+(7 ,-=(5 60('(1 $/6 +(7 +((7 ,6

%HOHLGVDGYLHV /HLVXUH YRRU]LHQLQJHQ 8WUHFKW

&RORIRQ Dat um : Proj ect : Adviseurs: St at us:

26 m aart 2003 24.0016 I r. A.H. Zwart / m ev r ouw dr s. M.J.A.F. Okhuysen/ drs. R. van Hum m el/ drs. F.J. Rinsem a Eindrapport age

Copy right ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003

INHOUDSOPGAVE

Management summary Blz. 1

1. 1.1 1.2 1.3 2. 2.1 2.2 2.3 2.4 3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 4. 4.1 4.2 4.3 4.4 5 5.1 5.2 5.3 5.4 6. 6.1 6.2 6.3 6.4 7. 7.1 7.2 7.3

Utrecht gaat voor leisure Motieven voor leisurebeleid De ambities van Utrecht Het ijzer smeden als het heet is Over leisure Afbakening en definitie van het begrip leisure Typologie van leisurevoorzieningen Leisure en gebiedsontwikkeling Leisurevoorzieningen bestaan niet Utrechtse beleidskaders Cultuur Sport en recreatie Recreatie Toerisme Horeca Detailhandel Leisurerelevantie Het huidige aanbod van leisurevoorzieningen Inventarisatie en analyse De relatieve positie van leisurestad Utrecht Concurrentiepositie Concurrerende ontwikkelingen Marktprofiel Utrecht Demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied Participatiegegevens bevolking Utrecht Toerisme in Utrecht Marktvolume voor leisure in Utrecht Marktontwikkelingen Maatschappelijke ontwikkelingen in vrijetijdsbesteding Ontwikkelingen aanbodzijde leisure Leisuremarkt in beweging Aandachtspunten voor Utrecht Marktpartijen aan het woord Investeringsplannen Visie op Utrecht leisurestad Leisurelocaties in Utrecht

6

12

21

25

30

40

8. 8.1 8.2 9. 9.1 9.2 9.3 9.4 10. 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5 10.6

Het marktpotentieel voor Utrecht Marktkansen Marktruimte Leisurelocaties in Utrecht Het vestigingsprofiel van Utrecht Leisure zoeklocaties Locatietoets Locatieprofielen Beleidsadvies Focus Ontwikkelingsstrategie Leisure in Utrecht Marktstrategie Volumestrategie Ruimtestrategie

43

47

55

MANAGEMENT SUMMARY

Deze nota bevat een beleidsadvies voor het te voeren stedelijk leisurebeleid in Utrecht voor het komende decennium. De leisure-economie maakt een sterke groei door. Het werkgelegenheidsbelang is groot. De aanwezigheid van een wervend aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen draagt zonder twijfel bij aan de beeldvorming over en de marktpositie van de stad. Hoewel bij leisurevoorzieningen veelal direct wordt gedacht aan grootschalige, gebouwde voorzieningen, draagt juist het “ reguliere aanbod” aan functies en verblijfslocaties (denk aan horeca, detailhandel, cultuur, sport en locaties als de binnenstad) het meeste bij aan het totale vrijetijdsaanbod in de stad. Desondanks “ beperkt” de nota zich, conform de opdracht, tot adviezen over een coördinerend en richtinggevend beleidskader voor de ontwikkeling van bovenlokale leisurevoorzieningen en leisurelocaties. Het huidige aanbod aan dergelijke leisurevoorzieningen in Utrecht is weliswaar gevarieerd, maar relatief bescheiden in omvang (circa 125.000 m² bvo excl. Jaarbeurs, detailhandel en horeca). De binnenstad is de enige bestemmingslocatie van belang. De totale marktomvang in het verzorgingsgebied is te berekenen op meer dan 10 miljoen leisurebezoeken op jaarbasis. Dit aantal zal groeien. Op grond hiervan is voor Utrecht een groeipotentieel bepaald van 100.000 m² bvo aan bovenlokale leisurevoorzieningen in de periode tot 2010 – 2015. Utrecht beschikt over een goede uitgangspositie in de leisuremarkt. Een uitstekende ligging, een zeer aantrekkelijke en goed ontwikkelde binnenstad, een te verwachten forse toename van het aantal inwoners door de bouw van Leidsche Rijn en de beschikbaarheid van meerdere, in beginsel aantrekkelijk gepositioneerde leisureontwikkelingslocaties. Anderzijds ontbreekt het aan voortvarendheid en beleidsmatige duidelijkheid en coördinatie ten aanzien van de invulling van deze locaties. De aanwezige investeringskansen en -initiatieven blijven hierdoor vooralsnog onbenut. Geadviseerd wordt: œ de aanwezige economische ontwikkelingsmogelijkheden in de Utrechtse leisuremarkt te benutten door gerichte locatieontwikkeling binnen afzienbare tijd; œ hierbij uit te gaan van de markttechnische mogelijkheden om het totale aanbod aan bovenlokale leisurevoorzieningen in Utrecht qua vloeroppervlakte ruwweg te verdubbelen (100.000 m² bvo te realiseren in de periode tot 2010 – 2015); œ het beleid te richten op het verwerven van een landelijke marktpositionering geconcentreerd rond Utrecht’s sterkste troeven op leisuregebied: cultuur, shopping en entertainment/uitgaan; œ daartoe te streven naar en te sturen op de realisatie van een beperkt aantal leisureconcentratiegebieden waar een functioneel samenhangend aanbod aan nieuwe leisurevoorzieningen in een optimaal op verblijfskwaliteit ingerichte omgeving wordt gebundeld. De voorkeur gaat uit naar de volgende locaties: Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum als leisureverblijfsgebieden (voor een geïntegreerd aan-

bod vrijetijdsvoorzieningen) en Maarschalkerweerd, Rijnsche Park en Haarrijnscheplas als thematische bestemmingsgebieden (voor specifieke leisurefuncties).

1.

UTRECHT GAAT VOOR LEISURE

Utrecht wil zich graag profileren als een gastvrije en aantrekkelijke stad om in te wonen en te bezoeken. Dat is goed voor het voorzieningenniveau en het leefklimaat in de stad. Maar zeker ook voor de locale economie. De zogenaamde leisure-economie is een belangrijke werkgelegenheidspijler. Het totale aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen in Utrecht is echter relatief beperkt in omvang. Een vergelijking met bijvoorbeeld de drie andere grote steden in ons land maakt dat duidelijk. En dat ondanks het feit dat Utrecht beschikt over een prachtige binnenstad, voorzieningen van formaat en een uitstekende ligging. De notie van een belangrijke economische potentie enerzijds en het beperkte aanbod anderzijds kan slechts leiden tot één conclusie: er is alle aanleiding voor beleid te ontwikkelen dat zich richt op het uitbreiden van leisure. Stelselmatig en marktgericht. De adviesnota die voor u ligt is opgesteld om dit beleidsproces in het komende decennium in goede banen te leiden. Door zowel het gemeentelijk denken en handelen te sturen en te coördineren als investeringen en initiatieven van marktpartijen te reguleren. 1.1 Motieven voor leisurebeleid Meer in het bijzonder is de legitimatie voor leisurebeleid gelegen in een viertal factoren: Economische effecten van leisure zijn groot Leisure is een zeer belangrijke economische factor. Een gemiddeld Nederlands huishouden besteedt ongeveer 25% van zijn budget aan vrije tijd. Dat is twee maal zoveel als aan gezondheidszorg of voeding. De hoogte van dit budget hangt samen met de verbreding van het begrip ‘vrije tijd’. Het gaat zowel om activiteiten buitenshuis als in huis. Zo neemt de hoeveelheid vrije tijd die “ beeldschermgebonden” wordt doorgebracht, sterk toe. De totale beschikbare vrije tijd is de afgelopen jaren (-5%) gedaald. Het aantal activiteiten en de intensiteit daarvan echter toegenomen. In onze vrije tijd willen we meer doen. Stedelijke voorzieningen en leisurelocaties nemen daarbij een belangrijke plaats in. Anticiperen op marktcycli Grootschalige voorzieningen -hier ligt een tweede motief voor leisurebeleid- vereisen een eigen benadering en visie. Waaraan is behoefte? En waar worden deze voorzieningen bij voorkeur gesitueerd? Om op dit soort vraagstukken goed te kunnen anticiperen, is het formuleren van leisurebeleid van groot belang. Zowel ten aanzien van de marktstrategie (welke leisurefuncties zijn wel en welke niet in de stad gewenst) als ten aanzien van de ruimtestrategie (waar zijn ontwikkelingen mogelijk en waar niet).

