rijksbeleid Onze visie daarop is als volgt: Nut en noodzaak Het tekort aan bedrijventerrein is onderbouwd in de "Quick scan behoefteraming bedrijventerrein Leidse regio en Duin- en bollenstreek" van ECORYS-NEI. De behoefteraming is een resultante van een confrontatie van de toekomstige vraag en het verwachte aanbod. In de Leidse regio is een tekort aan terstond uitgeefbaar terrein. Dit wordt onderbouwd in het rapport "Actualisatie nieuwe behoefte bedrijventerrein Leidse regio, stand van zaken januari 2003 (concept). Relevante informatie over het aanbod in de regio is in het bestemmingsplan opgenomen. In de afgelopen jaren is het areaal gepland bedrijventerrein gedaald. Het tekort aan bedrijventerrein is als gevolg daarvan verder opgelopen. Actuele cijfers die thans beschikbaar zijn (peildatum 1 januari 2003) geven aan dat het toekomstige aanbod 40 tot 45 ha lager zal liggen dan waar in eerdere behoefteramingen vanuit gegaan was (bron: ECORYS-NEI maart 2003). Gebruik van actuele cijfers laat hier zien dat de het tekort aan bedrijventerrein in de Leidse regio eerder toe- dan afneemt. Natuurwaarden De te bebouwen polderdelen zijn van relatief geringe ecologische waarde. De meest natuurrijke delen van de polder blijven ongemoeid (zuidwesthoek) of worden ecologisch opgewaardeerd (reservaat). De uit het oostelijke deel van de polder te verdwijnen plant- en diersoorten kunnen zich in het westelijk deel zeker handhaven. Het ministerie van LNV is akkoord met de geboden natuurcompensatie.

5 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Het onderzoeken van dergelijke relaties is slechts mogelijk met langjarig onderzoek waarvoor overigens geen eenduidige methodieken bestaan; het behouden en versterken van de meeste weidevogelrijke gebiedsdelen en de aanleg van de ecologische verbindingszone, bieden in ieder geval de beste mogelijkheid om eventuele relaties met de omgeving te behouden. Overigens maakt de Oostvlietpolder geen deel uit van de (provinciale) ecologische hoofdstructuur en vormt het gebied derhalve geen cruciale schakel tussen omliggende natuurgebieden. Verkeer Zolang de studie over de verbinding tussen de A4 en de A44 niet is afgerond, bestaat er inderdaad onzekerheid over de toekomstige verkeersstructuur. Het is juridisch-planologisch dan ook niet mogelijk de A11/N11 of de verlengde Churchilllaan positief te bestemmen met een verkeersbestemming, noch daar nu reeds een keuze in te maken. Op dit moment moet worden volstaan met het geven van een bestemming aan de gronden waar deze infrastructuur zou moeten komen, die weinig of geen extra belemmeringen geeft (geen bebouwing toegestaan). De noordwesthoek van het plangebied is juist gekozen als natuurcompensatiegebied, omdat de aantasting bij aanleg van de A11/N11 beperkt is, afhankelijk van de uitvoering van deze weg In het bestemmingsplan wordt zowel aan het fietsverkeer als aan het openbaar vervoer aandacht besteed. Tevens wordt binnen de duurzaamheidsdoelstelling ingezet op vervoermanagement. Bouwhoogten In het kader van intensief ruimtegebruik is de maximale bebouwingshoogte 18 m, met uitzondering van de bebouwingsstroken langs de A4, het agrarisch gebied, de ecologische zone, de Groenzone en de volkstuinen waar maximaal 12 m is toegestaan. Langs de Europaweg wordt een maximale bebouwingshoogte van 24 m toegestaan. Door een hoogte van 18 m toe te staan wordt bedrijven de mogelijkheid geboden de ruimte intensief te benutten, bijvoorbeeld door het inrichten van een tweede vloer in de bedrijfshal. Aan de zijde van de A4 is de bebouwingshoogte bewust lager gehouden. In combinatie met een duidelijke oriëntatie van de bedrijven op de noordzuidgeoriënteerde watergangen en met de brede groenstrook die tussen Hofvlietweg en bedrijvenpark gerealiseerd zal worden, wordt daarmee voorkomen dat het bedrijventerrein een (zicht-)locatie voor kantoren wordt. Rijksbeleid Het bestemmingsplan is niet in strijd met het rijksbeleid. Het bedrijventerrein krijgt een groene inpassing. De gemeente wil niet wachten met het ontwikkelen van het bedrijventerrein totdat de procedure voor de Vijfde Nota is afgerond, omdat de behoefte aan bedrijventerrein in de regio groot is en de ontwikkeling van de Oostvlietpolder in overeenstemming is met het provinciale beleid. Gelet op de ontwikkelingen in de landelijke politiek, kan het afronden van de procedure rond de Vijfde Nota nog geruime tijd in beslag nemen. Daar wil de gemeente niet op wachten. Voorts is van belang, dat de gemeente voor 29 augustus jl. een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wilde leggen. Als dit niet gebeurd was, dan zou de aanhoudingsplicht vervallen zijn. Daarnaast heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij het vernietigen van de goedkeuring van het "oude" bestemmingsplan impliciet aangegeven zich te kunnen vinden in het verwezenlijken van 40 ha netto bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. Hieronder is een overzicht opgenomen van de indieners van zienswijzen en de voorgestelde reactie op de zienswijzen.

6

Tabel 1.
naam

Zienswijzen kenbaar gemaakt door particulieren
binnengekomen boeknummer niet-ontvankelijk ongegrond ontvankelijk gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond gegrond

Overdevest C.F.Hulsbos Westerink-Verbeek J.M.H. Pulissen en M.A.A. Paulissen-Zaaijer S. Bras J.A. Hillenaar G, Venema Huurdervereniging C.Fresco Y.M. Burg Fam Schouten J. Wit C.L. Deelen Leidse Bond van Amateurtuinders Vereniging Vrienden Oostvlietpolder C. Klein J.Hoogendoorn J.P.H.M. Adema F. Pieters J. W. de Jong Kuyper J. Ram P.L. Hermans H. Reijken Th. Overdijk J. Verschoor T. Fokke C. Rog E.M.C. Klein M.C. Pieters Woonvereniging Cronesteyn M. van Kapel A.Rijnsburger A.T.G. Verburg en M.J. Moorman A.E. Brons K.H. kreuer R. de Bondt W. van der Kwaak W.G en N.E. Bakker

10-09-03 17-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03

543 561 563 564 565 566 572 573 567 574 576 575 577 578 579 580 581 582 583 584 585 586 587 588 589 590 591 592 593 594 595 596 597 598 599 600 601 602 603 X X

X X X X X X X X X X X X X

X X X X X X X X X X X X X X X X

X X X X X X X X

7 Nr. Dnst. Th. Sekuur E. van der Meer W. Vervoort en L. Vervoort-mol R.A. Schoop Van Rijn-Van der Drift J. Louwrier J.W. van Kuijk J. Paardekooper M. Janssen Keizer J. Ammerlaan L. Bakker D. Piket M. van de Paverd Zierikzee J. Li M. Glasbergen S. de Vos Gussenhoven J. van Rijn M. van Latum S. Heemskerk W. van Elk C.E.Schoo en M.G. Schoo W.J.G.Schoo O.J. Heidt P.Kranenburg Rijnsburger P. Hofstraa 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 604 605 606 607 608 609 610 611 612 613 614 615 616 617 618 619 620 621 622 623 624 625 626 627 628 629 631 632 633 X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X : 03.0178 : BOWO

Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens C.P. Lagerberg Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens P.J.M. van Haastert J.F. Steven J.J. Steven J. B. Steven L.J. Teeuwen Van de Aardweg E.J.W. Heithuis M.J. Steven-Jongbloed B. Peltenburg S. Volkers

24-09-03

636

X

23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 22-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

637 638 639 640 641 642 643 644 645 646

X X X X X X X X X X

8

R. Holverda Hendriksen T. H. Roodakker De Bruin Van Dartel D.P. van Velzen Suzan BSP Architecten BNA, namens Hillenaar A.M.C. Roodakker J.R. van der Heijden P. Mink Jasperse N. Handgraaf W. Handgraaf J.C. Kabel A.S. Alting Onderwater W. Schroot Stolk C.Meijdam T. Kamp S. Görlig T.Y. Sloos Sloos- van Haastrecht H.C. van der Plas G. van der Mey-de Jong E. Tromp M. Feyen M.N. Bosch R. Holverda Zonder naam J. Beyer P. Buis M. Boezaard M. Willems G. Ruwaard J.C. Righart van GelderKlein L. Th. Righart van Gelder M. Righart van GelderVan der Vos W. Righart van Gelder D. Righart van Gelder Hennny C.J Righart van Gelder Bunschoten L. de Koning Vlieland B. Dijkman

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 10-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

647 648 649 650 651 652 653 20653 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669 670 671 672 673 674 675 676 677 678 679 680 681 682 683 684 685 686 687 688 689 690 691 692

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

9 Nr. Dnst. L. de Koning Splinter Schraa G. de Geus H. de Geus M. van Went H.C. Betgen C.W. Bronk C. J. Betgen J. J. Van den Bos H. Stikvoort J. Klink R. Kruit J. Straver Van Velzen Van Dartel Van der Hoeven Antoon Leget Edwin P. van Tongeren M.J. van der Heiden P. Webbers C van de Bent Roodakker Mevr. J. van Bemmelen H. Olijerhoek J. Buitendijk Lommers M. van Bemmelen C.N.M. Berg E. van Rijn F.G. M. van der Helm M. Ende H. J. Stikvoort A.W. Straver-de Boef P.L. Bakker M.Koet J. Kluivers P. van Meer J. van der Veer L. van Gent A. Couwenberg B. Van der Wijden R. Betgen Van der Valk W. van der Valk A. van Velzen G.M. van Velzen 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 693 694 695 696 697 698 699 700 701 702 703 704 705 706 707 708 709 710 711 712 713 714 715 716 717 718 719 720 721 722 723 724 725 726 727 728 729 730 731 732 733 734 735 736 737 738 739 740 741 X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X : 03.0178 : BOWO

10

Noordduyn L. Lamboo Bomenbond Rijnland Vereniging Vrienden van het Polderpark Cronesteyn D.R. van Wingerden H. Kuyk Fam. C.H.M.M. Meijer W.J. van der Post A.M.M. van Steijn P.H. Eduard en T. Eduard- Hoogendoorn C.A.P. Westgeest Loncq de Jong LVI, Vereniging voor ondernemingen G.J. Nieboer en M. Wegman Th.G.J. v.d. Berg A.J. v.d. Krogt A.J.M. van der Krogt en L.H.M. van der Krogt H. en M. Niersman Vereniging Bewoners Vrouwenweg Rijnland BV, namens Rijnland BV en Boskalis BV La Gro Advocaten, namens Niersman Beheer BV Van Eyk H. Bouhuis en M.J. Latooij Tuingroep Önderlinge Tuinvereniging Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder P. van Straaten La Gro Advocaten, namens N.J. van Schie en A.A.P. van Schie-van Santen A.A.M. Mooijman Houthoff Buruma, namens BZH BV WLTO Advies, namens A.S. de Wit

24-09-03 23-09-03 24-09-03

742 743 744

X X X

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

746 748 750 749 751 752 753 754 755 756 745 757 758 X

X X X X X X X X X

X X X

24-09-03 23-09-03 23-09-03

759 760 761

X X X

23-09-03

762

X

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

763 765 768 769

X X X X

24-09-03 24-09-03

770 771

X X

25-09-03 25-09-03

772 773

X X

24-09-03 25-09-03

774 775

X X

11 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

WLTO Advies, namens Maatschap van der Post C.J. Slootweg Recreatiecentrum Vlietland BV Haarsma Zuid-Hollandse Milieufederatie H. Verkade C. Overdijk H.Lelieveld M.Gordijn O.Langezaal E.Langezaal-Ehberts B.Vermeulen T.Pino Stichting Leidse Studentenhuisvesting E. en J. Hoogendoorn De Milliano Advocaten, namens fam. Laken

25-09-03 25-09-03 24-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 26-09-03 26-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 16-10-03 22-09-03 24-09-03

776 778 779 780 784 786 787 788 792 793 793 795 815 20883 20935

X X X X X X X X X X X X X X X

23-09-03

X

Tabel 2.
Naam

Zienswijzen kenbaar gemaakt door instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10 overleg worden betrokken
Datum ingeboekt Boeknummer Nietontvankelijk ongegrond Ontvankelijk Gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond gegrond

Gemeente Voorschoten Hoogheemraadschap van Rijnland Gastransport Services Rijksdienst voor Bodemonderzoek Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland Kamer van Koophandel Rijnland Hoogheemraadschap van Rijnland Gemeente Warmond Gemeente Zoeterwoude Gemeente Zoeterwoude Gemeente Voorschoten

19-09-03 23-09-03 23-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 02-10-03 29-09-03 29-09-03 14-10-03 27-10-03

568 635 634 747 777 785 802 geen 789 789 829 X X X X X

X X X X X

X

12

Samenwerkingsor-gaan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Leidse Regio

29-10-03

21701

X

Ten slotte worden in de notitie ‘Zienswijzen’ aanpassingen in het ontwerp-bestemmingsplan voorgesteld. Het betreft aanpassingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve voorgestelde aanpassingen. Aanpassingen aan de plankaart zijn tevens aangegeven op een bij de notitie behorende kaart (met kenmerk VIC 0276 van 19 november 2003). Hieronder is in tekst aangegeven, welke aanpassingen voorgesteld worden in achtereenvolgens de toelichting, de kaart en de voorschriften. 4.1. Toelichting 4.1.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Meerdere pagina's De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". blz. 17 In de paragraaf "Beleid waterschap en Hoogheemraadschap" zal nadrukkelijker worden ingegaan op Rijnlands Leidraad Planvorming Stedelijk Gebied. blz. 24 Aan de paragraaf Archeologie zal het volgende worden toegevoegd: "Deze vindplaatsen worden, afhankelijk van de locatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse, behouden dan wel opgegraven. Hierbij gaat de voorkeur uit naar behoud, tenzij voorgenomen ontwikkelingen dit niet mogelijk maken." blz. 31-32 De paragraaf "Bodemonderzoek" zal worden uitgebreid met een passage over de verontreiniging ter hoogte van (het pad naar) het gasdrukregel- en meetstation en met een passage over het feit dat de gemeente pas bodemonderzoek kan laten uitvoeren op het moment dat het haar eigendom is of het moment dat de grondeigenaar daar toestemming voor geeft. blz. 43 De bestemming "recreatie" voor de zone Vrouwenweg-Europaweg wordt nader aangeduid (polderparkachtige inrichting, geen volkstuinen, eventueel sportvelden). Dit gebeurt tevens voor de percelen met een recreatiebestemming nabij recreatiepark Vlietland (geen bebouwing). blz. 47/blz. 68 Er wordt verduidelijkt dat het plan door middel van verbreding Europaweg (inclusief capaciteitsvergroting) en Lammenschansplein voldoende mogelijkheid biedt om het bedrijventerrein goed te ontsluiten oplossing als onverhoopt noch de verlengde Churchilllaan noch de A11/N11 doorgaat; het bestemmingsplan maakt deze oplossing mogelijk, voor het geval, dat nieuwe infrastructuur achterwege blijft en een gefaseerde ontwikkeling in afwachting van nieuwe infrastructuur tot te grote vertraging zou leiden. Er wordt aangekondigd dat bij het opstellen van het uitwerkingsplan voor het UB-gebied nader mobiliteitsonderzoek zal plaatsvinden ten behoeve van de uitwerking van de infrastructurele voorzieningen. blz. 58 (figuur 9) en blz. 59 Aan de zijde van het Aln-gebied wordt een afschermende groenzone opgenomen.

13 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

blz. 60 De groenstrook tussen Aln-gebied en UB-gebied wordt in de tweede alinea vermeld bij het voorkómen van een zichtlocatie. De alinea "Een geleidelijke overgang ter plaatse van de kade" wordt aangepast (titel en inhoud). blz. 70 "Europalaan" wordt vervangen door "Europaweg" in de alinea onder het kopje "Fietsverkeer". blz. 72 De toelichting op de milieuzonering horeca wordt aangepast aan de voorschriften: categorie 2 is toelaatbaar (horecavoorziening Vlietweg). blz. 73 De toelichting op het akoestisch onderzoek zal in die zin worden aangevuld, dat bij verbreding van de Europaweg (met toepassing van wijzigingsbevoegdheid I) het geluidsniveau ter hoogte van het UGWgebied en de aanduiding "P" binnen de W2-bestemming zonodig met geluidswerende voorzieningen binnen de normstelling gehouden moet worden. blz. 78 In de laatste alinea van "groenzone" wordt "en den" verwijderd. Onder W2 wordt aangegeven dat de schaal van de beoogde sauna van dien aard moet zijn dat deze geen milieuhinder voor de omliggende woningen veroorzaakt. blz. 81 In hoofdstuk 8 van de toelichting zal een korte samenvatting van de exploitatieopzet worden opgenomen, waaruit de economische uitvoerbaarheid van het plan duidelijk wordt. 4.1.2. Ambtshalve aanpassingen blz. 78 In "uit te werken gebied voor Groenzone en Woondoeleinden" wordt in de tweede regel "dor" vervangen door "door". 4.2. Kaart 4.2.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen a. b. c. d. Het perceel Vlietweg 1a zal een wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden 1 krijgen in plaats van een directe bestemming. Bij Vlietweg 106 wordt een correctie op de plangrens doorgevoerd. Langs de westelijke grens van het UB-gebied zal de bestemming Aln ter breedte van 20 m gewijzigd worden in de bestemming Groenvoorzieningen. De groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg wordt duidelijker op de kaart aangegeven door middel van twee lijnen (één op 30 m en één op 70 m uit de gereconstrueerde Hofvlietweg), die de minimale en de maximale diepte van de groene afscherming aangeven. Een perceel aan de westzijde van het plangebied, dat bij het recreatiegebied Vlietland gevoegd zal worden, krijgt een recreatieve bestemming (in plaats van Aln-bestemming) met de aanduiding z (zonder bebouwing). De strook nabij Vlietland, die in het ontwerpbestemmingsplan reeds een recreatieve bestemming had, krijgt de nadere aanduiding z (zonder bebouwing). De aanduiding “P” in de bestemming W2 zal worden verplaatst naar het juiste perceel.

e. f. g.

14

h. i. j. k. l. m. n. o.

De maximale bouwhoogte van 12 m langs de groenzone en ter weerszijden van de ecologische zone wordt doorgetrokken tot aan de Europaweg. De westelijke begrenzing van het UGW-gebied zal worden aangepast om meer ruimte te bieden voor een mogelijke doortrekking van de Churchilllaan. De situering van de bestemming "waterkering" ter hoogte van de Vlietweg zal worden aangepast. De bestemming "Verkeersdoeleinden" nabij de brug over de Vliet zal worden gecorrigeerd; ten onrechte is daar de bestemming "Groenzone" gelegd. Bij perceel Vlietweg 3 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van tuinhuis; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 8 van de voorschriften. Bij perceel Vlietweg 82 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van de arbeiderswoning; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 14 van de voorschriften. De aanduidingen "verkeersontsluiting" vervallen met uitzondering van de meest westelijke aanduiding bij de Hofvlietweg. De aanduiding "verkeersontsluiting" bij de Europaweg wordt vervangen door de aanduiding "verkeersstructuur", die parallel aan de ecologische zone wordt voortgezet tot de haaks daarop staande aanduiding verkeersstructuur

4.2.2. Ambtshalve aanpassingen a. b. c. d. De bestemming "Groenvoorzieningen" aan de oostzijde van de Europaweg nabij de brug over de Vliet wordt gewijzigd in de bestemming "Verkeersdoeleinden". Ter weerszijden van de Lammebrug wordt over de bestemming "Water" een wijzigingsbevoegdheid gelegd naar de bestemming "Verkeersdoeleinden". Bij de Aanduidingen wordt bij milieucategorie "3.4" vervangen door "3.1" of "3.2". Categorie 4.2 in de UB-bestemming wordt op een afstand van 50 m van categorie 4.1 aangegeven, ook tussen de volkstuinen en de A4 in.

4.3. Voorschriften 4.3.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Artikel 1 De begripsomschrijving "horeca" wordt toegevoegd: "een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten: het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken; het exploiteren van zaalaccommodatie; het verstrekken van nachtverblijf." Artikel 3 lid 2 Aan de beschrijving in hoofdlijnen zal een paragraaf "recreatie/volkstuinen" worden toegevoegd, waarin onder meer op de ontsluiting van het volkstuincomplex zal worden ingegaan. De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". Artikel 4 lid 1 Tweede gedachtestreepje wordt: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien". Gedachtestreepje invoegen: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersontsluiting" een ontsluitingsweg is voorzien”. Artikel 4 lid 2 uitwerkingsregels toevoegen: watergang tussen bedrijventerrein en volkstuincomplex bedrijfsbebouwing op minimaal 10 m uit bestemmingsgrens ad i: de bepaling inzake de groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg zal worden verduidelijkt.

15 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Artikel 5 lid 1 Binnen de bestemming R (Recreatieve doeleinden) wordt nader onderscheid gemaakt tussen de (hoofd)bestemming R en de subbestemming Rv (volkstuinen). Tevens wordt gebruikgemaakt van een nadere aanduiding (z) op gronden waar geen bebouwing of sportvelden worden toegestaan. Artikel 5 lid 2 Er wordt onderscheid gemaakt in de bebouwingsvoorschriften ter plaatse van de bestemming R en ter plaatse van de subbestemming Rv. Binnen de bestemming R wordt bebouwing zo beperkt mogelijk gehouden. Artikel 7 lid 1 De zinsnede: "ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting van het bedrijventerrein" een ontsluitingsweg is voorzien" wordt vervangen door: "ter plaatse van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien”. Artikel 8 lid 2 Met verwijzing naar aanduiding op de plankaart worden de bebouwingsvoorschriften zodanig aangevuld, dat het bouwplan Vlietweg 3 mogelijk wordt, waarbij bepaald wordt dat het bouwplan alleen de huidige locatie van de voormalige paardenstal mag betreffen en de oppervlakte maximaal 120 m2 mag bedragen. De maximale goothoogte bedraagt 2,75 m en de maximale bebouwingshoogte 6,75 m. Artikel 9 lid 1 in doeleindenomschrijving "(ontsluitings)wegen" schrappen laatste gedachtestreepje: "artsenpraktijk" vervangen door "praktijk voor sociaal-medische doeleinden met dienstwoning", Artikel 9 lid 2 Nadere bouwvoorschriften opnemen voor percelen met aanduiding "P" en "S", te weten: a. het maximale bebouwd oppervlak 350 m2, waarvan maximaal 150 m2 voor een dienstwoning bij de aanduiding "P" (overeenkomend met het maximum, dat ook voor de andere woningen binnen de bestemming W2 zal gaan gelden); b. de maximale bouwhoogte en goothoogte van de dienstwoning bij de aanduiding "P" bedraagt 8 m; c. de bouwhoogte van de dienstwoning bij de aanduiding "P" dient kleiner te zijn dan de bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden: d. de maximale bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3,5 m; e. voor "S" wordt tevens aangegeven: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de grens met de bestemming W2 bedraagt tenminste 5 m"; f. er wordt toegevoegd dat aard en omvang van de sauna van dien aard moeten zijn dat geen hinder voor de omgeving ontstaat; g. de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 10 m, de maximale goothoogte bedraagt 6 m; h. de maximale bouwhoogte van de bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3.5 m; i. het maximale bebouwd oppervlak mag, binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding "S", ten opzichte van de huidige situatie, toenemen met 50 m2.

16

Artikel 10 lid 2 De uitwerkingsregels voor de UGW-bestemming zullen als volgt worden aangevuld op het punt van de overgang naar de bestaande bebouwing: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de grens met de bestemming W2 bedraagt tenminste 10 m". Artikel 14 Met verwijzing naar de aanduiding op de plankaart wordt het voorschrift zodanig aangevuld dat de huidige arbeiderswoning een bestemming als tweede dienstwoning krijgt. Artikel 16 lid 1 De doeleindenomschrijving voor de bestemming Leidingen zal als volgt worden aangepast: "De gronden binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van de als zodanig op de kaart aangegeven (hoofd)aardgasleidingen en watertransportleidingen, zijn mede bestemd voor leidingen." Artikel 24 Er wordt een wijzigingsbevoegdheid voor de woonbestemming Vlietweg 1a toegevoegd. Hierbij wordt opgenomen dat hiervan alleen gebruik kan worden gemaakt indien dit uit nader ecologisch onderzoek mogelijk blijkt te zijn. 4.3.2. Ambtshalve aanpassingen Algemeen "voorgevelrooilijn" wordt vervangen door "voorgevel van het hoofdgebouw". Artikel 1 begripsomschrijving 11 "voorgevelrooilijn" vervalt. Artikel 7 lid 1 Toegevoegd wordt: "Binnen ten hoogste 25 m ter weerszijden van de aanduiding "fietspad" is een fietsverbinding voorzien." Artikel 9 lid 2 Toegevoegd worden de volgende bepalingen: "de voorgevel van het hoofdgebouw bevindt zich op ten minste 2 m en ten hoogste 15 m uit de grens met de bestemming verblijfsgebied". "het hoofdgebouw heeft een oppervlak van ten hoogste 250 m2". De bepaling onder a vervalt. Artikel 22 lid 1 Onder d: bouwsels zijn met vrijstelling toegestaan tot maximaal 2,5 m voor de voorgevel van het hoofdgebouw (i.p.v. 1 m). Onder i: windturbines zijn met vrijstelling op 100 m uit de Europaweg toegestaan (i.p.v. 300 m). Artikel 24 lid 2 "artikel 16" wordt vervangen door "artikel 17". Degenen die een zienswijze ingediend hebben, zijn op 8 januari 2004 conform artikel 23 WRO in de gelegenheid gesteld om aan uw raad hun zienswijze nader mondeling toe te lichten.

17 Nr. Dnst. 5. Globale verkenning financieel-economische haalbaarheid bestemmingsplan Oostvlietpolder Naast de juridische en maatschappelijke haalbaarheid van de uitvoering van het bestemmingsplan Oostvlietpolder, is ook een onderzoek gedaan naar de financieel-economische haalbaarheid. Daartoe is de notitie “Globale verkenning financieel-economische haalbaarheid Oostvlietpolder” opgesteld. Deze notitie is in verband met financiële belangen van de gemeente vertrouwelijk en ligt daarom op de gebruikelijke wijze voor raadsleden ter inzage. In hoofdlijnen willen wij u evenwel de uitkomsten van de notitie schetsen. In een later stadium zal een definitieve vast te stellen grondexploitatie aan de raad worden voorgelegd. Allereerst is het plangebied benoemd en zijn de toekomstige bestemmingen aan de verschillende gronden toegekend overeenkomstig het ontwerp bestemmingsplan. Uit die berekening blijkt dat het totale gebied van 200 hectare betreft waarbij meer dan 100 hectare een ‘groene bestemming krijgt ( 45 hectare agrarisch, 24 hectare recreatief, 8 hectare ecologie en 30 hectare natuurgebied). Het bedrijvenpark meet 47 hectare. De overige hectares hebben vooral betrekking op bestaande functies (wonen, wegen, water). Kosten Aan de kostenkant is rekening gehouden met de aankoop van agrarische grond ten behoeve van het bedrijvenpark én de realisatie van het natuurgebied. Daarbij is uitgegaan van de in de afgelopen jaren gestegen prijs van agrarische grond. De totale omvang van de aankoop, planschade en sanering van gronden is aanzienlijk en ligt rond de 35 miljoen euro. De tweede grote kostenpost is het bouwrijp maken van het bedrijvenpark. Daarbij zijn de kosten van ophoging, verharding, riolering en kunstwerken in beeld gebracht. De inrichtingsschets van de stadsbouwmeester is leidraad geweest in samenhang met ons streven om van de 47 bruto hectares nu 35 hectare uitgeefbaar terrein te realiseren. Bij deze financiële onderbouwing is nog geen rekening gehouden met de 5 hectare uitgeefbaar terrein die in de toekomst via een bestemmingsplanwijziging zal worden gevonden. De exacte maten zullen de komende jaren werkenderweg in beeld komen. De kosten van bouwrijp maken belopen circa 45 miljoen euro. Hier komen ongeveer 5 miljoen euro aan kosten voor rente en inflatiecorrectie bij. Het Grondbedrijf kent overigens met ingang van 2003 de kostencomponent ‘niet verrekenbare BTW’ op grondexploitaties niet meer. Deze voormalige kostencomponent wordt bij de invoering van het BTW-compensatiefonds geclaimd bij dit fonds. Opbrengsten Aan de opbrengstenkant wordt de hoofdmoot bepaald door de grondprijs van de te verkopen grond. De uitgifte van de grond nabij de Vlietweg voor de bouw van woningen levert eveneens een bijdrage. De totale opbrengst van uitgifte van grond is becijferd op circa 85 miljoen euro. Daarbij is ook rekening gehouden met de toegekende TIPP-subsidie. De eindconclusie van de financiële verkenning is dat de exploitatie naar de thans bestaande inzichten sluitend is. 6. Voorstel Op grond van het voorgaande en met verwijzing naar het advies van de commissie voor Ruimte en Groen van 15 januari 2004 en de overige in de leeskamer ter inzage gelegde stukken, stellen wij uw Raad voor het hierna in ontwerp afgedrukte besluit te nemen. Wij stellen uw Raad voor het hierna in ontwerp afgedrukte besluit te nemen. Burgemeester en Wethouders van Leiden, de Secretaris, de Burgemeester, P.I.M. v.d. WIJNGAART. H.J.J. LENFERINK. : 03.0178 : BOWO

18

De Raad der gemeente Leiden; Gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders (raadsvoorstel nummer 03.0178 van 2 december 2003, inclusief de notitie ‘Zienswijzen’ (met kenmerk 153.10242.22 van 25 november 2003) en de plankaart met voorgestelde aanpassingen (met kenmerk VIC 0276 van 19 november 2003), mede gezien het advies van de commissie voor Ruimte en Groen van 15 januari 2004, Overwegende: a. dat het gewenst is het bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ vast te stellen; b. dat het ontwerp-bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met ingang van 28 augustus 2003 tot en met 24 september 2003 voor een ieder ter inzage gelegen heeft; c. dat gedurende de termijn van terinzagelegging een ieder in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk een zienswijze op het ontwerp kenbaar te maken; d. dat naar aanleiding van het ontwerp 233 schriftelijke zienswijzen ingediend zijn; dat er hiervan respectievelijk 174, 10 en 2 (afgezien van enkele individuele aanvullingen) gelijkluidend zijn en 12 van instanties; dat het in totaal 50 verschillende schriftelijke zienswijzen betreft; e. dat de indieners van de zienswijzen op 8 januari 2004 in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijzen mondeling toe te lichten; f. dat de zienswijzen met de boeknummers 787, 788, 789, 793, 795, 802, 815, 21701 en de zienswijze van gemeente Warmond zonder boeknummer niet binnen de gestelde termijn ontvangen zijn en dat derhalve, gezien ook het raadsvoorstel en het advies van de commissie voor Ruimte en Groen, naar het oordeel van de gemeenteraad deze zienswijzen niet-ontvanklijk verklaard dienen te worden; g. dat de overige zienswijzen wel binnen de gestelde termijn ontvangen zijn (of analoog aan het bepaalde omtrent de ontvangsttheorie in artikel 6:9 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht als zodanog beschouwd moeten worden) en dat deze zienswijzen derhalve wel ontvankelijk verklaard dienen te worden en dat beoordeeld dient te worden of deze zienswijzen ongegrond, gegrond of gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard dienen te worden; h. dat de zienswijzen met de boeknummers 578, 595, 597, 632, 636, 637, 744, 756, 759, 762, 763, 768, 769, 774, 785 en 20883, gezien ook het raadsvoorstel en het advies van de commissie voor Ruimte en Groen, naar het oordeel van de gemeenteraad geen aanleiding geven tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan en dat deze zienswijzen derhalve ongegrond verklaard dienen te worden; i. dat de zienswijzen met de boeknummers 543, 561, 563 t/m 567, 572 t/m 577, 579 t/m 594, 596, 598 t/m 629, 631, 633, 635, 638 t/m 743, 745 t/m 755, 757, 758, 760, 761, 765, 770 t/m 773, 775 t/m 780, 784, 786, 792, 20653, 20935 en de zienswijze van De Milliano Advocaten namens fam. Laken zonder boeknummer, gezien ook het raadsvoorstel en het advies van de commissie voor Ruimte en Groen, naar het oordeel van de gemeenteraad elk afzonderlijk gedeeltelijk aanleiding geeft tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan, maar voor het overige deel van elk van die zienswijzen daartoe geen aanleiding geeft en dat deze zienswijzen derhalve elk gedeeltelijk gegrond en voor het overige deel ongegrond verklaard dienen te worden; j. dat de zienswijzen met de boeknummers 568, 634 en 829, gezien ook het raadsvoorstel en het advies van de commissie voor Ruimte en Groen, naar het oordeel van de gemeenteraad aanleiding geven tot aanpassing van het ontwerp-bestemmingsplan en dat deze zienswijzen derhalve gegrond verklaard dienen te worden; k. dat er over het voorontwerp-bestemmingsplan wettelijk vooroverleg heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening met de daarin genoemde instanties, en dat het resultaat van dat vooroverleg is verwerkt in het ontwerp-bestemmingsplan;

19 Nr. Dnst. l. : 03.0178 : BOWO

dat het wenselijk is, gezien het raadsvoorstel en het advies van de commissie voor Ruimte en Groen, om aan het ontwerp-bestemmingsplan ambtshalve enige aanpassingen aan te brengen,

Gelet op de bepalingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het Besluit op de ruimtelijke ordening, B E S L U I T: 1. de ten aanzien van het ontwerp-bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ ingediende zienswijzen, zoals vermeld in de bij dit besluit als bijlage opgenomen tabellen, met uitzondering van de zienswijzen met de boeknummers 787, 788, 789, 793, 795, 802, 815, 21701 en de zienswijze van gemeente Warmond zonder boeknummer ontvankelijk te verklaren; de zienswijzen met de boeknummers 787, 788, 789, 793, 795, 802, 815, 21701 en de zienswijze van gemeente Warmond zonder boeknummer niet-ontvankelijk te verklaren; de zienswijzen met de boeknummers 578, 595, 597, 632, 636, 637, 744, 756, 759, 762, 763, 768, 769, 774, 785 en 20883 ongegrond te verklaren; de zienswijzen met de boeknummers 543, 561, 563 t/m 567, 572 t/m 577, 579 t/m 594, 596, 598 t/m 629, 631, 633, 635, 638 t/m 743, 745 t/m 755, 757, 758, 760, 761, 765, 770 t/m 773, 775 t/m 780, 784, 786, 792, 20653, 20935 en de zienswijze van De Milliano Advocaten namens fam. Laken zonder boeknummer elk gedeeltelijk gegrond en voor het overige deel ongegrond te verklaren; de zienswijzen met de boeknummers 568, 634 en 829 gegrond te verklaren; naar aanleiding van de gedeeltelijk gegrond verklaarde zienswijzen, de gegrond verklaarde zienswijzen en de ambtshalve voorgestelde aanpassingen aan het ontwerp-bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ de volgende aanpassingen in het ontwerp-bestemmingsplan aan te brengen:

2.

3. 4.

5. 6.

6.1. Toelichting 6.1.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Meerdere pagina's De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". blz. 17 In de paragraaf "Beleid waterschap en Hoogheemraadschap" zal nadrukkelijker worden ingegaan op Rijnlands Leidraad Planvorming Stedelijk Gebied. blz. 24 Aan de paragraaf Archeologie zal het volgende worden toegevoegd: "Deze vindplaatsen worden, afhankelijk van de locatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse, behouden dan wel opgegraven. Hierbij gaat de voorkeur uit naar behoud, tenzij voorgenomen ontwikkelingen dit niet mogelijk maken." blz. 31-32 De paragraaf "Bodemonderzoek" zal worden uitgebreid met een passage over de verontreiniging ter hoogte van (het pad naar) het gasdrukregel- en meetstation en met een passage over het feit dat de gemeente pas bodemonderzoek kan laten uitvoeren op het moment dat het haar eigendom is of het moment dat de grondeigenaar daar toestemming voor geeft.

20

blz. 43 De bestemming "recreatie" voor de zone Vrouwenweg-Europaweg wordt nader aangeduid (polderparkachtige inrichting, geen volkstuinen, eventueel sportvelden). Dit gebeurt tevens voor de percelen met een recreatiebestemming nabij recreatiepark Vlietland (geen bebouwing). blz. 47/blz. 68 Er wordt verduidelijkt dat het plan door middel van verbreding Europaweg (inclusief capaciteitsvergroting) en Lammenschansplein voldoende mogelijkheid biedt om het bedrijventerrein goed te ontsluiten oplossing als onverhoopt noch de verlengde Churchilllaan noch de A11/N11 doorgaat; het bestemmingsplan maakt deze oplossing mogelijk, voor het geval, dat nieuwe infrastructuur achterwege blijft en een gefaseerde ontwikkeling in afwachting van nieuwe infrastructuur tot te grote vertraging zou leiden. Er wordt aangekondigd dat bij het opstellen van het uitwerkingsplan voor het UB-gebied nader mobiliteitsonderzoek zal plaatsvinden ten behoeve van de uitwerking van de infrastructurele voorzieningen. blz. 58 (figuur 9) en blz. 59 Aan de zijde van het Aln-gebied wordt een afschermende groenzone opgenomen. blz. 60 De groenstrook tussen Aln-gebied en UB-gebied wordt in de tweede alinea vermeld bij het voorkómen van een zichtlocatie. De alinea "Een geleidelijke overgang ter plaatse van de kade" wordt aangepast (titel en inhoud). blz. 70 "Europalaan" wordt vervangen door "Europaweg" in de alinea onder het kopje "Fietsverkeer". blz. 72 De toelichting op de milieuzonering horeca wordt aangepast aan de voorschriften: categorie 2 is toelaatbaar (horecavoorziening Vlietweg). blz. 73 De toelichting op het akoestisch onderzoek zal in die zin worden aangevuld, dat bij verbreding van de Europaweg (met toepassing van wijzigingsbevoegdheid I) het geluidsniveau ter hoogte van het UGWgebied en de aanduiding "P" binnen de W2-bestemming zonodig met geluidswerende voorzieningen binnen de normstelling gehouden moet worden. blz. 78 In de laatste alinea van "groenzone" wordt "en den" verwijderd. Onder W2 wordt aangegeven dat de schaal van de beoogde sauna van dien aard moet zijn dat deze geen milieuhinder voor de omliggende woningen veroorzaakt. blz. 81 In hoofdstuk 8 van de toelichting zal een korte samenvatting van de exploitatieopzet worden opgenomen, waaruit de economische uitvoerbaarheid van het plan duidelijk wordt. 6.1.2. Ambtshalve aanpassingen blz. 78 In "uit te werken gebied voor Groenzone en Woondoeleinden" wordt in de tweede regel "dor" vervangen door "door".

21 Nr. Dnst. 6.2. Kaart (aanpassingen tevens aangegeven op kaart VIC 0276 van 19 november 2003) 6.2.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen a. b. c. d. e. Het perceel Vlietweg 1a zal een wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden 1 krijgen in plaats van een directe bestemming. Bij Vlietweg 106 wordt een correctie op de plangrens doorgevoerd. Langs de westelijke grens van het UB-gebied zal de bestemming Aln ter breedte van 20 m gewijzigd worden in de bestemming Groenvoorzieningen. De groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg wordt duidelijker op de kaart aangegeven door middel van twee lijnen (één op 30 m en één op 70 m uit de gereconstrueerde Hofvlietweg), die de minimale en de maximale diepte van de groene afscherming aangeven. Een perceel aan de westzijde van het plangebied, dat bij het recreatiegebied Vlietland gevoegd zal worden, krijgt een recreatieve bestemming (in plaats van Aln-bestemming) met de aanduiding z (zonder bebouwing). De strook nabij Vlietland, die in het ontwerpbestemmingsplan reeds een recreatieve bestemming had, krijgt de nadere aanduiding z (zonder bebouwing). De aanduiding “P” in de bestemming W2 zal worden verplaatst naar het juiste perceel De maximale bouwhoogte van 12 m langs de groenzone en ter weerszijden van de ecologische zone wordt doorgetrokken tot aan de Europaweg. De westelijke begrenzing van het UGW-gebied zal worden aangepast om meer ruimte te bieden voor een mogelijke doortrekking van de Churchilllaan. De situering van de bestemming "waterkering" ter hoogte van de Vlietweg zal worden aangepast. De bestemming "Verkeersdoeleinden" nabij de brug over de Vliet zal worden gecorrigeerd; ten onrechte is daar de bestemming "Groenzone" gelegd. Bij perceel Vlietweg 3 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van tuinhuis; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 8 van de voorschriften. Bij perceel Vlietweg 82 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van de arbeiderswoning; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 14 van de voorschriften. De aanduidingen "verkeersontsluiting" vervallen met uitzondering van de meest westelijke aanduiding bij de Hofvlietweg. De aanduiding "verkeersontsluiting" bij de Europaweg wordt vervangen door de aanduiding "verkeersstructuur", die parallel aan de ecologische zone wordt voortgezet tot de haaks daarop staande aanduiding verkeersstructuur : 03.0178 : BOWO

f. g. h. i. j. k. l. m. n. o.

6.2.2. Ambtshalve aanpassingen a. b. c. d. De bestemming "Groenvoorzieningen" aan de oostzijde van de Europaweg nabij de brug over de Vliet wordt gewijzigd in de bestemming "Verkeersdoeleinden". Ter weerszijden van de Lammebrug wordt over de bestemming "Water" een wijzigingsbevoegdheid gelegd naar de bestemming "Verkeersdoeleinden". Bij de Aanduidingen wordt bij milieucategorie "3.4" vervangen door "3.1" of "3.2". Categorie 4.2 in de UB-bestemming wordt op een afstand van 50 m van categorie 4.1 aangegeven, ook tussen de volkstuinen en de A4 in.

22

6.3. Voorschriften 6.3.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Artikel 1 De begripsomschrijving "horeca" wordt toegevoegd: "een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten: het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken; het exploiteren van zaalaccommodatie; het verstrekken van nachtverblijf." Artikel 3 lid 2 Aan de beschrijving in hoofdlijnen zal een paragraaf "recreatie/volkstuinen" worden toegevoegd, waarin onder meer op de ontsluiting van het volkstuincomplex zal worden ingegaan. De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". Artikel 4 lid 1 Tweede gedachtestreepje wordt: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien". Gedachtestreepje invoegen: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersontsluiting" een ontsluitingsweg is voorzien”. Artikel 4 lid 2 uitwerkingsregels toevoegen: watergang tussen bedrijventerrein en volkstuincomplex bedrijfsbebouwing op minimaal 10 m uit bestemmingsgrens ad i: de bepaling inzake de groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg zal worden verduidelijkt. Artikel 5 lid 1 Binnen de bestemming R (Recreatieve doeleinden) wordt nader onderscheid gemaakt tussen de (hoofd)bestemming R en de subbestemming Rv (volkstuinen). Tevens wordt gebruikgemaakt van een nadere aanduiding (z) op gronden waar geen bebouwing of sportvelden worden toegestaan. Artikel 5 lid 2 Er wordt onderscheid gemaakt in de bebouwingsvoorschriften ter plaatse van de bestemming R en ter plaatse van de subbestemming Rv. Binnen de bestemming R wordt bebouwing zo beperkt mogelijk gehouden. Artikel 7 lid 1 De zinsnede: "ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting van het bedrijventerrein" een ontsluitingsweg is voorzien" wordt vervangen door: "ter plaatse van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien”. Artikel 8 lid 2 Met verwijzing naar aanduiding op de plankaart worden de bebouwingsvoorschriften zodanig aangevuld, dat het bouwplan Vlietweg 3 mogelijk wordt, waarbij bepaald wordt dat het bouwplan alleen de huidige locatie van de voormalige paardenstal mag betreffen en de oppervlakte maximaal 120 m² mag bedragen. De maximale goothoogte bedraagt 2,75 m en de maximale bebouwingshoogte 6,75 m.

23 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Artikel 9 lid 1 in doeleindenomschrijving "(ontsluitings)wegen" schrappen laatste gedachtestreepje: "artsenpraktijk" vervangen door "praktijk voor sociaal-medische doeleinden met dienstwoning", Artikel 9 lid 2 Nadere bouwvoorschriften opnemen voor percelen met aanduiding "P" en "S", te weten: a. het maximale bebouwd oppervlak 350 m², waarvan maximaal 150 m² voor een dienstwoning bij de aanduiding "P" (overeenkomend met het maximum, dat ook voor de andere woningen binnen de bestemming W2 zal gaan gelden); b. de maximale bouwhoogte en goothoogte van de dienstwoning bij de aanduiding "P" bedraagt 8 m; c. de bouwhoogte van de dienstwoning bij de aanduiding "P" dient kleiner te zijn dan de bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden: d. de maximale bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3,5 m; e. voor "S" wordt tevens aangegeven: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de grens met de bestemming W2 bedraagt tenminste 5 m"; f. er wordt toegevoegd dat aard en omvang van de sauna van dien aard moeten zijn dat geen hinder voor de omgeving ontstaat; g. de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 10 m, de maximale goothoogte bedraagt 6 m; h. de maximale bouwhoogte van de bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3.5 m; i. het maximale bebouwd oppervlak mag, binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding "S", ten opzichte van de huidige situatie, toenemen met 50 m². Artikel 10 lid 2 De uitwerkingsregels voor de UGW-bestemming zullen als volgt worden aangevuld op het punt van de overgang naar de bestaande bebouwing: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de grens met de bestemming W2 bedraagt tenminste 10 m". Artikel 14 Met verwijzing naar de aanduiding op de plankaart wordt het voorschrift zodanig aangevuld dat de huidige arbeiderswoning een bestemming als tweede dienstwoning krijgt. Artikel 16 lid 1 De doeleindenomschrijving voor de bestemming Leidingen zal als volgt worden aangepast: "De gronden binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van de als zodanig op de kaart aangegeven (hoofd)aardgasleidingen en watertransportleidingen, zijn mede bestemd voor leidingen." Artikel 24 Er wordt een wijzigingsbevoegdheid voor de woonbestemming Vlietweg 1a toegevoegd. Hierbij wordt opgenomen dat hiervan alleen gebruik kan worden gemaakt indien dit uit nader ecologisch onderzoek mogelijk blijkt te zijn. 6.3.2. Ambtshalve aanpassingen Algemeen "voorgevelrooilijn" wordt vervangen door "voorgevel van het hoofdgebouw". Artikel 1 begripsomschrijving 11 "voorgevelrooilijn" vervalt.

24

Artikel 7 lid 1 Toegevoegd wordt: "Binnen ten hoogste 25 m ter weerszijden van de aanduiding "fietspad" is een fietsverbinding voorzien." Artikel 9 lid 2 Toegevoegd worden de volgende bepalingen: "de voorgevel van het hoofdgebouw bevindt zich op ten minste 2 m en ten hoogste 15 m uit de grens met de bestemming verblijfsgebied". "het hoofdgebouw heeft een oppervlak van ten hoogste 250 m²". De bepaling onder a vervalt. Artikel 22 lid 1 Onder d: bouwsels zijn met vrijstelling toegestaan tot maximaal 2,5 m voor de voorgevel van het hoofdgebouw (i.p.v. 1 m). Onder i: windturbines zijn met vrijstelling op 100 m uit de Europaweg toegestaan (i.p.v. 300 m). Artikel 24 lid 2 "artikel 16" wordt vervangen door "artikel 17". 7. met in achtneming van de onder punt 6. van dit raadsbesluit genoemde aanpassingen het bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ vast te stellen, zoals dit is aangegeven op de plankaart (met kenmerk VIC 0277, opgemaakt op 2 december 2003), vervat in de bijbehorende planvoorschriften en vergezeld van de plantoelichting (beide laatste met kenmerk 10242.00, opgemaakt op 4 december 2003).

Gedaan ter openbare vergadering van de Griffier, BW031227 de Voorzitter,

25 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Bijlage: bij raadsbesluit van 20 januari 2004 ter vaststelling van het bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ Tabellen van indieners van zienswijzen op het ontwerp-bestemmingsplan ‘Oostvlietpolder’ In deze bijlage zijn de binnengekomen zienswijzen in tabelvorm opgenomen. Hierbij is per zienswijze duidelijk gemaakt of deze ontvankelijk dan wel niet-ontvankelijk is. Indien een zienswijze ontvankelijk is, is tevens in de tabel aangegeven of de zienswijze ongegrond, gedeeltelijke gegrond en gedeeltelijk ongegrond of gegrond is. Er zijn twee tabellen opgenomen. In de eerste tabel zijn de zienswijzen opgenomen die door particulieren kenbaar zijn gemaakt. In de tweede tabel zijn de zienswijzen aangegeven van instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10 overleg worden betrokken.

Tabel 1. Zienswijzen kenbaar gemaakt door particulieren
naam binnengekomen boeknummer niet-ontvankelijk ongegrond ontvankelijk gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond gegrond

Overdevest C.F.Hulsbos Westerink-Verbeek J.M.H. Pulissen en M.A.A. Paulissen-Zaaijer S. Bras J.A. Hillenaar G, Venema Huurdervereniging C.Fresco Y.M. Burg Fam Schouten J. Wit C.L. Deelen Leidse Bond van Amateurtuinders Vereniging Vrienden Oostvlietpolder C. Klein J.Hoogendoorn J.P.H.M. Adema F. Pieters J. W. de Jong Kuyper J. Ram P.L. Hermans H. Reijken Th. Overdijk J. Verschoor T. Fokke C. Rog E.M.C. Klein

10-09-03 17-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03

543 561 563 564 565 566 572 573 567 574 576 575 577 578 579 580 581 582 583 584 585 586 587 588 589 590 591 592 593 X

X X X X X X X X X X X X X

X X X X X X X X X X X X X X X

26

M.C. Pieters Woonvereniging Cronesteyn M. van Kapel A.Rijnsburger A.T.G. Verburg en M.J. Moorman A.E. Brons K.H. kreuer R. de Bondt W. van der Kwaak W.G en N.E. Bakker Th. Sekuur E. van der Meer W. Vervoort en L. Vervoort-mol R.A. Schoop Van Rijn-Van der Drift J. Louwrier J.W. van Kuijk J. Paardekooper M. Janssen Keizer J. Ammerlaan L. Bakker D. Piket M. van de Paverd Zierikzee J. Li M. Glasbergen S. de Vos Gussenhoven J. van Rijn M. van Latum S. Heemskerk W. van Elk C.E.Schoo en M.G. Schoo W.J.G.Schoo O.J. Heidt P.Kranenburg Rijnsburger P. Hofstraa

23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03

594 595 596 597 598 599 600 601 602 603 604 605 606 607 608 609 610 611 612 613 614 615 616 617 618 619 620 621 622 623 624 625 626 627 628 629 631 632 633 X

X

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens C.P. Lagerberg Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens P.J.M. van Haastert

24-09-03

636

X

23-09-03

637

X

27 Nr. Dnst. J.F. Steven J.J. Steven J. B. Steven L.J. Teeuwen Van de Aardweg E.J.W. Heithuis M.J. Steven-Jongbloed B. Peltenburg S. Volkers R. Holverda Hendriksen T. H. Roodakker De Bruin Van Dartel D.P. van Velzen Suzan BSP Architecten BNA, namens Hillenaar A.M.C. Roodakker J.R. van der Heijden P. Mink Jasperse N. Handgraaf W. Handgraaf J.C. Kabel A.S. Alting Onderwater W. Schroot Stolk C.Meijdam T. Kamp S. Görlig T.Y. Sloos Sloos- van Haastrecht H.C. van der Plas G. van der Mey-de Jong E. Tromp M. Feyen M.N. Bosch R. Holverda Zonder naam J. Beyer P. Buis M. Boezaard M. Willems G. Ruwaard J.C. Righart van GelderKlein L. Th. Righart van Gelder 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 22-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 10-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 638 639 640 641 642 643 644 645 646 647 648 649 650 651 652 653 20653 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669 670 671 672 673 674 675 676 677 678 679 680 681 682 683 X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X : 03.0178 : BOWO

28

M. Righart van GelderVan der Vos W. Righart van Gelder D. Righart van Gelder Hennny C.J Righart van Gelder Bunschoten L. de Koning Vlieland B. Dijkman L. de Koning Splinter Schraa G. de Geus H. de Geus M. van Went H.C. Betgen C.W. Bronk C. J. Betgen J. J. Van den Bos H. Stikvoort J. Klink R. Kruit J. Straver Van Velzen Van Dartel Van der Hoeven Antoon Leget Edwin P. van Tongeren M.J. van der Heiden P. Webbers C van de Bent Roodakker Mevr. J. van Bemmelen H. Olijerhoek J. Buitendijk Lommers M. van Bemmelen C.N.M. Berg E. van Rijn F.G. M. van der Helm M. Ende H. J. Stikvoort A.W. Straver-de Boef P.L. Bakker M.Koet J. Kluivers P. van Meer J. van der Veer

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

684 685 686 687 688 689 690 691 692 693 694 695 696 697 698 699 700 701 702 703 704 705 706 707 708 709 710 711 712 713 714 715 716 717 718 719 720 721 722 723 724 725 726 727 728 729 730 731 732 733

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

29 Nr. Dnst. L. van Gent A. Couwenberg B. Van der Wijden R. Betgen Van der Valk W. van der Valk A. van Velzen G.M. van Velzen Noordduyn L. Lamboo Bomenbond Rijnland Vereniging Vrienden van het Polderpark Cronesteyn D.R. van Wingerden H. Kuyk Fam. C.H.M.M. Meijer W.J. van der Post A.M.M. van Steijn P.H. Eduard en T. Eduard- Hoogendoorn C.A.P. Westgeest Loncq de Jong LVI, Vereniging voor ondernemingen G.J. Nieboer en M. Wegman Th.G.J. v.d. Berg A.J. v.d. Krogt A.J.M. van der Krogt en L.H.M. van der Krogt H. en M. Niersman Vereniging Bewoners Vrouwenweg Rijnland BV, namens Rijnland BV en Boskalis BV La Gro Advocaten, namens Niersman Beheer BV Van Eyk H. Bouhuis en M.J. Latooij Tuingroep Önderlinge Tuinvereniging Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder P. van Straaten 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 24-09-03 734 735 736 737 738 739 740 741 742 743 744 X X X X X X X X X X X : 03.0178 : BOWO

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

746 748 750 749 751 752 753 754 755 756 745 757 758 X

X X X X X X X X X

X X X

24-09-03 23-09-03 23-09-03

759 760 761

X X X

23-09-03

762

X

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

763 765 768 769

X X X X

24-09-03 24-09-03

770 771

X X

30

La Gro Advocaten, namens N.J. van Schie en A.A.P. van Schie-van Santen A.A.M. Mooijman Houthoff Buruma, namens BZH BV WLTO Advies, namens A.S. de Wit WLTO Advies, namens Maatschap van der Post C.J. Slootweg Recreatiecentrum Vlietland BV Haarsma Zuid-Hollandse Milieufederatie H. Verkade C. Overdijk H.Lelieveld M.Gordijn O.Langezaal E.Langezaal-Ehberts B.Vermeulen T.Pino Stichting Leidse Studentenhuisvesting E. en J. Hoogendoorn De Milliano Advocaten, namens fam. Laken
Tabel 2.

25-09-03 25-09-03

772 773

X X

24-09-03 25-09-03

774 775

X X

25-09-03 25-09-03 24-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 26-09-03 26-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 16-10-03 22-09-03 24-09-03

776 778 779 780 784 786 787 788 792 793 793 795 815 20883 20935

X X X X X X X X X X X X X X X

23-09-03

X

Zienswijzen kenbaar gemaakt door instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10 overleg worden betrokken
Datum ingeboekt Boeknummer Nietontvankelijk ongegrond Ontvankelijk Gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond gegrond

Naam

Gemeente Voorschoten Hoogheemraadschap van Rijnland Gastransport Services Rijksdienst voor Bodemonderzoek Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland Kamer van Koophandel Rijnland Hoogheemraadschap van Rijnland

19-09-03 23-09-03 23-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 02-10-03

568 635 634 747 777 785 802 X X

X X X X X

31 Nr. Dnst. Gemeente Warmond Gemeente Zoeterwoude Gemeente Zoeterwoude Gemeente Voorschoten 29-09-03 29-09-03 14-10-03 27-10-03 geen 789 789 829 X X X X : 03.0178 : BOWO

32

Leiden Oostvlietpolder

notitie “Zienswijzen”

opdrachtgever nummer datum opdrachtleider auteur(s)

: : : : :

gemeente Leiden 153.10242.22 4 december 2003 ir P. de Knegt ir H.G. van der Aa mr W.J. Maris

mw. drs J.C. Barrois drs M.O.W. Simons

33 Nr. Dnst.
Inhoud

: 03.0178 : BOWO
33

1.

Opzet notitie zienswijzen 1.1. Inleiding 1.2. Leeswijzer

blz. 5 5 6

2.

Gelijkluidende zienswijzen van particulieren 7 2.1. Gelijkluidende zienswijzen I 7 2.1.1. R. de Bondt, Witte Rozenstraat 16 b, 2311 XV, Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 601 13 2.1.2. P. van Straaten, Breestraat 125, 2311 CM, Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 771 14 2.1.3. Y.M. Burg, Lorenzkade 37, 2313 GD, Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 574 14 2.1.4. C. Fresco, Plantijnstraat 28, 2311 JC, Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 567 15 2.1.5. Gussenhoven, Burg. Verheullaan 7, 2396 EN Koudekerk a/d Rijn, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 622 15 2.1.6. C.F. Hulsbos, Vrouwenweg 55, 2322 LM Leiden , ingekomen 17 september 2003, boeknummer 561 15 2.1.7. M. van Kapel, Kerklaan 67, 2381 VE, Zoeterwoude, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 596 16 2.1.8. J.M.H. Paulissen en M.A.A. Paulissen- Zaaijer, Plantijnstraat 102, 2321 JH, Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 564 16 2.1.9. C.E. Schoo en M.G. Schoo, Amstelland 2, 2371 PE, Roelofarendsveen, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 627. 17 2.1.10. W.J.G. Schoo, Kortsteekterweg 47, 2407 AJ, Alphen a/d Rijn, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 628 17 2.1.11. Fam. Schouten, Van de Sande Bakhuyzenlaan 26, 2313 SG, Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 576 18 2.1.12. Westerink-Verbeek, Plantynstraat 105, 2321 JH Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 563 18 2.1.13. Schraa, Vrouwenweg 19, 2322 LK, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 695 19 2.1.14. H. de Geus, Jan Paetsplein 5, 2332 PJ, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 697 19 2.2. Gelijkluidende zienswijzen II 20 2.2.1. P. Kranenburg, Vlietweg 94, 2323 LG Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 631 22 2.3. Gelijkluidende zienswijzen III 22 Individuele behandeling zienswijzen van particulieren 3.1. Vereniging bewoners Vrouwenweg, Vrouwenweg 32, 2312 LL Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 761 3.1.1. Er kan geen bedrijventerrein in de Oostvlietpolder worden gerealiseerd 3.1.2. Noodzaak bedrijventerrein 3.1.3. Natuurwaarden in het gebied 3.1.4. Stedelijke entree 3.1.5. Verkeer 3.1.6. Zone Europaweg-Vrouwenweg 3.1.7. Recreatieve bestemming 3.1.8. Bouwnormen 3.1.9. Vier weken terinzagelegging 3.1.10. Alternatief plan 3.2. Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, Spieghelstraat 35, 2332 BC Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 579 3.2.1. Bedrijventerrein/woningbouw 3.2.2. Noodzaak bedrijventerrein 25 25 25 27 28 30 32 34 35 36 36 37 38 38 40

3.

