ECONOMIE EN ARBEIDSMARKT FLEVOLAND 2006 - 2007

Noordoostpolder

Urk

Lelystad

Dronten

Almere
Zeewolde

Een gezamenlijke uitgave van: Provinciaal Platform Arbeidsmarkt Flevoland Centrum voor Werk en Inkomen Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Flevoland Provincie Flevoland Samenstelling: dr. M.H. Stijnenbosch D. Schuitema MSc J.B. Verbeek MSc STOGO onderzoek + advies

ADRESSEN Provinciaal Platform Arbeidsmarkt Flevoland / Centrum voor Werk en Inkomen Postbus 2185 8203 AD Lelystad Telefoon: 0320-286756 / 0320-286754 E-mail: h.gerrits@ppaflevoland.nl Kamer van Koophandel en Fabrieken Flevoland Postbus 123 8200 AC Lelystad Telefoon: 0320-286286 Fax: 0320-286236 E-mail: info@lelystad.kvk.nl Provincie Flevoland Postbus 55 8200 AB Lelystad Telefoon: 0320-265265 Fax: 0320-265260 E-mail: provincie@flevoland.nl Centraal Bureau voor de Statistiek Postbus 4481 6401 CZ Heerlen Telefoon: 045-5707970 Drukkerij Cabri Postbus 431 8200 AK Lelystad Telefoon: 0320-285310 Achterliggende gegevens gebruikt voor deze publicatie zijn online zichtbaar op: www.flevoland.nl/feitenencijfers (Bevolking, werkgelegenheid en bedrijventerreinen) www.kvk.nl/erboflevoland (Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling) www.werknet.nl/nl/arbeidsmarktinformatie (Werkzoekenden en vacatures) Auteursrechten voorbehouden Overname van de gegevens uit deze publicatie is toegestaan met bronvermelding.

INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD INLEIDING 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 BEVOLKING EN BEROEPSBEVOLKING Inleiding Bevolking Regionale spreiding Ontgroening en vergrijzing Allochtonen Beroepsbevolking Arbeidsdeelname Prognose Conclusie WERKGELEGENHEID Inleiding Fulltime arbeidsplaatsen Fulltime arbeid naar bedrijfstak Fulltime arbeid naar geslacht Fulltime arbeid naar gemeente Fulltime arbeid naar grootteklasse van de bedrijfsvestiging Parttime arbeidsplaatsen Flexibele arbeid Vacatures Prognose Conclusie WERKLOOSHEID Inleiding Aantal werklozen Werklozen naar gemeente Werklozen naar geslacht Werklozen naar leeftijd Werklozen naar opleiding Werklozen naar fasering Werklozen naar inschrijfduur Prognose Conclusie BEDRIJVENDYNAMIEK Inleiding Aantal vestigingen Netto groei Netto groei naar bedrijfstak Netto groei naar gemeente Conclusie 1 2 5 5 5 6 7 9 9 10 11 12 13 13 13 14 16 17 19 19 20 21 22 23 24 24 24 25 26 26 27 28 28 30 30 32 32 32 34 35 35 38

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 8

HET BEDRIJFSLEVEN IN FLEVOLAND Inleiding Omzet Export Bedrijfsresultaat en rendement Investeringen Toekomstverwachting Conclusie BEDRIJVENTERREINEN EN KANTOORLOCATIES Inleiding Uitgifte en uitgeefbaar bedrijventerrein Segmentering Toekomstige terreinen Kantoorlocaties Conclusie INNOVATIE IN FLEVOLAND Inleiding Innoverende vestigingen Innovatie naar bedrijfstak Knelpunten bij innovatie Binnenlandse Research en Development Buitenlandse Research en Development Het Regionaal Innovatie- en Technologieplan Flevoland Conclusie SLOTBESCHOUWING

40 40 40 43 45 46 48 49 50 50 50 53 54 56 57 58 58 58 59 60 61 63 64 66 67 74 75 77 79 80 81 83 84 85

STATISTISCHE BIJLAGEN Bijlage 1: Sociaal-economische gegevens Flevoland Bijlage 2: Werkzame personen (fulltime) naar bedrijfstak en –klasse, Flevoland Bijlage 3: Werkzame personen (fulltime) naar gemeente en bedrijfstak, Flevoland Bijlage 4: Aantal vestigingen naar gemeente en bedrijfstak, Flevoland Bijlage 5: Bedrijventerreinen naar gemeente, Flevoland Bijlage 6: Buitenlandse vestigingen in Flevoland (inclusief arbeidsplaatsen) Bijlage 7: Herkomst buitenlandse hoofdvestiging van nevenvestigingen Bijlage 8: Arbeidsplaatsen naar herkomst buitenlandse hoofdvesting

VOORWOORD
Flevoland blijft een jonge en dynamische provincie met specifieke en afwijkende kenmerken ten opzichte van de rest van Nederland. Dat geldt ook voor de Flevolandse economie en arbeidsmarkt. De grote dynamiek onderstreept het belang van inzicht in de feiten en processen die daaraan ten grondslag liggen. Deze vormen immers de aangrijpingspunten voor het te voeren uitvoeringsbeleid. Deze conclusie heeft de besturen van provincie Flevoland, Arbeidsvoorziening Flevoland en Kamer van Koophandel Flevoland, gezien hun gemeenschappelijke betrokkenheid bij de sociaal-economische ontwikkeling, in 1998 doen besluiten tot het bundelen van de krachten op het terrein van informatie en analyse. Dit resulteert in de nu voorliggende publicatie, de negende in een reeks van jaarlijkse uitgaven. De publicatie “Economie en Arbeidsmarkt Flevoland 2006-2007” geeft inzicht in de productiestructuur en de economische dynamiek die bepalend zijn voor de toekomstige verwachtingen van de werkgelegenheid in Flevoland. Behalve de analyse van de vraagzijde, van bedrijvigheid en arbeidsmarkt, wordt ook de aanbodzijde belicht. De ontwikkeling van de bevolking, beroepsbevolking en werkloosheid verhelderen de aanbodzijde. Tevens krijgt de ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantoorlocaties aandacht. Daarnaast worden, waar mogelijk, in de hoofdstukken prognoses opgenomen. Innovatie wordt steeds belangrijker om in het internationale krachtenveld overeind te blijven. Het bepaalt in sterke mate de veer-, groei- en vernieuwingskracht van de economie. Er is sprake van een omslag naar een kenniseconomie. Juist in Flevoland met het grote aantal MKB bedrijven is het noodzakelijk voldoende technologische innovaties te genereren. Innovatie is daarom al sinds het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw voortvarend ter hand genomen en gecoördineerd in het Regionaal Innovatie- en Technologieplan Flevoland (RITP). In Lelystad, bij de innovatieve Animal Sciences Group, is de publicatie Economie en Arbeidsmarkt Flevoland 2006-2007 gepresenteerd op 30 mei 2007. Wij hopen dat allen die bij de sociaal-economische ontwikkeling van Flevoland betrokken zijn, hun voordeel met deze publicatie kunnen doen.

P.R. Nijhof Voorzitter Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Flevoland A.L. Greiner Gedeputeerde van Economische Zaken, Arbeidsmarktbeleid en Hoger- en Beroepsonderwijs, Provincie Flevoland Voorzitter Provinciaal Platform Arbeidsmarkt Flevoland Mei, 2007 1

INLEIDING
De economie is in 2006 sterk gegroeid (2,9%), een verdubbeling ten opzichte van 2005. Daarmee is de dip in 2005 (1,5% economische groei tegen nog 2,0% in 2004) achter de rug. In 2006 is zo een einde gekomen aan een periode van economische recessie, die Nederland de afgelopen vijf jaar kende. De economische groei in Nederland ligt momenteel zelfs boven het Europese gemiddelde. Naast de toenemende bereidheid van ondernemers om te investeren nam ook de consumptiebereidheid van burgers weer toe. Hiermee staat de economische opleving stevig op twee benen. De vooruitzichten zijn ronduit rooskleurig. Zowel dit als volgend jaar zal de economische groei robuust zijn. De koopkracht stijgt, de binnenlandse consumptie trekt aan, het aantal arbeidsplaatsen groeit en de werkloosheid neemt af. Het CPB verwacht dit jaar een economische groei van 2,75% en voor de periode 2008 -2011 een groei van 2%. We zijn duidelijk in een fase van hoogconjunctuur aangeland. Moesten we eerst alle zeilen bijzetten om de economie op gang te krijgen, nu zullen we op tijd de zeilen neer moeten halen om geen oververhitting te krijgen. De eerste tekenen daarvoor zijn er al. Zo verwacht het Centraal Planbureau dat de werkloosheid het volgende jaar 1,5 procentpunt onder de geschatte evenwichtswerkloosheid zal liggen, terwijl het aantal vacatures nu al een recordomvang heeft bereikt. Omdat door de vergrijzing het arbeidsaanbod terug loopt, zal het vinden van voldoende gekwalificeerde werknemers het probleem van de nabije toekomst zijn. De gunstige economische ontwikkeling heeft zich in 2006 ook vertaald in een stijgende omzet. De omzet, gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling, nam met 3,7% toe. Dit was de grootste toename sinds jaren en een duidelijke verbetering ten opzichte van het vorige jaar (+1,0%). Dit omzetresultaat wordt breed gedragen zowel door kleine als door grote bedrijven. De productiecapaciteit wordt door deze toenemende omzet weer beter benut. Die situatie leidt tot een verder stijgende bezettingsgraad die op haar beurt ervoor zorgt dat de bedrijven die nu nog ruim in hun jasje zitten, krapper komen te zitten en weer een beroep op de bedrijfshuisvestingsmarkt gaan doen. Die tijd lijkt nu aangebroken en de uitbreidingsvraag zal zorgen voor een nieuwe dynamiek op de markt voor bedrijfsgebouwen. Er is weer ruimte voor een uitbreidingsvraag. Het CBS houdt iedere maand een conjunctuurenquête onder circa 1.700 bedrijven in de industrie. Deze conjunctuurenquête bevat een aantal vragen, die een vooruitblik geven op wat de ondernemers in de branche de komende maanden verwachten. Over het algemeen loopt de ontwikkeling van het producentvertrouwen enkele maanden voor op de ontwikkeling van de industriële productie. Het dieptepunt van het vertrouwen in juni 2003 lijkt al weer lang geleden, nu het producentvertrouwen op het hoogste niveau ooit staat. De ondernemers zijn momenteel zowel positief gestemd over de orderpositie als over de toekomstige productie en de voorraad gereed product. Deze ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor de arbeidsmarkt. Hoewel we pas aan het begin van de economische opleving staan, is er nu al een groot personeelstekort. Het aantal openstaande vacatures stijgt dit jaar naar 254.000, net zo hoog als begin 1970. Daartegenover staan ongeveer 250.000 werkzoekenden, 15% minder dan een jaar terug. Er zijn dus nog veel mensen, die naar werk zoeken, maar zij passen niet altijd bij het vacatureaanbod. Vooral oudere, arbeidsongeschikte en laagopgeleide werkzoekenden hebben 2

moeite om werk te vinden. Deze mismatch zorgt ervoor dat momenteel alle aandacht uitgaat naar het aan het werk krijgen van deze groepen. Het afschaffen van de vervroegde uittreding (vut), het sterk beperken van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de vele scholingsinitiatieven van de werkgevers passen ook in dit activeringsbeleid. Dat beleid is ook nodig, omdat het vertrek van de zogeheten ‘babyboom’ generatie nog maar net op gang is gekomen. Er treden meer mensen uit de beroepsbevolking dan dat er bij komen. Dat zet niet alleen de economische groei onder druk, maar vooral ook de werkgelegenheid in die sectoren in de publieke sector (vooral zorg en onderwijs) die moeilijk kunnen concurreren met de lonen in de marktsector. In dit maatschappelijke krachtenveld is het nieuwe omgevingsplan van Flevoland gepresenteerd. De inrichting van de ruimte moet het krachtige herstel van de economie ondersteunen. Als verbindende schakel tussen de Randstad en het noorden en oosten van Nederland vervult de provincie een belangrijke economische functie. Dat is vastgelegd in een zevental speerpuntengebieden, die deels betrekking hebben op het verder ontwikkelen van het landelijke, toeristische gebied (Oostvaarderswold, Noordelijk Flevoland, Oostrand van Flevoland, Markermeer/IJmeer) en deels op het stedelijke en economische kerngebied (Almere, luchthaven Lelystad en West-Oost as). Mede op die manier wordt de opvang- en schakelfunctie nader ingevuld en wordt het gat tussen de aanwezige beroepsbevolking en het aantal aanwezige arbeidsplaatsen opgevuld. De bevordering van innovatie speelt daarbij een belangrijke rol. Flevoland moet aantrekkelijk zijn voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid en het vestigen van bedrijven van elders. Innovatie wordt steeds belangrijker. Daarbij gaat het niet alleen om technologische vernieuwing, maar ook om de vernieuwing en verbetering van producten, diensten en productieprocessen. Voor het versterken van het innovatieklimaat wordt het stimuleren van de opbouw van kennis en het gebruik ervan steeds belangrijker. In dit verband wordt wel gesproken van een omslag naar een kenniseconomie. Reden waarom dit jaar het themahoofdstuk is gewijd aan innovatie. Provincie Flevoland, de Kamer van Koophandel Flevoland en Provinciaal Platform Arbeidsmarkt hebben voor de negende keer de handen ineen geslagen om de bij hen bekende gegevens in een integraal boekwerk weer te geven. In deze publicatie komen achtereenvolgens aan bod: - ontwikkeling van bevolking en beroepsbevolking (hoofdstuk 1); - ontwikkeling aantal arbeidsplaatsen (hoofdstuk 2); - ontwikkeling van het aantal werklozen (hoofdstuk 3); - ontwikkeling van het aantal bedrijven (hoofdstuk 4); - bedrijfseconomische ontwikkeling (hoofdstuk 5); - ontwikkeling van het aantal bedrijventerreinen en kantoorlocaties (hoofdstuk 6); - innovatie (hoofdstuk 7); - slotbeschouwing (hoofdstuk 8).

3

4

1 1.1

BEVOLKING EN BEROEPSBEVOLKING Inleiding
De ontwikkeling van de bevolking was tijdens de afgelopen parlementsverkiezingen een belangrijk politiek thema vanwege de groeiende kosten die veroorzaakt worden door de veroudering van de bevolking. Maar er is meer aan de hand. De samenstelling van de bevolking en ook de omvang van de bevolking veranderen sterk. Ontgroening (minder jongeren), vergrijzing (meer ouderen) en verkleuring (meer niet-westerse allochtonen) gaan samen met een verwachte bevolkingsdaling. Demografie is in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Dit hoofdstuk behandelt de ontwikkelingen in de bevolking en beroepsbevolking. Allereerst wordt stilgestaan bij het bevolkingsaantal en de bevolkingsgroei in de gehele provincie Flevoland (1.2) en in de afzonderlijke Flevolandse gemeenten (1.3). Daarna wordt aandacht besteed aan de groene en grijze druk in de gemeenten (1.4). De samenstelling (aandeel allochtonen) van de bevolking wordt beschreven (1.5). De ontwikkeling van de beroepsbevolking en de arbeidsparticipatie komen ook aan bod (paragraaf 1.6 en 1.7). Het hoofdstuk wordt afgesloten met een bevolkingsprognose tot 2030 (1.8) en een conclusie (1.9).

1.2

Bevolking
De groei van de Flevolandse bevolking is vanaf 2003 ieder jaar gedaald. Het groeicijfer is echter wel boven de landelijke groei blijven uitsteken. Figuur 1.1 Stand van de bevolking per 1 januari 2003-2007, Flevoland en groei van de bevolking 2003-2007, Flevoland en Nederland

Bron: Provincie Flevoland, CBS

5

In 2006 is de Flevolandse bevolking met bijna 3.500 personen toegenomen tot 374.200 personen op 1 januari 2007. Dit is een groei van 1,0 procent, tegen 0,1 procent in Nederland (figuur 1.1). De landelijke groei is sinds 2003 minder afgenomen dan de Flevolandse groei.

1.3

Regionale spreiding
Bijna de helft van de Flevolandse bevolking is gevestigd in Almere (48%) en nog eens 19 procent woont in Lelystad. In de overige gemeenten woont een derde van de bevolking (figuur 1.2). In alle gemeenten is het aantal inwoners gegroeid. Deze groei verschilt echter per gemeente. Vanaf 2002 kennen Almere (+ 12%) en Lelystad (+ 8%) de sterkste stijging. Ook in Urk (+ 6%) en Dronten (+ 5%) is het aantal inwoners toegenomen. De groei van de bevolking is alleen in de Noordoostpolder (+ 3%) en in Zeewolde (+ 2%) wat achtergebleven. De groeipercentages tussen 1 januari 2006 en 1 januari 2007 zijn voor alle gemeenten laag. Alle gemeenten kennen een groei van één procent, uitgezonderd Dronten en Noordoostpolder (slechts 0,1% groei). Figuur 1.2 Aantal inwoners per gemeente in 2002 en 2007, Flevoland, per 1 januari (absoluut)

Bron: Provincie Flevoland

6

1.4

Ontgroening1 en vergrijzing2
De Nederlandse bevolking wordt steeds ouder. Door de vergrijzing, gecombineerd met het proces van ontgroening, dreigt de verhouding tussen werkenden en mensen die niet meer werken uit balans te raken. De ontwikkeling in Nederland van vergrijzing en ontgroening, is voor Flevoland echter nog niet aan de orde. In Flevoland ligt in 2006 de groene druk op bijna 50 procent (figuur 1.3). Dit is vrijwel tien procentpunten hoger dan het landelijke cijfer. Vooral op Urk is de groene druk bijzonder hoog in 2006 (81%). Dat is dus tweemaal zo hoog als het Nederlandse gemiddelde. Daarmee heeft Urk de jongste bevolkingsopbouw van alle gemeenten in Nederland. Tussen 2002 en 2006 is de groene druk in Nederland en in Flevoland redelijk gelijk gebleven. Figuur 1.3 Groene druk* in Flevoland (per gemeente) en Nederland, 2002 en 2006

* Groene druk: verhouding tussen het aantal 0 tot 20-jarigen ten opzichte van de 20 tot 65-jarigen. Bron: CBS, 2007

De grijze druk is in Flevoland (14%) aanzienlijk lager dan landelijk (23%) (figuur 1.4). Sinds 2002 is de grijze druk ook nauwelijks toegenomen in Flevoland. De gemeente Noordoostpolder kent de hoogste grijze druk (22%) en heeft dus binnen de provincie de oudste leeftijdsopbouw. De gemeenten Zeewolde en Dronten kennen beiden de sterkste toename (+ 15%) van de grijze druk tussen 2002 en 2006. Uit een prognose van de provincie Flevoland blijkt dat in 2030 de groene druk zal afnemen (tot 46% in 2030) en de grijze druk sterk zal toenemen (tot 26 procent in 2030). De bevolking van Flevoland wordt dus gemiddeld ouder.

1 2

Groene druk: verhouding tussen het aantal 0 tot 20-jarigen ten opzichte van de 20 tot 65-jarigen. Grijze druk: Verhouding tussen het aantal 65-plussers ten opzichte van de 20 tot 65-jarigen.

7

Figuur 1.4 Grijze druk* in Flevoland (per gemeente) en Nederland, 2002 en 2006
Almere 2002 Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde 2006

Flevoland Nederland 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

* Grijze druk: Verhouding tussen het aantal 65-plussers ten opzichte van de 20 tot 65jarigen. Bron: CBS, 2007

De demografische druk geeft aan welk deel van de bevolking afhankelijk is van de productiviteit van de rest (figuur 1.5). Figuur 1.5 Demografische druk* in Flevoland (per gemeente) en Nederland, 2002 en 2006
Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde 2002 Flevoland Nederland 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% 2006

* Demografische druk: verhouding tussen het aantal 65-plussers en 0 t/m 19 jarigen ten opzichte van de 20 t/m 64 jarigen. Bron: CBS, 2007

8

Duidelijk wordt dat de demografische druk in Flevoland nagenoeg gelijk is aan die in Nederland (beiden 63%). In Nederland wordt de demografische druk verhoogd door de vergrijzing, terwijl in Flevoland de demografische druk hoog is door de vergroening. Urk is hier het beste voorbeeld van. Op Urk is de hoogste demografische druk (94%) en de jongste bevolkingsopbouw van Nederland.

1.5

Allochtonen
Op 1 januari 2006 was ruim één vierde van de Flevolandse bevolking van allochtone afkomst (figuur 1.6). In Nederland was één vijfde van de bevolking van niet-westerse afkomst. De groei in Flevoland is 3,4 procent, landelijk is de toename slechts 0,8 procent. De in de inleiding genoemde verkleuring doet zich dus ook in Flevoland voor. Het aandeel allochtonen in Flevoland neemt vooral toe vanwege de stedelijke bevolking in Almere en Lelystad. In Almere is één derde van de bevolking van niet-westerse afkomst en in Lelystad één kwart. Urk kent tussen 2005 en 2006 procentueel de grootste toename van het aantal allochtonen (+8%). Het aandeel allochtonen op Urk is echter nog steeds zeer laag (2%). Figuur 1.6 Allochtonen in de bevolking, Flevoland, per 1 januari 2006 (procentueel)

Bron: provincie Flevoland

9

1.6

Beroepsbevolking
Het afgelopen jaar is de beroepsbevolking met 2,1 procent gegroeid, sneller dan de bevolking van Flevoland (1,0%). Eind 2006 kent Flevoland een beroepsbevolking van circa 181.700 personen. Het aandeel mannelijke beroepsbevolking (58%) blijft groter dan de vrouwelijke beroepsbevolking (42%). Vanaf 2002 is deze verhouding nauwelijks veranderd (figuur 1.7). Figuur 1.7 Ontwikkeling van de beroepsbevolking uitgesplitst naar mannen en vrouwen, Flevoland, 2002-2006 (absoluut)

Bron: Provincie Flevoland

De verkleuring van de bevolking van Flevoland is goed zichtbaar in de beroepsbevolking. Allochtonen vormen een belangrijk groeiend arbeidspotentieel in Nederland en in Flevoland. Ten opzichte van Nederland is het percentage allochtonen in de beroepsbevolking in Flevoland altijd al iets hoger geweest. In 2000 was in Flevoland 18 procent van de beroepsbevolking allochtoon, in Nederland was dit 16 procent. In 2005 was 25 procent van de beroepsbevolking in Flevoland allochtoon, in Nederland was dit 18 procent. Dit is conform de bevolkingsopbouw van Flevoland (zie paragraaf 1.5).

7.7

Arbeidsdeelname
De bruto participatiegraad3 voor mannen en vrouwen ligt in Flevoland ieder jaar boven het landelijke cijfer (figuur 1.8). De arbeidsdeelname voor mannen ligt in Flevoland sinds 2004 op 82 procent en landelijk op 77 procent. Voor vrouwen is het verschil minder groot. In 2006 ligt in Flevoland de deelname voor vrouwen op 60 procent, in Nederland op 59 procent. In totaal blijft de bruto participatiegraad in Flevoland op 71 procent en landelijk op 68 procent.

3 De bruto participatiegraad is de beroepsbevolking (werkzaam en werkloos) in procenten van de bevolking tussen de 15 en 64 jaar.

10

Figuur 1.8 Ontwikkeling bruto participatiegraad naar geslacht, Flevoland en Nederland, 2004-2006 (procentueel)
90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Man 2004 Vrouw Man 2005 Vrouw Man 2006 Vrouw Flevoland Nederland

Bron: Provincie Flevoland, CBS

1.8

Prognose
In het najaar van 2006 is een nieuwe prognose voor de bevolkingsomvang van Flevoland tot 2030 gemaakt (tabel 1.1). De groei van Flevoland zal iedere vijf jaar enkele tienden van procenten afnemen. Toch is de bevolkingsgroei van Flevoland tussen 2006 en 2030 (+ 49%) tientallen procentpunten hoger dan het landelijke gemiddelde (+ 4,4%). Almere zal van alle gemeenten het sterkst groeien tot het jaar 2030 (+ 58%). Ook Zeewolde (+ 56%) en Urk (+ 50%) zullen hun inwoneraantal in die periode verdubbeld zien. De bevolking van de Noordoostpolder (+ 26%) en Lelystad (+ 28%) zullen minder toenemen, maar toch in 2030 ruim een kwart meer inwoners hebben. Almere zal zich tot 2030 ontwikkelen tot een stad met ruim een kwart miljoen inwoners. Al in 2015 woont één op de twee inwoners van Flevoland in Almere. Tabel 1.1 Prognose bevolkingsomvang, per gemeente, 2006-2030
2006
Almere Dronten Lelystad NOP Urk Zeewolde Flevoland

2010 195.700 41.450 74.150 48.450 18.500 21.850 400.100

2015 218.100 43.550 78.850 50.550 20.350 24.050 435.450

2020 240.900 46.250 83.300 52.550 22.250 26.100 471.350

2025 263.700 48.950 87.150 55.100 24.250 28.400 507.550

2030 285.600 52.200 92.050 57.600 26.300 30.700 544.450

181.000 38.150 72.050 45.750 17.600 19.650 374.250

Groei 20062030 104.600 14.050 20.000 11.850 8.700 11.050 170.200

Bron: provincie Flevoland, cijfers op basis van de voorlopige Bevolkingsprognose Flevoland, 2007.

