Naar een selectief vestigingsbeleid

Ontwikkeling van een operationeel instrument 2e Concept
Uitgevoerd in opdracht van: Kamer van Koophandel Midden-Brabant Uitgevoerd door: ETIN Adviseurs

Tilburg, oktober 2002

Inhoudsopgave

1.

INLEIDING ........................................................................................................................................ 2 AANLEIDING EN DOEL ............................................................................................................................... 2 UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................................... 3 LEESWIJZER .............................................................................................................................................. 4

2.

GEBIEDSANALYSE.......................................................................................................................... 5 INLEIDING ................................................................................................................................................. 5 AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN ......................................................................................................... 5 2.1.1Concreet aanbod en bestemmingsplancapaciteit in de regio Tilburg ................................6 2.1.2Zachte plancapaciteit ........................................................................................................7 UITGIFTE BEDRIJVENTERREINEN: GEREALISEERDE VRAAG ......................................................................... 8 2.3.1Ontwikkeling uitgifte bedrijventerreinen in de regio Tilburg ...............................................8 2.3.2Herkomst van de terreinverwervers ................................................................................10 2.3.3De uitgifte naar sector .....................................................................................................11 2.3.4Aard van de uitgifte .........................................................................................................11 2.3.5Omvang bedrijvigheid gevestigd op bedrijventerreinen...................................................12 TOEKOMSTIGE VRAAG NAAR BEDRIJVENTERREIN ..................................................................................... 13 CONFRONTATIE VRAAG EN AANBOD ........................................................................................................ 16 CONCLUSIES ........................................................................................................................................... 17

3.

INSTRUMENT VOOR SELECTIEF VESTIGINGSBELEID ...................................................... 19 INLEIDING ............................................................................................................................................... 19 OPZET INSTRUMENT ................................................................................................................................ 19 UITWERKING CRITERIA ............................................................................................................................ 22 3.3.1Het werkgelegenheidscriterium .......................................................................................22 3.3.2Criterium economie .........................................................................................................24 3.3.3Criterium ruimtegebruik ...................................................................................................29 3.3.4Criterium herkomst..........................................................................................................31 3.3.5Criterium Milieu ...............................................................................................................32

4.

INSTRUMENT TOEGEPAST: EEN PRAKTIJKVOORBEELD................................................. 35 INLEIDING ............................................................................................................................................... 35 UITGANGSPUNTEN PRAKTIJKVOORBEELD ................................................................................................ 35 SCORE-KAART EN SCORE-MATRICES ........................................................................................................ 36 EVALUATIE ............................................................................................................................................. 38

5.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ........................................................................................... 39 BIJLAGE 1 AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN ....................................................................................... 1 BIJLAGE 2 SCHEMA ANALYSE BEDRIJVENTERREINBEHOEFTE TILBURG ...................................................... 2 BIJLAGE 3 WACHTLIJST BEDRIJVENTERREIN ............................................................................................. 3 BIJLAGE 4 SCORE-MATRICES ..................................................................................................................... 5

1

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

1. Inleiding
Aanleiding en doel
In Nederland worden gewoonlijk zeven concurrerende functies met elk hun eigen ruimtebehoefte onderscheiden: wonen, werken, infrastructuur, recreatie & sport, water, landbouw en natuur & landschap. Al deze functies, wellicht met uitzondering van de agrarische sector, claimen meer ruimte. De verdeling van de beschikbare ruimte van de toekomstige ruimteclaims van de verschillende functies wordt onder andere in de Rijksnota’s over de ruimtelijke ordening (momenteel staat de Vijfde nota op stapel) en in provinciale streekplannen vastgelegd. De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid in Noord-Brabant zijn onlangs vastgelegd in het Streekplan Noord-Brabant 2002. De provincie Noord-Brabant zet haar beleid van concentratie van verstedelijking voort. Dit betekent dat het leeuwendeel van de woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen en infrastructuur moet plaatsvinden in vijf stedelijke regio’s. Gemeenten moeten met het provinciale beleid rekening houden bij het toewijzen van ruimte aan de hierboven onderscheiden functies. Een belangrijk onderdeel van het sociaal- en ruimtelijk-economisch beleid van een gemeente is het bedrijventerreinenbeleid. Eén van de manieren om de ontwikkeling van de werkgelegenheid te bevorderen is door het scheppen van voorwaarden voor vestigingsmogelijkheden voor bedrijven, zodat deze zich kunnen (blijven) ontplooien. Een integraal bedrijventerreinenbeleid bestaat uit een groot aantal, onderling samenhangende stappen. Allereerst zal inzicht moeten worden verkregen in de vraag-aanbodsituatie. Vervolgens zal gekeken moeten worden waar de vraag naar ruimte voor bedrijvigheid te accommoderen valt. Het hoeft hierbij niet per definitie te gaan om nieuwe locaties, gedacht kan ook worden aan de herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen. In het totstandkomingsproces van een bedrijventerrein volgen hierna nog het inrichtingconcept, het grondbeleid en de gronduitgiftevoorwaarden. Voorliggende rapportage concentreert zich - binnen het totale bedrijventerreinenbeleid - op het aspect van de gronduitgifte. In het gronduitgiftebeleid wordt bepaald aan welke ondernemingen grond wordt uitgegeven. Anders gezegd: aan welke voorwaarden moeten ondernemingen voldoen om voor een bedrijfskavel in aanmerking te komen. De uitgifte van bedrijfsgrond vormt hierdoor een instrument voor de gemeente bij de verwezenlijking van haar economische doelstellingen. De gemeente kan selectief grond uitgeven. De term selectief vestigingsbeleid duikt dan ook steeds vaker op in nota’s van verschillende overheden. Nergens wordt echter uitgewerkt hoe een selectief vestigingsbeleid vorm kan worden gegeven. Selectief vestigingsbeleid is niet alleen opportuun in geval van een gebrek aan vestigingsmogelijkheden, maar ook vanuit bijvoorbeeld de wens om de kwaliteit van de economische structuur van een gemeente of op een bedrijventerrein te verhogen. Een zorgvuldige gronduitgifte is altijd noodzakelijk, onder meer gelet op toekomstige ontwikkelingen.

2

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Het uitgiftebeleid moet daarenboven ook transparant zijn. Ten behoeve van deze transparantie wordt in dit rapport een instrument ontwikkeld ter operationalisering van een selectief vestigingsbeleid. Dit instrument is tevens ondersteunend bij een zorgvuldig gronduitgiftebeleid. Het instrument beoogt enerzijds de efficiëntie van de gronduitgifte te verhogen, anderzijds bedrijven en belangenbehartigers van het bedrijfsleven, zoals de Kamer van Koophandel, de mogelijkheid te bieden de uitgifte beter te monitoren en hen te helpen bij het communiceren van hun bevindingen naar de achterban. Het doel van dit project kan derhalve als volgt worden geformuleerd: Doelstelling project: Het concreter en meer hanteerbaar maken van de term selectief vestigingsbeleid, met bijzondere aandacht voor: q Analyse van de schaarste aan bedrijfsgrond in de regio Tilburg q Het ontwikkelen van een instrument voor selectief vestigingsbeleid

Uitgangspunten
Afbakening regio en functionele opdeling Het onderzoeksgebied beperkt zich tot de regio Tilburg. Voor de regio Tilburg is een functionele opdeling gemaakt. Er wordt niet alleen onderscheid gemaakt tussen het stedelijk gebied en het landelijk gebied, maar ook tussen de centrale stad en de overige gemeenten in het stedelijk gebied. Dit resulteert in de volgende categorieën gemeenten:
q q q

Stedelijke gemeente: Tilburg Overige gemeenten in het stedelijk gebied: Goirle, Dongen en Gilze en Rijen Landelijk gebied: Alphen-Chaam, Oisterwijk, Hilvarenbeek en Baarle-Nassau

De verschillende categorieën hebben een verschillende functie ten opzichte van het opvangen van bedrijvigheid uit de eigen gemeente, uit gemeenten uit de regio en bedrijvigheid van buiten de regio. De functionele opdeling ziet er als volgt uit:
q q q

Het opvangen van bedrijven uit de eigen gemeente Het opvangen van bedrijven uit de regio Het opvangen van bedrijven van buiten de regio

De gemeente Tilburg heeft voor al deze categorieën een opvangfunctie. De overige gemeenten binnen het stedelijk gebied hebben een functie voor de eigen bedrijvigheid en de overige gemeenten binnen het stedelijk gebied. Deze gemeenten geven geen grond uit aan bedrijvigheid van buiten de regio. De gemeenten die tot het landelijk gebied behoren hebben enkel een functie voor bedrijven uit de eigen gemeente die een plek op een bedrijventerrein zoeken en qua aard en schaal bij de gemeente passen.

3

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

De provincie Noord-Brabant beschouwt bedrijven met een kavel van meer dan 5.000 m² als bedrijven die vanwege hun schaal niet passen in het landelijk gebied. Bij de invulling van een selectief vestigingsbeleid moet uiteraard rekening worden gehouden met de verschillende opvangfuncties van de betrokken gemeenten. Instrument van selectief vestigingsbeleid De invulling van een instrument ten aanzien van selectief vestigingsbeleid kan niet los gezien worden van de economische component van het bedrijventerreinenbeleid van een gemeente en de invulling en situatie van het bedrijventerrein zelf. De politieke keuzes die een gemeente maakt, bijvoorbeeld ten aanzien van de na te streven sectorale opbouw binnen de gemeente, worden als gegeven beschouwd. Deze keuzes zorgen in het gronduitgiftebeleid voor een eerste schifting. Wanneer grond wordt uitgegeven op een nieuw terrein zullen veel ondernemingen afvallen, omdat zij niet tot de doelgroep behoren. Daarnaast vindt er een selectie plaats aan de aanbodkant door bijvoorbeeld thematisering, verkaveling, beeldkwaliteit en ligging van een bedrijventerrein. Anders gezegd: het aanbod bepaalt in hoge mate de (aard van de) vraag. Uit de groep die na deze eerste schiftingen overblijft, kunnen met behulp van het instrument de vanuit beleidsoptiek ‘beste’ ondernemingen worden geselecteerd.

Uitgangspunten:
q q q

Afbakening regio: Analyse heeft betrekking op de regio Tilburg Functionele opdeling: De regio is verdeeld naar centrumgemeente, overige gemeenten in het stedelijk gebied en gemeenten in het landelijk gebied Tweetal uitgangspunten bij operationaliseren instrument van selectief vestigingsbeleid: 1. Economisch beleid van betreffende gemeente 2. Situatie bedrijventerrein

Leeswijzer
Een selectief vestigingsbeleid wordt steeds urgenter naarmate ruimte voor economische activiteiten schaarser wordt. In hoofdstuk twee zal door middel van een gebiedsanalyse onderzocht worden in welke mate deze schaarste in de regio Tilburg speelt. Hiertoe zal het huidige en toekomstige aanbod aan bedrijventerreinen per gemeente beschreven worden. Tevens zal er een behoefteraming voor deze regio worden besproken. Deze kan worden gezien als de eerste stap van een bedrijventerreinenbeleid. Om selectief vestigingsbeleid te kunnen operationaliseren wordt in dit rapport een afwegingskader ontwikkeld. Dit afwegingskader zal bestaan uit een aantal selectiecriteria, welke worden vertaald naar meetbare indicatoren. In hoofdstuk drie wordt dit afwegingskader verder uitgewerkt. Tenslotte zal in hoofdstuk vier het instrument nader worden toegelicht. Aan de hand van een voorbeeld wordt het instrument toegepast.