34 3.2.3. Verkeer en ontsluiting 42 3.2.4. Leefbaarheid Leidse regio 44 3.2.5. Cultuurhistorische en natuurlijke waarde(n) van de Oostvlietpolder 45 3.2.6. De ecologische en de "groene" zone 46 3.2.7. Uitbreiden/herindeling volkstuinencomplex Oostvlietpolder 47 3.2.8. Procedure 47 3.2.9. Overig 48 A.J.M. van der Krogt en L.H.M. van der Krogt, Vlietweg 7, 2323 LA Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 759 50 3.3.1. Landschap 50 3.3.2. Vlietweg 51 3.3.3. Natuur, water en groen 52 3.3.4. Verkeer 52 Prof Dr. P.J. Heidt, Vlietweg 60a, 2323 LE Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 629 53 Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder, Vlietweg 13,2323 LA Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 770 55 Recreatiecentrum Vlietland B.V., Rietpolderweg 1, 2266 BM Leidschendam, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 779 57 WLTO Advies, Postbus 108, 2280 AC Rijswijk, namens A.S. de Wit, Vlietweg 44, 2323 LC Leiden, binnengekomen 25 september 2003, boeknummer 775 60 WLTO Advies, Postbus 108, 2280 AC Rijswijk, namens Maatschap Van der Post, Vlietweg 82, 2323 LG Leiden, binnengekomen 25 september 2003, boeknummer 776 61 Overdevest, Vlietweg 4, 2323 LB Leiden, ingekomen 10 september 2003, boeknummer 543 63 Huurdervereniging het Vlietpark, Beverveen 369, 3205 AE Spijkenisse, ingekomen 22 september, boeknummer 573 64 Leidse Bond van Amateur-tuinders, Boerenpad 5, 2322 LA Leiden, ingekomen 22 september, boeknummer 578 65 Tuingroep "Onderlinge Tuinvereniging", Bloemistenlaan 44, 2313 BB, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 769 65 H. Bouhuis en M.J. Latooij, Vlietweg 16, 2323 LB, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 768 66 Bomenbond Rijnland, p/a H.P. Schoch, Schagensteeg 18, 2312 VM, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 744 67 Vereniging Vrienden van het polderpark Cronesteyn, Lindelaan 21, 2351 NV, Leiderdorp, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 746 67 Dr. D. R. van Wingerden, Vlietweg 62a, 2323 LE, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 748 68 A. Rijnsburger, Vlietweg 11, 2323 LA, Leiden en H.A. Rijnsburger, Staalwijkstraat 23, 2313 XP, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 597 69 Woonvereniging "Cronesteyn", Plantijnstraat 21, 2321 JC, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 595 70 J. Hoogendoorn, Vlietweg 106, 2323 LG, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 581 70 Rijnsburger, Kalmoeslaan 4, 2381 JG Zoeterwoude, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 632 71 BSP Architecten BNA, Kopperwetering 3, 2382 BK Zoeterwoude, namens Hillenaar, Vlietweg 3, Leiden, ingekomen 10 september 2003, boeknummer 20653 72 Loncq de Jong, Wijngaardenlaan 2, 2252 XN Voorschoten, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 755 73 LVI, Vereniging voor ondernemingen, Rijnsburgerweg 159, 2334 Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 756 74 Niersman, H. en M., Vrouwenweg 57, 2322 LM Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 760 74 La Gro Advocaten, postbus 155, 2400 AD Alphen aan den Rijn, namens Niersman Beheer BV, Veurseweg 79, Voorschoten, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 763 75

3.3.

3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9. 3.10. 3.11. 3.12. 3.13. 3.14. 3.15. 3.16. 3.17. 3.18. 3.19. 3.20. 3.21.

3.22. 3.23. 3.24. 3.25.

35 Nr. Dnst.
3.26. 3.27. Eyk, van, p.a. Zusterhof 19, 2311 RK Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 765 La Gro Advocaten, Postbus 155, 2400 AD Alphen aan den Rijn, namens Schie, N.J. van en A.A.P. van Schie-van Santen, Vlietweg 12, 2323 LB Leiden, ingekomen 25 september, boeknummer 772 Houthoff Buruma, postbus 1507, 3000 BM Rotterdam, namens BZH BV, Rotterdam, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 774 Haarsma, Hofbrouckerlaan 60, 2342 HZ Oegstgeest, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 780 Stichting Leidse Studentenhuisvesting, Postbus 11275, 2301 Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 20883 Hoogendoorn, E. & J., Vrouwenweg 46, 2322 LM Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 20935 De Milliano Advocaten, postbus 144, 2220 AC Katwijk, namens fam. Laken, Vlietweg 66, Leiden, ingekomen 23 september 2003 Rijnland BV, postbus 3050, 2800 CD Gouda, namens Grond- en Zand exploitatiemaatschappij Rijnland BV en Boskalis BV, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 762 Zuid-Hollandse Milieufederatie, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 784

: 03.0178 : BOWO
77

77 79 81 83 84 85 86 87 89 89 89 90 91 91 92 93 93 93 94 94 94 95 95 95 97

3.28. 3.29. 3.30. 3.31. 3.32. 3.33. 3.34.

4.

Behandeling zienswijzen overleginstanties 4.1. Gemeente Voorschoten, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 568, ingekomen 27 oktober 2003, boeknummer 829 4.2. Hoogheemraadschap van Rijnland, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 635 4.3. Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 777 4.4. Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 747 4.5. Gastransport Services, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 634 4.6. Kamer van Koophandel Rijnland, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 785 Aanpassingen ontwerpbestemmingsplan 5.1. Toelichting 5.1.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen 5.1.2. Ambtshalve aanpassingen 5.2. Kaart 5.2.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen 5.2.2. Ambtshalve aanpassingen 5.3. Voorschriften 5.3.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen 5.3.2. Ambtshalve aanpassingen

5.

Bijlagen: 1. Lijst van ontvangen zienswijzen. 2. Zienswijze van La Gro Advocaten namens Van Schie (als bijlage).

36

1. Opzet notitie zienswijzen
1.1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan Oostvlietpolder d.d. 27 augustus 2003 heeft vanaf 28 augustus 2003 tot en met 24 september 2003 gedurende 4 weken ter inzage gelegen. De kenbaar gemaakte zienswijzen zijn in deze notitie samengevat en beantwoord. In deze notitie is onderscheid gemaakt in de zienswijzen die door particulieren zijn kenbaar gemaakt en door de instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10-overleg worden betrokken. Binnengekomen zienswijzen Hieronder volgt een overzicht van het in totaal binnengekomen aantal zienswijzen. Gelijkluidende zienswijzen I 174 (inclusief aanvullingen) Gelijkluidende zienswijzen II 10 (inclusief aanvullingen) Gelijkluidende zienswijzen III 2 Particulieren overig 35 Instanties 12 In Bijlage 1 zijn twee lijsten opgenomen met alle reclamanten die zienswijzen hebben ingediend. In deze lijsten is aangegeven of de zienswijzen wel of niet ontvankelijk zijn. Indien een zienswijze ontvankelijk is, wordt aangegeven of deze zienswijze gegrond, ongegrond of gedeeltelijk gegrond/ongegrond is. In behandeling te nemen zienswijzen Hieronder volgt een overzicht van de in behandeling te nemen zienswijzen. Gelijkluidende zienswijzen I (inclusief aanvullingen) Gelijkluidende zienswijzen II (inclusief aanvullingen) Gelijkluidende zienswijzen III Particulieren overig Instanties 169 10 2 34 7

De gelijkluidende zienswijzen zijn veelal identiek aan elkaar, maar hier en daar is er een individuele toevoeging. Deze zienswijzen zijn eenmalig samengevat, waarbij de toevoegingen per reclamant zijn aangegeven en behandeld. Niet in behandeling te nemen zienswijzen Enkele zienswijzen kunnen niet in behandeling worden genomen vanwege overschrijding van de termijn waarbinnen deze ingediend moeten worden. Daarbij is ervan uitgegaan, dat zienswijzen die meer dan een week na de sluiting van de termijn van ter inzage legging zijn ontvangen, te laat ter post bezorgd zijn. Van de zienswijzen, die binnen deze week ontvangen zijn, is uitgegaan van de datum van de poststempel van de ontvangen zienswijze. Een en ander wordt bepaald door analoge toepassing van art. 6: 9 Awb (ontvangsttheorie). Niet in behandeling te nemen zienswijzen van particulieren De volgende zienswijzen zijn niet tijdig kenbaar gemaakt: a. C. Overdijk, Herensingel 8a, 2316 JS, Leiden, binnengekomen 26 september 2003, boeknummer 787, datum poststempel 25 september 2003 (Gelijkluidende zienswijzen I). b. H. Lelieveld, West Havenstraat 10, 2312 LZ, Leiden, binnengekomen 26 september 2003, boeknummer 788, datum poststempel 25 september 2003 (overig).

37 Nr. Dnst. c. d. e. f. : 03.0178 : BOWO

O. Langezaal, Weipoortseweg 55, Zoeterwoude, binnengekomen 30 september 2003, boeknummer 793, datum poststempel 28 september 2003 (Gelijkluidende zienswijzen I). E. Langezaal-Ehberts, Weipoortseweg 55, Zoeterwoude, binnengekomen 30 september 2003, boeknummer 793, datum poststempel 28 september 2003 (Gelijkluidende zienswijzen I). B. Vermeulen, Schenkelweg 14, 2381 AP Zoeterwoude, binnengekomen 1 oktober 2003, boeknummer 795, datum poststempel 30 september 2003 (Gelijkluidende zienswijzen I). T. Pino, Fred 76 II, Den Haag, binnengekomen 16 oktober 2003, boeknummer 815 (Gelijkluidende zienswijzen I).

Niet in behandeling te nemen zienswijzen van instanties De volgende overleginstanties hebben hun zienswijzen niet tijdig kenbaar gemaakt aan de gemeente Leiden. Deze zienswijzen kunnen niet in behandeling worden genomen: a. Gemeente Warmond, ingekomen 29 september 2003, verzonden 25 september 2003, boeknummer 789. b. Gemeente Zoeterwoude, ingekomen 29 september, verzonden 26 september 2003 c. Hoogheemraadschap van Rijnland, ingekomen 2 oktober, verzonden 1 oktober 2003, boeknummer 8021) . d. Gemeente Zoeterwoude, aanvulling ingekomen op 14 oktober 2003. e. Samenwerkingsorgaan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Leidse regio, binnengekomen 29 oktober 2003, datum brief 9 oktober 2003. Overigens wordt op hetgeen in de niet in behandeling te nemen zienswijzen naar voren is gebracht, veelal toch ingegaan in het kader van andere zienswijzen of in het kader van ambtshalve aan te brengen aanpassingen in het plan. 1.2. Leeswijzer In hoofdstuk 2 komen de gelijkluidende zienswijzen van particulieren aan bod. In hoofdstuk 3 is de individuele behandeling van de zienswijzen van particulieren opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de zienswijzen van de instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10-overleg worden betrokken. De notitie wordt afgesloten met hoofdstuk 5, waarin de aanpassingen in het bestemmingsplan naar aanleiding van de zienswijzen voor de duidelijkheid op een rij zijn gezet.

1)

Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft in haar eerste zienswijze aangegeven niet akkoord te gaan met het ontbreken van een reservering voor een baggerdepot. Hierbij zijn echter geen argumenten genoemd. In haar aanvullende zienswijze, die buiten de termijn is verstuurd, worden deze argumenten genoemd. Dit wordt echter als nieuwe zienswijze beschouwd, aangezien het geen aanvulling is op reeds naar voren gebracht argumenten. Uit jurisprudentie blijkt dat de ABRvS dit beschouwd als een ongewenste verlenging van de termijnen (AB 1997/333). De aanvullende zienswijze wordt derhalve als niet-ontvankelijk beschouwd.

38

2. Gelijkluidende zienswijzen van particulieren
2.1. Gelijkluidende zienswijzen I Onderstaande 155 personen hebben allen een gelijkluidende zienswijze ingediend. Enkele indieners van zienswijzen kunnen vanwege onleesbaarheid of het ontbreken van fundamentele adresgegevens die niet te achterhalen zijn, niet door de gemeente persoonlijk op de hoogte worden gebracht van de verdere gang van zaken. Zij zullen afhankelijk zijn van de verdere openbare publicaties. De zienswijze zal na de opgave van de naam- en adresgegevens worden samengevat en beantwoord. Daarnaast hebben 14 reclamanten een gelijkluidende zienswijze ingediend, met verschillende aanvullingen. Deze aanvullingen zullen in de volgende subparagrafen behandeld worden.
Naam S. Bras J.A. Hillenaar G. Venema J. Wit C.L. Deelen C. Klein J.P.H.M. Adema F. Pieters J. W. de Jong Kuyper J. Ram P.L. Hermans H. Reijken Th. Overdijk J. Verschoor T.Fokke C. Rog E.M.C. Klein M.C. Pieters A.T.G. Verburg en M.J. Moorman A.E. Brons K.H. kreuer W. van der Kwaak W.G en N.E. Bakker Th. Sekuur E. van der Meer W. Vervoort en L. Vervoort-mol R.A. Schoop Van Rijn-Van der Drift J. Louwrier J.W. van Kuijk J. Paardekooper M. Janssen Keizer J. Ammerlaan L. Bakker D. Piket M. van de Paverd Zierikzee J. Li M. Glasbergen Adres Vlietweg 3 Vlietweg 3 Viscontistrook 27 Deandelstraat 41 Molenaarstraat 23 Herensingel 8a Rijndijkstraat 63 Bakhuis Roozenboomstraat 12 Bakhuis Roozenboomstraat 10 Professorpad 123 Esther de boer-van Rijkstraat 23 Jantina van Hoornkade 23 Takwier 11 Nieuwe Rijnweg 109 Vlietweg 66 Aaltje Noordenwierstraat 22 Westduinweg 130 a Herensingel 8 Van Bemmelenstraat 11 Vrouwenweg 2 Joke Smitlaan 84 Anderschanz 24 Duivenvoorde 141 Boshuizerkade 65 Oppenheimstraat 111 Zeeweg 10 Plantijnstraat 78 Nicolaas Beetslaan Zwaan 31 Bernard Zweersstraat 4 Sleutelbloemzoom 27 Pinksterbloemlaan 34 Industriekade 7W Florijn 21 Uiterdijk 2 Verlaat 27 Chopinlaan 26 Billie Holidaystraat 3 Eduart van Beinumsingel 3 Korenbloemweg 4 Gaarmeesterstraat 20 2353 TC 2381 LX 2451 ZM 2394 GL 2324 LK 2353 KJ 2403 GB 2352 RB Postcode 2323 LA 2323 LA 2726 TS 2595 XT 2352 RC 2316 JS 2313 NH 2313 RD 2313 RD 2313 TC 2331 HH 2331 RD 2318 AB 2312 JP 2323 LE 2451 GA 2583 AD 2316 JS 2313 RA 2322 LK 2253 PC 47929 2261 AE 2321 TV 2313 JE 2586 AK 2321 JG 2273 RJ 2381 KT 2353 KZ 2353 RB 2381 JR Woonplaats Leiden Leiden Zoetermeer Den Haag Leiderdorp Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Den Haag Den Haag Leiden Leiden Leiden Voorschoten Grefrath (BRD) Leidschendam Leiden Leiden Den Haag Leiden Voorburg Zoeterwoude Leiderdorp Leiderdorp Zoeterwoude Leiden Leiderdorp Zoeterwoude Leimuiden Hazerswoude Leiden Binnengek. 19-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 Boeknr. 565 566 572 575 577 580 582 583 584 585 586 587 588 589 590 591 592 593 594 598 599 600 602 603 604 605 606 607 608 609 610 611 612 613 614 615 616 617 618 619 620

Leiderdorp 23-09-03 Alphen aan den 23-09-03 Rijn Leiderdorp 23-09-03

39 Nr. Dnst.
Naam S. de Vos J. van Rijn M. van Latum S. Heemskerk W. van Elk P. Hofstraa J.F. Steven J.J. Steven J. B. Steven L.J. Teeuwen Van de Aardweg E.J. W. Heithuis M.J. Steven-Jongbloed B. Peltenburg S. Volkers R. Holverda Hendriksen T. H. Roodakker De Bruin Van Dartel D.P. van Velzen Suzan A.M.C. Roodakker J.R. van der Heijden P. Mink Jasperse N. Handgraaf W. Handgraaf J.C. Kabel A.S. Alting Onderwater W. Schroot Stolk C. Meijdam T. Kamp S. Görlig T.Y. Sloos Sloos-van Haastrecht H.C. van der Plas G. van der Mey-de Jong E. Tromp M. Feyen M.N. Bosch R. Holverda Zonder naam J. Beyer P. Buis Vrouwenweg 48 Vrouwenweg 48 Obol 23 Plantijnstraat 72 Vlietpark Vlietweg 96a Vrouwenweg 48 Obool 23 Lieven de Keystraat 10 Hoflaan 303 Professor Einthovenlaan 44 Houtmarkt 40 Sibeliusstraat 22 Lieven de Keystraat 19 Levendaal 185 a Nellie van Kolstraat 21 Condorhorst 164 Mozartstraat 243 Driftstraat 17 Francimontlaan 52 Utrechtse Jaagpad 11 Utrechtse Jaagpad 11 Puccinidreef 57 Puccinidreef 60 Chopinlaan 7 Verdilaan 15 Willem de Zwijgerlaan 6 G.Mahlerlaan 1 Kortenaerlaan 11 Vliegeniersweg 17 Noordeinde 5d Arsenaalstraat 24 Fagelstraat 7A Delta 12 Westerdreef 149 Drieplassenweg 17 Groenoord 185 Noordzeepassage 55 Lasserschoot Zeekoet 1 Noordeinde 5d 2201 XX 2311 CA Noordwijk Leiden 2323 LG 2322 LM 2353 TG 2321 EC 2321 SV 2251 JN 2312 PZ 2324 BP 2321 EB 2311 JK 2331 GG 2317 AZ 2324 XV 2315 CA 2313 RZ 2313 KW 2313 KW 2253 SP 2253 SP 2253 BR 2253 HJ 2252 VR 2253 EA 2253 TH 2171 PA 2311 CA 2311 CT 2334 AV 2221 VH 2464 GD 2225 JJ 2401 AD 2225 BS 2522 LM 2522 LM 2353 TG 2321 JG Leiden Leiden Leiderdorp Leiden Leiden Leiden Leiden Leiderdorp Leiden Leiden Voorschoten Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Voorschoten Leiden Voorschoten Voorschoten Voorschoten Voorschoten Voorschoten Sassenheim Leiden Leiden Leiden Katwijk aan Zee Lisse Katwijk Alphen a/d Rijn Katwijk Cornelis van Eesterenlaan Adres Elisabeth van Engelandlaan 13 Rijnstraat 19 Noordbuurtseweg 14 Postcode 2353 EE 2311 NK 2381 ES Woonplaats Leiderdorp Leiden

: 03.0178 : BOWO
Binnengek. 23-09-03 23-09-03 Boeknr. 621 623 624 625 626 633 638 639 640 641 642 643 644 645 646 647 648 649 650 651 652 653 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669 670 671 672 673 674 675 676 677 678

Zoeterwoude 23-09-03 Koudekerk aan 23-09-03 den Rijn 23-09-03 23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 22-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

40

M. Boezaard M. Willems G. Ruwaard J.C. Righart van Gelder- Klein L. Th. Righart van Gelder M. Righart van Gelder-Van der Vos W. Righart van Gelder D. Righart van Gelder Henny C.J Righart van Gelder Bunschoten L. de Koning Vlieland B. Dijkman L. de Koning Splinter G. de Geus M. van Went H.C. Betgen C.W. Bronk C. J. Betgen J. J. Van den Bos H. Stikvoort J. Klink R. Kruit J. Straver Van Velzen Van Dartel Van der Hoeven Antoon Leget Edwin P. van Tongeren M.J. van der Heiden P. Webbers C van de Bent Roodakker Mevr. J. van Bemmelen H. Olijerhoek J. Buitendijk Lommers M. van Bemmelen C.N.M. Berg E. van Rijn F.G. M. van der Helm M. Ende H. J. Stikvoort A.W. Straver-de Boef P.L. Bakker M. Koet J. Kluivers P. van Meer J. van der Veer

Noordeinde 2b Bosrode 11 Noordeinde 5 Opaalstraat 200 Opaalstraat 200 Clanandstraat 43 Calandstraat 43 Calandstraat 43a Calandstraat 43 Nieuwe Rijn 111 Nieuwe Rijn 111 Parkstraat 65 Morsweg 208 Kortenaerlaan 9 Diemelstraat 9 Vrouwenweg 52 Nienke van Hichtumstraat 42 Paviljoenshof 14 Paviljoenshof 14 Vrouwenweg 53 Kijfgracht 10 Vondellaan 10 Pelmolen 53 Nellie van Kolstraat 21 Bartonstraat 13 Da Costastraat 72 Gans 25 Lieven de Keystraat 19 Poldertocht 78 Corelliestraat 61 Lammenschansplein 22 Soembastraat 67 Evertsenstraat 23 Seringenstraat 8 Valeriusstraat 18 Cronesteyn 4 Condorhorst 164 Van Swietenstraat 61 Weipoortseweg 40 Veldzichtstraat 10 Reiger 41 Van Swietenstraat 61 Westeindseweg 15 Scheepmakershaven 54a Eloutstraat Valeriusstraat 18 Pelmolen 53 Da Costastraat 72 Duinhof 9 Ann Buntoustraat 20 Anna Bijnskade 25 Meerhof 19 Resedastraat 33

2311 CD 2317 BM 2311 CA 2332 TN 2332 TN 2332 VE 2332 VE 2332 VE 2332 VE 2312 JP 2312 JP 2315 EV 2332 ET 2253 TH 2321 RS 2322 LM 2331 GA 2312 AW 2312 AW 2322 LW 2312 RZ 2331 AE 2317 PR 2331 GG 2324 BH 2321 AR 2381 KA

Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Voorschoten Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

679 680 681 682 683 684 685 686 687 688 689 690 691 692 693 694 696 698 699 700 701 702 703 704 705 706 707 708 709 710 711 712 713 714 715 716 717 718 719 720 721 722 723 724 725 726 727 728 729 730 731 732 733

2352 VT 2324 HN 2321 JB 2315 BS 3215 SH 2313 VV 2324 XG 2322 LH 2317 AZ 2381 TK 2381 NE 2381 BV 2381 KS 2381 TJ 2381 EB 3011 VC 2324 XG 2317 PR 2321 AR 2321 TJ 2324 LD 2331 DK 2321 TH 2313 DE

Leiderdorp Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden ZoeterwoudeDorp Zoeterwoude Zoeterwoude Zoeterwoude Leiden Zoeterwoude Rotterdam Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden

41 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

L. van Gent A. Couwenberg B. Van der Wijden R. Betgen Van der Valk W. van der Valk A. van Velzen G.M. van Velzen Noordduyn L. Lamboo C.J. Slootweg H. Verkade M.Gordijn

Zonnegaarde 22 M. Moonstraat 102 Kijfgracht 10 Kijfgracht 10 Ida de Leeuwstraat 30 Ida de Leeuwstraat 30 Levendaal 185a Bakhuis Roozenboomstraat 27 Rijn- en Schiekade 119 Alleta Jacobs plantsoen 38 Henry Dunantlaan 139 Plantijnstraat 97 Lindelaan 21

2381 LN 2313 ZH 2312 RZ 2312 RZ 2331 SN 2331 SN 2311 JK 2313 RC 2311 AT 2253 RK 2286 GE 2321 JH 3251 NV

Zoeterwoude Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Rijswijk Leiden Leiderdorp

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 25-09-03 25-09-03 30-09-03

734 735 736 737 738 739 740 741 742 743 778 786 792

a.

b. c. d.

e.

f. g.

Samenvatting Reclamanten zijn het niet eens met bebouwing van de Oostvlietpolder, daar dit de enige polder is, die nog niet is bebouwd. Bovendien maakt de Oostvlietpolder deel uit van de bufferzone die door het Rijk is aangewezen. Als zodanig zijn reclamanten van mening dat bebouwing hier niet is toegestaan. Een bedrijvenpark past, naar de mening van reclamanten, niet in de omgeving. Het neemt teveel ruimte in, veroorzaakt horizonvervuiling, geluidsoverlast, onveiligheid en verkeersdrukte. Vestiging van dit bedrijvenpark gaat ten koste van de recreatie, volkstuinen, natuur (waaronder weidevogels), wonen en agrarisch gebruik in het plangebied en de omgeving. Indien er toch wordt gekozen voor de vestiging van een bedrijvenpark in de Oostvlietpolder, dan pleiten reclamanten er voor dit te doen op een dusdanige wijze dat de woonfunctie in de polder tot zijn recht komt. Naar de mening van reclamanten houdt dit het volgende in: 1. Er mag niet gebouwd worden achter de huizen van de Vrouwenweg en de Vlietweg. 2. Indien er te weinig geld is om het bedrijventerrein te realiseren, dient de gemeente dit te betalen, en de kosten eventueel door te berekenen aan de bedrijven die zich hier zullen vestigen. De kosten mogen niet worden afgewenteld op de omwonenden die door de bestemmingsplanwijziging toch al worden geschaad. Aansluitend op punt d zijn reclamanten van mening dat, indien de bedrijvenlocatie ontwikkeld wordt, met betrekking tot het behouden van het groene karakter en aantrekkelijke recreatieve verbindingen (zoals de provincie voorschrijft in het streekplan), de volgende punten in acht moeten worden genomen: 1. de volkstuinen moeten omringd blijven door groen; 2. de groene zone langs de Vlietweg, tussen Vlietland en Cronesteyn, moet groen blijven; 3. het bedrijvenpark moet door groen onttrokken worden aan het zicht; 4. de Europaweg mag geen "stedelijke entree" en geen zichtlocatie worden en moet aan beide zijden vrij blijven; het uitzicht mag voor omwonenden en recreanten niet worden verstoord; 5. het gebied tussen de Vrouwenweg en de Europaweg moet een landelijk karakter houden, waar mogelijk moet gezocht worden naar verbetering van natuur en landschap. Reclamanten zijn van mening dat een ecologische zone omringd door bedrijven geen zin heeft. De ecologische zone langs de Middentocht moet over de hele lengte aansluiten op de recreatieve groenzone langs de Vliet, zodat een optimale combinatie van natuur en ecologie wordt bereikt. Reclamanten stellen dat, indien aan bovenstaande punten wordt voldaan en het bedrijventerrein compact wordt weergegeven, de ruimte beter wordt benut dan in het huidige plan.

42

a.

Antwoord In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en in de notitie Inspraak en Overleg wordt uitgebreid ingegaan op het rijksbufferzonebeleid. Daarbij is aangegeven dat voor de Oostvlietpolder het gestelde in de Vinac niet meer overeenkomt met het actuele rijksbeleid. Ten eerste is in het kader van de VINEX (Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra, complete versie) overeenstemming bereikt over de ontwikkeling van 40 ha netto bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. In Deel 3 (Kabinetsstandpunt) van de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid behorend bij de Vinac is vermeld dat in het bestuurlijk overleg goedkeuring is gegeven aan de ontwikkeling van 40 ha bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder. Ten onrechte is dit niet in de definitieve geactualiseerde versie van de VINEX opgenomen. Dit dient nu in de Vijfde Nota/de Nota Ruimte te worden rechtgezet. In verband met de politieke gebeurtenissen van de afgelopen twee jaar is deze nota echter nog niet verschenen. Ten tweede is er de uitspraak van de ABRvS over het "oude" bestemmingsplan, die uitgangspunt is voor het "nieuwe" bestemmingsplan. Dan gaat het dus om maximaal 40 ha netto bedrijventerrein. De ABRvS heeft in haar uitspraak aangegeven dat niet duidelijk is waarom 59 ha bruto bedrijvenpark nodig is voor de verwezenlijking van 40 ha netto uitgeefbaar bedrijventerrein (in het bestemmingsplan 2003 is de brutonettoverhouding nader uitgelegd). De ABRvS heeft echter niet expliciet aangegeven dat een bedrijvenpark ter plaatse strijdig is met het actuele rijksbeleid. De ABRvS gaat juist in op voorwaarden waaraan het plan zou moeten voldoen wat betreft de groene inpassing, de bruto-nettoverhouding en het niet bebouwen van de rest van de Oostvlietpolder. Het voorliggende plan voldoet aan deze voorwaarden. Van belang hierbij is dat ook de groene inpassing aan de westzijde (Aln-gebied) expliciet in het plan zal worden opgenomen. Ten derde heeft de provincie Zuid-Holland onlangs het streekplan Zuid-Holland West vastgesteld, waarin de Oostvlietpolder als locatie voor bedrijven is opgenomen. Het provinciaal beleid in deze is van groot belang, daar het Rijk momenteel voor de uitwerking van het ruimtelijk beleid meer verantwoordelijkheid bij de provincie legt. Ten vierde zijn de rijksvertegenwoordigers (waaronder de Inspectie Ruimtelijke Ordening) zowel in het kader van het streekplan als in het kader van de PPC-behandeling van het ontwerpbestemmingsplan akkoord gegaan met de realisering van een bedrijventerrein van 40 ha netto in de Oostvlietpolder. Overigens heeft de woningbouw in de UGW-bestemming en wijzigingsgebied III weinig invloed op het totale ruimtebeslag dat de nieuwe functies in de Oostvlietpolder (bedrijvenpark, volkstuinen) in beslag nemen en daarmee gepaard gaande ruimtelijke effecten. In de gemeente Leiden is de Oostvlietpolder inderdaad de enige onbebouwde polder met een dergelijk slagenpatroon. De gemeente heeft echter na zorgvuldig onderzoek en een zorgvuldige belangenafweging toch besloten in de Oostvlietpolder een bedrijvenpark mogelijk te maken. Elders in de gemeente is geen ruimte voor het bedrijvenpark. In de omgeving van de gemeente Leiden zijn daarnaast nog verschillende polderlandschappen te vinden (bijvoorbeeld in de gemeente Zoeterwoude), die per fiets goed bereikbaar zijn. Bovendien blijft het open karakter van een deel van de Oostvlietpolder behouden. Een nieuw te realiseren bedrijvenpark leidt altijd tot meer verkeer en tot een ingrijpende verandering van de oorspronkelijke omgeving, aangezien er een omslag plaatsvindt van onbebouwd naar bebouwd terrein. Met een dergelijk argument zou er derhalve geen enkele uitbreidingslocatie in Nederland mogelijk zijn. Het bedrijvenpark neemt niet de gehele polder in beslag. Het westelijk deel van de Oostvlietpolder behoudt zijn openheid. Daarnaast is in het bestemmingsplan ook aangegeven hoe de bruto- en netto-oppervlakte zich tot elkaar verhouden. Bij de milieuzonering van het bedrijvenpark is rekening gehouden met gevoelige functies in de omgeving, waardoor de geluidsoverlast tot een aanvaardbaar niveau is beperkt. Voor een veilige afwikkeling van het verkeer zullen adequate voorzieningen worden getroffen (o.a. fietspaden).

b.

43 Nr. Dnst. c. : 03.0178 : BOWO

d.

e.

De recreatiefunctie van het gebied blijft waar mogelijk behouden en wordt voor de volkstuinders, wandelaars en fietsers zelfs uitgebreid, doordat het huidige ontoegankelijke agrarische gebied voor recreanten wordt ontsloten. Ook kan het weidevogelreservaat in de winter gebruikt worden als schaatsbaan. Daarnaast zijn er in recreatiepark Vlietland en polderpark Cronesteyn ook nog voldoende recreatiemogelijkheden. Het agrarisch gebruik in het plangebied zal inderdaad verminderen. Gelet op de algemene tendens van een afname van agrarische activiteiten in Nederland, die de komende jaren niet zal veranderen, is dat niet problematisch. De woonfunctie in de Oostvlietpolder blijft behouden en neemt zelfs toe langs de Vlietwegzone. De natuurwaarden in het gebied blijven behouden of worden versterkt in het westelijk deel van het plangebied, waar een groot graslandareaal blijft behouden of ecologisch wordt geoptimaliseerd. Direct achter de woningen langs de Vrouwenweg wordt niet gebouwd. In de Vlietwegzone wordt wel woningbouw mogelijk gemaakt. Dit beperkt echter niet de woonfunctie langs de Vlietweg zelf. Tussen de Vlietwegzone en het bedrijvenpark wordt een onbebouwde groenzone van 50 m aangelegd en bij de milieuzonering van het bedrijventerrein is rekening gehouden met de gevoelige functies in de omgeving. Het uitzicht voor de bewoners langs de Vrouwenweg en Vlietweg zal inderdaad veranderen ten opzichte van de huidige situatie, maar dat is inherent aan stadsuitbreidingen. De gemeente Leiden heeft zorgvuldig belangen afgewogen en staat achter de inrichting van de Oostvlietpolder zoals deze in het bestemmingsplan is verwoord. Met betrekking tot het groene karakter en de aantrekkelijke recreatieve verbinding, wil de gemeente vermelden dat er in het plan zorg is gedragen voor dit karakter (zorgvuldige analyse Vlietwegzone, weidevogelreservaat, groene zone tussen A4 en bedrijvenpark, behoud deel agrarisch gebied) en de recreatieve verbindingen ((brom)fietspad door de ecologische zone, uitbreiding fietspaden in het gebied). 1. De overgang tussen het volkstuincomplex en het bedrijvenpark zal zorgvuldig worden ingericht, waarbij voornamelijk water een belangrijke rol speelt (zie ook figuur 9 van de plantoelichting). Ook aan de Vlietwegzijde is er grotendeels sprake van een groene zone. Het weidevogelreservaat zorgt aan de westzijde voor een groene zone langs het volkstuinencomplex. 2. De groene zone langs de Vlietweg, tussen Vlietland en Cronesteyn, zal deels groen blijven of een "groene" functie vervullen (weidevogelreservaat), maar er zal ook in aangegeven delen woningbouw mogelijk worden gemaakt. 3. Het bedrijvenpark mag volgens het beleid en de uitspraak van de Raad van State geen zichtlocatie worden. Bij het begrip zichtlocatie gaat het om zicht op een locatie van doorgaande auto(snel)weg(en). Vanaf de A4 zijn in dit verband met name de zijde langs de Hofvlietweg en langs het Aln-gebied van belang. Langs beide zijden is de maximale bouwhoogte beperkt tot 12 m. Ook is enige afstand in acht genomen tussen de A4 en de daadwerkelijke bebouwing van het bedrijvenpark. Daarnaast is er voor het bedrijvenpark nadrukkelijk sprake van een gerichtheid op de noordzuid-verkaveling (verstaffeling van gebouwen). Alleen in een strook van 50 m breed langs de Europaweg mag de bebouwing zich meer in hoogte manifesteren. Daarnaast wordt tussen het UB-gebied en het Aln-gebied een strook bestemd voor groenvoorzieningen, ook om de groene inpassing van het bedrijvenpark te verbeteren. Ook langs de volkstuinen is ruimte om een blauw(groen)e overgangszone naar het bedrijvenpark te realiseren. Dit zal bij de uitwerkingsplannen nader vorm krijgen en zal in de uitwerkingsregels in dit bestemmingsplan worden opgenomen. Gelet op de specifieke functie van de Europaweg als entree naar de stad, is een groene inpassing in de zin van een groenstrook langs deze weg niet gewenst. Wel geeft de recreatieve bestemming aan de overzijde van de Euorpaweg mogelijkheden om dit gebied een parkachtige inrichting te geven.

44

f.

g.

4. Vanwege efficiënt ruimtegebruik en uit stedenbouwkundige overwegingen is het niet mogelijk de Europaweg vrij te houden van bebouwing. De Europaweg maakt als entree van Leiden deel uit van de lokale hoofdontsluitingsstructuur en zal ook een functie vervullen in de ontsluiting van het bedrijvenpark zelf. Gelet op de functie van deze weg als stedelijke entree is bebouwing langs de weg dan ook onontbeerlijk. In het ontwerpbestemmingsplan wordt aangeven dat met de ontwikkeling van de Oostvlietpolder de stedelijke entree van Leiden opschuift in de richting van de A4. De Europaweg krijgt dan ook het karakter van een stedelijke invalsweg. De vormgeving van de weg en zijn omgeving dient dit te weerspiegelen, zodat er een aantrekkelijke stadsentree ontstaat. Het uitzicht zal hiermee voor omwonenden en recreanten veranderen. Verwezen wordt tevens naar antwoord 3). 5. De recreatieve bestemming tussen Vrouwenweg en de Europaweg biedt mogelijkheden voor een inrichting als "polderpark". Zolang deze bestemming niet wordt gerealiseerd, kan het huidige gebruik van de grond wordt voortgezet en zal het landelijke karakter van het gebied behouden blijven. De combinatie van ecologische zone en bedrijventerrein is inderdaad niet optimaal, doch gezien het doel (ecologische verbinding tussen Vlietland en Cronesteyn) en de weinig kritische doelgroepen (amfibieën, insecten, kleine zoogdieren) is deze zone voldoende kansrijk. Naast de ecologische doelstelling, is de zone tevens bedoeld als waterberging, accentuering van een waardevol landschapselement en als recreatieve ontsluiting. De zone zal uitstekend voldoen aan deze gecombineerde doelstelling. Een ecologische zone langs de Vlietweg stuit op vele praktische bezwaren en zal ecologisch slechter functioneren dan de beoogde zone, juist omdat de laatste langs de centrale wetering ligt, waardoor de functie van "verbinding" daadwerkelijk waar kan worden gemaakt. Ook de kruising van de Europaweg is bij de gekozen oplossing veel eenvoudiger dan bij een verbindingszone ten zuiden van de Vlietweg. Gelet op bovenstaande punten is de gemeente van mening, dat de bestemmingslegging niet moet worden aangepast. De gemeente zal slechts enkele aanpassingen doorvoeren die betrekking hebben op de uitwerking van deze bestemmingen.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Langs de westzijde van het plangebied zal (een deel van) de aangrenzende kavel van het Aln-gebied de bestemming Groenvoorziening krijgen ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing. Voor het bedrijvenpark zal bij de uitwerkingsregels worden opgenomen dat het uitwerkingsplan dient te voorzien in een watergang met groene bermen tussen bedrijvenpark en volkstuinencomplex. Voorts zal de recreatieve bestemming van de zone Vrouwenweg-Europaweg in de toelichting nader worden aangeduid. 2.1.1. a. R. de Bondt, Witte Rozenstraat 16 b, 2311 XV, Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 601 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat er geen behoefte is aan kantoren en bedrijfspanden. Reclamant stelt dat in de omgeving van Leiden, zoals op industrieterrein De Grote Polder, in Alphen aan de Rijn, in Katwijk aan zee en in Leiderdorp, tienduizenden vierkante meters bedrijfsterrein leegstaan. Deze voorzieningen kunnen veel compacter en met gebruik van de bestaande infrastructuur worden benut. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.

b.

a.

45 Nr. Dnst. b. : 03.0178 : BOWO

In het bedrijvenpark wordt de vestiging van zelfstandige kantoren niet mogelijk gemaakt. Op de bedrijventerreinen die reclamant noemt staan met name kantoorpanden leeg. Voor het gebruikmaken van bestaande voorzieningen dienen de bestaande bedrijventerreinen veelal geherstructureerd te worden. Herstructurering zal echter niet voldoende ruimte bieden om tegemoet te komen aan de vraag naar bedrijventerreinen in de Leidse regio. De gemeente Leiden onderneemt in samenwerking met de provincie Zuid-Holland pogingen om herstructurering op bestaande bedrijventerreinen op gang te brengen. Er zijn momenteel drie terreinen in beeld waarbij herstructurering wellicht mogelijk dan wel gewenst is. Het gaat om de terreinen Leeuwenhoek, De Waard en De Hallen. In de praktijk blijkt het echter zeer lastig om herstructurering van bedrijventerreinen van de grond te krijgen. Een zeer belangrijke succesfactor bij herstructurering is het creëren van schuifruimte door het ontwikkelen van nieuw bedrijventerrein. Hierdoor kunnen bedrijven op ongeschikte locaties worden verplaatst. Na verplaatsing kan de vrijkomende ruimte efficiënt worden benut. Een nieuw terrein met de omvang van Oostvlietpolder geeft lucht voor de komende jaren voor bedrijven die zich in of buiten de gemeente gevestigd hebben en verplaatsings- of uitbreidingswensen hebben.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.2. a. b. P. van Straaten, Breestraat 125, 2311 CM, Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 771 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar punt 2.1. Reclamant geeft aan het belang van nieuwe industrieterreinen te onderkennen, maar geeft aan dat men op moet houden de laatste stukken natuur en landschap op te offeren aan nieuw bedrijfsterrein en economische vooruitgang. Reclamant stelt voor te onderzoeken of er op de bestaande bedrijfsterreinen alternatieven en mogelijkheden voor handen zijn. Naar de mening van reclamant zijn deze mogelijkheden er wel degelijk. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Voor het bedrijvenpark zal een deel van het landschap van de Oostvlietpolder verdwijnen, terwijl de natuurwaarden in het gebied gecompenseerd zullen worden. Uit onderzoek blijkt dat er de bestaande bedrijventerreinen niet voldoende ruimte bieden (ook niet na herstructurering) voor de behoefte die er vanuit de regio aan bedrijventerreinen is. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.1.b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.3. a. Y.M. Burg, Lorenzkade 37, 2313 GD, Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 574 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat het ongezond is voor mens en natuur als de randstad wordt dichtgebouwd. Naar de mening van reclamant zullen mensen in de auto stappen om op zoek te gaan naar natuur om daar te recreëren. Dit brengt milieuvervuiling met zich mee. In het verlengde hiervan vraagt reclamant zich af wat mensen moeten doen die niet over een auto beschikken.

b.

46

a. b.

Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Er bestaan in recreatiepark Vlietland, polderpark Cronesteyn en in de omgeving van de gemeente Leiden nog voldoende mogelijkheden om te recreëren. Deze mogelijkheden zijn vanuit Leiden goed met de fiets te bereiken. De milieuvervuiling zal naar verwachting hierdoor niet toenemen.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.4. a. b. C. Fresco, Plantijnstraat 28, 2311 JC, Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 567 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat Leiden een interessante en mooie cultuurstad moet blijven, met een prachtig, historisch interessant polderlandschap. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. De gemeente is verheugd dat reclamant zo tegen zijn stad aankijkt. Leiden blijft een mooie en interessante cultuurstad. In de Oostvlietpolder zal de Vlietweg als historische ontginningsbasis behouden blijven, waarbij de accentuering van de woonbebouwing op Vlietweg 1 een verwijzing naar de geschiedenis is. Ook bij de inrichting van het bedrijvenpark is het landschap als basis genomen (verkavelingsrichting), waardoor verwezen wordt naar de ontstaansgeschiedenis.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.5. a. Gussenhoven, Burg. Verheullaan 7, 2396 EN Koudekerk a/d Rijn, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 622 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat straks weer een stuk fietsplezier weg is. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Gemeente betreurt het dat reclamant deze mening is toegedaan. In het bestemmingsplan is juist veel rekening gehouden met de recreatieve fietser door het mogelijk maken van fietspaden door het gebied, waardoor er een goede verbinding met het Groene Hart ontstaat.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.6. a. b. C.F. Hulsbos, Vrouwenweg 55, 2322 LM Leiden , ingekomen 17 september 2003, boeknummer 561 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat een groen Leiden niet zou misstaan.

47 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

a. b.

Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. De gemeente kan zich in de stelling van reclamant vinden. De gemeente heeft er dan ook voor zorg gedragen dat een deel van het groene karakter van de Oostvlietpolder behouden blijft.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.7. a. b. c. M. van Kapel, Kerklaan 67, 2381 VE, Zoeterwoude, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 596 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant dringt aan op een nader onderzoek naar optimale benutting van reeds bestaande bedrijfsterreinen. Reclamant is van mening dat een goede recreatieve verbinding tussen recreatiegebied Vlietland en polderpark Cronesteyn belangrijk is. Door de aanwezigheid van wegen, spoorlijnen en drukke kruisingen is er is al weinig ruimte om in de regio te recreëren. Reclamant stelt dat men het belang van recreatie voor de fysieke en geestelijke gezondheid van de mens en maatschappij beter in zou moeten zien. Reclamant stelt dat de zienswijze tevens is ingediend uit naam van alle 70 leden van paardensportvereniging Jeanne d'Arc. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.1.b. en 2.1.2.b.. Deze verbinding wordt in het bestemmingsplan ook mogelijk gemaakt door handhaving van het karakter van de Vlietwegzone en toevoeging van de ecologische verbindingszone. De zienswijze is alleen ondertekend door reclamant en deze heeft de zienswijze op eigen titel ingediend. Handtekeningen van de 70 leden ontbreken. Zij kunnen daarom niet als indieners van een zienswijze worden beschouwd.

d.

a. b. c. d.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.8. a. b. J.M.H. Paulissen en M.A.A. Paulissen- Zaaijer, Plantijnstraat 102, 2321 JH, Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 564 Reclamanten hebben een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamanten wonen op de 10e verdieping en stellen dat het uitzicht op Delft wordt vervuild door de bouw van de woontoren in het Snoekerplan. Voorts wordt het uitzicht op Delft en Zoetermeer weggenomen door het plan voor de Oostvlietpolder. Daarnaast stellen reclamanten dat het zicht op de grazende koeien, de A4 en de molen wordt weggenomen. Hierdoor wordt 50% van het uitzicht van reclamanten aangetast. Reclamanten stellen dat de verkeersdrukte op het Lammenschansplein zal toenemen, met een verhoging van de onveiligheid als gevolg. Hierop aanvullend stellen reclamanten dat zij door de toename van lawaai, stank en de uitstoot van uitlaatgassen geen gebruik meer zullen kunnen maken van het balkon. Voorts vrezen reclamanten dat verkeerslawaai de nachtrust zal verstoren. Alle bovenstaande punten samengenomen spreken reclamanten de vrees uit dat de gezondheid van beiden zal worden aangetast.

c.

48

d.

Reclamanten roepen het gemeentebestuur op de plannen niet uit te voeren, zodat zij geroemd zal worden als een bestuur dat het natuurschoon heeft behouden. Reclamanten verwijzen naar het gemeentebestuur van een eeuw geleden, welke vele unieke stukjes Leiden heeft vernietigd. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. De woonbebouwing in het Snoekerplan wordt niet in het bestemmingsplan Oostvlietpoldder mogelijk gemaakt. De realisatie van een nieuw bedrijvenpark zal altijd gepaard gaan met een verandering van het uitzicht van omwonenden. In deze afweging acht de gemeenteraad het algemeen belang van realisering van het bedrijvenpark groter dan het particuliere belang van behoud van het huidige uitzicht van omwonenden. Zoals ook bij zienswijze 2.1 is aangegeven zal elke ruimtelijke ontwikkeling effecten hebben op het verkeer en daarmee op luchtkwaliteit en geluidsniveau. Om de gezondheid van mensen te beschermen, is er op Europees en nationaal niveau wet- en regelgeving opgesteld met betrekking tot luchtkwaliteit en geluidshinder, waarin grenswaarden voor deze aspecten zijn aangegeven. De verkeersintensiteit is bepalend voor de optredende hinder. Vooralsnog is uit onderzoek niet gebleken dat ter plaatse van de woning van reclamanten de grenswaarden voor luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer ter plaatse wordt overschreden. Voor verkeerslawaai geldt, dat een te grote toename van het verkeer alleen mogelijk is, indien de capaciteit van het Lammenschansplein zeer aanzienlijk vergroot zou worden. In het kader van een dergelijke reconstructie dient er een akoestisch onderzoek plaats te vinden (reconstructieonderzoek Wet geluidhinder), waaruit moet blijken of er maatregelen nodig zijn om aan de normen van de Wet geluidhinder te voldoen. Reclamanten kunnen er derhalve van verzekerd zijn, dat − ook als gekozen wordt voor een ingrijpende reconstructie van de huidige N206 als oplossing van de verkeersproblematiek − de normstelling van de Wet geluidhinder de toegestane geluidstoename aan banden legt en het woonmilieu beschermt. Door de situering van alle functies in het gebied zal in ieder geval een deel van het natuurschoon behouden blijven en zal een deel worden gecompenseerd. De beleidskeuzes die de gemeente een eeuw geleden heeft gemaakt, zijn in onderhavige procedure niet ter zake doende.

a. b.

c.

d.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.9. a. C.E. Schoo en M.G. Schoo, Amstelland 2, 2371 PE, Roelofarendsveen, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 627. Reclamanten hebben een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamanten stellen dat zij als fietsend recreant vinden dat dit mooie gebied niet moet worden aangetast door massale bebouwing, bedrijven en wegen, en roepen op het gebied te laten zoals het nu is. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.5.b.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1.

49 Nr. Dnst. 2.1.10. a. : 03.0178 : BOWO

b.

W.J.G. Schoo, Kortsteekterweg 47, 2407 AJ, Alphen a/d Rijn, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 628 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant zet vraagtekens bij de noodzaak een bedrijvenpark te bouwen, als al zoveel panden te huur en/of te koop staan in bestaande bedrijfsparken. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. De door de reclamant genoemde leegstand heeft met name betrekking op kantoorruimten. Het bedrijventerrein Oostvlietpolder zal maar in beperkte mate worden benut voor de vestiging van kantoren die aan bedrijven verbonden zijn. De behoefte aan ruimte voor bedrijven is daarentegen bijzonder hoog. Er is immers in de gehele gemeente Leiden nog slechts 3 à 4 ha uitgeefbaar terrein op Leeuwenhoek; de 12 overige terreinen in de gemeente Leiden zijn volledig uitgegeven. Een nieuw terrein met de omvang van Oostvlietpolder geeft lucht voor de komende jaren voor bedrijven die zich in of buiten de gemeente gevestigd hebben en verplaatsings- of uitbreidingswensen hebben. Het gesignaleerde tekort aan bedrijventerrein zal door de economische conjuncturele ontwikkeling van de komende jaren iets worden verkleind, het verschil tussen vraag en aanbod blijft echter groot genoeg om een (nieuw) bedrijventerrein van 40 ha netto te realiseren.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.11. a. b. Fam. Schouten, Van de Sande Bakhuyzenlaan 26, 2313 SG, Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 576 Reclamanten hebben een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamanten roepen de gemeente op de omwonenden niet het laatste stuk groen in de omgeving te ontnemen. Reclamanten stellen dat een verdere verstedelijking zal bijdragen aan de lawaai- en stankoverlast die zij nu al als ernstig ervaren. In aanvulling hierop geven reclamanten aan dat zij, om in de toekomst te recreëren de auto zullen moeten gaan gebruiken hetgeen extra milieubelasting met zich meebrengt.

Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Bij de inrichting van de Oostvlietpolder zijn aspecten als luchtverontreiniging, wegverkeerslawaai en overlast (van bedrijven) zorgvuldig meegenomen. Ten aanzien van luchtkwaliteit en wegverkeerslawaai wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Een deel van het groene karakter van de polder blijft behouden en wordt zelfs versterkt (weidevogelreservaat). Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording op zienswijze 2.1.8.c en 2.1.3.b.. Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.12. a. Westerink-Verbeek, Plantynstraat 105, 2321 JH Leiden, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 563 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1.

50

b.

c. d. e.

Reclamant wijst op de reeds bestaande akoestische belasting van de gevel van de serviceflat Cronesteyn. Reclamant stelt dat door de geluidsoverlast thans de ramen tussen 7 en 10 uur 's ochtends en 4 en 7 uur 's avonds niet open kunnen. Reclamant vreest een toename van het verkeer en daarmee samenhangend van de akoestische belasting. Daarom wordt verzocht een akoestisch onderzoek uit te voeren en hierbij eerlijkheid te betrachten. Reclamant geeft voorts aan dat er geen behoefte is aan de bouw van dure appartementen, maar aan sociale woningbouw. In haar ogen zijn de beoogde appartementen onbetaalbaar. Reclamant stelt dat bij bebouwing van de Snoekerhaven de flat Cronesteyn onleefbaar wordt en vraagt of er vervangende woonruimte voor handen is. Reclamant stelt dat zij als senioren de minderheid zijn en dat de ego's van de wethouders belangrijk zijn. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Op wegen rond het plangebied zal inderdaad sprake zijn van een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van Oostvlietpolder. Indien dit − tezamen met anderszins te verwachten verkeerstoename − leidt tot aanpassingen aan deze wegen, is akoestisch onderzoek naar de geluidstoename op de gevels van woningen noodzakelijk (reconstructieonderzoek in het kader van de Wet geluidhinder). Dit eventueel noodzakelijke onderzoek is dus gekoppeld aan een mogelijke reconstructie van wegen buiten het plangebied en niet aan dit bestemmingsplan (verwezen wordt tevens naar de beantwoording van zienswijze 2.1.8.c). In de gemeente Leiden stagneert de doorstroom. Er is, naast behoefte aan dure koopwoningen (waarmee de doorstroming op gang kan worden gebracht), ook behoefte aan sociale huurwoningen. Dit blijkt uit de Beleidsvisie Wonen Leidse regio (januari 2002). De Leidse regio wil meer differentiatie van woonmilieus. In de Beleidsvisie wordt aangegeven dat voor nieuwbouw behoefte is aan 12.000 woningen, waarvan 70% in de koopsector (deel (zeer) duur), om de verhouding huur/koop in de gemeente Leiden meer in balans te brengen. De bebouwing van de Snoekerhaven valt buiten dit plangebied. Deze vraag is voor het onderhavige bestemmingsplan dus niet van belang. De gemeente heeft niet de intentie om de senioren als minderheid te benadelen. Daarnaast wil de gemeente Leiden voor de Oostvlietpolder een veelheid aan functies in het gebied mogelijk maken, waaronder een bedrijvenpark.

a. b.

c.

d. e.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.13. a. b. Schraa, Vrouwenweg 19, 2322 LK, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 695 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat de keuze over het verlengen van de Churchilllaan, respectievelijk de aanleg van de N11, nu moet worden gemaakt en niet na realisering van de bebouwing. Dit wordt onderbouwd met de stelling dat nu al sprake is van ernstige verkeersproblemen op de Europaweg, met name in de ochtenduren. Reclamant wijst op het grote aantal ongevallen en vreest een toename van ongevallen door de toename van het verkeer. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. Een keuze tussen de N11 of de verlengde Churchilllaan kan nu nog niet worden gemaakt, omdat de provinciale studie nog niet gereed is. In het bestemmingsplan is zorgvuldig aandacht besteed aan de afstemming tussen de ontwikkeling van het bedrijvenpark en de totstandkoming van de infrastructuur.

a. b.

51 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. 2.1.14. a. b. H. de Geus, Jan Paetsplein 5, 2332 PJ, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 697 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.1 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Reclamant stelt dat de signalen uit de natuur blijkbaar onvoldoende zijn, en roept op het beetje natuur dat er nog is te sparen.

a. b.

Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1. In dit bestemmingsplan blijft een deel van de Oostvlietpolder onbebouwd en worden de verloren gegane natuurwaarden gecompenseerd. Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1.

2.2. Gelijkluidende zienswijzen II Onderstaande 10 reclamanten hebben allen de volgende gelijkluidende zienswijze ingediend. Deze zal na de opgave van de naam en adresgegevens worden samengevat en beantwoord. Daarnaast heeft 1 reclamant een gelijkluidende zienswijze ingediend, met verschillende aanvullingen. Deze aanvullingen zullen in de volgende subparagraaf behandeld worden.
Naam G.J. Nieboer en M. Wegman Th.G.J. v.d. Berg A.J. v.d. Krogt Fam. C.H.M.M. Meijer H. Kuyk W.J. van der Post A.M.M. van Steijn P.H. Eduard en T. EduardHoogendoorn C.A.P. Westgeest A.A.M. Mooijman Adres Vlietweg 96 Vlietweg 84 Vlietweg 80 Vlietweg 15 Vlietweg 96a Vlietweg 82 Vlietweg 74 Vlietweg 104 Postcode 2323 LG 2323 LG 2323 LG 2323 LG 2323 LG 2323 LG 2323 LG 2323 LG Woonplaats Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Datum ingeboekt 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 24-09-2003 Boeknummer 745 757 758 749 750 751 752 753

Vlietweg 102 Vlietweg 76 b

2323 LG 2323 LG

Leiden Leiden

24-09-2003 25-09-2003

754 773

a.

Reclamanten stellen dat in de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangegeven dat het bedrijventerrein een "zorgvuldige ruimtelijke inpassing" moet krijgen. Ook wordt in de plantoelichting aangegeven dat het terrein "een groene inpassing" moet krijgen en dat het "geen zichtlocatie" mag worden. Voorts staat in de plantoelichting de eis dat er sprake moet zijn van "behoud van de ruimtelijke kwaliteit van de Vlietwegzone".

52

b.

c. d.

e. f.

