INHOUD

1.
1.1. 1.2. 1.3.

BLZ

5.
5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8.

UITWERKING......................................................38
Segmentering .......................................................38 Milieuzonering ......................................................41 Bebouwing ............................................................43 Inrichting bedrijfskavels ........................................47 Plettenburglaan ....................................................53 Interne ontsluitingswegen.....................................55 Inrichting zuidrand bedrijventerrein ......................56 Financiële haalbaarheid .......................................57

INLEIDING ............................................................ 3
Plangebied..............................................................3 Uitgangspunten.......................................................4 Korte beschrijving inhoud toelichting ......................5

2.
2.1. 2.2.

ONDERBOUWING ............................................... 6
Functionele onderbouwing......................................6 Ruimtelijke onderbouwing.......................................9

6.
6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6. 6.7. 6.8.

MILIEU.................................................................58
Overzicht milieu-aspecten en sociale veiligheid...58 Milieu-effecten Randweg 5e fase..........................59 Waterhuishouding.................................................61 Duurzaam bouwen ...............................................65 Trillingshinder .......................................................66 Externe Veiligheid.................................................66 Intensief ruimtegebruik .........................................72 Brandweer ............................................................73

3.
3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.

HUIDIGE SITUATIE ............................................ 10
A-biotische kenmerken .........................................10 Historische kenmerken .........................................12 Landschappelijke karakteristiek............................19 Flora en Fauna .....................................................21 Infrastructuur.........................................................24 Milieubelasting ......................................................25 Luchtkwaliteit ........................................................25 Externe Veiligheid.................................................26 Samenvattende conclusies...................................27

7.
7.1. 7.2. 7.3.

REGELGEVING ..................................................74
Opzet ....................................................................74 Procedurebepalingen Alg. wet bestuursrecht.......75 Status beeldkwaliteitplan ......................................76

4.
4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.

STREEFBEELD.................................................. 29
Structuurplan Bedrijventerrein Hondsgemet.........29 Externe en interne ontsluiting ...............................31 Groenstructuur......................................................33 Waterstructuur ......................................................35 Bebouwingsbeeld .................................................37

8.
8.1. 8.2. 8.3. 8.4.

MAATSCHAPPELIJK OVERLEG.......................78
Provincie Gelderland ............................................78 Kamer van Koophandel, Rivierenland..................80 Rijksdienst voor de Monumentenzorg. .................82 Waterbedrijf Gelderland........................................82

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

1

8.5. 8.6.

Rijksdienst voor het Oudheidkundig bodemonderzoek.................................................. 82 Waterschap Rivierenland ..................................... 82

2

1.

INLEIDING
1.1. Plangebied
Het bedrijventerrein “Hondsgemet” ligt ten zuidoosten van de kern Geldermalsen. Het voorliggende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid" betreft de eerste uitwerking daarvan en wordt omsloten door de Randweg 5e fase, de Plettenburglaan (centrale ontsluitingsweg) en de rijksweg A15/Betuweroute.

Bedrijventerreinen Hondsgemet

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

3

1.2. Uitgangspunten
Kader De gemeenteraad heeft op 28 september 1999 voor de gehele gemeente de Structuurvisie Geldermalsen vastgesteld. Eén van de voorgestelde structurele maatregelen betreft concentratie van woningbouw en bedrijventerrein in het gebied “Hondsgemet”. In de actualisatie van deze Structuurvisie, de zogenaamde notitie “Wikken en Wegen”, is het bedrijventerrein door de raad van maart 2005 nog eens bestendigd. In de zuidrand van Hondsgemet is de Betuweroute aangelegd. Deze spoorlijn maakt een aanpassing van de lokale en regionale wegenstructuur noodzakelijk. Eén van maatregelen betreft de realisering van de Randweg 5e fase tussen de rijksweg A15 en de Provinciale weg-Oost. De randweg is in 2003 opengesteld voor het wegverkeer. De Randweg 5e fase vormt de spil/stedelijke drager voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hondsgemet. Hondsgemet" vastgesteld door de gemeenteraad op 22 november 2005

Plankaart structuurplan bedrijventerrein hondsgemet

Structuurplan bedrijventerrein Hondsgemet IIn Hondsgemet wordt een relatief omvangrijk bedrijventerrein gerealiseerd. Over deze ontwikkeling bestaat lokaal, regionaal en provinciaal overeenstemming. De grote omvang maakt een ontwikkeling in fasen noodzakelijk. Een fasegewijze ontwikkeling vereist een duidelijk samenhangend planologische, ruimtelijke en financieel-economisch kader. Het gemeentebestuur heeft dit kader gecreëerd in de "Structuurvisie Bedrijventerrein

Per fase wordt een bestemmingsplan opgesteld, waarvan het voorliggende bestemmingsplan het eerste in de reeks is. Met deze aanpak wordt voorkomen, dat nu reeds een te omvangrijk gebied in het bestemmingsplan een positieve bestemming "Bedrijventerrein" krijgt. Tevens biedt dit de mogelijkheid om elke fase optimaal af te stemmen op inzichten en marktvraag van dat moment. Het voorliggende bestemmingsplan maakt het planologisch mogelijk om de 1e en 2e fase van bedrijventerrein Hondsgemet te ontwikkelen. Tot deze fasen behoren eveneens de Plettenburglaan (gerealiseerd) en de brandweer/vluchtroute aan de zuidzijde van het plangebied. Het plangebied omvat in feite het hele zuidelijk deel van het
4

toekomstig bedrijventerrein. Het was in eerste instantie de opzet om in het voorliggende bestemmingsplan alleen de ontwikkeling van fase 1 te regelen. Met de verschillende grondeigenaren in het gebied zijn afspraken gemaakt die er toe hebben geleid dat fasen 1 en 2 in ontwikkeling kunnen worden gebracht. Daarom zijn in het voorliggende plan zowel fase 1 als fase 2 uitgewerkt. Voor het plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan Buitengebied 1984. Onderbouwing De onderbouwing en ontwikkeling van het bedrijventerrein is onder meer op een lokaal en subregionaal behoefte onderzoek gebaseerd. De uitgifte wordt in ieder geval gericht op bedrijven uit de eigen gemeente. De subregionale groeitaakstelling maakt het mogelijk bedrijven uit de gemeenten Lingewaal en Neerijnen op te vangen. Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt rekening gehouden met "duurzaam bouwen". Op stedenbouwkundig niveau is dit vooral uitgewerkt door de opzet van het watersysteem: het regenwater wordt zolang mogelijk in het eigen gebied geborgen. De aspecten van duurzaam bouwen op inrichtings- en bouwkundig niveau worden verder uitgewerkt in het uitgifte- en beheersplan. Dit wordt als vervolg op het bestemmingsplan opgesteld en omvat de randvoorwaarden bij de verkoop van kavels.

1.3. Korte beschrijving inhoud toelichting
De voorliggende toelichting is als volgt opgebouwd: ! in dit inleidende hoofdstuk is een motivering gegeven van het gemeentelijk beleid; ! in hoofdstuk 2 wordt de conclusies ten aanzien van de beleidsmatige en kwantitatieve onderbouwing en locatiekeuze van het bedrijventerrein; ! in hoofdstuk 3 komt de bestaande situatie aan de orde; ! in hoofdstuk 4 wordt de stedenbouwkundige opzet van het bedrijventerrein gemotiveerd; ! in hoofdstuk 5 volgen de uitwerkingsregels; ! in hoofdstuk 6 wordt een overzicht gegeven van de milieu-aspecten; ! in hoofdstuk 7 komt de regelgeving aan de orde; ! tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de resultaten van het maatschappelijk overleg.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

5

2.

ONDERBOUWING

2.1. Functionele onderbouwing
In februari 2003 is de nota "Bedrijventerreinen 2002-2006" vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Deze nota vormt de actualisering van de Regionale Bedrijventerreinplanning 1997. Tevens vormt deze actualisering de basis voor het nieuwe streekplan. Het nieuwe streekplan is inmiddels vastgesteld en onderstaande uitgangspunten zijn daar in overgenomen. Centraal staan de volgende uitgangspunten; ! zorgen voor voldoende bedrijventerreinen; ! inzetten op meer concentratie zowel binnen als buiten de Economische Hoofdstructuur; ! efficiënter en duurzamer ruimtegebruik stimuleren; ! zorgen voor een goede bereikbaarheid van bedrijventerreinen. De Economische Hoofdstructuur is een verbijzondering van de Ruimtelijk-Economische Hoofdstructuur uit het streekplan en omvat de zoekruimte voor nieuwe (boven)regionale bedrijventerreinen, grote stationslocaties, grootschalige distributiebedrijven en zware industrie. Aan bedrijven moet de nodige, kwalitatief hoogwaardige, ruimte worden geboden, maar niet zondermeer en overal. Waar mogelijk dient dit plaats te vinden door revitalisering en herstructurering van bestaande terreinen. Daarnaast dient er zorg voor gedragen te worden, dat niet terstond uitgeefbare terreinen tijdig beschikbaar komen. Het aanbod aan bedrijventerreinen dient ruimtelijk geconcentreerd te worden op de beste locaties daarvoor, aansluitend aan al bestaande stedelijke ontwikkelingen
6

In het “Structuurplan bedrijventerrein Hondsgemet” is een uitgebreid hoofdstuk opgenomen met daarin een beschouwing op de noodzaak en behoefte aan bedrijventerrein. Vervolgens is gekeken waar een dergelijk bedrijventerrein ruimtelijk inpasbaar is. De conclusies uit het structuurplan zijn in dit hoofdstuk overgenomen.

binnen en buiten de Economische Hoofdstructuur. Hierbij wordt de ontwikkeling van intergemeentelijke lokale bedrijventerreinen, vanuit zuinig ruimtegebruik, aanbevolen. De beschikbare ruimte dient zuinig gebruikt te worden. In relatie tot huisvesting van bedrijven wordt gestreefd naar het principe van het "juiste bedrijf op de juiste plaats". Dit betekent dat de uitbreidingsbehoefte van zittende bedrijven (in principe) gerealiseerd kan worden in de gemeente waar deze behoefte ontstaat. De ruimtevraag van bedrijven van buiten de gemeente en nieuwe initiatieven van bovenlokale aard of schaal moeten in de Economische Hoofdstructuur worden gerealiseerd. Een uitzondering geldt voor subregionale kernen buiten de Economische Hoofdstructuur. Zij hebben een opvang functie voor vraag afkomstig uit de directe omgeving, voor zover passend naar aard en schaal. Zware industrie en grootschalige transporten distributiebedrijven worden gevestigd op (boven)regionale terreinen binnen de Economische Hoofdstructuur. Geldermalsen wordt hiertoe niet gerekend. Eén belangrijke doelstelling is het bieden van voldoende variatie en het stimuleren van meervoudig ruimtegebruik met het accent op hoogwaardig aanbod aan nieuwe en vernieuwde bedrijventerreinen, zorgvuldig ruimtegebruik en duurzame bedrijfsprocessen en parkmanagement. Hierbij dient aandacht te worden geschonken aan verduurzaming van de inrichting en inpassing van bedrijventerreinen (bijvoorbeeld groen, parkeren e.d.), maar ook aan een

verduurzaming van bedrijfsprocessen (o.a. keten- en stromenbeheer). Er dient gezorgd te worden voor goede (liefst multimodale) bereikbaarheid door nieuwe bedrijventerreinen. Ook een goede virtuele bereikbaarheid is essentieel en vereist aansluiting op moderne ICT-infrastructuur. Voor Rivierenland is de volgende opgave geformuleerd:
Streekplanstatus Regionale opgave, totaal nettooppervlakte voor de periode 2001-2020 in ha, Rivierenland 157

(boven)regionale gemeenten/kernen Tiel* Subregionale gemeenten/kernen 170 (Culemborg, Druten, Geldermalsen Zaltbommel Overige gemeenten 80 Buren, Dodewaard, Echteld, Kesteren, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, West Maas en Waal Totaal 407 * deze gemeenten (of delen daarvan) maken deel uit van de Economische Hoofdstructuur. De genoemde hectares hebben betrekking op de totale gemeentelijke behoefte/beleidsopgave. Bij het zoeken naar locaties moet het "binnengemeentelijke bundelingsbeleid" als richtsnoer worden genomen.

In de Nota Bedrijventerreinen is Hondsgemet aangemerkt als 'pijplijnplan' (nog niet in het ontwerpplan stadium). De nota gaat daarbij uit van een oppervlakte van 27 ha. Geldermalsen kent geen terreinen, die zijn aangemerkt als 'niet terstond uitgeefbaar' Ook nadat de pijplijnplannen en de 'niet terstond uitgeefbare gronden' zijn benut, blijft er behoefte aan bedrijventerreinen. De provincie is voornemens periodiek een vraag/aanbod-

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

7

confrontatie op te stellen en deze te bespreken in het RPB (Regionaal Programmeringsoverleg Bedrijventerreinen). De netto plancapaciteit bedrijventerreinen in hectaren voor de planperiode 2002 t/m 2011 op basis van de nieuwe opgave uit Nota Bedrijventerreinen aangehouden in Gedeputeerde Staten.
Kengetallen planologische voorraad 1-1-2001 uitgifte 1995 t/m 2000 provinciale opgave 1995 t/m 2005 provinciale opgave 1995 t/m 2005 gemiddeld per jaar provinciale opgave 2001 t/m 2020 provinciale opgave 2001 t/m 2020 gemiddeld per jaar Berekening opgave 1995 t/m 2001 opgave 2002 t/m 2011 ijzeren voorraad Totaal Minus uitgifte 1995 t/m 2000 planologische voorraad 1-12001 Totaal Maximale netto plancapaciteit 2002 t/m 2011 48,10 ha 11,20 ha 0,20 ha - 11,40 ha 7*2,00= 14,00 ha 10*3,25= 32,50 ha 4*3,25= 13,00 ha 59,50 ha 65,00 ha. 3,25 ha. 0,20 ha. 11,209 ha 22,00 ha 2,00 ha.

realisering draagt bij tot een evenwichtige ruimtelijkeconomische ontwikkeling van de regio in het algemeen en de gemeente in het bijzonder. Het merendeel van de potentiële te vestigen bedrijven behoort tot de milieucategorieën 1, 2 en 3. De maximale omvang van het merendeel van de nu bekende vraag naar bedrijfskavels bedraagt < 5.000 m2: enkele bedrijven vragen om een kavel van maximaal 10.000 m2. Dit productiemilieu komt overeen met de aan Geldermalsen toegekende taakstelling vanuit het Streekplan. De uitgifte van gronden in de gemeente Geldermalsen is de laatste jaren achtergebleven bij de vraag. Daardoor is er, vanuit de ondernemers, een grote druk ontstaan. Teneinde deze druk zo goed mogelijk op te vangen dient er de eerste jaren extra grond te worden uitgegeven ("inhaalslag").

Er bestaat provinciaal, regionaal en lokaal draagvlak voor de ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein in Geldermalsen. De

8

2.2. Ruimtelijke onderbouwing
Uit het Structuurplan Bedrijventerrein Hondsgemet blijkt dat binnen de bestaande bedrijventerreinen binnen de gemeente geen reële inbreidings- en/of uitbreidingsmogelijkheden voorhanden zijn. De beschikbare inbreidingsruimte is niet substantieel in omvang en gereserveerd voor uitbreiding van bestaande bedrijven. In Beesd is nog enige uitbreidingsruimte aanwezig. De kans is reëel, dat op dit terrein het accent sterk komt te liggen op zogenaamde woon/werkcombinaties. Dit terrein krijgt daarmee een ander profiel als benodigd is voor de opvang van de te verwachten vraag. Met andere woorden, Beesd vormt geen reëel alternatief voor de ontwikkeling van Hondsgemet tot bedrijventerrein. Uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen is niet mogelijk op grond van de rode contouren, of niet gewenst vanuit het oogpunt van landschap, cultuurhistorie, recreatie en/of ontsluiting. De locatie Hondsgemet kent deze problemen niet. De locatie heeft een goede ontsluiting, ook met openbaar vervoer; voldoende areaal binnen de rode contour en ligt in een reeds verstoord landschap. Daarnaast past de locatie ook binnen de kaders van Rijk, provincie en gemeente. De rijksweg A15/Betuweroute vormt uiteindelijk duurzame grens van de kern Geldermalsen. de

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

9

3.

HUIDIGE SITUATIE

3.1. A-biotische kenmerken
Geomorfologie De rivieren Waal en Linge hebben door continue afzettingen en meanderende rivierlopen het landschap gevormd. Het rivierengebied bestaat uit uiterwaarden met een patroon van meanderruggen en geulen. Het zand heeft zich afgezet in de vorm van de oeverwallen. Binnen deze oeverwallen komt een aantal lager gelegen vlaktes voor. Verder van de rivier af vormden zich natte komgronden. Hondsgemet ligt op de oeverwalgronden in een lager gelegen vlakte. Bodem In het plangebied komen de volgende bodemtypen voor: ! kalkhoudende poldervaaggronden, zavel, (Gemiddeld hoogste grondwaterstand 40-80 cm, Gemiddeld laagste grondwaterstand >120 cm); ! kalkloze poldervaaggronden, zavel en lichte klei (Gemiddeld hoogste grondwaterstand <40, Gemiddeld laagste grondwaterstand >120); ! kalkhoudende poldervaaggronden, zware zavel en lichte klei (gemiddeld hoogste grondwaterstand 40-80, gemiddeld laagste grondwaterstand > 120). Deze bodemgesteldheid maakt infiltratie van regenwater weinig effectief. Bodemonderzoek Voor een groot deel van het plangebied (fasen 1 tot en met 4) zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn samengevat in de rapportage “Verkennend bodemonder-zoek conform NEN 5740 `Plan Hondsgemet’ te Meteren“, gedateerd 26 april 2000.

In dit hoofdstuk volgt een kenschets van de bestaande situatie in en rond het plangebied. Bij deze beschrijving wordt met name nagegaan of de bestaande situatie specifieke randvoorwaarden aan de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein stelt.

10

In zijn algemeenheid wordt gesteld, dat zowel de vaste bodem, het grondwater, als het slib in de watergangen, op een aantal plaatsen na, niet tot licht zijn verontreinigd: ! ter plaatse van boring 144 (perceel sectie N, nr. 385) is een sterk verhoogd gehalte aan PAK in de puin- en verbrandingsresten houdende toplaag aangetroffen. Er is besloten geen nader onderzoek te verrichten, om de reden, dat de aangetroffen verontreiniging duidelijk gerelateerd, is aan de toplaag. Tijdens het bouwrijp maken zal de grond worden gesaneerd; ! in peilbuis 168 (perceel sectie N, nr. 388) is een loodgehalte boven de interventiewaarde aangetroffen. In de uitwerkingsfase zal nogmaals een peilbuis worden geplaatst om te controleren of de nu geconstateerde overschrijding dan nog aanwezig is. Gezien de ervaring van andere onderzoeken in het gebied, is de verwachting dat de overschrijding na herplaatsing niet meer aanwezig is. Overigens hoeft een eventuele verontreiniging de ontwikkeling van het bedrijventerrein niet in de weg te staan. Plaatselijk is het grondwater sterk verontreinigd met lood en licht verontreinigd met tolueen en xylenen. Enkel het verhoogde gehalte aan lood vormt aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek. De vaste bodem en het grondwater ter plaatse van de kruising van het wegtracé Randweg 5e fase en de Provinciale weg zijn respectievelijk niet noemenswaardig en niet verontreinigd. Ter plaatse van de geprojecteerde afrit van de A15 kan op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken, worden geconcludeerd dat de vaste bodem niet noemenswaardig tot licht verontreinigd is en het grondwater over het algemeen licht

tot matig verontreinigd is. Nader of aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De overige (verhoogde) gehaltes in zowel de vaste bodem als het grondwater van het onderzochte terrein vormen geen aanleiding voor het verrichten van nader of aanvullend onderzoek. Het betreffende verkennend bodemonderzoek van 26 april 2000 is als externe bijlage bij dit plan gevoegd. Nadien zijn in verband met de aankoop op diverse percelen onderzoeken uitgevoerd in de toplaag van de bodem. De conclusies uit de betreffende onderzoeken bevestigen het geschetste beeld uit de eerdere onderzoeken. De bodem is geschikt voor de realisering van de beoogde nieuwe functies. Watersysteem Centraal door Hondsgemet loopt een A-watergang. Deze watergang zal ten behoeve van de aanleg van het bedrijventerrein, eerste fase vervallen. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de beoogde hydrologische situatie in het plangebied.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

11

Archeologie

3.2. Historische kenmerken
De ruimtelijke en functionele structuur is bepaald door de geomorfologische structuur, bodem en waterhuishouding. De oeverwallen waren de hogere droge gebieden en door de bodemopbouw geschikt voor bewoning en bewerken van het land. Dit resulteerde in een kleinschalig landschap met boomgaarden, singelbeplantingen, akkers, graslanden, lintbebouwingen en kleine kernen. De komgronden zijn later ontgonnen en niet geschikt voor bewoning. Oude verkavelingspatronen en wegen zijn in Hondsgemet terug te vinden (Meersteeg, Blankertseweg). Ook heeft het gebied kenmerken van het oorspronkelijke landschapsbeeld (afwisseling van weiden en boomgaarden en het nagenoeg ontbreken van bebouwing). Bijzonder zijn restanten van de heerlijkheid “Meteren” tezamen met de toegangslanen. Deze landschappelijke elementen liggen in het toekomstig woongebied op redelijke afstand van het bedrijventerrein. De spoorlijn “Geldermalsen-Tiel”, de A15, Betuweroute en stortplaats doorsnijden de oorspronkelijke, kleinschalige patronen. De oorspronkelijke samenhang tussen het plangebied en de wijdere omgeving is hiermee vervaagd. De structuur van het landschap is deels oorspronkelijk. Het gebied kent echter zelf geen of slechts een beperkt aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen. Voor de verdere planontwikkeling is behoud van met name de hoofdlijnen (Meersteeg en Blankertseweg) van belang. Deze structuurlijnen kunnen zich tot herkenbare basislijnen in het nieuwe woon- en werkgebied ontwikkelen. De nieuwe functies worden als het ware in de basisstructuur van het landschap verankerd.