4

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

2. Gebiedsanalyse
Inleiding
Een selectief vestigingsbeleid wordt steeds urgenter naarmate ruimte schaarser wordt. Doel van dit hoofdstuk is om, aan de hand van specifieke kenmerken van de regio, relevant beleid, uitgifte in het verleden en vraag en aanbod naar bedrijventerrein in de toekomst, de urgentie van een selectief vestigingsbeleid in kaart brengen. De analyse beperkt zich tot gegevens omtrent de economische structuur van bedrijventerreinen. Werkgelegenheidsgegevens en demografische gegevens worden buiten beschouwing gelaten. Allereerst wordt in paragraaf 2.2 het concrete aanbod, de bestemmingsplancapaciteit en de zachte plancapaciteit bekeken. Paragraaf 2.3 geeft inzicht in de uitgifte van bedrijfsgrond op bedrijventerreinen in de regio Tilburg. Aan de hand van de bedrijventerreinenenquête die ETIN Adviseurs jaarlijks uitvoert, kan niet alleen de jaarlijkse uitgifte worden geanalyseerd, maar ook aan welke sectoren is uitgegeven, waar de terreinverwervers vandaan komen en wat de aard van de uitgifte is (nieuwvestiging, uitbreiding of verplaatsing). Paragraaf 2.4 tenslotte geeft zicht in de vraag-aanbodsituatie van bedrijventerreinen in de regio Tilburg. In deze paragraaf wordt een behoefteraming voor de regio Tilburg geconfronteerd met het aanbod, verdeeld naar concreet aanbod, bestemmingsplancapaciteit en zachte plancapaciteit.

Aanbod van bedrijventerreinen

-

In de regio Tilburg bedraagt per 1 januari 2002 het terstond uitgeefbaar aanbod 37 hectare, niet-terstond uitgeefbaar aanbod 188 hectare en de zachte plannen 357 hectare. Van de zachte plannen is 70% in studie. In de centrumgemeente Tilburg bedraagt per 1 januari 2002 het terstond uitgeefbaar aanbod 5 hectare en het niet-terstond uitgeefbaar aanbod 136 hectare

In deze paragraaf wordt het aanbod van bedrijventerreinen in de gemeenten in de regio Tilburg bekeken. Allereerst zal het aanbod bekeken worden, zoals dat per 1 januari 2002 bestaat. Daarna komt de zogenaamde zachte plancapaciteit aan bod. In bijlage 1 is het aanbod per gemeente per bedrijventerrein weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terstond uitgeefbaar en nietterstond uitgeefbaar aanbod. Onder terstond uitgeefbaar wordt verstaan het aantal hectare dat direct gereed is voor uitgifte, ontsloten is en bouwrijp. Niet-terstond uitgeefbare voorraad is de voorraad die op termijn gereed komt voor uitgifte.

5

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

2.1.1 Concreet aanbod en bestemmingsplancapaciteit in de regio Tilburg Doordat marktpartijen grond hebben verworven is de positie van gemeenten op de grondmarkt veranderd. In bijlage 1 en grafiek 1 is met deze ontwikkeling rekening gehouden door onderscheid te maken naar grond in handen van enerzijds de gemeenten en anderzijds particuliere eigenaren. Grafiek 1 laat het aanbod van bedrijventerreinen zien in de regio Tilburg per 1 januari 2002, uitgesplitst naar gemeente en met een onderscheid tussen terstond en niet-terstond uitgeefbaar aanbod. Van de totale voorraad uitgeefbaar bedrijventerrein (225 hectare) is ongeveer 17 procent terstond uitgeefbaar (37 hectare). Een groot gedeelte van het totale aanbod van de regio is te vinden in de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg heeft per 1 januari 2002 echter nog maar ongeveer 5 hectare terstond uitgeefbaar aanbod. Deze bedrijfsgrond is te vinden op het terrein Katsbogten Zuid. De voorraad niet-terstond uitgeefbaar terrein in Tilburg is met name te vinden op het bedrijventerrein Vossenberg West en is in particuliere handen. De gemeente Dongen heeft nog een klein aanbod bedrijventerrein, dat in zijn geheel terstond uitgeefbaar is. In Gilze en Rijen bevindt het aanbod zich op het bedrijventerrein Haansberg. Het merendeel van het beschikbare aanbod op dit terrein is niet terstond uitgeefbaar en in particuliere handen. In Goirle is onlangs de laatste grond uitgegeven. De voorraad in de gemeenten van het landelijk gebied is niet echt noemenswaardig. Met uitzondering van de gemeente Oisterwijk is er in de gemeenten van het landelijk gebied nauwelijks aanbod van bedrijfsgrond.

Grafiek 1 Aanbod van bedrijventerreinen in de regio Tilburg in hectare per 1 januari 2002
200 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond terstond nietterstond particulier gemeente

Tilburg

Goirle

Dongen

Gilze en Rijen

AlphenChaam

Baarle Nassau

Hilvarenbeek Oisterwijk Totaal

stedelijk gebied

landelijk gebied

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

6

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

2.1.2 Zachte plancapaciteit Tabel 1 geeft een overzicht van de zogenaamde zachte plancapaciteit in de regio Tilburg. Hieronder valt de capaciteit in streek- of structuurplannen die nog niet in bestemmingsplannen is opgenomen en de nog niet planologisch afgewogen capaciteit in bedrijventerreinenplannen. In deze zachte plancapaciteit worden verschillende ontwikkelingsstadia onderscheiden:
q q

q

Locatie in studie: Dit is het vroegste stadium van de ontwikkeling van een potentiële nieuwe bedrijvenlocatie. Het plan bevindt zich nog in de ideeënfase. Plan in voorbereiding: De gemeente heeft een keuze gemaakt uit de ideeën en besloten de gekozen locatie nader uit te werken in een voorontwerp bestemmingsplan bedrijventerrein. Voorontwerp plan: Dit is een plan voor een bedrijventerrein dat zich in de laatste fase voor de formele planprocedure bevindt. De Provinciale Planologische Commissie is om een principe-uitspraak over het plan gevraagd en heeft uitgesproken het plan verder in procedure te brengen.

Tabel 1 Overzicht van locaties in de fase van in studie, in voorbereiding en voorontwerp plan per 1 januari 2002 per gemeente in de regio Tilburg
Fase In Studie Gemeente Alphen-Chaam Alphen-Chaam Baarle Nassau Gilze en Rijen Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Subtotaal in studie In voorbereiding Subtotaal in voorbereiding Voorontwerpplan Tilburg Tilburg Aanduiding locatie Bedrijventerrein Alphen Locatie Galder Grensoverschrijdend bedrijventerrein Broekakkers-Oost Wijkevoort Udenhout-Oost Dalem Enschotse Baan Scheg Spinder Surfplas/Bakertand Rugdijk Aantal Hectaren (bruto) 1.00 1.40 5.00 40.00 125.00 30.00 6.50 15.00 5.00 25.00 254.90 48.00 16.00 64.00 38.00 38.00 356.90 Start uitgifte, (verwachting) 2003 2004 2005 2008 2007 2009 2002 2002 2003 2003 2002

Tilburg

Loven-Noord

2004

Subtotaal voorontwerpplan Totaal Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

Van het totaal van zachte plannen (357 hectare) bevindt zich 70% in de fase van studie. Het is realistisch te veronderstellen dat een gedeelte van deze plannen geen doorgang zal vinden als gevolg van beleidskeuzen, gewijzigd inzicht, enz.

7

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Uitgifte bedrijventerreinen: gerealiseerde vraag

-

-

De uitgifte in de regio Tilburg bedroeg in 2001 11,74 hectare In de periode 1997-2001 zijn er in de centrumgemeente Tilburg weinig grondtransacties geweest met ondernemingen elders uit de regio Tilburg Ongeveer 80% van de transacties wordt gedaan met ondernemingen die afkomstig zijn uit de eigen gemeente. In hectare is dit ongeveer 60%. Van het totaal aantal transacties in de periode 1997-2001 in de regio Tilburg is 22% van de transacties gedaan met ondernemingen werkzaam in de industrie en 29% in de sector handel en reparatie Het verplaatsen van een onderneming is meestal de reden van de vraag naar bedrijfsgrond in de regio Tilburg In de periode 1997-2001 is in het merendeel van de sectoren het aandeel vestigingen op bedrijventerreinen toegenomen

In deze paragraaf wordt de uitgifte van bedrijventerreinen in de gemeenten in de regio Tilburg geanalyseerd. Niet alleen de hoeveelheid hectare uitgegeven terrein wordt bepaald, maar ook aan welke sectoren is uitgegeven, waar de terreinverwervers vandaan komen en waar de bedrijven grond hebben gekocht. Hierdoor wordt een beeld verkregen van de stromen binnen de regio, zoals de omvang van de overloop van het landelijk gebied naar de stedelijke terreinen. In paragraaf 2.3.1 wordt de ontwikkeling van de uitgifte van bedrijventerreinen in de periode 19802001 bekeken. Paragraaf 2.3.2 gaat in op de herkomst van terreinverwervers. Paragraaf 2.3.3 bekijkt de sectorstructuur van de uitgifte. Paragraaf 2.3.4 bekijkt de uitgifte op het niveau van aard van de transactie.

2.3.1 Ontwikkeling uitgifte bedrijventerreinen in de regio Tilburg In grafiek 2 is de ontwikkeling van de uitgiftecijfers in de tijd weergegeven. Uit deze grafiek blijkt dat de uitgifte in de gemeente Tilburg, de overige gemeenten in het stedelijk gebied en de gemeenten in het landelijk gebied hetzelfde verloop kennen. De uitgiftecijfers zijn van een aantal factoren afhankelijk, zoals de aanwezige voorraad en de conjunctuur. Er bestaat een positief verband tussen de aanwezige voorraad en de ontwikkeling van de uitgifte. Wanneer de voorraad afneemt, neemt de uitgifte af. Wanneer een gemeente nog maar weinig grond heeft uit te geven, worden de keuzemogelijkheden voor een geschikte plaats voor de activiteiten van ondernemingen kleiner. Hierdoor kan het langer duren voordat er daadwerkelijk uitgifte plaatsvindt. Ook kan het zijn dat een onderneming bij gebrek aan concreet aanbod uitwijkt naar een andere gemeente. De uitgiftecijfers zijn tevens conjunctuurgevoelig. Voor het aantonen van deze relatie zijn in grafiek 3 de uitgiftecijfers van de gemeente Tilburg tegenover de economische groei gezet. Het verloop van beide lijnen vertoont duidelijke parallellen, met dien verstande dat de uitgifte eerder neerwaarts afbuigt en later een opgaande lijn inzet. Dit verschijnsel heeft er mee te maken dat ondernemers investeringen opschorten als ze verwachten dat de economie over zijn hoogtepunt heen is. Men gaat ook niet meteen weer investeren als de economie uit het dal kruipt en de weg naar boven hervindt. De meeste ondernemers kijken eerst de kat uit de boom.

