GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

1

Samenvatting: de inzet in het economische domein

Het economische deel van het beleidskader GSB III mikt vooral op grootschalige economische projecten gericht op het verhogen van de arbeidsproductiviteit en het versterken van de economische structuur. Dit sluit goed aan bij de conclusie van de SWOT dat vooral de economische groei in de achter ons liggende periode direct heeft gezorgd voor de vermindering van werkloosheid en inkomensachterstanden bij de Amsterdamse bevolking. Het Rijk heeft de volgende outputdoelstellingen geformuleerd: - herstructurering van/ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, - versterking van de ICT-infrastructuur door het aanleggen van breedbandverbindingen, - verbetering van dienstverlening aan ondernemers, - verbeteren van de veiligheid voor ondernemers. Zoals in de volgende paragrafen wordt uiteengezet heeft Amsterdam op al deze doelstellingen ambities geformuleerd, behalve wat betreft de aanleg van breedbandverbindingen. Daarnaast heeft Amsterdam ervoor gekozen enkele ‘open doelstellingen’ toe te voegen, namelijk : - versterking van de sector Toerisme en Congreswezen - starters & kleinschalige bedrijfsruimte - betere benutting van de kennisinfrastructuur. Achtergronden Diversiteit is een belangrijk pluspunt van de Amsterdamse economische structuur. Het beleid gericht op versterking van de economische structuur mikt dus ook op het in stand houden van de diversiteit. In dit verband zijn de herstructurering van bedrijfsterreinen en het tijdig ontwikkelen van nieuwe bedrijfsterreinen vaste onderdelen van de ruimtelijk investeringsprogramma’s. Het project Zuidas versterkt, in samenhang met Schiphol en de HSL, de diverse economische structuur (ook op nationaal niveau) wat betreft de internationaal gerichte, kennisintensieve zakelijke dienstverlening. Concreet programmapunt voor de komende periode is de impuls, in het kader van de Amsterdamse Innovatiemotor (AIM), aan de clusters ICT, Life Sciences (biotechnologie en medische technologie) en duurzaamheid (duurzame energie en mobiliteit). Het accent ligt daarbij op versterking van het organiserend vermogen van het cluster en van de wisselwerking tussen kennisinfrastructuur en bedrijfsleven. Open doelstellingen Amsterdam heeft besloten drie ‘open doelstellingen’ toe te voegen aan de outputdoelstellingen voor het economische domein. Amsterdam beschikt over een jonge beroepsbevolking en veel startende ondernemers. Dat is een belangrijke kans voor de stad, maar door het grote tekort aan kleinschalige bedrijfsruimten wordt die kans nog niet optimaal benut. Het gebrek aan passende ruimte belemmert de doorgroei van (startende) bedrijven, en leidt volgens het Bedrijfsmigratieonderzoek tot verlies aan werkgelegenheid voor de stad. Kleinschalige bedrijvigheid in wijken is overigens ook erg belangrijk voor de leefbaarheid van die wijken. De Toeristische sector in Amsterdam staat onder druk. Concurrentie dreigt uit landen die net zijn toegetreden tot de EU (Praag, Boedapest), maar ook uit Zuideuropese landen (vooral Barcelona). Het behoud van Amsterdam als belangrijke trekker van internationale toeristen en zakelijke bezoekers (congresstad) staat ook bij de nationale overheid hoog op de agenda. Amsterdam herbergt een aantal belangrijke kennisinstituten. Deze hebben echter moeite talentvolle studenten en medewerkers aan te trekken, dan wel te behouden. Een van de oorzaken is het gebrek aan betaalbare en geschikte woonruimte in de stad. Dit geldt ook voor middeninkomens, die veelal noodgedwongen de stad verlaten waardoor spanning op de Amsterdamse arbeidsmarkt ontstaat. Het bouwen van passende woonruimte is dus ook vanuit het economische domein van groot belang: voor het aantrekken van kennisintensieve bedrijvigheid is een goed woon- en leefklimaat een essentiële voorwaarde. Ook een tekort aan technisch geschoold personeel belemmert de economische ontwikkeling. Op dit terrein wordt al een brug geslagen tussen de sociale pijler (voorkomen van tweedeling) en de

6

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

economische pijler door projecten die tot doel hebben niet-westerse allochtone jongeren te stimuleren technische opleidingen en beroepen te kiezen. 1.1 Economie: de aansluiting op het lopende GSB programma

Amsterdam wil tijdens GSB III voortbouwen op hetgeen is bereikt in GSB II. Daarbij worden hier en daar andere accenten gelegd. Amsterdam heeft in de periode van het GSB II reeds een grote slag gemaakt wat betreft de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen. De Minervahaven is vooralsnog het enige nieuwe majeure herstructureringsproject dat opgepakt zal worden in GSB III. Daarnaast wordt het vestigingsklimaat voor bedrijven in GSB III verbeterd door een kwaliteitsslag teweeg te brengen op de bestaande bedrijventerreinen, bijvoorbeeld door het invoeren van parkmanagement. Zo verschuift de aandacht wat betreft bedrijventerreinen van fysieke herstructurering (GSB II) naar verbetering van de kwaliteit van de terreinen. Dienstverlening aan ondernemers staat inmiddels hoog op de politieke agenda van Amsterdam, gecombineerd met extra aandacht voor vermindering van administratieve lasten voor ondernemers. Dit onderwerp krijgt ook in GSB III de nodige aandacht. Amsterdam heeft een relatief complexe bestuurlijke structuur, voor ondernemers is het soms moeilijk de weg te vinden in de gemeentelijke organisatie. In de benchmark GSB scoorde A’dam wat betreft de dienstverlening aan ondernemers een 6.5, onder het landelijke gemiddelde. In de periode GSB II is gestart met de ontwikkeling van een virtueel ondernemersloket. Amsterdam heeft de ambitie dit virtuele loket tijdens GSB III ‘uit te rollen’ over de hele stad en aan te sluiten bij het Nationale bedrijvenloket. Meer in het algemeen zal worden getracht om de kwaliteit van de overheidsdienstverlening met behulp van ICT te verbeteren. Een belangrijke verschuiving in het nieuwe GSB-beleidskader is, dat wijkeconomie minder aandacht krijgt. De “werk aan de winkelprojecten” waar in de GSB II periode middelen naartoe gingen zullen de komende periode dan ook minder aandacht mogen verwachten. Gelukkig heeft Amsterdam al een belangrijke slag gemaakt: 14 projecten zijn de afgelopen periode in dit kader gerealiseerd. In GSB III verschuift de aandacht naar kwaliteitsverbetering van winkelcentra door het verhogen van de organisatiegraad van ondernemers en daaraan gekoppeld bijvoorbeeld straatmanagement in winkelgebieden. Ook zal veel meer dan tijdens GSB II worden geïnvesteerd in veiligheidsprojecten op winkelgebieden en bedrijventerreinen. Veiligheid is overigens een onderwerp dat in het kader van het algehele economische vestigingsklimaat van groot belang is voor het aantrekken en behoud van (internationale) bedrijven. De aandacht voor de toeristische en congressector blijft onverminderd groot met een nieuwe focus op het verbeteren van de positie van Amsterdam als congresstad. Op het gebied van het startersbeleid kan nu geoogst worden na een lange aanloop om het thema ‘behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimte’ in Amsterdam op de politieke agenda te krijgen. Wat betreft het thema kennisinfrastructuur worden enerzijds nieuwe wegen ingeslagen en wordt anderzijds voortgebouwd op hetgeen in de GSB II periode in gang is gezet. Zo blijft er extra aandacht voor kennisintensieve starters, en voor versterking van het ICT cluster. De stimulering van ICT als enabling technology wordt voortgezet, mede om de concurrentie van andere Europese steden het hoofd te bieden. De activiteiten van Cyburg en het (vervolg)project Ebiz zijn daarvan uitingen. Nieuw zijn de activiteiten om ook de positie van de clusters Life Sciences en duurzaamheid in de regio te versterken.