Inleiding Al sinds 2000 is archeologisch onderzoek gaande. Binnen Hondsgemet zijn archeologisch interessante structuren aangetroffen. Enkele conclusies zijn: ! grote nederzetting, ca. 5 ha ! bewoning van Late IJzertijd tot laat Romeinse tijd (ca. 200 v. Chr. – 450 na Chr.), uniek is deze lange bewoningstijd op dezelfde plek in dit gebied; ! veel geïmporteerd metaalwaar uit o.a. Keltische streken, door ligging in geul geven deze vondsten veel wetenschappelijke waarde, kwaliteit is naar verhouding nog goed (zie rapport oktober 2003); ! nabij Betuweroute is geen grafveld gevonden, dit deel is vrijgegeven door de provincie. ROB heeft geconcludeerd dat er sprake is van een nederzetting van nationaal belang. Opgraven is nodig. Bij het opgraven komt de gewenste wetenschappelijke informatie voldoende tot zijn recht. Gedacht wordt aan opgraven van 70% van de nederzetting + archeologische begeleiding bij graven van nieuwe wegen. Nadat de ROB heeft geconcludeerd dat op een voldoende wijze de onderzoeken zijn uitgevoerd, kan het totale gebied in principe ontwikkeld worden. Hieronder wordt beknopt aangegeven wat de vooronderzoeken behelzen en wat de opgraving inhoudt. Aanvullende Archeologische inventarisatie Gedurende een AAI-1 (Aanvullende Archeologische Inventarisatie) zijn in het 82 ha grote plangebied Hondsgemet 308 karterende boringen gezet. Daarbij zijn alleen in fase I van het plangebied twee zones aangetroffen

12

noordwestelijke zone werd een middelmatige tot hoge archeologische waarde toegekend, met dien verstande dat van de hogere vindplaatsdelen op de crevasserug werd vermoed dat deze ernstig verstoord waren. Van de zuidoostelijke concentratie werd verwacht dat deze ernstiger verstoord was door recente bodemingrepen. Aan deze zone werd om die reden een middelmatige archeologische waarde toegekend. In hetzelfde rapport wordt melding gemaakt van een crematiegraf uit de Midden-IJzertijd, dat in 2001 aangetroffen werd in de noordwand van het Betuweroutecunet, hierna vindplaats 2 genoemd (Heunks 2002). Uit een door het AIVU uitgevoerde inventarisatie van amateurcollecties van het oppervlak van vindplaats 1 bleek dat dit nederzettingsterrein een grote hoeveelheid metaalvondsten had opgeleverd (Verhelst 2002). Uitzonderlijk hierin bleek een reeks voorwerpen uit de Late IJzertijd, waaronder twee gouden Eburonenstaters, een voor ons land zeer zeldzame munt van de Remi, drie triquetrumstaters en zes La Tène-fibulae. Dat het terrein ook in de vroeg- en midden-Romeinse tijd in gebruik was, bleek uit een groot aantal objecten van metaal in de geïnventariseerde collecties. Bewoning in de eerste helft van de laat-Romeinse tijd (ca. 270 – 350 na Chr.) wordt aangetoond door een twintigtal munten en vier kledingspelden. Het AAO-1 (Aanvullend Archeologisch Onderzoek) behelsde het aanleggen van vier proefsleuven, alle van 6 m breed
13

met archeologische indicatoren die duiden op een nederzettingsterrein uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, hierna vindplaats 1 genoemd (Bente 2000). Tijdens een AAI-2, waarin 46 aanvullende boringen zijn verricht, is vindplaats 1 verder begrensd en gewaardeerd. Opmerkelijk was het nagenoeg ontbreken van archeologische indicatoren in het ca. 120 m grote gebied tussen beide concentraties. In dit rapport (Heunks 2002) wordt uitgegaan van de veronderstelling dat sprake was van twee ruimtelijk gescheiden woonplaatsen. Aan de
bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid 072-072 februari 2007

(Verhelst 2003b). De eerste drie sleuven zijn uitgegraven op het terrein van de nederzetting, met een centrale sleuf van 460 m over de lengte-as van de woonplaats en twee sleuven van resp. 165 en 265 m haaks daarop. Bij de vindplaats van het crematiegraf, op de dichtstbijzijnde beschikbare plaats in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, is een proefsleuf met een lengte van 45 m gemaakt. Van het nederzettingsterrein zijn in alle sleuven begrenzingen vastgesteld. De conclusie van het AAO-1 is dat de bewoningssporen van vindplaats 1 behoren tot één goed geconserveerde nederzetting uit de Late IJzertijd en de gehele Romeinse tijd (ca. 120 voor – ca. 450 na Chr.). Voor het nederzettingsterrein is vastgesteld dat er sprake is van één doorlopende sporenconcentratie, en niet van twee ruimtelijk gescheiden vindplaatsen. In het gebied tussen beide in de AAI-1 en -2 veronderstelde concentraties blijkt slechts sprake van een lichte afname in spoor- en vondstdichtheid. De aard van de sporenconcentratie, met ruimtelijk gescheiden, over het algemeen niet al te dichte sporenclusters, biedt goede mogelijkheden om structuren uit verschillende perioden van elkaar te scheiden. In de proefsleuven zijn minimaal 2 en maximaal 5 boerderijplattegronden herkend, alsmede 7 plattegronden van bijgebouwen. Daarnaast zijn een oven met stookkuil en een met gekliefde stammetjes beschoeide waterput aangesneden. Langs de noordoostelijke rand van de woonplaats ligt een zich minstens eenmaal vertakkende en ca. 25 m brede restgeul, die een tot 110 cm dik pakket vondstlagen bevat. Uitzonderlijk is de zeer ruime verspreiding van sporen uit de Late IJzertijd (en het begin van de vroeg-Romeinse tijd) en

het veelvuldig voorkomen van –elders zeldzamemetaalvondsten daarin. Een op basis van de vondsten vermoede cultusplaats uit deze tijd kon in het proefonderzoek niet met zekerheid worden aangewezen, maar het blijkt wel mogelijk voorspellingen te doen over de locatie waar eventueel nader onderzoek hiernaar zich zou moeten concentreren. Sporen en vondsten uit de Midden-Romeinse tijd zijn verspreid over de woonplaats aangetroffen en behoren waarschijnlijk tot een reguliere inheemse nederzetting. De metaalvondsten uit de Laat-Romeinse periode suggereren bewoningscontinuïteit van ca. 235 na Chr. tot aan het begin van de 5e eeuw. Een gedeelte van deze vondsten is in situ aangetroffen. Sporen en vondsten uit de laat-Romeinse tijd zijn in het AAO geconcentreerd aangetroffen in een beperkt gebied aan de zuidoostelijke zijde van de vindplaatskern (Verhelst 2003b). In het selectie-advies naar aanleiding van het AAO is vindplaats 1 als behoudenswaardig aangemerkt. Dit advies is overgenomen door de ROB en de provincie Gelderland. Naar aanleiding van de vondst van een crematiegraf, in 2001 ontdekt in het tracé van de Betuweroute, is in de zuidwestelijke hoek van het toekomstige bedrijventerrein gezocht naar de resten van een grafveld uit de MiddenIJzertijd (vindplaats 2). In de daar aangelegde zoeksleuf zijn echter geen grafresten aangetroffen. De vondst van geconcentreerde crematieresten in het gronddepot op geringe afstand van de sleuf doet desalniettemin vermoeden dat in de onmiddellijke nabijheid grafveldsporen aanwezig zijn. In elk geval is in de bewuste proefsleuf wel een greppelspoor blootgelegd dat gelijktijdig kan zijn met het crematiegraf uit de Midden-IJzertijd (Verhelst 2003b).
14

Vooronderzoek: boringen Op basis van een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van boringen (voorheen Aanvullende Archeologische Inventarisatie) in 2000 en 2001 (RAAP) waren twee ruimtelijk gescheiden vindplaatsen aangetroffen op het toekomstige bedrijventerrein Hondsgemet te Meteren. Tijdens werkzaamheden op de Betuweroute was een graf uit de Midden-IJzertijd aangetroffen. Dit deed vermoeden dat de noordwesthoek van het terrein mogelijk een grafveld uit de periode kon herbergen. Vooronderzoek: proefsleuven Een eerste IVO-proefsleuven (ACVU) in het najaar van 2003 bracht aan het licht dat het om één enkele nederzetting (vindplaats 1) ging. De bewoningssporen waren te dateren vanaf de Late IJzertijd tot in de Laat-Romeinse periode. Deze bewoningssporen lagen voornamelijk in een langgerekte strook aan de westelijke oever van een restgeul. Een tiental structuren kon geïdentificeerd worden : 2 mogelijke hoofdgebouwen en 8 bijgebouwen (spiekers). Het mogelijke grafveld (vindplaats 2) werd niet aangetroffen. In de zomer van 2004 is een 2de IVO-proefsleuven uitgevoerd (ACVU). De primaire doelstelling van dit onderzoek in vindplaats 1 was het onderbouwen van een strategie de Opgraving van het nederzettingsterrein. Voor wat betreft vindplaats 2 diende een definitieve uitspraak gedaan te worden. Op basis van de resultaten van IVO 1 en 2 werd de omvang van de nederzettingskern geschat op 5,12 ha. Het PvE stelt dat 70% van de nederzettingskern opgegraven dient te worden.

Door de ROB werd geconcludeerd er sprake was van een vondst van nationaal belang voor de nederzetting. Definitieve opgraving is noodzakelijk. Hiervoor is overleg met de Staatssecretaris van OCW geweest, hetgeen heeft geleid tot een noodzakelijke subsidie. Het veldwerkgedeelte van de definitieve opgraving omvat : ! opgraving nederzettingskern :3,5 ha (waarvan 3,0 ha vindsplaatskern en 0,5 ha restgeul); ! opgraving nederzettingsperiferie : 0,25 ha; ! begeleiding van de aanleg van de wegcunetten (lengte: 2.875 m). Fysische geografie De vindplaats ligt in het rivierkleigebied. De resultaten van de AAI en beide IVO's tonen dat de vindplaats op de westflank van een ca. 150 m brede crevasserug ligt. De crevasse is ontstaan uit de Bommelse stroomgordel, die zich ten zuiden van het plangebied bevindt. Deze stroomgordel was actief tussen ca. 990 en 360 voor Chr. De crevasse heeft verschillende grillig gevormde zijtakken. Bodemopbouw Het bovenste deel van het bodemprofiel ter plekke bestaat uit oeverafzettingen (zavel en lichte klei), met daaronder crevasse-afzettingen (zand, met zavelige en kleiige afzettingen in de top) en vervolgens komafzettingen (klei met plaatselijk veenlagen). De crevasseafzettingen bereiken plaatselijk dikten tot ruim 2 m. In de oeverafzettingen zijn door bodemvormende processen vegetatieniveaus en laklagen ontstaan. Op het centrale, hoogste gedeelte van de crevasse ontbreken de jongere oeverafzettingen.
15

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

Omvang Op basis van de resultaten van het IVO1 was geconcludeerd dat de minimumomvang van de sporenconcentratie geschat kon worden op 5,04 hectare en de maximumomvang 6,15 hectare. De onzekere factor hierin was de uitbreiding van de sporenconcentratie (in zuidwestnoordoostrichting) in het middendeel van de vindplaats. Op basis van het IVO2 kon de oppervlakte van de nederzettingskern bepaald worden op 5,12 ha. Ook bij de nieuwe schatting is evenwel sprake van een zekere marge. Deze heeft met name betrekking op de uitbreiding van de sporenconcentratie in noordelijke en zuidelijke richting. De noordgrens is in dit stadium niet relevant omdat deze juist buiten de huidige planfase van het bedrijventerrein ligt, maar de zuidgrens kan in de loop van het onderzoek nog nader worden bepaald. Van de nederzettingskern bevindt zich 2,3 ha binnen de zone met natuurlijke geulen en 2,8 ha daarbuiten, op de westelijke oever, met een klein gedeelte op de oostelijke oever. Datering De begindatum van de occupatie is te situeren in de 1ste helft van de Late IJzertijd (250 v. Chr. – 120 v.Chr.); een iets vroegere aanvang dus dan gedacht werd na het IVO1. De einddatum wordt nog steeds gelegd in de eerste helft van de 5de eeuw. De nederzetting is continu bewoond in deze hele periode. Vooral de Late IJzertijd/vroeg-Romeinse periode en de laatRomeinse periode zijn goed vertegenwoordigd in het sporenbestand. In de midden-Romeinse periode was de

bewoning relatief minder uitgesproken dan in de voorgaande en de volgende periode. Mogelijk hangt dit samen met de doorbraak van de derde geul (zie verder) waardoor het in dit gebied tijdelijk te vochtig was voor intensievere bewoning. Drie geulen Fysisch-geografisch blijkt de situatie iets ingewikkelder te zijn dan verondersteld na het IVO2. Tijdens het IVO1 zijn 2 geulen herkend aan de oostrand van het bewoningsterrein. Tijdens het IVO2 is geconcludeerd dat het eigenlijk om 3 geulen gaat. De 3 geulen hebben elk grosso modo een zuidoost-noordwest-verloop. Een eerste zeer brede geul – met onderin een vondsthoudende vullingslaag – is te dateren in de eerste helft van de Late IJzertijd (=Geul 1). De westelijke insnijding is plaatselijk herkend, de oostelijke niet vanwege de grote breedte. De diepte (minimaal 4 m) kon evenmin bepaald worden, wegens de onstabiele ondergrond en het grondwater. Een 2de geul ligt iets ten westen van de eerste. Deze geul is opgevuld aan het einde van de Late IJzertijd (= Geul 2). De westelijke insnijding van Geul 2 is ongeveer dezelfde als die van Geul 1. De 3de geul is degene met donkere vullingslagen, die al tijdens IVO1 herkend is (= Geul 3). Het verloop is lichtjes gewijzigd in oostelijke richting. Deze geul is te dateren in de Midden-Romeinse periode. In de onderste vullingslaag is namelijk dakpan en gedraaid aardewerk aangetroffen.

16

Horizontale stratigrafie Gebleken is dat de begrenzing tussen de zone met geulen en de nederzettingskern op de oever niet zo scherp is als tijdens het IVO1 werd vermoed. Op de vulling van geul 2 blijken zich veel sporen uit de gehele Romeinse tijd te bevinden, en op de vulling van geul 3 sporen uit het laatste deel van de midden-Romeinse tijd en mogelijk de laatRomeinse tijd. Met andere woorden, de woonplaats lijkt in de loop der tijd te zijn uitgebreid in oostelijke richting, over de inmiddels dichtgeraakte crevassegeulen. De nederzetting heeft zich in de Late IJzertijd wel voornamelijk ten westen van geul 2 uitgestrekt, maar veel bijbehorende mobilia zijn in Geul 2 geraakt. In de vroeg-Romeinse tijd kan het bewoningsareaal tot aan de oostrand van Geul 2 hebben gelopen, en na het dichtraken van geul 3, in de 2de eeuw na Chr., tot aan de oostrand van die geul, en op één plaats zelfs erbuiten. De spreiding van de sporen over het terrein suggereert echter dat het zwaartepunt van de bewoning zich in alle perioden in de oeverzone westelijk van geul heeft bevonden. Te verwachten sporen en vondsten De resultaten van het IVO2 bevestigen dat de gehele oeverzone ten westen van het geulenstelsel in de Late IJzertijd in gebruik was als bewoningsterrein. De bewoningssporen uit de Romeinse tijd concentreren zich echter in de zuidelijke helft van deze zone. Op basis van de voornaamste occupatieperiode en sporendichtheid is het mogelijk een zonering aan te brengen in de nederzettingskern buiten het geulengebied. De zonering is
1

aangeduid in bijlage 2 en moet als zeer voorlopig worden beschouwd.1 Naast het normale sporenbestand voor een inheemse nederzetting uit genoemde perioden moet (op basis van het proefsleuvenonderzoek) rekening worden gehouden met: ! een rechthoekige omgreppeling uit de laat-Romeinse tijd (Zone A) ! (een) oven(-s) uit de vroeg-Romeinse tijd (Zone A) ! beschoeide waterputten (o.a. Zone A) ! uitbraaksleuven? dan wel greppels met zeer veel tufsteenpuin (zone A) ! speciale (metaal-)deposities in geul 2 (met name zone A en B) ! sporen van excarnatieplatforms? en losse menselijke skeletdelen (zone C) De resultaten van de verschillende vooronderzoeken geven slechts aanleiding om tot de nederzetting behorende kavelgreppels te verwachten. De aanwezigheid van andere sporen of van sporen uit andere perioden kan echter niet geheel worden uitgesloten. Het vondstmateriaal is naar verwachting veel minder omvangrijk dan in de nederzettingskern. Het zal waarschijnlijk om wat aardewerk, botmateriaal en metaal gaan.

Een beschrijving van de zones is te vinden in het Strategisch Plan voor het huidige onderzoek (Schurmans en Verhelst 2004).

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

17

Uitgevoerde onderzoeken Archeologie Hondsgemet Deze paragraaf omvat een samenvattend overzicht van de uitgevoerde onderzoeken “Archeologie Hondsgemet” Opsomming uitgevoerde onderzoeken: ! Bureaustudie 1999 . De in 1999 provinciaal verspreide IKAW kaart (indicatieve kaart archeologische waarde) geeft een archeologische verwachting aan. Voor de plek waar nu de kern van de vindplaats aangetroffen is, bestond een lage verwachtingswaarde. Voor het aansluitende gebied was sprake van een hogere waarde. ! In 2000 heeft het bureau RAAP een voorstudie gedaan en daarna een archeologisch (boor)onderzoek uitgevoerd (RAAP Rapport 575). ! Tussen 2000 en 2002 is conform de aanbevelingen nader (boor)onderzoek uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in het RAAP rapport 850 van december 2002. ! Na overleg tussen ROB en gemeente is het Archeologisch Centrum van de Vrije Universiteit (ACVU) verzocht een programma van eisen te schrijven voor een IVO in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. ! Na de zomervakantie van 2003 is het proefsleuvenonderzoek (2 delen), na het vragen van diverse offertes, uitgevoerd door ACVU-HBS. Spoedig na het uitvoeren van het werk werden in een briefrapport van 24 oktober 2003 de eerste conclusies gerapporteerd. ! In maart 2004 is een programma van eisen geschreven voor aanvullende proefsleufonderzoeken, de definitieve

! !

!

!

opgraving en archeologische begeleiding. Met dit p.v.e. zijn zowel provincie als ROB akkoord gegaan. 2de proefsleuven onderzoek (in 2 delen) uitgevoerd door ACVU-HBS in de zomer van 2004. Briefrapport d.d. 9 juli 2004 van ACVU-HBS inzake vindplaats 2, geen aanwezigheid grafveld nabij Betuweroute. Instemming verkregen van ROB en provincie. Plan van aanpak voor definitieve opgraving gereed september 2004. Instemming verkregen van ROB en provincie. In de periode tussen juni 2004 en december 2004 is intensief overleg geweest tussen ROB, ministerie van

18

!