11

De prognose van de bevolking is sterk afhankelijk van de woningbouwproductie in die periode. In de prognose is uitgegaan van de bouw van 3.300 woningen per jaar tot het jaar 2010 en 3.600 woningen in de periode van 2010 tot 2030 om de groeiende bevolking op te kunnen vangen.

1.9

Conclusie
Flevoland is en blijft in Nederland een uitzonderlijke provincie als het gaat om bevolkingsgroei. Ondanks een sinds 2002 sterk dalende trend in de bevolkingsgroei, lag het groeipercentage in 2006 (1,0%) ruim boven de landelijke groei (0,3%). De grootste bevolkingsgroei doet zich voor in de gemeente Almere gevolgd door de gemeente Lelystad. Het thema van een toekomstige krimpende bevolking zoals dat momenteel na publicatie van het rapport van Derks cs.4 in de politieke belangstelling is komen te staan, geldt niet voor Flevoland en ook niet voor de individuele gemeenten. Almere ontwikkelt zich zelfs tot een stad met meer dan een kwart miljoen inwoners. De vergrijzing en ontgroening zijn momenteel belangrijke beleidsthema’s. De nog steeds relatief sterk groeiende bevolking in Flevoland zorgt ervoor dat de groene druk ruim boven het Nederlandse gemiddelde ligt en de grijze druk er ruim onder. Er is dus in de provincie nog geen sprake van vergrijzing en ontgroening, al zal die er op den duur wel komen. Het in de inleiding genoemde thema van de verkleuring van de bevolking (meer niet-westerse allochtonen) doet zich ook in Flevoland voor. Meer dan een kwart van de Flevolandse bevolking is allochtoon. Het Flevolandse percentage ligt daarmee zes procentpunten boven het landelijke gemiddelde (19%). Het merendeel van de allochtonen woont in Almere en Lelystad. De grote groei van de bevolking heeft ook haar weerslag op de groei van de beroepsbevolking. Door een toenemende participatie van vrouwen is de beroepsbevolking sneller gegroeid dan de totale bevolking in Flevoland. De participatiegraad van de beroepsbevolking (de werkzame beroepsbevolking) is in Flevoland hoger dan het landelijke gemiddelde. De participatiegraad is in Flevoland, in vergelijking met het landelijke gemiddelde, zowel hoger onder vrouwen als onder mannen.

4

Zie Wim Derks (2006), Structurele bevolkingsdaling – een urgente invalshoek voor beleidsmakers.

12

2 2.1

WERKGELEGENHEID Inleiding
In 2006 heeft Nederland de hoogste economische groei (2,9%) sinds 2000 vertoond. De werkgelegenheid is daardoor met 150.000 banen toegenomen. In dit hoofdstuk wordt nagegaan hoeveel banen er in de provincie Flevoland zijn bijgekomen. In de analyse wordt een onderscheid gemaakt naar fulltime arbeidsplaatsen, parttime arbeidsplaatsen en flexibele arbeidsplaatsen (uitzendwerk). Banen van twaalf uur of meer per week worden tot de fulltime banen gerekend (deze grens is bepaald door het CBS in samenspraak met Eurostat). Minder dan 12 uur per week is parttime arbeid. De ontwikkeling van het aantal fulltime arbeidsplaatsen is onderwerp van paragraaf 2.2. In de daaropvolgende paragrafen wordt die ontwikkeling ontleed naar bedrijfstak (2.3), geslacht (2.4), gemeente (2.5) en grootteklasse van de bedrijfsvestiging (2.6). De parttime werkgelegenheid komt aan bod in paragraaf 2.7. Vervolgens wordt aandacht besteed aan flexibele arbeid (2.8). In paragraaf 2.9 wordt het aantal openstaande vacatures besproken op basis van meldingen bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Een prognose voor de komende periode wordt in paragraaf 2.10 gegeven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de conclusie (2.11).

2.2

Fulltime arbeidsplaatsen
In 2006 telt Flevoland 123.400 fulltime arbeidsplaatsen; 5.600 fulltime arbeidsplaatsen meer dan in 2005 (+ 5%). Deze toename van 5.600 arbeidsplaatsen is de hoogste van de afgelopen vijf jaar. Over deze hele periode is het aantal arbeidsplaatsen in Flevoland met acht procent gegroeid, terwijl over heel Nederland in dezelfde periode nauwelijks groei is geweest. Zodoende ligt de geïndexeerde groeicurve van Flevoland ruim boven de Nederlandse curve (figuur 2.1). Tussen 2005 en 2006 is de groei van de fulltime arbeidsplaatsen voor Flevoland (+ 5%) ook hoger dan de landelijke toename (+ 2%).

13

Figuur 2.1 Jaarlijkse groei van het aantal fulltime arbeidsplaatsen*, Flevoland absoluut), groei-index Flevoland en Nederland (2002 = 100), 2002-2006

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland, LISA

2.3

Fulltime arbeid naar bedrijfstak5
Bij de werkgelegenheidsgroei wordt het onderscheid gemaakt tussen groei in de verzorgende en stuwende sectoren. Bedrijfstakken die tot de eerste groep behoren hebben een verzorgend karakter voor de (nabije) omgeving. De verzorgende sector genereert nauwelijks inkomsten van buiten de provincie. De groei van de verzorgende bedrijfstakken hangt nauw samen met de omvang en samenstelling van de bevolking. De werkgelegenheid in de verzorgende sector is het afgelopen jaar met 6 procent toegenomen in Flevoland. Vooral in de gezondheids- en welzijnszorg (+ 12%) is de werkgelegenheid gegroeid. De niet-commerciële dienstverlening is nog altijd de grootste werkgever in Flevoland met 36.000 arbeidsplaatsen, 29 procent van de totale werkgelegenheid (tabel 2.1). Van groter belang voor de vitaliteit van de Flevolandse economie is de ontwikkeling van de stuwende sector, die een meer interregionaal en soms internationaal karakter heeft. In tegenstelling tot de verzorgende sector genereert de stuwende sector wel extra inkomsten van buiten de provincie.

5 In deze paragraaf is de fulltime werkgelegenheid bij uitzendbureau’s niet onderverdeeld in de sectoren stuwende of verzorgende bedrijvigheid.

14

Aangezien Flevoland voor het aantrekken en vasthouden van deze activiteiten moet concurreren met andere regio’s, zegt de ontwikkeling van de stuwende sector ook iets over de concurrentiepositie van de provincie. De fulltime werkgelegenheid in de stuwende sector is het afgelopen jaar met drie procent minder hard gegroeid dan de totale provinciale werkgelegenheid (+ 5%). De landbouw en visserij heeft als enige sector niet in de hoogconjunctuur gedeeld. Het aantal arbeidsplaatsen is zelfs met negen procent gedaald. Daarentegen hebben de sectoren bouw en financiële en zakelijke dienstverlening een groei laten zien die boven het provinciale gemiddelde lag. Het is een goed teken dat de stuwende sector nu een groei van drie procent laat zien tegen nul procent vorig jaar. De economische motor begint op gang te komen. Tabel 2.1
Bedrijfstakken 2005 Landbouw en visserij Industrie en nutsbedrijven Bouwnijverheid Groothandel Vervoer en communicatie Financiële en zakelijke dienstverlening Totaal stuwend Detailhandel en horeca Niet-commerciële dienstverlening Totaal verzorgend 7.780 14.320 6.700 10.250 5.620 22.010 66.600 12.980 33.710 46.690

Ontwikkeling van de fulltime* werkgelegenheid naar bedrijfstak*, Flevoland en Nederland, 2005-2006
Flevoland 2006 7.140 14.740 7.160 10.524 5.660 23.260 68.480 13.526 36.140 49.340 % groei 2005-2006 -9% 3% 7% 3% 2% 6% 3% 4% 7% 6% Flevoland aandeel 2006 6% 12% 6% 9% 5% 19% 56% 11% 29% 40% % groei 2005-2006 -1% -1% 1% 1% -1% 2% 1% - 0% 1% 1% Nederland aandeel 2006 4% 14% 7% 7% 6% 18% 56% 12% 32% 44%

Subtotaal (stuwend + verzorgend) Werk bij uitzendbureaus Totaal fulltime plaatsen**

113.370 4.270 117.360

118.140 5.270 123.410

5% 23% 5%

96% 4% 100%

1%

100%

* 12 of meer uur per week ** door afrondingen is het totaal niet gelijk aan de som van de kolommen erboven Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland, LISA (cijfers afgerond op tientallen).

De eerste sector die profiteert van de economische opleving is de uitzendsector. Zo ook in Flevoland. Het afgelopen jaar nam het aantal uitzendbanen met bijna een kwart (+ 23%) toe tot 5.270 banen in 2006. Werkgevers kijken eerst de kat uit de boom en vangen met flexibel uitzendwerk de eerste groei op. Pas als de economische groei doorzet, neemt het aantal personen in vaste dienst toe.

15

Figuur 2.2 De fulltime werkgelegenheid* verdeeld naar de stuwende en verzorgende sector. Flevoland 2002-2006

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland, LISA

De sterke groei van de verzorgende sector (figuur 2.2) is onder andere een gevolg van de toenemende koopbereidheid van de consumenten.

2.4

Fulltime arbeid naar geslacht
Figuur 2.3 Groei van het aantal fulltime* arbeidsplaatsen naar geslacht, Flevoland, 2002-2006 (absoluut)

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

16

Het aantal arbeidsplaatsen is zowel onder mannen als onder vrouwen in 2006 fors toegenomen (figuur 2.3). Onder mannen is het aantal arbeidsplaatsen toegenomen met 3.440 plaatsen, onder vrouwen met 2.180 plaatsen. Deze toename is vele malen hoger dan in 2005, toen er zelfs een afname van het aantal arbeidsplaatsen onder vrouwen was. Relatief gezien is het aantal arbeidsplaatsen het afgelopen jaar onder vrouwen (+ 6%) dan ook het snelste gegroeid. Ook over de laatste vijf jaar is de groei van het aantal arbeidsplaatsen onder vrouwen (+ 9%) sterker dan onder mannen (+ 8%). Figuur 2.4 Aantal fulltime* arbeidsplaatsen naar geslacht, per bedrijfstak, Flevoland, 2006 (absoluut)

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

Er zijn grote verschillen tussen het aandeel werkende mannen en vrouwen in de diverse bedrijfstakken in Flevoland (figuur 2.4). In de niet-commerciële dienstverlening (gezondheidszorg, onderwijs en overheid) is tweederde van het aantal banen vervuld door vrouwen. Dit is één procentpunt hoger dan in het voorgaande jaar (2005). In de andere sectoren zijn de mannen oververtegenwoordigd. In de bouwnijverheid zijn relatief de meeste mannen werkzaam (93%). Relatief gezien is zowel bij mannen als bij vrouwen het aantal banen in de uitzendsector het sterkst gegroeid. Absoluut gezien is dit bij de vrouwen de niet-commerciële dienstverlening (+ 2.028) en bij de mannen de uitzendbureaus (+ 1.029).

17

2.5

Fulltime arbeid naar gemeente
In iedere gemeente, afgezien van de Noordoostpolder (-1%) is het aantal arbeidsplaatsen toegenomen. Vooral in de gemeente Almere is de fulltime werkgelegenheid zowel absoluut (+ 4.050 arbeidsplaatsen) als relatief (+ 7%) het sterkst toegenomen in 2006. Almere zorgt voor bijna driekwart (72%) van de totale groei van de fulltime werkgelegenheid in Flevoland (tabel 2.2). Ook in Dronten is de werkgelegenheid verhoudingsgewijs sterk gegroeid (+ 7%). De daling van het aantal arbeidsplaatsen in de Noordoostpolder is vrijwel volledig aan de landbouw te wijten. Daar zijn in één jaar tijd 300 arbeidsplaatsen verdwenen. De negatieve ontwikkeling in de stuwende sector is onvoldoende gecompenseerd kunnen worden door de groei van de werkgelegenheid in de verzorgende sector. Tabel 2.2 Ontwikkeling van de fulltime* werkgelegenheid naar gemeente, Flevoland, 2002, 2005 en 2006
2002 48.500 10.050 26.000 18.100 5.500 6.100 2005 52.250 9.600 26.500 17.300 5.500 6.700 2006 56.300 10.300 27.200 17.200 5.600 6.850 groei ‘05-‘06 4.050 700 700 -100 100 150 5.600 % groei ‘05-‘06 7% 7% 2% -1% 3% 3% 5% % groei ‘02-‘06 16% 2% 5% -5% 2% 12% 8%

Gemeente Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde Flevoland

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland (cijfers afgerond op vijftigtallen)

De laatste vijf jaar is het aantal fulltime arbeidsplaatsen in Flevoland gegroeid met acht procent (tabel 2.2). In de gemeenten Almere (16%) en Zeewolde (12%) ligt de groei in die periode beduidend boven het provinciale gemiddelde. In bijna alle Flevolandse gemeenten doet de groei zich zowel in de stuwende als in de verzorgende sector voor (tabel 2.3). Alleen in de Noordoostpolder (in de stuwende sector) en Zeewolde (verzorgende sector) daalt het aantal arbeidsplaatsen.

18

Tabel 2.3

Groei van fulltime* werkgelegenheid per sector en per gemeente in Flevoland (absoluut), 2005-2006
Almere Dronten 95 Lelystad -40 NOP -300 Urk -45 35 -370

Landbouw en visserij Industrie en nutsbedrijven Bouwnijverheid Groothandel Vervoer en communicatie Financiële/zakelijke dienstverlening Totaal stuwend Detailhandel en horeca Niet-commerciële dienstverlening Totaal verzorgend Totaal

-115

370 45 345 -5 1495 2.130

55 25 20 -5 375 565

-5 215 10 5 255 440

-25 90 -35 15 -55 -315

-60 60 -30 0 110 30

55 15 0 30 95 230

390 445 305 40 2.275 3.085

265

10

35

110

75

40

540

1.615 1.880 4.010

130 140 710

185 220 660

110 220 -95

30 110 135

-85 -45 185

1.990 2.520 5.605

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland (cijfers afgerond op vijftallen)

2.6

Fulltime arbeid naar grootteklasse van de bedrijfsvestiging
Hoewel Flevoland een sterk MKB bedrijfsleven kent, is het grootste aantal arbeidsplaatsen (56.400 arbeidsplaatsen) te vinden bij het middenbedrijf. Eén op de drie arbeidsplaatsen (33%) zit in een kleinbedrijf tegen één op de vier (28%) in het grootbedrijf. Het aandeel van de fulltime arbeidsplaatsen is bij het kleinbedrijf in 2006 toegenomen met één procentpunt. In het midden- en het grootbedrijf is het aandeel fulltime arbeidsplaatsen gelijk gebleven. Er vindt dus relatief weinig verschuiving plaats in het aandeel van de werkgelegenheid naar grootteklasse. In alle drie grootteklassen is het afgelopen jaar het aantal arbeidsplaatsen toegenomen.

19

Figuur 2.5 Aandeel fulltime* arbeidsplaatsen naar grootteklasse van de vestiging, Flevoland en Nederland, 2006 (procentueel)

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland; LISA, 2006

2.7

Parttime arbeidsplaatsen
In 2006 telt Flevoland 30.600 parttime arbeidsplaatsen, één vijfde van het totale aantal banen in Flevoland. Het aantal parttime arbeidsplaatsen is afgelopen jaar met twaalf procent toegenomen (+ 3.200 arbeidsplaatsen). Sinds 2002 is het aantal parttime arbeidsplaatsen nog niet zo snel gegroeid (figuur 2.6). De procentuele groei van het aantal parttime arbeidsplaatsen is meer dan het dubbele van het aantal fulltime arbeidsplaatsen, dat met vijf procent groeide (zie paragraaf 2.2). Ook dit is een teken van een langzaam op gang komende economie, dat eerst met parttime arbeid tracht de economische groei op te vangen (vergelijkbaar met het uitzendwerk). In 2006 zijn relatief de meeste parttime arbeidsplaatsen te vinden in de horeca (29%) gevolgd door de zakelijke dienstverlening (28%). Ook in de niet-commerciële dienstverlening werkt meer dan een kwart (28%) van alle parttimers. In de bouw werken nauwelijks parttimers (1% van het totaal aan parttime arbeidsplaatsen in Flevoland).

20

Figuur 2.6 Jaarlijkse groei van het aantal parttime* arbeidsplaatsen, absoluut en groei-index (2002=100) naar geslacht, Flevoland, 2002-2006

* 12 of meer uur per week Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

In de niet-commerciële dienstverlening wordt ruim driekwart van de parttime arbeidsplaatsen door vrouwen vervuld. Vooral in de gezondheidszorg (91%) werken meer vrouwen dan mannen parttime. Ook in de industrie, handel en horeca werken veel vrouwen parttime. In de sector financiële en zakelijke dienstverlening is een tweedeling te zien. In de financiële dienstverlening worden de meeste parttime banen door vrouwen vervuld, terwijl in de zakelijke dienstverlening meer mannen de parttime banen vervullen. In de overige sectoren zijn mannen oververtegenwoordigd. De sector vervoer en communicatie kent een hoog percentage parttime arbeidsplaatsen dat door mannen wordt bezet (62%) evenals het openbaar bestuur en overheid (75%). Sinds 2003 ligt de geïndexeerde groei van het aantal parttime arbeidsplaatsen voor vrouwen onder dat van mannen (figuur 2.6). Het aantal vrouwelijke parttimers is echter in de periode 2005 tot 2006 meer toegenomen (+13%), dan het aantal mannelijke parttimers (+10%).

2.8

Flexibele arbeid
Flexibele arbeiders zijn personen met een dienstverband korter dan één jaar zonder toezegging van een vaste aanstelling. Hieronder vallen uitzendkrachten, oproepkrachten en invalkrachten. In 2006 waren er 5.040 flexibele arbeidsplaatsen, 1.600 plaatsen (+46%) meer dan het jaar ervoor.

21

Figuur 2.7 Flexibele arbeid per bedrijfstak, Flevoland, 2005-2006 (absoluut)

Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

De industrie (27%) en de financiële en zakelijke dienstverlening (26%) vormen samen meer dan de helft van het aanbod aan flexibele arbeid (figuur 2.7). Bovendien groeit in beide sectoren het aantal flexwerkers tussen 2005 en 2006, in de tak zakelijke dienstverlening zelfs met 69 procent. Flexwerkers vervullen dus een belangrijke taak in deze twee sectoren, vooral om de pieken in de productie c.q. administratie op te vangen. De opvallende groei in de niet-commerciële dienstverlening (+130%) wordt veroorzaakt door administratieve correcties en een groei bij de overheid. Alleen in de sector vervoer en communicatie (- 1%) is het aantal flexwerkers afgenomen. Deze sector is na de landbouw en visserij (aandeel van één procent) tevens de sector met de minste flexwerkers.

2.9

Vacatures6
Werkgevers hebben steeds meer moeite om vacatures te vervullen. Bedrijven en instellingen kunnen steeds moeilijker aan personeel komen. Dat is de reden dat ze steeds vaker het CWI inschakelen. Het aantal vacaturemeldingen bij het CWI is ten opzichte van 2005 met 25 procent toegenomen tot 8.200 vacatures in 2006. Landelijk (CWI) nam het aantal vacatures met 9% toe. Het aantal gemelde vacatures is vooral hoog in de zakelijke dienstverlening. Dat komt doordat uitzendbureaus steeds vaker een beroep doen op en samen werken met het CWI. Zo bestaat het bestand van het CWI voor tweederde (68%) uit vacatures van uitzendbureaus7. Daarbij illustrerend dat bij een aantrekkende economie vooral uitzendbureaus worden gebruikt om nieuw personeel te vinden.

6 De vacatures in deze paragraaf zijn afkomstig van direct gemelde vacatures bij het CWI. 7 Er is ook informatie beschikbaar via www.werkpunt.nl, waar informatie beschikbaar is welke kwalificaties c.q. beroepen bedrijven vragen die in Flevoland nieuw personeel werven.

22

Figuur 2.8 Aantal geregistreerde vacatures bij CWI in 2004, 2005 en 2006

Bron: CWI AKA Midden West Nederland

De grootste vraag naar werknemers zit in de lagere beroepen (59 procent van het totale aantal vacatures, landelijk 58%). In de middelbare beroepen is er vooral vraag naar middelbare administratief geschoolde werknemers (17%) en middelbare technische opgeleide mensen (12%). Er is relatief weinig vraag naar hogere opgeleiden (6%, landelijk 8%). Tabel 2.4 Geregistreerde vacatures naar beroepsindeling in Flevoland (absoluut), 2006
Almere Lagere beroepen Middelbare beroepen Hogere beroepen Totaal * 12 of meer uur per week Bron: CWI 1.376 1.461 204 3.041 794 572 137 1.503 Rest 2.628 873 156 3.657 Flevoland 4.798 2.906 497 8.201 59% 35% 6% 100%

2.10

Prognose
De komende jaren wordt door het Centraal Plan Bureau een economische groei van twee procent verwacht. Voor 2007 wordt verwacht dat vooral de bedrijfsinvesteringen zullen aantrekken, terwijl de consumptie op peil blijft. Na een krimp in de afgelopen vier jaar (-350.000 arbeidsjaren) is de werkgelegenheid in 2006 toegenomen met 80.000 arbeidsjaren. Deze werkgelegenheidsgroei zal zich in 2007 in versterkte mate doorzetten. Landelijk wordt de groei op twee procent geraamd. Voor Flevoland verwachten we een zelfde ontwikkeling als in 2006, dus een groei van de werkgelegenheid met vijf procent. Voor de periode 2008-2011 verwacht het Centraal Planbureau een groei van twee procent per jaar voor de Nederlandse economie. De groei zal aanhouden en landelijk zal het aantal banen met gemiddeld 130 duizend per jaar toenemen volgens de arbeidsmarktprognose 2006-2011 van het CWI.

23

In Flevoland neemt zowel het aantal banen als de omvang van de beroepsbevolking veel sterker toe dan in andere regio’s. Doordat veel economische activiteiten bevolkingsvolgend zijn, springt Flevoland er landelijk uit met een hoge banengroei. In 2007 zal de grootste banengroei landelijk en in Flevoland plaatsvinden in de sectoren zakelijke diensten, zorg en welzijn en detailhandel. Gedurende de periode 2008-2011 zal er globaal sprake zijn van de dezelfde ontwikkelingen als in de jaren 2006 en 2007. De groei van het aantal banen en van de beroepsbevolking in Flevoland zal boven het nationale gemiddelde blijven liggen.

