Naar een verleidelijke regio

Regionaal economische visie stadsregio Rotterdam
eindconcept

Opdrachtgever: Stadsregio Rotterdam

ECORYS-NEI Regionale & Stedelijke Ontwikkeling

Rotterdam, 9 oktober 2003

Naar een verleidelijke regio

1

2

Naar een verleidelijke regio

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Achtergrond 1.2 Doel 1.3 Methode 1.4 Leeswijzer 2 Economische structuur 2.1 Inleiding 2.2 Werkgelegenheid 2.3 Productie 2.4 Clusters 2.5 Specifieke activiteiten 2.6 Leveringen van en naar de Stadsregio 3 Investeringsklimaat 3.1 Inleiding 3.2 Samenstelling van de beroepsbevolking 3.3 Investeringsklimaat Stadsregio 3.4 Specifieke knelpunten en troeven in de Stadsregio 4 Synthese: blik naar de toekomst 4.1 Inleiding 4.2 Ontwikkeling van de economische structuur 4.3 Bevolkingsprognose 5 Van ambitie naar maatregelen 5.1 Lessen uit de analyse en de meningen in de regio 5.2 De ambitie 5.3 van ambitie naar uitvoering: de hoofdlijnen 6 Naar uitvoering: de maatregelen 6.1 Inleiding 6.2 Maatregelen voor toename werkgelegenheid 6.2.1 Stimuleren stuwende activiteiten 6.2.2 Aantrekkelijker bedrijfsomgeving 6.3 Maatregelen voor toename inkomen 6.4 Synthese 6.5 Een verleidelijke regio Bijlage 1 Overzicht recente nota’s Bijlage 2 Lijst van geïnterviewde personen 4 10 10 11 11 11 12 12 12 15 17 20 22 24 24 24 28 37 40 40 40 42 43 43 44 45 49 49 49 50 51 53 55 57 59 61

Naar een verleidelijke regio

3

Samenvatting

1. Een van de taken van de Stadsregio Rotterdam (SRR) is het opstellen van een regionaal-economische visie op het gebied. De SRR heeft dit uitbesteed aan ECORYS – NEI, Divisie Regionale en Stedelijke Ontwikkeling. Daarbij is de volgende opdracht geformuleerd: De hoofdambitie is het formuleren van een samenhangend regionaaleconomisch beleid voor de Stadsregio Rotterdam Daarbij zijn als aandachtspunten aangegeven: - er dient een ruimtelijke opgave voor het Regionaal Structuurplan vanuit de sector economie geformuleerd te worden; - het gaat niet om geheel nieuw beleid, maar vooral om toevoegingen aan visies die al op onderdelen van de economie en van de regio zijn ontwikkeld. Hieronder treft u de samenvatting van de rapportage aan. De analyse: duale ontwikkeling, HIC blijft motor, goed marktklimaat, minder leefklimaat 2. De economische prestaties van de Stadsregio in de periode 1995-2001 waren tweeledig: de werkgelegenheidsgroei bleef iets achter bij het nationaal gemiddelde, de ontwikkeling van het BRP per hoofd van de bevolking daarentegen lag iets hoger. De verschillen zijn evenwel fractioneel. In 2002 was sprake van snel oplopende werkloosheid. Deze ontwikkelingen bevestigen het bekende beeld van de Stadsregio: de productiviteitsontwikkeling ligt hoger dan de werkgelegenheidsontwikkeling. Dit is bedrijfseconomisch positief te waarderen. Regionaal-economisch betekent dit echter dat de Stadsregio er niet in slaagt het gegenereerde inkomen voldoende in de eigen regio vast te houden en om te zetten in (verzorgende) werkgelegenheid. 3. Binnen de Stadsregio zijn Rotterdam en Schiedam de zorgenkindjes. Dit geldt voor zowel werkloosheid (respectievelijk 2 en 5% hoger) als inkomen (bijna 5% lager). Het overig deel van de Stadsregio presteert op een met Nederland vergelijkbaar niveau. 4. Het Haven-Industrieel Complex (HIC) is met afstand het belangrijkste cluster van de regionale economie . Het HIC omvat ook activiteiten als Value Added Logistics, Randstad-distributie, shared service centres, assemblage etc. Het heeft bovendien een zeer sterk internationale oriëntatie. Tevens is er binnen de regio (inclusief Delft) een samenballing van kennis en ervaring inzake de betrokken activiteiten. Daarmee is dit cluster ook een exponent van de kenniseconomie. 5. Andere relatief goed vertegenwoordigde clusters, maar van geringere absolute omvang, zijn de agro-industrie, de milieudienstverlening, groot- en kleinhandel alsmede de zakelijke diensten De zakelijke diensten richten zich . sterk op de eigen regio. Hetzelfde geldt voor de bouw, die veel werk voor het HIC verricht.
4 Naar een verleidelijke regio

6. Met betrekking tot het investeringsklimaat in de Stadsregio geldt dat de regio op het belangrijke criterium ‘marktrelaties’ goed scoort, zeker ten opzichte van andere Nederlandse regio’s. Beduidend minder scoort de Stadsregio op het criterium ‘woon- en leefklimaat (inclusief woningaanbod)’, met name in het stedelijk gebied (Rotterdam, Schiedam) van de regio. 7. Andere aspecten van het investeringsklimaat die aandacht behoeven zijn: - opleidingsniveau van de beroepsbevolking: gemiddeld nu te laag, terwijl het moeilijk blijkt om hoger opgeleiden aan de regio te binden; - bereikbaarheid over de weg, zowel Rijkswegen als het onderliggend wegennet. - Ruimte voor bedrijvigheid, afhankelijk van de economische groei een tekort van tussen de 270ha. en 530ha. tot 2010. 8. De verwachtingen voor de toekomst worden voor de korte termijn natuurlijk sterk bepaald door de huidige laagconjunctuur en internationale spanningen. Voor de wat langere termijn is het beeld bij hetzelfde beleid in grote lijnen hetzelfde als in de afgelopen jaren: achterblijvende wergelegenheidsontwikkeling, maar meer dan gemiddelde groei van het BRP. De ambitie: inlopen achterstand, evenwichtige spreiding 9. De ambitie van de Stadsregio is als volgt te verwoorden: De Stadsregio Rotterdam streeft naar een werkgelegenheidsniveau en een inkomensniveau dat tenminste op het nationaal gemiddelde ligt, met een zoveel mogelijk evenwichtige spreiding daarvan binnen de regio. De uitvoering: meer werk, meer inkomen 10. In programmatische termen is de uitvoering als volgt schematisch weer te geven:
Schema S.1 Synthese

Meer werk: stimuleren stuwende activiteiten, aantrekkelijker bedrijfsomgeving 11. Voor het creëren van meer werk moet langs twee lijnen gewerkt worden: het stimuleren van de stuwende activiteiten en het aantrekkelijker maken van de bedrijfsomgeving . 12. De belangrijkste opgave bij het stimuleren van stuwende activiteiten ligt bij het verhogen van het marktgericht kenniselement van deze activiteiten. Hiervoor zijn de bestaande clusters, met het HIC als kern, het uitgangspunt. Meer in het bijzonder gaat het dan om het dichten van de missing links tussen bedrijfsleven en niet-commerciële kennisinstituten, inclusief de TUD. Concreet kan dan gedacht worden aan het opzetten van technocenters c.q. kenniscentra door de overheid tezamen met de betrokken partners. De polder Schieveen is hiervoor een mogelijk locatie. Rotterdam heeft hiertoe als initiatieven ontplooid. 13. Inzake de bedrijfsomgeving ligt er een drietal opgaven die prioriteit behoeven. De eerste daarvan is het verhogen van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Met name aan praktisch technisch geschoolden is een tekort, terwijl de uitval vrij hoog is. Het is daarom noodzakelijk de banden tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven te versterken. De Stadsregio kan hierbij als initiator optreden. Hetzelfde geldt voor het meer inschakelen van
Naar een verleidelijke regio

5

14.

15.

16.

17.

praktijkkrachten in het onderwijs. Geen nieuw idee, maar wel zeer nuttig. Tenslotte dient de regio ook aantrekkelijker te worden als woonplek voor hoger opgeleiden. De tweede opgave ligt in het verbeteren van de bereikbaarheid over de weg. Ook geen nieuw geluid, maar noodzakelijk als nooit tevoren. Het bekende rijtje A13/A16, A4 Midden Delfland en –Zuid, opheffen van de knelpunten op de A15 blijft maar op de plank liggen, terwijl de problemen groter worden. Het gaat evenwel niet allen om de Rijkswegen. Ook het onderliggend wegennet, met name richting eilanden en kust, behoeft capaciteitsaanpassingen, al dan niet met behulp van moderne technologie. Dit behoeft nadere uitwerking in het RVVP. De derde opgave ligt in het aanbieden van voldoende bedrijfsterrein. Op korte termijn moet ca. 140 ha. op de markt gebracht worden. Tot 2010 is behoefte, afhankelijk van de economische groei, aan 270ha. tot 530 ha., terwijl na 2010 nog een tussen de 90ha. en 340ha. ontwikkeld moet worden. Dit is een opgave voor RR2020, waarbij reserveringen voor het maximum gemaakt moeten worden, en de daadwerkelijke aanleg conform de economische ontwikkeling. Ook bij een snelle(re) ontwikkeling van bedrijfsterreinen zal er voorlopig een situatie van schaarste blijven. Aanvullende oplossingen zijn daarom nodig. Dit zal een combinatie van de volgende opties zijn: a. selectief uitgiftebeleid; b. herstructurering; c. stofkamlocaties (inbreiden); d. regionaal samenwerken; e. intensief ruimtegebruik; f. Park-/terreinmanagement. Dit dient in het actieplan bedrijventerreinen verder vorm gegeven te worden. Het beleid inzake glastuinbouw moet er op gericht zijn om alleen de activiteiten met hoge toegevoegde waarde en een sterke internationale positie in dan wel nabij de regio te behouden. Bedacht moet worden dat de arbeidsplaatsen dichtheid van een bedrijfsterrein per ha. 10 tot 30 maal hoger ligt dan in de glastuinbouw. De Zuidplaspolder biedt een mogelijkheid voor ‘nieuw glas’. Voorkeur verdient evenwel (ook volgens de sector zelf) een locatie in de Hoeksche Waard.

Meer inkomen: aantrekkelijker verblijfsomgeving, aantrekkelijker woonomgeving 18. Het beleid om meer inkomen aan de regio te binden loopt, naast het inkomensgenerend vermogen van de stuwende activiteiten, via het creëren van een meer aantrekkelijke verblijfsomgeving (voor bezoekers) en een meer aantrekkelijke woonomgeving (voor hoger opgeleiden). 19. De centrale stad is onvoldoende aantrekkelijk om bezoekers van buiten voor langere tijd vast te houden. Rijnmonders geven meer geld uit buiten de regio dan bezoekers in de regio. Daar waar Rotterdam erg goed is in het organiseren van festivals en evenementen, is de ‘toeristische basisinfrastructuur’ onvoldoende. Meer levendigheid in het stadscentrum is daarom noodzakelijk. Concreet voorstel hiervoor is het ontwikkelen van woningen voor jongeren, studenten, artiesten etc. in het gebied Lijnbaan-Hoogstraat. Ook avondverkoop (kiosken) moet gestimuleerd worden.

6

Naar een verleidelijke regio

20. De kust en eilanden hebben onvoldoende onderscheidende kwaliteit ten opzichte van soortgelijke bestemmingen in Nederland. Het verdient aanbeveling om gebruik te maken van de creativiteit en marktgerichtheid van ondernemers in de vrije tijdsector om te zoeken naar nieuwe impulsen en attracties. 21. ‘Rijnmond’ heeft zeker buiten de regio geen goed imago als woongebied. Er zal daarom voldoende aanbod van woningen in relatie tot de vraag van hogere inkomens gerealiseerd moeten worden. De Woonvisie van de SRR biedt hiervoor goede inzichten en plannen. Deze zullen evenwel in kwantitatieve zin verder moeten worden uitgewerkt. 22. Als complement van het wonen behoeft ook het groen in de omgeving de nodige aandacht. De natuurlijke omgeving van de regio scoort slecht. Dit is niet verrassend gegeven het karakter van de regio, maar is ook niet iets om je bij neer te leggen. In RR2020 kan dit nader uitgewerkt worden. 23. In de benchmark scoort de regio slecht op woonvoorzieningen. Nadere analyse wijst uit dat dit met name het ‘betere’ winkelaanbod betreft. De regio heeft wel het enige driesterren restaurant van Nederland, maar ontbeert voldoende winkels van ‘Parkheuvel niveau’. Dit is in eerste instantie een marktkwestie. Wel kan de overheid, regionaal afgestemd, nagaan waar en op welke wijze een meer hoogwaardige winkelbestand gerealiseerd kan worden. Naar projecten: de volgende stap 24. Deze Visie beperkt zich tot de maatregelen. Maatregelen dienen vervolgens uitgewerkt te worden in concrete projecten. Daar geeft deze visie wel een groot aantal voorzetten voor. Het is evenwel aan de SRR en de betrokken partners om dit nader vorm te geven en uit te voeren. Hierbij hoort tevens monitoring van de voortgang en monitoring van de doelbereiking. Het resultaat: een verleidelijke regio 25. De Stadsregio, en dan met name Rotterdam en Schiedam, heeft het economisch gezien niet makkelijk. Op een aantal belangrijke indicatoren wordt een lage score geboekt. Desalniettemin liggen er volgens ons voldoende mogelijkheden om de economische positie van de regio te verbeteren. Voorwaarde daarvoor is wel dat goed naar de behoeften van de markt (bedrijven en consumenten) gekeken moet worden. Dit vereist, zeker op ruimtelijk vlak, een omslag van aanbodgericht beleid naar een vraaggericht beleid, vooral in deze tijd van conjuncturele neergang. De bedrijven én de consumenten moeten ‘verleid’ worden om in deze regio te ondernemen, te investeren en te consumeren. De regio is geen eiland. Als het elders beter toeven is, zullen zeker degenen die zich dat kunnen veroorloven dat ook doen. De regio moet dus de kunst van het verleiden gaan beheersen. En dan kan!