Reclamanten wijzen verder op het gestelde in paragraaf 6.2 waarin wordt aangegeven dat "de bebouwingshoogte van het bedrijvenpark in de zone grenzend aan de groenzone/ Vlietwegzone beperkt wordt". Reclamanten stellen dat de bepaling in de voorschriften waarin een maximale bouwhoogte van 12 m staat aangegeven, strijdig is met het voorgaande. Voorgesteld wordt in artikel 4 lid 2 op te nemen dat de bouwhoogte op de zichtlocatie van de Vlietweg beperkt blijft tot 5 m en dat de bebouwing een groene aankleding krijgt. In paragraaf 4.1.5 wordt de Vlietweg aangeduid als "een belangrijke recreatieve fietsroute langs de Vliet". Reclamanten stellen dat door uitbreiding van het volkstuinencomplex en de bouw van circa 80 woningen deze functie ernstig onder druk komt te staan. In de artikelen 17 en 18 van de voorschriften zijn geen regelingen opgenomen om deze verkeersdruk te reguleren. Voorgesteld wordt om tenminste in artikel 5 dan wel in artikel 4 op te nemen dat ontsluiting uitsluitend via de zuidzijde van het complex (via het bedrijvenpark) zal plaatsvinden. Bij de uitvoeringsmaatregelen ex artikel 17 dient een parkeerverbod aan de Vlietweg te worden opgenomen. Reclamanten stellen voor dit verbod uit te breiden voor de gehele Vlietweg. Dit uit oogpunt van veiligheid voor het fietsverkeer en het voorkomen van het parkeren van wrakken, zoals nu het geval is. Reclamanten achten de voorgestane bouw van circa 70 woningen in het gebied dat op de plankaart is aangegeven als UGW strijdig met de gebiedsvisie die is beschreven in paragraaf 5.6 van de plantoelichting. De bouw van deze woningen verhoudt zich niet met het instandhouden van zichtlijnen en "openheid". Naar de mening van reclamanten zijn de aangedragen argumenten voor woningbouw in dit gebied, het vestigen van een overgangszone, het financieel haalbaar maken van het plan, en het rechttrekken van de "rafelige" achterzijde van de gebouwen, niet serieus te nemen. In het bestemmingsplan is aangegeven dat verlenging van de Churchilllaan een optie is voor de ontsluiting van het bedrijvenpark en de verbetering van de afvoer van het autoverkeer. Dit staat volgens reclamanten op gespannen voet met de voorziene oprichting van een woongebouw ter hoogte van Vlietweg 1a. In paragraaf 6.3 van de toelichting wordt gesproken over het in te richten graslandreservaat. Uit de daarbijbehorende plankaart is naar de mening van reclamanten af te leiden dat deze door een dijk omringd zal worden. Reclamanten stellen dat noch in de toelichting, noch in de voorschriften hiervoor een regeling wordt aangegeven. Verder is niet duidelijk hoe de waterafvoer van de percelen tussen dit reservaat en de Vlietweg geregeld zal worden. De bestemming kan, door het ontbreken van een dergelijke regeling, niet in stand blijven. Reclamanten geven aan dat een dergelijke regeling niet ten laste van de betreffende bewoners mag komen. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.e. De ruimtelijke kwaliteit van de Vlietweg wordt zoveel mogelijk behouden (zeker in het 3e deel van de Vlietwegzone). De hoogte van de bedrijfsgebouwen aan de kant van de Vlietweg wordt beperkt tot 12 m, alleen op de locatie langs de Europaweg wordt in deze zone een hogere bebouwing toegestaan in verband met de functie van de Europaweg als stedelijke entree. Een langere maximale bebouwingshoogte dan 12 m past niet binnen het streven naar intensief ruimtegebruik. Bij de verdere planvorming voor in de toekomst te realiseren woningen (na uitwerking van de in artikel 10 van de voorschriften opgenomen bestemming) is de mogelijke ontsluiting een belangrijk punt van aandacht. De gemeente wil echter bij voorbaat niet uitsluiten dat (een aantal van) de beoogde woningen via de Vlietweg zelf zal worden ontsloten. Het reconstructieplan voor de volkstuinen voorziet in een ontsluiting van de toe te voegen parkeercapaciteit via het bedrijventerrein. De bestaande parkeervoorzieningen blijven via de Vlietweg ontsloten. In artikel 5 lid 3 geeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid nadere eisen te stellen, onder meer aan de situering van parkeerplaatsen. Aan de beschrijving in hoofdlijnen (artikel 2) zal onder lid 2 het thema "recreatie/volkstuinen" worden toegevoegd, waarin onder meer dit uitgangspunt voor de ontsluiting zal worden genoemd.

a.

b.

53 Nr. Dnst. c. d. : 03.0178 : BOWO

e.

f.

In het kader van het bestemmingsplan kan een parkeerverbod niet geregeld worden. Niet de Wet Ruimtelijke Ordening, maar de Wegenverkeerswet is daarbij aan de orde. De suggestie van reclamant zal bij verdere uitwerking van toekomstige verkeersbesluiten in het gebied nader worden bekeken. In de visie op de Vlietweg ( paragraaf 5.6 van de toelichting) wordt aangegeven dat in het eerste deel van de Vlietwegzone enige intensivering mogelijk is, zonder het karakter van de Vlietwegzone geweld aan te doen. Het instandhouden van zichtlijnen en openheid is hier veel minder aan de orde dan bij het westelijk deel van de Vlietweg, gelet op de situering van het bedrijvenpark. De gemeente betreurt het dat reclamant de argumenten die de gemeente voor de UGW-bestemming aangeeft niet serieus neemt. In dit bestemmingsplan is de verlengde Churchilllaan ter weerszijden van de Vliet niet als zodanig bestemd. Op dit moment is nog niet bekend of voor deze optie zal worden gekozen en zo ja, waar het tracé exact zal lopen. In een latere fase zal bij het eventueel opstellen van een bestemmingsplan voor deze weg rekening worden gehouden met aspecten zoals wegverkeerslawaai en luchtkwaliteit (berekeningen en eventueel maatregelen die genomen moeten worden). Wat betreft de woonbestemming op het perceel Vlietweg 1a kan er inderdaad sprake zijn van gevolgen voor de mogelijke aanleg van de verlengde Churchilllaan. Daarom zal bedoelde woonbestemming alleen via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. Rondom het weidevogelreservaat zal inderdaad een dijkje worden aangelegd van ongeveer 1 m hoogte. In de voorschriften voor zowel de ecologische zone als het natuurreservaat is aangegeven, dat voor het aanleggen van een dijk een aanlegvergunning noodzakelijk is. Dit wordt derhalve wel in de betreffende voorschriften mogelijk gemaakt. Bij de nadere uitwerking van het weidevogelreservaat zal de waterafvoer voor de woningen tussen Vlietweg en weidevogelreservaat geregeld worden. Dergelijke gevolgen van de aanleg van het weidevogelreservaat zullen hierbij niet ten laste van de betreffende bewoners komen.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De beschrijving in hoofdlijnen (artikel 2) zal met het thema "recreatie/volkstuinen" worden aangevuld. Daarnaast zal de woonbestemming voor Vlietweg 1a eerst via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. Voorts wordt verwezen naar de conclusie van 2.1. 2.2.1. a. P. Kranenburg, Vlietweg 94, 2323 LG Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 631 Reclamant heeft een gelijkluidende reactie ingediend als onder 2.2 is samengevat en beantwoord. Voor de samenvatting van dit onderdeel van de zienswijze en de reactie daarop wordt verwezen naar zienswijze 2.2. Reclamant meldt dat, hoewel hij wel een inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan heeft verzonden, zijn naam niet voorkomt in de Notitie Inspraak en Overleg. Hij leidt hieruit af dat een kennelijk onwelgevallige reactie door de papiervernietiger wordt gedraaid. De inspraakreactie vormt als bijlage een integraal onderdeel van de nu ingediende zienswijze Een deel van de Vlietweg, onder andere nr. 106, is niet op de plankaart opgenomen. Graag verneemt reclamant de reden hiervoor en hij vraagt zich af dit mogelijk leidt tot een voorstel voor het weglaten van een groter deel van het plangebied. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.2. De gemeente betreurt het dat de naam van reclamant per abuis niet in de Notitie Inspraak en overleg voorkomt. De betreffende inspraakreactie is echter wel degelijk bij de thematische behandeling aan de orde geweest. Natuurcompensatie wordt onder andere aan de orde gesteld in de Notitie inspraak en overleg onder 2.3.8, punt 7 en 8, en de bebouwingshoogte onder 2.2.5 punt 3.

b.

c.

a. b.

54

c.

Het open landschap zal in de toekomst inderdaad sterk veranderen door de komst van het bedrijvenpark en de woningen in het oostelijk deel. Daarentegen blijft het westelijk deel van de Oostvlietpolder open. De opmerkingen ten aanzien van het weidevogelreservaat zijn in 2.3.4 (onder andere punt 5) behandeld en de ontsluiting van de volkstuinen in 2.4.4. De opmerkingen over het fietspad tussen Vlietweg 90-92 heeft de gemeente onder paragraaf 2.4.7 punt 2 en 3 beantwoord en in paragraaf 2.6.3 punt 1 wordt ingegaan op de bestemming R. De plankaart zal op dit punt worden aangepast, waardoor het betreffende deel van de Vlietweg (een deel van nr. 106) binnen het plangebied valt.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De plankaart wordt ter hoogte van Vlietweg 106 aangepast. Voorts wordt verwezen naar de conclusie onder 2.2. 2.3. Gelijkluidende zienswijzen III Onderstaande 2 reclamanten hebben de volgende gelijkluidende reactie ingediend. Deze zal na de opgave van de naam en adresgegevens worden samengevat en beantwoord. Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, postbus 5715, 3290 AA Strijen, namens P.J.M. van Haastert, Vlietweg 28, 2323 LC Leiden, ingekomen 23 september, boeknummer 637. Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, postbus 5715, 3290 AA Strijen, namens C.P. Lagerberg, Vlietweg 58, 2323 LE Leiden, ingekomen 24 september, boeknummer 636. Samenvatting Voorzover de bestemming als bedrijventerrein onafwendbaar is, vindt reclamant dat deze beperkt moet blijven tot de gronden aan de oostkant van de Tocht halverwege de polder en dat de gronden tussen de Vlietweg en de Tocht agrarisch moeten blijven. Juist het open agrarische landschap met karakteristiek ontginningspatroon wordt voor een natuurlijke en recreatieve invulling hoog gewaardeerd. Reclamant is van mening dat zijn erf, bedrijfsgebouwen en de gronden, voorzover gelegen buiten het bedrijventerrein, hun agrarische bestemming moeten behouden met de mogelijkheid voor agrarische nevenactiviteiten met een verbrede doelstelling zoals een manege. Reclamant verzoekt het ontwerpbestemmingsplan hierop aan te passen. Antwoord Bij de inrichting is zorgvuldig gekeken naar de gewenste locatie van de verschillende functies in het gebied. Daarbij neemt behoud respectievelijk compensatie van natuurwaarden een belangrijke plaats in. Het Ministerie van LNV en de provincie hebben reeds hun goedkeuring gegeven aan het in het voorontwerpbestemmingsplan aangegeven voorstel. De benodigde natuurcompensatie zou in het voorstel van reclamant veel meer ruimte vragen, hetgeen een efficiënte benutting van de locatie in de weg staat. Juist in de inrichting, zoals voorgesteld in het bestemmingsplan, wordt recht gedaan aan het ontginningspatroon en aan natuur en recreatie. De percelen achter Vlietweg 28 en 58 hebben deels een uitwerkingsplicht voor woondoeleinden in het groen en deels een groenbestemming. Hierdoor wordt een overgang gecreëerd tussen de reeds bestaande woningen aan de Vlietweg en het bedrijvenpark. Een agrarische bestemming waarborgt naar de mening van de gemeente deze overgang niet voldoende. Overigens is het niet uitgesloten, dat bestaande bebouwing hierbij gehandhaafd blijft.

a.

b.

a.

b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

55 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

3. Individuele behandeling zienswijzen van particulieren
3.1. Vereniging bewoners Vrouwenweg, Vrouwenweg 32, 2312 LL Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 761 Er kan geen bedrijventerrein in de Oostvlietpolder worden gerealiseerd Samenvatting De gemeente handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gemeente heeft niet voldaan aan het in artikel 3:2 van de Awb gestelde. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar: 1. alternatieven voor de realisering van een bedrijventerrein in Leiden/de regio en voor de inrichting van het gebied; 2. natuur- en landschapswaarden; 3. economische noodzaak; 4. M.E.R.; 5. verkeer en vervoer; 6. fysieke en bouwtechnische gevolgen voor bestaande bebouwing; 7. ruimtelijke gevolgen voor bestaande bebouwing. De gemeente heeft niet voldaan het in art. 3:4 van de Awb gestelde (voor een/meer belanghebbenden mogen de nadelig gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen). Daarnaast is de manier waarop met verschillende belangen is omgegaan in strijd met het gelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. Er wordt momenteel een artikel 19-procedure doorlopen om de plannen voor het volkstuinencomplex, die gebaseerd zijn op afspraken, en het inrichtingsplan in het kader van het vernietigde bestemmingsplan, te realiseren. Er zijn, zoals de gemeente in het ontwerpplan echter zelf aangeeft, nieuwe ontwikkelingen en inzichten die dwingen tot een nieuw inrichtingsplan. Het is onhandig dat een enkel aspect wordt vastgelegd, mogelijk ten koste van andere aspecten. Dit leidt zelfs tot een onevenwichtige afweging van belangen, wat in strijd is met artikel 3:4 van de Awb. De artikel 19-procedure is echter nog niet afgerond. Verzocht wordt dan ook om deze procedure (voorlopig) stop te zetten en de ligging van de volkstuinencomplexen onderdeel uit te laten maken van de totale afweging, conform art. 3:2 en 3:4 van de Awb. In het streekplan is opgenomen dat er een convenant moet worden gesloten tussen de gemeente en betrokken partijen over de inrichting van het gebied. Dit is niet gebeurd omdat de gemeente dit niet wil. Het realiseren van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder is niet langer een concrete beleidsbeslissing in het vigerende streekplan. Dat betekent dat de provincie dit niet meer dwingend op kan leggen aan de gemeente. De gemeente dient in haar beleidsafweging zich af te vragen of al dan niet aan de provinciale norm wordt voldaan. Dit heeft de gemeente niet gedaan. Volgens reclamant dient te worden afgezien van het bedrijventerrein, in ieder geval zoals gepland qua aard, in de huidige grootte en op de huidige locatie; De conclusie van de m.e.r.-plichtanalyse is onjuist: er dient wel een MER te worden opgesteld. Er is wel sprake van een gevoelig gebied: in het ontwerp zelf wordt voldoende onderbouwd dat het een ecologisch en/of landschappelijk waardevol gebied betreft. De Oostvlietpolder ligt in een rijksbufferzone. Het is ook logisch dat dit in het Besluit m.e.r. geen criterium is, aangezien in een dergelijke zone niet gebouwd mag worden. Daarnaast ligt de omvang van het geplande terrein weliswaar onder de norm van 75 ha, maar in het plan wordt vooruitgelopen op een uitbreiding nabij de aansluiting van de N11-west op de A4.

3.1.1. a.

b.

c.

d. e.

f.

56

g. h.

Bovendien wordt er nadrukkelijk rekening gehouden met de aanleg van een golfbaan. Het is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel om met een m.e.r.-beoordeling te wachten tot de uitbreiding plaatsvindt, terwijl deze uitbreiding nu al wordt voorzien. De wettelijke basis om in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein te realiseren ontbreekt, aangezien de PKB Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening nog niet is vastgesteld. De hoogtemaat van 24 m langs de Europaweg is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aangezien uit de VINEX, de parlementaire behandeling daarvan en de uitspraak van de ABRvS over het vernietigde bestemmingsplan blijkt dat er geen zichtlocatie ontstaat en dat het overige deel conform rijksbufferzonedoelstellingen wordt ingericht; Antwoord Zoals ook reeds in de Notitie Inspraak en Overleg is aangegeven, heeft de gemeente onderzoek gedaan naar alternatieven voor de locatie van een bedrijventerrein. Ook de benoeming van het bedrijvenpark in de Oostvlietpolder in het vorige en vigerende streekplan heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Daarnaast heeft er veldonderzoek plaatsgevonden naar de natuurwaarden in de Oostvlietpolder. Ook is er voldoende onderzoek gedaan naar de behoefte aan bedrijventerreinen (in regionaal verband). Tevens heeft er een m.e.r.-plichtanalyse plaatsgevonden. Voor verkeer en vervoer wordt momenteel door de provincie een studie uitgevoerd naar oplossingen voor een adequate verbinding tussen de A4 en A44. Er heeft een ruimtelijke afweging van belangen plaatsgevonden, waar ook de bestaande bebouwing onderdeel van uitmaakt. Onderzoek naar de fysieke en bouwtechnische gevolgen voor bestaande gebouwen is niet noodzakelijk in het kader van het bestemmingsplan. De gemeente is derhalve van mening dat de genoemde aspecten wel in voldoende mate zijn onderzocht. De gemeente heeft naar zijn mening wel voldaan aan het in art. 3:4 van de Awb gestelde en heeft naar zijn mening niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Vlietweg, Vrouwenweg en het volkstuinencomplex zijn verschillende gebieden/onderwerpen met hun eigen achtergrond, problemen, analyse en visie, waardoor deze niet op een zelfde manier behandeld kunnen worden. Aan de vergaande afspraken, die na jaren onderhandelen met de volkstuinverenigingen zijn gemaakt, wil de gemeente zo min mogelijk tornen. Bij het sluiten van het convenant en het bepalen van de locatie van het volkstuinencomplex zijn door de gemeente destijds ook de andere belangen in het gebied afgewogen. Het initiatief voor het sluiten van een convenant ligt bij de provincie. Het convenant is vooralsnog niet gesloten, omdat de provincie hierin nog geen actie heeft ondernomen. Daarnaast is het convenant een wens van Gedeputeerde Staten, maar geen juridisch vereiste bij het opstellen van dit bestemmingsplan. Het realiseren van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder is nog steeds conform streekplanbeleid, ook al is het geen concrete beleidsbeslissing meer. De gemeente heeft zorgvuldig de lokale en regionale belangen afgewogen en derhalve besloten te streven naar de realisatie een bedrijvenpark in de Oostvlietpolder. In het kader van de planvorming heeft een zorgvuldige analyse naar een mogelijke m.e.r.beoordelingsplicht of m.e.r.-plicht plaatsgevonden. Uit deze analyse blijkt dat er geen sprake is van m.e.r.plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Bij het onderzoeken of er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plicht wordt strikt gekeken naar wat volgens het Besluit m.e.r. onder een gevoelig gebied wordt verstaan. Hieronder valt geen rijksbufferzone, waardoor de Oostvlietpolder volgens het Besluit niet gevoelig is. In het bestemmingsplan wordt aangegeven dat er concreet nog gezocht wordt naar een uitbreiding voor 5 ha, vanwege het wegvallen van de Europaweg-Vrouwenweg als concrete bedrijfslocatie. Hiermee wordt de drempelwaarde van 75 ha niet bereikt. Het doel voor nu en in de toekomst is het realiseren van een bedrijvenpark met een oppervlak van 55 ha bruto (40 ha netto). In het voorliggende plan is concreet ruimte voor 35 ha netto (circa 50 ha bruto) . Er is dus geen sprake van opsplitsing van projecten (in gebieden of in tijd) om onder de m.e.r.(-beoordelings)plicht uit te komen.

a.

b.

c. d.

e. f.

57 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

g. h.

Er zijn geen concrete plannen voor verdere uitbreiding van het bedrijvenpark boven 40 ha netto; de gemeente heeft alleen de inrichting van het gebied zo gekozen, dat een eventuele uitbreiding van het bedrijventerrein in de toekomst niet onmogelijk wordt gemaakt. De aanleg van de golfbaan wordt in dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt: de gemeente heeft alleen aangegeven dat ze in de toekomst hier mogelijk aan meewerken, mits deze functie andere (gewenste) functies in het gebied niet in de weg staan. In dat geval zal te zijner tijd de m,e,,r,-plicht opnieuw onder ogen moeten worden gezien. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. en 2.1.e.3. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 2.1. Noodzaak bedrijventerrein Samenvatting De onderbouwing van de noodzaak van een bedrijventerrein is niet steekhoudend: a. De speerpunten die in de meest recente nota Synergie in de Leidse regio en Bollenstreek worden gekozen, spelen geen rol bij de keuze voor een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder op zich, noch bij de nadere invulling qua type bedrijf. De selectiviteit die in de Nota Synergie wordt aangehaald, wordt niet gevolgd in de Oostvlietpolder, waardoor de onderbouwing van het ontwerpplan onvoldoende is. b. De Oostvlietpolder wordt in het ontwerpplan gepresenteerd als zeer gunstig voor bedrijven, vanwege de ligging met de A4. Niet duidelijk hierbij is de relatie met het knooppuntenbeleid; dit moet in de afweging worden betrokken. c. Daarnaast moet er, als er al een bedrijventerrein noodzakelijk is, gekeken worden naar betere alternatieven dan de Oostvlietpolder. Met het bebouwen van de Oostvlietpolder gaat een veel grotere waarde verloren dan de groene ruimte ter plaatse, door de ligging tussen de recreatieparken Cronesteyn en Vlietland, de stad en het Groene Hart. d. Er wordt in de Leidse regio terecht ingezet op intensief ruimtegebruik, maar hierbij is juist het streven om open groene gebieden te behouden. In het rapport van Buck Consultants (2000) wordt aangegeven dat het bedrijventerrein naar verwachting nagenoeg geheel zal worden gebruikt door reeds in de regio gevestigde bedrijven. Dit betekent dat de Oostvlietpolder wordt opgeofferd voor het verkrijgen van "schuifruimte" met als enige doel dat bedrijven zich in de regio verplaatsen. e. Door de steeds verslechterende economische situatie is de behoefte aan industriële bedrijfsruimte nihil geworden. Overal in Leiden en de regio staan bedrijfsruimten leeg, met name op terreinen waar activiteiten plaatsvinden die gepland zijn in de Oostvlietpolder. 3.1.2. a. Antwoord De speerpunten uit de nota "Synergie in economie in de Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek" van oktober 2001 (te weten: Research en Development, Recreatie en Toerisme en Kennisintensieve dienstverlening) borduren voort op de in het ontwerpbestemmingsplan aangegeven voorkeurssectoren uit het rapport van "De Leidse Regio, Bedrijventerreinstrategie" van Buck Consultants (d.d. september 2000. In laatstgenoemd rapport zijn de volgende voorkeurssectoren genoemd: 1. stuwende dienstverlening; 2. industriële bedrijven: research en development, kennisintensief; 3. logistiek: value-added activiteiten, veilingwezen; 4. toerisme: luxe verblijfstoerisme, waterrecreatie.

58

b.

c.

d.

e.

In het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat Oostvlietpolder gezien wordt als een terrein voor gemengde/hoogwaardige bedrijvigheid, maar ook met zichtlocaties langs de Europaweg voor niet- zelfstandige kantoren. Hierbinnen passen tevens bedrijven uit de sectoren industrie en distributie. Deze globale omschrijving van het doelgroepenbeleid sluit goed aan bij genoemde speerpunten uit de nota "Synergie in economie in de Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek" en de voorkeurssectoren uit het rapport van Buck Consultants. Er is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheid; er is wel in het ontwerpbestemmingsplan gekozen voor een meer globale doelgroepenomschrijving. Het knopenbeleid is vertaald in het streekplan door het aangeven van diverse soorten knopen in het streekplangebied. Bedrijventerrein Oostvlietpolder ligt in de nabijheid van een bovenregionaal knooppunt van A4 (weg) en spoorlijn (Leiden-Alphen aan den Rijn). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals woongebieden en bedrijventerreinen dienen bij voorkeur gesitueerd te worden in de nabijheid van een knooppunt om hiermee vervoersafstanden tot een minimum te beperken. Door de aanwijzing van de Oostvlietpolder als bedrijventerrein is hieraan tegemoetgekomen. De Oostvlietpolder is gekozen na een verkenning waarin ook andere locaties zijn onderzocht. Zoals is aangegeven in de tekst van het voorontwerpbestemmingsplan, zijn hiervoor afgevallen de Grote Polder omdat deze in het Groene Hart ligt, het Polderpark Cronesteyn omdat dit deel uitmaakt van een recreatieftoeristische en ecologische zone en Roomburg/Meerburg omdat deze locatie grenst aan bestaande woonbebouwing. Het deel van de locatie Rhijnfront, dat uiteindelijk niet is ontwikkeld als bedrijventerrein, is gecompenseerd op de locatie Rijnsburg (5 ha). Het aantal hectare bedrijventerrein in de regio blijft dus gelijk, maar wordt op een andere locatie gerealiseerd. Dat is noodzakelijk vanwege de vraag naar bedrijventerrein in de regio. Er is derhalve geen sprake van dat toekomstige bedrijventerreinen niet in bestemmingsplannen in de regio worden opgenomen doordat er voldoende aanbod zou zijn. Het is de taak van het gemeentebestuur om een afweging te maken van diverse belangen in de gemeente. Enerzijds is er de behoefte aan natuur en open landschap, anderzijds zijn er binnen bestaand stedelijk gebied knelpunten. Tegelijkertijd doet het gemeentebestuur zijn best om een toekomstgericht economisch beleid te voeren. Ook (divers) werk is een belangrijke factor in de attractiviteit van de Leidse regio. De keuze van de ontwikkeling, zoals voorgestaan in het voorontwerpbestemmingsplan, is de uitkomst van een gedegen afweging, waarbij landschap en natuur een zeer belangrijke rol hebben gespeeld. Er is geen goed alternatief voor de Oostvlietpolder als bedrijventerrein beschikbaar. De Oostvlietpolder wordt niet opgeofferd met als enige doel dat bedrijven zich verplaatsen. Verplaatsing van bedrijven naar bedrijventerrein Oostvlietpolder is nodig om elders − op andere bedrijventerreinen − herstructurering en intensivering te realiseren. Herstructurering van en intensivering op bedrijventerreinen wordt op drie Leidse terreinen overwogen: Leeuwenhoek, De Waard en De Hallen. Verplaatsing van bedrijven is met name bedoeld voor bedrijven die geen uitbreidingsmogelijkheden hebben op de huidige locatie, bedrijven die zich in een stadscentrum of dorpskern bevinden en bedrijven die vanuit milieuperspectief op de verkeerde locatie gevestigd zijn. Herstructurering op de vrijkomende locatie zal gepaard moeten gaan met intensief ruimtegebruik. Het creëren van schuifruimte draagt op deze wijze indirect bij tot intensief ruimtegebruik, het vergroten van de kansen op herstructurering op bedrijventerreinen of het verbeteren van de leefomgeving in stad of dorp. Overigens betekent "schuifruimte" niet tijdelijke ruimte die nodig is voor het verplaatsen van bedrijven/herstructureren van bedrijventerreinen. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.10.b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

59 Nr. Dnst. 3.1.3. a. : 03.0178 : BOWO

b. c.

d.

e.

f.

g. h.

Natuurwaarden in het gebied Samenvatting Uit het ontwerpbestemmingsplan blijkt niet of er reeds ontheffing aan het Ministerie van LNV is gevraagd in het kader van de Flora- en faunawet en of deze ontheffing is verleend. Daarnaast is in het veldonderzoek geen telling gedaan naar insecten en slakken. De Oostvlietpolder valt volgens de reclamant in categorie e, gebieden met zeer hoge landschappelijke waarde. De tekst op pagina 21 van het ontwerpplan kan moeilijk tot een andere conclusie leiden. Het natuuronderzoek heeft daarnaast te weinig aandacht besteed aan de rol die de Oostvlietpolder in relatie tot zijn omgeving (Westeindse Polder en andere weidevogelgebieden in het Groene Hart, Vogelplas in de Starrevaartpolder, Vlietland en polderpark Cronesteyn) speelt. In het ontwerpplan wordt een ruimtelijke relatie gelegd tussen natuurgebied en het gebied met agrarische bestemming. Aangezien de agrarische bestemming niet duurzaam is, is de natuurcompensatie, die sowieso een theoretische exercitie is, dat ook niet. De verstoring tijdens en na de realisatie van het bedrijventerrein zal tot gevolg hebben dat vooral kritische vogelsoorten in het gebied zullen verdwijnen en niet meer terug zullen keren. Na de aanleg van de N11west komt daar de verstoring van de weg nog eens bij. De in het ontwerpplan opgestelde redenering dat vanwege de toekomstige aansluiting van de N11 natuurbehoud in de zuidwesthoek niet duurzaam is, geldt óók voor de noordwesthoek (combinatie verstoring door de N11 en het verdwijnen van grasland in de aangrenzende zuidwesthoek). Het verlies aan natuurwaarden wordt in zijn geheel niet gecompenseerd op de in het plan voorgestelde zienswijze. Het belang dat in het ontwerpplan aan de ecologische zone wordt gehecht, is gering. Voor de genoemde dieren is een ecologische verbindingszone (voor het bevorderen van genetische uitwisseling van kleine geïsoleerde populaties dieren) niet van toepassing. De op pagina 61 genoemde rugstreeppad komt in het gehele gebied niet eens voor, afgaande op het onderzoek van Waardenburg in bijlage 7. De functionaliteit van de ecologische zone vermindert door de ligging dwars door het bedrijventerrein. Voor alle natuurdoelstellingen in het bestemmingsplan geldt, dat de gevolgen door versnippering door de toekomstige aanleg van de N11 en/of verlengde Churchilllaan niet worden aangegeven. De natuurwaarden in het gebied tussen de Vrouwenweg en Europaweg zullen verloren gaan door bebouwing langs de Europaweg. Op een aantal watervogels na zijn alle te beschermen diersoorten die in het plangebied zijn waargenomen, ook in het gebied Euorpaweg/Vrouwenweg te vinden, gezien de aanwezigheid van dezelfde biotopen. De Vrouwenvaart biedt dezelfde water- en oeverbiotopen en amfibieënsoorten als de rest van de Oostvlietpolder, alsmede de genoemde zwanebloem. De tuinen achter de huizen en de tuin rond het klooster vormen een geschikte biotoop voor struweelvogels, vergelijkbaar met landschapselementen ten westen van de Europaweg. Voor weidevogels is er sprake van een foerageergebied en ook worden jagende roofvogels langs de Vrouwenweg waargenomen. De gemeente heeft besloten dat geen nieuw onderzoek nodig is, maar dit is in strijd met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding. De verstorende werking die de hoge bebouwing langs de Europaweg op vogels in het gebied heeft, wordt ten onrechte niet in het plan genoemd. De natuurbeleving zal volledig verloren gaan door de bebouwing langs de Europaweg, terwijl natuurbeleid in toenemende mate ook draait om natuurbeleving. Antwoord Er is ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aangevraagd. Deze is op dit moment nog niet toegekend. Gebieden met zeer hoge landschappelijke waarde worden onder meer gekenmerkt door het ontbreken van horizonvervuiling en het ontbreken van recente grootschalige ruimtelijke ingrepen.

a.

60

b.

c.

d.

e.

f.

g. h.

De Oostvlietpolder kan niet tot een dergelijk gebied worden gerekend vanwege de naastgelegen snelweg en de aanwezigheid van cultuurhistorisch vreemde elementen als het volkstuincomplex. Onderzoek naar insecten en slakken is als niet zinvol beoordeeld aangezien het voorkomen van bijzondere en/of wettelijk beschermde soorten hier uitgesloten wordt geacht. Het onderzoeken van dergelijke relaties is slechts mogelijk met langjarig onderzoek waarvoor overigens geen eenduidige methodieken bestaan; het behouden en versterken van de meeste weidevogelrijke gebiedsdelen en de aanleg van de ecologische verbindingszone, bieden in ieder geval de beste mogelijkheid om eventuele relaties met de omgeving te behouden. Overigens maakt de Oostvlietpolder geen deel uit van de (provinciale) ecologische hoofdstructuur en vormt het gebied derhalve geen cruciale schakel tussen omliggende natuurgebieden. Het weidevogelreservaat zal ook zonder aangrenzend agrarisch gebied moeten kunnen functioneren. De plantoelichting legt in dat opzicht geen relatie met het aangrenzende agrarisch gebied. De weidevogelpotenties zijn in dat opzicht vergelijkbaar met het eveneens geïsoleerde park Cronesteyn waar de waterhuishouding en het maaibeheer overigens voor weidevogels nog lang niet optimaal zijn. De verstoring door de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein is eveneens theoretisch. De verstoring door de A11/N11 zal mogelijk door een verdiepte ligging ter hoogte van het toekomstige reservaat beperkt blijven. Dit is hier echter niet aan de orde, omdat er nog geen concrete plannen zijn voor de A11/N11. Een verkeersbestemming voor deze weg in dit bestemmingsplan is derhalve niet mogelijk. Verstoring van weidevogels tijdens het broedseizoen zal voorkomen moeten worden door buiten deze periode de meest ingrijpende werkzaamheden te verrichten (heien, grondtransport, etc). Het gebruik van de mogelijk aan te leggen A11/N11 zal in de noordwesthoek minder verstoringeffecten hebben bij een verdiepte ligging, als aanloop naar een ondertunneling van de Vliet. Overigens levert eventuele verstoring door de eventuele A11/N11 te zijner tijd een nieuw compensatievraagstuk bij de plannen voor deze weg. In het voorliggende bestemmingsplan wordt deze weg in ieder geval niet mogelijk gemaakt. Eén van de ambities van het plan is het tot stand brengen van een ecologische verbindingszone tussen Polderpark Cronesteyn en Vlietland. Hier wordt in het plan aan voldaan. Er zal sprake zijn van karakteristieke natuur met een hoge belevingswaarde. Het barrière-effect van nieuwe, kruisende infrastructuur kan door specifieke voorzieningen worden opgeheven. De rugstreeppad komt in het gebied inderdaad niet voor maar deze zeer "mobiele" soort kan het plangebied in de toekomst wellicht wel bereiken. De natuurwaarden in het gebied tussen Vrouwenweg en Europaweg zijn momenteel gering. Weliswaar zijn verschillende wettelijk beschermde soorten aanwezig doch deze zijn dermate algemeen, dat voor mogelijke aantasting van het leefgebied ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet mag worden verwacht. Het betreft hier uitsluitend algemene soorten waar een groot alternatief leefgebied voor beschikbaar is. Het in de Flora- en faunawet genoemd criterium "gunstige staat van instandhouding" is hier voor geen enkele soort in het geding. De natuurbeleving in het westelijk deel van het plangebied wordt daarentegen behouden en versterkt. Daarnaast is een ander beeld en een andere beleving van een gebied nu eenmaal inherent aan de realisatie van een bedrijvenpark met een omvang zoals in de Oostvlietpolder. Na afweging van alle in het geding zijnde belangen en studie naar verschillende inrichtingsvarianten is voor deze planopzet gekozen, dar deze het best tegemoet komt aan de doelstellingen voor dit plangebied. Overigens behoudt de zone Vrouwenweg-Europaweg in dit plan een "groene" functie, hetgeen een belangrijk verschil is met het voorontwerp.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

61 Nr. Dnst. 3.1.4. a. : 03.0178 : BOWO

b.

c.

d.

e.

f.

g.

Stedelijke entree Samenvatting In het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven onder randvoorwaarden voor de ruimtelijke inrichting dat het bedrijventerrein een groene inpassing moet krijgen en geen zichtlocatie mag worden. In de structuurvisie Leidse Regio (1992) staat dat het bedrijventerrein aan verschillende zijden omgeven moet worden met ruime, groene buffers. Dit is in overeenstemming met het Rijksbeleid. Op pagina 61 van het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat langs de stedelijke entree wel zichtlocaties worden gesitueerd. Bovendien zal de "herkenbaarheid van de Vlietweg als historische ontginningsbasis" met de doorsnijding als gevolg van de stedelijke entree volkomen verdwijnen. De gemeente is derhalve niet consequent in haar eigen beleid en dat is in strijd met het verbod op willekeur. De redenering over de stedelijke entree wordt volkomen achterhaald door het feit dat slechts aan een kant van de Europaweg bebouwing mag komen (aan de andere zijde is de entree nog steeds groen, met uitzicht op oude karakteristieke woningen). De gemeente maakt bovendien niet duidelijk waarom een stedelijke entree een bouwhoogte van 24 m noodzakelijk maakt. Een stedelijke entree met een bouwhoogte van 10 m is ook goed voor te stellen. Daarnaast heeft de gemeente nog steeds niet aangegeven om wat voor bedrijven het gaat en of er vraag is naar panden met een dergelijke hoogte. Het feit dat het plan is strijd is met het rijksbeleid en met de randvoorwaarden voor het plan zou voldoende moeten zijn om van het idee af te zien. Het is onzorgvuldig van de gemeente dat ze, na vaststelling van het streekplan en de rode contour, de bouwhoogte en de relatie van gebouwen met hun omgeving niet opnieuw hebben bekeken. Bijgevoegde tekeningen, die op schaal zijn gemaakt, laten zien dat de stedelijke entree stedenbouwkundig niet verantwoord is. Een dergelijke combinatie van oude, kleine huizen en grote industrie doet nog het meest denken aan de omgeving van Rotterdam (bijvoorbeeld Schiedam). Niet voor niets worden deze terreinen gesaneerd omdat ze achterhaald zijn en niemand er wil wonen. De gemeente geeft telkens aan dat een en ander volgens inzichten van de stadsarchitect gebeurd. Door niet aan te geven wat deze inzichten zijn en hoe het college dit zelf waardeert, handelt de gemeente in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het opwaarderen tot "stedelijke entree" van een weg die door een bedrijventerrein loopt, bevordert de ruimtelijke kwaliteit niet. Het resultaat van een dergelijke ontwikkeling is goed te zien bij de Lammenschansweg (een toegangsweg die op historische en geografische gronden WEL het predikaat stedelijke entree verdient): tussen Lammenschansplein en de spoorlijnstaat een onooglijke ratjetoe van goedkoop gebouwde bedrijfspanden, waarin precies die typen bedrijven gevestigd zijn die de gemeente op het oog heeft bij de ontwikkeling van de Oostvlietpolder. Een stedelijke entree door een bedrijvenpark is geen hoogwaardig en representatief beeld voor een stad als Leiden. In het ontwerpbestemmingsplan wordt volstrekt niet duidelijk gemaakt wat het belang zou zijn van deze stedelijke entree. Het concept is daarmee onvoldoende onderbouwd. Het karakteristieke polderlandschap als kwaliteit van de zuidoostelijke entree van Leiden zou juist moeten worden versterkt. De noodzaak voor hoge bebouwing bij de stedelijke entree vervalt op het moment dat het bedrijventerrein in de nabije toekomst ontsloten zal worden door de N11 of de verlengde Churchilllaan. Deze wegen zijn dan te beschouwen als stedelijke entree en de Europaweg zal de huidige functie van secundaire weg van Leiden naar Zoetermeer weer gaan vervullen. De stedelijke entree is in strijd met het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van de Vlietwegzone als randvoorwaarde (horizonvervuiling en dus onacceptabele aantasting van deze kwaliteit) en de realisatie van een groene verbinding tussen Vlietland en polderpark Cronesteyn als randvoorwaarde (horizonvervuiling, de stedelijke entree staat lijnrecht tegenover het streven naar landschappelijke inpassing).

62

h.

De Vrouwenweg is een belangrijke recreatieve fietsverbinding tussen Leiden en het Groene Hart, die aantrekkelijk is omdat hij door een open en groen gebied gaat. Als de Europaweg een stedelijke entree wordt met bebouwing erlangs, zal dat verdwijnen. Dit is in strijd met het streekplan, met name met de kernpunten 6 (Zoeterwoudse wig) en 60 (recreatieve verbinding met het Groene Hart). Antwoord Het bedrijventerrein krijgt een groene inpassing. Verwezen wordt naar zienswijze 2.1.e.3. Gelet op de specifieke functie van de Europaweg als entree naar de stad, is een groene inpassing in de zin van een groenstrook langs deze weg niet gewenst. Wel geeft de recreatieve besstemming aan de overzijde van de Europaweg mogelijkheden om dit gebied een parkachtige inrichting te geven. Enerzijds wordt het zicht op de bebouwing langs de Europaweg daarmee verzacht, anderzijds kan hiermee aan de stedelijke entree meer vorm worden gegeven. Er is derhalve ten aanzien van het bedrijvenpark geen sprake van een zichtlocatie, mede gelet op de afstand tot de A4 en de gerichtheid op de noord-zuidverkaveling. Alleen in een strook van 50 m breed langs de Europaweg, bij de verkeersknoop met de A4, mag de bebouwing zich in hoogte meer manifesteren. Daarnaast dient in overweging te worden genomen dat de structuurvisie in 1992 is opgesteld, waarbij door de jaren heen inzichten in en ideeën over het bedrijvenpark zijn gewijzigd. Ook in de nieuwe situatie zal de "herkenbaarheid van de Vlietweg als historische ontginningsbasis" behouden blijven. Ook nu al kruist de Europaweg de Vlietzone. De eventuele verbreding van de Europaweg heeft op dit punt nauwelijks extra negatieve effecten. Doordat de rode contour niet op de Vrouwenweg is gelegen, is bedrijfsbebouwing aan de oostzijde van de Europaweg niet mogelijk. De stedelijke entree kan aan de oostzijde van de Europaweg vorm worden gegeven door een polderparkachtige inrichting welke goed binnen de recreatieve bestemming past. Een bouwhoogte van 24 m langs de westzijde van de Europaweg wordt noodzakelijk geacht om de stedelijke entree van Leiden nader te accentueren en Leiden als stad een gezicht naar buiten te geven. Een bouwhoogte van slechts 10 m zal dit doel niet kunnen bewerkstelligen. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Voor de verhouding tot het rijksbeleid wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 2.1.a. De kleine oude huizen langs de Vrouwenweg worden reeds in belangrijke mate ontzien door het schrappen van de bestemming voor bedrijven tussen deze woningen en de Europaweg. Voor de Oostvlietpolder ligt er de opgave voor efficiënt ruimtegebruik. Voor de bebouwing langs de Europaweg leidt dit, ook in de visie van de stadsbouwmeester, tot grotere bouwhoogten. De stadsbouwmeester heeft deze visie op de Oostvlietpolder opgesteld (Stedenbouwkundige visie Oostvlietpolder). De gemeente beschouwt deze visie als richtinggevend voor het bestemmingsplan. Daarmee is de waardering van deze visie door de gemeente uitgesproken. De gemeente handelt hiermee niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gemeente deelt de mening van reclamant niet dat de stedelijke entree de ruimtelijke kwaliteit niet bevordert. De situatie op de Lammenschansweg is niet vergelijkbaar met die van de Oostvlietpolder qua schaalniveau en bovendien is dit bedrijventerreintje lang geleden ontwikkeld (zonder beeldkwaliteitsplan). Het beeld van het bedrijventerrein aldaar is in ieder geval niet de kwaliteit die de gemeente voor ogen heeft. Het bestemmingsplan, het beeldkwaliteitsplan en het welstandsbeleid van de gemeente Leiden zullen ervoor zorg dragen dat deze situatie zich niet in de Oostvlietpolder voordoet. Verwezen wordt naar zienswijze 2.1.e.4. Bij aanleg van de A11/N11 zal de Europaweg zijn functie als stedelijke entree zeker behouden. De A11/N11 zal een regionale functie krijgen; de Europaweg blijft vanaf de A4 de toegang tot het centrale deel van de stad. Ook bij aanleg van de verlengde Churchilllaan behoudt de Europaweg zijn functie als stadsentree, met name richting Lammenschansweg/centrum.

a.

b.

c.

d.

e. f.

63 Nr. Dnst. g. : 03.0178 : BOWO

h.

De ruimtelijke kwaliteit van de Vlietwegzone is zoveel mogelijk behouden. De Vlietweg als ontginningsas is in het bestemmingsplan nog steeds herkenbaar. De openheid is met name in het westelijk deel van de Oostvlietpolder behouden. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan een groene verbinding tussen Vlietland en polderpark Cronesteyn mogelijk gemaakt. De stedelijke entree is hiermee dus niet in strijd. De functie van de Vrouwenweg als belangrijke recreatieve fietsverbinding tussen Leiden en het Groene Hart blijft behouden. De realisatie van een bedrijventerrein op afstand, aan de overzijde van de Europaweg is niet van wezenlijke invloed op deze functie. Daarnaast worden in het bestemmingsplan meer (recreatieve) fietsroutes mogelijk gemaakt. Hiermee handelt de gemeente dus zeker niet in strijd met kernpunt 6 en 60 van het streekplan. In kernpunt 60 wordt overigens ook de realisatie van een bedrijventerrein aangegeven.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De groene inpassing van het bedrijvenpark zal worden aangepast. Aan de zijde van het Aln-gebied zal een groenstrook in het plan worden opgenomen, terwijl ook voorwaarden voor de overgang tussen bedrijvenpark en volkstuinen zullen worden opgenomen. 3.1.5. a. Verkeer Samenvatting De Oostvlietpolder is in de huidige situatie onvoldoende ontsloten om te fungeren als bedrijventerrein. De Europaweg zal in eerste instantie ook de interne ontsluiting van het bedrijventerrein moeten verzorgen. Dit, gecombineerd met de functie als verbinding tussen stad en A4 en A4 en A44, kan de Europaweg niet aan. Daarnaast is de belasting nog groter geworden: de resultaten van de metingen die zijn verricht zijn achterhaald, nu de Vrouwenweg voor doorgaand verkeer gesloten is. Er is nieuw onderzoek nodig. De gevolgen van een reconstructie moeten berekend worden vanuit cijfers van 1 jaar voor de reconstructie voor de situatie voor 10 jaar na de reconstructie. Cijfers uit 2001 die zijn gehanteerd zijn dus niet voldoende voor een berekening voor 2015. Nieuwe tellingen in het jaar 2004 zijn dus nodig, indien er in 2005 gereconstrueerd wordt. Een bestemming "nader uit te werken verkeerstracé" is volgens vaste jurisprudentie te vaag. De gemeente stelt dat onderzoek op grond van de Wgh nodig is, als de Europaweg verbreed wordt. Deze mogelijkheid wordt echter reeds in het bestemmingsplan geboden en dit onderzoek moet derhalve voor vaststelling van het plan worden gehouden. Aspecten als het afsluiten van de Vrouwenweg voor doorgaand verkeer en geluidsberekeningen voor de reconstructie van de Europaweg met intensiteiten uit 2004, hebben invloed op de verwachtingen voor de luchtvervuiling en de geluidsbelasting, maar er is geen rekening mee gehouden. Bovendien laat het ontwerp alleen iets zien over de vervuiling ten gevolge van NO2. Maar er zal toch rekening moeten worden gehouden met de vervuiling door andere stoffen, die in de Europese richtlijn vermeld staan en in de Nederlandse wetgeving zijn opgenomen? Bij het berekenen van de geluidsbelasting van de huizen langs de Vrouwenweg, moet rekening worden gehouden met de geluidsweerkaatsing tegen de toekomstige bebouwing langs de westzijde van de Europaweg, mocht tot een dergelijke bebouwing worden besloten. De risico's voor alarmdiensten en bij calamiteiten nemen onaanvaardbaar toe, aangezien 60% in de eerste fase reeds gerealiseerd kan worden wanneer alleen de Europaweg als ontsluitingsweg beschikbaar is. De gemeente geeft aan dat door de urgentie van de ontwikkeling van het bedrijvenpark en door de uitspraak van de Raad van State, niet gewacht kan worden op de studie van de provincie voor wat betreft de verkeersstructuur. Deze urgentie wordt niet onderbouwd.

b.

c.

d.

e.

64

f.

g. h.

i.

De verkeersintensiteit op de Euorpaweg-Lammenschansplein-Churchilllaan zal nog hoger uitvallen dan in het plan is berekend, omdat de intentie is dat bedrijven die zich in de Oostvlietpolder vestigen zich verder kunnen ontwikkelen. Verwacht mag worden dat de verkeersopstoppingen onaanvaardbaar worden. Bovendien worden er extra punten gecreëerd waar verkeersstromen met elkaar samenkomen, wat extra opstoppingen geeft. Daarnaast zal de nieuwe aansluiting van bedrijvenpark Oostvliet op de Hofvlietweg tot een gevaarlijke of in ieder geval ongewenste situatie leiden, omdat de opstopping zich voort zal zetten tot op de A4. Het optimaliseren van het Lammenschansplein is geen haalbaar alternatief, aangezien de provincie hier nooit iets in heeft gezien en dit de economische haalbaarheid van het plan niet ten goede komt. De verwachting dat files op de Europaweg niet erger zullen worden omdat de verkeersstromen zich zullen verplaatsen binnen of buiten de regio is onlogisch en kan niet hard worden gemaakt. De gemeente moet reeds nu aantonen hoe de ontsluiting van het bedrijventerrein eruit zal zien. De gemeente gaat uit van verkeerde informatie over het openbaar vervoer: bus 45 rijdt niet over de Europaweg en bus 204 is een Interliner, die niet mag stoppen op de halte Kruisherenweg. Daarnaast liggen de haltes op aanzienlijke loopafstand van het bedrijventerrein en ligt de looproute langs de Europaweg, waar niet gelopen mag worden. Volgens de gemeente zal omleiding van de bussen over het bedrijventerrein niet gebeuren, waardoor ze zelf aangeeft dat er geen goed openbaar vervoer is. Antwoord Verwezen wordt naar de Notitie Inspraak en overleg paragraaf 2.4.1. Het bestemmingsplan biedt voldoende mogelijkheden om het bedrijvenpark te ontsluiten (namelijk via de Europaweg, die verbreed kan worden in het kader van dit bestemmingsplan), mocht onverhoopt de A11/N11 of de verlengde Churchilllaan niet totstandkomen. Bij de verkeersintensiteiten is rekening gehouden met het feit dat de Vrouwenweg voor doorgaand verkeer is afgesloten. Door in de berekeningen de beschikbare cijfers van 2001 en 2015 te hanteren, wordt bewust gekozen voor een "worst case". Immers, de geluidseffecten van de verkeerstoename over een periode van 14 jaar wordt getoetst aan de normen in plaats van een periode van 11 jaar. De bestemming "Nader uit te werken verkeerstracé" komt in het ontwerpbestemmingsplan niet voor. Overigens zal de aanduiding met betrekking tot de verkeersontsluiting in planvoorschriften en op plankaart met elkaar in overeenstemming worden gebracht. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met een minimale afstand van geluidsgevoelige bestemmingen (i.c. woningen) tot de Europaweg na reconstructie (zie plankaart voor de begrenzing van de uit te werken bestemming voor Groenzone en Woondoeleinden). Deze afstand is gebaseerd op de 55 dB(A)-contour volgend uit akoestisch onderzoek dat wel degelijk in het kader van dit bestemmingsplan is uitgevoerd. Omdat de gemeente beschikt over een algemene ontheffing tot 55 dB(A) voldoet het plan dus aan de vereisten van de Wet geluidhinder. Voor luchtverontreiniging door wegverkeer blijkt stikstofdioxide de maatgevende stof te zijn. Dat wil zeggen dat deze stof het snelst voor een overschrijding zorgt van de grenswaarde als gevolg van de aanwezigheid van wegverkeer. Ook de provincie Zuid-Holland geeft dit in de Nota Planbeoordeling aan, waarbij de provincie vermeld dat woningbouw op een locatie met een stikstofconcentratie hoger dan 40 µg/m³ niet is toegestaan. Derhalve is in het bestemmingsplan alleen de concentratie stikstofdioxide vermeld. Bij de geluidsberekeningen is rekening gehouden met reflectie als gevolg van bebouwing langs de Europaweg. Vanzelfsprekend zal voor en goede toegankelijkheid voor hulpdiensten, ook bij filevorming op de Europaweg, worden zorggedragen. De busstrook langs de Europaweg kan hierbij een belangrijke rol spelen. Ook een tweede ontsluiting (naast Europaweg ook Hofvlietweg) behoort tot de mogelijkheden.

a.

b.

c.

d.

e.

65 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

f.

g.

h.

i.

De urgentie van de planontwikkeling is groot, gelet op de regionale behoefte aan bedrijventerrein. Daarnaast zijn er de procedurele aspecten. Twee jaar na de uitspraak van de Raad van State dient het bestemmingsplan te zijn vastgesteld. (art. 30 WRO). Bovendien is van belang dat binnen deze termijn een aanhoudingsplicht geldt voor bouwaanvragen in het plangebied. Indien na twee jaar geen ontwerpbestemmingsplan ter visie is gelegd vervalt deze aanhoudingsplicht. Omdat bouwaanvragen dikwijls niet passen in de ruimtelijke visie van de gemeente op de Oostvlietpolder, was het van het grootste belang dat het ontwerpbestemmingsplan tijdig ter inzage werd gelegd. Deze opmerking van reclamant bevestigt slechts het uitgangspunt van het plan, dat maatregelen voor de ontsluiting van het bedrijvenpark noodzakelijk zijn. Daarom houdt het plan rekening met de verschillende mogelijkheden, die momenteel worden bestudeerd en wordt het tempo van ontwikkeling van het bedrijvenpark zonodig afgestemd op de beschikbare infrastructuur. Overigens is in het bestemmingsplan bij de inschatting van de verkeersproductie van het bedrijventerrein rekening gehouden met een volledige benutting van de beschikbare netto terreinoppervlakte. Getuige het streekplan Zuid-Holland West is ook de provincie een warm voorstander van realisering van een bedrijvenpark in de Oostvlietpolder. Voorts entameert de provincie zelf een studie naar de verkeerssituatie aan de westzijde van Leiden. Als bij de start van de ontwikkeling de nieuwe infrastructuur nog niet aanwezig is, is optimalisering van de bestaande verkeersstructuur in ieders belang. De economische haalbaarheid van het plan behoeft hiermee zeker niet negatief te worden beïnvloed. Ten eerste behoeven deze maatregelen niet volledig op de planontwikkeling te drukken en ten tweede kan een vlotte start van de planontwikkeling juist gunstig zijn uit planeconomisch opzicht(beperking renteverlies). In het plan wordt niet gesteld, dat de filevorming op de Europaweg niet erger zal worden. De zorg, die reclamant heeft over de verkeersafwikkeling op de Europaweg wordt gedeeld. Daarom maakt dit plan de verbreding van de Europaweg mogelijk, wordt ruimte voor een nieuwe regionale verbinding open gehouden en wordt het ontwikkelingstempo van het bedrijvenpark zonodig afgestemd op de ontwikkeling van de infrastructuur. In het plan wordt slechts gesteld dat "het gebied ter weerszijden van deze weg" (de Europaweg) "in beginsel" goed bereikbaar is per openbaar vervoer. Natuurlijk zijn aanvullende maatregelen nodig zowel wat betreft de dienstregeling als de weginrichting (bushaltes, looproutes).

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In de toelichting zal worden verduidelijkt dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om het bedrijvenpark te ontsluiten, ook als onverhoopt noch de A11/N11 noch de verlengde Churchilllaan tot stand zou komen. Daarnaast zal de aanduiding met betrekking tot de verkeersontsluiting in planvoorschriften en op plankaart met elkaar in overeenstemming worden gebracht. 3.1.6. a. Zone Europaweg-Vrouwenweg Samenvatting Er heeft geen goede afweging plaatsgevonden: er is geen onderzoek gedaan naar wensen en motieven van bewoners en ook niet naar de natuurwaarden in dit gebied (bij de behandeling van de inspraakreacties wordt aangegeven dat dit niet nodig is, hierbij wordt echter alleen gerefereerd aan onderzoek naar vogels dat bovendien verouderd is), naar de fysieke gevolgen van bouwen nabij de woningen (terwijl omgevingsfactoren daar toch aanleiding toe geven) en bovendien zijn de technische maatregelen die door de realisatie van het bedrijventerrein bij de woningen noodzakelijk zijn niet in de economische uitvoerbaarheid meegenomen.

66

b.

Er is geen sprake van gelijke behandeling en evenredige belangenafweging: langs de volkstuinen is de maximale bouwhoogte van bedrijven lager om zo weinig mogelijke te conflicteren met de kleine schaal en het intieme karakter (terwijl daar niet permanent gewoond wordt), terwijl een dergelijke overweging in zijn geheel niet is gewijd aan de Europaweg/Vrouwenweg. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De gemeente motiveert dit uitsluitend door te verwijzen naar het convenant met de volkstuinders. Dit is echter geen rechtsfiguur in het kader van de WRO, maar een privaatrechtelijke overeenkomst, die niet verplicht tot het maken van een dergelijke ruimtelijke keuze. Bij de economische uitvoerbaarheid is geen rekening gehouden met de planschade voor de woningen langs de Vrouwenweg, die, gelet op de specifieke kenmerken van deze woningen, hoog zijn. Bovendien ontbreekt een gelijkwaardig alternatief voor dergelijke woonmilieus binnen Leiden. De gemeente moet er in haar plan rekening mee houden, dat het hier gaat om meer dan alleen de economische waardedaling van huizen alleen. Antwoord De gemeente is van mening dat er wel een goede belangenafweging heeft plaatsgevonden. Onderzoek naar de bouwtechnische gevolgen van de realisatie van het bedrijvenpark is niet noodzakelijk, daar in het gebied tussen Vrouwenweg en Europaweg niet meer als bedrijfsterrein bestemd is. De natuurwaarden van deze zone zijn en blijven gering; er zijn uit de inspraakprocedure geen aanvullende gegevens beschikbaar gekomen die deze conclusie weerspreken. Eventuele financiële gevolgen maken geen onderdeel uit van de economische uitvoerbaarheid van plan. Er is geen sprake van een ongelijke behandeling en onevenredige belangenafweging: er heeft zowel voor het volkstuinencomplex als de omgeving van de Vrouwenweg een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden. Hierbij hebben het gesloten convenant en de functie van de Europaweg als stedelijke entree (het belang van de Europaweg voor de stad Leiden) een rol gespeeld. Op voorhand worden door de gemeente geen uitspraken gedaan over de mogelijke uitkomst van planschadeverzoeken. Het enkele feit van de mogelijke indiening van planschadeverzoeken vormt geen aanleiding om het plan aan te passen. Bij de economische uitvoerbaarheid is in algemene zin rekening gehouden met het mogelijk indienen van planschadeverzoeken.

a.

b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. Recreatieve bestemming Samenvatting In tegenstelling tot eerdere berichten over een agrarische bestemming, die zelfs nog in het bestemmingsplan is terug te vinden, heeft het gebied tussen Vrouwenweg en Europaweg een overwegende recreatieve bestemming gekregen. Over de invulling bestaat geen duidelijkheid, wethouders en ambtenaren noemen onder meer sportvelden en waterpartijen. Reclamant treedt graag op korte termijn in gesprek met de gemeente over deze bestemming. De voorkeur gaat uit naar een bestemming zoals deze in polderpark Cronesteyn geldt. Daarmee kan wellicht een groot deel van de bezwaren tegen de Oostvlietpolder weggenomen worden. Voorts is het van groot belang dat de inrichting zodanig is dat deze het uitzicht op de bedrijven geheel wegneemt (aanplant van reeds volwassen bomen aan de overzijde van de Europaweg). Het is onaanvaardbaar als de sloot achter de woningen langs de Vrouwenweg verdwijnt. 3.1.7. Antwoord Voor zover in het plan nog wordt gerefereerd aan een agrarische bestemming, zal dit worden aangepast. De recreatieve bestemming biedt inderdaad verschillende mogelijkheden, onder meer voor een inrichting als "polderpark". De bestemming houdt tevens de mogelijkheid open om sportvelden te realiseren. Volkstuinen zullen ter plaatse niet worden toegestaan. De toelichting en voorschriften zullen op dit punt worden aangescherpt. Overigens wil de gemeente benadrukken dat er in Nederland sprake is van toelatingsplanologie. Dat wil zeggen dat het niet verplicht is om deze bestemming daadwerkelijk te realiseren.