2.11

Conclusie
Na drie jaar van een beperkte groei van de werkgelegenheid is in 2006 de werkgelegenheid weer sterk toegenomen. Er zijn ruim 5.600 nieuwe fulltime (+ 5%) en 3.200 parttime banen (+ 12%) bijgekomen. Ook het aantal flexibele banen is stormachtig gestegen, met 1.600 plaatsen (+ 46%). De hemel boven de werkgelegenheid lijkt weer strak blauw te worden, zeker als we de voorspellingen voor het komende jaar erbij betrekken. De verwachting is dat de groei van de werkgelegenheid zich in 2007 nog gunstiger zal ontwikkelen dan in 2006. Daarna zal de werkgelegenheidsgroei iets afzwakken, maar zich nog wel gunstig ontwikkelen. Het afgelopen jaar heeft vooral de werkgelegenheid in de verzorgende sector zich positief (+ 2.650 fulltime arbeidsplaatsen, + 6%) ontwikkeld. Dat is een goed teken, omdat de ontwikkeling van het voorzieningenniveau in de provincie achterbleef bij het landelijke gemiddelde. Nog gunstiger is dat ook de stuwende sector een positieve werkgelegenheidsgroei liet zien (+ 1.200 fulltime arbeidsplaatsen, + 3%), terwijl zij vorig jaar geen groei vertoonde. Als belangrijke motor voor de verdere economische ontwikkeling is dat een goede ontwikkeling. Gevolg van deze sterke groei is dat bedrijven steeds meer moeite krijgen om goed personeel te vinden. Het aantal geregistreerde vacatures bij het CWI stijgt dan ook razendsnel (+ 1.630 vacatures, + 25%). Een ander gevolg van de gunstige werkgelegenheidsontwikkeling is dat het aantal werkende vrouwen sterk is gestegen (+ 2.600 fulltime arbeidsplaatsen), terwijl er vorig jaar nog een afname te zien was. Desondanks is de groei bij de mannen nog iets hoger (+ 3.500 fulltime arbeidsplaatsen).

24

3 3.1

WERKLOOSHEID Inleiding
Nu de economie weer op volle toeren begint te draaien is de verwachting dat de werkloosheid gaat dalen. De bedrijven doen een steeds groter beroep op de arbeidsmarkt, waardoor ook mensen, die nu als werkloos staan ingeschreven, weer meer kans maken om een voor hen geschikte baan te vinden. In dit hoofdstuk wordt nagegaan hoe dit voor de provincie Flevoland uitpakt. Het hoofdstuk is gebaseerd op gegevens van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) dat werklozen (NWW-ers) op gemeenteniveau registreert, dit in tegenstelling tot het CBS. Allereerst gaat dit hoofdstuk in op de daling en de veranderende samenstelling van het NWW-bestand. In paragraaf 3.2 komt de ontwikkeling van de werkloosheid in Flevoland in de laatste vijf jaar aan bod. In de daaropvolgende paragraaf wordt aandacht besteed aan de werkloosheid op gemeentelijk niveau (3.3), gevolgd door de verdeling naar geslacht (3.4), leeftijd (3.5), opleiding (3.6), fasering (3.7) en inschrijfduur (3.8). In paragraaf 3.9 wordt stilgestaan bij de prognoses van het CWI voor de arbeidsmarkt. Het hoofdstuk sluit met de conclusie (3.10). Over werkloosheid naar etniciteit waren geen gegevens beschikbaar.

3.2

Aantal werklozen
Het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) registreert de bij haar ingeschreven niet- werkende werkzoekenden (werklozen, NWW-ers). Onder werklozen vallen ook mensen die een baan van minder dan twaalf uur per week zoeken. Het aantal werklozen lag op 1 januari 2007 in Flevoland op 14.300 personen. Ten opzichte van het jaar daarvoor betekende dat een afname van 17,5% (3.000 personen). In 2005 daalde het aantal werklozen in Nederland, terwijl het in Flevoland steeg. Dit verschil is in 2006 gelijk getrokken. Landelijk bedroeg de daling tien procent tegen achttien procent in Flevoland8 Door de daling van het aantal werklozen bedroeg het percentage werklozen ten opzichte van de beroepsbevolking in Flevoland aan het einde van 2006 7,9 procent (figuur 3.1). Dit percentage is beduidend lager dan het voorgaande jaar (10%) en ligt ook lager dan het Nederlandse aandeel (8,3%). Als die ontwikkeling doorzet, zal Flevoland weer een gunstige arbeidsmarkt hebben.

8 Volgens de steekproef van het CBS is het aantal werklozen in 2006 in alle provincies gedaald, maar heeft Flevoland de hoogste werkloosheid. Vergelijking met de hier gepresenteerde gegevens is niet goed mogelijk door de verschillende definities, methodes en peildata.

25

Figuur 3.1 Werklozen in Flevoland (absoluut) en als percentage werklozen van de beroepsbevolking, Flevoland en Nederland, 2002-2006¹

¹ Ultimo van het jaar Bron: CWI AKA Midden West Nederland, CBS

3.3

Werklozen naar gemeente
De werkloosheid is in 2006 in alle gemeenten gedaald. In de gemeenten Lelystad en Almere blijft het werkloosheidspercentage hoger dan in de andere Flevolandse gemeenten. Figuur 3.2 Aandeel werklozen in de beroepsbevolking per gemeente, Flevoland, 2002-2006

Bron: CWI AKA Midden West Nederland, Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

In deze twee gemeenten woont 70 procent van de beroepsbevolking van Flevoland, maar zit ook 78 procent van het aantal werklozen van Flevoland. In de steden is en blijft de werkloosheid dus hoger dan in de plattelandsgemeenten.

26

Wat dat betreft is er sinds 2005, toen deze verhouding bijna exact hetzelfde was, niets veranderd. In de gemeente Urk blijft de werkloosheid het laagst (figuur 3.2).

3.4

Werklozen naar geslacht
Vooral mannelijke werklozen hebben geprofiteerd net als vorig jaar van de aantrekkende economie. Het aantal mannelijke werklozen is gedaald met meer dan twintig procent (-21%), tegen vijftien procent bij de vrouwen. Toch is ook bij de vrouwen de situatie gunstiger geworden, want in 2005 nam het aantal vrouwelijke werklozen nog met negen procent toe. Elf procent van de vrouwelijke beroepsbevolking in nu werkloos tegen zes procent bij de mannen. Het verschil tussen het aandeel vrouwelijke werklozen en het aandeel mannelijke werklozen is net als vorig jaar groter geworden (figuur 3.3). Figuur 3.3 Werklozen, absoluut en in percentages van de beroepsbevolking naar geslacht, Flevoland, 2002-2006

Bron: CWI AKA Midden West Nederland, Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland

3.5

Werklozen naar leeftijd
Er zijn grote verschillen naar leeftijdsgroepen. Oudere werklozen (40 jaar en ouder) vinden nog steeds moeilijk een baan. In 2005 maakten de 40-plussers bijna de helft (47%) uit van de in totaal 17.300 werklozen. In 2006 was dit elf procentpunten meer; bijna drievijfde (58%), in het totaal gaat het om 8.300 personen. Vooral in de leeftijdsgroep 50 jaar en ouder is een sterke stijging waar te nemen (+ acht procentpunten). In de jongere leeftijdscategorieën is uiteraard een tegenovergesteld beeld te zien. Het aandeel jongeren tot 23 jaar neemt met vijf procentpunten af. In 2006 zijn nog 800 jongeren werkzoekend. Uit de leeftijdsgroep 23 tot 40 jaar zijn de meeste personen opgenomen door de arbeidsmarkt, deze groep maakt nu zeven procentpunten minder uit van het totale aantal werklozen dan vorig jaar en bedraagt in 2006 5.200 personen.

27

Figuur 3.4 Aandeel werklozen naar leeftijd in percentages van het totaal aantal werkzoekenden, Flevoland, 2005-2006.

Bron: CWI AKA Midden West Nederland

3.6

Werklozen naar opleiding
De werkloosheid is tussen 2005 en 2006 in absolute zin het meest afgenomen onder personen met een middelbare opleiding (-1.300 personen). In de verhouding tussen de opleidingscategorieën is er tussen 2004 en 2006 niet veel veranderd. Ook het aandeel werklozen met de opleiding VMBO nam af met 1.100 personen. Een deel van deze personen zal verder zijn gaan studeren, maar een deel zal ook zijn weg op de arbeidsmarkt hebben gevonden. Ook vanuit de groep werklozen met de opleiding HAVO/VWO (middelbare opleidingen) stromen personen door naar de hogere opleidingen (HBO, WO). Figuur 3.5 Werklozen naar opleidingsniveau in procenten, Flevoland, 2004, 2005 en 2006

Bron: CWI AKA Midden West Nederland

Ondanks de sterke absolute afname blijft de werkloosheid het hoogste onder de personen met een middelbare opleiding (37% van alle werklozen). Ook bij werklozen met een opleiding VMBO is het aandeel groot (30%). Het laagste aandeel werklozen is te vinden in de categorieën WO/Master (4%) en HBO/ Bachelor (10%) (figuur 3.5). In de laatste drie jaar heeft zich geen grote verschuiving voorgedaan in het aandeel van de verschillende opleidingsniveaus.

28

3.7

Werklozen naar fasering
Om meer zicht te krijgen op de kansen van werklozen hanteren de Centra voor Werk en Inkomen een fase-indeling. Zij beoordelen iedere inschrijving op de volgende hoofdpunten: beroep, opleiding, werkervaring en persoonlijke kenmerken. Op basis van de totaalscore wordt de werkzoekende ingedeeld in een fase, welke iets zegt over zijn of haar kansen op de arbeidsmarkt9. Tabel 3.1 Verdeling aantal werklozen naar fase, Flevoland, 2005 en 2006
2005 Absoluut Fase 1 Fase 2 Fase 3 Fase 4 Nader te bepalen & onbekend Totaal 2.780 3.630 6.526 3.969 417 17.322 Procentueel 16 % 21 % 38 % 23 % 2% 100 % Absoluut 1.601 3.008 5.936 3.558 193 14.296 2006 Procentueel 11 % 21 % 42 % 25 % 1% 100 %

Bron: CWI AKA Midden West Nederland

Het aantal werklozen in de eerste fase (gemakkelijk bemiddelbaar) is in 2006 in Flevoland het sterkst afgenomen, absoluut met 1.200 personen. Het aandeel daalde met vijf procentpunten. De daling in fase 1 is een gevolg van de aantrekkende economie, waarbij allereerst de gemakkelijk in te zetten werklozen worden opgenomen. Het aantal personen in fase 3 (nog niet bemiddelbaar) nam absoluut wel af (met 600 personen), maar het aandeel steeg met vier procentpunten. Dat geldt ook voor het aantal personen in fase 4, dat met twee procentpunten is toenam. Gevolg van de economische ontwikkeling is dat verhoudingsgewijs meer werklozen in de moeilijker te bemiddelen fases zitten. Het toeleiden naar de arbeidsmarkt van deze groepen werklozen wordt dus steeds belangrijker. Dat dit lukt, bewijst de daling van het absolute aantal werklozen in deze drie fasen (tabel 3.1).

3.8

Werklozen naar inschrijfduur
De tijdsperiode dat werklozen zonder werk zijn, is een belangrijk onderscheid dat gemaakt wordt. Bij werkloosheid langer dan één jaar wordt gesproken van langdurig werkloosheid. Voor deze groep geldt dat het steeds moeilijker wordt een baan te vinden, doordat ze al een lange tijd buiten het arbeidsproces staan. Langdurige werkloosheid en het daardoor missen van werkervaring en/of op de huidige arbeidsmarkt afgestemde kennis en vaardigheid (o.a. opleiding) is vaak een belangrijke oorzaak van afwijzing bij sollicitatie. Het is dan ook juist die groep die ondersteuning in de vorm van werkervaring en opleiding nodig heeft. Van de totale groep werklozen in Flevoland, staat 14 procent zelfs langer dan drie jaar ingeschreven in het CWI bestand.
9 De volgende vier fasen worden door het CWI gehanteerd: direct bemiddelbaar met een grote kans op werk (fase 1), na een kort arbeidsinpassingtraject bemiddelbaar (fase 2), na een lang arbeidsinpassingstraject bemiddelbaar (fase 3) en (nog) niet bemiddelbaar (fase 4).

29

Figuur 3.6 Verdeling langdurig werklozen naar leeftijd in percentages, Flevoland, 2006

Bron: CWI, 2006

De kans om binnen drie jaar een baan te vinden is niet voor iedereen gelijk. Het probleem van langdurige werkloosheid doet zich vaker voor in specifieke groepen. Die groepen kenmerken zich door het relatief lage opleidingsniveau (figuur 3.6) en de hogere leeftijd (figuur 3.7). Figuur 3.7 Verdeling langdurig werklozen naar opleiding in percentages, Flevoland, 2006

Bron: CWI, 2006

Zo is meer dan de helft (55%) van de langdurige werklozen niet in het bezit van een erkende startkwalificatie10 voor de arbeidsmarkt. Van degenen waarvan de kwalificatie wel bekend is, heeft éénvijfde slechts een opleiding op het niveau van het VMBO. Slechts weinig werklozen hebben het kwalificatieniveau HBO of WO. Naast dit relatief lage opleidingsniveau van de langdurig werklozen, is ook nog meer dan de helft ouder dan 50 jaar.

10

Minimale kwalificatie is MBO niveau 2, wat inhoudt dat men zelfstandig mag werken.

30

3.9

Prognose
De opbloei van de economie is duidelijk terug te vinden in de prognose voor de komende vijf jaar. De CWI Arbeidsmarktprognose 2006-2011 laat een duidelijke verbetering op de arbeidsmarkt voor werkzoekenden zien. De werkloosheid zal de komende jaren dalen en er dreigt weer krapte op de arbeidsmarkt te ontstaan. De jaren 1995-2001, de vorige periode van hoogconjunctuur, kenmerkten zich door het gelijktijdige voorkomen van een aanzienlijke werkloosheid en van moeilijk vervulbare vacatures in bepaalde sectoren en beroepen. Het gevaar dreigt dat deze situatie ook nu weer gaat optreden. De vraag naar arbeid in Nederland zal in 2007 sterk groeien met 162 duizend banen. Ook in de jaren erna zal de groei verder aanhouden. Het aantal banen steeg in Nederland in 2006 al sterker dan de beroepsbevolking. De verwachting is dat in 2007 het aantal werklozen zal afnemen met 14 procent. Deze daling zet zich vooral door bij hoogopgeleiden. Het aantal laagopgeleiden met alleen basisonderwijs neemt toe. Zo zullen er in 2007 275 duizend laagopgeleide werkzoekenden zijn. Ook het aantal ouderen (55-plussers) in de beroepsbevolking zal steeds verder toenemen. Eénvijfde van alle werklozen is een oudere. Flevoland verschilt van Nederland door een forse banengroei. Ook zal door de groei van de bevolking als gevolg van het omvangrijke woningbouwprogramma de beroepsbevolking groeien. Zowel het aantal banen als de omvang van de beroepsbevolking neemt daardoor veel sterker toe dan in andere regio’s. Dit zal voor de provincie Flevoland resulteren in een afname van het werkloosheidspercentage van 2,1 procentpunt in twee jaar. Het aantal werklozen zal afnemen, maar werkzoekenden met een slechte uitgangspositie profiteren weinig van de economische verbeteringen. Eén van de oorzaken is de teruglopende vraag naar lager- of ongeschoold werk, doordat lager geschoold productiewerk steeds vaker naar lage loonlanden wordt verplaatst.

3.10

Conclusie
De effecten van een aantrekkende economie zijn op de arbeidsmarkt duidelijk merkbaar. Het aantal werklozen is het afgelopen jaar gedaald, in Flevoland (-17,5%) zelfs sneller dan in Nederland (-9%). De situatie dreigt dat er door tekorten aan bepaalde beroepsgroepen spanningen op de arbeidsmarkt ontstaan. Naast de aantrekkende economie speelt ook de teruglopende beroepsbevolking in Nederland als gevolg van de vergrijzing een steeds grotere rol. Daarbij bevindt Flevoland zich in een relatief gunstige situatie door de nog groeiende beroepsbevolking. Naast dit “kwantitatieve” probleem wordt ook een “kwalitatief” probleem steeds duidelijker zichtbaar. Oudere en laagopgeleide werklozen vullen steeds meer de databestanden. De jongeren en hoogopgeleiden zijn daarin nauwelijks meer te vinden. Toch biedt de voortschrijdende spanning op de arbeidsmarkt ook perspectieven voor de ouderen en lager opgeleiden, omdat zij na een her-, omof bijscholing gemakkelijker een baan zullen kunnen vinden.

31

Hoewel het aandeel vrouwen in het totale aantal werklozen toeneemt, hebben het afgelopen jaar toch veel vrouwen de weg naar de arbeidsmarkt weten te vinden. Volgens het CBS heeft in Nederland zelfs een record aantal vrouwen een baan. De arbeidsparticipatie van vrouwen is het afgelopen jaar ook veel sneller toegenomen dan bij mannen. Kortom, ondanks enkele tekortkomingen staan de lichten op de arbeidsmarkt op groen.

32

4 4.1

BEDRIJVENDYNAMIEK Inleiding
Vaak wordt vergeten dat er zich ook in de structuur van de bedrijvigheid veel dynamiek afspeelt. Er komen nieuwe bedrijven bij, andere bedrijven verdwijnen of verplaatsen zich. Er is dus sprake van veel dynamiek. Als vuistregel kan men hanteren dat ieder jaar gemiddeld één op de acht bedrijven aan deze dynamiek onderhevig is. In dit hoofdstuk wordt die dynamiek van de bedrijven in Flevoland nader bekeken. Er wordt ingegaan op de verandering van het aantal bedrijfsvestigingen als gevolg van oprichting, opheffing, immigratie en emigratie van bedrijfsvestigingen. In paragraaf 4.2 wordt op de ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen ingegaan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van gegevens uit het provinciale vestigingenregister. In paragraaf 4.3 komt de netto groei van het aantal bedrijfsvestigingen aan bod. Hierbij zijn de mutatiebalansen van de Kamer van Koophandel als gegevensbron gebruikt. Uit deze mutatiebalansen is de netto groei naar bedrijfstak (paragraaf 4.4) en de netto groei naar gemeente (paragraaf 4.5) afgeleid. Paragraaf 4.6 vormt de conclusie.

5.2

Aantal vestigingen
Om de ontwikkeling van het totaal aantal bedrijfsvestigingen in de provincie in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van het provinciale vestigingenregister. Dit in tegenstelling tot de rest van het hoofdstuk, waarvoor gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel worden gebruikt. Er wordt gebruik gemaakt van het provinciale register, omdat in het register van de Kamer van Koophandel niet alle economische activiteiten verplicht zijn om zich in te schrijven11. Het provinciale vestigingenregister omvat daarentegen alle bedrijfsvestigingen, ook bedrijven die niet in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven staan. Het aantal bedrijfsvestigingen is het afgelopen jaar met acht procent toegenomen (in Nederland met drie procent. Op 1 januari 2007 waren er in Flevoland 24.100 bedrijfsvestigingen, 1.500 vestigingen meer dan een jaar eerder. Over de hele periode 2002-2007 is het aantal bedrijfsvestigingen met 19 procent toegenomen. Ter vergelijking: in Nederland is in dezelfde periode het aantal vestigingen met zeven procent toegenomen. Het aantal vestigingen in de niet-commerciële dienstverlening is de afgelopen vijf jaar het meest toegenomen (+ 37 %), gevolgd door de bouw (+ 29%) en de handel en de horeca (+23%). De landbouw en visserij is de enige sector, waar het aantal vestigingen in de laatste vijf jaar is afgenomen (- 4%).

11 Economische activiteiten waarvoor geen inschrijvingplicht bij de Kamer van Koophandel geldt zijn: (1) vrije beroepen; (2) overheidsbedrijven en publiekrechtelijke lichamen; (3) ondernemingen in de landbouw en visserij met een natuurlijk persoon als eigenaar; (4) straathandel in de vorm van venten.

33

Het afgelopen jaar is het aantal vestigingen in de bouw (+ 15%) en nietcommerciële diensten (+ 10%) het sterkst toegenomen. In de landbouw en visserij blijft het aantal vestigingen dalen (- 1%). Het afgelopen jaar waren er 119 vestigingen minder dan in 2005. Ondanks deze afname maakt deze bedrijfstak nog wel 10 procent uit van alle vestigingen in Flevoland. De meeste vestigingen bevinden zich in de financiële en zakelijke dienstverlening (27%), gevolgd door de handel en de horeca (25%). Er zijn weinig bedrijven in het vervoer en de communicatie in Flevoland (4%). Figuur 4.1 Aantal bedrijfsvestigingen naar bedrijfstak, Flevoland, 2002 en 2006 (absoluut)

Bron: Provincie Flevoland

De verdeling van het aantal bedrijfsvestigingen naar grootteklasse is ten opzichte van het voorgaande jaar nauwelijks veranderd (figuur 4.1). Veruit de meeste vestigingen in Flevoland (90%) behoren tot het kleinbedrijf. Het aantal kleine bedrijven is het afgelopen jaar met negen procent toegenomen. Vooral in de financiële en zakelijke dienstverlening (31%) en in de handel en horeca (28%) zitten veel kleine bedrijven. Grote bedrijven zijn vooral te vinden in de nietcommerciële dienstverlening (37%) en in de industrie (18%). Tabel 4.1 en 2006 Aantal bedrijfsvestigingen naar grootteklasse*, Flevoland, 2005
2005 aantal Kleine vestiging (< 10 personen) Middelgrote vestiging (10 tot 100 personen) Grote vestiging (100 of meer personen) Totaal bedrijfsvestigingen 20.076 100% 21.803 100% 1.798 9,0% 150 0,7% 161 0,7% 11 7,3% 1.756 8,7% 1.888 8,7% 132 7,5% 18.170 aandeel 90,5% aantal 19.754 2006 aandeel 90,6% groei 2005-2006 absoluut 1.655 procentueel 9,1%

*zowel in 2005 als in 2006 was niet van alle bedrijven de grootteklasse bekend Bron: Kamer van Koophandel

34

4.3

Netto groei
Het aantal bedrijfsvestigingen in Flevoland, dat inschrijvingsplichtig is bij de Kamer van Koophandel, is in 2006 sterk gegroeid (+1.755 bedrijfsvestigingen, + 7%). De groei van het aantal vestigingen lag daarmee in 2006 iets boven het groeipercentage van het jaar daarvoor (2005: 6%). Landelijk was het percentage lager, namelijk 5%. Figuur 4.2 Aantal ingeschreven vestigingen bij de Kamer van Koophandel Flevoland, per 1 januari 2001-2006 en jaarlijks procentuele groei van het aantal vestigingen in Flevoland en Nederland, 2001-2005

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

De netto groei van het aantal bedrijfsvestigingen wordt bepaald door het aantal verschenen vestigingen (door oprichtingen en immigraties) en het aantal verdwenen vestigingen (door opheffingen en emigraties). In de periode 20022006 kwamen er per jaar gemiddeld 1.804 bedrijfsvestigingen bij. In 2006 was de netto groei van het aantal bedrijfsvestigingen 2.442. In 2006 zijn in Flevoland 4.301 bedrijfsvestigingen opgericht, een stijging van 8% ten opzichte van 2005. Zes van de tien oprichtingen waren startende bedrijven. Dit percentage starters is in de afgelopen vijf jaar gestegen van vijf van de tien oprichtingen naar zes op de tien oprichtingen. Toch was de toename van het aantal startende bedrijven niet meer zo spectaculair (10%) als het vorige jaar, toen het aantal starters nog met een ruim een kwart (28%) toenam. Desondanks waren er in 2006 meer starters dan ooit in de provincie, namelijk 2.555 startende bedrijven. In 2006 werden 1.999 bedrijfsvestigingen opgeheven, een lichte stijging van 4% vergeleken met vorig jaar (tabel 4.2). Het aantal faillissementen is het laatste jaar gedaald van 8% in 2005 naar 1% in 2006. Ook een teken dat het economisch beter gaat in het bedrijfsleven.

