HANDREIKING DUURZAME BEDRIJVENTERREINEN LIMBURG

mei 2003

2

Inhoudsopgave
Inleiding Inkadering Duurzame bedrijventerreinen Uitgangspunt van deze handreiking Relevante onderdelen van provinciaal beleid De betrokken partijen Proces van verduurzaming in hoofdlijnen Presentatie van de thema’s 4 5 5 5 5 5 6 7

Ruimtelijke zonering Bereikbaarheid en multimodale ontsluiting Duurzaam waterbeheer Natuur en landschap Zorgvuldig ruimtegebruik Besparing, uitwisseling en duurzame opwekking energie Duurzaam bouwen Afval Vervoersmanagement Beheer

8 10 12 14 16 18 20 22 24 26

3

Inleiding
Voor u ligt de handreiking “Duurzame bedrijventerreinen” van de provincie Limburg. Hierin bundelen we kennis en ervaring over duurzame bedrijventerreinen en enthousiasmeren we gemeenten voor een gebiedsgerichte benadering van bedrijventerreinen. Het initiatief voor een dergelijke benadering is niet alleen gericht op een cosmetische verbetering, maar dient vooral als opstap voor een intensieve samenwerking tussen bedrijven en gemeente en tussen bedrijven onderling. Het document is daarom vooral een inspiratiebron; hierbij is er wel op gelet dat realistische mogelijkheden worden aangereikt. Het duurzaam ontwikkelen, inrichten en beheren van bedrijventerreinen is maatwerk en verschilt per terrein. Specifieke kansen moeten per terrein opgespoord worden. We richten ons in eerste instantie op Limburgse gemeenten. Zij zullen immers in veel gevallen het initiatief nemen voor gebiedsgerichte verduurzaming. De handreiking bevat echter ook waardevolle informatie voor bedrijven die de voordelen zien van het gezamenlijk optrekken en gebruik wensen te maken van elkaars nabijheid. U kunt het document zien als een praktische vertaling en verbeelding van het onderdeel duurzame bedrijventerreinen in de Handleiding bestemmingsplannen Limburg en van het provinciaal beleid en met name het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Voor achtergronden van het provinciaal beleid en de werkwijze verwijzen we naar deze documenten. De praktische vertaling en verbeelding inspireren tot een zoektocht naar specifieke kansen op elk terrein. Met de Provinciale Duurzaamheidscan Limburg kan op praktische wijze inzicht worden verkregen in het draagvlak
4

voor het oppakken van verschillende duurzaamheidsaspecten op een bedrijventerrein. Deze duurzaamheidscan kan besteld worden via de afdeling Stedelijke Leefomgeving van de provincie Limburg. De voorliggende handreiking beschrijft en verklaart niet uitputtend het begrip duurzaamheid, maar verwijst daarvoor naar het nationale rapport getiteld “Duurzame bedrijventerreinen, handreiking voor het management van bedrijven en overheid” uit november 1998. Ook andere algemene bronnen, zoals de Novem-uitgave ‘Werken aan duurzaamheid op bedrijventerreinen’ en de site www.duurzamebedrijventerreinen.nl worden niet elke keer geciteerd, maar worden bekend verondersteld.

Leeswijzer
Na het voorwoord volgt een inleiding waarin de vertreksituatie wordt gedefinieerd en waarin een aantal kernbegrippen kort wordt aangestipt. Vervolgens wordt per thema een beeld geschetst welke mogelijkheden voor verduurzaming er zijn. Bij elk beeld staat een toelichtende tekst met de volgende onderwerpen:
• • • • Doelstellingen en beknopte achtergrondinformatie bij het thema; Uitleg bij voorbeelden in de vorm van ‘best practices’; Proces en de belanghebbenden; Verklaring van de kernbegrippen.

Al met al ligt er een document voor dat als een goed startpunt voor kennisuitwisseling over de duurzame versterking van bedrijventerreinen kan dienen. Het blijft echter een startpunt. Benadrukt wordt dat deze handreiking geen uitputtend overzicht biedt van alle duurzaamheidsopties; het blijft maatwerk per terrein!

Inkadering
Duurzame bedrijventerreinen
Er bestaat (nog) geen “duurzaamheidsmeetlat” waarmee kan worden vastgesteld of een bedrijventerrein duurzaam is of niet. In de provinciale filosofie is een duurzaam bedrijventerrein een bedrijventerrein waarop door betrokken partijen een proces op gang is gebracht en in stand kan worden gehouden, waarmee concreet invulling wordt gegeven aan kansen voor duurzame ontwikkeling op dat terrein. Er moet dus voldoende basis zijn voor continuïteit. Partijen die samenwerken hebben hiervoor ook voldoende budget voor een langere periode. het economisch beleid en het beleid op gebied van zorg, welzijn en cultuur, die van invloed zijn op de ruimtelijke inrichting van Limburg. Het beleid voor de afzonderlijke beleidsterreinen kan zo in onderlinge samenhang worden bezien en worden vorm gegeven. In het POL wordt geconstateerd dat er voor de periode 2010 behoefte is aan extra bedrijventerrein. Deze ruimte wordt gevonden in revitalisering en uitbreiding van bestaande locaties en de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. In het POL geeft de provincie Limburg aan dat alle nieuwe en te revitaliseren bedrijventerreinen op duurzame wijze ontwikkeld, ingericht en beheerd moeten worden.

Uitgangspunt van deze handreiking
In deze handreiking nemen we als uitgangspunt een bestaand bedrijventerrein aan de rand van een kern dat binnen afzienbare termijn uitgebreid wordt. Er wordt bewust niet ingestoken op de geplande grootschalige bedrijventerreinontwikkelingen in Limburg, omdat daar al vanuit veel partijen energie gestoken wordt in de uitwerking van verschillende duurzaamheidsopties. Het gaat veel meer om de frequent voorkomende situatie van een kleinere uitbreiding van een bedrijventerrein bij de kern. Dit neemt niet weg dat de handreiking ook bruikbaar is voor situaties van nieuwe ontwikkeling en revitalisering.

De betrokken partijen
Op bedrijventerreinen zijn de belangen verdeeld over zes typen partijen, te weten de eigenaren van vastgoed, de ondernemers als hoofdgebruiker, de gemeente als beheerder van de openbare ruimte, de omwonenden, maatschappelijke organisaties en nutsbedrijven c.q. commerciële dienstverleners die het bedrijventerrein voorzien van allerhande voorzieningen, zowel wettelijk bepaalde (bijvoorbeeld gas, water, licht) als door de gebruikers gevraagde (bijvoorbeeld horeca). De belangen verschillen naargelang er sprake is van een bestaande of een nieuwe situatie. In bestaande situaties zijn vastgoedeigenaren en ondernemers dominant, in nieuwe situaties diverse maatschappelijke organisaties en omwonenden. De gemeente zal in beide situaties als publiekrechtelijk orgaan een afweging van de verschillende belangen moeten maken. Daarbij is het eigen belang als ontwikkelende partij of beheerder van de openbare ruimte maar één belang.

Relevante onderdelen van provinciaal beleid
De provincie Limburg heeft op 29 juni 2001 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) vastgesteld. In het POL is het beleid voor de fysieke omgeving in Limburg voor de komende acht jaar vastgelegd. Het POL vervangt een aantal beleidsplannen (streekplan, een milieubeleidsplan, een waterhuishoudingsplan en een verkeers- en vervoersplan) die voorheen afzonderlijk werden opgesteld. Verder bevat het POL de elementen van
5

Het proces van verduurzaming in hoofdlijnen
Om het gemeenschappelijk belang van alle partijen helder te krijgen, is een proces van communicatie en onderhandeling noodzakelijk. De praktijk leert dat een fasegewijze aanpak tot de beste resultaten leidt. In het algemeen worden zeven fasen onderscheiden, waarbij de doorlooptijd per fase afhankelijk is van de situatie ter plaatse, met name van de mate waarin al samengewerkt wordt door de partijen.

De zeven fasen zijn: voorverkenning, initiëring, oriëntatie, planvorming, vormgeving, uitvoering en beheer. Per fase zijn de rollen van de verschillende belanghebbenden anders. Voor een uitvoerige behandeling wordt verwezen naar het processchema Duurzame bedrijventerreinen van de provincie Noord-Brabant (MOLO Samenwerkingsverband, 2002).