67 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Er is overigens geen sprake van dat de sloot achter de woningen langs de Vrouwenweg zou moeten verdwijnen. Binnen de R-bestemming zijn watergangen toegestaan. Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Eventuele verwijzingen naar een agrarische bestemming van de zone Vrouwenweg-Europaweg zullen uit het plan worden verwijderd. De toelichting zal op het punt van de recreatieve bestemming van deze zone worden aangescherpt (geen sportvelden, geen volkstuinen). 3.1.8. Bouwnormen Samenvatting In de bestemming W1 is een maximaal oppervlak van 35 m² toegestaan, bij W2 van 75 m². Dit is een onaanvaardbaar verschil. Nu het woongenot van de woningen langs de Vrouwenweg aan de achterzijde tot nul is gedaald, moet uitbreiding aan de voorzijde van de woningen zijn toegestaan, Dit moet worden geregeld in art. 8 zelf en niet middels een vrijstellingsbevoegdheid. Antwoord De woningen aan de Vrouwenweg zijn voorzien van een bouwvlak. De genoemde 35 m² is het maximaal toegestane oppervlakte van bijgebouwen buiten dit bouwvlak. Het bouwvlak zelf kan volledig worden bebouwd. De relatie tussen daling van het woongenot aan de achterzijde van de woningen en een mogelijkheid om aan de voorkant van woningen uit te breiden ontgaat de gemeente. Uitbreiding van woningen buiten de aangegeven bouwvlakken wordt niet wenselijk geacht. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. Vier weken terinzagelegging Samenvatting Het plan is in strijd met Wro jo. de Awb omdat het plan niet 4 weken ter inzage heeft gelegen. Figuur 10 is namelijk pas later beschikbaar gekomen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de ABRvS (JB 2003/170, 9 mei 2003) die heeft overwogen dat kaarten een wezenlijk onderdeel van een ontwerpplan vormen. Dat lijkt de reclamant hier ook aan de orde. Mocht de rechter hierover anders denken, dan gaat de reclamant ervan uit in elk geval de datum van terinzagelegging niet donderdag 28 augustus maar maandag 1 september is, de datum waarop de genoemde kaart ter beschikking werd gesteld. Daarmee is de termijn van 2 jaar die voor de terinzagelegging van het plan gold overschreden. (vereniging Vrouwenweg). 3.1.9. Antwoord De documenten, die op 28 augustus ter inzage zijn gelegd, hadden "qua uiterlijk" een voorlopig karakter, maar bevatten inhoudelijk dezelfde informatie als het definitieve exemplaar, dat dinsdag 2 september beschikbaar kwam. Mensen die vóór 2 september 2003 het plan hebben ingezien, is dit meegedeeld. Tevens is in dit voorlopige exemplaar aangetekend, dat figuur 10 dan ook beschikbaar zal zijn. Figuur 10 illustreert een inrichtingssuggestie, die in paragraaf 6.3.1 van de toelichting voor het graslandreservaat wordt gedaan. Deze figuur is daarmee geen wezenlijk onderdeel van het ontwerpplan. Bovendien was er alle gelegenheid om alsnog kennis te nemen van deze figuur. Gelet op het antwoord onder a loopt de termijn van de terinzagelegging vanaf 28 augustus 2003. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. Reclamanten konden tijdig over alle relevante informatie beschikken.

68

3.1.10. Alternatief plan Samenvatting Indien het bedrijventerrein toch wordt gerealiseerd, wil reclamant een alternatief plan uit de doeken doen, waarbij aan wordt gegeven dat de specifieke locatie voor het bedrijvenpark niet de juiste is. Het alternatieve plan bestaat vooral uit een kaart: de uitbreidingslocatie in de zuidwesthoek wordt inbegrepen in de 40 ha bedrijventerrein; er komen geen bedrijven ten noorden van de middentocht en ten oosten van Vrouwenweg; bedrijven worden langs A4 gesitueerd met de zuidwesthoek als zwaartepunt, met inachtneming van de groenzone langs Hofvlietweg en het bedrijventerrein wordt aan alle kanten met groen omgeven; de agrarische bestemming verhuist naar het oostelijk deel tussen de Europaweg en Vlietland. Graag is reclamant bereid een uitgebreidere, mondelinge toelichting te geven voor de gemeenteraad. De gemeente stelt in haar notitie Inspraak en Overleg dat het alternatief een grote en mogelijk onoplosbare compensatietaakstelling met zich meebrengt. Deze onoplosbare taakstelling wordt met het huidige plan echter naar de toekomst verschoven (N11/uitbreiding bedrijventerrein). Voor het probleem van de waterberging zijn andere oplossingsmogelijkheden aanwezig. De ecologische alternatieven zijn niet door de gemeente onderzocht en daar kan dus ook geen uitspraak over worden gedaan. De alternatieve inrichting kan niet terzijde worden geschoven vanwege knelpunten op onderdelen: dit kan alleen op basis van een integrale afweging tussen beide alternatieven. Recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut heeft uitgewezen dat voor het beoordelen van schade aan de natuur alleen de m.e.r.-procedure geschikt is. Derhalve is deze procedure noodzakelijk. Voorts wordt het volgende naar voren gebracht: a. Er mag niet gebouwd worden achter de huizen van de Vrouwenweg en de Vlietweg. b. Indien er te weinig geld is om het bestemmingsplan (bedrijventerrein) te realiseren, dient de gemeente dit te betalen, en de kosten eventueel door te berekenen aan de bedrijven die zich hier zullen vestigen. De kosten mogen niet worden afgewenteld op de omwonenden die door de bestemmingsplanwijziging toch al worden geschaad. c. De groene zone langs de Vlietweg, tussen Vlietland en Cronesteyn, moet groen blijven. d. Het bedrijvenpark moet door groen onttrokken worden aan het zicht. e. De Europaweg wordt geen "stedelijke entree" en geen zichtlocatie en blijft aan beide zijden vrij. Het uitzicht wordt voor omwonenden en recreanten niet verstoord. f. Het gebied tussen de Vrouwenweg en de Europaweg behoudt een landelijk karakter, waar mogelijk met versterking van natuur en landschap. g. De ecologische zone langs de Middentocht en de recreatieve groenzone langs de Vliet moeten zodanig worden gesitueerd, dat een optimale combinatie van natuur en ecologie wordt bereikt. Daarmee is ook de verbinding tussen Vlietland en park Cronesteyn gerealiseerd. h. Het bedrijventerrein wordt compact vormgegeven, zonder doorsnijdingen van volkstuingebieden/ecologische zone, zodat de economische en andere functies zo weinig mogelijk conflicteren. Optimale realisatie van andere functies betekent ook een mooie, groene en recreatief aantrekkelijke werkomgeving. Antwoord Reclamant heeft vanzelfsprekend het recht zijn alternatieve plan mondeling toe te lichten tijdens het horen van de reclamanten door de gemeenteraad. Het is voor de gemeente en de regio van groot belang om een bestemmingsplan voor de Oostvlietpolder vast te stellen, waarin het bedrijvenpark mogelijk wordt gemaakt. Bij de inrichting is zorgvuldig gekeken naar de gewenste locatie van de verschillende functies in het gebied. Daarbij neemt behoud respectievelijk compensatie van natuurwaarden een belangrijke plaats in. Het Ministerie van LNV en de provincie hebben in het kader van het overleg reeds ingestemd met het in het voorontwerpbestemmingsplan aangegeven voorstel. De natuurcompensatie van de N11/A11 komt pas aan de orde indien en wanneer deze weg daadwerkelijk mogelijk wordt gemaakt. Bedacht moet worden dat reconstructie van de N206 (verlengde Churchilllaan of verbreding Europaweg) ook een optie is. Uitbreiding van het bedrijventerrein naar de zuidwesthoek ligt dan niet voor de hand. Verwezen wordt tevens naar de Notitie Inspraak en Overleg, paragraaf 2.3.8. punt 3.

69 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Een eventuele uitbreiding van het bedrijvenpark vergt een nieuwe afweging van de gemeente; zowel noodzaak als locatie komen daarbij aan de orde. Mogelijk zal deze uitbreiding in de toekomst niet nodig en niet gewenst blijken. Voor deze eventuele uitbreiding dient tevens een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld, waardoor compensatie hiervoor op dit moment nog niet aan de orde is. De waterberging zal, net als in het huidige plan, binnen het bedrijventerrein moeten worden gerealiseerd. De ruimtelijke ontwikkeling moet "zijn eigen broek" ophouden en de effecten op het watersysteem mogen niet op een ander gebied worden afgewenteld. In het inrichtingsplan van reclamant zal er meer natuurcompensatie en meer ruimte voor water nodig zijn, omdat de lager gelegen, ecologisch waardevolle zuidwesthoek bebouwd wordt. Dit beperkt het oppervlak netto bedrijventerrein dat kan worden gerealiseerd, hetgeen vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik niet wenselijk is. De gemeente ziet dus belangrijke nadelen in het alternatieve plan, zowel op onderdelen, als in de context van het integrale ruimtelijk beleid voor dit deel van Leiden. Een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk (hierbij wordt verwezen naar zienswijze 3.1.1.f.). De mening van het Landbouw Economisch Instituut in deze doet niet terzake. De beantwoording van de punten a-h zijn deels begrepen in bovenstaande beantwoording. Voor de overige beantwoording van deze deelpunten wordt verwezen naar zienswijze 2.1. Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De groene inpassing van het bedrijvenpark zal worden aangepast. Aan de zijde van het Aln-gebied zal een groenstrook in het plan worden opgenomen, terwijl ook voorwaarden voor de overgang tussen bedrijvenpark en volkstuinen zullen worden opgenomen. 3.2. Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, Spieghelstraat 35, 2332 BC Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 579 Bedrijventerrein/woningbouw Samenvatting De vereniging stelt dat realiseren van een bedrijventerrein en woningbouw in de Oostvlietpolder in strijd is met het bufferzonebeleid, zoals dat door het rijk is verwoord in de PKB Vinac en is bevestigd door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 29 augustus 2001 over het ontwerpbestemmingsplan uit 1999. Het plan is tevens in strijd met het vastgestelde deel 3 van de Vijfde Nota. De Oostvlietpolder is niet aangewezen als bundelingsgebied, waar een deel van de verstedelijkingsopgave moet worden geaccommodeerd. De hoogtemaat van 24 m langs de Europaweg is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aangezien uit de VINEX, de parlementaire behandeling ervan en de uitspraak van de ABRvS over het vernietigde bestemmingsplan blijkt dat er geen zichtlocatie mag ontstaan. Er is sprake van bebouwing van maximaal 24 m hoogte met de mogelijkheid tot uitbreiding naar 27 m. De hoogte van volwassen bomen reikt nog niet tot de helft van deze bouwhoogte, waardoor er dus een zichtlocatie ontstaat; Als al een industrieterrein in het rijksbufferzonebeleid zou passen, dan zeker geen industrieterrein voor bedrijven uit hogere milieucategorieën (met name categorie 4.1 en 4.2, zelfs eventueel tot en met 5) zoals nu in het ontwerpplan staat; In het plan is geen sprake meer van een groene verbindingszone tussen Vlietland en polderpark Cronesteyn (door de situering van het bedrijventerrein in de richting van de Vlietweg en geprojecteerde woningen achter de Vlietweg), wat een uitdrukkelijke voorwaarde voor de aanleg van het bedrijventerrein was van zowel de gemeente Leiden als de provincie Zuid-Holland (zie onder andere het ontwerpstreekplan Zuid-Holland West). In het streekplan worden aan de Oostvlietpolder verschillende functies toegekend die thuishoren in een bufferzone/regionaal park (dagrecreatie, groene ecologische verbinding). Hiermee is de aanleg van 35 ha bedrijventerrein moeilijk te rijmen.

3.2.1. a.

b.

c.

d. e.

f.

70

g. h.

Vanuit planologisch oogpunt is het industrieterrein een gekunsteld aandoende uitstulping in en onderbreking van de aaneenschakeling van groenblauwe gebieden aan de Oostzijde van de gemeenten Leiden, Voorschoten en Leidschendam. De vereiste groene inpassing aan de zijde van recreatiegebied Vlietland en de volkstuinen ontbreekt. De Raad van State heeft in haar uitspraak over het vorige bestemmingsplan reclamant hierin in zijn gelijk gesteld. Antwoord In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan, in de notitie Inspraak en Overleg en in deze notitie Zienswijzen, wordt uitgebreid ingegaan op de vermeende strijdigheid met het rijks(bufferzone)beleid. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar het gestelde in paragraaf 2.1.a. De besluitvorming over de Vijfde Nota is niet afgerond. De voorstellen inzake de zogenoemde bundelingsgebieden zijn derhalve geen vastgesteld beleid. Bebouwing met een hoogte van 24 m is alleen toegestaan langs de Europaweg. Deze weg maakt als entree van Leiden deel uit van de lokale hoofdontsluitingsstructuur en zal ook een functie vervullen in de ontsluiting van het bedrijvenpark zelf. Zicht op de bebouwing van de Europaweg is daarom ook niet in strijd met het vermijden van een zichtlocatie. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Verwezen wordt naar zienswijze 2.1.e sub 3. In het bestemmingsplan zijn de hoogste categorieën 5 en 6 echter uitgesloten. Aan de toegelaten zonering van het "oude" bestemmingsplan is geen goedkeuring onthouden en hiertegen heeft niemand tot aan de Raad van State geprocedeerd. Dat de gemeente Leiden zeer zorgvuldig met de milieuzonering van het bedrijventerrein is omgegaan, is hier mogelijk debet aan. Er is derhalve ook geen aanwijzing dat de provincie of het Rijk problemen zou hebben met het toestaan van bedrijven tot en met categorie 4.2 op het bedrijventerrein. Bovendien stelt het streekplan, dat de locatie ook ruimte moet bieden voor de hogere milieucategorieën. De groene verbinding tussen Vlietland en Cronesteyn wordt verzorgd door de Vlietweg-zone en door de ecologische verbindingszone. De Vlietweg is de wegverbinding van oudsher, die zijn cultuurhistorische en groene karakter behoudt. De ecologische verbindingszone die het bedrijvenpark en het volkstuinencomplex doorkruist, zorgt voor een groene verbindingszone tussen Vlietland en Polderpark Cronesteyn, die meer gericht is op natuur(beleving). Het ontwerpbestemmingsplan laat juist zien dat deze veelheid aan functies in de Oostvlietpolder gerealiseerd kunnen worden, waarbij zowel het bedrijvenpark als de recreatieve en groene functies in één plangebied tot hun recht komen. Voor de relatie met het bufferzonebeleid wordt verwezen naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. De gemeente vindt het jammer dat reclamant hier zo over denkt. De gemeente ziet de Oostvlietpolder als een uitbreiding van haar stedelijk gebied met ruimte voor bedrijvigheid, waarbij tevens zorg wordt gedragen voor de groene en recreatieve functie in en van het gebied. Voor de groene inpassing aan de zijde van Vlietland/het Aln-gebied wordt verwezen naar 2.1.e.3 en 3.1.4.a. Het bestemmingsplan biedt tevens voldoende mogelijkheden binnen de bestemming UB voor een (groen)blauwe overgang van het volkstuincomplex naar het bedrijventerrein. Uit figuur 9 van de toelichting blijkt dat een dergelijke overgang uitgangspunt is bij de uitwerking. De uitwerkingsregels zullen op dit punt worden aangevuld (zie 2.1.e.1.).

a.

b. c.

d.

e.

f.

g.

h.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Om (nog meer) te voorkomen dat er een zichtlocatie vanaf de A4 ontstaat, zal het bestemmingsplan worden aangepast. Langs de zijde van het Aln-gebied krijgt (een deel van) de kavel die grenst aan de bestemming UB, de bestemming Groenvoorzieningen. Daarnaast zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Voor het overige geven de zienswijzen geen aanleiding tot aanpassing van het plan.

71 Nr. Dnst. 3.2.2. a. : 03.0178 : BOWO

b.

c.

d.

e.

f. g.

Noodzaak bedrijventerrein Samenvatting Reclamant bestrijdt de onderbouwing van de gemeente dat er een tekort is aan bedrijfsterreinen in de Leidse regio. In de "Quick Scan behoefteraming bedrijventerreinen Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek" van het Nederlands Economisch instituut (NEI) wordt de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen tot 2020 ingeschat op 330 ha. Het Centraal Planbureau (CPB) komt voor hetzelfde gebied op een schatting van 120 ha. Niet duidelijk is, waarom de gemeente meer waarde hecht aan de Quick Scan dan aan de cijfers van het CPB. Reclamant wenst een onafhankelijke audit van de gehanteerde rekenmethodes en de validiteit van de cijfers. Reclamant stelt dat in de Quick Scan geen rekening is gehouden met bebouwing van het vliegveld Valkenburg en particulier aanbod op de markt van bedrijfshuisvesting. Het aanbod zou als zodanig in ieder geval 70 ha. hoger zijn dan gesteld in de Quick Scan. Reclamant stelt dat de onderbouwing van de stelling dat het tekort aan bedrijventerreinen schadelijk is voor de economische ontwikkeling van de regio niet juist is. Gewezen wordt op verschillende bronnen waarin wordt aangegeven dat de ontwikkeling van de regio gunstiger is dan landelijk. Reclamant wijst de gemeente op de verplichting die de provincie heeft neergelegd in het streekplan om 10% bedrijfsruimte te winnen door middel van intensivering van het gebruik van de bestaande bedrijventerreinen. De stelling van de gemeente dat deze 10% voor Leiden niet haalbaar is, wordt door reclamant onvoldoende onderbouwd geacht. Reclamant wijst de gemeente erop dat enkele industrieterreinen thans in aanmerking komen voor woningbouw en acht dit beleid strijdig met het gestelde in de Vijfde Nota, waarin wordt aangegeven dat eerst de mogelijkheden tot inbreiding moeten worden onderzocht. Als zodanig constateert reclamant dat hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Reclamant wijst op de huidige economische situatie, waardoor er sprake is van leegstaande bedrijfspanden, en de daarmee ontbrekende noodzaak nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen. De beantwoording van de gemeente die betrekking had op een gelijkluidende inspraakreactie wordt bestreden. De gemeente gaf in haar antwoord aan dat wordt uitgegaan van een lange termijnperiode, waarbij wordt uitgegaan van een economische groei van 2,5 tot 3%. Reclamant geeft aan te verwachten dat deze groeicijfers nog zeker 4 jaar niet gehaald zullen worden, zodat hiermee wel degelijk rekening moet worden gehouden. Reclamant is van mening dat het bedrijventerrein niet wordt gebruikt om te voorzien in een regionale behoefte (daarbij wordt verwezen naar de plannen voor Rijnfront in de gemeente Oegstgeest, welke als gevolg van de economische ontwikkeling zijn aangepast). Ook het argument dat het terrein nodig is om te schuiven met bedrijven ten behoeve van herstructurering elders in Leiden snijdt naar de mening van reclamant geen hout, daar ook rekening wordt gehouden met nieuwvestiging van bedrijven in de Oostvlietpolder. Reclamant is van mening dat de ontwikkeling van de Oostvlietpolder door de gemeente gewenst wordt om de concurrentieslag met andere gemeenten aan te gaan. Reclamant stelt dat de behoefte naar bedrijfsterreinen wel wordt onderzocht, maar dat dit niet opgaat voor de behoefte aan ruimte voor natuur en milieu. Aangezien deze behoefte niet is onderzocht, is reclamant van mening dat er geen sprake kan zijn van een objectieve afweging van belangen. Reclamant stipuleert de bezwaren die er zijn tegen de vestiging van een bedrijfsterrein in de Oostvlietpolder, maar merkt op dat, indien er toch wordt gekozen voor de ontwikkeling van dit gebied, de maximale omvang van het bedrijventerrein niet voldoende geduid is. Daarbij wordt gewezen op de Vinac, waar de vestiging van een bedrijventerrein tot 40 ha. bruto wordt toegestaan en de niet de beoogde 49,5 ha bruto waar in het huidige plan sprake van is. Reclamant is voorts van mening dat de beoogde netto uitgifte van 35 ha netto en 49,5 ha bruto zich niet verhoudt met de eis van een compacte realisering van het bedrijventerrein. Reclamant voelt zich gesterkt door de uitspraak van de Raad van State, waarin wordt aangegeven dat het bedrijventerrein zoveel mogelijk compact moet worden aangelegd en het maximaal aantal hectaren uitgeefbaar terrein in het plan moet worden vastgelegd.

72

h.

Ook van enige harde begrenzing ter voorkoming van uitbreiding op een later tijdstip is geen sprake. Ten onrechte wordt de mogelijkheid open gehouden om het bedrijventerrein uit te breiden, waarmee in strijd wordt gehandeld met de uitspraak van de Raad van State en het rijksbeleid. Reclamant stelt de vereiste groene inpassing aan de orde en is van mening dat hieraan aan de oostzijde van het plangebied niet wordt voldaan. Antwoord Door de gemeente Leiden is gebruikgemaakt van beschikbare prognoses van het NEI ten tijde van de opstelling van het ontwerpbestemmingsplan. Actuele vraag/aanbodprognoses van bedrijventerreinen werpen een beter beeld op de daadwerkelijke behoefte naar en tekorten in het aanbod van bedrijventerreinen voor de komende jaren. Naar aanleiding van de zienswijze van reclamant heeft de gemeente nogmaals gekeken naar actuele vraag- en aanbodprognoses. In het vastgestelde Streekplan Zuid-Holland West is een prognose opgenomen van de behoefte naar bedrijventerrein in de Leidse Regio en de Duin- en Bollenstreek. Voor beide regio's wordt uitgegaan van een behoefte van 250 ha (netto) aan bedrijventerrein tot aan 2015 en een beschikbaar aanbod van 150 ha (netto). Deze behoefteraming is lager dan die van het Nederlands Economisch Instituut. Desondanks blijkt de discrepantie tussen vraag en aanbod dermate hoog dat een nieuw bedrijventerrein in de Leidse Regio ter grootte van 40 ha netto gerechtvaardigd is vanuit economisch perspectief. De economische groei in de regio mag dan bovengemiddeld zijn ten opzichte van andere regio's of de provincie, als er geen gronduitgifte mogelijk is in de toekomst zal de economische positie van de regio verzwakken. Immers bedrijven − die thans in de regio gevestigd zijn maar geen uitbreidingsruimte hebben − zullen noodgedwongen verhuizen met als gevolg een dalende omzet en werkgelegenheid in de regio. Herstructurering/intensivering van bestaande bedrijventerreinen levert in theorie extra aanbod van bedrijventerreinen op. De doelstelling van de provincie is streven naar ruimtewinst door intensivering van 5% tot 15% met 10% als gangbaar percentage. Dit wil echter niet zeggen dat 10% bij de totale bestaande voorraad aan bedrijventerreinen kan worden geteld. Hiervoor zijn een aantal redenen te geven: 1. niet alle aanwezige bedrijventerreinen kunnen en zullen op afzienbare termijn worden geherstructureerd; de enkele bedrijven die wel aangepakt kunnen worden, zullen maar een zeer beperkt areaal opleveren; 2. er is weliswaar een beleidsmatige doelstelling van 10% ruimtewinst, maar of dit in de praktijk ook altijd gehaald zal worden, is nog lang niet zeker; 3. de potentiële ruimtewinst gaat deels verloren (en mogelijk geheel verloren of wordt zelfs negatief) omdat een aantal van de oudere bedrijventerreinen in de toekomst getransformeerd zal worden tot woonlocatie (zoals bijvoorbeeld bij Waarderland, Nemterrein en Van Gend en Loosterrein); met name in bestaand stedelijk gebied is dit op zich een logische keuze, die echter wel gevolgen heeft voor het totaal beschikbare areaal. Welk percentage van het huidige oppervlak aan bedrijventerrein bij het toekomstige aanbod mag worden geteld, is daarom onduidelijk. De gemeente Leiden onderneemt in samenwerking met de provincie Zuid-Holland pogingen om herstructurering op bestaande bedrijventerreinen op gang te brengen. Er zijn momenteel drie terreinen in beeld waarbij herstructurering wellicht mogelijk dan wel gewenst is. Het gaat om de terreinen Leeuwenhoek, De Waard en De Hallen. In de praktijk blijkt het echter zeer lastig om herstructurering van bedrijventerreinen van de grond te krijgen. Een zeer belangrijke succesfactor bij herstructurering is het creëren van schuifruimte door het ontwikkelen van nieuw bedrijventerrein. Hierdoor kunnen bedrijven op ongeschikte locaties worden verplaatst. Na verplaatsing kan de vrijkomende ruimte efficiënt worden benut. Bij herstructurering van bedrijventerreinen tot woongebieden is sprake van een goede ruimtelijke ordening indien door het verplaatsen van (zwaardere) bedrijvigheid ten gunste van wonen de leefbaarheid van de omgeving wordt versterkt.

a.

b.

c.

73 Nr. Dnst. d. : 03.0178 : BOWO

e.

f.

g.

h.

De door de reclamant genoemde leegstand heeft met name betrekking op kantoorruimten. Ditzelfde geldt voor de betreffende ruimten die zijn opgenomen in het overzicht op de website van de NVM-BOG. Het bedrijventerrein Oostvlietpolder zal maar in beperkte mate worden benut voor de vestiging van kantoren die aan bedrijven verbonden zijn. De behoefte aan ruimte voor bedrijven is daarentegen bijzonder hoog. Er is immers in de gehele gemeente Leiden nog slechts 3 à 4 ha uitgeefbaar terrein op Leeuwenhoek; de 12 overige terreinen in de gemeente Leiden zijn volledig uitgegeven. Een nieuw terrein met de omvang van Oostvlietpolder geeft lucht voor de komende jaren voor bedrijven die zich in of buiten de gemeente gevestigd hebben en verplaatsings- of uitbreidingswensen hebben. Het gesignaleerde tekort aan bedrijventerrein zal door de economische conjuncturele ontwikkeling van de komende jaren iets worden verkleind, het verschil tussen vraag en aanbod blijft echter groot genoeg om een (nieuw) bedrijventerrein van 40 ha netto te realiseren. Reclamant verwijst naar de planontwikkeling voor Rijnfront in Oegstgeest. De plannen voor kantoren en bedrijven in Rijnfront zijn niet meer actueel omdat de behoefte aan kantoren voor Rijnfront minder groot is dan verwacht (zie verder onder punt d). Het bedrijventerrein Oostvlietpolder is zowel bedoeld voor bedrijven die wensen te verhuizen vanwege het feit dat het huidige bedrijf uit het jasje is gegroeid of vanwege een te hoge milieubelasting voor de omgeving, die in de loop van de jaren is ontstaan, bijvoorbeeld door striktere regelgeving. Oostvlietpolder is wel geschikt voor vestiging van bedrijven uit hogere milieucategorieën (maximaal categorie 4.2). Daarnaast zullen ook nieuwe bedrijven worden toegelaten om te kunnen voldoen aan het profiel "gemengd bedrijventerrein". De gemeente Leiden zal zowel bedrijven uit de gemeente als uit de Leidse regio (moeten) toelaten. Oostvlietpolder is immers bestemd als regionaal bedrijventerrein. Het grondbeleid van de gemeente is erop gericht om ruimte te bieden aan bedrijven uit de regio teneinde de regionale druk te verlichten en het hoofd te bieden aan het negatief "bedrijvenmigratiesaldo" van de afgelopen jaren als gevolg van het prangende tekort aan ruimte voor bedrijven. Indien de gemeente dit grondbeleid voert, is sprake van ruimte bieden aan bedrijven uit andere gemeenten. De ruimtebehoefte voor natuur en milieu op regionaal en gemeentelijk niveau is onderzocht en vastgelegd in streek- en structuurplannen. Op het schaalniveau van deze locatie is onderzoek uitgevoerd naar de huidige staat van natuur en milieu en naar de behoefte aan compensatie als gevolg van ruimtelijke ingrepen. Deze compensatieruimte is in het bestemmingsplan opgenomen Gelet op te stellen eisen met betrekking tot groene inpassing, handhaven van voldoende water en het respecteren van het kavelpatroon, is de bruto-nettoverhouding alleszins redelijk. Bovendien geven de toegestane bouwhoogten goede mogelijkheden voor een efficiënt ruimtegebruik. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3, 2.1e.4 en 3.1.4.a.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Langs de westzijde van het plangebied zal (een deel van) de aangrenzende kavel van het Aln-gebied de bestemming Groenvoorziening krijgen ten behoeve van en goede landschappelijke inpassing. Voor het bedrijvenpark zal bij de uitwerkingsregels worden opgenomen dat het uitwerkingsplan dient te voorzien in een watergang met groene bermen tussen bedrijvenpark en volkstuinencomplex. Verkeer en ontsluiting 3.2.3. Samenvatting a. De ontsluiting van het plangebied leidt tot langere files op de Lammenschansweg, de Churchillaan, de Europaweg en de Voorschoterweg. De huidige ontsluitingen zijn onvoldoende om het stijgende verkeersaanbod te verwerken, zeker in verband gezien met andere ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden. De gehanteerde verkeerscijfers worden bestreden, daar wordt uitgegaan van een stabiel verkeersaanbod op de Europaweg indien het huidige wegprofiel gehandhaafd blijft.

74

b. c.

d.

e.

f. g.

Reclamant is van mening dat deze stelling niet waargemaakt kan worden, daar het onvermijdelijk is dat de vestiging van het industriegebied extra verkeersbewegingen met zich mee kan brengen, zeker gezien het feit dat er ook dienstverlenende bedrijven worden gevestigd en dat er bedrijven worden toegestaan waarvan in de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt vermeld dat deze een eigen ontsluiting dienen te hebben. In dit verband wordt ook de gehanteerde geluidscontour van 55 dB(A) op 93 m van de weg aangemerkt als discutabel. Reclamant is van mening dat de gemeente voor een dergelijke constructie heeft gekozen om te voorkomen dat ontheffing moest worden aangevraagd in het kader van de Wet geluidhinder. De in het plan genoemde ontsluitingsopties zijn naar de mening van reclamant onvoldoende onderzocht op haalbaarheid. Bovendien is de aanleg van de A11/N11 beoogd langs het deel dat in het huidige plan is bestemd als compensatiegebied, hetgeen nadelige effecten zal hebben voor de weidevogels. Er wordt gegoocheld met cijfers: aangegeven wordt dat de 55 dB(A)-contour van 93 m niet overschreden wordt, omdat de kans bestaat dat de Europaweg ter plaatse zijn huidige profiel en intensiteit behoudt. Dit is in tegenspraak met passages elders in het plan en klopt niet met de op de plankaart ingetekende contouren van de te verbreden Europaweg. Twijfels worden geuit bij de geschatte verkeersproductie van het bedrijventerrein van 8.000 mvt/etmaal, gelet op het geschatte aantal werknemers (4.000) en de afstand tot aan de rest van de stad en voorts bij de berekening van de verkeersintensiteit op de Europaweg (tabel 6.2 op blz. 74: zonder verbreding zou de intensiteit gehandhaafd blijven op 32.000 mvt/etmaal). Reclamanten concluderen dat de bereikbaarheid van het bedrijventerrein onvoldoende is en maken derhalve bezwaar tegen het bedrijvenpark. Dit wordt bevestigd door de PPC-advies en het Ministerie van V&W in het kader van het artikel 10-overleg. Bovendien zullen verstedelijking aan de oostkant van Leiden (Snoekerhaven en Roomburg), de Krimwijk in Voorschoten en de eventuele bebouwing van vliegveld Valkenburg, een behoorlijke extra toename van verkeer tot gevolg hebben. De aanleg van een industrieterrein mogelijk maken zonder een oplossing te bieden voor verkeerstechnische problemen die deze aanleg veroorzaakt, is in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De stelling dat de Oostvlietpolder goed per openbaar vervoer is te bereiken is niet terecht: alleen buslijnen 45 en 170 van Connexion passeren de Europaweg In het vorige bestemmingsplan werd er nog vanuit gegaan dat de aan te leggen Rijn-Gouwelijn langs de Oostvlietpolder zou lopen. Inmiddels is echter voor een ander tracé gekozen. Beantwoording Het plan gaat er inderdaad van uit, dat een substantiële verkeerstoename op de Europaweg alleen mogelijk is bij verbreding van deze route inclusief de Lammebrug. Dit uitgangspunt is gehanteerd bij het akoestisch onderzoek is. Voor de grens van het UWG-gebied, is gekozen voor de 55-dB(A)-contour bij volbelasting van de huidige Lammebrug. Indien voor de verbinding A4-A44 gekozen wordt voor de optie van verbreding van de huidige N206, zullen zonodig aanvullende maatregelen moeten worden getroffen (bijvoorbeeld geluidsscherm) om de geluidsbelasting beneden de waarde van 55 dB(A) te houden. De toelichting zal op dit punt worden verduidelijkt. Een studie naar de beste oplossing voor de verbinding tussen de A4 en de A44 is momenteel door de provincie opgestart. De haalbaarheid van de betreffende verbindingen kan derhalve nog niet in dit bestemmingsplan worden aangegeven. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.3.d. Verwezen wordt naar de beantwoording onder a. Voor de Europaweg is uitgegaan van 32.000 mvt/etmaal in 2015 indien er geen verbreding plaatsvindt, aangezien dit cijfer de volbelasting van het huidige profiel weergeeft. De verkeersproductie van 8.000 motorvoertuigen per etmaal komt overeen met het veel gehanteerde ervaringscijfer voor de verkeersproductie van een gemengd bedrijvenpark, zoals in de Oostvlietpolder wordt beoogd. (zie ook Notitie Inspraak en Overleg onder 2.4.11.

a.

b. c. d.

75 Nr. Dnst. e. : 03.0178 : BOWO

f.

g.

Dat de bereikbaarheid van de locatie verbeterd moet worden om een bedrijvenpark van de beoogde omvang (40 ha netto) te realiseren, wordt in het plan volmondig erkend. Het plan houdt dan ook rekening met verbetering en/of uitbreiding van de infrastructuur. Verbreding van de Europaweg wordt in dit plan mogelijk gemaakt, voor de te verlengen Churchilllaan en de A11/N11 worden gronden vrijgehouden van nieuwe bebouwing. Een studie naar de beste oplossing voor de verbinding tussen A4 en A44 onder auspiciën van de provincie is gestart. De aanleg van deze verbinding wordt aangekondigd in de begroting van 2004 van de provincie Zuid-Holland. Voorts is in het plan vastgelegd (toelichting en voorschriften art. 2) dat de fasering van het bedrijvenpark mede afhankelijk is van de ontwikkeling van de infrastructuur. Een goede ruimtelijke ordening vereist inderdaad een adequate verkeersontsluiting van te ontwikkelen locaties. Het onderhavige plangebied krijgt een uitstekende aansluiting op de A4 en daarmee op het landelijke autosnelwegennet, terwijl ook de ligging ten opzichte van de (toekomstige) regionale (A4-A44) en stedelijke hoofdwegenstructuur zeer gunstig is. Wat aandacht verdient is slechts de afstemming van (het tempo van) de ontwikkeling van het bedrijvenpark op de ontwikkeling van de infrastructuur. Hoe hiermee om te gaan is in het plan geregeld. Het verdient vanzelfsprekend aanbeveling om de (verkeers)maatregelen ter optimalisering van de huidige verkeersstructuur (verbreding Europaweg, capaciteitsvergroting Lammenschansplein) nader uit te werken voordat met de eerste fase wordt gestart. In het plan wordt slechts gesteld dat "het gebied ter weerszijden van deze weg" (de Europaweg) "in beginsel" goed bereikbaar is per openbaar vervoer. Natuurlijk zijn aanvullende maatregelen nodig zowel wat betreft de dienstregeling als de weginrichting (bushaltes, looproutes).

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Deze zienswijze leidt tot een aanvulling van de plantoelichting op het punt van het akoestisch onderzoek. 3.2.4. a. Leefbaarheid Leidse regio Samenvatting De Oostvlietpolder heeft in zijn huidige inrichting een duidelijk aantoonbare natuurlijke en recreatieve waarde en voorziet duidelijk in een behoefte. Reclamant stelt de vraag wat de Leidse regio de midden- en hogere inkomensgroepen nog te bieden heeft. Reclamant is dan ook van mening dat de Oostvlietpolder in haar huidige opzet bewaard moet worden, daar dit een bijdrage levert aan de leefbaarheid in de regio en helpt bij het terugdringen van het huidige hoge migratiesaldo. Reclamant stelt dat de Oostvlietpolder niet binnen de rode contour had mogen worden gebracht, daar dit in vergelijkbare gevallen ook niet is gebeurd. Voorts stelt reclamant dat niet duidelijk is op welke gronden de provincie tot deze beslissing is gekomen. Reclamant acht een en ander in strijd met het Rijksbeleid, waarbij in de VINEX en de Vinac de Oostvlietpolder als buffergebied is aangewezen. In het streekplan is voorts aangegeven dat in een convenant concrete afspraken worden gemaakt over de ontsluiting en inrichting van de Oostvlietpolder. Reclamant verzoekt de gemeente in het convenant de rode contour vast te leggen langs het bedrijventerrein, zodat de overige groene bestemmingen in de Oostvlietpolder tot hun recht komen. In het streekplan is ook voor bebouwing van het vliegveld Valkenburg gekozen, waardoor er geen sprake meer van kan zijn dat ook in de Oostvlietpolder een bedrijventerrein wordt ontwikkeld.

b.

c.

76

a.

b. c.

Antwoord Na realisatie van de ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, heeft de Oostvlietpolder nog steeds een recreatieve en natuurlijke waarde. Daarnaast levert de Oostvlietpolder ook een belangrijke bijdrage aan de werkgelegenheid in de Leidse regio en wordt woningbouw mogelijk gemaakt om (gedeeltelijk) tegemoet te komen aan de grote vraag naar woningen in Leiden, met name voor de midden en hogere inkomensgroepen. Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid en mogelijk een halt toegeroepen aan het negatieve migratiesaldo. Het aanpassen/vastleggen van de rode contour in een convenant is niet mogelijk, aangezien de rode contour een concrete beleidsbeslissing betreft die in het streekplan is opgenomen. Voor de verhouding tot het rijksbufferzonebeleid wordt verwezen naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. De provincie heeft in haar streekplan ook gekozen voor het ontwikkelen van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.2.5. a. Cultuurhistorische en natuurlijke waarde(n) van de Oostvlietpolder Samenvatting Door het realiseren van een industrieterrein in de Oostvlietpolder, wordt het oorspronkelijke cultuurhistorische en landschappelijke karakter (waarbij de Vlietweg in het streekplan wordt aangeduid als bebouwingslint met cultuurhistorische waarden) onherstelbaar aangetast. Dit is strijdig met het streekplan. De Oostvlietpolder bestaat voor het overgrote deel uit weiland in combinatie met volkstuinen. Reclamant stelt dat deze combinatie de Oostvlietpolder qua natuurwaarden uniek maakt. Gewezen wordt op het veldonderzoek waaruit blijkt dat er 86 diersoorten zijn aangetroffen in het plangebied. Er is in dit veldonderzoek echter geen onderzoek gedaan naar insectensoorten als vlinders en libelles: dit is een hiaat. De natuurcompensatie is niet goed geregeld. Ook voor het behoud van de aangetroffen natuurwaarden acht reclamant het essentieel dat het bedrijventerrein een in het plan vastgestelde begrenzing krijgt. Pas dan voldoet de gemeente Leiden ook daadwerkelijk aan het compensatiebeginsel. Volgens Europese regelgeving moet de natuurcompensatie voor of in ieder geval gelijktijdig met de plannen worden geregeld. Het plan is op dit punt in strijd met deze regelgeving, aangezien het Ministerie van LNV op dit moment nog geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet heeft verleend. Alvorens met de uitvoering van de overige projecten in het plangebied kan worden begonnen, dient eerst het compensatiegebied voor de natuur te worden gerealiseerd. Verzocht wordt aan de gemeente geen werkzaamheden in het broedseizoen van te beschermen weidevogels uit te voeren. Reclamant geeft aan dat er een landelijke trend van achteruitgang van weidevogels waarneembaar is. Het meest duidelijke voorbeeld hiervan is de grutto. Verwezen wordt naar de verplichting (op Europees niveau) die Nederland heeft om de populatie van weidevogels in stand te houden of op een hoger niveau te brengen. Indien de Oostvlietpolder wordt bebouwd, wordt het leefgebied van weidevogels verder aangetast. De voorgestane compensatie wordt door reclamant bestreden. Verwezen wordt naar het advies van de Stichting Advisering Bestuursrecht (StAb/ 34932/H) waarin wordt aangegeven dat bebouwing van de Oostvlietpolder betekent dat de gehele Oostvlietpolder niet langer geschikt is als weidevogelgebied. Reclamant is derhalve van mening dat de vereiste natuurcompensatie onvoldoende geregeld is. Reclamant is er niet van overtuigd dat voor het weidevogelreservaat duurzaamheid op lange termijn kan worden gegarandeerd (door aanleg van de A11/N11 en de mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein).

b.

c. d.

e. f.

g.

77 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

a.

b.

c.

d.

e.

f.

g.

Antwoord Functieverandering gaat vrijwel per definitie gepaard met beïnvloeding van landschap en cultuurhistorie, hetgeen onvermijdelijk is in het Nederlandse cultuurlandschap. Bij de inrichting van de Oostvlietpolder wordt wel rekening gehouden met cultuurhistorie en landschap, bijvoorbeeld door bij de inrichting van het bedrijvenpark het landschap als basis te nemen. Onderzoek en afweging ligt aan dit plan ten grondslag. Aldus is naar de mening van de gemeente tot een goede ruimtelijke ordening gekomen. Op grond van de gebiedskenmerken kan de aanwezigheid van zeldzame en/of wettelijk beschermde vlinder- en libellensoorten worden uitgesloten. De naar verwachting aanwezige soorten zijn regionaal en landelijk (zeer) algemeen. Aanvullend veldonderzoek naar deze soorten zal niet van invloed zijn op de besluitvorming inzake de inrichting van het gebied. Met name de ecozone kan overigens waardevolle nieuwe libellenbiotopen aan het gebied toevoegen, afhankelijk van de te realiseren waterkwaliteit. De natuurcompensatie die in dit bestemmingsplan is geregeld, heeft de aanleg van circa 50 ha bruto (35 ha netto) bedrijventerrein als uitgangspunt. Dit is de omvang van het bedrijvenpark zoals dat in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Wat dat betreft is er sprake van een in het bestemmingsplan vastgestelde omvang van het bedrijvenpark. Voor een eventuele verdere uitbreiding van het bedrijvenpark in de toekomst, dient een nieuwe afweging te worden gemaakt en dient de natuurcompensatie op dat moment in een nieuw op te stellen bestemmingsplan geregeld te worden. Dit is een beleidsafweging die de gemeente Leiden te zijner tijd, mocht er behoefte zijn aan uitbreiding, zal maken. De verplichting om vooraf te compenseren is alleen van toepassing bij aantasting van speciale beschermingszones in het kader van de Europese Habitatrichtlijn; hiervan is in de Oostvlietpolder geen sprake. Compensatie is verder niet geregeld in de Flora- en faunawet. De compensatiedoelstelling komt mede voort uit provinciaal beleid en het beleid van de gemeente zelf. Overigens is de PPC (waar ook het Ministerie van LNV zitting in heeft) reeds akkoord met de geboden natuurcompensatie. Ook het Ministerie van LNV heeft in zijn overlegreactie aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde compensatie. Het streven is er wel op gericht om de weidevogelcompensatie zo spoedig mogelijk te realiseren, bij voorkeur voorafgaand aan het bouwrijp maken van het bedrijventerrein. Alle ingrepen in het plangebied, waarbij sprake is van (een kans op) verstoring van beschermde vogelsoorten, zullen inderdaad buiten het broedseizoen worden gepland. Het vernietigde bestemmingsplan was onvergelijkbaar met het voorliggende ontwerpbestemmingsplan, aangezien hierin alle weidevogelbiotopen werden vernietigd zonder dat daar een gelijksoortige compensatie tegenover stond. In het voorliggende plan blijft het meest waardevolle weidevogel gebied behouden. Het bedrijventerrein zal slechts 1-3 broedparen grutto doen verdwijnen terwijl het compensatiereservaat 10-15 broedparen kan herbergen. Ook wordt een positieve uitstraling verwacht vanuit het reservaat naar de zuidwesthoek. Elders in Zuid-Holland zijn voorbeelden bekend van vergelijkbare kleine graslandreservaten, ingeklemd tussen bedrijven en infrastructuur waar toch hoge weidevogeldichten voorkomen sinds de optimalisering van het water- en maaibeheer. De Voorofsche polder bij Boskoop is hiervan een goed voorbeeld. Eventuele aanleg van de A11/N11 en de mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein zullen bovendien bij eventuele negatieve natuureffecten leiden tot een nieuwe compensatietaakstelling.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

78

3.2.6.

De ecologische en de "groene" zone Samenvatting De voorgestane ecologische verbindingszone wordt door reclamant als onvoldoende beschouwd. De ecologische zone loopt door het industrieterrein en wordt door verschillende infrastructurele elementen doorsneden. Daarnaast is de ecologische zone te smal. Hierbij wordt verwezen naar het rapport van Arcadis Heidemij, waarin wordt gesteld dat de zone doorlopend moet zijn met een breedte van ten minste 100 m. Reclamant is dan ook van mening dat de ecologische verbindingszone in haar huidige opzet niet zal kunnen functioneren. Reclamant pleit voor het geven van voorrang aan volkstuinen boven woningen in de groenzone. Dit omdat het volkstuincomplex haaks op de Vliet staat, waardoor het uitzicht op de polder niet wordt belemmerd, in tegenstelling tot het beoogde woongebied dat evenwijdig aan de Vliet zal lopen. Eventuele woonbebouwing in de groenzone wordt als ongewenst ervaren, doordat er slechts enkele stukjes versnipperd groen zullen overblijven. Reclamant voelt zich in deze gesterkt door de opmerking van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid, dat heeft aangegeven dat er sprake moet zijn van een robuuste en doorlopende groenzone. Antwoord De combinatie van ecologische zone en bedrijventerrein is inderdaad niet optimaal, doch gezien het doel (ecologische verbinding tussen Vlietland en Cronesteyn) en de weinig kritische doelgroepen (amfibieën, insecten, kleine zoogdieren) is deze zone voldoende kansrijk. De door Arcadis bepleite breedte van 100 m wordt niet onderbouwd door onderzoek of literatuur. Het Ministerie van LNV is, blijkens haar overlegreactie en bij monde van de PPC, overigens reeds akkoord met de planopzet. De woningen in de groenzone zijn noodzakelijk voor de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en passen tevens binnen de stedenbouwkundige analyse van de Vlietweg. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.2.7. a. Uitbreiden/herindeling volkstuinencomplex Oostvlietpolder Samenvatting Aan de gemeente wordt verzocht om af te zien van het bromfietspad door het volkstuincomplex; door de aanleg van het vrijliggende fietspad langs de Europaweg en Hofvlietweg is dit bromfietspad als recreatieve fietsroute niet meer noodzakelijk is. Als alternatief voor bovengenoemd bromfietspad wordt een verbinding vanuit polderpark Cronesteyn naar de Hofvlietweg voorgesteld, welke aan kan sluiten op het vrijliggende fietspad langs de Europaweg en Hofvlietweg. Reclamant maakt bezwaar tegen de mogelijke beperking van de omvang van het volkstuingebied in de Oostvlietpolder (het volkstuinencomplex is een van de mogelijke gebieden voor de resterende 5 ha bedrijventerrein). Door opnieuw een stuk van de volkstuinen in de Oostvlietpolder ter discussie te stellen, blijft de onzekerheid voor de volkstuinders maar voortduren. Antwoord De aanleg van dit bromfietspad is nadrukkelijk de wens van de volkstuinverenigingen OTV en Roomburg (dit hebben zij aangegeven bij de artikel 19-procedure voor het volkstuinencomplex). De route via de aan te leggen fietspaden langs de Europaweg en de Hofvlietweg zijn uit recreatief oogpunt onaantrekkelijk in vergelijking met de route via de Vlietweg en het bedoelde fietspad door het volkstuincomplex. De aanleg van een fietsbrug over de Vliet maakt de route nog aantrekkelijker als verbinding met de Oostvlietpolder en het Groene Hart. In dit bestemmingsplan wordt uitvoering gegeven aan het convenant dat tussen volkstuinverenigingen en de gemeente is opgesteld. Indien uit onderzoek echter blijkt dat de behoefte aan volkstuinen dusdanig afneemt dat het areaal aan volkstuinen niet geheel benut zal worden, zal de gemeente in de toekomst bezien of een klein deel van dit areaal in aanmerking komt voor de resterende 5 ha aan bedrijventerrein.

b.

a.

b.

79 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Gelet op de druk op de Oostvlietpolder wat betreft de verschillende functies, dient elk perceel in de Oostvlietpolder optimaal benut te worden. Dit doet niets af aan de belangen van de huidige volkstuinders. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.2.8. a. b. Procedure Samenvatting De bijlagen in de voorschriften van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten ontbreken in zijn geheel, waardoor het niet mogelijk is om van deze wezenlijke onderdelen kennis te nemen en tegen de inhoud hiervan bezwaar te maken. Hiermee handelt de gemeente in strijd met de WRO. Blijkbaar zijn verschillende versies van het ontwerpbestemmingsplan in omloop (met een verschillende omslag en gedateerd 27 augustus en 2 september 2003) waardoor het voor de betrokkenen niet duidelijk is welke versie juist en volledig is. Hiermee handelt de gemeente in strijd met de WRO. Een aantal wezenlijke onderdelen van het bestemmingsplan moeten nog nader worden uitgewerkt. Op dit moment is inhoudelijk bezwaar maken niet mogelijk vanwege een gebrek aan concrete beschrijving. Daarnaast geldt voor uitwerkingsplannen een sterk verkorte inspraakperiode van 2 weken die in strijd is met de termijnen genoemd in de gemeentelijke inspraakverordening. In het bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat voor de aanleg van het bedrijventerrein geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt: de in het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Bij toetsing aan de Europese Richtlijn (onder meer bijlage II, punt 10a en 10b) waar het Besluit op is gebaseerd, kan alleen maar geconcludeerd worden dat er wel sprake is van een m.e.r.-plicht, gelet op de aard en omvang van het bedrijventerrein en de effecten op het leefmilieu in een Rijksbufferzone en een belangrijk weidevogelgebied (in de Europese richtlijn zijn meer gevallen m.e.r.-plichtig en gelden er lagere drempelwaarden). De gemeenteraad heeft op 18 maart 2003 het verzoek voor kredietverstrekking voor de Oostvlietpolder ingewilligd, terwijl er op dat moment slechts sprake was van een voorontwerpbestemmingsplan en de gemeente op basis van de inspraakreacties en de voorgeschiedenis zeker wist dat tegen dit bedrijvenpark bezwaar zou worden gemaakt. Reclamant vermoedt dat de gemeente zich inmiddels civielrechtelijk gebonden heeft tot de aanleg van een bedrijventerrein. Een juiste en objectieve belangenafweging is derhalve niet mogelijk. Reclamant vindt de analyse van het beleidskader in het bestemmingsplan onduidelijk en vraagt zich af waar burgers zich nu wel en niet op kunnen beroepen. Reclamant meent het bestemmingsplan alleen te kunnen en moeten toetsen aan het op dit moment vastgestelde Rijksbeleid. De inrichting van de Oostvlietpolder is derhalve overduidelijk in strijd met het rijksbeleid (rijksbufferzonebeleid). Het plan is in strijd met Wro jo. de Awb omdat het plan niet 4 weken ter inzage heeft gelegen. Figuur 10 is namelijk pas later beschikbaar gekomen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de ABRvS (JB 2003/170, 9 mei 2003) die heeft overwogen dat kaarten een wezenlijk onderdeel van een ontwerpplan vormen. Dat lijkt de reclamant hier ook aan de orde.

c.

d.

e.

f.

g.

Antwoord a/b. Met uitzondering van een ontbrekende toelichtende figuur (figuur 10) was het exemplaar, dat de eerste dagen ter inzage heeft gelegen, gelijkluidend met het exemplaar, dat vanaf 2 september ter inzage lag. Voorts wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 3.1.9.a.

80

c.

d.

e. f.

g.

Voor de uit te werken bestemmingen zijn de vereiste criteria als uitwerkingsregels in het plan opgenomen. Als een uitwerkingsplan (ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) wordt opgesteld, zijn separate rechtsmiddelen voorhanden. Een toets aan de gemeentelijke Inspraakverordening leert dat er geen verschil is tussen een bestemmingsplan en een uitwerkingsplan als het gaat om inspraakmogelijkheden en termijnen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r., die gebaseerd is op de door reclamant aangehaalde Europese richtlijn, blijkt dat er geen sprake is van een gevoelig gebied in de zin van het Besluit m.e.r.: het is geen natuurbeschermingsgebied, geen watergebied van internationale betekenis, geen speciale beschermingszone in het kader van de vogelrichtlijn of habitatrichtlijn, geen deel van de ecologische hoofdstructuur, geen gebied dat voorkomt op de kaart Landschap van het Structuurschema Groene Ruimte, geen grondwaterbeschermingsgebied en geen beschermd monument. Tevens is er volgens het Besluit geen sprake van een bedrijvenpark dat vanwege haar omvang m.e.r.(beoordelings)plichtig is. De gemeente heeft zich niet civielrechtelijk gebonden aan het realiseren van het bedrijventerrein. Er is bij de Oostvlietpolder zeker sprake geweest van een zorgvuldige belangenafweging. Het beleidskader omvat meer dan het rijksbeleid alleen. De conclusie van reclamant dat alleen aan het rijksbeleid getoetst dient te worden is hiermee onterecht. Het streekplan is bijvoorbeeld een andere belangrijk toetsingskader. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.1.9.a.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.2.9. a. Overig Samenvatting Reclamant pleit ervoor om op de plaats van het beoogde bromfietspad tussen de toegangen van de volkstuinverenigingen Roomburg en OTV een brede sloot te realiseren. Dit is positief voor de flora en fauna, de volkstuinen, de recreatie en er wordt extra waterbergingscapaciteit gecreëerd. Door reclamant is reeds bezwaar gemaakt tegen het voorbereidingsbesluit Oostvlietpolder dat aan dit ontwerpbestemmingsplan ten grondslag ligt. Het voorbereidingsbesluit is onrechtmatig genomen. Dit blijkt uit jurisprudentie (ABRvS, 1987, 144), als bij een globale beschouwing reeds duidelijk had behoren te zijn dat de plannen vanuit planologisch opzicht onaanvaardbaar zijn. Uit het rapport van de StAB (26 april 2001) blijkt duidelijk dat de gemeentelijke ruimtelijke plannen in strijd zijn met hogere plannen: ze zijn derhalve onaanvaardbaar. De strook tussen de Europaweg en de Vrouwenweg is ten onrechte aangewezen voor recreatieve voorzieningen. Dit is in strijd met het streekplan en in tegenspraak met de reactie op het advies van de PPC (de strook krijgt de bestemming "Agrarische doeleinden"). Bovendien worden recreatieve voorzieningen beschouwd als verstedelijking, hetgeen buiten de rode contour niet is toegestaan. Op de plankaart zijn de in het ontwerpbestemmingsplan beschreven fietspaden (pagina 70 en 71) ten onrechte niet ingetekend. De aan te houden afstanden voor bedrijven wordt langs de volkstuinen ten onrechte gehalveerd: van 1 april tot 1 november mogen de volkstuinen permanent bewoond worden en van deze mogelijkheid wordt ook op uitgebreide schaal gebruik gemaakt. Reclamant maakt bezwaar tegen het ontbreken van de genoemde hoogtebeperkingen van 12 m langs de A4 in de voorschriften en op de plankaart. Reclamant maakt bezwaar tegen de veel te ruime mogelijkheden voor de bouw van kantoorruimte die niet zelfstandig zijn en de wijzigingsbevoegdheid (artikel 4 lid 3 en 4). Dit is in strijd met het rijksbeleid (bouw van kantoren is alleen toegestaan nabij openbaar vervoervoorzieningen). De voorwaarden die bij artikel 4 lid 3b zijn opgenomen, dienen ook bij artikel 4 lid 2 te worden opgenomen.

b.

c.

d. e. f. g.

81 Nr. Dnst. h. i. j. : 03.0178 : BOWO

k.

Reclamant maakt bezwaar tegen de mogelijkheid voor de vestiging van bouwmarkten of grootschalige meubelbedrijven (art. 4 lid 4), vanwege de vergroting van de verkeersoverlast. De vrijstellingsbevoegdheden voor afwijking van hoogtematen met 10% en afwijking van bedrijfscategorieën met één hogere categorie is te ruim geformuleerd. Reclamant maakt bezwaar tegen de mogelijkheid voor het intensiveren van de woonbebouwing. Door de bouw van 68 woningen in de groenzone, blijven er slechts versnipperde stukjes groen over. Dit is in strijd met de wensen van het Ministerie van LNV, die in de brief van 2 mei 2003 stelt dat de groenzone robuust moet zijn en dat er sprake moet zij van een doorlopende groenzone. reclamant maakt bezwaar tegen de stelling dat de economische haalbaarheid is aangetoond: de woningen achter de Vlietweg zijn niet zeker, wat een wankele pijler is om de economische uitvoerbaarheid op te baseren. Antwoord Ter plaatse zal een fietspad gerealiseerd worden, zoals dat in het door alle partijen geaccordeerde verplaatsingsplan voor de volkstuinen is opgenomen. Voorzover nog relevant voor de huidige bestemmingsplanprocedure is de gemeente van mening dat met het voorbereidingsbesluit voldaan is aan hetgeen op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vereist. Overigens is een eerder bezwaar tegen het voorbereidingsbesluit niet te beschouwen als een bezwaar tegen dit bestemmingsplan. Uit het bestemmingsplan zal blijken (aan te scherpen toelichting en voorschriften) dat hier geen sprake zal zijn van verstedelijking, maar van een polderparkachtige inrichting. De in de toelichting genoemde fietspaden/fietsmogelijkheden worden alle in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt, hetzij met een aparte aanduiding "fietspad", hetzij vallend binnen de UB-bestemming of de verkeersbestemming van de betreffende wegen. In het bestemmingsplan wordt zorgvuldig beargumenteerd waarom bij de milieuzonering ten aanzien van de volkstuinen tot de aangegeven oplossing is gekomen. Het gaat hier om niet om "een rustige woonwijk", waarvoor kleinere richtafstanden gelden, maar een volkstuinencomplex waar slechts een deel van het jaar overnachting mogelijk is. Dit is in artikel 4 lid 2 sub b geregeld. De mogelijkheid (via vrijstelling) voor vergroting van het kantooroppervlak bij bedrijven (er is dus geen mogelijkheid tot vestiging van zelfstandige kantoren) is conform provinciaal beleid. Genoemde vrijstellingsmogelijkheden zijn ten behoeve van de nodige flexibiliteit in het plan opgenomen en zijn naar de mening van de gemeente afdoende begrensd. De mogelijkheid (via vrijstelling) voor vestiging van detailhandel in volumineuze goederen, is tevens conform provinciaal beleid. Verwezen wordt naar antwoord h. In het plan zijn twee groene verbindingszones in oost-westrichting opgenomen: de recreatiefcultuurhistorische zone langs de Vlietweg en de ecologische zone langs de middenwetering. Hiermee wordt zeker voldaan aan de wens om Vlietland en Cronesteyn met elkaar te verbinden. Het Ministerie van LNV is, blijkens zijn eigen overlegreactie, overigens reeds akkoord met de inrichting van de Oostvlietpolder. Het gaat om de economische uitvoerbaarheid van het voorliggende plan, waar het genoemde woongebied deel vanuit maakt. Wanneer het plan vigeert, zal er zeker belangstelling zijn voor woningbouw en wonen in dit gebied.

a. b.

c. d. e.

f. g. h.

i. j.

k.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

82

3.3.

