Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen Een verkenning van een nieuwe methodiek

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van: Ministerie van Economische Zaken Bezuidenhoutseweg 30 Den Haag

E. Louw Y.M. Bontekoning H. Olden (Ingenieurs- en Adviesbureau Oranjewoud)

mei 2004 Onderzoeksinstituut OTB Technische Universiteit Delft Jaffalaan 9, 2628 BX Delft Tel. (015) 278 30 05 Fax (015) 278 44 22 E-mail mailbox@otb.tudelft.nl
http://www.otb.tudelft.nl

© Copyright 2004 by Onderzoeksinstituut OTB

No part of this report may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission from the copyrightholder.

Inhoud

1 1.1 1.2 1.3 2 2.1 2.2 2.3 2.4 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 4

Inleiding ........................................................................................... 3 Aanleiding van dit onderzoek ..........................................................................3 Doel van het onderzoek ...................................................................................5 Opzet van het rapport.......................................................................................6 Het meten van de ruimteproductiviteit: een nieuwe methode........ 7 Inleiding ..............................................................................................................7 Basisstappen van de methode..........................................................................7 Ontwikkelingsproces van de methode ........................................................ 11 Overzicht berekeningen................................................................................. 15 Resultaten........................................................................................19 Inleiding ........................................................................................................... 19 Toegevoegde waarde op bedrijventerreinen............................................... 19 Ruimteproductiviteit per regio...................................................................... 23 Ruimteproductiviteit per sector.................................................................... 26 Vergelijking ruimteproductiviteit met arbeidsproductiviteit .................... 27 Conclusies en aanbevelingen..........................................................31

Literatuur ........................................................................................................ 35 Bijlage 1: Definities .......................................................................................... 36 Bijlage 2: Uitkomsten van berekeningen......................................................... 38

2

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van dit onderzoek

Het economische beleid richt zich in toenemende mate op het zo efficiënt mogelijk inzetten van arbeid en ruimte. In onderzoek en beleid is er vooral aandacht voor regionale en sectorale verschillen in arbeidsproductiviteit. Aandacht voor ruimteproductiviteit is bijna afwezig. Evenals arbeid is ruimte in toenemende mate schaars. Naast het verhogen van de arbeidsproductiviteit is het verhogen van ruimteproductiviteit (productie per oppervlakte eenheid) daarom van groot belang. Om met gericht beleid de ruimteproductiviteit te beïnvloeden, is nog onvoldoende kennis voorhanden. Het algemene kennisniveau, ook in het regionaal-economisch wetenschappelijk onderzoek, is beperkt. Algemeen wordt aangenomen dat de ruimteproductiviteit sterk samenhangt met het type activiteit en daarmee met de sectorstructuur. Daarnaast kunnen de intensiteit van het ruimtegebruik, de kwaliteit van de ruimte en de ruimtelijke structuur van invloed zijn. Bij de ruimtelijke structuur gaat het om het verstedelijkingspatroon. Agglomeratie-effecten, die optreden naarmate de dichtheid van activiteiten toeneemt, spelen waarschijnlijk een rol bij de hoogte van de arbeidsproductiviteit en daardoor ook bij de hoogte van de ruimteproductiviteit. Naar verwachting zal de ruimteproductiviteit in steden hoog zijn. Daar komt een combinatie voor van hoge arbeidsproductiviteit en een hoge (bebouwings)dichtheid (Ciccone & Hall, 1996). Vooral de dienstensector met een hoge arbeidsproductiviteit en intensief ruimtegebruik draagt daaraan bij. In gebieden buiten de steden zijn veelal meer ruimte-extensieve bedrijven gevestigd. Pogingen om de ruimteproductiviteit te meten zijn schaars. Voor Nederland zijn ons alleen de onderzoeken van Bertels et al. (1996) en Bureau Louter (2003) bekend. Uit het onderzoek van Bertels et al. bleek dat tussen 1967 en 1989 de ruimteproductiviteit (uitgedrukt in toegevoegde waarde per ha) van de industrie een licht dalende tendens vertoonde. Ook de ruimteproductiviteit van de dienstensector liet een licht dalende tendens zien, terwijl de werkgelegenheidsdichtheid in dezelfde periode nog fors groeide. Deze resultaten kunnen echter alleen als een indicatie van de ontwikkeling van de ruimteproductiviteit worden gezien, omdat de gebruikte methode vrij grof is1. Daarnaast wordt er geen onderscheid naar regio’s gemaakt.

1

De totale toegevoegde waarde binnen een aantal sectoren werd voor een aantal jaren in zijn totaliteit aan één type grondgebruik uit de Bodemstatistiek van het CBS toegerekend. Hierdoor wordt bijvoorbeeld de totale toegevoegde waarde van de industrie aan bedrijventerreinen toegerekend.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

3

Figuur 1.1
250

Veranderingen in de ruimteproductiviteit en werkgelegenheid per hectare voor 1967 (=100), 1977 en 1989.
Werkgelegenheid dienstensector / ha

200

150

Bruto toegevoegde waarde dienstensector / ha Bruto toegevoegde waarde industrie / ha

100

50

0 1967 1977 1989

Werkgelegenheid industrie / ha

Source: Bertels et al. (1996).

Bureau Louter heeft via GIS-analyses de toegevoegde waarde per vierkante kilometer berekend en daarmee kaarten gemaakt zoals in figuur 1.2 zijn weergegeven. De regionale verschillen in ruimteproductiviteit die uit deze kaartbeelden naar voren komt, vertonen een sterke overeenkomst met de verdeling van de werkgelegenheid. Hoge concentraties van werkgelegenheid gaan gepaard met een hoge ruimteproductiviteit. Bij de ontwikkeling van de ruimteproductiviteit is een samenhang met regionale verschillen in de werkgelegenheidsontwikkeling aanwezig. Figuur 1.2 Ruimteproductiviteit in Nederland in 1996 (€ mln / km ²)

Bron: Bureau Louter, 2002.

4

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

De onderzoeken van Bertels et al. en Bureau Louter geven in globale zin de verschillen en veranderingen in de ruimteproductiviteit weer. Verdere detaillering en empirisch onderzoek zijn nodig om verschillen in ruimteproductiviteit te kunnen verklaren. De uitvoering hiervan is moeilijk, omdat het meten van ruimteproductiviteit niet eenvoudig is. Vooral op laag schaalniveau en bij het uitsplitsen naar type grondgebruik doen zich moeilijkheden voor. In dit onderzoek wordt geprobeerd met behulp van bestaande statistische gegevens de regionale en sectorale verschillen in ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen verder te specificeren. 1.2 Doel van het onderzoek

Doel van het onderzoek is het verkennen van de empirische gegevens die kunnen bijdragen aan de kennis over de ruimteproductiviteit in Nederland. In engere zin kan het doel van het onderzoek worden omschreven als het ontwikkelen van een methode om de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen te meten. Gegevens over ruimteproductiviteit geven inzicht in de inzet van grond als een productiefactor (zie ook: Centraal Planbureau, 2002, p. 35). De te berekenen ruimteproductiviteit is te beschouwen als de pedant van de arbeidsproductiviteit; namelijk hoeveel levert het inzetten van een hoeveelheid grond de BV Nederland op. Met de methoden van Bertels et al. en Bureau Louter is het niet mogelijk om op deze manier de ruimteproductiviteit te berekenen. Bertels et al. delen de totale toegevoegde waarde van een sector toe aan één type grondgebruik waardoor functiemenging wordt uitgesloten. Bureau Louter maakt geen onderscheid tussen verschillende typen van grondgebruik en bepaalt de toegevoegde waarde voor iedere vierkante kilometer in Nederland, ongeacht de aard van het grondgebruik. Door alleen van bedrijventerreinen uit te gaan wordt een zuiverder beeld geschetst van de ruimteproductiviteit, omdat op deze terreinen uitsluitend economische activiteiten plaatsvinden. Dit betekent wel dat voor de economische activiteiten die buiten bedrijventerreinen plaatsvinden, de ruimteproductiviteit niet wordt berekend. Data over het ruimtegebruik van economische activiteiten in deze gebieden ontbreken. Alleen voor agrarische activiteiten zou dit wel mogelijk zijn. De opgave van het onderzoek is een manier te vinden om te bepalen welk deel van de toegevoegde waarde in Nederland ontstaat op bedrijventerreinen. Wanneer van deze terreinen het oppervlak bekend is, kan vervolgens de ruimteproductiviteit worden berekend. In dit onderzoek wordt ruimteproductiviteit als volgt gedefinieerd: de bruto toegevoegde waarde per hectare bedrijventerrein. De nadruk in het onderzoek ligt op het ontwikkelen van een methode en veel minder op de interpretatie van de uitkomsten. De uitkomsten worden wel gebruikt ter validatie van de methode. Dit gebeurt door de uitkomsten te vergelijken met uitkomsten van ander onderzoek over regionaal economische ontwikkelingen. Wanneer onze uitkomsten daarmee in overeenstemming zijn, dan is dat een aanwijzing dat de gekozen methode valide is. Wijken de uitkomsten af en is daar geen inhoudelijke verklaring voor te vinden, dan kan dat duiden op fouten in de methode of in de gebruikte data. Met het berekenen van de ruimteproductiviteit wordt een nieuwe maat verkregen waarmee het effect van het ruimtegebruik van economische activiteiten kan worden
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

5

uitgedrukt. Het is niet zozeer een maat over het ruimtegebruik in termen van intensiteiten of soorten van ruimtegebruik, maar vooral een maat die iets zegt over de effectiviteit en efficiëntie van de inzet van de productiefactor grond in de Nederlandse economie. 1.3 Opzet van het rapport

In hoofdstuk twee wordt de ontwikkelde methode beschreven. Dat gebeurt zowel op grote lijnen (paragraaf 2.2) als in detail (paragraaf 2.4). Ook wordt ingegaan op de verschillende keuzen die zijn gemaakt ten aanzien van de methode, de data en de databronnen. In hoofdstuk drie worden de resultaten gepresenteerd in grafiek en kaartvorm. Waar mogelijk worden de uitkomsten vergeleken met ander onderzoeken en data om daarmee de validiteit van de uitkomsten te testen. In hoofdstuk vier wordt een oordeel gegeven over de methoden. Gaat het om een praktische methode die aannemelijke resultaten oplevert? Ook wordt ingegaan op zwakke en sterke punten van de methode. In de bijlagen staan de definities van de gebruikte begrippen en de uitkomsten van de berekeningen.