Wat is de relatie tussen processtappen en duurzaamheidsthema’s?
Bereikbaarheid / multimodaliteit

Zorgvuldig ruimtegebruik

Duurzaam waterbeheer

Duurzame energie

Vervoersmanagement

thema’s Fase

Ruimtelijke zonering

Duurzaam bouwen

Natuur en landschap

1. Voorverkenning 2. Initiëring 3. Oriëntatie 4. Planvorming 5. Vormgeving 6. Uitvoering 7. Beheer

• •

• •

• • • •

• •

• • • • • • • •

• •

= duurzaamheidsthema dient (mede)sturend te zijn = doelstelling en kader dient voor het thema geformuleerd te worden

6

Afval

Beheer

Presentatie van de thema’s
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de relevantie van thema’s verschilt per processtap. Dit heeft te maken met het schaalniveau waarop het thema invloed heeft. Het proces van verduurzaming kent idealiter een trechtergewijze opbouw, waarbij achtereenvolgens: 1. het terrein wordt gepositioneerd in de regio (naast de marktprofilering aandacht voor de thema’s, ruimtelijke zonering en bereikbaarheid); 2. de begrenzing en geleding van het terrein helder wordt gemaakt (de thema’s: water, landschap, ruimtegebruik); 3. bijzondere objecten en voorzieningen worden ingepast (de thema’s: energie, afval, duurzaam bouwen) en; 4. samenwerkingsmogelijkheden worden uitgebouwd (de thema’s: vervoersmanagement, beheerorganisatie). Deze trechtergewijze opbouw komt ook tot uitdrukking in de onderstaande behandeling van de thema’s en de gehanteerde volgorde van de thema’s. Daarbij wordt een situatie geïntroduceerd van een bestaand bedrijventerrein, grenzend aan een woonwijk en ontsloten door een hoofdweg, dat in de komende tijd uitgebreid gaat worden. De duurzaamheidsopties worden voor het bestaande terrein en de uitbreiding daarvan themagewijs in beeld gebracht. Door alle thema’s over elkaar heen te leggen ontstaat een samengesteld beeld.

We willen uitdrukkelijk vermelden dat het niet noodzakelijk is alle duurzaamheidsopties in elke planvorming te gebruiken. U kunt het meer zien als een checklist van opties die eventueel nader onderzocht kunnen worden. De verschillende duurzaamheidthema’s worden weergegeven met een bepaalde kleur. Onderstaand worden in een legenda de kleur met bijbehorend thema aangegeven.
ruimtelijke zonering bereikbaarheid en multimodale ontsluiting duurzaam waterbeheer natuur en landschap zorgvuldig ruimtegebruik besparing, uitwisseling en duurzame opwekking van energie duurzaam bouwen afval vervoersmanagement beheer

Verteksituatie
7

Eindbeeld

Doelstellingen Doel van ruimtelijke zonering is het creëren van een optimale leefomgeving. Dit kan door het scheiden van functies of gebruiksmogelijkheden van de grond, die elkaar hinderen (geluid, geur, stof, gevaar) en het mengen van functies of gebruiksmogelijkheden die elkaar kunnen versterken. Bedrijventerreinen worden veelal gescheiden van omliggende gebieden met milieugevoelige functies (wonen, natuur). Op bedrijventerreinen kunnen vaak aparte zones onderscheiden worden vanuit (een combinatie van): • Schaalgrootte (geen bedrijf van 200 m2 naast een bedrijf van 1 hectare); • Uitstraling (geen kantoorachtig pand naast open opslag); • Milieu-intensiteit (geen licht bedrijf te midden van zware kapitaalintensieve bedrijven); • Bedrijfsactiviteit (vervoerders en verladers op hetzelfde terrein). Echter, het onderscheid in zones is alleen zinvol als de zones tegelijkertijd (fasering!) in de markt kunnen worden aangeboden tegen verschillende voorwaarden (prijs, kwaliteitseisen). Proces en instrumentarium Het bestemmingsplan is hét instrument in de ruimtelijke ordening voor de preventieve regulering van de milieuzonering. Dit geldt vooral voor nieuwe situaties. Met de bestemming van de gronden wordt de afstemming tussen belastende en gevoelige functies vastgelegd. De belangrijkste speler is de gemeente die het bestemmingsplan vaststelt. De meest gangbare en gebruikte methode daarbij is die zoals beschreven in de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2001). Verder speelt ook de provincie een belangrijke rol. Hiervoor kunnen ze het streekplan en de daaraan gekoppelde goedkeuringsprocedure in het bestemmingsplan gebruiken. Vervolgens speelt de milieuvergunningverlening en handhaving een belangrijke rol. Veel bedrijven in Nederland hebben een milieuvergunning nodig (Wet milieubeheer). In zo’n vergunning, die ook in bestaande situaties gebruikt wordt, ligt vast welke maatregelen genomen moeten worden om de overlast (geluid, stof, geur en veiligheid) voor het milieu en de omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Er kan onderscheid gemaakt worden in vergunningplichtige en meldingsplichtige bedrijven. Aan zowel het bestemmingsplan als de milieuvergunningverlening is een publiekrechtelijke, wettelijk vastgelegde procedure gekoppeld.

Kernbegrippen • Ruimtelijke zonering: een middel voor het invullen en beheren van de ruimte, waarbij een scheiding wordt gemaakt tussen verschillende functies of gebruiksmogelijkheden van de grond; • Milieuzonering: het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit; • Milieubelastende functies: bedrijven die overlast veroorzaken (geur, stof, hinder, gevaar) voor de omgeving, zoals zware industrie; • Milieugevoelige functies: functies die hinder ondervinden van milieubelastende functies, zoals wonen, natuur, recreatieve voorzieningen.

Voorbeelden • De gemeente Cranendonck heeft voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Airpark (uitbreiding van 20 hectare op afstand van de woonkernen) een bestemmingsplan opgesteld, waar alleen bedrijven in de milieucategorie 3 en 4 alsmede grote bedrijven in de milieucategorie 2 worden toegelaten. Kleinere en lichtere bedrijven zullen een plek moeten vinden in de kern of op het bestaande binnenwijkse bedrijventerrein aan de rand van Budel. • Het terrein Tradeport Noord in Venlo is verdeeld in twee deelgebieden: een deel is bestemd voor transportbedrijven en zwaardere industrie, het andere deel krijgt een parkachtige uitstraling met voornamelijk kantoren. Beide deelgebieden worden door een groene zone van elkaar gescheiden; deze zone valt samen met de Ecologische Hoofdstructuur. Beide deelgebieden worden gelijktijdig op de markt gebracht. • De gemeente Helmond heeft voor bedrijventerrein BZOB een interne zonering opgesteld. Op basis van uitstraling en milieucategorie is het terrein verdeeld in verschillende segmenten (segmenteren binnen bedrijventerreinen) en is aangegeven welke bedrijven zich daar mogen vestigen. Hieraan is ook een uitgiftestrategie gekoppeld. Meer informatie, o.a.: • Bedrijven en milieuzonering, VNG, 2001. • Handreiking ruimtelijke kwaliteit op bedrijventerreinen, Architecture Research Institute, 2002. • www.mep.tno.nl

Ruimtelijke zonering

“Het bedrijventerrein Airpark, vlakbij het vliegveld, ligt op enige afstand van de woonkernen. Conform het beleid is er een maximum verbonden aan de milieucategorie (maximaal 4) en de omvang van bedrijven (maximaal 5.000 m2). Wij hebben er ook voor gekozen een minimum te hanteren. Bedrijven in milieucategorie 1 en kleine bedrijven in milieucategorie 2 zijn uitgesloten. Hiermee wordt het stedenbouwkundig beeld van Airpark versterkt. We richten ons actief op de bestaande terreinen in de kern, als vestigingsplaats voor de kleinere bedrijven. Hierdoor komt het juiste bedrijf op de juiste plaats”.
Mevrouw R. Claes-Jongma, gemeente Cranendonck.

