Driehoek RotterdamZoetermeer-Gouda in economisch perspectief

Opdrachtgever: Kamer van Koophandel Rotterdam, Ministerie van Economische Zaken en Provincie Zuid-Holland

ECORYS-NEI Sjaak Boeckhout Karolijn van den Heuvel Toon Verschuren

Rotterdam, 16 juni 2003

AMV/I8681

ECORYS-NEI Postbus 4175 3006 AD Rotterdam Watermanweg 44 3067 GG Rotterdam T 010 453 88 00 F 010 453 07 68 E netherlands@ecorys.com W www.ecorys.com K.v.K. nr. 24316726

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Inhoudsopgave

Samenvatting 1. Inleiding 1.1 Achtergrond en vraagstelling 1.2 Aanpak 1.3 Leeswijzer 2 Basis voor de visie 2.1 Inleiding 2.2 Beschrijving plangebied 2.3 Economische kerngegevens 3 De vraag naar ruimte geanalyseerd 3.1 Inleiding 3.2 Ruimte voor bedrijvigheid in bredere context 3.2.1 Ruimte voor bedrijvigheid en andere factoren van het vestigingsklimaat 3.2.2 Onderlinge relaties tussen sectoren: afhankelijkheden en concurrentie 3.2.3 Uitbreiding en herstructurering: parallelle processen 3.3 De vraag naar ruimte voor economische activiteit in beeld 3.3.1 De vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen in de Driehoek 3.3.2 Ruimte voor kantoren 4 Economische visie Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda 4.1 Inleiding 4.2 Drie invalshoeken voor de Driehoek 4.3 Naar één visie voor de Driehoek 4.3.1 Raamwerk voor de visie 4.3.2 Visie op lange termijn plannen en onzekerheden 4.3.3 Aanzet voor bestuurlijke keuzes: agenda voor ontwerpend onderzoek 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Inleiding 5.2 Conclusies: ontwerpopgave en agenda voor ontwerpend onderzoek 5.3 Aanbevelingen Bijlagen
Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

7 13 13 14 16 17 17 17 18 21 21 21 21 22 24 24 24 27 29 29 29 32 32 38 39 41 41 42 43 45
5

Bijlage 1: Gebiedsindeling Driehoek RZG Bijlage 2: Economische kengetallen Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda Bijlage 3: Toelichting bij tabel 3.1. en 3.2 Bijlage 4: Input-output multipliers en aantal arbeidsplaatsen per hectares Bijlage 5: Nadere toelichting drie perspectieven Bijlage 6: Quick-scan programma van eisen Literatuurlijst

47 49 53 57 59 63 75

6

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Samenvatting

Achtergrond en doel 1. Deze rapportage geeft een toekomstvisie voor de (ruimtelijke) planning van economische activiteiten in de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda (RZG) en met name in de Zuidplaspolder. Het is opgesteld in het kader van het ontwikkelingstraject naar mogelijke verdere verstedelijking van het gebied, waartoe onlangs een groot aantal bestuurlijke partijen onder leiding van de Provincie Zuid-Holland een samenwerkingsbijeenkomst heeft gesloten. Dit ontwikkelingstraject volgt op de eerdere aanduiding in deel 3 van de PKB Vijfde Nota (december 2001) waarin het gebied is aangemerkt als een van de locaties binnen de Deltametropool waar verdere verstedelijkingskansen liggen. 2. Deze toekomstvisie is de economische inbreng in het planproces. Het schetst de uitgangspositie, de behoefte aan ruimte voor economische activiteiten en de economische ontwikkelingsmogelijkheden vanuit meerdere ruimtelijke schaalniveaus, en geeft de basisingrediënten voor een programma van eisen waaraan bedrijfslocaties in het gebied dienen te voldoen. Op basis hiervan zal in de ontwerpfase afstemming moeten plaatsvinden met de wensen vanuit andere themavelden. Een en ander dient vervolgens uit te monden in bestuurlijke keuzen omtrent de toekomstige ruimtelijke inrichting van het gebied.

Uitgangspositie 3. De Driehoek RZG is het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer en Gouda. Dit gebied valt in 2 delen uiteen: de B-driehoek en de Zuidplaspolder. Een groot deel van de Driehoek RZG heeft jarenlang onderdeel uitgemaakt van het Groene Hart, waardoor het onderhevig is geweest aan restrictief ruimtelijk beleid. Recentelijk is de “groene” grens oost- en noordwaarts opgeschoven. Ondanks dit restrictief beleid heeft de werkgelegenheid in het gebied zich het laatste decennium aanzienlijk sterker ontwikkeld dan in Zuid-Holland als geheel (1990 -2001: +44% t.o.v. 16% in Zuid-Holland). Sinds 2000 blijft deze ontwikkeling evenwel achter. 4. De gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid in het gebied hangt nauw samen met goede vestigingsvoorwaarden. Recent onderzoek onder ondernemers laat zien dat de grootste knelpunten in het vestigingsklimaat in de Zuidvleugel vooral ervaren worden op het gebied van personeelsvoorziening (beschikbaarheid, houding en opleidingsniveau), bereikbaarheid via de weg, en het woningaanbod. Ondanks ervaren knelpunten onderscheidt de situatie in de Driehoek RZG zich van die in de stadsgewesten Haaglanden en Rijnmond. Dit geldt ook ten aanzien van de beschikbaarheid van goed geoutilleerde bedrijventerreinen. Dat dit laatste van groot belang is blijkt wel uit het feit dat een aanzienlijk deel van de groei van de werkgelegenheid in de Driehoek RZG op
Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief 7

bedrijventerreinen heeft plaatsgevonden. Het opdrogen van voldoende vestigingsmogelijkheden heeft mede ertoe geleid dat sinds 2000 de werkgelegenheidsgroei enigszins achterblijft bij die in Zuid-Holland. 5. De Driehoek RZG kent een sterke vertegenwoordiging van bedrijven in de landbouw (inclusief glastuinbouw), industrie en vooral handel&horeca. In vergelijking met andere gebieden in Zuid-Holland zijn de financiële en zakelijke dienstverlening en overheidsinstellingen ondervertegenwoordigd, hoewel eerstgenoemde groep van activiteiten het laatste decennium wel een sterke groei heeft vertoond. De werkgelegenheid in de industrie is afgenomen, doch minder snel dan elders. De handel omvat vooral logistieke activiteiten (inclusief veiling), die een aanzienlijk deel uitmaken van de werkgelegenheid op bedrijventerreinen (2001: 41%).

Behoefte aan bedrijfslocaties 6. Op basis van een gematigd economisch groeiscenario (EC-scenario) van het Centraal Planbureau wordt voor de planperiode 2010-2030 een aanzienlijke vraag naar bedrijventerreinen verwacht in en om de Driehoek RZG. Een deel van deze vraag kan worden opgevangen op reeds gepland hard en zacht aanbod van terreinen. Per saldo resteert een behoorlijke planningsopgave in elk van de onderscheiden gebieden van de Zuidvleugel (tabel I), zelfs als rekening wordt gehouden met de gehanteerde gematigde economische groei. Een deel van de planningsopgave in Rijnmond, Rijn en Gouwe, en de Krimpenerwaard heeft reeds geleid tot claims voor bedrijfsruimte in de Zuidplaspolder, in totaal ca. 350 ha in genoemde periode (waarvan ruim de helft afkomstig uit de regio Rijnmond) en ca. 50 ha. in de B-driehoek. Daarbij is nog geen rekening gehouden met eventuele ruimteclaims vanuit stadsgewest Haaglanden.

Tabel I

Vraag, aanbod en planningsopgave voor bedrijventerreinen 2010-2030 in de Zuidvleugel, in netto hectares vraag herkomst vraag 2010-2030 EC aanbod (ha. netto) tekort claim op driehoek RZG B-3hoek ZPP 0 50 0 200 resterend tekort hard 400 460 zacht 300 190

scenario hard zacht hard zacht Haaglanden Rijnmond (waaronder B-driehoek) * toegerekend aan B-driehoek Rijn en Gouwe (w.o. ZPP) * toegerekend aan ZPP De Waarden (w.o. Krimpenerwaard) * toegerekend aan Krimpenerwaard Totaal 500 770 230 150 1650 100 60 0 10 170 100 270 10 40 420 400 710 99 230 99 140 1 1480 300 440 62 220 95 100 4 1060

135

95 41

85 37 82

18

122

50

353

1077

657

7.

De behoefte aan bedrijventerreinen in de Driehoek RZG komt naar verwachting vooral van bedrijven die zich op een of andere wijze bezighouden met logistieke activiteiten (zo’n 60 tot 70%). Dit kan variëren van opslag, ompakken, groothandel, assembleren tot (boven-)regionale en soms zelfs Europese distributie, met daarbijbehorende ondersteunende activiteiten op het gebied van
Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

8

serviceverlening, administratie en soms ook research & development (R&D). Daarnaast is er een vraag naar ruimte vanuit consumentendiensten (o.a. bouw, horeca, detailhandel&reparatie en overige dienstverlening) en zakelijke dienstverlening (beide 15 tot 20%), aangevuld met een zeer beperkte vraag vanuit overige sectoren. De variëteit in ruimtevraag brengt met zich mee dat aandacht dient te worden besteed aan het creëren van verschillende typen vestigingsmilieus. 8. Behoefte aan nieuwe grootschalige kantoorlocaties in de Driehoek RZG is er in de planperiode niet. In de omringende stedelijke gebieden (NSP-Rotterdam, Alexandrium, Zoetermeer, spoorzone Gouda, etc.) is er voorshands voldoende aanbod. Wel dient rekening te worden gehouden met een lokale vraag naar kleinschalige kantoren, die zich met name in en rondom de woonkernen in de Zuidplaspolder zal manifesteren. De stationslocaties van de te realiseren RijnGouwelijn bieden daartoe wellicht ontwikkelingsmogelijkheden, mits goed bereikbaar per auto. Ook op de nieuw te realiseren bedrijventerreinen zal zich enige vraag voordoen, vooral in combinatie met andere typen functies (kantoorhoudende bedrijvigheid t.b.v. logistiek, handel en bouw). Bij verdere verstedelijking in het gebied kunnen er op langere termijn (naar verwachting na 2020) op een enkel knooppunt mogelijkheden voor kantoorlocaties van enige omvang ontstaan (b.v. knooppunt A12/A20 ten westen van Gouda, A12-afslag Waddinxveen, eventueel Hoefweg Noord/Zuid). Planningstechnisch dient daartoe ruimte te worden opengehouden.

Ontwikkelingsmogelijkheden vanuit verschillend ruimtelijk perspectief 9. De economische ontwikkelingsmogelijkheden in de Driehoek RZG kunnen vanuit verschillende ruimtelijke perspectieven worden bezien: Deltametropool, Zuidvleugel en Driehoek RZG/Zuidplaspolder. De bijdrage die de Driehoek kan bieden aan economische structuurversterking op elk van deze ruimtelijke schaalniveaus, loopt enigszins uiteen. Voor wat betreft de Deltametropool gaat het vooral om hoogwaardige locaties voor Deltametropool georiënteerde bedrijvigheid/distributie, organiserende en creatieve diensten, en de doorstroming op het (inter)nationale wegennet. Voor wat betreft de Zuidvleugel gaat het met name om de opvang van (vaak grootschaliger) functies waarvoor in de stedelijke gebieden geen plaats meer is (inclusief glastuinbouw). Met betrekking tot de Driehoek RZG/Zuidplaspolder gaat het primair om de opvang van de eigen behoefte. 10. De drie perspectieven zijn nader geanalyseerd. In het raamwerk van de economische visie zijn die onderdelen verder opgenomen waarover vanuit de drie perspectieven overeenstemming bestaat. De overige onderdelen waarover nog discussie is, zijn gerangschikt onder ‘Aanzet voor bestuurlijke keuzes’. Deze onderwerpen zullen in het vervolgtraject nader uitgewerkt moeten worden.

Uitgangspunten voor ontwerpfase 11. Vanuit de invalshoek economie zijn de volgende uitgangspunten voor de ontwerpfase opgesteld:

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

9

Omvang van de vraag: in het gebied gelegen de Driehoek RotterdamZoetermeer-Gouda is in de periode 2010-2030 behoefte aan minimaal 400 hectare netto additioneel aan het geplande zachte en harde aanbod. In beperkte mate is behoefte aan kantoren. Door voorstellen voor zorgvuldig ruimtegebruik op kavelniveau en combinatie met andere functies op kavel- of terreinniveau wordt gestreefd om het ruimtebeslag zoveel mogelijk te intensiveren. Locatievoorkeur: gezien de oorsprong van de vraag (Zuidplaspolder en Rotterdamse regio) is het gewenst om de bedrijventerreinen primair te oriënteren op de A20 c.q. daarmee een goede verbinding te hebben. Kleinschalige kantoorlocaties gericht op regionale markt kunnen het best gevestigd worden nabij o.v.-knoopunten op bijvoorbeeld de Rijn-Gouwelijn of vergelijkbare typen openbaar vervoer. Doelgroep en segmentatie: De behoefte aan bedrijventerreinen in de Zuidplaspolder komt naar verwachting vooral van bedrijven die zich op een of andere wijze bezighouden met logistieke activiteiten (zo’n 60 tot 70%) en die voornamelijk op de Deltametropool georiënteerd zijn. Grofweg kan, in deze fase van de planvorming (interregionale structuurvisie en lange tot zeer lange termijn) de volgende segmentatie worden gehanteerd. Bij daadwerkelijke ontwikkeling zal gericht marktonderzoek gedaan moeten worden en is afstemming met de overig te ontwikkelen terreinen in de regio van belang met name in het segment hoogwaardig. Qua uitstraling moet gedacht worden aan bedrijventerreinen als Coenecoop (Waddinxveen), Hooge Veenen (Nieuwerkerk a/d IJssel en Snel en Polanen (Woerden).
Doelgroep Totaal Zakelijke dienstverlening Dienstverlening t.b.v. vervoer Groothandel Consumentendiensten Overheid en kwartair Transport & distributie gerelateerde bedrijven Regionale kantoren Transport en distributie Centrummilieu Beperkt 403 ha. 124 ha. Regulier 119 ha. Type locatie Hoogwaardig Indicatie omvang (netto) 160 ha.

Infrastructuur: de huidige infrastructuur kent nu al knelpunten en is zeker niet toereikend om het bovenstaande programma op te vangen. Verbetering van de bereikbaarheid op internationaal, nationaal en regionaal niveau is één van de belangrijke ontwerpopgaven. Vanuit oogpunt van vergroten van de bereikbaarheid op regionaal niveau is de aanleg van de snelwegboog A12A20 nabij Gouda gewenst (directe verbinding tussen A12 en A20 ten westen van knooppunt Gouwe). Setting: Voor het totale woon- en werkklimaat is het van belang dat het gebied binnen de Driehoek zorgvuldig wordt ingericht en dat eveneens ruimte

10

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

is voor recreatie en natuur. Zorgvuldige inrichting betekent aandacht voor uitstraling, met name voor wat betreft de overgangen naar wonen en landschap maar ook naar de snelweg: het visitekaartje van de regio. Uitbreiden en toegankelijk maken van de zone Rottewig-Bentwoud draagt bij aan een aantrekkelijk woon-en werklimaat. Aanzet voor bestuurlijke keuzes: agenda voor ontwerpend onderzoek 12. Onder punt 11 zijn de punten genoemd die vanuit de economische invalshoek meegenomen moeten worden in het ontwerptraject. In dit ontwerptraject komen meerdere invalshoeken samen. Een eerste inventarisatie van de claims lijkt erop te duiden dat niet overal alles kan. Op de volgende onderwerpen worden nadere bestuurlijke keuzes verwacht. Deze onderwerpen moeten nader aan de orde komen bij het ontwerpend onderzoek: • Onderzoeken of verbetering van het ontsluitingsprofiel op de drie schaalniveaus (regionaal, nationaal en internationaal) gecombineerd kan worden. Indien dit om technische en of financiële redenen niet mogelijk is zal een afwegingskader opgesteld moeten worden aan welke maatregelen prioriteit gegeven moet worden; • Een interdisciplinair vraagstuk resteert voor de vervolgfase voor wat betreft de relatie tussen woon- en werklocaties. Is het mogelijk om deze beter op elkaar aan te laten sluiten of zal de pendel gefaciliteerd moeten worden? • Onderzoeken of de claims van glastuinbouw en bedrijventerreinen beide geaccommodeerd kunnen worden. Indien dit niet tot de mogelijkheden behoort zal een afwegingskader opgesteld moeten worden zodat de beschikbare ruimte economisch zo optimaal mogelijk gebruikt wordt en ook de relaties tussen beide volledig tot hun recht komen. • Zelfs al zou 400 ha. netto bedrijventerrein ingepast kunnen worden dan is deze beschikbare ruimte niet toereikend om alle vraag (uit het gebied en vanuit de omgeving) te accommoderen. Ook vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en economische structuurverandering is het gewenst om kritisch te kijken naar de bedrijven die zich kunnen vestigen in het gebied. Dit betekent dat een selectiviteitsbeleid opgesteld moet worden om de beschikbare ruimte economisch zo optimaal mogelijk te gebruiken. Voorbeelden van selectiviteitscriteria zijn: omvang en type werkgelegenheid, toegevoegde waarde, intensief ruimtegebruik en uitstraling. Aanbevelingen voor vervolgtraject 13. De bestuurlijke keuzes zullen na het ontwerpend onderzoek in het vervolgtraject integraal worden geformuleerd. Vanuit de economische visie zijn voor deze vervolgfase en de bestuurlijke keuzes die daaruit voortvloeien de volgende zaken van belang: • Koppel aan de verschillende ontwerpvarianten een bijbehorend segmenterings- en selectiviteitsbeleid • Breng de economische effecten van de ontwerpen en het daaraan gekoppeld selectiviteitsbeleid in beeld t.b.v. de bestuurlijke keuzes.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

11

12

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

1. Inleiding

1.1

Achtergrond en vraagstelling
In deel 3 van de PKB Vijfde Nota (december 2001) heeft het kabinet de Zuidplaspolder, als onderdeel van de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda (RZG), aangemerkt als een van de locaties binnen de Deltametropool waar verdere verstedelijkingskansen liggen. De grens van het Groene Hart is daartoe een stuk opgeschoven. In PKB-deel 3 is aangegeven dat ingezet wordt op een integrale planontwikkeling voor groen, water, glastuinbouw, wonen, bedrijventerreinen en infrastructuur voor het gebied en zijn omgeving. Dit sluit aan bij de visie van de Deltametropool (2001) om de Zuidvleugel te transformeren naar een internationaal hoogwaardig en duurzaam productie- en vestigingsmilieu voor mensen en bedrijven. De gemeenten in de Driehoek RZG hebben diverse plannen geïnitieerd die lokale problemen kunnen oplossen, doch die nog onvoldoende aansluiten bij het naderbij brengen van een vernieuwend en breder ambitieniveau voor het gehele gebied in relatie tot de Zuidvleugel en de Deltametropool. Op verzoek van de Bestuurscommissie Randstad heeft in 2002 de Provincie Zuid-Holland de eerste stappen gezet om partijen bij elkaar te brengen om genoemd verstedelijkingsperspectief nader uit te werken. Dit heeft ertoe geleid dat in november 2002 een samenwerkingsovereenkomst tussen 23 bestuurlijke partijen opgesteld waarin de samenwerking voor een ontwikkelingstraject wordt vastgelegd. In het strategiedocument behorende bij de samenwerkingsovereenkomst wordt uitgegaan van twee planvormen, de interregionale structuurvisie (ISV) en het Intergemeentelijk Structuurplan (ISP). De ISV zal betrekking hebben op het gehele gebied van de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda (Driehoek RZG), terwijl het ISP zich beperkt tot de Zuidplaspolder. Het ISV zal een hoger abstractieniveau kennen in tegenstelling tot het ISP waarbij concrete grenzen worden aangegeven. De fasering van beide plannen zal nagenoeg parallel lopen. Afstemming tussen beide planvormen is essentieel, het proces zal dus iteratief zijn. Bindend element in de eerste fase tussen beide planvormen is de Ruimtelijke Verkenningsvisie die in 2003 zal worden opgesteld. Voor de inbreng van de economische aspecten in het planproces is een werkgroep economie opgericht. In deze werkgroep zijn de Provincie Zuid-Holland, de gemeenten uit de Zuidplaspolder, de gemeente Rotterdam en de stadsregio’s Rotterdam en Haaglanden, het Ministerie van Economische Zaken en de Kamer van Koophandel vertegenwoordigd. De Provincie Zuid-Holland is trekker van deze werkgroep. Om de economische aspecten goed onderbouwd te kunnen inbrengen in de Ruimtelijke Verkenningen Visie is een economische visie op het gebied gewenst. Ondersteuning, zowel procesmatig als inhoudelijk, is hierbij gewenst. De vraagstelling is als volgt geformuleerd:

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

13

Vraagstelling Het ontwikkelen van een toekomstvisie, in een integraal kader, voor de (ruimtelijke) planning van economische activiteiten in de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda en met name in de Zuidplaspolder.