6

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

2

Het meten van de ruimteproductiviteit: een nieuwe methode

2.1

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkelde methode om de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen te bepalen. De basisstappen waaruit de methode is opgebouwd komen in paragraaf 2.2 aan de orde. Deze basisstappen geven inzicht in de kern van de methode. Vervolgens gaat paragraaf 2.3 in op de ontwikkeling van de methode. De methode is via een iteratief proces tot stand gekomen. Het voornaamste doel van het bespreken van het ontwikkelingsproces is om de keuzen die ten grondslag liggen aan de methode toe te lichten. Tot slot wordt in paragraaf 2.4 per basisstap dieper ingegaan op de achterliggende berekeningen. 2.2 Basisstappen van de methode

Voor de berekening van de ruimteproductiviteit is het nodig dat voor een gegeven hoeveelheid grond de daarop gecreëerde hoeveelheid toegevoegde waarde bekend is. In dit rapport zijn dat bedrijventerreinen. De koppeling tussen grondgebruik en toegevoegde waarde vormt de kern van de gehanteerde methode. Er zijn geen databestanden beschikbaar waarin beide data samen voorkomen. Daarom moet de ruimteproductiviteit worden afgeleid door koppeling van een aantal bronnen. Het laagste ruimtelijke schaalniveau waarop de (bruto) toegevoegde waarde bekend is, zijn de Corop-gebieden. Gegevens hierover worden gepubliceerd in de Regionaal Economisch Jaarcijfers (REJ) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Gegevens over de oppervlakte bedrijventerreinen worden gepubliceerd in twee bestanden. In het Bestand Bodemgebruik (BBG) van het CBS2 staat het ruimtegebruik centraal. Daarnaast is er het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS). Dit bestand is opgezet vanuit planologisch perspectief en geeft behalve inzicht in de oppervlakte ook inzicht in planologische kenmerken van bedrijventerreinen (bestemmingsplan, aard van het bedrijventerrein, e.d.). Van belang is dat IBIS ook inzicht geeft in de hoeveelheid uitgegeven bedrijventerreinen en het aanbod van nog uit te geven ruimte. Voordeel van het gebruik van IBIS boven het BBG, is dat hierin onderscheid wordt gemaakt in verschillende typen bedrijventerreinen. Het is daardoor mogelijk zeehaventerreinen van de ‘normale’ bedrijventerreinen te onderscheiden. Daarnaast maakt IBIS onderscheidt tussen netto en bruto oppervlakte. Het netto oppervlak van een bedrijventerrein is de ruimte die aan bedrijven is uitgegeven. Het bruto oppervlak is het netto oppervlak plus de ruimte voor infrastructuur, groen, e.d.. Om de toegevoegde waarde te kunnen koppelen aan het oppervlak bedrijventerreinen, moeten de gegevens over toegevoegde waarde worden verdeeld
2

Het BBG is de opvolger van de Bodemstatistiek.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

7

over de bedrijventerreinen en de ruimte daarbuiten. Een goede sleutel hiervoor is de ruimtelijke spreiding van werkgelegenheid. Gegevens over de omvang en de samenstelling van de werkgelegenheid per sector zijn in het zogenaamde LISAbestand op 6-positie postcodegebied beschikbaar. Koppeling via een Geografisch Informatie Systeem (GIS) van LISA met IBIS of BBG levert gegevens op over de hoeveelheid werkgelegenheid per sector op bedrijventerreinen. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft ter voorbereiding van de Bedrijfslocatiemonitor (BLM) een koppeling tussen LISA en IBIS gemaakt voor het jaar 2000. Het CPB heeft de uitkomsten daarvan (de zogenaamde locatievoorkeur) voor het onderzoek ter beschikking gesteld3. Om deze pragmatische reden en de genoemde voordelen van IBIS boven het BBG, is voor IBIS gekozen. De toegevoegde waarde per sector wordt vervolgens in dezelfde verhouding als de werkgelegenheid over de bedrijventerreinen en het gebied daarbuiten worden verdeeld. Bijvoorbeeld wanneer in een sector 30% van de werkgelegenheid zich op bedrijventerreinen bevindt, zal in deze sector 30% van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen ontstaan. Dit betekent impliciet dat de arbeidsproductiviteit de sleutel is bij het berekenen van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen (zie voor toelichting paragraaf 2.3). De ruimteproductiviteit voor de bedrijventerreinen wordt berekend door de berekende toegevoegde waarde per sector te sommeren en de uitkomst te delen door het oppervlak van deze bedrijventerreinen. In theorie kan op deze wijze de ruimteproductiviteit per afzonderlijk bedrijventerrein worden berekend. Hiertoe is niet overgegaan omdat de beschikbare data dat niet toelaten. Het accent ligt op het berekenen van de ruimteproductiviteit op regionaal niveau (Corop-gebied) en op provinciaal niveau. Via gegevens van de BLM is het ook mogelijk de ruimteproductiviteit per sector te bepalen. Het gaat daarbij om de terreinquotiënten die per sector aangeven hoeveel ruimte één arbeidsplaats inneemt. Deze sectorale ruimteproductiviteit wordt berekend door de toegevoegde waarde per sector te delen door het oppervalk (terreinquotiënt x aantal arbeidsplaatsen). De hoofdlijnen van de gevolgde methode om de ruimteproductiviteit te berekenen bestaat dus uit vier basisstappen (zie figuur 2.1). 1. Vaststellen van de toegevoegde waarde per Corop-gebied en sector uit de REJ. 2. Het via de verdeling van de werkgelegenheid toedelen van de toegevoegde waarde per sector en per regio aan bedrijventerreinen 3. Bepalen van de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen per regio. 4. Bepalen van de ruimteproductiviteit per sector.

3

Het gaat om de uitkomsten van de eerste GIS-analyse, waarvan de resultaten niet noodzakelijkerwijs in de definitieve BLM zullen worden gebruikt.
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

8

Figuur 2.1 Basisstappen in de toegepaste methode en gebruik van data
1. Toegevoegde waarde per sector en regio (REJ 2000) Werkgelegenheid per sector en regio op bedrijventerreinen (BLM-locatievoorkeur 2000) 2. Toegevoegde waarde op bedrijventerreinen IBIS oppervlak bedrijventerreinen Schakelschema

3. Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen

Terreinquotiënten BLM 4. Ruimteproductiviteit per sector

De ruimteproductiviteit wordt op een zo laag mogelijk sectoraal aggregatieniveau en een zo laag mogelijk ruimtelijk schaalniveau berekend. Zowel de gegevens voor de werkgelegenheid als voor de toegevoegde waarde zijn op het niveau van economische sectoren/ bedrijfsklassen beschikbaar. Echter, de BLM sectorindeling wijkt af van de in de REJ gehanteerde bedrijfsklasse-indeling volgens de SBI-indeling van het CBS. Daarom is een schakelschema opgesteld. Hierin zijn enkele BLMsectoren en enkele SBI-bedrijfsklasse samengevoegd, zodat de indelingen met elkaar in overeenstemming zijn. Dit schakelschema is weergegeven in Tabel 2.1. Sectoren die zijn samengevoegd, zijn grijs gearceerd. Deze koppeling kan met enkele aannames4 worden gemaakt. Deze aannames kunnen leiden tot een mogelijke

4

In de BLM wordt SBI-subsector 65234 ingedeeld bij de sector Zakelijk dienstverlening en niet bij de sector Bank- en verzekeringswezen. In de REJ kan dit onderscheid niet worden gemaakt, waardoor de toegevoegde waarde van SBI-subsector 65234 aan de BLM sector Bank- en verzekeringwezen wordt toegewezen. Iets vergelijkbaars geldt voor de SBI-subsectoren 8041 en 8042. De toegevoegde waarde van deze subsectoren wordt toegewezen aan de BLM sector Overheid en onderwijs.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

9

overschatting van de productiviteit5 in de BLM-sectoren 24 en 27 en een onderschatting ervan voor de BLM-sectoren 22 en 25. Tabel 2.1 Schakelschema tussen BLM en REJ sectoren
BLM Code 1 2 3 4 REJ

Sector SBI Sector Landbouw, bosbouw, visserij 01-05 Landbouw. bosbouw en visserij Voedings- en genotmiddelenindustrie 15-16 Voedings- en genotmiddelen Textiel-, kleding- en leerindustrie 17-19 Textiel en leder Papierindustrie, uitgeverijen en drukkerijen 22 Uitgeverijen en drukkerijen 21 Papier en karton 5 Overige industrie 36-37 Overige industrie 6 Chemische basisproductenindustrie 24,25 Chemische. rubber en kunststof ind 7 Overige chemische industrie 8 Basismetaalindustrie 27 Basismetaalindustrie 28,29 Metaalproducten en machine ind. 9 Metaalproducten- en machine-industrie 10 Electrotechnische industrie 30-33 Elektrotechnische industrie 11 Transportmiddelenindustrie 34-35 Transportmiddelen industrie 12 Aardolie-industrie 23 Aardolie- en steenkool industrie 13 Delfstoffenwinning 10,11,14 Delfstoffenwinning 40-41 Energie- en waterleidingbedrijven 14 Energie- en waterleidingsbedrijven 15 Bouwnijverheid 45 Bouwnijverheid 16 Vervoer over water en land en luchtvaart 61,62 Vervoer over water en door lucht 17 Dienstverlening t.b.v. vervoer 60,63 Verv o land en dienstverl vh verv 18 Groothandel 50-52 Handel. reparatie consumentenart. 19 Detailhandel en reparatie 20 Verhuur van en handel in onroerend goed 70 Verhuur en handel onroerend goed 21 Horeca 55 Horeca 92 Cultuur. sport en recreatie 22 Overige dienstverlening 90,91,93 Milieu en ov. dienstverlening 23 Post en telecommunicatie 64 Post en telecommunicatie 24 Bank- en verzekeringswezen 65-67 Financiële instellingen 25 Zakelijke dienstverlening 71-74 Zakelijk dienstverlening 26 Gezondheidszorg- en welzijnszorg 85 N Gezondheids- en welzijnszorg 27 Overheid, onderwijs 75 Overheid. defensie. sociale verz. 80 Gesubsidieerd Onderwijs

Het laagste ruimtelijke schaalniveau waarvoor gegevens voor de verdeling van de werkgelegenheid beschikbaar zijn, is het provincieniveau. Dit is namelijk het niveau waarop het CPB de GIS-analyse ten behoeve van de BLM heeft uitgevoerd. Dit betekent dat per provincie voor het jaar 2000 bekend is hoe groot de werkgelegenheid (gemeten in banen met een arbeidsduur van meer dan 12 uur per week) is op bedrijventerreinen, kantoorlocaties en overige locaties. Omdat IBIS voor kantoorterreinen geen oppervlaktegegevens registreert, kan voor deze locaties geen ruimteproductiviteit worden berekend6. Het laagste ruimtelijke schaalniveau waarvan de toegevoegde waarde bekend is, is het Corop-niveau. Als gevolg worden bij de verdeling van toegevoegde waarde tussen
5

6

Immers, er wordt een bepaalde hoeveelheid arbeid niet aan de sector toegerekend, maar de bijbehorende toegevoegde waarde wel. Met als gevolg een hogere arbeidsproductiviteit. IBIS registreert alleen het vloeroppervlak van kantoorgebouwen.
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

10

Corop-gebieden binnen een provincie, de aandelen werkgelegenheid op bedrijventerreinen per sector op provincieniveau gebruikt. Anders geformuleerd, voor alle Corop-gebieden binnen een provincie gelden dezelfde BLMlocatievoorkeuren. Resultaten op hoger ruimtelijk schaalniveau dan het Corop-gebied worden steeds bottum-up berekend. Dat wil zeggen door middel van het totaliseren van uitkomsten op het lagere ruimtelijk schaalniveau.

2.3

Ontwikkelingsproces van de methode

De methode die hierboven is gepresenteerd, is de uitkomst van een iteratief proces. Bij de start van de ontwikkeling van de methode kon niet worden overzien hoe de methode er exact uit zou moeten zien. Wel was er een globaal idee over de elementen waaruit de methode zou moeten bestaan. Het iteratieve proces, schematisch weergegeven in Figuur 2.2, geeft aan dat voor de uitwerking van elke volgende stap gereflecteerd wordt op keuzes en aannames in voorgaande stappen. Zo nodig worden keuzes en aannames herzien en wordt teruggegaan naar één of meer vorige stappen. In deze paragraaf wordt het ontwikkelingsproces kort besproken, waarbij de nadruk ligt op het verantwoorden en het toelichten van bepaalde keuzes en aannames. Figuur 2.2 Iteratief proces van de methode ontwikkeling
Idee