Doelstellingen Het overkoepelende doel bij het thema ‘bereikbaarheid en multimodale ontsluiting’ is de bereikbaarheid van het bedrijventerrein te optimaliseren. Dit kan gerealiseerd worden door: • Het voorkomen van onnodige vervoersbewegingen per (vracht)auto door een efficiënte logistiek; • Het gebruik van andere vervoerswijzen voor goederentransport (spoor, water, buisleidingen, telecommunicatie); • Het gebruik van fiets en openbaar vervoer voor woon-werkverkeer; • Het verbeteren van de doorstroming op de toeleidende routes dan wel het completeren van de wegeninfrastructuur door aanleg van ontbrekende schakels. De ruimtelijke zonering van een terrein (soort bedrijvigheid en de situering ervan) bepaalt in hoge mate de consequenties voor verkeer en milieu. Bij de keuze van de vestigingsplaats kijken bedrijven in de eerste plaats of de locatie centraal en bereikbaar ligt ten opzichte van afnemers, toeleveranciers en personeel. Als een de locatie aansluiting heeft op andere vervoerswijzen is dat een ander belangrijk argument bij de keuze. Dit argument kan worden uitgebuit door die aansluiting te optimaliseren. Het aanbod van andere vervoerswijzen zal dan wel zoveel mogelijk concurrerend moeten zijn voor wat betreft toegankelijkheid en prijs-kwaliteitsverhouding. Omdat in veel gevallen het voor- of natransport van goederen per vrachtauto gaat, mag de bereikbaarheid per vrachtauto er echter niet onder lijden. Proces en instrumentarium Inzicht in de aard en omvang van vervoersstromen is zowel in het begin- als in het eindstadium van een ontwikkelings- of herstructureringsproject noodzakelijk. Een mobiliteitstoets zoals VPL of LTB (zie kernbegrippen) kan als hulpmiddel dienen bij het (her)ontwerp van een terrein. Het streven is een terrein zo in te richten dat het voor verladers en vervoerders logisch en interessant is andere vervoerswijzen te kiezen boven de vrachtauto. Ook voor het personeel moet logisch en interessant zijn om de fiets of het openbaar vervoer te gebruiken. Op structuurniveau gaat het om de keuze voor aansluitpunten van andere vervoerswijzen c.q. de halteplaatsen voor openbaar vervoer en de mate waarin de mogelijkheid wordt gecreëerd om de andere vervoerswijzen te gebruiken. De ligging van een bedrijventerrein langs een kanaal heeft alleen meerwaarde als er een op- en overslagpunt weg-water is (terminal). Op inrichtingsniveau gaat het erom de bereikbaarheid van de gekozen aansluitpunten te optimaliseren met een duidelijke route en bewegwijzering en door het comfort voor langzaam verkeer te vergroten (route en stallingsmogelijkheden).

Kernbegrippen • Multimodaal goederentransport: keten van goederenstromen via verschillende vervoerswijzen (weg, water, rail, lucht); • Efficiënt goederentransport: samenwerking tussen bedrijven bij het combineren van vrachten en het combineren van heen- en terugladingen, zodat de capaciteit van vrachtwagens en binnenschepen optimaal benut wordt; • Mobiliteitstoets • VervoersPrestatie op Locatie (VPL): een mobiliteitstoets die moet bevorderen dat er in de planontwikkeling structureel aandacht ontstaat voor de kwaliteit van de leefomgeving; • Logistieke Toets Bedrijventerreinen (LTB): een mobiliteitstoets die tijdens de (her)inrichting van een bedrijventerrein inzicht moet bieden in de consequenties van verschillende inrichtingsvarianten op verkeersstromen en milieu. Voorbeelden • Op het terrein Holtum-Noord in Born wordt een logistiek concept tot stand gebracht, bestaande uit faciliteiten voor overslag en transport van goederen over weg, water en spoor, opslag van goederen en bewerking van goederen. Om met name de multimodale mogelijkheden van de locatie optimaal te benutten, wordt de insteekhaven zo gereconstrueerd dat er ruimte is voor twee ladende of lossende schepen; deze ingreep is nodig om de behoefte aan overslagruimte op te vangen. • Het bedrijfsterreinencomplex van DSM is met de fiets goed te bereiken. Door middel van regelingen in de CAO op te nemen worden werknemers gestimuleerd om met de fiets te gaan. Een beveiligde fietsenstalling draagt tevens bij aan het comfort van de fietser. Meer informatie, o.a.: www.ebit.novem.nl www.transactie-modalhift.nl www.duurzamelogistiek.nl www.duurzamedistributie.nl www.verkeerskunde.nl

Bereikbaarheid en multimodale ontsluiting

“Van groot belang is dat er een goede visie over functionaliteit en bereikbaarheid voorligt. Bij de realisatie van die visie dient niet te hoog / te ambitieus te worden ingestoken. Bescheidenheid is een succesbepalende factor: een duurzaam logistiek concept is niet van de ene op de andere dag te realiseren, te hoge ambities verkleinen de slagingskans van een project. Succesvolle realisatie van een duurzaam logistiek concept vergt visie, inspiratie en vooral veel transpiratie.”
De heer drs. N.G.H. Simons, directeur Grond Exploitatie Maatschappij Holtum Noord II BV

Doelstellingen Voor duurzaam waterbeheer op bedrijventerreinen kunnen vier doelen benoemd worden: • Het voorkomen van wateroverlast door het bufferen van gebiedseigen water (brongericht) en waterkering (effectgericht); • Het beperken van het gebruik van schoon water (drinkwater, grondwater). Dit kan door waar mogelijk een lagere kwaliteit water (hemelwater, oppervlaktewater, hergebruikt water) te gebruiken. Bijvoorbeeld bij koelen, spoelen en schoonmaken; • Het verbeteren van de ecologische kwaliteit van het water op en rond het terrein door vergroting van de doorstroming (geen stilstaand water, biologische zuivering); • Het verminderen van het gebruik van water als afvaltransportmiddel in het riool. Door schone verharde oppervlakten van het riool af te koppelen en het hemelwater directe infiltratie dan wel tijdelijk te bufferen. Daarnaast kan water op bedrijventerreinen nog op andere fronten een belangrijke rol spelen, onder meer: • Als transportmiddel voor goederen (kanalen, rivieren); • Als brandbestrijdingsmiddel (gebufferd water in de directe nabijheid); • Als esthetische omgevingskwaliteit voor gebouwen (vijvers en waterpartijen). Proces en instrumentarium Waterschap en zuiveringsschap zijn belangrijke spelers in duurzaam waterbeheer. Zij hebben de wettelijke taak ervoor te zorgen dat de kwantiteit en de kwaliteit van het water in de waterlopen op orde blijft. Met name bij de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen speelt water een belangrijke rol. Het is verstandig om aan het begin van de planvorming het waterschap te consulteren over de eisen die ze aan de waterhuishouding stelt. Gebruikelijke eisen zijn: een percentage open water in het plangebied om het regenwater te bufferen, een minimale doorstroming in de waterlopen, een percentage natuurvriendelijke oevers (zonder steil talud). Streven is een gebiedseigen watersysteem, waarbij het water pas na zuivering in het hogere watersysteem wordt ingelaten. Dit is alleen te bereiken als het waterschap actief bij de planvorming betrokken is. Bij bestaande bedrijventerreinen zijn de mogelijkheden om in te grijpen in het natuurlijke watersysteem veel minder groot. Omdat de grootste resultaten in het verbruik van het water te behalen zijn, zijn de grote waterverbruikers en de waterleidingmaatschappij belangrijke spelers. De vraag is dan aan de orde of er behoefte is aan water van lagere kwaliteit (e-water) en in hoeverre nabijgelegen oppervlaktewater of hemelwater in die behoefte kan voorzien. Een verbruik van minimaal 100.000 m3 per jaar biedt kansen voor een e-watersysteem.