Bij de uitwerking van de toekomstvisie dient gebruik te worden gemaakt van de bevindingen van een quick-scan van de economische structuur en (verwachte) economische ontwikkeling in het gebied die in het kader van de bestuurlijke samenwerking in 2002 reeds is opgesteld (ECORYS NEI 2002).

1.2

Aanpak
De opgave voor de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda (RZG) is complex, zowel inhoudelijk als procesmatig. De complexiteit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door: • integrale karakter van de opgave • aantal betrokken partijen • verschillende schaalniveaus waarop de opgave betrekking heeft • de lange planperiode • beperkte beschikbare ruimte in relatie tot de claims De complexiteit van de opgave stelt de volgende eisen aan het proces en de te leveren inbreng vanuit de werkgroep economie, en daarmee aan het product ‘Economische visie Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda’. • Gezien het krachtenveld is het van belang dat de inbreng vanuit economie inhoudelijk goed onderbouwd is. De ruimte is schaars en discussie over nut en noodzaak van de claims zal met name in de eerste fase een belangrijke rol spelen. Bij de onderbouwing is het noodzakelijk om goed in beeld te brengen wat oorzaken en gevolgen zijn van bestuurlijke keuzes. • Voor het draagvlak van de economische visie is het van belang dat alle partijen zich herkennen in de analyse van het economische vraagstuk. De analyse is de basis voor de planvorming. De knelpunten van alle partijen (hoe klein ook) moeten hierbij betrokken worden.Vanwege de complexiteit zal de analyse vanuit drie invalshoeken plaats vinden te weten: Deltametropool, Zuidvleugel en Zuidplaspolder. • Gezamenlijk zoeken naar oplossingen biedt de meeste kans dat de oplossingen gedragen worden door zoveel mogelijk partijen. Interactie tussen bedrijfsleven, bestuurslagen en andere sectoren staat hierbij centraal. Gezien de complexiteit van de opgave zal ook dit stapsgewijs moeten gebeuren. Een programmatische aanpak ligt hier voor de hand, waarbij gewerkt wordt van programmatische opgave/claim, via programma van eisen naar concrete inrichtingsvoorstellen. • Gezien de complexiteit van de opgave is het onvermijdelijk dat bestuurlijke keuzes gemaakt moeten worden. Hiervoor is het nodig dat de bestuurlijke keuzes helder geformuleerd worden, net als het in beeld brengen van de effecten van de verschillende keuzes.

14

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bovenstaande punten stellen eisen aan het proces en aan de inbedding van de economische visie in het project Rotterdam-Zoetermeer-Gouda. Op deze twee aspecten gaan wij kort in. Daarnaast worden de drie perspectieven die als een rode draad door het onderzoek lopen toegelicht. Relatie Economische visie en project Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda De Economische visie moet een bouwsteen zijn van zowel de interregionale structuurvisie (ISV) en het Intergemeentelijk Structuurplan (ISP). De ISV zal betrekking hebben op het gehele gebied van de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda, terwijl het ISP zich beperkt tot de Zuidplaspolder. Het ISV zal een hoger abstractieniveau kennen in tegenstelling tot het ISP waarbij concrete grenzen worden aangegeven. Deze beide processen lopen gelijktijdig en hebben een vergelijkbare opbouw. In het Strategiedocument worden drie fases onderscheiden. Iteratief proces De complexiteit stelt eisen aan de werkwijze van de werkgroep economie. De werkgroep economie moet kunnen inspelen op actuele discussies en vragen vanuit andere werkgroepen c.q. partijen. De te leveren producten en de vormgeving van het proces moeten daar aan bijdragen. Gekozen is voor een iteratief proces. Het proces is verbeeld in figuur 1.1.

Figuur 1.1

Visie op proces

Randvoorwaarden en proces Verkenning en definitie Voorlopig ontwerp Definitief ontwerp

Drie perspectieven: Deltametropool, Zuidvleugel en Zuidplaspolder Als rode draad door de drie onderdelen lopen de drie verschillende invalshoeken of perspectieven van waaruit naar de Driehoek RZG gekeken kan worden. De drie perspectieven weerspiegelen de verschillende belangen en leiden tot een verschillend beeld van wat wenselijk en mogelijk is in de Driehoek. Een heldere analyse van de verschillende perspectieven, en met name tot welke mogelijke (ideale) toekomstbeelden deze perspectieven kunnen leiden, is essentieel voor een afgewogen economische visie.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

15

1.3

Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het plangebied en enkele economische kerngegevens van het plangebied en de omgeving beschreven. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen andere relevante factoren voor de economische visie. Hoofdstuk 4 bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt ingegaan op de verschillende economische visies van de invalshoek Deltametropool, Zuidvleugel en Driehoek. In het tweede deel wordt de aanzet gemaakt voor een gezamenlijke visie bestaande uit het raamwerk (de onderdelen waar overeenstemming over is) en nog nader uit te werken onderdelen c.q. onderwerpen waarover een beslissing genomen moet worden in relatie met andere onderdelen (wonen, glas, groen, water, infrastructuur). In hoofdstuk 5 wordt tot slot een aantal aanbevelingen voor het vervolgtraject gedaan.

16

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

2 Basis voor de visie

2.1

Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een beeld van het plangebied (paragraaf 2.2), de huidige economische stand van zaken van de Driehoek RZG, meestal in vergelijking met ZuidHolland (als geheel), Rijnmond, Haaglanden en overig Zuid-Holland (paragraaf 2.3). In deze economische stand van zaken komen verschillende economische kerngegevens aan de orde: werkgelegenheid (op bedrijventerreinen), aantal bedrijfsvestigingen, economische structuur (sectorverdeling) en het uitgiftepatroon van bedrijventerreinen.

2.2

Beschrijving plangebied
Het plangebied, de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda (RZG) is gelegen in de Zuidvleugel van de Deltametropool. In figuur 2.1 wordt het gebied van de Driehoek RZG weergegeven. De zwarte buitenlijnen vormen de afbakening van het gebied. Een goed geografisch begrip van de Driehoek RZG is belangrijk voor de interpretatie van de economische gegevens. Op hoofdlijnen valt het gebied van de Driehoek RZG uiteen in de B-driehoek (Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Bleiswijk) en de Zuidplaspoldergemeenten (Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel, Waddinxveen, ZevenhuizenMoerkapelle en Gouda). De Driehoek RZG bestaat uit twee eenheden: de B-Driehoek en de Zuidplaspolder en delen van Rotterdam, Zoetermeer en Gouda. Bestuurlijk maken de gemeenten in de Driehoek RZG uit van verschillende samenwerkingsverbanden. De Z5-gemeenten gelegen in de Zuidplaspolder (Waddinxveen, Moordrecht, Zevenhuizen-Moerkapelle, Nieuwerkerk a/d IJssel en Gouda) maken onderdeel uit van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Midden Holland (ISMH). De B-Driehoek (Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk) maakt onderdeel uit van de stadsregio Rotterdam en Zoetermeer van stadsgewest Haaglanden. De samenwerkingsverbanden geven een indicatie van het krachtenveld in de Driehoek. De verdeling van het studiegebied over verschillende samenwerkingsverbanden en geografische eenheden heeft als gevolg dat in sommige gevallen de cijfers afgeleid moeten worden. Op de plaatsen waar dit in het vervolg aan de orde is, Wanneer dit is gebeurd, is aangegeven op welke wijze de cijfers verkregen zijn.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

17

Figuur 2.1

Gebied Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda

2.3

Economische kerngegevens
De huidige economische structuur en de recente ontwikkeling van de Driehoek RZG geeft in kengetallen het onderstaande beeld. In bijlage 2 zijn meer gedetailleerde gegevens opgenomen. Voor een verdere beschrijving zij eveneens verwezen naar de uitgevoerde quick-scan (Ecorys NEI 2002). Landbouw-, industriële en handels- & horecaondernemingen zijn sterk vertegenwoordigd in de Driehoek RZG afgespiegeld tegen het provinciaal gemiddelde. Het aandeel transportondernemingen is ongeveer gelijk aan het provinciaal gemiddelde. Ondernemingen in de financiële en zakelijke dienstverlening en overheidsinstellingen zijn relatief ondervertegenwoordigd. Tot 2000 kende de Driehoek RZG een bovengemiddelde groei van de werkgelegenheid. Sinds 2000 blijft deze groei echter iets achter bij het ZuidHollands gemiddelde. De Driehoek RZG heeft in de afgelopen tien jaar buitengewoon goed gepresteerd met hoge groeicijfers voor werkgelegenheid (+44%) en aantal gevestigde bedrijven (+33%). Een aanzienlijk gedeelte van deze groei (84 %) kwam tot stand op bedrijventerreinen in de Driehoek. De groei van de werkgelegenheid kwam vooral tot stand in de handel en financiële en zakelijke dienstverlening, terwijl de werkgelegenheid in de landbouw en industrie terugliep.

18

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de werkgelegenheidsontwikkeling in de Driehoek RZG: 40% van de werkgelegenheid is te vinden op bedrijventerreinen, tegenover 28% voor heel Zuid-Holland. Daarentegen lijkt de benutting van de ruimte op bedrijventerreinen laag: 54 arbeidsplaatsen per hectare bedrijventerrein in de Driehoek RZG. Dit in tegenstelling tot 70 arbeidsplaatsen per hectare bedrijventerrein in heel ZuidHolland, waar echter wel enkele kantoorlocaties in zijn meegenomen. In de Driehoek RZG wordt jaarlijks gemiddeld 11 ha. aan bedrijventerrein uitgegeven.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

19

20

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

3 De vraag naar ruimte geanalyseerd

3.1

Inleiding
De Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda wordt omringd door gebieden waar sprake is van schaarste aan bedrijventerreinen, zowel op korte als lange(re) termijn. De benodigde ruimte wordt in paragraaf 3.2 in het bredere perspectief van het vestigingsklimaat geplaatst. In paragraaf 3.3 wordt de vraag naar ruimte voor economische activiteiten nader beschouwd. Deze vraag wordt afgezet tegen huidig en toekomstig aanbod op basis waarvan kan worden vastgesteld welke planningsopgave hieruit mogelijk voortvloeit.

3.2

Ruimte voor bedrijvigheid in bredere context
In deze paragraaf wordt de vraag naar ruimte in een bredere context geplaatst. Allereerst wordt in paragraaf 3.2.1 ingegaan op andere factoren dan ruimte die relevant zijn voor het vestigingsklimaat. In paragraaf 3.2.2. wordt vervolgens ingegaan op de relaties tussen bedrijven. In paragraaf 3.2.3 ten slotte wordt ingaan op de relatie tussen het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen en herstructurering van bestaande terreinen.

3.2.1

Ruimte voor bedrijvigheid en andere factoren van het vestigingsklimaat Het vestigingsklimaat voor bedrijven bestaat uit verschillende facetten waarvan ruimte voor bedrijvigheid er een is. Bereikbaarheid via de weg of spoor, woonomgeving en beschikbaarheid personeel zijn voorbeelden van andere facetten. Opvallend is dat uit recent onderzoek1 onder ondernemers blijkt dat de grootste knelpunten in het vestigingsklimaat in de Zuidvleugel niet zozeer betrekking hebben op de beschikbaarheid van economische ruimte (bedrijventerrein en kantoorruimte), maar veel meer op andere terreinen. Uit dit onderzoek blijkt dat de knelpunten voor de Driehoek RZG (Oost-ZuidHolland), Haaglanden en Groot-Rijnmond primair liggen op het vlak van de personeelsvoorziening (beschikbaarheid, houding en opleidingsniveau), bereikbaarheid via de weg en het woningaanbod (in verhouding tot werkgelegenheid). 2Bij het accommoderen van de vraag naar ruimte zullen nadrukkelijk de effecten op het vestigingsklimaat als geheel betrokken moeten worden.

1

· ECORYS-NEI (2001), “Internationale benchmark regionaal investeringsklimaat”. Rotterdam: in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. 2 Deels zijn deze knelpunten gevoelig voor conjuncturele schommelingen (met name de kwantitatieve onderdelen), deels zijn deze knelpunten structureel (bijvoorbeeld opleidingsniveau en houding).

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

21

Bij het toevoegen van extra hectares bedrijventerrein en woningen zullen de effecten op de bereikbaarheid in beeld gebracht moeten worden. Hierbij is aandacht nodig voor de relaties tussen wonen en werken (woon-werkpendel) zowel in de prognoses3 als bij de uitwerking in een ontwerp. Het belang van natuur voor de vestiging van bedrijven speelt via de arbeidsmarkt. Via de kwaliteit van de werk- en woonomgeving draagt natuur bij aan de aantrekkingskracht van een bepaalde regio op de gewenste “kenniswerkers”. En dat telt: zowel beschikbaarheid als opleidingsniveau van werknemers scoren hoog als vestigingsplaatsfactor. De aantrekkelijkheid van de natuurlijke leefomgeving is daarom -indirect- van belang, vooral voor bedrijven en sectoren die zich vrij kunnen vestigen. 3.2.2 Onderlinge relaties tussen sectoren: afhankelijkheden en concurrentie Bij de onderlinge relaties tussen sectoren zijn twee invalshoeken te onderscheiden: concurrentie om de ruimte en afhankelijkheden tussen bedrijven. De eerste invalshoek wordt bepaald door de schaarste aan ruimte in de Zuidvleugel voor economische activiteit zoals in paragraaf 3.3 nader wordt uiteengezet. Bedrijven en sectoren worden als het ware elkaars concurrenten als het gaat om uitgeefbare kavels. Bij concurrentie om de ruimte gaat het voor de overheid om vragen als welke sector per ha. de meeste maatschappelijke baten oplevert in termen van bijvoorbeeld aantal of type arbeidsplaatsen (voor hoger of lager opgeleiden), toegevoegde waarde of ruimtelijke kwaliteit. Bedrijven fungeren niet solitair maar in een keten van toeleverende en afnemende bedrijven. De betekenis van ruimte voor bedrijven in een bepaalde sector heeft daarmee ook invloed op werkgelegenheid en ruimtevraag van andere sectoren. In tabel 3.1 is een indicatie van deze relaties gegeven voor werkgelegenheid in de verschillende sectoren aan de hand van multipliers voor de regio Rijnmond. Geselecteerd zijn die sectoren waarnaar vraag is in de Driehoek RZG. De tabel laat zien dat 1 gecreëerde baan in genoemde sectoren extra werkgelegenheid in andere sectoren met zich meebrengt. Deze extra werkgelegenheid varieert overigens aanzienlijk per sector. Ook de plaats waar deze extra werkgelegenheid neerslaat, kan variëren. Voor een volledig overzicht van multipliers wordt verwezen naar bijlage 4. Uit de onderstaande tabel kan niet afgelezen worden wat de betekenis is voor de economische structuur. De logistieke sector bijvoorbeeld heeft als in belangrijke mate een ‘smeeroliefunctie’ om producten van producent (via diverse tussenstappen) naar consument te brengen. Uit een oogpunt van concurrentie om schaars beschikbare ruimte is het ook van belang inzicht te hebben in de ruimte-intensiteit per sector. Deze ruimte-intensiteit loopt aanzienlijk uiteen. Bijlage 4 geeft hieromtrent een verdere uitsplitsing.

3

In de Bedrijfslocatiemonitor is de relatie wonen-werken in beperkte mate meegenomen. Uitgangspunt is dat wonen werkgelegenheid volgt. Via een shift-analyse leidt toename van het aantal woningen (al dan niet via autonome groei) tot groei van de werkgelegenheid bij met name de consumentendiensten en daarmee samenhangend de vraag naar hectares in deze sector. Voor het overige is de prognose gebaseerd op andere economische variabelen en historische gegevens. Het PRIMOS-model dat gebruikt wordt voor woningbouwprognoses, gebruikt de groei van de werkgelegenheid als een van de basisgegevens. In geval van groei van de werkgelegenheid zal dit vertaald worden in de vraag naar woningen. Dit is slechts een van de factoren die van invloed zijn op de woonvoorkeuren van mensen en daarmee op de prognose.

22

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Benadrukt dient overigens te worden dat de in tabel 3.1 opgenomen indicatoren per sector slechts 2 elementen zijn die bij de toekenning van ruimte in beschouwing dienen te worden genomen. Andere zaken die daarbij een rol spelen zijn: diversificatie, aansluiting arbeidsvraag op beschikbaar arbeidsaanbod, mate waarin hogere grondprijzen kunnen worden betaald, mate waarin herstructurering elders kan worden doorgezet, de brutonetto verhouding in grondgebruik etc..
Tabel 3.1 Input-output multipliers voor werkgelegenheid (arbeidsvolume) in Groot-Rijnmond en ruimte-intensiteit van Sectoren Land-, tuin- en bosbouw Visserij Groot- en detailhandel Reparatiebedrijven voor gebruiksgoederen Overige transport- en opslagbedrijven Zakelijke dienstverlening en verhuur 0,28 Zakelijke dienstverlening 102 0,42 Dienstverlening t.b.v. vervoer 35 0,37 Groothandel 50 Multiplier 0,67
4

Sectoren Landbouw, bosbouw, visserij Detailhandel en reparatie

Werknemers per ha. 20
5

0,48 0,28 43

Bron: Multipliers Input-outputtabel Rijnmond 1992 op basis van Irios; aantal arbeidsplaatsen per hectare, ERBO-enquete 1998, Kamer van Koophandel

Op de relatie glastuinbouw en bedrijven wordt in dit kader kort ingegaan. Over de toegevoegde waarde van glastuinbouw op nationaal niveau lijkt niet zoveel discussie te bestaan. De vraag die relevant is voor de Driehoek RZG is in welke mate het totale cluster van glastuinbouw in Zuid-Holland gevoelig is voor het uitplaatsen van primair glas buiten Zuid-Holland. Witteveen+Bos constateert in de Economische studie glastuinbouw (Witteveen + Bos, 2002) dat deze vraag tegenstrijdig beantwoord wordt. De inschatting van de sector zelf (bij monde van Greenport Zuid-Holland) stelt dat de primaire sector de spil is. Dit wil zeggen dat als het primaire glas wordt verplaatst ook aanverwante bedrijven zullen verplaatsen. Het Expertisecentrum LNV geeft daarentegen aan dat de verhuisgeneigdheid van andere actoren in het cluster beperkt blijft. Een beeld dat uit de verschillende discussies omtrent de waarde van de glastuinbouw in een sterk verstedelijkt gebied als West-Nederland duidelijk naar voren komt, is de noodzaak om tot herstructurering over te gaan van onvoldoende rendabele en innovatieve glastuinbouwcomplexen. Gelet op de toenemende concurrentie in Europees en mondiaal perspectief is er alleen plaats voor hoogwaardige glastuinbouwcomplexen waar op innovatieve wijze (qua proces en productvernieuwing) gewassen worden geteeld. Concurrentie in termen van bulkproductie op prijs heeft in Nederland geen

4

Op basis van recentere gegevens en alleen voor tuinbouw is de multiplier berekend op 0,64 (economische studie glastuinbouw Zuid-Holland, Witterveen + Bos 2002) 5 Het relatief hoge aantal arbeidsplaatsen per hectares wordt mede veroorzaakt door dienstverlenende bedrijven in deze categorie. Voor glastuinbouw direct is het aantal arbeidsplaatsen per hectare 5, voor de indirecte werkgelegenheid wordt deze berekend op 50 arbeidsplaatsen per hectare.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

23

toekomstperspectief. Bij de eventuele ruimtelijke planvorming voor de Driehoek RZG dient dit als een belangrijk gegeven te worden meegenomen. Op basis van de multiplier voor glastuinbouw voor werkgelegenheid kan eveneens een multiplier kan een indicatie worden gegeven voor het indirecte ruimtebeslag van de glastuinbouw sector (d.w.z. ruimtebeslag voor aanverwante bedrijven)6. Voor elke hectare glastuinbouw moet gerekend worden met 0,06 hectare ruimtebeslag voor overige bedrijven in het glastuinbouwcluster. 3.2.3 Uitbreiding en herstructurering: parallelle processen Herstructurering van verouderde terreinen en uitbreiding zijn parallelle processen. Bij uitbreiding ligt vooral het accent op opvangen van de vraag en draagt dus bij aan wegwerken van het ruimtetekort. Bestaande terreinen waarin termen van ruimtewinst grote klappers zijn te maken zijn vaak al onderhanden genomen. Met herstructurering van verouderde bedrijventerreinen wordt vooral beoogd de kwaliteit te verbeteren en zo te voldoen aan de kwalitatieve vraag van reeds gevestigde bedrijven. Herstructurering heeft in het algemeen nauwelijks ruimtewinst tot gevolg en kan daardoor een beperkte bijdrage leveren aan het accommoderen van de vraag naar ruimte voor bedrijven. Het proces van herstructurering in de regio Rotterdam bijvoorbeeld zorgt voor verplaatsing van bedrijven, die op een nieuwe locatie 30-40% meer ruimte vragen. Een effectiever gebruik van ruimte door herstructurering levert idealiter 15-25% ruimtewinst op. Meestal gaat het om slechts 5% (Etin Adviseurs, 2002). Bureau Buiten raamt voor de hele Zuidvleugel een ruimtewinst op de bestaande terreinen a.g.v. herstructurering van 28 tot 69 ha. netto. Op enkele bedrijventerreinen en verspreid over het gebied zijn bedrijventerreinen die qua aard, omvang en verkeersbewegingen niet op de meest geschikte locaties bevinden. Dit is een aandachtspunt bij de visievorming (hoofdstuk 4).