A.J.M. van der Krogt en L.H.M. van der Krogt, Vlietweg 7, 2323 LA Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 759 Landschap Samenvatting Dat alle ruimtelijke doelstellingen gerealiseerd worden, zoals in de Notitie Inspraak en Overleg is aangegeven, is geen garantie voor de kwaliteit van het geheel. Teveel met elkaar strijdige functies moeten een plaats krijgen in het geheel. De landschappelijke beleidslijnen die gehanteerd worden, komen in de ruimtelijke inrichting niet overal tot uiting. Ondanks mooie bewoordingen wordt er weinig versterkt. De eerste twee delen van de Oostvlietpolder worden volgestopt met functies en het derde deel is leeg. In het derde deel is alleen sprake van zoveel mogelijk behoud, niet van versterking. In de Vlietzone wordt in de eerste twee delen van de Vlietweg 2 woontorens gerealiseerd en maximaal 68 nieuwe woningen. De huidige groenblauwe identiteit is daarmee verdwenen. Behoud van de herkenbaarheid van het slagenpatroon is alleen van toepassing op het toekomstige natuuren agrarisch gebied. Het vormt wel een goede basis voor de indeling van het bedrijvenpark en volkstuincomplex, maar de herkenbaarheid zal daar minder tot uitdrukking komen. Aansluiting bij en versterking van de kamers waarin het landschap is opgedeeld, is hier niet aan de orde: de kamers vormen in de huidige situatie een open ruimte. Behoud van de Vlietwegzone als historische ontginningsbasis is niet los te zien van het bijbehorende landschap: deze relatie komt niet tot zijn recht door deze alleen in het 3e deel van de Vlietwegzone toe te passen. De visuele relatie met het Groene Hart vermindert. Monumentale boerderijen zijn alleen van waarde als ze daadwerkelijk nog als zodanig gebruikt worden. Antwoord Zoals reclamant reeds aangeeft is het niet eenvoudig om zoveel functies een plaats te geven in de Oostvlietpolder. De gemeente meent hierin echter zeker in te zijn geslaagd, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met de landschappelijke beleidslijnen (landschap als basis voor de inrichting van het bedrijvenpark, openhouden westelijk deel Oostvlietpolder, bij de inrichting van het volkstuinencomplex wordt rekening gehouden met het verkavelingspatroon). In het derde deel van de Vlietweg is er sprake van behoud èn versterking van de ruimtelijke kwaliteit: behoud van de Vlietweg met de vrijstaande bebouwing zelf en versterking door het in dit bestemmingsplan zeker stellen van behoud van de openheid in dat deel van de Oostvlietpolder. Er wordt in dit bestemmingsplan maar één hoger appartementencomplex langs de Vliet mogelijk gemaakt, dat juist door zijn hoogte en ligging verwijst naar het cultuurhistorische verleden van deze plek en het gebouw dat hier stond. Door de mogelijkheid voor nieuwe woningen in de Vlietwegzone zal de huidige groenblauwe identiteit (zeker in het westelijke tweede en derde deel van de Vlietwegzone) niet verdwijnen: alleen in het eerste oostelijke deel zal dat meer het geval zijn door de nieuwe woonbebouwing en het bedrijvenpark. Hier wordt echter ook een groene zone gerealiseerd, die de overgang vormt tussen woongebied en bedrijventerrein. De gemeente is het eens met reclamant dat het slagenpatroon in het agrarische en natuurgebied beter herkenbaar is door het gebrek aan bebouwing. In het bedrijvenpark zal dit slagenpatroon echter ook nog te herkennen zijn door de ligging van de wegen en de sloten en de oriëntatie van de bedrijven hierop. Langs de A4 is in de omgeving van de Oostvlietpolder wel degelijk sprake van een afwisseling van open en gesloten kamers. De voorgestelde ruimtelijke inrichting van de Oostvlietpolder versterkt deze afwisseling

3.3.1. a.

b. c. d. e. f. g.

a.

b.

c. d.

83 Nr. Dnst. e. : 03.0178 : BOWO

f. g.

In het bestemmingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met het karakter van de Vlietweg en dus ook met de verschillen tussen het eerste, tweede als derde deel van de Vlietweg. De openheid van het derde deel blijft gehandhaafd (de open kamer tussen Vlietland en volkstuinen), het tweede deel ter hoogte van de volkstuinen is reeds nu meer gesloten door het volkstuincomplex en het eerste deel kent een intensieve bebouwing, wardoor reeds nu van een zekere geslotenheid sprake is, die versterkt zal worden door het toekomstige bedrijvenpark. De visuele relatie met het groene hart is in het oostelijk deel reeds minder dan in het westelijk deel. Onder meer daarom is het landschap in het westen opengehouden, waardoor deze relatie daar in stand wordt gehouden. De gemeente bestrijdt dat een monumentaal pand alleen van waarde is als het daadwerkelijk nog de oorspronkelijke functie heeft. De kunst is juist om monumentale panden qua functie in te passen in de moderne tijd. Hiermee kan worden voorkomen, dat vele monumenten, waaronder me name boerderijen, verloren gaan.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.3.2. a. b. c. d. Vlietweg Samenvatting Over de nieuwe woningen is geen inspraak mogelijk geweest. Er bestaat veel onduidelijkheid over de nieuwe bestemmingen Wijzigingsgebied III en Uit te werken gebied voor groenzone en woondoeleinden. Waarom worden deze clusters woningen in het overgangsgebied tussen bedrijventerrein en woningen gesitueerd en hoe wordt het gebied ingericht? Van de identiteit van de Vlietweg blijft door deze plannen weinig over. Uit de toelichting valt op te maken dat de intensivering van de woonbebouwing samenhangt met de verkeersintensiteit op de Vlietweg. Enige logica ontbreekt hierbij. Ruimtelijke vergezichten zijn reeds in het 2e deel van de Vlietweg aan de orde, maar dit uitzicht neemt af door de verplaatsing van de volkstuinen en zal nog verder afnemen door een strook woningbouw langs de weg te plannen. Woningen langs de Vlietweg op deze locatie doen afbreuk aan de herkenbaarheid, identiteit en continuïteit van de Vlietweg. Het is bijzonder opmerkelijk dat de ruimtelijke kwaliteit, die vaak in het bestemmingsplan geroemd wordt, juist bij het Wijzigingsgebied III niet genoemd wordt. Verzocht wordt de benodigde woningbouw elders in het plan onder te brengen. Antwoord In het voorontwerpbestemmingsplan is de bedoelde woonbebouwing inderdaad niet opgenomen. Het staat de gemeente echter vrij om naar aanleiding van de inspraakreacties of in verband met gewijzigde inzichten het plan aan te passen. Het ontwerpplan wijkt ook in dit geval af van het voorontwerp. De nieuwe woningbouwmogelijkheden passen in de stedenbouwkundige analyse en visie op de Vlietwegzone en zijn noodzakelijk om het plan economisch uitvoerbaar te houden. Burgers/bedrijven/instellingen kunnen nog in het kader van de terinzagelegging op deze woningbouwmogelijkheden reageren. In het bestemmingsplan is voldoende duidelijk gemaakt hoe deze gebieden eruit komen te zijn, gelet op de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht voor deze woningbouwmogelijkheden. De nieuwe woningbouwmogelijkheden in de Vlietwegzone zijn noodzakelijk om het plan economisch uitvoerbaar te houden en de woningen passen in de stedenbouwkundige analyse van de Vlietwegzone. Zie beantwoording zienswijze onder 3.3.1. De logica bij de locatie van de nieuwe woningen in relatie tot het verkeer is, dat de Vlietweg slechts over een beperkte lengte wordt belast met extra verkeer als deze woningen zo dicht mogelijk bij de aansluiting op de Europaweg worden gesitueerd.

a.

b.

c. d.

84

Het uitzicht vanaf het tweede deel van de Vletweg is inderdaad reeds beperkt door het te intensiveren volkstuincomplex en aanwezige bebouwing. In dit licht bezien is het effect van de geprojecteerde woningbouw op het uitzicht beperkt. Het realiseren van enkele vrijstaande woningen langs dit deel van de Vlietweg past hier goed in de ruimtelijke context Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.3.3. a. Natuur, water en groen Samenvatting Over de compensatiedoelstelling wordt opgemerkt dat deze is gestoeld op de gedachte "als er niet veel is, is er veel toe te voegen". De aanvulling op bestaande natuurwaarden in de zuidwesthoek is een aanvulling op iets wat verdwijnt. Vraag blijft of het nu aangegeven gebied met het op te zetten waterpeil als compensatie kan dienen voor de te verdrijven broedvogelparen: zal het fungeren als weidevogelgebied. Daar het Ministerie van LNV reeds akkoord is gegaan met de geboden compensatie, is er weinig sprake geweest van inspraak op dit punt. De inrichting van het weidevogel-/graslandreservaat is niet duurzaam te noemen en ook is niet duidelijk wat het beoogde doel is. Hier dient meer aandacht aan te worden besteed. Er wordt voortdurend de vergelijking gemaakt met de huidige intensieve agrarische activiteiten. Deze zijn echter niet intensief te noemen. Antwoord In het kader van het voorliggende bestemmingsplan blijft de zuidwesthoek ongemoeid. Eventuele aantasting als gevolg van de aanleg van A11/N11 genereert een aanvullende compensatietaakstelling voor de initiatiefnemer voor deze weg. Natuurcompensatie vindt overigens vrijwel altijd plaats op gronden met geringe actuele natuurwaarden. Het antwoord op deze vraag is "ja". Verwezen wordt hierbij naar de beantwoording bij 3.2.5.g. Dat het Ministerie van LNV reeds akkoord is gegaan met de geboden compensatie, wil niet zeggen dat er geen sprake is geweest van inspraak op dit punt. Ook dit onderdeel van het voorontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen ten behoeve van de inspraak. De inrichting is duurzaam en de doelen zijn op hoofdlijnen geformuleerd in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan. In het nog op te stellen inrichtings- en beheersplan zullen deze hoofdlijnen nader worden uitgewerkt. Ten opzichte van het beoogde reservaatbeheer zijn deze activiteiten intensief te noemen.

b. c. d. e.

a.

b. c.

d. e.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. Verkeer 3.3.4. Samenvatting De meerwaarde van een extra brug over de Vliet op ongeveer 1 km afstand van de Lammebrug komt niet tot uiting. Een rechtstreekse verbinding met zuidwest is in verband met de waterzuivering niet mogelijk, waardoor er geen noodzaak voor de extra fietsbrug is. Voor het fietsverkeer wat gebruikmaakt van de Vlietweg als doorgaande route, moeten de Lammebrug en de fietsbrug bij Vlietland voldoende mogelijkheden bieden. Daarnaast werkt de fietsbrug verstorend op de veelbesproken groenblauwe identiteit. Antwoord De geprojecteerde fietsbrug vormt samen met de geprojecteerde fietspaden in het plangebied een rechtstreekse verbinding met het toekomstige bedrijvenpark en met de fietstunnel onder de A4. Gelet op het belang van een goede bereikbaarheid van het bedrijvenpark per fiets en van aantrekkelijke recreatieve verbindingen tussen de stad en het Groene Hart is de aanleg van de fitsbrug in dit plan mogelijk gemaakt. Verwezen wordt voorts naar paragraaf 3.2.7.a.

85 Nr. Dnst. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.4. a. Prof Dr. P.J. Heidt, Vlietweg 60a, 2323 LE Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 629 Samenvatting De bestemming Bedrijvenpark is in strijd met het rijksbeleid (PKB deel 4 behorende bij de Vinac). Als er desondanks toch voor een onderdeel van de polder een uitzondering wordt gemaakt, dient te worden aangesloten bij de gewijzigde motie Gabor/Versnel-Schmitz, die door de Tweede Kamer is aangenomen (16 april 1998). Deze motie gaat uit van ontwikkeling vanaf de A4 tot aan de watering die globaal in het midden van gebied loopt. Dit houdt een brede groene verbinding tussen Vlietland en polderpark Cronesteyn in stand. Het tot agrarisch bestemde grasland langs de A4 (in het nieuwe bestemmingsplan) kan dan gecompenseerd worden tussen de watering en de bebouwing langs de Vlietweg. Het deel van de volkstuinen dat nu tussen de watering en de A4 is gelegen, kan worden gesitueerd in het deel dat momenteel bestemd is als graslandreservaat. De verslechterde economische situatie en de daarmee gepaard gaande verminderde behoefte aan bedrijfspanden (er staan in de regio reeds geruime tijd bedrijfspanden te koop en te huur), zijn harde argumenten om geen bedrijventerrein in de Oostvlietpolder te situeren. De hoogte van de opbouwen langs randen zouden niet hoger mogen zijn dan de bebouwingshoogte van gebouwen (12 m) in plaats van de genoemde 30 m. Het Ministerie van LNV stelt in haar overlegreactie dat de ontwikkeling en instandhouding van de ecologische zone gefinancierd moet worden door het aan te leggen bedrijvenpark. De gemeente heeft hierop geantwoord dat het onderhoud geen deel uitmaakt van de economische uitvoerbaarheid van het plan. Opmerkelijk is dat er woningen in de groenzone gebouwd moeten worden om het bedrijvenplan financieel haalbaar te maken. Dit is in strijd met datgene wat het Ministerie van LNV heeft gesteld. De aanleg van de verlengde Churchilllaan (zeker de afgebogen variant) zal in de toekomst moeilijk worden door de huizenbouw in de groene zone in verband met geluidshinder. Ook een rechtgetrokken variant zal onvoldoende zijn om geluidshinder te voorkomen. Door de bouw van woningen achter en aan de Vlietweg, zal het verkeer op deze weg onacceptabel toenemen. Deze weg is niet, zoals het bestemmingsplan vermeldt, alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer en is ook niet autoluw, maar wordt ook gebruikt door veel recreanten. De ontsluiting van de woningclusters achter de Vlietweg zijn vanaf de Vlietweg niet mogelijk zonder het afbreken van huizen. Een ontsluiting vanaf de Europaweg zal nog meer afbreuk doen aan het bufferzonebeleid. Het situeren van een zo belangrijke ecologische zone midden door het bedrijventerrein getuigt van weinig inzicht in het doel van een dergelijke zone. Reclamant pleit voor situering van de ecologische zone in de onbebouwde groenzone langs de Vlietweg. Het plan voorziet niet in de extra aanleg van 10% open water (5,5 ha in verband met een bruto bedrijventerrein van 55 ha nog afgezien van de woningbouw). Ook de in de groenzone lopende watergangen zullen verbreed moeten worden, met inbegrip van de watergangen direct achter de bebouwing van het 1e deel van de Vlietweg. Het is niet duidelijk of een inventarisatie gemaakt is van de behoefte aan volkstuinen. Is het bestemde volkstuingebied noodzakelijk of kan de gemeente de nog te bestemmen 5 ha aan bedrijventerrein in dit deel van het plan vinden? De situatie die langs de Europaweg ontstaat (bedrijfsgebouwen van 24 m hoogte versus recreatie) is onevenwichtig en kan niet gezien worden als stedenbouwkundig thema "toegang tot de stad". Bij de vorige plannen is gesteld dat het bedrijventerrein geen zichtlocatie mocht worden. Dit zou ook voor de Europaweg moeten gelden. Nu ontstaat een zichtlocatie vanuit polderpark Cronesteyn. : 03.0178 : BOWO

b.

c. d.

e.

f. g.

h. i.

j. k. l.

86

a. b. c.

d.

e. f.

g.

h. i.

j.

k. l.

Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a en 2.3.a. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.2.2.d. Waarschijnlijk doelt reclamant op de vrijstellingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4. Deze maakt een dergelijke bouwhoogte voor opbouwen mogelijk, mits dit om bedrijfsmatige redenen of uit een oogpunt van intensief ruimtegebruik of stedenbouw wenselijk is en ruimtelijk aanvaardbaar is. De gemeente zal uiterst zorgvuldig met deze bevoegdheid omgaan. De suggestie van reclamant wordt in die zin op prijs gesteld, maar zal niet tot een aanpassing van de voorschriften leiden. Dit is niet in strijd met het antwoord op de overlegreactie van het Ministerie van LNV. Duidelijk wordt gemaakt dat de kosten van onderhoud en instandhouding geen deel uitmaken van het hoofdstuk economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan: alleen de realisatie van een dergelijk gebied dient in de economische haalbaarheid van het bestemmingsplan te worden meegenomen. De woningen achter de Vlietweg zijn noodzakelijk om het gehele bestemmingsplan financieel haalbaar te maken. Te zijner tijd, wanneer in een bestemmingsplan de verlengde Churchillaan mogelijk wordt gemaakt, zal nader onderzoek naar geluidshinder en te nemen maatregelen plaatsvinden. De Vlietweg heeft een functie voor bestemmingsverkeer. Dat kunnen ook recreatieve bestemmingen zijn. Ook het extra verkeer dat opgeroepen wordt door de nieuwe woningen is bestemmingsverkeer. Dit extra verkeer belast echter slechts een beperkt deel van de Vlietweg, omdat dit verkeer voornamelijk op de Europaweg gericht zal zijn. De constatering over de ontsluiting op de Vlietweg is juist. Dit geldt niet voor het gestelde over een ontsluiting via de Europaweg. Een korte ontsluitingsweg voor het beperkte aantal woningen dat hier aan de orde is, is qua ruimtelijke impact verwaarloosbaar in vergelijking met het nieuwe bedrijvenpark zelf, nog los van het feit, dat het bufferzonebeleid niet meer het actuele rijksbeleid is. Overigens zal de mogelijkheid voor ontsluitingswegen uit de W2-bestemming worden gehaald. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.f. In dit bestemmingsplan wordt 35 ha netto bedrijventerrein mogelijk gemaakt, hetgeen overeenkomt met 49,5 ha bruto oppervlak. Op blz. 57 bovenaan van het ontwerpbestemmingsplan, wordt een uitgebreide berekening voor het benodigde wateroppervlak uit de doeken gedaan, waarbij de haalbaarheid van 10% open water binnen de beschikbare ruimte wordt aangetoond. Voor het uit te werken woongebied zal het daarvoor benodigde water apart worden aangelegd binnen dit woongebied. Het is mogelijk dat daarbij de watergangen achter de bebouwing aan de Vlietweg worden verbreed. Het ontwerp zal in overleg met de waterbeheerders in het uitwerkingsplan nader vorm krijgen. De gemeente is gestart met het onderzoek naar de behoefte aan volkstuinen in de gemeente Leiden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat de behoefte dusdanig is afgenomen dat een deel van het bestemde volkstuinencomplex overbodig wordt/is, dan zal voor de nog te vinden 5 ha bedrijvenpark een deel van het volkstuincomplex als mogelijke uitbreidingslocatie in de nadere afweging mee worden genomen. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.1.4.b. De bijzondere positie van de Europaweg als stedelijke entree rechtvaardigt een hogere bedrijfsbebouwing, waardoor vanaf het polderpark inderdaad zich op dit bedrijvenpark ontstaat. Overigens wordt in de vorige plannen gedoeld op een zichtlocatie vanaf de A4.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De mogelijkheid voor ontsluitingswegen zal uit de W2-bestemming worden gehaald.

87 Nr. Dnst. 3.5. : 03.0178 : BOWO

a. b.

c.

d.

e.

f.

g. h. i.

j. k. l. m.

n.

Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder, Vlietweg 13,2323 LA Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 770 Samenvatting In strijd met bestuurlijke afspraken is in het ontwerpbestemmingsplan het maximaal aantal hectares netto uitgeefbaar (bedrijven)terrein niet vastgelegd. Als er toch al een bedrijventerrein zou komen, dan dient dit gelegen te zijn ten zuiden van de ecologische zone langs de dwarswetering en niet aan weerszijden van de dwarswetering. De ecologische zone langs de dwarswetering dient een duidelijke begrenzing te worden tussen het bedrijventerrein en het noordelijke deel van de polder. De bestaande volkstuinen dienen ten noorden van de dwarswetering gesitueerd te worden, omdat bedrijventerrein en volkstuinen beter gescheiden kunnen worden. Reclamant acht verdere uitbreiding van het areaal van volkstuinen in de Oostvlietpolder in combinatie met een bedrijventerrein ongewenst, omdat deze uitbreiding teveel ruimte inneemt. Verdere uitbreiding is niet toegestaan in het bestemmingsplan. De bouw van de woningen in de Vlietwegzone is onnodig en leidt tot een te grote aantasting van de polder. Indien deze woningen noodzakelijk zijn voor de economische uitvoerbaarheid, dient in deze haalbaarheid te worden voorzien door realisatie van woningen op locaties van waaruit bedrijven verhuizen naar de Oostvlietpolder. Om een deel van de Oostvlietpolder met haar cultuurhistorische weilanden te behouden, dient het noordelijk deel tot aan de dwarswetering en de Europaweg onaangetast te blijven, met uitzondering van het gebied dat nodig is voor de verplaatsing van volkstuinen binnen de Oostvlietpolder, ruimte voor extra compensatiemaatregelen en de ruimte voor de aanleg van de ecologische zone langs de dwarswetering. Compensatie van natuurwaarden dient plaats te vinden in dat deel van de polder waar de aantasting plaatsvindt (dus ten zuiden van de dwarswetering). In het ontwerpbestemmingsplan wordt niet aannemelijk gemaakt waarom het noordelijk reservaatgebied hiervoor noodzakelijk is. Tabel 5.2 (behoud van natuurwaarden) is misleidend, omdat de 30 ha die als graslanden ter plaatse van het reservaatgebied verloren gaan. Daarnaast is niet inzichtelijk gemaakt hoe tot een oppervlak van 55,2 ha is gekomen. Er is in tegenstelling tot wat in het ontwerpbestemmingsplan beweerd wordt wel sprake van een m.e.r.plicht. Het ontwerpbestemmingsplan maakt niet duidelijk waarom langs de Europaweg gestreefd moet worden naar een invulling als "entree van de stad" langs de Europaweg. De inpassing van het bedrijventerrein is in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de in het ontwerpbestemmingsplan aangegeven randvoorwaarden, omdat het bedrijventerrein een zichtlocatie wordt. Er dient rondom het bedrijventerrein een afschermende groenstrook te liggen en de eerste 50 m dient een hoogtebeperking van maximaal 12 m te hebben. De maximale bouwhoogte in het overige deel van het bedrijventerrein dient beperkt te worden tot 16 m. Voordat met de ontwikkeling van het bedrijvenpark begonnen wordt, dient eerst de Europaweg verbreed te worden en de doorstroming op het Lammenschansplein verbeterd te worden. De reservering voor de N11-west (zoals in het streekplan) dient op de plankaart te worden opgenomen en deze dient bij de bepaling van de natuurcompensatie in acht te worden genomen. Het ontwerpbestemmingsplan houdt geen rekening met wegverkeerslawaai bij doortrekking van de Churchilllaan (de te realiseren woningen achter de Vlietweg, de woningbouw ter accentuering van de knik in de Vlietweg). Reclamant is niet in staat geweest het bestemmingsplan als geheel te beoordelen, aangezien verschillende onderdelen in het gekochte exemplaar ontbraken (economische uitvoerbaarheid, uitspraak van de ABRvS, berekeningen wegverkeerslawaai, Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten). Reclamant maakt bezwaar tegen de toelating van categorie 4-bedrijven in de Oostvlietpolder. De polder staat een hogere indeling dan categorie 3 niet toe.

88

o. p.

Reclamant maakt bezwaar tegen de mogelijkheid voor het plaatsen van windturbines omdat deze niet passen in het huidige en toekomstige beeld van de polder. De exploitatieopzet heeft niet ter inzage gelegen en is alleen aan de provincie verstuurd. Belanghebbenden hebben niet kunnen beoordelen of het plan economisch uitvoerbaar is. Met een beroep op de Wet openbaarheid van Bestuur wordt verzocht de exploitatieopzet toe te sturen aan de reclamant. Vooralsnog stelt de reclamant zich op het standpunt dat de uitvoerbaarheid niet is aangetoond. Antwoord Er bestaat bestuurlijke overeenstemming over het realiseren van 40 ha netto bedrijfsterrein. In dit bestemmingsplan wordt 35 ha mogelijk gemaakt. Genoemde oppervlakten zijn in artikel 3 van de voorschriften vastgelegd. Bovendien wordt de oppervlakte begrensd door het op de kaart aangegeven UBgebied. De oppervlakte hiervan bedraagt een kleine 50 ha. Deze bruto-oppervlakte laat niet meer dan circa 35 ha netto toe. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.3.a. Het volkstuinencomplex zal worden gerealiseerd conform het convenant dat tussen gemeente en volkstuinders is afgesloten. Het totale areaal neemt daarmee niet toe. Wel is er sprake van verplaatsing; volkstuinen in westelijk Leiden moeten wijken voor een begraafplaats en worden in de Oostvlietpolder gecompenseerd. De bouw van woningen in de Vlietwegzone is noodzakelijk voor de economische haalbaarheid van het plan. Dit kan niet worden afgewenteld op eventuele realisatie van woningen op locaties van waaruit bedrijven verhuizen naar de Oostvlietpolder: het bestemmingsplan op zichzelf dient economisch haalbaar te zijn. In de delen van de Oostvlietpolder waar deze woningen mogelijk worden gemaakt leidt dit niet tot een te grote aantasting van de polder. De gemeente heeft beargumenteerd voor de in het bestemmingsplan opgenomen inrichting van de Oostvlietpolder gekozen en zal daar ook niet van afwijken. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.3.a. De compensatie hoeft niet noodzakelijkerwijs op deze locatie te worden gerealiseerd. Wel heeft het de voorkeur om compensatie binnen een bestemmingsplan te regelen. Dit is in het bestemmingsplan Oostvlietpolder ook gebeurd. In het bestemmingsplan wordt aangegeven waarom het noordelijke graslandreservaat voor compensatie geschikt wordt geacht. De graslanden ter plaatse van het reservaatgebied hebben relatief geringe natuurwaarden. Herinrichting en optimaliseren van het water- en maaibeheer zal veel nieuwe natuurwaarden toevoegen. De analyse m.e.r. is zorgvuldig uitgevoerd. De conclusie dat er geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen is terecht. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.1.1.f. Dit wordt in het bestemmingsplan wel duidelijk gemaakt. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.e.4. en 3.1.4.b. De inpassing van het bedrijventerrein is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Slechts in een strook van 50 m langs de Europaweg is sprake van zich manifesterende bebouwing. Waar nodig krijgt het bedrijventerrein een groene inpassing (A4, Vlietweg, zone tussen Aln en UB-gebied, (groen)blauwe overgangszone tussen bedrijvenpark en volkstuinencomplex, zie zienswijze 2.1.e). Het voorkomen van een zichtlocatie vanaf de A4 houdt niet in dat langs alle randen een hoogtebeperking van maximaal 12 m noodzakelijk is. In het kader van intensief ruimtegebruik is een maximale hoogte van 18 m voor het grootste deel van het bedrijventerrein ingesteld. Langs de Europaweg is 24 m toegestaan in de functie als stedelijke entree. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. In toelichting en voorschriften is vastgelegd, dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de totstandkoming van de infrastructuur op elkaar afgestemd moet zijn. Behalve nieuwe infrastructuur zijn daarbij ook verbreding van de Europaweg en optimalisering van het Lammenschansplein nadrukkelijk aan de orde.

a.

b. c.

d.

e. f.

g. h. i.

j.

89 Nr. Dnst. k. : 03.0178 : BOWO

l.

m. n.

o.

p.

Over de aanleg van de A11/N11 is nog geen beslissing genomen. Het tracé van de A11/N11 is nog niet bekend. Hierdoor hoeft en kan deze weg niet op de plankaart worden opgenomen (zie ook uitspraak ABRvS nr200202618/1 d.d 29 april 2003). Door in het westelijke deel van de Oostvlietpolder geen nieuwe bebouwing toe te staan, wordt wel rekening met de eventuele toekomstige A11/N11 gehouden. Omdat in dit bestemmingsplan de verlengde Churchilllaan nog niet mogelijk wordt gemaakt, hoeft hier nog geen rekening te worden gehouden met wegverkeerslawaai ten aanzien van deze weg bij de woningbouwmogelijkheden in de UGW-bestemming. Op het moment dat deze weg daadwerkelijk mogelijk wordt gemaakt, dient dit aspect nader onderzocht te worden. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.9.a. Bij een milieuzonering voor een bedrijventerrein dient rekening te worden gehouden met gevoelige functies in de omgeving (woonfuncties en dergelijke). Bij de milieuzonering is voldoende afstand tot de aanwezige en toekomstige gevoelige functies bewaard. Hierbij zijn bedrijven uit categorie 4 in delen van de Oostvlietpolder toelaatbaar. De windturbines zijn als lijnopstelling in combinatie met de windturbines aan de Zoeterwoudse zijde van de A4 opgenomen in de ontwerpNota WERVEL van de provincie Zuid-Holland. In deze Nota is aangegeven dat locaties langs hoofdinfrastructuur in combinatie met bedrijventerrein of glastuinbouwgebied zeer geschikt worden geacht voor de plaatsing van windturbines. Hierin is ook, voorzover mogelijk, het landschappelijke aspect meegenomen (door te letten op landschappelijke zonering en een plaatsingsvisie te ontwikkelen). Het verstrekken van informatie blijft ingevolge de WOB achterwege voor zover het belang van het openbaar maken niet opweegt tegen het economische of financiële belang van de gemeente. In de huidige situatie is daarvan sprake. In de exploitatieopzet zitten zodanige gevoelige gegevens, dat het bekendmaken daarvan de onderhandelingspositie van de gemeente en de daarbij betrokken partijen zou kunnen schaden. In de toelichting van het bestemmingsplan zal in plaats van een verwijzing naar de exploitatieopzet een samenvatting daarvan worden opgenomen. Daarin zal de economische uitvoerbaarheid duidelijk worden gemaakt.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In hoofdstuk 8 van de plantoelichting zal een korte samenvatting van de exploitatieopzet worden opgenomen, waaruit de economische uitvoerbaarheid van het plan duidelijk wordt. Ook zal de grens van de bestemming UGW worden aangepast om een mogelijke blokkade voor de verlengde Churchilllaan te voorkomen. Daarnaast zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Voorts wordt verwezen naar de conclusie onder 2.1. 3.6. Recreatiecentrum Vlietland B.V., Rietpolderweg 1, 2266 BM Leidschendam, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 779 Samenvatting Reclamant benadrukt het belang dat recreatiegebied Vlietland voor circa 1 miljoen recreanten heeft. Indien recreanten, om Vlietland te kunnen bezoeken, eerst langs een industriegebied moeten rijden en in Vlietland uitzicht hebben op dit industriegebied zal de recreatiewaarde van dit gebied afnemen. Dit kan mede tot gevolg hebben dat Recreatiecentrum Vlietland inkomsten zal derven. Reclamant is dan ook van mening dat het industriegebied omsloten moet worden door groen en voelt zich hierin gesteund door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2001. Deze stelt dat het bedrijventerrein, gezien het feit dat het hier gaat om een bufferzone, ingepast moet worden in groen. In de toelichting van het bestemmingsplan op bladzijde 9 wordt ingegaan op de eis van de Afdeling. Hierin wordt aangegeven dat langs de A4 een bebouwingsvrije zone zal worden opgenomen en dat deze zone aan de noordzijde wordt begrensd door een zone waarin een maximale bouwhoogte van 12 meter zal gelden.

a.

90

b.

c.

d.

e.

f.

g.

h.

i.

j.

Naar de mening van reclamant is echter onvoldoende duidelijk op welke wijze daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de eis dat het bedrijventerrein in het groen moet worden ingepast. Reclamant stelt dat indien de huidige plannen worden gerealiseerd, het bedrijventerrein altijd zichtbaar zal zijn vanaf de toegangsweg naar Vlietland (Hofvlietweg) en Vlietland zelf. Opnieuw verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling stelt reclamant dat ook daar waar het bedrijventerrein grenst aan het volkstuinencomplex en het agrarisch gebied moet worden voorzien in een groene inpassing. Volgens reclamant is dit thans niet het geval. Uit de uitspraak van de Afdeling, en naar aanleiding van een opmerking van de Minister van VROM, komt naar de mening van reclamant naar voren dat het industriegebied in geen geval een zichtlocatie mag worden. Naar de mening van reclamant is onvoldoende duidelijk hoe aan deze verplichting invulling wordt gegeven. Gezien het hiervoor genoemde is reclamant van mening dat de groenzone langs de A4, de groenzone tussen het bedrijventerrein en de Hofvlietweg en de groenzone aan de kant van Vlietland dusdanig moet worden beplant dat het bedrijventerrein het gehele jaar niet zichtbaar zal zijn. Dit houdt in dat hiervoor wintergroene vegetatie zal moeten worden gebruikt. Verder stelt reclamant dat de buitenwanden van de bedrijfsbebouwing aan de kant van de Hofvlietweg en aan de kant van recreatiegebied Vlietland in een nader te bepalen groene kleur moet worden geschilderd en dat enige vorm van (licht)reclame aan deze zijden moet worden verboden. In het plangebied zijn uitsluitend horecagelegenheden toegestaan voorzover deze vallen binnen categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten. In het plangebied is slechts het restaurant Cronesteyn als horecavestiging bestemd. Reclamant uit echter de zorg dat buiten deze horecavestiging nog andere horecavestigingen kunnen worden gerealiseerd. Uit de beantwoording van de inspraakreactie van reclamant die dit onderwerp betrof, maakt reclamant op dat dit niet mogelijk is. Reclamant is van mening dat, indien de vestiging van extra horeca toch mogelijk is of wordt, dit voor hem onacceptabele concurrentie zou betekenen met inkomstenderving tot gevolg. Reclamant eist dan ook dat het bestemmingsplantechnisch onmogelijk wordt gemaakt extra horecavestigingen op het bedrijventerrein te realiseren. Naar de mening van reclamant dienen de maximale bouwhoogten langs de ontsluitingsweg naar Vlietland, langs de A4 en langs de zijde welke is gekeerd naar het recreatieterrein Vlietland terug te worden gebracht tot 9 m. Dit om te voorkomen dat de bedrijfsbebouwing aan deze zijden zichtbaar is, hetgeen in strijd is met het bufferzonebeleid. Voorts stelt reclamant dat bedrijfsbebouwing met een hoogte vanaf 18 m op een zo groot mogelijke afstand uit recreatiegebied Vlietland en de Hofvlietweg wordt geprojecteerd. De Hofvlietweg is exclusief aangelegd als ontsluiting voor Vlietland. Reclamant is dan ook van mening dat deze weg niet gebruikt mag worden als ontsluitingsweg voor het industriegebied. Dit ter voorkoming van grote overlast voor de recreanten. Reclamant verzoekt een en ander te garanderen in het bestemmingsplan. Reclamant wijst opnieuw op eventuele inkomstenderving indien deze weg toch als ontsluitingsweg wordt gebruikt. Reclamant stelt dat het ontwerpbestemmingsplan het mogelijk maakt bedrijven te vestigen die geluidsen/of geurhinder kunnen veroorzaken. Reclamant verzoek de gemeente dergelijke bedrijven zo ver mogelijk van recreatiegebied Vlietland en de Hofvlietweg te projecteren. In het ontwerpbestemmingsplan wordt abusievelijk de naam "Vlietlanden" gebruikt. De juiste benaming is "Vlietland". Reclamant verzoekt de naam te veranderen, zoals toegezegd in de beantwoording van zijn inspraakreactie op dit punt. Aan de oostzijde van het plangebied is een strook grond bestemd als Aln (agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden). Voor de exacte ligging verwijst reclamant naar de bij de zienswijze gevoegde kaart. Reclamant stelt dat deze strook in het streekplan "Zuid-Holland West" is aangeduid als (verblijfs)recreatiegebied. De provincie Zuid-Holland zal de betreffende strook binnenkort in erfpacht aan Vlietland b.v. uitgeven. Reclamant verzoekt dan ook de betreffende grond de bestemming Recreatie (R) te geven. Reclamant wil de gronden onder andere gebruiken als ten behoeve van de aanleg van voorzieningen zoals een waterpartij.

91 Nr. Dnst. k. : 03.0178 : BOWO

l.

In de zuidoosthoek van het plangebied zijn twee stroken grond aan de noordzijde van de Hofvlietweg (kadastraal bekend als Leiden V75 en Leiden V 2042) bestemd als Aln (agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden). Reclamant wijst er op dat de provincie Zuid-Holland deze gronden binnenkort in erfpacht aan Vlietland b.v. zal uitgeven, dit ten behoeve van de aanleg van een golfbaan. Reclamant verzoekt dan ook de bestemming hiermee in overeenstemming te brengen, te meer omdat reclamant van mening is dat een golfbaan veel waarde zal toevoegen aan de beoogde kwaliteit van het bedrijventerrein. Hierbij wordt verwezen naar de bij deze zienswijze gevoegde kaart. Reclamant stelt dat in tegenstelling tot hetgeen is weergegeven, hij niet namens Vlietland b.v. zijn inspraakreactie en deze zienswijze heeft ingediend, doch dat Vlietland b.v. als rechtspersoon zelf de inspraakreactie en deze zienswijze heeft ingediend. Reclamant verzoekt dan ook Vlietland b.v. als inspreker en reclamant aan te duiden. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. Overigens zal de groene afscherming. langs de A4 op de kaart en in de voorschriften worden verduidelijkt. Soorten aard van groen en beplanting, lichtreclame en kleur van de bebouwing kunnen niet in een bestemmingsplan worden geregeld of vastgelegd. Deze aspecten komen later bij de verdere uitwerking(splannen) aan de orde. Tevens wordt verwezen naar antwoord c. Zoals reeds in de notitie Inspraak en Overleg is aangegeven zijn in de bestemming Bedrijfsdoeleinden geen zelfstandige horecagelegenheden ter plaatse mogelijk. Er zijn slechts horecagelegenheden toegestaan die de bedrijfsactiviteiten ondersteunen (bijvoorbeeld gekoppeld aan een centrale voorziening in het gebied, zoals een kantine). Dit is duidelijk een ander segment dan de horecafaciliteiten die momenteel aanwezig zijn in Vlietland of die daar gerealiseerd zullen worden. Derhalve hoeft reclamant niet te vrezen voor concurrentie vanuit het bedrijvenpark. Een maximale bebouwingshoogte van 12 m wordt voldoende geacht om een zichtlocatie langs de A4 te voorkomen. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. De maximale bebouwingshoogte van 18 m wordt op een afstand van 50 m vanaf het oostelijk deel van het bedrijvenpark mogelijk gemaakt. De gemeente acht deze hoogte in verband met streven naar intensief ruimtegebruik wenselijk in een groot deel van het bedrijvenpark. De Hofvlietweg zal slecht voor de ontsluiting van een beperkt deel van het bedrijventerrein worden gebruikt. Beperking tot noodgevallen of een bepaalde periode is niet aan de orde. Omdat het bedrijfsmatige verkeer zich op werkdagen concentreert en het recreatieve verkeer vooral op niet-werkdagen, met uitzondering van de vakantieperiode, zijn er geen verkeersproblemen te verwachten. Bovendien zal een vrijliggend fietspad worden aangelegd. Het bedrijvenpark is op voldoende afstand van Vlietland gelegen om te voorkomen dat er overlast van de bedrijven zal plaatsvinden: de werkelijke afstand bedraagt zo'n 560 m, terwijl de hoogst toelaatbare categorie bedrijven 4.2 is. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 300 m ten opzichte van een rustige woonwijk, ook in verband met de aspecten geur en geluid. In de notitie Inspraak en Overleg is tot grote spijt van de gemeente abusievelijk aangegeven dat alle namen gewijzigd zouden worden in "Vlietlanden". De gemeente zal de benaming van het recreatiepark aanpassen. Aan dit onderdeel van de zienswijze zal tegemoet worden gekomen. Zoals ook reeds in de notitie Inspraak en Overleg is vermeld, is de aanleg van de golfbaan niet in het bestemmingsplan opgenomen. Dat wil echter niet zeggen dat de gemeente niet mee zal werken aan de aanleg van de golfbaan. Dit is mede afhankelijk van de mogelijke strijdigheid met andere gewenste functies in het gebied. Er is voor gekozen om de percelen, waar de aanleg van de golfbaan mogelijk in de toekomst zal plaatsvinden, een niet-blokkerende bestemming te geven.

a. b. c. d. e.

f.

g.

h.

i. j. k.

92

l.

Hierdoor is de aanleg van het deel van de golfbaan, dat op Leids grondgebied ligt (1 of 2 holes) door middel van een herziening van het bestemmingsplan of een artikel 19-procedure in de toekomst niet onmogelijk. In deze Notitie Zienswijzen is aan dit verzoek wat betreft de naamgeving van deze reclamant voldaan.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De groene inpassing van het bedrijventerrein aan de zijde van het Aln-gebied zal door middel van een strook met de bestemming Groenvoorzieningen worden vormgegeven. De uitwerkingsregels UB-bestemming zullen worden aangevuld met betrekking tot de overgang naar de volkstuinen. De groene afscherming langs de zijde van de A4 zal worden verduidelijkt op de plankaart en in de voorschriften. Een perceel aan de westzijde van het plangebied, dat bij het recreatiegebied Vlietland gevoegd zal worden, krijgt een recreatieve bestemming (in plaats van Aln-bestemming). 3.7. WLTO Advies, Postbus 108, 2280 AC Rijswijk, namens A.S. de Wit, Vlietweg 44, 2323 LC Leiden, binnengekomen 25 september 2003, boeknummer 775 Samenvatting Reclamant heeft in het kader van de inspraak de gemeente verzocht voor zijn perceel de mogelijkheid op te nemen een sauna/ beautyfarm te realiseren. De gemeente heeft hier in de notitie inspraak d.d. 26 augustus 2003 positief op gereageerd. Reclamant stelt dat echter, dat zijn verzoek slechts ten dele is geconcretiseerd op de plankaart. Het perceel Vlietweg 44 heeft de bestemming "Woondoeleinden 2" gekregen, en de voorschriften van de sauna/ beautyfarm ontbreken geheel. De bebouwingsvoorschriften van de bestemming "Woondoeleinden 2" zijn ontoereikend om de beoogde functie te realiseren. Naar de mening van reclamant dient (om de sauna/ beautyfarm te realiseren) het bebouwingsvlak te worden vergroot tot 7.100 m². Ook dient er door middel van bouwvoorschriften extra bebouwing op het perceel mogelijk te worden gemaakt. Gezien het feit dat ook de eigendomsgrens aan de achterzijde van het perceel niet is aangepast zoals verzocht, is het gegeven de huidige regeling niet mogelijk de sauna/beautyfarm te realiseren. Reclamant is van mening dat de beoogde sauna/beautyfarm valt onder de Staat van Horeca-activiteiten die in het bestemmingsplan is opgenomen. In het plangebied zijn echter alleen vestigingen toegestaan uit categorie 1a en 1b uit deze staat, hetgeen is te duiden als lichte horeca met een geringe verkeersaantrekkende werking. Naar de mening van reclamant dient de sauna/beautyfarm in een hogere categorie te worden ingeschaald. Om dit te realiseren is het noodzakelijk de sauna/beautyfarm een specifieke subbestemming te geven, waaraan de hogere categorie uit de Staat van Horeca-activiteiten is gekoppeld. Het gebied ten zuiden van het perceel van reclamant is bestemd als "Uit te werken gebied voor Groen en Woondoeleinden". Gegeven de bestemming is het op deze gronden mogelijk eengezins- en meergezinswoningen te bouwen, met de daarbijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen, wegen, tuinen, enzovoorts. Reclamant stelt dat er een ruimtelijke scheiding dient te worden aangebracht tussen de woningbouw en de beoogde sauna/ beautyfarm, een en ander ter voldoening van het bepaalde in de Wet milieubeheer. Daarnaast is deze ruimtelijke scheiding noodzakelijk vanwege de privacy van reclamant. Reclamant stelt, in reactie op het verzoek van de gemeente om medewerking te verlenen aan de verkoop van zijn gronden, dat hij alleen bereid is hieraan medewerking te verlenen nadat zijn perceel de bestemming sauna/beautyfarm heeft gekregen, met de door reclamant gewenste bestemmingslegging en bebouwingsmogelijkheden. Antwoord In de voorschriften is onder art. 9 (W2) onder lid 1, tweede gedachtestreepje een sauna/beautyfarm toegestaan bij de aanduiding (s). Deze aanduiding is op de plankaart bij Vlietweg 44 weergegeven.

a.

b.

c.

d.

e.

a.

93 Nr. Dnst. b. : 03.0178 : BOWO

c.

d.

e.

Aan dit verzoek zal niet tegemoet worden gekomen. De W2-bestemming met de aanduiding (s) èn de aansluitende UWG-bestemming bieden de maximale mogelijkheden, gelet op de woonfunctie van dit deel van de Vlietweg en de beoogde groene zone langs de Vlietweg. Uitbreiding van de W2-bestemming zou een inbreuk betekenen op de beoogde groene zone langs de Vlietweg. Een sauna/beautyfarm is geen horeca-activiteit. De hoofdactiviteit van een beautyfarm is namelijk niet gericht op drank- of maaltijdverstrekking, het verlenen van onderdak of het verhuren van zaalruimte. Derhalve hoeft er geen specifieke subbestemming voor horeca-activiteiten te worden opgenomen. Het begrip horeca zal in de begripsbepaling van de voorschriften worden opgenomen. Daarnaast zijn in de voorschriften van de bestemming H horeca-activiteiten tot en met categorie 2 toegestaan, in tegenstelling tot wat in de toelichting vermeld staat (dit betreft de bestaande horeca-activiteit aan Vlietweg 2). De toelichting zal hierop worden aangepast. Bij de uitwerkingsplannen voor het UGW-gebied zal vanzelfsprekend rekening moeten worden gehouden met de overgang naar bebouwing en functies in het W2-gebied. De uitwerkingregels (artikel 10 lid 2) zullen op dit punt worden aangevuld. Daarnaast zijn bij de gemeente geen concrete plannen voor de sauna bekend, onder andere qua omvang van de activiteit. De gemeente gaat er vanuit dat de schaal van de beoogde sauna van dermate aard is dat geen milieuhinder wordt veroorzaakt voor omliggende woningen. Dit zal in de toelichting worden opgenomen. In de voorschriften voor het betreffende perceel worden tevens een afstand tot aan de perceelsgrens en maximaal bebouwingsoppervlak aangegeven. Tevens wordt in de uitwerkingsregels van het UGW-gebied een afstand van de woningen tot aan de perceelsgrens genoemd. De gemeente neemt dit voor kennisgeving aan.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De uitwerkingsregels voor de UGW-bestemming zullen worden aangevuld op het punt van de overgang naar de bestaande bebouwing. In de voorschriften wordt bij de aanduiding "S" tevens een afstand tot aan de perceelsgrens en een maximaal bebouwingsoppervlak aangegeven. In de toelichting zal worden aangegeven dat het een sauna van dermate aard betreft, dat deze geen milieuhinder voor omliggende woningen veroorzaakt. Ook in de uitwerkingsregels van het UGW-gebied zal een afstand van woningen tot aan de perceelsgrens worden genoemd. Daarnaast zal de algemene toelaatbaarheid voor horeca-activiteiten in de toelichting worden aangepast aan hetgeen hierover in de voorschriften is vermeld. Daarnaast zal "horeca" in de begripsbepaling van de voorschriften worden opgenomen. 3.8. WLTO Advies, Postbus 108, 2280 AC Rijswijk, namens Maatschap Van der Post, Vlietweg 82, 2323 LG Leiden, binnengekomen 25 september 2003, boeknummer 776 Samenvatting In de toelichting van het bestemmingsplan Oostvlietpolder staat aangegeven dat het bedrijf van reclamant als enige veeteeltbedrijf in de Oostvlietpolder gehandhaafd kan blijven. Het agrarisch areaal in het plangebied zal tot 43 ha worden verkleind, waarbij circa 30 ha valt binnen het graslandreservaat. In de toelichting wordt voorts aangegeven dat reclamant een belangrijke rol kan spelen bij het beheer van dit reservaat en dat deze 30 ha 's zomers kan worden gebruikt voor hooiwinning. De bestemmingslegging op dit gebied is hier ook op toegesneden, waarbij het agrarisch gebruik als medebestemming is opgenomen. Reclamant heeft interesse in gebruik van het graslandreservaat, maar verzoekt de gemeente wel meer inzicht te verschaffen in het beoogde gebruik van het graslandreservaat. Reclamant denkt zelf aan ruwvoederwinning en het weiden van vee.

a.

94

b.

c. d.

e.

f.

g.

h.

Reclamant is met de gemeente van mening dat 43 ha voldoende is voor een volwaardig agrarisch bedrijf. Echter, reclamant heeft slechts over 23,5 ha het eigendomsrecht. In de plantoelichting staat aangegeven dat circa 20 ha grond met de bestemming Aln gebruikt kan worden door reclamant. Deze wijst er echter op, dat deze gronden thans aan derden zijn verpacht. Reclamant kan deze gronden dus niet gebruiken voor het eigen bedrijf en verzoekt de gemeente dan ook een duurzame regeling te treffen omtrent het gebruik, mede met het oog op de benodigde financiering voor de modernisering van het bedrijf, welke afhankelijk is van de gebruiksrechten van reclamant. Reclamant verzoekt de gemeente, zodra de gevraagde duurzame regeling voldoende zeker is, medewerking te verlenen aan de bouw van enkele dammen ten behoeve van een goede ontsluiting van de huiskavel. Een deel van de agrarische gronden in eigendom van reclamant, kunnen niet als zodanig gebruikt worden, doordat deze gronden vallen binnen de ecologische hoofdstructuur. Reclamant is dan ook van mening dat deze gronden elders gecompenseerd moeten worden. Reclamant wil in de toekomst het bedrijf moderniseren door de bouw van een ligboxstal. Daarom verzoekt reclamant de gemeente het bouwvlak aan de zuidzijde met circa 20 m uit te breiden, zodat de bouw van deze stal mogelijk wordt. Naast de boerderij van reclamant is een arbeiderswoning met huisnummer 82a gevestigd. In de planvoorschriften is neergelegd dat op de gronden met de aanduiding "Ab" bedrijfsgebouwen en maximaal 1 dienstwoning zijn toegestaan. Reclamant verzoekt de voorschriften in overeenstemming te brengen met de bestaande situatie, zijnde een bedrijf met twee bedrijfswoningen. Reclamant wil van de gemeente de toezegging dat er geen riooloverstort zal plaatsvinden in de buurt van zijn landerijen. Reclamant vreest, daar de melkkoeien uit de sloot drinken, schadelijke gevolgen voor het vee indien dit toch zou gebeuren. Reclamant is van mening dat hem de mogelijkheid moet worden geboden een windmolen op zijn gronden te plaatsen. Dit omdat de plaatsing van 1 extra windmolen (in lijn met de overige beoogde windmolens) slechts een zeer beperkte aantasting van de aanwezige waarden in het plangebied zal inhouden. Antwoord Ruwvoederteelt is uitgesloten in het weidevogelreservaat vanwege de zeer negatieve effecten op flora en fauna. (Na)beweiding in lage dichtheden is wellicht mogelijk en zal nader worden uitgewerkt in het inrichtings- en beheersplan voor het reservaat. Dit ontwerpbestemmingsplan heeft geen invloed op de huidige omvang van het onderhavige agrarisch bedrijf. Beëindiging van pachtovereenkomsten en andere privaatrechtelijke zaken worden niet geregeld bij bestemmingsplan. Indien dergelijke dammen bouwwerken zijn, zal aan de regels van het bestemmingsplan getoetst worden. Indien het geen bouwwerken betreft, zal een aanlegvergunning noodzakelijk zijn. Op voorhand sluit de gemeente dergelijke dammen niet uit. Zodra de plannen van reclamant meer concreet zijn kan in overleg worden getreden. De gronden met de bestemming ecologische verbindingszone rond de centrale wetering behoeven geheel aan het agrarisch gebruik te worden onttrokken. Tegenover de beperkingen in het gebruik kan de gemeente een gebruiksvergoeding overeenkomen. Ook kunnen de gronden door de gemeente worden aangekocht. Met de bestemming Ab wordt het agrarisch bestemde gedeelte aangegeven waar bebouwing is toegestaan. Het binnen dit gedeelte geldende bebouwingspercentage van 50% biedt, gezien de omvang van dit perceel, voldoende mogelijkheden voor uitbreiding. Het is niet de bedoeling om langs de Vlietweg onbeperkt percelen vol te bouwen. Uit de ruimtelijke analyse van de Vlietwegzone blijkt juist dat de doorkijkjes in dit deel van de Vlietweg een belangrijke rol vervullen. Een vergroting van het bouwvlak ter plaatse is derhalve ruimtelijk niet gewenst. Dit is tevens in overeenstemming met de Nota Planbeoordeling, waarin aan wordt gegeven dat de oppervlakte van een bouwperceel voor een agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 1 ha.

a. b.

c.

d. e.

95 Nr. Dnst. f. g. : 03.0178 : BOWO

h.

Dit zal in de voorschriften worden aangepast. De aanleg van riolering wordt niet geregeld in een bestemmingsplan, maar in een gemeentelijk rioleringsplan. Anderzijds mag conform de watertoets de aanleg van het bedrijventerrein, mogelijk gemaakt door dit bestemmingsplan, geen negatieve effecten op de waterhuishouding veroorzaken. Het bedrijventerrein van de Oostvlietpolder zal worden voorzien van een verbeterd gescheiden stelsel, in combinatie met het afkoppelen van schoon dakoppervlak direct naar het oppervlaktewater. Tevens zal, omdat het een bedrijventerrein betreft, extra aandacht worden besteed aan de hemelwaterafvoer van terreinen van zwaardere bedrijfscategorieën, in verband met mogelijke verontreinigingen, die op de vuilwaterriolering dienen te worden aangesloten. De nieuw aan te leggen riolering dient minimaal aan de zogenaamde basisinspanning te voldoen, wat betekent dat ruim voldoende berging in de vuilwaterriolering zal worden gerealiseerd. Hierdoor en door het feit dat het een verbeterd gescheiden stelsel betreft, zal het risico op riooloverstorten tot een minimum beperkt zijn. Overigens valt het verzoek om een toezegging op dit punt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. Plaatsing van windturbines in het westelijk deel van het plangebied past niet in de visie van de gemeenteraad op het plangebied: de gemeenteraad wil de openheid in dit deel van de Oostvlietpolder behouden, terwijl in het oostelijk deel verdichting plaatsvindt (bedrijvenpark, volkstuinen, woonbebouwing). Daarnaast hebben windturbines een ernstig verstorend effect op weidevogels; het gaat daarbij om effectafstanden van gemiddeld 250 m. Het functioneren van het weidevogelreservaat zou met het plaatsen van een windturbine ernstig worden geschaad en de compensatietaakstelling zou niet worden gehaald. Met dit verzoek kan derhalve niet worden ingestemd.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De voorschriften (artikel 14) die betrekking hebben op de gronden met de bestemming Ab zullen worden aangepast op het punt van de tweede bedrijfswoning. 3.9. a. b. c. d. e. f. a. Overdevest, Vlietweg 4, 2323 LB Leiden, ingekomen 10 september 2003, boeknummer 543 Samenvatting De woningen langs de Vrouwenweg worden in de volksmond wel de achterbuurt van Leiden genoemd. Hier passen nieuwe woningen met een mooie wal, zoals in Zoeterwoude langs de N206. Reclamant vindt het schandalig dat achter de Vlietweg nieuwe woningen worden gepland en dat daarvoor stukken grond van de bewoners langs de Vlietweg wordt geconfisqueerd Er wordt in het bestemmingsplan overal rekening mee gehouden, (vooral met het volkstuincomplex terwijl men daar veel te weinig voor zijn grond betaalt), maar niet met de bewoners langs de Vlietweg. Reclamant vraagt zich af waarom er een kantine in het volkstuinencomplex aanwezig is, terwijl er ook andere horecagelegenheden langs de Vlietweg te vinden zijn. Reclamant vraagt zich af wat de gemeente van plan is met Vlietweg 20. In jeugdcentrum de Korte Vliet kunnen minstens 20 appartementen gerealiseerd worden. Reclamant vraagt zich af wat de aanduiding P op Vlietweg 4 betekent. Antwoord Langs de Vrouwenweg wordt reeds woonbebouwing toegestaan. Ook nieuwbouw ter vervanging van de bestaande woningen is toegestaan. De huidige bewoners van de Vrouwenweg wonen hier echter naar tevredenheid. De gemeente ziet vooralsnog geen reden om actie te ondernemen.. De woningbouwmogelijkheden langs de Vlietweg passen binnen de ruimtelijke visie op dit gebied, voorzien in een behoefte op de woningmarkt en zijn van belang voor de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

b.

96

c. d. e. f.