Dataverzameling en -analyse Databewerking en berekeningen

Interne validatie

Gevoeligheidsanalyse Externe validatie

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

11

De rol van de arbeidsproductiviteit in de methode behoeft nog de nodige toelichting. Aanvankelijk was het de bedoeling om uit te gaan van de meest zuivere indicator voor arbeidsproductiviteit, namelijk de toegevoegde waarde per arbeidsjaar. Deze zou uit de REJ worden berekend. Vervolgens was het de bedoeling om de werkgelegenheid op bedrijventerreinen om te zetten in arbeidsvolume. De toegevoegde waarde op bedrijventerreinen wordt dan verkregen door dit arbeidsvolume te vermenigvuldigen met de arbeidsproductiviteit. Om verschillende redenen is van deze theoretisch juiste methode afgezien. De belangrijkste reden is pragmatisch van aard. De direct beschikbare data van het CPB over de BLM-locatievoorkeur hebben namelijk alleen betrekking op banen van 12 uur per week of meer. Banen van minder dan 12 uur worden wel in LISA geregistreerd, maar zijn niet gebruikt bij de koppeling met IBIS. Het is hierdoor onmogelijk om het arbeidsvolume op bedrijventerreinen te berekenen. Als alternatief is gekozen om uit te gaan van de toegevoegde waarde per arbeidsplaats (elke baan van 12 uur per week of meer). De (bruto) toegevoegde waarde wordt direct uit de REJ betrokken. Dit betekent dat de toegevoegde waarde die door deeltijdarbeid (< 12 uur) wordt gegenereerd naar rato van de verdeling van voltijd banen (> 12 uur) over bedrijventerreinen en gebieden daarbuiten wordt verdeeld. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat deeltijd arbeid even vaak op bedrijventerreinen als daarbuiten voorkomt. Daarnaast betekent dit dat ervan wordt uitgegaan dat de arbeidsproductiviteit op bedrijventerreinen niet verschilt van gebieden daarbuiten. Met het gebruik van de toegevoegde waarde per arbeidsplaats in plaats van de toegevoegde waarde per arbeidsjaar (de arbeidsproductiviteit), wordt het probleem van de zelfstandigen geëlimineerd. Omdat zelfstandigen wel in LISA zijn opgenomen, maar niet in het arbeidsvolume van de REJ, zijn beide bronnen voor ons doel niet zonder meer te koppelen. In de REJ zijn wel gegevens opgenomen over de toegevoegde waarde voor zelfstandigen. Koppeling met LISA is daarom veel eenvoudiger. Tijdens de databewerkingen en – berekeningen kwamen allerlei beperkingen van de data aan het licht. Vaak hadden deze betrekking op sectoren of gegevens over de oppervlakte. Naast de verschillende sectorindelingen volgens de BLM en de REJ, bevat de REJ voor sommige Corop-gebieden geheime data, waardoor de toegevoegde waarde voor bepaalde sectoren is samengevoegd. Als gevolg moesten ook werkgelegenheidscijfers voor deze sectoren en Corop-gebieden worden samengevoegd. Daarnaast moest worden besloten of de sectoren landbouw en delfstofwinning in de berekening moesten worden opgenomen. In onderzoek naar ruimtelijke verschillen in arbeidsproductiviteit wordt de delfstofwinning vaak buiten beschouwing gelaten. Deze sector is zeer dominerend in enkele Corop-gebieden waar aardgaswinning plaatsvindt (zie ook Broersma en Van Dijk, 2003). Om deze reden is bij de berekening van de ruimteproductiviteit de delfstofwinning buiten beschouwing gelaten. Volgens de BLM-locatievoorkeur is ruim 20% van de werkgelegenheid in de landbouw op bedrijventerreinen gesitueerd. Om twee redenen is besloten om de landbouw niet in de berekening van de ruimteproductiviteit op te nemen. Ten eerste vertoont een GIS-analyse ruis, omdat grenzen van 6-cijferige postcodegebieden van LISA niet geheel samenvallen met de grenzen van de bedrijventerreinen uit IBIS. De kans bestaat dat hierdoor bedrijven die nabij een bedrijventerrein zijn gevestigd ten onrechte door de GIS-analyse aan een bedrijventerrein worden toegerekend. De kans 12
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

dat dit gebeurt, is in verhouding groot. Veel bedrijventerreinen zijn immers op de grens van stedelijk en landelijk gebied gevestigd. Ten tweede, zal als externe validatie in hoofdstuk 3 een vergelijking van de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen met de ruimteproductiviteit in bebouwd gebied worden gemaakt. Deze vergelijking waarbij oppervlakte gegevens uit het BBG worden gebruikt, is alleen zinvol wanneer de toegevoegde waarde landbouw geheel aan het landelijke gebied wordt toegerekend. In het licht van de keuze om de landbouw en de delfstofwinning buiten de berekening te houden, zijn gevoeligheidsanalysen uitgevoerd om het effect te bepalen van: 1) Het weglaten dan wel meenemen van de toegevoegde waarde in de sector delfstofwinning. 2) Het weglaten dan wel meenemen van de toegevoegde waarde in de sector landbouw. De uitkomsten zijn zeer gevoelig voor het al dan niet meenemen van de toegevoegde waarde van de sector delfstofwinning. Corop-gebieden met delfstofwinning hebben een aanzienlijk hogere toegevoegde waarde per hectare dan Corop-gebieden zonder. De gevoeligheidsanalyse steunt het besluit om de delfstofwinning buiten de berekening te houden (zie bijlage). De gevoeligheidsanalyse met betrekking tot de landbouw geeft een geheel ander beeld. Het al dan niet meenemen van de toegevoegde waarde van de landbouw leidt niet tot grote verschillen in ruimteproductiviteit. Het maximale verschil in ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen is een bijna 12% lagere productiviteit voor Corop-gebied Delft en Westland. In Flevoland is de daling bijna 10%. In alle andere Corop-gebieden is de daling veel kleiner en bedraagt maximaal enkele procenten. Juist deze geringe daling in vrijwel alle Corop-gebieden duidt op een algemeen voorkomend verschijnsel, namelijk het (mogelijk) ten onrechte toerekenen van agrarische werkgelegenheid aan bedrijventerreinen7. Ten aanzien van de oppervlakte diende een beslissing te worden genomen over het gebruik van het netto of bruto oppervlak. Gebruik maken van het netto oppervlak betekent dat grond als zuivere productiefactor wordt gezien. Immers, dit is het oppervlak dat daadwerkelijk aan bedrijven is uitgegeven8. De berekende ruimteproductiviteit heeft dan een bedrijfseconomische betekenis. Wanneer gebruik wordt gemaakt van het bruto oppervlak wordt ook de ruimte voor infrastructuur, groen, e.d. op bedrijventerreinen in de berekening betrokken. De op deze manier berekende ruimteproductiviteit heeft planologische en economisch-maatschappelijke betekenis en zegt iets over de omvang van de toegevoegde waarde per hectare bedrijventerrein. Voor dit laatste is in dit onderzoek gekozen, vanwege de beleidsmatige relevantie. Bij bedrijventerreinen gaat het bovendien om monofunctionele gebieden, waarbij infrastructuur e.d. alleen een functie hebben ten
7

8

Opgemerkt moet worden dat het wel mogelijk is dat agrarische werkgelegenheid zich op bedrijventerreinen bevindt. Dit zullen vooral banen zijn in de agrarische dienstverlening. Er is aangenomen dat alle uitgegeven grond op bedrijventerreinen daadwerkelijk in gebruik is bij bedrijven, of dat deze bedrijven delen van de grond in eigendom hebben als reservegrond. In theorie dient deze oppervlakte te worden verminderd met het oppervlak van leegstaande bedrijfscomplexen, omdat daarin geen economische activiteiten plaatsvinden. Echter, gegevens hierover ontbreken.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

13

behoeve van de economische activiteiten. Het openbare gebied kan volledig aan economische activiteiten worden toegerekend. Economische activiteiten die buiten bedrijventerreinen plaatsvinden, vallen buiten de berekening. Voor deze, zogenaamde informele of solitaire locaties zijn geen gegevens over oppervlakte bekend. Het betreft vaak binnenstedelijk locaties waar vele functies gemengd voorkomen (zie: Harts et al., 2000). Daarnaast is het met behulp van GISanalyses, waarbij LISA-data worden gebruikt waarschijnlijk niet mogelijk de werkgelegenheid op deze locaties vast te stellen. Alleen met gebruikmaking van micro-data kan dit probleem worden opgelost. Dit is echter zeer arbeidsintensief en valt buiten het kader van het onderzoek. Ook van kantoorlocaties zijn geen oppervlaktegegevens bekend. Dit betekent echter niet dat kantoorgerelateerde bedrijvigheid volledig buiten het onderzoek valt. Op veel bedrijventerreinen zijn namelijk dienstverlenende bedrijven gevestigd. Hierdoor zijn sommige bedrijventerreinen in de loop van de tijd steeds meer op kantoorlocaties gaan lijken. Deze terreinen worden in IBIS zowel als bedrijventerrein en kantoorlocatie geregistreerd. Van deze locaties zijn wel gegevens over oppervlakte beschikbaar. Bij de berekening is het netto uitgegeven areaal aan bedrijventerreinen uit IBIS als uitgangspunt genomen. Niet uitgegeven kavels op bedrijventerreinen tellen dus niet mee. Het netto uitgegeven areaal per terrein is vervolgens opgehoogd met de netto/bruto verhouding van het totale terrein (ook hier is de bottum-up methode gevolgd). In IBIS wordt onderscheid gemaakt in vijf typen bedrijventerreinen, namelijk zware industrieterreinen, zeehaventerreinen, gemengde terreinen, hoogwaardige bedrijvenparken en distributieparken9. Het onderscheid tussen deze typen is veelal arbitrair en verschilt vaak per provincie (Louw et al., 2004). Daarnaast nemen gemengde terreinen en zeehaventerreinen samen 83% van het totale areaal in. Er is daarom voor gekozen geen berekening uit te voeren voor ieder terreintype afzonderlijk, maar uitsluitend voor alle bedrijventerreinen samen en zeehaventerrein afzonderlijk. Bij het berekenen van de ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen deed zich het probleem voor dat het aandeel werkgelegenheid op zeehaventerreinen alleen op provincieniveau bekend was, terwijl niet alle Corop-gebieden in de desbetreffende provincies een zeehaven hebben. Het kan dus gebeuren dat er aan een Corop-gebied werkgelegenheid (en dus ook toegevoegde waarde) aan zeehaventerreinen wordt toegedeeld, terwijl er in het desbetreffende Corop-gebied geen zeehaventerreinen zijn. In deze gevallen is de berekende toegevoegde waarde op zeehaventerreinen in de provincie geheel toegerekend aan het Corop-gebied dat wel over zeehaventerreinen beschikt. Voor het berekenen van de ruimteproductiviteit per sector is gebruik gemaakt van de terreinquotiënten uit de BLM. Een terreinquotiënt is het netto aantal vierkante meters per arbeidsplaats. De gebruikte sectorindeling bij deze terreinquotiënten wijkt iets af van de sectorindeling voor de werkgelegenheid. Hierdoor moest voor enkele sectoren worden gekozen welk terreinquotiënt te gebruiken10. Omdat de
9 10

Zie voor definities de bijlage. De terreinquotiënt voor de sector ‘Overige industrie’ is toegepast op de sectoren ‘Textiel en Papierindustrie’ . De terreinquotiënt voor de sector ‘Fijnchemie wordt toegepast op de combinatie sector ‘Fijnchemie/rubber. Met betrekking tot de terreinquotiënten voor bedrijventerreinen wordt
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

14

terreinquotiënten van de BLM voor 2000 nog niet beschikbaar waren, is gebruik gemaakt van de terreinquotiënten uit 199511. Deze zijn ongewijzigd toegepast. De overige data in de berekening, werkgelegenheid en toegevoegde waarde, hebben betrekking op 2000. Met behulp van de terreinquotiënten is per sector het netto ruimtegebruik berekend. Vervolgens zijn deze oppervlakten getotaliseerd. Dit berekende oppervlak is ter validatie vergeleken met de netto uitgegeven oppervlakten bedrijventerreinen in IBIS voor 2000. Op landelijk niveau wijkt het met behulp van de terreinquotiënten berekende oppervlak (53.855 ha) ongeveer 0.5% af van het volgens IBIS daadwerkelijk tot en met 2000 uitgegeven oppervlak (54.128 ha). Voor sommige provincies zijn de verschillen groter, soms oplopend tot meer dan 20%. Bovendien ligt de met de terreinquotiënten berekende oppervlakte de ene keer hoger en de andere keer lager dan de IBIS oppervlakte. Grote verschillen doen zich vooral voor bij zeehaventerreinen, in de provincies Noord-Brabant, Zuid-Holland en NoordHolland. Vooral voor Zuid-Holland zijn de verschillen groot. De met de terreinquotiënten berekende oppervlakte zeehaventerreinen komt uit op 961 ha, terwijl volgens IBIS dit op 4.666 ha moet liggen. Om diverse redenen is er voor gekozen om de ruimteproductiviteit per sector alleen op landelijk niveau te berekenen. Ten eerste is de betrouwbaarheid van de terreinquotiënten te beperkt. De grote verschillen tussen het berekende oppervlak en het daadwerkelijk uitgegeven oppervlak per provincie wijzen daar ook op. Ten tweede waren ten tijde van het onderzoek de nieuwe BLM-terreinquotiënten voor het jaar 2000 nog niet beschikbaar. Verwacht wordt dat deze betrouwbaarder zijn dan de terreinquotiënten van 1995. De uitkomsten van de berekeningen zijn continue gevalideerd (interne validatie). Dat wil zeggen, in alle spreadsheets zijn de gebruikte formules steeds gecontroleerd, alsmede de uitkomsten. Er is veel gebruik gemaakt van het vergelijken van randtotalen en het vergelijken van de uitkomsten met gegevens uit de oorspronkelijke databestanden. Dit betekende dat de bottum-up methode steeds kon worden gecontroleerd met ruimtelijk en sectoraal geaggregeerde data. 2.4 Overzicht berekeningen

In deze paragraaf wordt toegelicht welke berekeningen zijn uitgevoerd om de ruimteproductiviteit te kunnen bepalen. Een overzicht van de berekeningen wordt weergegeven in Figuur 2.3. Per basisstap worden de afzonderlijke berekeningen beschreven.