Kernbegrippen • Oppervlaktewater: het samenhangend geheel van water, waterbodem, oevers, technische infrastructuur en de biologische component; • Proceswater: water dat gebruikt wordt als medium of als grondstof in het productieproces; • Hemelwater: water dat middels natuurlijke kringloop tot ieders beschikking komt; • Grondwater: water beneden het aardoppervlak, meestal beperkt tot water beneden de grondwaterspiegel; • Buffering: het (tijdelijk) opslaan van een teveel aan water, waarop een beroep gedaan kan worden in een situatie van watertekort; • E-water: water van een lagere kwaliteit dan drinkwater. Dit kan voor specifieke doeleinden gebruikt worden (spoelen, schoonmaken etc.). Voorbeelden • Het waterbeheer van twee bedrijven aan de Maas in Maastricht (Sappi en Ciba) is zo aan elkaar gekoppeld dat minder grondwater wordt onttrokken en minder afvalwater wordt afgevoerd. Het nitraatrijke afvalwater van Ciba wordt als zuurstofbron voor het bacteriële afbraakproces van het afvalwater van Sappi gebruikt. Het gezuiverde e-water van Sappi wordt als proceswater door Ciba gebruikt. De capaciteit van installaties wordt hierdoor optimaal benut en beide bedrijven besparen kosten. • Om een (te) snelle afvoer van regenwater naar het riool te voorkomen, wordt al het regenwater dat op het dak van de Hogeschool Zuyd in Heerlen valt, opgevangen. Het regenwater loopt via een filter naar een opvangtank onder het gebouw, waarna het dient als spoelwater voor de toiletten (waterbesparing 10.000 m? per jaar). De rest van het regenwater wordt naar vijvers op het voorterrein en de blusvijver afgevoerd. De vijvers dienen tevens als tijdelijke buffer voor de infiltratie van regenwater. • Op bedrijvenstad Fortuna te Sittard moet ieder bedrijf over een sprinklerinstallatie beschikken in verband met de brandveiligheid van dit intensief bebouwde terrein. Op het terrein is een centraal bekken gelegen waarin regenwater wordt opgevangen. Dit centrale bekken dient als een reservoir voor blus- en industriewater en voor de opvang van hemelwater van de daken en de straten. Met het centrale bekken is een ruimtewinst behaald van circa 1 hectare op een bedrijventerrein van 46 hectare. Meer informatie, o.a. • Regenwaterhandboek. Mogelijkheden voor regenwatergebruik in utiliteitsgebouwen, opMAAT, 1994. • Handboek Ruimtelijke Ordening en Milieu, editie 2000-2001, Samsom, 2001.

Duurzaam waterbeheer

“De goede relatie die onze gemeente heeft met het Weertse bedrijfsleven speelde een belangrijke rol bij het E-waterproject op het bedrijventerrein de Kempen. We hadden altijd al regelmatig contact met de bedrijven. Zo konden we een op een vroegtijdig moment Waterleidingmaatschappij Limburg en de bedrijven op het bedrijventerrein met elkaar in contact brengen. Deze vroegtijdige en intensieve samenwerking was een belangrijke factor voor de succesvolle realisatie van het project. Het e-water wordt thans gebruikt voor laagwaardige toepassingen op het bedrijventerrein (koelen proceswater, toiletwater en sproeiwater). De diversiteit in het watergebruik heeft per saldo tot een flinke milieubesparing geleid.”
De heer H. Sonnemans, Hoofd Milieu en Bouwzaken, gemeente Weert en projectleider E-waterproject.

Doelstellingen De aandacht voor natuur en landschap bij de (her)inrichting van een bedrijventerrein is gericht op: • de waarden in de omgeving te behouden of te verbeteren; dit kunnen natuuren landschapswaarden vanuit het buitengebied zijn (openheid, bomenstructuur, broedplaatsen, etc.) of stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden vanuit de bebouwde omgeving zijn (historische routes, laanstructuren, etc.); • de uitstraling van het terrein vorm te geven; een representatieve omgeving is een belangrijk criterium bij de keuze van de vestigingslocatie van een bedrijf (in het oog springende bedrijfsgebouwen op zichtlocaties langs wegen worden niet meer positief gewaardeerd). Proces en instrumentarium Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen is er vaak nauwelijks aandacht voor natuur en landschap. Ze worden immers gezien als een extra kostenpost. Deze houding kan problemen opleveren met de lokale natuur- en milieugroepen en de provincie. Door echter in een vroeg stadium in het planvormingsproces actief informatie en inzichten over het gebied te verzamelen kunnen dergelijke problemen voorkomen worden. Deze informatie en inzichten in de natuur- en landschapsstructuur leiden niet direct tot hogere kosten. Integendeel, door in een zo vroeg mogelijke stadium in beeld te brengen waar belangrijke kansen liggen voor natuur en landschap en waar mogelijke knelpunten zitten, kunnen functies als waterberging en uitstraling gecombineerd worden met natuur- en landschapswaarden. Vroegtijdige informatie is des te meer van belang als er op de beoogde locatie beschermde flora en fauna en/of bestaande beplantingen aanwezig zijn. Voor beschermde soorten dienen procedures gevolgd te worden in het kader van de Flora- en faunawet, de Boswet en/of de provinciale natuurcompensatieregeling. Het is van belang deze procedures in te gaan met inzicht in de situatie en met steun van lokale milieugroeperingen. Vaak kan veel goodwill verkregen worden door relatief beperkte ingrepen ten bate van natuur en landschap in het plan op te nemen. Bijvoorbeeld vleermuizenkasten, handhaving of verplaatsing van oude bomen, aanleg van een amfibieënpoel, natuurvriendelijke inrichting van een wateropslaggebied, gebruik inheemse soorten in het beplantingsplan, aanplant besdragende struiken / veel nectar producerende bomen, aanleg van een geledende groenzone die tevens als ecologische verbinding en wandelroute gebruikt kan worden.

Kernbegrippen • Actuele natuurwaarden: beschermde soorten en biotopen ter plekke en in de directe omgeving; • Te ontwikkelen natuurwaarden: ecologische verbindingen conform rijks- of provinciaal beleid; • Cultuurhistorische waarden: historische routes, oude bebouwingselementen en laanstructuren; • Visueel–landschappelijke waarden: zichtlijnen, openheid of kleinschaligheid, diversiteit in beplantingselementen, relaties tussen bebouwing en omgeving. Voorbeelden • Op het terrein Holtum-Noord in Born wordt een watergang om het terrein aangelegd die zowel zorgt voor een landschappelijke inpassing en waterberging als voor beveiliging. De watergang wordt rechts twee keer doorbroken voor de toegang tot het terrein, zodat een goede beveiliging mogelijk wordt. • De gemeente Maastricht ontwikkelt samen met de gemeente Eijsden het bedrijventerrein Maastricht/Eijsden. De locatie sluit direct aan bij het stedelijk gebied, maar ligt in het overgangsgebied van stad en rivierzone naar het Limburgse heuvelland. Bij de ontwikkeling wordt dan ook bijzondere aandacht gegeven aan de aanwezige natuur- en landschapswaarden. • De Philips-High-tech Campus in Eindhoven is in zijn geheel in een groene setting neergezet. Langs de snelweg zijn onlangs groene geluidswanden neergezet. Daarnaast zijn er ook parkeergarages ontwikkeld met een groene uitstraling. De wanden van de parkeergarage zijn beplant waardoor het geheel een groen aanzicht krijgt. Meer informatie, o.a.: • Nota Natuur en landschapsbeheer 2000-2010, Provincie Limburg, februari 1999. • Natuurcompensatieregeling Limburg, Provincie Limburg, november 2002. • Handreiking ruimtelijke kwaliteit op bedrijventerreinen, Architecture Research Institute, 2002. • Handboek Ruimtelijke Ordening en Milieu, editie 2000-2001, Samsom, 2001.

Natuur en landschap

“Landschappelijke inpassing lijkt op de eerste plaats een kostenfactor, maar blijkt uiteindelijk een zeer belangrijk acquisitieinstrument te zijn. Bedrijven zitten graag in een representatieve, parkachtige omgeving, dus het loont de moeite hieraan nadrukkelijk aandacht te besteden bij de duurzame ontwikkeling van een bedrijventerrein.”
De heer H. Hardy, directeur van bedrijventerrein Avantis te Heerlen.