De gemeente betreurt het dat reclamant deze mening is toegedaan. Bij het opstellen van het bestemmingsplan zijn alle belangen afgewogen en heeft de gemeente getracht met alle belangen rekening te houden. De kantine op het volkstuinencomplex zorgt voor saamhorigheid tussen de volkstuinders onderling, is een ontmoetingsplek en vervult hiermee een belangrijke functie. Vlietweg 20 heeft een woonbestemming gekregen. Gelet op de goot- en bouwhoogte kan hier kan geen appartementencomplex worden gerealiseerd. Zoals de plannen nu zijn zullen er een tweetal woningen worden gerealiseerd. De aanduiding "P" betekent dat een artsenpraktijk is toegestaan. Deze aanduiding is abusievelijk verkeerd op de plankaart terecht gekomen. De locatie van de aanduiding "P" zal verplaatst worden naar het aangrenzende perceel.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De aanduiding "P" zal verplaatst worden naar het aangrenzende perceel. 3.10. Huurdervereniging het Vlietpark, Beverveen 369, 3205 AE Spijkenisse, ingekomen 22 september, boeknummer 573
Samenvatting

Reclamant maakt ernstig bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan, vanwege de volgende punten: a. Een bedrijventerrein zoals de gemeente heeft gepland vermindert de natuurbeleving zoals reclamant die momenteel kent enorm. b. De mogelijke hoogten van de bouwwerken tezamen met de geplande windmolens vormen een onaangename horizonvervuiling. De vermoedelijke afstand tussen Vlietpark en het bebouwde bedrijvenpark bedraagt ongeveer 11 m, waardoor reclamant bij een bebouwingshoogte van 12 m ruim 45 graden omhoog moet kijken om de lucht te kunnen zien. c. De waarde van de Vlietparkpercelen zal een sterke devaluatie ondergaan, waarvoor de gemeente aansprakelijk wordt gesteld. d. De aanleg van zowel het bedrijvenpark (infrastructuur) als de bouw van de bedrijfspanden zal een onacceptabele hoeveelheid lawaai met zich meebrengen e. Er zal als gevolg van het bedrijventerrein sprake zijn van geluidsoverlast voor de houten recreatiehuizen in het Vlietpark. a. Antwoord Het ontwerpbestemmingsplan is de resultante van een zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde belangen. Naast de belangen die verband houden met het bedrijventerrein, is nadrukkelijk rekening gehouden met natuur, recreatie en volkstuinen. Het is daarbij echter niet te voorkomen dat de komst van een bedrijvenpark in de Oostvlietpolder negatieve effecten heeft op de directe omgeving. Ook hier is een belangenafweging aan de orde. Langs de randen van het volkstuincomplex is de maximale bouwhoogte van 18 m al teruggebracht naar 12 m. Een nog lager maximum beperkt de mogelijkheden voor intensief ruimtegebruik teveel. Overigens zal de afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de tuinhuisjes aanmerkelijk groter zijn dan 11 m. In de uitwerkingsregels voor de bestemming UB (artikel zal worden aangevuld op het punt van de overgang naar het volkstuincomplex (handhaven/aanleggen watergang, minimale afstand bedrijfsbebouwing uit bestemmingsgrens). Op voorhand worden door de gemeente geen uitspraken gedaan over de mogelijke uitkomst van planschadeverzoeken. Het enkele feit van de mogelijke indiening van planschadeverzoeken vormt geen aanleiding om het plan aan te passen. Bij de economische uitvoerbaarheid is in algemene zin rekening gehouden met het mogelijk indienen van planschadeverzoeken.

b.

c.

97 Nr. Dnst. d. : 03.0178 : BOWO

e.

De aanleg van het bedrijvenpark (infrastructuur/bedrijfsgebouwen/bouwrijp maken van grond) zal inderdaad voor meer geluid zorgen. Dit is echter slechts tijdelijk van aard. Daarnaast zal er hierbij naar de mening van de gemeenteraad geen sprake van een onacceptabel hinderniveau, aangezien werktuigen, werkmethoden, werktijden etc., aan regelgeving onderhevig zijn. Bij de milieuzonering van het bedrijvenpark is rekening gehouden met de gevoelige functies in de omgeving, waaronder het volkstuinencomplex waarop een beperkt deel van het jaar overnacht mag worden. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.2.9.e. Het geluid zal derhalve tot een acceptabel niveau beperkt blijven.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard: in de voorschriften zullen nadere bepalingen worden opgenomen over de overgang naar het volkstuincomplex. 3.11. Leidse Bond van Amateur-tuinders, Boerenpad 5, 2322 LA Leiden, ingekomen 22 september, boeknummer 578 Samenvatting In het ontwerpbestemmingsplan wordt als mogelijke zoeklocatie voor de eventuele uitbreiding van het bedrijventerrein onder meer de volkstuinen genoemd. Dit is geheel in strijd met de gemaakte afspraken. Reclamant is hier buitengewoon verontwaardigd over. Tijdens de informatiebijeenkomst in 2002 heeft dhr. Hillebrand letterlijk ontkend dat een toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein gevolgen zou hebben voor de volkstuincomplexen. Hij refereerde hierbij aan het gesloten convenant. Reclamant voelt zich misleid. Volkstuinverenigingen en individuele tuinders zullen geen investeringen doen als er niet absolute zekerheid wordt geboden dat zij voor een periode langer dan 10 jaar kunnen tuinieren. Reclamant verzoekt dringend deze mogelijkheid voor uitbreiding van het bedrijventerrein uit het bestemmingsplan te halen. In het vorige bestemmingsplan werd uitgegaan van een ecologische zone van circa 100 m breed aan de Vlietzijde, als gevolg waarvan verschillende tuinen en andere voorzieningen van de volkstuinders moesten verdwijnen en andere tuinders niet meer in hun tuinen investeerden met al het (persoonlijk) leed van dien. Het is dan ook bijzonder wrang dat deze ecologische zone in het recente ontwerpbestemmingsplan op een andere locatie zijn gelegen. Reclamant heeft zich altijd constructief in de planvorming opgesteld. Reclamant verzoekt de gemeente alles in het werk te stellen zodat met grote spoed daadwerkelijk met de realisering van het volkstuinencomplex kan worden begonnen. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.2.7.b. Door de veranderende inzichten in de ligging/functie van de ecologische verbindingszone is gekomen tot de huidige planopzet. In verband met de beoogde snelle realisering van het volkstuincomplex is reeds een aparte artikel 19-procedure gestart. Ook de gemeente hecht waarde aan een snelle voortgang van dit project.

a.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.12. Tuingroep "Onderlinge Tuinvereniging", Bloemistenlaan 44, 2313 BB, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 769 Samenvatting Reclamant stelt dat de lijnopstelling van de windturbines langs de A4 geen geluidsoverlast mag opleveren voor de volkstuinders.

a.

98

b.

c.

d.

e.

Reclamant heeft bezwaar tegen de zoeklocatie van 5 ha bedrijfsterrein, welke deels is gelegen op het volkstuinencomplex, een en ander zoals aangegeven op bladzijde 47 en 56 van de toelichting. Reclamant wijst op het convenant met de gemeente, waarin de locatie van de volkstuinen gereserveerd is en blijft voor volkstuinen. Voorafgaand aan de definitieve locatiekeuze zal, zoals gesteld in de plantoelichting, een volkstuinenbehoefte-onderzoek worden uitgevoerd. Naar de mening van reclamant zal dit onderzoek uitwijzen dat er een tamelijk constante behoefte is aan volkstuinen. Reclamant is verrast door de aanduiding wandel/fietspad door het volkstuinencomplex, zoals deze is aangegeven in figuur 10 (inrichtingssuggestie) op bladzijde 62 van de toelichting. Volgens reclamant is tijdens verschillende overleggen nooit sprake geweest van een dergelijke mogelijkheid. Naar de mening van reclamant is een dergelijke ontsluiting door het volkstuinencomplex ongewenst. Gevreesd wordt voor een toename van vandalisme en criminaliteit, en wordt de privacy van de recreanten aangetast. Daarnaast stelt reclamant dat de aanleg van het wandel/fietspad niet mogelijk is. De opmerking op bladzijde 65 van de toelichting, waarbij wordt gesteld dat de ecologische verbindingszone zich over een lengte van 150 m zal beperken tot de watergang en de oevers wordt bestreden. Reclamant geeft aan dat een van beide oevers in gebruik is ten behoeve van volkstuinen en is dan ook van mening dat er voor gebruik en de inrichting van deze oever geen voorwaarden mogen worden gesteld. Reclamant geeft aan dat er, in tegenstelling tot hetgeen op bladzijde 71 van de toelichting wordt aangegeven, tijdens de zomer veelvuldig wordt overnacht op het volkstuinencomplex. In verband hiermee is reclamant tevreden met de maximaal toegestane bedrijfscategorie 3.1 voor bedrijven binnen een afstand van 50 m van het volkstuinencomplex. Reclamant heeft echter bezwaar tegen de in het plan opgenomen vrijstellingsbevoegdheid tot categorie 3.2 en verzoekt deze vrijstellingsmogelijkheid uit het plan te verwijderen. Antwoord De windturbines langs de A4 worden via vrijstelling mogelijk gemaakt. Bij het verlenen van de vrijstelling zal nader aandacht worden besteed aan milieuaspecten zoals geluid en externe veiligheid. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.2.7.b. Het wandel- en fietspad langs de ecologische verbindingszone (inclusief de verbinding met het noordzuidfietspad door het volkstuincomplex) is als suggestie opgenomen in de plantoelichting (o.a. figuur 10). Deze verbinding is niet vastgelegd in kaart en voorschriften. Dit betekent dat een dergelijke verbinding alleen in goed overleg gerealiseerd kan worden. De gemeenteraad zegt dit overleg toe. De bestemmingsgrens, zoals op de kaart weergegeven, is maatgevend. Met oevers wordt ook bedoeld: slootkanten. De vrijstellingsbevoegdheid tot een hogere categorie heeft betrekking op bedrijven die in milieuhygiënisch opzicht gelijk kunnen worden gesteld aan de algemeen toelaatbare bedrijven. Deze vrijstellingsbevoegdheid leidt dus niet tot een hogere milieubelasting.

a. b. c.

d. e.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.13. H. Bouhuis en M.J. Latooij, Vlietweg 16, 2323 LB, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 768 Samenvatting Reclamanten vrezen aantasting van het woongenot door een toename van het verkeer en daarmee samenhangend de geluidsoverlast. Gewezen wordt op de nu al bestaande geluidsoverlast op de Europaweg en het Lammenschansplein.

99 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Naar de mening van reclamanten is het bestemmingsplan onvoldoende duidelijk over het voorkomen van de toename van de geluidsoverlast voor omwonenden, doordat er slechts wordt gesproken over een aantal ontsluitingopties. Reclamanten eisen dat er eerst meer duidelijkheid over de ontsluiting van het plangebied moet komen voordat het gebied wordt ontwikkeld en stellen dat de keuze van het ontsluitingstraject geen toename van de geluidsoverlast mag inhouden voor de omwonenden. Antwoord Het akoestisch onderzoek, dat in het kader van het bestemmingsplan is uitgevoerd, geeft aan dat de ontsluitingoptie die in het bestemmingsplan is opgenomen, te weten verbreding van de Europaweg, mogelijk is binnen de normstellingen van de Wet geluidhinder. Als voor één van de andere opties wordt gekozen (verlengde Churchilllaan of A11/N11, dienen nieuwe procedures in het kader van de WRO en de Wgh te worden doorlopen. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.14. Bomenbond Rijnland, p/a H.P. Schoch, Schagensteeg 18, 2312 VM, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 744 Samenvatting Reclamant hecht grote waarde aan bomen en ander groen, alsmede aan de in de Oostvlietpolder aanwezige agrarische en recreatieve functies. De Oostvlietpolder is de laatste groene polder in Leiden en aangewezen als buffergebied, waardoor deze niet ontwikkeld mag worden. Reclamant pleit voor herstructurering en het opknappen van bestaande bedrijfsterreinen. Hierbij wordt gewezen op de leegstand bij bestaande bedrijventerreinen. Reclamant is van mening dat gezien de schaarste van groene gebieden in de provincie Zuid-Holland deze optie de voorkeur verdient, mede in het licht van de huidige economische recessie. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.1.b. en 2.1.10.b.

a. b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.15. Vereniging Vrienden van het polderpark Cronesteyn, Lindelaan 21, 2351 NV, Leiderdorp, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 746 Samenvatting Reclamant onderschrijft de bedenking van de Vereniging Bewoners Vrouwenweg. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen direct langs de Europaweg hoge bedrijven te vestigen. Daarnaast is er een optie open gehouden om bedrijven aan de oostkant van de Europaweg te realiseren. Beide opties tezamen, dan wel zelfstandig zullen ertoe leiden dat de zuidzijde van het park wordt omsloten met hoge bebouwing. Reclamant vreest aantasting van de belevingswaarde van het Cronesteynpark, en hiermee een afname van het gebruik.

a. b.

100

c.

d.

De hoogbouw langs de Europaweg vormt een barrière voor vogels die zich tussen het polderpark Cronesteyn en Vlietland verplaatsen. Reclamant is van mening dat vogels hierdoor uit het park vertrekken, hetgeen een verarming voor het park betekent en een beperking van het areaal van vogelsoorten. Reclamant wijst in dit verband op de landelijk sterke teruggang van de grutto en stelt dat het effect van de ontwikkeling van de Oostvlietpolder op de fauna rond het plangebied niet in beeld is gebracht. Het terrein tussen de Vrouwenweg en de Europaweg is bestemd als recreatiegebied, waarbij onder andere wordt gedacht aan de aanleg van voetbalvelden. Reclamant is van mening dat een dergelijk gebruik een negatieve invloed heeft op het polderpark. Reclamant stelt dat recreatie op deze gronden moet worden beperkt tot activiteiten die het polderpark versterken. Antwoord Reclamant doelt naar alle waarschijnlijkheid op de door genoemde vereniging ingediende zienswijzen. Hiervoor wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 3.1. De belevingswaarde van het park Cronesteyn zal inderdaad enigszins beïnvloed worden door de bebouwing in de Oostvlietpolder. In de totale afweging van belangen heeft dit echter niet de doorslag gegeven. Een dergelijk effect van hoogbouw op vogels is nooit door onderzoek bevestigd en daardoor zuiver theoretisch. De landelijke achteruitgang van de grutto is vrijwel volledig toe te schrijven aan de immer voortdurende intensivering van het agrarisch grondgebruik. De gewenste recreatieve inrichting zal juist een positieve bijdrage aan het polderpark Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.7.

a. b.

c. d.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar de conclusie onder 3.1.1 tot en met 3.1.10. 3.16. Dr. D. R. van Wingerden, Vlietweg 62a, 2323 LE, Leiden, binnengekomen 24 september 2003, boeknummer 748 Samenvatting Reclamant is van mening dat de Oostvlietpolder door veel recreanten wordt gebruikt. Ook heeft de polder een functie voor de flora en fauna. In de Oostvlietpolder zijn beide functies harmonieus gecombineerd. Indien de polder wordt volgebouwd zal er voor de recreanten nog maar weinig te genieten overblijven. De Oostvlietpolder moet in haar huidige vorm bewaard blijven. Er is geen duidelijkheid over de ontsluiting van de beoogde woningbouw achter de Vlietweg. Ontsluiting via de Vlietweg is geen optie, gezien het feit dat de weg in de huidige situatie al niet op haar functie is berekend. Een toename van het autoverkeer zal leiden tot een verdere overbelasting. Reclamant stelt dat het openhouden van de optie tot het doortrekken van de Churchillaan inhoud dat er achter de woningen Vlietweg 60 en 62a niet kan worden voorzien in de beoogde woningbouw, daar deze dan te dicht op de weg zou komen te staan. Reclamant eist dat de gemeente in deze een keuze maakt. In het verlengde van het gestelde onder c. geeft reclamant aan dat zijn woning in het geplande tracé van de verlengde Churchilllaan ligt. Reclamant maakt dan ook bezwaar tegen de mogelijkheid de Churchillaan door te trekken. Reclamant is van mening dat het openhouden van de optie een belastende rechtsonzekerheid met zich meebrengt. Reclamant vindt hoogbouw voor woondoeleinden niet passen in het landelijk karakter van de Vlietweg. De in het plan aangegeven ecologische zone is in het algemeen te smal en omgeven door industrie met een toegestane bouwhoogte van 12 en deels 24 m. De ecologische zone wordt in haar huidige opzet ontoereikend geacht. In de ogen van reclamant is deze zone een slechte compensatie. Reclamant vreest dat er, door de aard van de toegestane industrie, groot gevaar is voor vervuiling van de ecologische zone.

a.

b. c.

d.

e. f. g.

101 Nr. Dnst. h. i. : 03.0178 : BOWO

Reclamant stelt voor, als er toch een industrieterrein moet worden aangelegd, dit te situeren tussen de A4 en de Middenwetering. Reclamant is voor behoud van de huidige groene entree. Reclamant is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan strijdig is met de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, waarin de Oostvlietpolder is aangewezen als bufferzone. Hierin is ontwikkeling van een industriegebied en woningbouw niet toegestaan. Antwoord Het voorliggende plan is de resultante van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij recreatie en flora n fauna nadrukkelijk zijn betrokken. Verwezen wordt voorts naar de beantwoording op zienswijze 2.1.c en 3.10.a. Als het maximum aantal nieuwe woningen zou worden gebouwd en deze zouden alle op de Vlietweg worden aangesloten neemt de intensiteit op de Vlietweg toe van nihil ter hoogte van de volkstuinen tot circa 350 motorvoertuigen per etmaal ter hoogte van de aansluiting op de Europaweg. Een dergelijke bescheiden verkeerstoename kan goed worden opgevangen en behoeft niet tot verkeersproblemen te leiden. Overigens is momenteel nog niet duidelijk waar de ontsluiting van de toekomstige woningen gesitueerd zal zijn. Derhalve zal de mogelijkheid voor de aanleg van ontsluitingswegen uit de bestemming W2 worden verwijderd. Of en waar de ontsluiting via de Vlietweg zal plaatsvinden, zal bij de uitwerkingsplannen nader bekeken worden. Mocht de ontsluiting via de Vlietweg plaatsvinden, dan zal dit via een partiële herziening van het bestemmingsplan gerealiseerd worden. In dit kader zullen aan reclamant te zijner tijd inspraakmogelijkheden geboden worden. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.5.l. Overigens zal de grens van de bestemming UGW worden aangepast om een mogelijke blokkade voor de verlengde Churchilllaan te voorkomen. In dit bestemmingsplan kan noch aan de A11/N11 noch aan de verlengde Churchilllaan een verkeersbestemming worden gegeven. Voor de argumentatie wordt verwezen naar zienswijze 2.2.e en 3.5.b. Er is voor gekozen om de betreffende percelen, waar het eventuele tracé mogelijk in de toekomst loopt, een niet-blokkerende bestemming te geven. Zolang de provinciale studie naar de beste oplossing voor de verbinding A4-A44 niet is afgerond en besluiten hierover zijn genomen, blijft er onzekerheid bestaan. Dit ontwerpbestemmingsplan doet daaraan niets toe of af. Van rechtsonzekerheid is echter geen sprake, omdat dit bestemmingsplan deze weg eenvoudigweg niet mogelijk maakt. Daarvoor is een nieuwe bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. De accentuering van het knikpunt in de Vlietweg door de hogere woonbebouwing op het perceel Vlietweg 1 is straks tevens een verwijzing naar het verleden, naar de hoge silo, die er nu nog staat. Dit wordt in het bestemmingsplan ook aangegeven. Naar mening van de gemeenteraad past deze woonbebouwing dan ook wel degelijk in het karakter van de Vlietweg. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.2.6. De ecologische verbindingszone vervult gelet op zijn ambitieniveau wel een rol in de compensatiedoelstelling. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. In de milieuvergunning die de betreffende bedrijven nodig zullen hebben zal aandacht worden besteed aan maatregelen waardoor milieuvervuiling wordt voorkomen. Mochten de betreffende bedrijven niet milieuvergunningplichtig zijn, dan worden in de betreffende Algemene Maatregelen van Bestuur de betreffende maatregelen verplicht gesteld. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.3.a. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a.

a.

b.

c. d.

e.

f.

g.

h. i.

102

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De grens van de bestemming UGW zal worden aangepast om een mogelijke blokkade voor de verlengde Churchilllaan te voorkomen. Daarnaast wordt in de voorschriften de mogelijkheid voor de aanleg van ontsluitingswegen uit de bestemming W2 verwijderd. Ook zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. 3.17. A. Rijnsburger, Vlietweg 11, 2323 LA, Leiden en H.A. Rijnsburger, Staalwijkstraat 23, 2313 XP, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 597 Samenvatting Reclamanten hebben bezwaar tegen de beoogde aanleg van de fietsbrug over de Vliet, tussen de woningen Vlietweg 9 en 11. Reclamanten vrezen geluidsoverlast van brommers en afremmende en optrekkende boten pal voor de eigen woning. Daarnaast vrezen reclamanten overlast van hangjongeren. Reclamanten stellen in aanvulling, dat zij het rustieke en karakteristieke uitzicht over de Vliet kwijtraken en bestrijden de noodzaak van de aanleg van de brug. Ontsluiting via de Lammebrug en de Vlietlandbrug is naar de mening van reclamanten voldoende. Reclamanten geven de gemeente in overweging dat, indien de Churchillaan of de N11 wordt doorgetrokken over de Vliet, er binnen een afstand van 1,5 km 3 bruggen zullen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is voor het drukke scheepvaartverkeer op de Vliet. Er wordt dan ook voorgesteld de veerpont in ere te herstellen, hetgeen ook beter past in de beoogde bestemming "Natuur" ter plaatse. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.2.7.a en 3.3.4. Een veerpont in plaats van een fietsbrug heeft het nadeel van een grotere reistijd en van hoge exploitatiekosten.

a.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.18. Woonvereniging "Cronesteyn", Plantijnstraat 21, 2321 JC, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 595 Samenvatting Reclamant geeft aan in een eerder stadium bezwaar te hebben gemaakt tegen de Snoekerhavenplannen, dit in verband met de aantasting van uitzicht op de skyline van Delft en Den Haag. De plannen voor de Oostvlietpolder zullen het uitzicht op de skyline van Zoetermeer, Rotterdam en Schiedam aantasten. Reclamant vreest om deze redenen waardevermindering van de appartementen in de serviceflat Cronestein. Reclamant geeft aan een grote toename van het verkeersaanbod op het Lammenschansplein te vrezen en stelt dat de chaos op dit plein hierdoor zal toenemen. Hierdoor zal de nachtrust nog meer verstoord worden. In aanvulling hierop geeft reclamant aan ook te vrezen voor aantasting van de gezondheid van de bewoners van de serviceflat Cronestein door opstijgende gasdampen. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.d., 2.1.12.d en 3.10.c. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.8.c.

a.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

103 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

3.19. J. Hoogendoorn, Vlietweg 106, 2323 LG, Leiden, binnengekomen 23 september 2003, boeknummer 581 Samenvatting Reclamant is bewoner van het pand op Vlietweg 106 en constateert dat de woning niet in het bestemmingsplan in opgenomen. Reclamant verzoekt een opgaaf van reden voor het buiten het bestemmingsplan laten van de woning en wil weten wat de voor- en nadelen hiervan zijn. De gronden bij het perceel Vlietweg 96 (2 ha) heeft tot op heden altijd de bestemming Recreatie gehad. Reclamant constateert dat in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming is gewijzigd in Aln (agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden). Reclamant stelt dat hierdoor sprake is van een beperking van het gebruik van deze gronden en vreest hierdoor schade op te lopen. Reclamant bestrijdt dat in onderhavig geval sprake is van landschappelijke waarden, gezien het feit dat het perceel niet zichtbaar is vanaf de Vlietweg en dat de polder door de versnippering landschappelijk gezien weinig betekenis heeft. Reclamant verzoekt dan ook het referentiekader aan te duiden dat gebruikt is om te stellen dat de polder landschappelijke waarde heeft. Antwoord Verwezen wordt naar zienswijze 2.2.1.c. De Oostvlietpolder maakt onderdeel uit van het slagenlandschap dat zich tot ver in het Groene Hart uitstrekt. In de ruimtelijk-functionele analyse van het bestemmingsplan is reeds aangegeven dat de landschappelijke kenmerken in het gebied nog herkenbaar zijn, maar dat het open polderlandschap versnipperd is (door de aanleg van de langgerekte en dichtbeplante volkstuincomplexen en de hoge beplanting langs Vlietland en de A4). Dat neemt echter niet weg dat dit landschap wel nog steeds aanwezig is met het patroon van smalle evenwijdige kavels. Deze informatie komt uit verschillende regionale landschapstudies zoals het landschapsbeleidsplan voor de Leidse regio.

a.

b.

a. b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het plangebied zal worden aangepast. Verwezen wordt naar de conclusie bij zienswijze 2.2.1. 3.20. Rijnsburger, Kalmoeslaan 4, 2381 JG Zoeterwoude, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 632 Samenvatting Verkeersknelpunten, die de gemeente voor de vaststelling van het bestemmingsplan dient te hebben opgelost en die eerst dienen te zijn opgelost voordat daadwerkelijk begonnen wordt met de bouw van woningen dan wel het bedrijvenpark zijn: - extra ontsluiting vanuit de Oostvlietpolder op de Europaweg zou de capaciteit op de Europaweg zelf behoorlijk aantasten (stoplichten/vermindering huidige bufferwerking voor wachtend verkeer); - een extra ontsluiting vanuit de Oostvlietpolder op de Hofvlietweg zou de capaciteit van de op- en afritten aan de westzijde van de A4 behoorlijk aantasten (extra stoplichten en beperking doorstroom); - het toekennen van een woonbestemming ter hoogte van het klooster blokkeert de mogelijkheid tot het maken van tweezijdige op- en afritten aan de westkant van de A4 op de Europaweg; één van de weinige en belangrijkste opties tot capaciteitsvergroting van de kruising A4 wordt hiermee geblokkeerd of in ieder geval vertraagd; - de verkeersbelasting op het eerste deel van de Vlietweg zal behoorlijk toenemen (uitbreiding volkstuinen, verdrievoudigen aantal woningen en meer recreatief verkeer); dit levert tevens meer kans op ongelukken gezien de beperkte breedte van de weg, de onoverzichtelijke bochten en het gemengde gebruik;

a.

104

b.

- huidige Vlietwegbewoners werken deels aan de Vlietweg zelf of werken niet meer. Nieuwe bewoners zullen relatief veel buiten de Vlietweg werken. Dit zal ook ten koste gaan van de capaciteit op de Europaweg; - de Oostvlietpolder en ook aanliggende gebieden zoals Zoeterwoude Dorp zullen zeer vertraagd bereikbaar zijn voor hulpdiensten. Door het ontbreken van alternatieven voor deze diensten kan niet meer worden voldaan aan de wettelijke normen; - de ideeën voor de N11 ten zuiden van Leiden bieden hiervoor geen perspectief, omdat weggebruikers over langere afstand het tracé Europaweg en Churchilllaan zoveel mogelijk mijden (dus slechts een beperkte ontlasting) en in de nieuwe begroting van het Ministerie van V&W (16-9-2003) geen enkel plan/budget beschreven is voor dit deel van de N11 voor de komende 8 jaar. Reclamant maakt bezwaar tegen de extra brug ter hoogte van de volkstuinen over de Vliet: - deze brug zal het open karakter van het gereserveerde natuurgebied aantasten (door de hoogte, hefconstructie en verlichting); - de brug zal het verkeer ter plekke compliceren door een combinatie van zeer divers gebruik op een afstand van slechts 100 m (aansluiting brug, uitrit volkstuincomplex, aansluiting nieuw fietspad); de gebruikelijke route voor volkstuinders, recreanten en bewoners lopen daar tegen elkaar in; - de grotere scheepvaart zal extra wachttijden ondervinden en moeizamer/niet kunnen passeren omdat het grootste deel tussen Korte Vliet en Lammebrug daarvoor te smal wordt; - omwonenden zullen extra geluids- en stankoverlast ondervinden van remmende, wachtende, optrekkende en toeterende schepen; - zoals gebleken in Voorschoten zijn dergelijke bruggen zonder toezicht een bron van overlast door hangjongeren voor de scheepvaart en de bewoners; ook vormt het een gevaar voor de jongeren zelf doordat zij tijdens het heffen van de brug erop blijven zitten; - de bouw van een brug op 600 m van een bestaande brug lijkt niet zinvol; beter zou er uitbreiding van die bestaande Lammebrug tot 4-baans autoweg kunnen plaatsvinden. Antwoord - ontsluiting op de Europaweg dient vergezeld te gaan van verbreding van de Europaweg en/of aanleg van de verlengde Churchilllaan of de A11/N11; - bij de komende reconstructie van de aansluiting op de A4 zal met de plannen voor de Oostvlietpolder rekening moeten worden gehouden; - het klooster heeft nu reeds een woonfunctie; - als het maximumaantal nieuwe woningen zou worden gebouwd en deze zouden alle op de Vlietweg worden aangesloten neemt de intensiteit op de Vlietweg toe van nihil ter hoogte van de volkstuinen tot circa 350 motorvoertuigen per etmaal ter hoogte van de aansluiting op de Europaweg; een dergelijke bescheiden verkeerstoename kan goed worden opgevangen en behoeft niet tot verkeersproblemen te leiden; - de toename van het verkeer op de Europaweg als gevolg van de nieuwe woningen aan de Vlietweg is verwaarloosbaar ten opzichte van de heersende verkeersintensiteit op de Europaweg; - de bereikbaarheid voor hulpdiensten zal worden gewaarborgd; de aparte voorzieningen voor het openbaar vervoer (busbaan) spelen hierbij en belangrijke rol. - aanleg van de A11/N11 is wel degelijk een serieuze optie, die in de provinciale studie onderzocht wordt; de provincie heeft in de begroting 2004 aanleg van de verbinding A4-A44 aangekondigd met de aantekening dat de weg er in 2008 zou moeten liggen. - voor de noodzaak van de fietsbrug wordt verwezen naar 3.2.7.a en 3.3.4; - verkeerstechnische en nautische problemen kunnen worden voorkomen door een goed ontwerp; - veronderstelde geluidsproblemen door optrekkende schepen en last van hangjongeren zijn niet relevant in het kader van een bestemmingsplanprocedure.

a.

b.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

105 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

3.21. BSP Architecten BNA, Kopperwetering 3, 2382 BK Zoeterwoude, namens Hillenaar, Vlietweg 3, Leiden, ingekomen 10 september 2003, boeknummer 20653 a. Samenvatting Reclamant maakt wederom bezwaar tegen het verbod om vóór de "voorgevel" van een woning te bouwen, ook bij uitzonderlijke situaties als (voormalige) boerderijen pal langs de Vliet (artikel 8, bestemming W1). Hoewel in het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven dat in dit specifieke geval de rooilijn zal worden aangepast, blijkt dit niet uit de bestemmingsplankaart. Op de bestemmingsplankaart staat een grondvlak ingetekend dat niet overeenkomt met het oppervlak van het bestaande tuinhuis. De voormalige paardenstal had een kap van 45 graden, wat voor een dergelijk volume naast de boerderij een gebruikelijke oplossing was. Het tuinhuis heeft evenwel een zeer flauwe kap/plat dak. Verzocht wordt om een meer passende kap mogelijk te maken in het bestemmingsplan voor een te herbouwen opstal. Antwoord Bouwen voor de voorgevel is reeds mogelijk via vrijstelling. Alleen de bouwgrens van het hoofdgebouw is relevant. De voorschriften zullen zodanig aangepast worden, dat het gewenste bouwplan gerealiseerd kan worden.

b. c.

a. b. c.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De realisering van het bouwplan zal mogelijk worden gemaakt. 3.22. Loncq de Jong, Wijngaardenlaan 2, 2252 XN Voorschoten, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 755 Samenvatting Reclamant constateert met instemming dat het college zijn wens om een artsenpraktijk te vestigen op zijn perceel grond, honoreert. De bestemming in het ontwerpbestemmingsplan is echter zodanig op de plankaart aangegeven, dat realisatie van de artsenpraktijk zonder medewerking van een buur die tot nog toe niet mee wil werken, niet mogelijk is. Reclamant verzoekt derhalve de gemeente het opgenomen bestemmingsvlak zo te verplaatsen, dat op het perceel van zijn eigendom een uitvoerbaar bestemmingsvlak komt te liggen. Het betreft hier niet het creëren van meer bouwmogelijkheden, maar het aangeven van een bouwvlak van voldoende omvang om daarop de bestemming te realiseren. De verschuiving van het bestemmingsvlak heeft als voordeel het ten westen gelegen bestaande en uit te werken woongebied reeds zijdelings wordt afgeschermd van wegverkeerslawaai. Ook kunnen de omvangrijke boompartijen op het perceel van de buurman worden gespaard. Ook zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsvlak zuidwaarts te verplaatsen: er ontstaat een meer vloeiende overgang tussen het bedrijvenpark en de (beperkte) intensivering van bebouwing langs het eerste deel van de Vlietweg. Reclamant biedt bij deze de benodigde grond voor de verbreding van de Europaweg aan en bevestigt het aanbod om in gezamenlijk overleg met de gemeente de bebouwingscontouren op zijn perceel te bepalen. De aanduiding (p), de specifieke subbestemming voor de huisartsenpraktijk, staat abusievelijk niet op het perceel van reclamant, maar op Vlietweg 4/6. Reclamant verzoekt dit te aan te passen zodat de aanduiding op zijn perceel komt te staan. Reclamant verzoekt om ter verduidelijking de ligging van het buurperceel en zijn perceel de grens tussen beide percelen op de plankaart aan te geven.

a. b.

c.

d.

106

e.

f.

Reclamant verzoekt om misverstanden te voorkomen, de verklaring van de plankaart en de planvoorschriften voor de subbestemming te wijzigingen in "(praktijk voor) sociaal-medische doeleinden". Deze terminologie is het meest gangbaar en geeft meer duidelijkheid over wat is toegestaan. Momenteel wordt op de plankaart "praktijk" aangegeven en in de voorschriften "artsenpraktijk". In de notitie inspraak en overleg stelt het college in de beantwoording van de inspraakreactie van reclamant dat "op het betreffende perceel een groter bebouwingspercentage zal worden toegestaan. Dit zal in de voorschriften worden verduidelijkt". Dit blijkt niet ondubbelzinnig uit de planvoorschriften. Waarschijnlijk moet artikel 9 lid 1 zo worden gelezen dat de 40%-norm zoals genoemd onder het eerste streepje niet geldt voor een perceel met de aanduiding (p). Reclamant verzoekt dit expliciet te bepalen. Antwoord Waarvan acte. Het bestemmingsvlak zal niet worden verplaatst, omdat dit een verdere inbreuk zou doen op de aanwezige groenzone die dient als overgang tussen bedrijvenpark en bebouwing in de Vlietwegzone. Dit zal in het bestemmingsplan worden aangepast. De eigendomsgrens zal op de plankaart worden aangegeven. De aanduiding zal gewijzigd worden in "praktijk voor sociaal-medische doeleinden met bedrijfswoning", waardoor ook een bedrijfswoning op het betreffende perceel is toegestaan, zoals reeds eerder door de gemeente is toegezegd. Aan dit verzoek zal worden tegemoet gekomen. Voor het betreffende perceel zal een maximaal bebouwingsoppervlak worden aangegeven.

a. b. c. d. e. f.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De subbestemming zal gewijzigd worden in "praktijk voor sociaal-medische doeleinden met bedrijfswoning". De aanduiding "P" zal op de juiste locatie op de plankaart worden weergegeven. De eigendomsgrens zal op de plankaart worden aangegeven. Tevens zal een maximaal bebouwingsoppervlak worden aangegeven. 3.23. LVI, Vereniging voor ondernemingen, Rijnsburgerweg 159, 2334 Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 756 Samenvatting Reclamant onderschrijft de bedenkingen die door de Kamer van Koophandel (23-9-2003) en wijst daarbij met name op de verkeersstructuur en de toekomstige ontsluiting van het bedrijvenpark. Een toename van de verkeersintensiteit op de Europaweg heeft tot gevolg dat de congestie rondom het Lammenschansplein en de aansluitingen op de A4 verder zal toenemen. Het doortrekken van de Churchilllaan is noodzakelijk voor een goede verkeersafwikkeling van en naar het bedrijvenpark. Hierbij dient de bestaande Churchilllaan meegenomen te worden, gelet op de toekomstige ontwikkelingen op vliegveld Valkenburg. Reclamant dringt derhalve aan op prioriteit voor de ontsluitingswegen, om te voorkomen dat straks een vergelijkbare situatie ontstaat als op bedrijventerrein "De Waard". Reclamant is van mening dat het zoeken naar de resterende 5 ha aan bedrijvenpark binnen 2 jaar dient te zijn afgerond. Reclamant is van mening dat de terminologie gedurende de "realiseringstermijn" te vaag is, ook omdat het zoeken afhankelijk is van de infrastructuur. Reclamant is verheugd om op een goede manier bij het totstandkomen van het bedrijventerrein betrokken te zijn. Antwoord De ontsluitingsproblematiek heeft de volle aandacht van zowel gemeente als provincie; verwezen wordt naar zienswijze 3.1.5. en 3.2.3.

a.

b. c.

a.

107 Nr. Dnst. b. : 03.0178 : BOWO

c.

Juist omdat de locatie voor de overige 5 ha bedrijvenpark in het plangebied mede afhankelijk is van de toekomstige infrastructuur, heeft de gemeenteraad ervoor gekozen geen concrete termijn aan te geven waarbinnen deze locatie gerealiseerd dient te zijn. Zo kan bij de afweging rekening worden gehouden met relevante ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht. Waarvan acte.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.24. Niersman, H. en M., Vrouwenweg 57, 2322 LM Leiden, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 760 Samenvatting Reclamanten maken bezwaar tegen de bestemming recreatie in het gebied tussen de Vrouwenweg en de Europaweg. Er is in Leiden geen behoefte meer aan sportvelden gelet op het teruglopend aantal leden bij sportverenigingen en de fusies van verschillende clubs. Er wordt niet duidelijk aangegeven welke activiteiten er plaats zullen vinden. Voor reclamanten die misschien wel de op de drukste plek van Leiden wonen is dat onaanvaardbaar. Ook al geeft de gemeente aan dat de Europaweg reeds zwaar belast is, toch wordt aangegeven dat aansluiting op de Europaweg vanuit het bedrijvenpark noodzakelijk is. De door de gemeente aangedragen oplossingen zijn onvoldoende (mobiliteitsbeleid en vervoersmanagement zorgt voor een beperking van het verkeersaanbod van slechts 10 tot 20 %), De fasering gelijke tred laten houden met de ontwikkeling van infrastructuur is geen oplossing Dit levert 4.590 verkeersbewegingen op, waarvan het grootste deel in de spitsuren Optimaliseren van de Europaweg en het Lammenschansplein is geen oplossing, omdat de Churchilllaan niet de capaciteit heeft. De invloed van de Lammebrug, die elke dag gemiddeld 80 minuten open staat, op het verloop van het verkeer is niet meegenomen. Er wordt derhalve bezwaar gemaakt tegen de wijzigingsbevoegdheid van Groen naar verkeersdoeleinden en art. 17 lid 2. De provincie lijkt het bezwaar te onderschrijven, gelet op de nota van beantwoording van bedenkingen bij het ontwerpstreekplan. Daarin wordt gesteld dat de rode contour langs de Vrouwenweg ongewenst is, omdat bij een bedrijfsbestemming een extra aansluiting op de Europaweg gemaakt moet worden. Reclamanten maken bezwaar tegen de bouwhoogte van 24 m langs de Europaweg, waardoor de privacy wordt aangetast en de bezonning, vooral in de winter, zal verdwijnen. Bij de geluidsberekeningen voor de reconstructie van de Vrouwenweg is geen rekening gehouden met de reflecterende werking van de 24 m hoge bebouwing aan de overzijde van de Europaweg, waardoor de geluidsbelasting hoger zal zijn dan is berekend. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.7. De verbreding van de Europaweg en de optimalisatie van het Lammenschansplein dienen inderdaad gepaard te gaan met maatregelen op de Churchilllaan, indien voor reconstructie van de bestaande N206 wordt gekozen als verbinding tussen de A4 en de A44. De Churchilllaan ligt echter niet in het plangebied. Ook wordt verwezen naar zienswijze 3.2.3. (e en f). De afstand van de bestemmingsgrens UB tot aan het bouwvlak van de woonbestemming van reclamant bedraagt 50 m. De precieze invulling van het gebied wordt bij het uitwerkingsplan vastgesteld. Bij deze uitwerking zal aan deze aspecten aandacht worden besteed Het staat reclamant vrij dan opnieuw met zienswijzen te komen. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg in de nabijheid van de groenzone en de ecologische zone worden beperkt tot 12 m. Bij de berekeningen is rekening gehouden met de gevelreflectie.

a.

b.

c. d.

a. b.

c.

d.

108

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg in de nabijheid van de groenzone en de ecologische zone wordt beperkt tot 12 m. 3.25. La Gro Advocaten, postbus 155, 2400 AD Alphen aan den Rijn, namens Niersman Beheer BV, Veurseweg 79, Voorschoten, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 763 Samenvatting Het perceel van het bedrijf Niersman heeft in het voorontwerp bestemmingsplan de bestemming "recreatie" en "ecologische zone". Tegen beide bestemmingen maakt de reclamant bezwaar, om de volgende redenen: De keuze voor de bestemming recreatie wordt niet gemotiveerd. De gemeente grijpt het nieuwe streekplan (ligging rode contour) aan om de bestemming bedrijfsdoeleinden (voorontwerpbestemmingsplan) te wijzigen in de bestemming recreatie. Reclamant heeft tegen de ligging van de rode contour een beroep ingesteld bij de provincie en heeft de gemeente verzocht hierin te participeren, maar de gemeente heeft geweigerd daaraan mee te werken. De inhoud van het beroepschrift maakt woordelijk onderdeel uit van deze zienswijze. Reclamant acht de argumenten die de gemeente voor de bestemmingswijziging voert (de argumentatie is van de provincie overgenomen) niet valide. Er kan bij een woonbestemming namelijk gebruik worden gemaakt van de bestaande ontsluitingsmogelijkheid. Een ontsluiting zou juist wel passen in het plan zoals dat nu voorligt, omdat de ontsluiting van het bedrijvenpark in de eerste fase via een aan te leggen weg aan de zuidwestkant van de Europaweg zal plaatsvinden. Bovendien blijkt uit het bestemmingsplan en de contacten met ambtenaren dat de gemeente de locatie zeer geschikt vindt voor vestiging van (kantoor)bedrijven. Het ontgaat reclamant waarom op zijn perceel, dat reeds een woonbestemming heeft, geen woningbouw mogelijk wordt gemaakt, terwijl dat in de Vlietwegzone wel mogelijk wordt. Het is onbegrijpelijk waarom dezelfde redenering (het grootste deel van de in het vorige bestemmingsplan aangeduide groenzone/bufferzone wordt opgeofferd om een bijdrage te leveren aan de krappe woningmarkt van Leiden) niet zou gelden voor het perceel van Niersman. In de huidige vorm is er geen sprake van een "stedelijke entree" waar het bestemmingsplan van spreekt. Dat zou wel het geval zijn bij een met zorg ingevulde woon- c.q. bedrijfsbestemming. Verzoek om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen door de ecologische zone te laten vallen. De ecologische zone is bestemd voor een doorlopende groenzone. Hier is echter geen sprake van aangezien de Europaweg deze doorsnijdt. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan zelf aangegeven (zonder veldonderzoek ter plaatse) dat rond de Europaweg geen natuurwaarden van betekenis voorkomen. De opmerking van de ABRvS in het kader van het vorige bestemmingsplan inzake de ecologische zone (niet inzichtelijk is hoe de ligging van deze zone zich verhoudt tot de doelstellingen van het bufferzonebeleid, nu deze zone tot gevolg heeft dat de agrarische activiteiten dienen te worden beëindigd) geldt volgens reclamant nog steeds. Mocht de gemeente vasthouden aan de ecologische zone op dit perceel, dan wordt verzocht om, net zoals bij de volkstuinen, alleen de sloot als ecologische zone op te nemen. Het plan is in strijd met Wro jo. de Awb omdat het plan niet 4 weken ter inzage heeft gelegen. Figuur 10 is namelijk pas later beschikbaar gekomen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de ABRvS (JB 2003/170, 9 mei 2003) die heeft overwogen dat kaarten een wezenlijk onderdeel van een ontwerpplan vormen. Dat lijkt de reclamant hier ook aan de orde. De exploitatieopzet heeft niet ter inzage gelegen en is alleen aan de provincie verstuurd. Belanghebbenden hebben niet kunnen beoordelen of het plan economisch uitvoerbaar is. Met een beroep op de Wet openbaarheid van Bestuur wordt verzocht de exploitatieopzet toe te sturen aan de reclamant. Vooralsnog stelt de reclamant zich op het standpunt dat de uitvoerbaarheid niet is aangetoond.

a.

b. c.

d.

e.

109 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

a.

b.

c.

d. e.

Antwoord De gemeenteraad wil de mogelijkheid open houden om in de zone tussen de Vrouwenweg en Europaweg een groene recreatieve invulling te geven. Daartoe heeft de gemeenteraad ook de recreatieve bestemming voor dat gebied opgenomen. De gemeenteraad legt zich dus neer bij de beslissing van de provincie om de rode contour tot aan de Europaweg te trekken. Het gebied behoort wel tot de zoeklocaties voor de ontbrekende 5 ha bedrijventerrein. Deze optie is slechts reëel wanneer de rode contour in de toekomst door de provincie wordt verlegd. Een woonbestemming op dit perceel is momenteel niet mogelijk, gelet op de ligging van de rode contour. Ondanks het feit dat er in dit bestemmingsplan aan de zijde van de Europaweg-Vrouwenweg geen bedrijfsbebouwing of woonbebouwing mogelijk wordt gemaakt, krijgt de Europaweg wel degelijk het karakter van stedelijke entree als het bedrijventerrein gerealiseerd is. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.1.4.b. De nu beoogde zone is onvergelijkbaar met de ecologische zone zoals die destijds door de ABRvS is vernietigd. De nieuwe zone dient verschillende doelen (ecologie, waterberging, landschap, cultuurhistorie, recreatieve ontsluiting) en zal als zodanig uitstekend voldoen. Het kruisen met de Europaweg is een relatief gering ecologisch probleem, gezien de hier reeds aanwezig brede duiker onder de Europaweg door. Ter plaatse van het volkstuincomplex zal de zone op enkele locaties versmald worden tot de bestaande sloot, gelet op het overeengekomen inrichtingsplan voor het volkstuincomplex. De inrichting van het gebied tussen Europaweg en Vrouwenweg ligt nog niet vast, zodat de boogde breedte van de ecologische zone van 50 m hier wel kan worden gerealiseerd. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.9.a. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.5.p.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.26. Eyk, van, p.a. Zusterhof 19, 2311 RK Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 765 Samenvatting Reclamant maakt bezwaar tegen de nieuwe woonbebouwing in de groenzone (art 10). Deze ingrijpende wijziging is onzorgvuldig en benadeelt de belangen van reclamant en omwonenden mogelijk drastisch. Dit betreft met name de uitwerkingsregels voor gestapelde woningbouw tot 10 m, waardoor de klemtoon meer op woondoeleinden dan op groenzone komt te liggen. De bouwhoogte van 24 m voor het bedrijvenpark langs de Europaweg is vanuit park Cronesteyn geen gezicht. Het meest noordelijke deel van de bestemming UB (bij de Europaweg) ligt juist niet in de lijn met wat de ABRvS bedoelde voor dit gebied. Antwoord Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.d. Verwezen wordt naar de beantwoording bij 3.1.4.b. De gemeente heeft de belangen met betrekking tot de Oostvlietpolder en zijn omgeving zorgvuldig afgewogen en heeft besloten de belangen van de realisatie van het bedrijvenpark en de stedelijke entree te laten prevaleren boven de belangen van het uitzicht vanaf het Polderpark richting bedrijvenpark (verwezen wordt naar de zienswijze 2.1.e.4). Voor de relatie tot het voorkomen van een zichtlocatie (vanaf de A4) wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. De gemeente neemt aan dat reclamant hiermee de bouwhoogte van het betreffende gebied bedoeld. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3 en 2.1.e.4. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m.

a.

b. c.

a. b.

c.

110

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. 3.27. La Gro Advocaten, Postbus 155, 2400 AD Alphen aan den Rijn, namens Schie, N.J. van en A.A.P. van Schie-van Santen, Vlietweg 12, 2323 LB Leiden, ingekomen 25 september, boeknummer 772 a. b. c. Samenvatting Op de uitgebreide inspraakreactie van reclamanten is nauwelijks gereageerd. De inspraakreactie maakt ook deel uit van deze zienswijze. De ontsluiting van de bestemming "Uit te werken gebied voor groenzone en woondoeleinden" is niet in het plan geregeld en is onvoldoende onderzocht. Reclamanten wensen dat de agrarische bestemming op het achterste deel van hun perceel en het perceel dat gepacht wordt van de gemeente in stand blijft, zodat de agrarische activiteiten kunnen worden voortgezet. Er vindt geen positieve bestemming van het huidige gebruik plaats, terwijl volgens vaste jurisprudentie dit wel dient te gebeuren, tenzij de verwachting is dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd/zal worden gesaneerd. Reclamanten zullen de bestaande activiteiten niet vrijwillig beëindigen en de gemeente heeft niet aangegeven dat er zal worden gesaneerd. Reclamanten stemmen in met de bestemming Woondoeleinden II die aan het voorste deel van hun perceel is toegekend, doch verzoeken de raad het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen, zodat: - het bestemmingsvlak gelijk loopt met Vlietweg 4, 6 en 8 (naar achter verleggen van het bestemmingsvlak); - een tweede woning op het perceel mogelijk is (zo kan één van de kinderen op het perceel wonen, kan er zolang mogelijk zelfstandig gewoond worden en zullen de agrarische activiteiten worden voortgezet). Onduidelijk is het doel van de bestemde groenzone. De groenzone maakt, in tegenstelling tot de ecologische zone, de bestemming agrarisch bouwland (waaronder het perceel van reclamanten valt) onmogelijk. Er kan volstaan worden met een kleinere zone. De planologische achtergrond van de groenzone is niet duidelijk, aangezien de ecologische zone reeds voldoet aan het beleid in het streekplan omtrent een groene verbinding. De in het vorige bestemmingsplan zo belangrijke groenzone/bufferzone wordt opgeofferd voor woningbouw langs de Vlietwegzone, louter om tot een sluitende exploitatie te komen. Het plan is op dit punt onnavolgbaar. Reclamanten zijn fel gekant tegen de bebouwingshoogte van 24 m achter hun perceel. Er is in het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende aandacht besteed aan de verkeerssituatie c.q. ontsluiting van het bedrijventerrein. Reclamanten hebben weinig vertrouwen in de uitvoerbaarheid van het plan gelet op de verkeerssituatie. Reeds nu is er sprake van een grote verkeersdruk op de Europaweg met als bottleneck de brug bij het Lammenschansplein (A11/N11 is niet meegenomen, evenals de verlenging van de Churchilllaan). Ook de ontsluiting van de bestemming "Uit te werken gebied voor groenzone en woondoeleinden" is niet in het plan geregeld en is onvoldoende onderzocht. De exploitatieopzet heeft niet ter inzage gelegen en is alleen aan de provincie verstuurd. Belanghebbenden hebben niet kunnen beoordelen of het plan economisch uitvoerbaar is. Met een beroep op de Wet openbaarheid van Bestuur wordt verzocht de exploitatieopzet toe te sturen aan de reclamant. Vooralsnog stelt de reclamant zich op het standpunt dat de uitvoerbaarheid niet is aangetoond. Verwezen wordt naar een puntsgewijze opsomming van bedenkingen die reclamant heeft tegen het ontwerpbestemmingsplan (opgenomen in bijlage 2).

d.

e.

f.

g. h.

i.

j.

111 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

a.

b.

c.

d.

e.

f.

Antwoord Er is naar mening van de gemeente wel voldoende op de inspraakreactie van reclamant ingegaan in de notitie Inspraak en overleg. De inspraakreactie is deels individueel behandeld (paragraaf 3.13) en de andere opmerkingen komen bij de thematische behandeling terug. Zo wordt op de procedure en het verzoek om een nieuwe inspraakronde in paragraaf 2.6.2 ingegaan en komen onder paragraaf 2.3.9 de windturbines aan bod, terwijl in paragraaf 2.3.4 het weidevogelreservaat centraal staat. Momenteel is nog niet duidelijk waar de ontsluiting van de toekomstige woningen gesitueerd zal zijn. Derhalve zal de mogelijkheid voor de aanleg van ontsluitingswegen uit de bestemming W2 worden verwijderd. Of en zo ja, waar de ontsluiting via de Vlietweg zal plaatsvinden, zal bij de uitwerkingsplannen nader bekeken worden. Mocht de ontsluiting via de Vlietweg plaatsvinden, dan zal dit via een partiële herziening van het bestemmingsplan gerealiseerd worden. In dit kader zullen aan reclamant te zijner tijd inspraakmogelijkheden geboden worden. Overigens wordt de ontsluiting van de woningen in het UGW en wijzigingsgebied mogelijk gemaakt in de bestemmingen UGW en G. De gemeente is momenteel in overleg met reclamant over de wensen van reclamant en het voorgenomen beleid van de gemeente over het betreffende gebied. Het is duidelijk dat realisering van de bestemmingen G en UGW alleen veilig gesteld kan worden bij aankoop van de betreffende gronden. In de exploitatieberekening is hiermee rekening gehouden. De gemeente is voornemens de bestemming G en UGW te realiseren en zal daartoe de benodigde stappen richting reclamant ondernemen. Deze stappen zijn reeds in gang gezet door het eerdergenoemde overleg. Het verzoek van reclamant om het bestemmingsvlak W2 te vergroten leidt er niet toe dat een extra woning mogelijk wordt, aangezien krachtens de voorschriften het aantal woningen niet mag worden vermeerderd zoals aanwezig op het moment van het in ontwerp terinzageleggen van het bestemmingsplan. Wel is de gemeente bereid medewerking te verlenen aan het bouwen van een woning door reclamant in het UGWgebied waar het UGW-gebied en het de grondeigendom van reclamant samenvallen. Het doel van de groenzone is het creëren van een overgangszone tussen het bedrijvenpark en de woonbebouwing langs de Vlietweg, aangezien het bedrijvenpark een groene inpassing behoeft, het karakter van de Vlietweg behouden dient te blijven en de Vlietweg(zone) een groene verbinding tussen Vlietland en Cronesteyn moet vormen. Een agrarische bestemming waarborgt deze beoogde functies niet voldoende. Het ontwerpbestemmingsplan maakt het mogelijk, dat de overheid het initiatief neemt om tot een passende inrichting van deze zone te komen. De ecologische verbindingszone kan de functies van de Vlietweg(zone) niet overnemen (bijvoorbeeld de functie van cultuurhistorisch en landschappelijk interessante fietsroute); de zones hebben verschillende functies en vullen elkaar aan. Zoals reclamant reeds onder punt e aangeeft (en in de beantwoording wordt bevestigd), heeft de groenzone langs de Vlietweg niet zozeer een ecologische functie, maar eerder een functie als overgangszone tussen bedrijvenpark en Vlietwegbebouwing. Uit de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Oostvlietpolder (vastgesteld 27 april 1999) blijkt ook dat de situering van de ecologische zone langs de Vlietweg niet goed onderbouwd is. In het ontwerpbestemmingsplan is de situering van de ecologische zone langs de centrale wetering wel beargumenteerd. Een ecologische zone langs de Vlietweg stuit op vele praktische bezwaren en zal ecologisch slechter functioneren dan de beoogde zone, juist omdat de laatste langs de centrale wetering ligt, waardoor de functie van "verbinding" daadwerkelijk waar kan worden gemaakt. Ook de kruising van de Europaweg is bij de gekozen oplossing veel eenvoudiger dan bij een verbindingszone ten zuiden van de Vlietweg. De voorgenomen woningbouw in de Vlietwegzone past binnen de stedenbouwkundige analyse van de Vlietwegzone, is noodzakelijk voor de economische uitvoerbaarheid van het plan en tast de werking van de nog aanwezige groenzone niet aan.

112

g.

h. i. j.

De gemeenteraad wil de functie van de Europaweg als stedelijke entree vormgeven door hogere bebouwing. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.24.c. De afstand tussen het woonperceel en het bedrijvenpark betreft hier 150 m. Overigens zal de maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Voor de verkeersproblematiek wordt verwezen naar 3.1.5, 3.2.3 en 3.20. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.5.p. Voor beantwoording wordt verwezen naar bijlage 1.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De maximale bebouwingshoogte langs de Europaweg direct aansluitend op de groenzone en de ecologische zone worden aangepast naar 12 m. Daarnaast wordt in de voorschriften de mogelijkheid voor de aanleg van ontsluitingswegen uit de bestemming W2 verwijderd. Een aantal zinnen waar spelfouten in staan zullen worden aangepast. De passage 6.5.4. "wegverkeerslawaai" zal nader worden bekeken op tegenstrijdigheden. De begrenzing van de groenzone direct achter Vlietweg 2 zal worden aangepast op de plankaart. De toelichting met betrekking tot de bodemkwaliteit zal worden aangepast. 3.28. Houthoff Buruma, postbus 1507, 3000 BM Rotterdam, namens BZH BV, Rotterdam, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 774 Samenvatting Reclamant verzet zich tegen het voornemen van de gemeenteraad om in de Oostvlietpolder geen baggerspeciedepot planologisch in te passen. Het planologisch inpassen van een baggerspeciedepot in de Oostvlietpolder dient in het bestemmingsplan te geschieden, conform de afspraken die in het verleden door de verschillende partijen zijn gemaakt. Reclamant verzet zich derhalve tegen de bestemmingen Natuurgebied, Groenzone, Ecologische verbindingszone, Recreatie, Volkstuinen, Uit te werken bedrijvenpark en Agrarisch gebied met Landschappelijke en Natuurwaarden. Meer in het algemeen verzet reclamant zich tegen de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen voorzover deze de realisatie van een baggerspeciedepot, als omschreven in het ontwerpbestemmingsplan Oostvlietpolder 1998, in de weg staan. a. In het streekplan is geen baggerstortlocatie in de Oostvlietpolder meer opgenomen. Reclamant is van mening toegedaan dat het standpunt van de provincie hierover onjuist is (er zou meer kunnen worden gestort in de baggerstortlocatie de Slufter te Rotterdam, maar GS heeft 18 maart 2003 expliciet aangegeven dat een waarborg ter zake van de stort van 3 miljoen kubieke meter baggerspecie in de Slufter niet wordt afgegeven). Bovendien ontbreekt diepgaande onderbouwing met stukken en/of nader onderzoek. Gelet op het bepaalde in artikel 3.2 Awb had dit wel moeten gebeuren. Nu geen rechtsmiddelen hebben opengestaan tegen de overweging in het streekplan, zal de gemeenteraad een eigen gemotiveerd oordeel moeten vellen over de noodzaak van het planologisch inpassen van een baggerspeciedepot in de Oostvlietpolder. b. De Slufter is geen alternatief voor een baggerspeciedepot in de Oostvlietpolder, aangezien de Slufter slechts tot 2005 een vigerende milieuvergunning heeft, deze vergunning alleen voorziet in specie klasse 2 en 3 (en niet 4, zoals vergund is in de Oostvlietpolder) en dat alleen uit wordt gegaan van specie uit ZuidHolland en niet, zoals vergund is in de Oostvlietpolder, ook Noord-Holland. c. Gelet op art. 10 WRO dient de gemeenteraad een eigen afweging te maken en kan niet worden volstaan met de summiere overweging in het streekplan. d. Daarnaast zijn er geen bezwaren meer tegen de realisatie van een baggerspeciedepot in de Oostvlietpolder. Op grond van onderstaande stukken kan door de gemeenteraad geen ander besluit worden genomen dan het planologisch inpassen van een baggerspeciedepot in de Oostvlietpolder: MER, onherroepelijke milieuvergunning, uitspraak ABRvS waarin de beroepen tegen de milieuvergunning ongegrond zijn verklaard, ontwerpbestemmingsplan Oostvlietpolder 1998 en Structuurvisie Oostvlietpolder 1998.