3.3
3.3.1

De vraag naar ruimte voor economische activiteit in beeld
De vraag naar ruimte voor bedrijventerreinen in de Driehoek De vraag naar bedrijventerreinen in de Driehoek moet binnen de context van de omliggende gebieden (Stadsgewest Haaglanden, Stadsregio Rotterdam en Groene Hart ) en de ruimtevraag binnen de Deltametropool worden bezien. In de Driehoek is sprake van overdruk. Dit betekent dat naast de vraag naar ruimte voor bedrijven uit de Driehoek zelf, ook sprake is van druk op de beschikbare ruimte uit omringende gebieden. Uit de stedelijke gebieden vanwege het gebrek aan uitbreidingsruimte, vanuit het Groene Hart vanwege het restrictieve beleid. De opgave op Deltametropoolniveau (4300 ha. netto) 7 laat zien dat verplaatsen van de vraag geen eenvoudige opgave is. In tabel 3.2 is de vraag naar bedrijventerreinen, het aanbod en het tekort dat resteert in de verschillende gebieden
6

Berekening: de indirecte werkgelegenheid wordt vermenigvuldigen met de terreinquotiënt van de distributie (sector met de hoogste terreinquotiënt). De multiplier wordt vervolgens berekend door het indirect ruimtegebruik van glas in Zuid-Holland te delen door het glasareaal in Zuid-Holland. 7 Voor de periode 2010- 2030 is de vraag geraamd op 5800 hectare netto (=8000 ha. bruto) waarvan 4300 ha. netto voor droge terreinen (bron: Bureau Buiten).

24

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

weergegeven voor de periode 2010-2030. Omdat de Driehoek geen zelfstandige eenheid is zowel bestuurlijk als bij gegevens is een deel van het tekort van respectievelijk Rijn en Gouwe en de Stadsregio Rotterdam toegerekend aan respectievelijk de Zuidplaspolder en de B-Driehoek. In bijlage 3 zijn de berekeningswijze en de gehanteerde gegevens opgenomen. Voor 2010 worden ook bedrijventerreinen ontwikkeld. Opvallend daarbij is dat in confrontatie tussen vraag en aanbod een overschot aan terreinen ontstaat binnen de Driehoek RZG. In de praktijk zal weinig van dit cijfermatig overschot overblijven omdat in de omliggende stedelijke gebieden (met name Rotterdam) reeds voor 2010 een tekort ontstaat.
Tabel 3.2 vraag, aanbod en tekort voor de periode 2010-2030 uitgedrukt in netto hectares

scenario Haaglanden Rijnmond (waaronder B-driehoek) * toegerekend aan B-driehoek Rijn en Gouwe (w.o. ZPP) * toegerekend aan ZPP De Waarden (w.o. Krimpenerwaard) * toegerekend aan Krimpenerwaard Totaal 500 770 230 150 1650

hard 100 60 0 10 170

zacht 100 270 10 40 420

hard 400 710 99 230 99 140 1 1480

zacht 300 440 62 220 95 100 4 1060

Bron: Provincie Zuid-Holland, bewerking ECORYS-NEI

In tabel 3.3 is vervolgens de relatie tussen het tekort en de claim op de Driehoek vanuit omliggende gebieden en het (na eventueel honoreren van de claim) het resterende tekort.

Tabel 3.3

Relatie tekort en claims op Driehoek RZG voor periode 2010-2030 (uitgedrukt in netto hectares)

herkomst vraag 2010-2030 Haaglanden Rijnmond (waaronder B-driehoek) * toegerekend aan B-driehoek Rijn en Gouwe (w.o. ZPP) * toegerekend aan ZPP De Waarden (w.o. Krimpenerwaard)

tekort hard 400 710 99 230 99 140 1 1480 zacht 300 440 62 220 95 100 4 1060

claim op driehoek RZG resterend tekort B-driehoek Zuidplaspol hard 0 50 50 135 18 353 1077 657 0 200 400 460 95 41 122 zacht 300 190 85 37 82

* toegerekend aan Krimpenerwaard Totaal

Bron: Provincie Zuid-Holland, bewerking ECORYS-NEI

Het resterend tekort geeft een indicatie van de resterende ruimtedruk vanuit het gebied op de omgeving. Het ruimtetekort van Rotterdam zal zich nog deels manifesteren in een druk op de Driehoek maar veel meer aan de zuidzijde in bijvoorbeeld de Hoeksche Waard.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

25

Wat opvalt bij het resterend tekort is dat de claim van de Z5-gemeenten niet toereikend lijkt om de eigen behoefte op te vangen. Voor de regio Haaglanden neemt het tekort toe terwijl daar geen claim tegenoverstaat. Als een kwart van het Haagse tekort wordt vertaald in druk op de Driehoek en de Driehoek haar eigen tekort ook nog zal moeten wegwerken dan is de resterende druk op de Driehoek ca. 140 hectare netto. De kernvraag is of deze vraag elders opgevangen kan worden. De afgelopen periode zijn diverse studies gedaan naar alternatieve locaties en intensiever ruimtegebruik8. Hier uit blijkt dat met name in de regio Rotterdam weinig alternatieven zijn voor Deltametropool georiënteerde bedrijvigheid. Voor terreinen die multimodaal (via weg, spoor en/of water) ontsloten moeten worden zijn wel enkele alternatieven in ontwikkeling9. Honoreren van de claims voor bedrijventerrein in de Driehoek levert een positieve bijdrage aan het wegwerken van het tekort aan bedrijventerrein (ca. 10 % van de vraag naar terreinen in de Deltametropool). Voor de directe omgeving van de Driehoek is het oplossend vermogen naar verwachting ca. 75%). Bij het interpreteren van de bovenstaande gegevens in het verdere planproces moeten de volgende kanttekeningen meegenomen worden. • Voor de berekeningen van de vraag is het EC-scenario gehanteerd van de provincie Zuid-Holland. Dit is een realistisch tot behoudend scenario. De daadwerkelijke vraag kan hoger uitvallen. De vraag bij het trend scenario ligt tussen de 15 en 20% hoger (zie bijlage 3). • Het gesignaleerde ruimtetekort gaat uit dat het aanbod ook daadwerkelijk ontwikkeld wordt. Worden, om welke reden dan ook, plannen die meegerekend zijn bij het aanbod niet ontwikkeld dan zal het tekort verder oplopen. Daar tegenover staat dat als elders plannen ontwikkeld worden die niet meegenomen zijn het tekort navenant zal afnemen. Een eerste indicatie hoe de ruimtebehoefte is verdeeld over de sectoren is opgenomen in tabel 3.4. Deze indicatie is gebaseerd op het EC-scenario van het CPB met een tijdshorizon tot 2020 en bevat een vertaling van werkgelegenheidsgroei naar ruimtegebruik en van provinciaalniveau naar COROP. De toerekening van ruimtebehoefte aan sectoren is enigszins arbitrair en is om die reden slechts te beschouwen als een indicatie.
Tabel 3.4 Indicatie verdeling ruimtebehoefte per sector op bedrijventerreinen Sector Industrie Consumentendiensten Logistiek Zakelijke diensten Overheid & Kwartair Totale extra ruimtevraag Bron: SPECTRA, ECORYS-NEI (2003) Groot-Rijnmond -4% 9% 65% 29% 2% 100% Oost-Zuid-Holland -7% 15% 62% 28% 2% 100%

8 9

ETIN en Bureau Buiten Terminal Alphen a/d Rijn, Shipping Valleys in Dordrecht en Polder Nieuwland in de Alblasserwaard

26

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Indien deze verdeling wordt toegepast op de claims van respectievelijk stadsregio Rotterdam en de Zuidplaspolder/Krimpenerwaard ontstaat het in tabel 3.5 gepresenteerde indicatieve beeld. De variëteit in ruimtevraag brengt met zich mee dat aandacht dient te worden besteed aan het creëren van verschillende typen vestigingsmilieus. Bij daadwerkelijke ontwikkeling zal gericht marktonderzoek gedaan moeten worden en is afstemming met overig te ontwikkelen terreinen in de regio noodzakelijk.
Tabel 3.5 Indicatie verdeling claim voor bedrijventerreinen over sectoren in ha. netto uitgesplitst naar herkomstgebied Sector Consumentendiensten Logistiek
11 12 13 10

Stadsregio Rotterdam 21 155 69 5 250

Zuidplaspolder en Krimpenerwaard 21 88 42 2 153

Totaal 42 243 111 7 403

Zakelijke diensten

Overheid & Kwartair

Totale extra ruimtevraag Bron: SPECTRA, ECORYS-NEI (2003)

Voor de categorie logistiek is een eerste indicatie te geven van het type bedrijvigheid. Verwacht wordt dat ca. 70 hectare (netto) opgevuld zal worden door groothandel, 124 hectare (netto) door bedrijven voor transport, opslag en distributie en ca. 49 hectare (netto) voor dienstverlening ten behoeve van vervoer. 3.3.2 Ruimte voor kantoren Voor kantoren is geen vraagraming uitgevoerd maar een marktverkenning. Hierbij komen de mogelijkheden voor kantoorontwikkeling in de Driehoek aan de orde. De vraag naar grootschalige kantoorlocaties op de korte en middellange termijn (tot 2020) doet zich volgens de marktpartijen niet voor in De Driehoek RZG maar in de omringende stedelijke gebieden. Hier is ook voldoende aanbod op de langere termijn (NSP-Rotterdam, Alexandrium, Zoetermeer, spoorzone Gouda etc.). In hiërarchie gaat de nationale en regionale vraag naar kantoorruimte eerst naar de grote steden, vervolgens naar steden als Gouda en Zoetermeer en vervolgens naar lokale kantoorlocaties. Deze hiërarchie is vooral merkbaar bij conjuncturele schommelingen. In geval van hoogconjunctuur vindt een soort ‘overloop’-effect plaats vanuit de steden naar lokalere kantoorlocaties. In laagconjunctuur treedt daar de eerste leegstand op. Daarbij bestaan er wel verschillen naar type kantoorlocatie, bijvoorbeeld snelweglocaties versus andere kantoorlocaties. De vestiging van kantoren in De Driehoek RZG zal op kleine schaal plaats vinden, waarbij vooral op de lokale vraag naar kantoorruimte gericht moet worden. Dit is overigens wel een constante vraag zonder veel conjuncturele schommelingen. De lokale

10 11

Hieronder valt: Bouw, woningbezit, horeca, detailhandel en reparatie en overige dienstverlening. Hieronder valt: Groothandel, water en luchtvaart, vervoer over land, Dienstverlening t.b.v. vervoer. 12 Hieronder valt: Communicatiebedrijven, banken en verzekeringen, zakelijke diensten 13 Hieronder valt: Zorg en overheid

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

27

vraag naar kantoorruimte betreft vooral ondernemingen met maximaal 30-40 werknemers, maar veelal tot 10 werknemers. Op de zeer lange termijn (>2030) komt wellicht op lange termijn een tweetal knooppunten in aanmerking of kan uitbreiding aan de randen van grotere plaatsen / steden als Gouda, Zoetermeer, Capelle a/d IJssel plaats vinden. Mogelijkheden bieden vooral het knooppunt A12-A20 ten westen van Gouda en in mindere mate Hoefweg-Noord/Zuid, het gebied nabij de A12-afslag Waddinxveen en knooppunten aan de Rijn-Gouwe-lijn. Op lange termijn bestaan er echter ook theorieën die aangeven dat er minder vraag naar kantoorruimte zal zijn. Als gevolg van vergrijzing, kunnen bedrijven niet meer voorzien in hun personeelsbehoefte en hebben ze dus ook minder kantoorruimte nodig. De kantorenmarkt wordt dan een vervangingsmarkt in plaats van een groeimarkt. Bij de uitwerking van de plannen moet met beide opties rekening gehouden worden. Knooppuntontwikkeling op gehele nieuwe locaties lijken moeilijk realiseerbaar, aangezien een beroep wordt gedaan op een ‘kunstmatige’ vraag naar kantoorruimte. Gouda-Goverwelle vormt echter een voorbeeld van een niet-geslaagde (knooppunt)ontwikkeling van kantoren langs spoorinfrastructuur. De kunst is om enerzijds de markt niet te overschatten maar tegelijkertijd kansrijke locaties voor de toekomst te behouden.

28

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

4 Economische visie Driehoek RotterdamZoetermeer-Gouda

4.1

Inleiding
Naar de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda en de vraag die op het gebied afkomt kan vanuit drie invalshoeken/perspectieven gekeken worden, te weten: Deltametropool, Zuidvleugel en de Driehoek RZG. De drie perspectieven weerspiegelen de verschillende belangen en leiden tot een verschillend beeld van wat wenselijk en mogelijk is in de Driehoek RZG. In paragraaf 4.2 wordt voor de visievorming per perspectief een mogelijk (ideaal) toekomstbeeld geschetst. Een perspectief wordt opgebouwd door vanuit een bestuurlijk schaalniveau naar de beschikbare ruimte in de Driehoek te kijken en vanuit dat perspectief een keuze te maken op welke wijze de ruimte het meest efficiënt en effectief kan worden benut. De drie perspectieven zijn de basis voor de economische visie. In paragraaf 4.3.1 en 2 wordt het raamwerk van de visie neergelegd. Het raamwerk betreft die onderdelen die robuust zijn, d.w.z. die onderdelen die in de verschillende perspectieven overeenkomen of te combineren zijn. Op een aantal punten zijn conflicterende belangen en zullen keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes zijn mede afhankelijk van de mate waarin claims op het gebied van wonen, natuur, glas en water worden gehonoreerd in het uiteindelijke ontwerp. Deze kunnen pas definitief in een later stadium gemaakt worden. De keuzes zijn opgenomen in paragraaf 4.3.3.

4.2

Drie invalshoeken voor de Driehoek
In deze paragraaf worden kort per perspectief de doelen geschetst. De perspectieven zijn vertaald naar een programma van eisen (PvE) op hoofdlijnen met betrekking tot het vestigingsklimaat, omvang van de opgave en bedrijfstypologie. Perspectief Deltametropool: innovatie en organiserende diensten De Deltametropool is een samenwerkingsverband tussen de vier Randstad-provincies, de vier stadsregio’s en de vier grote steden. Geredeneerd vanuit de Deltametropool wordt vooral gekeken naar de economische potenties die de Driehoek Rotterdam-ZoetermeerGouda heeft vanuit nationaal of internationaal perspectief, de verwachte of gewenste veranderingen in de economische structuur en het evenwicht tussen groene en rode ontwikkelingen en het open houden van de mogelijkheden voor de langere termijn. Kenmerkend voor dit perspectief zijn de volgende doelen: • Behouden en versterken van de internationale concurrentiepositie van de Deltametropool. • Vasthouden of versterken van arbeidspotentieel op niveau van de Zuidvleugel o.a. door gerichte woningbouw voor midden en hoge inkomens.
Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief 29

Kernwoorden Deltametropool: • (inter)nationaal • hoogwaardig • balans rood-groen • innovatie

Balans vinden tussen groene en rode ontwikkelingen, complementariteit en onderscheiding van diverse woon- en werkmilieus (niet meer van hetzelfde, bouwen voor de vraag). • Ruimte bieden voor nieuwe markten. Achterliggende gedachte is dat de prognoses veelal een conservatief karakter hebben. Nieuwe ontwikkelingen kunnen leiden tot nieuwe bedrijfsactiviteiten. Dit betekent dat wordt ingezet op hoogwaardige locaties waar Deltametropool georiënteerde bedrijven en organiserende en creatieve diensten en aan glastuinbouw gerelateerde bedrijven een plek kunnen krijgen die bijdragen aan vergroten van het bruto nationaal product (BNP) of het bruto regionaal product (BRP) en/of bijdragen aan structuurverbetering en -vernieuwing. In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van dit type bedrijven vertaald naar marktkansen. Hieruit blijkt dat voor slechts enkele categorieën hoge kansen op vestiging van een aanzienlijk aantal bedrijven bestaan (adviseurs en voorraadschuur). Voor de overige categorieën bestaan slechts beperkte mogelijkheden vanuit de markt.