11

voor de provincies zonder zee- en luchthaven van betekenis de terreinquotiënt voor de sector ‘ Vervoer over land’ toegepast op de combinatie sector ‘Vervoer over water en land en luchtvaart’ en de terreinquotiënt voor de sector ‘Vervoer over water en luchtvaart’ voor de provincies met zee- en luchthaven van betekenis. Met betrekking tot de terreinquotiënten voor zeehaventerreinen wordt de terreinquotiënt voor de sector ‘Vervoer over land’ toegepast op de combinatie sector ‘Vervoer over water en land en luchtvaart’ . Er zijn geen terreinquotiënten voor de landbouwsector beschikbaar. Ook deze zijn door het CPB ter beschikking gesteld.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

15

1.

Bepalen aandeel werkgelegenheid op en buiten bedrijventerreinen. a. Bepaal per provincie en sector werkgelegenheid op bedrijventerreinen, bedrijventerrein exclusief zeehavens, kantoorlocaties, overige locaties en de totale werkgelegenheid op basis van de BLM cijfers. b. Bereken per provincie en sector het aandeel werkgelegenheid op bedrijventerreinen, bedrijventerrein exclusief zeehavens, kantoorlocaties en overige locaties. Deel hiertoe de subtotalen in stap 1a door de totale werkgelegenheid bepaald in eveneens stap 1a. Verdelen toegevoegde waarde tussen bedrijventerreinen en gebieden daarbuiten. a. Vermenigvuldig per sector aandeel werkgelegenheid (uitkomst stap 1b) met toegevoegde waarde uit REJ voor bedrijventerreinen, bedrijventerrein exclusief zeehavens, kantoorlocaties, overige locaties. Hier wordt het aandeel werkgelegenheid op provincie niveau toegepast op Corop-niveau. b. Sommeer uitkomsten van stap 2a voor alle economische sectoren per Corop-gebied. Dit resulteert in de toegevoegde waarde gegenereerd op bedrijventerreinen, bedrijventerrein exclusief zeehavens, kantoorlocaties en overige locaties. c. Sommeer uitkomsten van stap 2b per provincie. Bepalen ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen. a. Bepaal met IBIS-data het de bruto oppervlakte uitgegeven bedrijventerrein per terrein en sommeer deze oppervlakten op Corop- en provincieniveau. b. Deel de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen per Corop-gebied (uitkomst stap 2b) door het aantal hectare bedrijventerrein in dat Coropgebied (uitkomst stap 3a). Dit resulteert in de toegevoegde waarde per hectare per Corop gebied. c. Deel de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen per provincie (uitkomst stap 2c) door het aantal hectare bedrijventerrein in die provincie (uitkomst stap 3a). Dit resulteert in de toegevoegde waarde per hectare per provincie. Bepalen aandeel toegevoegde waarde op en buiten bedrijventerreinen a. Deel som van toegevoegde waarde op bedrijventerreinen, kantoorlocaties en overige locaties door de totale toegevoegde waarden in een Corop-gebied (op basis van uitkomsten van stap 2b). b. Deel som van toegevoegde waarde op respectievelijk bedrijventerreinen, kantoorlocaties en overige locaties door de totale toegevoegde waarden in een provincie gebied (op basis van uitkomsten van stap 2c). Bepalen ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen per sector. a. Vermenigvuldig terreinquotiënt (BLM) met werkgelegenheid (BLM). Dit resulteert in het ruimtegebruik per economische sector op bedrijventerreinen exclusief zeehavens en op zeehavens op provincie niveau.

2.

3.

4.

5.

16

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

b. Deel de uitkomst van stap 2c door de uitkomst uit stap 5a om de ruimteproductiviteit per sector op bedrijventerreinen exclusief zeehaventerreinen en op zeehavens te bepalen.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

17

Figuur 2.3 Overzicht databewerkingen

18

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

3

Resultaten

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de resultaten gepresenteerd van de in het vorige hoofdstuk beschreven methode. Waar mogelijk zullen deze resultaten worden vergeleken met uitkomsten van andere onderzoeken, waar toegevoegde waarde in relatie is gebracht met ruimtegebruik. Hiermee kunnen de uitkomsten op hoofdlijnen worden getoetst op plausibiliteit en wordt de methode extern gevalideerd. Kern van de berekening van de ruimteproductiviteit is de verdeling van toegevoegde waarde over bedrijventerreinen en gebieden daarbuiten. Belangrijk voor de interpretatie van de uitkomsten is dat deze verdeling gebeurt op basis van gegevens over provinciale verhoudingen in locatievoorkeuren. Verschillen in ruimteproductiviteit tussen provincies kunnen dus verklaard worden aan de hand van de verschillen in locatievoorkeuren, oppervlak bedrijventerreinen, sectorstructuur en intensiteit van het ruimtegebruik. Bij de verschillen in de ruimteproductiviteit tussen Corop-gebieden spelen verschillen in locatievoorkeuren in de gehanteerde methode geen rol12. Verder zij er nogmaals op gewezen dat de sectoren landbouw en delfstofwinning niet mee telen in de berekende ruimteproductiviteit. In dit hoofdstuk gaan we achtereenvolgens in op de omvang van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen (paragraaf 3.2), de ruimteproductiviteit per regio (paragraaf 3.3), de ruimteproductiviteit per sector (paragraaf 3.4) en worden de ruimtelijke verschillen in de ruimteproductiviteit vergeleken met ruimtelijke verschillen in de arbeidsproductiviteit (paragraaf 3.5). 3.2 Toegevoegde waarde op bedrijventerreinen

De eerste stap om de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen te berekenen, is het bepalen welk aandeel van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen wordt gecreëerd en welk aandeel daarbuiten. Volgens de berekeningen komt in Nederland 34,2% van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen tot stand, 9,9%, op kantoorterreinen en 55,9% op overige locaties. In absolute termen zijn de bedrijventerreinen goed voor € 119.964 mln aan toegevoegde waarde. Wanneer we het aandeel toegevoegde waarde per provincie bekijken, dan blijkt er een spreiding te zijn van ruim 16 procentpunten. In Overijssel is dit aandeel 45,5 % en in NoordHolland 28,4 %. Het aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen hangt zoals viel te verwachten, sterk samen met het aandeel werkgelegenheid op bedrijventerreinen. Dit is immers de sleutel voor de verdeling van de toegevoegde waarde. Voor Nederland als totaal is dit aandeel 34,4% en is daarmee iets hoger dan het aandeel van de
12

Wanneer er gerekend wordt met zeehaventerreinen geldt dit niet. Wanneer de ruimteproductiviteit op deze terreinen wordt berekend, is de gehele werkgelegenheid op zeehaventerreinen toegerekend aan het Corop-gebied (of gebieden) binnen de provincie, die zeehaventerreinen hebben.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

19

toegevoegde waarde op bedrijventerreinen. Op provinciaal niveau, zijn de verschillen groter. Vooral in de provincies Zeeland, Drenthe en Groningen is het verschil relatief groot. Deze verschillen kunnen alleen worden verklaard door verschillen in sectorsamenstelling van bedrijven. Wanneer zich in een bepaalde provincie vooral sectoren met een hoge arbeidsproductiviteit op bedrijventerreinen bevinden, zal in die provincie het aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen hoger zijn dan het aandeel van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen. Dit is het geval in de provincies Zeeland en Groningen. Bij de verschillen tussen provincies kan ook de afbakening en definitie van bedrijventerreinen een rol spelen. Bekend is dat niet alle provincies exact dezelfde definitie van een bedrijventerrein hanteren en daarom niet alle terreinen aanmelden voor het IBIS-bestand. In hoeverre dit de verschillen tussen provincies in figuur 3.1 beïnvloedt, is op basis van de voor het onderzoek gebruikte data niet na te gaan. In het vervolg van deze paragraaf komen we hierop terug. Figuur 3.1
50,0% 45,0% 40,0% 35,0% 30,0% 25,0% 20,0% 15,0% 10,0% 5,0% 0,0%
rij F l s se ev l oo rd ola - B nd ra b Ze ant el G el and de rla D nd re G nt ro he ni ng Li en m Fr bur ie g Zu s id lan -H d ol la nd N oo Utr rd ech -H ol t la nd

Aandeel toegevoegde waarde en werkgelegenheid bedrijventerreinen* per provincie in 2000.

op

Aandeel w erkgelegenheid Aaandeel toegevoegde w aarde

O

ve

* Bedrijventerreinen inclusief zeehaventerreinen. De invloed van het sectoreffect wordt nog duidelijker wanneer we kijken naar het aandeel van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen per Corop-regio in dezelfde provincie. Immers, de verhoudingen waarmee de toegevoegde waarde binnen de verschillende sectoren over de locatietypen is verdeeld is voor elke Coropregio binnen een provincie gelijk. Verschillen tussen Corop-regio’s met betrekking tot het aandeel toegevoegde waarde kan daarom alleen worden toegeschreven aan regionale verschillen in de arbeidsproductiviteit. Ter illustratie de provincie Groningen, waar 30,9% van de banen op bedrijventerreinen is gelegen. Deze provincie bestaat uit de drie Corop-gebieden, Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving en Overig Groningen met als aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen respectievelijk, 34,3%, 47,9% en 30,9% (zie figuur 3.2). In andere provincies zoals

20

N

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

Overijssel en Noord-Brabant zijn de verschillen tussen de Corop-gebieden minder groot. Figuur 3.2 Aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen* per Coropgebied in 2000.

Legenda
< 30 % 30 - 33 % 33 - 36 % 36 - 39 % > 39 %

* Bedrijventerreinen inclusief zeehaventerreinen. In figuur 3.2 is het aandeel van de toegevoegde waarde op bedrijventerreinen per Corop-gebied weergegeven. Hieruit blijkt dat dit aandeel relatief laag is in de Coropgebieden in het westen, midden (Utrecht) en noorden. Het aandeel ligt daar veelal onder het nationaal gemiddelde van 34,2%. In het oosten en zuiden ligt het aandeel veelal boven het nationaal gemiddelde. Meer in detail blijkt dat het aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen per Corop-gebied relatief hoog te zijn in

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

21

Corop-gebieden met zeehavens13 en in Corop-gebieden in de provincies Overijssel, Gelderland en Flevoland. Met uitzondering van Flevoland zijn dit gebieden met relatief veel industrie. Het hoge aandeel wordt dan verklaard doordat de industrie in vergelijking tot andere sectoren een hoge arbeidsproductiviteit heeft en de industrie relatief vaker op bedrijventerreinen is gevestigd dan andere sectoren14. Op basis van de locatievoorkeuren uit de BLM is ook af te leiden welk aandeel van de toegevoegde waarde wordt gecreëerd op kantoorlocaties en overige locaties (geen monofunctionele werklocaties). Deze aandelen zijn samen met het aandeel op bedrijventerreinen, weergegeven in figuur 3.3. In deze figuur valt op dat er aanzienlijke verschillen zijn in het aandeel toegevoegde waarde op kantoorlocaties. Dit aandeel varieert tussen 0 (Limburg) tot 22,2% in Utrecht. Dat er geen kantorenlocaties zijn in Limburg is zeer onwaarschijnlijk15. Opvallend is dat in Flevoland 21,4% van de toegevoegde waarde ontstaat op kantoorlocaties, terwijl deze provincie niet bekend staat om zijn diensteneconomie. Bij nadere beschouwing is deze uitkomst echter niet zo vreemd omdat het grondgebruik in deze provincie in zijn geheel is gepland volgens de principes van functiescheiding. Hierdoor is het aandeel toegevoegde waarde op de overige locaties in Flevoland gering. Figuur 3.3
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
N -H ol la U nd tre Z - ch H ol t Fr land ie sl a Li nd m G bu ro ni rg ng D en r G ent el de he rla Ze nd e N lan -B d ra Fl ban ev ol t O and ve rij se l

Aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen*, kantoorlocaties en overige locaties per provincie in 2000.