113 Nr. Dnst. e. f. : 03.0178 : BOWO

g.

Ook op grond van het vertrouwensbeginsel, gelet op wat er in het verleden is gebeurd, kan de gemeenteraad niet tot een ander besluit komen. De argumenten genoemd in de Notitie Inspraak en Overleg tegen het opnemen van een baggerstortlocatie zijn niet valide: - Reclamant ziet niet in waarom er onvoldoende ruimte zou zijn: in het bestemmingsplan Oostvlietpolder 1998 was ook een ruimtelijke reservering voor een baggerspeciedepot opgenomen die recht deed aan de in het destijds vigerende streekplan vereiste samenhang tussen het te ontwikkelingen bedrijventerrein, de reservering voor de baggerstortlocatie en het tot stand brengen van een groene verbinding tussen Vlietland en polderpark Cronesteyn. - Vereiste natuurcompensatie: er wordt niet aangegeven waarom nu juist op de locatie van het in het vorige bestemmingsplan aangegeven baggerstortlocatie natuurcompensatie dient plaats te vinden. Reclamant vraagt zich af op welke wijze de gemeente hier onderzoek naar heeft gedaan. Bovendien wordt de natuurcompensatie na beëindiging van de exploitatie van het baggerspeciedepot met een dubbelbestemming natuurcompensatie verzekerd. - Hogere prioriteit aan andere functies: alle functies waren ook in het vorige bestemmingsplan inpasbaar. - Geen alternatief voor bedrijfsterrein, wel voor baggerstortlocatie: er staat niet onomstotelijk vast dat er een alternatief voor de baggerstortlocatie is (zoals reeds eerder is aangegeven). Bovendien waren beide functies in het vorige bestemmingsplan ook verenigbaar. Reclamant verzet zich tegen de bestemmingen Uit te werken bedrijvenpark, Natuurgebied, Agrarische doeleinden met landschappelijke en natuurwaarden, Recreatie Volkstuinen, Groenzone en Nutsbedrijven voorzover deze zijn gelegen in het gebied waarin het baggerspeciedepot in het ontwerpbestemmingsplan van december 1998 was geprojecteerd. Ook verzet reclamant zich tegen de grens van het archeologisch zoekgebied. Niet duidelijk is waarom dit gebied (onder meer) gelegen is in het gebied van het baggerspeciedepot. Antwoord Het eigen gemotiveerde oordeel van de gemeenteraad is neergelegd in dit ontwerpbestemmingsplan. De gemeenteraad acht het belang van realisering van een bedrijventerrein van deze omvang op deze locatie groter dan het belang van een baggerstortlocatie op deze plek. Op nut en noodzaak van de ontwikkeling van deze locatie tot (onder meer) een bedrijventerrein wordt uitgebreid ingegaan bij 3.1.2 en 3.2.2. De gemeente weet zich bij deze afweging gesteund door de provincie c.q. het streekplan Het zoeken naar en afwegen van mogelijke baggerstortlocaties is een regionale problematiek, die de reikwijdte van het bestemmingsplan te boven gaat. Verwezen wordt naar punt a. Geen van genoemde rapporten of plannen verplicht de gemeenteraad tot het opnemen van een baggerstortlocatie in dit ontwerpbestemmingsplan. Verwezen wordt naar punt d. De gemeenteraad houdt vast aan de argumenten, die gehanteerd zijn in de notitie Inspraak en Overleg. Overigens was er geen sprake van "reservering" voor een baggerstortlocatie in "het bestemmingsplan 1998" waaraan gerefereerd wordt (zie uitspraak ABRvS d.d 28 augustus 2001), was de ruimte die het plan liet voor mogelijke realisering van een baggerstortlocatie niet in overeenstemming met het MER en heeft het genoemde bestemmingsplan nooit rechtskracht gekregen. Zie a t/m f.

a.

b. c. d. e. f.

g.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

114

3.29. Haarsma, Hofbrouckerlaan 60, 2342 HZ Oegstgeest, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 780 Samenvatting Het uitgevoerde onderzoek naar de verspreiding van vleermuizen en de ecologische functie van het gebied voor deze soorten en andere zoogdieren heeft de verspreiding van genoemde soorten en de ecologische functie van het gebied onvoldoende in beeld gebracht: - Het onderzoeksbureau dat de natuurwaarden in het gebied heeft onderzocht is slechts 2 avonden op pad geweest. Voor een goed inzicht in de betekenis van een gebied voor vleermuizen zijn minimaal veldbezoeken in de voorzomer, zomer en nazomer noodzakelijk, waarbij volgend vleermuisonderzoekers uitgegaan dient te worden van minimaal 3 veldbezoeken per periode. Het aantal waarnemingen beperkt zich tot een aantal waarnemingen boven het volkstuinencomplex. Overige waarnemingen zijn afkomstig uit regionale inventarisatiegegevens. - De geografische begrenzing van het onderzoek is te beperkt. Ook aan de randen van het plangebied kunnen effecten optreden. Deze randen, en dan met name de Vliet, is onvoldoende onderzocht. - Doordat niet in alle relevante perioden veldbezoeken zijn gedaan, is de functie van het gebied als kolonieverblijfplaats paarplaats en foerageerplaats niet onderzocht. Juist verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen (waaronder paarplaatsen) van vleermuizen zijn beschermd onder de Flora- en faunawet. De gehele kuststrook van Zuid-Holland (met name de waterwegen) zijn van essentieel belang voor trekkende vleermuissoorten zoals de ruige dwergmuis en de meervleermuis. Uit de eerste resultaten van het onderzoek van reclamant blijkt dat het aantal dieren dat in het najaar van de Vliet gebruik maakt fors toeneemt. Dit komt door de ligging op de trekroute tussen de zomergebieden in het groene hart naar de winterverblijven aan de kust van Zuid-Holland. Langs de Vliet liggen dus voortplantingsplaatsen van deze vleermuissoorten en dat wordt in het onderzoek niet vermeld. - Het onderzoek met waarnemingen met de batdetector geeft geen inzicht in verblijfplaatsen van vleermuizen. Ook is het mogelijk c.q. waarschijnlijk dat zich in het plangebied mannelijke meervleermuizen c.q. gewone dwergmuizen bevinden. Deze soort verblijft veelal in woonhuizen en andere gebouwen. - De eerste ruwe tekst die het onderzoeksbureau heeft geschreven voor de rapportage van de verspreiding van vleermuizen en andere zoogdieren doet twijfelen aan de deskundigheid van de opstellers van het rapport. De gevolgen van de veranderingen in het plangebied voor de vleermuizen en in het bijzonder de meervleermuis zijn sterk onderschat c.q. niet genoemd: - Zoals in het bestemmingsplan wordt genoemd, mijden vleermuizen (kunst)licht. Dat geldt echter ook voor de meervleermuis. Uitbreiding van het aantal huizen in de buurt van de Vliet heeft dus onherroepelijk een nadelig effect op de meervleermuis. - De aanwezige voortplantingsplaatsen langs de Vliet zullen verstoord worden door de uitbreiding van woningbouw aan de Vliet (noordelijk deel met beperkte intensivering en uitwerkingsplicht). - De sloop van de hoge loods langs de Vlietweg (mogelijke verblijfplaats) mag niet plaatsvinden voordat gekeken is naar vleermuizen. - In het bestemmingsplan wordt aangegeven dat de ecologische zone een potentiële uitbreiding is van de foerageer- en trekmogelijkheden van kleine zoogdieren, waaronder de meervleermuis. Dit is pertinent niet juist: meervleermuizen hebben een voorkeur voor groot open water en kleine waterwegen zullen zij alleen bij hoge uitzondering gebruiken. De ecologische zone kan dus niet als compenserende maatregel worden opgevoerd. - In het bestemmingsplan is per gebiedstype aangegeven welke natuurwaarden zullen verdwijnen, waarbij zoogdieren ten onrechte niet worden genoemd. Ook heeft het plangebied wel degelijk een belangrijke betekenis voor vleermuizen en betekent de belangrijke functie van de Vliet als migratie en foerageerroute, dat meer rekening moet gehouden worden met vleermuizen dan in het huidige plan is gedaan.

a.

b.

115 Nr. Dnst. c. : 03.0178 : BOWO

Het bestemmingsplan is in strijd met de Flora- en faunawet en de Habitatrichtlijn. Reclamant verzoekt derhalve het bestemmingsplan op een dusdanige manier aan te passen dat rekening wordt gehouden met vleermuizen: - In de bijlage van het bestemmingsplan is de meervleermuis ten onrechte niet in het overzicht van de in het plangebiedaanwezige diersoorten genoemd. - Het bestemmingsplan leidt tot verstoring en verontrusting of vernietiging van foerageergebied, verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Dit is verboden onder de Flora- en faunawet. - De noodzakelijke ontheffing voor de bebouwing van de omgeving van de Vliet zal niet worden verleend, omdat de gunstige staat van instandhouding van de meervleermuis wordt aangetast. Voor deze bebouwing zijn binnen het plan alternatieven mogelijk en de bebouwing zelf dient geen groot maatschappelijk belang. Bovendien is het voorkomen van de meervleermuis in het plan onvoldoende onderzocht. - De Vliet vormt een essentiële schakel tussen twee speciale beschermingszones (Nieuwkoopsche plassen en de Haeck en Meijendel en Berkeide). Aantasting van de functie van de Vliet als voortplantingsgebied leidt direct tot effecten op de populatie in de aangemelde Habitatrichtlijngebieden. Hierdoor is de externe werking van de Habitatrichtlijn van toepassing: ook activiteiten buiten de beschermde gebieden die effecten hebben op de populatie in de gebieden zijn niet toegestaan. - Volgens reclamant kunnen negatieve effecten op onder andere vleermuispopulaties grotendeels voorkomen worden door een groene zone langs de Vliet te reserveren in plaats van de nu geplande ecologische verbindingszone. Antwoord Het vleermuisonderzoek heeft zich in belangrijke mate geconcentreerd op gebiedsdelen waar zowel sprake is van ruimtelijke ingrepen als van mogelijke voortplantingsplaatsen en vaste rust-, verblijfsplaatsen. Concreet betekent dit dat vooral het volkstuincomplex is onderzocht, voorzover dat zal gaan verdwijnen. Ook de hoge loods langs de Vliet is daarbij globaal onderzocht. In het bestemmingsplan zal de woonbestemming ter plaatse slechts middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt, waarbij in de voorschriften wordt aangegeven dat alvorens hiervan gebruik kan worden gemaakt, nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is. De betekenis van de Oostvlietpolder als foerageergebied is niet uitputtend onderzocht aangezien deze betekenis met name in het westelijk deel behouden blijft of zelfs versterkt wordt. Bovendien is het verstoren van foerageergebieden (bijvoorbeeld tijdens de bouwwerkzaamheden) niet ontheffingsplichtig op grond van de Flora- en faunawet. In de conceptrapportage is inderdaad een fout geslopen (kraamkolonies van ruige dwergvleermuis) die vervolgens hersteld is. De nieuw te bouwen huizen zullen qua lichthinder een verwaarloosbaar effect hebben op de omgeving en zeker niet op de Vliet die van de nieuwe huizen wordt afgeschermd door bestaande bebouwing en groen. Ook de veronderstelde verstoring van de bestaande voortplantingsplaatsen langs de Vliet wordt overschat. Met uitzondering van de te slopen loods zijn er geen ingrepen direct aan de Vliet gepland. Voor de uiteindelijke vormgeving van deze locatie bestaat echter nog geen concreet plan. De sloopvergunning zal derhalve ook niet voor de zomer van 2004 worden aangevraagd zodat de mogelijkheid bestaat aanvullend onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van vleermuizen . Meervleermuizen zullen zeker gebruikmaken van de ecologische verbindingszone door het plangebied, aangezien ze een voorkeur hebben voor watergangen vanaf 10 m breed met een dichte oevervegetatie (Bron: Limpens (1997) Atlas van de Nederlandse vleermuizen). Ook watergangen smaller dan 2,5 m worden nog gebruikt (Bron: Kapteyn (1995) Vleermuizen in het landschap). Overigens is de ecologische zone niet als compensatiemaatregel bedoeld zoals ook nadrukkelijk wordt vermeldt in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan.

a.

b.

116

c.

Zoals aangegeven wordt de functie van de Vliet als migratie- en foerageerroute voor vleermuizen niet beïnvloed. Het plan is "vleermuistechnisch" wellicht te optimaliseren door speciale voorzieningen aan nieuwe gebouwen, met name nabij de groen- en waterstructuur van het gebied. Dit is echter geen onderwerp dat in een bestemmingsplan geregeld kan worden. De foerageerfunctie van het gebied voor de meervleermuis wordt niet aangetast; het westelijk deel van het plangebied blijft ongewijzigd of wordt ecologisch versterkt, in het oostelijk deel zullen binnen het bedrijventerrein brede watergangen met oevervegetatie worden gerealiseerd met het oog op de vereiste waterberging (meervleermuizen foerageren ook binnen stedelijke gebieden (Bron: Kapteyn (1995) Vleermuizen in het landschap)). - Het vernietigen van foerageergebied, verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is niet aantoonbaar. Het verstoren van foerageergebied is niet ontheffingsplichtig op grond van de Flora- en faunawet. - De gunstige staat van instandhouding van de meervleermuis komt op geen enkele wijze in gevaar. Nadere aandacht zal nog besteed worden aan de te slopen loods. - Aangezien er geen effect is op het functioneren van de Vliet als voortplantingsgebied zijn er ook geen gevolgen voor de genoemde Habitatrichtlijngebieden. - Een groene zone langs de Vliet zal voor de meervleermuis weinig kwaliteiten toevoegen vanwege de onmogelijkheid/onwenselijkheid om hier veel open water te creëren. Zoals hiervoor al aangegeven zal de centrale ecologische verbindingszone wèl betekenis krijgen voor (meer)vleermuizen.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In het bestemmingsplan zal de woonbestemming ter plaatse van Vlietweg 1a slechts middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt. In de voorschriften wordt tevens aangegeven dat alvorens van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, nader ecologisch onderzoek noodzakelijk is. 3.30. Stichting Leidse Studentenhuisvesting, Postbus 11275, 2301 Leiden, ingekomen 22 september 2003, boeknummer 20883 Samenvatting Reclamant verzoekt de gemeente het benodigde extra bebouwingsoppervlak (circa 30% van het bestaande oppervlak) op te nemen voor de uitbreiding van de studentenhuisvesting aan de Vrouwenweg 1. In het ontwerpbestemmingsplan wordt dit niet mogelijk gemaakt. Zelfs de oppervlakte van de inmiddels gesloopte bijgebouwen ten behoeve van de realisatie van de uitbreiding wordt niet meer genoemd. De gemeente geeft alleen als argument dat uitbreiding in de nabijheid van de A4 niet gewenst is. Reclamant is van mening dat woningbouw in de nabijheid van de autosnelweg geen belemmering in enige technische zin hoeft te betekenen. Antwoord Door de nabijheid van de A4 is uitbreiding van de studentenhuisvesting ter plaatse niet gewenst, vanwege verwachte overschrijdingen van grenswaarden ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit. Daarnaast is de locatie buiten de in het vigerende streekplan aangegeven rode contour gelegen, waardoor een verdergaande verstedelijking ter plaatse niet mogelijk is. Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

117 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

3.31. Hoogendoorn, E. & J., Vrouwenweg 46, 2322 LM Leiden, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 20935 Proces a. Samenvatting Van de visie van het college van Leiden (bewoners denken mee over hun buurt en zouden in dat kader in een vroeg stadium bij de planvorming worden betrokken) hebben reclamanten bij het bestemmingsplan Oostvlietpolder weinig gemerkt. Alleen de officiële procedure is op minimale wijze gevoerd. Gelet op de toekomst zal de Europaweg zijn functie als belangrijke toegangsweg verliezen, waardoor deze niet meer te kenschetsen is als stedelijke entree. De inrichting van de omgeving zal derhalve ook andere uitgangspunten kennen. Daarnaast doet een bebouwing van 24 m ter plaatse ernstige inbreuk op de bewust gekozen woonkwaliteit aan de Vrouwenweg. De gevolgen voor de bewoners moeten eerst in beeld worden gebracht. Er moet duidelijk worden vastgesteld wat onder recreatie in het gebied tussen de Vrouwenweg en de Europaweg wordt verstaan. Reclamanten vinden dat dit beperkt dient te blijven tot natuurrecreatie zonder bebouwing. Door de ligging van de rode contour is hier ook geen bebouwing toegestaan. Reclamanten maken nergens uit op dat er een oriëntatie is geweest op bijvoorbeeld kosten en gevolgen van diverse alternatieve mogelijkheden. Voordat verder wordt besloten dient in ieder geval voor een aantal alternatieven diverse aspecten zoals kosten, milieueffecten en het effect voor omwonenden te worden beoordeeld. Zolang de verkeersafwikkeling niet voldoende is geregeld zal naar mening van reclamanten nog geen bouwactiviteiten in planning mogen worden gezet. De oplossing voor de verkeersafwikkeling zal nog geruime tijd duren gelet op de beperkte inzet van overheidsfinanciën. Hiermee is voldoende tijd verkregen om eerst een structurele en adequate zuidroute te ontwikkelen. Het ontwikkelen van het bestemmingsplan zal derhalve op een laag pitje moeten worden gezet. Antwoord De gemeente heeft overleg gevoerd met de volkstuinverenigingen, met de bewoners van de Vrouwenweg, met de bewoners van de Vlietweg en met verschillende grondeigenaren in het plangebied. De mogelijk nieuw aan te leggen infrastructuur zal met name de regionale functie van de Europaweg overnemen verkeer. De Europaweg zal te allen tijd de functie als stedelijke invalsweg richting Lammenschansweg c.q. het centrum behouden. Het uitzicht voor de bewoners langs de Vrouwenweg zal inderdaad veranderen ten opzichte van de huidige situatie, maar dat is inherent aan stadsuitbreidingen. De gemeente heeft zorgvuldig belangen afgewogen en houdt vast aan de inrichting zoals deze in het ontwerpbestemmingsplan verwoord is. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.24.c. De afstand tussen woonperceel van reclamant en bedrijvenpark bedraagt ruim 150 m. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.7. Zoals reeds eerder in deze notitie is aangegeven (verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1 en 3.1.2.c) is de Oostvlietpolder de enige locatie in de gemeente Leiden (en de regio) waar een bedrijvenpark kan worden gesitueerd. Ten aanzien van de inrichting van het gebied is gekozen uit verschillende inrichtingsmodellen. De effecten op milieu, natuur en landschap hebben een belangrijke rol bij deze keuze gespeeld. Ook met de omwonenden is rekening gehouden door de milieuzonering van het bedrijvenpark af te stemmen op gevoelige functies in de omgeving. Het kostenaspect is in de eerste afweging omtrent de inrichtingsmodellen niet betrokken.

b. c. d. e.

f.

a. b. c.

d. e.

118

f.

Een goede rangschikking van de verschillende functies in het gebied staat voorop. Als een hoofdkeuze is gemaakt, kan een planeconomische toets worden uitgevoerd, die tot bijstelling of verfijning kan leiden. Ook bij de opstelling van het plan voor de Oostvlietpolder wordt deze werkwijze gevolgd. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.2.3.f.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De recreatieve bestemming van de zone Vrouwenweg-Europaweg zal nader worden omschreven. 3.32. De Milliano Advocaten, postbus 144, 2220 AC Katwijk, namens fam. Laken, Vlietweg 66, Leiden, ingekomen 23 september 2003 a. Samenvatting Bebouwing is zo dicht bij de percelen van reclamanten gepland, dat er sprake is van een ernstige aantasting van c.q. inbreuk op de leefomgeving. Dit wordt versterkt doordat het gebied dat vrijwel direct grenst aan de percelen van reclamanten, is bestemd voor een groenzone en woonbebouwing, waarbij zelfs gestapelde bebouwing mogelijk wordt gemaakt. Bij uitbreiding van het aantal woningen zal de overlast ter plaatse (extra verkeer, extra lawaai) aanzienlijk zijn en tot een onacceptabel niveau toenemen. Die overlast zal van een nog grotere omvang zijn indien gestapelde bebouwing wordt gerealiseerd. De bebouwingsgrens van het bedrijvenpark is pal tegen de percelen van reclamanten gesitueerd. Dit geeft een onaanvaardbare beperking aan het recreatiepark Vlietpark, waar mensen komen voor rust en natuur. Er dient voorzien te worden in een ruimere strook tussen Vlietpark en de feitelijke bebouwing van het bedrijvenpark, voorzien van bomen en ander groen. Daarnaast dienen de aangrenzende sloten (aan de kant van het bedrijventerrein) een breedte te hebben van 10 m, zoals besproken in de onderhandelingen over de gesloten ruilovereenkomst tussen reclamanten en gemeente. Dit heeft een ruimtelijk effect en is een natuurlijke barrière om vanuit het bedrijvenpark op het perceel van reclamanten te komen. Ook past dit binnen het beleid van het Hoogheemraadschap dat er een wateromvang van 6% dient te zijn ten opzichte van het gehele plan. Dit is des te meer noodzakelijk nu blijkt dat wordt afgeweken van de richtafstanden bij de milieuzonering van het bedrijvenpark. Reclamant maakt bezwaar tegen de afwijking van de richtafstanden (milieuzonering van het bedrijvenpark), waarmee het karakter van het Vlietpark (verblijf gedurende de zomermaanden voor langere perioden om te ontkomen aan het drukke leven van alledag) wordt miskend. Het kan leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de leefomgeving van de bewoners van het Vlietpark. Antwoord De afweging tussen een efficiënt ruimtegebruik en behoud van kwaliteit van bestaande recreatieve voorzieningen heeft geleid tot de op de plankaart aangegeven alleszins redelijke afstanden van mogelijke nieuwbouw tot het Vlietpark. De verkeerstoename is beperkt en zal vooral nabij de aansluiting op de Europaweg optreden. Zie ook de beantwoording van zienswijze 3.20.a. In het uitwerkingsplan zal nader aandacht worden besteed aan de overgang tussen bedrijvenpark en volkstuinen. Dit zal in de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan worden opgenomen. Water en/of groen zullen de ingrediënten zijn van de hierboven genoemde overgang. Er zal een watergang tussen de volkstuinen en het bedrijvenpark worden gerealiseerd. Bovendien zullen er minimumafstanden tussen de bedrijfsbebouwing en de volkstuinen worden aangegeven in de voorschriften (uitwerkingsregels).

b. c.

d.

e.

a.

b. c. d.

119 Nr. Dnst. e. : 03.0178 : BOWO

In het bestemmingsplan wordt naar mening van de gemeenteraad voldoende onderbouwd waarom af wordt geweken van de in de VNG-uitgave aangegeven richtafstanden: het betreft immers geen zonering ten opzichte van een rustige woonwijk maar een zonering ten opzichte van een volkstuinencomplex, waar slechts voor een beperkt deel van het jaar incidenteel overnachtingen plaatsvinden.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In het bestemmingsplan zullen uitwerkingsregels voor de overgang tussen bedrijvenpark en volkstuinen worden opgenomen. 3.33. Rijnland BV, postbus 3050, 2800 CD Gouda, namens Grond- en Zand exploitatiemaatschappij Rijnland BV en Boskalis BV, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 762 Samenvatting Het bezwaar van reclamant richt zich tegen het feit dat de reservering voor de baggerstort niet in het bestemmingsplan is opgenomen. Volgens reclamant is dit niet goed onderbouwd en in strijd met een aantal beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het consistentiebeginsel. De gemeente heeft het achterwege laten van de reservering voor de baggerstort gebaseerd op het feit dat deze reservering ontbreekt in het streekplan Zuid-Holland West. In het bestemmingsplan is opgenomen dat gemeente en provincie er de voorkeur aan geven om de vestiging van het baggerdepot niet mogelijk te maken en dat daarover nog overleg gaande is met het Hoogheemraadschap van Rijnland. De provincie heeft het achterwege laten van deze reservering naar het oordeel van reclamant ten onrechte gebaseerd op de aanname dat de baggerspecie zou kunnen worden gedeponeerd in de Slufter te Rotterdam. Gedeputeerde Staten zouden, in het kader van de beantwoording van vragen van een statenlid, impliciet te kennen hebben gegeven dat hun motivering voor het laten vervallen van de reservering van het baggerdepot niet voldoende draagkrachtig is. Deze beantwoording houdt in dat de overeenkomst met de Slufter niet specifiek is gesloten voor de BZH of het Hoogheemraadschap van Rijnland, maar dat de provincie heeft geregeld dat de waterbeheerders binnen de provincie Zuid-Holland desgewenst hun verontreinigde bagger kwijt kunnen in de Slufter. De provincie maakt dit mogelijk, maar er is geen waarborg afgegeven en er zouden zich altijd nog veranderingen kunnen voordoen. Tegen dit onderdeel van het streekplan heeft geen beroep open gestaan, omdat het geen concrete beleidsbeslissing was. Het weglaten de reservering door de provincie zal in het kader van het bestemmingsplan Oostvlietpolder wel integraal rechterlijk kunnen worden getoetst en daarmede ook deze onderbouwing van de provincie. De beleidswijziging van de provincie is gebaseerd op de 10-jarige civielrechtelijke overeenkomst van Gedeputeerde Staten met de beheerders van de Slufter. Deze overeenkomst biedt geen waarborg en daarom ontbeert het laten vervallen van het baggerdepot een onderbouwing. Voor wat betreft de urgentie van een baggerstort verwijst reclamant naar pagina 21 van het vorige bestemmingsplan. In die periode is gekozen voor een baggerdepot in het plangebied omdat de Slufter de behoefte van een verzekerde continuïteit kon voldoen. Die waarborg is nu blijkens de antwoorden van Gedeputeerde Staten niet aanwezig. Daarbij vraagt reclamant aandacht voor de overlegreactie van het Hoogheemraadschap van Rijnland op pagina 59 van de notitie Inspraak en Overleg. Daarnaast heeft de gemeente een drietal nieuwe niet op het streekplan gebaseerde overwegingen aangevoerd voor het achterwege laten van de reservering. Het betreft de overweging dat het plangebied onvoldoende ruimte biedt om naast het volkstuinencomplex, het bedrijventerrein, de groene verbindingen en de vereiste natuurcompensatie te voorzien in een baggerstortlocatie.

a.

b.

120

c.

Dit is naar het oordeel van reclamant volstrekt onbegrijpelijk, omdat het huidige bestemmingsplan exact dezelfde elementen bevat als het vorige bestemmingsplan op de reservering voor de baggerstort na. De reden voor het niet positief bestemmen van de baggerstort in het vorige bestemmingsplan is geweest dat alle milieurandvoorwaarden nog niet bekend waren. Inmiddels is dit wel het geval, de milieuvergunning is onherroepelijk geworden. Daarom vindt reclamant het volstrekt onbegrijpelijk dat er volgens het college geen ruimte meer zou zijn voor een baggerstort. Die baggerstort zou ook niet ten koste gaan van natuurcompensatie, want na beëindiging van de stort kan deze worden benut voor natuurcompensatie. Dat heeft het college ook zelf onderkend, blijkens artikel 6 van het vorige bestemmingsplan. Daarbij komt dat niet wordt gerept over een agrarisch planelement nu de gronden van reclamant van een agrarische bestemming zijn voorzien. Ook de afweging dat stedelijke functies de voorkeur verdienen boven baggerstort kan geen stand houden, omdat de realisering van de baggerstort daaraan op termijn niet in de weg zal staan. De zienswijze betreft de planologische argumenten op basis waarvan het college heeft besloten de baggerstort niet in het plan op te nemen. De civielrechtelijke aspecten zijn bewust nog niet aan de orde gesteld. Reclamant behoudt zich terzake alle rechten voor. Antwoord Reclamant richt zich hier tegen het streekplan, dat plan staat hier niet ter discussie. Reclamant doet het voorkomen alsof de oplossing zou zijn om de baggerstortlocatie te realiseren in het gebied met de bestemming Aln en/of N. Gesteld wordt, dat in dit gebied tevens natuurcompensatie kan plaatsvinden, als de baggerstort gereed is. Zolang kan de natuur echter niet wachten. Natuurcompensatie dient bij voorkeur vooraf en zeker niet jaren na de ingreep plaatste vinden. Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

a. b.

c.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard. 3.34. Zuid-Hollandse Milieufederatie, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 784 Samenvatting De milieufederatie betreurt het dat de nu nog open zone Cronesteyn-Oostvlietpolder-Vlietland moet worden doorbroken door een bedrijventerrein en stelt dat omvang en inrichting van het bedrijventerrein rekening moeten houden met recreatieve zones, routes en gebieden. Gepleit wordt voor meer duidelijkheid over de gewenste goede landschappelijke inpassing. De milieufederatie pleit voor combinatie van de ecologische zone met de groene zone langs de Vlietweg. Deze combinatie van recreatie en natuur geeft tevens een volwaardige verbinding van Vlietland naar Cronesteyn. Antwoord In het bestemmingsplan is de gemeente uitgegaan van een inrichting van de Oostvlietpolder waarbij het westelijk deel van het gebied de openheid behoudt. In het bestemmingsplan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de recreatieve functie van het gebied. De landschappelijke inpassing van het bedrijvenpark zal nader vorm krijgen in het beeldkwaliteitsplan dat nog zal worden opgesteld. Tevens dient er nog een uitwerkingsplan voor het bedrijvenpark te worden opgesteld. In hoofdstuk 6 van het ontwerpbestemmingsplan wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing. De gemeente is van mening dat deze beschrijving voldoende duidelijkheid biedt. Overigens zal de groene inpassing van het bedrijvenpark naar aanleiding van de zienswijzen nog enigszins worden aangepast. Verwezen wordt naar de conclusie onder zienswijze 2.1.

a.

b. c.

a. b.

121 Nr. Dnst. c. : 03.0178 : BOWO

Zoals uit de uitspraak van de ABRvS over het bestemmingsplan Oostvlietpolder 1998 blijkt, zal de groene zone langs de Vlietweg geen belangrijke functie vervullen als verbindingszone. Derhalve is de gemeente in het ontwerpbestemmingsplan uitgegaan van een andere locatie van de ecologische zone, die deze functie wel zal vervullen. Een combinatie tussen de ecologische zone en de groene zone langs de Vlietweg is niet mogelijk, mede gelet op de andere functies in het gebied die ook ruimte nodig hebben, en biedt in dat kader ook niet veel meerwaarde. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.f.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Voor de groene inpassing van het bedrijvenpark wordt verwezen naar zienswijze 2.1.

122

4. Behandeling zienswijzen overleginstanties
4.1. Gemeente Voorschoten, ingekomen 19 september 2003, boeknummer 568, ingekomen 27 oktober 2003, boeknummer 829

De aanvulling die de gemeente Voorschoten na het aflopen van de termijn heeft ingediend (ingekomen 27 oktober 2003), is identiek aan de eerste (ingekomen 19 september 2003) en zal derhalve in deze notitie zienswijzen worden meegenomen. Samenvatting De gemeente Voorschoten is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan nog belemmeringen bevat voor de regionaal afgesproken alternatieven voor aanleg van de verbinding tussen de A4 en de A44. De gemeente pleit in dit verband voor aanpassing van de voorschriften en de plankaart. a. Wat betreft de voorschriften wordt erop gewezen dat de tekst van de artikelen 4 en 7 aangeeft dat de aangegeven verkeersstructuur alleen betrekking heeft op de interne ontsluiting, dit in tegenstelling tot hetgeen hierover vermeld staat in de beschrijving in hoofdlijnen en de toelichting. b. Voorts verzoekt de gemeente de plankaart zodanig aan te passen, dat geen van de mogelijke alternatieven voor de verbinding A4-A44 wordt belemmerd door bebouwing of uitgifte van bedrijventerrein. a. Antwoord De omschrijvingen op de plankaart en in de voorschriften zullen zodanig worden aangepast, dat het gesignaleerde misverstand wordt voorkomen en dat de terminologie van kaart en voorschriften identiek wordt. Op dit moment zijn er nog geen concrete alternatieven voor de verbinding van de A4-A44 bekend. Bij de inrichting van de Oostvlietpolder is zo veel mogelijk rekening gehouden met een mogelijke toekomstige verbinding: in het westelijk deel van de Oostvlietpolder worden geen bedrijven of andere nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt. Wel zal de grens van het UGW-gebied nog iets worden omgelegd ten behoeve van de mogelijke doortrekking van de Churchilllaan en zal voor de woonbestemming van Vlietweg 1a een wijzigingsplan nodig is.

b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gegrond verklaard. De omschrijvingen op de plankaart en in de voorschriften met betrekking tot de ontsluiting zullen worden aangepast. De grens van het UGW-gebied zal enigszins worden aangepast en de woonbestemming op de Vlietweg 1a zal via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk zijn. 4.2. Hoogheemraadschap van Rijnland, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 635 Samenvatting Het Hoogheemraadschap is van mening, dat de eerder gemaakte opmerkingen inzake waterkwaliteitsaspecten onvoldoende in de toelichting zijn verwerkt. Gepleit wordt voor het bewerkstelligen van één waterpeil in het natuurgebied om daarmee te voorkomen dat er een barrière voor de visfauna ontstaat. De waterkering ter plaatse van de Vlietweg is niet juist aangegeven. Het Hoogheemraadschap merkt terzijde op dat niet akkoord wordt gegaan met het ontbreken van een reservering voor een baggerdepot.

a. b. c. d.

123 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

a.

b. c. d.

Antwoord Uit nader overleg blijkt dat reclamant na verzending van de brief heeft ontdekt dat de opmerkingen wel waren verwerkt. Reclamant ziet daarnaast wel graag in par. 3.3 (beleid regio) Rijnlands Leidraad Planvorming Stedelijk Gebied terugkomen. Aan dit verzoek wordt tegemoetgekomen. Er zal nadrukkelijker op de Leidraad worden ingegaan. Aangezien het waterschap Wilck en Wiericke geen opmerkingen heeft gemaakt ten aanzien van de nieuwe peilgebieden, zal het Hoogheemraadschap met het waterschap moeten overleggen inzake de wensen van een ander peilregime. De plankaart zal na aanlevering van de gewenste wijziging worden aangepast. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.28.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In paragraaf 3.3 (beleid regio) zal in worden gegaan op Rijnlands Leidraad Planvorming Stedelijk Gebied. Daarnaast zal de plankaart ter hoogte van de Vlietweg voor wat betreft de ligging van de waterkering worden aangepast, na aanlevering van de gewenste wijziging. 4.3. Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 777 Samenvatting Rijkswaterstaat acht een mobiliteitsrapportage noodzakelijk, waarin de mobiliteitseffecten van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief in beeld worden gebracht. De rotonde in de Hofvlietweg nabij de aansluiting op de A4, zoals deze in het ontwerptracébesluit is opgenomen, is niet gedimensioneerd op een extra aansluiting voor de Oostvlietpolder. Verkeersgegevens ontbreken om te kunnen beoordelen of de rotonde voldoende ruimte biedt voor het verkeer van de Oostvlietpolder, zo ook bij een verlengde Churchilllaan. Rijkswaterstaat stelt dat de inrichtingsschets niet overeenkomt met de afspraken uit het Landschapsplan, behorende bij het ontwerptracébesluit. Een groene buffer tussen rijksweg en bedrijventerrein ontbreekt en de bedrijven zijn haaks op de rijksweg geprojecteerd, waardoor een zichtlocatie ontstaat. Antwoord Het opstellen van een dergelijke mobiliteitsrapportage is op dit moment niet noodzakelijk en niet zinvol. Niet noodzakelijk, omdat het bestemmingsplan met alle relevante opties voor de verkeersontsluitingsstructuur rekening houdt. Een adequate verkeersontsluiting is dus te allen tijde verzekerd. Niet zinvol, omdat onder leiding van de provincie een studie is gestart naar de meest wenselijke oplossing voor de verbinding A4A44. Deze studie kan niet los worden gezien van de oplossing voor de ontsluiting van de Oostvlietpolder. Daarom wordt voorgesteld om bedoelde mobiliteitsstudie op te stellen in het kader van het uitwerkingsplan voor het UB-gebied. Er zijn dan meer gegevens beschikbaar, zowel over de regionale verkeersstructuur, als over de bedrijvenlocatie zelf. Een dergelijk onderzoek moet tevens uitmonden in ontwerpuitgangspunten voor de verkeersvoorzieningen. In de plantoelichting zal een dergelijk onderzoek worden aangekondigd. In overleg met Rijkswaterstaat zal een goede oplossing zeker gevonden kunnen worden. Het ontwerptracébesluit hield nog geen rekening met de komst van dit bedrijvenpark. Nu op alle overheidsniveaus de komst van dit bedrijventerrein wordt ondersteund, ligt het in de rede, dat in overleg met Rijkswaterstaat een extra aansluiting op de rotonde mogelijk zal worden gemaakt. Er is wel degelijk sprake van een afschermende groenzone tussen de rijksweg en het bedrijventerrein (breedte variërend van 30 tot 70 m zie voorschriften art. 4 lid 2). De gebouwen worden in de kavelrichting gesitueerd om de oorspronkelijk landschapsstructuur te respecteren.

a. b.

c.

a.

b. c.

d.

124

Uitgaande van deze groenzone is het zicht op de bedrijven afwezig of beperkt, onafhankelijk van de situering van deze bedrijven. Overigens zal de geplande groenzone op de kaart en in de voorschriften worden verduidelijkt. Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. In de toelichting zal worden aangegeven dat een mobiliteitsstudie zal worden opgesteld in het kader van het uitwerkingsplan voor het bedrijvenpark. De geplande groenzone tussen A4 en bedrijvenpark zal op de plankaart en in de voorschriften worden verduidelijkt. 4.4. Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, ingekomen 24 september 2003, boeknummer 747 Samenvatting De ROB pleit voor verwerking van de resultaten van het in uitvoering zijnde verkennend archeologisch onderzoek in het vast te stellen bestemmingsplan. De ROB adviseert het streven naar behoud van eventueel aan te treffen archeologische vindplaatsen op te nemen in de van toepassing zijnde paragraaf 4.1.4 van de toelichting (voorkeur voor behoud van vindplaatsen in de bodem boven opgraven van vindplaatsen). Antwoord De gronden waarop archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd, zijn niet in eigendom van de gemeente. Zonder toestemming van de eigenaren kan derhalve nog geen onderzoek worden uitgevoerd. Uit overleg met de eigenaren is gebleken dat de huidige eigenaren geen toestemming voor het archeologisch onderzoek geven. Derhalve kan het onderzoek pas worden uitgevoerd wanneer de gemeente eigenaar van de grond is. Dit heeft tot gevolg dat de resultaten van het archeologisch onderzoek niet in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. Afhankelijk van de locatie van de vindplaats in het plangebied en de functies die hier mogelijk worden gemaakt zal de vindplaats worden behouden dan wel worden opgegraven.

a. b.

a.

b.

Conclusie Deze zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard worden. In paragraaf 4.1.4 zal het volgende worden toegevoegd: Deze vindplaatsen worden afhankelijk van de locatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse, behouden dan wel opgegraven. Hierbij gaat de voorkeur uit naar behoud, tenzij voorgenomen ontwikkelingen dit niet mogelijk maken. 4.5. Gastransport Services, ingekomen 23 september 2003, boeknummer 634

Samenvatting Opgemerkt wordt, dat tekst van artikel 15 zodanig aangepast moet worden, dat de genoemde afstanden van 115 m en 40 m als toetsingsafstand worden aangeduid n niet als bestemmingsgrenzen. Verzocht wordt om de doeleindenomschrijving uit het ontwerpbestemmingsplan van december 1998 te hanteren Antwoord In de voorschriften dient inderdaad niet de toetsingsafstand maar de zakelijke rechtstrook te worden opgenomen. Conclusie Deze zienswijze wordt gegrond verklaard. De doeleindenomschrijving wordt als volgt aangepast: "De gronden binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van de als zodanig op de kaart aangegeven (hoofd)aardgasleidingen en watertransportleidingen, zijn mede bestemd voor leidingen".

125 Nr. Dnst. 4.6. Kamer van Koophandel Rijnland, ingekomen 25 september 2003, boeknummer 785 Samenvatting De Kamer is verheugd met het plan en zegt medewerking toe om een duurzaam bedrijvenpark te realiseren. Gepleit wordt voor onderzoek naar de gewenste organisatie van parkmanagement en een experiment om in samenwerking met de bedrijven inhoud te geven aan duurzaamheidseisen. De Kamer betreurt het dat de ontbrekende 5 ha bedrijvenpark nog niet gevonden is. De Kamer verzoekt het zoekproces voortvarend ter hand te nemen. De Kamer is van mening dat een ontsluiting via de Europaweg niet voldoende is en pleit voor een groeimodel waarbij de ontwikkeling van de locatie gelijke tred houdt met uitbreiding van de infrastructuur (A11/N11 en/of doortrekking Churchilllaan). De Kamer heeft een voorkeur voor vestiging van bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4. Tenslotte vraagt de Kamer zich af of de gemeente Leiden de bereidheid heeft om erfpacht af te schaffen. De Kamer denkt aan het stimuleren van intensief en innovatief ruimtegebruik via een verlaagde grondprijs. Antwoord De gemeente is verheugd dat de Kamer van Koophandel te spreken is over het plan. Het genoemde onderzoek heeft geen betrekking op het bestemmingsplan. Duurzaamheid zal nog nader vorm krijgen in een door de milieudienst op te stellen duurzaamheidsplan. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.23.b. Verwezen wordt naar zienswijze 3.2.3.e. Zoals reclamant zal begrijpen dient bij de milieuzonering rekening te worden gehouden met gevoelige functies in de omgeving, Bij de aangegeven zonering zijn in een zeer groot deel van het bedrijvenpark bedrijven uit de categorieën 3 en 4 toegestaan. Slechts op een zeer klein deel zijn alleen bedrijven uit categorie 2 toelaatbaar. Voor het bestemmingsplan doet dit niet terzake. : 03.0178 : BOWO

a.

b. c.

d. e.

a.

b. c. d.

e.

Conclusie Deze zienswijze wordt ongegrond verklaard.

126

5. Aanpassingen ontwerpbestemmingsplan
De ingediende zienswijzen geven aanleiding tot aanpassingen in de toelichting, op de kaart en in de voorschriften. Deze komen achtereenvolgens in de paragrafen 5.1, 5.2 en 5.3 opgesomd. Daarbij zullen ook enkele aanpassingen worden vermeld, die ambtshalve worden aangebracht. 5.1. Toelichting 5.1.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Meerdere pagina's De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". blz. 17 In de paragraaf "Beleid waterschap en Hoogheemraadschap" zal nadrukkelijker worden ingegaan op Rijnlands Leidraad Planvorming Stedelijk Gebied. blz. 25 Aan de paragraaf Archeologie zal het volgende worden toegevoegd: "Deze vindplaatsen worden, afhankelijk van de locatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse, behouden dan wel opgegraven. Hierbij gaat de voorkeur uit naar behoud, tenzij voorgenomen ontwikkelingen dit niet mogelijk maken." blz. 31-32 De paragraaf "Bodemonderzoek" zal worden uitgebreid met een passage over de verontreiniging ter hoogte van (het pad naar) het gasdrukregel- en meetstation en met een passage over het feit dat de gemeente pas bodemonderzoek kan laten uitvoeren op het moment dat het haar eigendom is of het moment dat de grondeigenaar daar toestemming voor geeft. Blz. 42 De ontsluitingsmogelijkheden voor de nieuwe woningen in de Vlietwegzone worden verduidelijkt. blz. 43/77/78 De bestemming "recreatie" voor de zone Vrouwenweg-Europaweg wordt nader aangeduid (polderparkachtige inrichting, geen volkstuinen, eventueel sportvelden). Dit gebeurt tevens voor de percelen met een recreatiebestemming nabij recreatiepark Vlietland (geen bebouwing). blz. 47/48/55/69 a Er wordt verduidelijkt dat het plan door middel van verbreding Europaweg (inclusief capaciteitsvergroting) en Lammenschansplein voldoende mogelijkheid biedt om het bedrijventerrein goed te ontsluiten oplossing als onverhoopt noch de verlengde Churchilllaan noch de A11/N11 doorgaat; het bestemmingsplan maakt deze oplossing mogelijk, voor het geval, dat nieuwe infrastructuur achterwege blijft en een gefaseerde ontwikkeling in afwachting van nieuwe infrastructuur tot te grote vertraging zou leiden. b Er wordt aangekondigd dat bij het opstellen van het uitwerkingsplan voor het UB-gebied nader mobiliteitsonderzoek zal plaatsvinden ten behoeve van de uitwerking van de infrastructurele voorzieningen. Blz. 56/57 Paragraaf 6.1.4. (verhouding bruto-netto oppervlak) wordt in beperkte mate aangepast naar aanleiding van de tekst in Hoofdstuk 8. blz. 58 (figuur 9) en blz. 59 Aan de zijde van het Aln-gebied wordt een afschermende groenzone opgenomen.

127 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

blz. 60 De groenstrook tussen Aln-gebied en UB-gebied wordt in de tweede alinea vermeld bij het voorkómen van een zichtlocatie. De alinea "Een geleidelijke overgang ter plaatse van de kade" wordt aangepast (titel en inhoud). blz. 70 "Europalaan" wordt vervangen door "Europaweg" in de alinea onder het kopje "Fietsverkeer". blz. 72 De toelichting op de milieuzonering horeca wordt aangepast aan de voorschriften: categorie 2 is toelaatbaar (horecavoorziening Vlietweg). blz. 73/74/75 De toelichting op het akoestisch onderzoek zal in die zin worden aangevuld, dat bij verbreding van de Europaweg (met toepassing van wijzigingsbevoegdheid I) het geluidsniveau ter hoogte van het UGW-gebied en de aanduiding "P" binnen de W2-bestemming zonodig met geluidswerende voorzieningen binnen de normstelling gehouden moet worden. blz. 78 In de laatste alinea van "groenzone" wordt "en den" verwijderd. Onder Woondoeleinden 2 wordt aangegeven dat de schaal van de beoogde sauna/beautyfarm en de praktijkruimte van dien aard moet zijn dat milieuhinder voor de omgeving wordt voorkomen. blz. 81 In hoofdstuk 8 van de toelichting zal een korte samenvatting van de exploitatieopzet worden opgenomen, waaruit de economische uitvoerbaarheid van het plan duidelijk wordt. 5.1.2. Ambtshalve aanpassingen

blz. 51 Een verkeerde voetnoot wordt verwijderd. blz. 68 Een verkeerde paragraafverwijzing wordt aangepast. blz. 72 In de tabel wordt Vlietweg 1 gewijzigd in Vlietweg 2, conform plankaart. blz. 78 In "uit te werken gebied voor Groenzone en Woondoeleinden" wordt in de tweede regel "dor" vervangen door "door". 5.2. Kaart 5.2.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen c d e f Het perceel Vlietweg 1a zal een wijzigingsbevoegdheid naar woningbouw krijgen in plaats van een directe bestemming. Bij Vlietweg 106 wordt een correctie op de plangrens doorgevoerd. Langs de westelijke grens van het UB-gebied zal de bestemming Aln ter breedte van 20 m gewijzigd worden in de bestemming Groenvoorzieningen. De groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg wordt duidelijker op de kaart aangegeven door middel van twee lijnen (één op 30 m en één op 70 m uit de gereconstrueerde Hofvlietweg), die de minimale en de maximale diepte van de groene afscherming aangeven.

128

g h i j k l m n o p q

Een perceel aan de westzijde van het plangebied, dat bij het recreatiegebied Vlietland gevoegd zal worden, krijgt een recreatieve bestemming (in plaats van Aln-bestemming) met de aanduiding z (zonder bebouwing). De strook nabij Vlietland, die in het ontwerpbestemmingsplan reeds een recreatieve bestemming had, krijgt de nadere aanduiding z (zonder bebouwing). De aanduiding "P" in de bestemming W2 zal worden verplaatst naar het juiste perceel. De maximale bouwhoogte van 12 m langs de groenzone en ter weerszijden van de ecologische zone wordt doorgetrokken tot aan de Europaweg. De westelijke begrenzing van het UGW-gebied zal worden aangepast om meer ruimte te bieden voor een mogelijke doortrekking van de Churchilllaan. De situering van de bestemming "waterkering" ter hoogte van de Vlietweg zal worden aangepast. De bestemming "Verkeersdoeleinden" nabij de brug over de Vliet zal worden gecorrigeerd; ten onrechte is daar de bestemming "Groenzone" gelegd. Bij perceel Vlietweg 3 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van tuinhuis; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 8 van de voorschriften. Bij perceel Vlietweg 82 wordt een aanduiding opgenomen ter plaatse van de arbeiderswoning; deze aanduiding wordt verklaard in artikel 14 van de voorschriften. De aanduidingen "verkeersontsluiting" vervallen met uitzondering van de meest westelijke aanduiding bij de Hofvlietweg. De aanduiding "verkeersontsluiting" bij de Europaweg wordt vervangen door de aanduiding "verkeersstructuur", die parallel aan de ecologische zone wordt voortgezet tot de haaks daarop staande aanduiding verkeersstructuur

Ambtshalve aanpassingen 5.2.2. r De bestemming "Groenvoorzieningen" aan de oostzijde van de Europaweg nabij de brug over de Vliet wordt gewijzigd in de bestemming "Verkeersdoeleinden". s Bij de Aanduidingen wordt bij milieucategorie "3.4" vervangen door "3.1" of "3.2". t Categorie 4.2 in de UB-bestemming wordt op een afstand van 50 m van categorie 4.1 aangegeven, ook tussen de volkstuinen en de A4 in. 5.3. Voorschriften 5.3.1. Aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen Artikel 1 De begripsomschrijving "horeca" wordt toegevoegd: "een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten: u het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken; v het exploiteren van zaalaccommodatie; w het verstrekken van nachtverblijf." Artikel 3 lid 2 Aan de beschrijving in hoofdlijnen zal een paragraaf "recreatie/volkstuinen" worden toegevoegd, waarin onder meer op de ontsluiting van het volkstuincomplex zal worden ingegaan. De naam "Vlietlanden" (recreatiepark) wordt gewijzigd in "Vlietland". Artikel 4 lid 1 x Tweede gedachtestreepje wordt: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien". y Gedachtestreepje invoegen: "op ten hoogste 150 m ter weerszijden van de aanduiding "verkeersontsluiting" een ontsluitingsweg is voorzien".

129 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Artikel 4 lid 2 z uitwerkingsregels toevoegen: o watergang tussen bedrijventerrein en volkstuincomplex o bedrijfsbebouwing op minimaal 10 m uit bestemmingsgrens aa ad i: de bepaling inzake de groene zone aan de zijde van de A4/Hofvlietweg zal worden verduidelijkt. Artikel 5 lid 1 Binnen de bestemming R (Recreatieve doeleinden) wordt nader onderscheid gemaakt tussen de (hoofd)bestemming R en de subbestemming Rv (volkstuinen). Tevens wordt gebruikgemaakt van een nadere aanduiding (z) op gronden waar geen bebouwing of sportvelden worden toegestaan. Artikel 5 lid 2 Er wordt onderscheid gemaakt in de bebouwingsvoorschriften ter plaatse van de bestemming R en ter plaatse van de subbestemming Rv. Binnen de bestemming R wordt bebouwing zo beperkt mogelijk gehouden. Artikel 7 lid 1 De zinsnede: "ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting van het bedrijventerrein" een ontsluitingsweg is voorzien" wordt vervangen door: "ter plaatse van de aanduiding "verkeersstructuur" een hoofdverkeersweg is voorzien". Artikel 8 lid 2 Met verwijzing naar aanduiding op de plankaart worden de bebouwingsvoorschriften zodanig aangevuld, dat het bouwplan Vlietweg 3 mogelijk wordt, waarbij bepaald wordt dat het bouwplan alleen de huidige locatie van de voormalige paardenstal mag betreffen en de oppervlakte maximaal 120 m² mag bedragen. De maximale goothoogte bedraagt 2,75 m en de maximale bebouwingshoogte 6,75 m. Artikel 8 lid 5 Er wordt een wijzigingsbevoegdheid voor de woonbestemming Vlietweg 1a toegevoegd. Hierbij wordt opgenomen dat hiervan alleen gebruik kan worden gemaakt indien dit uit nader ecologisch onderzoek mogelijk blijkt te zijn.en vaststaat dat dit geen belemmeringen oplevert voor de gewenste verkeersontsluiting. Artikel 9 lid 1 bb in doeleindenomschrijving "(ontsluitings)wegen" schrappen. cc laatste gedachtestreepje: "artsenpraktijk" vervangen door "praktijk voor sociaal-medische doeleinden met dienstwoning". Artikel 9 lid 2 Nadere bouwvoorschriften opnemen voor percelen met aanduiding "P" en "S", te weten: dd het maximale bebouwd oppervlak 350 m², waarvan maximaal 150 m² voor een dienstwoning bij de aanduiding "P" (overeenkomend met het maximum, dat ook voor de andere woningen binnen de bestemming W2 zal gaan gelden); ee de bouwhoogte van de dienstwoning bij de aanduiding "P" dient kleiner te zijn dan de bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden: ff de maximale bouwhoogte van de praktijk voor sociaal-medische doeleinden bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3,5 m; gg voor "S" wordt tevens aangegeven: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de erfgrens of de grens met de bestemming UGW bedraagt tenminste 5 m"; hh er wordt toegevoegd dat aard en omvang van de sauna van dien aard moeten zijn dat geen hinder voor de omgeving ontstaat;

130

ii jj kk

de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 10 m, de maximale goothoogte bedraagt 6 m; de maximale bouwhoogte van de bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "S" bedraagt 8 m, de maximale goothoogte bedraagt 3.5 m; het maximale bebouwd oppervlak mag, binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding "S", ten opzichte van de huidige situatie, toenemen met 50 m².

Artikel 10 lid 2 De uitwerkingsregels voor de UGW-bestemming zullen als volgt worden aangevuld op het punt van de overgang naar de bestaande bebouwing: "de afstand tussen hoofdgebouwen en de grens met de bestemming W2 bedraagt ten minste 10 m". Tevens wordt de (sub)nummering aangepast. Artikel 14 Met verwijzing naar de aanduiding op de plankaart wordt het voorschrift zodanig aangevuld dat de huidige arbeiderswoning een bestemming als tweede dienstwoning krijgt. Artikel 16 lid 1 De doeleindenomschrijving voor de bestemming Leidingen zal als volgt worden aangepast: "De gronden binnen een afstand van 5 m aan weerszijden van de als zodanig op de kaart aangegeven (hoofd)aardgasleidingen en watertransportleidingen, zijn mede bestemd voor leidingen." 5.3.2. Ambtshalve aanpassingen Algemeen "voorgevelrooilijn" wordt vervangen door "voorgevel van het hoofdgebouw". Artikel 1 begripsomschrijving 11 "voorgevelrooilijn" vervalt. Artikel 7 lid 1 Toegevoegd wordt: "Binnen ten hoogste 25 m ter weerszijden van de aanduiding "fietspad" is een fietsverbinding voorzien." Artikel 9 lid 2 Toegevoegd worden de volgende bepalingen: ll "de voorgevel van het hoofdgebouw bevindt zich op ten minste 2 m en ten hoogste 15 m uit de grens met de bestemming verblijfsgebied". mm "het hoofdgebouw heeft een oppervlak van ten hoogste 250 m²". De bepaling onder a vervalt. Artikel 22 lid 1 Onder d: bouwsels zijn met vrijstelling toegestaan tot maximaal 2,5 m voor de voorgevel van het hoofdgebouw (i.p.v. 1 m). Onder i: windturbines zijn met vrijstelling op 100 m uit de Europaweg toegestaan (i.p.v. 300 m). Artikel 24 lid 2 "artikel 16" wordt vervangen door "artikel 17".