Naar een verleidelijke regio

7

8

Naar een verleidelijke regio

1 Inleiding

1.1 Achtergrond
Een van de taken van de Stadsregio Rotterdam betreft het opstellen van een regionaaleconomische visie op het gebied. Deze taak is anno 2002 des te actueler aangezien de economische vooruitzichten, nationaal en dus ook regionaal, voor de komende jaren minder rooskleurig zijn dan enige tijd geleden. Dit betekent niet dat in het verleden ontwikkelde visies en strategieën voor de regio dan wel delen van de regio niet meer bruikbaar zijn. Wel is het nu evenwel zinvol om, in het licht van de huidige situatie, constructief – kritisch naar de economie van de regio te kijken, gebruikmakend van de ‘robuuste’ elementen uit de diverse visies en strategieën die momenteel nog vigerend zijn. De economie van de Stadsregio heeft geprofiteerd van de gunstige economische ontwikkelingen tot 2001. Echter, in termen van bijvoorbeeld werkloosheid en inkomen bleef er een achterstand ten opzichte van bijvoorbeeld andere delen van de Randstad. Hiervoor zijn in diverse rapporten ook diverse redenen voor genoemd: • De economische structuur van de regio. Er zijn verhoudingsgewijs veel bedrijven gevestigd die zeer kapitaalintensief zijn, hetgeen ook tijden van groei niet tot evenredige toename van werkgelegenheid leidt; • Gebrek aan ruimte voor bedrijvigheid, waardoor groei van bedrijven gefrustreerd wordt dan wel elders, buiten de regio, neerslaat; • Verhoudingsgewijs lage inkomens in de stedelijke gebieden en een ‘koopkrachtlek’ van pendelaars, waardoor de verzorgende activiteiten in vergelijking met andere regio’s minder werk genereren; • Verhoudingsgewijs laag opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Tegelijkertijd is evenwel te constateren dat de Stadsregio zowel binnen de eigen grenzen als net daarbuiten een aantal activiteiten kent die zondermeer tot de wereldtop behoren: uiteraard het haven-industrieel complex, maar ook bijvoorbeeld de glastuinbouw in het Westland en de B-driehoek. Maar is dat genoeg? Bedrijven worden steeds kritischer als het gaat om hun locatie, consumenten worden steeds kritischer als het gaat om de woonomgeving en de vrije tijdsomgeving. Gebieden moeten daarom meer en meer in staat zijn om de consument en de producent te ‘verleiden’ in de concurrentieslag met andere regio’s. De Stadsregio Rotterdam moet dus een verleidelijke regio worden.

Naar een verleidelijke regio

9

Tegen deze achtergrond, conjunctureel én structureel, heeft de economische visie voor de Stadsregio Rotterdam gestalte gekregen. Zoals eerder al aangegeven gaat het er niet om opnieuw het wiel uit te vinden of visies en plannen op een lager schaalniveau aan de kant te schuiven. Integendeel, zoveel als mogelijk moeten de waardevolle inzichten die in de Stadsregio op diverse plaatsen aanwezig zijn ten volle worden benut.

1.2 Doel
De Stadsregio heeft het opstellen van de economische visie uitbesteed aan ECORYSNEI, divisie regionale en Stedelijke Ontwikkeling. Daarbij is als hoofddoelstelling aangegeven: De hoofdambitie is het formuleren van een samenhangend regionaal economisch beleid voor de Stadsregio Rotterdam. Daarbij is tevens een aantal aandachtspunten geformuleerd: - er dient een ruimtelijke opgave voor het Regionaal Structuurplan vanuit de sector economie te worden geformuleerd; - het gaat niet om geheel nieuw beleid, maar vooral om toevoegingen aan visies die al op onderdelen van de economie en van de regio zijn ontwikkeld. De nu voorliggende rapportage bevat het resultaat van deze opdracht. De visie is opgesteld in de periode januari 2003 tot en met juli 2003.

1.3 Methode
De visie is opgesteld met behulp van de volgende methoden: a. deskresearch, data-analyse, input-output analyse; b. interviews met belanghebbenden uit de publieke en private sector (zie bijlage) c. analyse van diverse beleidsnota’s van overheden in de regio d. een klankbordgroep bijeenkomst met deelname van maatschappelijke organisaties. Verder is tussentijds regelmatig overleg gevoerd met de begeleidingscommissie bestaande uit Peter van der Valk (SRR), Natal da Graca (OBR) en Arjen Lindhout (Provincie Zuid-Holland). Tevens is een tussentijdse bijeenkomst gehouden met de stuurgroep REO, waarin tevens het ambitieniveau van de Stadsregio is vastgesteld.

1.4 Leeswijzer
De hoofdstukken 2 en 3 zijn analyse hoofdstukken met betrekking tot de economische structuur (H2) en het investeringsklimaat (H3), en zijn gericht op verleden en heden. Hoofdstuk 4 geeft een vooruitblik naar de toekomst. In Hoofdstuk 5 wordt de ambitie van de Stadsregio met een eerste uitwerking daarvan gepresenteerd. In Hoofdstuk 6 is dit nader uitgewerkt in de bijbehorende maatregelen.

10

Naar een verleidelijke regio

2 Economische structuur

2.1 Inleiding
De economische structuur van een regio valt uiteen in verschillende economische activiteiten. Om de kwaliteit en kwantiteit van de economie in beeld te brengen, worden de belangrijkste economische activiteiten in dit hoofdstuk voor het voetlicht gebracht. Werkgelegenheid als uitdrukking van de vraag naar arbeid komt in paragraaf 2.2 aan de orde. Het Bruto Regionaal Product (BRP) is een belangrijke indicator voor de economische prestatie en productie van een regio. Het BRP komt in paragraaf 2.3 aan bod. Clusters geven aan welke sectoren in een regio bovengemiddeld functioneren, hiervoor aandacht in paragraaf 2.4. Paragraaf 2.5 zoomt apart in op enkele specifieke economische activiteiten die kenmerkend zijn voor de Stadsregio.Paragraaf 2.6 geeft zicht op de openheid van de economie in sectoren en gaat in op de balans tussen import en export van sectoren in de Stadsregio. Het hoofdstuk sluit af met een aantal conclusies met betrekking tot het economisch presteren van de Stadsregio.

2.2 Werkgelegenheid
Werkgelegenheidsontwikkeling in Stadsregio van industrie naar diensten… Traditioneel zijn haven en industrie de belangrijkste werkgevers voor de stadsregio. Een periode van 15 jaar overziend, blijkt dit aandeel echter aanzienlijk te zijn teruggelopen. Het aandeel industriële werkgelegenheid op de totale werkgelegenheid is in de Stadsregio tussen 1980 en 1995 met 10% teruggelopen. Het aandeel zakelijke dienstverlening daarentegen stijgt fors. De overgang van industrie naar diensten is een proces dat zich nadrukkelijk manifesteert vanaf 1980 tot nu. De verklaring hiervoor moet in de industrie gezocht worden in een stijging van de arbeidsproductiviteit. Dienstverlening nu grootste werkgever in Stadsregio De Stadsregio is een belangrijke bron van werkgelegenheid in Nederland. In totaal bevindt zich ongeveer 10% van de Nederlandse werkgelegenheid in deze regio. Meer dan de helft (51%) van de beroepsbevolking in de Stadsregio is werkzaam in de commerciële en niet-commerciële dienstverlening. De werkgelegenheid in de industrie is in 2002 al geslonken tot 11% van de totale werkgelegenheid.

Naar een verleidelijke regio

11

Figuur 2.1

Ontwikkeling in sectorstructuur, Stadsregio 1980, 1995, 2002

Werkgelegenheidsgroei in Stadsregio kruipt naar Nederlands gemiddelde Een groeiende economie vraagt een toenemende arbeidsinzet. Tot en met het jaar 1999 groeide de werkgelegenheid in de Stadsregio minder dan in Nederland. De twee jaren daarna trekt de groei echter aan en is de werkgelegenheidsgroei bovengemiddeld in de Stadsregio. De gemiddelde werkgelegenheidsgroei blijft onder de 3% voor de gehele periode 1995-2001.
Figuur 2.2 Werkgelegenheidsontwikkeling tussen 1995 en 2001 in Stadsregio en Nederland

7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% 1995-1996 1996-1997 1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 1995-2001 Stadsregio

Nederland
Bron: CBS/bewerking ECORYS-NEI

Overheid banenmotor 2002, klappen vallen in zakelijke dienstverlening Met een forse stijging van meer dan 12%, gaf de overheid met meer dan 2700 banen de werkgelegenheid een stevig impuls. Hierdoor blijft het totaalsaldo voor de Stadsregio net positief: een lichte stijging van bijna 7000 arbeidsplaatsen. In absolute termen is het voornamelijk de zakelijke dienstverlening waar veel banen (2100) verloren gaan. Grootste relatieve dalers zijn post- en telecommunicatie (bijna 6%), industrie en financiële instellingen (beide ruim 2%).

12

Naar een verleidelijke regio

Figuur 2.3

Procentueel verschil in werkgelegenheid per sector in de stadsregio Rotterdam, 2001-2002 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% -2% -4% -6% -8%

Post en telecommunicatie

Zakelijke dienstverlening

Detailhandel en reparatie

Vervoer, opslag,distributie

water/electriciteit/landbou

Overige dienstverlening

Financiele instellingen

Openbaar bestuur en

Gezondheids- en

Bouwnijverheid

Groothandel

Horeca

Onderwijs

Bron: CBS/bewerking ECORYS-NEI

Opvallende stijging in de audio-visuele branche… Als sectoren nog gedetailleerder onder de loep worden genomen, blijken zich verrassende ontwikkelingen voor te doen. Zo verdubbelt de werkgelegenheid in audio-, video- en communicatieapparatuur, terwijl het aantal vestigingen niet toeneemt. Hoewel de groei opvallend is, is de branche in kwantitatief opzicht niet groot. Verder draaien de nutsbedrijven goed. Minder goed gaat het met de aardolie en steenkoolverwerking, deze sector levert met 800 werknemers eenvijfde van haar werkgelegenheid in. In de overige zakelijke dienstverlening gaan de meeste banen verloren, ruim 2100.

Naar een verleidelijke regio

Industrie,

welzijnszorg

overheid

Totaal

13

Tabel 2.1

Grootste stijgers en dalers in werkgelegenheid (absoluut en relatief) in 2001-2002 Subsectoren Aardolie/steenkoolverwerking Vervoer door de lucht Kleding en bontbereiding Medische/optische apparaten Afname (relatief) -20% -17% -16% -12% Subsectoren Audio/video/communicatieapp. Nutsbedrijven excl. water Rubber-/kunststofprodukten Metalen in primaire vorm Kantoormachines en Textiel Leder(waren) excl. kleding Winning zand/grind/klei/zout Metaalprodukten Subsectoren -12% -11% -11% -11% Afname (absoluut) Overige zakelijke diensten Aardolie/steenkoolverwerking Metaalprodukten Financiële instellingen -2107 -798 -711 -656 Detailhandel en reparatie Nutsbedrijven excl. water Subsectoren Toename (absoluut) 1256 562 computers 12% Toename (relatief) 93% 31% 18% 12%

Conclusie
• • • • •

Werkgelegenheid ontwikkelt zich steeds nadrukkelijker van industrie naar diensten De werkgelegenheidsgroei vanaf 1995 in de Stadsregio blijft achter bij het nationaal gemiddelde. In 2000 en 2001 slaat de balans in positieve zin om voor de Stadsregio, de werkgelegenheidsgroei komt boven het nationaal gemiddelde uit. Zakelijke dienstverlening blijft grootste werkgever, maar verliest in 2002 de meeste banen Bijna verdubbeling van de werkgelegenheid in de audio-visuele branche in 2002, maar in absolute termen nog gering.

2.3 Productie
Ontwikkeling in productie nagenoeg gelijk aan landelijk gemiddelde Een veelgebruikte indicator om economische prestaties van een regio inhoud te geven, is het Bruto Regionaal Product (BRP) ook wel uitgedrukt in toegevoegde waarde. De ontwikkeling in de Stadsregio van de toegevoegde waarde, jaarlijks zo’n 4,5% groei, is nagenoeg identiek aan de nationale ontwikkeling. Een opvallende piek doet zich voor in 2000. De groei stijgt tot bijna 10%, 2% boven het landelijk gemiddelde. De hele periode 1995-2000 overziende, ligt de groei van de toegevoegde waarde ongeveer 1% hoger dan de werkgelegenheidsgroei. Oftewel, met minder mensen wordt in de Stadsregio meer geproduceerd!

14

Naar een verleidelijke regio

Figuur 2.4

Groei toegevoegde waarde Stadsregio en Nederland, 1995-2000

12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 1995-1996 1996-1997 1997-1998 Nederland Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI 1998-1999 Rijnmond 1999-2000 1995-2000

Productiviteitsslag in de landbouw en industrie, aantal sectoren blijven achter… De groei van de toegevoegde waarde verschilt sterk met de landelijke ontwikkeling in diverse sectoren. In de Stadsregio vertonen landbouw en industrie een bovengemiddelde groei. Hoewel de werkgelegenheid in deze sectoren afneemt, stijgt de productie, dit is te verklaren door de sterker stijgende arbeidsproductiviteit in deze sectoren. Achterblijvers (t.o.v. de nationale ontwikkeling) zijn met name delfstofwinning, bouwnijverheid, handel, horeca en transport. In de dienstverlenende sectoren is een gelijkopgaande tendens met Nederland waarneembaar.
Figuur 2.5 Gemiddelde jaarlijkse groei toegevoegde waarde per sector in Stadsregio en Nederland, 1995-2000

Vervoer, opslag en communicatie

niet-commerciele dienstverlening

Handel en reparatie

Horeca

8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% Industrie, openbare nutsbedrijven Delfstoffenwinning Bouwnijverheid Landbouw, bosbouw en visserij

Financiele instellingen

Nederland Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI

Rijnmond

Stadsregio loopt achter bij de andere grote steden… Het bruto regionaal product per hoofd is een welvaartsindicator voor de bevolking in de Stadsregio. Ten opzichte van de vier grote steden sluit de Stadsregio de rij. De
Naar een verleidelijke regio 15

Zakelijke dienstverlening

Totaal

ontwikkeling van het BRP in de stadsregio is goed, de positie ten opzichte van vergelijkbare steden is (nog) laag. Wel wordt in de Stadsregio per hoofd van de bevolking boven het nationaal gemiddelde geproduceerd.
Figuur 2.6 BRP per hoofd, 1995, 1998 en 2000 (in euro’s)

40 35 30 25 20 15 10 5 0 1995 2000 Amsterdam Utrecht Den Haag Stadsregio Nederland

Conclusie • Ontwikkeling in productie van de Stadsregio van de afgelopen vijf jaar is nagenoeg gelijk aan landelijk gemiddelde • Positieve productie-ontwikkeling in de landbouw, industrie en zakelijke dienstverlening • Tegenvallende ontwikkeling in delfstofwinning, bouwnijverheid, handel, horeca, transport en financiële instellingen • Stadsregio sluit de rij van vier grote steden voor wat betreft BRP per inwoner.