7

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

1.2

Economie: de hoofdpunten van het programma
Outputindicatoren Rijk Outputindicatoren Amsterdam Bestaande bedrijventerreinen: • planvorming voor herstructurering Minervahaven: De huidige visie op de ontwikkeling van het bedrijventerrein rond de Minervahaven zal worden uitgewerkt in een herziening van het bestemmingsplan en in concrete deelprojecten. In de GSB III periode wordt een start gemaakt met de realisatie van vier deelgebieden, met een gezamenlijk oppervlak van 16 hectare. Onzeker, want afhankelijke van externe factoren is de aanpak van nog eens 10 ha. Sanering Petroleumhavengebied: 10 hectare • onderzoek naar de invoering van parkmanagement op alle Amsterdamse bedrijventerreinen * Verbetering van de infrastructuur op bestaande bedrijventerreinen in onder meer Noord en Amstel Business Park Nieuwe bedrijventerreinen: • planvorming voor 25 hectare bedrijventerrein in de Westas • vermindering aantal delicten in winkelgebieden en op bedrijventerreinen met 10% gemeten in aangiftecijfers

Outputdoelstellingen

• Aantal hectare geherstructureerde 1 Verminderen aantal verouderde bedrijventerreinen bedrijventerreinen en • Aantal hectare nieuw aangelegde bedrijventerreinen verbeteren aanbod van nieuwe bedrijventerreinen

2 Verminderen criminaliteit tegen bedrijven en ondernemers

• Aantal delicten • Onveiligheidsgevoel van het lokale bedrijfsleven • Aangiftebereidheid van ondernemers

3 Vergroten aantal breedbandaansluitingen

• Aantal publieke instellingen dat op breedband is aangesloten

• op deze outputindicator wordt geen ambitie geformuleerd

4 Verbeteren dienstverlening aan ondernemers

• Aansluiting bij nationaal elektronisch bedrijvenloket

• ontwikkelen van een gemeentelijk virtueel ondernemersloket dat aansluit bij het nationale bedrijvenloket • verbeteren van de tevredenheid van ondernemers over gemeentelijke dienstverlening. Een halve punt stijging van het GSB benchmark rapportcijfer • vermindering gemeentelijke administratieve lasten voor de ondernemer via een in te stellen gemeentelijk Meldpunt AL in 2005 a) Starters/kleinschalige bedrijfsruimte • de hoeveelheid ‘intake’ gesprekken van de ondernemershuizen. Ambitie is 1000 intakegesprekken per jaar • de hoeveelheid m2 kleine bedrijfsruimte die gebouwd en gerenoveerd is. Ambitie is 20.000 m2 per jaar te realiseren b) toerisme en congreswezen • 1% groei boven de gemiddelde groei van de concurrentie, zijnde de top 10 internationale congressteden. Er wordt gemeten volgens de ranglijst van UIA: internationale non-corporate congressen (doel terugkeer van plaats 11 in 2002 in de top 10) • 1% groei boven de gemiddelde groei van de concurrentie, zijnde de top 10 Europese stedenbestemmingen Meting op basis van de buitenlandse overnachtingen. Tourism statistiek.(doel

• Tevredenheid bedrijfsleven over lokale dienstverlening

• Verminderen lokale administratieve lasten 5 Open doelstelling:

8

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

behoud positie in de top 10 van Europese stedenbestemmingen)

c) Kennisinfrastructuur • het opzetten van regionale netwerken in de speerpuntsectoren Life Sciences en Duurzaamheid en het versterken van het regionale netwerk in de speerpuntsector ICT • het opzetten van een netwerk experts kennistransfer, dat de kennisuitwisseling tussen de experts op het gebied van de kennistransfer van de verschillende instellingen moet stimuleren • het organiseren van bijeenkomsten c.q. het creëren van regionale platforms waarop kennisinstellingen en bedrijven hun ervaringen op bepaalde technologiegebieden uitwisselen

1.3

Economie: toelichting op de ambities volgens prestatie-indicatoren

Outputdoelstelling 1:

Verminderen aantal verouderde bedrijventerreinen en verbeteren aanbod van nieuwe bedrijventerreinen. Voor een gezonde economie is het van belang dat er in Amsterdam en in de regio voldoende kwalitatief goede vestigingsmogelijkheden zijn voor bedrijven. Op langere termijn, tussen 2010 en 2020, zullen tekorten optreden in terreinen voor kadegebonden en havengebonden bedrijven. Het transformeren van bedrijventerreinen naar gemengde milieus met wonen en werken betekent per saldo een verlies aan bedrijventerrein. Voor het economisch functioneren van Amsterdam is het zaak dat de bedrijvigheid niet naar de rand van de stad wordt verbannen. Met name voor bedrijven die de stad verzorgen, zoals drukkers en aannemers, dienen temidden van de woonwijken vestigingsmogelijkheden te blijven. Dit betekent dat ook binnen de ring een aantal stadsbedrijventerreinen benodigd blijft. Gezien de ligging ten opzichte van de mainports Schiphol en zeehaven is het van belang om bij knooppunten van snelwegen, vooral waar een snelweg samenkomt met de ring A10, ruimte te reserveren voor logistieke terreinen. Outputdoelstelling 2: Verminderen criminaliteit tegen bedrijven en ondernemers. Deze doelstelling reikt verder dan alleen het economische domein. Ook de domeinen Sociaal en Veiligheid zijn hierbij betrokken. Een veilige samenleving is van cruciaal belang voor een goed functionerende economie. Onveiligheid en criminaliteit hebben een negatief effect op het ondernemingsklimaat en de economische groei. Bij de keuze van een vestigingslocatie laat een ondernemer zich onder meer leiden door de mate van (on)veiligheid die zich in de stad manifesteert. Veiligheid heeft zo een direct effect op de economische activiteit en de leefbaarheid in de wijken. Bedrijven lijden schade door criminaliteit. Dit betreft directe schade als gevolg van diefstal of vernieling, maar ook indirecte schade in de vorm van hogere kosten voor preventie, hogere verzekeringspremies en meer ziekteverzuim onder het personeel. Onveiligheid kan ook leiden tot problemen in de personeelsvoorziening en een afnemende ondernemingszin. Voor een goed functioneren van de Amsterdamse economie is het van belang dat de (gevoelens van) onveiligheid en criminaliteit worden teruggedrongen. Belangrijk daarbij is de samenwerking tussen gemeente en bedrijfsleven. Dit heeft in Amsterdam vorm in het Platform Criminaliteitsbeheersing Amsterdam (PCA). Een belangrijke rol in deze publiek-private samenwerking is weggelegd voor de veiligheidsmanager, die concrete projecten tot stand brengt gericht op een grotere veiligheid in het Amsterdamse bedrijfsleven.