Doelstellingen De doelstelling van zorgvuldig ruimtegebruik is tweeledig: • de ruimte zo intensief/efficiënt mogelijk benutten, zodat zo min mogelijk beslag wordt gelegd op de schaarse ruimte; • de ruimte in kwalitatief opzicht beter benutten, waardoor de schaarse ruimte voor een ieder een herkenbare en gewaardeerde functie krijgt. Er zijn vier manieren om het ruimtegebruik op bedrijventerreinen te intensiveren, waarbij ook combinaties mogelijk zijn. • Intensivering van het platte vlak (horizontale dimensie); • Intensivering in de verticale dimensie: de benutting van een voor werkfuncties beschikbare vierkante meter in de hoogte of diepte (stapelen, ondergronds bouwen); • Intensivering in de vierde dimensie (of tijdsdimensie): benutting van een voor werkfuncties beschikbare vierkante meter in de tijd door meervoudig ruimtegebruik; • Indirecte intensivering: ruimtelijke clustering van gelijksoortige of elkaar aanvullende activiteiten.
Kavel en gebouw - maximaliseren bebouwd oppervlak / schakelen van gebouwen - bovengronds stapelen - onderkelderen - meervoudig ruimtegebruik/ medegebruik - samenvoegen vergelijkbare activiteiten (kantoren, distributie) Bedrijventerrein - benutten van loze ruimten - vermijden van snippergroen - gebruik maken van een tweede maaiveld - meervoudig ruimtegebruik/ medegebruik - samenvoegen soortgelijke bedrijven (bijv. autobedrijven) Kernbegrippen • Zorgvuldig ruimtegebruik: het intensiveren van het gebruik van de beschikbare ruimte. Randvoorwaarden hierbij zijn stedenbouwkundige kwaliteit, cumulatie van milieuaspecten en economisch functioneren voor wat betreft de huisvesting van bedrijven; • Innovatief ruimtegebruik: het op een innovatieve wijze omspringen met de schaarse ruimte om uiteindelijk ruimte te besparen. Innovatief ruimtegebruik kan onderverdeeld worden in intensief, selectief en hoogwaardig ruimtegebruik; • Intensief ruimtegebruik: zo efficiënt mogelijk benutten van de bruto beschikbare hoeveelheid bedrijventerrein; • Selectief ruimtegebruik: zo efficiënt mogelijke verdelen van soorten bedrijvigheid over de beschikbare hoeveelheid bedrijventerrein (-en); • Hoogwaardig ruimtegebruik: zo hoog mogelijke opbrengst per hectare bedrijventerrein bij zogeheten hoogwaardige bedrijven. Voorbeelden • Bedrijvenstad Fortuna is een uiterst compact bedrijventerrein aan de zuidwestelijke rand van Sittard. Bedrijfsgebouwen worden geschakeld, zodat vanaf de openbare weg slechts aaneengesloten voorgevels te zien zijn. De ruimten tussen de bouwblokken zijn slechts toegankelijk vanuit de bedrijven zelf. Daar wordt een ondergrondse parkeergarage gerealiseerd met daarboven op een centrale groene zone. • De planopzet van bedrijventerrein ‘De Trompet’ in Heemskerk scheidt de bedrijfsactiviteiten in het zuidelijk deel van het plangebied van een ecologische zone op een leidingenstrook aan de noordkant. Deze concentratie van het groen leidt tot een efficiënter ruimtegebruik dan snippergroen. De bebouwing voor kleine bedrijven (tot maximaal 3.000 m2) wordt geschakeld. Deze bouwblokken kennen een entree aan de voorzijde en laad- en losdeuren aan de achterzijde. Per saldo is hierdoor minder parkeerruimte en verhard oppervlak nodig. • In het distributiecentrum van Schuitema in Woerden worden supermarktprodukten opgeslagen en gesorteerd. Het grote benodigde oppervlak gecombineerd met de hoge grondprijs in de Randstad, heeft Schuitema doen besluiten te stapelen, waarbij vrachtwagens op twee niveaus kunnen laden en lossen. Meer informatie, o.a.: • Handreiking efficiënt ruimtegebruik op bedrijventerreinen, provincie Noord-Brabant en Arcadis, 1999. • www.habiforum.nl • www.cob.nl • www.dubo-centrum.nl

Horizontale dimensie

Verticale dimensie Tijdsdimensie Indirecte intensivering

Proces en instrumentarium In de planvorming is het thema zorgvuldig ruimtegebruik mede sturend. In de planvorming worden ontwerpen gemaakt die in een proefverkaveling worden vertaald. Vervolgens worden in het bestemmingsplan de bouwmogelijkheden bepaald met behulp van profielen, bebouwingspercentages en bouwhoogtes. Daarbij worden steeds vaker naast maxima (ter bescherming van landschappelijke waarden) ook minima (ter bevordering van intensief ruimtegebruik) opgenomen. Het kaderstellende bestemmingsplan wordt vervolgens uitgewerkt in een uitgifteplan, waarbij aandacht besteed zou moeten worden aan zorgvuldig ruimtegebruik. Het zorgvuldig ruimte gebruik wordt uiteindelijk geëffectueerd bij de uitgifte – of, in het geval van bestaande bedrijventerreinen bij herinvesteringen.

Zorgvuldig ruimtegebruik

“De ambities bij de herontwikkeling van bedrijventerreinen moeten vanaf het begin zo hoog mogelijk worden gesteld, maar wel met beide benen op de grond. Mijn ervaring is dat het makkelijker is om de ambities naar beneden dan naar boven bij te stellen. Dit geldt zeker voor zorgvuldig ruimtegebruik. Dus al in een vroegtijdig stadium uitgaan van een optimaal gebruik van de ruimte en dus niet uitgaan van een traditioneel ontwerp waar een ‘duurzaamheidssausje’ overheen gegooid wordt. Alle betrokkenen moet zich ervan bewust zijn dat zo de kwaliteit van het terrein verbetert.”
De heren W. Zeedzen en J. Veeken, Dubo-centrum Limburg.

Doelstellingen De Nederlandse overheid heeft zich tot doel gesteld dat de CO2-uitstoot in 2010 met 6% gedaald moet zijn. Daarnaast dient 5% van de energie op duurzame wijze (water, zon, wind) te zijn opgewekt. Daarmee moet de CO2-uitstoot teruggedrongen worden en moet de afhankelijkheid van eindige energievoorraden (olie, gas, kolen, kernenergie) verminderd worden. Een duurzame energievoorziening kan worden bereikt door bij elke afweging de volgende prioritering aan te houden: • Beperken van de vraag naar energie (elektriciteit, gas en warmte) door energiebesparing; • Zoveel mogelijk opwekken van de benodigde energie uit duurzame energiebronnen (wind, zon, water, etc.); • Zo efficiënt mogelijk opwekken van energie voor de resterende energie die niet kan worden verkregen uit duurzame bronnen. Dit is onder meer mogelijk door inzet van hoogrendement installaties en het nuttig inzetten van restwarmte. Proces en instrumentarium Maatregelen ten aanzien van energiebesparing, duurzame opwekking en uitwisseling kunnen getroffen worden op individueel bedrijfsniveau en op het niveau van het bedrijventerrein. Op terreinniveau kan in de initiëringsfase een ambitie worden vastgelegd in een energievisie. Vervolgens zal in de planvorming rekening gehouden moeten worden met ruimte voor energiesystemen. Vragen over windturbines spelen ook in dit stadium. Met name in de vormgevingsfase van een nieuw terrein kunnen aanbieders van energie uitgedaagd worden met een duurzaam plan te komen. Bij bestaande terreinen is veel informatie bekend over de energievoorziening, het energieverbruik en energieoverschotten. Belangrijk is een mix van energieverbruikers en aanbieders van energie, bijvoorbeeld een afvalverbranding, energiecentrale of procesindustrie (bijv. in de voedings- en genotmiddelen of chemie). De vragers en aanbieders van warmte moeten bij voorkeur in de fysieke nabijheid zitten (clustering). In beide gevallen is het succes van een duurzame energievoorziening vooral afhankelijk van de samenwerkingsbereidheid van bedrijven en de mate waarin aanbieders gedwongen worden tot duurzame plannen te komen (marktwerking).