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De rol van leisure bij stedelijke vernieuwing Een derde motief voor leisurebeleid heeft te maken met het complexe karakter van stedelijke vernieuwing en de (mogelijke) rol van leisure in dat geheel. In Utrecht wordt een aantal grote stedelijke ontwikkelingsprojecten voorbereid. Zoals het Stationsgebied en Leidsche Rijn. Op meerdere locaties is sprake van een mogelijkheid c.q. wenselijkheid om leisurevoorzieningen te realiseren. De gemeente Utrecht zal hieraan beleidsmatig richting moeten geven. Keuzes maken waar dat noodzakelijk blijkt. Leisure wordt nogal eens gebruikt als een “ toverwoord” : er wordt geroepen om ‘toeristische’ of ‘culturele’ trekkers, dit wordt vertaald in een aantal vierkante meters leisure, er wordt een grootschalige cluster aan de stadsrand ontwikkeld en: ‘klaar is Kees, we hebben urban entertainment’. De magie van leisure is dan niet zelden snel voorbij. Belangrijker is het daarom om te begrijpen welke relaties er liggen (of kunnen worden gelegd) tussen leisure, wonen, werken en winkelen. Interactie is daarbij het sleutelwoord: vrije tijd als bron van “ place-making” . In de Nederlandse binnensteden komen veel van deze functies samen. Dit zijn dan ook leisurecentra pur sang. Hier zien we toeristen, recreanten en de inwoners van de stad dwars door elkaar hun vrije tijd doorbrengen. Hier vinden we ook het bewijs dat leisure van grote betekenis is bij stedelijke ontwikkeling en het creëren van verblijfswaarde en gebiedskwaliteit. Het structureren van (de relatie met) het particulier initiatief Leisurebeleid kan zorgen voor de sturing, planning en regulering van leisurevoorzieningen en -investeringen. Hiermee komen we bij het vierde motief: het bewerkstelligen van publiek-private afstemming en samenwerking. De leisure-economie kent zowel een groot aantal publieke voorzieningen en spelers (denk aan de cultuursector) als private partijen (toerisme, entertainment) in de marktsector. Het is van belang investeringsprogramma’s en -voornemens goed op elkaar af te stemmen. Het particulier initiatief waar mogelijk faciliteren, maar ook -waar dat beleidsmatig noodzakelijk wordt geacht- ongewenste ontwikkelingen tegenhouden. Zeker omdat leisurevoorzieningen -zo leren de voorbeelden uit andere steden- nogal eens de neiging hebben om de stadsranden, bedrijventerreinen of de periferie op te zoeken. Dit kan leiden tot ongewenste commerciële ontwikkelingen in een soms weinig inspirerende omgeving, die bovendien ten koste gaan van ontwikkelingen op strategisch belangrijke centrumlocaties. Omgekeerd kan de gemeente perifere ontwikkelingen juist stimuleren en faciliteren, wanneer deze een stand alone-functie hebben en een positieve bijdrage leveren aan het totale aanbod aan leisure-voorzieningen. 1.2 De ambities van Utrecht De stad Utrecht wil zich manifesteren als de “ poort” van de Randstad/Deltametropool. Deze toekomstvisie is vastgelegd in het EPU 2010. Het EPU vormt het kader voor het economisch beleid voor de komende jaren. Uitgangspunten daarbij zijn: ruimte voor groei, selectiviteit door kwaliteit en profilering op de sterke punten van de stad.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De stad ziet potenties om zich de komende jaren te positioneren als: (inter)nationale toplocatie voor (hoofd)kantoren: Utrecht presenteert zich samen met Amsterdam als toplocatie voor (inter)nationale hoofdkantoren. De stad profileert zich met haar toplocaties Centrum/Stationsgebied, Papendorp en Leidsche Rijn Centrum. In het verlengde hiervan is de A2, als een van de hoofdverkeersaders van de Randstad/ Deltametropool, de centrale ontwikkelingsas van Utrecht; ankerpunt van de Deltametropool: Utrecht ziet zichzelf met Amsterdam, Rotterdam en Den Haag als een van de ankerpunten van de Deltametropool en wil dit ook in economisch opzicht blijven. Utrecht onderscheidt zich door haar hoogopgeleide bevolking, het leefklimaat, het aanbod van werkmilieus en voorzieningen, kortom door haar aantrekkelijk en compleet vestigingsplaatsklimaat; spil van de netwerkregio Utrecht: Utrecht profileert zich naar potentiële vestigingskandidaten nadrukkelijk als regio en waar mogelijk in regionaal verband. In dit kader gaat de stad voor een intensivering van de regionale samenwerking en afstemming en een regionale aanboddifferentiatie van werklocaties. De combinatie van de centrale ligging in Nederland en de relatief goede bereikbaarheid maken Utrecht een voor de hand liggende plaats voor ontmoeting. Diverse voorzieningen maken van Utrecht een gastvrije ontmoetingsplaats: winkels, horeca, congres- en beursfaciliteiten, opleidings- en trainingscentra, onderwijsinstellingen, musea en andere culturele voorzieningen, sportfaciliteiten, vermaak- en uitgaanscentra. Deze "gastvrijheidscluster" vormt door zijn rol en omvang één van de "dragers" van de Utrechtse economie. Deze rol wil de stad handhaven en waar mogelijk verder uitbreiden. De meerwaarden voor de stad en haar burgers zijn evident: het genereert werkgelegenheid en inkomen, versterkt het imago van Utrecht als plaats om te wonen en te werken, geeft impulsen aan stedelijke investeringen en vormt een bron van culturele en maatschappelijke dynamiek en vernieuwing. In het verlengde hiervan wil Utrecht zich profileren als leisurecentrum van nationale allure. De leisure economie is niet alleen in directe zin van grote economische waarde, ook indirect is de uitstraling van leisure groot. Het draagt bij tot een wervend imago van de stad en vergroot de aantrekkelijkheid als vestigingsplaats, woonplaats en vrijetijdsstad. Leisurevoorzieningen van formaat kunnen dienen als “ landmark” voor de stad die zich daarmee verder kan profileren als centrale ontmoetingsplaats in Nederland. Het stadscentrum van Utrecht en het nieuw te ontwikkelen Leidsche Rijn Centrum nemen hierbij een centrale plaats in. Het Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum kunnen beide een prominente plaats innemen in de Deltametropool. Ze dienen daarom in samenhang worden ontwikkeld. Ook Leidsche Rijn Centrum krijgt een bovenregionale functie. Het zal een levendig centrum worden. Een “ tweede oog” van Utrecht. Geen tijdsgebonden, modieus centrum, maar een omgeving die wordt benut voor intensief ruimtegebruik, bijzondere vormgeving en de ontwikkeling van vooraanstaande bovenregionale functies.
     

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

1.3 Het ijzer smeden als het heet is De nota bevat: a) een visie op het belang van leisure voor de (kwaliteit van de) stedelijke ontwikkeling van Utrecht, inclusief de afbakening van die onderdelen van de leisure economie waartoe deze nota zich beperkt (hoofdstuk 2); b) een overzicht van de raakvlakken met en vigerende gemeentelijke beleidskaders voor andere relevante beleidssectoren die van invloed zijn op het Utrechtse leisurebeleid (hoofdstuk 3); c) het aanbodprofiel van de in Utrecht aanwezige leisurevoorzieningen, inclusief kwaliteitstoets (hoofdstuk 4); d) een beschrijving van de structuur en omvang van de markt voor leisurevoorzieningen in de stad (hoofdstuk 5); e) een analyse van de belangrijkste trends en marktontwikkelingen op het gebied van leisure (hoofdstuk 6); f) de visie van marktpartijen (exploitanten en investeerders) op Utrecht als leisurestad (hoofdstuk 7); g) het programmatische ontwikkelingsprofiel voor grootschalige, bovenlokale leisurevoorzieningen in Utrecht voor het komende decennium (hoofdstuk 8); h) een beoordeling van de intrinsieke mogelijkheden voor leisureontwikkeling op een aantal strategische locaties in de stad, los van nadere beleidsmatige afwegingen over de wenselijkheid daarvan (hoofdstuk 9); i) een op basis van alle voornoemde bouwstenen geformuleerd beleidsadvies voor het leisurebeleid van Utrecht in het komende decennium (hoofdstuk 10). De nota is tot stand gekomen in een interactief proces met een gemeentelijke begeleidingscommissie. Ter voorbereiding zijn verder consultatiegesprekken gevoerd met ondernemers en met de betrokken gemeentelijke beleidsmakers en bestuurders.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Samenstelling van de begeleidingsgroep: Projectbureau Leidsche Rijn Erik Leisink Jeroen de Leede Paul Vreeken Project Organisatie Stationsgebied Jos Pierey DSO, afd. EZ Ank Hendriks Bob van Dijck Provincie Utrecht, afd. toerisme Willemijn Streutker Provincie Utrecht, afd. EZ Matthé Rijs DSO, afd. EZ, Toerisme Rhodé Bouter DMO, afd. Culturele Zaken Bernadette Klein Douwel DMO, afd. Sport & Recreatie Hermien van der Wal DSO, afd. Verkeer Patricia Vos DSO, afd. Stedenbouw en Monumenten Martie Meijer Jitske van Dijk DSO, afd. Milieu en Duurzaamheid, Bureau Bedrijfsinspectie Helen Verouden Paul van Kempen Het resultaat van het project is een adviesnota met beleidsambitie. Utrecht kan zich de komende jaren manifesteren als één van de meest vooraanstaande vrijetijdscentra in Nederland. De marktruimte en mogelijkheden daartoe zijn volop aanwezig. Met de historische binnenstad, het Stationsgebied en Leidsche Rijn beschikt de gemeente Utrecht nu en straks over locaties van allure. Wij stellen daarom voor het ijzer te smeden nu het heet is.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

2.

OVER LEISURE

2.1 Afbakening en definitie van het begrip leisure Leisure is een containerbegrip waaronder vele voorzieningen en activiteiten kunnen vallen. Feitelijk is de letterlijke vertaling “ vrije tijd” . Een heel ruim begrip. In de Nederlandse context wordt het begrip leisure meestal gekoppeld aan vrijetijdsactiviteiten die buitenshuis worden beoefend en meestal in gebouwde voorzieningen of in de gebouwde (stedelijke) omgeving. De gemeente Utrecht wil zich richten op voorzieningen die in kwalitatieve en kwantitatieve zin aansluiten (passen) bij de wensen en verwachtingen van de Utrechters. Daarnaast wil de gemeente kansen benutten om door middel van leisurevoorzieningen met een bovenlokale aantrekkingskracht het imago en de economische positie van Utrecht te versterken. Binnen de opdrachtformulering voor deze nota is de volgende afbakening en definitie gehanteerd voor het begrip leisurevoorzieningen: Grootschalige, commerciële en niet-commerciële (combinaties van) voorzieningen in de sectoren sport & recreatie, cultuur, wellness, uitgaan/entertainment en attracties. Onder grootschalig wordt verstaan: œ de voorziening trekt veel bezoekers (autonoom; regionale impact) en/of; œ de voorziening vraagt veel ruimte en/of veroorzaakt een hoge verkeersdruk. Horeca, detailhandel en evenementen vallen buiten het bestek van deze nota. Voor horeca en detailhandel bestaan afzonderlijke beleidskaders. Bovendien geldt voor horeca een restrictief beleid. Wel kunnen horeca en/of detailhandel aanwezig of gewenst zijn als (onlosmakelijk) onderdeel van een leisureontwikkeling of heeft leisurebeleid afgeleide gevolgen voor deze sectoren. In dat opzicht wordt in dit leisure advies wel aandacht besteed aan detailhandel en horeca.

2.2 Typologie van leisurevoorzieningen Leisurevoorzieningen kunnen worden onderscheiden naar segment, naar verschijningsvorm en naar type gebruik/bezoekgedrag.
Segment Cultuur Attracties Entertainment Wellness Sport & recreatie Verschijningsvorm Eerste generatie Tweede generatie Derde generatie Vierde generatie Type gebruik Dagelijkse leisure (convenience) Meerkeuze (recreatie) Doelgericht (specialty)

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De belangrijkste segmenten waarin leisurevoorzieningen zich bewegen zijn cultuur, sport & recreatie, attracties, entertainment/uitgaan en wellness. In het onderstaande overzicht staan voor ieder segment een aantal voorbeelden van leisurevoorzieningen. Iedere voorziening heeft een eigen verschijningsvorm, stelt eigen locatie-eisen, bedient een eigen marktsegment en is in staat wel of niet zelfstandig of juist als onderdeel van een groter geheel te functioneren. Leisurevoorzieningen naar segment, accommodaties en activiteiten
Segment Cultuur Attracties Entertainment/uitgaan Wellness Sport & recreatie Accommodaties en activiteiten Theater, stadsschouwburg, concertgebouw, poppodium, museum, kunsthal, cultuurcentrum, festivals Themapark, pretpark, dierentuin, kinderattractie, kinderspeelparadijs Bioscoop, casino, amusementshal Fitnesscentrum, sauna, kuuroord, bronnenbad Tennishal, squashcentrum, klimwand, skatecentrum, skeelerhal, ijsbaan, skibaan, jachthaven, stadion, golfbaan, draf- en rensportbaan