9

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

Het plan van aanpak voor bedreigde winkelgebieden en bedrijventerreinen (opgesteld in het kader van het integrale Veiligheidsplan Amsterdam) bevat een aantal doelstellingen betreffende de veiligheid van het Amsterdamse bedrijfsleven. Doel van de aanpak is het terugdringen van vormen van criminaliteit waar ondernemers slachtoffer van worden: (winkel) diefstal, inbraak, vernieling, overvallen. Daarnaast gaat het om het verhogen van de veiligheid van ondernemers, werknemers en klanten. Amsterdam streeft naar de realisatie van landelijke reductiecijfers voor het terugdringen van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. 1 Outputdoelstelling 3: Vergroten aantal breedbandaansluitingen Amsterdam formuleert op deze doelstelling binnen dit kader geen ambitie, met name omdat de outputindicator “aantal publieke instellingen dat op breedband is aangesloten” slechts een zeer beperkt deel van de Amsterdamse ambities op dit vlak bestrijkt. Amsterdam bereidt zich immers voor op de aansluiting van alle instellingen, bewoners en bedrijven in de stad op breedband, waarbij overigens ook digitale tweedeling wordt tegengegaan. Dit gebeurt door uitvoering te geven aan de aanbeveling van de Commissie Andriessen om alle panden van Amsterdamse bewoners, instellingen en bedrijven aan te sluiten op de glasvezelinfrastructuur (‘breedbandnetwerk’). Outputdoelstelling 4: Verbeteren dienstverlening aan ondernemers. Door de ontwikkeling van een virtueel gemeentelijk ondernemersloket (bereikbaar via Internet) wordt getracht de aanwezige gemeentelijke informatie en producten bij stadsdelen en gemeentelijke diensten beter te ontsluiten. Het Ondernemersloket bevat onder meer een overzicht van het aanbod aan startersbegeleiding, informatie over vergunningen, subsidies en applicaties die behulpzaam zijn bij het zoeken naar kleinschalige bedrijfsruimten en locaties voor de ontwikkeling van bedrijfsruimten. De ambitie is dit loket tijdens GSB III zoveel mogelijk uit te rollen over de stad en aan te sluiten op het nationale bedrijvenloket om de dienstverlening nog verder te verbreden en te verbeteren. De ambitie is een halve procentpunt stijging van het GSB Benchmark rapportcijfer. Het loket draagt tevens bij tot het verminderen van administratieve lasten, bijvoorbeeld door de mogelijkheid voor ondernemers interactief gemeentelijke producten aan te vragen en af te handelen. Daarnaast zal Amsterdam een Meldpunt Strijdige regels instellen in 2005. Outputdoelstelling 5a: Startersbeleid en kleinschalige bedrijfsruimte Startende ondernemers zijn voor de stad Amsterdam belangrijk omdat ze (a) additionele werkgelegenheid creëren, (b) innovaties stimuleren en ervoor zorgen dat deze sneller worden opgepakt en (c) zorgen voor vers bloed in de samenstelling van het Amsterdamse bedrijfsleven. In tijden dat het minder gaat met de economie neemt het aantal starters toe. Juist in deze tijden is ondersteuning van starters essentieel. In Amsterdam zijn de ondernemershuizen in de stad een laagdrempelige voorziening voor die starters die een extra steuntje in de rug nodig hebben. Amsterdam heeft de ambitie om 1.000 intakegesprekken per jaar te voeren. Kleinschalige ondernemingen (tot 10 werkzame personen) leveren een belangrijke bijdrage aan de Amsterdamse economie. In ruim 53.700 vestigingen werken meer dan 100.000 mensen. Het kleinbedrijf is daarmee goed voor ruim 25 procent van de Amsterdamse werkgelegenheid. De kleinschalige ondernemingen (bedrijfsunits 50 – 150 m2, kantoorunits 25 – 100 m2) bevinden zich zowel in woonwijken als op bedrijventerreinen en zijn vanzelfsprekend grotendeels gevestigd in kleinere bedrijfsruimten. Uit onderzoek is gebleken dat Amsterdam behoefte heeft aan een toename van 60.000 m2 kleinschalige bedrijfsruimte per jaar. Het huidige tekort aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt een blijvend risico voor de economische structuur van de stad. Het is cruciaal voor de functie van Amsterdam als ‘broedplaats’ voor nieuwe bedrijvigheid, dat deze kleinschalige bedrijven voor de
1

Zie de nota ‘Naar een veiliger samenleving’ van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, en het convenant dat is gesloten tussen het Rijk en het PlatformDetailhandel.nl, een samenwerkingsverband van ondernemersorganisaties.

10

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

stad behouden blijven. Economische Zaken stelt zich tot doel om voor kleinschalige bedrijven zodanige randvoorwaarden te creëren, dat ze zich goed kunnen ontwikkelen. Een concreet doel vanuit de gemeente, en in nauwe samenwerking met de stadsdelen, is om per jaar tenminste 20.000 m² kleinschalige bedrijfsruimte in Amsterdam te realiseren. Outputdoelstelling 5b: Toerisme en congreswezen Voor de sector toerisme en congreswezen geldt dat kwaliteit belangrijker moet worden dan kwantiteit. Het verblijfstoerisme en specifieke marktsegmenten zijn daarom vanuit een economisch oogpunt belangrijker dan de dagjestoeristen en de ‘low budget travellers’. Spreiding van (de groei van) het toerisme over de stad door ontwikkeling van nieuwe toeristische gebieden, en het spreiden van hotels over de stad, zijn essentieel om de druk op de binnenstad te verlichten en het draagvlak onder de bewoners te behouden. Daarnaast is een spreiding van het toerisme over het jaar van belang. Stimulering van toeristische innovaties is noodzakelijk om de kwaliteit van het aanbod op een blijvend hoog peil te houden. Gezien de toenemende concurrentie van andere steden in Oost- en Zuid-Europa heeft Amsterdam de ambitie om 1% meer te groeien dan de gemiddelde groei van de concurrenten, zowel wat betreft toeristische steden, als wat betreft congressteden.In de congressector neemt Amsterdam een vooraanstaande plaats in. Behoud en uitbreiding van die positie vergt een voortdurende inspanning om de accommodaties ‘up to date’ te houden. Outputdoelstelling 5c: Kennisinfrastructuur Amsterdam kent een tweetal universiteiten, twee hogescholen en een aantal niet-academische onderzoeksinstellingen (zoals de NWO-instituten, het Nederlands Kanker Instituut, het Centraal Laboratorium Bloedbank en het Herseninstituut). Kenmerkend voor de kenniseconomie is onder meer dat wetenschappelijke kennis steeds sneller ontwikkeld wordt, maar ook in steeds hoger tempo wordt omgezet in innovaties. Het gaat daarbij niet alleen om technische vernieuwing, maar bij voorbeeld ook om nieuwe organisatiemethoden en nieuwe markten. Cruciale factoren bij de verdere economische ontwikkeling zijn de kwaliteit van arbeid en de - grotendeels door het vernieuwende vermogen bepaalde - productiviteit. Innovativiteit wordt in hoge mate bepaald door intensieve en frequente interacties binnen en tussen verschillende disciplines. Dit maakt steden tot potentiële broedplaatsen van vernieuwing. Amsterdam heeft wat dat betreft bijzondere kansen dankzij de grote variëteit aan soorten kennis. Essentieel voor de benutting van die potenties zijn ontmoetingsplaatsen en samenwerkingsrelaties zowel binnen de stad als nationaal en internationaal. Amsterdam neemt dan ook initiatieven om de uitwisseling van kennis te stimuleren, zowel tussen instellingen als tussen personen (bijvoorbeeld de experts op het gebied van kennistransfer). Amsterdam heeft zich het afgelopen decennium sterk geprofileerd als ICT-hoofdstad. De stad kan zijn potentie in deze sector nog verder verbreden en benutten. Belangrijke sterkten in dit verband zijn de aanwezigheid van het Internetknooppunt (AMSIX), de dichte ICT-bekabeling van de stad, de sterke positie van content-bedrijven (nieuwe media, ontwerpers), de sterke concentratie van ICTbedrijven in de stad en in het bijzonder van innovatieve starters op het Amsterdam Science Park (ASP). Naast verdere uitbouw van het speerpunt ICT, zal meer accent worden gelegd op de overige elementen van de kennisinfrastructuur zoals biotechnologie en medische technologie, en duurzame energie. Op dit vlak liggen kansen bij de kennisclusters UvA-NWO/Sciencepark, AMC, NKI, VU en CLB. Daarnaast liggen er kansen op het vlak van duurzame energie rond Shell Research. Toelichting bij de outputdoelstellingen ten aanzien van kennisinfrastructuur het opzetten van regionale netwerken in de speerpuntsectoren ICT, Life Sciences en Duurzaamheid. Toelichting: In verschillende studies wordt geconstateerd dat het

11

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

innovatiepotentieel onderbenut blijft omdat het bedrijfsleven niet voldoende samenwerkt met de kennisinstellingen en omdat grote bedrijven onvoldoende samenwerken met kleine bedrijven. Dat laatste is met name relevant in de ICT-sector, waar de grote technologiebedrijven nauwelijks contact hebben met veelal kleine content-bedrijven. het opzetten van een netwerk experts kennistransfer, dat de kennisuitwisseling tussen de experts op het gebied van de kennistransfer van de verschillende instellingen moet stimuleren. Toelichting: alle kennisinstellingen hebben experts op het gebied van kennistransfer, maar ontmoeting tussen deze experts en het delen van ervaringen en kennis vinden tot nu slechts op beperkte schaal plaats, terwijl daar wel behoefte aan is. Gestart wordt met enkele kleinschalige en doelgerichte bijeenkomsten over voor die experts relevante onderwerpen. het organiseren van bijeenkomsten c.q. het creëren van platforms waarop kennisinstellingen en bedrijven hun ervaringen op bepaalde technologiegebieden uitwisselen. Ook dit is ingegeven door constatering dat het innovatiepotentieel onderbenut blijft omdat het bedrijfsleven niet voldoende samenwerkt met de kennisinstellingen en omdat grote bedrijven onvoldoende samenwerken met kleine bedrijven. Door bijeenkomsten te organiseren waar voorbeelden van succesvolle samenwerking worden getoond, kunnen andere bedrijven en kennisinstellingen wellicht ook in beweging worden gebracht. Platforms zijn daarbij een meer structurele vorm van contact tussen de verschillende groepen.