2.4 Clusters
Petrochemische industrie belangrijkste cluster in Stadsregio… Clusters geven in een regio aan in welke sectoren economische activiteiten zijn geconcentreerd. Clusters zijn mede maatgevend voor de economische structuur in een regio. Regionale clusters worden in de literatuur gedefinieerd als geografisch begrensde concentraties van onderling afhankelijke bedrijven in dezelfde of een sterk daaraan gerelateerde sector (Rosenfeld 1997, OECD 2001). Figuur 2.7 toont de sectoren die in de Stadsregio meer dan gemiddeld (nationaal gezien) produceren. • De Stadsregio onderscheidt zich nadrukkelijk t.o.v. Nederland en de drie grote steden (Utrecht, Den Haag en Amsterdam) op het gebied van de aardolie(verwerkende) en (petro)chemische industrie. De Stadsregio excelleert in de aardolie- en steenkoolindustrie. In 1998 is 86% van de nationale productie in deze sector afkomstig uit Rijnmond. Wel is deze sector conjunctuurgevoelig. Gezien de immobiliteit van de plants en de afhankelijkheid van de haveninfrastructuur, zoals tankers en pijpleidingen, heeft de Stadsregio met dit cluster echter toekomstgarantie in handen. Voor dit cluster is het van belang dat gezocht wordt naar een goede combinatie met kennisontwikkeling voor HIC-gerelateerde activiteiten.
16 Naar een verleidelijke regio

De haven creëert spin-off en spin-on voor havenafgeleide en haventoeleverende bedrijvigheid, dit bevordert de clustervorming tussen sectoren. Voor sectoren als transport en distributie, de logistieke dienstverlening, de groothandel, scheepsreparatie en –bouw, maar ook banken en verzekeringswezen en overheidsdiensten is het HIC van groot belang en onderscheidt de stadsregio zich. Dit wordt ondersteund door interviews, waarbij het Haven- en Industrieel Complex (HIC) het meest genoemd wordt als belangrijkste economische activiteit van de toekomst. Een andere in het oog springende bedrijfstak is de milieudienstverlening. 1 Als grootaandeelhouder van de afvalonderneming AVR heeft de gemeente Rotterdam qua omzet het op één na grootste bedrijf van Nederland in handen. 2 In de zakelijke dienstverlening valt de relatief hoge uitkomst voor banken en financiële hulpactiviteiten op. Dit heeft echter niet zozeer te maken met een specifiek onderscheidend cluster. Andere grote steden als Amsterdam en Utrecht komen hiervoor in aanmerking. Wel valt op dat deze sector zich sterk op de eigen regio richt, dus niet zozeer een stuwende functie bezit.

Figuur 2.7

Sectoren in de Stadsregio met hoger TW-aandeel dan nationaal gemiddelde vergeleken met de drie grootstedelijke regio’s en Nederland 500% 400% 300% 200% 100% Chemische industrie 0% Aardolie-industrie Milieudienstverlening Dienstverlening t.b.v. vervoer Zakelijk dienstverlening ruim 1000%

Vervoer over land

Overige bouwnijverheid

Stadsregio

3 grote steden

Vervoer over water en door lucht

Nederland

Bron: RIOT 1992 (CBS/RuG, 1998), bewerking ECORYS-NEI 2003

1

Uitgaande van SBI 1993, vallen hieronder de deelsectoren: afvalwaterinzameling en –behandeling, afvalinzameling, afvalbehandeling en sanering van milieuverontreiniging. Het CBS hanteert als definitie voor de sector milieudienstverlening:

het voorkomen, beperken of herstellen van schade (recycling) aan het milieu door bedrijven die veroorzaker noch gedupeerde zijn van die (potentiële) schade. 2 Productiestatistieken Milieudienstverlening en voorbereiding tot recycling 2000, CBS 2002

Naar een verleidelijke regio

17

Bijval uit eerder onderzoek Het beeld dat hieruit ontstaat dat het belangrijkste cluster van de Stadsregio de aardolieen chemische industrie is, wordt onderschreven door het onderzoek van FEW Groningen (1998) naar clusters in Groot-Rijnmond. Dit onderzoek onderscheidt twee grote clusters: petrochemie en bouwnijverheid. 3 In deze studie wordt aangegeven dat het aardolie- en chemiecluster niet alleen een sterk regionaal cluster is, maar ook nauwe banden onderhoudt met de chemie buiten de regio. Daarnaast is dit cluster een belangrijke afnemer van diensten uit overig Nederland. Kleinere clusters in Groot-Rijnmond zijn: agro-industrie 4 , groot- en kleinhandel en zakelijke dienstverlening. Clustervorming in Stadsregio van stuwende sectoren niet opvallend Meer inzicht in de rol die de Stadsregio speelt voor wat betreft regionaal stuwende bedrijvigheid in Nederland wordt duidelijk uit de dichtheidskaarten in figuur 2.9. Onder stuwende bedrijvigheid vallen sectoren die internationaal concurrerend zijn, onderverdeeld in industrie, distributie (groothandel en transport) en kennisintensieve dienstverlening. Het aantal arbeidsplaatsen per vierkante meter geeft de dichtheid weer. De Stadsregio heeft veel industrie en distributie en daarmee binnen Nederland een redelijk groot aandeel in stuwende bedrijvigheid. Doordat de industrie en distributie echter een groot ruimtebeslag innemen en kapitaalintensief zijn, is de arbeidsdichtheid verhoudingsgewijs kleiner ten opzichte van bijvoorbeeld Amsterdam. In dat opzicht valt de clustervorming van regionaal stuwende bedrijvigheid tegen voor de Stadsregio. Verder kan voor de tegenvallende relatieve groei van stuwende bedrijvigheid in de Rotterdamse regio terug worden verwezen naar het in aantal arbeidsplaatsen teruglopende Haven- en Industrieel Complex. Daarnaast kent de mainport Rotterdam een veel grotere spreiding van het arbeidsveld (Drechtsteden en West-Brabant) dan bijvoorbeeld mainport Schiphol.

3

Clusters en linkages in beeld, een toepassing op o.a. de regio Groot-Rijnmond, Faculteit der Economische Wetenschappen, Groningen 1999.

4

Landbouw, landbouwproducten, slachterijen, zuivelindustrie.

18

Naar een verleidelijke regio

Figuur 2.8

Totaal van de stuwende bedrijvigheid: Groei dichtheid

Relatieve groei

Bron: Ruimtelijk-economische ontwikkeling in Nederland 1996-2001, Bureau Louter, september 2002

Conclusie • Belangrijkste complex van de Stadsregio is het HIC met als cluster de petrochemische industrie en afgeleide havengerelateerde sectoren • Regionaal stuwende bedrijvigheid valt in termen van arbeidsdichtheid tegen ten opzichte van andere grootstedelijke gebieden.

2.5 Specifieke activiteiten
Aantal specifieke activiteiten geven Stadsregio kleur Het eerder verschenen rapport over de internationale profilering van de Deltametropool (ECORYS-NEI, 2001) stelt, dat er binnen deze regio een aantal zeer specifieke economische activiteiten in internationaal verband kunnen worden onderscheiden. Genoemd worden de glastuinbouw- en bollensector (‘slimme teelten’) en de ‘water’sectoren (offshore, baggeren, havenaanleg en watermanagement). In de Deltametropool bevinden deze sectoren zich vooral in de (nabijheid van de) Stadsregio Rotterdam. Daarnaast is duidelijk dat er ten aanzien van transport, distributie en logistieke sectoren concurrentie met buitenlandse regio’s (Antwerpen-Brussel-Gent, Hamburg en Nord Pas de Calais) is. Glastuinbouw, belangrijke economische pijler van de Stadsregio De glastuinbouw is van economisch belang voor de Stadsregio. In de categorie intensieve potplanten bezet de regio in Nederland een gedeelde eerste plaats, in de categorieën intensieve glasgroenten en snijbloemen neemt de regio een middenpositie in wat het bedrijfsrendement betreft. Het is een stuwende bedrijfstak, de glastuinbouwsector levert

Naar een verleidelijke regio

19

aan andere sectoren. Het is in Nederland bovendien een kennisintensieve activiteit, zowel met betrekking tot product- als procesinnovatie. Wel valt op dat de loonsom in de landbouw (‘glas’ kan niet apart uit de I-O tabel worden afgeleid) in de regio laag is. Het ‘overig inkomen’ daarentegen is verhoudingsgewijs hoog. De rol van de landbouw als belangrijke bron voor laaggeschoolde werkgelegenheid is derhalve niet duidelijk. Toenemende schaalvergroting in de glastuinbouw Voor de Stadsregio levert de sector een substantieel aandeel in werkgelegenheid en toevoegde waarde. Wel moet binnen de sector onderscheid worden aangebracht in activiteiten met een lage en een hoge toegevoegde waarde. De afstoot van laagwaardige activiteiten, zoals groente onder glas, vertaalt zich inmiddels binnen de sector in een aanzienlijke schaalvergroting van glastuinbouwbedrijven. Het areaal in Zuid-Holland is met 373 hectare verminderd tussen 1995 en 2002, ruim eenderde van de bedrijven is gestopt met groenteteelt onder glas.5 Ruimteschaarste dwingt tot selectie van het hoogwaardig segment In de toekomst bestaan een aantal knelpunten voor de glassector. Er is sprake van een toenemend ruimtetekort, waarbij woonruimte, bedrijventerrein en open ruimte prioriteit krijgen boven glas. Daarnaast liggen grondprijzen steeds hoger en stijgen de kosten voor milieu, water en energie. Om toekomstige ruimtelijke ordeningsconflicten te voorkomen, moet glas landschappelijk inpasbaar ingepland worden. Gezien de ruimtenood komen toekomstige verstedelijkingsopties hiervoor niet in aanmerking. Voor het behoud van het glascluster dient in de nabijheid van Zuid-Holland geaccommodeerd te worden, waarbij selectie van het hoogwaardig segment in de glastuinbouw prioriteit heeft. Specifieke activiteiten in het HIC Het HIC omvat een cluster van droge en natte bedrijvigheid met specifieke activiteiten. Dit cluster concentreert zich rondom de mainport Rotterdam. Natte bedrijvigheid omvat onder meer de scheepsbouw van binnenvaart- en kustvaartschepen en pleziervaartjachten, natte logistiek (binnenvaart), baggeren (!) en dienstverlening aan de recreatie op het water. Droge bedrijvigheid omvat onder meer metaal-, elektro- en energienijverheid en logistiek. Dit is vooral de stuwende bedrijvigheid in het Haven- en Industrieel Complex. Verzorgende activiteiten, zoals het bank- en verzekeringswezen, advocatenkantoren en expertise/controlebureau’s, onderwijsinstellingen (TUD, bijvoorbeeld: waterloopkundig laboratorium en watermanagement) en overheidsdiensten, zorgen voor de ondersteuning van dit ‘water’cluster. Er bestaan derhalve belangrijke structurele economische relaties in termen van haven, en industrie, toelevering en dienstverlening. Veel bedrijven in de regio hebben hun klanten in de haven en de grote goederenstromen en de industrie trekken veel afgeleide activiteiten aan. Van de ruim 500.000 banen in de regio Groot Rijnmond houden er zo’n 110.000 direct verband met het havencomplex. 6

5 6

Bron: CBS, 2003 Notitie Hoofdkarakteristiek Sociaal-economische structuur Mainport Rijnmond, TechnoCircle Rijnmond 2001

20

Naar een verleidelijke regio

2.6 Leveringen van en naar de Stadsregio
Rotterdamse mainport maakt van Stadsregio een exportregio De mainportfunctie van de Stadsregio wordt zichtbaar in de export vanuit de industrie en handel naar Nederland. Hier levert Rotterdam een duidelijke bijdrage aan het imago van handelsnatie Nederland. Binnen de industrie wordt overigens wel veel aardolie geïmporteerd die nodig is voor de petrochemie. Alleen de landbouwsector heeft in de handelsstromen met de rest van Nederland een duidelijk importoverschot, de invloed van de agro-industrie is hier merkbaar. De Stadsregio heeft geen belangrijke positie als leverancier van (tertiaire en kwartaire) diensten. Er is sprake van een geringe uitvoer van diensten naar overig Nederland.

Figuur 2.9

Leveringen tussen de Stadsregio en Nederland

De grootte van de pijlen geeft indicatief de verhoudingen tussen de sectoren weer. Sterke buitenlandse oriëntatie in de Stadsregio De Stadsregio heeft, vergeleken met bijvoorbeeld Amsterdam, een sterkere relatie met het buitenland. Deze relatief sterke buitenlandse oriëntatie van de Stadsregio geldt vooral voor de zeevaart en de petrochemie. Gezien de positie op het gebied van transitovervoer en havenactiviteiten is het niet verwonderlijk dat de Stadsregio zo’n internationaal blikveld heeft. Conclusie • Stadsregio exporteert het meest vanuit de sectoren industrie en distributie naar de rest van Nederland. De landbouwsector importeert binnen Nederland meer dan het exporteert. • Stadsregio kent als gevolg van mainport een sterke oriëntatie op het buitenland.

Naar een verleidelijke regio

21

3 Investeringsklimaat

3.1 Inleiding
Het investeringsklimaat omvat eigenlijk het hele milieu waarin bedrijven opereren en investeren. Vanuit twee invalshoeken wordt gekeken naar het investeringsklimaat. Enerzijds wordt in paragraaf 3.2 ingegaan op de samenstelling van de beroepsbevolking, dit geeft inzicht in de diversiteit van het arbeidsaanbod. Anderzijds wordt de beoordeling van ondernemers uit de eigen regio in paragraaf 3.3 op allerlei aspecten van het investeringsklimaat in kaart gebracht. De aspecten van het investeringsklimaat zijn ondergebracht in zeven rubrieken: marktrelaties, arbeidsmarkt, vestigingssituatie, infrastructuur, kennisinfrastructuur, leefomgeving en regionale overheid. Om het beeld voor de Stadsregio in (inter)nationaal perspectief te plaatsen, wordt in paragraaf 3.4 een benchmark uitgevoerd met andere regio’s. In paragraaf 3.5 wordt het beeld vanuit de ondernemer gezien, los gelaten en worden juist de verwachtingen van klanten beschreven. Paragraaf 3.6 sluit af met de conclusies.

3.2 Samenstelling van de beroepsbevolking
Leeftijdsopbouw gelijkmatig en jong in Stadsregio De indeling van de werkzame beroepsbevolking naar leeftijd geeft inzicht in het toekomstige arbeidsaanbod. Het patroon voor de Stadsregio is in het cirkeldiagram in figuur 3.1 weergegeven. Het grootste aandeel van de beroepsbevolking in de Stadsregio is tussen de 25 en 45 jaar oud. Als de vier grote steden worden vergeleken, valt op dat Rotterdam een mooi gelijkmatig patroon heeft. Er zijn in Rotterdam relatief veel jonge werknemers vergeleken met de andere drie grote steden in Nederland.

22

Naar een verleidelijke regio

Figuur 3.1

Beroepsbevolking naar leeftijd, 2001 Leeftijdsopbouw 4 grote steden 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Am st er da m Ro tte rd am sG ra ve nh ag e Ut re ch t( st ad )

Leeftijdsopbouw Stadsregio 7% 13%

22% 55-64 jaar 45-54 jaar 35-44 jaar 25-34 jaar 15-24 jaar 28% 30%

Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI

Beroepsbevolking Stadsregio relatief laag opgeleid Voldoende gekwalificeerd personeel is essentieel voor een duurzame economische ontwikkeling van de Stadsregio. De grootste groep (41%) van de beroepsbevolking in de Stadsregio heeft als achtergrond Havo/Vwo/Mbo. De kleinste groep (9%) is Wogeschoold. Vergeleken met de andere grote steden loopt Rotterdam (nog steeds) duidelijk achter. In Rotterdam bevinden zich de meeste laagopgeleiden en de minste hoogopgeleiden. Ook uit gehouden interviews werd duidelijk dat het verhoudingsgewijs lage aandeel HBO/WOopgeleiden in de Stadsregio ongunstig is. Ten opzichte van Nederland heeft Rotterdam eveneens aanzienlijk meer laagopgeleiden. Ook uit interviews komt naar voren dat het lage opleidingsniveau, met aanverwante problematiek van hoge schooluitval, laag inkomensniveau en de arbeidscultuur van allochtonen, een bedreiging vormt voor toekomstige economie in de Stadsregio. In positieve zin valt op dat het aandeel Wo in Rotterdam groter is dan het Nederlands gemiddelde.