131 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Bijlage 1. Lijst van ontvangen zienswijzen
In deze bijlage zijn de binnengekomen zienswijzen in tabelvorm opgenomen. Hierbij is per zienswijze duidelijk gemaakt of deze ontvankelijk dan wel niet-ontvankelijk is. Indien een zienswijze ontvankelijk is, is tevens in de tabel aangegeven of de zienswijze ongegrond, gedeeltelijke gegrond en gedeeltelijk ongegrond of gegrond is. Er zijn twee tabellen opgenomen. In de eerste tabel zijn de zienswijzen opgenomen die door particulieren kenbaar zijn gemaakt. In de tweede tabel zijn de zienswijzen aangegeven van instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10 overleg worden betrokken.
Tabel B1 Zienswijzen kenbaar gemaakt door particulieren
naam binnengekomen boeknummer nietontvankelijk ongegrond Overdevest C.F.Hulsbos Westerink-Verbeek J.M.H. Pulissen en M.A.A. Paulissen-Zaaijer S. Bras J.A. Hillenaar G, Venema Huurdervereniging Het Vlietpark C.Fresco Y.M. Burg Fam. Schouten J. Wit C.L. Deelen Leidse Bond van Amateurtuinders Vereniging Vrienden Oostvlietpolder C. Klein J.Hoogendoorn J.P.H.M. Adema F. Pieters J. W. de Jong Kuyper J. Ram P.L. Hermans H. Reijken Th. Overdijk J. Verschoor T.Fokke C. Rog E.M.C. Klein M.C. Pieters Woonvereniging Cronesteyn M. van Kapel A.Rijnsburger 10-09-03 17-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 19-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 543 561 563 564 565 566 572 573 567 574 576 575 577 578 579 580 581 582 583 584 585 586 587 588 589 590 591 592 593 594 595 596 597 X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X ontvankelijk gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond X X X X X X X X X X X X X gegrond

132

A.T.G. Verburg en M.J. Moorman A.E. Brons K.H. Kreuer R. de Bondt W. van der Kwaak W.G en N.E. Bakker Th. Sekuur E. van der Meer W. Vervoort en L. Vervoortmol R.A. Schoop Van Rijn-Van der Drift J. Louwrier J.W. van Kuijk J. Paardekooper M. Janssen Keizer J. Ammerlaan L. Bakker D. Piket M. van de Paverd Zierikzee J. Li M. Glasbergen S. de Vos Gussenhoven J. van Rijn M. van Latum S. Heemskerk W. van Elk C.E.Schoo en M.G. Schoo W.J.G.Schoo O.J. Heidt P.Kranenburg Rijnsburger P. Hofstraa Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens C.P. Lagerberg Overwater Grondbeleid Adviesbureau BV, namens P.J.M. van Haastert J.F. Steven J.J. Steven J. B. Steven L.J. Teeuwen Van de Aardweg E.J. W. Heithuis M.J. Steven-Jongbloed B. Peltenburg S. Volkers R. Holverda Hendriksen T.H. Roodakker De Bruin

23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 22-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03

598 599 600 601 602 603 604 605 606 607 608 609 610 611 612 613 614 615 616 617 618 619 620 621 622 623 624 625 626 627 628 629 631 632 633 X

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

24-09-03

636

X

23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 22-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

637 638 639 640 641 642 643 644 645 646 647 648 649 650

X X X X X X X X X X X X X X

133 Nr. Dnst.
X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

: 03.0178 : BOWO

Van Dartel D.P. van Velzen Suzan BSP Architecten BNA, namens Hillenaar A.M.C. Roodakker J.R. van der Heijden P. Mink Jasperse N. Handgraaf W. Handgraaf J.C. Kabel A.S. Alting Onderwater W. Schroot Stolk C.Meijdam T. Kamp S. Görlig T.Y. Sloos Sloos- van Haastrecht H.C. van der Plas G. van der Mey-de Jong E. Tromp M. Feyen M.N. Bosch R. Holverda Zonder naam J. Beyer P. Buis M. Boezaard M. Willems G. Ruwaard J.C. Righart van Gelder- Klein L. Th. Righart van Gelder M. Righart van Gelder-Van der Vos W. Righart van Gelder D. Righart van Gelder Henny C.J Righart van Gelder Bunschoten L. de Koning Vlieland B. Dijkman L. de Koning Splinter Schraa G. de Geus H. de Geus M. van Went H.C. Betgen

24-09-03 24-09-03 24-09-03 10-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

651 652 653 20653 654 655 656 657 658 659 660 661 662 663 664 665 666 667 668 669 670 671 672 673 674 675 676 677 678 679 680 681 682 683 684 685 686 687 688 689 690 691 692 693 694 695 696 697 698 699

134

C.W. Bronk C. J. Betgen J. J. Van den Bos H. Stikvoort J. Klink R. Kruit J. Straver Van Velzen Van Dartel Van der Hoeven Antoon Leget Edwin P. van Tongeren M.J. van der Heiden P. Webbers C van de Bent Roodakker Mevr. J. van Bemmelen H. Olijerhoek J. Buitendijk Lommers M. van Bemmelen C.N.M. Berg E. van Rijn F.G. M. van der Helm M. Ende H. J. Stikvoort A.W. Straver-de Boef P.L. Bakker M.Koet J. Kluivers P. van Meer J. van der Veer L. van Gent A. Couwenberg B. van der Wijden R. Betgen Van der Valk W. van der Valk A. van Velzen G.M. van Velzen Noordduyn L. Lamboo Bomenbond Rijnland Vereniging Vrienden van het Polderpark Cronesteyn D.R. van Wingerden H. Kuyk Fam. C.H.M.M. Meijer W.J. van der Post A.M.M. van Steijn P.H. Eduard en T. EduardHoogendoorn C.A.P. Westgeest

24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

700 701 702 703 704 705 706 707 708 709 710 711 712 713 714 715 716 717 718 719 720 721 722 723 724 725 726 727 728 729 730 731 732 733 734 735 736 737 738 739 740 741 742 743 744 746 748 750 749 751 752 753 754 X

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

X X X X X X X X

135 Nr. Dnst.
X X X X X X X X X X X X X X X

: 03.0178 : BOWO

Loncq de Jong LVI, Vereniging voor ondernemingen G.J. Nieboer en M. Wegman Th.G.J. v.d. Berg A.J. v.d. Krogt A.J.M. van der Krogt en L.H.M. van der Krogt H. en M. Niersman Vereniging Bewoners Vrouwenweg Rijn land BV, namens Rijnland BV en Boskalis BV La Gro Advocaten, namens Niersman Beheer BV Van Eyk H. Bouhuis en M.J. Latooij Tuingroep “Onderlinge Tuinvereniging” Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder P. van Straaten La Gro Advocaten, namens N.J. van Schie en A.A.P. van Schievan Santen A.A.M. Mooijman Houthoff Buruma, namens BZH BV WLTO Advies, namens A.S. de Wit WLTO Advies, namens Maatschap van der Post C.J. Slootweg Recreatiecentrum Vlietland BV Haarsma Zuid-Hollandse Milieufederatie H. Verkade C. Overdijk H.Lelieveld M.Gordijn O.Langezaal E.Langezaal-Ehberts B.Vermeulen T.Pino Stichting Leidse Studentenhuisvesting E. en J. Hoogendoorn De Milliano Advocaten, namens fam. Laken

23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 23-09-03 23-09-03 23-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03 24-09-03

755 756 745 757 758 759 760 761 762 763 765 768 769 770 771

25-09-03 25-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 25-09-03 24-09-03 24-09-03 25-09-03 25-09-03 26-09-03 26-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 30-09-03 16-10-03 22-09-03 24-09-03 23-09-03

772 773 774 775 776 778 779 780 784 786 787 788 792 793 793 795 815 20883 20935 X X X X X X X X

X X

X X X X X X X

X

X X

Tabel B2

Zienswijzen kenbaar gemaakt door instanties waarvan het gebruikelijk is dat zij in het artikel 10 overleg worden betrokken
Datum ingeboekt Boeknummer Nietontvankelijk ongegrond Ontvankelijk Gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond X X X X gegrond X

Naam

Gemeente Voorschoten Hoogheemraadschap van Rijnland Gastransport Services Rijksdienst voor Bodemonderzoek Rijkswaterstaat Directie Zuid-

19-09-03 23-09-03 23-09-03 24-09-03 25-09-03

568 635 634 747 777

136
Naam Datum ingeboekt Boeknummer Nietontvankelijk ongegrond Holland Kamer van Koophandel Rijnland Hoogheemraadschap van Rijnland Gemeente Warmond Gemeente Zoeterwoude Gemeente Zoeterwoude Gemeente Voorschoten Samenwerkingsorgaan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Leidse Regio Ontvankelijk Gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond gegrond

25-09-03 02-10-03 29-09-03 29-09-03 14-10-03 27-10-2003 29-10-2003

785 802 X X 789 789 829 21701 X

X

X X

137 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

Bijlage 2. Zienswijze van La Gro Advocaten namens Van Schie (als bijlage)
Opsomming in de bijlage van de zienswijze kenbaar gemaakt door La Gro Advocaten, Postbus 155, 2400 AD Alphen aan den Rijn, namens Schie, N.J. van en A.A.P. van Schie-van Santen, Vlietweg 12, 2323 LB Leiden, ingekomen 25 september, boeknummer 772: Samenvatting Reclamant is: 1. Tegen het plan, aangezien Dhr. N.J. van Schie rechten heeft op de kavels die in het plan zijn opgenomen en die rechten dreigen door het bestemmingsplan te vervallen. 2. Tegen dit plan, omdat er op de gronden waarvan reclamant eigenaar is, geen agrarisch bedrijf of verdere bedrijvigheid op deze gronden zijn toegestaan. Hierdoor wordt reclamant in zijn (agrarische) bedrijfsvoering beperkt. 3. Tegen dit plan, omdat reclamant planschade oploopt. 4. Tegen het feit dat de gemeente niet in overleg heeft willen treden met reclamant, na schriftelijk verzoek van diens zijde. Gemeente ziet daar ondanks de rigoureuze plannen geen reden toe en neemt ook geen initiatief voor dit overleg. De gemeente schiet hier tekort: er is sprake van onbehoorlijk en ongeoorloofd bestuurlijk beleid. 5. Tegen het plan, omdat er in de voorschriften Woondoeleinden (W2) opgenomen is dat het aantal woningen niet mag vermeerderen. Uit de toelichting blijkt dat er enige mate van intensivering van woningen mogelijk is, maar dit is niet in de voorschriften opgenomen. 6. Tegen het plan, omdat in de voorschriften Woondoeleinden (W2) is opgenomen dat een bedrijf of beroep moet passen in bedrijfscategorie 1. Dit is een te lage categorie, waardoor er geen agrarische activiteit of bedrijvigheid op de percelen is toegestaan. Reclamant wordt hierdoor ernstig belemmerd in verder gebruik van zijn gronden: voortzetting van zijn bedrijf of gebruik van derden is niet meer mogelijk. Reclamant loopt daardoor schade op. 7. Tegen de locatie waar de grens tussen woondoeleinden II en de groenzone is getrokken op de gronden van reclamant. Deze grens zou in eerder overleg met Arcadis (welke in opdracht van de gemeente met reclamant heeft plaatsgevonden) gelijk gelegd moeten worden met het ten noordoosten gelegen kavel woondoeleinden II belendende het perceel van betrokkene en gelegen achter Vlietweg 4,6,8. Er is geen uitvoering gegeven aan deze toezegging. 8. Tegen de gekozen locatie voor een artsenpraktijk (P), omdat dit in strijd is met het eigendomsrecht, aangezien de op de plankaart aangegeven plek met bijbehorende gronden geen eigendom van Dhr. Loncg de Jong is. De bouw lijdt tot overlast van reclamant. 9. Tegen de uitzonderingposities die worden gemaakt t.a.v. de voorschriften wonen II waarin de Dhr. Loncg de Jong een specifieke subbestemming krijgt en een groter bebouwingspercentage krijgt (resumé belangrijke planaanpassingen blz. 72) dan in de voorschriften wordt toegestaan. Dit is in strijd met het gelijkheidbeginsel. (lees ook individuele behandeling inspraakreacties blz. 50). Daarnaast is niet overlegd met ernaast wonende reclamant. Reclamant gaat hiermee niet akkoord, omdat hierdoor hinder op zijn perceel ontstaat. 10. Tegen de bestemming UGW en wijzigingsgebied III: deze zijn in strijd met de WRO, aangezien additioneel bouwen in een bufferzone niet aanvaardbaar is en een grotere inbreuk is op het bufferzonebeleid dan gerechtvaardigd is. Ook de financiële onderbouwing voor het bestemmingsplan is hiermee dus in strijd. Daarnaast blijft er minder compensatie van groen over, omdat een deel van de groenzone wordt aangetast.

138

11. Tegen de bestemming UGW en Wijzigingsgebied III: deze tasten de doorlopende groenzone en de tussenliggende groene bufferzone aan en woningbouw past hier niet in. Ook is het niet meer aannemelijk dat deze groenzone nog een belangrijke functie kan vervullen als groene bufferzone tussen recreatiegebied Vlietland en de Polder Cronesteyn en als groene bufferzone tussen de lintbebouwing van de Vlietweg en het bedrijventerrein, als deze zone zo wordt ingericht als op de plankaart is aangegeven. Dit plan zorgt voor verder ruimtebeslag, voor meer verstedelijking en heeft een verdere aantasting van de aanwezige landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden van de lintbebouwing aan de Vlietweg en zijn verdere omgeving tot gevolg. De beschreven huidige rafelige achterkant van dit gebied (blz. 61 Ruimtelijke inrichting) is juist een kenmerk van de eerder beschreven waarde en dient opgevangen te worden (zoals beschreven) en dreigt juist door dit plan te verdwijnen. Er vindt ook geen consolidatie plaats van de ruimtelijke kwaliteit zoals aangegeven in de aanleiding van het plan. De gemeente heeft verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de in het plan voorziene ligging van de UGW en Wijzigingsgebied III gebieden zich verhouden tot de doelstellingen van het bufferzonebeleid, nu er in deze zone agrarische activiteiten dienen te worden beëindigd. Tegen het opnemen van de huidige volkstuinen en recreatiewoningen in de groenzone (G) met als eerder genoemde argumenten. Er zijn voldoende gronden vrijgemaakt en gereserveerd in het bestemmingsplan om deze volkstuinen en recreatiewoningen te verplaatsen, temeer dit ook het doel was van de bestemming om deze in te passen tussen de tuinen Oostvliet en Roomburg. T.a.v. de recreatiewoningen kan er inpassing plaatsvinden op het noordoostelijk vrije deel (Rv) van deze gronden grenzend aan de groenzone en industriepark. Alleen dan valt te rechtvaardigen dat dit noordoostelijk deel (Rv) een uitbreiding mag zijn gerelateerd aan de huidige situatie op complex Laken. En anders zal het bezwaar ook zijn tegen het uitbreiden van dit gebied ter plekke. 12. Tegen de voorschriften van de groenzone (G), waarin volkstuinen en recreatiewoningen in deze zone zijn toegestaan. Hierdoor is het mogelijk dat er meer volkstuinen en recreatiewoningen in dit gebied worden ingepast en dat de groene zone zo komt te verdwijnen. 13. De ontsluitingwegen van het plangebied UGW niet op de plankaart zijn aangeduid. Deze zijn dus niet gerelateerd aan welke bestemming dan ook, waardoor bij reclamant onduidelijkheid bestaat over de locatie van de ontsluiting. Er staat vermeld dat de ontsluiting via de Vlietweg of de groenzone plaats zal vinden. Ook treedt in de Vlietwegzone geen consolidatie op van de ruimtelijke kwaliteit door hier wegen in aan te leggen. Dit bestemmingsplan zorgt voor een groter ruimtebeslag, verdere verstedelijking en verdere aantasting van de aanwezige landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde van de lintbebouwing aan de Vlietweg en zijn verdere omgeving. Het tast tevens de belangrijke functie aan voor zowel het recreatieve als het utilitaire fietsverkeer die in dit wordt vervuld (blz. 71 Ruimtelijke inrichting fietsverkeer). Ook de recreatieve functie van dit gebied wordt verder aangetast. 14. Tegen de dan ontstane overlast van verkeer, ten gevolge van het te ontwikkelen gebied UGW, wijzigingsgebied III en de verkeersoverlast die ontstaat door uitbreiding van het volkstuinencomplex (tuinen die eerst nabij Rhijnhof lagen), die samen voor een onveilige omgeving zorgen op en rond de Vlietweg. 15. Tegen de maximale bouwhoogte van 24 m direct grenzend aan de groenzone. Elders in het plan (blz. 51), bij de gebiedsvisie is vermeld dat direct aan groenzone maar een maximale bouwhoogte van 12 m is toegestaan. De aangegeven hoogte van 24 m staat haaks op deze visie en de beschreven ruimtelijke inrichting in "de vormgeving naar de omgeving" (blz. 61): er wordt namelijk geen rekening gehouden dat hierbij met name aandacht voor randen en overgangen noodzakelijk is. Ondanks de beschrijving in "Vlietweg" (blz. 61), houdt men geen rekening met de Vlietweg/groenzone: bebouwingshoogte van het bedrijvenpark wordt in de aangrenzende zone niet beperkt. Dit dient alsnog te gebeuren. 16. Tegen de maximale bouwhoogte van 24 m grenzend aan de ecologische zone. In het bestemmingsplan staat elders dat langs ecologische zone een bouwhoogte van 12 m wordt voorgestaan. De 24 m dient zeker niet het op blz. 3 aangegeven doel van het plan: dat de ecologische kwaliteit door de gemeente is opgemerkt/erkend is en ook als zodanig gewaarborgd dient te blijven. Nu dreigt er ecologische kwaliteit verloren te gaan. Er is zeker geen sprake van consolidatie en dat staat haaks op de beschreven ruimtelijke inrichting van de ecologische zone van dit plan (blz. 61).

139 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

17.

18.

19.

20.

21.

Hier is vermeld "dat de hoogte van bebouwing en hindercategorie zullen beperkt worden langs de ecologische zone". Hier wordt niet aan voldaan. Tegen het versmallen van de doorlopend ecologische verbindingszone ter hoogte van de volkstuinen waar het zich over een lengte van 150 m (!) beperkt tot de watergang en de oevers van maar 3 tot 4 m breed!!?? Aangezien de ecologische kwaliteit van deze zone en dus de ecologische kwaliteit van het gehele gebied afneemt, en er geen verdere compensatie voor terugkomt, is dit onacceptabel. Er is op deze manier geen sprake meer in dit plan van een doorlopende verbindingszone en de zone verliest hiermee zijn erkende landschappelijke en recreatieve functie (lees blz. 66 Ruimtelijke inrichting "Ecologische verbindingszone"). Dit terwijl de gemeente deze zone juist wel erkend (blz. 3 1.2. doel van het plan) en de zone als zodanig juist in de Oostvlietpolder gewaarborgd dient te blijven. Het versmallen van de zone staat haaks op het gemeentelijk doel. Tegen het plan, aangezien er volgens het bestemmingsplan (blz. 66 Ruimtelijke inrichting "Peilbeheer") er doorstroming moet plaatsvinden in de centrale wetering in de ecologisch verbindingszone. De rijkelijk voorgestelde inrichting van de gemeente en de te ontstane inrichting van deze zone, staan op zeer gespannen voet met het feit dat mede het water, uit belendende sloten van het bedrijvenpark die op deze wetering uitkomen, verontreinigd is (eventueel vervuild bluswater bij branden op het bedrijvenpark), door bemaling/peilbeheer en het schonen van de ecologische verbindingzone nadelig zullen beïnvloeden. Het is aannemelijk dat deze zone niet tot wasdom kan komen en zo zelfs verloren dreigt te gaan. Naar dit effect heeft de gemeente geen onderzoek gedaan. Er wordt niets over vermeld in het plan en er mag dan niet verondersteld worden in dit plan dat ecologische waarden behouden blijven of zullen verhogen. Tegen het voornemen van de gemeente Leiden, wanneer de Europaweg zijn regionale verkeersfunctie behoudt en er geen andere oplossingen voor de verkeersproblematiek komt in de vorm van verlengde Churchililaan of aanleg A11/N11 de op -en afritten van de Vlietweg en Vrouwenweg te laten vervallen. Tegen het bestemmingsplan dat nog veel onduidelijkheden bevat betreffende de ontstane infrastructuur en de bijkomende problemen waar betrokkenen in dit gebied en ver daarbuiten die gebruikmaken van de infrastructuur belendend het plan (naar verwachting) mee opgezadeld worden, aangezien er in het Streekplan Zuid-Holland West vermeld wordt dat de verbindingsweg (Europaweg) tussen de A44 en A4 al overbelast is. Dit wordt ook in het bestemmingsplan aangegeven. De Europaweg heeft te weinig capaciteit om de huidige verkeersstromen te verwerken, laat staan de toekomstige verkeersstromen na realisatie van dit plan. Er dienen nog studies opgestart en uitgevoerd te worden, waarvan niet bekend is wie deze studie dient uit te voeren. Er is dus op de korte termijn geen oplossing, m.b.t. de Europaweg, het toenemende aantal verkeersbewegingen, de files en de daarmee gepaard gaande overlast (geluid, stank, financiële overlast). De gemeente heeft hiervoor geen adequate oplossingen in het bestemmingsplan opgenomen. Als zodanig dient dit plan, wat betreft de infrastructuur, geen maatschappelijk doel. Verder is het ook zo dat zelfs andere infrastructurele oplossingen (A11/N11, ontsluiting bedrijvenpark, ontsluiting UGW-gebied, wijzigingsgebied III en tracéverbreding A4) onderzocht (moeten) worden en dat de hierbij horende procedures moeilijk zijn en veel tijd vergen. De gemeente Leiden loopt dus wel erg hard van stapel en wentelt de deelproblemen af op andere overheidsorganen. De te verwachte overlast zal lang duren. Ook het gefaseerd realiseren van het plan biedt geen enkel soelaas op dit gebied. Het in strijd is met het huidige Rijksbeleid van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat om de knelpunten in het verkeer terug te dringen. Tegen de ontsluiting van het bedrijvenpark op de Europaweg, die door de ecologische verbindingszone staat gepland (art. 7 Bestemmingen en gebruik blz. 13). Dit dient zeker niet het op blz. 3 genoemde doel van het bestemmingsplan, dat de ecologische kwaliteit in het gebied gewaarborgd dient te blijven. De aanwezige ecologische kwaliteit en natuurwaarden gaan hierdoor verloren. Er is geen sprake van consolidatiebeleid door de gemeente Leiden op dit gebied. Er is geen sprake van een levensvatbare ecologische verbindingszone in dit plan.

140

22. 23.

24. 25.

26. 27.

28.

a. Tegen de bebouwingshoogte van 24 m, die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en zo een zichtlocatie wordt gevormd nabij de Europaweg/A4, een zichtlocatie die juist door uitspraken van de Raad van State als zodanig is geweerd. Er mag in zijn geheel geen zichtlocatie ontstaan. Waarom de gemeente Leiden zicht op stedelijke bebouwing dan logisch vindt (blz. 51 Gebiedsvisie) is geheel onduidelijk. Een lagere bouwhoogte van 12 m (blz. 51 Gebiedsvisie) aanhouden die geen zichtlocatie veroorzaakt langs de Hofvlietweg zou passender zijn en dient dan ook duidelijk op de plankaart weergegeven te worden, aangezien hierover onduidelijkheid bestaat. b. Tegen het feit dat er in het plan geen groenstrook/groenvoorzieningen zijn opgenomen langs de Hofvlietweg, en anders daar onduidelijkheid in is, zodat er nu alsnog langs de Hofvlietweg een zichtlocatie ontstaat. c. Tegen dit plan, omdat niet uit de voorschriften of plankaart blijkt hoe de beoogde ontsluiting vanaf de Hofvlietweg mogelijk wordt gemaakt, aangezien deze gronden bestemd zijn om een zichtlocatie en snelweglocatie van het bedrijventerrein te voorkomen (VINEX 1998). d. Tegen het plan, aangezien het onvoldoende rekening houdt met verdere plannen ter verbreding van de A4 c.q. het ontwerp Tracébesluit A4 Burgerveen-Leiden 2062. e. Tegen het feit dat het bedrijventerrein onvoldoende groene inpassing ter afscherming krijgt in dit plan (niet op de plankaart is opgenomen en als zodanig een snelweglocatie en zichtlocatie wordt). Te denken valt aan zijden langs Hofvlietweg. f. Tegen het plan, aangezien het onvoldoende rekening houdt met verdere plannen/ontwikkelingen voor de aanleg van de A11/N11 en dus in strijd is met het Streekplan Zuid-Holland West (beleidskader blz.13) en onvoldoende rekening is gehouden met de daarmee gepaard gaande verloren natuurwaarden en natuurcompensatie (Nota compensatiebeginsel SRG blz. 13). Tegen het plan, omdat de gemeente niet wil wachten totdat de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening van het Rijk is vastgesteld. Beleidsmatig is er sprake van dwaling en daarom verdiend dit plan de grootste aandacht van het Rijk te verkrijgen. Tegen het plan, aangezien dit plan geen rekening houdt met de punten a t/m f. Zou de gemeente Leiden dit wel doen, dan heeft dit een verschuiving op de plankaart tot gevolg naar noordwestelijke richting van het bedrijvenpark en daarmee niet duidelijk is waar het verloren ruimtebeslag (aangeduid op de plankaart met zone Hofvlietweg) in dit gebied gecompenseerd wordt, aangezien de gemeente uit blijft gaan van 40 ha netto bedrijventerrein. Tevens vermeldt de gemeente Leiden in het Resumé belangrijke aanpassingen (blz. 71) dat het gebied Europaweg-Vrouwenweg de bestemming Agrarische doeleinden (zonder bebouwing) krijgt (dit moet zijn Recreatie (R), zie plankaart) er geen compensatie zal plaatsvinden door uitbreiding van het bedrijvenpark elders. Tegen dit plan, omdat de plannen van de gemeente Leiden en het Tracébesluit verbreding A4 BurgerveenLeiden langs de Hofvlietweg niet verenigbaar zijn, en dus in strijd met elkaar. Tegen het feit dat het bedrijventerrein onvoldoende groene inpassing ter afscherming krijgt (bij de Rvgebieden, langs de Europaweg en ter bescherming van de ecologische zone). Dit is niet in het plan/op de plankaart opgenomen. Tegen het plan, omdat de gemeente Leiden omtrent de in gebreke blijft om meer duidelijkheid op de plankaart te verschaffen over de realisatie nabij de Hofvlietweg. Tegen het plan, aangezien de gemeente erkent dat er behoefte is aan bedrijventerrein, maar nagelaten heeft te onderzoeken welk deel er in de regio opgevangen kan worden. De gemeente ondergraaft hiermee zelf de noodzaak en het doel om de Oostvlietpolder te bestemmen als bedrijventerrein. Tevens is het niet noodzakelijk om het bedrijventerrein dan ter plekke te situeren: ook zonder bedrijventerrein kan de gemeente Leiden sturing geven aan de ruimtelijke ontwikkeling langs de Vlietweg, daar is niet een bedrijvenpark voor nodig (zie blz. 3 1.2 Doel van het plan). Tegen het plan, omdat lokale geluidsoverlast en lokale luchtverontreiniging optreden bij de bedrijven die gesitueerd worden langs de Europaweg. Hierbij gaat het met name om de bewoners aan de Vrouwenweg nr. 57 en de bewoners aan de Vlietweg die binnen de geluidszone en luchtkwaliteitzone van de Europaweg vallen. Hier heeft de gemeente te weinig aandacht aan besteed en geen onderzoek naar gedaan. Dit dient alsnog te gebeuren.

141 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

29. Tegen de hoge bebouwing van het bedrijvenpark langs de Europaweg, die geluidsweerkaatsing teweegbrengt en overlast veroorzaakt voor bewoners aan de Vrouwenweg nr. 57 en overige bewoners van de Vrouwenweg. De gemeente heeft hier geen onderzoek naar gedaan. Beiden dienen in het kader van de Wet geluidhinder nog te gebeuren voordat het plan rechtskracht verkrijgt. Om in nieuwe situatie hogere grenswaarden te hanteren of aan te vragen (Ruimtelijke inrichting blz. 73 normen nieuwe situatie) dit is n.l. geen goede maatregel is om geluidshinder te bestrijden. De gehele passage 6.5.4. "Wegverkeerslawaai" bevat tegenstrijdigheden (blz. 73, 74, 75). 30. Tegen de hoge bebouwing van het bedrijvenpark ter hoogte van Vrouwenweg 57, aangezien hierdoor slagschaduw ontstaat en de bewoner belemmerd wordt in zijn woongenot. 31. Het situeren van bedrijvenpark Vb, groenzone G en Ecologische verbindingszone E in het wijzigingsgebied I waardoor de verbreding van de Europaweg niet mogelijk wordt gemaakt en er zo op voorhand infrastructurele problemen zijn te verwachten. In strijd is met het Streekplan Zuid-Holland West blz .14 beleidskader of is dit dwangmatigheid af dwingen om verdere infrastructuur gerealiseerd te krijgen door de gemeente Leiden. 32. Tegen het plan omdat niet nu duidelijk is hoe en waar deze niet in te passen delen later in het plan worden opgenomen aangezien er verlies van bedrijvenpark Ub, van groenzone (G) en Ecologische verbindingszone (E) optreedt en de gemeente Leiden van netto gegevens blijft uitgaan. 33. Bezwaar tegen de op de plankaart gesitueerde groenzone direct achter Vlietweg 2 welke niet volgens de daar aanwezige situatie op de plankaart is gezet. Hierdoor wordt doorgaand verkeer uitgesloten vanaf de Europaweg naar de Vlietweg. 34. Tegen het verbreden van de Europaweg inclusief busbanen, aangezien dit de nodige overlast tot gevolg heeft (geluid, verkeer, luchtverontreiniging) en in strijd is met de conventie en het protocol dat in Kyoto Japan is ondertekend (ook door Nederland) om de uitstoot van CO2 te verminderen. Hieraan dient ook de gemeente Leiden zijn bijdrage te leveren. Zeker wanneer er files ontstaan op de Europaweg (spits/openen van Lammebrug), auto's met draaiende motoren en er meer uitlaatgassen vrijkomen, die de aantasting van de atmosfeer niet terugdringen, maar vergroten. 35. Tegen het plan, omdat er geen onderzoek is gedaan naar andersoortig collectief vervoer en vervoersmanagement. Dit dient voor vaststelling te gebeuren (blz. 71 R.I. Openbaar vervoer). 36. Tegen het verbreden van de Europaweg en de daarmee gepaard gaande lange onderduikerring (:I: 45 m), omdat dit de daar aanwezige ecologische waarden in de verbindingszone aantast. De consequenties van deze onderduikerring en het toenemende verkeer met bijbehorend overlast is niet nader onderzocht. Dit dient vooraf te gebeuren, zodat de functie van deze ecologische verbindingszone tussen recreatiegebied Vlietland en de Polder Cronesteyn niet verloren gaat. 37. Tegen het plan van het aanleggen van een bedrijvenpark met bijbehorende wegen die een ecologische zone gaan doorsnijden, waardoor ecologische en natuurwaarden verloren gaan. Direct aansluitend worden ook nog bedrijven uit categorie 3.2 toegestaan. De gemeente Leiden denkt met dit plan ecologische waarden toch te kunnen behouden en denkt dat ecologische waarden en industrie met elkaar te verenigen zijn. Dit is echter niet voldoende onderzocht/met gelijkwaardige projecten vergeleken. Dit dient dus alsnog te gebeuren. 38. Tegen het opnemen van meer Aln-gebieden ten westen van het natuurgebied (N) dan waarmee in het voorontwerpbestemmingsplan en bijbehorende berekeningen ter compensatie werd vanuit gegaan. Hier gaat gecompenseerd natuurgebied verloren, terwijl eerdere berekeningen en huidige berekeningen hebben aangetoond dat deze gebieden nodig zijn ter compensatie van de aanwezige natuurwaarden in de Oostvlietpolder. 39. Tegen het aanleggen van een nat natuurgebied (N) ter hoogte van het vervuilde pad naar het meet- en regelstation van de N.G.U., omdat ter plekke de grond en het grondwater sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK (ernstig bodemverontreiniging). Door afplaggen, afgraven en het verhogen van het waterpeil zoals in dit plan is voorzien, zal er verdere verspreiding van bodem- en grondwaterverontreiniging in dit gebied optreden.

142

40.

41.

42.

43.

44. 45.

46. 47. 48.

Derhalve zal eerst duidelijk moeten zijn door wie en hoe gesaneerd gaat worden en wanneer. Er is ook geen aanvullend onderzoek naar gedaan door de gemeente. Andere onderzoeken zijn te gedateerd en voldoen niet aan de huidige normen van bodemonderzoek en bodemsanering. Het uitgevoerde dient alsnog gedaan te worden om te voldoen aan de huidige normen van bodemonderzoek en bodemsanering. Tegen het plan, omdat in het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de schade die het bluswater (bij het uitbreken van brand op het bedrijvenpark) veroorzaakt in de ecologische zone. Er is geen onderzoek gedaan hoe dit kan worden voorkomen. Er zijn geen afdoende maatregelen of voorschriften in het plan hiervoor opgenomen. Tevens kan door wisselingen in het waterpeil in dit plan, bij een dergelijke situatie ook grondwaterverontreiniging optreden. Tegen het opnemen van windturbines in dit plan, waarin de gemeente Leiden suggereert dat er ook twee turbines komen aan de Zoeterwoudse kant van de A4. De gemeente denkt de windturbines aan de Leidse kant daarmee ook te rechtvaardigen, terwijl de gemeente Zoeterwoude in zijn overlegreactie aangeeft dat dit een ernstige aantasting vormt van de groene omgeving en de zichtrelatie vanuit Zoeterwoude naar de Oostvlietpolder, De gemeente Zoeterwoude geeft aan dit zo te willen houden. Er is dus geen sprake van dat de gemeente Zoeterwoude wel tot plaatsing overgaat. Er dient eerst onderzoek gedaan te worden door de gemeente welke neveneffecten/invloed deze windturbines hebben qua milieu- en geluidshinder en invloed op landschap- natuur- en vogelfoerageergebieden. Aangezien het hier om solitaire windturbines gaat, zijn deze alleen toegestaan onder voorwaarden in de nota Wervel op grootschalige bedrijventerreinen/industrieterreinen. Volgens de Gemeente Leiden is er in de Oostvlietpolder sprake van bedrijvenpark en kleinschaligheid (maximaal netto 40 ha waarvan 27 ha in eerste fase en 8 ha in tweede fase uit te geven). De windturbines zijn dus niet toegestaan. Ook is er onduidelijkheid over de concrete locatie. Tegen het plan, aangezien vele zaken uit het voorontwerpbestemmingsplan, o.a. alle cijfers, berekeningen en conclusies van dat plan in het ontwerpbestemmingsplan zonder meer zijn overgenomen. Deze zijn dus van voor het totstandkomen van het nieuwe Provinciaal Streekplan Zuid-Holland West (19 februari 2003). In het licht van dit nieuwe streekplan dienen nadere nieuwe afwegingen, berekeningen en conclusies gemaakt te worden. Tegen het plan, omdat er in dit plan onvoldoende rekening is gehouden met, en onvoldoende berekeningen zijn uitgevoerd onder aftrek van optredende verschillen in percentages op de gewijzigde plannen in het ontwerpbestemmingsplan t.o.v. de uit het voorontwerpbestemmingsplan overgenomen gegevens en berekeningen. Tegen het plan, omdat de gemeente Leiden voorbijgaat aan uitspraken die in een eerder kader door de Raad van State gedaan zijn. Tegen het plan, omdat in de Inhoud van de voorschriften de bijlage 1 "Staat van Bedrijfsactiviteiten" en bijlage 2 "Staat van Horecabedrijven" niet in het plan aanwezig zijn en onduidelijkheid hierover bestaat zodat eventueel bezwaar niet mogelijk is. Het is wel heel slordig dat wanneer de gemeente plannen maakt voor een bedrijvenpark juist niet inzichtelijk is welke bedrijven (opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten) toegestaan zijn. Tegen het plan, omdat in het Resumé belangrijke planaanpassingen (blz. 71) onduidelijkheid bestaat over de bouwhoogte bij de voormalige meelfabriek aan de Vlietweg waar er sprake is van 15 m terwijl elders sprake is in het plan (blz. 42) een maximale hoogte nieuwbouw van 12 m aan de orde is. Tegen het plan, omdat het onvoldoende beantwoordt aan de "Randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkeling" (blz. 19 beleidskader) van de gemeente Leiden. Tegen het plan, omdat er geen maatschappelijk onderzoek gedaan is in dit plan hoeveel eigen Leidse bedrijven en eigen Leidse burgers met werkgelegenheid gebaat zijn en de vruchten gaan plukken van dit plan (eigen Leidse burgers eerst). De Leidse burgers zijn namelijk ook degene die Oostvlietpolder gaan missen en meebetalen d.m.v. gemeentelijke heffingen en belastingen. Daarnaast is ook geen maatschappelijk onderzoek onder eigen burgers gedaan naar de behoefte aan dit bestemmingsplan. Tevens is geen maatschappelijk onderzoek gedaan in het kader van dit plan naar de grote behoefte van open groene ruimte en het laatste aanwezige open polderlandschap binnen de grenzen van de gemeente Leiden. Hiermee is het maatschappelijk belang niet aangetoond.

143 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

49. Tegen het plan, omdat het zoveel tegenstrijdigheden in zich herbergt, zeer onzorgvuldig en slordig is opgemaakt, onvolledig uitgewerkte plannen bevat en denigrerend omgegaan is met de belangen van betrokkenen. Duidelijk valt op te maken dat onder tijdsdruk is gehandeld. 50. Tegen het plan, omdat bewoners en betrokkenen in het plangebied niet zijn geconsulteerd voor het convenant tussen Rijk, provincie en gemeente. 51. Tegen het plan, aangezien de financiële haalbaarheid niet is aangetoond en in het plan de betrokkenen langs de Vlietweg onevenredig zwaar gedupeerd en belast worden door de bebouwing in het UGW-gebied. Er wordt hierdoor teveel afgewenteld op (het woongenot van) de huidige bewoners aan de Vlietweg. 52. Tegen het plan, omdat maatschappelijk niet duidelijk en niet verantwoord is wat de gemeente Leiden hun burgers aandoet, welk financieel probleem de bewoners van Leiden gepresenteerd zullen krijgen. De gemeente Leiden heeft namelijk een financieel zeer problematisch begrotingstekort. Dit wil de gemeente oplossen door nu ten dele woningbouw in het bestemmingsplan te realiseren, terwijl de gemeente hiervoor verdere woningbouw altijd heeft tegengewerkt. Maatschappelijk is dit onverteerbaar. 53. Tegen het plan, omdat in de "Uit te werken gebieden" de gemeente Leiden onvoldoende aangeeft wat in deze gebieden staat te gebeuren. Hiermee houdt de gemeente zich het recht voor dit nader naar eigen inzicht in te richten. De gemeente is op dit punt onbetrouwbaar en ongeloofwaardig, omdat in eerdere plannen voor de "Oostvlietpolder" (voorontwerpbestemmingsplan/ontwerpbestemmingsplan 2000/2001 en voorontwerpbestemmingsplan 2003) er steeds andere ruimtelijke inrichtingen, bestemmingen, visies, beleidskaders en analyses mogelijk zijn. 54. In de juridische planbeschrijving blz. 76 dient de tekst aangepast te worden: in de Groenzone in de laatste alinea: dèn moet zijn dan. 55. Op blz. 71 (Ruimtelijke Inrichting onder fietsverkeer) wordt gesproken over de Europalaan, welke niet aanwezig is in het plangebied. 56. De besproken schets op blz. 57 (Ruimtelijke inrichting) is vaag, incompleet en afwijkend in vergelijking met de plankaart en de planvoorschriften. De figuur heeft niet de status van een tekening zodat er van visievorming van de inrichting bedrijvenpark geen sprake is. 57. Onduidelijk is waarom er niet direct een beeldkwaliteitplan is opgesteld (blz. 62 Ruimtelijke Inrichting). Dit dient eerst te gebeuren wil er een schakel ontstaan tussen het bestemmingsplan en het welstandstoezicht, omdat anders de ruimtelijke inrichting in gevaar komt. 58. De bewoners binnen dit plan dienen niet de dupe te worden om het plan financieel haalbaar te maken. 59. Niet duidelijk is hoe de gemeente de financiële plannen haalbaar denkt te maken in een huidige dalende conjunctuur en daarbij gepaard gaande mindere vraag naar bedrijvenpark, terwijl de eigen financiële begroting niet in orde is. 1. 2. 3. 4. 5. 6. Beantwoording Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.27.(c.). Er zal sprake zijn van schadeloosstelling door aankoop van een deel van de gronden. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.10.c. De gemeente is niet verplicht tot het aangaan van een overleg met een inwoner die niet tevreden is met een bestemmingsplan dat in procedure wordt gebracht. Indien het plan concreet wordt zal de gemeente met reclamant in overleg treden. De woningen in het UGW-gebied worden ook als intensivering van de Vlietwegzone beschouwd. De activiteit die reclamant momenteel op zijn perceel uitvoert, behoort niet tot de activiteiten genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dat bij de bestemming W2 alleen activiteiten uit categorie 1 van deze Staat worden toegestaan, heeft derhalve geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van reclamant of het gebruik van derden van zijn perceel. Overigens kan altijd een verzoek om planschade worden ingediend. Vergroting van de W2-bestemming zou een verdere inbreuk op de groenzone betekenen. Dit wil de gemeente voorkomen.

7.

144

8. 9.

10.

11.

12.

13.

14. 15. 16. 17.

18.

19. 20. 21.

De aanduiding P zal op de plankaart verplaatst worden. De beoogde artsenpraktijk past qua functie binnen de stedenbouwkundige visie van de gemeente met betrekking tot de Vlietwegzone (zone met enige intensivering van het gebruik van (bestaande) bebouwing, lichte bedrijvigheid en beroepen-aan-huis). De artsenpraktijk was echter niet volgens de voorschriften in deze zone toegestaan, waardoor de gemeente voor deze praktijk een aparte regeling in het bestemmingsplan heeft getroffen. De groenzone speelt nauwelijks een rol bij de compensatie: de groenzone kent geen compensatiedoel. De woningbouw in de UGW-bestemming en wijzigingsgebied III hebben weinig invloed op het totale ruimtebeslag dat de nieuwe functies in de Oostvlietpolder (bedrijvenpark, volkstuinen) in beslag nemen en daarmee gepaard gaande ruimtelijke effecten. Verwezen wordt tevens naar de beantwoording van zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar punt 10 en de beantwoording van zienswijze 2.1.f. Het bestemmingsplan maakt door de komst van het bedrijvenpark en het beperkte aantal woningen inderdaad een verdere verstedelijking mogelijk. De cultuurhistorische waarde van de Vlietwegzone zal niet worden benadeeld door de komst van de woningen. Ook ten aanzien van de landschappelijke aspecten zijn er, naast de komst van het bedrijvenpark, weinig meer nadelige landschappelijke effecten door de woningbouwmogelijkheden. Voor de verhouding tot het bufferzonebeleid wordt verwezen naar zienswijze 2.1.a. en punt 10. De groenzone heeft geen ecologische functie meer, maar een functie als overgangszone. De bestaande volkstuinen en recreatiewoningen passen binnen een dergelijke bestemming. Er is derhalve dan ook geen reden om deze weg te bestemmen. In de groenzone zijn alleen de bestaande volkstuinen en recreatiewoningen toegestaan. De recreatieve functie van de Vlietweg wordt niet aangetast door een eventuele ontsluiting van de nieuw te bouwen woningen via de Vlietweg (deze ontsluiting wordt overigens niet in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt), en door het volkstuinencomplex (verwezen wordt naar zienswijze 2.2.b.): recreatief (fiets)verkeer blijft mogelijk op de Vlietweg. De cultuurhistorische waarde van de Vlietwegzone zal niet worden benadeeld door een eventuele nieuwe ontsluitingsweg. Ook ten aanzien van de landschappelijke aspecten zijn er naast de komst van het bedrijvenpark weinig meer nadelige landschappelijke effecten door de genoemde ontsluitingsmogelijkheden. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.2.b. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.1.h. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.1.h. Het versmallen van de ecologische zone in een beperkt deel van het plangebied levert geen beperkingen op voor het functioneren van dit gebied als doorlopende verbindingszone. De ecologische kwaliteit van de gehele Oostvlietpolder zal dien ten gevolge niet afnemen. Ook de landschappelijke en recreatieve functie van de zone zal behouden blijven, ondanks de versmalling. De (beperkte) versmalling van de ecologische zone is dus niet in strijd met de doelstellingen van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt gestreefd naar een goede waterkwaliteit voor de ecologische zone. Dit streven komt op verschillende manieren tot uitdrukking. In het bedrijvenpark zal een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel worden opgenomen, in combinatie met het afkoppelen van schoon dakoppervlak. Door in de ecologische verbindingszone, het bedrijvenpark, het volkstuinengebied en het woongebied robuuste watergangen te creëren, wordt de huidige waterkwaliteit beduidend verbeterd. Incidenten als het vrijkomen van bluswater op het bedrijventerrein zijn niet te voorkomen, maar zullen, zoals het woord reeds aangeeft, slechts incidenteel voorkomen. Het aangegeven ambitieniveau van de ecologische zone zal gehaald worden. De op- en afritten van de Vlietweg en Vrouwenweg zullen in combinatie met de nieuwe aansluiting op de Europaweg worden bekeken. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.8.c., 3.1.5., 3.2.3., 3.13. In het bestemmingsplan wordt het niet mogelijk gemaakt dat de ontsluitingsweg van het bedrijvenpark richting Europaweg ter plaatse van de ecologische zone plaatsvindt: de betreffende ontsluitingsweg kan 120 m aan weerszijden van de aanduiding op de plankaart verplaatst worden, echter binnen de UBbestemming en niet binnen de ecologische zone.

145 Nr. Dnst. . . : 03.0178 : BOWO

22.

23.

24. 25. 26. 27.

28.

29. 30. 31. 32.

33. 34.

Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1.e.3. en 2.1.e.4. en 3.1.4.b. Er is langs de Hofvlietweg wel een groenzone opgenomen in de UB-bestemming met een afwisselende breedte. Dit is opgenomen in voorschrift UB lid 2 sub i. Dit zal worden verduidelijkt in dit voorschrift. Ook op andere manieren wordt een zichtlocatie langs de A4 voorkomen. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.e.3. en 2.1.e.4. . Op één locatie zal er een doorsteek door de groene afschermende zone langs de Hofvlietweg gemaakt worden ter ontsluiting van het bedrijvenpark. . Dit bestemmingsplan is juist afgestemd op het ontwerp-Tracébesluit A4. . Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.e.3. en 2.1.e.4. . Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.1.3.d. en 3.5.k. De gemeente ziet geen verband met de mening van reclamant en het feit dat de gemeente niet met het bestemmingsplan wil wachten tot het vaststellen van de Vijfde Nota. De gemeente heeft zeer veel aandacht besteed aan het provinciaal en rijksbeleid. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar de beantwoording van de punten a tot en met f. De gemeente blijft bij de zorgvuldig ingerichte opzet van de Oostvlietpolder zoals verwoord in het bestemmingsplan. Het klopt dat in de notitie Inspraak en Overleg abusievelijk aan wordt gegeven dat het gebied tussen de Vrouwenweg en Europaweg een agrarische bestemming krijgt. Eveneens is het correct dat er in dit bestemmingsplan nog geen compensatie plaats zal vinden van de 5 ha bedrijventerrein die in het voorontwerpbestemmingsplan in de zone Europaweg-Vrouwenweg was gepland. Zie beantwoording d. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 2.1.e.3., 2.1.e.4. en 3.1.4.a. In de voorschriften van de UB-bestemming zijn uitwerkingsregels ten aanzien van de Hofvlietzone opgenomen. In het uitwerkingsplan zal hier meer aandacht aan worden besteed. Voor de economische noodzaak van het bedrijvenpark wordt verwezen naar de beantwoording op zienswijze 3.1.2. en 3.2.2. Een ander doel van het plan is sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling de Vlietweg. Reclamant heeft gelijk dat hiervoor geen bedrijvenpark nodig is. Het ene doel sluit het andere echter niet uit. Bij de milieuzonering is rekening gehouden met gevoelige functies en omwonenden in de omgeving. Ook aan geluids- en luchtkwaliteitsaspecten vanuit wegverkeer is voldoende aandacht in het bestemmingsplan besteed. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.2.3.a. en 3.24.d. De passage 6.5.4. "wegverkeerslawaai" zal nader worden bekeken op tegenstrijdigheden. Er zijn nog geen concrete bouwplannen voor het bedrijvenpark. Bovendien dient er nog een uitwerkingsplan opgesteld te worden. Hierin zal meer aandacht worden besteed aan dergelijke aspecten. Het bestemmingsplan is niet in strijd met het streekplan: de in het streekplan genoemde verkeersverbindingen worden in dit bestemmingsplan niet onmogelijk gemaakt, door ter plaatse geen bebouwing toe te staan. De gemeente neemt aan dat reclamant bezwaar heeft tegen het feit dat de verbreding van de Europaweg ten koste gaat van de ecologische zone, groene zone en de UB-bestemming. Indien de Europaweg wordt verbreed is het verlies aan oppervlakte in de ecologische en groenzone zo gering dat dit geen gevolgen heeft voor de compensatietaakstelling in dit bestemmingsplan. Zoals reeds eerder is aangegeven speelt de groenzone nauwelijks een rol bij de compensatietaakstelling. Het in de ecologische zone bestemde deel voor de verbreding van de Europaweg betreft 2,5% van de totale oppervlakte van de ecologische zone. Dit deel is in zijn totaliteit niet geheel nodig voor de verbreding van de Europaweg. Daarnaast kan de vormgeving van de verbreding een mogelijk effect op de ecologische zone verder verkleinen. De gemeente zal de plankaart op dit punt aanpassen. Maatregelen in het kader van het verdrag van Kyoto dienen voornamelijk op nationaal niveau te geschieden. Het verdrag van Kyoto is in ieder geval geen reden om af te zien van realisatie van het bedrijvenpark. Tevens is in het bestemmingsplan voldoende aandacht aan luchtkwaliteit en wegverkeerslawaai geschonken.

146

35. Vervoersmanagement zal bij de nadere uitwerking van de plannen en bij de realisering van het bedrijvenpark nader aandacht behoeven. 36. Ten opzichte van het huidige gebruik zal de extra barrièrewerking verwaarloosbaar zijn, mede gelet op het ambitieniveau van de ecologische zone (het is geen provinciale ecologische verbindingszone). 37. In het bestemmingsplan is voldoende aandacht besteed aan natuurcompensatie en de ecologische verbindingszone door het bedrijvenpark. Het functioneren van de ecologische zone is met name afhankelijk van de waterkwaliteit in het gebied. Hieraan is in het bestemmingsplan voldoende aandacht besteed. De moerasnatuur die in de ecologische zone zal worden gerealiseerd, is niet zo verstoringsgevoelig. Daarnaast heeft de ecologische zone ter hoogte van het bedrijvenpark een breedte van 50 m. De ecologische zone zal, ondanks de aanwezigheid van het bedrijvenpark in de directe omgeving, derhalve voldoen aan het gestelde ambitieniveau. 38. Ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan wordt ook bruto 6 ha minder bedrijvenpark mogelijk gemaakt. 39. De bodemverontreiniging ter plaatse van het pad komt alleen voor in de grond. Verspreiding van deze verontreiniging zal niet plaatsvinden, zolang het grondwater niet in contact komt met deze verontreiniging. Hier zal bij de verdere inrichting en uitwerking van het gebied rekening mee worden gehouden. Bij de te nemen (waterhuishoudkundige) maatregelen zal rekening worden gehouden met deze bodemverontreiniging (afplaggen en peilverhoging niet in de omgeving van de verontreiniging). Voordat begonnen wordt met de inrichting van het weidevogelgebied en de waterhuishoudkundige maatregelen, dient eerst het terrein van het gasdrukregel- en meetstation gesaneerd te zijn. In het algemeen kan gesteld worden dat de onderzoeken die zijn uitgevoerd voldoende zijn voor wijziging van het bestemmingsplan. Meerdere percelen zijn geen eigendom van de gemeente. Grondeigenaren dienen toestemming te geven voor het uitvoeren van de betreffende bodemonderzoeken. Omdat verschillende eigenaren hiervoor geen toestemming hebben gegeven, kan de gemeente pas bodemonderzoek uit laten voeren op het moment dat zij de grond in eigendom heeft. De toelichting van het bestemmingsplan zal hierop worden aangepast. 40. Verwezen wordt naar antwoord 19. 41. Er is geen sprake van solitaire windturbines, maar windturbines in een lijnopstelling, gelet op de combinatie van de windturbines met de gemeente Zoeterwoude. De locatie van de Oostvlietpolder voldoet aan de locatiecriteria die in de ontwerp Nota WERVEL zijn opgenomen. De milieueffecten van windturbines kunnen pas in beeld worden gebracht indien concrete plannen worden ingediend (afhankelijk bijvoorbeeld van vermogen en de technische ontwikkeling). Bij het verlenen van vrijstelling zal hier nader aandacht aan worden besteed. In de Notitie Inspraak en Overleg is reeds uitgebreid ingegaan op de invloed van windturbines op natuur: De verstoringsinvloed van windturbines op weidevogels bedraagt gemiddeld 250 m, zodat de meest waardevolle weidevogelgebieden niet beïnvloed worden. De turbines worden ook niet geplaatst in vogeltrekroutes of dagelijkse vliegroutes tussen rust- en foerageergebieden. In de uitgave van Novem "Met de wind in de rug" (2002) wordt ook ingegaan op de effecten van windturbines op vogels. Na vele jaren onderzoek en ervaring blijken de effecten van windturbines op vogels mee te vallen. Dat wil niet zeggen dat er geen enkele strijdigheid zou bestaan. Deskundigen schatten het aantal vogelslachtoffers op gemiddeld 21 per jaar per MW (megawatt) geplaatst turbinevermogen. Dat is gering in verhouding tot het aantal slachtoffers dat valt door andere oorzaken. Zo ligt de doodsoorzaak van vogels van jacht, hoogspanning en verkeer vele (tientallen) malen hoger (Projectbureau Duurzame Energie, windenergie en vogels, 1999). Bij windturbines vallen de meeste vogelslachtoffers 's nachts, tijdens schemering en bij slecht weer. In vogeltrekgebieden is het mogelijk windturbines tijdens die momenten stil te zetten. In gebieden waar horizonverlichting en verstorende landschapselementen in de nabijheid van het windpark zijn, vallen er relatief minder slachtoffers. Windturbines kunnen ook effect hebben op rust- en foerageergedrag van vogels. Uit radarwaarnemingen blijkt dat rustende en foeragerende vogels over gebiedskennis beschikken. Hierdoor kunnen zij windturbines effectief mijden. Bij goed zicht vliegen vogels tussen de turbines van een windpark door, terwijl ze bij slecht zicht om het gehele park heengaan. Dit verklaart waarom het aantal vogelslachtoffers vrij gering is.

147 Nr. Dnst. : 03.0178 : BOWO

42.

43. 44. 45. 46. 47. 48.

49. 50. 51. 52.

53.

Het betekent echter wel, dat een lange ononderbroken rij windturbines het leefgebied kan verkleinen of versnipperen. Dat kan met name hinderlijk zijn in foerageergebieden en vluchtplaatsen. Voor vogels in broedgebieden blijkt de plaatsing van windturbines weinig gevolgen te hebben. De locatie langs de A4 is positief beoordeeld door de Provinciale Milieufederatie en de Stichting Natuur en Milieu in hun brochure "Frisse wind door Nederland" (april, 2000). Daarnaast blijkt uit de weidevogelinventarisatie uit 1997 (bron: provincie Zuid-Holland) en de broedvogelinventarisatie uit 2002 (bron: RBOI) dat veruit de grootste aantallen weidevogels zich in het meest zuidwestelijke deel van de polder bevinden. De windturbines worden daarom ook nabij de A4 geplaatst. Tenslotte wordt vermeld dat voor het plaatsen van windturbines het noodzakelijk is een bouwvergunning aan te vragen, een meldingsprocedure bij de Milieudienst te doorlopen en ontheffing bij Rijkswaterstaat te krijgen. De vergunningaanvragen kunnen eventueel vergezeld gaan van onderzoek naar vogelhinder. De windturbinelocatie is opgenomen in de nota WERVEL (zie thema 2.1), Hierbij zijn vanuit landschap vooraf waardevolle gebieden uitgesloten voor plaatsing van windturbines. De Oostvlietpolder behoort niet tot een dergelijke locatie. Bij de categorieën locaties waar opstellingen van windturbines wel wenselijk zijn, is ook landschap in de afweging meegenomen. De gemeente ziet in het vastgestelde streekplan geen aanleiding te komen tot een andere beleidsafweging of berekening (behalve voor het gebied tussen de Europaweg en Vrouwenweg). Wel zal de prognose uit het streekplan aangaande de behoefte aan bedrijventerreinen nog over worden genomen in de toelichting van het bestemmingsplan. De gemeente begrijpt niet geheel wat reclamant bedoeld met optredende verschillen in percentages. Voorzover het streekplan aanleiding gaf tot wijzigingen in het bestemmingsplan, zijn deze verwerkt. In het bestemmingsplan is aangegeven welke gevolgen de uitspraak van de ABRvS voor het op te stellen bestemmingsplan heeft gehad. Verwezen wordt tevens naar de beantwoording van zienswijze 2.1.a. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.9.a. De gemeente betreurt deze onduidelijkheid. In het bestemmingsplan wordt een hoogte van 12 m mogelijk gemaakt. De gemeente is van mening dat ze met het bestemmingsplan voldoet aan de randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkeling Het bedrijvenpark in de Oostvlietpolder is een regionaal bedrijvenpark, waardoor niet alleen de gemeente Leiden van de werkgelegenheid zal profiteren. In die zin kan dus niet worden gegarandeerd dat alleen Leidse bedrijven en burgers gebaat zijn bij dit plan. De gemeente weet hoe belangrijk de Oostvlietpolder voor de inwoners van de gemeente is, maar heeft na een zorgvuldige belangenafweging toch besloten om in een deel van deze polder een bedrijvenpark mogelijk te maken. Alhoewel het plan inderdaad binnen bepaalde termijnen dient te worden vastgesteld, is de gemeente Leiden niet van mening dat dit gevolgen heeft voor de kwaliteit van het bestemmingsplan op zich en de belangenafweging die de gemeente Leiden heeft gemaakt. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.1.1.d. De woonfunctie langs de Vlietweg komt niet in gevaar door de ruimtelijke ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 3.5.p. De gemeente Leiden wil graag een gebied in zijn geheel ontwikkelen in het kader van een visie op het gehele gebied, zoals in de Oostvlietpolder is gebeurd. Derhalve zijn in het verleden mogelijk plannen van bewoners niet doorgegaan omtrent woningbouw in het gebied. De gemeente betreurt het dat reclamant hierdoor op een dermate wijze reageert. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 3.5.p. Inzichten, analyses en beleidskaders zijn onderhevig aan veranderingen in tijd en in beleid, juist in een gebied als de Oostvlietpolder waar een grote druk vanuit verschillende functies op ligt. Overigens is de gemeente op hoofdlijnen niet van gedachte veranderd over de invulling van functies in de Oostvlietpolder (bedrijvenpark, volkstuinen, natuur).

148

54. Het deel "en den" zal worden verwijderd. 55. Dit zal worden aangepast. 56. De schets is bedoeld om een indruk te geven van de mogelijke inrichting van het bedrijvenpark in de Oostvlietpolder. 57. Het beeldkwaliteitsplan hoeft niet gelijktijdig met het bestemmingsplan te worden opgesteld. Vanwege de korte termijn waarin het bestemmingsplan dient te worden opgesteld, heeft de gemeente ervoor gekozen momenteel haar volle aandacht op het bestemmingsplan te richten, waardoor in een later stadium de volle aandacht aan het beeldkwaliteitsplan gegeven kan worden. 58. Hier is geen sprake van. De woonfunctie in de Oostvlietpolder blijft gehandhaafd en wordt zelfs uitgebreid. 59. Verwezen wordt naar de beantwoording op zienswijze 3.2.2.d. Conclusie (opgenomen in het hoofdrapport) Een aantal zinnen waar spelfouten in staan zullen worden aangepast. De passage 6.5.4. '"wegverkeerslawaai" zal nader worden bekeken op tegenstrijdigheden. De begrenzing van de groenzone direct achter Vlietweg 2 zal worden aangepast op de plankaart. De toelichting met betrekking tot de bodemkwaliteit zal worden aangepast.