Op overige locaties Op kantoorlocaties Op bedrijventerreinen

* Bedrijventerreinen inclusief zeehaventerreinen.

13

14

15

In Rijnmond is het aandeel laag. De onderzoekers wijten dit aan een mogelijke fout in de locatievoorkeuren van de BLM voor 2000. Zeer waarschijnlijk is het aandeel van de werkgelegenheid op zeehaventerreinen te laag. De ruimtelijke verdeling in figuur 3.2 vertoont grote gelijkenis met de ruimtelijke verdeling van het aandeel nijverheid in het bruto regionaal product voor 1993 zoals weergegeven in de publicatie van Nijmeijer, (1995). Limburg scoort in IBIS (2000) in absolute termen zeer laag waar het gaat om kantoorlocaties, namelijk maar 5 terreinen (ter vergelijking, de provincie Zeeland telt volgens IBIS 16 kantoorlocaties).
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

22

De aanzienlijke verschillen tussen provincies bij het aandeel toegevoegde waarde op kantoorterreinen is nog een aanwijzing dat verschillen in definitie van deze terreinen een rol spelen bij de verklaring van dit aandeel. Opvallend is bijvoorbeeld het grote verschil tussen de provincies Friesland (relatief hoog aandeel) en Noord-Brabant (relatief laag aandeel). Dat er in de provincie Limburg helemaal geen (af nagenoeg geen) toegevoegde waarde op kantoorterreinen wordt gecreëerd en dat bovendien het aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen laag is, kan er op duiden dat in deze provincie relatief weinig bedrijventerreinen en/of kantoorlocaties in IBIS worden geregistreerd. 3.3 Ruimteproductiviteit per regio

Gemiddeld wordt in Nederland € 1,7 mln toegevoegde waarde gecreëerd op een hectare bedrijventerrein. Met € 3,4 mln per hectare is de ruimteproductiviteit in de provincie Utrecht het hoogst. Zeeland heeft met € 0,7 mln per hectare de laagste ruimteproductiviteit. In 9 van de 12 provincies ligt de ruimteproductiviteit tussen de € 1 mln per hectare en € 2 mln per hectare. In figuur 3.4 is de ruimteproductiviteit in provincies weergegeven voor de bedrijventerreinen als totaal, voor bedrijventerreinen exclusief zeehaventerreinen en voor zeehaventerreinen apart. Daaruit blijkt dat de ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen relatief laag is. Dit duidt erop dat zeehaventerreinen in vergelijking tot de andere typen bedrijventerreinen extensief worden benut. De relatief hoge arbeidsproductiviteit in Corop-gebieden met zeehavens (paragraaf 3.5) kan dit blijkbaar niet compenseren. Figuur 3.4
4000 3500 3000 2500 x 1.000 € 2000 1500 1000 500 0
Ze e G lan ro ni d n Fr gen ie sl an d D re nt Fl ev he ol a Li n d m N bur -B g ra b Z- an t H ol la O nd ve G rijs el e de l rla N -H nd ol la nd U tre ch t

Ruimteproductiviteit per provincie in € per hectare in 2000.

Op bedrijventerreinen Op bedrijventerreinen excl. zeehaventerreinen Op zeehaventerreinen

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

23

Opvallend blijft het grote verschil in ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen tussen de provincies. Vooral de extreem lage ruimteproductiviteit op bedrijventerrein Moerdijk in Noord-Brabant valt op. Hierbij speelt waarschijnlijk een rol dat de zeehavenindustrie op dit bedrijventerrein is ondervertegenwoordigd en dat veel grond is uitgegeven aan logistieke dienstverleners. Dit veroorzaakt de combinatie van een relatief groot oppervlak gecombineerd met een lage toegevoegde waarde. De zeer lage ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen in Zuid-Holland wordt veroorzaakt, doordat te weinig toegevoegde waarde is toegedeeld door het (te) lage aandeel werkgelegenheid op zeehaventerreinen volgens de BLM-locatievoorkeur. De BLMlocatievoorkeuren uit 1995 leren dat dit vooral geldt voor de sectoren aardolie industrie, chemische industrie en voedings- en genotmiddelen industrie. Wanneer voor deze sectoren de locatievoorkeuren uit 1995 worden gebruikt in plaatst van die van 2000 dan neemt de ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen toe van € 114.000 per hectare tot € 418.000 per hectare. De berekende ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen kan op relatief eenvoudige manier extern worden gevalideerd, door deze te vergelijken met de ruimteproductiviteit van het bebouwde gebied. Met behulp van het Bestand Bodemgebruik (BBG) van het CBS kan worden berekend wat de toegevoegde waarde per hectare bebouwd gebied is16. Dit gebeurt door per regio de totale toegevoegde waarde exclusief die van de landbouw, toe te rekenen aan het bebouwde gebied. Bij de vergelijking tussen deze twee metingen van de ruimteproductiviteit kan worden verwacht dat de ruimteproductiviteit op het bebouwde gebied lager is dan de ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen. Immers op bedrijventerreinen vinden uitsluitend economische activiteiten plaats, terwijl in het overige bebouwde gebied ook niet-economische vormen van grondgebruik voorkomen. In figuur 3.5 is deze vergelijking uitgevoerd voor provincies. De ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen blijkt in 11 van de 12 provincies hoger te zijn dan de ruimteproductiviteit in het bebouwde gebied. Alleen in Zeeland is de ruimteproductiviteit in het bebouwde gebied iets hoger. Dit duidt op een extensieve vorm van ruimtegebruik op de Zeeuwse bedrijventerreinen. Verder valt op dat het verschil in Zuid-Holland zeer klein is. Ook hier speelt waarschijnlijk het (te) kleine aandeel van de werkgelegenheid op zeehaventerreinen een rol. De overige uitkomsten wijzen erop dat de berekende ruimteproductiviteit op provinciaal niveau aannemelijk is. Ten slotte is de ruimteproductiviteit per Corop-gebied berekend. De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in figuur 3.6. Een echt duidelijk ruimtelijk patroon is hierin niet te herkennen. Wel kan worden geconstateerd dat perifere gebieden (NoordNederland, Zeeland en Limburg) een ruimteproductiviteit hebben die lager ligt dan het Nederlands gemiddelde van € 1,7 mln en dat de Randstad inclusief delen van Gelderland, Noord-Branbant en Overijssel boven dit gemiddelde uitkomen. Opvallend is hier de lage ruimteproductiviteit in Rijnmond. Waarschijnlijk wordt deze veroorzaakt door de te lage hoeveelheid werkgelegenheid op zeehaventerreinen in Zuid-Holland volgens de BLM-locatievoorkeur.

16

Het BBG is de opvolger van de Bodemstatistiek.
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

24

Figuur 3.5

Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen* gebied per provincie in 2000.

en

bebouwd

Utrecht N-Holland Gelderland Overijsel Z-Holland N-Brabant Limburg Flevoland Drenthe Friesland Groningen Zeeland 0,00 1,00 2,00 x mln € per ha 3,00 4,00 Ruimteproductiviteit bedrijventerreinen Ruimteproductiviteit bebouwd gebied

* Bedrijventerreinen inclusief zeehaventerreinen. Een vergelijking tussen de figuren 3.2 en 3.6 leert dat een hoge ruimteproductiviteit vaak samen gaat met een laag aandeel toegevoegde waarde op bedrijventerreinen. Alleen voor delen van de provincies Noord-Brabant en Overijssel gaat dat niet op. Daar zijn in sommige Corop-gebieden beide relatief hoog.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

25

Figuur 3.6

Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen* per Corop-gebied (x € 1.000 per ha.) in 2000.

Legenda
< 900 900 - 1300 1300 - 1700 1700 - 3000 > 3000

* Bedrijventerreinen inclusief zeehaventerreinen.

3.4

Ruimteproductiviteit per sector

Grond wordt door verschillende sectoren anders in het productieproces gebruikt. Daaraan kunnen technische en organisatorische oorzaken ten grondslag liggen. Een bekend voorbeeld is de logistieke sector. Tot 30 jaar geleden was het gebruikelijk om goederen in pakhuizen met meer verdiepingen op te slaan. Door veranderingen in interne transportsystemen werd het effectiever om goederen op één niveau op te slaan. Een toename van het ruimtebeslag was het gevolg. Recent is in deze sector weer een tegengestelde tendens zichtbaar: het stapelen op één (hogere) verdieping. Hierdoor neemt de intensiteit van het ruimtegebruik weer toe. Bij kantoren is het 26

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

vaak aantrekkelijk om werkplekken onder te brengen op verschillende verdiepingen, in plaats van deze allemaal om één verdieping onder te brengen. Het is daarom te verwachten dat de ruimteproductiviteit aanzienlijke verschillen vertoont per sector. Sectoren met een grote hoeveelheid werkgelegenheid in kantoorgebouwen zullen naar verwachting een hogere ruimteproductiviteit hebben dan industriële of logistieke sectoren. Figuur 3.7 waarin de ruimteproductiviteit per sector is weergegeven bevestigt dit vermoeden. De twee sectoren met de hoogste ruimteproductiviteit zijn typische kantoorsectoren. Ook de bouwnijverheid heeft een relatief hoge ruimteproductiviteit. Echter hiervan kan worden gezegd dat de toegevoegde waarde niet aan de locatie wordt toegedeeld, waar deze ontstaat (de bouwplaats), maar aan het adres waar de werkgelegenheid is geregistreerd (het vestigingsadres). Deze locatie is relatief klein en dient vooral voor de administratie, opslag e.d. De voedings- en genotmiddelen industrie is de industriële sector met de hoogste ruimteproductiviteit. Een lage ruimteproductiviteit vinden we in de logistiek (vervoer en communicatie) en de chemische en aardolie industrie. Figuur 3.7 Ruimteproductiviteit per sector op bedrijventerreinen (inclusief zeehaventerreinen) in Nederland in 2000
Financiële inst ellingen Zakelijk dienst ver lening Bouwnijver heid Voedings- en genot middelen Milieu en ov. Dienst ver lening, cult uur. spor t en r ecreat ie Overheid en onder wijs Hor eca Papier en kart on. Uit gever ijen en drukker ijen Elekt rot echnische en t ransport middelen indust r ie Handel. repar at ie consument enart . Gezondheids- en welzijnszor g Text iel en leder Met aalindust r ie Overige indust rie, energie- en wat erleidingbedr ijven Aar dolie, chemische, r ubber en kunst st of indust r ie Ver voer en communicat ie

0

2500

5000

7500

10000

12500

15000

x 1.000 € per ha

*De ruimteproductiviteit voor de sector Verhuur en handel onroerend goed is niet in dit figuur opgenomen omdat de extreem hoge ruimteproductiviteit van € 45 miljard per hectare de leesbaarheid te zeer negatief zou beïnvloeden.