8

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Grafiek 2 Ontwikkeling uitgifte in de gemeenten in de regio Tilburg in hectare in de periode 1981-2001
70 Tilburg 60 Totaal overige stedelijke gemeenten Totaal landelijke gemeenten

50

40

30

20

10

0 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

Grafiek 3 De economische groei in % en de uitgifte in hectare in de periode 1981-2001 in de gemeente Tilburg
45,00 5

uitgifte in hectare
40,00

economische groei in %
4

35,00 3 30,00

25,00

2

20,00

1

15,00 0 10,00 -1 5,00

0,00 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001

-2

Bron uitgiftecijfers: ETIN; Bedrijventerreinenenquête Bron cijfers economische groei: CBS

9

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

2.3.2 Herkomst van de terreinverwervers In deze paragraaf wordt de uitgifte bekeken op het niveau van de herkomst van de terreinverwervers in de centrumgemeente Tilburg. Aangezien de uitgiftecijfers in de overige gemeenten dusdanig laag zijn dat moeilijk conclusies te trekken zijn, wordt alleen de herkomst van de uitgifte in Tilburg bekeken. Grafiek 4 maakt onderscheid in de herkomst van terreinverwervers naar eigen gemeente, uitgifte aan het overig stedelijk gebied, uitgifte aan landelijk gebied, uitgifte aan ondernemingen uit elders Noord-Brabant en uitgifte aan elders in Nederland. De uitgifte wordt in aantallen transacties en hectare gegeven. De verdeling over de verschillende gebieden in transacties geeft over het algemeen een ander beeld dan de verdeling in hectaren. Wanneer van de herkomst van transacties onbekend is, betekent dit vaak dat de grond is uitgegeven ten behoeve van ontwikkelaarsprojecten. De uiteindelijk gebruiker is dan niet bekend. Opvallend is dat alleen in 1997 en 1998 grond is uitgegeven aan ondernemingen uit gemeenten uit de regio Tilburg. Wanneer alleen wordt gekeken naar de transacties waarvan de herkomst van de terreinverwerver bekend is, kan geconcludeerd worden dat ongeveer 80% van de transacties gedaan wordt met ondernemingen die afkomstig zijn uit de eigen gemeente. In hectare is dit ongeveer 60%. Verder valt op dat wanneer wordt uitgegeven aan bedrijven van buiten NoordBrabant, er relatief veel hectare wordt uitgegeven.

Grafiek 4 Uitgifte in transacties en in hectare naar herkomst van de terreinverwervers in de gemeente Tilburg in de periode 1997-2001

Tilburg Noordoost-Noord-Brabant

uitgifte aan overig stedelijk gebied Zuidoost-Noord-Brabant

uitgifte aan landelijk gebied elders in Nederland

Midden-Noord-Brabant

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% transacties 1997 hectare transacties 1998 hectare transacties 1999 hectare transacties 2000 hectare transacties 2001 hectare

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

10

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

2.3.3 De uitgifte naar sector In deze paragraaf wordt bekeken aan welke sectoren er grond is uitgegeven in de regio Tilburg. Grafiek 5 laat de sectorale opbouw van de uitgifte zien in de periode 1997-2001. Uit deze grafiek blijkt dat het merendeel van de transacties gedaan wordt aan onderneming uit de sectoren industrie en handel en reparatie.

Grafiek 5 Uitgiftetransacties naar sector in de periode 1997-2001 in regio Tilburg
Industrie Vervoer, opslag en communicatie Overige dienstverlening Elektriciteitsbedrijven Financiele dienstverl onbekend Bouwnijverheid Zakelijke dienstverl Reparatie en handel Gezondheids-en welzijnzorg

80

70

60

50

40

30

20

10

0 1997 1998 1999 2000 2001

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

2.3.4 Aard van de uitgifte In deze paragraaf wordt de uitgifte naar aard bekeken. Bij de uitgifte naar aard wordt onderscheid gemaakt naar aankoop van bedrijfsgrond als gevolg van nieuwvestiging, uitbreiding, verplaatsing en ontwikkelaarsprojecten. Uit grafiek 6 blijkt dat gronduitgifte onder de noemer verplaatsing een groot aandeel heeft in de totale gronduitgifte van de regio Tilburg.

11

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Grafiek 6 Aard van de uitgifte in de regio Tilburg in de periode 1997-2001 in aantallen transacties naar nieuwsvestiging, uitbreiding, verplaatsing en ontwikkelaarsprojecten

Nieuwvestiging 80

Verplaatsing

Uitbreiding

Ontwikkelaarsprojecten

70

60

50

40

30

20

10

0 1997 1998 1999 2000 2001

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

2.3.5 Omvang bedrijvigheid gevestigd op bedrijventerreinen In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van de bedrijvigheid die wel en niet op bedrijventerreinen is gevestigd, bekeken. Deze ontwikkeling verschaft inzicht in de potentiële druk op de bedrijventerreinkavels in de regio van bedrijven die nu nog niet op een bedrijventerrein zijn gevestigd. In grafiek 7 is het percentage vestigingen in een bepaalde sector in de regio Tilburg op bedrijventerreinen weergegeven. Als gevolg van verhuisbewegingen komt een steeds groter deel van de bedrijvigheid terecht op specifieke werklocaties: bedrijventerreinen en kantorenlocaties. De belangrijkste verandering betreft het aantal bedrijven dat verhuisde van een overige locatie naar een bedrijventerrein. Begin jaren negentig was deze trend het duidelijkst waar te nemen. Grafiek 7 laat zien dat in de periode 1997-2001 in het merendeel van de sectoren het aandeel vestigingen op bedrijventerreinen is toegenomen. Met name in de sectoren industrie en vervoer en communicatie is de doorstroming van vestigingen op informele locaties naar bedrijventerreinen duidelijk waar te nemen. Wat betreft het aantal banen in een sector op bedrijventerreinen kan opgemerkt worden dat zo’n 85% van de banen in de sector industrie te vinden is op een bedrijventerrein. Hieruit kan geconcludeerd worden dat vrijwel alle grote industriële ondernemingen op bedrijventerreinen gevestigd zijn.

12

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

In de sector vervoer, opslag en communicatie is het aantal banen dat de vestigingen op bedrijventerreinen genereren toegenomen van 63% naar 71%. De laatste tijd vestigen zich bovendien steeds vaker ondernemingen uit de dienstverlening op een bedrijventerreinen.

Grafiek 7 Percentage vestigingen op bedrijventerreinen per sector in de regio Tilburg in 1997 en in 2001

70,00% 1997 60,00% 2001

50,00%

40,00%

30,00%

20,00%

10,00%

0,00% Bouwnijverheid Vervoer en communicatie Openbaar bestuur Onderwijs Gezondheids-en Welzijnszorg Horeca Zakelijke dienstverlening Productie elektriciteit Reparatie en handel Agrarische sector Overige dienstverlening Industrie Financiele Instellingen

Bron: ETIN Adviseurs, Bedrijventerreinenenquête

Toekomstige vraag naar bedrijventerrein
In deze paragraaf zal een behoefteraming worden gepresenteerd. Het gaat hierbij om een voorlopige behoefteraming, opgesteld in opdracht van de gemeente Tilburg. Daar de behoefteraming in een ander verband en met een ander specifiek doel is opgesteld, komt de gemeentelijke indeling niet overheen met hetgeen is vermeld in paragraaf 1.2. De gemeente Baarle-Nassau is namelijk buiten beschouwing gelaten. De raming van de vraag naar bedrijventerreinen in Tilburg wordt bepaald aan de hand van het schema Raming bedrijventerreinbehoefte Tilburg (zie bijlage 2). Bij de behoefteraming wordt uitgegaan van drie hoofdcategorieën vragers naar bedrijfsgrond: • Tilburgse bedrijven: Voor het bepalen van de vraag naar bedrijventerrein in Tilburg die wordt gegenereerd door het (‘eigen’) Tilburgse bedrijfsleven wordt een onderscheid gemaakt naar bedrijven die reeds gevestigd zijn op een bedrijventerrein en bedrijven elders in de gemeente. In het schema zijn dit de vragen A1 en A2.

13

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Bedrijven uit de regio: Tilburg zal in het kader van het provinciale ruimtelijke beleid een regionale opvangfunctie voor bedrijven krijgen toebedeeld. Het zal daarbij met name gaan om vraag van bedrijven die qua aard en schaal niet (meer) passen in het landelijk gebied. De regio, waarvoor Tilburg een centrumfunctie vervult, omvat de gemeenten AlphenChaam, Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek en Oisterwijk. In het schema is dit vraag B. Bedrijven van elders: Met name op deze bedrijven zijn het nieuwe beleid (ontwikkeling van kleinschalige en hoogwaardige bedrijventerreinen) en de nieuwe acquisitie-uitgangspunten (hoogwaardig en duurzaam) van toepassing. In het schema is dit vraag C.

Vraag A1: bedrijventerreinbehoefte van in Tilburg op een bedrijventerrein gevestigde bedrijven In Tilburg bedraagt het totaal aantal vestigingen in 2001 circa 7.350 bedrijfsvestigingen, waarvan er ruim 1.500 op een bedrijventerrein zijn gevestigd. De onderhavige vraag bestaat uit de additionele vraag naar ruimte op een bedrijventerrein van reeds op een bedrijventerrein gevestigde bedrijven. Deze vraag ontstaat als gevolg van uitbreiding of door verplaatsing. De vraag als gevolg van uitbreiding is berekend aan de hand van een ‘verplaatsings’factor maal het aantal bedrijven gevestigd op een bedrijventerrein. Jaarlijks zullen naar schatting 7 bedrijven willen uitbreiden met een gemiddelde uitbreidingsruimte van zo’n 1.400 m², de gezamenlijke ruimteclaim zal dan ongeveer 1 hectare bedragen. Met behulp van een verplaatsingsfactor wordt op dezelfde manier de ruimtevraag als gevolg van verplaatsing berekend. Hieruit blijkt dat tien bedrijven jaarlijks bedrijfsgrond vragen voor het verplaatsen van de onderneming met een gezamenlijke ruimteclaim van ongeveer 5 hectare.
q

De totale vraag door de eigen bedrijven op bedrijventerrein (A1) bedraagt in totaal 6 hectare.

Vraag A2: bedrijventerreinbehoefte van elders in Tilburg gevestigde bedrijven Voor het berekenen van de vraag van niet op bedrijventerrein gevestigde bedrijven uit de eigen gemeente wordt gekeken naar de bedrijven die in aanmerking komen voor vestiging op een bedrijventerrein. Dit zijn ondernemingen uit de sectoren industrie en bouwnijverheid en een selectie uit de sectoren reparatie en handel, vervoer, opslag en communicatie, zakelijke dienstverlening en milieudienstverlening. Van de vestigingen die niet op een bedrijventerrein zijn gevestigd zijn er bijna 1660 bedrijventerreingevoelig. Met behulp van een verplaatsingsfactor kan worden berekend dat per jaar ongeveer 51 bedrijven willen verplaatsen van een informele locatie naar een bedrijventerrein. Met een gemiddelde ruimtevraag van 1.145 m² bedraagt de totale ruimtevraag ongeveer 6 hectare.
q

De totale vraag (A1+A2) van ondernemingen uit Tilburg bedraagt 12 hectare.

14

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Vraag B: bedrijventerreinbehoefte in Tilburg van bedrijven uit de regio Op min of meer dezelfde werkwijze als bij het bepalen van de vraag van de eigen bedrijven wordt de vraag bepaald uit de regio. Uitgangspunt hierbij is dat alleen de grote bedrijven mogelijk naar Tilburg komen. Ook hierbij wordt onderscheid gemaakt naar bedrijven niet op een bedrijventerrein gevestigd en ondernemingen die wel op een bedrijventerrein zijn gevestigd. Dit in verband met het verschil in verplaatsingsfactoren.
q

De gemiddelde jaarlijkse vraag naar bedrijventerrein vanuit de regio wordt geraamd op ongeveer 7 hectare.