OCW en de provincie over financiering van de opgraving. Dit heeft in december 2004 geresulteerd in een bijdrage van het ministerie van OCW. In februari 2005 is gestart met de definitieve opgraving. ACVU/HBS is na een offertetraject het uitvoerende archeologische bedrijf in het gebied.

3.3. Landschappelijke karakteristiek
Landschapstypen Het oeverwallenlandschap heeft een afwisselend, gevarieerd landschapsbeeld. Binnen de halfopen landschapsstructuur bevinden zich grote open ruimten. Hondsgemet is een dergelijke ruimte omgeven door boomgaarden en singelbeplantingen. De A15 begrenst Hondsgemet aan de zuidzijde en is niet over het gehele tracé voorzien van een begeleidende beplanting en voegt zich daardoor naar het landschap. Het visueel-ruimtelijk beeld van het onderliggende landschap loopt als het ware over de A15 heen. De plaatsen waar de A15 infrastructuurlijnen kruist, zijn geaccentueerd door beplanting. Bij het knooppunt Wadenoijen vormen de molen en de stortplaats een "bijzonder" herkenningspunt. Het plangebied maakt deel uit van een laaggelegen vlakte binnen de oeverwal. Het gebied bestaat uit een open ruimte binnen de halfopen tot besloten structuur van het omringende landschap. Landschapsbeeld Hondsgemet Uit de impressies van het landschapsbeeld blijkt het volgende: ! op de stroomruggen komt bebouwing voor in afwisseling met weiden en boomgaarden; ! het oorspronkelijk wegenpatroon is in het algemeen grillig; ! binnen dit landschapspatroon vormt Hondsgemet een open ruimte;
19

Opgemerkt wordt, dat in de periode juni 2004 en december 2004 intensief overleg heeft plaatsgevonden tussen het ROB, het ministerie na OCW en de provincie over de financiering van de opgraving. Dit heeft in december 2004 geresulteerd in een financiële bijdrage van het ministerie van OCW. In februari 2005 is gestart met de definitieve opgraving. ACVU/HBS is na een offertetraject het uitvoerend archeologische bedrijf in het gebied. Het veldonderzoek van de opgraving is december 2005 afgerond. Het veldonderzoek heeft aan de verwachtingen voldaan. De te verwachten sporen zijn aangetroffen en in kaart gebracht. Eind 2005 en begin 2006 heeft archeologische begeleiding in de wegcunetten plaatsgevonden. In januari 2006 is in overleg met het ROB vastgesteld, dat het veldonderzoek in voldoende mate is uitgevoerd en dat er uit de archeologische begeleiding geen aanwijzingen zijn dat er nog meer nederzettingen in het gebied aanwezig zijn. Geconcludeerd is, dat er geen belemmeringen zijn om met de procedure om te komen tot vaststelling van het bestemmingsplan voort te gaan, mits uiteraard te zijner tijd conform het p.v.e. de resterende archeologische begeleidingen op een juiste wijze worden uitgevoerd.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

!

! !

de vuilstort vormt een artificieel element. Door de taluds van gras is er sprake van een geleidelijke overgang naar de omgeving; de visuele invloed van bebouwing op het landschap is beperkt; het gebied wordt aan de noord- respectievelijk zuidkant doorsneden door de spoorlijn “Geldermalsen-Tiel” en de rijksweg A15. Deze lijnelementen zijn in het totale landschapsbeeld manifest aanwezig.

Het gebied wordt in beduidende mate aangetast door de vuilstort en aanpalende gebouwen, alsmede de bestaande spoorlijn, de rijksweg A15, de Betuweroute en de Randweg 5e fase. Gezien deze infrastructurele en ruimtelijke aantasting heeft de ontwikkeling van het bedrijventerrein geen grootschalige landschappelijke gevolgen. Een zorgvuldige opzet van de randen van het bedrijventerrein is noodzakelijk, bijvoorbeeld de vroegtijdige aanleg van groenvoorzieningen langs de westrand en een duidelijke presentatie van gebouwen naar de Randweg 5e fase. Hiermee wordt tevens duidelijk, dat de weggebruiker het dorp binnenrijdt. De Randweg verkrijgt mede hierdoor een binnenstedelijk karakter. Door aanleg van de Betuweroute langs de rijksweg A15 zijn de visueel-ruimtelijke effecten van deze infrastructuurlijnen op het landschap aanmerkelijk toegenomen. Ter compensatie van deze effecten zijn inrichtingsmaatregelen noodzakelijk.

Impressie Betuweroute in aanleg

Impressie Randweg 5e fase in aanleg Het College van Burgemeester en Wethouders heeft gekozen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein in de vorm van een zichtlocatie langs de A15. Bebouwing van Hondsgemet mag vanuit de omgeving zichtbaar zijn.
20

3.4. Flora en Fauna
In verband met de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van in het kader van de Flora- en Faunawet beschermde soorten. Indien beschermde soorten in het plangebied voorkomen zal, indien geen vrijstelling geldt, voor het uitvoeren van de werkzaamheden in het kader van de ingreep ontheffing ex artikel 75 van de Floraen Faunawet moeten worden aangevraagd. Om aan deze voorwaarde te voldoen is door Bureau Waardenburg een quick-scan uitgevoerd (rapporten 04-176 en 04-141). De conclusies van het onderzoek ten aanzien van de te verwachten effecten van de ingreep zijn als volgt. ! De voorgenomen ingreep zal geen negatief effect hebben op de duurzame instandhouding van beschermde planten; ! De voorgenomen ingreep zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de duurzame instandhouding van zoogdieren, met mogelijke uitzondering van vleermuizen; ! De voorgenomen ingreep zal geen negatief effect hebben op de duurzame instandhouding van beschermde amfibieën en vissen, met mogelijke uitzondering van grote modderkruiper M.b.t. grote modderkruiper kunnen nog geen uitspraken worden gedaan voor wat betreft effecten, omdat nog onbekend is of de soort aanwezig is. (Het dempen gebeurt bij voorkeur nadat de nieuwe watergangen zijn gegraven); De voorgenomen ingreep zal leiden tot een lokaal verlies aan biotoop voor broedvogels. Indien aanwezig kunnen met de ingreep verblijfplaatsen van steenuilen verloren gaan.
bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid 072-072 februari 2007

In het plangebied komt naar verwachting een aantal beschermde soorten voor. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden zal naar verwachting leiden tot overtreding van verbodsbepalingen, waarvoor vrijstelling geldt of ontheffing zal moeten worden verkregen: ‘Categorie 1’-soorten Voor de ‘categorie 1’-soorten geldt een algemene vrijstelling, indien de werkzaamheden te karakteriseren zijn als ruimtelijke ingreep of bestendig gebruik en beheer. Het betreft in dit geval: gewone vogelmelk, zwanenbloem, mol, egel, gewone bosspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, aardmuis, veldmuis, woelrat, bosmuis, dwergmuis, konijn, vos, hermelijn, wezel, bunzing, kleine watersalamander, middelste groene kikker, gewone pad en bruine kikker. ‘Categorie 2’-soorten Voor de ‘categorie 2’-soorten geldt een vrijstelling, indien de werkzaamheden te karakteriseren zijn als ruimtelijke ingreep of bestendig gebruik en beheer én er gewerkt wordt op basis van een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. In het plangebied komt kleine modderkruiper voor. Omdat momenteel nog niet op basis van een door de Minister goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt, wordt aanbevolen ontheffing ex artikel 75 van de Flora- en faunawet aan te vragen voor kleine modderkruiper:

21

Soort
Kleine modderkruiper Cobitis taenia

Verbodsbepaling
art. 10: verontrusten art. 11: beschadigen en vernielen van holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen

Maatregel
verplaatsen indien aangetroffen

Bruine kikker (Rana temporia) Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) Bittervoorn (Rhodeus sericeus amarus)

In het plangebied komt naar verwachting een aantal soorten voor. Deze zijn in de navolgende tabel weergegeven:
Soort Gewone vogelmelk (Ornithogalum umbellatum) Zwanenbloem (Butomus umbellatus) Mol (Talpa europaea) Ege(Erinaceus europaeus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Woelrat (Arvicola terrestris) Veldmuis (Microtus arvalis) Dwergmuis (Micromys minutus) Konijn (Oryctolagus cuniculus) Vos (Vulpes vulpes) Hermelijn (Mustela eriminea) Wezel (Mustela nivalis) Bunzing (Mustela putorius) Kleine watersalamander (Triturus vulgaris) Gewone pad (Bufo bufo) Middelste groene kikker (Rana klepton esculenta)

Het voorkomen van bittervoorn wordt uitgesloten, gezien de intensieve bemonstering die heeft plaatsgevonden en het ontbreken van grote zoetwatermossels (nodig voor de voortplanting). De kleine modderkruiper is aangetroffen. Indien blijkt dat de aanwezige bebouwing en oude wilgen dienst doen als verblijfplaats van vleermuizen en/of steenuilen dan dient voor deze soorten alsnog ontheffing te worden aangevraagd voor artikel 10 en 11 van de Flora- en Faunawet. Bij de aanvraag moet in een project- en compensatieplan worden aangegeven hoe schade wordt voorkomen, beperkt en/of gecompenseerd (mitigerende en compenserende maatregelen). Nader onderzoek dient uit te wijzen of vleermuizen of steenuilen aanwezig zijn. Indien vleermuizen en of steenuil aanwezig zijn in het plangebied zal bekeken moeten worden welke maatregelen getroffen kunnen worden om de aanwezige dieren te ontzien. Voor wat betreft vleermuizen zullen de maatregelen moeten worden afgestemd op de locatie en de ter plekke aanwezige soorten en aantallen. Ook naar het voorkomen van grote modderkruiper zal nader veldonderzoek moeten worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan het nodig zijn dat er voor deze soort ontheffing wordt verkregen. Bij de aanvraag moet in een project- en compensatieplan worden aangegeven hoe schade wordt voorkomen, beperkt en/of

22

gecompenseerd maatregelen).

(mitigerende

en

compenserende

Met betrekking tot de beschermde soorten ree en haas worden geen verbodsbepalingen overtreden en hoeft derhalve geen ontheffing te worden aangevraagd. Aanvullend onderzoek Door het Bureau Waardenburg B.V. is aanvullend veldwerk uitgevoerd in het gebied “Bedrijventerrein Hondsgemet 1e fase”. Dit veldwerk heeft zich gericht op het mogelijk voorkomen van vleermuizen en de grote modderkruiper. Dit onderzoek is uitgevoerd, daar alle soorten vleermuizen en de grote modderkruiper staan vermeld op de Europese Habitatrichtlijn. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het schrijven van het voornoemd bureau met kenmerk ES/05-156/2 d.d. 11 juli 2005. Op deze plaats wordt volstaan met het weergeven van de conclusie. Er zijn in het gebied geen soorten van de Habitatrichtlijn waargenomen, behalve de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Het is duidelijk dat deze soort een kolonie heeft, die net buiten het gebied gelegen is (ten noorden van de Plettenburglaan) en dat maar een klein deel van het studiegebied gebruikt wordt als jachtgebied. Het grootste deel van de vleermuizen kiest voor een jachtgebied in het noorden. Hierdoor kan worden gesteld, dat de gunstige staat van instandhouding voor deze soort hier niet in het geding is. De resultaten van dit vervolgonderzoek – samen met de resultaten in de eerder uitgevoerde Quick Scan (Bureau Waardenburg rapport nr. 04-141)- geven aan, dat het

aanvragen van een ontheffing ex artikel 75 van de Flora en fauna niet nodig is voor wat betreft het plangebied Hondsgemet fase 1 en 2. De zorgplicht blijft altijd geldig; voor de invulling daarvan zijn enkele handreikingen gegeven. Aanbevelingen Het is mogelijk om tijdens de aanleg van het industrieterrein rekening te houden met gewone dwergvleermuizen door bomen aan te planten langs de weg. Hierdoor kan het toekomstige industrieterrein ook interessant jachtgebied vormen voor de gewone dwergvleermuizen.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

23

3.5. Infrastructuur
De aanleg van de Betuweroute maakte een reconstructie van de aansluitingen van de regionale wegenstructuur op de rijksweg noodzakelijk. Voor Geldermalsen zijn twee ontwikkelingen relevant: 1. Eén van de gevolgen van de aanleg van de Betuweroute is het geheel of gedeeltelijk vervallen van de aansluitingen op de A15 ter hoogte van Meteren en Wadenoijen; 2. Ter plaatse van de Blankertseweg is een nieuwe, vervangende aansluiting op de A15 aangelegd en de Randweg, 5e fase. Deze bevindt zich tussen de kruising van de Randweg met de Provinciale weg Oost (N327) en de kruising van de Blankertseweg met de A15. De Randweg maakt deel uit van de randwegenstructuur. Deze maatregelen zijn planologisch geregeld in het kader van de Tracéwetprocedure ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute en in het bestemmingsplan “Betuweroute”. Deze infrastructuur is inmiddels al enkele jaren in gebruik. Spoorwegovergang Na realisering van de Randweg 5e fase en de nieuwe overweg zijn de overwegen ter hoogte van de AVRI opgeheven (de overgang nabij “Molenaar banket” is reeds opgeheven). Voor het deel in de Meersteeg ten westen van de Randweg is in de uitvoering van de volgende maatregelen uitgevoerd: 1. direct ten noorden van de spoorbaan ‘GeldermalsenTiel-Arnhem’ is voor het fruitverkeer en het langzame verkeer aan de noordzijde van het spoor een nieuwe weg gecreëerd. Het fruitverkeer kan vanaf de op- en afritten Wadenoijen via de Zeekade (ten oosten van

Bedrijventerrein Hogeweide) ongestoord richting de fruitveiling in Geldermalsen rijden. 2. de ontsluiting voor “Molenaar banket” is geregeld via de aangelegde fiets/parallelstructuur. Deze parallelweg is aangesloten op de rotonde in de Randweg. Het oostelijk deel van de Meersteeg en de AVRI zijn bereikbaar door aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg tussen de Randweg, 5e fase en de AVRI. De Plettenburglaan is planologisch onherroepelijk geworden (art. 19. d.d. 15-01-2002, verklaring van geen bezwaar 1312-2001) en aangelegd. Openbaar vervoer De Randweg zal een belangrijke rol gaan vervullen in het openbaarvervoersysteem van Geldermalsen. De Randweg vormt onderdeel van het tracé van het Snelnet.

24

3.6. Milieubelasting

contourlijn van de Betuweroute en de bestaande spoorlijn zijn op nevenstaande afbeelding weergegeven; 4. in verband met de aanleg van de Betuweroute is de Randweg 5e fase aangelegd. De 50 dB(A) en 55 dB(A) contourlijnen zijn aangegeven. Deze milieuzones belasten de kwaliteit van het bestaande milieu. Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein vormen deze zones geen wezenlijke belemmering. Het merendeel van de zones heeft betrekking op geluid: bedrijven zijn als niet geluidsgevoelig aangemerkt. Wel vindt bij de uitgifte een zekere afstemming plaats op de hinderzone van de AVRI (interne milieuzonering).

3.7. Luchtkwaliteit
Op de vorenstaande afbeelding is de huidige milieubelasting van het gehele toekomstig bedrijventerrein Hondsgemet weergegeven. Met betrekking tot deze afbeelding worden de volgende opmerkingen geplaatst: 1. de afvalstortplaats met aanpalende voorzieningen van de AVRI heeft een hinderzone van 300 meter. Deze zone overlapt het oostelijk deel van het plangebied; 2. langs de Meersteeg is de firma Bron gevestigd: rond dit bedrijf bestaat een –theoretische- hinderzone van 700 meter. De grote omvang van deze zone wordt bepaald door een open composteringsinrichting. De activiteit (composteren) is er niet en is ook planologisch niet mogelijk (en wenselijk). De zone is daarmee van rechtswege vervallen; 3. Voorts treedt een milieubelasting op vanwege de rijksweg A15 en de Betuweroute. De 57 dB(A) Het achtergrondniveau van de luchtkwaliteit zal de grenswaarden voor de jaren 2004, 2010, 2015 en 2020 niet overschrijden. Het verkeer over de Plettenburglaan zal door de ontwikkeling van het bedrijventerrein toenemen. Met een uiteindelijk oppervlakte van circa 45 ha uitgeefbaar bedrijventerrein kan verwacht worden, dat er in de eindsituatie van de ontwikkeling van het gehele bedrijventerrein Hondsgemet gemiddeld ruim 10.000 motorvoertuigen per dag worden gegenereerd. Er kan er vanuit gegaan worden, dat 20% hiervan vrachtverkeer is. Uit het behoefte onderzoek blijkt, dat circa 70% van de te vestigen bedrijven uit de gemeenten Geldermalsen en Lingewaal en Neerijnen afkomstig zijn en 30% nieuwe bedrijven. Door de te verwachten bedrijfs-verplaatsingen treedt in de genoemde gemeenten een verbetering van de luchtkwaliteit op in de bestaande bebouwde kom.
25

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

Op een afstand van 25 meter uit de wegas van de Plettenburglaan zijn de berekeningen van de luchtkwaliteit uitgevoerd. Hieruit blijkt dat alleen de grenswaarden van fijn stof overschreden worden voor de jaren 2015 en 2020. Er zijn respectievelijk 39 en 36 overschrijdingsdagen van het 24-uurgemiddelde. Er zijn 35 overschrijdingsdagen toegestaan. Indien de aftrek van zeezout (natuurlijke en geen schadelijke fijn stof) wordt toegepast, kunnen 6 overschrijdingsdagen (Meetregeling Luchtkwaliteit 2005, bijlage behorende bij artikel 12, 6e lid) afgetrokken worden. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt dan 29. Dit betekent, dat er volgens de vorenstaande normering geen overschrijding van de grenswaarden plaats heeft. De uitstoot van bedrijven zelf ligt vooralsnog niet in de verwachting. Dit zal - in combinatie met wegverkeer - niet leiden tot overschrijding van de grenswaarden. Dit door de soort van de bedrijvigheid (kantoren en logistiek) en sterke ontwikkeling van de milieumaatregelen en bijbehorende technische ondersteuning. In het verlengde hiervan moet gekozen worden voor een duurzame bedrijfsvoering en beleidskeuzes.

3.8. Externe Veiligheid

Voor de externe veiligheid zijn de beide spoorlijnen en de rijksweg A15 in beeld. De provincie Gelderland heeft een zogenaamde risicokaart opgesteld. Op de kaart zijn zoneringsafstanden van plaatsgebonden risico berekend. De zoneringsafstand is de afstand vanaf een risicobron waar een bepaald plaatsgebonden risico (PR) is. In de
26

Nederlandse milieuwet- en regelgeving zijn er grenswaarden gesteld voor het plaatsgebonden risico. Het PR geeft aan op welke plek (de risicocontour) er een bepaalde kans is op een ramp en eventuele slachtoffers daarbij. Vanaf de rand van de risicocontour neemt het risico tot de bron toe. Uit de risicokaart van de provincie (zie vorenstaande afbeelding) blijkt dat de risicocontour van de rijksweg A15 nabij het plangebied ligt. Echter inmiddels is ook de Betuwespoorlijn aangelegd. Dit betekent, dat ook met de risicocontour van deze spoorlijn rekening moet worden gehouden. Met betrekking tot de externe veiligheid moet in principe rekening gehouden worden met de beide spoorlijnen langs Hondsgemet en met de rijksweg A15. Op deze plaats wordt voor een nader inzicht verwezen in de afstemming van het plan verwezen naar paragraaf 6.6. .

3.9. Samenvattende conclusies
Het plangebied heeft redelijke landschappelijke waarden. Deze staan onder druk als gevolg van de rijksweg A15, de spoorlijn Tiel-Geldermalsen, de Betuweroute en de Randweg 5e fase. In de Structuurvisie Geldermalsen is geconcludeerd, dat Hondsgemet in aanmerking komt voor ontwikkeling van stedelijke functies. Bij deze ontwikkeling wordt zoveel als mogelijk met de gebiedseigen kwaliteiten rekening gehouden. Teneinde de nieuwe aansluiting “ Geldermalsen” in het langgerekte beeld van de rijksweg A15 te markeren, is het plaatsen van een herkenningspunt gewenst. De zuidwestrand van het bedrijventerrein vervult hierin een duidelijke functie. In het plangebied is sprake van een “historisch” verkavelingspatroon. Het volgen van dit patroon in het nieuwe stedelijk gebied, is niet noodzakelijk. De bestaande en nieuwe infrastructuurlijnen zijn meer ‘dwingend” voor deze structuur. Mede hierdoor ontstaat er een goede samenhang tussen het stedelijk gebied en de omsluitende infrastructuur. Deze samenhang voorkomt schadesnijdingen in percelen en een minder efficiënte verkaveling. Tenslotte wordt opgemerkt, dat het regenwater van in ieder geval de daken in het gebied moet worden opgevangen. Uitgangspunt is, dat de afvoercapaciteit van de watergang benedenstrooms niet mag worden vergroot.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

27

28

4.