Kernbegrippen • Duurzame energie: elektriciteit of warmte die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen. De conversie van deze hernieuwbare bronnen is zodanig gekozen dat dit tot minder milieubelasting leidt dan conventionele energiebronnen; • Energie-uitwisseling: uitwisseling van restproducten als stoom, heet water of warmte enerzijds door opslag voor later gebruik, anderzijds door het transporteren van de energie naar een naastgelegen bedrijf dat hiervan gebruik kan maken; • Hoogwaardig gebruik: direct gebruik van energie ten behoeve van het bedrijfsproces; • Laagwaardig gebruik: verwarming of koeling van kantoren en woningen. Voorbeelden • Doelstelling voor bedrijventerrein Tradeport in Venlo is 50% reductie van de CO2-emissie in 2020. Daarnaast dient 10% van de energie op het terrein op duurzame wijze te worden opgewekt. De eerste stap in het realiseren van deze doelstellingen vormde het opstellen van een Energievisie eind 2002. Met deze visie is in een vroegtijdig stadium van de ontwikkeling van het terrein aangeven wat de mogelijkheden zijn om energie te besparen en hoe de benodigde energie duurzaam kan worden opgewekt. Bij het opstellen van de Energievisie zijn vele partijen betrokken geweest, waaronder het energiebedrijf. • Energiemaatregelen op bedrijventerrein “de Trompet” in Heemskerk leiden tot een CO2-reductie van 70% ten opzichte van een vergelijkbaar, niet duurzaam ontwikkeld, bedrijventerrein. Goede isolatie van gebouwen, compacte bouwvorm, warmtepompen, een koudenet en oriëntatie van de kantoren op het noorden en noordoosten leiden tot dit resultaat. De Trompet vervult een voorbeeldfunctie voor duurzaam ondernemen. Meer informatie, o.a.: • Uitvoeringsnota energiebesparing en duurzame energie, Provincie Limburg, november 2001. • Project DECOR, Handreiking duurzaamheid op bedrijventerreinen, Provincie Zuid-Holland, 2002. • www.dubo-centrum.nl

Besparing, uitwisseling en duurzame opwekking van energie

“Voor het te ontwikkelen bedrijventerrein Tradeport hebben we hoge duurzaamheidsambities gesteld. Voor duurzame energie willen we 50% reductie van CO2-emissie in 2020 en 10% van de energie-opwekking dient op duurzame wijze plaats te vinden. We hebben dit in de Energievisie vastgelegd. Bij het opstellen van deze visie zijn vele partijen betrokken geweest, waaronder energiebedrijf Essent die de ambities op realiteit heeft beoordeeld. Alle betrokkenen hebben zichzelf verplicht een bijdrage te leveren aan de realisatie van de doelen. Daarom ben ik ervan overtuigd dat we de gestelde doelen zullen bereiken.”
De heer A.J. Keizers, gemeente Venlo.

Doelstellingen Het doel van duurzaam bouwen is de milieu- en gezondheidseffecten als gevolg van het bouwen en de gebouwde omgeving tot een minimum te beperken. Om dit te bereiken zal bij elke afweging in het bouwproces de volgende volgorde aangehouden moeten worden: • Beperk het gebruik van materialen door middel van lichtere constructies; • Gebruik duurzame materialen, zoals secundaire grondstoffen, minder milieuschadelijke materialen, vernieuwbare en niet-eindige grondstoffen; • Zo min mogelijk gebruik van eindige grondstoffen. De volgende thema’s maken onderdeel uit van duurzaam bouwen: • Afval: zoveel mogelijk beperken van afvalstoffen door selectief slopen, verantwoord afvoeren van afvalstoffen en hergebruik van bouw- en sloopafval; • Water: besparing, afkoppeling van hemelwater (infiltratie en/of hergebruik); • Keuze voor duurzame bouwmaterialen; • Energie: energiezuinig ontwerpen bijvoorbeeld door rekening te houden met bezonning, energiebesparing bij realisatie infrastructuur, bijvoorbeeld door te werken met lage temperatuursystemen voor verwarming en koeling van gebouwen (55/45 graden-systeem in plaats van 90/70 graden-systeem). Proces en instrumentarium Duurzaam bouwen speelt vooral in de uitvoeringsfase een belangrijke rol. In de planvoorbereiding (bijvoorbeeld bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan) wordt het kader geschetst, vindt zoveel mogelijk vertaling plaats in concrete inrichting van het plan en worden doelstellingen ten aanzien van duurzaam bouwen geformuleerd. Deze doelstellingen zijn op dit moment niet publiekrechtelijk afdwingbaar. Wel kan aan de gronduitgifte mogelijk de eis gekoppeld worden om te werken met de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen. In de ontwerpfase / uitvoeringsfase zijn de maatregelen concreter en gedetailleerder en spelen zich hoofdzakelijk af op gebouwniveau. Geïntegreerde gebouwontwerpen met aandacht voor duurzaam bouwen, ook voor de beheer- en onderhoudsfase, leveren de beste resultaten. Het bedrijf als opdrachtgever en de architect/aannemer zijn de belangrijkste spelers.

Kernbegrippen • Duurzaam bouwen: ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu; • Duurzame materialen: materiaal wat goed is voor het milieu en de mens. Dit zijn milieuvriendelijke materialen en herwinbare materialen (hout, schapenwol, vlas); • Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen (o.a. stedenbouw, nieuwbouw, utiliteitsbouw en grond- weg en waterbouw): een verzameling van concepten en maatregelen die de basis vormen voor afspraken tussen bouwpartners over wat in de praktijk onder duurzaam bouwen moet worden verstaan. De maatregelen zijn geordend op thema’s zoals energie, water, materialen en binnenmilieu en uitgewerkt in specificatie- en informatiebladen. Voorbeelden • De Rabobank heeft in Pey (gemeente Echt) een duurzaam gebouwencomplex met drie functies (bank, bibliotheek en woningen) gerealiseerd. Het energiegebruik van bank en bibliotheek is 58% lager dan wettelijk vereist. De wand tussen de bank en de bibliotheek is uitgevoerd als warmtewand, terwijl de rest van het gebouw wordt verwarmd en gekoeld door middel van leidingen in de vloer. Op de luifel van het gebouw zijn voorts zonnecollectoren geplaatst. Een goede geluidsisolatie tussen woningen en de bank wordt bereikt door de toepassing van zwevende dekvloeren en ankerloze spouwmuren van kalkzandsteen. Voor de toiletspoeling, de wasmachines en het besproeien van de tuin is een grijswatercircuit aangelegd. • Bij de bouw van Hogeschool Zuyd te Heerlen is op aandringen van de opdrachtgever gestreefd naar zoveel mogelijk toepassingen van energievormen en materialen die duurzaam zijn of waarvan de kringloop gesloten is. Tachtig procent van het vloeroppervlak (23.000 m2) is voorzien van een rubberen vloerbedekking. De belangrijkste bestanddelen zijn gerecycled materiaal, als productieafval, snijafval en gebruikte vloerbedekking. Door het toepassen van HFverlichting met daglichtregeling en veegpulsschakeling wordt het energieverbruik door verlichting beperkt. Bovendien kan dankzij de diverse vides en atria daglicht tot diep in het gebouw doordringen. • De buitengevel, trappen en loopbordessen van het kantoorgebouw van Rijkswaterstaat Zeeland in Terneuzen zijn gemaakt van oud hout. Daarnaast wordt in het gebouw gebruik gemaakt van natuurlijke ventilatie. Warme lucht verlaat het gebouw via een grote stalen schoorsteen op het dak. Hierdoor ontstaat onderdruk in het gebouw, zodat er een natuurlijke trek ontstaat. Afvalwater van toiletten, douche en keuken wordt op natuurlijke wijze (bacteriën en rietvelden) gezuiverd en niet op de riolering geloosd. Het gezuiverde water is vervolgens weer geschikt als spoelwater voor de toiletten.

Duurzaam bouwen

“De tijdsdruk heeft ons parten gespeeld. Sommige dingen hadden we anders gewild. Zo hadden we bij voorkeur betongranulaat verwerkt, maar dit konden wij niet in de regio krijgen. Met het oog op extra kosten hebben we daarom voor nieuw beton gekozen”.
De heer ir. F. Traa, In: Plan van Aanpak Duurzaam Bouwen, Deelplan Utiliteitsbouw, 1997.