3.5

Vergelijking ruimteproductiviteit met arbeidsproductiviteit

Bij de berekening van de ruimteproductiviteit spelen verschillen in arbeidsproductiviteit een rol. Impliciet wordt ervan uitgegaan dat de
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

27

arbeidsproductiviteit in een sector op bedrijventerreinen gelijk is aan de arbeidsproductiviteit in gebieden daarbuiten. Deze veronderstelling wordt niet door iedereen gedeeld. Broersma en Van Dijk (2003: 43) stellen dat bedrijventerreinen bij uitstek locaties zijn “…waar agglomeratievoordelen tot uitdrukking zouden kunnen komen.” Deze agglomeratievoordelen die voortvloeien uit externe schaalvoordelen, leiden tot een efficiënter inzet van productiefactoren en daarmee tot een hogere arbeidsproductiviteit. Deze redenering veronderstelt dat agglomeratievoordelen vaker optreden op bedrijventerreinen dan in gebieden daarbuiten. In de literatuur zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden. Zo concludeert Van Steen (1995) bijvoorbeeld dat bedrijven op bedrijventerrein qua rendement en investeringsontwikkeling nauwelijks verschillen van bedrijven die niet op bedrijventerreinen zijn gevestigd. Het enige belangrijke verschil is de sectorsamenstelling. Dienstverlening komt nauwelijks op bedrijventerreinen voor, terwijl de meerderheid van de industrie, bouwnijverheid, (groot)handel en transportsector op bedrijventerreinen is gevestigd. Dit betekent dat als de (totale) arbeidsproductiviteit op en buiten bedrijventerreinen verschilt dit eerder aan sectorverschillen is te wijten dan aan agglomeratievoordelen. Met deze sectorverschillen houdt de methode om de ruimteproductiviteit te meten rekening. Figuur 3.8 Gemiddelde jaarlijkse arbeidsproductiviteit* (x € 1.000 ) per provincie voor de perioden 1990-1995 en 1996-2000.

* Totale arbeidsproductiviteit, exclusief landbouw en delfstofwinning. Bron: Broersma en Van Dijk, 2003, p. 25. Uit de studie van Broersma en Van Dijk blijkt dat de ruimtelijke verschillen in arbeidsproductiviteit relatief beperkt zijn (zie figuur 3.8). In de westelijke provincies is de arbeidsproductiviteit het hoogst, en in de perifere provincies het laagst. De spreiding in de waarde van de arbeidsproductiviteit is echter vele malen kleiner dan de spreiding in de waarde van de ruimteproductiviteit zoals die in paragraaf 3.3 naar voren kwam (vergelijk figuur 3.4). Op Corop-niveau zijn de verschillen in 28
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

arbeidsproductiviteit iets groter dan de verschillen tussen provincies. Ze zijn echter nog altijd kleiner dan de ruimtelijke verschillen in ruimteproductiviteit (vergelijk de kaarten in de figuren 3.6 en 3.9). Blijkbaar zijn er grotere ruimtelijke verschillen bij de inzet van de productiefactor ruimte, dan bij de inzet van de productiefactor arbeid. Regionale verschillen in hoeveelheid ruimte die bedrijven in gebruik hebben, hebben blijkbaar meer invloed op de ruimteproductiviteit dan regionale verschillen in sectorstructuur. Dit kan er vervolgens op wijzen dat de omvang van het aanbod en/of de prijs van de grond invloed hebben op de ruimteproductiviteit. Figuur 3.9 Arbeidsproductiviteit (x € 1.000 per arbeidsjaar) per Coropgebied in 2000

Legenda
< 56 56 - 59 59 - 62 62 - 65 > 65

Bron: Regionaal productiviteitsonderzoek Rijksuniversiteit Groningen (bewerking OTB).

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

29

Bij de verklaring voor verschillen in arbeidsproductiviteit wordt vaak een verband verondersteld met het niveau van de verstedelijking. Een hogere dichtheid van (economische) activiteiten zou gepaard gaan met een grotere kans op agglomeratievoordelen, waardoor uiteindelijk de arbeidsproductiviteit hoger is in verstedelijkte gebieden. Dit roept de vraag op of er ook een correlatie bestaat tussen de mate van verstedelijking en de ruimteproductiviteit? Om dit na te gaan is de omgevingsadressendichtheid vergeleken met de ruimteproductiviteit. De omgevingsadressendichtheid is het gemiddeld aantal adressen per vierkante kilometer. In figuur 3.10 is deze vergelijking in de vorm een scatterplot weergegeven. Daaruit blijkt dat tot op zekere mate de ruimteproductiviteit oploopt met een toename van de dichtheid. Met een R² van 0,47 is dit verband echter niet echt sterk. Figuur 3.10 Scatterplot van omgevingsadressendichtheid en ruimteproductiviteit (x € 1.000) per Corop-gebied voor 2000.

6000

5000

Ruimteproductiviteit

4000

3000

2000

1000

0 0 1000 2000 3000 4000 5000 Om gevingsdichtheid

30

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

4

Conclusies en aanbevelingen

Ruimte wordt in Nederland als een belangrijke productiefactor beschouwd. De roep vanuit het bedrijfsleven om meer bedrijventerreinen en de belangrijke rol van de overheid bij het plannen en ontwikkelen van deze terreinen zijn daarvan signalen. Hoeveel ruimte de BV Nederland nodig heeft om een bepaalde mate van economische groei mogelijk te maken is echter niet duidelijk. Evenmin is duidelijk of schaarste aan bedrijventerreinen schadelijk is voor de economie. Met andere woorden, we weten weinig over de inzet van de productiefactor ruimte in het economische proces. Een stap in de ontwikkeling van kennis daarover is het bepalen van de ruimteproductiviteit. Deze wordt gedefinieerd als de hoeveelheid bruto toegevoegde waarde per hectare bedrijventerrein. De gekozen methode om de ruimteproductiviteit te berekenen is gericht op het verdelen van toegevoegde waarde per sector binnen Corop-gebieden over bedrijventerreinen en gebieden daarbuiten. Via een GIS-analyse wordt daartoe voor de Corop-gebieden bepaald hoe groot de werkgelegenheid per sector is op bedrijventerreinen. Het aandeel werkgelegenheid op bedrijventerreinen per sector en per provincie wordt vervolgens gebruikt als sleutel voor het verdelen van de toegevoegde waarde over de bedrijventerreinen en de ruimte daarbuiten. De ruimteproductiviteit per bedrijventerrein wordt verkregen door de totale toegevoegde waarde voor alle bedrijventerreinen in een Corop-gebied te delen door het totale oppervlak bedrijventerreinen. De sectoren landbouw en delfstofwinningen zijn buiten de analyse gelaten. Via de in de Bedrijfslocatiemonitor van het CBS gehanteerde terreinquotiënten is vervolgens geprobeerd de ruimteproductiviteit van sectoren te bepalen. Door grote verschillen in gehanteerde sectorindelingen was dit een moeizame operatie. Voorts is bekend dat terreinquotiënten een vrij zwakke empirische basis hebben (CPB, 2000). Hierdoor zijn de berekende oppervlakten die door sectoren op bedrijventerreinen worden gebruikt op een laag schaalniveau niet echt betrouwbaar. Er is daarom gekozen om alleen de landelijke ruimteproductiviteit per sector te bepalen. Een eerste analyse van de uitkomsten wijst uit dat de methode plausibele uitkomsten genereert. Gemiddeld werd in 2000 op een hectare bedrijventerrein € 1,7 mln toegevoegde waarde gecreëerd. De hoogste ruimteproductiviteit vinden we in de provincies Utrecht en Noord-Holland. De laagste ruimteproductiviteit vinden we in de provincies Zeeland en Groningen. De provincies Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Zuid-Holland scoren rond het Nederlands gemiddelde. De overige provincies scoren daar duidelijk onder. Op Corop-niveau zijn de onderlinge verschillen groter, maar het ruimtelijk patroon komt overeen. Het Corop-gebied met de hoogste ruimteproductiviteit is de agglomeratie Haarlem met € 3.962.000 per ha. De laagste ruimteproductiviteit is te vinden in Oost-Groningen met € 598.000 per ha. Een hoge ruimteproductiviteit vinden we in het westen van het land en in enkele gebieden met relatief veel industrie zoals Noord-Branbant en Overijssel. Hoewel het onderzoek niet als doel had voor de geconstateerde verschillen een verklaring te bieden, kunnen op basis van de uitkomsten wel enkele hypothesen worden geformuleerd. Ten eerste lijken de uitkomsten samen te hangen met de sectorstructuur in de regio’s. De methode houdt hiermee via de koppeling met de
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

31

werkgelegenheid direct rekening. Echter, de verschillen in sectorstructuur worden overschaduwd door verschillen in ruimtegebruik. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat de regionale verschillen in de arbeidsproductiviteit vele male kleiner zijn dan de regionale verschillen in de ruimteproductiviteit. Dit gecombineerd met de lichte samenhang met de adressendichtheid en het feit dat het aanbod van bedrijventerreinen in perifere regio’s altijd groter is geweest dan in de Randstad, doet vermoeden dat het aanbod en/of de prijs van bedrijventerreinen eveneens van belang kan zijn. In het onderzoek is ook gekeken naar de ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen. De ruimteproductiviteit op zeehaventerreinen ligt beduidend onder de gemiddelde ruimteproductiviteit. Bij de sectoren zijn de onderlinge verschillen in de ruimteproductiviteit erg groot. In sectoren die vooral in kantoorgebouwen zijn gehuisvest is de ruimteproductiviteit hoog. Een voor de hand liggende verklaring hiervoor is dat deze gebouwen meer verdiepingen hebben en daardoor veel arbeidsplaatsen per eenheid oppervlakte hebben. Bij de industriële sectoren is de ruimteproductiviteit laag, vooral in de aardolie-industrie, chemie en het vervoer. Deze sectoren worden gekenmerkt door zeer weinig arbeidsplaatsen per oppervlakte eenheid. Zowel de absolute waarde van de ruimteproductiviteit als de regionale verschillen daarin zijn plausibel. Alleen ten aanzien van de berekende ruimteproductiviteit voor het Corop-gebied Groot-Rijnmond bestaan twijfels over de hoogte van de berekende ruimteproductiviteit. De lage ruimteproductiviteit in dit Corop-gebied wordt veroorzaakt door het toedelen van te weinig toegevoegde waarde als gevolg van een, volgens de BLM 2000 zeer beperkte omvang van de werkgelegenheid op de zeehaventerreinen in dit gebied. Waarschijnlijk kloppen deze data niet. De gevolgde methode heeft de volgende voordelen: De uitkomsten zijn plausibel. Hierbij dient wel in ogenschouw te worden genomen dat de uitgevoerde GIS-analyse resultaten oplevert op provinciaal niveau. De methode is eenvoudig van opzet en kan met de opgezette spreadsheets eenvoudig worden herhaald. De methode houdt rekening met regionale verschillen in sectorsamenstelling en arbeidsproductiviteit. Zelfstandigen worden in de berekening meegenomen. Als nadeel van de methode kunnen worden genoemd: Hoewel GIS-analyses relatief eenvoudig kunnen worden uitgevoerd, kunnen zij op laag ruimtelijk schaalniveau onbetrouwbare uitkomsten opleveren. Het corrigeren daarvan is zeer arbeidsintensief. De methode levert geen inzicht op over verschillen in ruimteproductiviteit tussen bedrijventerreinen en gebieden daarbuiten. Het is niet mogelijk de ruimteproductiviteit voor kantoorlocaties te bepalen, omdat daarover geen oppervlakte gegevens beschikbaar zijn. Daarnaast ogen de uitkomsten van de GIS-analyse met betrekking tot de kantoorlocaties uit IBIS niet betrouwbaar. Het berekenen van de ruimteproductiviteit per sector is nog onbetrouwbaar omdat onderliggende data over het ruimtegebruik per sector (de terreinquotiënten) onvoldoende empirische basis hebben. Recente 32
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