STREEFBEELD

4.1. Structuurplan Bedrijventerrein Hondsgemet
De planopzet voor het totale bedrijventerrein Hondsgemet gaat in principe uit van de volgende fasering: 1. de Randweg 5e fase is aangelegd: de externe ontsluiting van het bedrijventerrein is aanwezig; 2. de centrale ontsluitingsweg (Plettenburglaan) is gerealiseerd ter ontsluiting van de AVRI en de bewoners/bedrijven aan de Meersteeg; 3. de overgangen bij de AVRI en de Meersteeg in de spoorlijn “Geldermalsen-Tiel” zijn opgeheven; 4. het motorcrossterrein grenzend aan het AVRI terrein, vervalt. Dit gebied wordt bij het bedrijventerrein betrokken; 5. in het zuidelijk en midden deel van het bedrijventerrein vindt de ontwikkeling van "regulier" bedrijventerrein plaats met een maximale uitgifte van gronden; 6. in een laatste fase worden de gronden tussen de Meersteeg en de spoorlijn "Tiel-Geldermalsen" ontwikkeld. Gestreefd wordt naar een groen bedrijventerrein met kantoorhoudende bedrijven en mogelijke enkele woon/werkcombinaties; 7. de vuilstort wordt afgebouwd en beëindigd. AVRI streeft naar overkapping van de overslag en een verdere ontwikkeling van afvalverwerkende bedrijvigheid; 8. in de planopzet wordt rekening gehouden met een voldoende groot en ecologisch verantwoord watersysteem. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein (middels deelplannen) niet zal leiden tot waterproblemen, zowel qua structuur als qua berging als qua kwaliteit.

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van het stedenbouwkundig plan voor het bedrijventerrein HondsgemetZuid. Op nevenstaande afbeelding is het structuurplan voor het gehele bedrijventerrein weergegeven. Het plangebied heeft betrekking op het zuidelijk deel van dit structuurplan. Doel van deze weergave is het duidelijk maken van de ruimtelijke en functionele samenhang tussen het plangebied en het plangebied van het structuurplan.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

29

30

4.2. Externe en interne ontsluiting
Het streefbeeld gaat uit van een duidelijke wegenstructuur met een eenvoudige routing en een heldere oriëntatie: 1. Randweg. De Randweg 5e fase vormt de externe ontsluitingsweg van Hondsgemet. Op deze weg is een rijsnelheid toegestaan van 80 km/uur. Het bedrijventerrein wordt door middel van één rotonde vanaf deze weg ontsloten. 2. Plettenburglaan. Deze centrale ontsluitingsweg krijgt het karakter van een representatieve laan. 3. Meersteeg-Plettenburglaan. De Meersteeg en de Plettenburglaan sluiten op elkaar aan. Hierdoor is het mogelijk om vanaf de Meersteeg de Randweg 5e fase en de rijksweg A15 te bereiken. 4. Ontsluiting bedrijventerrein. Er wordt uitgegaan van de aanleg van drie parallel aan de A15 lopende ontsluitingswegen. Deze worden door één centrale ontsluiting met de onder –2- genoemde Plettenburglaan verbonden. 5. Brandweer/vluchtroute. Tussen de centrale ontsluitingsweg en het zuidelijk deel van het bedrijventerrein wordt aan de oostkant een tweede ontsluitingsweg aangebracht. Deze weg gaat als vluchtroute en aanrijroute voor de brandweer fungeren op momenten, dat de hoofdtoegang door calamiteiten is geblokkeerd. Tevens zal er een calamiteitenontsluiting komen bij de aansluiting Meersteeg/Randweg. Een calamiteitenontsluiting aan de oostzijde van het plan zal bezien worden in het kader van de ontwikkelingen bij de AVRI. 6. Langzaam verkeer. De benadering vindt via de Randweg 5e fase en de Blankertseweg plaats. Langs de Randweg wordt een parallelweg aangelegd. Deze wordt
bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid 072-072 februari 2007

tevens bestemd voor (brom)fietsverkeer. Voorts is tussen de Blankertseweg en de Randweg 5e fase een fietsverbinding aangelegd.

31

32

4.3. Groenstructuur
De omgevingskwaliteit bepaalt in belangrijke mate de kwaliteit van het productiemilieu en wervingskracht van het bedrijventerrein. Deze kwaliteit wordt mede door de volgende maatregelen verkregen: 1. Laanbeeld Randweg. Langs de Randweg wordt aan weerszijden van de hoofdrijbaan één bomenrij wenselijk geacht. Deze beplanting vormt een ruimtelijke geleiding van de weggebruiker. Vanuit de provincie stuit dit echter op bezwaren, rekening dient te worden gehouden met een obstakelvrije zone conform de RONA richtlijnen. 2. Stedelijke wand. De westrand van het bedrijventerrein krijgt een bijzonder karakter. Deze wand vormt immers het decor van de entree van Geldermalsen. Dit karakter wordt verkregen door aanleg van een waterpartij, een begeleiding van de ruimte door voorzijden van gebouwen en door situering van een markant gebouw. 3. Zuidrand. In de zone tussen de Betuweroute en de rijksweg A15 wordt de aanleg van één tot twee bomenrijen voorgestaan. Deze beplanting zorgt primair voor geleiding van de weggebruikers over de rijksweg. Ten noorden van de Betuweroute wordt de aanleg van een waterberging en aansluitend (inheems) groen voorgestaan. Het verticaal groen draagt zorg voor orde en structuur. Het groen krijgt een transparant karakter. Dat wil zeggen, de achterliggende bedrijfsgebouwen blijven zichtbaar vanaf de rijksweg A15. Het groen voorkomt echter een te scherpe confrontatie van bedrijfsgebouwen met het landschap. 4. Oostrand. De oostrand wordt voorzien van een aaneengesloten groenzone.

5. Plettenburglaan. De centrale ontsluitingsweg krijgt het karakter van een representatieve laan. Hiertoe worden onder meer in de bermen één bomenrij ingeplant. Het gemeentebestuur streeft naar een zo ecologisch en natuurvriendelijke inrichting van groengebieden. Uiteraard zal er ook sprake zijn van duurzaam groenbeheer. Hiertoe worden zoveel mogelijk inheemse bomen en overige beplantingen toegepast. In hoofdstuk 6 wordt nader op deze aspecten ingegaan.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

33

34

4.4. Waterstructuur
In het stedenbouwkundig plan zijn de watergangen vervangen door een in de randen van het zuidelijk plandeel aan te leggen waterstelsel. In dit waterstelsel vindt de waterberging vanuit dit plandeel plaats. Het oppervlak van dit waterstelsel bedraagt circa 10 % van het totale grondoppervlak van de eerste en tweede fase. Vanuit duurzaam watergebruik wordt waar nodig een verbindend derde riool aangelegd (zie paragraaf 6.3). De waterpartij aansluitend op de Randweg heeft tot doel om niet alleen een structurele waterberging te verkrijgen, maar ook om een bijzondere rand van het bedrijventerrein te creëren. De afwerking van de oostelijke oever van deze ruimte kan ter hoogte van de beoogde markante bebouwing (het “eiland”) uit harde materialen bestaan. De overige oevers en watergangen krijgen een meer natuurlijke inrichting. De hellinghoeken worden daartoe flauw aangelegd. De watergang parallel aan de Plettenburglaan heeft tevens tot doel om een barrière te vormen tegen het vrij betreden van het bedrijventerrein (afsluiting in de nachtperiode en in de weekends). Over het gehele watersysteem heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap heeft te kennen gegeven te kunnen instemmen met het voorgestelde watersysteem en de daarvan afgeleide maatregelen.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

35

36

4.5. Bebouwingsbeeld
Het is belangrijk, dat er een evenwichtig bebouwingsbeeld wordt gerealiseerd. Behalve door strakke vormgeving van wegen- en groenstructuur wordt dit ook door de opzet en situering van de bebouwing bewerkstelligd. Dit houdt in, dat bij de uitgifte van het bedrijventerrein aandacht aan de beeldkwaliteit wordt besteed. Hiertoe zal een beeldkwaliteitplan worden opgesteld. De in het bestemmingsplan gebruikte (streef)beelden zijn illustratief. Met betrekking tot de zonering van het bedrijventerrein wordt het volgende opgemerkt: 1. Westrand. De westrand van het bedrijventerrein bestaat uit een representatieve wand. De bebouwing is met de voorzijde op de Randweg georiënteerd. Dit waarborgt een rustige entree. Het heeft de voorkeur hier de meer representatieve, volumineuze detailhandel te concentreren. 2. Markant gebouw. Op één plaats wordt op een eiland de bouw van een markant gebouw beoogd. Dit gebouw dient zich door een bijzondere, hoogwaardige vormgeving zich te onderscheiden. Dit onderscheid wordt geaccentueerd door het gebouw ook in hoogte een afwijkende maat te geven. Bijvoorbeeld, een ranke toren van maximaal 25 meter kan deze poort tot Geldermalsen in het wegbeeld van de rijksweg A15 markeren. Door deze bijzondere vormgeving en uitstraling ontstaat in ieder geval langs de Randweg 5e fase een duidelijk herkenningspunt en zo mogelijk ook langs de A15. 3. Plettenburglaan. In deze zone vestigen zich representatieve voor een deel publiekgerichte bedrijven

(volumineuze detailhandel). Hiermee ontstaat centraal op het bedrijventerrein een thematische eenheid. 4. Bebouwingsbeeld. De verschillende hoofdlanen over het bedrijventerrein worden door hoofdgebouwen duidelijk ondersteund. Langs deze straten dienen zo veel als mogelijk wanden te worden gerealiseerd. 5. Oostrand. Aan de oostrand wordt vooralsnog voorzien in vestiging van bedrijven met een relatief grote ruimtebehoefte (bijvoorbeeld in de transportsfeer). De kavelgrootte is daar op afgestemd. De definitieve inrichting van de oostrand is echter afhankelijk van de vraag en de kavelgrootte kan daarom nog wijzigen. Het beoogd bebouwingsbeeld is door het gemeentebestuur uitgewerkt in het “Beeldkwaliteitplan bedrijventerrein Hondsgemet, 1e en 2e fase” (2006). In dit beeldkwaliteitplan zijn de beoogde sferen en bouwstijlen omschreven. Tevens is aandacht besteed aan de vormgeving van de privé buitenruimten.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

37

5.

UITWERKING

5.1. Segmentering
Doel Om een marktgerichte ontwikkeling van het bedrijventerrein te ondersteunen, is het wenselijk om verschillende soorten en vormen van bedrijvigheid te groeperen (segmenteren). Dit biedt de volgende voordelen: ! vergelijkbare bedrijven komen bij elkaar terecht en ondersteunen elkaar; ! er kunnen delen aangewezen worden voor specifieke doeleinden, bijvoorbeeld vestiging van louter representatieve bedrijven; ! er ontstaat een aantrekkelijk, goed geordend, bedrijventerrein. Op deze wijze wordt een koppeling gelegd tussen het type pand en bedrijvigheid, de milieu- en mobiliteitscategorieën, de functie van het grondoppervlak en de presentatie. Hoofdgroepen Voor het bedrijventerrein Hondsgemet wordt een viertal hoofdgroepen onderscheiden, te weten: ! Volumineuze detailhandel. Deze gebouwen zijn in gebruik bij onder andere auto-, caravan- en botenhandel en voor andere specifieke vormen van perifere detailhandel, waaronder bouwmarkten. Deze gebouwen zijn publiekstoegankelijk en hebben een hoogwaardige, representatieve vormgeving. De bedrijfsactiviteiten vallen in het algemeen onder de milieucategorieën 2 en 3. ! Bedrijfshal met kantoor. Dit type gebouw is in gebruik bij onder andere groothandelsbedrijven met grote verkoopafdelingen, bouwbedrijven met een eigen ontwerpafdeling. Het zijn bedrijven die over het

Dit hoofdstuk geeft de stedenbouwkundige en landschappelijke randvoorwaarden aan voor de inrichting en de uitgifte van het bedrijventerrein.

38

algemeen vallen in de milieucategorieën 2, 3 en in een hoogst enkel geval categorie 4. Circa 25% van het bebouwde grondoppervlak bestaat uit kantoorachtige activiteiten. De rest is in gebruik als productieruimte respectievelijk opslag. De voorkant heeft een kantoorachtige uitstraling met een duidelijk representatieve entree. De zijkanten hebben een bedrijfshalachtig uiterlijk. ! Bedrijfshal zonder open opslag. Dit type gebouw is vooral in gebruik bij productie- groothandel-, transporten opslagbedrijven. Dergelijke bedrijven vallen voornamelijk in de zwaardere milieucategorieën ( > 2). Slechts circa 10% van het grondoppervlak van de bedrijfsgebouwen wordt gebruikt als kantoor. Het overgrote deel van het bebouwde grondoppervlak is in gebruik als productie- of handelsruimte. Het gebouw heeft geen duidelijk zichtbare entree. De gevel bestaat uit plaatmateriaal. De hal heeft laad- en losdoks of een laad-/losruimte; ! Bedrijfshal met open opslag. Veel van deze bedrijfsgebouwen zijn te vinden bij productiebedrijven en bij groothandels in volumineuze goederen, zoals (wegen)bouwmaterialen. Deze bedrijven vallen veelal in de milieucategorie 3 of zwaarder. Evenals bij bedrijfshallen zonder open opslag is vaak minder dan 10% van het bebouwde grondoppervlak in gebruik als kantoorruimte. Het overgrote deel van het bebouwd grondoppervlak betreft productieruimte. Daarnaast wordt een deel van het terrein gebruikt voor opslag in open lucht. Het kwaliteitsniveau van gebouwen en terreinen is laag. Deze bedrijven mogen dan ook niet op een zichtlocatie worden gevestigd.

In het op te stellen uitgifte en beheersplan worden nadere voorwaarden aan onder meer de situering, omvang, inrichting en vormgeving van de voornoemde bedrijfsvormen gesteld. Het bedrijventerrein heeft tot doel een zo breed mogelijke samenstelling van de bedrijven te verkrijgen. Een te sterke ontwikkeling van één sector wordt niet voorgestaan. Binnen de gemeente Geldermalsen bestaat behoefte aan vestigingslocaties voor transport- en logistieke bedrijven. Voorkomen moet worden, dat in dit segment een te groot areaal wordt uitgegeven en er een te grote concurrentie met regionale bedrijventerrein ontstaat. Dit betekent, dat in het bestemmingsplan wordt bepaald dat een beperkt deel (bijvoorbeeld maximaal 20%) van de bedrijfskavels voor deze groep bedrijven wordt uitgegeven. Volumineuze detailhandel Ten aanzien van volumineuze detailhandel bestaan in Geldermalsen diverse potentiële vestigingsmogelijkheden. Het gemeentebestuur heeft ten aanzien van deze ontwikkeling nog geen specifiek beleid ontwikkeld. Eén van de potentiële locaties voor deze bedrijfsvormen betreft vestiging op het bedrijventerrein Hondsgemet. Deze ontwikkeling is echter eerst mogelijk gemaakt na vrijstelling door Burgemeester en Wethouders. Dit schept de mogelijkheid tot een nadere afweging ter zake van onder meer andere potentiële en wellicht meer geschikte locaties elders in de gemeente. In het geval van bouwmarkten is ook een distributief haalbaarheidsonderzoek met een positieve uitkomst vereist.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

39

Binnen het bedrijventerrein "Hondsgemet" is enige concentratie van deze vormen van bedrijvigheid gewenst. Enerzijds wordt hiermee een thematisch bedrijventerrein ontwikkeld: anderzijds wordt voorkomen dat publieksaantrekkende bedrijven worden gemengd met bijvoorbeeld transport- en logistieke bedrijven. Dit kan aanleiding geven tot verkeersconflicten e.d. In het bedrijventerrein komen de volgende zones voor vestiging van deze vormen van detailhandel in aanmerking: ! de gehele westrand van het bedrijventerrein parallel aan de Randweg 5e fase. Hiermee zijn deze bedrijven georiënteerd op de verkeersen potentiële bezoekersstromen; ! de zuidkant van de Plettenburglaan. Deze weg heeft een openbaar karakter en wordt niet afgesloten buiten bedrijfstijden. Dit betekent, dat deze publieksgerichte bedrijven hier een goed productiemilieu aantreffen. Het beoogd ruimtelijk profiel van deze ontsluitingsweg waarborgt tevens een voldoende omgevingskwaliteit van deze bedrijven. Horeca Vanuit het bedrijfsleven kan behoefte ontstaan aan de ontwikkeling van een horecavoorziening bestaande uit het aanbieden van een servicepunt met congres- en vergaderfaciliteiten en restauratieve voorzieningen en een eenvoudige, in omvang bescheiden overnachtingsgelegenheid. Het gemeentebestuur wil deze voorziening onder voorwaarden toestaan. Deze voorzieningen worden bij voorkeur in de zone direct langs de Randweg gerealiseerd. Binnen het onderhavige plangebied beantwoordt de locatie van het “landmark” aan deze voorwaarde. Indien blijkt, dat de ontwikkeling van een dergelijke accommodatie op deze

locatie niet mogelijk is, dan wil het gemeentebestuur een 2e zone voor deze ontwikkeling overwegen. Het betreft de zone langs de Plettenburglaan en de westrand van het bedrijventerrein, Op de plankaart komt deze zone overeen met het aangeduide gebied voor de vestiging van volumineuze detailhandel. Wel wordt opgemerkt, dat in deze zones het productiemilieu van het bedrijventerrein overheerst. Dit betekent, dat deze zone niet geschikt is voor de ontwikkeling van een overnachtingsgelegenheid. Beide mogelijkheden zijn in de voorschriften door middel van een vrijstellingsbevoegdheid geregeld.

Zonering plangebied: bedrijfshal met kantoor De categorie "bedrijfshal met kantoor" heeft in het algemeen een representatief beeld. Ook zijn hier vaak (kleine) showrooms aanwezig. Deze bedrijven kunnen derhalve een belangrijke ondersteuning vormen van de beeldkwaliteit van wegen door en langs het plangebied. Voor deze categorie bieden de volgende plandelen een bijzondere ambiance: 1. de zones langs de Randweg 5e fase; 2. de zuidrand van het bedrijventerrein langs de gehele Betuweroute; 3. de centrale interne ontsluitingsweg. Met name het kantoorgedeelte kan de beoogde transparante zichtlocatie op een representatieve wijze ondersteunen. Zonering plangebied bedrijfshal met/zonder opslag De categorieën “bedrijfshal zonder en met open opslag” kunnen zich vestigen langs alle interne ontsluitingswegen. De stedenbouwkundige omgeving maakt de vestiging van wat minder representatieve bedrijven mogelijk.

40

Omvang bedrijfskavels De stedenbouwkundige opzet van het bedrijventerrein is zodanig gekozen, dat er een evenwichtige basisstructuur ontstaat. De maatvoering is afgestemd op bedrijfskavels tot maximaal 5.000 m2. Incidenteel kunnen grotere kavels worden uitgegeven. Het wegenpatroon blijft gehandhaafd. Meerdere kavels worden alsdan tot één kavel samengevoegd. Er bestaat duidelijke behoefte aan bedrijfsruimten op kavels < 1.000 m2. Aan deze behoefte kan op twee wijzen worden tegemoet gekomen:

aangelegd. Hiermee is de uitgifte van smalle, ondiepe kavels mogelijk. Teneinde een heldere structuur van het bedrijventerrein te behouden, dienen deze dwarsstraten wel in een logisch onderling verband te worden aangelegd.