De basis voor het beleid wordt gevormd door: acquisitie (aantrekken unieke bedrijven die economische structuur versterken), selectie (welk deel van de (boven)regionale vraag passen bij doelen) en eisen aan uitstraling en vormgeving. In de praktijk zal dit betekenen dat voor delen van de claims van de andere perspectieven ruimte is in de Driehoek, maar ook voor bedrijven van elders die voldoen aan de criteria.
Tabel 4.1 Type bedrijven georiënteerd op de Deltametropool of bijdragen aan structuurversterking c.q. vernieuwing Typering Voorraadschuur; opslag-, distributie en logistiek Adviseurs van huis uit Match met locatie-eisen Driehoek RZG Uniek voor bedrijven die qua afzetgebied georiënteerd zijn op Deltametropool Uniek voor bedrijven die qua personeel georiënteerd zijnop Deltametropool Innovatieve productie bedrijven Milieuhinderlijke bedrijvigheid Kennisintensieve bedrijven Uniek voor bedrijven die qua personeel georiënteerd zijnop Deltametropool Past niet binnen kwalitatieve ambitie Deltametropool Aanwezig mits groene locatie of in glastuinbouwsector Ruimte extensieve filmstudio’s voor overige stedelijke setting nodig Leisure bedrijven Ruimte voor commerciële kleinschalige pret- en recreatieparken Concurrente met Hilversum/Aalsmeer/A’dam en regionaal met Rotterdam Beperkt Zeer beperkt Voor regionaal gebonden bedrijven maatwerk leveren. Concurrentie met A13 zone Beperkt Redelijk Beperkt Geen bedrijven die ontsluiting via water of spoor nodig Geen of beperkte o.v. verbinding Hoog Redelijk Kanttekening Kans

30

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Kernwoorden Zuidvleugel: • ruimte voor bedrijven uit stedelijk gebied • inpassen bedrijven in landschap

Perspectief Zuidvleugel: ruimte voor economische activiteit Geredeneerd vanuit de Zuidvleugel zal vooral gekeken worden naar de economische betekenis van het de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda voor het omliggende stedelijke gebied. In werkelijkheid zal het perspectief Zuidvleugel een bredere kijk hebben, maar om dit perspectief onderscheidend te laten zijn van de Deltametropool is gekozen voor deze insteek. Primair zal het gaan om ruimte voor bedrijven die in de Rotterdamse of Haagse regio om welke reden dan ook niet gehuisvest kunnen worden. Daarnaast zal de behoefte uit de Driehoek zelf eveneens geaccommodeerd worden. Inpassing van de ruimtevraag is vanuit dit perspectief de belangrijkste opgave. Kenmerkend voor dit perspectief zijn de volgende doelen: • Verbeteren van de woon- en werkomgeving in stedelijk gebied; • Match vraag en aanbod arbeidsmarkt • Bevorderen van intensiever ruimtegebruik in het stedelijk gebied; • Behoud of groei van de economische positie van de stedelijke kernen in de Zuidvleugel. Vanuit het perspectief Zuidvleugel wordt veel waarde gehecht aan het creëren van arbeidsplaatsen en oplossen van knelpunten in het stedelijk gebied. In het algemeen zullen betekent dit dat terreinen in de Driehoek bedrijven zullen accommoderen die vallen in de categorie nieuwe logistiek een combinatie van assemblage, transport, distributie, service en coördinatie van logistieke processen gericht op de Deltametropool. De ruimte voor overloop vanuit het stedelijk gebied (met name de stadsregio Rotterdam) naar de Driehoek RZG is berekend op 250 hectare netto voor de periode 2010-2030. Perspectief Driehoek RZG: opvang eigen behoefte Geredeneerd vanuit de Driehoek zelf zal vooral gekeken worden in welke mate de vraag voor wonen en werken uit het gebied zelf opgevangen kan worden. Ook vraagstukken gekoppeld aan herstructurering van bedrijventerrein en uitplaatsing van bedrijven die overlast elders binnen het gebied veroorzaken (of waar woningbouw gewenst is), komen voort uit dit perspectief. De doelen hierbij zijn: • Uitbreidingsruimte vinden voor de eigen vraag naar ruimte voor bedrijvigheid en glas; • Ontwikkelen van een aantrekkelijk woonmilieu, gericht op het behoud of aantrekken van een goed arbeidspotentieel; • Terugdringen van de woon-werkpendel, door koppeling type werkgelegenheid met beroepsbevolking. Bedrijven die vanuit dit perspectief gevestigd worden op de terreinen zijn uit het gebied zelf afkomstig. In het algemeen zijn dit bedrijven in de sectoren logistiek, productie, groothandel en dienstverlenende bedrijven en consumentdiensten. Uit de ramingen blijkt een behoefte van 135 ha. netto voor de periode 2010-2030. Hierbij is een voorkeur voor bedrijven waarbij onderzoek en ontwikkeling onderdeel uit maken van het productieproces of die aansluiten bij de beroepsbevolking. Daarnaast zal geselecteerd worden op de kwaliteit en de mate waarin op vrijkomende locaties overlastproblemen (verkeer, milieu, uitstraling) opgelost worden dan wel mogelijkheden bieden voor woningbouw.

Kernwoorden Driehoek: • Opvang eigen uitbreidingsbehoefte • Terugdringen woonwerkpendel

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

31

4.3

Naar één visie voor de Driehoek
Het vormt een immense uitdaging voor de Driehoek RZG om in de toekomst de economische ontwikkeling van een groter gebied te kunnen faciliteren. Hierbij wordt met name gedacht aan de economische ontwikkeling van de Stadsregio Rotterdam en het Stadsgewest Haaglanden en mogelijk nog het groter geheel van de Deltametropool. Tevens moet natuurlijk voorzien worden in de economische ontwikkeling van het gebied zelf.

Driehoek RZG blijvend aantrekkelijk voor wonen en werken

Om dichtslibbing van de Driehoek RZG te voorkomen, omdat er vanuit verschillende invalshoeken claims op het gebied worden gelegd, is een optimale invulling van de Driehoek RZG vereist. Hiervoor is het noodzakelijk dat een geregisseerde aanpak wordt gevolgd, ter voorkoming dat het gebied er als een lappendeken uit komt te zien. Uitgangspunt voor een geregisseerde aanpak is de blijvende aantrekkelijkheid van de RZG-driehoek, in landschappelijke zin alsmede in diversiteit van locaties (voor bedrijvigheid). Dit betekent: • Investeren in een aantrekkelijk vestigingsklimaat • Ruimte voor bedrijven • Afstemming en samenwerking tussen functies • Selectiviteit t.a.v. vestiging
Ontwerpopgave voor de driehoek RZG

Figuur 4.1

selectiviteit ruimte

Afstemming

vestigingsklimaat

& samenwerking

4.3.1

Raamwerk voor de visie Uit analyse van de perspectieven en de bijbehorende programma van eisen op hoofdlijnen blijkt overeenstemming over een aantal zaken. Deze ‘robuuste’ onderdelen vormen het raamwerk van de economische visie op de Driehoek. Het raamwerk is hieronder beschreven en geschetst in kaart 4.1.

32

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Kaart 4.1

Raamwerk voor de visie

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

33

Minimaal 400 hectare netto bedrijventerrein

Ruimte voor bedrijven en kantoren 1. In totaal is behoefte aan 400 hectare bedrijventerreinen voor de periode 2010-2030, additioneel aan het geplande harde en zachte aanbod (zie tabel 3.2 en 3.3) in de Driehoek RZG. 2. De behoefte aan bedrijventerreinen in de Driehoek RZG komt naar verwachting vooral van bedrijven die zich op een of andere wijze bezighouden met logistieke activiteiten (zo’n 60 tot 70%). Dit kan variëren van opslag, ompakken, groothandel, assembleren tot (boven-)regionale en soms zelfs Europese distributie, met daarbijbehorende ondersteunende activiteiten op het gebied van serviceverlening, administratie en soms ook research & development (R&D). Daarnaast is er een vraag naar ruimte vanuit consumentendiensten (o.a. bouw, horeca, detailhandel&reparatie en overige dienstverlening) en zakelijke dienstverlening (beide 15 tot 20%), aangevuld met een zeer beperkte vraag vanuit overige sectoren. Vanuit oogpunt van benutten van de locatievoordelen (centrale ligging in de Deltametropool) gaat de voorkeur uit naar bedrijven die op de Deltametropool georiënteerd zijn. De combinatie met logistieke dienstverlening en R&D zorgt voor toenemende kantoorhoudendheid op de nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen. Het belang van uitstraling van dit type bedrijven neemt toe. Voorbeelden zijn te vinden op bedrijventerreinen als Coenecoop (Waddinxveen), Hooge Veenen (Nieuwerkerk a/d IJssel) en Snel en Polanen (Woerden).
Voorbeelden van bedrijfsvestigingen op Coenecoop en Hooge Veenen

Doelgroep: • Deltametropool oriëntatie • Transport en logistieke dienstverlening • Voorkeur voor koppeling met R&D

Ruimte voor kantoorhoudende bedrijven

3. De druk manifesteert zich vooral rond de A20 tussen Rotterdam en Gouda en later – en in mindere mate- aan de A12-zijde van de Driehoek. De ontwikkeling van bedrijventerreinen kan het best daar gesitueerd worden waar de druk zich voordoet, dit gelet op de afzet- en woon-werkrelaties.
Kleinschalige kantoorontwikkeling in Driehoek

4. Op korte en middellange termijn zal knooppuntontwikkeling vooral plaatsvinden in de omliggende stedelijke gebieden. Aan ruimte voor kleinschalige dienstverlening en dienstverleners gerelateerd aan economische speerpunten van de Driehoek is wel behoefte. In het ontwerp is het wel gewenst om op lange termijn knooppuntontwikkeling open te houden. In eerste instantie wordt gedacht aan locaties nabij Gouda-West en in mindere mate nabij Hoefweg of gekoppeld aan de RijnGouwelijn.

34

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

5. De doelgroepen zijn gekoppeld aan een type locatie die in deze fase van de planvorming (interregionale structuurvisie op lange tot zeer lange termijn) als segmentatie kan worden gehanteerd. Bij daadwerkelijke ontwikkeling zal gericht marktonderzoek gedaan moeten worden en is afstemming met de overig te ontwikkelen terreinen in de regio van belang met name in het segment hoogwaardig. In bijlage 6 is voor de diverse milieus een globaal programma van eisen uitgewerkt.
Doelgroep
-

Type locatie Hoogwaardig Regulier Transport en distributie Centrummilieu

Indicatie omvang (netto) 160 ha. 119 ha. 124 ha. Beperkt 403 ha.

Zakelijke dienstverlening Dienstverlening t.b.v. vervoer Groothandel Consumentendiensten Transport & distributie gerelateerde bedrijven

Regionale kantoren Totaal

Robuuste en toegankelijk groen-blauwe structuur

Bundeling bedrijventerreinen

Investeren in een aantrekkelijk vestigingsklimaat 1. De Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda is gunstig gelegen voor bedrijven die op de Deltametropool georiënteerd zijn. Bij de inrichting van de Driehoek RotterdamZoetermeer-Gouda moeten vanuit economisch perspectief twee ballen in de lucht worden gehouden. De Driehoek RZG moet ruimte bieden aan eigen bedrijven en bedrijven die in de omliggende stedelijke gebieden niet geaccommodeerd kunnen worden en tegelijkertijd zorgen dat het woon- en werkklimaat van de Zuidvleugel aantrekkelijk blijft. Hier zijn twee eisen voor het ontwerp af te leiden: • In de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda zal de zone Rottewig-Bentwoud moeten worden uitgebreid en een natuur en recreatie invulling moeten krijgen. Van belang is dat het natuur- en recreatiegebied toegankelijk en bereikbaar is vanuit het stedelijk gebied. • Het heeft de voorkeur vanuit oogpunt van landschappelijke inpassing en investeringen t.a.v. infrastructuur, en daarmee het vestigingsklimaat, om bedrijventerreinen zoveel mogelijk te bundelen. 2. De bedrijventerreinen die aangelegd worden moeten goed worden ingepast in het landschap. De ontwerpopgave is om een match te vinden tussen enerzijds de eisen die gesteld worden vanuit de ondernemers en de eisen die vanuit andere functies worden gesteld. De randen van bedrijventerreinen vragen extra aandacht in het ontwerp even als de plekken waar sprake is van menging van functies. Hier zal met name geïnvesteerd moeten worden in landschapsontwikkeling en zal geselecteerd moeten worden op type bedrijvigheid. Bedrijventerreinen die langs de snelweg zijn gesitueerd zijn het visitekaartje van de regio. Door snelweglocaties kan het economisch imago worden versterkt. Daarbij hoort een dito vormgeving. Voor een goede inbedding in het landschap is combinatie van landschapsbouw en bedrijventerreinontwikkeling in zowel planvorming als exploitatie essentieel. Bijlage 6 bevat informatie over programma’s van eisen op diverse schaalniveaus en voor verschillende type milieus.

Ontwerpopgave inpassing en vormgeving bedrijventerreinen

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

35

Voorbeelden van inpassing in omgeving

14

Kwalitatief tekort aan woningen aanpakken

3. Een van de knelpunten in het investeringsklimaat betreft de woonkwaliteit. Uit diverse analyses blijkt dat in de steden naast een kwantitatief tekort voornamelijk sprake is van een kwalitatief tekort. Vanuit economisch perspectief is het met name van belang dat het kwalitatief tekort in de steden zelf wordt weggewerkt. Dit laat onverlet dat woningbouw voor eigenbehoefte (kwantitatieve tekort) in de Driehoek zelf kan worden opgevangen. Waar mogelijk is het eveneens gewenst om te voldoen aan de vraag naar exclusief wonen in het groen. 4. De Zuidplaspolder is laag gelegen. Het waterbergingsvraagstuk moet ook vanuit economisch perspectief de nodige aandacht krijgen en waar mogelijk gecombineerd worden met functies als natuur, recreatie, wonen en bedrijventerreinen. Mits goed ingepast kan de wateropgave een meerwaarde betekenen voor de genoemde functies. 5. Bereikbaarheid op alle schaalniveaus is een terugkerend thema..Uitbreiding met bedrijventerreinen en woningbouw betekent dat de secundaire wegenstructuur (i.v.m. woon-werkverkeer) en de capaciteit van en aansluitingen op rijkswegen verbeterd dienen te worden (i.v.m. doorstroming rijkswegen). Uit oogpunt van versterken van het stedelijk netwerk is het gewenst om een directe verbinding tussen de A20 en de A12 te realiseren (snelwegboog A20-A12 en v.v.). Voor multimodale ontsluiting van terreinen voor goederenvervoer is in dit gebied geen aanleiding. Optimaal ruimtegebruik door afstemming en samenwerking 1. Gezien de schaarste aan ruimte zal ook vanuit bedrijventerrein maximaal gestreefd moeten worden naar zorgvuldig ruimtegebruik. Op nieuw te ontwikkelen terreinen zal gestreefd moeten worden naar intensiever ruimtegebruik. Het gaat daarbij om de netto-brutoverhouding van het terrein te verbeteren en het intensiever gebruik van de kavels zelf. Hiermee is een ruimtewinst van 5 tot 10% te boeken 15 (ca. 20-40 ha. bruto bij opgave). Of deze winst ook daadwerkelijk geboekt wordt is afhankelijk van
14

Voldoende ruimte voor waterberging

Capaciteitsvergroting en structuurverbetering secundair wegennet en rijkswegen

Streven naar 10-15% ruimtewinst bij inrichting nieuwe terreinen

bron: met de klok mee: (1) OBR, (2) Kwaliteit werklocaties Urhan Urban design#) + (4) beeldkwaliteitsplan Gouwepark, OD205 15 ingeschat door bureau Buiten

36

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

de mate waarin functies te combineren zijn (in de hoogte of de diepte of in de tijd), de eis van waterschappen t.a.v. ruimte voor waterberging, de kosten die gepaard gaan met intensivering op kavelniveau (de hoogte en de diepte in). Het kan echter ook zijn dat als gevolg van meervoudig ruimtegebruik ogenschijnlijk het bruto grondgebruik toeneemt van de te ontwikkelen terreinen als gevolg van ruimhartige landschappelijke inpassing of inpassen van de wateropgave op het bedrijventerrein. Daar staat tegenover dat op locatieniveau ruimtewinst of kwaliteitswinst geboekt kan worden.
Langs randen: hoogbouw en combinatie met groen en water

2. Zorgvuldig ruimtegebruik kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen de randen en de kern van een bedrijventerrein. Langs de randen kan bedrijventerreinontwikkeling gecombineerd worden met natuur, water en recreatie. Wel is het van belang dat er vanuit deze functies ook een aanleiding is om te combineren. Dus geen wandelpad naast bedrijventerrein omdat het moet, maar een wandelpad naast of door een bedrijventerrein omdat het logisch is vanuit beide functies om op die specifieke plek ruimte te krijgen. Gestreefd moet worden om de ruimte in de tijd zo intensief mogelijk te gebruiken. Dergelijke overgangen en combinaties stellen eisen aan de vormgeving van het bedrijventerrein. Zorgvuldig ruimtegebruik door hoogbouw behoort hier vaak, gezien de representatieve aard van de gebouwen, tot de mogelijkheden. De overige delen van de terreinen moeten gezien de ambitie van zorgvuldig ruimtegebruik, efficiënt worden verkaveld. Het ontwerp moet zodanig zijn dat als gevolg van milieuzoneringen sprake is van minimaal ruimteverlies. Ook gemeenschappelijk gebruik van opslag-, afval-, energie-, transport-, parkeer- en wasvoorzieningen, kan leiden tot beperking van het ruimtebeslag. Op kavelniveau gaat het om het efficiënt ruimtegebruik op zowel maaiveldniveau (bebouwingspercentage), de hoogte of de diepte als combinatie van functies zoals parkeren op het dak. In bijlage 6 is hierover meer informatie opgenomen. 3. Bekeken moet worden of verschillende functies ook op één kavel gecombineerd kunnen worden. Ideeën die geopperd zijn is om transportbedrijven en kassenbouw te combineren, drijvende kassen te ontwikkelen, sporthallen op transport bedrijven, etc.. Tijdens het ontwerpend onderzoek zal aandacht besteed moeten worden of de verschillende programma’s van eisen te combineren zijn. Hierbij verdienen de volgende punten aandacht: • Wat zijn de kosten van meervoudig ruimtegebruik? • Zijn programma’s van eisen ook in de tijd te combineren? (wat is de mate van afhankelijkheid m.b.t. groei van bedrijven) • Welke eisen stelt meervoudig grondgebruik aan het te voeren grondbeleid (koop, erfpacht of huur). Daarnaast is het raadzaam om voor innovatieve vormen van meervoudig ruimtegebruik pilotprojecten te starten. Voor de combinatie transportbedrijfglastuinbouw is onlangs een pilot gestart: het glazen kasteel.

Kerngebieden: efficiënt verkavelen en bundeling voorzieningen

Meervoudig ruimtegebruik op kavelniveau onderzoeken

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

37

Herstructureringsbeleid bestaande terreinen

4. Voor bestaande terreinen in de Driehoek zal een herstructureringsbeleid geformuleerd moeten worden. Hierin zouden de volgende punten uitgewerkt moeten worden: • Acties die nodig zijn om zorg te dragen dat bestaande bedrijventerrein voldoen aan de kwaliteitseisen van zittende ondernemers. Gestreefd zou moeten worden dat bedrijfsverplaatsingen alleen het gevolg zijn van ruimtetekort of ontsluitingsproblemen (meer verkeersbewegingen dan vanuit het ontsluitingsprofiel gewenst is) en niet omdat de uitstraling van het terrein niet past. • Sterkere profilering van de bestaande terreinen zodat deze terreinen qua schaal en uitstraling passen bij die omgeving en bij het ontsluitingsprofiel. Voor reeds gevestigde bedrijven die (echt) niet passen binnen dit profiel (en dus overlast veroorzaken), zou bekeken moeten worden op welke wijze en op welk moment het bedrijf verplaatst kan worden naar een andere (nieuw aan te leggen) locatie. Dit is een traject met een lange looptijd maar die past bij de looptijd van het project Driehoek RZG. Aandachtspunt is de financiële haalbaarheid van verplaatsingen. Hierbij zijn twee aspecten van belang: functie en grondwaarde van de vrijkomende kavel en aansluiten bij investeringsbeslissingen van de ondernemer. Op deze wijze wordt ruimte gecreëerd om bedrijven waarvoor nabijheid van een kern gewenst is ook in de toekomst op de gewenste locatie te vestigen zonder uitbreiding nabij de kernen. Visie op lange termijn plannen en onzekerheden De ontwerpopgave betreft de periode 2010-2030. De gepresenteerde prognoses die gemaakt zijn geven een goede indicatie welke vraag te verwachten is. Het ontwerpen op deze lange termijn heeft als voordeel dat inzicht wordt gegeven op welke wijze de opgave over een lange periode kwalitatief het beste kan worden ingepast en dat tijdig geïnvesteerd kan worden in de benodigde kwaliteiten en dat uiteindelijk het ‘juiste bedrijf op de juiste plaats komt. Aan de andere kant betreft het de verre toekomst en kunnen/zullen veranderingen in de vraag optreden als gevolg van veranderingen in ruimtegebruik en conjuncturele schommelingen. Het ontwerp moet ruimte bieden om op deze veranderingen in te spelen maar anderzijds handvatten bieden om de kwaliteitseisen die essentieel zijn voor het vestigingsklimaat (i.c. Rottewig en vormgeving overgangen bedrijventerrein-omgeving), te bewaken. De volgende fase in het project Driehoek RZG is de fase van ontwerpend onderzoek. De punten genoemd onder nadere uitwerkingen dienen hier een plaats in te krijgen. De lange termijn visie en de gewenste flexibiliteit stelt volgende eisen aan het ontwikkelingstraject: • Op structuurplanniveau zal ontworpen moeten worden op de maximale (maximaal mogelijke) opgave. Het heeft de voorkeur om de vraag naar bedrijventerrein zoveel mogelijk te bundelen maar tegelijkertijd zal op structuurplanniveau aandacht besteed moeten worden aan de faseerbaarheid van de terreinen in logische eenheden. De structuur moet ook zodanig zijn dat ingespeeld kan worden op nieuwe markten. D.w.z. flexibiliteit in kavelgrootte en clustering m.b.t. uitstraling; • De uitwerking van het structuurplan in bestemmings- en ontwikkelingsplannen zal gebaseerd moeten worden op actuele marktanalyses met in acht name van eisen t.a.v. het vestigingsklimaat;

4.3.2

38

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

De exploitatie zal gebaseerd moeten worden op een ‘slecht-weer’-scenario, zodat de kans geminimaliseerd wordt dat tegenvallende inkomsten aanleiding zijn om het kwaliteitsbeleid aan te passen.