terreinquotiënten waren ten tijde van het onderzoek nog niet beschikbaar. Hierdoor konden voor de sectoren geen regionale ruimteproductiviteitcijfers worden berekend. Kort samengevat kan worden gesteld dat de methode relatief eenvoudig is uit te voeren, inhoudelijk plausibele resultaten oplevert maar zeer gevoelig is voor de kwaliteit van de uitgevoerde GIS-analyse. Aan te bevelen is daarom deze GIS-analyse nogmaals uit te voeren met als doel het bepalen van de aandelen werkgelegenheid op bedrijventerreinen op Corop-niveau. In BLM-termen wordt dan de locatievoorkeur per Corop-gebied bepaald. Speciale aandacht zal daarbij moeten uitgaan naar de afbakening van zeehavengebieden, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat met name in het Rijnmondgebied de omvang van de werkgelegenheid in deze gebieden te laag is ingeschat. De eerste analyses die met de uitkomsten zijn uitgevoerd, leveren een meerwaarde op ten opzichte van de in andere onderzoeken berekende ruimteproductiviteit. Deze meerwaarde bestaat eruit dat de ruimteproductiviteit is bepaald voor de ruimte die uitsluitend door economische activiteiten wordt gebruikt. Hiermee is een indicator ontwikkeld die aangeeft hoe efficiënt (in termen van toegevoegde waarde) deze ruimte wordt gebruikt als productiefactor. Daarnaast heeft de ruimteproductiviteit een meerwaarde ten opzichte van andere maten waarmee het ruimtegebruik kan beschreven, zoals de terreinquotiënt. Dit geldt vooral ten opzichte van de dichtheidsmaten van de werkgelegenheid. Deze maten houden geen rekening met verschillen in sectorsamenstelling. De ruimteproductiviteit doet dat wel. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer in een regio een sector domineert met een lage werkgelegenheidsdichtheid maar met een hoge arbeidsproductiviteit, de ruimteproductiviteit relatief hoger uitvalt dan naar aanleiding van de werkgelegenheiddichtheid zou mogen worden verwacht. De indicator ruimteproductiviteit kan nieuwe inzichten geven in het debat over bedrijventerreinen. Een belangrijke veronderstelling achter het beleid voor bedrijventerreinen is dat schaarste aan bedrijventerreinen schadelijk is voor de groeikracht van een regio. De eerste resultaten in hoofdstuk 3 lijken deze veronderstelling niet te bevestigen. Er lijkt een correlatie te bestaan tussen de omvang van het aanbod aan bedrijventerreinen en de ruimteproductiviteit; in perifere gebieden waar het aanbod van bedrijventerreinen relatief groot is, is de ruimteproductiviteit laag. De ruimteproductiviteit neemt toe naarmate het aanbod schaarser wordt. De vergelijking met arbeidsproductiviteit dringt zich op. Het lijkt erop dat de meeropbrengsten van de inzet van extra meters afmeent, maarmate meer oppervlakte wordt ingezet. Uiteraard is een definitief antwoord op basis van de uitgevoerde analyses nog niet mogelijk. Nader onderzoek moet meer inzicht geven in de relatie tussen het aanbod van ruimte en economische groeikracht. Hoewel de verkregen resultaten als ‘ruwe data’ moeten worden gekenschetst, geven zij voldoende aanleiding voor verdere analyses. Daarbij kan gedacht worden aan twee richtingen, namelijk een planologische en een economische. De ruimteproductiviteit geeft inzicht in de opbrengsten van het ruimtelijk ordeningsproduct bedrijventerreinen. Verdere analyses kunnen bijvoorbeeld aangeven met welke combinaties van sectoren en ruimte de hoogste of maatschappelijk meest gewenste opbrengsten kunnen worden bereikt. Indien deze combinaties blijken samen te
TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

33

hangen met ruimtelijke structuren of de ruimtelijke kwaliteit, heeft de overheid via het ruimtelijke beleid waarschijnlijk een sturinginstrument ter beïnvloeding van de ruimteproductiviteit in handen. Een belangrijke vraag die uit de eerste beschouwing van de berekende ruimteproductiviteit naar voren komt, is bijvoorbeeld waarom de ruimtelijke spreiding in ruimteproductiviteit vele male hoger is dan die in de arbeidsproductiviteit. Het lijkt er op dat de voorwaardenscheppende wijze waarop in Nederland bedrijventerreinen worden gepland en ontwikkeld daarbij en rol speelt. De ruimteproductiviteit kan ook meer economisch worden benaderd. De analyse zal zich dan meer richten op ruimte als productiefactor. Wat zijn bijvoorbeeld de marginale opbrengsten van deze productiefactor? En, hoe verhoudt de inzet van de (traditionele) productiefactoren arbeid en kapitaal zich ten opzichte van de inzet van ruimte? Kennis ten aanzien van deze vraagstukken worden node gemist bij de huidige debatten over de toekomstige inrichting van Nederland. Juist een meer economische benadering van het ruimtegebruik kan inhoud geven aan het debat over de veronderstelde schaarste aan ruimte in Nederland.

34

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

Literatuur

Bertels, J., J.J. Boersema, F.A. van der Loo en H.A. Udo de Haes, (1996). "Ruimte als schaars goed." Centrum voor Milieukunde. Rijksuniversiteit Leiden., Leiden. Broersma, L. en J. van Dijk, (2003). "Arbeidsproductiviteit in Fryslân. Een analyse van het niveau en de groei van 1990-2000." Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen. Bureau Louter (2002). "Toplocaties 2002." Congres Elsevier, Den Haag. Bureau Louter (2003). “De economische hittekaart van Nederland. Waar de economie van Nederland groeit.” Ministerie van Economische Zaken, Directie Ruimtelijke Economisch Beleid. Centaal Planbureau. (2002). "De BLM: opzet en recente aanpassingen." Koninklijke De Swart, Den Haag. Ciccone, A. en R.E. Hall (1996). "Productivity and the density of economic activity." The American Economic Review, 86(1), 54-70. Harts, J. J., C. Maat en M. Zeijlmans van Emmichoven, M. (2000). “Monitoring stedelijke milieus. Menging en dichtheid.” Delft University Press, Delft. Louw, E., B. Needham, H. Olden, en C.J. Pen (2004). “Planning van bedrijventerreinen.” Sdu uitgevers, Den Haag. Nijmeijer, H. (1995). "Ruimtelijke patronen 1987-1993." In: W. van der Velden en E. Wever (redactie), “Nederland is meer dan de Randstad. De economische emancipatie van overig Nederland.” Rabobank Nederland & Uitgeverij van Gorcum, Assen, p. 22-38. Steen, P. J. M. v. (1995). "Ondernemen op en buiten bedrijventerreinen. Een blik op het bedrijventerrein als vestigings- en investeringslocatie." Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen. Rijksuniversiteit Groningen, Groningen.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

35

Bijlage 1: Definities

Definities data Economisch Regionale Jaarcijfers Bruto toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is het inkomen dat in het productieproces wordt gevormd. Het is het inkomen dat beschikbaar is voor de beloning van de betrokken productiefactoren. De toegevoegde waarde tegen basisprijzen is gelijk aan het verschil tussen de productie (basisprijzen) en het intermediair verbruik (aankoopprijzen), inclusief toegevoegde waarde zelfstandigen. Bruto is inclusief afschrijvingen. Definities data bedrijventerreinen (ontleend aan IBIS). Bruto oppervlakte De totale oppervlakte van het terrein met bedrijfsbestemming. Indien binnen dit terrein ook gedeelten voorkomen met woonbestemming of bestemming landelijke gebied, etc. dan dient de totale bruto oppervlakte verminderd te worden met de oppervlakte voor deze bestemmingen. Netto oppervlakte De bruto oppervlakte van het terrein voor zover het een bedrijfsbestemming heeft, verminderd met de oppervlakte voor openbare voorzieningen, zoals wegen, groenstroken, water en dergelijke. Netto reeds uitgegeven De oppervlakte van het bedrijventerrein die reeds uitgegeven is aan de (toekomstige) gebruikers van het terrein. Het terrein wordt als uitgegeven beschouwd als het raadsbesluit tot gronduitgifte is genomen of in geval van particulieren of een Industrie- of Havenschap dat er een koopovereenkomst is gesloten. Deze oppervlakte dient inclusief het aantal hectaren te zijn dat in het voorgaande jaar is uitgegeven. Terreintype Het gaat hier om het terreintype zoals die onderscheiden is het project Ruimte voor Regio’s van de ministeries van EZ en VROM. Hierbij worden vijf typen bedrijventerreinen onderscheiden: a. zware industrieterreinen: terreinen waar vestiging van alle soorten bedrijvigheid is toegestaan (incl. milieuhinderlijke bedrijven). b. zeehaventerreinen: terreinen met een laad-/loskade langs diep vaarwater toegankelijk voor grote zeeschepen. c. gemengde terreinen: terreinen met een hindercategorie 1, 2, 3 of 4, bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de terreinen die zijn getypeerd als hoogwaardig bedrijvenpark of distributiepark. d. hoogwaardige bedrijvenparken: terreinen die specifiek zijn bestemd voor bedrijven met hoogwaardige (productie- en of R&D-) activiteiten.

36

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

e. distributieparken: terreinen die specifiek zijn bestemd voor transport-, distributie- en groothandelsbedrijven. Definities data Bedrijfslocatiemonitor (BLM) Totaal aantal werkzame personen Totaal aantal personen in een provincie dat minimaal 12 uur betaalde activiteiten verrichten op of vanuit een vestiging: meewerkende eigenaren (directie, bedrijfshoofden) en meewerkende gezinsleden, zelfstandige beroepsbeoefenaren en werknemers. Locatie(type-)voorkeur De procentuele verdeling van de werkgelegenheid in afzonderlijke bedrijfstakken over diverse locatietypen (voor werkzame personen die minimaal 12 uur betaalde activiteiten verrichten). Uitgangspunt is de feitelijk verdeling, die het resultaat is van zowel vraag- als aanbodfactoren. Tot stand gekomen door gegevens uit LISA en IBIS te koppelen. Terreinquotiënt per bedrijfsklasse Ruimtebeslag per werknemer op formele bedrijventerreinen in m2 per persoon.

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

37

Bijlage 2: Uitkomsten van berekeningen

38

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

Toegevoegde waarde op en buiten bedrijventerreinen (* miljoen euro)
Berekend Provincie Op bedrijven- Op kantoorterreinen locaties 3628 3376 2618 9007 2195 12887 9346 19222 24538 2929 22928 7280 1703 1620 439 1643 1073 948 7031 3875 13187 725 2326 0 Op overige locaties 5630 5354 4483 9584 1744 23094 15499 44554 40286 3529 27464 14876 inclusief Delfstofwinning Op bedrijventerreinen 5311 4048 3051 9069 2195 12908 9350 19393 25060 2942 23000 7372 Op kantoorlocaties 2781 1620 439 1643 1073 948 7031 3875 13237 725 2328 0 Op overige locaties 6184 5497 4670 9625 1744 23139 15504 44581 40396 3533 27474 14956 inclusief Landbouw Op bedrijventerreinen 3769 3938 2908 9449 2195 13235 9503 20143 26602 3158 24098 7651 Op kantoorlocaties 1823 1620 439 1643 1073 948 7031 3875 13408 725 2351 0 Op overige locaties 5692 5568 4608 9876 2102 23871 15696 44671 40773 3609 27635 15197

Groningen Friesland Drenthe Overijsel Flevoland Gelderland Utrecht N-Holland Z-Holland Zeeland N-Brabant Limburg

Aandeel toegevoegde waarde op en buiten bedrijventerreinen
Berekend Provincie Groningen Friesland Drenthe Overijsel Flevoland Gelderland Utrecht N-Holland Z-Holland Zeeland N-Brabant Limburg Op bedrijven- Op kantoorterreinen locaties 33% 16% 33% 16% 35% 6% 45% 8% 44% 21% 35% 3% 29% 22% 28% 6% 31% 17% 41% 10% 43% 4% 33% 0% Op overige locaties 51% 52% 59% 47% 35% 63% 49% 66% 52% 49% 52% 67% inclusief Delfstofwinning Op bedrijventerreinen 37% 36% 37% 45% 44% 35% 29% 29% 32% 41% 44% 33% Op kantoorlocaties 19% 15% 5% 8% 21% 3% 22% 6% 17% 10% 4% 0% Op overige locaties 43% 49% 57% 47% 35% 63% 49% 66% 51% 49% 52% 67% inclusief Landbouw Op bedrijventerreinen 33% 35% 37% 45% 41% 35% 29% 29% 33% 42% 45% 33% Op kantoorlocaties 16% 15% 6% 8% 20% 2% 22% 6% 17% 10% 4% 0% Op overige locaties 50% 50% 58% 47% 39% 63% 49% 65% 50% 48% 51% 67%