5.2. Milieuzonering
De opzet van het bedrijventerrein moet zodanig worden gekozen, dat er voor nabijgelegen milieugevoelige functies een in milieuhygiënisch opzicht aanvaardbare situatie wordt verkregen. Ook mag geen belemmering ontstaan voor d voorgenomen woningbouw in de Plantage. Hiertoe is gebruik gemaakt van de staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in de uitgave Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (2001).
milieucategorie 1 2 3 4 5 6 "grootste afstand" varieert van 0m t/m 10 m t/m 30 m 50 m t/m 100 m 200 m t/m 300 m 500 m t/m 1.000 m t/m 1.500 m

!

!

bedrijfsverzamelgebouwen. Deze complexen kunnen relatief eenvoudig binnen de aangegeven bebouwingsstructuur worden ingepast. Ook deze vorm van huisvesting biedt de mogelijkheid om enige individualiteit van de bedrijfsvesting uit te stralen (zie nevenstaande beeldimpressie). Individuele bebouwing. Mochten kleine bedrijven een duidelijke voorkeur geven aan individuele huisvesting, dan kan aan deze vraag worden tegemoet gekomen door de kavelstructuur te verkleinen. In het zuidelijk plandeel kunnen tussen de oost-west lopende straten op één of meerdere plaatsen dwarsstraten worden

De "Bedrijvenlijst" legt een koppeling tussen de aard van de bedrijven en de ter plaatse acceptabele milieubelasting. Per milieufactor (geur, stof, geluid en/of gevaar) wordt voor de verschillende bedrijven een afstand genoemd, welke tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing in acht moet worden genomen. De indeling in milieucategorieën, in zes mogelijke klassen, is afgeleid van de voor dat bedrijf geldende "grootste afstand" tot een rustige woonwijk.
41

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

Op het bestaande bedrijventerrein overheerst het groene laanbeeld. De oriëntatie vanaf de weg op het belendende gebied is hierdoor matig. Voor de Randweg is het daarom belangrijk een heldere presentatie van het bedrijventerrein te krijgen. Dit kan door een open inrichting van de randen. Een grote waterpartij, een bijzonder vormgegeven oever en een duidelijke begeleiding door bebouwing vormen de basiselementen van de visie. Centraal in deze zone kan een bijzonder bedrijfscomplex een herkennings- en markeringspunt vormen.

42

Het bedrijventerrein Hondsgemet ligt op een afstand van minimaal 100 meter van bestaande en/of geprojecteerde woningen. Dit betekent, dat over het gehele bedrijventerrein bedrijven uit de milieucategorieën 1 t/m 3 toelaatbaar zijn. Op een afstand van 200 meter of meer van de westrand van het bedrijven zouden in principe ook bedrijven uit de milieucategorie 4 zich kunnen vestigen. Het gemeentebestuur streeft echter naar vestiging van bedrijven uit de categorieën 1 t/m 3. Vestiging van bedrijven die ingevolge de bedrijvenlijst vallen in de milieucategorie 4, maar waarvan desondanks in redelijkheid verwacht kan worden dat ze geen grotere milieubelasting voor mens en milieu zullen veroorzaken dan de categorieën 1 t/m 3, kunnen via vrijstelling worden toegelaten. Criterium voor het verlenen van vrijstelling is, dat de hinder niet groter is dan van de ter plekke wel acceptabele bedrijven zou kunnen worden verwacht. Tevens dienen deze bedrijven voldoende representatieve uitstraling te verkrijgen. Geluidhinderlijke bedrijven en bedrijfswoningen De vestiging van zogenaamde geluidhinderlijke bedrijven (voorheen categorie A-inrichtingen genoemd) is niet toegestaan. Bedrijfswoningen zijn eveneens niet toegelaten.

5.3. Bebouwing
Hoogte De hoogte van de bebouwing mag maximaal 12,00 meter bedragen. Dit waarborgt een redelijk soepele inpassing van bedrijfsgebouwen in het landschap en voorkomt te grote maat- en schaalcontrasten tussen bedrijfsgebouwen onderling. Deze hoogte is in overeenstemming met de aard van het bedrijventerrein. Op deze maximale maat wordt de algemene vrijstelling (20%) eventueel van toepassing. Indien deze vrijstelling door Burgemeester en Wethouders wordt verleend, zal de absolute maximumhoogte 14.40 meter bedragen. De bouw van liftschachten, afzuiginstallaties en silo’s e.d. is mogelijk tot een maximum hoogte van 15.00 meter. Het gemeentebestuur wil een hogere bouwhoogte niet uitsluiten. Op grond van duurzaam ruimtegebruik kan daarmee een meer efficiënte inrichting van het bedrijventerrein worden gerealiseerd. De toepassing van grotere bouwhoogten in het algemeen vraagt echter om een grote zorg ten aanzien van de ruimtelijke inpassing. In dit verband wordt onder meer op het volgende gewezen: ! door toepassing van dergelijke bouwhoogten kan weliswaar op een kavel een efficiënte inrichting worden verkregen. De opbouw van het gehele bouwblok, waarvan een dergelijk bedrijf deel uit maakt kan worden verstoord. Om dit te ondervangen is een voorwaarde opgenomen, dat dergelijke bouwhoogten alleen aanvaardbaar zijn bij grote kavels (kavelgrootte > 5.000 m2);
43

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

STREEFBEELD Samenhang productie/opslaghal – kantoorruimte Toegang productie/opslagruimten

44

!

voorts kan een dergelijke bouwhoogte het ruimtelijk profiel van de aangrenzende openbare ruimten ruimtelijk verstoren. Dit betekent, dat deze bouwhoogten alleen kunnen worden toegepast op een afstand > 25 meter uit de rand van het openbaar gebied; ! er dient een harmonieuze samenhang te ontstaan met de opbouw van de belendende kavels. Indien op die kavel een relatief lage bebouwing is gerealiseerd, dan verstoort een aangrenzend pand met een hoogte > 12 meter de stedenbouwkundige samenhang. Dit betekent, dat bij de beoordeling of een dergelijke ontwikkeling aanvaardbaar is de inrichting van de belendende kavels mede in beschouwing moet worden genomen; ! grote bouwhoogten kunnen leiden tot aanvullende eisen ten aanzien van de vrije ruimte rond deze gebouwen in verband met brandveiligheid; ! grote bouwhoogten kunnen leiden tot een grotere visueel-ruimtelijke invloed van bedrijfsgebouwen op de omgeving van het bedrijventerrein. Indien van een hoogwaardige vormgeving sprake is, behoeft dit geen bezwaar te zijn. Een gesloten bedrijfshal kan echter het landschapsbeeld wel verstoren. Dit betekent, dat deze ontwikkeling alleen in de oostkant van het bedrijventerrein aanvaardbaar wordt geacht. Een hoger gebouw valt ruimtelijk weg tegen deze hoge vuilstort en de aldaar geprojecteerde omsluitende beplanting. Gelet op deze grote effecten op de omgeving en inrichting van het bedrijventerrein zijn dergelijke bouwhoogten eerst na afweging en het verlenen van vrijstelling van Burgemeester en wethouders acceptabel.

Voor de zone langs de Randweg 5e fase is het om stedenbouwkundige redenen wenselijk om een afwijkende hoogte en/of vormgeving van de bebouwing te realiseren. Beide maatregelen hebben tot doel om de ruimtelijke entrée van het dorp Geldermalsen vanaf de rijksweg te markeren. Voor het in deze zone geprojecteerde “eiland” is de bouwhoogte maximaal 25 meter. Voorwaarde is wel, dat het te realiseren gebouw een hoogwaardige vormgeving krijgt. Ook dient de bouwmassa relatief beperkt te zijn (een rank en slank gebouw). Met betrekking tot het beoogde bebouwingsbeeld wordt op deze plaats verwezen naar het beeldkwaliteitplan. Bebouwingspercentage Per bedrijfsperceel mag maximaal 60% van het perceelsoppervlak worden bebouwd. Hiermee wordt bewerkstelligd, dat per perceel voldoende ruimte overblijft voor onder meer parkeren op eigen erf en voor het manoeuvreren van vrachtwagens e.d. Ook wordt hiermee de openheid van het bedrijventerrein gewaarborgd (een te intensieve bebouwing van de bedrijfskavels wordt immers voorkomen). Het percentage kan onder voorwaarden worden verhoogd tot maximaal 70%. Deze verhoging mag geen strijd opleveren met onder meer kwaliteit, passendheid in omgeving en het beoogde groen en parkeren op eigen terrein. Alle bedrijfspanden dienen duidelijk vanaf de ontsluitingswegen zichtbaar te zijn. Het belang ligt in een goede oriëntatie op c.q. presentatie van het desbetreffende bedrijf. De bebouwing dient dan ook op redelijke afstand van de rijweg te worden gesitueerd. Hiermee wordt een heldere opbouw van de bebouwingsstructuren beoogd. Deze afstand dient ten minste 5 meter te bedragen. Hiermee ontstaat een duidelijke rooilijn in het gehele straatbeeld.
45

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

STREEFBEELD Beeldpresentatie van kantoorruimten en bedrijfshallen Heldere markering van de hoofdtoegang tot bedrijf

46

Afstand zijdelingse perceelsgrens De afstand van de bebouwing tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 5.00 meter te bedragen. Deze afstandsmaat is mede gekozen in verband met eisen, die door de brandweer worden gesteld. Er kunnen zich zwaarwegende omstandigheden voordoen, waarbij het wenselijk is deze afstandsmaat tot 3.00 meter te verkleinen. Hiertoe is in de voorschriften een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. Eén van de voorwaarden voor het verlenen van deze vrijstelling is het verkrijgen van een positief advies van de commandant van de brandweer. Beeldkwaliteit In vier zones is in ieder geval een representatieve opbouw van de gevelwanden gewenst, te weten langs de Randweg, de Plettenburglaan, de zuidrand en het noordelijke deel (vierde fase). Uitgaande van het omschreven type bedrijven kan deze representativiteit door een samenhang van vormgeving van bebouwing en de inrichting van de buitenruimten worden verkregen. Teneinde het gehele bedrijventerrein in het open omringend landschap te voegen, dienen vrij strakke randvoorwaarden aan de vormgeving van de bedrijfsgebouwen te worden gesteld (herkenbaar productiemilieu). Deze zijn uitgewerkt in het “Beeldkwaliteitplan Bedrijventerrein Hondsgemet” (november 2005).

5.4. Inrichting bedrijfskavels
Grondgebruik (functies) Kantoor zonder baliefunctie Garage, service station Showroom (auto's) Bedrijfsverzamelgebouw Industrie, ambacht, bouw, groothandel, transport Opslag , volumineuze detailhandel Aantal parkeerplaatsen 1,7-2,5 per 100 m b.v.o. 100 m b.v.o. 100 m b.v.o. 100 m b.v.o. 100 m b.v.o. 100 m b.v.o.
2

opmerking Inclusief parkeren werknemers

2,5-2,8 1,6-1,8 0,8-1,7 2,5-2,8

2

2

2

2

0,8-0,9

2

Bij de inrichting van de kavels dienen op eigen terrein de noodzakelijke parkeerplaatsen voor eigen personeel en bezoekers te worden aangelegd. De gemeente Geldermalsen is een niet stedelijke gemeente (conform stedelijkheidsgraad van Nederlandse Gemeenten). Het bedrijventerrein Hondsgemet ligt in “rest bebouwde kom”. De norm is gebaseerd op 25 tot 35 m2 bvo voor één arbeidsplaats. Echter als per “arbeider” meer bruto vloer oppervlak nodig is bv 50 m2) dan kan de parkeernorm naar beneden worden bijgesteld.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

47

STREEFBEELD Inrichting voorterreinen: parkeren door groen afschermen

48

Gelet op de te verwachten verschillen tussen de te vestigen bedrijven, wordt de parkeersituatie per bedrijf nader bepaald. Bij kantoren moet - afhankelijk van de bouwhoogte en het totale oppervlak van de kantoorruimten - met een relatief omvangrijke parkeerbehoefte rekening worden gehouden. Hiervoor geldt in ieder geval het uitgangspunt, dat op eigen erf volledig in de benodigde parkeergelegenheid dient te worden voorzien. De manoeuvreerruimten voor deze parkeerplaatsen dienen eveneens op eigen erf te worden aangelegd. Met andere woorden, een parkeerplaats mag niet rechtstreeks vanaf het openbaar gebied worden ontsloten. De toetsing zal plaatsvinden aan de hand van een door de initiatiefnemer op te stellen inrichtingsplan. Dit plan wordt tegelijk met de aanvraag voor bouwvergunning aan de gemeente overgelegd. Groenvoorzieningen op eigen erf Teneinde de attractiviteit van het bedrijventerrein te versterken, is het van groot belang dat op bedrijfskavels groenvoorzieningen worden aangebracht (minimaal 10% van het perceelsoppervlak). Het doel is om binnen het totaal areaal uit te geven gronden een redelijk deel een groene uitstraling te geven. Dit versterkt de kwaliteit van het productiemilieu op het bedrijventerrein. Opgemerkt wordt, dat bij kavels > 5000 m² dit percentage minimaal 8% dient te bedragen. Bij deze kavels wordt immers een betere verhouding tussen groen en het netto te benutten deel van het bedrijfsperceel verkregen.

De groenvoorzieningen dienen zoveel mogelijk één geheel te vormen met die langs het openbaar gebied. Hiermee wordt een rustig aanzien van het gehele terrein verkregen en wordt de functionele eenheid benadrukt. Tevens wordt de ruimtewerking van het groen versterkt. Door bij de inrichting van het voorerf een zekere uniformiteit na te streven worden "rust, eenvoud en herkenbaarheid" van het gehele bedrijventerrein bevorderd. Tevens wordt door deze aanpak bewerkstelligd, dat het bedrijventerrein soepel aansluit op de randen c.q. de centrale interne ontsluitingsweg, de Randweg 5e fase en de Betuweroute. Sociale veiligheid Het bedrijventerrein kent geen woonfunctie en ligt nabij de aansluiting op de rijksweg A15. Dit maakt het terrein inbraakgevoelig. Voor het zuidelijk bedrijventerrein worden de volgende maatregelen ter verhoging van de sociale veiligheid voorgestaan: 1. er wordt uitgegaan van een situatie waarin de hoofdtoegangsweg tot het bedrijventerrein voor autoverkeer kan worden afgesloten. Dit betekent, dat in de avond, nacht en het weekend dit bedrijventerrein alleen gecontroleerd toegankelijk is; 2. de bedrijven langs de centrale interne ontsluitingsweg worden achter een bermsloot gesitueerd. De individuele bedrijfsvestigingen zijn via een duiker en een daarop te plaatsen afsluitbaar hekwerk bereikbaar. Dit betekent, dat de zorg voor afscherming van het privé-terrein hier bij de bedrijven zelf ligt; Deze aspecten worden in het kader van een beheer- en uitgifteplan nader uitgewerkt.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

49

Beeldkwaliteit privé buitenruimten Aan de inrichting van het onbebouwde terrein moet de nodige aandacht worden besteed. In het plan is bepaald, dat per bedrijfskavel minimaal 10% van het perceelsoppervlak uit groenvoorzieningen dient te bestaan. Ook hiervoor geldt, dat een eenduidige opzet de herkenbaarheid en de representativiteit van het gehele bedrijventerrein versterkt. Tevens kan dit ook het beheer en onderhoud vereenvoudigen. Met betrekking tot de inrichting van het bedrijventerrein gelden de volgende voorwaarden: ! de rand naar het openbaar gebied dient een groen karakter te verkrijgen: eventueel mag in combinatie met een haag een transparante hek c.q. erfafscheiding worden gerealiseerd; ! het parkeren dient op eigen erf plaats te vinden. Personenauto’s, zeker het bezoekersparkeren, dienen tussen de voorgevel en het openbaar gebied te worden geparkeerd. Hierdoor zijn deze parkeerplaatsen voor een ieder goed en eenvoudig vindbaar; ! bij het creëren van laad- en losruimten dient voorkomen te worden, dat vrachtwagens tijdens het laden en lossen geheel of gedeeltelijk op de openbare weg staan opgesteld. Het laden en lossen dient op eigen terrein plaats te vinden; ! ter onderscheid met het openbaar gebied dient het eigen terrein bij voorkeur met klinkers te worden verhard (behalve manoeuvreerruimten voor vrachtwagens); ! bedrijfsruimten dienen duidelijk enkele meters achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd. Hierdoor wordt het straatbeeld door de naar voren springende kantoorruimten bepaald, waardoor de representativiteit

van het productiemilieu wordt versterkt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat kantoorruimten in de voorgevelrooilijn dienen te worden geplaatst: deze ligt op tenminste 5 meter uit de rand van het openbaar gebied; ! braakliggende of reserveterreinen dienen goed te worden ingeplant. Dit bevordert voldoende samenhang in de stedenbouwkundige opbouw van het terrein. Eventuele reserveterreinen dienen vanuit dit oogpunt aan de achterzijde van het perceel te worden gesitueerd; ! er wordt gestreefd naar de aanleg van een duidelijke gecombineerde toerit en uitrit per bedrijfskavel. De verkeers- en parkeerbewegingen vinden volledig op het eigen terrein plaats. De breedte van de toerit/uitrit bedraagt maximaal 8.00 meter. Tussen toerit/uitrit en de zijdelingse perceelsgrenzen kan een erfafscheiding worden geplaatst tezamen met begeleidend groen. Vrijstelling tot 10% van de aan de weg georiënteerde kavelbreedte is mogelijk in verband met het nuttig gebruik van het perceel, bedrijfsverzamelgebouwen (meerdere uitritten nodig) en eventuele eisen van de brandweer. Ter verhoging van het representatief karakter en ter beperking van onderhoud heeft het de voorkeur de inrichting van buitenruimten bij bedrijven op elkaar af te stemmen (eenduidige omgevingsarchitectuur). Het vergroot de herkenbaarheid van bijvoorbeeld de parkeersituatie. Reclame-aanduidingen Elk bedrijf moet zijn eigen passende reclame-uiting kunnen maken. Hetzij bij de bouwvergunning, hetzij bij de reclameverordening dient onder andere via de reguliere welstandseisen gekeken te worden naar de kwaliteitseisen.
50

In het navolgende wordt een eerste richtsnoer voor reclame uitingen gegeven. Vanuit het straatbeeld is een verwijzing naar de individuele bedrijven mogelijk. Dit kan betrekkelijk eenvoudig plaatsvinden door beeldmerken op het gebouw. De reclame dient in het architectonisch ontwerp te worden meegenomen en daarmee te worden voorgelegd aan de welstandsbeoordeling. Het mag niet te “schreeuwend” zijn en zal mede daardoor in het geveloppervlak een bescheiden omvang moeten innemen. Het vorenstaande betekent, dat het plaatsen van reclamezuilen in aansluiting op het openbaar gebied in principe niet wordt toegestaan. Hiermee wordt voorkomen, dat het openbaar gebied door diverse in vorm variërende staketsels een rommelig karakter krijgt.

vervullen. Door de grotere lengte van een dergelijk perceel wordt een dergelijke reclamezuil bovendien in het totale bebouwingsbeeld opgenomen. Een "woud" van reclamezuilen wordt voorkomen. Tevens zal daarbij aangegeven worden, dat het maximum oppervlak van de reclametekens per perceel c.q. bedrijf bij voorkeur ten hoogste 4 m2 mag bedragen. De hoogte van deze reclametekens mag maximaal 4 meter bedragen. Deze voorwaarden worden in het uitgifte- en beheersplan nader uitgewerkt en aangegeven. Het aanbrengen van verwijzigingsborden naar individuele bedrijven vindt in het kader van een integraal plan voor de bewegwijzering voor het gehele bedrijventerrein plaats. Er moet immers te allen tijde een rommelig beeld en een gelijkwaardige verwijzing naar alle gevestigde bedrijven plaatsvinden.