Qua verschijningsvorm worden in de literatuur vier soorten leisureformules onderscheiden. Dit worden “ generaties” genoemd, kennelijk verwijzend naar een bepaalde volgordelijkheid waarin dergelijke vormen zich op de markt manifesteerden. Het is echter een misvatting te concluderen dat eerste generatie voorzieningen “ achterhaald” zouden zijn. Voor bepaalde leisurevoorzieningen kan een “ stand alone” locatie zeer geschikt of wenselijk zijn. Anderzijds kunnen eerste generatie leisurevoorzieningen ook heel goed deel uitmaken van een derde of vierde generatie leisurecluster.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Leisurevoorzieningen naar verschijningsvorm en kenmerken
Verschijningsvorm Eerste generatie Derde generatie Kenmerken Stand alone-voorzieningen Trekt op eigen kracht bezoekers Onafhankelijk van omgeving Beperkte wisselwerking Zowel binnenstedelijk als buitengebied Meerdere voorzieningen in cluster Voorziening is gelegen op locatie met andere leisurevoorzieningen en kan hiervan profiteren Op elkaar afgestemde publieksbenadering Grotere keuzemogelijkheid Stadsranden en perifere locaties Een Complex van voorzieningen Leisurevoorziening bestaat uit verschillende onderdelen die elkaar versterken, veelal vallen ze onder gezamenlijke exploitatie Functiemix leisure, wonen, werken, detailhandel, kantoren Integratie leisure, wonen, werken, detailhandel, kantoren Toevoeging voorzieningen welzijn, gezondheidszorg en onderwijs Aantrekkingskracht bepaald door kwaliteit en variatie van het geheel Gepaard met upgrading van gebied Geeft identiteit, imagobepalend Gebieden van stedelijke vernieuwing of perifere centra 24/7 toegankelijk c.q. beschikbaar Voorbeelden Holland Casino Skidome Zoetermeer Circustheater Scheveningen LUX Theater Nijmegen Efteling Uithof Den Haag Factory Outlet Center Batavia Stad Kompas Outdoor World ArenA gebied Amsterdam nu Jaarbeursterrein Utrecht toekomst ArenA gebied Amsterdam toekomst Omniworld Almere Stadiongebied FC Groningen Kop van Zuid Rotterdam Binnenstad Amsterdam Jaarbeursplein Utrecht toekomst ArenA gebied Amsterdam verdere toekomst Leidsche Rijn Centrum toekomst Darling Harbour, Sydney, Australië

Tweede generatie

Vierde generatie -

Het belangrijkste verschil tussen een derde generatie en een vierde generatie voorziening heeft betrekking op het feit dat bij een derde generatie voorziening meer sprake is van een als zodanig herkenbare leisure-eenheid terwijl de leisure voorzieningen in een vierde generatie verschijningsvorm geheel zijn opgenomen in en verweven met andere functies. Van groot belang bij het beantwoorden van de vraag of leisurevoorzieningen kunnen of moeten worden geclusterd, is het type gebruik van deze voorzieningen. Het (leisure)gedragspatroon van de consument bepaalt op welke wijze van een bepaalde voorziening gebruik wordt gemaakt en in hoeverre er sprake kan of moet zijn van combinatiebezoek met andere voorzieningen. Lang niet in alle gevallen blijkt clustering van leisurevoorzieningen functioneel noodzakelijk. Voor clustering kan echter ook op basis van andere argumenten, zoals ruimtelijke of infrastructurele, worden gepleit. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Leisurevoorzieningen naar gebruik
Bezoekmotief Dagelijkse leisure Typering Veelal in de directe nabijheid van of goed bereikbaar voor de bezoeker. Veel herhalingsbezoek. Voorziening maakt deel uit van het dagelijkse levens- en recreatiepatroon van de bezoeker. Gemak en snelheid. Korte verblijfsduur. Veel stand-alone voorzieningen. Stedelijke, vaak perifere centrumlocaties en woon-werklocaties. Voorbeeld: een tennispark. Voorzieningen die zelf een groot keuzeaanbod bieden of bij elkaar gelegen zijn (clustering) op een locatie zodat de bezoeker uit meer activiteiten kan kiezen. Sterker op recreatie en vermaak gericht. Gelegen in aantrekkelijke omgeving. Grotere belevingswaarde. Langere verblijfsduur. Vooral binnensteden, maar ook perifere locaties. Voorbeeld: overdekt winkelcentrum met ijsbaan, bioscoop en kinderopvang. Voorziening heeft bijzondere kwaliteit, bijvoorbeeld door uitstraling, grootschaligheid en uniciteit. Bezoeker bereidt hiervoor een grote afstand af te leggen. Innovatief. Verblijfsduur afhankelijk van product. Niet altijd relatie met omgeving. Locatie veelal van ondergeschikt belang. Voorbeeld: Ski Dome Zoetermeer of Indoorkartingbaan DeFabrique.

Meerkeuze leisure

Doelgerichte leisure

2.3 Leisure en gebiedsontwikkeling Leisurevoorzieningen kunnen door hun uitstraling, aantrekkingskracht op het publiek of bijdrage aan het verblijfsklimaat en de verblijfsambiance van een locatie een toegevoegde waarde hebben voor gebiedsontwikkeling. Mits zorgvuldig toegepast, kunnen deze voordelen worden benut. Leisure is niet de kip met de gouden eieren. Afbreukrisico’ s zijn er ook.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Wisselwerking leisureplanning en gebiedsontwikkeling Toegevoegde waarde en afbreukrisico’ s
Waardeverhoging door verbetering woon- en werkklimaat mits: Geïntegreerde ontwikkeling (afstemming qua functies en formule) Gebiedsmanagement (regisseur) Collectieve marketing (gebiedsmarketing) Financiële drager: Commercieel, marktconform (ketens, particulier initiatief) Gesubsidieerd (vanwege de overheid) Ondersteunend bij identiteit van het gebied of thematisering Verschillende gebruiksmomenten: Levendigheid (overdag en avonduren) Sociale veiligheid Medegebruik voorzieningen (bijvoorbeeld parkeren) Openbare ruimte onderdeel van leisure: bijdrage aan verblijfsklimaat (groen, bestrating, zitmeubilair, fontein, en dergelijke) Meervoudig gebruik infrastructuur Parkeervoorzieningen Openbaar vervoer Toevoerwegen Afbreukrisico: Monofunctioneel gebruik vastgoed Lage grondopbrengsten Leegstand (korte levenscyclus leisurevoorzieningen) Aantrekken ‘foute’ (ongewenste) doelgroep(en)

2.4 Leisurevoorzieningen bestaan niet Ondanks de realiteit van de leisure economie en het feit dat ook in deze adviesnota wordt gesproken over leisurebeleid en leisurevoorzieningen, kan de vraag worden gesteld of leisure wel te beschouwen is als een eigenstandig beleidsterrein. Zijn er eigenlijk wel leisurevoorzieningen? Gaat het niet “ gewoon” om culturele voorzieningen, sportvoorzieningen, detailhandel, attracties, horeca of toeristisch-recreatieve voorzieningen? Die weliswaar veel meer dan vroeger deel uitmaken van een (ook commercieel ontdekte) vrijetijdseconomie, maar per saldo reguliere voorzieningen zijn. Deze conclusie is juist. De vrije tijdseconomie heeft een grote vlucht genomen. Oude, bestaande voorzieningen hebben zich moeten aanpassen aan de tijd en de marktvraag. Zwembaden zijn zwemparadijzen geworden. Winkelcentra werden shoppingmalls en pleinen met café’ s en restaurants blijken zich te kunnen positioneren als foodcourts. Daarnaast hebben nieuwe voorzieningen en activiteiten hun intrede gedaan. Karting bleek ineens geen sport, maar een vrijetijdsactiviteit. En dus zien we de opkomst van indoorkartingbanen. Eerst nog in oude fabriekshallen, maar tegenwoordig ook in high-tech architectuur op zichtlocaties langs snelwegen. Kleine bioscopen bleken niet meer rendabel; grote multiplexen of megaplexen met alles erop en eraan deden hun intrede. Het bioscoopbezoek verandert daardoor weliswaar van karakter, het blijft bioscoopbezoek.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Concluderend is er sprake van een grote, sterk groeiende vrijetijds- of leisure-economie waarin het gedrag in ruimte en tijd van de consument bepalend is, tal van nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding worden geïnitieerd en een marktvraag naar nieuwe of aangepaste voorzieningen wordt gestimuleerd. Of “ leisurevoorzieningen” daarmee iets anders zijn dan detailhandelsvoorzieningen, sportvoorzieningen en cultuur- of uitgaansvoorzieningen valt echter te betwijfelen. Zijn winkelen, uitgaan, sport, entertainment, culturele activiteiten en toerisme en recreatie immers niet de kern van vrijetijdsgedrag? Het lijkt van groot belang deze zienswijze in het achterhoofd te houden bij het beoordelen van locatieontwikkelingsprogramma’ s waarin duizenden vierkante meters vloeroppervlakte worden voorzien van de functiebenaming “ leisure” .

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

3.

UTRECHTSE BELEIDSKADERS

Omdat leisure raakt aan c.q. op termijn ook deel zal moeten uitmaken van het sectorbeleid op het gebied van cultuur, sport, toerisme en recreatie, horeca en detailhandel, is het goed en noodzakelijk te zorgen voor afstemming. In dit hoofdstuk is daarom gezocht naar aanknopingspunten voor specifiek te ontwikkelen leisure(voorzieningen)beleid dat kan bijdragen aan het verwezenlijken van de verschillende sectorale doelstellingen.

3.1

Cultuur

Algemeen Utrecht heeft verschillende ambities voor de cultuursector, te weten: œ Uitbreiding van de cultuursector om te kunnen profiteren van de grote economische betekenis van kunst en cultuur voor de stedelijke economie en werkgelegenheid; œ Utrecht wil zijn culturele profiel verbreden van festivalstad tot stad van cultuurmakers. De gemeente vindt het belangrijk dat er daadwerkelijk kunst in de stad wordt gemaakt. Dit is essentieel voor de continuïteit en levendigheid van het stedelijke kunstklimaat en de ontwikkeling van een eigen identiteit. Een eigen productieklimaat is ook belangrijk in verband met de aanwezigheid van kunstvakonderwijs in de stad. Bovendien blijkt dat lokale culturele bedrijvigheid van groeiend economisch belang is. Dit hangt samen met de dynamiek van de ' nieuwe economie' de ontwikkeling van de ' en elektronische cultuur'In het kader van deze . ontwikkelingen kan een stijgende behoefte aan creatieve en kennisintensieve bijdragen worden gesignaleerd; œ Een tweede reden om uit te willen groeien tot een ‘stad van makers’ is gelegen in het streven om rond 2018 als derde Nederlandse stad (na Amsterdam in 1987 en Rotterdam in 2001) Culturele Hoofdstad van Europa te worden. Om dit doel te bereiken is -behalve draagvlak onder de bevolking, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties van Utrecht- vooral een stevige culturele infrastructuur noodzakelijk. Het creëren van een rijkgeschakeerd en kwalitatief hoogwaardig productieklimaat is hiervoor onontbeerlijk; œ De informatie-economie brengt een stijgende behoefte aan vernieuwende en creatieve bijdragen met zich mee. Stedelijke uitingen van kunst en cultuur, de media, de entertainmentindustrie en het onderwijs leggen samen de basis voor het ontstaan van zogeheten ‘creatieve steden’ . Steden, die een knooppunt vormen in de moderne, steeds verder globaliserende economie. De identiteit van Utrecht beweegt zich aantoonbaar in deze creatieve en kennisintensieve richting. Van de culturele sector mag verwacht worden dat zij aan deze ontwikkeling een belangrijke bijdrage kan leveren. Gebiedsgerichte aanpak In vier gebieden concentreert zich in Utrecht de ontwikkeling van de stedelijke ruimte voor culturele functies: œ Museumkwartier; œ Theaterkwartier; Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