35

Het overgrote merendeel van de netto groei (94%) van het aantal bedrijfsvestigingen in Flevoland werd veroorzaakt door de natuurlijke aanwas. Migratie van bedrijven draagt slechts in bescheiden mate bij aan de groei van het aantal bedrijfsvestigingen. Dit aandeel is de laatste vijf jaar zelfs afgenomen van 12% in 2002 tot 6% in 2006. Het is veel meer de autonome dynamiek die zorgt voor de toename van het aantal bedrijfsvestigingen. Het migratiesaldo dat de laatste jaren sterk was afgenomen is in 2006 voor het eerst weer toegenomen. In 2005 was het migratiesaldo bijna te verwaarlozen (nog geen 1% van de netto groei), maar in 2006 bedroeg haar aandeel ruim 6% in de netto groei van het aantal bedrijfsvestigingen. Die stijging van het migratiesaldo komt door de voortdurende stijging (3%) van het aantal immigrerende bedrijfsvestigingen, terwijl het aantal emigrerende bedrijfsvestigingen daalt (- 17%) (tabel 4.2). Tabel 4.2 Oprichting, opheffing, immigratie en emigratie van bedrijfsvestigingen in Flevoland, 2002-2006 (absoluut)
2002 Oprichtingen waarvan starters Opheffingen Immigratie* Emigratie* Netto groei 2.917 1.359 1.520 644 452 1.589 2003 2.813 1.382 1.795 617 431 1.204 2004 3.442 1.803 1.850 631 499 1.724 2005 3.965 2.314 1.922 645 629 2.059 2006 4.301 2.555 1.999 662 522 2.442

* Immigratie en emigratie zijn exclusief verplaatsingen binnen Flevoland Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

4.4

Netto groei naar bedrijfstak12
In alle bedrijfstakken wordt de groei van het aantal vestigingen veroorzaakt door een grote natuurlijke aanwas (figuur 4.3). Alleen bij het vervoer was het verschil het kleinst. De natuurlijke aanwas is absoluut gezien in de dienstverlening (zakelijke en overige) het hoogste van alle bedrijfstakken (in totaal 1.068 vestigingen) en in de financiële bedrijfstak en het vervoer het kleinst. In tegenstelling tot het voorafgaande jaar was er in 2006 bij bijna alle bedrijfstakken een positief migratiesaldo zichtbaar. Enige uitzondering was de zakelijke dienstverlening met een negatief migratiesaldo. In de bouw en in de horeca was het migratiesaldo nul.

12 De Kamers van Koophandel hanteren voor de mutatiebalansen een bedrijfstakindeling volgens de Bedrijfsindeling Kamer van Koophandel en Fabrieken 1995 (BIK ’95).

36

Figuur 4.3 Migratiesaldo en natuurlijke aanwas van bedrijfsvestigingen naar bedrijfstak, Flevoland, 2006* (absoluut)

* Categorie “zakelijke dienstverlening” is een samenstelling van de KvK-categorieën persoonlijke diensten en algemene diensten. De categorie “overige diensverlening” bestaat uit de KvK-categorieën adviesdiensten en facilitaire diensten. Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

4.5

Netto groei naar gemeente
Absoluut gezien groeide in 2006 het aantal bedrijfsvestigingen het meest in Almere (+1.145 vestigingen), gevolgd door Lelystad (+ 476 vestigingen) en de Noordoostpolder (+ 273 vestigingen). Procentueel lag de groei van het aantal bedrijfsvestigingen in alle gemeenten in Flevoland gemiddeld een kwart hoger dan in 2005. Uitschieters naar boven waren de gemeenten Lelystad (40%), Noordoostpolder (35%) en Dronten (33%). De groeipercentages op Urk (17%), in Zeewolde (12%) en in Almere ( 6%.) lagen onder het gemiddelde. Het lage percentage in Almere komt door het grote aantal reeds aanwezige bedrijfsvestigingen. In alle Flevolandse gemeenten bepaalde de natuurlijke aanwas de netto groei. Op één gemeente na (de gemeente Noordoostpolder) was er in alle gemeenten sprake van een positief migratiesaldo (figuur 4.4).

37

Figuur 4.4 Migratiesaldo en natuurlijke aanwas bedrijfsvestigingen per gemeente, Flevoland, 2006 (absoluut)

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

In 2006 hadden zich 662 nieuwe bedrijven in Flevoland gevestigd. Daarvan was ruim een kwart (28%) afkomstig uit Amsterdam en ongeveer een vijfde uit het Gooi- en Eemland (met o.a. de plaatsen Hilversum en Amersfoort, 20%) en nog eens bijna een vijfde uit West-Nederland (17%). Van de geïmmigreerde bedrijfsvestigingen heeft drievijfde gekozen voor Almere als vestigingsplaats (60%). Eén op de zes bedrijven koos voor Lelystad als favoriete bestemming. Almere blijft de belangrijkste stad voor binnenkomende bedrijven. De overige gemeenten krijgen veel minder krenten uit de pap zoals Urk (1%), Noordoostpolder (6%), Zeewolde (8%) en Dronten (9%). Tabel 4.3
Van Naar Almere Dronten Lelystad NOP Urk Zeewolde Flevoland

Aantal geïmmigreerde bedrijfsvestigingen naar herkomstgebied en bestemmingsgemeente, 2006 (absoluut)
NoordNederland 21 3 4 11 2 6 47 Regio Zwolle 2 8 6 9 0 2 27 Gelderland Veluwe Twente 22 20 11 2 1 12 68 Gooi- en Eemland 89 6 17 4 1 13 130 A’ dam 142 10 23 7 2 4 188 Utrecht, Riv.land 36 3 11 0 2 9 61 WestNederland 70 1 30 3 0 6 110 Zuid-NL 15 7 4 2 0 3 31 Totaal 397 58 106 38 8 55 662

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

Van de bedrijven die Flevoland hebben verlaten, trok ruim een kwart naar Amsterdam, iets minder dan een vijfde (18%) naar Gooi- en Eemland. Ook de regio’s West-Nederland en Gelderland, Veluwe, Twente ontvingen respectievelijk 13% en 12% van de uit Flevoland vertrekkende bedrijven. Alleen met NoordNederland heeft de provincie een negatief migratiesaldo.

38

Tabel 4.4 Aantal geëmigreerde bedrijfsvestigingen naar herkomstgebied en bestemmingsgemeente, 2006 (absoluut)

Naar Van Almere Dronten Lelystad NOP Urk Zeewolde Flevoland

NoordNL 13 5 13 17 2 6 56

Regio Zwolle 7 11 4 6 0 2 30

Gelderland Veluwe Twente 22 12 15 7 2 7 65

Gooi- en Eemland 66 2 10 3 0 12 93

Amsterdam 101 1 15 4 0 3 124

Utrecht, Riv.land 36 1 4 1 0 11 53

WestNL 42 2 15 4 1 3 67

ZuidNL 22 2 5 5 0 0 34

Totaal 309 36 81 47 5 44 522

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

De meeste verplaatsingen bleven ook in 2006 binnen de provinciegrenzen (67%). De meerderheid van de bedrijven die zich verplaatsten (59%) bleef binnen de gemeente waar de vestiging al was gevestigd. Op Urk was het percentage bedrijfsvestigingen dat binnen de eigen gemeente verhuisde het hoogst (81%) en in Zeewolde het laagst (41%). Vergeleken met het vorige jaar, waren er wel absoluut minder binnengemeentelijke verplaatsingen, namelijk 2.073 in 2005 tegen 1.591 in 2006 (tabel 4.5). Tabel 4.5
Van Almere Naar Almere Dronten Lelystad NOP Urk Zeewolde Flevoland 525 3 18 3 0 5 554 6 98 13 2 0 2 121 29 11 150 7 1 2 200 Dronten Lelystad

Aantal verplaatsingen van bedrijfsvestigingen binnen Flevoland en emigratie, 2006 (absoluut)
Noordoost polder 2 2 5 84 4 0 97 Urk 0 0 0 7 43 0 50 Zeewolde 6 3 1 0 0 37 47 Buiten Flevoland (emigratie) 309 36 81 47 5 44 522 Totaal 877 153 268 150 53 90 1.591

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland

4.6

Conclusie
Ook in 2006 is het aantal bedrijfsvestigingen in Flevoland weer stevig gegroeid met ruim 1.500 bedrijfsvestigingen (8%). Halverwege 2006 stonden 24.100 bedrijfsvestigingen in het provinciale vestigingenregister vermeld. De dynamiek was ook het afgelopen jaar fors in Flevoland. Er werden 4.301 bedrijfsvestigingen opgericht, waarvan zes op de tien bedrijven door een starter. Toch nam het aantal starters niet meer zo sterk toe (10%) als het vorige jaar, toen het aantal startende bedrijven met ruim een kwart (28%) was toegenomen. Het

39

aantal opheffingen steeg minder hard (4%) dan het aantal oprichtingen, vooral door een afname van het aantal faillissementen. Daardoor kwam de natuurlijke aanwas uit op een groei van 13% en besloeg ze 94% van de netto groei. Het belang van het migratiesaldo nam het afgelopen jaar voor het eerst sinds jaren weer toe. Een teken dat bedrijven weer de financiële middelen hebben om zich te verplaatsten, ook over wat grotere afstand. In alle gemeenten nam het aantal bedrijfsvestigingen in 2006 toe. Almere is in Flevoland de grootste groeier; bijna de helft van de groei van het aantal bedrijfsvestigingen vindt in deze gemeente plaats. Almere bleef ook voor migrerende bedrijfsvestigingen de meest favoriete vestigingsplaats (60%). Het aantal bedrijfsvestigingen dat naar Flevoland migreerde is toegenomen en het aantal bedrijfsvestigingen dat uit Flevoland emigreerde is sterk afgenomen. In vergelijking met 2005 heeft dit geleid tot een stijging van het migratiesaldo. De regio’s Amsterdam en Gooi-en Eemland waren de belangrijkste regio’s als plaats van herkomst en bestemming onder de migrerende Flevolandse bedrijfsvestigingen.

40

5 5.1

HET BEDRIJFSLEVEN IN FLEVOLAND Inleiding
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ontwikkeling van het Flevolandse bedrijfsleven. De ontwikkeling van de werkgelegenheid, zoals beschreven in hoofdstuk twee, is mede hiervan afhankelijk. De situatie in Flevoland wordt afgezet tegen de bedrijfseconomische ontwikkeling van het bedrijfsleven in heel Nederland. Om de ontwikkeling van het regionale bedrijfsleven in kaart te brengen, houden de Kamers van Koophandel in Nederland jaarlijks de Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO)13. Dit onderzoek naar de kracht van het regionale bedrijfsleven verschaft informatie over de ontwikkeling van omzet, export, werkgelegenheid, investeringen en rendement. Aan de hand van de ERBO wordt in dit hoofdstuk een beeld geschetst van het Flevolandse bedrijfsleven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de omzet (5.2), de export (5.3), het bedrijfsresultaat en het rendement (5.4) en de investeringen (5.5). Het vertrouwen van ondernemers in de toekomst komt in paragraaf 5.6 aan bod. De laatste paragraaf (5.7) vormt de conclusie.

5.2

Omzet
De omzetontwikkeling is een indicator voor de relatie tussen bedrijven en de markt. Het omzetvolume van Flevoland bevond zich in 2006 op het hoogste punt sinds jaren. De reële omzetstijging (omzet gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling) bedroeg het afgelopen jaar 4,4 procent. Dit is hoger dan het landelijke gemiddelde, dat 3,7 procent bedroeg. Vorig jaar was er nog sprake van een kleine toename (+ 1,9%) van het omzetvolume in Flevoland (figuur 5.1). De laatste vijf jaar, uitgezonderd 2004, is de reële ontwikkeling van het omzetvolume in Flevoland gunstiger geweest dan in Nederland, zowel bij een negatieve als bij een positieve omzetontwikkeling.

13 Voor de ERBO -enquête is gebruik gemaakt van het handelsregister van de kamer van koophandel. Alle bedrijven boven de 50 werknemers worden integraal benaderd en bedrijven met minder dan 50 werknemers steekproefsgewijs. De non-profit sector, het bank- en verzekeringswezen en agrarische bedrijven die geen BV of NV vorm hebben, zijn niet opgenomen in de steekproef. De respons in 2006 in Flevoland was 57%. Dit is voldoende om betrouwbare uitspraken te kunnen doen.

41

Figuur 5.1 De reële ontwikkeling van het omzetvolume van het bedrijfsleven, Flevoland en Nederland, procentueel en geïndexeerd, 2002-2006 (index 2002=100)

Bron: Kamer van Koophandel, ERBO

Deze gunstige situatie is ook terug te vinden in het percentage bedrijven dat een toename van de reële omzet kent (figuur 5.2). Het percentage bedrijven met een toename van de omzet ligt in 2006 in Flevoland (41%) boven het landelijke gemiddelde (40%), terwijl dit in 2005 niet zo was. De verhouding tussen Flevoland en Nederland van voor 2005 is daarmee weer hersteld. Het percentage van bedrijven met een afname van de omzet is in Flevoland gelijk aan het landelijke gemiddelde (13%). Figuur 5.2 Percentage bedrijven met een toename van de reële omzet, Flevoland en Nederland, 2002-2006

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

In alle bedrijfstakken, uitgezonderd de dienstverlening, lag de reële omzetgroei in Flevoland boven die van Nederland. Het verschil tussen de omzetgroei in Flevoland en in Nederland was in de industrie en de bouwnijverheid het grootst (figuur 5.3).

42

Sinds 2002 is er in de industrie een gestage groei van de omzet waar te nemen. Deze groei bereikte in 2006 een hoogtepunt met een toename van 7 procent. Ook in de groothandel was in 2006 een flinke toename van de omzet te zien, zowel in Flevoland (+6%) als in Nederland (+ 5%). De omzetgroei van de bouwnijverheid is in Nederland aanmerkelijk lager dan in Flevoland, 1,5 procent tegen 4,4 procent groei in Flevoland. Voor een sterk groeiende provincie als Flevoland een logische ontwikkeling. Figuur 5.3 Groei van de reële omzet van het bedrijfsleven naar bedrijfstak, Flevoland en Nederland, 2006

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

Het midden- en kleinbedrijf (minder dan 50 medewerkers) presteerde in Flevoland minder goed (4,4%) dan de grotere bedrijven (50 en meer medewerkers) (6%). De toename van het reële omzetvolume van de MKB-bedrijven (4,4%) lag desondanks wel boven de Nederlandse omzetontwikkeling (3,7%) van MKBbedrijven. De reële omzet in Flevoland heeft zich over de afgelopen vijf jaar positiever ontwikkeld dan in Nederland (figuur 5,4). In de periode van 2002 tot 2006 is de omzet in Flevoland met 5 procent gestegen, tegen 1 procent in Nederland. In de industrie (+ 14%), groothandel (+ 11%) en detailhandel (+ 6%) was de omzetgroei aanzienlijk hoger dan in Nederland. In Flevoland is in die periode echter wel een grote daling te zien in de omzet van de bouwnijverheid (- 12%), welke landelijk een procentpunt minder groot was (- 11 %). Dit geeft aan dat de bouwsector een sterk conjunctuur bepaalde sector is.

43

Figuur 5.4 Groei van de reële omzet van het bedrijfsleven naar bedrijfstak, Flevoland en Nederland, periode 2002-2006

Bron: Kamer van Koophandel, ERBO

5.3

Export
Onder export wordt dat deel van de omzet verstaan dat bij buitenlandse opdrachtgevers is gerealiseerd, door levering van zowel goederen als diensten. De ontwikkeling van de export biedt inzicht in de prestaties van het Flevolandse bedrijfsleven in internationaal verband. Ook in deze paragraaf worden reële cijfers gehanteerd (gecorrigeerd voor prijsontwikkeling). Deze cijfers hebben geen betrekking op de detailhandel, de horeca, de makelaardij en overige dienstverlening, aangezien in deze bedrijfstakken nauwelijks export plaatsvindt. In 2006 is het exportvolume van Flevolandse bedrijven met 6,4 procent toegenomen en ligt daarmee weer boven het landelijke gemiddelde (5,7%). De groei van de export wisselt gedurende de jaren, maar is in de afgelopen vijf jaar zowel voor Flevoland als voor Nederland nog niet zo hoog geweest. Een duidelijke indicatie dat de economische groei goed op gang is gekomen (figuur 5.5). In Flevoland zijn het de grotere bedrijven (50 of meer werkzame personen) die in tegenstelling tot vorig jaar de grootste groei in de export kenden (+ 8 procent), tegen 6 procent in bedrijven tot 50 werknemers. Landelijk zijn de rollen omgekeerd, de klein- en middenbedrijven vertoonden de grootste exportgroei (+ 7%), terwijl de grotere bedrijven een minder omvangrijke export ontwikkeling hadden (+ 5%).

44

Figuur 5.5 Groei van de reële export van het bedrijfsleven, Flevoland en Nederland, procentueel en geïndexeerd, 2002-2006 (index 2002=100)

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

De sterke groei van de export in Flevoland deed zich in 2006 in bijna alle bedrijfstakken voor. Zo was het afgelopen jaar de groei in de industrie (+ 11%) en de diensten (+ 8%) het grootst. De opmerkelijkste groei deed zich voor in de groothandel. In 2006 bedroeg de groei van de reële export 7 procent tegen 1 procent in 2005. Het enige afwijkende percentage is dat van de landbouw en visserij (- 10%). Figuur 5.6 Percentage bedrijven dat exporteert, Flevoland en Nederland, 2002-2006

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

Het percentage bedrijven dat exporteert ligt in Nederland hoger (20%) dan in Flevoland (18%). Het percentage bedrijven dat exporteert fluctueert vooral in Flevoland per jaar. Landelijk fluctueert het percentage minder (figuur 5.6). Het aantal exporterende bedrijven met een toename van de omzet is voor Flevoland

45

(41%) één procentpunt hoger dan landelijk (40%), het aantal exporterende bedrijven met een afname van de omzet (24%) is lager dan het landelijke gemiddelde (25%).

4.4

Bedrijfsresultaat en rendement
Om het voortbestaan van de onderneming veilig te stellen, moet een positief bedrijfsresultaat behaald worden. In 2006 behaalde 85 procent van de Flevolandse bedrijven een positief resultaat. In 2005 was dit nog 80 procent. Landelijk ligt het aandeel bedrijven met winst op 87 procent, in 2005 was dit 83 procent. Landelijk ligt het aantal winstgevende bedrijven dus twee procentpunt hoger dan in Flevoland. Het aandeel bedrijven in Flevoland dat winst maakt was onder de bedrijven met minder dan 50 werkzame personen (85%) lager dan onder bedrijven met meer dan 50 werkzame personen (91%). Landelijk zijn de cijfers voor de kleinere en grotere bedrijven bijna gelijk. Het percentage bedrijven met een positief bedrijfsresultaat verschilt per bedrijfstak (tabel 5.1). Terwijl in Nederland alle bedrijfstakken een groeiend percentage bedrijven met een positief bedrijfsresultaat kennen, geldt dit in Flevoland niet voor de groothandel en de detailhandel (beiden -2 procentpunten). Vooral de ontwikkeling in de detailhandel blijft sterk achter bij de landelijke situatie. In Flevoland is het aandeel winstgevende bedrijven in de industrie (+ 8 procentpunten) en de bouw (+ 13 procentpunten) wel sterk gegroeid. In Nederland zijn beide bedrijfstakken slechts met 4 procentpunten gegroeid. Tabel 5.1 Percentage bedrijven met een positief bedrijfsresultaat (winst) naar bedrijfstak, Flevoland en Nederland, 2005-2006
2005 82% 81% 88% 80% 80% 81% Flevoland 2006 90% 94% 86% 78% 85% 85% 2005 82% 86% 85% 79% 84% 83% Nederland 2006 86% 90% 87% 85% 89% 87%

Bedrijfstak Industrie Bouwnijverheid Groothandel Detailhandel Diensten Totaal bedrijfsleven

Bron: Kamer van Koophandel, ERBO

Uitsplitsing van het Flevolandse netto bedrijfsresultaat naar gemeenten laat zien dat met uitzondering van de gemeente Noordoostpolder (89%) alle gemeenten onder het landelijke gemiddelde (87%) scoren. De gemeenten Almere (86%) en Noordoostpolder liggen nog wel boven het Flevolandse gemiddelde. De gemeenten Lelystad (85%), Urk (81%) en Zeewolde (83%) liggen eronder. De gemeente Dronten zit precies op het Flevolandse gemiddelde. Naast het maken van winst is het rendement over het eigen vermogen ook een indicator voor de gezondheid van de economie. Het afgelopen jaar was tweederde (66%) van de Flevolandse bedrijvigheid tevreden met het behaalde bedrijfsresultaat, landelijk was 68 procent tevreden met het rendement. Toch is er duidelijk sprake van een groter wordende tevredenheid onder de ondernemers. Zowel landelijk als in Flevoland was sprake van een groei van acht procentpunten ten opzichte van vorig jaar (figuur 5.7).

46

Figuur 5.7 Percentage bedrijven dat het rendement als voldoende beoordeelt, Flevoland en Nederland, 2002-2006

Bron: Kamer van Koophandel, ERBO

Ondernemers in Flevoland in de groothandel (80%) waren het meest tevreden over hun behaalde rendement in 2006 (tabel 5.2). Ook de bouw (79%) en de industrie (70%) hadden een bovengemiddeld percentage tevreden ondernemers. Dat gold niet voor de ondernemers in de detailhandel (53%). In Flevoland is de beoordeling van het behaalde rendement in de industrie (+ 17 procentpunten) en bouw (+ 12 procentpunten) flink verbeterd. Landelijk valt beoordeling in de dienstensector met een groei van 9 procentpunten hoger uit dan die in Flevoland (+ 6 procentpunten). Tabel 5.2 Percentage bedrijven dat het rendement als voldoende beoordeelt naar bedrijfstak, Flevoland en Nederland, 2005-2006
2005 58% 67% 64% 51% 63% 60% Nederland 2006 66% 74% 71% 59% 72% 68%

Flevoland Bedrijfstak 2005 2006 Industrie 53% 70% Bouwnijverheid 67% 79% Groothandel 70% 80% Detailhandel 49% 53% Diensten 60% 66% Totaal 58% 66% bedrijfsleven Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

5.5

Investeringen14
De investeringsontwikkeling is een belangrijke graadmeter voor het vertrouwen van ondernemers in de economie. Bij een verwachte aanhoudende economische groei zullen de investeringen toenemen. Bij een onzekere toekomst worden investeringen uitgesteld. De investeringsontwikkeling verloopt vaak grillig. Dit is het gevolg van investeringen in bedrijfsgebouwen en andere productiemiddelen, die zich niet jaarlijks voordoen. In Nederland is sinds 2005 het percentage investerende bedrijven hoger dan in Flevoland. Het percentage bedrijven dat investeert in Flevoland is het afgelopen
14 In de ERBO wordt onder investering verstaan de aanschaf van nieuwe of tweedehands productiemiddelen met een levensduur van meer dan één jaar, zoals machines, inventaris, transportmiddelen, grond en gebouwen (ook verbouwing). Sommige investeringen worden dus niet meegenomen (grondstoffen, voorraden, debiteuren). Tevens gaat het in de ERBO alleen om investeringen door bestaande bedrijven.

47

jaar wel gestegen met negen procentpunten. Van de bedrijven in Flevoland investeerde 64 procent. Ook in Nederland nam het percentage investerende bedrijven toe, hoewel minder dan in Flevoland (met vijf procentpunten) en kwam uit op 66 procent van alle bedrijven (figuur 5.8), twee procentpunten hoger dan in Flevoland. In Flevoland is het percentage investerende bedrijven het hoogste in de groothandel (70%), waarna de diensten (67%) volgen. In Nederland is de industrie (72%) de grootste investerende tak met daarop volgend de diensten (69%). In Flevoland is het aantal investeringen in de industrie afgenomen (-1 procentpunt) naar 65 procent, terwijl deze landelijk is toegenomen (+ 6 procentpunten). In de detailhandel is sprake van een opleving in Flevoland. In 2005 investeerde slechts 39 procent van de bedrijven, in 2006 was dat 57 procent (+ 18 procentpunten), landelijk investeert men één procentpunt minder in de detailhandel. Figuur 5.8 Percentage bedrijven met investeringen, Flevoland en Nederland, 2002-2006
Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

Tot slot is in de bouw het aantal investerende bedrijven toegenomen met tien procentpunten tot 59 procent. Landelijk is dit slechts met vier procentpunten toegenomen tot 67 procent. Het lijkt erop dat Flevoland in deze sector zijn achterstand aan het inhalen is. Net als vorig jaar is het percentage investeren de kleine en middelgrote bedrijven laag (63%) ten opzichte van de grote bedrijven (89%). Dit is ook landelijk de situatie; 65 procent tegen 92 procent. In bijna alle Flevolandse gemeenten is het aandeel bedrijven met investeringen ten opzichte van 2005 toegenomen. Alleen de gemeente Zeewolde kent een afname (van 60% naar 58%). In de gemeente Noordoostpolder is het aandeel investerende bedrijven het meest toegenomen (van 45% naar 66%).