Een uitzondering wordt gemaakt voor een groot, bijzonder bedrijfscomplex (bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw). De vrijstaande reclamemast dient daarbij mede een bijzondere betekenis als verwijzing en herkenningspunt te

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

51

STREEFBEELD Interne ontsluitingswegen

52

5.5. Plettenburglaan
Basisprofiel Het basisprofiel voor de centrale interne ontsluitingsweg (Plettenburglaan) heeft de volgende kenmerken: ! een hoofdrijbaan met een breedte van 7.00 meter; ! teneinde deze rijbaan ook voor de fietser op een redelijk veilige wijze te berijden, is aan de buitenzijde van de rijbaan een vrijliggend fietspad aangelegd; ! een continu beplantingsbeeld (in ieder geval één bomenrij (eerste orde) aan elke zijde van de hoofdrijbaan); ! vanaf de hoofdrijbaan worden de aan de zuidkant gelegen percelen ontsloten. In deze opzet beantwoordt de inrichting aan het begrip “duurzaam veilig”. Bewegwijzering Er dient een duidelijke, eenduidige bewegwijzering te worden aangebracht. Deze dient niet alleen het onderhavige bedrijventerrein te betreffen, maar ook de bestaande terreinen ten noorden van de spoorbaan. Hierdoor kunnen weggebruikers zich goed oriënteren op de verschillende segmenten. Hiertoe zullen onder meer bij de verschillende toegangswegen borden worden geplaatst met een totaal overzicht van het terrein, alsmede met een informatiebord voor de op het desbetreffend segment gevestigde bedrijven. Sociale veiligheid Tussen de bedrijfspercelen en de weg wordt een sloot aangelegd. Deze sloot zal samen met poorten ter plaatse

van de toegangen tot de bedrijfspercelen noodzakelijke sociale veiligheid bijdragen. ontsluitingswegen

tot de Interne

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

53

De zuidrand mag geen te harde confrontatie tussen gebouwen en de rijksweg/Betuweroute vormen. In deze zone worden veel technische voorzieningen aangelegd. Dit maakt het wenselijk om door middel van groen enige structuur en rust in de ruimte te brengen. Water, hagen en blokken met bomen vormen voor een in het rivierlandschap passend aanblik van deze zone. Een te open en lineair karakter van deze zone, zoals uit deze foto-impressie blijkt, dient te worden vermeden

54

5.6. Interne ontsluitingswegen
Tot interne ontsluitingswegen worden de op de plankaart aangeduide wegen op het bedrijventerrein gerekend. Aanvullend bestaat de mogelijkheid, dat op nader te bepalen plaatsen dwarsverbindingen tussen deze wegen worden aangelegd. Voor al deze verkeersvoorzieningen gelden de navolgende randvoorwaarden ten aanzien van de inrichting. Hoofdindeling Bij de opzet van het openbaar gebied van de interne ontsluitingswegen wordt uitgegaan van een gelijkvormig ruimtelijk profiel: ! een rijbaan met een breedte van minimaal 7,00 meter (asfalt); ! aan de buitenzijde worden minimaal 3,00 meter brede bermen aangelegd. De totale breedte van het openbaar gebied bedraagt minimaal 13 meter. Inrichting bermen De inrichting van de bermen is variabel: ! daar waar aan twee zijden van de rijbaan een berm aanwezig is, zal in de ene berm de kabels en leidingen worden gelegd. In de tegenoverliggende berm worden bomen (tweede orde) geplant; ! de breedte van de toegangen tot de bedrijfspercelen dient tot een minimum te worden beperkt, waarbij een breedte van maximaal 8.00 meter niet mag worden overschreden; ! er kunnen zich aanleidingen voordoen, dat deze maatvoering te krap is. Voor deze situaties wordt

voorzien in een vrijstellingsbevoegdheid van Burgemeester en Wethouders. Als bovengrens voor deze vrijstelling is gesteld, dat de totale breedte niet meer mag bedragen dan 10% van de breedte van het bedrijfsperceel gelegen aan de openbare weg. ! teneinde de eenheid van het bedrijventerrein te versterken zal langs de perceelsgrenzen een haag worden aangeplant. Dit leidt tot een rustig, eenduidig en herkenbaar wegbeeld. Het vorenstaande betekent, dat het openbaar gebied niet voor parkeren wordt benut.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

55

Voorterreinen bedrijven

5.7. Inrichting zuidrand bedrijventerrein
De zuidrand van het bedrijventerrein wordt visueel-ruimtelijk bepaald door de rijksweg A15, de Betuweroute, de nieuwe afrit en allerlei technische voorzieningen. Beplanting zal moeten zorgdragen voor een duidelijke samenhang in het landschappelijk beeld van deze zone. Betuweroute-rijksweg A15 In het gebied tussen de Betuweroute en de rijksweg A15 wordt de aanleg van een min of meer transparante beplanting voorgestaan. Dit scherm kan uit enkele bomenrijen bestaan. Hierbij wordt gedacht aan de speelse aanplant van afwisselend 1 à 2 bomenrijen. Vanuit duurzaam beheer (versterking ecologische waarden) dient een intensief maaibeheer te worden voorkomen. Dit maakt onder meer een ruige c.q. verruigde onderbegroeiing van deze beplanting wenselijk. Watergang-interne ontsluitingsweg De navolgende maatregelen hebben betrekking op de zone tussen de Betuweroute en het bedrijventerrein, te weten: 1. langs de Betuweroute wordt een waterberging aangelegd als landschappelijke afscherming en invulling van het bedrijventerrein ten opzichte van de Betuweroute; 2. de watervoorziening dient om de 140 meter te worden ingesnoerd om de brandweer de mogelijkheid te geven de Betuweroute te bereiken; 3. naast de watervoorziening wordt deze zone tevens ingeplant met inheemse soorten, waaronder de hondsroos, eiken, hazelaar (struikvormig) en esdoorn.

De bedrijven langs de zuidrand krijgen relatief grote voorterreinen met een min of meer groene inrichting. Deze omvang is mede noodzakelijk gelet op de noodzakelijke afstand van bedrijfsgebouwen tot de Betuweroute van minimaal 45 meter. De inrichting van deze zone dient mede afgestemd te worden op de voornoemde groenstrook. Hiermee wordt een ruimtelijke versterking verkregen. Het streven is gericht in deze zones vooral met hagen de beoogde geleding te realiseren. Centrale reclamezuilen In het zuiden van het terrein kunnen ten behoeve van de ruimtelijke markering van het bedrijventerrein twee grote reclamezuilen worden aangebracht. De hoogte van deze zuilen bedraagt maximaal 30 meter. Deze reclamezuilen mogen alleen op het openbaar gebied worden gerealiseerd. De situering wordt mede bepaald aan de hand van de zakelijk rechtzone van de Betuweroute. Bij het plaatsen van de reclamezuilen zal een zorgvuldige inpassing in de rand van Hondsgemet worden nagestreefd. Hierbij wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van de AVRI, de Betuweroute en de bedrijven. Eventueel kan een zuil met een GSM-mast worden gecombineerd. De masten worden bij voorkeur in het zuiden van het bedrijventerrein geplaatst en wel aan de zuidoosthoek en de zuidwesthoek. Hiermee markeren de zuilen als het ware de hoekpunten van het bedrijventerrein. In het uitgifte- en beheersplan vindt een nadere plaatsbepaling van deze masten plaats.

56

5.8. Financiële haalbaarheid
Voor het gehele bedrijventerrein Hondsgemet zijn vierkante meter prijzen bepaald waarbij, bij een uitgifte tempo van 3 ha per jaar, de exploitatie sluitend is. In eerste instantie worden fase 1 en 2 ontwikkeld. De ontsluiting van het bedrijventerrein wordt gerealiseerd via de Randweg 5e fase. En de centrale ontsluitingsweg Dit vormt de reden, waarom de kosten van de aanleg van deze wegen in de exploitatie zijn meegenomen. Ten behoeve van de grondexploitatie zijn de volgende uitgangspunten aangehouden: ! Randweg: gereed 2003 ! Plettenburglaan gereed 2004 ! Bedrijventerrein fase I en 2: Start uitgifte in 2006 Voor het bedrijventerrein wordt per jaar uitgegaan van de volgende uitgifte:
Jaar hectare 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 5 4 3 3 3 3 3 3

Ook voor de latere fasen wordt uitgegaan van de uitgifte van circa 3 hectaren per jaar. De hogere uitgifte in het jaar 2006 en 2007 dan gemiddeld wordt gemotiveerd vanuit het inhalen van de grote achterstand, die de afgelopen jaren in de gemeente is ontstaan. Het plan Bedrijventerrein Hondsgemet planeconomisch een sluitende exploitatie heeft

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

57

6.

MILIEU

6.1. Overzicht milieu-aspecten en sociale veiligheid
Ecologie streven naar volledig opvang en tijdelijke berging regenwater natuurlijke afwerking oevers van watergangen een zo natuurvriendelijk mogelijke inrichting en beheer van groenvoorzieningen zorgdragen voor transparante beplanting langs de zuidkant en representatieve vormgeving bebouwing langs randen Bodemkwaliteit is geschikt voor het beoogde gebruik binnen zones geen geluidgevoelige bebouwing niet toegelaten niet toegelaten

In het voorgaande is op diverse plaatsen gesproken over milieu-aspecten en aspecten van sociale veiligheid. In dit hoofdstuk wordt volstaan met het geven van een overzicht. Aanvullend wordt op enkele, specifieke milieuonderzoeken ingegaan.

Landschap

Bodemkwaliteit

Geluidszones nieuwe wegen

Bedrijfswoningen Geluidhinderlijke bedrijven Toegelaten milieucategorieën

1 t/m 3 onder voorwaarden 1 t/m 4 interne milieuzonering AVRI (oostelijke zone plangebied) riolering oppervlaktewater

Opvang vuilwater en afvalwater Opvang regenwater wegen, bermen en daken Sociale veiligheid

heldere opbouw openbaar gebied open inrichting openbaar gebied en voorterreinen hoogwaardige inrichting afsluitbaarheid terrein goede vindbaarheid (hoofd)toegangen controleerbaarheid externe ontsluiting zorgdragen voor open beplantingsstructuur

58

6.2. Milieu-effecten Randweg 5e fase
Ten behoeve van de aanleg van de Randweg 5e fase is een milieu-effectrapportage opgesteld. Deze weg moet een bijdrage leveren aan het verbeteren van de leefbaarheid en de aantrekkelijkheid van de kern Geldermalsen door verandering in de wegenstructuur. Ten gevolge van de realisering van de Randweg 5e fase zullen de verkeersintensiteiten in het centrumgebied niet afnemen. De oorzaak is toe te schrijven aan de routekeuze van het gemotoriseerd verkeer. De kortste route vanaf de Rijksweg A15 richting de huidige Lingebrug loopt via de Rijksstraatweg en de dorpskern. Uit modelanalyse (1997) blijkt, dat ombuiging van het verkeer uitsluitend mogelijk is door 'harde' fysieke maatregelen (bijvoorbeeld afsluiten van het centrumgebied). Gezien de grote gevolgen voor de aangrenzende straten, heeft de gemeenteraad hiertoe niet besloten. Een andere mogelijkheid om het verkeer meer richting de randwegenstructuur te krijgen, is de realisering van een 2e Lingebrug. Uit de milieu-effectrapportage komt naar voren, dat in dat geval de intensiteiten in het centrumgebied beduidend zullen dalen van circa 10.000 mvt./etmaal in 2000 naar circa 7.500 mvt./etmaal in 2015. Gezien deze belangrijke afname is door de gemeenteraad op 26 september 2000 besloten om een nadere haalbaarheidsstudie uit te voeren naar de 2e Lingebrug.

Hoewel uit de milieu effectrapportage naar voren komt, dat het alleen realiseren van de Randweg 5e fase niet leidt tot een enorme afname van de verkeersintensiteiten in het centrumgebied van Geldermalsen, maakt deze verbinding wel onderdeel uit van de totale randwegenstructuur om het uiteindelijk het doel "vermindering verkeersintensiteiten in het centrumgebied" te kunnen bereiken. Mobiliteit De aanleg van het bedrijventerrein (43 ha. met een autoritproductie van ± 100 per etmaal per ha) inclusief de verkeersstromen van en naar de AVRI levert een verkeersintensiteit op van zo'n 4500 motorvoertuigen. Deze verkeersstromen worden volledig via de Randweg 5e fase afgewikkeld. Geluid Ten behoeve van de structuurvisie "Bedrijventerreinen Hondsgemet" is een uitgebreid akoestisch onderzoek verricht. De aanleg van de Randweg 5e fase tussen de autosnelweg A15 en de bestaande Randweg heeft ten gevolge dat: ! in totaal tien woningen aan de Meersteeg en Blankertseweg een geluidsbelasting van meer 50 dB(A) (de wettelijke voorkeursgrenswaarde) krijgen; ! op één van deze tien woningen komt de geluidsbelasting boven de 60 dB(A) (de maximaal te ontheffen geluidsbelasting); ! op de Provincialeweg Oost (N327) tussen de Randweg en de Rijksstraatweg, de bestaande Randweg vanaf de Provincialeweg tot aan de Tielerweg en op de J.F. Kennedylaan (ter hoogte van het bedrijventerrein)

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

59

sprake is van reconstructie (in de zin van Wet geluidhinder). Uit het akoestisch onderzoek blijkt verder dat: ! één woning aan de woonfunctie wordt onttrokken (daar de geluidsbelasting boven de maximaal te ontheffen geluidsbelasting blijft); ! er voor negen woningen hogere grenswaarden aangevraagd worden. Op de bestaande Randweg tussen de Provincialeweg en de Tielerweg wordt de snelheid gereduceerd van nu 80 km/uur naar 50 km/uur. Dit gebeurt voornamelijk ook voor de verkeersveiligheid. Hierdoor zullen aan dit wegvak gelegen woningen geen overschrijding optreden van de reconstructiegrond. De wegbeheerder heeft aangegeven dat op de Provincialeweg tussen de Randweg en de Rijksstraatweg geen bronmaatregelen getroffen kunnen worden, omdat: ! reductie maximumsnelheid naar 50 km/uur niet voor de hand ligt daar de weg een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom is; ! verdere bronmaatregelen zoals geluidsreducerend asfalt te kostbaar in aanleg en onderhoud is. Aan de noordzijde van de Provincialeweg bevindt zicht ter hoogte van het woongebied een geluidsscherm van 2,75 meter hoogte ten opzichte van de weg. Voorts bevinden zich verspreid over dit wegvak zes woningen en woonwagenstandplaats.

De gemeente Geldermalsen ontwikkelt op dit moment plannen voor een eventuele 2e Lingebrug (verlenging van de Randweg). Daarnaast bestaat de mogelijkheid van het wijzigen van de huidige verkeersstructuur. Met dit in het achterhoofd verwacht de gemeente, dat de intensiteit op het wegvak Provincialeweg N327 tussen de Randweg en de Rijksstraatweg niet boven de 15.000 motorvoertuigen uitkomt. Hierdoor zal de geluidsbelasting maximaal met minder dan"1,5 dB(A) toenemen. Dit is geen reconstructie. Indien er toch geen veranderingen (na de aanleg van de Randweg 5e fase) worden uitgevoerd, neemt de geluidsbelasting met maximaal 2½ dB(A) toe. Dit is geen erg grote toename. Het gemeentebestuur ziet dan ook af van het nemen van verdere maatregelen. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij twee verspreid liggende woningen langs de J.F. Kennedylaan. Ook hier neemt de geluidsbelasting naar de mening van het gemeentebestuur niet onevenredig toe: er worden derhalve geen maatregelen genomen. De gunstige effecten ten gevolge van de aanleg van de Randweg 5e fase op woningen zijn: ! langs de Tielerweg (intensiteit de helft van de nulvariant); ! de kom van Meteren (65% minder t.o.v. nulvariant) en ! woongebied Kalenberg (40% minder t.o.v. nulvariant). De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat indien binnen de wettelijke- zones langs wegen, nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bebouwing worden gepland, de geluidsbelasting op de gevels daarvan de voorkeursgrenswaarde of

60

de ten hoogste overschrijden.

toegelaten

grenswaarde

niet

mag

6.3. Waterhuishouding
Inleidng Over de planvorming binnen Hondsgemet is de afgelopen jaren met het Waterschap Rivierenland en voorgangers vele malen vooroverleg geweest, Ten aanzien van een eerder vergelijkbaar voorontwerp bestemmingsplan (dit besloeg de fasen 1 t/m/ 4) heeft het Waterschap Rivierenland middels brief van 27 augustus 2002 instemming betuigd met de planvorming. Door verloop van tijd en hier en daar andere inzichten, is over deze structuurvisie opnieuw overleg geweest met het Waterschap Rivierenland, een en ander mede in het kader van de “Watertoets”. In deze paragraaf worden enkele uitgangspunten aangegeven, die wij van belang achten op structuurniveau. Waar nodig zal een doorkijk richting uitwerking gegeven worden. Aan het einde van deze paragraaf zal de zuidzijde van de planvorming, de fasen 1 en 2, concreter worden aangehaald. Werken aan water Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied van de rivier De Linge. Voor het stroomgebied Rivierenland, waar de Linge onderdeel van uit maakt, is een zogenaamde stroomgebiedsvisie opgesteld. Uit deze visie blijkt, dat alleen waterberging in het plangebied een sturende wateropgave is (waterberging in waterlopen).Bij het ontwerp wordt zoveel als wenselijk de methode gevolgd, zoals beschreven in de brochure “Werken aan Water”, welke is opgesteld door het

het voorliggende bestemmingsplan maakt de aanleg van nieuwe wegen mogelijk. De intensiteit op de interne ontsluitingswegen bedraagt maximaal 1.000 mvt/etm. De 50 dB(A) contourlijn ligt dan op circa 30 meter uit de as van de weg. In deze zone komen geen bestaande en nieuwe woningen voor. Dit leidt tot de conclusie, dat de geluidsbelasting van woningen in de directe omgeving van het bedrijventerrein ten gevolge van wegverkeer niet zal toenemen.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

61

Langs de randen van het bedrijventerrein voor de eerste en tweede fase wordt een stelsel van watergangen aangelegd. Dit stelsel zal het regenwater van wegen, parkeerterreinen en daken opvangen. De waterberging moet voldoende zijn om het eigen water eerst te bergen alvorens dit op de Awatergang door Hondsgemet af te voeren. Het is belangrijk, dat de oevers van de watergangen een natuurvriendelijke inrichting krijgen. In het algemeen is dit goed te combineren met de beoogde opbouw van het gehele bedrijventerrein. De watergangen dragen voorts tevens bij aan een goede sociale controle op het terrein. Er ontstaan twee poorten en ook de individuele bedrijfsvestigingen kunnen achter een poort en de watergang worden gesitueerd.

62

Waterschap Rivierenland en Waterbedrijf Gelderland. Bij de ontwikkeling van deze brochure heeft ook de gemeente Geldermalsen een actieve rol gespeeld. Het Waterschap Rivierenland heeft met deze werkwijze ingestemd bij brief d.d. 27-08-2002. Algemeen Op structuurniveau geldt dat in het plan voldoende oppervlaktewater moet zijn om te voldoen aan de kwalitatieve en kwantitatieve (bergings) eisen. Het voorliggende plan biedt hiervoor voldoende ruimte en aanzetten. In de nader uit te werken deelplannen zal hier op detailniveau verder invulling aan gegeven worden. Duurzaam watersysteem Voor het veiligstellen van een duurzaam watersysteem (waterkwaliteit en waterkwantiteit) zijn de onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd: ! grondwaterneutraal bouwen: toetsingscriterium is geen extra waterinlaat in het peilgebied Voorvliet/Pijpekasten en geen nadelige invloed op waterbalans in droge tijden als gevolg van Hondsgemet. Indien nodig, iets meer ophogen en/of kruipruimteloos bouwen. Pas in laatste instantie mitigeren. ! Fysisch-chemische waterkwaliteit: MTR (4de nota waterhuishouding). ! Streven naar een watersysteem van voldoende omvang i.v.m. waterkwaliteit ! Zorgen voor circulatie Natuur en ecologie. In het kader van het Flora en Faunaonderzoek (zie § 4.4) is gebleken dat de voorgenomen ingreep geen negatief effect
bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid 072-072 februari 2007

zal hebben op de duurzame instandhouding van beschermde amfibieën en vissen. Door het dempen van watergangen zal tijdelijk verlies aan voortplantingswater optreden. Veiligheid en volksgezondheid Van belang is dat het maken en instandhouden van water niet mag leiden tot onevenredige onveiligheid voor (nabijgelegen) gebruikers en/of bewoners. Het spreekt voor zich dat ook de volksgezondheid geen onevenredige hinder mag ondervinden. Bij de belangenafweging rondom de detailplannen en ontwerpen zal hier nadrukkelijk rekening mee moeten worden gehouden. Onderhoud en beheer Het aanbrengen van water brengt uiteraard ook beheer- en onderhoudswerk met zich mee. Bij de detailinrichting dient hier aandacht aan besteed te worden. Dit strekt zich enerzijds uit tot het weergeven van de keureisen in de plannen en anderzijds zal er op uitvoeringsniveau aandacht moeten zijn hoe om te gaan met vrijkomende bagger. Het hebben van een baggerdepot in de nabije omgeving is vanuit dit aandachtspunt wenselijk te noemen. Riolering Rioleringsaspecten zijn eigenlijk per definitie uitvoerings- en detailsaspecten en zijn daarom minder relevant voor deze structuurvisie. Bij het ontwerp van riolering zal duurzaam waterbeheer het startpunt zijn van de ontwerpen. Bij het ontwerp van de riolering zal in de beoordeling worden meegenomen de uitgangspunten zoals door het Waterschap Rivierenland aangereikt op 19 november 2004 en welke als bijlage is toegevoegd.
63

Plannen zuid-zijde (fasen 1 en 2) Hierna is een globale omschrijving gegeven van de voorgestane plannen aan de zuid-zijde (fasen 1 en 2). Deze omschrijving dient dan ook gezien te worden als een vingerwijzing hoe een en ander er uit zou kunnen gaan zien. In detail moet dit nog nader gepreciseerd worden In het stedenbouwkundig plan zijn de watergangen vervangen door een in de randen van het zuidelijk plandeel aan te leggen waterstelsel. In dit waterstelsel vindt de waterberging vanuit dit plandeel plaats. Het oppervlak van dit waterstelsel bedraagt circa 10 % van het totale grondoppervlak van de eerste en tweede fase. De waterpartij aansluitend op de Randweg heeft tot doel om niet alleen een structurele waterberging te verkrijgen, maar ook om een bijzondere rand van het bedrijventerrein te creëren. De afwerking van de oostelijke oever van deze ruimte kan ter hoogte van de beoogde markante bebouwing (het “eiland”) uit harde materialen bestaan. De overige oevers en watergangen krijgen een meer natuurlijke inrichting. De hellinghoeken worden daartoe flauw aangelegd. De watergang parallel aan de Plattenburglaan heeft tevens tot doel om een barrière te vormen tegen het vrij betreden van het bedrijventerrein (afsluiting in de nachtperiode en in de weekends).