12

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

2.

Deelprogramma Economisch domein 2005-2009

Het ministerie van Economische Zaken heeft voor het GSB III vijf outputdoelstellingen geformuleerd die hieronder door EZ Amsterdam en de stadsdelen zijn uitgewerkt. Eerst wordt de outputdoelstelling weergegeven. Vervolgens wordt de visie van EZ Amsterdam gegeven zoals die ook in het economische beleidsprogramma Hermez is geformuleerd. Daarna wordt aangegeven wat de outputindicatoren zijn die gebruikt zullen c.q. kunnen worden. Outputdoelstelling 1: Verminderen aantal verouderde bedrijventerreinen en verbeteren aanbod van nieuwe bedrijventerreinen. Visie Voor een gezonde economie is het van belang dat er in Amsterdam en in de regio voldoende kwalitatieve vestigingsmogelijkheden zijn voor bedrijven. Op langere termijn, tussen 2010 en 2020, zullen tekorten optreden in terreinen voor kadegebonden en havengebonden bedrijven. Het transformeren van bedrijventerreinen naar gemengde milieus met wonen en werken betekent per saldo een verlies aan bedrijventerrein. Voor het economisch functioneren van Amsterdam is het zaak dat de bedrijvigheid niet naar de rand van de stad wordt verbannen. Met name voor bedrijven die de stad verzorgen, zoals drukkers en aannemers, dienen temidden van de woonwijken vestigingsmogelijkheden te blijven. Dit betekent dat ook binnen de ring een aantal stadsbedrijventerreinen benodigd blijft. Gezien de ligging ten opzichte van de mainports Schiphol en zeehaven is het van belang om bij knooppunten van snelwegen, vooral waar een snelweg samenkomt met de ring A10, ruimte te reserveren voor logistieke terreinen. Acties Hermez - op de website van de Servicedesk Bedrijven Amsterdam wordt het aanbod aan bedrijventerreinen bijgehouden. Dit wordt opgewaardeerd naar een overzicht waarin het regionale aanbod wordt getoond - de terreinen meer segmenteren; moderne gemengde terreinen omzetten naar bedrijvenparken, logistieke terreinen of hoogwaardige terreinen - het (verder) in ontwikkeling brengen van (1) een medisch sciencepark nabij het AMC, (2) het Shell-terrein, (3) het UvA-NWO/Sciencepark, (4) het NKI en (5) de VU - het realiseren van logistieke terreinen in de nabijheid van de Lutkemeerpolder en de Noorder IJplas - het monitoren van vraag en aanbod naar bedrijventerreinen in Amsterdam en de regio - opstellen brochure ‘optimalisering bedrijventerreinen’ - stimuleren van initiatieven op het gebied van park- en vervoersmanagement - continuering van het bestaande beleid ten aanzien van de herstructurering van bedrijventerreinen - waken voor een evenwichtige ontwikkeling van bedrijvenlocaties - aanleg van een breedbandinfrastructuur Outputindicatoren Het aantal nieuw te ontwikkelen hectare bedrijventerreinen is in Amsterdam moeilijk te realiseren bij gebrek aan ruimte. In de Westas van Amsterdam is hiertoe ruimte gereserveerd. Gezien het ervaringsfeit dat het ongeveer 8 jaar duurt, vanaf de start van de planvorming van een bedrijventerrein, tot het moment dat het terrein uitgeefbaar is, zal in de GSB-periode alleen nieuw bedrijventerrein opgeleverd kunnen worden waarvan de planvorming al is gestart. In de Westas wordt gewerkt aan de derde fase van de Lutkemeerpolder en delen van Atlaspark. Het gaat hierbij om logistieke terreinen. Uitgangspunt voor nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen is dat deze rendabel moeten zijn, zodat hier – vanuit EZ – geen aanzienlijke bijdragen mee gepaard gaan.

13

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

Op het gebied van herstructurering van verouderde bedrijventerreinen heeft Amsterdam al veel succes geboekt. Herstructurering van verouderde bedrijventerreinen staat dan ook sinds midden jaren tachtig op de politieke agenda. Een belangrijke slag valt nog te maken in het havengebied, waar vooral intensivering aan de orde is. Een belangrijk project in dit kader is de Minervahaven, in het gebied Coen- en Vlothaven, dat zal transformeren van haventerrein naar stedelijk bedrijventerrein. Het gebied Minervahaven omvat 68 ha. Op een aantal terreinen zullen de herstructureringsinspanningen voortgezet worden. Te noemen vallen de Houthavens, het gebied Vredenhofweg, Landlust, Cruquiusweg, Buiksloterham en wat kleinere terreinen in Westerpark. Nu veel verouderde bedrijventerreinen er weer goed bij liggen is het van het grootste belang de situatie te consolideren. Dit betekent het versterken van de aandacht voor het onderhoud op de bedrijventerreinen, het wegwerken van nog aanwezige onderhoudsachterstanden en het introduceren van moderne vormen van beheer als parkmanagement, vervoermanagement en veiligheidsprojecten. Dit leidt tot de volgende outputindicatoren: bestaande bedrijventerreinen: - Planvorming voor herstructurering Minervahaven en gedeeltelijke uitvoering van het plan in de GSB III-periode. De huidige visie op de ontwikkeling rond de Minervahaven zal worden uitgewerkt in een herziening van het bestemmingsplan en in concrete deelprojecten. In de GSB III-periode wordt een start gemaakt met een aantal deelprojecten, Danzigerkade en Solvayterrein, met een gezamenlijk oppervlak van 16 hectare. Onzeker, want afhankelijk van externe factoren, is de aanpak van nog eens 10 hectare; - Sanering Petroleumhavengebied: 10 hectare; - Onderzoek naar de invoering van parkmanagement op alle Amsterdamse bedrijventerreinen; - Verbetering van de infrastructuur op bestaande bedrijventerreinen in onder meer Noord en in Amstel Business Park. nieuwe bedrijventerreinen - Planvorming voor 25 hectare bedrijventerrein in de Westas;

Outputdoelstelling 2: Verminderen criminaliteit tegen bedrijven en ondernemers. Visie Deze doelstelling reikt verder dan alleen de economische pijler, en raakt ook sterk aan de pijlers sociaal en veiligheid. Een veilige samenleving is van cruciaal belang voor een goed functionerende economie. Onveiligheid en criminaliteit hebben een negatief effect op het ondernemingsklimaat en de economische groei. Bij de keuze van een vestigingslocatie laat een ondernemer zich onder meer leiden door de mate van (on)veiligheid die zich in de stad manifesteert. Veiligheid heeft zo een direct effect op de economische activiteit en de leefbaarheid in de wijken. Bedrijven lijden schade door criminaliteit. Dit betreft zowel directe schade als gevolg van diefstal of vernieling, als indirecte schade in de vorm van hogere kosten voor preventie, verzekeringspremies en hoger ziekteverzuim onder het personeel. Onveiligheid kan ook leiden tot problemen in de personeelsvoorziening en een afnemende ondernemingszin. Voor een goed functioneren van de Amsterdamse economie is het van belang dat de (gevoelens van) onveiligheid en criminaliteit worden teruggedrongen. Belangrijk daarbij is de samenwerking tussen gemeente en bedrijfsleven. De verantwoordelijkheden voor het terugdringen van onveiligheid en criminaliteit moeten gedeeld worden. Economische Zaken speelt met name een rol waar het gaat om ondersteuning van het bedrijfsleven bij de preventie van criminaliteit. Repressie is de verantwoordelijkheid van de justitiële keten van politie en openbaar ministerie. Samenwerking tussen gemeente en bedrijfsleven gericht op bestrijding van criminaliteit krijgt in Amsterdam vorm door de oprichting van het Platform Criminaliteitsbeheersing Amsterdam (PCA). Een belangrijke rol in deze publiek-private samenwerking is weggelegd voor de