48

5.6

Toekomstverwachting
Ieder jaar wordt in de ERBO gevraagd naar de verwachtingen voor het komende jaar ten aanzien van omzet, export, investeringen en werkgelegenheid. De verwachtingen bij elkaar worden uitgedrukt als index van het ondernemersvertrouwen.15 Het ondernemersvertrouwen dat in 2005 flink was afgenomen, heeft zich in 2006 hersteld (figuur 5.9). Het vertrouwen van de Flevolandse ondernemers lag ieder jaar boven het landelijke gemiddelde. Echter, in 2005 was het Flevolandse indexcijfer gedaald tot onder het landelijke niveau. Het Flevolands vertrouwen voor het komende jaar was zowel in omzet, export, investeringen als in werkgelegenheid in 2006 buitengewoon groot. Landelijk is dit optimisme er ook, maar op een lager niveau. Daardoor steeg in 2006 het Flevolandse ondernemersvertrouwen tot 116 punten tegen landelijk 98 punten. In alle bedrijfstakken is het vertrouwen groot. Vooral in de landbouw en visserij is in Flevoland het ondernemersvertrouwen buitengewoon gestegen (van 5 naar 98 punten). Ook in de industrie (van 78 naar 136 punten) en diensten (van 59 naar 114 punten) verwacht men veel goeds in 2007. Middelgrote en kleine bedrijven koesteren hogere verwachtingen voor 2007 dan zij voor 2006 hadden. Het ondernemersvertrouwen is dan ook onder deze groep gestegen van 63 punten naar 116 punten. Bij de grotere bedrijven is deze stijging veel minder (van 116 punten naar 120 punten), omdat zij al op een hoog niveau lag. Figuur 5.9 Index ondernemersvertrouwen voor het daaropvolgende jaar, Flevoland en Nederland in 2002 t/m 2006

Bron: Kamer van Koophandel Flevoland, ERBO

Naar gemeenten gekeken zijn de ondernemers in Almere (132 punten) en Zeewolde (154 punten) het meest optimistisch. Opvallend is dat als enige gemeente, Lelystad een daling in het ondernemersvertrouwen kent (van 92 punten naar 89 punten).
15 De index van het ondernemersvertrouwen wordt berekend op basis van vier economische indicatoren uit de ERBO-enquête: omzet, export, investeringen en werkgelegenheid. Deze index wordt bepaald door het saldo van positieve en negatieve verwachtingen op elk van de vier indicatoren te sommeren.

49

5.7

Conclusie
2006 was een goed jaar voor de ondernemers in Flevoland. Zo steeg de reële omzet met 4,4 procent tegen 1,9 procent in 2005. De lang verwachte economische groei begint op stoom te komen. Dit omzetresultaat werd breed gedragen door kleine en grote bedrijven en deed zich in alle sectoren voor. Verheugend daarbij is, dat met uitzondering van de dienstensector, Flevoland het in alle sectoren beter deed dan Nederland. De export zit stevig in de lift en groeide in Flevoland sterker (+ 6,4%) dan in Nederland (+ 5,7%). Zij zit daarmee op het hoogste punt sinds jaren. Toch blijft het aandeel exporterende bedrijven in Flevoland achter bij dat in Nederland. Vooral de export bij de kleinere bedrijven (tot 50 werkzame personen) blijft in Flevoland achter op de landelijke ontwikkeling. Het is nog steeds het grootbedrijf dat in Flevoland de export trekt. Gevolg van groeiende export is dat de resultaten van het Flevolandse bedrijfsleven in 2006 beter zijn geworden. Het aandeel winstgevende bedrijven is gestegen van 81 procent naar 85 procent, nog net iets onder het landelijke gemiddelde (87%). De ondernemers worden dan ook steeds meer tevreden (tweederde in 2006) over het behaalde resultaat. Alleen de detailhandel blijft hierin achter. De ondernemers in Flevoland willen dus ook weer meer investeren (+ 9%), vooral in de groothandel en de dienstensector. Voor het komende jaar, 2007, zijn de verwachtingen onder het bedrijfsleven dan ook hooggespannen. De index voor het ondernemersvertrouwen is in geen jaren zo hoog geweest en steeg het afgelopen jaar tot de recordhoogte van 116 punten. Dit geldt voor alle bedrijfstakken. Kortom, de tijd van oogsten lijkt aangebroken.

50

6 6.1

BEDRIJVENTERREINEN EN KANTOORLOCATIES Inleiding
In zijn advies over Werklandschappen uit 2006 stelt de VROM-raad dat de monofunctionele grootschalige bedrijventerreinen langs de randen van steden en snelwegen niet meer aan de eisen voldoen die de samenleving stelt aan de inrichting van de ruimte. Er moet veel meer aandacht aan de kwaliteit van de bedrijventerreinen worden geschonken, zowel aan de nieuwe als aan de bestaande bedrijventerreinen. Een extra reden om jaarlijks de stand van zaken bij de bedrijventerreinen te monitoren. In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de uitgifte en de voorraad van bedrijventerreinen (6.2). Vervolgens komt de segmentering van bedrijventerreinen (6.3) en de plannen voor nieuwe bedrijventerreinen (6.4) aan bod. In paragraaf 6.5 wordt aandacht besteed aan de voorraad en het aanbod van kantoren in Flevoland. De conclusie sluit het hoofdstuk af (6.6).

6.2

Uitgifte en uitgeefbaar bedrijventerrein
In 2006 is er in Flevoland 22,9 hectare bedrijventerrein uitgegeven. Dat is 4,5 hectare minder dan in 2005 werd uitgegeven (tabel 6.1). De uitgifte lag daarmee lager dan de gemiddelde jaarlijkse uitgifte van de vier jaren daarvoor (25 hectare per jaar). De grootste oppervlaktes bedrijventerrein werden het afgelopen jaar afgenomen in de Noordoostpolder en op Urk, waar de uitgifte het afgelopen jaar sterk is toegenomen. Dat geldt ook voor Zeewolde. In Almere, Lelystad en Dronten is de uitgifte het afgelopen jaar daarentegen sterk teruggelopen. Tabel 6.1 Uitgifte bedrijventerrein per gemeente, Flevoland, 20022006 (in netto hectare16)
2002 Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde Flevoland Bron: Provincie Flevoland, 2007 22,4 6,0 11,8 6,9 3,3 0,0 50,4 2003 8,6 6,8 6,5 2,1 1,6 2,2 27,8 2004 4,8 5,4 3,9 0,8 3,3 1,6 19,8 2005 7,5 4,3 6,8 3,0 4,3 1,5 27,4 2006 4,9 1,3 2,6 6,0 5,6 2,5 22,9

Sinds 2002 is de uitgifte van bedrijventerreinen in Flevoland flink gedaald om pas in 2005 weer aan te trekken. Het lijkt er nu op dat de uitgifte het afgelopen jaar een pas op de plaats heeft gemaakt. De grootste relatieve afname vond plaats in Lelystad en Dronten (figuur 6.1).

16 Het netto oppervlak van een bedrijventerrein is het totale oppervlak verminderd met de oppervlakte voor openbare voorzieningen, zoals wegen, groenstroken, water en dergelijke.

51

Figuur 6.1 Uitgifte per gemeente, Flevoland, 2001-2006 (in netto hectare)

Bron: Provincie Flevoland, 2007

Bij de voorraad van bedrijventerreinen wordt een onderscheid gemaakt tussen terstond en niet-terstond uitgeefbaar terrein. Een terstond uitgeefbaar bedrijventerrein is een ontsloten, bouwrijp gemaakt terrein dat direct beschikbaar is voor uitgifte aan bedrijven. Van de totale netto voorraad was 55% (terstond) beschikbaar. Om schommelingen in de vraag naar bedrijventerreinen op te kunnen vangen, houden gemeenten een gedeelte van het beschikbare oppervlak aan bedrijventerreinen in voorraad. Volgens het Omgevingsplan dient Flevoland te beschikken over een strategische voorraad (ijzeren voorraad) van vier keer de gemiddelde jaarlijkse uitgifte om fluctuaties in de uitgifte op te vangen en de diversiteit aan soorten bedrijventerreinen te waarborgen. Als de laatste vijf jaar als uitgangspunt wordt genomen, moet deze voorraad circa 148 hectare bedragen. In 2006 was er 295 hectare direct uitgeefbare grond beschikbaar, dat betekent dat er nog steeds voldoende voorraad bedrijventerrein beschikbaar is. Vooral in Zeewolde was door het beschikbaar komen van het Horsterparc (27 ha) en Trekkersveld III (45 ha) na jaren van weinig beschikbare bedrijfsgrond, weer veel bedrijventerrein beschikbaar. Aan het einde van 2006 bedroeg de totale voorraad uitgeefbaar bedrijventerrein 678 hectare (terstond en niet-terstond). In vergelijking met 2005 is dit een toename van 107 hectare. Deze toename is vooral veroorzaakt door het beschikbaar komen van nieuwe terreinen in Dronten (Rendierweg), Urk (Zwolsche Hoek) en Zeewolde (Horsterparc en Trekkersveld II) (tabel 6.2).

52

Tabel 6.2
Almere Dronten Lelystad NOP Urk Zeewolde Flevoland

Uitgeefbaar bedrijventerrein naar gemeente, 2002-2006 (in netto hectare)
terstond niet-terstond terstond niet-terstond terstond niet-terstond terstond niet-terstond terstond niet-terstond terstond niet-terstond terstond niet-terstond 2002 39 55 50 4 93 177 24 100 20 0 5 30 232 366 599 2003 56 55 38 11 122 174 62 17 19 0 4 29 299 286 585 2004 51 204 36 8 118 44 49 29 17 15 2 29 270 329 602 2005 59 187 33 4 80 79 46 21 16 13 32 0 267 304 571 2006 59 187 32 84 78 79 40 21 12 12 74 0 295* 383* 678*

totaal * voorlopig Bron: Provincie Flevoland, 2007

In 2006 is de uitgifte van bedrijventerreinen, als percentage van het totale uitgeefbare oppervlak in Flevoland, gedaald van 4,8% naar 3,4%. Daarmee ligt het percentage ruim onder het Nederlandse gemiddelde van 7% à 8%. Dat betekent dat er in Flevoland meer reservecapaciteit van bedrijventerreinen beschikbaar is dan in Nederland als geheel. De voorraad uitgeefbaar terrein is dus relatief groot (figuur 6.2). Figuur 6.2 Uitgifte bedrijventerreinen als percentage van totaal netto uitgeefbaar terrein, Flevoland 2002-2006 en Nederland, 20022005

Bron: IBIS, Provincie Flevoland

53

6.3

Segmentering
De provincie Flevoland streeft naar de segmentering van bedrijventerreinen. Met segmentatie wordt geprobeerd de terreinen te bestemmen of in te richten voor bedrijven met min of meer dezelfde activiteiten of kenmerken. Hierdoor kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat activiteiten met veel geluidsoverlast naast een woonwijk gepland worden. Daarnaast kan door segmentatie het aanbod beter afgestemd worden op de vraag. De aantrekkelijkheid van een bedrijventerrein als vestigingsplaats kan verhoogd worden door de inrichting, de ligging en de voorzieningen op de wensen van gebruikers af te stemmen. De provincie Flevoland onderscheidt vier typen bedrijventerreinen: • Industrieterreinen: terreinen waar vestiging van alle soorten bedrijvigheid is toegestaan, inclusief milieuhinderlijke bedrijvigheid (inrichtingen volgens Wet Milieubeheer categorie 3 t/m 5 en A-inrichtingen); • Gemengde terreinen: terreinen in categorie 2 t/m 4 volgens de Wet Milieubeheer, bestemd voor alle soorten bedrijvigheid; • Distributieterreinen: terreinen die specifiek bestemd zijn voor transport-, distributie- en groothandelsbedrijven of distributieactiviteiten van productiebedrijven (inrichtingen volgens Wet Milieubeheer categorie 2 t/m 4) en • Hoogwaardige terreinen: terreinen die specifiek bestemd zijn voor bedrijven met hoogwaardige (productie- en/of Research & Development) activiteiten of bedrijven die een (zeer) representatieve uitstraling behoeven (inrichtingen volgens Wet Milieubeheer categorie 2 t/m 3). Meer dan de helft (55%) van de bestaande bedrijventerreinen in Flevoland behoort tot de categorie ‘gemengde terreinen’. In Lelystad zijn relatief de meeste (zware) industrieterreinen aanwezig; driekwart van de bestaande bedrijventerreinen is daar bestemd voor industriële activiteiten, zoals de bedrijventerreinen Noordersluis (ZO) en Oostervaart (Oost). Rond 2010 komt daar ook het bedrijventerrein Flevokust (130 ha) bij, waar een grote overslaglocatie zal worden gerealiseerd. In Almere is iets meer dan een derde (38%) van de terreinen geschikt voor industriële activiteiten (De Vaart I,II,III & IV). In de gehele provincie Flevoland is 7% van de bedrijventerreinen tot hoogwaardig bestemd (vorig jaar nog 3%). Relatief het grootste deel hiervan bevindt zich in Noordoostpolder en Zeewolde. Een iets groter percentage (9%) van de bedrijventerreinen valt in het segment voor distributieactiviteiten. Deze terreinen zijn vooral te vinden rondom de luchthaven van Lelystad en op de bedrijventerreinen Hollandse Kant en Sallandse Kant in Almere. In Urk en Dronten zijn alleen gemengde terreinen aanwezig (tabel 6.3). Niet iedere gemeente kan elk type bedrijventerrein ontwikkelen. Gemeenten kunnen wel met elkaar samenwerken om een regionaal bedrijventerrein te realiseren. De gemeenten Almere en Zeewolde hebben bijvoorbeeld een intentieverklaring getekend om bij de A6/A27 gezamenlijk een bedrijventerrein te ontwikkelen met een oppervlakte van circa 550 hectare. Dit nieuwe bedrijventerrein moet onderdak gaan bieden aan logistieke dienstverleners, industriële producenten, het onderwijs, de medische sector, handelsondernemingen en aan grote detailhandelsbedrijven.

54

Tabel 6.3

Bestaande en nog uit te geven* terreinen, naar segmenten en per gemeente, 1 januari 2007 (in netto hectare)
Gemengd bestaand nog uit te geven 224 55 163 116 32 72 262 66 82 24 19 44 782 377 Zware industrie 167 57 0 0 259 35 0 0 0 0 91 1 517 93 Distributie 27 135 0 0 16 18 0 0 0 0 0 0 43 153 Hoogwaardig 20 20 0 0 0 32 21 26 0 0 8 29 49 107 Totaal 438 267 163 116 307 157 283 92 82 24 118 74 1.391 710

Almere**

Dronten

Lelystad

bestaand nog uit te geven bestaand nog uit te geven bestaand nog uit te geven bestaand nog uit te geven bestaand nog uit te geven bestaand nog uit te geven

Urk

Zeewolde

Flevoland

*Terstond en niet-terstond uitgeefbare terreinen ** Almere cijfers per 1 januari 2006 Bron: Provincie Flevoland, 2007

Sinds een aantal jaar wordt een aantal thematische bedrijventerreinen ontwikkeld. Deze worden voornamelijk gerealiseerd door hoogwaardige bedrijven te clusteren. Een voorbeeld hiervan is het Geomatics Business Park in Noordoostpolder. Dit terrein biedt huisvesting aan hoogtechnologische bedrijven op het gebied van aardobservatie en aanverwante technologieën. In april 2006 is op het park een gerenoveerd bedrijfsverzamelgebouw in gebruik genomen (5.000 m²) waar meer dan 20 bedrijven en kennisinstellingen zijn gevestigd. De plannen voor het Bio Science Park van 30 hectare langs de A6 in Lelystad zijn, door gebrek van belangstelling bij bedrijven, afgeblazen. Er hadden zich bedrijven op het gebied van gentech, agrobusiness en geneesmiddelen moeten vestigen. De ontwikkelingsovereenkomst tussen de verschillende partijen is inmiddels opgezegd. Momenteel zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor de locatie in studie

6.4

Toekomstige terreinen
In de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen kan worden voorzien door de bestaande voorraad uitgeefbaar terrein en door nieuw ontwikkelde terreinen. Ruimte voor bedrijvigheid kan ook worden gecreëerd door het herstructureren van bestaande bedrijventerreinen, waarbij een efficiënter ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt is. Voor een belangrijk deel hangt de vraag naar bedrijventerreinen samen met de ontwikkeling van de economie. Daarnaast leidt de toenemende schaarste aan

55

beschikbare grond in de Randstad tot een groeiende vraag naar bedrijfsruimte in Flevoland17. In Flevoland is ruim 1.000 hectare bedrijventerrein in procedure (tabel 6.4). Met de ontwikkeling van de terreinen bij de A6/A27 zal vooral in Almere en Zeewolde het areaal bedrijventerrein flink toenemen. Het gaat om een gebied van circa 550 hectare dat in een periode van ongeveer 30 jaar op de markt wordt gebracht. Een ander groot plan, Flevokust (130 ha) in Lelystad, zal rond 2010 op de markt komen. Tabel 6.4 In procedure zijnde bedrijventerreinen in Flevoland per 1 januari 2007 (in netto hectare)
Bedrijventerreinen Almere A6/A27 A27/Vogelweg Bergsche Kant Columbus Eurokwartier Groenendaal Homerus Lage Kant Midden Kant Dronten Lelystad Uitbreiding Oldebroekerweg Bio Science Park Noord Bio Science Park Zuid Uitbreiding Larserpoort Flevokust Noordoostpolder De Munt II, Fase II De Munt III Bedrijventerrein (Marknesse) Urk Zeewolde Structuurvisie A6/A27 Polderwijk Vestingveld Fortenveld Totaal Flevoland inventarisatieplannen Netto oppervlak (in hectare) 400,0 40,0 16,0 4,4 4,0 4,0 4,4 12,0 11,0 11,0 12,0 20,0 48,0 130,0 31,0 56,0 15,0 20,0 150,0 12,0 10,0 10,0 1.020,8 Startjaar 2008 2008 2007 2007 2007 2007 2008/9 2008 2008 2006 2010 2008 2015 2008 2012 2008 2006 2009 - 2012 2012 Fasering Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Voorontwerp Plan Locatie in studie Locatie in studie Locatie in studie Plan in voorbereiding Plan in voorbereiding Plan in voorbereiding Voorontwerp Plan Plan in voorbereiding Locatie in studie Locatie in studie Locatie in studie Plan in voorbereiding Plan in voorbereiding

Bron: Provincie Flevoland, 2007

17 In het Platform Bedrijventerreinen en Kantoren Noordvleugel Randstad (Plabeka), waar onder de gemeente Almere, zijn tijdens de 6de Noordvleugelconferentie afspraken gemaakt over werklocaties (bedrijventerreinen en kantoorlocaties) om weer een economische toppositie te verwerven in Europa.

56

6.5

Kantoorlocaties
De economische opleving heeft er voor gezorgd dat in Nederland weer sprake is van een stijgend opnameniveau op de kantorenmarkt. Het bouwvolume van nieuwe kantoren, dat de afgelopen jaren sterk was gedaald, nam weer sterk toe. In 2007 zal naar verwachting deze tendens zich voortzetten, waardoor de vraag naar nieuwe kantoorruimte zal aantrekken. De leegstand zal niet verder groeien, maar blijft toch op een hoog niveau door de vele incourante panden die zich op de markt bevinden. Er is steeds duidelijker sprake van twee gespleten kantorenmarkten, een nieuwbouw kantorenmarkt en een bestaande kantorenmarkt met ieder zijn eigen dynamiek. In Almere is in 2006 de opname van kantoorruimte op de vrije markt sterk (22%) gestegen naar 45.000 m2 tegen 37.000 m² een jaar eerder. De grootste transactie was de komst van USG (12.000 m2 aangehuurd) in de Eurotoren, gevolgd door de Belastingdienst (8.400 m2) in Almere–Stad. Daarmee namen beide transacties ruim 45% van de opname in. Door deze transacties is het aanbod van nieuwe, grootschalige gebouwen in Almere klein geworden. Om te voorkomen dat het in de toekomst moeilijk kan worden om grote partijen aan te trekken, is Eurocommerce begonnen met het ontwikkelen van drie aan elkaar geschakelde kantoorcomplexen bij het station Almere-Centraal. Dit zogeheten WTC Zakencentrum omvat 90.000 m2 bvo, waarvan het hoogste gebouw (Carlton) 120 meter hoog wordt (Boer Hartog Hooft, Vastgoedrapportage Almere 2006). Landelijk is de kantooropname vooral het gevolg van verplaatsingen en samenvoegingen van bedrijven. De bedrijven verhuizen vaak binnen eenzelfde stad en laten elders in de stad (verouderde) kantoorruimtes achter. Almere weet echter veelal gebruikers van buiten de stad aan te trekken, waardoor de ingebruikname van kantoren niet gepaard gaat met het ontstaan van leegstand. In Almere bedroeg het leegstandspercentage eind 2006 13,3%, ruim een procentpunt lager dan eind 2005. Dit percentage lag iets hoger dan het landelijke percentage (12,5%) (bron: DTZ Zadelhoff,2007). Tabel 6.5 Kantoorvloeroppervlak in Flevoland per gemeente, 1 januari 2005/2006 (in m²)
Aanwezige kantoorvloeroppervlakte per 1-1-2005 Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Totaal 444.500 27.400 156.500 21.000 1.200 650.600 per 1-1-2006 456.500 27.400 156.500 21.000 1.200 662.600 681.200 55.800 91.000 12.500 6.000 792.500 372.200 18.900 21.000 5.000 6.000 423.100 309.000 36.900 70.000 7.500 423.400 Te realiseren vloeroppervlakte Te realiseren binnen 5 jaar Te realiseren na 5 jaar

Bron: Provincie Flevoland, 2006

57

6.6

Conclusie
Met de term werklandschappen stuurt de VROM-raad aan op een bredere benadering van het beleid rondom bedrijventerreinen. Het monofunctionele bedrijventerrein moet plaatsmaken voor een scala aan werkmilieus, waarbij aandacht is voor functiemenging en thematisering. Het pleidooi van de raad is niet nieuw. Eerder constateerde het Ruimtelijk Planbureau (in zijn rapport ‘De ongekende ruimte gekend’) al dat die bredere benadering noodzakelijk is. De voorstellen van de VROM-raad sluiten goed bij de hoofdlijnen van het ruimtelijk economisch beleid, zoals de provincie dat heeft neergelegd in het Omgevingsplan Flevoland (OPF) 2006. Uitgangspunt moet blijven dat de ruimtelijke reserveringen van werklocaties voldoende groot zijn om de beoogde groei van de werkgelegenheid te kunnen opvangen. In dat licht is het afgelopen jaar een pas op de plaats gemaakt, omdat de uitgifte van het aantal hectare bedrijventerrein in 2006 onder het niveau van 2005 lag. Er blijft in Flevoland voldoende ruimte op bedrijventerreinen beschikbaar om de verwachte toename van de vraag op te kunnen vangen. De totale uitgeefbare voorraad bedrijventerrein bedroeg aan het einde van 2006 meer dan 678 hectare. Van deze voorraad was 44% direct (terstond) uitgeefbaar (295 hectare). Naast het beschikbare aanbod zit er voor bijna 1.000 hectare aan bedrijventerrein in de planning. Er is dus naar verwachting ook op middellange termijn voldoende bedrijventerrein beschikbaar. Wel kan het groeiende aanbod leiden tot dure overschotten. Daarom is onderlinge afstemming gewenst. Zo zou men vergelijkbaar met ervaringen elders kunnen werken met verhandelbare quota om vraag en aanbod regionaal af te stemmen. Van de bestaande bedrijventerreinen is meer dan de helft (55%) bestemd als gemengd terrein. 7% is specifiek bestemd voor bedrijven met hoogwaardige bedrijven, zoals het Geomaticapark (Noordoostpolder) en 9% voor de opvang van distributiebedrijven zoals rond de luchthaven in Lelystad. De kantorenmarkt heeft door de economische hoogconjunctuur zijn dieptepunt achter de rug. In Almere, de kantorenstad van de provincie, werd 45.000 m2 kantoorruimte verhuurd. Ook het leegstandpercentage nam in Almere met een procentpunt af tot 13,3%, nog wel boven het landelijke gemiddelde (12,5%). In het dalende aanbod van nieuwe, grootschalige gebouwen in Almere wordt voorzien door de plannen van Eurocommerce om in de komende jaren in het WTC Zakencentrum in Almere–Stad 90.000 m2 nieuwe kantoorruimte te realiseren.