Overig Als bijlage bij dit structuurplan is een lijst met uitgangspunten gevoegd, zoals door het Waterschap is aangereikt. Bij de detailuitwerking zal aan de hand van deze lijst in beginsel de toetsing door het Waterschap plaatsvinden. Uiteraard zal voorafgaand aan de definitieve deelplannen vooroverleg met het Waterschap plaats vinden, waarbij dan o.a. bekeken moet worden of alle genoemde punten nog relevant zijn. Begin 2005 maakt DHV in opdracht van de gemeente en in goed overleg met het Waterschap Rivierenland reeds binnen de bovengenoemde kaders een concrete uitwerking voor het watersysteem. Hiermee is de detailuitwerking ook op een goede wijze gewaarborgd. Door tijdsverloop zullen hier en daar nieuwe inzichten en eisen, de uitwerking opnieuw bekeken worden. Onderhavig plan richt zich op structuurniveau, zodat hier geen verdere detaillering wordt omschreven.

64

(parkeermanagement)

6.4. Duurzaam bouwen
In deze paragraaf worden enkele nadere aspecten genoemd ten aanzien van duurzaam bouwen en intensief ruimtegebruik. Aangezien beide onderwerpen raakvlakken met elkaar kunnen hebben, worden ze gezamenlijk behandeld. Het gemeentebestuur van Geldermalsen heeft het regionale convenant “duurzaam bouwen” ondertekend. Dit convenant strekt zich ook uit tot het bedrijventerrein. In de vorige paragraaf zijn reeds aspecten van watergebruik genoemd. Bij de uitwerking van het bestemmingsplan zal ook waar mogelijk in het bouwproces nadrukkelijk aandacht worden besteed aan aspecten van duurzaam bouwen. In het navolgende wordt een overzicht gegeven van de duurzaamheidsmaatregelen, die door de gemeente zijn of worden genomen: Deze lijst is ontleend aan een checklist van het Novem en is door de provincie Gelderland in het kader van de "Handreiking Werken aan duurzaamheid op bedrijventerreinen" aan het gemeentebestuur aangeboden.
Efficiënt parkeren Efficiënt (meervoudig) ruimtegebruik Parkeren in het openbaar gebied is uitgesloten. ruimtegebruik Er wordt de realisering van enkele bedrijfsverzamelgebouwen voorgestaan. De onbebouwde ruimten zijn zoveel mogelijk benut. De verkaveling, gebouwen e.d. zijn gericht op een maximaal en efficient ruimtegebruik. ruimtegebruik De wegenstructuur is minimaal en kan naar behoefte worden uitgebreid en aangepast aan de wensen van bedrijven. en beheer Verplicht lidmaatschap gezamenlijke Duurzaam rendement Leefbaarheid en veiligheid

beheersorganisatie wordt overwogen Instellen van een gemeentelijke bedrijfscontactfunctionaris. Segmentering en thematisering van het bedrijventerrein Groen op bedrijventerrein is gerelateerd aan ecologische structuur in de omgeving. Groenen waterstructuur zijn gecombineerd. Bij verkaveling is snippergroen vermeden.

Leefbaarheid en veiligheid

Er wordt naar gestreefd een collectief beveiligingsplan voor het gehele bedrijventerrein uit te werken. Verkeer en vervoer Nog nader te bekijken in kader beheer en (goederenvervoer) inrichtingsplan. Watersysteem Gescheiden rioolstelsel Waterberging in plangebied Waterketen --Grondstoffen en afvalstoffen In principe een gesloten grondbalans nastreven Duurzaam bouwen Hoge stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit op zichtlocaties en nabij entree. Verkeer en vervoer Openbaar vervoer op loopafstand (halte Randweg) Emissies en geluid Interne milieuzonering Interne en externe zonering Energie --------

Efficient (flexibel) Kwaliteit

Ten aanzien van het duurzaam bouwen wordt gestreefd naar praktische maatregelen en toepassingen welke uitvoerbaar, beheersbaar en toepasbaar zijn en tevens geen kostenverhogingen tot gevolg hebben. In het kader van de stedenbouwkundige ontwikkeling van het plangebied komt dit tot uitdrukking in onder meer de principes van het waterstelsel en de aanleg van natuurvriendelijke oevers.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

65

Op het directe bouwniveau kan de laatst gepubliceerde versie van het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen Utiliteitsbouw hiervoor als leidraad dienen. In dit pakket is een lijst opgenomen met DUBO-voorzieningen. Op deze plaats wordt verwegen naar het vastgesteld duurzaam bouwen uitvoering.

6.6. Externe Veiligheid
Inleiding

6.5. Trillingshinder
Op basis van de MER2 ten behoeve van de Betuweroute kan worden geconcludeerd dat een bebouwingsvrije zone van 30 m in verband met externe veiligheid voor gevoelige functies in acht moet worden genomen. Tot een afstand van 50 m is trillingshinder te verwachten en tussen 50 en 100 m is trillingshinder mogelijk. Teneinde schade ten gevolge van trillingshinder te voorkomen is een bebouwingsvrije zone opgenomen van 45 m. Binnen deze zone mogen geen gebouwen worden gebouwd. Nu binnen 50 meter trillingshinder te verwachten is, is het gebied tussen de 45 en 50 meter op de plankaart aangeduid als “trillingshinderzone Betuweroute”. Bouwen binnen deze zone is toegestaan, het verdient echter de aanbeveling om als bouwende partij te onderzoeken of aanvullende bouwkundige maatregelen dienen te worden getroffen. Door trillingshinder kan schade ontstaan aan gebouwen. Eventuele schade aan gebouwen binnen deze zone ten gevolge van trillingshinder zal niet vergoed worden door ProRail of welke instantie dan ook.

Risicokaart provincie Gelderland (d.d. feb. 2007)

2

Geactualiseerde informatie van E. Talacua, ProRail, 2006

Het externe veiligheidsbeleid is een onderdeel van het integraal veiligheidsbeleid. Dit omvat de totale breedte van de veiligheidsketen. Het beleid heeft betrekking op de preventieve aspecten van de veiligheidsketen. Het betreft alle soorten van veiligheid ten aanzien waarvan het openbaar bestuur een verantwoordelijkheid draagt. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beheersing van de risico’s voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen in inrichtingen, het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens.
66

De Minister van VROM heeft normen opgesteld, welke externe veiligheidsrisico’s ten hoogste worden geaccepteerd. Deze normen zijn vastgelegd in diverse beleidsnota’s, waaronder het vierde milieubeleidsplan (NMP4). Het uitgangspunt van het nieuwe beleid is, dat burgers voor de veiligheid van hun woonomgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico, PR3). De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers moet expliciet worden afgewogen en verantwoord (groepsrisico, GR4). Daarbij spelen maatschappelijke baten van en de beschikbare alternatieven voor de betrokken activiteit een belangrijke rol. Plaatsgebonden risico Nieuwe gevoelige bestemmingen mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. De provincie Gelderland heeft een zogenaamde risicokaart opgesteld. Op de kaart zijn zoneringsafstanden van het
3

plaatsgebonden risico van inrichtingen berekend. Nevenstaand is de uitsnede van de risicokaart van de provincie weergegeven. De eerste indicatie geeft aan, dat er geen 10-6 risicocontour over het bestemmingsplangebied ligt. Ten zuiden van het bestemmingsplangebied liggen de transportassen spoorlijn Betuweroute en Rijksweg A15. Dit zijn mogelijk relevante risicobronnen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid. Door Cauberg Huygen (d.d. februari 2007, kenmerk 2007.0246-01) is onderzocht welke effecten deze risicobronnen hebben op het bestemmingsplangebied. Op basis van de door ProRail verstrekte vervoersintensiteiten, is de plaatsgebonden risicocontour berekend. In de onderstaande tabel is de plaatsgebonden risicocontour als gevolg van de Betuweroute gepresenteerd (berekend met behulp van RBM II).

Gemiddelde PR contour ( per jaar) 10 10 10
-6 -7 -8

Afstand ten opzichte van as van spoor Toekomstige situatie 12 meter 248 meter 775 meter

Risico dat een persoon buiten een inrichting overlijdt als rechtstreeks gevolg van een voorval binnen die inrichting. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een ongeval met meerdere dodelijke slachtoffers tegelijkertijd plaatsvindt. Het groepsrisico is gedefinieerd als de kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een risicovolle activiteit of inrichting waarbij een gevaarlijke stof is betrokken.

4

Eenzelfde berekening is uitgevoerd ten behoeve van de Rijksweg A15 (Rotterdam – Nijmegen). In de situatie 2002 is de autosnelweg wel aanwezig en het bedrijventerrein niet. De berekeningen van de risicocontouren zijn gedaan met behulp van RBM II.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

67

Afbeelding: Risicocontouren Betuwespoorlijn, 10-6 en 10-8 (! 1% letaal)

68

Gemiddelde PR contour (per jaar)

Afstand ten opzichte van as van de weg Situatie 2002 Toekomstige situatie 2010 8 meter 113 meter 202 meter Toekomstige situatie 2020 18 meter 118 meter 211 meter

dodelijke slachtoffers opgenomen. De factor OW geeft het grootste verschil bij overschrijding en het kleinste verschil bij onderschrijding aan tussen de berekende groepsrisicocurve en de oriënterende waarde.
Situatie Huidige situatie (2005) Toekomstige situatie Ongevalspunt met het hoogste GR Factor OW 0 0,1876 Aantal doden 0 234

10 10 10

-6 -7 -8

0 meter 108 meter 193 meter

In nevenstaand kaartbeeld zijn de plaatsgebonden risicocontouren van de Betuweroute en Rijksweg A15 (toekomstige situatie 2020) grafisch weergegeven. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg valt binnen het bestemmingsplangebied, maar buiten de bestemmingsvlakken waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. De maatgevende plaatsgebonden risicocontour van de Betuweroute ligt op 12 meter van de as van het buitenste spoor. Op grond van het bestemmingsplan zijn op 45 meter afstand van de as van het buitenste spoor geen gebouwen toegestaan. Ook bij groei van de transportstroom op de Betuweroute zijn er geen knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden risico te verwachten. GroepsrisicoVoor het groepsrisico heeft Cauberg Huijgen de kans berekend dat groepen groter dan 10 personen als gevolg van een incident komen te overlijden. Hierbij is een vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie. In de volgende tabel zijn voor de Betuweroute de factor OW (oriënterende waarde groepsrisico) en het maximaal aantal
bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid 072-072 februari 2007

In onderstaande tabel zijn voor de Rijksweg A15 de berekende factor OW (oriënterende waarde groepsrisico) en het maximaal aantal dodelijke slachtoffers opgenomen. Deze factor OW geeft het grootste verschil bij overschrijding en het kleinste verschil bij onderschrijding aan tussen de berekende groepsrisicocurve en de oriënterende waarde. Situatie Situatie 2002 Toekomstige situatie 2010 Toekomstige situatie 2020 Ongevalspunt met het hoogste GR Factor OW 0 0 0 Aantal doden 0 0 0

In onderstaande grafiek is de resultante van het groepsrisico voor het bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid grafisch weergegeven. In de bestaande situatie is er geen sprake van een groepsrisico, omdat in de huidige situatie het maximaal aantal dodelijke slachtoffers kleiner is dan 10. Uit de grafiek blijkt een significante toename van het groepsrisico als
69

gevolg van bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijft.

geadviseerd over rampbestrijding.

het

bestemmingsplan

en

de

Het advies is gebaseerd op het maatscenario. Hierbij zijn de mogelijkheden en capaciteit voor hulpverlening en incidentbestrijding afgezet tegen de verwachte hulpbehoefte. De RBGZ geeft aanbevelingen om het aantal potentiële slachtoffers te beperken. Deze aanbevelingen zijn zoveel mogelijk opgenomen en verwerkt in het bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid. Echter, een aantal aanbevelingen is niet te regelen met het bestemmingsplan. Deze aanbevelingen worden separaat uitgewerkt in andere beleidsnotities (zoals externe veiligheidsbeleid, beleidsplan risicocommunicatie). Hoewel het uitvoeren van de aanbevolen maatregelen een positief effect heeft op de veiligheid, valt daarmee niet uit te sluiten dat het maatscenario zich voor zal doen en boven de mogelijkheden van de rampenbestrijdingsorganisatie uitstijgt. Het is aan de gemeente dit 'restrisico' expliciet te accepteren en met de vaststelling van het bestemmingsplan de toename van het groepsrisico te verantwoorden.

Als gevolg van deze significante toename van het groepsrisico is op grond van de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen in het kader van artikel 10 Bro advies gevraagd aan de regionale brandweer Regio Gelderland-Zuid (RBGZ). Advies regionale brandweer De gemeente Geldermalsen heeft de regionale brandweer Regio Gelderland-Zuid (RBGZ) verzocht het ontwerp van het bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid te beoordelen. De regionale brandweer heeft het ontwerp beoordeeld5 en
5

Verantwoording toename groepsrisico Het groepsrisico in het bestemmingsplangebied neemt toe als gevolg van het feit bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid het mogelijk maakt dat er meer mensen gaan werken binnen de risicocontouren van de Betuweroute. Het groepsrisico als gevolg van Rijksweg A15 is binnen het bestemmingsplan

In het advies werden een aantal vragen en opmerkingen geplaatst die in beantwoording van de vragen is in de bijlage externe veiligheid opgenomen.

een tweede rapportage door Cauberg-Huygen allen beantwoordt zijn. Zowel de tweede rapportage, als het advies van RBGZ, als de

70

Hondsgemet-Zuid niet aanwezig en blijft derhalve buiten beschouwing van de verantwoording van de toename van het groepsrisico. Het berekende groepsrisico van de Betuweroute ten gevolge van bestemmingsplan Hondsgemet-Zuid blijft onder de landelijk geaccepteerde waarde waarop sprake is van economische of sociale ontwrichting (oriëntatiewaarde). Op grond van het Streekplan Gelderland heeft Geldermalsen een taakstellende opgave voor de realisatie van uitgeefbaar bedrijventerrein. Een goede bereikbaarheid en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven zijn belangrijke ruimtelijk-economische randvoorwaarden voor een vestigingslocatie van een bedrijventerrein. Deze aspecten zijn op de locatie Hondsgemet-Zuid optimaal, waardoor deze locatie ondermeer in de Structuurvisie Geldermalsen is aangewezen als nieuw uit te geven bedrijventerrein. Conform de Structuurvisie Geldermalsen zal de kern Geldermalsen zich richting het zuiden ontwikkelen. Hierbij wordt een duidelijke ruimtelijke-functionele scheiding gemaakt tussen woongebieden en bedrijventerreinen. Vanuit de bestaande ruimtelijk-functionele karakteristiek (tussen de bestaande bedrijventerrein en de Betuweroute/A15) is het voor de hand liggend de locatie Hondsgemet te ontwikkelen als bedrijventerrein. In het kader van de veiligheid is het derhalve acceptabeler om een bedrijventerrein te ontwikkelen nabij risicobronnen, dan woongebieden. Op een bedrijventerrein zijn doorgaans minder kwetsbare groepen aanwezig dan in woongebieden. Kijkend naar de enige overgebleven risicobron, de Betuweroute, kan worden gesteld dat in het kader van de

realisatie van de Betuweroute reeds risicobeheersende maatregelen zijn getroffen. De voorzieningen (bluswatervoorziening en bereikbaarheid) die nodig zijn voor de bestrijding van het maatgevende scenario voor Hondsgemet-Zuid zijn derhalve al gerealiseerd bij de aanleg van de Betuweroute. Voorts wordt het bestemmingplangebied op 2 plaatsen op de Plettenburglaan ontsloten. In geval van een calamiteit op of rond het bedrijventerrein kunnen beide wegen als vluchtroutes worden gebruikt. De hierboven beschreven en gedeeltelijk reeds getroffen maatregelen maken dat op deze locatie sprake is van een acceptabele bedrijventerreinontwikkeling binnen de kaders van externe veiligheid.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

71

6.7. Intensief ruimtegebruik
Aangezien intensief ruimtegebruik een belangrijk aandachtspunt is in de huidige ontwikkeling, wordt hier op deze plaats nog extra aandacht aan besteed. In het vorenstaande schema is al het nodige genoemd, maar hier wordt nog eens extra aandacht gevestigd op de intensieve aspecten die in het plan zitten. Het gemeentebestuur vindt het belangrijk intensief ruimtegebruik zo veel als mogelijk toe te passen, maar daarbij wel als randvoorwaarde te stellen dat intensief ruimtegebruik passend is aan de karakteristiek van het toekomstige gebruik, maar vooral ook aan de karakteristiek van de kern en de nabije omgeving. Ten opzichte van andere plannen binnen de gemeente is op veel punten zeer veel winst behaald met intensief ruimtegebruik binnen het plan Hondsgemet. Belangrijk punt hierbij is dat de hoogtebepalingen ten opzichte van andere vergelijkbare plannen in de gemeente zijn bijgesteld. In ieder geval is een basishoogte van 12 m toegestaan, waar in andere plannen 10 m gebruikelijk is (dus +20%). Tevens is een flinke zone aangewezen, waarbij een hoogte van 16 m is toegestaan. Met een vrijstelling van 20% is de nodige flexibiliteit aanwezig om binnen de gewenste kwaliteit nog intensiever te bouwen. Bij het ontwerpen is zeer kritisch gekeken naar de hoeveelheid openbaar gebied die nodig is. Wij zijn en blijven van mening dat bermen en dus groen aanwezig moeten zijn voor een aantrekkelijk onderneem- en werkklimaat. Tevens dient er uiteraard de nodige ruimte te zijn voor

verkeersbewegingen. Parkeren in openbaar gebied wordt niet gereserveerd, omdat er geen aanwijzingen zijn dat dit nodig is, ook niet voor wel acceptabel dubbelgebruik. Ter illustratie van de grote inspanning (en trendbreuk met het verleden) wordt hieronder uiteengezet welke besparing in het openbaar gebied is gevonden. Uit de dwarsdoorsneden van de bestemmingsplankaarten van de bedrijventerrein Hoge Weide blijkt dat Hoge Weide I een openbaar gebied heeft van 27 m, Hoge Weide II van 31 m en Hoge Weide III van 35 m. In Hondsgemet hebben de interne wegen een dwarsdoorsnede van 13 m. (besparing dus meer dan 50%) Deze breedte wordt bereikt door een minimale wegbreedte met een minimaal bermbreedte te combineren. Verdere versmalling zal de karakteristiek, de veiligheid, de gebruiksmogelijkheden (denk aan ruimte voor kabels en leidingen) en het aanzien te veel aantasten. Binnen de voorschriften is ruimte gemaakt om na vrijstelling het bebouwingspercentage op te hogen naar 70%. Dit betekent bij een kavel van 5000 m2, 500 m2 meer bouwmogelijkheid. Zoals bij andere onderwerpen eerder gesteld, zal verdere uitbreiding van dit percentage de karakteristiek en het toekomstige gebruikt waarschijnlijk te veel aantasten. Vanzelfsprekend worden er geen belemmeringen opgeworpen om ondergronds te bouwen of andere praktische oplossing voor intensief ruimtegebruik te benutten.