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

39

Toegevoegde waarde op en buiten bedrijventerreinen (* miljoen euro)
Berekend COROP Oost-Groningen Delfzijl en omgeving Overig Groningen Noord-Friesland Zuidoost-Friesland Zuidwest-Friesland Noord-Drenthe Zuidoost-Drenthe Zuidwest-Drenthe Noord-Overijssel Zuidwest-Overijssel Twente Veluwe Achterhoek Zuidwest-Gelderland Arnhem/Nijmegen Utrecht Kop van Noord-Holland Alkmaar en omgeving IJmond Agglomeratie Haarlem Zaanstreek Groot-Amsterdam Het Gooi en Vechtstreek Agglomeratie Leiden en Bollenstreek Agglomeratie 's-Gravenhage Delft en Westland Oost-Zuid-Holland Groot-Rijnmond Zuidoost-Zuid-Holland Zeeuwsch-Vlaanderen Overig Zeeland West-Noord-Brabant Midden-Noord-Brabant Noordoost-Noord-Brabant Zuidoost-Noord-Brabant Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg Flevoland Op bedrijven- Op kantoorterreinen locaties 689 272 477 112 2463 1320 1597 1034 1268 392 511 194 817 195 977 132 824 112 2990 606 1180 210 4837 827 3992 370 2545 130 1560 82 4791 366 9346 7031 1567 258 1100 197 1552 138 1092 229 979 129 11191 2641 1742 282 2302 1144 4878 4218 1641 766 2127 871 10135 5076 3456 1113 1412 183 1517 542 6458 537 3411 353 5937 711 7122 725 1861 0 1442 0 3976 0 2195 1073 Op overige locaties 1046 407 4177 2892 1694 768 1837 1397 1249 3415 1182 4987 8228 3734 2267 8864 15499 3570 2731 1881 3072 1726 27706 3868 3932 10046 2492 3053 16369 4393 1031 2497 6829 4478 7804 8353 3244 2649 8984 1744 inclusief Delfstofwinning Op bedrijventerreinen 698 478 4135 2247 1290 511 955 1269 827 3020 1190 4860 3993 2546 1566 4803 9350 1616 1172 1580 1092 979 11212 1742 2318 5265 1658 2135 10207 3477 1415 1527 6482 3438 5944 7136 1877 1476 4019 2195 Op kantoorlocaties 294 112 2375 1034 392 194 195 132 112 606 210 827 370 130 82 366 7031 258 197 138 229 129 2641 282 1146 4254 768 872 5083 1115 183 542 538 354 711 725 0 0 0 1073 Op overige locaties 1057 408 4719 3022 1708 768 1896 1523 1251 3435 1188 5002 8232 3736 2280 8891 15504 3576 2746 1884 3072 1726 27709 3868 3936 10127 2497 3055 16384 4398 1033 2501 6832 4483 7805 8355 3257 2678 9021 1744 inclusief Landbouw Op bedrijventerreinen 708 486 2511 1636 1293 527 842 1011 843 3048 1201 4896 4038 2620 1619 4839 9393 1722 1115 1562 1093 984 11309 1745 2342 4928 1859 2185 10254 3487 1426 1558 6505 3438 5990 7169 1907 1455 3986 2427 Op kantoorlocaties 273 112 1321 1042 397 197 195 132 112 606 210 828 377 142 91 373 7039 259 198 138 229 129 2642 282 1145 4219 775 873 5081 1114 185 547 538 354 711 725 0 0 0 1074 Op overige locaties 1108 435 4331 3223 1910 902 1944 1541 1333 3666 1269 5246 8403 4017 2491 9044 15799 3898 2818 1903 3079 1739 27956 3889 4118 10240 3492 3318 16836 4517 1095 2681 7150 4663 8168 8673 3660 2770 9070 1869

40

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

Aandeel toegevoegde waarde op en buiten bedrijventerreinen
Berekend COROP Oost-Groningen Delfzijl en omgeving Overig Groningen Noord-Friesland Zuidoost-Friesland Zuidwest-Friesland Noord-Drenthe Zuidoost-Drenthe Zuidwest-Drenthe Noord-Overijssel Zuidwest-Overijssel Twente Veluwe Achterhoek Zuidwest-Gelderland Arnhem/Nijmegen Utrecht Kop van Noord-Holland Alkmaar en omgeving IJmond Agglomeratie Haarlem Zaanstreek Groot-Amsterdam Het Gooi en Vechtstreek Agglomeratie Leiden en Bollenstreek Agglomeratie 's-Gravenhage Delft en Westland Oost-Zuid-Holland Groot-Rijnmond Zuidoost-Zuid-Holland Zeeuwsch-Vlaanderen Overig Zeeland West-Noord-Brabant Midden-Noord-Brabant Noordoost-Noord-Brabant Zuidoost-Noord-Brabant Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg Flevoland Op bedrijven- Op kantoorterreinen locaties 34% 14% 48% 11% 31% 17% 29% 19% 38% 12% 35% 13% 29% 7% 39% 5% 38% 5% 43% 9% 46% 8% 45% 8% 32% 3% 40% 2% 40% 2% 34% 3% 29% 22% 29% 5% 27% 5% 43% 4% 25% 5% 35% 5% 27% 6% 30% 5% 31% 16% 25% 22% 33% 16% 35% 14% 32% 16% 39% 12% 54% 7% 33% 12% 47% 4% 41% 4% 41% 5% 44% 4% 36% 0% 35% 0% 31% 0% 44% 21% Op overige locaties 52% 41% 52% 52% 51% 52% 64% 56% 57% 49% 46% 47% 65% 58% 58% 63% 49% 66% 68% 53% 70% 61% 67% 66% 53% 52% 51% 50% 52% 49% 39% 55% 49% 54% 54% 52% 64% 65% 69% 35% inclusief Delfstofwinning Op bedrijventerreinen 34% 48% 37% 36% 38% 35% 31% 43% 38% 43% 46% 45% 32% 40% 40% 34% 29% 30% 28% 44% 25% 35% 27% 30% 31% 27% 34% 35% 32% 39% 54% 33% 47% 42% 41% 44% 37% 36% 31% 44% Op kantoorlocaties 14% 11% 21% 16% 12% 13% 6% 5% 5% 9% 8% 8% 3% 2% 2% 3% 22% 5% 5% 4% 5% 5% 6% 5% 15% 22% 16% 14% 16% 12% 7% 12% 4% 4% 5% 4% 0% 0% 0% 21% Op overige locaties 52% 41% 42% 48% 50% 52% 62% 52% 57% 49% 46% 47% 65% 58% 58% 63% 49% 66% 67% 52% 70% 61% 67% 66% 53% 52% 51% 50% 52% 49% 39% 55% 49% 54% 54% 52% 63% 64% 69% 35% inclusief Landbouw Op bedrijventerreinen 34% 47% 31% 28% 36% 32% 28% 38% 37% 42% 45% 45% 32% 39% 39% 34% 29% 29% 27% 43% 25% 35% 27% 30% 31% 25% 30% 34% 32% 38% 53% 33% 46% 41% 40% 43% 34% 34% 31% 45% Op kantoorlocaties 13% 11% 16% 18% 11% 12% 7% 5% 5% 8% 8% 8% 3% 2% 2% 3% 22% 4% 5% 4% 5% 5% 6% 5% 15% 22% 13% 14% 16% 12% 7% 11% 4% 4% 5% 4% 0% 0% 0% 20% Op overige locaties 53% 42% 53% 55% 53% 55% 65% 57% 58% 50% 47% 48% 66% 59% 59% 63% 49% 66% 68% 53% 70% 61% 67% 66% 54% 53% 57% 52% 52% 50% 40% 56% 50% 55% 55% 52% 66% 66% 69% 35%

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

41

Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen per provincie (*1000 euro)
Provincie Berekend inclusief Delfstofwinning 1487 1395 1400 1707 1278 1837 3449 2375 1716 679 1652 1386 inclusief Landbouw 1037 1191 1238 1721 1413 1866 3465 2392 1716 689 1660 1381

Toename t.o.v. berekende ruimteproductiviteit
inclusief Delfstofwinning 46% 20% 17% 1% 0% 0% 0% 1% 2% 0% 0% 1% inclusief Landbouw 2% 2% 3% 2% 11% 2% 1% 2% 2% 2% 1% 1%

Groningen Friesland Drenthe Overijsel Flevoland Gelderland Utrecht N-Holland Z-Holland Zeeland N-Brabant Limburg

1016 1163 1201 1695 1278 1834 3448 2354 1681 676 1647 1368

Ruimteproductiviteit op bedrijventerreinen per COROP (*1000 euro)
COROP Berekend inclusief Delfstofwinning 605 601 2547 1712 1139 1117 1751 1995 829 1742 2248 1592 2038 1528 1388 2111 3449 1473 1855 1291 3962 1465 2926 3989 2749 5593 2390 2055 1115 1799 832 581 1113 1618 2176 2203 1122 1180 1677 1278 inclusief Landbouw 614 611 1546 1246 1142 1152 1545 1589 846 1759 2267 1604 2061 1573 1435 2127 3465 1569 1765 1276 3967 1473 2951 3997 2777 5234 2679 2103 1121 1805 838 593 1117 1619 2192 2214 1140 1164 1663 1413

Toename t.o.v. berekende ruimteproductiviteit
inclusief Delfstofwinning 1% 0% 68% 41% 2% 0% 17% 30% 0% 1% 1% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 3% 7% 2% 0% 0% 0% 0% 1% 8% 1% 0% 1% 1% 0% 1% 0% 1% 0% 0% 1% 2% 1% 0% inclusief Landbouw 3% 2% 2% 2% 2% 3% 3% 3% 2% 2% 2% 1% 1% 3% 4% 1% 1% 10% 1% 1% 0% 1% 1% 0% 2% 1% 13% 3% 1% 1% 1% 3% 1% 1% 1% 1% 2% 1% 0% 11%

Oost-Groningen Delfzijl en omgeving Overig Groningen Noord-Friesland Zuidoost-Friesland Zuidwest-Friesland Noord-Drenthe Zuidoost-Drenthe Zuidwest-Drenthe Noord-Overijssel Zuidwest-Overijssel Twente Veluwe Achterhoek Zuidwest-Gelderland Arnhem/Nijmegen Utrecht Kop van Noord-Holland Alkmaar en omgeving IJmond Agglomeratie Haarlem Zaanstreek Groot-Amsterdam Het Gooi en Vechtstreek Agglomeratie Leiden en Bollenstreek Agglomeratie 's-Gravenhage Delft en Westland Oost-Zuid-Holland Groot-Rijnmond Zuidoost-Zuid-Holland Zeeuwsch-Vlaanderen Overig Zeeland West-Noord-Brabant Midden-Noord-Brabant Noordoost-Noord-Brabant Zuidoost-Noord-Brabant Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg Flevoland

598 600 1517 1217 1120 1117 1498 1535 826 1725 2229 1585 2037 1528 1383 2106 3448 1428 1741 1268 3962 1465 2921 3989 2729 5182 2365 2048 1108 1789 829 577 1109 1606 2173 2199 1112 1153 1659 1278

42

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

Ruimteproductiviteit per sector op bedrijventerreinen incl. zeehavens - Nederland
Sector Vervoer en communicatie Aardolie, chemische, rubber en kunststof industrie Overige industrie, energie- en waterleidingbedrijven Metaalindustrie Textiel en leder Gezondheids- en welzijnszorg Handel. reparatie consumentenart. Elektrotechnische en transportmiddelen industrie Papier en karton. Uitgeverijen en drukkerijen Horeca Overheid en onderwijs Milieu en ov. Dienstverlening, cultuur. sport en recreatie Voedings- en genotmiddelen Bouwnijverheid Zakelijk dienstverlening Financiële instellingen Verhuur en handel onroerend goed Toegevoegde waarde per ha (*1000 euro) 671 1033 1191 1512 1590 1901 2161 2178 2323 2995 3306 3437 3812 4463 4881 14574 45611

TU Delft / Onderzoeksinstituut OTB

43

Colofon

Uitgave Ministerie van Economische Zaken www.ez.nl

Aan deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend

Publicatienummer: 04O14 Jaar: 2004

Onderzoeksreeks De onderzoeksreeks bevat publicaties die beogen een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijke en maatschappelijke debat op beleidsrelevante onderwerpen. Beleidsstudies Beleidsstudies presenteren beleidsonderbouwend en -evaluerend onderzoek dat toegankelijk is voor een breed publiek. Hiermee wordt beoogd de ‘stakeholders’ van EZ te informeren: bedrijfsleven, kennisinstellingen en universiteiten, collegadepartementen en intermediaire instellingen. Zowel de onderzoeksreeks als de beleidsstudies zijn EZ-brede reeksen.