Vraag C bedrijventerreinbehoefte in Tilburg van bedrijven uit overig Noord-Brabant en daarbuiten De raming van de vraag naar bedrijventerrein door bedrijven van buiten de regio wordt berekend aan de hand van de gemiddelde jaarlijkse vraag uit het verleden. Op basis hiervan bedraagt de vraag 4,5 hectare gemiddeld per jaar.

Totale gemiddelde jaarlijkse ruimtebehoefte De totale vraag naar ruimte op bedrijventerreinen in de gemeente Tilburg bedraagt ongeveer 24 hectare. In onderstaande tabel wordt deze totale vraag opgesplitst naar vraagcategorie.

Tabel 2 Totale geraamde gemiddelde jaarlijkse vraag naar bedrijventerreinen in Tilburg per vraagcategorie in ha (afgerond)
OPBOUW VRAAG A Vraag in Tilburg A1 Vraag bedrijven op bedrijventerrein w.v.: - uitbreiding - verplaatsing A2 Vraag bedrijven niet op bedrijventerrein B Vraag uit de regio C Vraag van buiten de regio TOTALE VRAAG TILBURG RUIMTEBEHOEFTE GEMIDDELD PER JAAR Subtotaal in ha Totaal in ha 12 6 1 5 6 7 5 24

Bij een gemiddelde jaarlijkse ruimtebehoefte van 24 hectare volgt een behoefteraming voor de periode 2002-2015 van 336 hectare. Bij een actuele voorraad van ongeveer 141 hectare resulteert een planningsopgave van 195 hectare. Het totaal aan zachte plannen (300 hectare) kan deze planningsopgave invullen. Hierbij moet echter opgemerkt worden dat een deel van de zachte plannen niet door zal gaan. In Tilburg speelt dit bijvoorbeeld door het wegvallen van geplande bedrijventerreinen in de groene mal.

15

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Confrontatie vraag en aanbod
Rekening houdend met de gemiddelde productietijd van bedrijventerreinen kunnen voor de gewenste omvang van de capaciteit de volgende indicatieve richtpunten worden geformuleerd: § Eén à twee maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte moet direct voor uitgifte beschikbaar zijn (én er moet sprake zijn van een vigerend bestemmingplan, terwijl de grond in handen van de gemeente moet zijn). Dit betekent dat volgens bovenstaande berekeningen, het concreet aanbod 48 hectare moet bedragen. § Om snel het direct uitgeefbare aanbod aan te kunnen vullen, moet vijf à zes maal de gemiddelde jaarlijkse uitgifte in bestemmingsplannen beschikbaar zijn (bestemmingsplancapaciteit). § Voor de gemeente Tilburg zou er derhalve 24 à 48 hectare aan concreet aanbod voor handen moeten zijn, terwijl de bestemmingcapaciteit zo’n 120 à 144 hectare zou moeten bedragen. Om deze gewenste voorraad te kunnen garanderen moet er zoveel zachte plancapaciteit aanwezig zijn dat in de behoefte tot aan het einde van de planperiode (in casu 2015) kan worden voorzien. In verband met de vereiste flexibiliteit (om te kunnen inspelen op niet voorziene ontwikkelingen, onder andere planvertraging of zelfs planuitval) is het nodig om aan de zachte plancapaciteit een bepaald percentage van de behoefte (bijvoorbeeld 20%) in de planperiode als reservecapaciteit toe te voegen. Bij een totale vraag naar bedrijventerrein in Tilburg van 336 hectare in de jaren tot en met 2015, zou er voor de lange termijn 144 à 192 hectare aan zachte plancapaciteit voorhanden moeten zijn, exclusief de aan te houden reservecapaciteit ter grootte van in casu 67 hectare. In paragraaf 2.2 is een overzicht gegeven van de zachte plancapaciteit. Ongeveer 100 hectare is voorbereiding en in voorontwerp. In studie is ongeveer 200 hectare. Uit de cijfers blijkt dat het concrete aanbod in Tilburg nog geen hectare bedraagt en dat de bestemmingsplancapaciteit zo’n 140 hectare bedraagt. Dit lijkt op zich genoeg, ware het niet dat het concrete aanbod moet worden ‘aangezuiverd’. Dit betekent dat er ook aanbod uit de pijplijn naar de bestemmingsplancapaciteit moet doorstromen. De zachte plancapaciteit lijkt voldoende groot om hierin te kunnen voorzien. Dan moeten wel de zachte plannen in studie voor minimaal de helft van de aangegeven omvang worden gerealiseerd en mogen er geen tegenvallers, in de zin van plannen die in afgeslankte vorm of helemaal niet doorgaan, meer bij komen. Uit bovenstaande blijkt dat er op korte termijn te weinig aanbod van bouwrijpe bedrijfsgrond in de gemeente Tilburg voorhanden is. Dit komt onder andere doordat het feitelijk op de markt brengen van concreet aanbod op verschillende terreinen (ernstige) vertraging oploopt. Daarnaast is er sprake van zogenaamde ‘planuitval’ in de zogenaamde ‘groene mal’. Op de lange termijn zit er in principe voldoende capaciteit in de pijplijn. Het lange termijn perspectief is echter niet meer actueel. Dit komt onder andere door de groene mal, maar ook door veranderingen in het beleid van de gemeente Tilburg. Het nieuwe beleid in Tilburg richt zich op de ontwikkeling van kleinschalige en hoogwaardige bedrijventerreinen. Daarbij lijkt Tilburg zich meer te willen richten op de zakelijke dienstverlening.

16

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

De bedrijventerreinenvisie (kwantitatief en kwalitatief) voor de lange termijn daarentegen is nog gebaseerd op inmiddels ter discussie staande uitgangspunten, zoals logistieke dienstverlening als speerpunt en weinig aandacht voor intensief ruimtegebruik en herstructurering. In deze paragraaf is alleen ingegaan op de behoefteraming op kwantitatief niveau. De vraag of het concrete aanbod, de bestemmingsplancapaciteit en de zachte plancapaciteit op kwalitatief niveau aansluiten bij de vraag, blijft in dit onderzoek onbeantwoord.

Conclusies
In dit hoofdstuk is door middel van een gebiedsanalyse van de regio Tilburg inzicht verkregen in de vraag-aanbod-situatie van bedrijventerreinen. Om tot een confrontatie van ruimtebehoefte en aanbod te komen, is het aanbod beschreven, verdeeld naar concreet aanbod, bestemmingsplancapaciteit en zachte plancapaciteit. Een prognose van de toekomstige ruimtebehoefte in de centrumgemeente Tilburg is opgesteld aan de hand van vraag van drie hoofdcategorieën vragers; Tilburgse bedrijven, bedrijvigheid uit de regio en van buiten de regio. Hieruit volgt een jaarlijkse ruimtebehoefte van 24 hectare voor de gemeente Tilburg. Dit betekent een behoefteraming voor de periode 2002-2015 van 336 hectare. Via indicatieve richtlijnen kan de gewenste omvang van de bedrijventerreinencapaciteit geformuleerd worden. Voor de gemeente Tilburg betekent dit dat het concreet aanbod aangevuld moet worden vanuit de bestemmingsplancapaciteit en dat het aanbod vanuit de pijplijn moet doorstromen naar de bestemmingsplancapaciteit. Wil zij voldoende bedrijfsgrond hebben om in de vraag te voorzien, dan zal de gemeente op korte termijn moeten zorgen voor meer concreet aanbod en zal ze op tijd moeten starten met het bouwrijp maken van bestemmingsplancapaciteit en met het zoeken naar mogelijke nieuwe locaties voor bedrijventerreinen. Op dit moment is er echter te weinig grond beschikbaar, waardoor een wachtlijst is ontstaan. Op dit moment kan dan ook geconcludeerd worden dat een selectief vestigingsbeleid noodzakelijk is. Het ligt immers voor de hand om in geval van schaarste grond uit te geven aan die ondernemingen die het meest bijdragen aan het verbeteren van de economische structuur van Tilburg. Het voeren van een selectief vestigingsbeleid is het meest noodzakelijk in de situatie van een tekort aan bedrijfsgrond. Echter, ook in een situatie waarbij het aanbod voldoende is om aan de vraag te voldoen, zullen gemeenten grond zorgvuldig moeten uitgeven. Dit om kwaliteit te realiseren én vast te houden. Ruimtelijke/ beeldkwaliteit is in toenemende mate een punt van aandacht. Het waarborgen van een kwalitatief goed niveau is een vereiste om downgrading te voorkomen en daarmee herstructurering van bedrijventerreinen in de toekomst voor te blijven. In hoofdstuk 1 is reeds opgemerkt dat een integraal bedrijventerreinenbeleid uit een aantal stappen bestaat. De eerste stap, het inzicht verkrijgen in de vraag-aanbod-situatie, is in dit hoofdstuk gezet. Hieruit blijkt een tekort aan aanbod van bedrijfsgrond in de gemeente Tilburg. Het bedrijventerreinenbeleid moet enerzijds natuurlijk voorzien in dit gesignaleerde tekort, maar anderzijds tegelijkertijd ook de vraag in goede banen leiden.

17

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Om het laatste gaat het hier. Ter ondersteuning van een adequaat bedrijventerreinenbeleid wordt in het volgende hoofdstuk een instrument voor selectief vestigingsbeleid ontwikkeld. Het bepalen van objectieve criteria bij het stellen van prioriteiten voor gronduitgifte vormt hiervan een essentieel onderdeel. Het instrument is een zodanig samenstel van uitgiftecriteria dat een verantwoord en transparant uitgiftebeleid mogelijk wordt.

18

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

3. Instrument voor selectief vestigingsbeleid
Inleiding
Uit de voorgaande twee hoofdstukken blijkt dat de noodzaak van het voeren van een selectief vestigingsbeleid voornamelijk ligt in het zorgvuldig omgaan met de ruimte. Het voeren van een selectief vestigingsbeleid wordt urgenter naarmate de ruimte voor economische activiteiten schaarser wordt en in de situatie van het niet voldoende in voorraad hebben van concreet aanbod van bedrijventerreinen. Met andere woorden, in een dergelijke situatie is een aanpak om op korte termijn dan wel meteen iets te kunnen doen aan het knelpunt gewenst. In de tijd dat er wordt gewerkt aan het op het gewenste peil brengen van het aanbod, moet er een manier/ instrument zijn om de schaarste te verdelen. Een dergelijk instrument voor selectief vestigingsbeleid wordt in dit hoofdstuk gepresenteerd. Met behulp van dit instrument wordt de efficiëntie van de gronduitgifte verhoogd en zal de gronduitgifte beter te monitoren zijn door bedrijven en belangenbehartigers van het bedrijfsleven. Het instrument kent de volgende doeleinden:

Doelstellingen instrument:
q q

Gemeenten een middel te geven om te komen tot een goed onderbouwde keuze aan welke bedrijven grond uit te geven en aan welke bedrijven niet. Creëren van transparantie in het keuzeproces.

Opzet instrument
Het instrument is een afwegingskader gebaseerd op criteria waarop een onderneming wordt gescreend en beoordeeld. Deze criteria worden vertaald naar meetbare indicatoren. Voor het vaststellen van deze indicatoren zijn gegevens omtrent verschillende, op bedrijventerreinen voorkomende, sectoren verzameld. Er is een tweetal uitgangspunten geformuleerd. Hier zal bij het opstellen van het afwegingskader rekening mee moeten worden gehouden. De twee uitgangspunten zijn: 1. Economisch beleid van betreffende gemeente 2. Situatie bedrijventerrein Aan de hand van een voorbeeld zal de opbouw van het instrument uitgelegd worden. Het afwegingskader heeft de vorm van een matrix. Tabel 3 geeft deze matrix weer, de opgenomen getallen zijn fictief en hebben tot doel de berekeningen te verduidelijken.