72

6.8. Brandweer
Ten behoeve van de externe bereikbaarheid van het zuidelijk deel van het bedrijventerrein worden twee toegangen gemaakt. De oostelijke toegang wordt met name gebruikt, als de centrale toegang door calamiteiten is versperd. Voor het midden- en noordelijk plandeel wordt één hoofdontsluiting aangelegd. Deze ligt kort op de rotonde in de Randweg 5e fase. Ook hier wordt een calamiteitenroute aangelegd. Deze loopt over de nieuwe centrale interne ontsluitingsweg en de bestaande Meersteeg. Tenslotte wordt opgemerkt, dat het terrein AVRI slechts één hoofdontsluiting kent: de centrale interne ontsluitingsweg. Van de overige zijden is het terrein alleen via de calamiteitenroute langs de Betuwelijn bereikbaar. Ten behoeve van het voorzien in het noodzakelijke bluswater worden op het terrein boorputten aangebracht. Het aantal en de exacte plaatsen worden nog nader bepaald.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

73

7.

REGELGEVING

7.1. Opzet
Hoofdbestemmingen De uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan zijn direct naar de plankaart en de voorschriften vertaald. Hierdoor wordt bewerkstelligd, dat het plan waar mogelijk een direct toetsingskader biedt. Dit resulteert in de volgende hoofdbestemmingen: ! Bedrijfsdoeleinden; ! Verkeersdoeleinden; ! Groen; ! Water; ! Agrarisch gebied. Wijzigen zonder goedkeuring van GS Het zevende lid van artikel 11 WRO maakt het uitwerken en wijzigen van het plan zonder goedkeuring van Gedeputeerde Staten mogelijk, indien: ! Gedeputeerde Staten bij goedkeuring van het bestemmingsplan ten aanzien van de betreffende wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht hebben aangegeven dat de resultaten daarvan -wijzigingen of uitwerkingen- hun goedkeuring niet behoeven, én ! tegen de ontwerp-wijziging of -uitwerking geen zienswijzen zijn ingediend. ! In de gevallen dat aan die voorwaarden is voldaan blijft het wijzigen een (binnen-) gemeentelijke aangelegenheid. De in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden gaan, naar aard en reikwijdte, het gemeentelijk belang niet te boven, waardoor deze binnengemeentelijk kan worden afgehandeld.
74

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regelgeving (voorschriften en plankaart). In de voorgaande hoofdstukken is reeds op enkele aspecten ingegaan.

7.2. Procedurebepalingen Alg. wet bestuursrecht
Ten aanzien van de bezwarenprocedures in het bestemmingsplan bepalen de voorschriften dat de procedure dient te worden gevolgd, die is vervat in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het onderhavige plan bevat enige vrijstellingsbevoegdheden, die qua "zwaarte" en reikwijdte min of meer directe gevolgen kunnen hebben voor andere belanghebbenden dan de aanvrager van de vrijstelling. Ten aanzien van die vrijstellingsbevoegdheden bepalen de voorschriften dat de openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 wordt gevolgd. Ook op besluiten tot wijziging krachtens de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden wordt Afdeling 3.4 van toepassing verklaard. Artikel 11 WRO schrijft bij het wijzigen voor, dat zoveel mogelijk overleg met belanghebbenden moet worden gepleegd, die in de gelegenheid worden gesteld van "hun bedenkingen" te doen blijken. Ook hier wordt de vroegere bijlage met procedurevoorschriften vervangen door Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht. De procedure-bepalingen in Afdeling 3.4. komen samengevat op het volgende neer: ! terinzagelegging aanvraag/ontwerp van het besluit gedurende vier weken, voor hen aan wie de gelegenheid wordt geboden om hun zienswijze naar voren te brengen; ! belanghebbenden mogen hun zienswijze naar voren brengen;

! tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaald, kan het bestuursorgaan, i.c. het gemeentebestuur, bepalen dat ook anderen, i.c. een ieder, hun zienswijze naar voren mogen brengen; ! zienswijze naar voren brengen kan naar keuze van "reclamant" schriftelijk of mondeling, binnen die periode van vier weken; ! in geval van een besluit op aanvraag, wordt aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld om te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen; van hetgeen mondeling naar voren wordt gebracht, wordt een verslag gemaakt (door de gemeente).

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

75

7.3. Status beeldkwaliteitplan
De in de toelichting opgenomen beeldkwaliteiteisen zijn nader uitgewerkt in het “Beeldkwaliteitplan Bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid”. Dit plan wordt vastgesteld door de gemeenteraad en via een wijziging aan de gemeentelijke Welstandsnota toegevoegd. Hierdoor kunnen deze rechtstreeks als toetsingskader fungeren voor bouwvergunningen. Het beeldkwaliteitplan heeft, zoals gezegd, mede tot doel de ondernemingen en bewoners van het gebied bewust te maken van de betekenis van een goed ingericht bedrijventerrein. Dit waarborgt een goede naleving van het plan ook voor zogenaamde vergunningvrije bouwwerken. Tot slot wordt opgemerkt, dat het beeldkwaliteitplan een extra status heeft. Hiertoe zal, alvorens de gronden daadwerkelijk worden verkocht, aan de potentiële koper worden gevraagd een bouw- en inrichtingsplan te overleggen. Deze wordt getoetst aan het beeldkwaliteitplan. Als deze beoordeling positief uitvalt, dan worden de gronden daadwerkelijk verkocht. Dit vormt een extra waarborg, dat de ideeën van de gemeente in de praktijk worden gerealiseerd.

76

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

77

8.

MAATSCHAPPELIJK OVERLEG

8.1. Provincie Gelderland
De omvang van het uitbreidingsgebied voor bedrijventerrein is afhankelijk van de omvang van eventueel aan te wijzen inbreidingslocaties. Daarnaast dient op grond van het herziene streekplan een fasering in de bestemmingsregeling en uitvoering in het plan te worden opgenomen. De locatie en de omvang daarvan zijn - indien aan het voorgaande is voldaan - overigens in overeenstemming met het provinciale programma. De structuurvisie sluit niet nadrukkelijk uit, dat zich hier bedrijven kunnen vestigen die in het kader van het provinciale ruimtelijk beleid hier niet behoren te worden gevestigd. Slechts bedrijven met een beperkt regionale functie (functie Geldermalsen) behoren zich hier te kunnen vestigen. De toelichting gaat uit van een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein. In de voorschriften hebben deze kwalitatieve aspecten geen plaats gekregen. Dit dient wel op elkaar aan te sluiten. Waaraan moeten gebouwen en hun omgeving voldoen, hoe dient wel of geen buitenopslag verwerkt te worden, Reactie gemeente In de toelichting heeft een aanscherping van het planologisch beleid plaats gevonden. Uit deze aanscherping blijkt, dat er elders in de kom geen inbreidingslocaties beschikbaar zijn. De geraamde taakstelling is derhalve in de structuurvisie Hondsgemet gehandhaafd. Hoewel niet noodzakelijk, heeft het gemeentebestuur besloten om op basis van de structuurvisie in circa 5 bestemmingsplannen het plangebied gefaseerd tot ontwikkeling te brengen.

Het voorliggende bestemmingsplan vindt de basis in het Structuurplan Bedrijventerrein Hondsgemet. Dit plan is in ontwerp voorgelegd aan de diverse instanties. Van de volgende instanties is bericht ontvangen, dat zij geen opmerkingen hebben ten aanzien van het structuurplan c.q, ontwerp-bestemmingsplan: ! KPN-Vaste net; ! B.V. Recreatie Maatschappij Rivierengebied; ! Directoraat Generaal Rijkswaterstaat; ! Polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bij het gemeentebestuur binnengekomen reacties

78

Voorts wordt opgemerkt, dat de visie ten aanzien van het uitgiftebeleid wordt vastgelegd in een beheers- en inrichtingsplan. Dit wordt als richtsnoer bij de uitgifte gebruikt. Het te vergaand regelen van deze aspecten in de voorschriften kan als te star worden ervaren. Er wordt geen melding gemaakt van de wijze van ontsluiting van het bedrijventerrein met het openbaar vervoer. Voor de bedrijven wordt een suggestie gegeven of vervoermanagement mogelijk is. Reactie gemeente Over de Randweg 5e fase zal een buslijn lopen. De halte ligt op loopafstand van het gehele bedrijventerrein. De suggestie van vervoermanagement vormt een van de aandachtspunten bij het te voeren parkmanagement ten aanzien van de realisering van het bedrijventerrein. Er zijn twee vindplaatsen aangetroffen, die nader archeologisch onderzoek rechtvaardigen. Het advies is deze verder te onderzoeken middels archeologisch vervolgonderzoek, hetzij een waarderend onderzoek, hetzij een proefsleuvenonderzoek. Op grond daarvan kan een besluit worden genomen ten aanzien van behoud danwel een opgraving. De nog niet onderzochte delen in planfase II dienen nader onderzocht te worden middels een archeologische veldinventarisatie. Indien in de niet onderzochte delen ook vindplaatsen worden aangetroffen, moet op grond van de resultaten van het onderzoek een besluit genomen worden over behoud dan wel opgraving.

Reactie gemeente. De archeologische onderzoeken worden conform deze opmerkingen gecompleteerd c.q. afgerond. Tijdens een overleg d.d. 4 juli 2002 hebben medewerkers van de provincie gewezen op een tweetal zaken: ! verdiep het intensief ruimtegebruik, als je iets doet, omschrijf het dan ook; ! besteed aandacht aan de contingenten, volgens gegevens van de provincie is de afgelopen 10 jaar meer uitgegeven dan wordt verondersteld door de gemeente in het bestemmingsplan. Dit heeft als consequentie dat de 2e fase boven het contingent uitkomt. Hierdoor wordt op formele gronden goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan. De verwerking “inbreiding boven uitbreiding” is vooralsnog voldoende verwoord. In de totale gemeentelijke Visie op het Wonen en Werken zal dit zijn definitieve vorm krijgen. Tegen het plan op zich had men geen problemen. Tijdens een overleg d.d. 13 januari 2003 is aan provinciale medewerkers de vraag voorgelegd of de combinatie visievorming, fasering/programmering/kostenverhaal, kleiner (gefaseerd) bestemmingsplan de goedkeuring kon dragen. Men gaf aan dit een goede en ook werkbare, reële oplossing te vinden. Reactie gemeente Door aanvulling in verhaal is behoefte en planologische onderbouwing voldoende weergegeven. Intensief ruimtegebruik is zeer wel aanwezig in het plan. Er is een zekere trendbreuk met het verleden, basis bouwhoogte is
79

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

opgeschroefd, openbaar gebied is geminimaliseerd etc.(zie paragraaf 6.5). Vooralsnog is de conclusie dat met de aangegeven aanpassingen in voldoende mate wordt voldaan aan intensief ruimtegebruik. Vooropgesteld wordt dat de provincie niet tegen de voorgenomen ontwikkeling is en ook niet tegen het voorgenomen ruimtebeslag. Door een gefaseerde ontwikkeling zoals nu voorgestaan, zijn er geen problemen meer.

8.2. Kamer van Koophandel, Rivierenland
In de onderbouwing van de behoefte aan bedrijfsruimte worden de conclusies uit het door de Kamer van Koophandel Rivierenland uitgevoerde onderzoek naar bedrijfsruimte onderschreven. In uw raming van de behoefte vanuit bestaande bedrijven tot 2005 noemt u een aantal van 16,1 ha. Dit cijfer komt niet overeen met de geconcludeerde behoefte uit het rapport van 10,9 ha. Wij begrijpen, dat de gemeente is uitgegaan van behoefte zonder de mogelijkheid voor de bouw van een bedrijfswoning. In die zin zou deze aanname, ter voorkoming van misverstanden, verduidelijkt moeten worden. Reactie gemeente De onderbouwing is inmiddels geactualiseerd naar aanleiding van de meest recente prognoses van onder meer de provincie Gelderland. Dit betekent, dat de aangehaalde tekstpassage is vervallen. Het is derhalve niet zinvol nu nader op deze opmerkingen in te gaan. Geadviseerd wordt om met de gemeentebesturen van Neerijnen en Lingewaal afspraken te maken over de positie van Hondsgemet voor de opvang van bedrijven uit die gemeenten. Reactie gemeente Er heeft bestuurlijk overleg plaats over deze afspraken. Dit overleg is uitgemond in een nieuwe regionale afspraken. Deze zijn in hoofdstuk 2 van deze toelichting genoemd. Deze afspraken bevestigen het aanvankelijk fundament van het plan.

80

De gemeente acht verplaatsing van een aantal transportbedrijven van groot belang. In artikel 4 van de voorschriften zijn transportbedrijven, bouwbedrijven en dienstverlening niet opgenomen. Reactie gemeente De gevraagde aanpassing van de voorschriften heeft plaatsgevonden. U streeft naar vestiging van bedrijven in de milieucategorieën 1 t/m 3. Het merendeel van de bedrijven uit het behoefte onderzoek valt in deze categorieën, maar zo’n 18% van de bedrijven valt onder categorie 4. In het plan is weliswaar een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor bedrijven uit milieucategorie 4, maar een rechtstreeks toegelaten bestemming aan de oostzijde van het zuidelijk plandeel heeft onze voorkeur. Reactie gemeente De structuurvisie is ter zake niet aangepast. Het gemeentebestuur handhaaft haar voornemen om een de milieubelasting van het terrein zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent, dat over de toelaatbaarheid van een bedrijf uit categorie 4 eerst via een nadere procedure (vrijstelling) door Burgemeester en Wethouders zal worden beslist. Dit biedt de mogelijkheid de economische en milieueffecten tegen elkaar af te wegen. Wij geven in overweging het maximale bebouwingspercentage te verhogen naar 70%, de bouwhoogte van 12 middels vrijstelling naar 15 meter en de verplichte afstand van gebouwen tot de perceelsgrens te verlagen tot 3 meter.

Reactie gemeente De gewenste aanpassingen hebben ten dele plaatsgevonden. Het gemeentebestuur staat een evenwichtig opgebouwd bedrijventerrein voor. Het profiel van het bedrijventerrein is afgestemd op de lokale bedrijven. Te grote contrasten in onder meer het volume van gebouwen tussen bedrijven onderling dienen daarbij te worden vermeden. Om deze redenen zijn de maatvoeringseisen ten aanzien van de hoogte en het bebouwingspercentage slechts in beperkte mate veranderd. Voorts hebben de opgenomen maten tot de zijdelingse perceelgrenzen een duidelijke basis in de brandveiligheid van het bedrijventerrein. Via een vrijstellingsbevoegdheid bestaat wel de indirecte mogelijkheid deze afstand tot 3.00 meter te verkleinen. Hierbij zal onder meer de brandweercommandant om advies worden gevraagd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat de hoogte van de bebouwing op het "eiland" langs de Randweg verhoogt is naar maximaal 25 meter. Hiermee wordt met name de realisering van een ruimtelijk accent beoogd. Wij hebben niet kunnen dwarsverbindingen krijgen. nagaan, welk profiel de

Reactie gemeente De dwarsverbindingen krijgen een met de overige wegen vergelijkbare opbouw. Hiermee wordt binnen het gehele bedrijventerrein een eenduidige opbouw bevorderd (zie paragraaf 5.6). Bij de begripsomschrijving van volumineuze detailhandel wordt ook de detailhandel in meubels en woninginrichting
81

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

gerekend. Wordt bij normering van het aantal parkeerplaatsen uitgegaan van bedrijfsvloeroppervlak of van het verkoopvloeroppervlak. Reactie gemeente Ten aanzien van de normering wordt uitgegaan van bedrijfsvloeroppervlak.

Reactie gemeente. Deze opmerkingen zijn niet relevant voor het bestemmingsplan. Bij de uitwerking van de openbare ruimten e.d. wordt uiteraard wel ten volle rekening gehouden met de randvoorwaarden vanuit de technische infrastructuur.

8.3. Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
De Rijksdienst heeft geen bezwaar tegen de ontwikkeling van bedrijventerrein, maar betreurt het dat bij de inrichting van het gebied in het geheel niets is gedaan met de historische gebiedskenmerken. Voor het overige geeft het plan geen aanleiding tot opmerkingen. Reactie gemeente Bij de planontwikkeling zou het volgen van de historische kavellijnen leiden tot een minder efficiënte verkaveling van het bedrijventerrein. Naar de randen van het gebied ontstaan niet optimaal gevormde percelen en of resthoeken. Vanuit een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik en gelet op de ruimtelijke impact van het bedrijventerrein is gekozen voor de aangegeven verkaveling. De richting van de hoofdinfrastructuur is bepalend voor de opzet van de interne wegenstructuur. Aan deze samenhang dient meer gewicht te worden toegekend, dan aan de historische kavelstructuur.

8.5. Rijksdienst voor het Oudheidkundig bodemonderzoek
Ten aanzien van die delen van het plangebied, welke nog niet toegankelijk waren voor een vooronderzoek naar archeologische waarden wordt geadviseerd op zo kort mogelijk termijn een verkennend booronderzoek uit te voeren. Ten aanzien van twee vindplaatsen wordt geadviseerd proefsleuven te graven. Aan de hand van deze sleuven dient te worden bepaald of vervolgonderzoek plaats dient te vinden. Reactie gemeente Door de gemeente wordt in de komende maanden nader onderzoek uitgevoerd naar de genoemde aspecten. In nader overleg met het ROB is inmiddels het graven van proefsleuven afgesproken.

8.6. Waterschap Rivierenland 8.4. Waterbedrijf Gelderland
Het Waterbedrijf Gelderland heeft enkele opmerkingen geplaatst ten aanzien van de inrichting van leidingenstroken. Na een ingewilligd verzoek tot uitstel heeft bij brief van 27 augustus 2002 het Waterschap Rivierenland een reactie gegeven op de ontwerp bestemmingsplan. Het betreft niet zozeer een inspraakreactie als wel een overzicht van suggesties en wensen naar de toekomst ten aanzien van duurzaam waterbeheer.

82

In navolging van besluiten van het voormalige Zuiveringsschap Rivierenland en het voormalige Polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden bestendigt het Waterschap Rivierenland de instemming met de planvorming. Het waterschap wil graag bij de concrete uitwerkingen vooraf betrokken worden. Reactie gemeente Geconstateerd wordt, dat het nieuwe waterschap instemt met het plan Hondsgemet. Het spreekt voor zich dat het Waterschap tijdig betrokken blijft bij ontwerpen. Voor het middendeel en het noordelijk plandeel stelt men bovengrondse afvoer van hemelwater als uitgangspunt. Reactie gemeente De inrichting van het middendeel en het noordelijk deel is momenteel nog niet aan de orde. Van het gestelde uitgangspunt wordt nadrukkelijk kennis genomen. De brochure “Werken aan water, Brochure voor duurzaam waterbeheer op bedrijventerreinen” wordt niet aangehaald. Reactie gemeente De brochure is niet aangehaald in de tekst, dit zal alsnog plaatsvinden. Een vertegenwoordiger van Geldermalsen heeft meegewerkt aan de totstandkoming van deze brochure. Daar waar nog mogelijk, Hondsgemet is natuurlijk al een aantal jaren ontwerptechnisch in ontwikkeling, zal rekening worden gehouden met de inhoud van de brochure.

De afvoer van schoon hemelwater naar oppervlaktewater dient bij voorkeur bovengronds en via een bodempassage plaats te vinden. De aanleg van natuurvriendelijke oevers voor de ontwikkeling van een gezond ecosysteem is gewenst. Reactie gemeente De afvoer van regenwater bovengronds over het bedrijventerrein wordt als belemmerend ervaren voor een meest pragmatische inrichting van het openbaar domein. Dit betekent, dat een voorkeur wordt uitgesproken om dit water toch via een riool naar het oppervlaktewater af te voeren. In nader overleg is overeenstemming over deze opzet verkregen. Het gemeentebestuur ondersteunt de opmerking ten volle tot een natuurvriendelijke inrichting van het merendeel van de oevers van de waterpartijen.

bestemmingsplan bedrijventerrein Hondsgemet-Zuid

072-072

februari 2007

83