œ œ

Leidsche Rijn; Stationsgebied.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Het Museumkwartier Het Museumkwartier, in het zuidelijke deel van de vermaarde historische binnenstad, telt een groot aantal musea. Verder bevinden zich in dit gebied beeldende kunstinitiatieven, galerieën, kerken, oude kloostergebouwen, historische stadstuinen en uiteraard de prominent aanwezige publiekstrekker de Domtoren. Om de betekenis van het Utrechts Museumkwartier voor het cultuurtoerisme nieuwe impulsen te geven, staan tal van plannen op stapel. Zoals infrastructurele verbeteringen en verbouwingen van bijvoorbeeld het Museum van Speelklok tot Pierement en het BAK. Ook zal extra aandacht worden gegeven aan het organiseren van kleinschalige evenementen in dit gebied. Hierbij kan worden gedacht aan muziek- en theateroptredens op pleinen en binnenterreinen, evenals aan meer publiciteit voor activiteiten die er al plaatsvinden. Het Theaterkwartier Het hart van het Theaterkwartier wordt gevormd door de cluster van theateractiviteiten die ligt op het oude Veeartsenijterrein, het voormalige ' dorp' van de faculteit diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht. Daar hebben zich, in betrekkelijk korte tijd, een aantal prominente culturele instellingen gevestigd. In de afgelopen twee decennia heeft Wittevrouwen zich geleidelijk ontwikkeld tot een buurt van artistiek ondernemerschap. Een broedplaats voor beeldende kunstenaars, schrijvers, theatermakers, cineasten, grafisch ontwerpers, geluidstechnici, architecten en vormgevers. Het is een wijk geworden van ' makers' de sfeer van creatieve productie. in Leidsche Rijn Stadsdeel Leidsche Rijn is een gebied waar ruimte ontwikkeld kan worden voor (onder meer) culturele functies. Als startpunt voor dit traject werd in september 1999 de nota Culturele infrastructuur Leidsche Rijn Utrecht gepresenteerd. Centrale gedachte is dat in Leidsche Rijn geen voorzieningen worden gerealiseerd die ook al in de centrale stad bestaan. Er wordt juist naar gestreefd om in Leidsche Rijn iets nieuws neer te zetten, een aanvulling op het bestaande culturele menu van Utrecht. Gedacht wordt aan een multifunctionele zaal waarin als één van de opties een Huis voor de Amateurkunst gevestigd zou kunnen worden. Dit moet een voor Nederland uniek zalencomplex worden waar niet alleen grote en kleine voorstellingen worden gegeven, maar waar ook repetitieruimten zijn, lessen kunnen worden gevolgd, technische faciliteiten worden geboden en artistieke en zakelijke ondersteuning wordt geboden aan amateurverenigingen. Stationsgebied Onlangs is de Meerjarenvisie Cultureel Profiel van de gemeente Utrecht verschenen. Het project Europese Culturele Hoofdstad verwoordt de ambitie van de stad. Een belangrijke randvoorwaarde hiervoor is de aanwezigheid van voldoende culturele accommodaties. De eerste prioriteit is de bouw van het nieuwe Muziekpaleis. Utrecht wil het muziekimago van de stad hoog houden. Het Muziekpaleis zal, door de gecombineerde kracht van Muziekcentrum, Tivoli en SJU de stad nieuwe impulsen geven. In de theatersector is er voldoende aanbod aan kleinere zalen. Een flexibele middenzaal met een capaciteit van 300 tot 400 stoelen wordt echter gemist. Ook dient zich de behoefte aan van de bouw van een nieuwe grote zaal (1500 stoelen), waarin het grootschalige amusementsaanbod de plaats kan krijgen die overeenkomt met de vraag van het publiek. Als een Amusementstheater kan worden gerealiseerd, kan de grote zaal van de Stadsschouwburg zich ontwikkelen tot een kwaliteitspodium met voldoende ruimte voor Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Utrechtse gezelschappen en festivals, het landelijke gesubsidieerde aanbod en internationale producties.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De ambitie van de gemeente Utrecht uit zich verder in de volgende (accommodatie) wensen: œ Intermediaire instelling Beeldende Kunst; œ Centrum voor Amateurkunst; œ Museum of Presentatiepunt voor de Mode; œ Kunsthal; œ Artplex: filmhuis/centrum voor de artistiek waardevolle film; œ Museum van de Vaderlandse Geschiedenis; œ Structureel gesubsidieerd jeugdoperagezelschap; œ Accommodatie voor Artists-in-Residence.

3.2

Sport en recreatie

Algemeen Begin 2002 is de nota “ Betere tijden!” vastgesteld. Een ambitieuze nota, waarin wordt ingegaan op het gemeentelijke sportbeleid voor de periode 2002-2006. De betekenis van sport, waaronder de sociaal-maatschappelijke waarde, is eerder in het Collegeprogramma 2001-2006 nadrukkelijk benoemd. Verbetering en vernieuwing van het sportklimaat in de stad Utrecht staan in de plannen centraal. Een eigentijds sportbeleid moet ertoe leiden dat Utrecht een aantrekkelijk en dynamisch sportcentrum wordt met een goede balans tussen topsport en breedtesport. De gemeente wil garant staan voor een basispakket aan sportvoorzieningen (sportaccommodaties, sportactiviteiten en openbare ruimte) dat kwalitatief goed is. Tegelijkertijd zal Utrecht de vrije ruimte zoeken of creëren om, samen met andere partners, innovaties en extra mogelijkheden te realiseren. Daarbij wordt ook gezocht naar samenwerking buiten de stad Utrecht. Beoogde partners zijn het lokale en regionale bedrijfsleven, netwerken in de sport zoals de sportbonden en NOC*NSF en, vanzelfsprekend, andere overheden. Het streven is van Utrecht een bruisend sportcentrum te maken waar sportactiviteiten op alle niveaus worden aangeboden en waar iedereen de mogelijkheid krijgt om hier vooral actief aan deel te nemen. Utrecht wil een sportklimaat creëren, waarbinnen publieke en private initiatieven een kans krijgen en die elkaar een sportief en sociaal-economisch kunnen versterken. Integraal accommodatiebeleid Een belangrijke ontwikkeling voor de sportaccommodaties is het nieuwe integrale accommodatiebeleid, dat door het begin 2001 aangetreden gemeentebestuur is aangekondigd. Doel van dit beleid is accommodaties voor maatschappelijke voorzieningen zoveel mogelijk multifunctioneel te maken. Dit betekent dat voorzieningen voor onderwijs, sport, cultuur en welzijn waar mogelijk onder één dak gebracht worden. De vier Utrechtse zwembaden bieden gezamenlijk een compleet zwemproduct. Fletiomare (Leidsche Rijn) wordt een instructie- en aquafitbad voor het hele gezin. De Hommel wordt een sportboulevard voor het hele gezin. De Kwakel wordt een sport- en recreatiebad en zwembad Krommerijn zal zich ontwikkelen tot kwaliteitsbad voor topen breedtesport met een 50 meter wedstrijdbad.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Grootschalige ontwikkelingsperspectieven Een grootschalig ontwikkelingsperspectief is beschreven voor het gebied Maarschalkerweerd. Dit ‘sportkwartier’ bevat momenteel al voorzieningen voor hockey, golf, zwemmen, atletiek en voetbal. Utrecht zet allereerst in op kwaliteitsverbetering van de voorzieningen die tegelijkertijd tot nieuwe investeringen uitnodigt. In 2003 wordt het vernieuwde stadion Galgenwaard opgeleverd, met inbegrip van twee sporthallen en een overdekte atletiekhal waarvoor de B-status wordt aangevraagd. Vervolgens bestaat de ambitie om van het huidige hockeycomplex een topaccommodatie te maken en een cricketaccommodatie van B-niveau te realiseren. Planoverkoepelend is het initiatief voor het zogenaamde Olympisch Centrum Utrecht, een doorontwikkeling van Maarschalkerweerd tot een centrum van multifunctionele topsportaccommodaties, in relatie tot de recreatieve en ecologische (groene) kwaliteit van het gebied. Door tijdelijke voorzieningen te treffen zouden in het Olympisch Centrum de meest uiteenlopende evenementen kunnen worden aangeboden. Eén van de grootste ambities is om de Universiade, de ‘Olympische spelen voor studenten’ , in 2011 naar Utrecht te halen. Aan de westkant van Utrecht is een particulier initiatief genomen om van sporthal Welgelegen een groot overdekt centrum te maken, waar indoorsporten op verschillende niveaus beoefend kunnen worden. Het concept voor Nieuw Welgelegen bestaat uit een trainingslocatie voor de Krachtsportfederatie (karate, worstelen, sumo, gewichtheffen) en de Judobond, gericht op topsport en breedtesport en een trainings- en wedstrijdlocatie voor een aantal indoorsporten op breedtesportniveau. Ook aangrenzende buitensportvoorzieningen en sportverenigingen worden bij de ontwikkeling betrokken. Het ligt in de bedoeling het sportconcept aan te vullen met aan sport gerelateerde voorzieningen en een aantal maatschappelijke en commerciële voorzieningen om de exploitatie rendabel te maken en te houden. Aan de Nedereindse Plas in Utrecht Zuidwest wordt samen met een aantal lokale wielerverenigingen en de gemeente Utrecht een groot wielercomplex gerealiseerd. Naast de bouw van een wielercircuit zullen ook een trainings- en wedstrijdparcours van verschillende prestatieniveaus worden aangelegd. Bestemd voor mountainbike, fietscross, skaten en skeeleren. Ook roeien ontwikkelt zich tot een belangrijke sport in Utrecht. Het Merwedekanaal is de enige locatie voor het roeien, maar is niet optimaal voor trainingen en wedstrijden. De gemeente ondersteunt een haalbaarheidsonderzoek voor een multifunctionele watersportbaan in de polder Rijnenburg. Utrecht heeft ook een traditie in honk- en softbal. In Leidsche Rijn is een nieuwe honken softbalaccommodatie gepland voor UVV. Particulier initiatief Utrecht beschikt over sportaccommodaties, die commercieel worden geëxploiteerd. Deze accommodaties variëren van fitnesscentra met een wijkgebonden functie tot multifunctionele complexen zoals de Vechtse Banen met een (boven)regionale funcEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

tie. Indien de groei in de sportsector zich ook de komende jaren voortzet, zullen nieuwe exploitanten zich aandienen. Deze zullen naar verwachting vooral inspringen op nieuwe trends in de sport (nieuwe vormen van sport en beweging en verdere individualisering). De gemeente ziet deze ontwikkelingen als positief en wil deze vormen van particulier initiatief stimuleren omdat nieuwe investeringen leiden tot versterking van het sportaanbod en het sportklimaat in de stad. Topsport en sportevenementen Utrecht onderstreept de gedachte van de Stichting Utrecht Topsport dat “ topsport en breedtesport een logische combinatie vormen” . Om de topsportambitie waar te maken wil de gemeente investeren in de ontwikkeling van topsportaccommodaties en in het aantrekken van nationale en internationale (top)sportevenementen, zoals het WK Hockey (1998), de Ronde van Nederland (1999 en 2000), Eneco Ronde (2002), Darts (2002) en het NK Afstanden (2002). Hiermee wil Utrecht zich in Nederland duidelijk(er) manifesteren en profileren. Breedtesport De ontwikkeling van nieuwe (top)sportaccommodaties kan als vliegwiel dienen voor de verdere ontwikkeling van de breedtesport. Sport is voor veel inwoners van de stad Utrecht een aantrekkelijke manier om de vrije tijd door te brengen. De gemeente vindt het belangrijk dat mensen, bij voorkeur dicht bij huis, aan sport- en bewegingsactiviteiten kunnen deelnemen. Belangrijkste doelstelling voor de ontwikkeling van de breedtesport in Utrecht is het scheppen van voorwaarden voor aantrekkelijke en kwalitatief hoogwaardige sport- en bewegingsactiviteiten om daarmee voor alle inwoners van de stad een sportieve leefstijl te bevorderen. Mede dankzij de Breedtesportimpuls van de rijksoverheid is het Utrechtse aanbod de laatste jaren gegroeid. De komende jaren wil de gemeente activiteiten op dit terrein verder intensiveren. Daar zijn ook de beleidsterreinen onderwijs, welzijn, volksgezondheid en ruimtelijke ordening voor nodig. In Leidsche Rijn liggen goede kansen om samen met deze beleidsterreinen (breedte)sport te stimuleren.