4.3.3

Aanzet voor bestuurlijke keuzes: agenda voor ontwerpend onderzoek Naast de robuuste onderdelen van de visie zoals verwoord in het raamwerk resteren de volgende keuzen. Deze thema’s moeten onderdeel uit maken van het ontwerpend onderzoek in de vervolgfase.

Bedrijven en glas: combinatie of keuze?

1. Bedrijventerreinen en glastuinbouw zijn beide economische functies. Gestreefd moet worden naar het inpassen van beide ruimtevragen. De ruimte in de Driehoek is echter eindig. Het kan zijn dat tussen beide economische functies een conflict gaat ontstaan hetzij voor wat betreft de locatiekeuze, hetzij voor wat betreft de omvang. Om hier een uitspraak over te kunnen doen is eerst ontwerpend onderzoek noodzakelijk. Daarnaast is het noodzakelijk om overeenstemming te krijgen over de criteria om in geval van concurrentie om ruimte tot een afweging te komen (zie ook punt 3 van deze paragraaf). 2. In de Driehoek RZG is sprake van schaarste aan ruimte. Zelfs al zou 350 hectare netto bedrijventerrein gerealiseerd worden dan kan naar verwachting nog niet aan de vraag voldaan worden. Als alle vraag geaccommodeerd zou kunnen worden dan is het vanuit ook punt van zorgvuldig ruimtegebruik, economische structuurverandering en toekomstwaarde nog steeds wenselijk om kritisch te kijken naar het ruimtebeslag van bedrijven. Dit betekent dat een selectiviteitsbeleid opgesteld moet worden. Het huidige selectiviteitsbeleid in de Zuidplaspolder is voornamelijk gebaseerd op herkomst gecombineerd met kwaliteitseisen. Aan elke ontwerpvariant zou een toegesneden selectiviteitsbeleid moeten worden gekoppeld. De criteria zijn afhankelijk van de gestelde doelen. Gedacht kan worden aan de volgende criteria: • versterken economische structuur • toegevoegde waarde op respectievelijk regionaal, provinciaal of nationaal niveau • (type) werkgelegenheid, • kwaliteit (uitstraling) • intensief ruimtegebruik • oplossen problemen elders Er is een sterke wisselwerking tussen selectiviteit, de doelen van verschillende partijen en de ruimte die beschikbaar komt voor bedrijventerreinen. In tabel 4.1 zijn per perspectief een eerste aanzet voor selectiviteitsbeleid gegeven in het geval van tekort aan bedrijventerreinen en in het geval de vraag naar bedrijventerreinen geaccommodeerd kan worden.

Opstellen selectiviteitsbeleid

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

39

Tabel 4.2

Eerste aanzet voor selectiebeleid per perspectief afhankelijk van beschikbare ruimte Groot ruimtetekort Deltametropool (georiënteerd op DM, hoogwaardig) Selecteren op:
• •

Beperkt ruimtetekort Idem

Economische structuurvernieuwing Bijdrage aan BRP/BNP Minder zware selectie op:
• • •

Zuidvleugel (overloop stedelijk gebied)

Selecteren op:
• • •

Aantal arbeidsplaatsen/ha. Economische structuurversterking Oplossend vermogen voor knelpunten in stedelijk gebied

Aantal arbeidsplaatsen/ha. Economische structuurversterking Oplossend vermogen voor knelpunten in stedelijk gebied

Driehoek RZG (lokale dynamiek)

Selecteren op
• •

In belangrijke mate vraag accommoderen

Oplossend vermogen voor knelpunten in Driehoek RZG Kwaliteit

Het uiteindelijke selectiviteitsbeleid zal een mix bevatten van de drie perspectieven. Voor de stadsregio Rotterdam is recentelijk reeds een uitwerking gemaakt voor een te hanteren selectiviteitsbeleid voor het accommoderen van bedrijvigheid (ECORYS NEI 2001). Hiervan kan eveneens gebruik worden gemaakt in dit project.
Keuzes m.b.t. infrastructuur

3. Gestreefd moet worden naar een verbetering van het ontsluitingsprofiel op drie schaalniveaus: • Lokaal en regionaal (ZPP) secundaire infrastructuur • Regionaal/Nationaal: op- en afritten rijkswegen • Internationaal: doorstroming A20-A12 In de vervolgfase van het project zal bekeken moeten worden of deze wensen gecombineerd kunnen worden of dat keuzes gemaakt moeten worden. 4. Een vraagstuk dat in samenhang met andere disciplines opgelost moet worden si het vraagstuk van woon-werkpendel. Vragen zijn: • Is het mogelijk om wonen en werken beter op elkaar te laten sluiten of is het toch nodig om de pendel te faciliteren? • Waar moet vanuit oogpunt van mobiliteit woon- en werklocaties gesitueerd worden? • Welk doelgroepenbeleid past vanuit wonen en infrastructuur het beste bij bepaalde locaties

Woon-werkpendel

40

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

5 Conclusies en aanbevelingen

5.1

Inleiding
De verkenning- en definitiefase is afgerond. De volgende stap is het voorlopig ontwerp (zie figuur 5.1). Hier staat het ontwerpend onderzoek centraal. De afstemming tussen de economische visie en het ontwerptraject zal ook in de vervolgfase nodig zijn. Enerzijds om te kunnen beoordelen of de ontwerpen passen binnen het raamwerk van de visie en anderzijds om de economische visie nog nader te kunnen invullen op basis van de ruimtelijke mogelijkheden.

Figuur 5.1

De volgende stap in het proces: het voorlopig ontwerp

Randvoorwaarden en proces Verkenning en definitie Voorlopig ontwerp Definitief ontwerp

In tabel 5.1 hebben wij per fase een indicatie gegeven welke producten vanuit de werkgroep economie geleverd zouden moeten worden gedurende het hele traject.
Tabel 5.1 Relatie Economische visie en project Driehoek RZG Fase project RZG 1. Verkenning en definitie (afgerond) 2. Voorlopig ontwerp Input pijler economie Economische visie Driehoek RZG Programma van eisen Bestuurlijke vraagstukken Selectiviteitsbeleid opstellen Economische effectrapportage Toets planeconomische haalbaarheid Organisatorische randvoorwaarden Aanbevelingen optimalisatie varianten Gewenste bijsturing in beeld brengen projecten 2003-2010 3. Definitief ontwerp Uitvoeringsstrategie economische visie binnen ruimtelijke en programmatische randvoorwaarden

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

41

5.2

Conclusies: ontwerpopgave en agenda voor ontwerpend onderzoek
Ontwerpopgave Vanuit de invalshoek economie zijn de volgende uitgangspunten voor de ontwerpfase opgesteld: • Omvang van de vraag: in het gebied gelegen de Driehoek Rotterdam-ZoetermeerGouda is in de periode 2010-2030 behoefte aan minimaal 400 hectare netto additioneel aan het geplande zachte en harde aanbod. In beperkte mate is behoefte aan kantoren. Door voorstellen voor zorgvuldig ruimtegebruik op kavelniveau en combinatie met andere functies op kavel- of terreinniveau wordt gestreefd om het ruimtebeslag zoveel mogelijk te intensiveren.

Locatievoorkeur: gezien de oorsprong van de vraag (Zuidplaspolder en Rotterdamse regio) is het gewenst om de bedrijventerreinen primair te oriënteren op de A20 c.q. daarmee een goede verbinding te hebben en in beperkte mate nabij Hoefweg. Kleinschalige kantoorlocaties gericht op regionale markt kunnen het best gevestigd worden nabij o.v.-knoopunten op bijvoorbeeld de Rijn-Gouwelijn of vergelijkbare typen openbaar vervoer. Doelgroep en segmentatie: De behoefte aan bedrijventerreinen in de Zuidplaspolder komt naar verwachting vooral van bedrijven die zich op een of andere wijze bezighouden met logistieke activiteiten (zo’n 60 tot 70%) en die voornamelijk op de Deltametropool georiënteerd zijn. Grofweg kan, in deze fase van de planvorming (interregionale structuurvisie en lange tot zeer lange termijn) de volgende segmentatie worden gehanteerd. Bij daadwerkelijke ontwikkeling zal gericht marktonderzoek gedaan moeten worden en is afstemming met de overig te ontwikkelen terreinen in de regio van belang met name in het segment hoogwaardig. Qua uitstraling moet gedacht worden aan bedrijventerreinen als Coenecoop (Waddinxveen), Hooge Veenen (Nieuwerkerk a/d IJssel en Snel en Polanen (Woerden).
Doelgroep
-

Type locatie Hoogwaardig Regulier Transport en distributie Centrummilieu

Indicatie omvang (netto) 160 ha. 119 ha. 124 ha. Beperkt 403 ha.

Zakelijke dienstverlening Dienstverlening t.b.v. vervoer Groothandel Consumentendiensten Transport & distributie gerelateerde bedrijven

Regionale kantoren Totaal

Infrastructuur: de huidige infrastructuur kent nu al knelpunten en is zeker niet toereikend om het bovenstaande programma op te vangen. Verbetering van de bereikbaarheid op internationaal, nationaal en regionaal niveau is één van de belangrijke ontwerpopgaven. Vanuit oogpunt van vergroten van de bereikbaarheid op regionaal niveau is de aanleg van de snelwegboog A12-A20 nabij Gouda gewenst (directe verbinding tussen A12 en A20 ten westen van knooppunt Gouwe).

42

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Setting: Voor het totale woon- en werkklimaat is het van belang dat het gebied binnen de Driehoek zorgvuldig wordt ingericht en dat eveneens ruimte is voor recreatie en natuur. Zorgvuldige inrichting betekent aandacht voor uitstraling, met name voor wat betreft de overgangen naar wonen en landschap maar ook naar de snelweg: het visitekaartje van de regio. Uitbreiden en toegankelijk maken van de zone Rottewig-Bentwoud draagt bij aan een aantrekkelijk woon-en werklimaat.

Aanzet voor bestuurlijke keuzes: agenda voor ontwerpend onderzoek Onder ontwerpopgave zijn de punten genoemd die vanuit de economische invalshoek meegenomen moeten worden in het ontwerptraject. In dit ontwerptraject komen meerdere invalshoeken samen. Een eerste inventarisatie van de claims lijkt erop te duiden op dat niet overal alles kan. Op de volgende onderwerpen worden nadere bestuurlijke keuzes verwacht. Deze onderwerpen moeten nader aan de orde komen in de agenda van het ontwerpend onderzoek: • Onderzoeken of verbetering van het ontsluitingsprofiel op de drie schaalniveaus (regionaal, nationaal en internationaal) gecombineerd kan worden. Indien dit om technische en of financiële redenen niet mogelijk is zal een afwegingskader opgesteld moeten worden aan welke maatregelen prioriteit gegeven moet worden; • Een interdisciplinair vraagstuk resteert voor de vervolgfase voor wat betreft de relatie tussen woon- en werklocaties. Is het mogelijk om deze beter op elkaar aan te laten sluiten of zal de pendel gefaciliteerd moeten worden? • Onderzoeken of de claims van glastuinbouw en bedrijventerreinen beide geaccommodeerd kunnen worden. Indien dit niet tot de mogelijkheden behoort zal een afwegingskader opgesteld moeten worden zodat de beschikbare ruimte economisch zo optimaal mogelijk gebruikt wordt en ook de relaties tussen beide volledig tot hun recht komen. • Zelfs al zou 400 ha. netto bedrijventerrein ingepast kunnen worden dan is deze beschikbare ruimte niet toereikend om alle vraag (uit het gebied en vanuit de omgeving) te accommoderen. Ook vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en economische structuurverandering is het gewenst om kritisch te kijken naar de bedrijven die zich kunnen vestigen in het gebied. Dit betekent dat een selectiviteitsbeleid opgesteld moet worden om de beschikbare ruimte economisch zo optimaal mogelijk te gebruiken. Voorbeelden van selectiviteitscriteria zijn: omvang en type werkgelegenheid, toegevoegde waarde, intensief ruimtegebruik en uitstraling.

5.3

Aanbevelingen
Selectiviteitsbeleid koppelen aan de verschillende varianten • De opgave zoals die in het opgavendocument voor werken is verwoord, is minder dan de opgave die vanuit de analyse van de ruimtevraag wenselijk is. Dit betekent dat de beschikbare ruimte selectief moet worden uitgegeven. De noodzaak van e mate van selectiviteit is afhankelijk van de ruimte die beschikbaar komt voor bedrijven en wellicht ook glastuinbouw. Daarnaast is enige mate van selectiviteit ook gewenst om bij te dragen aan zorgvuldig ruimtegebruik. Om tot een goede beoordeling van de diverse varianten te komen is het eveneens noodzakelijk om de verschillende

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

43

varianten te voorzien van een bijpassend selectiviteitsbeleid op basis van de visie. Voor de Stadsregio Rotterdam is recent een selectiviteitsbeleid opgesteld (2000) dat als voorbeeld kan dienen. In beeld brengen economische effecten van verschillende varianten, toets planeconomische haalbaarheid en optimaliseren varianten • Voor een goede onderbouwing van de keuze voor de toekomstige inrichting van de Driehoek is het van belang dat bij verschillende varianten in het ontwerptraject (inclusief het bij behorende selectiviteitsbeleid) de economische effecten in beeld gebracht worden. De visie zoals die in hoofdstuk 4 is geschetst, is daarbij de basis evenals de effecten op werkgelegenheid. In deze fase zal ook de planeconomische haalbaarheid van de varianten in hoofdlijnen in beeld gebracht moeten worden. Op basis van voorgaande punten kunnen aanbevelingen worden gedaan voor het optimaliseren van de varianten. Organisatorische randvoorwaarden Uit de verschillende varianten zal uiteindelijk een variant gekozen worden om nader uit te werken in een definitief ontwerp. Gekoppeld aan het definitieve ontwerp is het raadzaam om afspraken te maken over selectiviteitsbeleid en de daadwerkelijke ontwikkeling van de geplande bedrijventerreinen. De afspraken zijn nodig om met de beschikbare ruimte, maximaal positieve economische effecten te bereiken. De afspraken moeten organisatorisch worden verankerd. Anticiperen op economische visie in lopende projecten Met het vaststellen van de Vijfde Nota deel 3 is de beleidscontext voor de driehoek RZG drastisch veranderd: van restrictief Groene Hart beleid naar potentiële verstedelijkingslocatie. Als de (economische) visie gereed is het aan te raden lopende trajecten tegen het licht te houden of bij sturing noodzakelijk, gewenst en mogelijk is vanuit de nieuwe visie. Uit gesprekken met diverse betrokkenen bij lopende projecten blijkt dat het gaat om de volgende zaken: - Doelgroepenbeleid voor uitgifte 2003-2010 herzien - Veel plannen zijn ontworpen op basis van de uitgangspunten van het restrictieve beleid. Een voorbeeld is de groenzone ten zuiden van Gouwepark. De vraag is of deze groenzone, gezien de opgave en de visie, op de juiste plaats ligt. Het is daarom wenselijk om aan de hand van de visie plannen die nog uitgevoerd moeten worden kritisch tegen het licht te houden. Ook de discussie over locatie en omvang van ECO-park kan in het licht van een hernieuwde visie tot andere uitkomsten leiden. Is het de juiste locatie en in welke mate willen de partijen aan deze doelgroep ruimte bieden binnen de Driehoek RZG.

44

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlagen

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

45

46

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 1: Gebiedsindeling Driehoek RZG

Kaart 1 geeft de gemeentengrenzen aan in en rondom het gebied van de Driehoek RZG. De volgende gemeenten zijn (gedeeltelijk) gelegen in de Driehoek RZG: · Bergschenhoek*; · Berkel en Rodenrijs; · Bleiswijk*; · Boskoop; · Gouda; · Moordrecht*; · Nieuwerkerk aan den IJssel*; · Rijnwoude; · Rotterdam; · Waddinxveen*; · Zevenhuizen-Moerkapelle*; · Zoetermeer; De met een * aangeduide gemeenten vallen (praktisch) volledig binnen de grenzen van de Driehoek RZG.
Kaart b.1.0.1 Indeling gemeenten rondom Driehoek RZG

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

47

48

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 2: Economische kengetallen Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda

De huidige economische ontwikkeling van de Driehoek RZG geeft in kengetallen het onderstaande beeld: • In de Driehoek RZG zijn bijna 48.000 personen werkzaam (2001). • Het gebied huisvest ca. 5.200 bedrijfsvestigingen (2001). • In de afgelopen 10 jaar is de werkgelegenheid met 44% gegroeid. Het aantal bedrijfsvestingen met 33% (zie tabel 2.1). • De groei van de werkgelegenheid en het aantal bedrijfsvestigingen is vooral tot stand gekomen op bedrijventerreinen in de Driehoek. • De Driehoek RZG presteert qua werkgelegenheidsontwikkeling en ontwikkeling van het aantal bedrijven ver boven het Zuid-Hollands gemiddelde en dat van de regio’s Haaglanden en Rijnmond.
Tabel b.2.0.1 Procentuele toename/afname werkgelegenheid en aantal bedrijfsvestigingen in de periode 1991-2001 Gebied Driehoek RZG
-

Werkgelegenheid 44% 84% 16% 17% 11% 16%

Aantal vestigingen 33% 79% 0% 10% -8% 1%

w.o. bedrijventerreinen

Haaglanden Rijnmond Overig Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland
Bron: Bedrijvenregister Zuid-Holland, bewerking PZH, 2002

Uitgesplitst naar economische sectoren vallen de onderstaande dingen over de economische structuur op: • Driehoek RZG kent sterke vertegenwoordiging van bedrijven actief in landbouw, industrie en handel & horeca (zie tabel 2.2). • In vergelijking met andere gebieden zijn de financiële en zakelijke dienstverlening en overheidsinstellingen ondervertegenwoordigd. • Ook binnen de Driehoek RZG is er sprake van een afname van de werkgelegenheid in de industrie en een toename van banen in de handel en financiële en zakelijke dienstverlening. • Naar grootte kent de Driehoek RZG een sterke vertegenwoordiging van het MKB (bedrijven tot 100 werknemers) in verhouding tot andere gebieden in Zuid-Holland.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

49

Tabel b.2.0.2

Samenstelling naar sectoren in procenten voor 2001 Gebied Landbouw Industrie Nuts & bouw Handel & horeca 32,0% 41,2% 18,3% 21,1% 24,6% 21,6% 7,5% 7,9% 6,5% 10,7% 5,4% 7,7% Transport Financiële & zakelijke diensten 16,1% 16,0% 24,2% 23,4% 15,0% 20,8% 12,6% 2,6% 36,8% 26,8% 28,9% 30,1% Overheid

Driehoek RZG
-

9,9% 0,7% 3,7% 1,2% 2,6% 2,7%

14,9% 24,0% 6,2% 15,6% 13,3% 11,9%

7,1% 7,7% 4,3% 7,1% 10,0% 7,1%

w.o. bedrijventerreinen

Haaglanden Rijnmond Overig Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland

Bron: Bedrijvenregister Zuid-Holland, bewerking PZH, 2002

Bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de Driehoek RZG. In cijfermatige zin kan hierover het volgende gezegd worden: • Een groot deel van de werkgelegenheid in de Driehoek RZG komt tot stand op bedrijventerreinen: 40% (zie tabel 2.3). • Voor andere gebieden is dit aandeel beduidend lager: Zuid-Holland (28%), Rijnmond (35%) en Haaglanden (25%). • Het aantal arbeidsplaatsen per hectare bedrijventerrein in de Driehoek RZG is relatief laag: 54. In geheel Zuid-Holland is dit aanzienlijk hoger (ca. 70). • Sinds 1990 is het oppervlakte bedrijventerreinen voor de Driehoek RZG met 60% toegenomen, terwijl dit in andere gebieden een stuk lager was: Zuid-Holland (30%), Rijnmond (43%) en Haaglanden (25%).
Tabel b.2.0.3 Werkgelegenheid op bedrijventerreinen (BT) per januari 2001 Gebied Ha. in gebruik Arbeidsplaatsen per ha. Driehoek RZG Overig Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland 355 5.662 6.017 54 70 69
16

Arbeidsplaatsen op BT 19.229 397.269 416.498

Totaal

Aandeel BT op totaal

arbeidsplaatsen arbeidsplaatsen 47.940 1.433.252 1.481.192 40% 28% 28%

Bron: Bedrijvenregister Zuid-Holland, bewerking PZH, 2002

Aangezien bedrijventerreinen in de afgelopen jaren voor de Driehoek RZG veel werkgelegenheid hebben opgeleverd, volgt hieronder het uitgiftepatroon. • In de periode 1990-2002 heeft de Driehoek RZG bijna 130 ha. bedrijventerrein uitgegeven. • Jaarlijks geeft de Driehoek RZG gemiddeld bijna 11 ha. aan bedrijventerrein uit (zie tabel 2.4). • De gemiddelde uitgifte per hectare is in enkele van de omliggende gebieden (in het bijzonder Rijnmond) ongunstig beïnvloed door het gebrek aan uitgeefbaar terrein in de afgelopen jaren. • In vergelijking met andere regio’s heeft de Driehoek RZG een klein aandeel in de totale Zuid-Hollandse uitgifte van bedrijventerreinen: 8%.
16

In dit cijfer zijn kantorenlocaties inbegrepen. Op ‘echte’ bedrijventerreinen zijn gemiddeld 50 arbeidsplaatsen per hectare.