Naar een verleidelijke regio

23

Figuur 3.2

Beroepsbevolking naar onderwijsniveau, 2001

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Am st er da m Ro tte rd am e Ne de rla nd ag nh st ad )

Wo Hbo Havo/vwo/mbo Mavo/vbo basisonderwijs

ve

ra

G

s-

U

tre

ch

t(

Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI

Onderwijsniveau Stadsregio 9% 12%

16% 22%

41%

Werkloosheid Stadsregio concentreert zich in Rotterdam en Schiedam De visie op de toekomst is duidelijk minder optimistisch voor de ondernemer in de Stadsregio. Met name de werkloosheid baart bestuurders in de regio zorgen. In de Stadsregio concentreert de werkloosheid zich nadrukkelijk in Rotterdam en Schiedam. Met een werkloosheidspercentage van (afgerond) 4% in 2001 ligt de Stadsregio (exclusief Rotterdam) 1% boven het (afgeronde) Nederlandse gemiddelde. Rotterdam en Schiedam liggen daar met werkloosheidspercentages van respectievelijk 6% en 9% aanzienlijk boven.
Tabel 3.1 Werkloze beroepsbevolking Stadsregio, 2001 Werkloze beroepsbevolking Rotterdam Schiedam Vlaardingen R+S+V Stadsregio inclusief Rotterdam Stadsregio exclusief Rotterdam 2000 in % 17 . 1 . 27 10 7,1% . 3,2% . 5,5% 3,9% 2001 in % 15 3 1 19 25 10 6,2% 9,1% 3,1% 6,2% 5,0% 3,9%

24

Naar een verleidelijke regio

Figuur 3.3

Werkloosheidspercentage Nederland, Zuid-Holland en grote steden, 2000 en 2001

8 7 6 5 4 3 2 1 0
nd Zu id -H ol la nd R ot te rd am Am st er da m e ag la er nh st ad )

2000 2001

ed

ve

N

ra

G

Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI

Vooral Rotterdam heeft groot aandeel allochtone beroepsbevolking De allochtone beroepsbevolking concentreert zich binnen de Stadsregio sterk in de stad Rotterdam. Van de grote steden heeft alleen Amsterdam een groter aandeel allochtonen in de beroepsbevolking. Gezien de grotere bevolkingstoename en de immigratiestroom van allochtonen is de verwachting dat dit aandeel verder zal toenemen. Uit de allochtonenprognose voor Nederland (CBS, 2002) blijkt dat er onder de allochtone bevolkingsgroep sprake is van een verhoudingsgewijs hoge werkloosheid, een hoog aandeel laagopgeleiden en een laag inkomensniveau. Enerzijds zwakt dit negatieve verband af, doordat de tweede generatie allochtonen beter geïntegreerd en opgeleid is. Anderzijds blijft gericht beleid nodig om een hoge kwaliteit van het arbeidsaanbod van de Stadsregio in de toekomst te realiseren.
Figuur 3.4 Beroepsbevolking naar herkomst, 2001 Beroepsbevolking in grote 4 steden en stadsregio

74%

66%

64%

67%

's-

26% Stadsregio

34%

36%

33%

Rotterdam

Amsterdam allochtonen

s-Gravenhage Utrecht (stad) autochtonen

Bron: CBS, bewerking ECORYS-NEI

Naar een verleidelijke regio

U

80%

20%

tre

ch

t(

25

Inkomensachterstand in Rotterdam… Inwoners in Rotterdam hebben bijna 5% (in 2000) minder te besteden dan de gemiddelde Nederlander. De kloof tussen de drie grote steden, Amsterdam, Den Haag en Utrecht is nog groter. De inkomensachterstand concentreert zich binnen Zuid-Holland voornamelijk in Rotterdam, aangezien het gemiddelde voor de provincie Zuid-Holland nog boven het nationaal gemiddelde ligt. Andere achterblijvers binnen de stadsregio zijn de gemeenten Schiedam en Spijkenisse. Het besteedbaar inkomen binnen de stadsregio is het hoogst in de gemeenten Westvoorne en Albrandswaard.
Figuur 3.5 Gemiddeld besteedbaar inkomen in 2000 in euro’s

12 11,5 11 10,5 10 9,5 9
R ot te rd am to ta Zu al id -H ol la nd (P V) Am st er da m U tre ch t nh G ra ve ag e

N ed er la nd

Bron: CBS, bewerking Ecorys-NEI, 2003

Conclusie
• • • • • •

Gering aandeel hoger opgeleiden in Stadsregio vergeleken met de drie grote steden, vooral aandeel laag opgeleiden bovengemiddeld Relatief jonge beroepsbevolking garandeert arbeidspotentieel voor de toekomst Werkloosheid Rotterdam/Schiedam ruim boven gemiddelde Stadsregio en Nederland. Groot aandeel in beroepsbevolking Stadsregio allochtoon Gemiddeld besteedbaar inkomen binnen de stadsregio in Rotterdam het laagst, gevolgd door Schiedam en Spijkenisse. Kwantitatief beeld van de arbeidsmarkt is beter dan het kwalitatieve beeld

3.3 Investeringsklimaat Stadsregio
Regioprofiel van de Stadsregio In figuur 3.6 wordt het regioprofiel van de Stadsregio gepresenteerd. In 2001 is de regio op 32 aspecten door haar ondernemers beoordeeld. Naast de Stadsregio zijn inmiddels in totaal 28 nationale en 18 internationale regio’s opgenomen in de Benchmark. De positie van de Stadsregio in relatie tot de andere regio’s is weergegeven met een bolletje in een witte balk. De witte balk geeft de bandbreedte aan. De aspecten zijn gerubriceerd onder diverse thema’s: marktrelaties, arbeidsmarkt, vestigingssituatie, infrastructuur,

26

Naar een verleidelijke regio

's-

kennisinfrastructuur, leefomgeving en (regionale) overheid. Deze thema’s bakenen een belangrijk onderdeel van het investeringsklimaat af en zullen in de verdere beschrijving één voor één de revue passeren. De paragraaf wordt afgesloten met de belangrijkste conclusies.

Naar een verleidelijke regio

27

Figuur 3.6

Regioprofiel van de Stadsregio, 2001

Bron:

NEI, Internationale Benchmark Regionaal Investeringsklimaat (2001)

28

Naar een verleidelijke regio

Stadsregio scoort goed op marktrelaties: nationaal nr. 4, internationaal nr. 7! De rubriek marktrelaties geeft inzicht in het oordeel van ondernemers met betrekking tot de productiestructuur van de Stadsregio. Nationaal gezien gooit de Stadsregio hoge ogen met de afzetmarkt, toeleveranciers (1), concurrenten en zakelijke diensten. Internationaal gezien scoort de Stadsregio vooral goed met de afzetmarkt en de samenwerking tussen bedrijven. Ondernemerschap en innovativiteit en toeleveranciers zijn aspecten die nationaal nog onderscheidend uitpakken, maar in internationaal opzicht wat afzwakken. Introductie Benchmark-scoretabel In paragraaf 3.4 wordt het investeringsklimaat per themaveld behandeld. Voor elk themaveld is een aparte tabel gemaakt. Daarin is te zien welke positie de stadsregio Rotterdam inneemt onder de gebenchmarkte regio’s. Dit staat met een gekleurd staafje en een nummer vermeldt in de tabel. De stadsregio wordt afzonderlijk vergeleken met nationale en internationale regio’s. In de linkerfiguur staat de positie van de stadsregio op nationaal niveau (29 regio’s), de rechterfiguur illustreert de internationale positie (19 regio’s). Ter illustratie: op het themaveld marktrelaties neemt de stadsregio een 4e positie in op nationaal niveau en scoort dus goed. Vergeleken met de internationale regio’s neemt de stadsregio een 7e positie in, dat is bovengemiddeld.

Figuur 3.7

Benchmark-score Stadsregio op Marktrelaties

Nationale score op marktrelaties
Totaal marktrelaties Samenwerking tussen bedrijven Ondernemerschap en innovativiteit Concurrenten Zakelijke diensten Toeleveranciers Afzetmarkt, koopkracht 0 5 10 15 20 25 5 30 6 1 14 9 3 4

Internationale score op marktrelaties 7 5 10 8 8 10 4 0 5 10 15 20

Arbeidsmarkt in Stadsregio valt niet op: nationale middenmotor, internationaal buitenbeentje De arbeidsmarkt is één van de rubrieken die onderdeel uitmaakt van het productiemilieu. Het productiemilieu wordt voornamelijk gestuurd vanuit overheidsbeleid. Ondernemers zelf hebben er minder grip op.

Naar een verleidelijke regio

29

In nationaal opzicht blijft de Stadsregio in het midden steken. Internationaal gezien manifesteert zich de krapte op de Nederlandse en Rotterdamse arbeidsmarkt. Opvallend slecht scoren beschikbaarheid van personeel (mogelijk gelieerd aan de hogere werkloosheid in het buitenland) en het loonniveau. Ondernemers gaven aan dat de krappe arbeidsmarkt voor kwalitatief goed personeel hoge salarissen afdwingt, wat in mindere jaren een aanzienlijke kostenpost betekent. Kanttekening hierbij is dat door de verslechterde economie de situatie in Nederland op de arbeidsmarkt anders ligt. Nu moeten bedrijven personeel afstoten, o.a. vanwege de hoge loonkosten.

Figuur 3.8

Benchmark-score Stadsregio op Arbeidsmarkt

Ruimte in Stadsregio is nationaal en internationaal gezien een knelpunt Ruimte in de Stadsregio blijkt een schaars goed te zijn. Het kritische oordeel van ondernemers op beschikbaarheid en prijs (erfpacht) van bedrijventerrein (opmerkelijk laag, zie voetnoot) en kantoorlocaties bevestigt dat. 7 De vestigingssituatie is een belangrijk knelpunt voor de Stadsregio, volgens ondernemers staat op dit moment ‘wonen en werken in één omgeving’ onder druk. Daarnaast ontbreekt het de regio aan redelijk betaalbare en kwalitatief goede bedrijventerreinen, met name voor bedrijven die veel vierkante meters nodig hebben. Maasvlakte 2 kan in dit opzicht perspectief bieden.
Figuur 3.9 Benchmark-score Stadsregio op Vestigingssituatie
Nationale score op vestigingssituatie Totaal vestigingssituatie Kapitaalmarkt Prijs kantoorruimte Beschikbaarheid kantoorruimte Prijs bedrijventerreinen Kwaliteit bedrijventerreinen Beschikbaarheid bedrijventerreinen 0 5 10 15 28 18 21 20 25 30 0 5 10 18 15 15 20 21 20 18 16 17 15 Internationale score op vestigingssituatie 15 7 7

Intermezzo: Ruimtebehoefte in de Stadsregio
Vraag naar bedrijventerrein loopt al vanaf begin jaren ’90 achter op het aanbod De behoefte aan bedrijventerreinen in de Rotterdamse regio is in het verleden aanzienlijk groter gebleken dan het aanbod kon verwerken. Vooral in het hoogwaardige segment en in het segment grootschalige logistiek bestaan tekorten. Vanaf begin jaren negentig is er een dalende trend van de uitgifte van bedrijventerrein in de Stadsregio waarneembaar. Ondanks de sterke economische groei in de periode 1997-2000, werden niet meer kavels
7

Hoewel in figuur 3.6 Groot-Rijnmond op het aspect ‘prijs bedrijventerreinen’ een middenpositie lijkt in te nemen, is dit gezichtsbedrog. In Nederland scoort alleen de Gooi en Vechtstreek slechter. Ondernemers in Groot-Rijnmond waarderen de prijs van bedrijventerreinen ruim 11% lager dan het gemiddelde waarderingsoordeel in Nederland.

30

Naar een verleidelijke regio

terrein uitgegeven. Dit is een indicatie voor een te beperkt aanbod, waardoor niet aan alle vraag kon worden voldaan. Vanaf 1999 duikt het uitgeefbare aanbod zelfs onder de (strategische) ondergrens van de ijzeren voorraad op basis van 3 maal de uitgifte. Het aanbod in Groot-Rijnmond is in de jaren negentig daardoor onvoldoende geweest om voldoende flexibel in te kunnen spelen op de te verwachten vraag. Naar het einde van de jaren negentig neemt het tekort alleen maar toe en raakt de voorraad verder uitgeput. Verschil tussen vraag en aanbod bedrijventerreinen loopt op tot max. 530 ha in 2010 Met behulp van een confrontatie van vraag en aanbod kan de toekomstige planbehoefte tot het jaar 2010 worden bepaald. Onder de planbehoefte wordt verstaan wat de behoefte is aan nieuwe terreinen, naast de ontwikkeling van al bestaande harde en zachte plannen. De planbehoefte wordt bepaald in drie stappen: 1. Bepaling van het aanbod, benodigd om voldoende flexibel te kunnen uitgeven; 2. Bepaling van het aanbod, benodigd om de additionele vraag te kunnen huisvesten; 3. Bepaling van het aanbod, benodigd om de onttrekkingen te compenseren. Deze drie componenten opgeteld, levert een totale planbehoefte op van minimaal 590 tot maximaal 850 hectare tot het jaar 2010. Geconfronteerd met het aanbod geeft het overzicht in tabel 3.2 aan dat de additionele planbehoefte uitkomt op minimaal 270 en maximaal 530 hectare.8
Tabel 3.2 Totale en aanvullende planbehoefte droge bedrijventerreinen in Groot –Rijnmond tot 2010

In ha Totale planbehoefte tot 2010 Huidig aanbod terstond uitgeefbaar Plannen tot 2010 Totale aanbod tot 2010 Additionele planbehoefte tot 2010

DE 590 100 140 80 320 270

EC 770 100 140 80 320 450

GC 850 100 140 80 320 530

- hard - zacht

Na 2010 treedt een vrij sterke afvlakking van de vraag op. Er wordt gerekend met afnemende economische groei (uitgezonderd het GC-scenario) en een steeds verdere daling van werkgelegenheid bij ruimte-intensieve bedrijvigheid, zoals industrie.
Tabel 3.3 Ruimtevraag droge bedrijventerreinen in Groot-Rijnmond 2010-2020

In ha Totale planbehoefte 2010-2020

DE 90

EC 270

GC 340

8

Bron: Vraag- en aanbodanalyse droge bedrijventerreinen in Groot-Rijnmond, ECORYS-NEI 2002