3.3 Recreatie Aanleiding voor de nota Recreatief Perspectief (1997) was de groeiende vraag (bijvoorbeeld naar ruimte voor joggen en skaten) in combinatie met een krimpend aanbod (minder ruimte voor recreatie door verdichting van de stad). Het inzicht was gegroeid dat ruimte voor recreatie een voorwaarde is voor realisatie van andere beleidsdoelen, zoals leefbare wijken en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Onderwerp van de nota Recreatief Perspectief is recreatie in de openbare ruimte: pleinen, parken en speelplekken. Voortgang is onder meer geboekt bij de uitvoering van enkele concrete actieplannen, zoals verbetering van wandel- en fietsroutes, de aanleg van joggingparkoersen en het aanpassen van sportaccommodaties voor recreatief medegebruik. Leidsche Rijn Centrum biedt goede mogelijkheden om de recreatie in de openbare ruimte nieuwe impulsen te geven.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

3.4 Toerisme Speerpunten in het toeristisch beleid zijn cultuurhistorie, water, evenementen en zakelijk toerisme. Het beleid is vastgelegd in de nota Zet ’m op toerisme en kent de volgende doelen: œ verbetering van de kwaliteit van het toeristisch aanbod binnen de vier speerpunten; œ selectieve groei van het aantal toeristen. Utrecht zet in op de ’kwaliteitstoerist’: de liefhebber van cultuurhistorie, die rustiger van aard is dan de ’massatoerist’; œ spreiding van het toerisme over de stad. Spreiding ook van evenementen in tijd en plaats. Spreiding ontlast de binnenstad; œ groei van het verblijfstoerisme (waar Utrecht nu nog vooral bezocht wordt door œ dagtoeristen); œ vervullen van randvoorwaarden voor een aantrekkelijk toeristisch imago: schoon, veilig en bereikbaar; œ versterking van het toeristisch imago door toeristische stadspromotie; œ verbetering van de samenwerking met en tussen toeristische organisaties. Bevordering van het toerisme vindt plaats door middel van een groot aantal projecten en acties. Een greep hieruit: œ voortzetting van de marketing en promotie van het Museumkwartier; œ het stimuleren van de organisatie van meerdaagse congressen om het zakelijk toerisme te bevorderen; œ de uitgave van een evenementenkalender (ook op internet) en de inrichting van nieuwe evenemententerreinen; œ maatregelen om Utrecht aantrekkelijker te maken voor watertoeristen, zoals de aanleg van een tweede passantenhaven (ook om het meerdaags verblijf te stimuleren) en herinrichting van de Zuilense Vechtoever; œ verbetering van de bereikbaarheid van de stad per touringcar; œ watervervoer tussen de musea; œ een groot aantal promotionele activiteiten. Toerisme is bij uitstek een integraal beleidsveld. Toeristen bezoeken allerlei voorzieningen, die onder leisure vallen. Toerisme is daarom belangrijk voor de stedelijke economie en levert werkgelegenheid op. Toerisme is cruciaal voor de levensvatbaarheid van de musea. Anderzijds is de ontwikkeling van het toerisme afhankelijk van acties op andere beleidsterreinen, zoals het onderhoud van de openbare ruimte (schone stad), openbare orde en veiligheid (veilige stad), verkeer en vervoer (bereikbare stad) en detailhandel en horeca.

3.5 Horeca De stad Utrecht telt meer dan 1000 horecabedrijven. De meeste bevinden zich in de binnenstad. Een aantrekkelijk aanbod van horecagelegenheden -cafe’ s, bars, discotheken, restaurants, snackbars, cafetaria' lunchrooms, ijssalons, enzovoort- is van groot s, belang voor een levendige en goed functionerende stad. De horeca heeft een belangrijke schakelfunctie voor andere activiteiten zoals cultuur, ontmoetingen, winkelen en recreatie. De bijdrage aan de stedelijke economie en werkgelegenheid is groot.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Door het bevorderen van een aantrekkelijk en gevarieerd aanbod aan uitgaansgelegenheden en door de horeca-overlast zoveel mogelijk te voorkomen, stuurt de gemeente Utrecht aan op een goed horecaproduct. In het voor de gehele binnenstad opgestelde facet-bestemmingsplan horecadifferentiatie wordt gewerkt met een onderscheid tussen harde en zachte horeca (functiedifferentiatie). Deze regeling beoogt de nadelige invloeden van de vestiging van horecagelegenheden op het woon- en leefklimaat in de binnenstad te voorkomen. Het college heeft opdracht gegeven te bezien of er in de binnenstad nog uitbreidingsmogelijkheden zijn voor lichte horeca. Voor de overige wijken in de stad is er geen ruimtelijk-economische visie en/of actueel horecabeleid geformuleerd. In bestemmingsplannen zijn bestaande horeca-inrichtingen als zodanig bestemd en worden niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden voor de horeca geboden. In nieuwe bestemmingsplannen wordt het differentiatiebeleid toegepast. Voor de meeste wijken vigeren echter nog oude bestemmingsplannen. Hotelbeleid De Nederlandse hotellerie heeft tot en met 1999/2000 een goede periode doorgemaakt. De stijgende bezettingscijfers vormden een afspiegeling van deze gunstige marktsituatie. De laatste jaren gaat het weer wat minder met de hotellerie in Utrecht. Desondanks krijgt de gemeente Utrecht aanvragen voor nieuwe hotels. Dit hangt veelal samen met de uitbreidingen en vernieuwingen in het Stationsgebied en Leidsche Rijn. Ook uit onderzoek bleek dat er interesse bestaat bij verschillende marktpartijen voor hotelvestiging in Utrecht, waaronder Leidsche Rijn. Hierdoor nam de noodzaak om een gedegen hotelbeleid vast te stellen toe. Dit heeft geleid tot de Hotelnota 2000-2004 Welterusten. De hoofddoelstelling van het hotelbeleid in de periode 2000-2004 is het realiseren van evenwicht tussen de vraag naar hotelkamers en het aanbod daarvan. Het aanbod moet voldoen aan de toekomstige vraag uit de diverse marktsegmenten. Hierbij streeft de gemeente Utrecht naar een wat ruimer aanbod dan de vraagontwikkeling op korte termijn rechtvaardigt. Met de intentie om minder ’nee’ te moeten verkopen en gemakkelijker grote evenementen en congressen naar Utrecht te kunnen halen. Utrecht streeft naar een uitbreiding in de periode 2000-2004 met maximaal 735 kamers. Om deze uitbreiding te realiseren, zal de gemeente selectief stimulerend optreden ten aanzien van de hotelmarkt, zonder de belangen van de huidige hotellerie in de stad uit het oog te verliezen. Naast de bouw van nieuwe hotels wordt ook uitbreiding en opwaardering van bestaande hotels aangemoedigd. De hotelontwikkeling concentreert zich in de wijken Leidsche Rijn/Papendorp, Binnenstad en Oost. Hotel Mitland in Utrecht-Oost heeft haar 4-sterrensegment uitgebreid met 35 kamers. De bouw van een gecombineerd 3/4-sterrenhotel op het Jaarbeursterrein (200-400 kamers) is vrijwel zeker. Daarnaast is er ruimte voor kleinere hotels (maximaal 50 kamers per hotel, maximaal 3 sterren) in Utrecht-Centrum en Utrecht-Oost.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

3.6 Detailhandel De detailhandel is heel belangrijk voor de Utrechtse economie: œ Utrecht telt ongeveer 2.260 winkels met in totaal ruim 419.000 m² vvo; œ de jaarlijkse omzet in de Utrechtse detailhandel is 3,5 miljard gulden; œ er werken 12.000 personen in de Utrechtse detailhandel; œ dit leidt tot veel indirecte werkzaamheden, zoals transport, distributie en logistiek. Uit de nota Boodschap aan winkels wordt duidelijk dat de gemeente een hoog ambitie-niveau heeft. Dit blijkt onder andere uit de plannen voor het Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum. Op alle niveaus, van binnenstad tot buurtcentrum, worden hoge eisen gesteld. De gemeente bevordert de instandhouding van buurtcentra. Goede winkelcentra zijn belangrijk voor vitale, leefbare wijken en hebben een duidelijke sociale functie. De ontwikkeling van het stationsgebied biedt een grote kans om de detailhandel in het centrum een nieuwe impuls te geven. Utrecht dient met een aantrekkelijk stadscentrum, met ruim en kwalitatief hoogwaardig aanbod, een bovenregionale en landelijke functie te vervullen. Het centrum van Utrecht biedt op een beperkt oppervlak boeiende en zeer diverse functies op allerlei gebied. In de wijken streeft de gemeente naar het realiseren van een adequaat en functioneel winkelaanbod, waardoor kwaliteit en bereikbaarheid van vooral de dagelijkse voorzieningen voor de inwoners is verzekerd. Utrecht Centrum Utrecht Centrum is de top van de Utrechtse winkelhiërarchie. Hiervoor gelden de volgende ambities: œ versterken culturele en economische centrumfunctie; œ waarborgen en verbeteren van een aantrekkelijk woon- en verblijfsklimaat; œ waarborgen van het historische stadsbeeld en het verbeteren van de inrichting van de openbare ruimte; œ verbeteren en beheersen van de bereikbaarheid en de mobiliteit. Leidsche Rijn Centrum Het winkelaanbod van Leidsche Rijn Centrum zal zich vooral richten op de eigen bevolking. De nabijheid van het uitgebreide winkelapparaat in de binnenstad maakt het niet nodig en ongewenst om boven het niveau van het primaire marktgebied (80.000 inwoners plus de inwoners van Vleuten-De Meern en een secundair gebied dat zich uitstrekt tot Woerden) uit te gaan. De functie van (stadsdeel) Leidsche Rijn Centrum is in alle opzichten complementair 2 aan het stadscentrum Utrecht. Volgens de laatste ontwikkelingsvisie komt er 45.000 m 2 2 detailhandel, 5.625 m horeca en 5.625 m commerciële dienstverlening. Op basis van onderzoek worden omvang en branchering nader bepaald. De fasering is daarbij zodanig, dat van een groeimodel kan worden gesproken: ontwikkelen op basis van actuele gegevens en ontwikkelingen. In Leidsche Rijn Centrum kunnen grootschalige formules worden ingepast. Er lijkt ruimte voor een bouwmarkt en een tuincentrum (geen wooninrichting: daarvoor is Kanaleneiland de aangewezen plek). Bepaalde branches kunnen een regionale functie krijgen. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Grootschalige detailhandel 2 Het PDV-areaal in Utrecht bedraagt circa 97.000 m verkoopruimte. De PDVontwikkeling heeft zich in Utrecht vooral gemanifesteerd bij de Woonboulevard Kanaleneiland en de Autoboulevard. Voor de Woonboulevard wordt een ontwikkeling voorzien tot woonmall met een sterk concept van branchering en winkelomgeving. Voor Kanaleneiland betekent dit dat nog een kwaliteitsomslag moet worden gemaakt: upgrading qua uitstraling, gezellige winkelomgeving en een goede clustering van winkelformules. Als optie wordt gedacht aan het realiseren van een tweede cluster woondetailhandel. Niveau en uitstraling van grootschalige detailhandel mogen niet wezenlijk afwijken van het niveau en uitstraling van de binnenstad. Ook andere, bijzondere grootschalige detailhandel attracties worden serieus onderzocht en afgewogen. Gedacht wordt aan thematisch aanbod in de binnenstad en op perifere locaties. Dit type attracties wordt gezien als trekker voor de stad die het beeld bevestigen van Utrecht Winkelstad. In het detailhandelsbeleid worden als vestigings- en ontwikkelingslocaties voor grootschalige detailhandel genoemd: œ Stadscentrum Overvecht; œ Stadion Galgewaard (sport); œ Stationsgebied; œ Stadsdeel Leidsche Rijn Centrum, inclusief De Wetering Zuid; œ Woonboulevard (nieuwe stijl). 3.7 Leisurerelevantie De belangrijkste raakvlakken en coördinatieopgaven van dit sectorbeleid en het te ontwikkelen stedelijk leisurebeleid hebben betrekking op: œ de realisatie van culturele accommodaties; œ de ontwikkeling van de topsportcluster Maarschalkerweerd; œ de doorontwikkeling van bestaande (boven)regionale voorzieningen (als Vechtse banen); œ de ontwikkeling van nieuw toeristisch aanbod; œ het versterken van de winkelhartfunctie van de binnenstad (inclusief Hoog Catharijne); œ het ontwikkelen van een sterke winkelfunctie (als onderdeel van een bredere centrumfunctie) voor Leidsche Rijn Centrum; œ de ontwikkeling van perifere detailhandelslocaties (en hun mate van leisureaanbod).