50

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Tabel b.2.0.4

Uitgifte van droge bedrijventerreinen in de periode 1990-2002 (in ha.) Gebied Driehoek RZG Haaglanden Rijnmond Overig Zuid-Holland Provincie Zuid-Holland Uitgifte 1990-2002 127,9 334,8 529,4 652,1 1644,2 Gemiddelde uitgifte per jaar 10,7 27,9 44,1 54,3 137,0 8% 20% 32% 40% 100% Aandeel uitgifte

Bron: Bedrijvenregister Zuid-Holland, bewerking PZH, 2002

Economische groei De regionale economische groei vormt een belangrijke indicator voor de economische prestaties van een regio. De Driehoek RZG maakt deel uit van het gebied Oost-ZuidHolland. • De regio Oost-Zuid-Holland kende over de afgelopen zes jaar een bovengemiddelde economische groei van gemiddeld 3,6% (zie tabel 2.5). • Sinds 2000 blijft de economische groei van Oost-Zuid-Holland echter achter bij het Zuid-Hollands en Nederlands gemiddelde. Wellicht heeft dit te maken met het Groene Hartbeleid en de beperkte mogelijkheden voor de aanleg van bedrijventerrein. • Voor 2002 wordt voor Nederland een gemiddelde economische groei van 1,1% geraamd en in 2003 wordt verwacht dat de economische groei aantrekt tot 2,8%. Mogelijk zal deze geraamde economische groei voor Oost-Zuid-Holland een fractie hoger kunnen liggen, aangezien dit in de afgelopen jaren meestal het geval is geweest.
Tabel b.2.0.5 Regionale economische groei in de periode 1996-2002 Gebied Oost-Zuid-Holland Haaglanden Groot-Rijnmond Zuid-Holland Nederland
Bron: CBS, Statline (2002)

1996 2,8% 2,0% 1,7% 2,3% 2,9%

1997 4,8% 4,8% 4,2% 4,5% 3,7%

1998 4,8% 5,1% 2,1% 3,4% 4,2%

1999 4,9% 4,5% 3,3% 3,9% 4,0%

2000 3,1% 4,1% 3,0% 3,2% 3,4%

2001 1,4% 2,5% 1,8% 1,8% 1,4%

gemiddeld 3,6% 3,8% 2,7% 3,2% 3,3%

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

51

Kaart b2.1 basiskaart economie (bron: projectbureau Driehoek RZG)

52

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 3: Toelichting bij tabel 3.1. en 3.2

Van vraag naar claim Bij het onderbouwen van de claims is als volgt te werk gegaan: • vaststellen vraag per deelgebied relevant voor de driehoek RZG op basis van de gegevens van de provincie medio 2002. • vaststellen zacht en hard aanbod op basis van registratie provincie medio 2002 • vaststellen ruimtetekort per relevant deelgebied voor de driehoek RZG • vaststellen welk deel van het ruimtetekort toegerekend kan worden aan respectievelijk de B-driehoek en de Zuidplaspolder (tezamen de driehoek RZG) • vanuit de relevante deelgebieden is de claim op de driehoek weergegeven uitgesplitst naar B-driehoek en Zuidplaspolder. • per relevant deelgebied is aangegeven welk ruimtetekort resteert na het realiseren van het harde en zachte aanbod en het realiseren van de claims. Dit geeft de context weer waarbinnen de claims moeten worden beschouwd. De berekeningen voor de periode 2002-2010 en de periode 2010-2030 voor zowel het EC als Trend-scenario zijn in bijlage 1 opgenomen.

Gebruikte gegevens en aannames bij de onderbouwing Voor bovenstaande berekening zijn de gegevens niet allemaal voorhanden. Bij sommige stappen moet gewerkt worden met aannames. Ook is het van belang om scherp te hebben op welke gegevens de onderbouwing is gebaseerd. Immers, aanpassingen in de vraag en het aanbod geven een ander beeld van het ruimtetekort. Gehanteerde gegevens • Voor de berekeningen van de vraag is in de Quick-scan (en in dit rapport) het lage scenario gehanteerd EC. Reden hiervoor is dat scenario in hoofdlijnen gebaseerd op het CPB-scenario maar wijkt af op onderdelen als gevolg van een vertaalslag door de provincie. Het Trend-scenario is hoger maar is gebaseerd op historische uitgifte.Het betreft het uitdraai ‘H. Koolwiijk, afd. EZ, 10-6-02’ • Voor het aanbod is gebruik gemaakt van de registratie van de provincie uitdraai ‘H. Koolwiijk, afd. EZ, 10-6-02’. Voor een beeld van welke terreinen vallen onder de categorieën hard en zacht geeft de uitraai d.d. ‘H. Koolwijk, afd. EZ, 26-8-2002’ een indicatie. • Voor de claims is gebruik gemaakt van de opgave van de verschillende gebieden waar het ruimtetekort zich manifesteert. Hierbij zijn de volgende bronnen gebruikt: Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland en Kuiper Compagnons (2001), “Integrale regiovisie Midden-Holland – Van gelaagde naar geslaagde kwaliteit” voor de claims van de 5Z-gemeenten en de Krimpenerwaard.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

53

-

-

Stadsgewest Haaglanden (2002), “Regionaal Structuurplan Haaglanden – Haaglanden, groene schakel in de Randstad”. Den Haag voor het (ontbreken) van een claim. Stadsregio Rotterdam (2000), “Regiovisie 5e nota Ruimtelijke Ordening – Ruimtelijke Ontwikkeling Rotterdamse Regio 2010-2030”. Rotterdam voor de claim van de stadsregio.

Aannames • Voor de vertaalslag van de gebiedsindeling die standaard door de provincie wordt gebruikt naar de relevante gebiedsindeling voor het project driehoek RZG is steeds een deel van het ruimtetekort toegerekend aan een deelgebied. De werkwijze is arbitrair maar het enige houvast om naar een verantwoorde schatting te gaan.Hierbij zijn de volgende percentages gehanteerd: • Voor de berekening van het aandeel van het ruimtetekort van de Zuidplaspolder in de Rijn-Gouwe is het aandeel berekend voor de gemeenten Waddinxveen, Moordrecht, Zevenhuizen-Moerkapelle en Nieuwerkerk a/d IJssel in het hard of zacht uitgeefbaar terrein van het gebied Rijn en Gouwe, te weten 43%, • Voor de berekening van het aandeel van het ruimtetekort van de B-driehoek in Rijnmond is het aandeel berekend voor de gemeenten Bleiswijk en Bergschenhoek in hard of zacht uitgeefbaar terrein van het gebied Rijnmond, te weten: 14%. • Het aandeel Zuidplaspolder en B-driehoek vormt samen het becijferde tekort voor de driehoek RZG. • Voor de berekening van het aandeel deelgebied Krimpenerwaard in het gebied de Waarden is het aandeel berekend voor de gemeenten Ouderkerk, Vlist, Schoonhoven, Bergambacht en Nederlek in hard of zacht uitgeefbaar terrein van het gebied De Waarden, te weten: 13%. De claims zoals deze opgenomen zijn in de Quick-scan verschillen van elkaar van periode. Voor het opgave document is gevraagd om alleen de claims voor de periode 2010-2030 inzichtelijk te maken. Hiervoor hebben wij de volgende aannames gedaan. Voor de claim van de Zuidplaspolder en de Krimpenerwaard (periode 2002-2020) is de claim evenredig verdeeld over de periode 2002-2010 en 2010-2020. Voor de periode 2020-2030 is uitgegaan van eenzelfde claim als in de voorgaande periode (lineaire extrapolatie).

54

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Tabel b.3.1 vraag-aanbod op basis van EC-scenario (lage vraagraming en strenge criteria voor hard en zacht aanbod) herkomst vraag 2010-2030 vraag EC Scenario Haaglanden Rijnmond (waaronder B-driehoek) * toegerekend aan B-driehoek Rijn en Gouwe (w.o. ZPP) * toegerekend aan ZPP De Waarden (w.o. Krimpenerwaard) * toegerekend aan Krimpenerwaard Totaal 1650 170 420 150 10 40 230 0 10 500 770 aanbod (ha. netto) Hard 100 60 zacht 100 270 tekort hard 400 710 99 230 99 140 1 1480 zacht 300 440 62 220 95 100 4 1060 50 353 1077 657 18 135 95 41 122 85 37 82 claim op driehoek RZG resterend tekort zacht 400 460 300 190

B-driehoek Zuidplaspolder hard 0 50 0 200

Bron: Provincie Zuid-Holland, bewerking ECORYS-NEI Tabel b.3.1 vraag-aanbod op basis van trendscenario (hoge vraag, ook ideeën toegerekend aan aanbod en soepeler criteria voor aanbod zacht herkomst vraag 2010-2030 vraag trend aanbod hard Haaglanden Rijnmond (waaronder B-driehoek) * toegerekend aan B-driehoek Rijn en Gouwe (w.o. ZPP) * toegerekend aan ZPP De Waarden (w.o. Krimpenerwaard) * toegerekend aan Krimpenerwaard Totaal 1940 170 420 170 10 40 270 0 10 580 920 100 60 zacht 100 270 tekort hard 480 860 120 270 116 160 1 1770 zacht 380 590 83 260 112 120 4 1350 50 353 1367 947 18 135 135 58 142 125 54 102 claim op driehoek RZG resterend tekort zacht 480 610 380 340

B-driehoek Zuidplaspolder hard 0 50 0 200

Bron: Provincie Zuid-Holland, bewerking ECORYS-NEI

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

55

56

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 4: Input-output multipliers en aantal arbeidsplaatsen per hectares

De indeling van de SBI- categorieën verschilt per bron. Om die reden zijn de multipliers en de aantal werknemers per hectare niet 1:1 met elkaar te vergelijken. Per rij zijn de categorieën die bij elkaar horen gebundeld.
Multiplier
17

Sectoren Land-, tuin- en bosbouw Visserij Delfstoffenwinning Voedingsmiddelenindustrie (veehouderij producten) Voedingsmiddelenindustrie (overige producten) Dranken- en tabaksverwerkende industrie Textielindustrie Kledingindustrie Leder-, schoen- e.a. lederwarenindustrie Hout- en meubelindustrie (excl. metalen meubelen) Bouwmaterialen-, aardewerk- en glasindustrie Papierindustrie Grafische industrie, uitgeverijen Aardolie-industrie Chemische, rubber- en kunststofverwerkende industrie

Sectoren Landbouw, bosbouw, visserij
18

Werknemers per ha. 20

0,67 0,48 0,36 3,48 1,25 1,08 0,38 0,22 0,34 0,44 0,8 0,52 0,71 1,98 1,66

Delfstoffenwinning Voedings- en genotmiddelenindustrie

27 53

Textiel-, kleding- en leerindustrie

66

Overige industrie

37

Papierindustrie en uitgeverijen

81

Aardolie-industrie Chemische basisproductenindustrie Overige chemische industrie

111 25 35 65 63 108

Basismetaal-, metaalproducten- en machine-industrie

0,59

Basismetaalindustrie Metaalproducten- en machine-industrie

Elektrotechnische industrie Instrumenten-, optische en overige industrie Transportmiddelenindustrie Openbare nutsbedrijven Bouwnijverheid en -installatiebedrijven

0,61 0,54 0,75 0,88 1

Elektrotechnische industrie

Transportmiddelenindustrie

50

Bouwnijverheid

145

17 18

Multiplier = 1 betekent: 1 eenheid primaire werkgelegenheid levert 1 eenheid secundaire werkgelegenheid Het relatief hoge aantal arbeidsplaatsen per hectares wordt mede veroorzaakt door dienstverlenende bedrijven in deze categorie.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

57

Sectoren Groot- en detailhandel Reparatiebedrijven voor gebruiksgoederen Horeca Zee- en luchtvaart Overige transport- en opslagbedrijven Communicatiebedrijven Bankwezen Verzekeringswezen Exploitatie van en handel in onroerend goed Zakelijke dienstverlening en verhuur Rijksoverheid en sociale verzekeringen Regionale overheden en parastatale instellingen Onderwijs en bijzonder gesubsidieerd onderwijs Gezondheids- en veterinaire diensten Cultuur, sport en recreatie Overige dienstverlenende bedrijven

Multiplier
17

Sectoren Detailhandel en reparatie Groothandel Horeca Vervoer over water en land en luchtvaart Dienstverlening t.b.v. vervoer Post en telecommunicatie

Werknemers per ha. 43 50 90 46 35 96

0,28 0,37 0,37 1,13 0,42 0,25 0,37 0,82 1,31 0,28 0,4 0,36 0,16 0,19 0,51 0,14

Verhuur van en handel in onroerend goed Zakelijke dienstverlening

135 102

Overige dienstverlening

48

Bron: Multipliers Irios, 1992, aantal arbeidsplaatsen per hectares, ERBO-enquete 1998 Kamer van Koophandel

58

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 5: Nadere toelichting drie perspectieven

Perspectief Deltametropool De Deltametropool is een samenwerkingsverband tussen de vier randstadprovincies, de vier stadsregio’s en de vier grote steden. Geredeneerd vanuit de Deltametropool wordt vooral gekeken naar de economische potenties die de Driehoek Rotterdam-ZoetermeerGouda heeft vanuit nationaal of internationaal perspectief, de verwachte of gewenste veranderingen in de economische structuur en het evenwicht tussen groene en rode ontwikkelingen. Kenmerkend voor dit perspectief zijn de volgende doelen: • Behouden en versterken van de internationale concurrentiepositie van de Deltametropool. • Handhaven c.q. groei van de regionale toegevoegde waarde. • Vasthouden van arbeidspotentieel op niveau van Zuidvleugel o.a. door gerichte woningbouw voor midden en hoge inkomens. • Balans vinden tussen groene en rode ontwikkelingen, complementariteit en onderscheiding van diverse woon- en werkmilieus (niet meer van hetzelfde, bouwen voor de vraag). In de zoektocht naar de ontwikkeling van een woon-, werk- en leefmilieu, waarbij een evenwicht ontstaat tussen de groene en blauwe kwaliteiten en de stedelijke kwaliteiten, is de Driehoek RZG in beeld gekomen. De Driehoek RZG kan voorzien in opgaven op het gebied van wateropvang, verplaatsing glastuinbouw, verstedelijking (woningen & werken), recreatiemogelijkheden en natuurontwikkeling. Tevens biedt het gebied kansen op basis van structurerende (infrastructuur)netwerken voor de ontwikkeling van multimodale knopen en stedelijke zones (o.a. woonlocaties), naast de blauw-groene kwaliteiten. Concentratie van uitbreiding op een paar selecte grote uitbreidingslocaties binnen de Deltametropool kan versnippering van verstedelijking voorkomen en spaart hierdoor andere (Groene Hart) gebieden zoals de Krimpenerwaard. De noodzakelijkheid van de claim wordt o.a. aangetoond in de Vijfde Nota waar het hoge ruimtevraagscenario aangeeft dat er in de Deltametropool tussen 2010- en 2030 een vraag naar 7.100 ha. bedrijventerrein is. In een studie voor de Regio Randstad: ‘Voldoende bedrijventerreinen in de Deltametropool 2010-2030’ (Bureau Buiten, 2002) wordt overigens de vraag vastgesteld op 8.000 ha. Deze behoefte kan met name in het zuidelijke gedeelte van de Deltametropool, naar het zich laat aanzien, niet volledig worden geaccommodeerd. De Driehoek RZG is, mede hierdoor, voorgesteld als grote verstedelijkingslocatie binnen de Deltametropool. Een gedeelte van het Groene Hart wordt hiermee opgegeven om stedelijke uitbreiding toe te staan. Andere grootschalige uitbreidingslocaties binnen de Deltametropool zijn ook het zuidoostelijk deel van de Haarlemmermeerpolder, de Bollenstreek en Almere.
Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief 59

Op overkoepelend Deltametropoolniveau zijn geen behoefteramingen bekend voor de Driehoek RZG. Uit een verkenning naar de potentiële ruimte voor bedrijventerreinen in uitleggebieden in de periode 2010-2030 (excl. glas) volgt een inschatting van 60-450 ha. netto. De claim variërend van 60-450 ha. aan bedrijventerrein komt voort uit een zestal scenario’s met verschillende accenten tussen groen, glas, wonen, bedrijvigheid en water.

Perspectief Zuidvleugel Geredeneerd vanuit de Zuidvleugel zal vooral gekeken worden naar de economische betekenis van het de Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda voor het omliggende stedelijke gebied. In werkelijkheid zal het perspectief Zuidvleugel een bredere kijk hebben maar om dit perspectief onderscheidend te laten zijn van de Deltametropool is gekozen voor deze insteek. Primair zal het gaan om ruimte voor bedrijven die in de Rotterdamse regio of Haagse regio om welke reden dan ook niet gehuisvest kunnen worden. Daarnaast zal de behoefte uit de driehoek zelf eveneens geaccommodeerd worden. Inpassing van de ruimtevraag is vanuit dit perspectief een van de belangrijkste opgave. Kenmerkend voor dit perspectief zijn de volgende doelen: • Verbeteren van de woon- en werkomgeving in stedelijk gebied; • Bevorderen van intensiever ruimtegebruik in het stedelijk gebied; • Behoud of groei van de economische positie van de stedelijke kernen in de Zuidvleugel. Uit het omliggende stedelijk gebied manifesteert zich in eerste instantie vooral de druk vanuit de stadsregio. Op langere termijn zal ook het tekort in de stadsregio Haaglanden toenemen. De Stadsregio Rotterdam richt zich op verschillende uitbreidingsgebieden rondom de stad (o.a. Hoeksche Waard, Hoek van Holland, Voorne Putten, B-driehoek, etc.). Tezamen moeten deze gebieden voorzien in de Rotterdamse uitbreidingsbehoefte. Vrijwel alle uitbreidingslocaties zijn in meer of mindere mate noodzakelijk om de totale uitbreidingsopgave te halen. De regio Rijnmond heeft slechts 83 ha. uitgeefbaar terrein beschikbaar tot 2010 (excl. plannen, peildatum juni 2002) waarvan reeds 65 ha. in optie is uitgegeven. Voor Rotterdamse bedrijventerreinen geldt dat binnen het bestaand stedelijk gebied nauwelijks ruimte gevonden kan worden: ca. 800-1100 ha. zal buitenstedelijk gevonden moeten worden (Stadsregio,2000). In de ramingen van de stadsregio zelf is reeds verwerkt dat bedrijven naar elders vertrekken19. Ook herstructurering heeft nauwelijks ruimtewinst tot gevolg en kan daardoor een beperkte bijdrage leveren aan het accommoderen van bedrijven. Herstructurering zorgt voor verplaatsing van bedrijven, die op een nieuwe locatie 30-40% meer ruimte vragen (Etin Adviseurs, 2002). Een effectiever gebruik van ruimte door herstructurering levert idealiter 15-25% ruimtewinst op. Meestal gaat het om slechts 5% (Etin Adviseurs, 2002). Er zijn weinig alternatieven, aangezien zowel de stadsregio Rotterdam als de Haaglanden begrensd worden door het Groene Hart of andere gebieden waar een restrictief gebied geldt. De totale opgave geredeneerd vanuit het Zuidvleugel perspectief voor bedrijventerreinen bedraagt 577 ha. (bruto) op basis van deelclaims 5Z-gemeenten (202 ha. bruto) en

19

Zo is bijvoorbeeld bekend dat circa 10 ha. per jaar vertrekt naar Moerdijk.