Naar een verleidelijke regio

31

Bereikbaarheid Stadsregio: via weg slecht, verder goed In de benchmark hebben ondernemers bereikbaarheid over de weg als één van de belangrijkste aspecten van het investeringsklimaat beoordeeld. Ten opzichte van internationale ondernemers beoordelen de ondernemers in de Stadsregio bereikbaarheid via weg het laagst en ook in nationaal opzicht scoort de regio slecht. Door andere vervoersmodaliteiten (lucht: Rotterdam Airport, spoor en water) wordt het beeld voor infrastructuur, zeker op nationaal niveau, gecompenseerd. Aangezien bereikbaarheid via weg één van de belangrijkste aspecten van het investeringsklimaat is, dienen nadrukkelijk oplossingen gezocht te worden voor congestie. Op het aspect vervoer over water nemen 4 binnenlandse en 7 buitenlandse regio’s een betere positie in dan de stadsregio Rotterdam. De verschillen zijn echter marginaal, het verschil wordt gemaakt door de opvallend goed scorende regio’s Duisburg en Weser Ems. Op dit punt klagen ondernemers niet. Vanuit de internationale optiek behoeft ook de rol van de regionale luchthavens aandacht. Deze kan in de toekomst voor de zakenreiziger belangrijker worden. Daarvoor moet dan wel de benodigde capaciteit bestaan. De kritiek van ondernemers richt zich met name op de congestie op de ring Rotterdam, de A4 en de A16, maar ook het onderliggend wegennet voldoet niet aan de wensen. De slechte waardering voor het openbaar vervoer betreft de slechte bereikbaarheid van en naar bedrijventerreinen met behulp van het openbaar vervoer.
Figuur 3.10 Kwaliteit regionale bereikbaarheid volgens ondernemers, 2001

Duisburg F:Nord Pas de Calais Brussel Frankfurt e.o. Groot-Antwerpen Groot-Rijnmond Utrecht Aggl. 's Gravenhage Groot-Amsterdam 0 1 2 3 4 5

32

Naar een verleidelijke regio

Figuur 3.11

Benchmark-score Stadsregio op Infrastructuur
Nationale score op infrastructuur Totaal infrastructuur Vervoer over water Goederenvervoer over spoor Vervoer door de lucht Openbaar vervoer Bereikbaarheid via de weg 0 5 10 15 23 20 25 30 0 5 18 8 7 19 19 10 15 20 8 5 14 12 Internationale score op infrastructuur 16 8

Mogelijkheden voor (inter)nationale voorsprong moet Stadsregio nog uitbuiten… Kennis onderscheidt ons en geeft ons een structurele voorsprong op andere regio’s, zo geven de ondernemers in de Stadsregio aan. Internationaal gezien scoort de Stadsregio matig met een 14e notering. De nationale positie van de Stadsregio is met een 6e plaats echter vrij hoog. Kenniscentra, ICT en onderwijsfaciliteiten blijken op nationaal niveau redelijk ontwikkeld te zijn in de Stadsregio. De voorsprong die kennis kan genereren, moet nog worden uitgebuit…
Figuur 3.12 Kwaliteit van de IT- en Telecommunicatie-infrastructuur volgens ondernemers, 2001
Frankfurt e.o. F:Nord Pas de Calais Duisburg Brussel Groot-Antwerpen Utrecht Groot-Rijnmond Aggl. 's Gravenhage Groot-Amsterdam 0 1 2 3 4 5

Bron: Internationale Benchmark Regionaal Investeringsklimaat, ECORYS-NEI 2001

Naar een verleidelijke regio

33

Figuur 3.13

Benchmark-score Stadsregio op Kennisinfrastructuur Nationale score opkennisinfrastructuur Totaal kennisinfrastructuur Kenniscentra 6 Internationale score op kennisinfrastructuur 14

5

12

Onderwijsfaciliteiten IT-, Telecommunicatieinfrastructuur 0 5 10 15 20

10

13

8

18 30 0

25

5

10

15

20

De Stadsregio mist uitstralingskracht… De Rotterdamse omgeving mist uitstralingskracht. Op vrijwel alle aspecten op het gebied van leefomgeving scoort de Stadsregio slecht. Er moet vanuit ondernemersoptiek veel gedaan worden aan onderhoud en veiligheid van de stad. Verder dient het leefklimaat verbeterd te worden met aantrekkelijke woongebieden en meer natuur- en groenvoorzieningen.
Figuur 3.14 Benchmark-score Stadsregio op Leefomgeving
Nationale score op leefomgeving Totaal leefomgeving Stedelijke omgeving Natuurlijke omgeving Criminaliteit (Woon)voorzieningen Woningaanbod 0 5 10 15 26 22 20 25 30 0 5 10 28 16 19 16 15 20 26 17 19 11 Internationale score op leefomgeving 19 17

Regionale overheid: internationale positie Stadsregio beter dan nationale positie In zijn algemeenheid geldt dat ondernemers, overheden kritisch beoordelen. Buitenlandse ondernemers blijken kritischer op hun overheden dan binnenlandse ondernemers. De kritische geluiden van ondernemers uit de Stadsregio zijn de volgende: hoge erfpachtkosten, onevenredig hoge lastendruk, hinderende milieuwetgeving en bureaucratie. Daarnaast focust de regionale overheid zich te weinig op bestaande bedrijven en teveel op prestigieuze projecten. Dit verzwakt de concurrentiepositie van de Stadsregio. Vanuit internationaal perspectief is de positie van de Stadsregio ten aanzien van de regionale overheid relatief gunstig, vooral op de onderdelen belastingklimaat en de houding van overheden. Uit interviews komt naar voren dat samenwerking tussen gemeenten, de provinciale en rijksoverheid en het bedrijfsleven nog gebrekkig gevonden wordt Dit wordt door ondernemers gezien als een bedreiging voor de Stadsregio.

34

Naar een verleidelijke regio

Figuur 3.15

Benchmark-score Stadsregio op Regionale overheid
Nationale score op regionale overheid Totaal regionale overheid Subsidies en premies Internationale score op regionale overheid

16

5

9

11

Belastingklimaat

21

4

Houding van overheden 0 5 10 15

19

8

20

25

30 0

5

10

15

20

Conclusie
• • • • • •

Marktrelaties genoeg, quality of life te weinig De arbeidsmarkt biedt volgens ondernemers internationaal gezien weinig aantrekkelijks Ruimteschaarste in de Stadsregio, in nationaal en zeker internationaal opzicht een probleem Bereikbaarheid via de weg een belangrijk (inter)nationaal knelpunt Kennisinfrastructuur doet het nationaal gezien beter dan internationaal In internationaal opzicht coulante overheid

3.4 Specifieke knelpunten en troeven in de Stadsregio
De Stadsregio vergeleken op specifieke thema’s Stedelijkheid is karakterbepalend voor het investeringsklimaat. Stedelijke regio’s hebben specifieke troeven (bijv. marktrelaties), maar ook specifieke knelpunten (bijv. ruimteschaarste). In deze paragraaf wordt de Stadsregio vergeleken met: • Andere stedelijke regio’s op het gebied van de ‘stedelijke aspecten’. Er wordt een vergelijking gemaakt met: Groot-Amsterdam, Utrecht, agglomeratie ’s-Gravenhage, Groot-Antwerpen, Brussel, Frankfurt e.o., Nord Pas de Calais en Duisburg. • De omliggende regio’s die een iets meer landelijk karakter hebben: Delft en Westland, Oost-Zuid-Holland, agglomeratie Leiden en Bollenstreek, West-NoordBrabant en Zeeland. Op stedelijke aspecten slaat balans negatief door… Het stedelijk karakter van de Stadsregio komt niet goed uit de verf in vergelijking tot steden als Frankfurt, Duisburg en Amsterdam. De Stadsregio heeft weinig troeven te bieden ten opzichte van andere belangrijke Europese stedelijke regio’s. De mainportfunctie van de regio lijkt zich te vertalen in de troeven afzetmarkt, concurrenten (mate waarin gelijksoortige bedrijven een positieve invloed uitoefenen op het ondernemingsklimaat) en vervoer over water. De knelpunten laten de balans echter in negatieve zin overslaan. De ‘pijn’ zit vooral in het leefklimaat (voorzieningen en omgeving), de kennisinfrastructuur (ICT en onderwijsfaciliteiten) en vestigingssituatie (ruimteschaarste).

Naar een verleidelijke regio

35

Figuur 3.16

Stedelijke troeven en knelpunten van de Stadsregio

De grootste troeven •Prijs kantoorruimte •Afzetmarkt, koopkracht •Concurrenten •Vervoer over water

De grootste knelpunten •IT-, Telecommunicatie-infrastructuur •Openbaar Vervoer (naar werklocaties) •Loonniveau •Onderwijsfaciliteiten •Stedelijke omgeving •Houding van overheden •Natuurlijke omgeving •(Woon)voorzieningen •Prijs bedrijventerreinen •Kwaliteit bedrijventerreinen •Beschikbaarheid bedrijventerreinen

Steden gewogen
Ten opzichte van omliggende regio’s evenwicht in troeven en knelpunten Naast een weergave van specifiek stedelijke troeven en knelpunten wordt in deze paragraaf ook ingegaan op specifiek regionale troeven en knelpunten. Zo wordt inzichtelijk wat ondernemers de sterke en zwakke kant vinden van de Stadsregio in vergelijking met de omliggende regio’s. Qua productiestructuur overklast de Stadsregio volgens ondernemers de omliggende regio’s. Op alle aspecten die bijdragen aan de marktrelaties levert de Stadsregio de troeven. Ook op onderdelen van infrastructuur heeft de regio specifieke troeven in handen. Bereikbaarheid via weg blijft echter een belangrijk knelpunt, net als het loonniveau, de ruimteschaarste en de kwaliteit van bedrijventerreinen. Het zijn met name deze zaken die zowel vanuit nationaal als internationaal opzicht op de politieke agenda een plaats moeten krijgen om het knelpunt ongedaan te maken.

36

Naar een verleidelijke regio

Figuur 3.17

Troeven en knelpunten van de Stadsregio ten opzichte van omliggende regio’s

Conclusie • Vanuit stedelijk perspectief wordt de Stadsregio door andere steden afgetroefd • Ten opzichte van omliggende regio’s is de balans meer in evenwicht • De stedelijke troeven zijn sterk haven gerelateerd • Aantoonbare knelpunten bestaan op het gebied van leefklimaat, kennisinfrastructuur en vestigingssituatie • Er is een goede score op marktrelaties en infrastructuur (met uitzondering van de weg) in de Stadsregio vergeleken met omliggende regio’s • Belangrijke knelpunten ten opzichte van omliggende regio’s: bereikbaarheid via weg, loonniveau, de leefomgeving en de vestigingssituatie

Naar een verleidelijke regio

37

4 Synthese: blik naar de toekomst

4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een inschatting gemaakt van de te verwachten ontwikkelingen in de toekomst. Voor de aspecten werkgelegenheid, productie en bevolking wordt een prognose gegeven. De contouren waarin de economie zich zal vormen, worden scherper. Waardoor de in hoofdstuk 5 en 6 aan de orde komende ambities en maatregelen beter worden gefundeerd.

4.2 Ontwikkeling van de economische structuur
Werkgelegenheidsprognose: jaarlijkse groei in de Stadsregio 0,8% Het CPB geeft (onderverdeeld naar diverse sectoren) een toekomstverwachting van de werkgelegenheid op nationaal, maar ook op grootstedelijk niveau. De verwachting van het CPB is dat de jaarlijkse werkgelegenheidsgroei voor de Stadsregio Rotterdam met 0,8% iets achterblijft bij het nationaal gemiddelde en de andere drie grote steden. De verandering in sectorstructuur die zich al heeft ingezet in 1980 (zie paragraaf 2.2.1) zet zich door. De dienstverlening (zowel tertiair als kwartair) breidt uit, landbouw en industrie krimpen in. De grootste groei zal zich naar verwachting voordoen in de zakelijke dienstverlening. Een kanttekening bij deze prognose is wel dat de vraag naar ruimte door de groeiende werkgelegenheid kan worden geaccommodeerd.

38

Naar een verleidelijke regio

Figuur 4.1

Regionale werkgelegenheidsprognose (in procenten), middenscenario (European Coordination), 2020

Werkgelegenheidsontwikkeling 1995-2020 3% 2% 1% 0% -1% -2% Transport en distributie Groot- en detailhandel Bouwnijverheid Landbouw Industrie (incl. Chemie en delfstofwinning)

Post- en telecommunicatie

Zakelijke dienstverlening

Utrecht Groot Rijnmond

Groot-Amsterdam Nederland

Aggl. s-Gravenhage

Bron: CPB 1999, Bedrijfslocatiemonitor Regionale Verkenningen 2010-2020, bewerking ECORYS-NEI

Arbeidsproductieve sectoren in Stadsregio zullen productie positief blijven beïnvloeden Voor toegevoegde waarde (als indicator van de productie) zijn slechts prognosegegevens beschikbaar op nationaal niveau. Gezien de toekomstverwachting voor de productie, gecombineerd met de sectorstructuur van de Stadsregio is het te verwachten dat de ontwikkelingen voor de productie gunstig zullen uitpakken. Werkgelegenheidsafname in de landbouw en industrie betekent niet automatisch minder productie. Er wordt op lange termijn wel een werkgelegenheidsverschuiving van industrie naar diensten verwacht, maar dit heeft geen consequenties voor de economische output.
Figuur 4.2 Nationale toegevoegde waardeprognose (in procenten), middenscenario (European Coordination), 2020 Toegevoegde waardeontwikkeling 1995-2020

5% 4% 3% 2% 1%

Post- en telecommunicatie

0% Transport en distributie Groot- en detailhandel Bouwnijverheid Landbouw Industrie (incl. Chemie en delfstofwinning)

Kwartaire diensten

Zakelijke dienstverlening

Nederland Bron: CPB 1996, Omgevingsscenario’s lange termijn verkenning 1995-2020, bewerking ECORYS-NEI

Naar een verleidelijke regio

Kwartaire diensten

Overheid

Totaal

Overheid

Totaal 39

4.3 Bevolkingsprognose
Bevolkingsgroei in Stadsregio divers, Rotterdam groeit minder dan Amsterdam Voor de gemeenten binnen de stadsregio zijn gegevens voor bevolkingsprognose beschikbaar.9 De verwachting is dat de bevolking zowel in de stadsregio als in Rotterdam jaarlijks licht stijgt, respectievelijk 0,7% en 0,6%. Met 1,2% jaarlijkse groei tot 2020 neemt Groot-Amsterdam nadrukkelijk afstand in bevolkingsomvang van de stadsregio Rotterdam. De verschillen binnen de stadsregio zijn vrij groot. Ter illustratie zijn een aantal gemeenten uit de stadsregio opgenomen in figuur 4.3. Met name in de gemeenten Bergschenhoek, Barendrecht en Berkel en Rodenrijs wordt een forse bevolkingstoename verwacht, oplopend tot 3,5%. Daarentegen daalt de bevolking met 0,2% in de gemeente Rozenburg.
Figuur 4.3 Bevolkingsprognose 1995-2020 Stadsregio Bevolkingsprognose 1995-2020 4% 3% 2% 1% Rotterdam 0% Groot Amsterdam Aggl. S'Gravenhage Stadsregio -1% Rozenburg Bergschenhoek Barendrecht Berkel en Rodenrijs

Conclusie • Toekomstverwachting voor werkgelegenheid Stadsregio blijft achter bij nationaal gemiddelde en grote steden • Overgang van industrie naar diensten wordt sterker in de toekomst • Toekomstverwachting voor productie compenseert de achterblijvende werkgelegenheidsontwikkeling • Lichte bevolkingsgroei voor de totale stadsregio, verschillen tussen gemeenten groot

9 Rijkswaterstaat laat prognoses uitvoeren voor haar regionaal verkeersmodel, hierbij wordt rekening gehouden met demografische groeicijfers van het CPB, maar ook plannen voor woningbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen zijn vertaald in de cijfers. Gegevens zijn beschikbaar voor delen van de Randstad, met de stadsregio kunnen om die reden alleen GrootAmsterdam en ’s-Gravenhage worden vergeleken.