19

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 3 Voorbeeld van het instrument

De kolommen zullen nu één voor één besproken en verantwoord worden. In kolom (1) staan de weegfactoren van de criteria. Door middel van het toekennen van weegfactoren, kunnen gemeenten aangeven aan welke criteria zij meer belang hechten. Dit zal aansluiten bij het beleid dat gevoerd wordt door de gemeente. Deze weegfactoren worden door de gemeente zelf bepaald. Ter verduidelijking van het voorbeeld zijn deze in tabel 3 ingevuld met een fictieve, door ETIN Adviseurs bepaalde waarde. In kolom (2) worden de verschillende criteria gegeven. Deze criteria zijn op basis van desk research, interviews en ervaring opgesteld door ETIN Adviseurs. De keuze van criteria en de bijbehorende indicatoren worden in paragraaf 3.3 verantwoord. In kolom (3) staan de weegfactoren van de indicatoren. Per terrein kunnen de eisen aan ondernemingen verschillen. Het ene terrein is bijvoorbeeld alleen geschikt voor ondernemingen in lagere milieucategorieën, terwijl op bijvoorbeeld een bovenregionaal terrein aan alle categorieën grond kan worden uitgegeven. Door middel van het aanpassen van de weegfactoren kan het instrument aangepast worden op de eigenschappen van het terrein. Er kan al een eerste schifting plaatsvinden doordat een gemeente bijvoorbeeld een terrein alleen wil uitgeven aan ondernemingen werkzaam in bepaalde sectoren. Ook hiervoor geldt dat de hoogte van de gewichten niet door ETIN Adviseurs worden bepaald, maar door de betreffende gemeente. In kolom (4) worden de indicatoren gegeven waarop een onderneming beoordeeld wordt. Deze indicatoren zijn verkregen vanuit desk research, interviews en ervaring.

20

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

In kolom (5) wordt dan de score weergegeven die behaald is per indicator. Voor het toekennen van een score per indicator worden de gegevens van een onderneming vergeleken met het gemiddelde van een sector. Wanneer de gegevens het toelaten wordt voor dit gemiddelde de gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 genomen. Voor het verkrijgen van een objectief beeld zijn de gemiddelden gebaseerd op nationale cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Aan de hand van dit gemiddelde worden verschillende klassen onderscheiden, waarop een onderneming een score kan behalen. Scoort de onderneming slecht, dan krijgt de onderneming een score –1, goed is een score 1 en zeer goed is 3. De score wordt dus behaald op basis van in het verleden behaalde resultaten. Je zou, in plaats van de jaarlijkse gegevens uit de periode 1997-2001, ook kunnen vragen naar toekomstverwachtingen van een onderneming. Deze zijn echter speculatief, daarom wordt de voorkeur gegeven aan gegevens van de afgelopen vijf jaar. Uiteraard zijn ook deze gegevens met onzekerheid omgeven en bieden geen garantie voor de toekomst! Indien grote vraagtekens kunnen worden gezet bij de beoordeling aan de hand van de bedrijfsresultaten over de afgelopen jaren, moeten wellicht ook prognoses worden meegenomen bij de beoordeling. Daar komt bij dat voor starters geen gegevens uit de voorgaande vijf jaar beschikbaar zijn. Voor deze ondernemingen zal de score sowieso bepaald moeten worden aan de hand van verwachtingen (ondernemingsplan) en resultaten van branchegenoten. Voor het bepalen van een score wordt per indicator een score-tabel opgesteld. De werking van zo’n score-tabel wordt uitgelegd aan de hand van de score-tabel voor de indicator van de ontwikkeling van het aantal werknemers in arbeidsjaren. Deze is in tabel 4 opgenomen.

Tabel 4 Voorbeeld Score-tabel
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening <0,2% <-3,3% <1,9% <2.0% <2,6% <3,2% <2,9% Goed (1) 0,2%-0,3% -3,3%--2,0%.0% 1,9%-3,1% 2.0%-3,3% 2,6%-4,3% 3,2%-5,3% 2,9%-4,9% Zeer goed (3) >0,3% >-2,0% >3,1% >3,3% >4,3% >5,3% >4,9%

De grenzen in de score-tabel worden berekend door middel van een bandbreedte van een kwart van het gemiddelde. Aangezien het om gegevens gaat op macro-niveau van het Centraal Bureau voor de Statistiek, heeft het geen zin om hier een statistische methode op los te laten. Er is niets bekend over de steekproef, zoals bijvoorbeeld de verdeling van de steekproef. Alleen de sectoren, waarvan de vestigingen veelvuldig op bedrijventerreinen voorkomen, zijn opgenomen in de score-tabel. Voor elk criterium worden de indicatoren in paragraaf 3.3 uitgewerkt. In kolom (6) van tabel 3 wordt de score berekend per criterium, rekening houdend met het gewicht dat aan de indicator is gegeven. Op deze manier kan een score berekend worden per criterium.

21

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

In kolom (7) wordt de score per criterium uit kolom (6) vermenigvuldigd met de weegfactor per criterium uit kolom (1). Wanneer de scores op de gewogen criteria worden opgeteld komt men tot een eindscore. Deze eindscore kan variëren tussen –1 en 3.

Uitwerking criteria

3.3.1 Het werkgelegenheidscriterium Uit interviews met verschillende gemeenten blijkt dat het werkgelegenheidscriterium het belangrijkste criterium is waarop een onderneming geselecteerd wordt. Vaak wil men niet alleen meer arbeidsplaatsen, maar ook meer hoogwaardige arbeidsplaatsen. Met het aantrekken van bedrijven wil men meer werkgelegenheid creëren en een kwaliteitsslag maken. De werkgelegenheid die een onderneming met zich meebrengt, kan vanuit zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht gemeten worden. Voor het criterium werkgelegenheid zijn daarom de volgende indicatoren onderscheiden: q Aantal werknemers q Gemiddelde scholingsgraad

Aantal werknemers De groei van de werkgelegenheid verschilt aanzienlijk tussen de bedrijfstakken. Dit is echter niet goed in aantallen banen of werkzame personen uit te drukken, omdat het belang van deeltijdwerk in iedere bedrijfstak anders is. In de bouwnijverheid wordt maar een van iedere tien banen in deeltijd vervuld, terwijl dit in de gezondheids- en welzijnszorg voor zeven van de tien banen geldt. De ontwikkeling van de werkgelegenheid is daarom het beste weer te geven in hele banen. De omvang van alle banen is hiertoe omgerekend naar voltijdbanen. Dit wordt arbeidsjaren genoemd. Het aantal arbeidsjaren nam in Nederland in 2000 toe met 113 duizend. Met name de handel (24 duizend) en zakelijke dienstverlening (23 duizend) zorgden voor een toename van de werkgelegenheid. In 2001 is het aantal arbeidsjaren toegenomen met 120 duizend. Absoluut gezien had de sector gezondheids- en welzijnszorg de hoogste toename van het aantal arbeidsjaren (27 duizend). Na deze sector volgt de sector handel en reparatie met 22 duizend arbeidsjaren. De groei in de zakelijke dienstverlening is verminderd tot een toename van 17 duizend. In de volgende tabel wordt de relatieve verandering van het aantal arbeidsjaren per sector gegeven voor de periode 1997-2001.

22

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 5 Ontwikkeling werkgelegenheid in arbeidsjaren per sector in de periode 1997-2001
1997-2001 Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening Bron: CBS 0,83% -10,53% 10,11% 10,40% 13,46% 16,81% 15,60% gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 0,2% -2,6% 2,5% 2,6% 3,4% 4,2% 3,9%

De ontwikkeling van de werkgelegenheid in arbeidsjaren van een onderneming wordt vergeleken met de ontwikkeling in de betreffende sector. De score-tabel voor de indicator werkgelegenheidsontwikkeling komt er als volgt uit te zien:

Tabel 6 Score-tabel Ontwikkeling werkgelegenheid in arbeidsjaren in de periode 1997-2001
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening <0,2% <-3,3% <1,9% <2.0% <2,6% <3,2% <2,9% Goed (1) 0,2%-0,3% -3,3%--2,0%.0% 1,9%-3,1% 2.0%-3,3% 2,6%-4,3% 3,2%-5,3% 2,9%-4,9% Zeer goed (3) >0,3% >-2,0% >3,1% >3,3% >4,3% >5,3% >4,9%

Gemiddelde scholingsgraad Nederland ontwikkelt zich naar een maatschappij waarin de beschikbaarheid en ontwikkeling van kennis een grote rol spelen bij het realiseren van duurzame economische groei. Een structureel hogere groei van de arbeidsproductiviteit en een verhoging van de arbeidsdeelname zijn onmisbaar, zeker tegen de achtergrond van de vergrijzing en ontgroening van de samenleving. Een stijging van het opleidingsniveau van de (beroeps)bevolking is een belangrijke maatschappelijke ontwikkeling. Het aandeel hoogopgeleide mensen in de beroepsbevolking geeft een indicatie van de kennisintensiteit van de productiefactor arbeid. Kennisintensieve arbeid levert in het algemeen een hogere arbeidsproductiviteit en een hogere toegevoegde waarde. In grafiek 8 is de beroepsbevolking per sector bekeken, onderverdeeld naar opleidingsniveau. Van de sectoren die vaak voorkomen op bedrijventerreinen heeft de zakelijke dienstverlening het hoogste percentage hoogopgeleiden. Bij de bouwnijverheid ligt dit aandeel daarentegen zeer laag. Hieruit volgt dat het percentage hoogopgeleiden van een onderneming uit de bouwnijverheid niet zomaar kan worden vergeleken met dat van een onderneming werkzaam in de zakelijke dienstverlening.

23

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Grafiek 8 Beroepsbevolking naar onderwijsniveau per sector in 2000 in Nederland
Overige diensten Gezondheids-en welzijnszorg Onderwijs Openbaar bestuur en overheid Zakelijke dienstverlening Financiele instellingen Vervoer, opslag en communicatie Horeca Handel en reparatie Bouwnijverheid Energie- en waterleidingbedrijven Industrie Agrarische sector 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% basisonderwijs mavo vbo havo/vwo mbo hbo wo

Bron: CBS

Vanuit grafiek 8 kan de score-tabel worden opgesteld met de verschillende klassen waar een onderneming een score op kan behalen.

Tabel 7 Score-tabel scholingsgraad, aandeel hbo en wo
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening <12,5% <18,8% <4,6% <8,9% <12,8% <26,8% <34,2% Goed (1) 12,5%-20,8% 18,8%-31,3% 4,6%-7,6% 8,9%-14,8% 12,8%-21,3% 26,8%-44,7% 34,2%-57,0% Zeer goed (3) >20,8% >31,3% >7,6% >14,8% >21,3% >44,7% >57,0%

3.3.2 Criterium economie Bij dit thema worden de (economische) prestaties van een onderneming bekeken. Dit wordt gedaan aan de hand van de volgende indicatoren: q Toegevoegde waarde q R&D-intensiteit q Investeringen q Arbeidsproductiviteit

24

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Toegevoegde waarde Of een onderneming voldoende toegevoegde waarde genereert, kan worden bepaald door de ontwikkeling van de afgelopen vijf jaar te vergelijken met de gemiddelde ontwikkeling van de sector waarin het bedrijf werkzaam is. De sector vervoer, opslag en communicatie laat een flinke stijging zien. De financiële dienstverlening laat ten opzichte van de andere sectoren een mindere toename zien. Vanuit deze gegevens wordt de score-tabel geformuleerd.