60

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Stadsregio Rotterdam (375 ha. bruto). Den Haag heeft een claim voor verplaatsing van glastuinbouw, maar vooralsnog niet voor bedrijventerrein. Perspectief Driehoek RZG Geredeneerd vanuit de Driehoek zelf zal vooral gekeken worden in welke mate de vraag voor wonen en werken uit het gebied zelf opgevangen kan worden. Ook vraagstukken gekoppeld aan herstructurering van bedrijventerrein en uitplaatsing van bedrijven die overlast elders binnen het gebied veroorzaken (of waar woningbouw gewenst is) komen voort uit dit perspectief. De doelen hierbij zijn: • Uitbreidingsruimte vinden voor de eigen vraag naar ruimte voor glas en bedrijvigheid; • Ontwikkelen van een aantrekkelijk woonmilieu, gericht op het behoud of aantrekken van een goed arbeidspotentieel; • Terugdringen van de woon-werkpendel, door koppeling werkgelegenheid en beroepsbevolking. De opgave vanuit de Driehoek RZG is 202 hectare (bruto). De claim is gebaseerd op extrapolatie van de lokale vraag, aangezien alleen grond mag worden verkocht aan bedrijvigheid uit Midden-Holland. Desondanks is de vraag naar bedrijfsruimte groot, omdat de Driehoek RZG jarenlang een bovengemiddelde economische groei kende. De 5Z-gemeenten kunnen eigenlijk alleen in eigen gebied uitbreiden. Alternatieven zijn er weinig, aangezien het gebied begrensd wordt door het Groene Hart (restrictief gebied) en gebieden met ruimtetekorten (Rotterdam, Den Haag).

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

61

62

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Bijlage 6: Quick-scan programma van eisen

Het wat en waarom van beeldkwaliteit • In de wereld van (landschaps)architecten, stedenbouwkundigen en planologen betekent beeldkwaliteit ‘de kwaliteit van het beeld van de bebouwde en onbebouwde omgeving’ • Beeldkwaliteit bestaat uit 2 componenten: fysiek-ruimtelijke verschijningsvorm van een omgeving of een object en de betekenis (of belevingswaarde) van deze vorm zoals die door individuen of groepen worden ervaren of beleefd. • Het lastige met beeldkwaliteit is dat het niet simpelweg is af te dwingen door het stellen van normen. Samenhang met de omgeving is erg belangrijk. Een regierol is hierbij gewenst (op ieder schaalniveau). Bij een gebrek aan regie kenmerken bedrijventerrein zich vaak als rommelig en onsamenhangend. • Landschapsinrichting wordt vaak als een verplichting gezien, waardoor kansen worden gemist om de landschappelijke inpassing te gebruiken om het bedrijventerrein daadwerkelijk deel te laten uitmaken van het landschap. • De gebouwen op bedrijventerrein kenmerken zich veelal door hun functionalistische vormgeving: de functie bepaalt de vorm Kwaliteit op bedrijventerreinen Locatie • De negatieve waardering van bedrijfsgebouwen hangt sterk af van het gebied waar het in staat. • Uit het oogpunt van beeldkwaliteit moeten bedrijventerreinen zoveel mogelijk gebundeld zijn. Door bundeling op gewenste plekken is het mogelijk versnippering tegen te gaan. Bij verregaande concentratie is niet alleen het landschap gebaat: terreinen krijgen meer armslag en meer economische massa om binnen de terreinen zelf aspecten – openbare ruimte, parkmanagement, duurzaamheid, segmentering – op een hoger niveau te brengen. • Bedrijven met een lokaal profiel kunnen wel gevestigd worden op een (boven)regionaal bedrijventerrein, maar omgekeerd is dit niet het geval. Hierdoor wordt bundeling op grootschalige terreinen gestimuleerd en de ontwikkeling van verspreid liggende lokale terreinen niet groter gemaakt dan strikt noodzakelijk. Schaalgrootte bedrijventerrein Beeldkwaliteit is niet gebaat bij versnipperde kleinschalige bedrijventerreinen aan de randen van dorpen. • Deze kleinschalige bedrijventerreinen zijn meestal tegen een dorp aangeplakt, maar hebben vaak dezelfde uitstraling als stedelijke bedrijventerreinen. Inpassing is lastig door de relatief lange grens tussen bedrijfsbebouwing en landschap en de locatie in het doorgaans agrarische, weidse landschap. Daarnaast zijn grondprijzen voor

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

63

bedrijventerreinen te laag om substantiële landschappelijke inpassingen binnen de exploitatie te brengen. Schaalvergroting is noodzakelijk: bedrijventerrein hebben voldoenden hectares en bedrijven nodig om duurzaam beheer te kunnen voeren. Door het stimuleren van kleinschalige lokale bedrijventerrein worden mogelijk herstructureringsproblemen voor de toekomst gecreëerd.

Zichtbaarheid Negatieve beoordeling van zichtlocaties kan samenhangen met o.a. de vormgeving van bedrijfsgebouwen, de onnodige onderbreking van het landschap (vooral als deze niet in verhouding staat tot het dorp), of ongewenste stedelijkheid als bebouwing te dicht op de weg staat. • Visitekaartjes creëren langs op zichtlocatie; aantrekkelijke landschappelijke aankleding. • Maak een onderscheid tussen de kernen en de randen van bedrijventerreinen. Ze hebben beide hun eigen condities en spelregels. Randen kennen drie typen: ingepaste, verborgen en zichtbare terreinranden.

Hoogbouw • Hoogbouw aan de rand van een dorp of een stad heeft doorgaans een storend karakter. Het creëert een harde overgang van bebouwd naar het open onbebouwde land. • Ook is het storend als het gebouw een afwijkende korrelmaat heeft dan de andere gebouwen die het beeld bepalen. Hoogbouw moet een afspiegeling zijn van de mate van belangrijkheid van de plek waar het staat. • Hoogbouw is tevens storend wanneer de afmetingen van het gebouw niet in verhouding staan tot de betekenis van de locatie van dit gebouw. Hoogbouw heeft namelijk bijna altijd een landmarkfunctie; het fungeert als oriëntatiepunt binnen een bepaald gebied van een belangrijke, betekenisvolle plek. • Misschien wenselijk: maximum hoogtemaat toepassen bij bebouwing in steden en dorpen die de rand vormen van bebouwd gebied naar onbebouwd gebied.
Voorbeeld Zeeland Plaats Grote steden Middelgrote steden Redelijk grote stedelijke kernen Overige stedelijke kernen Buiten bebouwde kom + rand bebouwde kom Geen beperking 25 meter (ca. 8 bouwlagen) 20 meter (ca. 6 bouwlagen) 12 meter (ca. 4 bouwlagen) 10 meter (ca. 3 bouwlagen) Maximum hoogte

Kernen van bedrijventerreinen • Eisen over de inpassing in stad en landschap zijn afgeleid van of ondergeschikt aan de functionaliteit. Functioneren van bedrijven staat bovenaan. • Kerngebieden zijn vaak rechtstreeks verbonden met specifieke transportinfra. Zichtbaarheid is minder belangrijk. • Bedrijvigheid: grootschalige productie als centrales, raffinaderijen, bouwstoffenoverslag en logistieke bedrijvigheid, evenals kleinschalige activiteiten (garages, autosloperijen).

64

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

• • •

• •

• • • •

• • • •

• •

Vijf gebouwvormen: functionalistisch, abstracte (doos), kantoor, showroom en woonwerkcombinatie Goede afstemming tussen formele en informele kant van de bedrijven: voorkanten naar randzones. Op inpassing ruimtelijke en landschappelijke karakteristieken ligt niet de nadruk. Kwaliteit van de openbare ruimte is het meest belangrijk. Met name door ordening straten en rooilijnen (stratenplan). Rechthoekige ordening (ortogonaal) Duidelijke hiërarchie van de wegen en het gebruik ervan hebben: hoofd- en secundaire wegen, rand- of ventwegen en eventueel expeditiestraten. Expeditie- en opslagfunctie moeten vanaf alle wegen zo min mogelijk zichtbaar zijn. Kavel: overeenstemming met de aan de kavel grenzende openbare ruimte. Voor de continuïteit van de ruimte is het goed om de gaten in de rooilijn zo beperkt mogelijk te houden. Goede OV bereikbaarheid is erg belangrijk: haltes niet verder dan 300m van bestemming en gesitueerd op betekenisvolle plekken van de bedrijventerreinen. Parkeren: niet aan de achterzijde, wat dan wordt de achterzijde onbedoeld een entree. Dan boet de voorzijde aan de straatkant aan betekenis in. Eventuele collectieve voorzieningen moeten niet veel verder dan 300 m van de toegangen van de bedrijven liggen. Kleinschalige opslag van goederen moet worden vermeden i.v.m. verrommeling. Grootschalige geordende opslag mag wel. Collectief ontwerp ‘voortuinen’ gewenst, i.v.m. consistentie. Parkmanagement in dit verband goed voor de organisatie. Uniform ontwerp in hekwerken voor het aanbrengen van eenheid. Nog beter is om geen hekwerken te plaatsen op het bedrijventerrein. Bedrijventerreinen hebben vanwege de nadruk op het gemotoriseerde verkeer brede stoepen niet nodig. In plaats daarvan kunnen beter onverharde groengebieden worden aangelegd (komt ook ten goede van de waterberging). Inrichting openbare ruimte keren bedrijventerreinen sober en doelmatig! Zorgvuldig ruimtegebruik erg belangrijk: stapelen of ondergronds bouwen moet krachtig worden bevorderd. Gelijkmatige schaal van het terrein is ook van belang: geen toevallige dwerg naast een reus: maximale en minimale hoogte vaststellen. Lichte kleuren zijn meestal minder goed in staat openbare ruimten te vormen dan donkere kleuren. Commerciële reclames mogen de openbare ruimte niet overheersen. Reclames mogen alleen in het gevelvlak worden opgenomen als zij een meerwaarde opleveren voor de openbare ruimte. Reclameontwerp moet onderdeel zijn van de bouwaanvraag, om verhoudingen in de gevel te kunnen beoordelen.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

65

Randen van bedrijventerreinen • Drie soorten randen: ingepaste, verborgen en zichtranden • Ingepaste randen: - Dergelijk bedrijvengebied heeft een gelijkwaardige nadruk op de aangrenzende omgeving en het terrein zelf. De eisen voor inpassing wegen dus even zwaar. Gaat om gewone overgangen tussen bedrijvigheid en woongebieden of landschap. - Bij een tussenruimte van < 20 meter moeten bedrijfsgebouwen overeenkomsten vertonen met gebouwen van overburen: schaal, ritme en materiaalgebruik. Bij > 20 m kan een groene middenberm als overgang fungeren. - Bedrijven en woningen scheiden door: a) Open ruimte: maken van een open zone tussen woongebieden en bedrijvenzones met speel- en sportvoorzieningen en parken (maat van 70 m voor nodig). b) Woon-werkcombinaties: blokdiepte van minimaal 70 m • Verborgen randen: - Een verborgen bedrijfszone legt de nadruk op de ruimtelijke voorwaarden van de aan het bedrijventerrein grenzende of erin doorlopende omgeving. - Waterlopen en houtwallen kunnen op bedrijventerrein een ruimtelijke meerwaarde opleveren, zeker wanneer ze worden gecombineerd met een water- of fietsroute. Parkachtige setting van gebouwen is noodzakelijk. - De effectiefste omranding van een bedrijventerrein is een bosrand met onderbegroeiing (ca. 25 m hoog en min. 25 m breed). Afscherming door een dijk vraagt om meer ruimte (hoogte = 10 m, dan breedte = 50 m). • Zichtranden: - Langs snelwegen en spoorbanen. Criteria voor toestaan zichtbare plekken: publieksgerichtheid, personele omvang van bedrijven en betekenis van bedrijven voor imago van een stad. - Bij een snelweg behoort de interactie tussen de weg en het gebouw niet tot de mogelijkheden en bij een straat juist wel. Er kan dus losser en abstracter worden vormgegeven. De voordeur hoeft niet langs de snelweg te liggen en volumes mogen groot zijn. Gevellengten vanaf 100 m begeleiden een snelweg heel goed. Zichtrand van ca. 1,5 km is mogelijk. Inbedding in het landschap Voorbeeld van een stelregel: beeldkwaliteit van het landschap mag niet meer worden aangetast. Dit betekent dat bij elk nieuw terrein goed moet worden nagedacht over de locatie van de terreinen, het benutten van bestaande landschappelijke begrenzingen en investeringen om de landschappelijke structuren te versterken. • Opgave volgens Stadsregio Rotterdam: bedrijventerreinen moeten een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het regionale landschap. Daarbij gelden vier belangrijke randvoorwaarden bij de realisatie: - Realiseerbaarheid van landschapsbouw tezamen met bedrijventerreinen, in plaats van een gescheiden realisatie - Combinatie van landschapsbouw met bedrijvenontwikkeling in planvorming en in de exploitatie - Versterking beeld van de regio als stedelijk gebied met aantrekkelijke landschappen - Verrijking van het palet aan bedrijventerreinen

66

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

-

-

Voor het maken van interessante werkgebieden in een stedelijke setting te maken bestaan onder andere de volgende instrumenten: Openbare ruimte: helder raamwerk en flexibele invulling. Flexibiliteit: ontwerpeisen op het niveau van het gebouw, waardoor ander gebruik ook in de toekomst mogelijk is Kavelmaten: combineren van groot en klein, waardoor een gevarieerd stedelijk beeld kan ontstaan. Schakelen: leggen van verschillenden verbindingen met de omgeving, waardoor de locaties een meerzijdige oriëntatie kan krijgen en waardoor randen schakels worden met de omgeving in plaats van barrières in de stad. Genius loci: inzetten van de karakteristieke kwaliteiten van een locatie bij de beeldvorming en het gebruik van de locatie Smaakmakers: stimuleren van realisatie van specifieke gebouwen die kleur geven aan het groter geheel Expressie: zoeken naar een specifieke en realistische balans tussen individuele en collectieve expressie

Typen bedrijfsmilieus Boerderijtype, windsingeltype, waterkanttype, moerastype, werkbostype, arcadiatype, landgoedtype, netwerktype, bouwbloktype, fronttype, infraknoop. Deze elf bedrijfsmilieus zijn gebaseerd op landschappelijke en stedelijke elementen.
Bebouwd terrein (als % van uitgeefbare

Kansen voor intensief ruimtegebruik

Landschappelijke transformatie

Grootte bedrijventerrein (% van

Landschappelijke ontwikkeling

Landschappelijk acupunctuur

Uitgeefbaar terrein (als % van

Boerderij Windsingel Waterkant Moerastype Werkbostype Arcadiatype Landgoedtype Netwerktype Bouwbloktype Fronttype Infraknoop

XS XS-S XS-S XS-S XS-XL XS XS XS-XL XS XS-S S-M

0,5-1 2-15 1-10 1-150 >100 0,5-1 10-100 >100 0,5-2 1-10 1-30

100 100 30 10 40 100 100 25 100 80 60

100 60 80 80 80 80 100 60 100 80 60

<30 Ntb Ntb Ntb Ntb Ntb <10 >65 >70 >70 >70 + + + + + + +

+ + + + + + +

+ + + +

+ + + + +

Bron: REO, Enno Zuidema Stedebouw, H+N+S landschapsarchitecten (2001)

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Kansen voor functiemenging

Grootte plangebied (in ha)

Stedelijke transformatie

Size bedrijvigheid

bedrijventerrein)

plangebied

terrein)

+ + +

+ + + +

67

-

-

De eerste 7 typen zijn met name gericht op individuele bedrijven en/of kleine clusters van bedrijven. Het boerderijtype is te vinden langs de IJsseldijk bij Gouda. Met name de typen netwerk, front (en infraknoop) betreffen de ‘echte’ bedrijventerreinen en hebben betrekking op de Zuidplaspolder. Deze worden iets nader uitgewerkt, alsmede het boerderijtype. Het type bouwblok valt er enigszins buiten. Volgens de auteurs van het rapport “Het landschap van de nieuwe bedrijventerreinen in de regio Rotterdam” komt het netwerktype voor in o.a. de zone Rotterdam-Gouda. Karakteristiek van het terrein: Basic bedrijventype dat overal in verschillende korrelgroottes voor komt. Onderdeel van te ontwikkelen nieuwe stedelijke gebieden of solitair terrein. Doorsneden door openbare routes voor auto- en langzaam verkeer. Grover menging van functies Relevante landschappelijke structuren worden eventueel opgenomen als dragers binnen de stedelijke structuur Ligging nabij afslagen van snelwegen Type bedrijvigheid: oneindig scala (ook glastuinbouw) Met het fronttype wordt gedoeld op benutting zichtlocaties langs autosnelwegen, spoorlijnen of langs regionale wegen. Ook in zone Rotterdam-Gouda. Karakteristiek van het terrein: Representatieve zijde – zichtzijde – van een bedrijventerrein of randbebouwing tussen woonwijk en snelweg, veelal georiënteerd op de snelweg. Veel aandacht voor optimale zichtbaarheid: aansprekende architectuur en lichtreclames Bouwhoogte is afgestemd op profiel en zichtbaarheid van de snelweg. Nabijheid snelwegafslag. Type bedrijvigheid: rijk scala aan aandachtvragende bedrijven: kantoren, detailhandel, bedrijfshallen, maar ook industrie. Zowel kleinschalige als grootschalige bedrijven Het type infraknoop wil zeggen dat er een noodzakelijkheid is van optimale bereikbaarheid. Daarom komt dit type alleen voor in bestaand stedelijk gebied, in de ruitzone en in de nieuw te ontwikkelen knooppunten binnen de transformatiegebieden (langs de spoorlijnen naar o.a. Gouda). Karakteristiek van het terrein: Intensief grondgebruik gekoppeld aan multimodale knoop: gestapelde bebouwing met een mix van functies rondom een knooppunt van infrastructuur Verticale functiemenging met bij voorkeur ondergronds parkeren, een openbare plint, wonen en bedrijvigheid Hoogwaardig en op intensief gebruik gerichte openbare ruimten Type bedrijvigheid op het terrein: arbeidsintensieve vorm van werkgelegenheid, welke een optimale bereikbaarheid behoeven: detailhandel, leisure, kantoren en in de ‘tweede ring’ diverse typen van stedelijke werkgelegenheid. Aandeel productieen distributieterreinen is beperkt.

Functiemenging • Menging van functies is mogelijk wanneer de bedrijfseenheden klein zijn – dan is functiemenging mogelijk tussen agrarische bedrijven, recreatie en sport. Verder is menging van functies een typisch stedelijk verschijnsel: in de stedelijke bedrijfsmilieus zijn de mogelijkheden voor menging het grootst.

68

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

• •

Bij de inpassing van bedrijventerrein zal gekeken moeten worden of de groen- en watervoorzieningen ook niet meerdere functies –m.n. recreatief- kunnen hebben. Functiemenging versus functiescheiding: balans vinden

Intensief ruimtegebruik Bij intensief ruimtegebruik gaat het om twee doelen te realiseren: bedrijfseconomisch verantwoord en behoud en verbetering ruimtelijke kwaliteit. Intensief ruimtegebruik kan op schaalniveau’s: terrein, kavel en gebouw/werkvloer. Daarnaast kunnen drie dimensies onderscheiden worden: horizontaal, verticaal en tijd (zie Buck, Consultants International, 2002). Een combinatie van schaalniveau en dimensies levert verschillende typen oplossingen op (zie schema).