40

Naar een verleidelijke regio

5 Van ambitie naar maatregelen

5.1 Lessen uit de analyse en de meningen in de regio
Uit de analyse en de interviews met belanghebbenden in de regio is een aantal conclusies te trekken: Hoge productiviteit, lage werkgelegenheidsgroei • De economische prestaties van de stadsregio in de periode 1995-2001 waren tweeledig: de werkgelegenheidsgroei bleef iets achter bij het nationaal gemiddelde, de ontwikkeling van het Bruto Regionaal Product per hoofd van de bevolking daarentegen lag iets hoger. De verschillen zijn evenwel fractioneel. Wel bevestigt dit het bekende beeld van de stadsregio: de productiviteitsontwikkeling ligt hoger dan de werkgelegenheidsontwikkeling. Dit is bedrijfseconomisch positief te waarderen, regionaal-economisch betekent dit dat de regio er nog niet in slaagt het gegenereerde inkomen voldoende in de eigen regio vast te houden en om te zetten in (verzorgende) werkgelegenheid. Rotterdam en Schiedam zorgenkindjes • Binnen de stadsregio zijn in termen van werkgelegenheid en inkomen met name Schiedam en Rotterdam (het stedelijk gebied) de zorgenkindjes. Het meer landelijk gebied van de stadsregio presteert op een met Nederland vergelijkbaar niveau. HIC blijft motor regionale economie • De stadsregio kent een aantal sterk vertegenwoordigde clusters, waarbij het HavenIndustrieel Complex (HIC, inclusief de bijbehorende dienstverlening) er ondubbelzinnig boven uitsteekt. Dit cluster heeft ook een zeer sterke internationale oriëntatie. Tevens is er uiteraard binnen de regio (in dit geval inclusief Delft) zeer veel kennis over deze activiteiten aanwezig.

Andere goed vertegenwoordigde clusters, maar van geringere absolute omvang, zijn de milieudienstverlening, de agro-industrie, groot- en kleinhandel alsmede de zakelijke diensten. Deze laatste richten zich sterk op de eigen regio. Hetzelfde geldt voor de bouw, die veel werk voor het HIC verricht.

Goed marktklimaat, minder leefklimaat • Indien wordt gekeken naar het investeringsklimaat in de stadsregio dan is het voor de beoordeling natuurlijk sterk afhankelijk van de referentiegroep waarmee vergeleken wordt: nationaal of internationaal, stedelijke regio’s of alle regio’s. Indien gekeken wordt naar het belangrijke criterium ‘markt(relaties)’ scoort de stadsregio in het algemeen goed, alhoewel de vergelijking met buitenlandse stedelijke regio’s iets

Naar een verleidelijke regio

41

minder positief uitvalt. Beduidend minder scoort het aspect woon- en leefklimaat (inclusief woningaanbod), met name voor het stedelijk gebied van de stadsregio. Andere aspecten van het investeringsklimaat die aandacht behoeven zijn:

Opleidingsniveau van de beroepsbevolking: gemiddeld nu te laag, terwijl het moeilijk blijkt om hoogopgeleiden aan de regio te binden. Projecten moeten vooral gezocht worden binnen de woningmarkt en de leefbaarheid van steden. Bereikbaarheid over de weg, zowel Rijkswegen als het onderliggend wegennet. De landsdelige rapportage West ‘Naar gebiedsgerichte economische perspectieven’ constateert dat knelpunten in de Zuidvleugel zich vooral voordoen rond Rotterdam. De Rotterdamse Kamer van Koophandel zet zich in voor achttien regionale infrastructuurprojecten. Met deze projecten moeten belangrijke bereikbaarheidsknelpunten opgelost worden, zoals A4 Midden-Delfland, A4 Zuid en de verbinding tussen de A13 en de A16, maar ook de aanleg van RandstadRail en een eigen toegang voor de binnenvaart tot de Tweede Maasvlakte.10 De rol van regionale luchthavens kan in de toekomst belangrijker worden. Ruimte voor bedrijvigheid, met name bedrijfsterreinen. De verwachtingen voor de toekomst worden op korte termijn natuurlijk sterk ingegeven door de huidige laagconjunctuur en internationale strubbelingen. Voor de wat langere termijn is het beeld in grote lijnen hetzelfde als in de afgelopen jaren: achterblijvende werkgelegenheidsontwikkeling, maar meer dan gemiddelde groei van het BRP.

• •

5.2 De ambitie
De stadsregio is eigenlijk een regio met vele gezichten: nat en droog, stedelijk en nietstedelijk, achterblijvende werkgelegenheid en een hoog BRP. In termen van problemen zijn deze vanuit economische optiek het meest pregnant in het stedelijk gebied (hoge werkloosheid en lage inkomens in Rotterdam en Schiedam), in termen van kansen buiten het stedelijk gebied (leefomgeving, ruimte.) Een belangrijke opgave is dan ook om, gebruik makend van de kansen, de problemen te keren teneinde een verdergaande tweedeling van de regio te voorkomen. Om te komen tot een doelgericht pakket van maatregelen voor de economische toekomst van de stadsregio is het allereerst van belang om de economische ambitie van de stadsregio te benoemen. Dit is een politieke keuze. In de interviews hebben overigens met name de bestuurders daar al invulling aan gegeven. Ook in de nota ‘De Gekozen Toekomst’ (2000) van de Stadsregio is hierover een uitspraak gedaan. Mede op basis hiervan willen wij het volgende voorstel doen:

10

Kamer van Koophandel, Rotterdam 2003

42

Naar een verleidelijke regio

De stadsregio Rotterdam streeft naar een werkgelegenheidsniveau en inkomensniveau dat tenminste op het nationaal gemiddelde ligt, met een zoveel mogelijk evenwichtige spreiding daarvan binnen de regio. Deze ambitie zal niet op korte termijn te realiseren zijn. Ervaringen elders in Nederland leren dat het wegwerken van een faseverschil in economische ontwikkeling zelfs decennia kunnen duren. 11 Deze visie heeft een doorkijk van zo’n 20 jaar. Een periode waarin erg veel kan veranderen. Veranderingen die op zich niet voorspelbaar zijn. Binnen zekere marges geldt dat alleen de demografische ontwikkelingen nog enige mate van voorspelkracht hebben. En deze wijzen in de richting van een gemiddelde groei van 0,75% per jaar tot 2020, waardoor het inwonertal van de stadsregio op 1,3 miljoen uitkomt 12 . Maar bijvoorbeeld de stormachtige opkomst (en nu ook weer neergang) van de ICT-sector was 20 jaar geleden niet voorzien. Er zijn evenwel ook enkele aspecten die in de tijd gezien redelijk robuust zijn. Dit betreft bijvoorbeeld de locatie-eisen van bedrijven. Analyse van locatie-eisen door de tijd en naar economische activiteit leert dat er een duidelijke top 3 is: bereikbaarheid, ruimte en arbeidsmarkt.13 De volgorde tussen de 3 varieert wel eens afhankelijk van de conjuncturele situatie. Zo stond de afgelopen jaren ‘arbeidsmarkt’ op de eerste plaats.In relatie daarmee nam ook het belang van het leefklimaat in een regio toe. De hier gepresenteerde doelstelling is geoperationaliseerd en daarmee eenvoudig te monitoren. Wel kan de vraag gesteld worden wanneer sprake is van een evenwichtige spreiding c.q. binnen welke bandbreedte deze moet liggen. Tevens is de vraag aan de orde in hoeverre deze doelstelling met behulp van regionaal-economisch instrumentarium te bereiken is. Hiervoor lijkt het het beste om in ieder geval te (blijven) streven naar toename van de werkgelegenheid voor de inwoners van het stedelijk gebied.

5.3 van ambitie naar uitvoering: de hoofdlijnen
De opgave is dus om inzake de werkgelegenheidsontwikkeling een achterstand in te lopen, zeker in het stedelijk gebied. Met betrekking tot de inkomensontwikkeling ligt er met name de opgave het inkomensniveau van de huishoudens op te krikken. Bij dit laatste gaat het er vooral om het ‘inkomenslek’ uit de regio te dichten. Een aantal constateringen wijst in deze richting: het BRP van de stadsregio valt zeker niet uit de toon, maar (zo is uit de Input-Output tabel af te leiden) de bestedingen van de bevolking van de stadsregio in bijvoorbeeld handel en horeca in de eigen regio ligt duidelijk lager dan elders in Nederland, terwijl de absolute bestedingen van 1,2 mln. Rijnmonders buiten de regio hoger liggen dan de bestedingen van zo’n 14 mln. niet-Rijnmonders in de stadsregio 14 . De stadsregio, en dan weer met name het stedelijk gebied, is blijkbaar onvoldoende
11 12 13

ECORYS – NEI (2003), Midterm evaluatie van Kompas voor het Noorden, Rotterdam. ECORYS – NEI, SEOR, TNO, Bureau Louter, Regionale arbeidsmarktprognose 2002-2007, Zoetermeer. Op basis van analyse van diverse rapporten van onder andere B&A-groep, BCI, NEI, Ernst&Young (diverse jaren). En ook: NEI (2000), Ruimte voor kennis, Rotterdam. Blijkens de I-O tabel (prijzen 1998) gaat het per saldo om zo’n € 40 mln. per jaar, voornamelijk voor de horeca. De bestedingen van Rijnmonders in Rijmond liggen bovendien zo’n 15% lager dan bestedingen van de niet-Rijnmonders in hun eigen regio.

14

Naar een verleidelijke regio

43

‘aantrekkelijk’ om te wonen (hoger opgeleiden) en te consumeren. Er vloeit dus geld de regio uit. Geld dat anders banen zou opleveren met name in de sectoren waar lager geschoolden werk kunnen vinden. Zo bezien kan de opgave nader geconcretiseerd worden: a. het scheppen van meer werk; b. het vasthouden en meer aantrekken van inkomen (koopkracht) naar de regio.

Ad a: meer werk Vanuit regionaal-economische optiek zijn er enkele basisregels als het gaat om het creëren van meer werk: - groei van stuwende (naar buiten de regio exporterende) activiteiten trekt verzorgende activiteiten mee, waarbij de verzorgende activiteiten in termen van werkgelegenheid veelal omvangrijker zijn terwijl de stuwende activiteiten een hogere productiviteit kennen; - de meeste groei komt altijd voort uit de activiteiten die reeds in de regio gevestigd zijn 15 . Dit betekent dat de regio prioriteit moet geven aan verdere ontwikkelingsmogelijkheden van de reeds aanwezige stuwende clusters. Met name vanwege het stuwend karakter, en dus het belang van een sterke internationale concurrentiepositie, dienen de clusters ‘slimmer’ te worden, en voort te blijven gaan op de weg van het vergroten van het kenniselement in hun processen. Zoals uit de analyse blijkt, is het HIC ondubbelzinnig het meest belangrijke complex: de combinatie van met name (petro)chemie en handel, transport en logistiek. Overige stuwende clusters en activiteiten, maar van beduidend geringere omvang, zijn de agro-foodsector en de basismetaal. Via de economische kringloop zullen toeleverende bedrijven profiteren van bedrijfseconomisch gezien gunstige resultaten in het HIC. In de eerste lijn zijn dat met name de niet-financiële zakelijke diensten en de bouw, in de tweede lijn volgt dan een grotere groep activiteiten in handel, bouwmaterialen, financiële diensten etc. Meer specifiek gaat het verder om activiteiten als Value Added Logistics, ‘Randstad distributie’, assemblage, gerelateerde technologie. Ook de recent groeiende ‘shared service centers’ blijken qua afkomst sterk aan het HIC gerelateerd te zijn. Kort gezegd: het verhogen van het marktgericht kenniselement in de economische activiteiten trekt de rest van de regionale economie mee. Het aantrekken dan wel ontwikkelen van nieuwe activiteiten is niet onbelangrijk, maar is lastiger te realiseren en is qua volume vaak van beperkte betekenis. Een voorbeeld hiervan is de AV-sector. Een snel groeiende sector in Rotterdam, maar is deels vertekend door de geringe omvang. Dit type activiteiten is interessant vanuit imago oogpunt, minder als aanzienlijke bron van werkgelegenheid. 16

15

Diverse empirische en wetenschappelijke analyses van regionaal-economische ontwikkeling in een verscheidenheid van

gebieden onderbouwen deze constatering. Zie bijvoorbeeld de Gebiedsgerichte Economische Perspectieven van het Ministerie van Economische Zaken (2002) 16 OBR (2002), Kwaliteit werkt door.

44

Naar een verleidelijke regio

De rol van de overheid Gegeven de spreiding van deze activiteiten over de regio dient dit in principe op regionaal niveau te worden opgepakt, gebruik makend van de reeds aanwezige kennis, capaciteit en netwerken van gemeentelijke, stadsregionale en provinciale diensten. De rol van de overheid is daarbij tweeledig: 1. uitvoeren van clusterbeleid17 inclusief betrokkenheid van commerciële en nietcommerciële kennisleveranciers 2. creëren van een optimaal investeringsklimaat (voorwaardenscheppend) Ten aanzien van het laatste hebben daarbij prioriteit: - voldoende aanbod van goedgeschoolde arbeidskrachten - goede interne en externe bereikbaarheid van de regio, waarbij grootste knelpunten de bereikbaarheid over de weg betreffen (zeker na voltooiing van de Betuwelijn), en bereikbaarheid door de lucht niet vergeten mag worden; - voldoende ruimte voor bedrijven, nat en droog. Ad. B Inkomen vasthouden en aantrekken Het vasthouden en aantrekken van inkomen heeft vooral tot doel om de ‘markt’ van de stadsregio te vergroten. Met een grotere koopkracht kunnen met name de verzorgende activiteiten in handel, horeca en diensten zich beter ontwikkelen en derhalve meer werkgelegenheid aan lager geschoolden kunnen bieden. Extra koopkracht kan langs een aantal wegen worden gerealiseerd: 1. toename van het aantal hogere inkomens in de stadsregio; 2. stimuleren van bestedingen van inwoners in de eigen regio in plaats van elders; 3. aantrekken van bestedingen van inwoners buiten de regio. Toename hogere inkomens Voor toename van het aantal hogere inkomens in de regio moet aan tenminste 2 voorwaarden worden voldaan: aantrekkelijk werk en een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. De eerste voorwaarde loopt via de ‘extra werk’ lijn, zoals eerder besproken. De tweede voorwaarde, waarvan de noodzaak overigens breed erkend wordt, betekent in ieder geval ook gebruik maken van de aantrekkelijke kanten van de regio als woongebied, zoals aangegeven in de Regiovisie Vijfde Nota van de Stadsregio, en het veel meer aantrekkelijk maken van met name het centrum van Rotterdam om te wonen en verblijven. Stimuleren van bestedingen in de regio De 2e en 3e weg lopen qua maatregelen in grote lijnen parallel. Centrale opgave is dat de regio de consument moet ‘verleiden’, verleiden om de regio te bezoeken en daar te besteden. Er moet dus wat te doen zijn, en de omgeving moet uitnodigen om te verblijven. Dit betekent aantrekkelijke vrije tijdsvoorzieningen in stad en regio (waaronder de eilanden en de kust), meer hoogwaardige detailhandel (waarvoor de

17

Zie hiervoor: PRC (2001), Clusterbeleid in Rotterdam

Naar een verleidelijke regio

45

aanwezigheid van voldoende koopkrachtige vraag voorwaarde is) en levendige stadscentra (ook na de sluitingstijd van winkels en kantoren).18 Rol van de overheid Op de bovengenoemde aspecten hebben de diverse overheden (gemeentelijk, regionaal) middels ruimtelijk beleid en sectorbeleid (wonen, detailhandel, vrije tijd) een belangrijke rol. Het RR 2020 heeft in dit verband een bijzondere functie: daarin zal op regionaal niveau het toekomstbeeld gestalte moeten krijgen. Het RR 2020 zal dan ook, meer dan in veel ruimtelijke plannen gebruikelijk is, de consument een centrale positie moeten geven. De gemeenten dienen een open oog te hebben voor kansen en problemen buiten de eigen gemeentegrenzen. De problemen in met name het stedelijk gebied kunnen niet alleen daar worden opgelost.