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

4.

HET HUIDIGE AANBOD VAN LEISUREVOORZIENINGEN

4.1 Inventarisatie en analyse Het huidige aanbod aan grootschalige (bovenlokale) leisurevoorzieningen in de stad Utrecht is doorgelicht aan de hand van de typologie voor leisurevoorzieningen uit paragraaf 2.2. Het overzicht hiervan is als bijlage 1 opgenomen. In de inventarisatie en analyse zijn de volgende clusters onderscheiden: Cluster
Sport -

Bovenlocale voorzieningen
Zwembaden (4) IJsbaan (1) Galgewaard Indoorkartingbaan (1) Bowling (3) Watersport Fitness en healthclubs (2) Bioscopen (4) Beatrixtheater Holland Casino Musea (7) in Museumkwartier Historische gebouwen en kerken Stadsschouwburg Muziekcentrum Vredenburg Poppodium Tivoli Paardenkathedraal Waterleidingmuseum Moluks Historisch Museum Museum Nederlandse Munt Museum voor het Kruideniersbedrijf Wijkmusea (2) KidzCity Domtoren Jaarbeurs Veiling Vleuten/Utrechtse Bazaar Voordorphallen Central Studios DeFabrique Horecabedrijven Binnenstad Hoog Catharijne Woon- en autoboulevard Centrum/binnenstad

Wellness Entertainment/uitgaan Cultuur

Attracties Evenementen locaties

Horeca Detailhandel Leisure verblijfslocaties

In algemene zin een gevarieerd aanbod en op onderdelen van bijzondere kwaliteit. In termen van bovenlokale leisurewervingskracht (en aantallen bezoekers) onderscheidt Utrecht zich vooral met de binnenstad (inclusief Hoog Catharijne), de Jaarbeurs, de Vechtse Banen, stadion Galgewaard, het Beatrixtheater, DeFabrique, Holland Casino, Vredenburg, Veiling Vleuten en de musea. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Naast de vier zwembaden, waarvoor plannen voor kwaliteitsverbetering en uitbreiding bestaan, beschikt de gemeente Utrecht over het Recreatiecomplex Maarsseveense Plassen. De belangrijkste Utrechtse fitness & health voorzieningen zijn perifeer gelegen. Hetzelfde geldt voor de Vechtse Banen (ijsbaancomplex) en DeFabrique (indoor kartcentrum en bedrijfsevenementen). Het bioscoopaanbod is de laatste decennia afgenomen. In afwachting van de mogelijke vestiging van een multi- of megaplex zijn de bioscoopexploitanten terughoudend met investeren. De schouwburg, theaters en de verschillende podia (pop, jazz) functioneren goed. Voor verschillende onderdelen bestaan nieuwbouwplannen (zie hoofdstuk 3). Van de Utrechtse musea trekken het Centraal Museum en het Spoorwegmuseum (tijdelijk gesloten) de meeste bezoekers. De Utrechtse binnenstad is en blijft het belangrijkste leisurecentrum van de stad Utrecht. De Jaarbeurs trekt op jaarbasis zeer veel bezoekers. Zowel in de zakelijke markt als op het gebied van evenementen. 4.2 De relatieve positie van leisurestad Utrecht Gebruikmakend van een analyse die in opdracht van het Stadsgewest Haaglanden (2001) is gemaakt, is het totale aanbod van bovenlokale leisurevoorzieningen in het BRU gebied vergeleken met dat in de stadsgewesten van de drie andere grote steden. Het aantal voorzieningen is hierbij afgezet tegen het aantal inwoners. Het aanbod in het BRU gebied is op 100 gesteld.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Dichtheid bovenlokale leisurevoorzieningen stadsgewesten (index, BRU = 100)
(Omwille van de leesbaarheid zijn indexen hoger dan 400 niet weergegeven).

2PYDQJ YRRU]LHQLQJHQ SHU LQZRQHU

400 350 300 250 200 150 100 50 0 ROA SRR HGL BRU

th e

m a,

di er en -,

Opvallend is dat de Bestuursregio Utrecht (BRU) voor vele typen leisurevoorzieningen ondermaats scoort in vergelijking met Haaglanden, Stadsregio Rotterdam en Regionaal Orgaan Amsterdam. Alleen op het gebied van evenementenhallen is Utrecht verreweg koploper. Ook in het segment indoor kartcentra scoort Utrecht relatief hoog.

4.3 Concurrentiepositie De leisuremarkt is sterk concurrentiegevoelig. Afhankelijk van de verzorgingsgebieden en het marktbereik per type voorziening is aldus een concurrentieprofiel voor Utrecht op te stellen. Utrecht is landelijk sterk gepositioneerd als winkelstad. Door de ontwikkeling van het Stationsgebied, het opwaarderen van Hoog Catharijne en de ontwikkeling van Leidsche Rijn Centrum op termijn, zal deze positie zich zonder twijfel verder versterken. Op het gebied van uitgaan en entertainment beschikt Utrecht nu al over voorzieningen van naam en faam. Van een landelijke positionering is echter geen of slechts beperkt sprake. De vele plannen voor nieuwe podia en entertainmentvoorzieningen (vooral in het Stationsgebied) zullen echter een forse impuls opleveren. Een positie als belangrijkste en meest compleet en aantrekkelijk uitgaanscentrum van ons land, behoort zeker tot de Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

us ea rp ki ar nd ke er n at tra ct ie bi s os co pe in ca n do sin or ka o’s m r id ge t ce nt ev ra en tgol fb em an en en te nh al le n sk ic en tra st ad io g o ns lfb an en kl im ce nt ra tu u
7\SH OHLVXUHYRRU]LHQLQJ

m in ia

m

mogelijkheden. Cultuur en cultuurhistorie zijn één van de grote troeven van Utrecht. De positie van de historische binnenstad is in dit opzicht onomstreden. Bezoekers komen hier vooral om (recreatief) te winkelen. In de toeristische markt (exclusief het genoemde kooptoerisme) neemt Utrecht een relatief bescheiden plaats in. Over bijzondere of specifieke binnenstedelijke toeristische attracties, die grote aantallen bezoekers trekken, beschikt de stad niet. Hierbij moet worden aangetekend dat Utrecht ook niet zit te wachten op massatoerisme. Het streven is gericht op het aantrekken van de “ kwaliteitstoerist” , geinteresseerd in cultuur en cultuurhistorie. Als evenementenstad behoort Utrecht tot de landelijke koplopers. Op sportgebied timmert Utrecht flink aan de weg. Een landelijke marktpositie kan worden verworven door uitbouw van het topsportaccommodatieaanbod. 4.4 Concurrerende ontwikkelingen Ontwikkelingen die in directe zin van invloed kunnen zijn op de positie van Utrecht in de leisuremarkt vinden plaats in: œ Nieuwegein: vernieuwing van het stadshart; waaronder een toevoeging van locale leisurevoorzieningen; ontwikkelingsperiode 2004 – 2012; œ Amersfoort: planontwikkeling voor de realisatie van een groot vrijetijds- en uitgaanscentrum (het Eemcentrum) als onderdeel van de binnenstad; als onderdelen worden genoemd een megabioscoop, verscheidene (educatieve) toeristische attracties (waaronder een IMAX theater) en enkele cultuurpodia; het Eemcentrum zou uitdrukkelijk bovenregionaal worden gepositioneerd; ontwikkelingsperiode 2003 – 2007; œ Amsterdam Arena: afronding van de ArenaBoulevard met onder meer een grootschalig entertainment center (150.000 m² bvo!) met toeristische attracties; ontwikkelingsperiode 2004 – 2007; œ Diemen: naast die aan de Arena Boulevard zal de Amsterdamse regio een tweede megabioscoopcomplex rijk worden; in Diemen wordt een Kinepolis complex met 4.900 stoelen gerealiseerd. Vooral de ontwikkelingen in Amsterdam kunnen van invloed zijn op de Utrechtse ambities. De haalbaarheid hiervan wordt groter geacht dan die van de leisureplannen elders in de Utrechtse regio. De voorzieningen in Amsterdam zijn uitdrukkelijk nationaal gepositioneerd en zijn, ook vanuit Utrecht, met auto en openbaar vervoer uitstekend bereikbaar. Andersom geldt echter ook……de Utrechtse binnenstad is van een bijzondere kwaliteit. Indien de gemeente Utrecht in staat is concurrerende leisurevoorzieningen in het Stationsgebied te ontwikkelen, beschikt de stad over een propositie die kan concurreren met Amsterdam-ZO. Juist op kwaliteit en verblijfsambiance kan Utrecht het winnen. Voorwaarde is dan wel dat Utrecht de leisureontwikkelingen zo goed mogelijk fysiek integreert in het verblijfsgebied van de binnenstad. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

5.