14

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

veiligheidsmanager, die concrete projecten tot stand brengt gericht op een grotere veiligheid in het Amsterdamse bedrijfsleven. In het plan van aanpak voor bedreigde winkelgebieden en bedrijventerreinen dat is opgesteld in het kader van het integrale Veiligheidsplan Amsterdam, is een aantal doelstellingen geformuleerd die de veiligheid van het Amsterdamse bedrijfsleven betreft. Doel van de aanpak is het terugdringen van vormen van criminaliteit waar ondernemers slachtoffer van worden: (winkel) diefstal, inbraak, vernieling, overvallen, en het verhogen van de veiligheid van ondernemers, werknemers en klanten. Concreet wordt gesteld dat in Amsterdam wordt gestreefd naar de realisatie van landelijke reductiecijfers voor het terugdringen van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. Deze landelijke reductiecijfers staan in de nota ‘Naar een veiliger samenleving’ van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, en ook in een convenant dat is gesloten tussen het rijk en het PlatformDetailhandel.nl, een platform van ondernemersorganisaties. Acties: - actieve rol in het Platform Criminaliteitsbeheersing Amsterdam (PCA); - aansturing en financiële ondersteuning van de veiligheidsmanager PCA; - stimuleren van de bewustwording van het (economisch) belang van veiligheid; - financiële ondersteuning middels bijdragen voor projecten, als Werk aan de Winkel en parkmanagement, waarin bevordering van de veiligheid is opgenomen (bij voorbeeld cameratoezicht, veiligheidssteward). Outputindicatoren Het is wenselijk om de overlast en criminaliteit op langere termijn te reduceren. Meting hiervan vindt plaats op basis van het aantal aangiften van de genoemde vormen van criminaliteit. Als ambitie kan dan ook worden gesteld dat op de lange termijn wordt gestreefd naar een afname van het aantal delicten, aan de hand van het aantal aangiften: winkeldiefstal, inbraak bij bedrijven en instellingen en overvallen. Het plan van aanpak voor bedreigde winkelgebieden en bedrijventerreinen (opgesteld in het kader van het integrale Veiligheidsplan Amsterdam) bevat een aantal doelstellingen betreffende de veiligheid van het Amsterdamse bedrijfsleven. Doel van de aanpak is het terugdringen van vormen van criminaliteit waar ondernemers slachtoffer van worden: (winkel) diefstal, inbraak, vernieling, overvallen. Daarnaast gaat het om het verhogen van de veiligheid van ondernemers, werknemers en klanten. Amsterdam streeft naar de realisatie van landelijke reductiecijfers (20 tot 25% vanaf 2006) voor het terugdringen van criminaliteit 2 gericht tegen het bedrijfsleven. In 2003 is dit beleid ingezet en de eerste resultaten zijn bereikt. In de ambitie voor de GSB III periode is rekening gehouden met de reeds behaalde successen in 2003 en 2004 (bijvoorbeeld 6% daling winkelcriminaliteit in 2003 t.o.v. 2001). In het plan staat uitdrukkelijk dat hiernaar wordt gestreefd en dat beïnvloeding van dit soort zaken moeilijk is. Feitelijke omvang van de criminaliteit moet volgens het rijk worden gemeten aan de hand van het aantal gevallen van de verschillende soorten criminaliteit gericht tegen bedrijven zoals opgenomen in de Monitor Bedrijven en Instellingen: inbraak, diefstal, vernielingen, fraude, geweldsdelicten en computercriminaliteit. Vanwege de omvang, de aard en de beinvloedingsmogelijkheid van lokale overheden op fraude en computercriminaliteit, stellen wij voor deze typen delicten buiten beschouwing te laten. Benadeling door het eigen personeel (interne criminaliteit) komt onder meer vaak voor in de vorm van fraude. Voor de subjectieve kant, onveiligheidsgevoel van ondernemers, is in het plan van aanpak bedreigde winkelgebieden en bedrijventerreinen geen streefcijfer opgenomen, en ook niet voor aangiftebereidheid. Het subjectieve veiligheidsgevoel wordt door veel factoren bepaald en niet
2

Zie de nota ‘Naar een veiliger samenleving’ van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, en het convenant dat is gesloten tussen het Rijk en het PlatformDetailhandel.nl, een samenwerkingsverband van ondernemersorganisaties en ‘het actieprogramma bedreigde winkelgebieden en bedrijventerreinen (onderdeel van het Veiligheidsplan Amsterdam).’

15

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

slechts door de mate waarin burgers of ondernemers feitelijk met criminaliteit in aanraking komen. De situatie of gebeurtenissen in de buurt, maar ook grote internationale gebeurtenissen kunnen het veiligheidsgevoel aantasten, terwijl deze niet direct van invloed zijn op de directe veiligheidssituatie van individuen. Het gevoel kan dus wel gemeten worden, vraag is in hoeverre dit kan worden beïnvloed door een lokale aanpak, ook als die succesvol is. Daarom hebben we op deze indicator geen ambitie geformuleerd. Wel zullen we deze indicator monitoren. Aangiftebereidheid moet volgens het ministerie blijk geven van vertrouwen in politie en overheid. Aangiftebereidheid moet echter geen doel op zich zijn, maar is een basisvoorwaarde voor de aanpak van criminaliteit. Meer aangiftebereidheid, leidt tot exactere gegevens over de omvang en de aard van de problematiek. Daarnaast is het een belangrijk cijfer bij de interpretatie van de daadwerkelijke aangiftecijfers. Deze kunnen stijgen door een grotere aangiftebereidheid, maar duiden dus niet per sé op meer criminaliteit. Daarom heeft Amsterdam op deze indicator geen ambitie geformuleerd. Dit leidt tot de volgende outputindicator: - vermindering van het aantal delicten gemeten in aangiftecijfers met 10%. Het onveiligheidsgevoel van ondernemers en de aangiftebereidheid van ondernemers zullen worden gemeten en meegenomen in de interpretatie van de aangiftecijfers, maar er worden geen prestatieafspraken over gemaakt. In januari 2005 is het onderzoek naar de objectieve en subjectieve onveiligheid van Amsterdamse ondernemers afgerond. Dit onderzoek dient als nulmeting. Outputdoelstelling 3: Vergroten aantal breedbandaansluitingen. De outputindicator aantal aansluitingen specifiek voor publieke instellingen is voor de economische pijler minder relevant. Amsterdam bereidt zich immers voor op de aansluiting van alle instellingen, bewoners en bedrijven in de stad op breedband, waarbij digitale tweedeling wordt tegengegaan. Acties Hermez - uitvoering geven aan de aanbevelingen van de Commissie Andriessen om alle panden van Amsterdamse bewoners, instellingen en bedrijven aan te sluiten op de glasvezelinfrastructuur (‘breedbandnetwerk’). Outputindicator Op deze outputindicator wordt geen ambitie geformuleerd in het kader van het GSB III. Outputdoelstelling 4: Verbeteren dienstverlening aan ondernemers. Visie Amsterdam heeft een complex bestuurlijks stelsel met 15 zelfstandige stadsdelen en 40 diensten waarvan een groot aantal relevant is voor ondernemers. De stadsdelen hebben in de afgelopen jaren op verschillende wijze gewerkt aan verbetering van de dienstverlening aan ondernemers, middels accountmanagers, een servicepunt of ondernemersloket. Hiermee werd tevens bijgedragen aan de ‘één loket’ gedachte. Voor zover het netwerk van deze dienstverlening van stadsdelen en diensten hiaten vertoont heeft Economische Zaken centrale stad de taak in te springen. Vanuit deze gedachte fungeert de Servicedesk Bedrijven Amsterdam (SBA) als centraalstedelijk ondernemersloket. Door de ontwikkeling van een gemeentelijk virtueel ondernemersloket (bereikbaar via internet) worden de voor ondernemers relevante producten en informatie bij stadsdelen en gemeentelijke diensten beter ontsloten, wordt de dienstverlening van de gemeente transparanter, en is de informatie 24/7 beschikbaar. De informatie en producten zijn op vraaggerichte wijze (thema’s) geclusterd, waarbij de ondernemer zo min mogelijke wordt belast met het complexe bestuurlijke