58

7 7.1

INNOVATIE IN FLEVOLAND Inleiding
Innovatie wordt steeds belangrijker. Een hogere arbeidsproductiviteit en een duurzame economische groei zijn nodig om in het internationale krachtenveld overeind te blijven. Innovatie is meer dan alleen technologische vernieuwing: het gaat om de vernieuwing en verbetering van producten, diensten en productieprocessen. Innovatieve ontwikkeling in een regio bepaalt in sterke mate de veer-, groei- en vernieuwingskracht van de economie. Het belang van kennis als productiefactor neemt sterk toe. Grote kennisdynamiek leidt ertoe dat kennis sneller wordt ontwikkeld en toegepast, maar ook sneller veroudert en wordt ingehaald door nieuwe ontwikkelingen. Voor het versterken van het innovatieklimaat wordt het stimuleren van de opbouw van kennis en het gebruik ervan steeds belangrijker. In dit verband wordt wel gesproken van een omslag naar een kenniseconomie. Innovatie is een belangrijk element in de mate waarin regio’s zich van elkaar onderscheiden. Juist in Flevoland met het grote aantal MKB bedrijven is het noodzakelijk voldoende technologische innovaties te genereren. Innovatie is daarom voortvarend ter hand genomen en gecoördineerd in het Regionaal Innovatie- en Technologieplan Flevoland (RITP). In dit hoofdstuk wordt een zo volledig mogelijk overzicht gegeven van de resultaten die behaald zijn op het vlak van de innovatie.

7.2

Innoverende vestigingen
In het jaarlijkse werkgelegenheidsonderzoek van de provincie Flevoland onder ruim 15.000 bedrijven zijn in 2003 en 2005 vragen gesteld over het innovatiegedrag van de Flevolandse bedrijven. Daaruit blijkt dat in de periode 2003 tot 2005 het aandeel vestigingen in Flevoland dat innoveert is toegenomen van 26 procent tot 35 procent (figuur 7.1). In alle gemeenten nam het percentage innoverende vestigingen toe. Zeewolde heeft het hoogste percentage innoverende bedrijven (41%) en in de Noordoostpolder is het aantal innoverende bedrijven (+11 procentpunten) het sterkst toegenomen. Opvallend is dat in de kleinere gemeenten, met uitzondering van Urk, het percentage innoverende bedrijven hoger is dan in de gemeente Almere.

59

Figuur 7.1 Percentage innoverende vestigingen naar gemeente, 2003 en 2005

Bron: Provincie Flevoland, Factsheet: innovatie in Flevoland neemt toe

7.3

Innovatie naar bedrijfstak
De innovatie naar bedrijfstak verschilt aanzienlijk. In bijna alle bedrijfstakken nam het aantal innoverende vestigingen in Flevoland toe vergeleken met 2003 (figuur 7.2). In 2005 was de industrie de bedrijfstak met de meeste innoverende bedrijven (48%). Twee jaar eerder was dat nog de zakelijke dienstverlening (37%). Toch steeg ook in die bedrijfstak het aantal innoverende bedrijven tot 43% in 2005. Het is een goed teken dat in deze beide bedrijfstakken de innovatie toenam, omdat zij in de stuwende sector de twee bedrijfstakken zijn waarin de meeste mensen werken. Ook in de handel, eveneens een belangrijke werkgelegenheidsverschaffer in de stuwende sector, nam de innovatie sterk toe, van 20% in 2003 naar 33% in 2005. Het minst innovatief is de bouwsector met 21% innoverende bedrijven, wat hoger is dan twee jaar terug (13%) en wat inhoudt dat één op de vijf bouwbedrijven op de één of andere manier aan innovatie doet. In de verzorgende sector (overheid, onderwijs, zorg) is de toename van de innovatie de afgelopen twee jaar beperkt gebleven. In het onderwijs is zij zelfs twee procentpunten teruglopen tot 31% in 2005.

60

Figuur 7.2 Percentage innoverende vestigingen per bedrijfstak, 2003 en 2005, Flevoland

Bron: Provincie Flevoland, Factsheet: innovatie in Flevoland neemt toe

7.4

Knelpunten bij innovatie
Een kwart van de bedrijven zegt geen knelpunten te ondervinden bij het toepassen van innovaties. Dat houdt in dat drie op de vier bedrijven in Flevoland die innoveren wel problemen ervaren. Het economische klimaat vormt het grootste obstakel, dit werd door één op de drie innoverende bedrijven als een knelpunt gezien. Daarbij moet bedacht worden dat in 2003 en ook nog in 2005 de economische vooruitzichten niet zo zonnig waren als ze nu in 2007 zijn. Laagconjunctuur belemmert dus de mogelijkheid tot innoveren, terwijl dat in die periode misschien wel het hardste nodig is. Dat hangt duidelijk samen met de twee problemen die daarna het meest belemmerend werken, namelijk gebrek aan middelen/capaciteit in het bedrijf (23%) en gebrek aan durfkapitaal (20%). Gebrek aan innoverend vermogen in het bedrijf zelf (gebrek aan kennis (7%) en gebrek aan een innovatiecultuur in het bedrijf (7%) wordt veel minder als een belemmering gezien. Om innovaties door te voeren zullen dus vooral middelen ter beschikking moeten worden gesteld, wat bij een economische hoogconjunctuur zoals die zich in 2006 heeft ingezet, veel gemakkelijker moet kunnen. Ook zal aan voorlichting richting klanten moeten worden gedaan, want de veranderbereidheid bij de klanten is ook een probleem (15%).

61

Figuur 7.3 Percentage innoverende vestigingen naar soort knelpunt bij innovatie, 2005, Flevoland in percentages

Bron: Provincie Flevoland, Factsheet: innovatie in Flevoland neemt toe

5.5

Binnenlandse Research en Development
Investeringen zijn dus erg belangrijk voor het bevorderen van de innovatie. Die kunnen zowel uit het binnenland als uit het buitenland komen. In deze paragraaf worden de binnenlandse R&D inspanningen voor het voetlicht gebracht. Figuur 7.4 R&D uitgaven absoluut (in miljoenen euro’s, Flevoland) en als indexcijfer (Nederland en Flevoland), 1997- 2003

Bron: CBS, Kennis en economie

62

Basis is de themapublicatie ‘Kennis en economie’, die het Centraal Bureau voor de Statistiek sinds 1996 jaarlijks publiceert. Het meeste recente cijfer is uit 2003 zoals gepubliceerd in de publicatie Kennis en Economie 2006. Investeren in Research and Development (R&D) is van wezenlijk belang voor het ontwikkelen van nieuwe kennis. De uitgaven voor R&D zijn in Flevoland in de periode 1997 – 2003, met een uitschieter in 2000, nauwelijks toegenomen en schommelen rond de 120 miljoen euro per jaar. Dit gold ook voor Nederland zoals het indexcijfer laat zien. De uitgaven bleven in Nederland zelfs achter bij de groei van het bruto binnenlands product, vooral door het achterblijven van de R&D op de universiteiten en de researchinstellingen. Deels kan dit veroorzaakt zijn door de laagconjunctuur zoals die zich vanaf 2002 heeft voorgedaan, maar ook de aard en samenstelling van de sectorstructuur van de economie speelt een rol. Figuur 7.5 R&D personeel absoluut (Flevoland) en als indexcijfer (Nederland en Flevoland) in arbeidsjaren, 1997- 2003

Bron: CBS, Kennis en economie

Dezelfde ontwikkeling doet zich voor bij het R&D personeel, waar zelfs sprake is van een lichte afname (figuur 7.5). De ontwikkeling in Flevoland is ongunstiger dan die in Nederland als geheel, waar de omvang van het R&D personeel redelijk stabiel blijft. Gemiddeld schommelt in de periode 1997 – 2003 de omvang van het R&D personeel rond de 1.500 arbeidsjaren. Gemiddeld wordt er in Flevoland in die periode 86.200 aan R&D per arbeidsjaar uitgegeven tegen 87.900 in Nederland.

63

Tabel 7.1

Relatieve scores* op zeven EU innovatieve indicatoren over de afgelopen vijf jaar
2002 Netherlands 2006 133 190 64 134 133 91 165 2002 126 203 44 179 210 37 52 Flevoland 2006 102 199 63 194 307 30 97

Human resources in science and technolgy - core Participation in life-long learning Employment in medium-high and hightech manufacturing Employment in high-tech services Public R&D expenditures Business R&D expenditures EPO patents

142 182 48 126 113 83 182

* een score onder de 100 betekent dat Nederland respectievelijk Flevoland slechter scoort dan het Europese gemiddelde. Bron: European Regional Innovation Scoreboard (2006, RIS)

Qua vergelijking met Europa doet Flevoland het goed op het terrein van de R&D in de publieke sector, het levenslange leren en de werkgelegenheid in hightech dienstverlening. Daarentegen zijn de R&D uitgaven in de bedrijven, de werkgelegenheid in medium- en hightech industrie en het aantal patenten onder het gemiddelde. Vooral het lage aandeel van R&D in het bedrijfsleven geeft te denken, omdat dit aandeel ook ruim onder het Nederlandse gemiddelde ligt.

7.6

Buitenlandse Research en Development
Het Ministerie van Economische Zaken houdt ieder jaar de stand van zaken bij van buitenlandse Research en Development investeringen in Nederland. In het afgelopen jaar werden 113 investeringsprojecten van buitenlandse bedrijven aangetrokken in Nederland (tabel 7.1). Deze projecten zijn goed voor 2.425 arbeidsplaatsen en een investeringsbedrag van 357 miljoen euro. In Flevoland lag het aantal projecten op 6 in 2006, één project meer dan het jaar ervoor. Deze projecten betreffen 125 directe banen in Flevoland en een investeringsbedrag van 21 miljoen euro. Hoewel het investeringsbedrag voor Nederland in het geheel is afgenomen (van 506 miljoen in 2005, naar 357 miljoen in 2006), is dit voor Flevoland juist opvallend toegenomen (van 1 miljoen in 2005, naar 21 miljoen in 2006). Tabel 7.1 Buitenlandse R&D in Nederland en Flevoland, 2004 - 2006
Aantal projecten Omvang investering in mln. euro’s Aantal banen 2004 2005 2006 2004 2005 2006 2004 2005 2006 Nederland absoluut 102 112 113 265 506 357 2.475 3.121 2.425 Flevoland absoluut 7 5 6 6 1 21 133 48 125 procentueel 7 4 5 2 0 6 5 2 5

Bron: Ministerie van Economische Zaken

64

7.7

Het Regionaal Innovatie- en Technologieplan Flevoland
In 1996 is in de provincie het eerste Regionaal Technologie Plan (RTP) opgesteld, gevolgd door het Regionaal Innovatie- en Technologieplan 2002 – 2006 (RITP). Daarin werden door de provincie samen met het bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en intermediaire organisaties aanzetten gegeven om het innoverend vermogen van het Flevolandse bedrijfsleven te versterken. Het RITP richt zich op bedrijven, kennisinstellingen en (overheids)organisaties die kunnen bijdragen aan de doelstelling van het versterken van het regionale innovatievermogen. Inmiddels is het programma afgerond en kan een eerste inzicht worden verkregen in de resultaten (zie voor een totaal overzicht. RITP Flevoland 2002-2006, resultaten en ontwikkelingen in vogelvlucht, 2007). I. kennis- en innovatieontwikkeling bij het MKB - TMI-regeling, een onderdeel van het Europese programma (EPD), is bedoeld voor het stimuleren van technologische milieu-innovatie. De TMI-regeling is tot nu toe goed voor een investeringsvolume van 12 miljoen euro, waarvan 1 mln. euro Europees geld, 2 mln. euro provinciaal geld en 9 mln. euro van het bedrijfsleven. - MKB fonds, onderdeel van het Europese programma (EPD), totaal vermogen 3,63 miljoen euro bedoeld voor startende en doorstartende bedrijven voor het geven van aandelenkapitaal en achtergestelde leningen. Momenteel kent het fonds tien participaties. - Financieringsfonds REOF onderdeel van het Europese programma (EPD), met 1 miljoen euro aan middelen voor achtergestelde leningen ten behoeve van veelbelovende en (op termijn) levensvatbare projecten, die niet via het MKB fonds of het technofonds gefinancierd kunnen worden. - Innovatiekring Flevoland, onderdeel van het Europese programma (EPD), waarin Kamer van Koophandel, Syntens, VNO-NCW, MKBNederland samenwerken met het georganiseerde bedrijfsleven. - Flevopenning voor het meest innovatieve bedrijf van het jaar. In 2006 was dat Ferdar Automation Technolgy uit Almere. II. versterken kennispotentieel bij kennisinstellingen - Stichting kennistransfercentrum Flevoland heeft als doel de kennis waarin Flevoland excelleert over te dragen aan het bedrijfsleven onder andere via de Cornelis Lelylezingen. - Technocentrum Flevoland in 1999 opgericht door het bedrijfsleven, de onderwijsinstellingen en de overheden om te zorgen dat de netwerken tussen bedrijven en onderwijsinstellingen vooral op technisch gebied maximaal worden benut. Organiseert o.a de week van de techniek, kies je beroep onderdeel van het Europese programma (Leader+). III. clusterprojecten in speerpuntsectoren - een cluster is een netwerk van qua product verwante bedrijven en organisaties die door samenwerking meerwaarde willen creëren. In Flevoland wordt gewerkt om een aantal van die clusters verder uit te bouwen: - metaalcluster; - bouwcluster onderdeel van het Europese programma (EPD); - composietencluster onderdeel van het Europese programma (EPD), rond het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR); - cluster medische technologie rond de Animal Sciences Group (ASG,

65

dochter van Wageningen UR) op het gebied van diergerelateerde life science. - watercluster rond het RIZA en bedrijven op het Geomatics Business Park IV. informatie- en communicatietechnologie - doel is om te zorgen voor een goede telecominfrastructuur en het bevorderen dat daar effectief door inwoners en bedrijven gebruik van wordt gemaakt. De gemeenten Almere en Lelystad zijn bezig met een gefaseerde aanleg van een open glasvezelnetwerk (breedband). In 2007 zullen alle bedrijventerreinen via breedband zijn ontsloten. De overige gemeenten willen eind 2007 beginnen met de aanleg van een gemeentelijke glasvezelring. V. stimulering technostarters - Technostarters zijn kennisintensieve bedrijven die minder dan drie jaar geleden zijn opgericht en die zich bezighouden met het voortbrengen van innovatieve producten en diensten. Met kennisintensief worden hoog opgeleide starters bedoeld die bovendien actief zijn met R&D projecten. - Technofonds onderdeel van het Europese programma (EPD), is een fonds waarop innovatieve, technologisch gerichte starters een beroep kunnen doen voor de financiering van hun bedrijf. In het fonds participeren de Ontwikkelingsmaatschappij Flevoland (48%) en vier gemeenten (Almere, Dronten, Lelystad en Noordoostpolder, 52%). De omvang van het fonds eind 2006 was 6,43 miljoen euro en er is in 25 bedrijven geparticipeerd. VI. opzet en uitbouw themaparken - Bioscience Incubator, onderdeel van het Europese programma (EPD), een bedrijfsverzamelgebouw voor (startende) bedrijven uit de bioscience sfeer wordt in 2007 geopend in Lelystad. - Geomatics Business Park onderdeel van het Europese programma (EPD), is een hightech bedrijvenpark waar bedrijven en instellingen op het gebied van geomatica zijn gevestigd. Er zitten 20 bedrijven met 120 arbeidsplaatsen Naast de projecten die in het RITP staan zijn er nog andere lijnen waarlangs de innovatie bevorderd wordt: - De wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is een fiscale stimuleringsregeling die een deel van de loonkosten voor speuren ontwikkelingswerk compenseert. Het toegekende bedrag voor de provincie Flevoland was: in 2001 6 miljoen euro, in 2003 7 miljoen euro en in 2004 en 2005 elk 8 miljoen euro. Het leeuwendeel daarvan was bestemd voor het MKB (in 2004 bijvoorbeeld 7 miljoen van de 8 miljoen euro). Het Operationeel Programma voor het Landsdeel West in het kader van Europees fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is voor Flevoland nader uitgewerkt voor de periode 2007 – 2013. Op het gebied van kennis, innovatie en ondernemerschap zijn de volgende doelstellingen geformuleerd: - realisatie 12 R&D projecten; - 4,5 mln. euro aan uitgelokte R&D investeringen; - ondersteuning van 25 jonge en startende bedrijven;

66

-

ondersteuning van 56 MKB-bedrijven; uitlokken van 2,9 mln. euro aan private vervolginvesteringen; 8 samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en kennisinstellingen tot stand brengen; bruto 710 FTE arbeidsplaatsen creëren.

7.8

Conclusie
In een economie die bezig is te transformeren van een productiegerelateerde economie naar een kennisgerelateerde economie speelt innovatie een zeer belangrijke rol. Het is daarom verheugend te zien dat het percentage bedrijven dat aan innovatie doet, tussen 2003 en 2005 is gestegen van 26% naar 35%. Iets meer dan een derde van de Flevolandse bedrijven doet dus op de een of andere manier aan innovatie. Daarbij ligt de innovatie in de stuwende sectoren (bijvoorbeeld industrie (48%) en zakelijke dienstverlening (43%) op een hoger niveau dan in de verzorgende sector (bijvoorbeeld onderwijs 31%). De tucht van de markt en het moeten concurreren in een internationaal krachtenveld spelen daarbij zeker een rol. Innovatie is dan niet vrijblijvend meer, maar van levensbelang. Daarbij ontbreekt het bij bedrijven niet aan een innovatief klimaat, maar wel aan middelen om de nodige investeringen in mensen en machines te kunnen doen. In dat licht is het teleurstellend te moeten constateren dat de investeringen in innovatie nauwelijks toenemen en blijven steken op 120 miljoen per jaar. De betrokken partijen in de provincie zijn al sinds 1996, toen het eerste Regionaal Technologie Plan verscheen, bezig om het innoverende vermogen in de provincie te versterken. Dat gebeurt vooral door fondsen ter beschikking te stellen (onder andere het MKB fonds en het Technofonds), maar ook door de kennis te bundelen in bijvoorbeeld het Technocentrum, en door bedrijven in clusters bij elkaar te brengen om zo gezamenlijk nieuwe ontwikkelingen te entameren. In de Europese vergelijking valt op dat Flevoland laag scoort op de aanwezigheid van middelbaar en hoger technisch geschoold personeel. Hier wreekt zich het vrijwel ontbreken van hoger geschoold onderwijs in de provincie. Het aantrekken van hoger en universitaire onderwijsinstellingen zoals de gemeenten en de provincie dat willen, moet met kracht worden voortgezet. Ook moet het beleid ervoor zorgen dat ook de resterende tweederde van de bedrijven het nut en de noodzaak van innovatie inziet en daadwerkelijk aan de slag gaat.

67

8

SLOTBESCHOUWING
In de vorige publicatie werd nog aangekondigd dat de economische lente definitief was aangebroken. Inmiddels kunnen we zeggen dat het hoogzomer is geworden. De economische opleving is niet alleen meer gestoeld op een groeiende export, maar ook op een stijgende binnenlandse consumptie. De economische groei is daarmee robuust geworden. De economische zon staat hoog aan het firmament en de tijd van hoogconjunctuur is aangebroken. Het Centraal Planbureau voorspelt voor de periode 2008 – 2011 een gemiddelde jaarlijkse groei van 2%. Dat betekent concreet dat naar verwachting nationaal de komende jaren het aantal arbeidsplaatsen zal stijgen en de werkloosheid zal dalen. Het gat tussen het aantal arbeidsplaatsen in de provincie en de omvang van de aanwezige beroepsbevolking kan daardoor kleiner worden. Voorwaarde daarvoor is wel dat de benodigde arbeidskrachten aanwezig zijn. Bij een stabiele bevolking is dat voor Nederland niet een vanzelfsprekende zaak. In dit geval bevindt Flevoland zich in een bevoorrechte positie. Haar taak als opvanggebied voor de Noordvleugel van de Randstad betaalt zich nu uit. Door de verhoudingsgewijs jonge bevolkingsopbouw is er in de provincie meer kans om voldoende arbeidskrachten te vinden dan elders in den lande. Vooral voor provincies als Limburg, Zeeland en ook Groningen die al met een dalend bevolkingsaantal te kampen hebben, is het veel moeilijker om de economische hoogconjunctuur te verzilveren, eenvoudigweg omdat de benodigde arbeidskrachten gaan ontbreken. Voorwaarde voor verzilvering is wel dat alle partijen bereid zijn om de handen uit de mouwen te steken en de kans te pakken, die deze economische hoogconjunctuur biedt, want er zijn nog wel enkele obstakels op de weg. De banenmotor is weer op gang gekomen Vorig jaar werd op deze plaats nog gezegd dat de teleurstellende ontwikkeling in de werkgelegenheid misschien wel te wijten was aan het feit dat veel ondernemers de kat uit de boom keken en afwachten of het economische herstel zou doorzetten. Inmiddels is duidelijk geworden dat deze afwachtende houding is verlaten en dat men volop bezig is om nieuwe arbeidskrachten aan te trekken. Het aantal fulltime arbeidsplaatsen (meer dan 12 uur per week) steeg met 5.600 arbeidsplaatsen tot 123.500 fulltime arbeidsplaatsen. Dit was niet alleen de hoogste groei in de afgelopen vijf jaar, maar ook beduidend hoger dan de toename in de beroepsbevolking (+ 3.700 arbeidskrachten). Daarmee werd het gat tussen het aantal aanwezige personen in de beroepsbevolking (181.000 personen) en het aantal aanwezige arbeidsplaatsen (123.500 fulltime arbeidsplaatsen) weer iets kleiner. Ook het aantal parttime arbeidsplaatsen (minder dan 12 uur per week) steeg met 3.200 arbeidsplaatsen (+ 12%) tot 30.600 arbeidsplaatsen, waarmee de totale werkgelegenheid uitkwam op 154.100 arbeidsplaatsen. De snelle groei van het aantal parttime arbeidsplaatsen en ook van het uitzendwerk (+ 25%) geven nog eens aan, dat de werkgevers eerst hun vraag naar meer arbeidskrachten proberen op te vangen met tijdelijk of parttime personeel en daarna pas met vast fulltime personeel. Een groei in het aantal uitzendkrachten is daarom een goede graadmeter voor een op gang komende banenmotor. Als deze banenmotor de komende periode op stoom blijft, komt het aantal van 25.000 nieuwe banen in de komende vier jaar zoals dat genoemd is in het hoofdlijnenakkoord 2007 – 2011 van het nieuwe college van GS, binnen bereik. De banenmotor heeft het afgelopen jaar in de verzorgende sector (+ 6%) in een hogere versnelling gedraaid dan in de stuwende sector (+

68

3%). De toenemende bereidheid van consumenten om weer geld uit te geven aan particuliere bestedingen en het inlopen van de achterstand die de provincie heeft in bevolkingsvolgende voorzieningen zullen daar mede de achter liggende redenen voor zijn geweest. Daarnaast heeft de stuwende sector het vermogen van een dieselmotor, die eerst langzaam op gang komt, om vervolgens op volle snelheid verder te gaan. Eerst moeten namelijk structureel nieuwe markten en nieuwe afnemers worden gevonden voor de productie en de handel op volle toeren kunnen gaan draaien. Dat kost iets meer tijd. De enige sector, die niet mee doet in de economische opleving, is de agrarische sector. Daar is de werkgelegenheid het afgelopen jaar gedaald (- 640 arbeidsplaatsen, - 9%). De landbouw is bezig om een nieuwe oriëntatie te vinden in de sterk veranderende internationale markten. De toenemende vrijhandel en de veranderende houding van de consumenten (meer biologisch en diervriendelijk voedsel) zorgen voor een structurele verandering in de sector, die tijd nodig heeft om zich uit te kristalliseren. Gezien het belang van die sector voor de provincie een aspect om goed in de gaten te houden. Hoewel de bevolking in de provincie nog steeds sneller (1%) groeit dan die in Nederland (0,1%), is het tempo van de groei de laatste jaren sterk afgenomen. Desondanks is de uitgangspositie van de provincie gunstig. De groene druk ligt ruim (tien procentpunten) boven het Nederlandse gemiddelde ligt en de grijze druk ligt er ruim (negen procentpunten) onder. Dat betekent dat er in de provincie nog geen sprake is van vergrijzing en ontgroening, al zal die er op den duur wel komen. Deze situatie heeft een gunstige invloed op de omvang van de beroepsbevolking, omdat er nog grote jongere leeftijdgroepen toetreden tot de arbeidsmarkt. Zo steeg de beroepsbevolking het afgelopen jaar met 2,1% en ligt de arbeidsparticipatiegraad, zeg maar het aandeel mensen dat moet werken, nog steeds drieprocentpunten (71%) boven het Nederlandse gemiddelde (68%). Dit gunstige uitgangspunt is een belangrijke vestigingsplaatsfactor, die in de toekomst wel eens van wezenlijk belang kan blijken te zijn. Conclusie In 2006 is de economische groei in Nederland op volle toeren gaan draaien. Daardoor is in Flevoland de banenmotor weer op gang gekomen, het sterkst in de verzorgende sector. De ontwikkeling in de stuwende sector bleef daar iets bij achter. Zij is echter van wezenlijk belang voor een verdere versterking van de economische structuur in Flevoland. Om de stuwende sector verder te laten groeien is de ondersteuning van alle betrokken partijen nodig die er gezamenlijk voor zouden moeten zorgen dat het economische herstel maximaal wordt benut. Concreet betekent dit gezamenlijk proberen om zoveel mogelijk bedrijven te bewegen zich in de provincie te vestigen, ervoor te zorgen dat zo min mogelijk bedrijven de provincie verlaten en tot slot gezamenlijk zorgen voor goede vestigingsvoorwaarden en ontwikkelingsmogelijkheden voor het zittende bedrijfsleven. Eén van de belangrijkste troefkaarten daarbij is de groeiende beroepsbevolking. De werkloosheid neemt af In 2006 is de arbeidsmarkt wezenlijk verbeterd. Het aantal vacatures steeg tot grote hoogte en de werkloosheid daalde snel. In 2006 zijn er nog 14.300 werklozen, ruim 3.000 werklozen minder dan een jaar geleden, een daling met bijna achttien procent vergeleken met 2005. Toch ligt de werkloosheid in de provincie nog boven het landelijke gemiddelde. Echte oorzaken daarvoor