Meer informatie, o.a. • www.dubo-centrum.nl • www.dubolim.nl • www.ipdubo.nl • www.sbr.nl

Doelstellingen Een optimaal afvalbeheer houdt in dat afval zoveel mogelijk wordt voorkomen (afvalpreventie), vervolgens zoveel mogelijk gescheiden wordt en vervolgens contractueel zo gunstig mogelijk aangeboden wordt aan een inzamelaar. De scheiding van het afval vergroot de kans op hergebruik. Een optimaal afvalbeheer betekent ook het realiseren van een kosteneffectieve inzamelstructuur die goed aansluit op de wensen van de medewerkers en die voldoet aan alle wettelijke verplichtingen. Proces en instrumentarium Afvalpreventie is in de eerste plaats een zaak voor individuele bedrijven. Alle bedrijven zijn op grond van de Wet Milieubeheer verplicht afval zoveel mogelijk te voorkomen, afvalstoffen gescheiden te houden en deze gescheiden af te voeren. Dat geldt in ieder geval voor gevaarlijk afval, wit- en bruingoed, papier/karton, folie en glas. In de vergunningverlening of via Algemene Maatregelen van Bestuur zijn deze verplichtingen voorgeschreven. Het beleidskader is vastgelegd in het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012. De inzameling en de afvoer van gescheiden afvalfracties kunnen op terreinniveau georganiseerd worden. In een vroeg stadium dient ruimte voor eventuele gezamenlijke voorzieningen, zoals ondergrondse containers en/of een brengstation, gereserveerd moeten worden. Hierbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de afstand tussen bedrijven en de gezamenlijke inzamelpunten en met de bereikbaarheid van de inzamelaar. Bij de inrichting van het bedrijventerrein is een verdere uitwerking van de gezamenlijke voorzieningen noodzakelijk, waarbij gelet moet worden op toegankelijkheid en veiligheid. De gemeente is bij de inrichting een belangrijke speler; ze zijn bevoegd gezag en zijn erbij gebaat wanneer bedrijven aan de regelgeving voldoen.
Kernbegrippen • Afval: alles wat weggegooid en daarna niet meer gebruikt wordt; • Afvalstoffenmanagement: het combineren en afstemmen van allerlei milieu- en arbo-aspecten die met afval te maken hebben. Voorbeelden • Een bouwbedrijf heeft het percentage afvalscheiding flink verhoogd tot 35% van het totale volume. Zowel op de werf als op projecten wordt het afval in minimaal vijf fracties (puin, resthout, plastic, ongesorteerd bouwafval en gevaarlijk afval) gescheiden. De versterkte afvalscheiding is mogelijk door een goede samenwerking met de inzamelaar. De inzamelaar geeft regelmatig informatie over de afgevoerde hoeveelheden en soorten afval van de werf. Als stimulans voor de afvalscheiding zijn ook lagere containertarieven voor gescheiden afval bedongen. Dit leverde het bouwbedrijf een kostenbesparing van 23% op. • Op het bedrijventerrein Heerlen-Noord hebben bedrijven het initiatief genomen tot projecten voor collectieve afvalinzameling. • Op bedrijventerrein De Krogten in Breda is door het bedrijfsleven een collectief afvalinzamelingscontract afgesloten met één afvalinzamelaar. In dat kader wordt een brengstation voor de kleine bedrijven gerealiseerd. • Bij een nieuwbouwproject is intensief aandacht besteed aan afvalpreventie, zowel bij het ontwerp als bij de uitvoering. Dit heeft geleid tot 41% minder afval dan bij vergelijkbare projecten. Binnen het stedenbouwkundig ontwerp zijn de preventiemogelijkheden bestudeerd. Zo is gebruik gemaakt van een prefab fundering met op hoogte geheide palen. Ook kon er besparing worden gerealiseerd door hergebruik van gescheiden ingezameld schoon puin en gips op de bouwplaats. Meer informatie, o.a.: • www.milieuwinst.nl: tips, voorbeeldprojecten, maatregelen voor preventie en bedrijfsafvalscheiding. • www.infomil.nl: informatie over preventie en afvalscheiding in de milieuvergunning en in de Algemene Maatregelen van Bestuur. • Handreiking afvalmanagement op duurzame bedrijventerreinen, provincie Zuid-Holland, 2001 (concept). • Collectieve afvalinzameling op bedrijventerreinen. Met vallen en opstaan samen een stap verder!, provincie Utrecht, 2002. • Blauwdruk voor afvalscheiding op bedrijventerreinen of winkelcentra: www.noord-holland.nl/project/hergebruikprogramma/ blauwdruk.

Afval

“De komende tijd staat vooral in het teken van uitvoering en monitoring. We zullen ongetwijfeld tegen een aantal ongemakken en onvolkomenheden aanlopen van het huidige afvalbeleid en de bestaande regels. Zijn de regels nog wel uitvoerbaar en handhaafbaar en schieten we ons doel niet voorbij? We zijn in een nieuwe fase aanbeland, een fase die nieuwe vaardigheden en wellicht een andere aanpak vereist. De vertegenwoordigers van de afvalbranche zullen gedwongen worden om meer samen te werken. Dit vraagt niet alleen om een bundeling van de beschikbare krachten maar ook het nemen van initiatief. De bal ligt nu bij het afvalbedrijfsleven.”
De heer A. Donders, directeur Vereniging van Nederlandse Afvalondernemingen (VNAo).

Doelstellingen Vervoersmanagement heeft als hoofddoel het aanzetten van individuen tot duurzamere verplaatsingswijzen (zoals lopen, fietsen, openbaar vervoer en carpoolen), zodat het aantal (auto)kilometers wordt gereduceerd. Hiermee moet: • De bereikbaarheid van bedrijven en instellingen verbeterd worden; • De doorstroming van het economisch verkeer worden verbeterd, zowel voor goederen- als voor personenvervoer; • Een bijdrage worden geleverd aan een beter leefmilieu en een betere verkeersveiligheid. Proces en instrumentarium Vervoersmanagement leidt vooral tot resultaat bij nieuwe bedrijventerreinen als er tijdens de planvorming rekening mee wordt gehouden. Inzicht zal verschaft moeten worden in de ontsluiting en de mogelijkheden voor openbaar vervoer en het reisgedrag van medewerkers op het terrein. De confrontatie van de verkeersmogelijkheden en het reisgedrag leidt tot een voorzieningniveau passend bij het terrein. Hiertoe is inzicht noodzakelijk in het huidige reisgedrag van medewerkers, bestaande regelingen op het gebied van woon-werk en zakelijk verkeer en bestaande voorzieningen van de werkgever. Het gebruik van vervoersalternatieven kan vervolgens worden gestimuleerd door een combinatie van het belonen van het gewenst reisgedrag en het ontmoedigen van het individueel gebruik van de auto. Het verstrekken van gerichte informatie over de verschillende vervoersalternatieven en de stimuleringsregeling van de provincie Limburg (een budget van ruim 52.000 tot en met 2003) zijn belangrijke maatregelen om de doelen te realiseren. Vervoersmanagement voor bedrijven is een proces met als doel een planmatige beheersing van het autogebruik te bereiken; met name in het woon-werk verkeer en waar mogelijk in het zakelijk verkeer. Hierbij kan gedacht worden aan het stimuleren en faciliteren van het gebruik van vervoeralternatieven voor de auto, zoals lopen, fietsen, carpoolen, openbaar vervoer en collectief vervoer. Mobiliteitsmanagement gaat verder dan vervoersmanagement. Mobiliteitsmanagement heeft naast een organisatorisch aspect ook een planologisch aspect. Door in de planvorming / inrichting van een bedrijventerrein reeds rekening te houden met mobiliteitsaspecten, kan de vervoerskeuze van de reiziger beïnvloed worden. Met andere woorden: het moet logisch worden andere vervoersmiddelen te kiezen dan de auto.