MARKTPROFIEL UTRECHT

5.1 Demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied De lokale en regionale bevolking vormt het primaire draagvlak voor de voorzieningen in de stad Utrecht. Voor de analyse van de demografische ontwikkelingen is gekeken naar de bevolkingsprognose voor de stad Utrecht (5.1.1) enerzijds en de ontwikkelingen in Bestuur Regio Utrecht (5.1.2) anderzijds. 5.1.1 Gemeente Utrecht In onderstaande tabel is een bevolkingsprognose voor de gemeente Utrecht weergegeven. Hierbij is aangegeven welk aandeel het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn en de voormalige gemeente Vleuten - De Meern hebben. Tabel 5.1.1 Bevolkingsprognose gemeente Utrecht (bron: gemeente Utrecht 2002)
2002 Leeftijd Totaal 2005 waaronder Totaal LR/V-DM 2937 2187 1793 1382 1200 2289 4018 3482 2521 1829 1679 1567 1348 1191 905 621 358 174 65 9 31555 19898 14591 13199 12678 29385 36934 33479 26511 21354 17317 14515 13087 9910 8564 7214 5916 4697 2294 959 226 292728 2010 waaronder Totaal LR/V-DM 4702 4028 3131 2424 2394 4805 6952 6918 5223 3668 2742 2258 1796 1652 1318 831 466 205 84 21 55618 22876 18418 14739 14043 27542 38372 36673 30978 25315 20897 17086 13929 12002 8919 7347 5690 4022 2449 868 241 322406 2015 waaronder Totaal LR/V-DM 6793 6382 5234 3884 3106 5505 9264 10425 9025 6639 4709 3401 2723 2187 1811 1221 639 282 97 28 83355 22368 19776 17200 14679 26573 34715 34679 31038 27477 23303 19434 15661 12452 10434 7515 5712 3847 2106 916 223 330108 2020 waaronder Totaal LR/V-DM 6374 7252 6661 5101 3392 4528 7755 10409 10761 9101 6679 4709 3464 2799 2126 1529 876 372 127 32 94047 21051 19106 18109 16418 26171 33119 31749 29040 27061 24743 21176 17430 13784 10752 8645 5820 3844 2026 792 230 331066 waaronder LR/V-DM 5616 6692 7237 6085 3940 4269 6563 8817 10394 10283 8532 6208 4466 3350 2569 1742 1070 504 160 40 98537

0-4 5-9 10-14 15-19 20-24 25-29 30-34 35-39 40-44 45-49 50-54 55-59 60-64 65-69 70-74 75-79 80-84 85-89 90-94 95+ Totaal

16474 12762 12031 12690 26032 31176 29612 22290 18099 14808 13615 11290 9605 8284 7195 6511 4536 2468 937 224 260639

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Bevolkingsopbouw De leeftijdsopbouw van de nieuwe wijken Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern wijkt sterk af van die in overig Utrecht. Momenteel wonen hier relatief veel mensen jonger dan 45 jaar. Dit aandeel blijft tot 2015 hoog, door het grote aantal nieuwkomers dat zich er zal vestigen. De grote verandering vindt plaats na 2015, wanneer nagenoeg alle woningen gebouwd zijn en de bevolkingsopbouw door vergrijzing van de zittende bevolking verandert. Verzilvering Het aantal twintigers daalt de komende jaren, terwijl de groep van dertigers en veertigers de komende jaren zal toenemen. Tot 2005 blijven dertigers en veertigers de grootste leeftijdsgroep, in 2010 en 2020 zijn respectievelijk de veertigers en vijftigers de grootste leeftijdsgroep. Het aantal 65+-ers neemt de komende jaren al toe en zal vooral op langere termijn nog sterker groeien. In sommige wijken zal de vergrijzing sneller gaan dan in andere (zoals in het centrum en Leidsche Rijn). De senioren van de 21 eeuw worden echter steeds jonger; ze voelen zich jong en doen er alles aan om zo lang mogelijk fit en gezond te blijven. Actief bezig zijn in de vrije tijd past in dat levenspatroon. Het huidige leisureaanbod is daar deels op toegerust. Verkleuring Van alle Utrechters heeft 30% een niet-Nederlandse etniciteit. Op wijkniveau komen grote verschillen voor: van 13% in Vleuten-De Meern tot 47% in Zuidwest. De samenstelling van de Utrechtse bevolking zal de komende decennia veranderen. Het percentage ‘autochtone Utrechters’ (mensen met Nederlandse voorouders) neemt gestaag af. De bevolking wordt steeds ‘gekleurder’ , naarmate de huidige generaties allochtonen zich zullen mengen met ‘autochtone’ bevolkingsgroepen. Van het dualisme allochtoon e of autochtoon is geen sprake meer in de loop van de 21 eeuw. De insteek voor het e leisurebeleid van de 21 eeuw is dan ook niet welke etnische achtergrond iemand heeft, maar wat de motieven zijn om een voorziening te bezoeken. Etniciteit is dan één van de vele variabelen daarbinnen. Het onderzoek op dit terrein staat nog in de kinderschoenen. Vergroening Het aantal jeugdigen en jongeren zal de komende 15 jaar sterk in aantal toenemen. Dit is het gevolg van de toestroom van jonge gezinnen naar Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern. Uit de prognose voor het aantal basisschoolleerlingen blijkt het volgende: œ momenteel wonen in Utrecht 21.085 kinderen in de leeftijd voor basisonderwijs. Een deel van deze kinderen gaat naar het speciaal onderwijs; œ sinds 1996 is het aantal basisschoolleerlingen in Utrecht iets gestegen; œ tot 2005 daalt het aantal tot 20.465; vervolgens gaat het weer stijgen; œ momenteel wonen in Leidsche Rijn 393 kinderen in de leeftijd voor het basisonderwijs; œ het aantal basisschoolleerlingen in Leidsche Rijn neemt de komende jaren sterk toe tot 6.116 in 2015; œ in Vleuten-De Meern wonen nu 2.567 kinderen in de leeftijd voor het basisonderwijs, dit neemt sterk toe tot 5.857 kinderen in 2015. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)
e

Uit leerlingenprognoses voor het voortgezet onderwijs blijkt het volgende: œ het aantal leerlingen in de leeftijd van het voortgezet onderwijs neemt toe van 13.024 nu naar 18.711 in 2016; œ in 2015 zullen in Leidsche Rijn 3.600 kinderen in de leeftijd 12-17 jaar wonen; œ in de wijk Vleuten-De Meern zal dit aantal in 15 jaar met 3.600 stijgen; œ in de overige wijken van Utrecht is de stijging in 15 jaar 4%; œ gezien de groei van het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd tot 2015 zal ook na 2015 de groep 12-17 jaar nog blijven groeien. Het zijn juist deze jongeren, en in hun spoor de studenten (2002: ruim 15.000) en andere twintigers, die het meest innovatieve vrijetijdsgedrag vertonen. De leisuremarkt zal de wensen en behoeften van deze groeiende groep dan ook nauwlettend volgen. 5.1.2 Bestuur Regio Utrecht (BRU) De leisurevoorzieningen in Utrecht zijn er niet alleen voor de Utrechters. De meeste voorzieningen hebben een regionaal verzorgende functie, zoals uit hoofdstuk 4 blijkt. Veelal blijft het bij de directe omgeving van Utrecht. Wij gaan ervan uit dat het hierbij voornamelijk gaat om het zogenaamde BRU-gebied: de Bestuur Regio Utrecht waarbij 25 gemeenten zijn aangesloten. In dit gebied zijn momenteel circa 780.000 mensen woonachtig. De verwachting is dat dit aantal in 2015 zal zijn toegenomen tot 830.000. 5.2 Participatiegegevens bevolking Utrecht

5.2.1 Sportdeelname Bijna 60% van de volwassen Utrechters doet aan sport (NUP 2000). Onder kinderen en jongeren is de deelname aan sport nog aanzienlijk groter. De populairste sporten zijn (met tussen haakjes het percentage beoefenaren op de totale bevolking): fitness (9), zwemmen (9), tennis (6), wielrennen en toerfietsen (5), hardlopen (5), voetbal (5) en aerobics (5). Sport is populair in alle leeftijds- en bevolkingsgroepen, maar er zijn verschillen. Ouderen, allochtonen en mensen met een laag inkomen sporten minder dan anderen. Sport kan actief en passief worden beleefd. In de top tien van actieve sportparticipatie staan Kampong (hockey, voetbal, tennis, et cetera met 3.000 leden), Hercules (voetbal, tennis, et cetera met 1.800 leden). Deze omniverenigingen worden gevolgd door de tennisverenigingen Iduna, Domstad en Rhijnauwen. Daarna komen omnivereniging UVV, Golfclub Amelisweerd, Sporting ’ 70 (voetbal) en Hellas (atletiek). Bij de passieve sportbeleving neemt FC Utrecht de belangrijkste plaats in. De thuisbasis, Stadion Galgewaard, wordt uitgebreid naar 24.000 zitplaatsen en bovendien voorzien van twee sporthallen en een indooratletiekhal waarvoor de B-status wordt aangevraagd. 5.2.2 Cultuurparticipatie Hoewel in Nederland het bezoek aan culturele instellingen licht is gestegen, is dit in Utrecht niet het geval. Het bezoek aan musea is afgenomen. Het bezoek aan Muziekcentrum Vredenburg is wat gedaald in vergelijking met 2000. De jaren ervoor was er een stijgende lijn te zien. Tivoli doet het de laatste jaren goed en ook de Stadsschouwburg mag zich in een groeiende belangstelling verheugen. Om de cultuurparticipatie van Utrechters te vergroten, is het Actieplan Cultuurbereik 2001-2004 van start gegaan. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Opgezet om zo veel mogelijk mensen te betrekken bij cultuur, in het bijzonder gericht op jongeren en allochtonen.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

5.2.3 Recreatiedeelname De directe woonomgeving is vooral in de stadsrand en de oudere wijken van Utrecht het belangrijkste recreatieve gebied, voorzover de omgeving daarop is ingericht en er toereikende voorzieningen zijn. De hogere inkomensgroepen zullen eerder dan de lagere voor een vrijetijdsactiviteit naar elders uitwijken.

5.3 Toerisme in Utrecht Utrecht kende in 2001 4.260.000 binnenlandse toeristische bezoeken (CVO, 2001). Meerdaags bezoek, buitenslands bezoek en zakelijk bezoek is hierbij buiten beschouwing gelaten. De activiteiten die deze bezoekers ondernamen, zijn:
recreatief winkelen (76%); lunch/diner (44%); terrasbezoek (24%); bezoek evenement (14%); nachtleven/uitgaan (14%); museumbezoek (12%); bioscoopbezoek (11%); bezoek theater/concert (10%); attractiebezoek (6%).
                 

In vergelijking met de andere grote steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Haag) scoort Utrecht relatief goed op lunch/diner, bezoek evenement en bezoek theater/concert. Hieruit blijkt min of meer het succes van Utrecht als cultuur- en vergader/congresstad. Op de andere aspecten scoort Utrecht minder goed ten opzichte van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Kinderen (0-14 jaar) zijn bij stedenbezoek algemeen ondervertegenwoordigd. Jongeren (15-24 jaar) zijn echter bij vrijwel alle steden oververtegenwoordigd. Utrecht trekt de meeste bezoekers in deze leeftijdscategorie (21%). Naarmate de leeftijd van de bezoekers stijgt, neemt het aandeel van Utrecht ten opzichte van de andere grote steden af. Het aandeel bezoeken van buiten de provincie Utrecht bedraagt 80%. Na Groningen is dit het hoogste percentage van de grotere steden, zelfs hoger dan dat van Amsterdam (78%).