De vertaling van deze gedachtelijn naar maatregelen geschiedt in het volgende hoofdstuk. In schema 5.1 wordt, in een programmatische opzet, de gedachtenlijn als volgt samengevat:
Schema 5.1 Programmatische opzet doelen en prioriteiten

Overall doel

Werkgelegenheid en Inkomen ≥ Nationaal gemiddelde met evenwichtige spreiding in regio

Specifiek doel

Toename werkgelegenheid

Toename inkomen

Prioriteiten

Stimuleren stuwende activiteiten

Aantrekkelijker bedrijfsomgeving

Aantrekkelijker verblijfsomgeving

Aantrekkelijker woonomgeving

18

Bevraging van buitenlandse bezoekers aan ECORYS – NEI met betrekking tot hun oordeel over Rotterdam als verblijfplaats levert steevast als resultaat dat de moderne architectuur interessant bevonden wordt, maar dat het centrum na 18.00uur als leeg, dus onherbergzaam en niet uitnodigend wordt ervaren.

46

Naar een verleidelijke regio

6 Naar uitvoering: de maatregelen

6.1 Inleiding
In hoofdstuk 5 is de strategie op hoofdlijnen (ambitie, prioriteiten) uiteengezet. Een ambitie zal echter nooit verwezenlijkt worden indien er geen idee voor uitvoering aan gekoppeld is. In dit hoofdstuk worden daarom de prioriteiten vertaald naar concrete maatregelen. Tevens wordt aangegeven welke partners/partijen bij de uitvoering van de maatregelen betrokken dienen te worden. De prioriteiten vallen in principe uiteen in 2 typen: prioriteiten die gericht zijn op bedrijven en de bedrijfsomgeving, en prioriteiten die gericht zijn op bevolking c.q. consumenten: verblijfsomgeving en woonomgeving. Vanuit de insteek van deze regionaal-economische visie zal met name het eerste type prioriteit nader worden uitgewerkt. Niet omdat deze persé belangrijker is, maar omdat deze niet in een ander beleidsdocument wordt afgedekt. Voor het tweede type prioriteit wordt wel een aantal maatregelen benoemd, maar de uitwerking daarvan zal veeleer in het RPRR een plaats moeten krijgen. Bedacht dient te worden dat beide typen prioriteiten beide op de juiste manier moeten worden uitgevoerd teneinde de ambitie te realiseren. Los van elkaar leveren ze niet het gewenste resultaat op. In dit hoofdstuk worden beide prioriteiten achtereenvolgens nader uitgewerkt.

6.2 Maatregelen voor toename werkgelegenheid
In schema 5.1 is ‘Toename werkgelegenheid’ in prioriteiten vertaald. Aan deze prioriteiten zijn (weergegeven in schema 6.1) voor het regionaal niveau de volgende maatregelen te koppelen:

Naar een verleidelijke regio

47

Schema 6.1

Maatregelen voor toename werkgelegenheid

Toename Werkgelegenheid

Stimuleren stuwende activiteiten

Aantrekkelijker bedrijfsomgeving

Gezamenlijke kennis ontwikkeling bedrijven en kennisinstituten

Verhogen opleidingsniveau beroepsbevolking

Verbeteren bereikbaarheid van de weg

Voldoende ruimte voor bedrijven

6.2.1

Stimuleren stuwende activiteiten

Zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven, ligt de belangrijkste opgave voor het stimuleren van de stuwende activiteiten bij het verhogen van het marktgerichte kenniselement van deze activiteiten. Daarbij zijn de bestaande, ‘gevestigde’ clusters het uitgangspunt, met het HIC als kern. Doel is vooral om deze activiteiten door slimmer, efficiënter werken in internationaal opzicht (nog) meer concurrerend te laten zijn, en daarmee hun verdiencapaciteit te verhogen. Een hogere verdiencapaciteit vergroot namelijk de markt voor de toeleveranciers en dienstverleners. De rol van de overheid is dit soort processen is vooral die van het stimuleren van netwerken19 . Het is bekend dat met name het MKB wat dit betreft moeilijk bereikbaar is. Het onlangs opgerichte MKB-Rotterdam moet hierin overigens verbetering brengen. De belangrijkste ‘missing links’ die in netwerktermen in diverse onderzoeken geconstateerd worden betreffen de relaties tussen bedrijven en kennisorganisaties. In het bijzonder blijkt het te gaan om de relaties tussen bedrijfsleven en de niet-commerciële kennisinstituten. Bedrijven onderling weten elkaar in het algemeen wel te vinden, en er is in zakelijke termen sprake van dezelfde culturen. Dit laatste lijkt in relatie tot de nietcommerciële kennisinstituten nog wel eens een struikelblok te zijn. De stadsregio heeft met de EUR, Hogeschool In Holland , Hogeschool Rotterdam en de TUD in de nabijheid een vrij breed pallet aan kennisinstituten. In relatie tot het HIC kan zeker de TUD een toegevoegde waarde zijn. Belangrijkste maatregel in het kader van het stimuleren van stuwende activiteiten waar een duidelijke overheidsrol is weggelegd is dan ook het structureel verstevigen van de relatie tussen stuwende activiteiten en de kennisleveranciers. Concreet kan dan gedacht worden aan technocenters c.q. kenniscentra, bijvoorbeeld in Schieveen, die vanuit de onderscheiden partners en met hulp van de overheid kunnen worden opgezet. De initiatieven die momenteel door de gemeente Rotterdam op dit gebied worden ondernomen sluiten hier perfect op aan.

19

PRC (2001), o.c.

48

Naar een verleidelijke regio

6.2.2

Aantrekkelijker bedrijfsomgeving

Uit de benchmark van het regionaal investeringsklimaat alsmede de aanvullend verzamelde informatie zijn ten aanzien van de directe bedrijfsomgeving de volgende majeure knelpunten af te leiden: I: lage opleidingsniveau beroepsbevolking; II: slechte interne en externe bereikbaarheid van de regio, met name over de weg; III: tekort aan bedrijfsterrein Dit leidt tot de volgende maatregelen: Ad I: verhogen opleidingsniveau beroepsbevolking Het opleidingsniveau kan de beroepsbevolking wordt enerzijds als te laag (in vergelijking met andere regio’s, maar ook in vergelijking tot de vraag vanuit de markt) beoordeeld, anderzijds als (qua vaardigheden die geleerd worden) onvoldoende aansluitend op de eisen. Zeker in de meer technische opleidingen is een schrijnend tekort aan leerlingen. Ook vanuit economische optiek is het derhalve essentieel dat via het regulier onderwijs er voldoende stimulansen en voorwaarden worden gecreëerd om leerlingen naar hogere opleidingen te laten doorstromen. Het is daarom aan te bevelen de banden tussen onderwijsinstellingen en werkgevers te versterken. Heel concreet bijvoorbeeld door regelmatig succesvolle oud-leerlingen op scholen voorlichting etc. te laten geven. Hierin dient gezamenlijk door de onderwijssector, het georganiseerd bedrijfsleven en de overheid (regionaal, lokaal) opgetrokken te worden. De stadsregio kan hierbij als initiator optreden. Een tweede lijn loopt via het beroepsonderwijs. In de markt, zo blijkt onder andere ook uit de interviews, wordt met een zekere nostalgie teruggedacht aan de tijd van de bedrijfsscholen. De in die tijd veel directere betrokkenheid van bedrijven bij opleidingen wordt nu gemist. Het verdient in dit verband aanbeveling om meer praktijkkrachten in te schakelen in het onderwijstraject bij (technische) beroepsopleidingen, en hier indien nodig middelen voor ter beschikking te stellen. Dit is geen nieuwe idee, maar wel een idee dat qua uitvoering echt opgepakt dient te worden. Ook hier kan de stadsregio (het is immers een regionaal belang) als initiator optreden. Ad II: verbeteren interne en externe bereikbaarheid, met name over de weg De belangrijkste knelpunten op de rijkswegen en het onderliggende wegennet dienen spoedig weggenomen te worden. Afhankelijk van het concrete knelpunt kan het gaan om nieuwe infrastructuur, om capaciteitsuitbreiding van de bestaande en om het toepassen van technologische maatregelen. Voorbeelden van projecten die reeds lang op de plank liggen maar nog immer op uitvoering wachten zijn de A13/A16, de A4 Midden Delfland en –Zuid, het opheffen van de knelpunten op de A15 alsmede regionale verbindingen richting kust en eilanden. Naast de bereikbaarheid over de weg vereist een internationaal georiënteerde regio ook goede bereikbaarheid door de lucht. De signalen wijzen op een toenemende populariteit, met name bij de zakenreiziger, van regionale luchthavens nu de ‘hubs’ steeds meer congestieverschijnselen vertonen. Met de ingebruikname van moderne jets zijn ook

Naar een verleidelijke regio

49

verder gelegen bestemmingen in en buiten Europa beter en comfortabeler te bereiken. In deze zin verdient Rotterdam Airport de nodige ruimte, ook in bestuurlijke zin. Ad III: voldoende bedrijfsterreinen Het ruimtetekort binnen de Stadsregio is nijpend, zodat er op een zo kort mogelijke termijn oplossingen gevonden dienen te worden. De meest voor de hand liggende oplossing is in dit geval ook de beste: het zo snel mogelijk daadwerkelijk realiseren van de bestaande harde plannen. Rekening houdend met de beperkte uitgeefbaarheid van enkele bestaande terreinen zal op zeer korte termijn circa 140 hectare op de markt moeten komen om de strategische voorraad daadwerkelijk op een voldoende peil te brengen. Dit is evenwel nog niet voldoende om de gehele behoefte van 270 tot 530 ha. (afhankelijk van de economische groei) tot 2010 te dekken. Daarna dient additioneel voor nog eens 90 tot 340 ha. ontwikkeld te worden. Dus, ook bij een snelle(re) ontwikkeling van de geplande terreinen, zal voorlopig een situatie van schaarste blijven bestaan. Aanvullende, alternatieve oplossingen zijn noodzakelijk om de schadelijke gevolgen van een dergelijke situatie zo veel mogelijk te beperken. Een aantal aanvullende oplossingsmaatregelen kan richting geven aan een voor de regio Rotterdam geschikt beleid om effectief met de schaarse ruimte om te gaan: 1. Selectief uitgifte-/schaarstebeleid; 2. Herstructurering; 3. Stofkamlocaties (‘inbreiden’); 4. Regionaal samenwerken; 5. Intensief ruimtegebruik; 6. Park-/terreinmanagement. Een voorbeeld van een creatieve oplossing met behulp van meervoudig ruimtegebruik is de inpoldering van een deel van de Waalhaven in Charlois, waarmee 100 hectare bouwgrond vrijkomt. In relatie tot de bedrijfsterreinen, nieuw én bestaand, dient ook de nodige aandacht aan het veiligheidsaspect geschonken te worden. Dit heeft niet alleen betrekking op bewaking, maar ook op aspecten als verlichting en verkeer. Het beleid inzake de glastuinbouw dient erop gericht te zijn om activiteiten met een lage toegevoegde waarde niet vast te houden en zich primair te richten op het behouden en accommoderen van de activiteiten met een hoge toegevoegde waarde en sterke internationale mogelijkheden. Dit geldt voor zowel de B-driehoek als Voorne-Putten. De B-driehoek heeft in vergelijking met andere deelgebieden binnen de Stadsregio een hoge exportquote.20 Binnen de regio biedt de Zuidplaspolder hiertoe mogelijkheden, maar is er een sterke strijd om de ruimte met andere functies, zoals bedrijventerrein. De sector zelf heeft een voorkeur voor de Hoeksche Waard. Deze laatste optie verdient vanuit de regio gezien de voorkeur, juist vanwege het verminderen van deze strijd. Wellicht ten overvloede willen we benadrukken dat het bij deze maatregelen niet om een keuze tussen maatregelen gaat. Alle maatregelen zijn essentieel. Alleen bijvoorbeeld het
20

Zie hiervoor de onderbouwende rapportages voor ‘Naar een nieuw economisch klimaat’, OBR, 1996.

50

Naar een verleidelijke regio

verbeteren van bereikbaarheid zonder zorg voor voldoende ruimte en een goed opgeleide beroepsbevolking zal het doel niet dichterbij brengen.

6.3 Maatregelen voor toename inkomen
In schema 5.1 is “Toename inkomen” in prioriteiten vertaald. Op het regionaal niveau zijn hieraan (weergegeven in schema 6.2) de volgende belangrijkste maatregelen te koppelen: Schema 6.2 Maatregelen voor toename inkomen
Toename Inkomen

Aantrekkelijker verblijfsomgeving

Aantrekkelijker woonomgeving

Meer levendigheid centrum

Meer onderscheidende kwaliteit kust en eilanden

Beter woningaanbod

Betere woonvoorzieningen, m.n. winkels

Ad c: Aantrekkelijker verblijfsomgeving De omvang van de vrije tijdseconomie (in termen van werkgelegenheid) ligt in Rotterdam c.q. de Stadsregio met ongeveer 5% iets boven het nationaal gemiddelde, maar onder het gemiddelde van de G4. 21 Ongeveer tweederde van de werkgelegenheid is in Rotterdam te vinden, eenderde aan de rest van de regio. De ontwikkeling van het zakelijk toerisme, uiteraard direct gekoppeld aan de internationale bedrijven, is daarin belangrijk. Voor het niet-zakelijk toerisme zijn de belangrijkste trekkers de attracties (vooral Blijdorp) en evenementen (Filmfestival, Marathon) in Rotterdam enerzijds en de kust en eilanden anderzijds. Waar de stad en regio evenwel onvoldoende in slagen is het ‘verleiden van de consument’ om het verblijf in het gebied te verlengen. Daarvoor zijn in de stad niet de attracties en evenementen bepalend, maar juist de ‘basisinfrastructuur’: de verblijfsomgeving. Met betrekking tot het laatste heeft de stad als verblijfscentrum onvoldoende aantrekkelijkheid en wordt bovendien als onveilig ervaren. De kust en de eilanden zijn niet onderscheidend van vergelijkbare gebieden in Nederland, daar ontbreken juist specifieke trekkers. Naast de assets die de regio inmiddels heeft opgebouwd zijn er dus 2 maatregelen noodzakelijk om meer mensen van buiten de regio voor (kort) verblijf aan te trekken c.q. het verblijf (en de bestedingen!) te verlengen. Het gaat dan om:
21

ECORYS – NEI (2003), Monitor toerisme G4.