Tabel 8 Ontwikkeling toegevoegde waarde (prijsniveau 1995) per sector in de periode 1997-2001
1997-2001 Industrie Energie en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening Bron: CBS 10,96% 5,86% 14,99% 19,44% 28,78% 7,55% 18,44% gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 2,6% 1,5% 3,6% 4,6% 6,6% 1,9% 4,3%

Tabel 9 Score-tabel ontwikkeling toegevoegde waarde
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening <2,0% <1,1% <2,7% <3,5% <5,0% <1,4% <3,2% Goed (1) 2,0%-3,3% 1,1%-1,9% 2,7%-4,5% 3,5%-5,8% 5.0%-8,3% 1,4%-2,4% 3,2%-5,4% Zeer goed (3) >3,3% >1,9% >4,5% >5,8% >8,3% >2,4% >5,4%

Innovativiteit Innovatie wordt vaak gezien als de motor van economische groei. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft op bedrijfsniveau onderzoek gedaan naar het verband tussen innovatieve activiteiten en bedrijfsresultaten. Het blijkt dat innovatieve bedrijven beter presteren dan nietinnovatieve bedrijven. De verschillen in omzetgroei zijn daarbij groter dan de verschillen in werkgelegenheidsgroei. Een verklaring hiervoor kan zijn dat bij procesvernieuwingen de productiviteit vaak stijgt. Voor het realiseren van een omzetgroei hoeven niet noodzakelijk extra werknemers aangetrokken te worden. In tabel 10 wordt de R&D-intensiteit berekend voor verschillende bedrijfstakken binnen de industrie en diensten. De R&D-intensiteit zijn de R&Duitgaven uitgedrukt als percentage van de bruto toegevoegde waarde. De elektotechnische industrie en de chemische industrie scoren in zowel absolute zin als op het niveau van de R&D-intensiteit het hoogst. Een onderneming afkomstig uit deze bedrijfstakken, zal aan hogere eisen van R&D-intensiteit moeten voldoen dan een onderneming uit bijvoorbeeld de bedrijfstak uitgeverijen en drukkerijen.

25

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 10 R&D-intensiteit per sector in 2000
Tw in mln euro Totaal bedrijfstakken Industrie Voedings- en genotmiddelenindustrie Textiel- en lederindustrie Papierindustrie Uitgeverijen en drukkerijen Aardolie-industrie Chemische basisproductenindustrie Chemische eindproductenindustrie Rubber- en kunststofindustrie Basismetaalindustrie Metaalproductenindustrie Machine-industrie Elektrotechnische industrie Transportmiddelenindustrie Overige industrie Diensten Handel, horeca en reparatie Groothandel Detailhandel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Verhuur en zakelijke dienstverlening Computerservicebureaus e.d. Speur- en ontwikkelingswerk Juridische- en economische dienstverlening Architecten- en ingenieursbureaus Zakelijke dienstverlening n.e.g. Milieudienstverlening 393843 61510 11908 1310 1870 5845 2892 4928 3305 1883 1552 4717 4785 5737 2805 7973 193042 58670 29909 14564 27762 25134 78893 7732 1650 12643 4395 5857 2583 R&D-uitgaven in mln euro 4558 3517 259 16 12 12 30 307 627 31 64 37 460 1438 175 48 836 192 142 50 118 104 387 239 30 33 89 26 5 R&D-intensiteit 1,16% 5,72% 2,18% 1,22% 0,64% 0,21% 1,04% 6,23% 18,97% 1,65% 4,12% 0,78% 9,61% 25,07% 6,24% 0,60% 0,43% 0,33% 0,47% 0,34% 0,43% 0,41% 0,49% 3,09% 1,82% 0,26% 2,03% 0,44% 0,19%

Overig Landbouw, bosbouw en visserij Delfstoffenwinning Energie- en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Bron: CBS

51253 10472 11677 6008 23096

205 55 88 24 38

0,40% 0,53% 0,75% 0,40% 0,16%

Voor het formuleren worden alleen die bedrijfstakken opgenomen die een R&D-intensiteit hebben hoger dan drie. Ondernemingen uit een andere bedrijfstak met een R&D-intensiteit groter dan 2% scoren zeer goed, omdat R&D in deze bedrijfstakken minder vanzelfsprekend is. Tussen 1% en 2% scoren deze ondernemingen goed. Kleiner dan 1% wordt gewaardeerd met 0.

26

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 11 Score-tabel R&D-intensiteit
Slecht (-1) Chemische basisproductenindustrie Chemische eindproductenindustrie Basismetaalindustrie Machine-industrie Elektrotechnische industrie Transportmiddelenindustrie Computerservicebureaus Overig <4,7% <14,2% <3,1% <7,2% <18,8% <4,7% <2,3% Goed (1) 4,7%-7,8% 14,2%-23,7% 3,1%-5,2% 7,2%-12,0% 18,8%-31,3% 4,7%-7,8% 2,3%-3,9% 0,0%-2,0% Zeer goed (3) >7,8% >23,7% >5,2% >12,0% >31,3% >7,8% >3,9% >2,0%

Investeringsniveau Investeringen zijn van groot belang voor de toekomst, met name met het oog op de concurrentiepositie en welvaartsgroei van een land. Geïnvesteerd wordt zowel in (bedrijfs-)gebouwen als in wegvervoermiddelen en daarnaast in machines, computers en immateriële activa. Deze investeringen dragen ook bij aan het tot stand komen van innovaties. In 2001 lag het investeringsniveau lager door het uitstellen van investeringen. In 2002 zullen de investeringen naar verwachting weer hoger liggen door een inhaalvraag. Met name de industrie laat een flinke afname van het investeringsniveau zien. De sector vervoer, opslag en communicatie kent absoluut gezien het hoogste niveau van investeringen. Ook in deze sector is de toename van de investeringen in 2001 afgevlakt. Bij deze indicator wordt de ontwikkeling in de tijd bekeken. Een onderneming die om grond vraagt, zal de investeringen van de afgelopen vijf jaar moeten opgeven. Deze wordt dan vergeleken met de gemiddelde ontwikkeling van de betreffende sector. De volgende tabellen geven respectievelijk de ontwikkeling en de score-tabel weer.

Tabel 12 Ontwikkeling investeringen in de periode 1997-2001
1997-2001 Industrie Energie en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening Bron: CBS -10,0% -8,2% 36,6% 31,6% 67,2% 58,0% 9,1% gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 -2,5% -2,1% 9,2% 7,9% 16,8% 14,5% 2,3%

27

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 13 Score-tabel ontwikkeling investeringen in de periode 1997-2001
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleidingbedrijven Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening <-3,1% <-2,6% <6,9% <5,9% <12,6% <10,9% <1,7% Goed (1) -3.1%--1.9% -2.6%--1.6% 6,9%-11,5% 5,9 %-9,9% 12,6%-21.0% 10,9%-18,1% 1,7%-2,9% Zeer goed (3) >-1,9% >-1,6% >11,5% >9,9% >21.0% >18,1% >2,9%

Arbeidsproductiviteit De structurele groei van de arbeidsproductiviteit bepaalt samen met de toename van het structurele arbeidsaanbod de groeimogelijkheden voor een economie op lange termijn. Doordat de toename van het arbeidsaanbod in de komende jaren afneemt in Nederland, zal de arbeidsproductiviteitsgroei moeten versnellen om een terugval in de economische groei te voorkomen. Arbeidsproductiviteit omvat de toegevoegde waarde (basisprijzen 1995) van de gehele bedrijfstak gedeeld door het aantal arbeidsjaren van dezelfde bedrijfstak.

Tabel 14 Ontwikkeling arbeidsproductiviteit per sector in de periode 1997-2001
1997-2001 Industrie Energie-en waterleiding bedrijven Bouwnijverheid Handel, horeca en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële en zakelijke dienstverlening Bron: CBS 16,7% 26,1% 27,0% 15,0% 6,4% 17,9% gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 3,9% 6,0% 6,2% 3,6% 1,6% 4,2%

Tabel 15 Score-tabel ontwikkeling arbeidsproductiviteit per sector in de periode 1997-2001
Slecht (-1) Industrie Energie-en waterleiding bedrijven Bouwnijverheid Handel, horeca en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële en zakelijke dienstverlening <3,0% <4,5% <4,6% <2,7% <1,2% <3,2% Goed (1) 3,0%-4,9% 4,5%-7,5% 4,6%-7,7% 2,7%-4,5% 1,2%-2,0% 3,2%-5,3% Zeer goed (3) >4,9% >7,5% >7,7% >4,5% >2,0% >5,3%

28

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

3.3.3 Criterium ruimtegebruik Het instrument ter operationalisering van het selectief vestigingsbeleid heeft tot doel het beter verdelen van de beschikbare grond over verschillende economische activiteiten. Gemeenten zullen echter ten aanzien van bedrijventerreinen ook moeten zorgen voor een intensiever ruimtegebruik teneinde ruimtewinst te boeken. Tevens moet gekeken worden naar de locatie die wordt achtergelaten. Een onderneming die verplaatst binnen de gemeente laat in sommige gevallen een locatie achter waar een andere onderneming of andere ondernemingen zich kunnen vestigingen of die door functieverandering een nieuwe invulling kan krijgen (bijv. wonen). Voor een onderneming die van buiten de regio komt, geldt dit niet. Bij dit criterium wordt gebruik gemaakt van de volgende indicatoren:
q q q

Werkgelegenheid per hectare Bebouwingsdichtheid Vrijkomende locatie

Ruimtegebruik per werknemer In de BedrijfsLocatieMonitor (BLM) wordt gebruik gemaakt van de terreinquotiënten-methode om de toekomstige ruimtevraag voor het werken te berekenen. Het terreinquotiënt is het gemiddelde ruimtegebruik per werknemer. In tabel 16 zijn de terreinquotiënten omgerekend naar het aantal werknemers per hectare. Hieruit kan de scoretabel voor het ruimtegebruik per werknemer worden gemaakt.

Tabel 16 Aantal werknemers per hectare per bedrijfstak
Sector Industrie Bedrijfstakken Voedings- en genotmiddelenindustrie Textiel-, kleding- en leerindustrie Overige industrie Chemische basisproductenindustrie Overige chemische industrie Basismetaalindustrie Metaalproducten- en machine-industrie Elektrotechnische industrie Transportmiddelenindustrie Aardolie-industrie Bouwnijverheid Handel en reparatie Bouwnijverheid Detailhandel en reparatie Groothandel Vervoer, opslag en communicatie Vervoer over water, land en luchtvaart Post en telecommunicatie Dienstverlening t.b.v. het vervoer Zakelijke dienstverlening Zakelijke dienstverlening Aantal werknemers per hectare 43 44 21 16 29 34 48 76 44 13 71 31 31 38 172 14 60

Papierindustrie, uitgeverijen en drukkerijen 50

29

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 17 Score-tabel Aantal werknemers per hectare per bedrijfstak
Sector Industrie Bedrijfstakken Voedings- en genotmiddelenindustrie Textiel-, kleding- en leerindustrie Papierindustrie, uitgeverijen en drukkerijen Overige industrie Chemische basisproductenindustrie Overige chemische industrie Basismetaalindustrie Metaalproducten- en machineindustrie Elektrotechnische industrie Transportmiddelenindustrie Aardolie-industrie Bouwnijverheid Handel en reparatie Bouwnijverheid Detailhandel en reparatie Groothandel Vervoer over water, land en Vervoer, opslag en communicatie luchtvaart Post en telecommunicatie Dienstverlening t.b.v. het vervoer Zakelijke dienstverlening Zakelijke dienstverlening Slecht (-1) <32 <33 <38 <16 <12 <22 <26 <36 <57 <33 <10 <53 <23 <23 <29 <129 <11 Goed (1) 32-54 33-55 38-63 16-26 12-20 22-36 26-43 36-60 57-95 33-55 10-16 53-89 23-39 23-39 29-48 129-215 11-18 zeer goed (3) >54 >55 >63 >26 >20 >36 >43 >60 >95 >55 >16 >89 >39 >39 >48 >215 >18

<45

45-75

>75

Bebouwingsdichtheid De bebouwingsdichtheid is het aantal vierkante meters bedrijfsvloeroppervlak ten opzichte van het totaal uitgegeven oppervlak. De gemiddelde bebouwingsdichtheid per kavel, ook wel floor space index (fsi) genoemd, is sterk afhankelijk van het type bedrijf dat op de kavel gevestigd is. Het gemiddelde bedrijf heeft een fsi van 0,8. Uitzondering is de confectie-industrie, waarbij het bebouwingspercentage hoger ligt. Ook vormt de autobranche een uitzondering. Daar komen veelal gestapelde bedrijfsvloeren voor met een fsi van 1,3. De bebouwingsdichtheid bij het gemiddelde kantoorachtig bedrijf is eveneens 1,3. Deze cijfers zijn gebaseerd op een onderzoek van de gemeente Amsterdam naar intensivering van het ruimtegebruik op bedrijventerreinen.