16

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

stelsel en de backoffices. Het ondernemersloket is een vervolg op de ontwikkeling van Loket Amsterdam, het zogenaamde burgerloket. De eerste stap in de ontwikkeling van het ondernemersloket is april 2004 gezet met de opening van het centraalstedelijke ondernemersloket met gemeente brede informatie en een stadsdeelloket met stadsdeel specifieke informatie. Het loket bevat onder meer een overzicht van het aanbod van startersbegeleiding, informatie over vergunningen, subsidies en applicaties die behulpzaam zijn bij het zoeken naar kleinschalige bedrijfsruimten. Acties - het (door)ontwikkelen van een virtueel ondernemersloket in producten, informatie en functionaliteiten; - aansluiting van alle stadsdelen en voor ondernemers relevante diensten bij het virtuele ondernemersloket; - rapportage ontwikkeling ondernemersloket 2005; - gebruikersonderzoek virtueel ondernemersloket OWGM door de UvA (2004); - tevredenheidsonderzoek onder EZ Amsterdam; Outputindicatoren Amsterdam ontwikkelt momenteel een virtueel ondernemersloket waarin ondernemers antwoorden vinden op het overgrote deel van de vragen die ze hebben aan de overheid en de gemeente in het bijzonder. Het ondernemersloket heeft tot doel de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren, de lokale administratieve lasten te verminderen en daarmee uiteindelijke de Amsterdamse bedrijvigheid te stimuleren. Het loket is opgezet als één informatiebron, waarin alle adressen, gemeentelijke producten en formulieren, en dergelijke zijn opgenomen. Het loket laat stadsdelen ruimte voor haar eigen identiteit en zelfstandige positie in het bestuurlijke stelsel. Vanuit dezelfde bron wordt het loket dus in verschillende verschijningsvormen gepresenteerd. Het is de ambitie van Amsterdam dat in de komende jaren 15 stadsdeelloketten en één centraal loket de dienstverleningsfunctie overnemen van de (grote hoeveelheid) websites, aangevuld met thematische loketten. Zo worden voor de thema’s arbeidsmarkt en het starten van een bedrijf varianten ontwikkeld binnen hetzelfde loket. Daarnaast streeft Amsterdam naar de aansluiting van uiteindelijk alle voor ondernemers relevante diensten bij het ondernemersloket. Bij de (door)ontwikkeling van het ondernemersloket streeft Amsterdam naar aansluiting op en het gebruikmaken van het nationale bedrijvenloket (NEB) – en eventueel andere loketten - daar waar het gaat om producten die vallen onder de bevoegdheid van een andere (semi)overheid. Die aansluiting vindt plaats op drie manieren. Ten eerste door het ontwikkelen van één inter/intranetstructuur voor Amsterdam. In Amsterdam is een bundeling van het versnipperde webaanbod noodzakelijk. Met in achtneming van de identiteit en zelfstandigheid van de Amsterdamse stadsdelen wordt tegelijkertijd uniformiteit in navigatie, content en techniek bereikt. Door een interne bundeling die gebaseerd is op een uitwisselplatform is Amsterdam veel beter in staat op landelijke ontwikkelingen aan te sluiten. Naar verwachting zal begin 2006 het merendeel van de stadsdelen een eenduidig digitaal loket hebben. Daarna zal concrete aansluiting bij het NEB nader uitgewerkt worden. Ten tweede door gezamenlijk overleg en ontwikkeling van functionaliteiten ten behoeve van de dienstverlening onder ander met de Vereniging van Kamer van Koophandels en de KvK Amsterdam en het CWI. Met de Kamer van Koophandel richt de samenwerking zich onder meer op: a) het verstrekken van software certificaten aan bedrijven (WOZ-online: ondernemers via Internet op beveiligde wijze toegang verlenen tot persoons- en organisatiegebonden gegevens), b) het gebruik in Amsterdam van het landelijke Basisbedrijvenregister, c) gedeelde diensten zoals het eenmalig doorgeven van mutaties. Tenslotte wordt onderzocht in hoeverre de content van het overheidsloket, het bedrijvenloket en het Amsterdamse loket het beste op elkaar aan kunnen sluiten. Reeds in de eerste opzet van Loket Amsterdam is de navigatiewijze en de beschrijving van de content in gelijke stijl gegoten als het bedrijvenloket, momenteel wordt onderzocht hoe beide loketten naar elkaar kunnen

17

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

verwijzen zonder dat kopiëren van content noodzakelijk is. Doel hierbij is om dubbelingen te voorkomen, zowel inhoudelijk als fysiek. De volgende indicator betreft de tevredenheid van ondernemers over dienstverlening. De mate van tevredenheid blijft overigens lastig te meten. In de vorige periode is een ‘benchmark’ uitgevoerd binnen de G30 waar rapportcijfers per stad uit kwamen, dit zal ook in de GSB-III periode het geval zijn. Indicator is het verbeteren van dit rapportcijfer, met als ambitie een verbetering van 0,5 punt de komende periode. Ook de indicator betreffende de vermindering van lokale administratieve lasten is relevant. Het Min BZK (Sira) heeft een onderzoek verricht in 2004 naar de AL in enkele gemeenten. Hier kwam Amsterdam overigens relatief goed uit. Op basis van dit onderzoek zal desalniettemin een Meldpunt Strijdige Regels geopend worden (jan 2005) met als doel de “schrijnende” gevallen aan te pakken, voorzover dat binnen de gemeentelijke invloedsfeer ligt. In navolging van het landelijke meldpunt Strijdige Regels is het de bedoeling om de gesignaleerde problemen in dienstoverschrijdende werkgroepsvorm op te lossen. Dit heeft alleen kans van slagen als andere diensten, maar vooral ook het Rijk daaraan medewerking willen verlenen. Het gemeentelijke ondernemersloket is ons inziens een ander belangrijk instrument en aanknopingspunt voor de vermindering van de administratieve lasten zowel in de ‘front-office’ (het loket zoals het zichtbaar is voor de ondernemer) als de ‘back-office’ waar de afhandeling van de aanvragen - die onder andere binnen kunnen komen via het virtuele ondernemersloket – plaatsvindt. Ondernemers kunnen onder andere in hun eigen tijd terecht - 7 dagen per week x 24 uur per dag - en hoeven minder of geen reis- en wachttijd te besteden. De concrete voordelen van een ondernemersloket met betrekking tot administratieve lasten voor ondernemers in Amsterdam zijn: - Een snellere en efficiëntere informatievoorziening: alle informatie bij elkaar, vaste presentatiewijzen, meerdere mogelijkheden om tot de juiste informatie te komen (themagewijs, vrij zoeken, persoonlijk dossier, etc.). - Eenmalige authenticatie/identificatie van de ondernemer wanneer hij/zij gebruik maakt van het virtuele ondernemersloket: zodra is vastgesteld dat de ondernemer inderdaad de persoon en het bedrijf is waarvoor hij/zij zich uitgeeft, nemen de mogelijkheden voor digitale afhandeling sterk toe. - Efficiënte opgave van gegevens: na identificatie worden reeds bekende gegevens aan de ondernemers gepresenteerd (bijvoorbeeld WOZ vastgoedgegevens). Deze kunnen worden geverifieerd en daar waar nodig – éénmalig – aangevuld. Het invoeren van standaardgegevens door de ondernemer hoeft niet meer voor bijvoorbeeld elke nieuwe vergunningaanvraag te geschieden. - Efficiënter administratief proces van vergunningverlening, omdat het ondernemersloket naast informatie ook ondersteuning van transacties mogelijk maakt (onder meer het ‘on line’ invullen en verzenden van benodigde formulieren en het volgen van de status). Dit leidt tot de volgende outputindicatoren: - ontwikkelen van een gemeentelijk virtueel ondernemersloket dat aansluit bij het nationale bedrijvenloket. - verbeteren van de tevredenheid van ondernemers over gemeentelijke dienstverlening met een halve punt (GSB Benchmark) - vermindering gemeentelijke administratieve lasten voor de ondernemer via de instelling van een meldpunt Strijdige regels in 2005.