69

zijn moeilijk aan te geven, maar één van de redenen zou kunnen zijn dat er te weinig werk is voor gehuwde vrouwen die vaak dichtbij huis willen werken. Ook het ontbreken van echte grote bedrijven zou een oorzaak kunnen zijn. Toch is de ontwikkeling het afgelopen jaar gunstig geweest. Geruststellend is dat het percentage werkzoekenden onder de jongeren tot 25 jaar zeer sterk is afgenomen. Immers, langdurige werkloosheid op deze leeftijd heeft langdurige negatieve effecten. Het zijn vooral de jongeren en de hoger opgeleiden die als eersten profiteren van de aantrekkende economie. Contramal van die ontwikkeling is dat het aandeel lager opgeleiden en ouderen onder de werklozen sterk toeneemt. Zo is in één jaar tijd het aandeel van de oudere werklozen (40 jaar en ouder) toegenomen van 47% naar 58%. Ook de groep goed bemiddelbaren is het afgelopen jaar snel door de arbeidsmarkt opgenomen. Problematischer echter is de groep moeilijk bemiddelbaren (de zogeheten fase 3 en fase 4 werkzoekenden) die alleen via een intensief traject aan werk kunnen worden geholpen. Zij nemen weliswaar langzaam in aantal af, maar hun relatieve aandeel onder de werklozen is het afgelopen jaar sterk gestegen. Dit structurele probleem op de arbeidsmarkt is in een neergaande economische conjunctuur vrijwel niet oplosbaar, maar moet nu in een aantrekkende economie worden aangepakt. Zeker, omdat het bij het CWI geregistreerde aantal vacatures (geschat op een derde van het totaal aantal vacatures) met 1.630 nieuwe vacatures is gestegen tot 8.200 geregistreerde vacatures, ruim een kwart meer dan vorig jaar. Ondanks kwalitatieve verschillen moet toch geprobeerd worden om 14.300 werklozen te koppelen aan de 8.200 geregistreerde vacatures. Dat wordt des te belangrijker nu het krap gaat worden op de arbeidsmarkt. De eerste leden van de naoorlogse generatie, de babyboomers, verlaten het werkzame bestaan en hun aantal zal de eerstvolgende jaren alleen maar toenemen. In Nederland is de verhouding tussen werkzoekenden en de beschikbare banen sinds 1970 niet meer zo krap geweest. Er ontstaat een fiks tekort aan werkenden. Het kabinet Balkenende IV heeft daarom in haar regeringsverklaring aangegeven de arbeidsparticipatie te bevorderen. Zij heeft daar 1,2 miljard euro voor uitgetrokken. Ook Flevoland moet, ondanks haar gunstiger uitgangspunt, gebruik maken van die middelen om zo te zorgen dat er voldoende arbeidskrachten beschikbaar zijn, zodat de Flevolandse bedrijven in hun streven naar groei niet worden belemmerd door een tekort aan arbeidskrachten. De tijd is rijp om dit structurele probleem op de arbeidsmarkt aan te pakken. Conclusie Het aantal werkzoekenden is snel afgenomen, terwijl het aantal beschikbare vacatures sterk is gestegen. Toch blijft het voor bepaalde groepen (ouderen, moeilijk bemiddelbaren) ondanks de economische hoogconjunctuur moeilijk om zich een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. Dat betekent dat door alle betrokken partijen een actief arbeidsmarktbeleid gevoerd moet worden om zoveel mogelijk mensen aan werk te helpen. Het Provinciaal Platform Arbeidsmarkt is bij uitstek de organisatie om die krachten te bundelen en allerlei initiatieven op het gebied van de arbeidsmarkt te ondersteunen. Voorkomen moet worden dat de gunstige economie niet maximaal kan worden benut door een dreigend tekort aan arbeidskrachten. We herhalen de stelling van vorig jaar: men moet het ijzer smeden als het vuur heet is. Flevolands bedrijfsleven zeer optimistisch Een belangrijke graadmeter voor de economische ontwikkeling is de omzet.

70

De nominale omzet (omzet gecorrigeerd voor prijsontwikkeling) is in 2006 met 4,4% gestegen tegen 1,9% in 2005. Dat percentage lag zelfs boven het landelijke gemiddelde van 3,7%. Het is niet alleen meer de export die voor deze positieve ontwikkeling zorgde, maar ook de binnenlandse omzet nam toe. De gunstige omzetontwikkeling deed zich dan ook in alle bedrijfstakken voor. Dat onderstreept nog eens de robuustheid van de economische ontwikkeling die niet alleen meer op de export is gebaseerd, maar ook op de aantrekkende particuliere consumptie. Het is ook een goed teken dat in Flevoland de groei van de export het hoogste punt in de afgelopen vijf jaar heeft bereikt en vergeleken met een jaar eerder met 6,4% is toegenomen, ruim boven het landelijke gemiddelde (5,7%). Daarmee is zij aan een inhaalslag begonnen, want het aantal exporterende bedrijven in Flevoland ligt nog altijd onder het Nederlandse gemiddelde. Gevolg van deze gunstige ontwikkelingen is dat het aantal winstgevende bedrijven is toegenomen (85% tegen 81% een jaar eerder) en dat ruim tweederde tevreden is over het behaalde resultaat. Het vertrouwen in een goede ontwikkeling van de economie is nog nooit zo hoog geweest. Zo steeg het afgelopen jaar het aantal bedrijven met investeringen met negen procentpunten (tot 64%). De index van het ondernemersvertrouwen bereikte zijn hoogste punt ooit en bedroeg 116 punten, 18 punten meer dan het landelijke gemiddelde van 98 punten. Het Flevolandse bedrijfsleven ziet de toekomst dus vol vertrouwen tegemoet, wat een hoopvol teken is voor de economische ontwikkeling in 2007. De tijd van hoogconjunctuur lijkt aangebroken. Conclusie Het economische herstel, waar zolang naar is uitgekeken, is een feit. De nominale omzet is sterk toegenomen en niet alleen meer onder invloed van de aantrekkende export, maar ook door de op gang gekomen particuliere bestedingen. Alle bedrijfstakken profiteren van deze gunstige economische situatie. Het enige thema, waar hier al eerder op is gewezen en waar nog de nodige aandacht aan besteed zou moeten worden, is de export. Het aandeel exporterende bedrijven ligt nog steeds onder het Nederlandse gemiddelde. Het stimuleren van export is daarom een thema dat in het beleid nog de nodige aandacht vergt. De Kamer van Koophandel en de provincie spelen hier al op in. Ook de investeringsbereidheid neemt weer toe wat een teken is dat de ondernemers zo positief zijn dat zij weer bereid zijn om geld in hun bedrijf te stoppen. Ook dat is een ontwikkeling die zoveel mogelijk gestimuleerd zal moeten worden. Bedrijvendynamiek Het aantal bedrijven blijft toenemen. Eind 2006 waren er in Flevoland ruim 24.100 bedrijfsvestigingen, een groei van 8% vergeleken met een jaar eerder. In alle bedrijfssectoren groeide het aantal vestigingen, het sterkst in de bouw (+ 15%) en in de niet-commerciële dienstverlening (+ 10%). De enige sector die achterbleef was de landbouw waar het aantal vestigingen afnam (- 1%). Hoe is die groei nu tot stand gekomen? Ondanks alle pleidooien om de inspanningen te verhogen om bedrijven van buiten de provincie aan te trekken, is het vooral de autonome groeikracht van de regio zelf (94%) die zorgt voor de groei van het aantal vestigingen. Van de oprichtingen zijn zes op de tien bedrijven startende bedrijven. Toch heeft de grote groei van het aantal starters uit 2005 (+ 28%) zich in 2006 niet doorgezet (+ 10%). Waarschijnlijk een gevolg van het feit dat de ongunstige arbeidsmarkt in 2003, 2004 en 2005 zich zodanig heeft verbeterd, dat veel mensen de stap naar het ondernemerschap niet meer hoeven te

71

maken om van een inkomen verzekerd te zijn. Desondanks waren er in 2006 meer starters dan ooit in de provincie, namelijk 2.555 startende bedrijven. De opkomst van onder andere nieuwe diensten zorgt voor een snelle groei van het aantal vestigingen. In die sector is de toetredingsdrempel ook gemakkelijker door de geringe investeringen die nodig zijn om een bedrijf op te richten. Een overgang van Nederland naar een meer op kennis gerichte economie zorgt ook voor een eerdere overgang van werknemerschap naar ondernemerschap. Het migratiesaldo in de totale groei is weliswaar niet erg groot ( 6%), maar is het afgelopen jaar wel weer sterk toegenomen. Het vorige jaar bedroeg haar aandeel slechts 1%. Die positieve tendens komt zowel door het meer binnenkomen van bedrijven van elders als door het kleiner aantal bedrijven dat uit Flevoland vertrekt. Vooral in de groothandel en het transport is het migratiesaldo groot, wat niet toevalligerwijs de twee bedrijfstakken zijn met relatief veel ruimte voor hun bedrijfsvoering, en ruimte is in Flevoland nog wel te vinden tegen aantrekkelijke voorwaarden. Conclusie Het beleid van de overheid is er sterk opgericht om het ondernemerschap te bevorderen. Nu er een tijd van economische hoogconjunctuur aanbreekt, is het zaak om dit streven vol kracht voort te zetten. Immers, bij veel mensen is de noodzaak om een bedrijf te starten minder geworden door de aantrekkende arbeidsmarkt. Daardoor ondervindt men minder de gevolgen van de versobering van de sociale zekerheid, wat nog wel eens een stok achter de deur was om de stap naar het ondernemerschap te maken. De onvermijdelijke overgang naar een kenniseconomie vereist echter meer ondernemers dan werknemers. Naast het stimuleren van ondernemerschap is ook het op regionale niveau samenwerken bij het aantrekken van bedrijven van buiten de provincie een zaak die de volle aandacht verdient. Een gunstige economische conjunctuur is nu bij uitstek de tijd om dit soort zaken goed en definitief te regelen. Voorraad bedrijventerreinen op peil De ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen staat de laatste tijd ter discussie. Het gaat er dan voornamelijk om dat er nieuwe bedrijventerreinen worden ontwikkeld, terwijl er volop leegstand is op reeds langer bestaande bedrijventerreinen. In die discussie neemt Flevoland een bijzondere plaats in. Veel sterker dan landelijk het geval is, is in Flevoland de noodzaak aanwezig voor de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen om de noodzakelijke groei van de werkgelegenheid te kunnen accommoderen. Daarbij komt dat door de relatief jonge leeftijd van de bedrijventerreinen in Flevoland het proces van veroudering veel minder ver is voortgeschreden dan in de rest van Nederland. Toch worden de eerste tekenen van veroudering zichtbaar. Verwacht mag worden dat dit verouderingsproces zich in de komende jaren zal voortzetten. Het is daarom zaak op tijd passende maatregelen te nemen. Een belangrijk instrument hierbij is de gemeentelijke visie op het vestigingsbeleid (GVV), een strategische visie op werklocaties met aandacht voor de beoogde doelgroep, de kwaliteit van de bedrijventerreinen en toetsingscriteria voor toe te laten activiteiten. De situatie is dat er momenteel in Flevoland voldoende bedrijventerrein beschikbaar is (678 hectare uitgeefbaar terrein) om de bedrijven op te vangen. Ook zitten er voldoende bedrijventerreinen in de planning (1.000 hectare, waarvan 450 hectare op de locatie A6/A27). Wel kan het groeiende aanbod leiden tot dure overschotten. Daarom is onderlinge afstemming

72

gewenst. Zo zou men vergelijkbaar met ervaringen elders kunnen werken met verhandelbare quota om vraag en aanbod regionaal af te stemmen. Het gaat vooral om gemengde bedrijventerreinen, maar er is ook een segmentering naar hoogwaardige bedrijventerreinen, distributieparken en bedrijventerreinen voor zware industrie. Het in stand houden van een goede segmentering vereist het maken van regionale afspraken. Op dat gebied is er nog wel enig werk te verrichten. De kantorenmarkt, die zich in Flevoland vooral in Almere en in mindere mate in Lelystad afspeelt, heeft zich het afgelopen jaar gunstig ontwikkeld. Zo was de opname met 45.000 m2 in Almere beduidend hoger (22%) dan een jaar eerder. Tegelijkertijd nam ook de leegstand met één procentpunt af tot 13,3%, iets hoger nog dan het landelijke gemiddelde (12,5%). Door de plannen van Eurocommerce om de komende drie jaar 90.000 m2 kantoorruimte in het centrum van Almere-Stad te realiseren is Almere in staat om ook in de nabije toekomst grote kantoorgebruikers aan zich te binden. Conclusie In de provincie Flevoland is voldoende bedrijventerrein beschikbaar om nu en in de nabije toekomst de verlangde bedrijvigheid op te vangen. Op dat punt hoeft niets de komst van bedrijven in de weg te staan. Toch zijn er twee aspecten waar aandacht aan besteed zou moeten worden. Ten eerste is dat de regionale afstemming van de fasering, uitgifte en segmentering van de nieuwe bedrijventerreinen. Daarover zouden bindende afspraken gemaakt moeten worden om te voorkomen dat het groeiende aanbod leidt tot dure overschotten. Men zou bijvoorbeeld kunnen denken aan verhandelbare quota om vraag en aanbod regionaal af te stemmen. De provincie zou daarvoor de regie moeten voeren. Ten tweede zal op (korte) termijn de veroudering van de bedrijventerreinen ook in Flevoland gaan spelen. Het is zaak om daarover nu al goed na te denken en passende maatregelen te nemen. Innovatie Het belang van innovatie kan niet overschat worden. Innovatie is broodnodig om in de uitdijende wereldeconomie een speler van betekenis te blijven. Daarbij speelt kennis een heel belangrijke rol. De veranderingen gaan zo snel dat het absoluut noodzakelijk is om via permanente educatie bij te blijven. Om die reden heeft de Europese Unie op haar top in Lissabon in 2000 de ambitie uitgesproken om binnen tien jaar de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie in de wereld te worden. Binnen Europa wil Nederland dan weer de Europese koploper zijn. In dat licht bezien is het verheugend dat in Flevoland in twee jaar tijd het aantal bedrijven dat zelf zegt aan innovatie te doen is gestegen van 26 procent naar 35 procent in 2005. Aan de andere kant is het ook teleurstellend, want het betekent dat twee op de drie bedrijven in de provincie niet aan innovatie zeggen te doen. Met name in de bouw (21%) is de innovatiegraad laag, terwijl de innovatiegraad in het onderwijs zelfs met twee procentpunten was terug gelopen, als enige sector. Daarbij zeggen drie op de vier bedrijven problemen bij het innoveren te ondervinden. De problemen liggen niet zozeer bij het innovatiepotentieel in de bedrijven zelf, maar vooral aan het gebrek aan middelen/capaciteit in het bedrijf zelf en aan durfkapitaal. Nu er een tijd van hoogconjunctuur aanbreekt, is het zaak om vooral aan het wegwerken van die knelpunten te werken. Sinds 1996 is de provincie al op dat vlak actief met haar vierjaarlijkse Regionaal Innovatie – en Technologie Plannen (RITP). In dat kader

73

worden ook fondsen ter beschikking gesteld zoals via het financieringsfonds REOF, TMI-regeling of het Technofonds. Toch als de aantallen bedrijven worden bekeken die op die manier geholpen worden dan gaat het om relatief weinig bedrijven zoals bijvoorbeeld de 25 bedrijven die via het Technofonds worden geholpen. Conclusie De overgang naar een kenniseconomie zorgt voor een structurele verandering in het bedrijfsleven. Hoogwaardige arbeid wordt een steeds belangrijker productiemiddel. Vroegere productiebedrijven worden omgevormd tot zogeheten kop/staart bedrijven, waarbij het ontwerp en de marketing in Nederland blijven, maar de feitelijke productie is uitbesteed. De lat is bij de ambitie die Nederland in het akkoord van Lissabon heeft uitgesproken, zeer hoog gelegd. Dat betekent dat ook in Flevoland alle zeilen moeten worden bijgezet om het innovatieve vermogen van het bedrijfsleven te vergroten. De aanzetten zijn zeer wel aanwezig, maar zullen moeten worden versterkt, ook als straks de Europese gelden opdrogen. Het is dus alle hens aan dek en volle kracht vooruit. De economische hoogconjunctuur is de ideale tijd om het innovatievermogen van de bedrijven structureel aan te pakken, want het is de economische motor van de toekomst. Toekomst De economische hoogconjunctuur die het Centraal Planbureau voor de periode 2008 – 2011 voorziet met een jaarlijkse economische groei van 2% biedt vele mogelijkheden om zaken structureel aan te pakken, maar het heeft ook een keerzijde. Het is nu al duidelijk dat er te weinig arbeidskrachten zullen zijn om die economische groei op te vangen. Er treden in de nabije toekomst meer mensen uit het arbeidsproces dan dat er zullen toetreden. Dat kan niet alleen leiden tot een opwaartse druk op de lonen en het van elkaar afkopen van goede werknemers, maar ook tot een niet verzilveren van de kansen die deze hoogconjunctuur biedt. Daarmee treedt een fundamentele discussie op de voorgrond: laten we zoveel immigranten toe, dat de economische groei kan worden opgevangen of verplaatsen we een toenemend deel van onze productiecapaciteit naar andere landen om zo het tekort aan arbeidskrachten op te vangen. Kortom, het belooft een interessante periode te worden, waarin een aantal wezenlijke zaken moet worden aangepakt, omdat de tijd er rijp voor is.

74

STATISTISCHE BIJLAGEN

75

Bijlage 1 Sociaal-economische gegevens Flevoland, 2004-2006
2004 170.700 119.000 87.200 80.700 6.500 73 37.700 43.000 14.100 4.100 10.000 62.856 51.844 11.021 8.611 10% 9.306 ALMERE 2005 2006 175.000 178.500 122.000 124.500 89.100 81.700 7.400 73 63.323 52.255 11.068 9.190 10% 9.615 90.900 83.400 7.500 73 70.125 56.278 13.847 7.558 8% 10.464 LELYSTAD 2006 71.400 51.000 36.200 33.200 3.000 71 32.791 27.176 5.615 3.566 10% 4.624 2004 37.800 25.000 17.600 16.600 1.000 69 7.300 9.300 2.200 900 1.300 12.438 9.502 2.936 1.140 7% 2.558 2005 38.000 25.500 17.900 16.600 1.300 70 12.699 9.600 3.009 1.248 7% 2.609 DRONTEN 2006 38.100 25.500 17.900 16.600 1.300 70 13.374 10.309 3.065 1.036 6% 2.678

Aantal inwoners (per 1-1) Aantal inwoners (15-64 jr.) Beroepsbevolking waarvan: -werkzame beroepsbevolking -niet-werkzame beroepsbevolking Bruto participatiegraad Ter plaatse werkzaam Uitgaande pendel, excl. ambulanten Inkomende pendel, waarvan*: -elders wonend in Flevoland -wonend buiten Flevoland Arbeidsplaatsen, waarvan: -12 uur en meer per week -minder dan 12 uur per week Niet-werkende werkzoekenden NWW-ers als % beroepsbevolking Bedrijfsvestigingen

Aantal inwoners (per 1-1) Aantal inwoners (15-64 jr.) Beroepsbevolking waarvan: -werkzame beroepsbevolking -niet-werkzame beroepsbevolking Bruto participatiegraad Ter plaatse werkzaam Uitgaande pendel, excl. ambulanten Inkomende pendel, waarvan*: -elders wonend in Flevoland -wonend buiten Flevoland Arbeidsplaatsen, waarvan: -12 uur en meer per week -minder dan 12 uur per week Niet-werkende werkzoekenden NWW-ers als % beroepsbevolking Bedrijfsvestigingen

2004 69.600 50.000 35.000 31.500 3.500 70 17.800 14.200 8.900 4.800 4.100 31.842 26.746 5.096 4.330 12% 4.217

2005 70.900 50.500 35.900 32.800 3.100 71 31.529 26.517 5.012 4.291 12% 4.281

2004 45.600 29.500 20.400 19.200 1.200 69 13.900 5.300 3.900 1.200 2.700 22.142 17.792 4.350 1.510 7% 3.566

NOORDOOSTPOLDER 2005 2006 45.600 45.700 29.500 30.000 20.700 19.500 1.200 70 21.741 17.237 4.464 1.731 8% 3.517 21.000 19.800 1.300 70 21.616 17.181 4.435 1428 7% 3.652

76

Bijlage 1 Vervolg
Aantal inwoners (per 1-1) Aantal inwoners (15-64 jr.) Beroepsbevolking waarvan: -werkzame beroepsbevolking -niet-werkzame beroepsbevolking Bruto participatiegraad Ter plaatse werkzaam Uitgaande pendel, excl. ambulanten Inkomende pendel, waarvan: -elders wonend in Flevoland -wonend buiten Flevoland Arbeidsplaatsen, waarvan: -12 uur en meer per week -minder dan 12 uur per week Niet-werkende werkzoekenden NWW-ers als % beroepsbevolking Bedrijfsvestigingen FLEVOLAND TOTAAL Aantal inwoners (per 1-1) Aantal inwoners (15-64 jr.) Beroepsbevolking waarvan: -werkzame beroepsbevolking -niet-werkzame beroepsbevolking Bruto participatiegraad Ter plaatse werkzaam Uitgaande pendel, excl. ambulanten Inkomende pendel, wonend buiten Flevoland Arbeidsplaatsen, waarvan: -12 uur en meer per week -minder dan 12 uur per week Niet-werkende werkzoekenden NWW-ers als % beroepsbevolking Bedrijfsvestigingen (Provincie) Bedrijfsoprichtingen (KvK) Opheffingen (KvK) Vestigende bedrijven (KvK) Vertrekkende bedrijven (KvK) Mutatie reële omzet (KvK) Mutatie reële export (KvK) Bedrijven met voldoende rendement (KvK) 2004 17.000 10.500 6.300 6.000 300 60 4.600 1.400 800 600 200 7.098 5.412 1.686 309 5% 974 2004 359.900 247.000 175.400 163.000 12.400 71 97.200 65.800 20.500 144.583 117.668 26.915 16.460 9% 22.220 3.442 1.850 631 499 -0,4% -0,4% 56% 2005 17.300 10.500 6.400 6.000 400 61 7.359 5.473 1.886 254 4% 977 2005 365.900 250.000 178.400 165.000 13.400 71 145.207 117.791 27.416 17.322 10% 22.610 3.965 1.922 645 629 1,9% 2,2% 58% URK 2006 17.500 10.500 6.500 6.200 300 62 7.182 5.610 1.572 215 3% 1.043 2006 370.700 254.000 181.100 168.000 13.000 71 154.031 123.425 30.606 14.536 8% 24.136 4.301 1.999 662 522 4,4% 6,4% 66% 2004 ZEEWOLDE 2005 2006 19.100 19.400 12.500 12.500 8.600 8.500 100 69 8.542 6.685 1.861 608 7% 1.611 8.600 8.500 100 69 8.943 6.871 2.072 493 6% 1.675