Kernbegrippen • Vervoersmanagement: de coördinatie van vervoersstromen van, naar en op bedrijventerreinen; • Mobiliteitsmanagement: het samenhangend geheel van activiteiten gericht op het vervoerskeuze van de reiziger, gericht op het bevorderen van selectief autogebruik; • Vervoerplan: een praktische uitwerkingsvorm van vervoersmanagement dat door de wekgever gehanteerd kan worden. Voorbeelden • Voor het bedrijventerrein De Hurk in Eindhoven bleek een openbare buspendel die een directe verbinding biedt met station Eindhoven CS een oplossing. Het betreft regulier openbaar vervoer op maat. Elke lijn rijdt via één halte per dorp naar De Hurk en mag de busbanen gebruiken. De haltes zijn voorzien van fietskluizen, parkeerplaatsen en een overdekte wachtruimte. Verwacht wordt dat de lijnen op termijn voldoende reizigers zullen trekken voor zelfstandige exploitatie door de BBA. • In Alphen aan den Rijn besloten gemeente en ondernemers zelf een bedrijvenbus te laten rijden naar het bedrijventerrein. Deze vorm van besloten busvervoer was alleen toegankelijk voor houders van een abonnement of bedrijvenpas die op naam staan van de deelnemende bedrijven. Dienstregeling, route en service werden hoog gewaardeerd. Dankzij goede mogelijkheden om de bedrijvenbus te combineren met andersoortig busvervoer wist de particuliere exploitant deze succesvol te ontwikkelen. Hierdoor kon deze twee jaar later worden omgezet in regulier openbaar vervoer. Meer informatie, o.a.: • Project DECOR, Handreiking duurzaamheid op bedrijventerreinen, Provincie Zuid-Holland, 2002. • www.vmnl.nl • www.verkeerskunde.nl

Vervoersmanagement

“We moeten niet proberen het mobiliteitsgedrag van mensen te beïnvloeden, maar de omstandigheden. Een bedrijventerrein moet zo ingericht worden dat het vanzelfsprekend wordt ook andere vervoerswijzen te kiezen dan de auto. Op dit moment is het tegendeel waar; probeer maar eens via het openbaar vervoer op een bedrijventerrein te komen! Belangrijk is dus vroegtijdig in de planvorming rekening te houden met mobiliteit en dit als aspect bij de inrichting mee te nemen.”
De heer E. van Hal, verkeerskundig senior-adviseur bij BRO Vught.

Doelstellingen Belangrijkste doelstelling van beheer van een bedrijventerrein is het continu op peil houden van de kwaliteit van het vestigingsmilieu op bedrijventerreinen. Hierbij zijn de belangrijkste pijlers: • een waardevaste huisvesting dat mede afhankelijk is van het onderhoudsniveau van de buitenruimte en de gebouwen; • een efficiënt bedrijfsproces dat veilig, duurzaam en gefaciliteerd is; • motiverende arbeidsvoorwaarden, zoals een goede prijs-kwaliteitverhouding voor diensten, zoals horeca, kinderopvang, sportvoorzieningen, stomerij en kapper. Proces en instrumentarium Parkmanagement is het instrument om te komen tot een hoogwaardige en duurzame ontwikkeling van bedrijventerreinen. Met parkmanagement kan de inrichting en het beheer van een bedrijventerrein gemanaged en gestuurd worden. Parkmanagement heeft voornamelijk betrekking op beheer en onderhoud en dus is van belang tijdens de beheerfase. De effectiviteit kan echter sterk worden vergroot als tijdens de ontwerp- en planvormingsfase rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden die parkmanagement stelt, zoals de (organisatie)vorm en de voorzieningen. De belangrijkste partijen zijn de gemeente en de betrokken bedrijven. Bij de bedrijven dient een helder onderscheid gemaakt te worden tussen eigenaren en gebruikers. De eerste richten zich op een waardevaste huisvesting, terwijl de gebruikers belang hebben bij een efficiënt bedrijfsproces en motiverende arbeidsvoorwaarden. Ook bij de gemeente is het van belang het onderscheid tussen de maatschappelijke rol als handhaver van normen en waarden en de beheersmatige rol als eigenaar van de openbare ruimte te onderkennen. Overleg tussen gemeente en bedrijfsleven is gebaat bij het vastleggen van het gezamenlijke doel. Een convenant (bestaand terrein) of parkmanagementovereenkomst (nieuw terrein) kan daarbij nuttig zijn. Bij een nieuw terrein kan de organisatiestructuur voor het parkmanagement door de ontwikkelende partij worden vastgelegd, zonder dat de toekomstige gebruikers daar invloed op kunnen uitoefenen. De organisatiestructuur sec heeft echter weinig betekenis zonder een actieve inbreng van de gebruikers. Om draagvlak te behouden en te bevorderen is actieve communicatie tijdens het proces van belang. De gemeente heeft hierin een stimulerende rol; de één-loketfunctie van de gemeente kan daarbij een rol spelen. De verankering van parkmanagement op een bedrijventerrein kan op verschillende manieren worden vormgegeven. De te kiezen juridisch-organisatorische constructie is afhankelijk van welke onderwerpen het parkmanagement kent, de mate waarin de overheid betrokken is en de mate waarin parkmanagement als winstgevende activiteit wordt gezien. Bruikbare juridische vormen waarin parkmanagement wordt georganiseerd, zijn een Vereniging van Eigenaren (VVE), stichting of coöperatie.

Kernbegrippen • Parkmanagement: het organiseren van het beheer op een bedrijventerrein, gericht op de kwaliteit op langere termijn. Voorbeeld • Bedrijventerrein Noorderpoort te Venlo is ontwikkeld door een projectontwikkelaar waarbij voor parkmanagement een aantal zaken structureel zijn vastgelegd. • Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van beheer en revitalisering van alle bedrijventerreinen in Parkstad. In aansluiting hierop zijn de Parkstad gemeenten op dit moment bezig met een onderzoek naar de mogelijkheden voor het opstellen van een gezamenlijke beheerorganisatie voor alle bedrijventerreinen binnen regio Parkstad. Tevens wordt nagegaan of het mogelijk is de revitaliseringsopgave hieraan te koppelen. • Om de contacten tussen de bedrijven en de gemeente te stroomlijnen is in 1994 de gebiedsgerichte Bedrijvenvereniging De Krogten in Breda opgericht. Deze vereniging biedt nu een platform voor allerlei gezamenlijke projecten. Een groot aantal zaken is inmiddels bereikt, zoals collectief afvalmanagement en een serviceteam bedrijven en een sterk verbeterde infrastructuur. Verder wordt er gewerkt aan collectief energiemanagement, intensief ruimtegebruik en een coördinatie van woon-werkverkeer (vervoermanagement). De meerwaarde van de samenwerking is evident en inmiddels is het grootste deel van de bedrijven lid van de vereniging. De deelnemende partijen willen de organisatie nu verder verankeren. • Bedrijven op de nieuwe bedrijventerreinen De Wetering-Noord en Papendorp in Utrecht zijn samen met de gemeente verantwoordelijk voor het parkmanagement. Elk bedrijf dat zich op deze terreinen vestigt, neemt verplicht deel aan het basispakket waarin terreinbeveiliging, afvalverwerking, centrale bewegwijzering en onderhoud aan openbaar en privaat groen is ondergebracht. Meer informatie, o.a. • Parkmanagement voor bedrijventerreinen. Optimaal beheer en behoud van kwaliteit, Geoplancursus, 2002. • Parkmanagement. Kwaliteit wint terrein, ministerie van Economische Zaken, 2002.

Beheer

‘Voor een ondernemer komt de eigen bedrijfseconomische situatie altijd op de eerste plaats. Bij elke duurzaamheidsmaatregel moet aan de ondernemer duidelijk gemaakt worden welke bedrijfseconomische voordelen de maatregel biedt. Vervolgens is in principe iedere ondernemer bereid mee te werken aan de duurzame versterking van het hele bedrijventerrein. Immers: ondernemen is winst maken, duurzaam ondernemen is blijvend winst maken!’
De heer J. Lautenslager, bedrijventerreinmanager op De Koumen, Wijngaardsweg, de Vranck, Ten Esschen en In de Cramer in Heerlen.