Intensief ruimtegebruik naar dimensie en schaalniveau Horizontaal Gebouw/werkvloer
• •

Verticaal
• •

Tijd
• •

Efficiënter indeling gebouwen (flexibel) Gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen

Bedrijfsruimte stapelen Opslag ondergronds realiseren

Ploegendiensten Desksharing/flexplekken

Kavelniveau

Hoger bebouwingspercentage op kavel

Parkeren op het dak

Parkeren werknemers combineren met winkelend publiek/omwonenden

Schakelen bedrijfsgebouwen

• •

Bedrijfsruimten stapelen Gebruik tweede maaiveld (infrastructuur op +1)

Terreinniveau

Combineren van recreatie-ruimte (weekend) en groenvoorzieningen

Bron: Buck Consultants International (2002), Intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen in de praktijk; zorgvuldigheid gewenst (Nijmegen)

-

-

De voorgaande aspecten leiden ook vaak tot zorgvuldig ruimtegebruik. Aanvullend hierop zijn de volgende aspecten relevant. Segmenteren van het terrein waardoor bedrijven met zelfde karakteristieken efficiënt gebruik kunnen maken van bijvoorbeeld infrastructuur en kavelgroottes. Bundeling parkeren voor dagparkeerders. In bestemmingsplan vooraf regelen op welke wijze een bedrijf kan uitbreiden (bijvoorbeeld door parkeren op het dak of ondergronds en vrijkomende parkeerruimte benutten voor uitbreiding). Stellen van werkgelegenheidsnormen bij uitgifte kavels. Benutten tijdelijk verhuur leegstaande gebouwen en kantoorruimtes voor opslag van goederen tot dat nieuwe bestemming is gevonden.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

69

Inpassing water op bedrijventerrein • Duurzaam stedelijk waterbeheer heeft de volgende aandachtspunten: relatie stedelijk water en water in omliggende gebied, vergroting waterbergend vermogen in stedelijk gebied (m.n. stadsranden), verbeteren waterkwaliteit, vergroten belevingswaarde water. • Fictief bedrijventerrein, voorbeelden van waar je rekening mee zou moeten houden: - In verband met de te behouden bestaande bebouwing zijn peilveranderingen ongewenst; peilveranderingen kunnen de fundering aanpassen. - De bermsloot, onderdeel van het zoutcircuit, langs de snelweg moet geïsoleerd blijven van de waterlopen in het plangebied. - Door de slechte waterkwaliteit – als gevolg van rioolwateroverstorten – van de waterlopen is het ongewenst dat deze waterlopen een direct verbinding krijgen met de waterlopen in het plangebied - Het verhard oppervlak in het plangebied zal toenemen en daarmee moet het waterbergend vermogen in het gebied worden vergroot - Voorkomen dient te worden dat verontreinigingen van verharde oppervlakten via regenwater in het watersysteem terecht komen. Aandachtspunten water in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen Water Ruimtevragende elementen Waterhuishouding Kunstwerken Natuurvriendelijke oeverinrichting Retentie/(nood)berging/conservering Zuiverende elementen (zoals zuiveringsmoerassen) Hydrologische bufferzones (m.n. landelijk gebied) Ingrepen waterhuishouding Opzetten peil Restricties drooglegging Slootdemping Oeverinrichting Grotere peileenheden (m.n landelijk gebied) Functies (On)gewenste nieuwvestiging van functies die het watersysteem (kunnen) beïnvloeden positionering (nieuwe) functies tov watersysteem Onderzoeken Geplande of lopende studies naar water in relatie tot ruimtelijke ordening/ontwikkeling

Vuistregel: 8,5% x verhard oppervlak + 1,5% x onverhard oppervlak. Voor een duurzaam watersysteem is het wenselijk om meer waterberging te realiseren.

Parkmanagement • Parkmanagement heeft voordelen voor overheid, bedrijven, beleggers en ontwikkelaars en voor de omgeving. Voor de overheid zijn de belangrijkste: positief effect op werk- en leefklimaat en lagere kosten onderhoud. Bedrijven kunnen zich primair richten op hun core-business en overige zaken overlaten aan de parkmanager, daarnaast zijn veiligheid en kostenvoordeel door collectieve inkoop ook belangrijke drijfveren. Voor projectontwikkelaars is de waardevastheid van het onroerend goed een belangrijke reden om te participeren in parkmanagement.

70

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Parkmanagement kent vaak een vast basispakket en een aanvullend pakket. Veelal worden beide pakketten ingevuld op basis van een draagvlak- of behoefte onderzoek. Diensten die kunnen vallen onder parkmanagement zijn: - Collectieve beveiliging, groenbeheer, onderhoud van gebouwen, bewegwijzering - Collectieve opslag- en flexibele kantoren - Collectieve vergader- en opleidingsfaciliteiten, kinderopvang, winkelcentra, sport- en recreatievoorzieningen, benzinestations, wasstraat, personeelsvoorziening - Collectieve inkoop van energie- en afval - Contactbeheer overheid: subsidies en vergunningen Delen van het pakket zal door private partijen opgepakt moeten worden (benzine station, winkelcentra etc.. De overheid heeft hier voor al een faciliterende rol. Andere onderdelen zullen door een gezamenlijke parkmanagement organisatie worden uitgevoerd.

Vervoersmanagement Een specifiek onderdeel van parkmanagement is vervoersmanagement. • Er kan een spanningsveld ontstaan tussen efficiency vanuit het goederenvervoer en de beeldkwaliteit. Vanuit verkeersoogpunt is het gunstiger dat bedrijven met veel vrachtbewegingen voor aan het terrein zitten, zodat vrachtwagens niet het hele terrein over hoeven. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wil men dergelijke gebouwen niet op zichtlocaties hebben. De oplossing is het bedrijventerrein zodanig in te richten dat het terrein van de buitenkant representatief is, maar dat bedrijven met de grootste vrachtbewegingen toch op de goede plek zitten. Dit kan verwezenlijkt worden door een soort representatief ‘front’ of ‘schild’ te maken met daarachter meteen de vervoersgerelateerde bedrijven • Vervoersmanagement op bedrijventerreinen is een middel om de mobiliteit zo efficiënt mogelijk te geleiden. Vervoermanagement kan gericht zijn op zowel goederen- als personenvervoer. Enkele voorbeelden en ideeën van vervoersmanagement op locatieniveau zijn: - Collectieve pakketdienst, zowel uitgaand als binnenkomend (EMMTEC, Industriepark Kleefse Waard) - Carpoolen onderdeel van vervoersmanagement (coördinatie), aanleg van gezamenlijk (beveiligde) parkeervoorziening t.b.v. carpoolers (Bedrijvenpark A73) . - Vraaggericht collectief vervoer: samen met andere bedrijven gezamenlijk busvervoer voor personeel van deur tot deur (Eurogen CV, de ElzenhofSchiphol). - Aanleg van vrijliggende fietspaden is een middel om vervoer per fiets te stimuleren. Een voorbeeld is te vinden op bedrijventerrein Vossendonk en bedrijvenpark A73. - EMMTEC Industry & Business Park: De centrale afdeling Logistiek en Inkoop verzorgt gecombineerd vervoer van vrachten, zowel op het eigen terrein (o.a. met eigen treinlocomotieven) als extern.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

71

Fictief programma van eisen voor verschillende werkmilieus Kleine lokale bedrijvenlocaties Bedrijven

Hoogwaardige bedrijvenlocaties

Reguliere bedrijvenlocaties

Locaties voor nieuwe logistiek

bedrijven

Lokaal gebonden bedrijven (werknemers en/of klantrelaties)

Bouwvolumes met representatieve ruimtes zoals kantoren,showrooms, bijzondere architectonische gebouwen

Niet-consumentgerichte bedrijven

Transportasgebonden bedrijven

• •

Bedrijven waarbij onderzoek en ontwikkeling centraal staat 1-2

Milieucategorie

1-2

1,2,3 vrijstelling mogelijk voor 4

2-4

Locatie

ligging

Nabij kernen

Met name langs de randen van bedrijventerreinen zowel overgang naar landschap als langs infrastructuur

• •

Locatie in de kern van een bedrijventerrein Ruimte voor de hogere hinderwetcategorieën

Locatie in de kern van een bedrijventerrein nabij ontsluitende terrein infrastructuur

bereikbaarheid

Aansluiting secundair wegennet

nabij afslag rijksweg

• •

nabij afslag rijksweg aansluiting secundair wegennet niet zichtbaar vanaf de openbare weg

In eerste instantie langs A20, latere fase ook langs A12

zichtbaarheid

schaal en uitstraling passend bij de kernen

visitekaartje van regio

niet zichtbaar vanaf de openbare weg

Terrein
• •

uitgeefbaar % groen + water%

• •

70 % 10-18%

• •

65 % 18-23 %

• •

75-80 10-18%

• •

80 5-10 %

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

73

Kleine lokale bedrijvenlocaties
• •

Hoogwaardige bedrijvenlocaties
• •

Reguliere bedrijvenlocaties
• •

Locaties voor nieuwe logistiek
• •

wegbreedte Groen karakter

• •

8-10 m Functioneel afschermend

8 meter Parkachtig, hoge kwaliteit, op plekken die voor de beeldvorming relevant zijn

10 meter Functioneel afschermend

10 meter Functioneel afschermend

Overig karakter

Passend bij aard en schaal van kern

Representatief, zakelijk en tijdloos

Sober en doelmatig

Sober en doelmatig

Kavel
• • •

Grootte Bebouwingspercenta ges Laden en lossen

• • •

< 3.000 m2 70% Op eigen terrein, voorgevel van gebouw

• • •

3.000-5.000 m2 40-70% Op eigen terrein, voorgevel van gebouw

• • •

5.000-10.000 m2 65-80% Op eigen terrein, voorgevel van gebouw

• • •

1-2 ha (bundeling tot 5 ha. mogelijk) 65-70% Op eigen terrein, voorgevel van gebouw, 2 lagen gewenst (Schuitema Woerden)

Opslag

Inpandig

Inpandig

Inpandig

Op binnen terrein mits goed is ingepast, nooit aan voorzijde

Inrichting

substantieel deel van de kavel inrichten met groen en water

Gebouw

Kantooroppvl. %

Max. 50 %, bijvoorkeur gestapeld op andere functies

Max. 50- 75 % (2 lagen)

Max. 50 %

Max. 50 %

Bouwhoogte

• •

Kantoor 1-2 lagen Hal 8-15 meter

• •

Kantoor > 2 lagen Hal < 10 meter

• •

Kantoor 1-2 lagen Hal 8-15 meter

• •

Kantoor 1-2 lagen Hal 8-15 meter

74

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

Literatuurlijst

• • • • • •

• • •

• • •

• • • •

Adviesdienst Verkeer en Vervoer (2002), Handleiding goederenvervoer en bedrijventerreinen. Hoe verkeers- en vervoersaspecten mee te nemen in de planontwikkeling voor bedrijventerreinen Adviescommissie Zuidvleugel (2000), “De Zuidvleugel, van visie naar uitvoering”. Den Haag: Provincie Zuid-Holland. Architecture Research Institute (2002), Handreiking ruimtelijke kwaliteit bedrijventerreinen B&A Groep (2002), “Interviewverslagen Driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda”. Den Haag. BGSV Bureau voor Stedebouw (2002), Bedrijvenpark Harnasch. Stedenbouwkundig concept t.b.v. deelgebieden Harnasch-Noord, Harnasch-Midden en Weteringzone BRO (2001), “Ruimteproblematiek milieuhinderlijke bedrijven in Zuid-Holland”. Vught. Buck Consultants International (2001), “Ontwikkelingsrichtingen economische vitaliteit in het Groene Hart – Discussiestuk”. Nijmegen: in opdracht van Bestuurlijk Platform Groene Hart. BUITEN (1999), “Aanbodinventarisatie bedrijventerreinen in de Deltametropool – Interimnotitie”. Utrecht. Directie Ruimte, Groen en Gemeenten, Afdeling Ruimtelijk Beheer (200?), “Intergemeentelijke perspectievennota Midden-Holland”. ECORYS-NEI (2002), “Internationale economische positie Randstad – Internationale positionering van de vier grote steden en hun onderlinge samenhang”. Rotterdam: in opdracht van de gemeente Den Haag. ECORYS-NEI (2002), “Vraag- en aanbodanalyse droge bedrijventerreinen in GrootRijnmond”. Rotterdam. ECORYS-NEI (2001), “Internationale benchmark regionaal investeringsklimaat”. Rotterdam: in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. Enno Zuidema Stedebouw, H+N+S Landschapsarchitecten (2001), “Het landschap van de nieuwe bedrijventerreinen in de regio Rotterdam”. Rotterdam: in opdracht van het Regionaal Economisch Overlegorgaan (REO). Enno Zuidema Stedebouw, Max. 1 architectuur stedenbouw en KLOK architectuur stedenbouw i.s.m. OBR, Goudappel Coffeng, BBN adviseurs (2001), Bedrijventerrein Hoefweg Noord en Zuid. Stedebouwkundig plan en regiedocument Gemeente Den Haag, Dienst Stedelijke Ontwikkeling (1998), “De Nieuwe Kaart van Den Haag – Een Ruimtelijk-economisch Kader voor de Lange Termijn”. Den Haag. Gemeente Rotterdam (2000), “Visie 2010 – Rotterdam op Koers”. Rotterdam. Gemeente Rotterdam (1999), “Ruimtelijk Plan Rotterdam 2010 – Meer stad meer toekomst”. Rotterdam. Goudappel Coffeng (2002), “Verkenning verkeer en vervoer RZG-Driehoek”. Deventer/Den Haag: in opdracht van de provincie Zuid-Holland.

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

75

• • • • • • • •

• • • • •

• •

• • •

• • • •

Gemeente Bleiswijk, RBOI (1999), Bleiswijk bestemmingsplan bedrijventerrein Hoefweg-Noord Gemeente Capelle aan den IJssel (2000), Bestemmingsplan “Hoofdweg 1998” Gemeente Eindhoven (2002), Flight Forum Eindhoven Gemeente Moordrecht (2001), Bestemmingsplan bedrijventerrein Gouwe Park e.o., herziening ex artikel 30, lid 1 van de wet op de ruimtelijke ordening Gemeente Rotterdam (2002), Polder Schieveen, startnotitie m.e.r. Gemeente Woerden (1996), Bestemmingsplan Snel en Polanen H+N+S (2001), Ontwikkelingsvisie Schieveen. Bouwstenen, principes, vier inrichtingsperspectieven Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland en Kuiper Compagnons (2001), “Integrale regiovisie Midden-Holland – Van gelaagde naar geslaagde kwaliteit”. Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland (1999), “Intergemeentelijke perspectievennota Midden-Holland – Notitie Bestuurlijke Visie”. Kamer van Koophandel Rotterdam (2002), “Verslag discussieavond inrichting Driehoek RZG”. Ministerie van VROM (1998), “Ontwikkelingsprogramma Nationaal Landschap Groene Hart”. Den Haag. Ministerie van VROM (1996), “Randstad en Groene Hart – De Groene Wereldstad”. Den Haag: SDU Uitgevers. NEI en Zandvoort Ordening & Advies (2000), “Kiezen voor innovatie en kwaliteit – Bouwstenen voor een provinciaal-economische visie”. Rotterdam/Utrecht: in opdracht voor de Provincie Zuid-Holland. NEI (1999), “Wissel op de toekomst – Economische gevolgen van restrictief beleid”. Rotterdam: in opdracht voor het Ministerie van Economische Zaken. NEI en Bureau Alle Hosper (1999), “Rood met Groen – Nieuwe combinaties in het Groene Hart”. Rotterdam/Haarlem: in opdracht van de Kamer van Koophandel Rotterdam. NEI en Kolpron (2000), “Ruimte in de Randstad – Ruimteclaims en oplossingsstrategieën wonen en werken 2000-2030”. Rotterdam: in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. Nyfer (2002), “Dynamiek in de Delta – Economische Monitor Zuid-Holland 2002”. Utrecht: Hoonte Bosch & Keuning. OD 205 stedebouw onderzoek en landschap (2003), Bedrijvenschap Regio Gouda, beeldkwaliteitplan bedrijventerrein Gouwe Park Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (2001), “Het economisch belang van de glastuinbouw in de regio Rotterdam – Een verkenning aan de hand van beschikbare bronnen”. Rotterdam. Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (2000), “Ruimtelijk-economische strategie Rotterdam 2010-2030 – Groeinotitie, stand december 2000”. Rotterdam. Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam/Stadsregio Rotterdam (2002), “Programma Ruimte voor bedrijven, meer ambitie, efficiëntie en effectiviteit”. Rotterdam. Platform Zuidvleugel (1998), “Gebiedsuitwerking Den Haag – Rotterdam Verkenning 2010-2030”. Den Haag: Provincie Zuid-Holland. Provincie Zuid-Holland (2002), “Bedrijfsterreinen in Zuid-Holland per 1 januari 2002.” Den Haag.

76

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Provincie Zuid-Holland (2002), “Integrale Herziening Streekplan Zuid-Holland Oost – Nota van Beantwoording”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (2002), “Integrale Herziening Streekplan Zuid-Holland Oost – Nota Hoofdlijnen voor het Ontwerp”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (2002), “Meerjarenprogramma Economie 2002-2006”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (2002), “Behoefte en aanbod bedrijventerreinen Zuid-Holland per GS-regio en streekplangebied”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (2001), “Provinciaal Economische Visie – Naar een duurzame en vitale economie”. Den Haag: PlantijnCasparie. Provincie Zuid-Holland (2001), “Provinciaal Economische Visie 2001-2010”. Den Haag: PlantijnCasparie. Provincie Zuid-Holland (2001), “Streekplan Zuid-Holland Oost – Tweede partiële herziening”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (2001), “Streekplan Zuid-Holland Oost – Tweede partiële herziening, Bijlage bij de beschrijving”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland en Bureau Nieuwe Gracht (2001), “Verkenning driehoek Rotterdam-Zoetermeer-Gouda”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland, Provincie Utrecht en Provincie Noord-Holland (2000), “ Groene Hartvisie – Deel 1: Kwaliteit als basis voor de toekomst”. Den Haag/Utrecht/Haarlem. Provincie Zuid-Holland (1996), “Streekplan Rijnmond – Interim Beleidsnota”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (1995) , “Streekplan Zuid-Holland Oost”. Den Haag. Provincie Zuid-Holland (1995) , “Streekplan Zuid-Holland Oost – Bijlage bij de beschrijving: maximale bebouwingscontouren”. Den Haag. RBOI (2001), “Gebiedsvisie Driehoek RZG”. Rotterdam: in opdracht van de gemeenten Nieuwerkerk a/d IJssel, Zevenhuizen-Moerkapelle en Moordrecht. Provincie Zeeland (2003), Beeldkwaliteit. Provinciale discussienota RBOI (2001), Bestemmingsplannen blauw gekleurd. Een handreiking voor de waterparagraaf Stadsgewest Haaglanden (2002), “Regionaal Structuurplan Haaglanden – Haaglanden, groene schakel in de Randstad”. Den Haag. Stadsregio Rotterdam (2000), “Regiovisie 5e nota Ruimtelijke Ordening – Ruimtelijke Ontwikkeling Rotterdamse Regio 2010-2030”. Rotterdam. Stadsregio Rotterdam (1998), “VINEX-locatie Noordrand II en III – Regionaal Structuurplan”. Rotterdam. TNO Inro (2000), “Zuidvleugel: Van Stedenzwerm naar Deltametropool”. Delft. TNO Inro (1999), “Ruimtebehoefte bedrijfsleven Krimpenerwaard”. Delft. TNO Inro (1998), “Perspectieven voor Midden-Holland – Actiekader voor een leefbare samenleving in de regio Midden-Holland”. Delft. Tweede Kamer der Staten-Generaal (2001), “Planologische Kernbeslissing Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening – Deel 3: Kabinetsstandpunt”. Den Haag: SDU Uitgevers. Twijnstra Gudde en Oicon (2001), “Balans Regionale Verkenningen Randstad – Naar een blauwgroene Deltametropool”. Amersfoort/?: in opdracht van Regio Randstad. Urhahn Urban design (2001), Kwaliteit werklocaties VHP stedenbouwkundigen+architekten+ landschapsarchitekten (2002), Kwaliteitsbeeld Bedrijventerrein Hoeksche Waard, programma van eisen

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief

77

• •

Werkgroep Economie (2002), “Notitie Ruimte voor bedrijven in de driehoek RotterdamZoetermeer-Gouda – bijeenkomst 25 juni. Z5 (1999), “Ambtelijke inbreng 5 gemeenten in de Driehoek RZG (Z5) / ISMH inzake basiskaart Driehoek RZG”.

78

Driehoek Rotterdam – Zoetermeer – Gouda in economisch perspectief