Outputdoelstelling 5a: Visie

Startersbeleid en kleinschalige bedrijfsruimte

18

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

Startende ondernemers zijn voor de stad Amsterdam belangrijk omdat ze (a) additionele werkgelegenheid creëren, (b) innovaties stimuleren en ervoor zorgen dat deze sneller worden opgepakt en (c) zorgen voor vers bloed in de samenstelling van het Amsterdamse bedrijfsleven. In tijden dat het minder gaat met de economie neemt het aantal starters af. Juist in deze tijden is ondersteuning van starters essentieel. Daarbij is het van belang dat de overheid niet op de stoel van de ondernemer gaat zitten; met het oog op eventuele concurrentievervalsing. De overheid kan wel zorgen voor toegang tot ruimte (vooral kleinschalige bedrijfsruimte) en informatie (b.v. via het ondernemersloket). Daarnaast kan in een aantal gevallen sprake zijn van een (beperkte) financiële ondersteuning in de opstartfase. Kleinschalige ondernemingen (tot 10 werkzame personen) leveren een belangrijke bijdrage aan de Amsterdamse economie. In ruim 53.700 vestigingen werken meer dan 100.000 mensen. Het kleinbedrijf is daarmee goed voor ruim 25 procent van de Amsterdamse werkgelegenheid. 2 2 De kleinschalige ondernemingen (bedrijfsunits 50 – 150 m , kantoorunits 25 – 100 m ) bevinden zich zowel in woonwijken als op bedrijventerreinen en zijn vanzelfsprekend grotendeels gevestigd in kleinere bedrijfsruimten. Uit onderzoek is gebleken dat Amsterdam behoefte heeft aan een toename van 60.000- 70.000 m2 kleinschalige bedrijfsruimte per jaar. Het huidige tekort aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt een blijvend risico voor de economische structuur van de stad. Het is cruciaal voor de functie van Amsterdam als ‘broedplaats’ voor nieuwe bedrijvigheid, dat deze kleinschalige bedrijven voor de stad behouden blijven. Economische Zaken stelt zich tot doel om voor kleinschalige bedrijven zodanige randvoorwaarden te creëren, dat ze zich goed kunnen ontwikkelen. Een concreet doel vanuit de gemeente, en in nauwe samenwerking met de stadsdelen, is om per jaar tenminste 20.000 m² kleinschalige bedrijfsruimte in Amsterdam te realiseren. Acties - ontsluiting van informatie voor starters via Internet (ondernemersloket); - opzetten van een financieringsfonds voor starters (voor het verstrekken van kleine kredieten; een vergelijkbaar fonds bestaat al voor ‘high tech’ ICT-starters: TIFAN); - monitoring van het startersbeleid (genereren van kennis en uitdragen naar bijvoorbeeld de stadsdelen); - duurzame financiële ondersteuning van ondernemershuizen; - in kaart brengen van initiatieven op dit terrein in de rest van Nederland; - een sterkere rol voor de ondernemershuizen. In de toekomst worden slechts projecten ondersteund die aanvullend of additioneel zijn ten opzichte van de basisvoorzieningen geleverd door de ondernemershuizen; - prestatieafspraken maken met een drietal organisaties dat zich toelegt op de productie van kleinschalige bedrijfsruimten; - afspraken met stadsdelen over de productie van kleinschalige bedrijfsruimte; - substantiële bijdrage verstrekken aan de financiering van projecten gericht op het realiseren van kleinschalige bedrijfsruimten; - monitoring van de voortgang bij de realisatie van kleinschalige bedrijfsruimten; - het delen van de opgebouwde expertise over kleinschalige bedrijfsruimte met stadsdelen en gemeentelijke diensten; - monitoring van de huisvestingbehoefte van starters; - onderzoek verrichten naar de huisvestingsbehoefte van het kleinbedrijf, waaronder de bedrijven die gevestigd zijn in de woning van de ondernemer. Outputindicatoren Het zijn vooral de ondernemershuizen die – naast de Kamer van Koophandel – een aanvullende mogelijkheid bieden om een verdieping te realiseren. Door coaching en begeleiding van startende ondernemers kan worden voorkomen dat een groot aantal van die bedrijven het uiteindelijk in de markt niet redden. De huidige vier ondernemershuizen zorgen voor een stadsbrede dekking van laagdrempelige ondersteuning aan diegenen die van plan zijn om een eigen bedrijf te starten. Door met iedereen die zich meldt in gesprek te gaan, fungeren de ondernemershuizen ook als een vangnet om toekomstige maatschappelijke kosten te

19

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

voorkomen. Immers, niet iedereen die het plan heeft om een eigen bedrijf te starten, heeft daarvoor ook de mogelijkheden. Velen besluiten gedurende het begeleidingstraject alsnog af te zien van het starten van een eigen bedrijf en richten zich op de reguliere arbeidsmarkt. De hoeveelheid ‘intake’ gesprekken van de ondernemershuizen kan als een goede outputindicator worden beschouwd. De bouw van kleine bedrijfsruimten speelt in de gehele stad, in alle stadsdelen. Met name in de Stedelijke Vernieuwingsgebieden is de opgave groot. Amsterdam ontwikkelt een monitoringssysteem, waarbij de voorraad kleine bedrijfsruimten, de ontwikkelingen daarin en de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkeling van de vraag gevolgd wordt. Gedurende de GSB-periode zal tenminste twee maal een rapportage hierover worden opgesteld. Als outputindicator geldt de hoeveelheid m² kleine bedrijfsruimte die gebouwd of gerenoveerd is. Dit leidt tot de volgende outputindicatoren: - de hoeveelheid ‘intake’ gesprekken van de ondernemershuizen. De ambitie is 1000 intakegesprekken per jaar te realiseren. - de hoeveelheid m2 kleine bedrijfsruimte die gebouwd of gerenoveerd is. De ambitie is 20. 000 m2 per jaar te realiseren Outputdoelstelling 5b: Toerisme en congreswezen

Visie Voor de sector toerisme en congreswezen geldt dat kwaliteit belangrijker moet worden dan kwantiteit. Het verblijfstoerisme en daarbinnen specifieke marktsegmenten zijn daarom vanuit een economisch oogpunt belangrijker dan de dagjestoeristen (zakelijk en hogere toeristische segment) en de ‘low budget travellers’. Spreiding van (de groei van) het toerisme over de stad door ontwikkeling van nieuwe toeristische gebieden, en het spreiden van hotels over de stad, zijn essentieel om de druk op de binnenstad te verlichten en het draagvlak onder de bewoners te behouden. Daarnaast is een spreiding van het toerisme over het jaar van belang. Stimulering van toeristische innovaties is noodzakelijk om de kwaliteit van het aanbod op een blijvend hoog peil te houden. In de congressector neemt Amsterdam een vooraanstaande plaats in. Behoud en uitbreiding van die positie vergt een voortdurende inspanning om de accommodaties ‘up to date’ te houden. Acties - stimuleren van nieuwe toeristische trekkers; - inzetten op bundeling van promotionele activiteiten: ontwikkeling tot een regionale VVV; - faciliteren van vergroting hotelaanbod; - stimuleren van een revitalisering van congresaccommodaties; - belang benadrukken van een upgrading van de openbare ruimte (schoonmaak, veiligheid, bereikbaarheid, kwaliteit openbaar vervoer en taxi’s); - signaleren van nieuwe trends; - inspelen op ontwikkelingen op ICT-gebied, zoals een betere benutting van de electronische toeristenpas - stimuleren van particuliere initiatieven op het gebied van evenementen; - stimuleren van de vernieuwing van bestaande toeristische producten. Outputindicatoren Bij het stimuleren van toerisme en het aantrekken van (nieuwe) bezoekers is een goede promotie van de stad groot belang hoe de eerste contacten met de stad verlopen. In lijn met de Toeristische Agenda van het MIN van EZ heeft Amsterdam de ambitie nog effectiever Amsterdam te promoten door waar mogelijk samen te werken met NBTC en de G4 in dit kader, bijvoorbeeld waar het gaat om (afstemming van) themajaren en evenementen en in internationale campagnes. Een ander belangrijk gezamenlijke ambitie van Rijk en stad is de extra aandacht voor de zakelijke bezoeker.