30

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 18 Score-tabel floor space index
Slecht (-1) Bedrijfshal Autobranche Kantoorachtige bedrijven <0,7 <1,2 <1,2 Goed (1) 0,7-0,9 1,2--1.4 1,2-1,4 Zeer goed (3) >0,9 >1,4 >1,4

Vrijkomende locatie Ondernemingen waarvan de vertreklocatie zich in de eigen gemeente bevindt, verdienen de voorkeur boven ondernemingen die geen locatie achterlaten. Er is als het ware sprake van een ‘package deal’; er wordt niet alleen rekening gehouden met de nieuwe locatie, maar er wordt ook gekeken wat de potentie is van de vertreklocatie. Een vertreklocatie kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor de vestiging van nieuwe ondernemingen of van functie veranderen en bijvoorbeeld gebruikt worden voor wonen of recreatie. Bij het invullen van deze score-tabel wordt, vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik, ervoor gekozen om herbestemming voor een werkfunctie hoger te waarderen dan functieverandering. De score-tabel van deze indicator komt er als volgt uit te zien:

Tabel 19 Score-tabel vrijkomende locatie
Slecht (-1) Geen vrijkomende locatie Goed (1) Vrijkomende locatie met andere bestemming Zeer goed (3) Vrijkomende locatie met bestemming werk

3.3.4 Criterium herkomst De plaats waar een onderneming vandaan komt, speelt ook mee in de beslissing grond uit te geven aan een onderneming dan wel te onthouden. ‘Eigen ondernemingen eerst’, komt vaak naar voren uit de interviews, vandaar dat dit criterium ook meegenomen wordt in het instrument. Aan de hand van twee indicatoren wordt dit criterium geoperationaliseerd. Dit is de locatie waar men vandaan verhuist, komt men uit de eigen gemeente of van elders. Ten tweede wordt gekeken naar de urgentie van de aanvraag. Deze indicatoren hoeven niet per sector te worden bezien, er wordt geen verschil gemaakt tussen de herkomst van een industriële onderneming en een onderneming uit de dienstensector.

Vertreklocatie De verschillende typen gemeenten hebben een onderscheiden opvangfunctie voor bedrijvigheid al naar gelang de herkomst van de ruimtevrager: uit de eigen gemeente, uit de regio en van buiten de regio. In paragraaf 1.2 is deze functionele opdeling geschetst. Alle gemeenten hebben een opvangfunctie voor de eigen bedrijvigheid. Bij de indicator ‘vertreklocatie’ wordt bekeken aan welke ondernemingen de voorkeur te geven op basis van hun herkomst. Wanneer een onderneming alleen wordt beoordeeld op basis van herkomst, zal een gemeente de voorkeur geven aan bedrijvigheid uit de eigen gemeente. Deze ondernemingen komen hierdoor in de categorie zeer goed terecht.

31

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 20 Score-tabel herkomst
Slecht (-1) elders Goed (1) regio Zeer goed (3) eigen gemeente

Indicator urgentie Het kan zijn dat een onderneming op de huidige locatie niet verder kan uitbreiden, terwijl investeringen in vernieuwing of uitbreiding noodzakelijk zijn voor het productieproces van de onderneming. Ook deze ondernemingen zullen voorrang moeten krijgen ter voorkoming van het wegtrekken van deze ondernemingen. Urgentie kan ook ontstaan doordat de gemeente zelf bepaalde ondernemingen wil bewegen tot verhuizen, omdat zij bijvoorbeeld een bepaald gebied van functie wil veranderen of het niet passend zijn van een onderneming in de omgeving, bijvoorbeeld in een woonwijk. In de score-tabel wordt alleen onderscheid gemaakt tussen ondernemingen die nog kunnen uitbreiden op de huidige locatie, zij komen minder snel in aanmerking voor een nieuwe locatie dan een onderneming die tegen problemen aanloopt in bijvoorbeeld het productieproces.

Tabel 21 Score-tabel urgentie
Slecht (-1) Uitbreiding is nog mogelijk Goed (1) Zeer goed (3) Geen uitbreiding mogelijk/verhui zen gewenst door gemeente

3.3.5 Criterium Milieu Productie en consumptie beïnvloeden de kwaliteit van de natuurlijke omgeving. Die invloed is door bepaalde aantasting van het milieu en door uitputting van grondstoffen nogal eens negatief. In de relatie milieu en economie spelen ook de ontwikkelingen van het energieverbruik een belangrijke rol. In de toekomst nemen de productieaandelen van de agrosector, de energiesector en de bouwnijverheid af ten gunste van de dienstensector. Hierdoor zal de milieudruk vanuit de agrosector afnemen. Binnen de Nederlandse industrie concentreert de energie- en milieuproblematiek zich met name bij de basisindustrieën. Indicator milieucategorieën Bij het opstellen van een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein is het gebruikelijk een lijst van bedrijven met hun milieukenmerken te hanteren en bij grote terreinen veelal een milieuzonering aan te brengen. Dit is een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. De categorieën geven de afstand aan tussen onderneming en woonwijk. De afstanden worden gemeten op basis van aspecten als geluid, stank, stof en gevaar. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend.

32

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

De volgende categorieën worden onderscheiden: - categorie 1: grootste afstand 0 of 10 meter; in deze categorie zitten bijvoorbeeld de ondernemingen als uitgeverijen, detailhandel en kantoorachtigen. - categorie 2: grootste afstand 30 meter; onderwijs, financiële en zakelijke dienstverlening - categorie 3: grootste afstand 50 of 100 meter; bedrijven uit de bedrijfstak van vervaardiging van producten van metaal, bouwnijverheid - categorie 4: grootste afstand 200 of 300 meter; vervaardiging van chemische producten - categorie 5: grootste afstand 500, 700 of 1.000 meter; vervaardiging van metalen - categorie 6: grootste afstand 1500 meter; kerncentrales De milieuzonering zal per bedrijventerrein verschillend zijn. Factoren die hier bijvoorbeeld van belang bij zijn, zijn de ligging van het terrein en het gewenste profiel van een bedrijventerrein. Deze score-tabel moet dus eigenlijk per terrein ingevuld worden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het terrein alleen geschikt is voor de categorieën 1 tot en met 3. De voorkeur op basis van de milieucategorie van een onderneming zal dan anders liggen. In tabel 22 is de score-tabel ter illustratie ingevuld.

Tabel 22 Score-tabel Milieucategorieën
Slecht (-1) Categorie 5 en 6 Goed (1) Categorie 3 en 4 Zeer goed (3) Categorie 1 en 2

Indicator energieverbruik Deze indicator is opgenomen vanwege de grote bijdrage van de uitstoot door energieverbruik en mobiliteit aan de totale uitstoot van stoffen die klimaatverandering en verzuring veroorzaken. Met name de sectoren industrie en transport zijn een belangrijke bron van milieubelasting in de vorm van broeikasgassen en verzuring. In tabel 23 wordt de verandering van het verbruik van aardgas gegeven voor de periode 1995-1999.

Tabel 23 Verandering energieverbruik in 1995-1999
1997-2001 Industrie Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening Bron: CBS -5,10% -7,03% 9,82% 4,07% 14,47% -2,56% gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001 -1,3% -1,7% 2,9% 1,6% 3,8% 0,4%

33

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 24 Score-tabel energieverbruik
Slecht (-1) Industrie Bouwnijverheid Handel en reparatie Vervoer, opslag en communicatie Financiële dienstverlening Zakelijke dienstverlening >-1,0% >-1,3% >3.6% >2,0% >4,8% >0,6% Goed (1) -1.6%--1.0% -2.1%--1.3% 2,2%-3,6% 1,2%-2,0% 2,9%-4,8% 0,3%-0,6% Zeer goed (3) <-1,6% <-2,1% <2.2% <1,2% <2,9% <0,3%

34

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

4. Instrument toegepast: een praktijkvoorbeeld
Inleiding
In dit hoofdstuk zal de werking van het instrument aan de hand van een praktijkvoorbeeld nader worden toegelicht. Tevens geeft dit hoofdstuk een evaluatie van het instrument.

Uitgangspunten praktijkvoorbeeld
Het nieuwe beleid van de gemeente Tilburg lijkt zich op de ontwikkeling van kleinschalige en hoogwaardige bedrijventerreinen te gaan richten. In haar acquisitiebeleid richt de gemeente Tilburg zich op hoogwaardige en duurzame ondernemingen. De behoefte van grootschalige bedrijven wordt onder andere opgevangen in het gebied Vossenberg-West. Het terrein is bestemd voor grootschalige ondernemingen, maar de gemeente geeft ondertussen de voorkeur aan ondernemingen met een hoge bebouwingsdichtheid. Te denken valt aan bedrijven die gestapeld bouwen of meervoudig ruimtegebruik toepassen. De wachtlijst is opgesteld aan de hand van de feitelijke uitgiften in 2000 in de gemeente Tilburg. Hierdoor wordt een zo realistisch mogelijk beeld verkregen van de ondernemingen die grond zouden kunnen vragen in de gemeente Tilburg. Door middel van een koppeling van de Bedrijventerreinenquête en het Vestigingenregister is per onderneming het aantal banen achterhaald. De andere indicatoren, zoals toegevoegde waarde, zijn fictief. Alle ondernemingen op de (voorbeeld)wachtlijst vragen grond op het bedrijventerrein Vossenberg-West. Een overzicht van de verschillende kenmerken van de ondernemingen wordt gegeven in bijlage 3. Tabel 25 geeft de gegevens van de ondernemingen per indicator weer. Voor bepaalde indicatoren wordt gevraagd naar de gemiddelde verandering per jaar in de periode 1997-2001. Vanuit de gegevens in bijlage 3 kunnen deze per onderneming berekend worden. Aan de gegevens van tabel 25 kan nu een score worden gegeven. Hiertoe is een scorekaart opgesteld, met daarin de scores van de verschillende ondernemingen (tabel 26). Vervolgens kan per onderneming een score-matrix worden opgesteld. Het opstellen van scorekaart en score-matrices gebeurt in de volgende paragraaf.