Naar een verleidelijke regio

51

• •

Meer levendigheid (en dus een groter gevoel van veiligheid) in het stadscentrum na 18.00uur; Meer onderscheidende kwaliteit van kust en eilanden/cultuurlandschappen.

Meer levendigheid in het stadscentrum Het is algemeen bekend dat het centrum van Rotterdam na het sluiten van winkels en kantoren een verlaten indruk maakt, zeker in vergelijking met andere steden in binnen- en buitenland van vergelijkbare omvang. De opgave is dus om ’s avonds meer mensen ‘op straat’ te hebben. Dit vergroot de levendigheid en het gevoel van veiligheid. Heel concreet kan dit door meer woningen in het centrum te realiseren, maar dan vooral voor bevolkingsgroepen die ‘outgoing’ zijn: jongeren, studenten, kunstenaars, tweeverdieners zonder kinderen. Het gaat dus niet om de dure koopappartementen, maar veeleer om huurwoningen/studio’s/ateliers in de lagere prijsklasse. De Lijnbaan en de Hoogstraat en omgeving bieden hiervoor in fysieke zin ook voldoende mogelijkheden voor toevoeging. Aanvullend hierop zou ook de avondverkoop, wellicht ook in kleine kiosken e.d., gestimuleerd moeten worden. In principe is dit een verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam. Het economisch effect kan evenwel voor de gehele regio gelden. Meer onderscheidende kwaliteit van kust en eilanden De kust en de eilanden vervullen momenteel vooral een regionale functie, en hebben minder bovenregionale aantrekkingskracht. De upgrading van Hoek van Holland, een reeds lang bestaand voornemen dat evenwel nog immer niet tot uitvoering is gekomen, en ook het benutten van de specifieke landschappelijke kwaliteiten van de eilanden zijn daarvoor noodzakelijk. Het verdient aanbeveling om gebruik te maken van de creativiteit en marktgerichtheid van ondernemers in de vrije tijdssector om te zoeken naar nieuwe attracties voor een breed publiek. Ad d: aantrekkelijker woonomgeving ‘Rijnmond’ heeft zeker buiten het gebied geen goed imago als plek om te wonen. Ook binnen het gebied wordt inmiddels breed erkend dat het gebied voor met name de hogere inkomensgroepen een achterstand heeft in te lopen. In de diverse plannen en nota’s wordt hier ook al uitvoerig aandacht aan besteed. In dit verband zijn er twee elementen van belang: • Voldoende aanbod van woningen in relatie tot de vraag van hogere inkomens • Voldoende kwaliteit woonvoorzieningen Voldoende aanbod van woningen in relatie tot de vraag van hogere inkomens Als de Woonvisie van de Stadsregio Rotterdam (2003) waarmaakt wat het aan visie neerzet, dan wordt het woonklimaat in de toekomst aanzienlijk verbeterd. Er worden maatregelen voorzien voor vernieuwingslocaties, compacte hoogstedelijke woonmilieus, landschappelijk wonen met behoud van cultuurhistorische waarde en het startersmilieu. Dit alles is nodig om zowel vanuit nationaal als internationaal oogpunt voor de Stadsregio de economische vitaliteit te versterken, het imago te verbeteren, de leefbaarheid te vergroten en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Het rapport dat de richting aanwijst

52

Naar een verleidelijke regio

voor het nieuwe economische klimaat met als titel ‘quality of life als strategisch beleidsthema’ past in deze strategie.22 De bewuste keuze in dit rapport voor de doelgroep hoogopgeleiden is terecht. Zij zijn de dragers van kennis en daardoor belangrijk voor de versterking van de regionale kennisinfrastructuur, maar ze zorgen ook voor meer regionale bestedingen, hetgeen leidt tot meer en betere voorzieningen en daarmee ook weer tot een betere kwaliteit van de stad. Wel verdient het aanbeveling om de opgave nader te kwantificeren naar doelgroep en marktsegment. Als complement dient de natuurlijke omgeving (‘echt groen’, maar ook recreatiegebieden), in het besef dat de regio natuurlijk een uitermate dichtbevolkt gebied is, de nodige aandacht te krijgen. Dit betekent tenminste zeer zorgvuldige inpassing van nieuwe bebouwing, zowel voor wonen als voor werken, zonder dat hierdoor de regio zichzelf uit de markt prijst. Voldoende kwaliteit woonvoorzieningen De kwaliteit van de woonvoorzieningen scoort in de benchmark laag. Nadere analyse wijst uit dat dit met name het winkelbestand in relatie tot hogere inkomens betreft. Er zijn onvoldoende kwaliteitswinkels. De regio heeft met Alexandrium wel het drukste winkelcentrum van Nederland, maar daar waar de regio wel als enige in Nederland een driesterren restaurant binnen de grenzen heeft, ontbreekt het aan winkels op ‘Parkheuvel’ niveau. Aangezien winkels vraagvolgend zijn dient tevens het woonaanbod op peil gebracht te worden. Wel moet al serieus bezien worden op welke wijze en waar er een meer hoogwaardig winkelbestand gerealiseerd kan worden. Regionale afstemming is daarbij noodzakelijk. Het is vervolgens aan de markt om daar op in te springen.

6.4 Synthese
Alles tezamen brengend resulteert, de programmatische aanpak volgend, het stramien zoals neergezet in figuur 6.1.

22

Quality of life als strategisch beleidsthema, OBR, Rotterdam 2002

Naar een verleidelijke regio

53

Schema 6.3 Synthese

Naar projecten De maatregelen zoals hier aangegeven dienen vervolgens vertaald te worden in concrete projecten. Bij wijze van voorbeeld zijn in de voorgaande hoofdstukken reeds projecten genoemd, onder andere met betrekking tot infrastructuur, bedrijfslocaties en kenniscenters. Veel van deze projecten zijn reeds in planvorming opgenomen in diverse sectornota’s en/of gemeentelijke nota’s. Met name de maatregelen inzake de verblijfsomgeving verdienen evenwel nadere vertaling in concrete projecten. Financieel: niet alle maatregelen kostbaar Niet alle maatregelen zijn kostbaar voor de overheid. Deels (bijvoorbeeld met betrekking tot wonen, detailhandel en de organisatie van kennisontwikkeling) zal het grotendeels via de markt lopen dan wel betreft het op een efficiëntere wijze inzetten van bestaande middelen. Met name bij de infrastructurele maatregelen gaat het natuurlijk wel om aanzienlijke bedragen. Alhoewel PPS-constructies in dit verband weinig populair meer zijn, verdient deze aanpak toch nog immer serieus genomen te worden. Proces: monitoring Het neerzetten van een geoperationaliseerde ambitie is een goede zaak, maar tegelijkertijd vrij nutteloos indien de mate van doelbereiking niet gemonitord wordt. Het is inmiddels bij de gemeente Rotterdam goed gebruik om dit wel te doen. Dit moet voor de Stadsregio eveneens gelden. Het is daarom raadzaam de voortgang van de doelbereiking regelmatig (tenminste twee-jaarlijks) te monitoren. Dit is op zich een vrij eenvoudige zaak. Ook de voortgang van de maatregelen kan gemonitord worden. Daartoe dienen evenwel eerst ook de maatregelen nader geoperationaliseerd te worden en van een ‘nul-meting’ voorzien te worden. Dit valt buiten het bestek van deze visie.

6.5 Een verleidelijke regio
De stadsregio, en dan met name Rotterdam en Schiedam, heeft het economisch gezien niet makkelijk. Op een aantal belangrijke indicatoren wordt een lage score geboekt. Desalniettemin liggen er ons inziens voldoende mogelijkheden om de economische positie van stad en regio te verbeteren. Voorwaarde daarvoor is wel dat er goed naar de behoeften van de markt (de bedrijven en de consumenten) gekeken moet worden. Dit vereist, zeker op het ruimtelijk vlak, een omslag van aanbodgericht beleid naar vraaggericht beleid. De bedrijven én de consumenten moeten ‘verleid’ worden om in deze regio te ondernemen, te investeren en te consumeren. De regio is geen eiland: als het elders beter toeven is, zullen zeker degenen die zich dat kunnen veroorloven dat ook doen. De stadsregio moet dus de kunst van het verleiden gaan beheersen. En dat kan!

54

Naar een verleidelijke regio

Naar een verleidelijke regio

55

Bijlage 1 Overzicht recente nota’s

In het (recente) verleden zijn diverse rapporten en visies geschreven voor de Stadsregio. Ten behoeve van deze visie is daar ook uit geput. Om inzicht te geven in de inhoud van bestaande nota’s en de daarin opgenomen maatregelen volgt hieronder een kort overzicht. Kwaliteit werkt door, Economische Visie Rotterdam 2002-2006 Rotterdam is een stad in transitie: van traditionele industrie- en havenstad naar een stad met een sterke kennis- en diensteneconomie. Een versterkte en verbrede kenniseconomie, een hoogwaardig woon- en leefmilieu en vraaggerichte steun aan kansrijke clusters dragen bij aan de motto’s: binden van kennis en bieden van kwaliteit. Herstructureringsopgave Stadsregio Rotterdam De herstructureringsopgave voor de Stadsregio betreft 1142 hectare.23 Eenderde daarvan dient intensief geherstructureerd te worden, tweederde dient een upgrading te krijgen. Voor duurzaamheid en toekomst van bedrijventerreinen is parkmanagement hét instrument. Herstructurering komt niet zozeer tegemoet aan extra ruimte, maar wel aan de minstens zo belangrijke kwaliteitsimpuls die vele bedrijventerreinen nodig hebben. Daarnaast wordt een aanzienlijke stijging van directe (11.200) en indirecte (6.000) werkgelegenheid voorzien. Project Herstructurering Rechtermaasoever Samenwerking bij de herstructurering van 600 hectare haventerreinen langs de rechteroever van de Maas is noodzakelijk. De combinatie van wonen en werken moet in overleg met verschillende partijen gerealiseerd worden en het project de benodigde kwaliteitsimpuls geven. Met name de gemeente Vlaardingen kan profiteren van de upgrading van de Rechtermaasoever door de experimenteerwet Stad & Milieu uit te buiten. Havenplan GHR 2003

Het doel van het Havenplan is tweeledig. Een versterking van de internationale concurrentiepositie (voorwaarden dienen in de regio gecreëerd te worden) en een versterking van de economische binding van de haven en de stad. De voorwaarden die daarvoor in de regio gecreëerd dienen te worden zijn eveneens tweeledig. Enerzijds moet ruimte en bereikbaarheid hoge prioriteit krijgen en anderzijds moet worden ingezet op kennis en onderwijs (EUR en TU) om een adequaat arbeidspotentieel voor de toekomst te genereren.

23

Herstructureringsopgave Stadsregio Rotterdam, Etin adviseurs, Tilburg 2002

56

Naar een verleidelijke regio

Gebiedsgerichte verkenning Voorne-Putten en Rozenburg In deze verkenning wordt Voorne-Putten en Rozenburg ingedeeld in drie zones. In de noordelijke zone dient de verstedelijking (woningbouw en bedrijventerreinen) van het eigen gebied en in beperkte mate van de stadsregio opgevangen te worden. De middelste zone biedt beperkt ruimte voor de bouw van landelijke woningen en toeristischrecreatieve routes. Het zuidelijk gebied is bestemd voor grootschalige landbouw. De toekomstvisie voor dit gebied wordt samengevat met: hoogwaardige overgangszone tussen de ‘grote stad’ en de agrarische delta. Regiovisie 5 e Nota Ruimtelijke Ordening Deze beleidsvisie geeft de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de Stadsregio Rotterdam voor de periode 2010-2030 aan. Toekomstige kwalitatieve en kwantitatieve opgaven voor de ruimtelijke ontwikkeling van de regio worden benoemd. Belangrijkste prioriteit: verder ontwikkelen van het bestaande stedelijke gebied d.m.v. • het verhogen van de ruimtelijke samenhang en kwaliteit • herstructurering van verouderde woon- en werkgebieden • transformatie en intensivering van locaties voor wonen, werken en voorzieningen • ontwikkeling van knooppunten Daarnaast zijn van belang de ontwikkeling van buitenstedelijke woon- en werkmilieus, verhoging van de kwaliteit en uitstraling van de groenblauwe structuur en de verbetering van de bereikbaarheid en kwaliteitsverhoging van het infrastructuurnetwerk.
Ruimtevraag 2010-2030 Aandeel binnenstedelijk Aandeel buitenstedelijk (binnen Stadsregio) Aandeel buitenstedelijk (buiten Stadsregio) Gewenste voorraaduitbreiding Woningen Circa 20.000 Circa 20.000 Circa 20.000 Ruim 60.000 Bedrijfsterreinen Circa 200 ha. Circa 400 ha. Circa 400 ha. Ruim 1000 ha.

Woonvisie Stadsregio Rotterdam In de Woonvisie beoogt een visie te geven op de woningmarkt van de Stadsregio uitgewerkt in regioprojecten waarmee nieuwe woningen worden gerealiseerd en bestaande woningen worden aangepast. De Woonvisie beslaat de periode tot 2010.
Regioprojecten Pakhuizen en uitzicht Woningproductie 9.000 (nieuwbouw) Omschrijving Sluit aan bij RechterMaasOever project, zoekt naar oplossingen voor stedelijke ontwikkeling in relatie tot milieu-eisen Wonen in historische centra 2.000 (nieuwbouw) Ondersteuning van gemeenten bij het versterken van hun historische identiteit. Starters Nieuwe Noorden 2.000 (starters) 2.000 (nieuwbouw) Woonmilieu starters in kaart brengen en verbeteren Onderlinge afstemming Rotterdam, Schiedam en Stadsregio over ontwikkelingsrichting nodig Knooppunten 1.000 (nieuwbouw) Woonfunctie benutten bij knooppunten, in 1e instantie R’dam CS en Schiedam Schieveste Landelijk wonen 1.000 (nieuwbouw) Landschappelijk woonklimaat in kaart brengen en benutten

Naar een verleidelijke regio

57

Bijlage 2 Lijst van geïnterviewde personen

Naam - De heer H. Beekman - De heer C. Asselbergs - De heer D. Dekker - De heer H. Boere - De heer H. Roijers - De heer J. van den Handel - De heer K. van der Helm - De heer P. Visser - De heer R. Scheeres - De heer S. Fleischeuer - De heer N. van Buuren - De heer T. Willemsen - Mevrouw I. de Vries - De heer R. Wondolleck

Organisatie Gemeente Rotterdam Deltalinqs Provincie Zuid-Holland Kamer van Koophandel Gemeente Vlaardingen Gemeente Hellevoetsluis VNO-NCW Oostland Gemeente Barendrecht Gemeente Schiedam OBR VNO-NCW West GHR GHR Rotterdam Airport

58

Naar een verleidelijke regio