20

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

Dit leidt tot de volgende outputindicatoren: - 1% groei boven de gemiddelde groei van de concurrentie, zijnde de top 10 internationale congressteden. Er wordt gemeten volgens de ranglijst van UIA: internationale non-corporate congressen (doel terugkeer van plaats 11 in 2002 in de top 10) - 1% groei boven de gemiddelde groei van de concurrentie, zijnde de top 10 Europese stedenbestemmingen Meting op basis van de buitenlandse overnachtingen. Tourmis statistiek.(doel behoud positie in de top 10 van Europese stedenbestemmingen; in 2003 stond Amsterdam op plaats 7 ) Outputdoelstelling 5c: Kennisinfrastructuur

Visie Amsterdam kent een tweetal universiteiten, twee hogescholen en een aantal niet-academische onderzoeksinstellingen (zoals AMOLF, NIKHEF, CWI, SARA, het Swammerdam Instituut, NKI, Sanquin en het Herseninstituut). Kenmerkend voor de kenniseconomie is onder meer dat wetenschappelijke kennis steeds sneller ontwikkeld, maar ook in steeds hoger tempo wordt omgezet in innovaties. Het gaat daarbij niet alleen om technische vernieuwing, maar bijvoorbeeld ook om nieuwe organisatiemethoden en nieuwe markten. Cruciale factoren bij de verdere economische ontwikkeling zijn de kwaliteit van arbeid en de - grotendeels door het vernieuwende vermogen bepaalde - productiviteit. Innovativiteit wordt in hoge mate bepaald door intensieve en frequente interacties binnen en tussen verschillende disciplines. Dit maakt steden tot potentiële broedplaatsen van vernieuwing. Essentieel voor de benutting van die potenties zijn ontmoetingsplaatsen en samenwerkingsrelaties zowel binnen de stad als nationaal en internationaal. Hoe belangrijk de kwaliteit van de kennisinstellingen en hoe essentieel ook de open wisselwerking met hun omgeving, zonder het aantrekken en vasthouden van "human capital" verliezen de kennisinstellingen hun positie en blijft de maatschappelijke en economische ‘spin off’ achterwege. In de huidige situatie is de samenwerking tussen kennisinstellingen onderling en tussen de kennisinstellingen en het bedrijfsleven beperkt. Met name in de sfeer van de Life Sciences staat deze samenwerking nog slechts in de kinderschoenen. Vanwege de sleutelrol die voor steden is weggelegd bij het realiseren van de ambitie die het kabinet heeft gesteld ten aanzien van de kenniseconomie, heeft Amsterdam – samen met de andere G4-steden – het kabinet uitgenodigd om in een gezamenlijke aanpak werk te willen maken van de kenniseconomie. De nationale ambitie vraagt immers om een concrete effectieve aanpak om de regionale doorvertaling van de kenniseconomie te effectueren. Een doorvertaling die zich volgens de G4 kenmerkt door het stimuleren – onder het motto “wat werkt versterken” – van (kennis)netwerkvorming en kennistransfer in de regio via een bottom-up benadering. Om de Amsterdamse ambities op dit terrein te realiseren is onder andere het project Amsterdamse Innovatiemotor gestart, dat de samenwerking rond kenniseconomie/innovatie moet stimuleren. Dit gebeurt onder de vlag van de Kenniskring Amsterdam (KKA), een samenwerkingsverband tussen de belangrijkste gemeentes in de regio, kennisinstellingen, KVK, Syntens en een groot aantal bedrijven. De Amsterdamse Innovatiemotor moet de trekker gaan worden voor een groot aantal concrete initiatieven en daarnaast bekijken waar aangesloten kan worden op lopende initiatieven van bijv. het Ministerie van Economische Zaken. Gegeven de grote variëteit aan beschikbare kennis heeft Amsterdam in beginsel een sterke uitgangspositie voor een overgang naar een hoogwaardige kenniseconomie. Juist het combineren en integreren van kennis op verschillende gebieden, biedt immers bijzondere kansen in de toekomst. In het licht daarvan heeft Amsterdam de ambitie geformuleerd om in 2010 te behoren tot een van de meest dynamische kennisregio’s van Europa. Amsterdam heeft zich het afgelopen decennium sterk geprofileerd als ICT-hoofdstad. De stad kan zijn potentie in deze sector nog verder verbreden en benutten. Belangrijke sterkten in dit verband zijn de aanwezigheid van het Internet-knooppunt (AMSIX), de dichte ICT-bekabeling van de stad, de sterke positie van content-bedrijven (nieuwe media, ontwerpers e.d.), de sterke

21

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

concentratie van ICT-bedrijven in de stad en in het bijzonder van innovatieve starters op het Amsterdam Science Park (ASP). Behalve op de verdere uitbouw van het speerpunt ICT in het kader van de Amsterdamse Innovatiemotor (AIM), zal accent worden gelegd op de versterking en economische ontplooiing van overige elementen van de kennisinfrastructuur. Op het terrein van biotechnologie en medische technologie bijvoorbeeld liggen er kansen voor het kenniscluster met UvANWO/Sciencepark, AMC, NKI, VU en CLB; op het terrein van duurzaamheid voor de vorming van een Instituut voor Duurzame Ontwikkeling met inhoudelijke activiteiten rond duurzame energie en mobiliteit, rond maatschappelijk verantwoord ondernemen en rond duurzaam bouwen. Meer in het algemeen zal overigens worden getracht de condities die vervuld moeten zijn om kennisintensieve clusters met succes te kunnen laten opereren, te verbeteren. Daarbij gaat de aandacht uit: naar de kwaliteit van het vestigingsklimaat en het imago van Amsterdam als kennisstad; naar acties om nieuwe en bestaande bedrijvigheid te stimuleren; naar de vertaling van kennis naar product; naar het tot stand brengen van contacten tussen kennisinstellingen en bedrijven over de gehele linie. Acties - Stimulering van de circulatie van kennis en inzichten tussen met name kennisinstituten en bedrijven, zoals in het kader van de Kenniskring Amsterdam of in het kader van brokerage events. Binnen het grote scala aan activiteiten op het vlak van de kenniseconomie, zijn in het kader van de Amsterdamse Innovatiemotor drie speerpuntclusters aangewezen. Het betreft duurzaamheid, Life Sciences en ICT. - Opzet van netwerk experts kennistransfer: alle kennisinstellingen hebben experts op het gebied van kennistransfer, maar ontmoeting tussen deze experts en het delen van ervaringen en kennis vinden tot nu toe slechts op beperkte schaal plaats, terwijl daar wel behoefte aan is. Gestart wordt met enkele kleinschalige en doelgerichte bijeenkomsten over voor die experts relevante onderwerpen. - Bevordering van samenwerking tussen kennisinstituten, met name op het vlak van Sciencepark initiatieven (KennisRing Amsterdam); - Bevorderen van de economische ‘spin off’ in de vorm van samenwerkingsprojecten tussen bedrijven en kennisinstellingen en in de vorm van innovatieve startende en doorstartende bedrijven (Sciencepark, ASP); - Aantrekken van kennisintensieve bedrijvigheid in samenhang met bij kennisinstellingen sterk vertegenwoordigde wetenschapsdomeinen (Sciencepark Amsterdam, AMC). De intentie daarbij is de aantrekkelijkheid van Amsterdam (t.o.v. andere Nederlandse en Europese steden) als vestigingsplaats voor kennisintensieve bedrijvigheid, en daarmee de positie van Amsterdam als acquisiteur, ten minste op peil te houden; - stimulering van innovatieve projecten, bij voorbeeld door risicodragende participaties. - Investeren in een versterking van de ICT-onderwijskolom (ROC, HBO, WO). Bijzondere aandacht daarbij zal uitgaan naar de mogelijkheden om allochtone jongeren te interesseren voor ICT-gerelateerde opleidingen. - Bouwen van elektronische A10, een beeld-geluidverbinding die het bijwonen van seminars en colleges mogelijk maakt, alsmede het delen van rekencapaciteit en onderzoek op afstand. - Opzetten van een monitor Life Sciences Amsterdamse regio. - Pilot casemanagement voor Life Sciences starters. Dat houdt in dat de starter een vaste begeleider krijgt die de weg wijst naar organisaties die ondernemer kunnen ondersteunen op allerlei aspecten van bedrijfsvoering. Outputindicatoren Gelet op het grote belang dat wordt toegekend aan het verbeteren van de kennisinfrastructuur kunnen de volgende outputindicatoren worden benoemd: - het opzetten van regionale netwerken in de drie genoemde speerpuntsectoren,

22

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

- het opzetten van een netwerk experts kennistransfer, dat de kennisuitwisseling tussen de experts op het gebied van de kennistransfer van de verschillende instellingen moet stimuleren. - het organiseren van bijeenkomsten c.q. het creëren van platforms waarop kennisinstellingen en bedrijven hun ervaringen op bepaalde technologiegebieden uitwisselen.

23

GSB III MOP Amsterdam

Bijlage 3

Economisch domein

24