35

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 25 Gegevens ondernemingen per indicator

Score-kaart en score-matrices
De gegevens uit tabel 25 worden vergeleken met de categorieën uit de score-tabellen. Hieruit volgt de score per indicator. Deze score wordt in een scorekaart weergegeven. De scorekaartmethode is ontwikkeld door de RAND Corporation. In Nederland is de methode ondermeer toegepast bij een beleidsanalytische studie over de Oosterschelde alternatieven. Ook in MER’s wordt deze methode gehanteerd. Centraal in de scorekaartmethode staat een evaluatiematrix. Het principe van de scorekaart is vrij simpel: met behulp van een kleurtje wordt in de evaluatiematrix aangegeven welk alternatief het ‘beste’ scoort op een criterium of indicator, welke minder goed scoort en welk alternatief het slechtste is. In dit geval zijn de alternatieven de verschillende ondernemingen die om bedrijfsgrond vragen. De eenvoud van de scorekaartmethode is erg aantrekkelijk. Een bezwaar is echter dat de gebruikers van de scorekaart erg snel beïnvloed worden indien bepaalde kleuren overheersen bij een bepaald alternatief. Terwijl deze kleuren misschien hoofdzakelijk zijn toegekend voor een goede score op minder belangrijke criteria. Dit kan worden opgelost door te werken met gewogen sommeringen. Dit wordt gedaan in de score-matrix.

36

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

De criteriumindicatoren worden beoordeeld in de vorm van ‘rapportcijfers’, welke liggen tussen –1 en 3. Hierbij geldt ‘hoe hoger, hoe beter’. In onderstaande scorekaart worden de verschillen in scores aangegeven met kleuren. Aan de score 3 wordt een groene kleur gegeven, de score 0 en 1 krijgt een blauwe kleur en de score –1 een rode kleur.

Tabel 26 Scorekaart

Vanuit de score-kaart worden de score-matrices opgesteld. De score-matrices worden in bijlage 4 weergegeven. Bij het opstellen van de score-matrices moeten de weegfactoren van de criteria en de indicatoren worden bepaald. De weegfactoren worden bepaald op basis van het beleid van de gemeente. In dit voorbeeld is dit de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg richt zich bijvoorbeeld in haar acquisitiebeleid op hoogwaardige en duurzame ondernemingen. ‘Hoogwaardig’ en ‘duurzaam’ zijn in kwantitatieve termen moeilijk te operationaliseren. Extra nadruk kan bijvoorbeeld komen te liggen op ruimtegebruik en milieu. De weegfactoren van de indicatoren worden bepaald door de inrichting van het bedrijventerrein zelf. Hierbij ligt de nadruk bijvoorbeeld binnen het criterium werkgelegenheid op het opleidingsniveau. Er wordt gestreefd naar hoogwaardige bedrijvigheid op het terrein, dit komt onder andere tot uitdrukking in de hoogte van het opleidingsniveau en R&D. Met behulp van deze matrices kan de wachtlijst gerangschikt worden naar volgorde van de onderneming met de hoogste score. Deze volgorde wordt in tabel 27 weergegeven.

37

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Tabel 27 Wachtlijst in volgorde van prioriteit
Onderneming onderneming 10 onderneming 9 onderneming 6 onderneming 8 onderneming 5 onderneming 7 onderneming 3 onderneming 2 onderneming 1 onderneming 4 Score 2,24 2,00 1,72 1,60 1,52 1,28 1,32 1,12 0,72 0,68

Op basis van deze tabel zal in eerste instantie de voorkeur uitgaan naar onderneming 10 bij de uitgifte van een kavel.

Evaluatie
In dit hoofdstuk heeft het ontwikkelde instrument ‘proefgedraaid’ met deels gefingeerde gegevens van tien echte ondernemingen. Op deze manier is een wachtlijst van bedrijven opgesteld op basis van de hoogte van hun score. Met behulp van een score-matrix zijn de ondernemingen onderling vergeleken. Hieruit blijkt wat de ‘beste’ onderneming is op grond van de verschillende criteria. De methode blijkt eenvoudig te gebruiken. Wel moeten er nogal wat gegevens bekend zijn van de ondernemingen. Het is de vraag of ondernemingen deze vrij willen geven. Wanneer een onderneming dit niet doet zou overwogen kunnen worden dit negatief te waarderen. Het bedrijf krijgt dan geen score op de indicatoren waarover geen gegevens worden vrijgegeven. Ook kan worden besloten om dit so wie so niet te tolereren en valt de onderneming bij voorbaat af.

38

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

5. Samenvatting en conclusies
Vanuit de Kamer van Koophandel bestaat de behoefte om het bedrijventerreinenbeleid in de gemeente Tilburg en de regio opnieuw tegen het licht te houden. Een integraal bedrijventerreinenbeleid kent een aantal stappen. Het verkrijgen van inzicht in de vraagaanbodsituatie is de eerste stap. Hierna moet gekeken worden waar de bedrijvigheid te localiseren en daarna volgt het gronduitgiftebeleid. Dit rapport gaat dieper in op de eerste stap, het opstellen van een vraagaanbod-analyse en ontwikkelt een instrument voor het gronduitgiftebeleid. In dit rapport is voor de gemeente Tilburg een vraag-aanbodanalyse opgesteld. Met behulp van een behoefteraming is inzicht verkregen in de vraag-aanbodsituatie van de gemeente Tilburg. Hieruit blijkt dat op korte termijn te weinig aanbod van bouwrijpe bedrijfsgrond in de gemeente Tilburg voor handen is. Op de lange termijn zit er in principe voldoende capaciteit in de pijplijn. Het lange termijn perspectief is echter niet meer actueel. Dit komt onder andere door de groene mal, maar ook door veranderingen in het beleid van de gemeente Tilburg. Het nieuwe beleid in Tilburg lijkt zich steeds meer te richten op de ontwikkeling van kleinschalige en hoogwaardige bedrijventerreinen. Daarbij wil de gemeente zich meer richten op de zakelijke dienstverlening. Een selectief vestigingsbeleid kan een onderdeel zijn van het gronduitgiftebeleid van een gemeente. Ter operationalisering van het begrip selectief vestigingsbeleid is in dit rapport een instrument ontwikkeld. Dit instrument moet worden gezien als een aanzet voor een selectief vestigingsbeleid. ETIN Adviseurs heeft hiermee willen aantonen dat een selectief vestigingsbeleid niet alleen wenselijk is, maar ook operationeel mogelijk is. Het instrument verhoogt de transparantie van het gronduitgiftebeleid. Met behulp van het instrument kan de gemeente haar keuze voor uitgifte van bedrijfskavel aan bepaalde ondernemingen onderbouwen. De uitgifte van bedrijventerrein zal binnen het kader van een objectief instrument uiteindelijk maatwerk blijven. Er dient immers een zekere beleidsvrijheid te blijven bestaan waarbij het bestuur op basis van een totaalafweging uiteindelijk beslist over het wel of niet uitgeven van grond aan een onderneming. Dit is ook uit verschillende interviews met gemeenten gebleken. Vaak is al jaren dezelfde persoon verantwoordelijk voor de uitgifte binnen de gemeente. Deze kent de ondernemingen binnen de gemeente en kan de aanvragen op hun merites beoordelen. Het is echter moeilijk deze subjectieve keuze te onderbouwen naar ondernemingen toe die geen grond krijgen toegewezen. Het beleid is niet transparant. Met gebruik van het instrument voor selectief vestigingsbeleid wordt deze transparantie verhoogd. Het verhogen van de transparantie en het maken van goed onderbouwde keuzes vormt de toegevoegde waarde van het instrument voor selectief vestigingsbeleid op het huidige uitgiftebeleid. Bij het opstellen van het instrument is gekozen voor een afwegingskader met een aantal criteria en indicatoren waarop een onderneming beoordeeld wordt. Aan de hand van desk research, brainstormsessie en ervaring zijn de criteria en indicatoren gekozen. Uiteraard zijn hier variaties op te bedenken, dan wel aanpassingen op door te voeren. ETIN Adviseurs denkt echter binnen de mogelijkheden een bruikbare set van criteria en indicatoren ontwikkeld te hebben.
Referentie: GB/LI/220057/7357

39

Bijlage 1 Aanbod van bedrijventerreinen

Gemeente

Bedrijventerrein

Tilburg

Albion Katsbogten+Zuid Middenbrabantweg Rhijnkant+uitbreiding Vossenberg Vossenberg West Tijvoort Tichelrijt II

Subtotaal Tilburg Goirle Subtotaal Goirle Dongen Subtotaal Dongen Gilze en Rijen Subtotaal Gilze en Rijen Subtotaal stedelijk gebied Alphen-Chaam Subtotaal Alphen-Chaam Oisterwijk

Voorraad uitgeefbaar terrein per 1-12002 gem part 0.00 0.60 0.00 3.80 0.30 0.00 1.50 0.00 0.00 0.00 0.13 134.30 2.53 138.10 0.40 0.00 0.40 0.00 11.73 0.00 11.73 14.33 14.33 26.46 1.48 0.49 1.97 5.00 1.90 6.40 13.30 7.87 7.87 0.00 34.00 34.00 34.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.80 0.80 0.00 0.00

Terstond uitgeefbaar terrein per 1-12002 gem part 0.60 0.00 0.00 3.80 0.30 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.13 0.00 1.03 3.80 0.40 0.00 0.40 0.00 11.73 0.00 11.73 11.73 11.73 23.86 1.48 0.49 1.97 0.00 0.00 2.40 2.40 3.40 3.40 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.80 0.80 0.00 0.00

Niet-terstond uitgeefbaar terrein per 1-12002 gem part 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 1.50 0.00 0.00 0.00 0.00 134.30 1.50 134.30 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 2.60 2.60 2.60 0.00 0.00 0.00 5.00 1.90 4.00 10.90 4.47 4.47 0.00 34.00 34.00 34.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00

Haansberg

Baarleseweg Noord Alphen De Sonman Uitbreiding Kerkhoven Laarakkers Esbeek

Subtotaal Oisterwijk Hilvarenbeek Subtotaal Hilvarenbeek Baarle-Nassau Subtotaal Baarle-Nassau Subtotaal landelijk gebied Totaal

23.14 0.80 52.13 172.90

7.77 32.66

0.80 4.60

15.37 0.00 19.47 168.30

ETIN Adviseurs

‘Eigen’ bedrijven

Bedrijven regio Tilburg

Bedrijven van elders (acquisities)

Qua aard en schaal niet passend Wachtlijsten

Op bedrijventerrein

Niet op bedrijventerrein Potentiële verplaatsers Uitgiften aan dergelijke bedrijven in verleden naar sbi en grootteklasse

Kengetallen bedrijventerrein- en vestigingenregister Kengetallen bedrijventerrein- en vestigingenregister

Bedrijventerrein ‘gevoelige’ sbi’s

Uitbreiding

Potentiële vragers bedrijventerrein

Verplaatsing

Nieuw beleid m.b.t. acquisitie

Kengetallen bedrijventerrein- en vestigingenregister Potentiële verplaatsers naar Tilburg

Wachtlijsten Wachtlijsten

Bijlage 2 Schema Analyse Bedrijventerreinbehoefte Tilburg

Vraag A1

Vraag A2

Vraag B

Vraag C

Bedrijventerreinbehoefte Tilburg in Streekplan

Naar een selectief vestigingsbeleid

Totale bedrijventerrein behoefte Tilburg

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Bijlage 3 Wachtlijst bedrijventerrein

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

Bijlage 4 Score-matrices

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid

ETIN Adviseurs

Naar een selectief vestigingsbeleid