8.900 8.600 300 71 4.000 4.600 2.300 100 2.200 8.207 6.372 1.835 560 6% 1.599

Aantal inwoners per 1 januari 2007 ALMERE 181.000 DRONTEN 38.100 LELYSTAD 71.200 NOORDOOSTPOLDER 45.800 URK 17.600 ZEEWOLDE 19.700 FLEVOLAND 374.500 Bron: Provincie Flevoland

Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Flevoland, Kamer van Koophandel Flevoland, CWI AKA Midden West Nederland, CBS

77

Bijlage 2 Werkzame personen (fulltime) naar bedrijfstak en –klasse, Flevoland, 2005 en 2006
Bedrijfstak en -klasse X A CBS Meitelling landbouw LANDBOUW, JACHT EN BOSBOUW 01 Landbouw, jacht en dienstverleningen t.b.v. de landbouw en jacht 02 Bosbouw en dienstverlening t.b.v. de bosbouw B VISSERIJ 05 Visserij, kweken van vis en schaaldieren t.b.v. de visserij C WINNING VAN DELFSTOFFEN 11 Aardolie- en aardgaswinning 14 Winning van zand, grind, klei, zout e.d. D INDUSTRIE 15 Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken 17 Vervaardiging van textiel123 18 Vervaardiging van kleding; bereiden en verven van bont 19 Vervaardiging van leer en lederwaren (excl. kleding) 20 Houtindustrie vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk (excl. meubels) 21 Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren 22 Uitgeverijen, drukkerij en reproductie van opgenomen media 23 Aardolie- en steenkoolverwerkende industrie; bewerking van splijt en kweekstoffen 24 Vervaardiging van chemische producten 25 Vervaardiging van producten van rubber en kunststof 26 Vervaardiging van glas, aardewerk, cement-, kalk- en gipsproducten 27 Vervaardiging van metalen in primaire vorm 28 Vervaardiging van producten van metaal (excl. machines en transportmiddelen) 29 Vervaardiging van machines en apparaten 30 Vervaardiging van kantoormachines en computers 31 Vervaardiging van overige elektrische machines, apparaten en benodigdheden 32 Vervaardiging van audio-, video- en telecommunicatie-apparatuur en -benodigdheden 33 Vervaardiging van medische apparaten en instrumenten orthopedische Artikelen e.d., precisie- en optische instrumenten en uurwerken 34 Vervaardiging van auto’s, aanhangwagens en opleggers 35 Vervaardiging van transportmiddelen (excl. auto’s, aanhangwagens en opleggers) 36 Vervaardiging van meubels; vervaardiging van overige goederen n.e.g. 37 Voorbereiding tot recycling E PRODUCTIE EN DISTRIBUTIE VAN ELEKTRICITEIT, AARDGAS EN WATER 40 Productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stroom en warm water 41 Winning en distributie van water F BOUWNIJVERHEID 45 Bouwnijverheid G REPARATIE VAN CONSUMENTENARTIKELEN EN HANDEL 50 Handel in en reparatie van auto’s en motorfietsen; benzineservicestations 51 Groothandel en handelsbemiddeling (niet in auto’s en motorfietsen) 52 Detailhandel en reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto’s, motorfietsen en motorbrandstoffen) 8.321 8.784 463 475 82 528 1.323 121 214 112 102 6.716 6.716 21.128 2.586 10.221 477 72 547 1.512 149 221 122 99 7.163 7.163 21.965 2.656 10.525 2 -10 19 84 28 7 10 -3 447 447 837 70 304 2005 5.477 1.196 1.081 115 838 838 6 1 5 14.129 3.366 133 53 5 173 118 883 8 1.012 440 403 42 1.606 2.919 141 181 115 2006 5.204 1.131 1.024 107 801 801 1 1 0 14.519 3.412 143 60 3 125 82 876 10 1.030 483 369 39 1.717 3.005 108 194 106 Verschil -273 -65 -57 -8 -37 -37 -5 0 -5 392 46 10 7 -2 -48 -36 -7 2 18 43 -34 -3 111 86 -33 13 -9

78

Bijlage 2 Vervolg
Bedrijfstak en -klasse H HORECA 55 Logies-, maaltijden- en drankverstrekking I VERVOER, OPSLAG EN COMMUNICATIE 60 Vervoer over land 61 Vervoer over water 62 Vervoer door de lucht 63 Dienstverlening t.b.v. het vervoer 64 Post en telecommunicatie J FINANCIËLE INSTELLINGEN 65 Financiële instellingen (excl. verzekeringswezen en pensioenfondsen) 66 Verzekeringswezen en pensioenfondsen (excl. verplichte sociale verzekeringen) 67 Activiteiten t.b.v. of verwant aan financiële instellingen K VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED, VERHUUR VAN ROERENDE GOEDEREN EN ZAKELIJKE DIENSTVERLENING 70 Verhuur van en handel in onroerend goed 71 Verhuur van transportmiddelen, machines en werktuigen zonder bedienend personeel en van overige roerende goederen 72 Computerservice- en informatietechnologiebureaus e.d. 73 Speur- en ontwikkelingswerk 74 Overige zakelijke dienstverlening L OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN EN VERPLICHTE SOCIALE VERZEKERINGEN 75 Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen M ONDERWIJS 80 Onderwijs N GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG 85 Gezondheids- en welzijnszorg O MILIEUDIENSTVERLENING, CULTUUR, RECREATIE EN OVERIGE DIENSTVERLENING 90 Milieudienstverlening 91 Werkgevers-, werknemers- en beroepsorganisaties; levensbeschouwelijke en politieke organisaties; overige ideële organisaties e.d. 92 Cultuur, sport en recreatie 93 Overige dienstverlening TOTAAL 479 2.880 1.334 117.791 412 2.903 1.395 123.425 -67 24 61 5.634 168 176 8 7.125 8.510 8.510 13.653 13.653 4.861 7.670 8.835 8.835 14.746 14.746 4.887 545 325 325 1.093 1.093 26 775 3.343 1.858 16.184 7.125 767 3.739 1.864 17.884 7.670 -8 396 6 1.700 545 1.145 1.209 63 2005 2.075 2.075 5.619 3.298 198 52 792 1.279 2.949 1.999 52 898 23.305 2006 2.080 2.080 5.661 3.254 215 55 771 1.366 3.078 2.049 246 783 25.463 Verschil 5 5 42 -44 17 3 -21 87 129 50 194 -115 2.158

Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Provincie Flevoland

79

Bijlage 3 Werkzame personen (fulltime) naar gemeente en bedrijfstak, Flevoland, 2005 en 2006
SBI-code Bedrijfstak X CBS MEITELLING LANDBOUW A LANDBOUW, JACHT EN BOSBOUW B VISSERIJ C WINNING VAN DELFSTOFFEN D INDUSTRIE E ELEKTRICITEIT, AARDGAS EN WATER F BOUWNIJVERHEID G HANDEL H HORECA I VERVOER EN COMMUNICATIE J FINANCIELE INSTELLINGEN K ZAKELIJKE DIENSTVERLENING L OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN EN SOCIALE VERZEKERINGEN M ONDERWIJS N GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG TOTAAL SBI-code Bedrijfstak X CBS MEITELLING LANDBOUW O OVERIGE DIENSTVERLENING 2.494 4.367 6.457 2.013 52.239 3.136 4.548 7.255 2.009 56.278 441 838 788 548 9.600 457 876 773 643 10309 URK 2005 27 10 830 1.803 436 687 85 185 60 467 2006 22 4 794 1.742 494 707 110 187 63 573 2005 625 106 768 3 332 1.380 88 833 114 785 3.267 1.645 3.648 1.077 26.517 3.177 1.696 3.879 1.069 27.176 ZEEWOLDE 2006 654 113 822 3 349 1.385 122 865 79 915 2005 345 330 5.253 82 2.933 10.455 949 2.420 1.742 12.389 ALMERE 2006 349 211 1 5.625 98 2.986 11.152 859 2.413 1.980 13.656 2005 1.100 287 6 941 8 796 2.001 184 362 124 1.176 DRONTEN 2006 1.040 443 1 1.003 5 819 2.039 175 359 110 1.566 2005 380 62 2.831 118 1.380 3.994 489 1.137 523 5.966 LELYSTAD 2006 357 41 2.833 110 1.595 4.011 519 1.142 446 6.301

NOORDOOSTPOLDER 2005 3.000 401 8 2.523 3 829 2.611 280 682 386 2.522 2006 2.782 319 6 2.494 5 920 2.671 295 695 400 2.452

A LANDBOUW, JACHT EN BOSBOUW B VISSERIJ C WINNING VAN DELFSTOFFEN D INDUSTRIE

E ELEKTRICITEIT, AARDGAS EN WATER F BOUWNIJVERHEID G HANDEL H HORECA I VERVOER EN COMMUNICATIE J FINANCIELE INSTELLINGEN K ZAKELIJKE DIENSTVERLENING L OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN EN SOCIALE VERZEKERINGEN M ONDERWIJS N GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG O OVERIGE DIENSTVERLENING TOTAAL

489 1.094 2.056 393 17.655

488 1.110 2.145 399 17.181

162 279 332 110 5.473

155 293 344 122 5.610

272 287 372 720 6.685

257 312 350 645 6871

Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Provincie Flevoland

80

Bijlage 4 Aantal vestigingen naar gemeente en bedrijfstak, Flevoland, 2005-2006
SBI-code Bedrijfstak X A B C D E F G H I J K L M N O CBS MEITELLING LANDBOUW LANDBOUW VISSERIJ WINNING VAN DELFSTOFFEN INDUSTRIE ELEKTRICITEIT, AARDGAS EN WATER BOUW HANDEL HORECA VERVOER EN COMMUNICATIE FINANCIELE INSTELLINGEN ZAKELIJKE DIENSTVERLENING OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN EN SOCIALE VERZEKERINGEN ONDERWIJS GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG OVERIGE DIENSTVERLENING ONBEKEND TOTAAL SBI-code Bedrijfstak X A B C D E F G H I J K L M N O CBS MEITELLING LANDBOUW LANDBOUW VISSERIJ WINNING VAN DELFSTOFFEN INDUSTRIE ELEKTRICITEIT, AARDGAS EN WATER BOUW HANDEL HORECA VERVOER EN COMMUNICATIE FINANCIELE INSTELLINGEN ZAKELIJKE DIENSTVERLENING OPENBAAR BESTUUR, OVERHEIDSDIENSTEN EN SOCIALE VERZEKERINGEN ONDERWIJS GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG OVERIGE DIENSTVERLENING ONBEKEND TOTAAL 8 89 197 246 3.498 8 85 217 279 3.652 3 23 35 64 970 3 24 38 68 1.041 6 49 93 135 1.599 6 50 102 150 1.675 22 402 628 939 1 9.534 22 409 725 1.081 10.464 9 81 144 204 2.590 9 82 148 225 2.678 URK 2005 14 6 143 97 102 253 29 56 27 118 2006 11 4 139 104 104 277 32 66 16 129 2005 269 28 84 5 88 330 30 32 69 381 28 143 349 396 4.254 24 158 381 444 4.623 ZEEWOLDE 2006 272 29 86 4 108 346 36 31 34 421 2005 74 59 455 4 781 2.233 279 449 313 2.895 ALMERE 2006 67 64 1 473 4 909 2.441 291 480 213 3.284 2005 530 49 2 141 7 190 544 65 83 58 483 DRONTEN 2006 520 51 1 152 6 198 582 66 80 41 517 2005 140 32 246 9 408 1.014 150 154 108 1.077 LELYSTAD 2006 145 31 248 9 463 1.099 151 155 87 1.228

NOORDOOSTPOLDER 2005 1.100 90 5 190 3 215 636 82 109 64 464 2006 1.109 124 4 188 5 246 656 85 109 42 495

Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Provincie Flevoland

81

Bijlage 5 Bedrijventerreinen naar gemeente, Flevoland, 2005 en 2006
Netto oppervlakte per 1-1-2006(hectare) Gemeente ALMERE Almere-Buiten Naam bedrijventerrein TOTAAL 3T Bouwmeesterbuurt De Rederij De Vaart I, II, III De Vaart IV & VI Faunabuurt Poldervlak Ambachtsmark De Paal De Steiger Vogelweg Hogekant De Binderij De Uitgeverij Draaiersplaats Felsersplaats Frezersplaats Gietersplaats Gooisekant Gooisepoort Het Atelier Hollandse Kant Markerkant Randstad Sallandsekant Veluwsekant O+W DRONTEN Biddinghuizen Dronten TOTAAL De Driehoek Havenweg Oldebroekerweg Business-Zone Delta De Noord Ecu Fazantendreef Bloemenzoom De Kolk Spelwijk Tarpan TOTAAL Flevopoort Gildenhof Larserdreef Larserpoort 123 Luchthaven Middendreef Noordersluis + Noordersluis ZO Oostervaart Oostervaart Oost Rivierenbuurt ZO Westerdreef Uitgegeven tot 1-1-2006 437,8 0,0 1,0 0,0 144,0 22,7 2,2 26,48 3,4 2,9 22,1 7,9 2,9 3,7 2,6 1,3 5,7 4,2 3,4 32,4 20,0 0,6 27,0 29,0 10,3 28,1 34,0 162,9 25,3 6,0 8,4 40,9 21,5 0,0 25,8 0,3 13,1 14 7,6 303,3 15,7 8,0 3,0 29,5 15,6 2,0 116,7 103,0 6,7 1,7 1,4 Terstond uitgeefbaar per 1-1-2006 59,4 9,5 0,8 2,1 4,7 0,0 1,6 0,3 13,1 0,1 3,1 0,1 3,4 17,0 3,6 33,3 1,3 4,3 18,2 1,0 0,7 7,8 80,2 47,5 4,3 6,5 2,5 0,4 14,7 2,8 1,5 Vestigingen Arbeidsplaatsen per

per 1-4-2006 2.339 2 } 270 12 218 74 54 117 36 14 81 24 37 110 62 67 350 14 35 83 253 198 32 196 607 95 6 1 177 171 85 37 16 19 846 79 46 30 59 45 10 378 194 5 -

1-4-2006 27.599 3 } 5.304 27 1.327 250 348 1.106 60 44 438 113 98 394 312 168 5.699 2.024 195 1.193 1.303 3.890 1.017 2.286 4.409 716 76 3 979 1030 1228 209 102 66 9.148 344 538 873 1.291 218 249 3.085 2487 63 -

hectare 63 3 } 32 12 50 74 120 50 8 15 118 43 75 69 74 49 176 101 325 44 45 378 36 67 27 28 13 0 24 48 48 16 7 9 30 22 67 291 44 14 125 26 24 37 -

Almere-Haven Almere-Hout Almere-Poort Almere-Stad

Swifterbant

LELYSTAD

82

Bijlage 5 Vervolg
Netto oppervlakte per 1-1-2006 (hectare) Gemeente NOP Bant Creil Emmeloord Naam bedrijventerrein TOTAAL Industrieterrein (Bant) Industrieterrein (Creil) Kavel B61 (Creil) A6 De Munt I De Munt II-Fase I Ecopark Nagelerweg 1 + 2 Zuidervaart Zwolsevaart Bedrijventerrein Industrieterrein (Ens) Noord 2 Industrieterrein (Espel) Kavel C-90 Gesteente Industrieterrein (Kraggenburg) Industrieterrein (Luttelgeest) Geomaticapark/ Waterloopbos e.o Industrieterrein (Marknesse) E 94 (Nagele) Eggestraat Industrieterrein (Rutten) Industrieterrein (Tollebeek) Voormalig RWZI terrein TOTAAL Kamperhoek Lemsterhoek Zwolsehoek Fase I Zwolsehoek Fase II Zwolsehoek Fase III Zwolsehoek Fase IV Zwolsehoek Fase V TOTAAL Gildenveld Gildenveld II Harderhaven Krachtenveld Horsterparc* Planetenveld Schepenveld Trekkersveld TOTAAL Uitgegeven tot 1-1-2006 277,1 8,2 2,3 1,7 19,9 29,6 0,5 0,4 65,1 35,1 17,0 0,1 5,0 4,0 5,1 13,4 2,1 6,1 1,6 20,0 20,5 10,2 3,0 3,0 2,2 1,0 76,3 13,0 9,0 14,0 18,3 16,8 5,2 0,0 115,5 5,7 0,1 1,2 2,5 0,6 4,4 11,1 89,9 1.372,9 Terstond uitgeefbaar per 1-1-2006 46,2 0,5 5,3 7,6 0,4 13,6 8,6 3,9 0,9 3,5 1,9 16,1 1,0 14,2 3,6 31,8 0,3 1,1 28,3 2,1 267,0 Vestigingen per 1-42006 533 8 19 5 42 165 83 34 11 17 19 6 8 2 17 54 5 18 9 10 1 236 55 22 } 159 Arbeidsplaatsen per

1-4-2006 6.377 54 79 104 754 2.617 987 536 62 139 141 12 11 5 394 239 12 106 66 53 6 2.573 632 232 }1.709

hectare 23 7 34 5 25 40 28 32 12 35 28 6 2 3 20 12 1 35 22 24 6 34 49 26 }122

Ens Espel Kraggenburg Luttelgeest Marknesse Nagele Rutten Tollebeek URK

ZEEWOLDE

435 64 8 34 2 62 121 144 4.996

3.616 251 18 102 27 205 565 2.448 53.722

31 44 15 41 45 47 51 27 39

FLEVOLAND

* Voorheen Paardenveld Bron: Statistiek van de Werkgelegenheid Provincie Flevoland

83

Bijlage 6 Buitenlandse vestigingen in Flevoland (inclusief arbeidsplaatsen)
Aantal arbeidsplaatsen (fulltime en parttime) bij nevenvestigingen met een buitenlandse hoofdvestiging, in Flevoland en per gemeente, absoluut (tijdreeks) 1990 1995 2000 2002 abs. % abs. % abs. % abs. % Almere 1.805 60 3.015 67 3.821 60 5.884 71 Dronten 114 4 104 2 105 2 153 2 Lelystad 663 22 890 20 1.636 26 1.362 16 Noordoostpolder 268 9 296 7 547 9 599 7 Urk 130 4 128 3 78 1 81 1 Zeewolde 39 1 88 2 210 3 229 3 Flevoland 3.019 100 4.521 100 6.397 100 8.308 100 abs. 5.525 206 1.425 632 77 216 8.081 2003 % 68 3 18 8 1 3 100 abs. 6.049 198 1.343 658 106 143 8.497 2004 % 71 2 16 8 1 2 100 abs. 6.495 198 1.329 629 140 155 8.946 2005 % 73 2 15 7 2 2 100 abs. 7.079 244 1.314 526 206 185 9.554 2006 % 74 3 14 6 2 2 100

Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde Flevoland Bron: provincie Flevoland

Aantal nevenvestigingen met een buitenlandse hoofdvestiging in Flevoland en per gemeente, absoluut (tijdreeks) 1990 1995 2000 abs. % abs. % abs. % abs. Almere 51 58 125 61 161 60 167 Dronten 5 6 11 5 18 7 18 Lelystad 19 22 42 20 45 17 52 Noordoostpolder 7 8 14 7 16 6 18 Urk 1 1 2 1 3 1 3 Zeewolde 5 6 12 6 24 9 20 Flevoland 88 100 206 100 267 100 278 2003 % 61 6 19 6 1 7 100 2004 % 64 6 16 6 1 7 100 2005 % 65 6 16 5 1 7 100

2002 % 60 6 19 6 1 7 100 2006 % 64 6 16 5 1 8 100

Almere Dronten Lelystad Noordoostpolder Urk Zeewolde Flevoland Bron: provincie Flevoland

abs. 170 16 52 18 4 20 280

abs. 183 16 47 17 3 19 285

abs. 186 17 47 14 3 19 286

abs. 186 17 46 15 3 23 290

84

Bijlage 7 Herkomst buitenlandse hoofdvestiging van nevenvestigingen
Aantal vestigingen met een buitenlandse hoofdvestiging in Flevoland naar land (tijdreeks) 1990 1995 2000 2002 2003 2004 2005 2006

Australië België Bulgarije Canada China Denemarken Duitsland Egypte Verenigd Koninkrijk Estland Filippijnen Finland Frankrijk Gibraltar Hongarije Hong Kong Ierland Israël Italië Japan Kazachstan Korea Kroatië Luxemburg Nederlandse Antillen Nigeria Noorwegen Oostenrijk Pakistan Polen Portugal Roemenië Schotland Spanje Suriname Taiwan Tsjechië Verenigde Staten Zambia Zuid-Afrika Zweden Zwitserland Totaal Bron: Provincie Flevoland

1 14 1 23 1 18 1 2 1 2 1 1 1 1 14 1 5 88

25 5 2 40 1 40 1 1 5 1 1 1 11 2 2 1 3 2 2 3 1 1 3 1 37 1 3 10 206

29 2 5 3 58 1 42 1 1 2 10 1 12 1 2 1 5 1 3 1 1 4 2 2 3 1 5 1 43 1 1 9 13 267

31 2 4 1 4 61 51 1 2 8 1 2 1 1 13 1 2 1 3 1 3 2 1 3 3 2 1 2 1 5 2 36 1 1 8 16 278

29 2 6 7 61 46 1 2 8 1 2 1 1 13 4 2 1 3 1 3 2 3 3 2 1 1 1 5 2 40 1 1 8 16 280

2 6 10 59 49 1 2 8 3 1 3 13 8 1 1 2 3 2 3 2 2 2 7 2 41 1 1 8 17 285

25 2 6 1 10 54 49 2 8 1 2 2 3 12 1 8 1 1 4 3 2 3 2 2 2 6 2 43 1 1 10 17 286

26 2 5 2 9 56 48 3 9 1 3 1 3 14 8 1 1 3 3 3 3 1 2 2 5 1 47 1 1 10 16 290

85

Bijlage 8 Arbeidsplaatsen naar herkomst buitenlandse hoofdvestiging
Aantal arbeidsplaatsen (fulltime en parttime) in Flevoland bij nevenvestigingen met een buitenlandse hoofdvestiging, naar land (tijdreeks) (1 april) 1990 Australië België Bulgarije Canada China Denemarken Duitsland Egypte Verenigd Koninkrijk Estland Filippijnen Finland Frankrijk Gibraltar Hongarije Hong Kong Ierland Israël Italië Japan Kazachstan Korea Kroatië Luxemburg Nederlandse Antillen Nigeria Noorwegen Oostenrijk Pakistan Polen Portugal Roemenië Schotland Spanje Suriname Taiwan Tsjechië Verenigde Staten Zambia Zuid-Afrika Zweden Zwitserland Totaal 153 59 756 1 873 31 29 40 75 16 3 7 20 643 30 283 3.019 1995 279 146 60 841 1 762 2 4 48 1 7 1.031 5 1 1 5 14 3 16 1 1 36 1 718 4 84 449 4.521 2000 665 3 205 66 976 1 713 1 4 15 117 7 1.331 2 1 7 22 2 2 12 2 1 2 1 290 2 1.306 2 3 131 505 6.397 2002 725 3 199 1 74 1.151 804 3 22 170 2 14 7 3 1.222 5 2 7 9 2 27 11 2 5 8 2 3 2 1 272 3 3.158 2 6 129 514 8.570 2003 655 3 201 79 1.123 733 21 204 3 11 7 3 1.246 164 2 6 5 2 29 12 6 8 2 1 1 1 277 3 2.670 1 7 114 481 8.081 2004 566 2 208 126 1.0443 735 1 23 214 16 3 11 1.272 192 1 5 7 27 12 6 7 2 314 2 3.110 2 6 131 452 8.497 2005 661 2 209 1 176 1.076 787 22 206 4 11 4 13 1.356 257 1 7 9 27 15 6 9 2 1 275 4 3.314 2 5 140 344 8.946 2007 724 2 207 4 152 1.208 701 33 370 4 118 4 14 1.372 256 1 5 7 29 79 7 1 2 2 241 2 3.490 2 5 169 343 9.554

86

NOTITIES

87

NOTITIES

NOTITIES

NOTITIES

NOTITIES

NOTITIES