5.4 Marktvolume voor leisure in Utrecht In onderstaande tabel is per soort leisurevoorzieningen in Utrecht aangegeven œ hoe groot het verzorgingsgebied is dat kan worden bestreken; uitgedrukt in het aantal inwoners in 2005; œ hoe groot het bijbehorende totale marktvolume in 2005 is (het aantal bezoeken per type voorziening dat in 2005 wordt gegenereerd door alle inwoners in het betreffende verzorgingsgebied, ongeacht waar deze bezoeken plaatsvinden); Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

œ œ

het te verwachten marktaandeel van de huidige Utrechtse voorzieningen in dit totale marktvolume (op basis van hun geïnventariseerde bezoekersaantallen, zie bijlage 1); de omvang van het huidige aanbod in Utrecht.
Marktaandeel Utrechtse voorzieningen (op basis van huidige bezoekersaantallen) 35% Omvang huidige aanbod in Utrecht in m2 bvo

Type voorziening

Verzorgingsgebied

Aantal inwoners verzorgingsgebied in 2005

Animocijfer

Marktvolume 2005

Zwembaden

Fitness & Health

IJsbaan Indoor Karting

Bowling Bioscopen Schouwburg, Theaterproducties Grote muziekuitvoeringen Casino Musea/historische gebouwen

Utrecht, aangrenzende gemeenten Utrecht, aangrenzende gemeenten Provincie overstijgend Utrecht, aangrenzende gemeenten Utrecht BRU Provincie overstijgend Provincie overstijgend Provincie overstijgend Nationaal

ca. 530.000

ca. 530.000

Recreatief zwemmen en doelgroepen: 4 5

2.000.000 – 2.200.000 2.600.000 – 2.700.000 350.000 – 400.000 pm

10.000

49%

14.500

Ca. 1.800.000 ca. 530.000

0,2 pm

83% pm

23.000 37.000

ca. 290.000 ca. 800.000 Ca. 1.800.000 Ca. 1.800.000 Ca. 1.800.000 ca. 10.000.000

pm 1,6 0,8 0,9 0,3 2,1

pm 1.200.000 – 1.300.000 1.000.000 – 1.100.000 1.200.000 – 1.300.000 500.000 – 550.000 20.000.000 – 22.000.000

pm 77% 40% 50% 89% 3%

5.000 7.500 6.000 8.000 4.000 pm

Bronnen: aantal inwoners, gemeente Utrecht animocijfers (bewerking) CBS, marktaandeelcijfers op basis inventarisatiegegevens (zie bijlage 1), idem voor omvang huidige aanbod in Utrecht.

Per saldo opereert Utrecht daarom in een leisuremarkt met een totale omvang van meer dan tien miljoen bezoeken per jaar exclusief de bezoekersmarkten voor de Jaarbeurs, de binnenstad en meer in algemene zin uitgaan en horecabezoek, winkelen, attracties en toerisme. Een landelijke markt die nog vele malen groter is!

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

6.

MARKTONTWIKKELINGEN

Geen markt is misschien wel zo dynamisch als de vrijetijdsmarkt. De maatschappij verandert. Het vrije tijdsgedrag verandert en de aanbieders van leisurevoorzieningen spelen hier sterk op in. Voorzieningen gaan en komen. Nog maar enkele jaren geleden was een glijbaan in een zwembad een bijzonderheid. Nu een onmisbare factor. En eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld. De exploitanten zijn allang weer op zoek naar iets anders. Zo ook de consument. De leisuremarkt is ongedurig. 6.1 Maatschappelijke ontwikkelingen in vrijetijdsbesteding De wereld wordt steeds “ kleiner” . In een mum van tijd vliegen we de wereld rond voor heel acceptabele prijzen en het World Wide Web brengt de wereld zelfs bij ons in de huiskamer. Partners die samen zorg en werk verdelen, hebben daardoor ook minder vrije tijd tot hun beschikking. De vergrijzing van de samenleving, de groeiende technische mogelijkheden, de stagnerende economie: veranderingen gaan steeds sneller en hebben hun weerslag op het gedrag en de behoefte van de vrijetijdsconsument. 6.1.1 Toenemende drukte 1 Nederlanders krijgen het steeds drukker . De hoeveelheid vrije tijd van de bevolking van 12 jaar en ouder is tussen 1995 en 2000 vrij scherp gedaald. Het tijdsbudget daalt van 47,3 naar 44,8 uur per week, een afname met 5%. Op zichzelf is de afname van de beschikbare vrije tijd niet nieuw. Het herstel van de economische recessie in midden jaren tachtig gaat gepaard met groeiende verplichtingen, ten koste van de persoonlijke tijd en de vrije tijd. Vooral de leeftijdsgroep tot 50 jaar heeft te maken met een krimpend vrijetijdsbudget. De toegenomen arbeidstijd zet het vrijetijdsbudget onder druk, vooral bij de tweeverdieners, een samenlevingsvorm die snel opgang maakt. Opvallend aan de periode 1995-2000 is niet alleen de verscherpte daling van de hoeveelheid vrije tijd, maar ook de achterliggende dynamiek. Waar de vermindering van de vrije tijd eerder volledig voor rekening kwam van een toename van de verplichtingen, is deze nu toe te schrijven aan het gecombineerde effect van meer verplichte tijd en meer persoonlijke tijd. Dat we door de bank genomen minder vrije tijd hebben, is het resultaat van een grotere arbeidsinspanning enerzijds en meer slaaptijd anderzijds. Deze combinatie van toegenomen arbeidstijd en toegenomen hersteltijd resulteert in een belangrijke afname van de vrije tijd. Beide factoren nemen elk ongeveer de helft van de afname van de vrije tijd voor hun rekening.

1

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Bronnen: Tijdbestedingonderzoek (TBO 2000) en Sociaal Cultureel Rapport 2000.

6.1.2 Kenmerken van vrijetijdsbesteding Hoe besteden wij onze vrije tijd? De vrije tijd wordt beschreven aan de hand van vier algemene kenmerken: œ het eerste kenmerk is de uithuizigheid (locatie van de vrijetijdsbesteding en de benodigde reistijd), wat aangeeft in welke mate men de vrije tijd thuis dan wel ergens anders doorbrengt; œ de kapitaalintensiteit (uitgaven en uitrusting voor de vrije tijd), als tweede kenmerk, bevat informatie over de uitgaven voor de vrije tijd; œ de diversiteit (het aantal activiteiten dat mensen per week of per jaar ondernemen) verwijst naar de breedte van het activiteitenrepertoire; œ de organisatiegraad (aantallen leden en lidmaatschappen van vrijetijdsverenigingen) heeft betrekking op de mate waarin men de vrije tijd in georganiseerd verband doorbrengt. In 1995 is de vrijetijdsbesteding ’uithuiziger’ dan ooit tevoren. Bijna vier van elke tien vrije uren brengen we niet thuis door. Hoewel van 1980 tot 1990 sprake is van een licht toenemende uithuizigheid, is de toename in 1995 opmerkelijk. Nu we te maken hebben met een krimpend vrijetijdsbudget (–5%), is het de vraag of de in 1995 aan de dag gelegde voorkeur voor uithuizige vrijetijdsbesteding stand heeft gehouden heeft of dat daar vanwege tijdsdruk juist weer op is bezuinigd. De gegevens over 2000 tonen aan dat de laatste veronderstelling juist is. De vermindering van het aantal uren vrije tijd in 2000 (–2,5 uur per week) gaat vrijwel volledig ten koste van de uithuizige vrije tijd (–2,3 uur per week, van 18,5 uur per week in 1995 naar 16,3 uur per week in 2000). Het aantal uren vrije tijd dat men thuis doorbrengt daalt niet of nauwelijks. De Nederlander besteedt gemiddeld 25% van zijn budget aan vrijetijdsactiviteiten. We tekenen hierbij aan dat bij die berekening vrije tijd als heel ruim wordt gezien. Ook uitgaven voor bijvoorbeeld TV en audio, alcohol en tabak en tuin en bloemen vallen hieronder. Als we hier rekening mee houden, stellen we vast dat ‘de Nederlander’ en daarmee ook ‘de Utrechter’ meer geld is gaan uitgeven aan zijn vrijetijdsbesteding. Kijken we alleen naar grootschalige leisurevoorzieningen, dan besteedden de Nederlanders daaraan in 1995/1996 circa ƒ 3,2 miljard. De consumptieve bestedingen voor de vrije tijd zijn in 2000 naar schatting 18% hoger dan in 1995. De kapitaalintensiteit van de vrijetijdsbesteding neemt toe naarmate vrije tijd schaarser wordt. De keus tussen meer consumptie en meer vrije tijd valt veelal in het voordeel van consumptie uit. Op een hoger abstractieniveau luidt de conclusie dat vrije tijd en bestedingskracht tegen elkaar worden uitgeruild. De groei van de consumptieve uitgaven wordt gedeeltelijk weerspiegeld in het verder gestegen niveau van elektronische goederen van Nederlandse huishoudens. De groei komt volledig voor rekening van de opmars van de pc. Er is niet langer sprake van een stijgende penetratiegraad van audio- en video-apparatuur in huishoudens. Wel wordt geïnvesteerd in een verdere verfijning daarvan, door betere apparatuur aan te schaffen en/of verschillende ruimten in huis (de kinderkamer) met apparatuur toe te rusten.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Het aantal verschillende vrijetijdsactiviteiten loopt terug met 5%. Nadat in 1985 het pc gebruik was toegevoegd aan de lijst van meetellende activiteiten, is hier in 2000 ook het internetgebruik bij opgeteld. Dat deze toevoegingen van activiteiten niet tot een verbreding van het vrijetijdsrepertoire hebben geleid, wijst erop dat ze in de plaats komen van andere activiteiten. In de praktijk neemt men vaker ‘wel eens’ aan activiteiten deel. Deze ontwikkeling wordt ook wel als een verschuiving van deelnemer naar passant gekenmerkt. Een ander algemeen kenmerk van de vrije tijd is de organisatiegraad. Het aandeel van de bevolking dat lid is van een of meer vrijetijdsverenigingen ligt in de jaren negentig op een hoger niveau dan in de jaren tachtig. In 1999 is dit nog altijd het geval, hoewel de organisatiegraad in vergelijking met 1995 weer wat terugloopt. Het aantal lidmaatschappen van degenen met minstens één lidmaatschap piekt eenmalig in 1995. Wat is het effect van het krappere vrijetijdsbudget op de convergentie in de vrijetijdsbesteding van leeftijdsgroepen? Op de langere termijn houdt de convergentie stand, maar sinds 1995 zet die zich niet verder door. Jongeren en 65-plussers worden in gelijke mate conform het bevolkingsgemiddelde minder uithuizig. De 50-64-jarigen bezuinigen zelfs in wat sterkere mate op het aandeel vrijetijdsactiviteiten buiten de deur. Wat opvalt, is dat mannen in 2000 niet langer uithuiziger zijn dan vrouwen. Vermoedelijk houdt dit verband met de stijgende arbeidsparticipatie van de vrouw: werkenden zijn doorgaans uithuiziger in hun vrije tijd dan niet-werkenden. Wat de repertoirebreedte betreft ligt het anders. Ook hier gedragen jongeren zich conform de gemiddelde trend onder de bevolking. De onderscheiden groep 50-plussers reageert echter anders. Onder 5064-jarigen zet de verbreding van het vrijetijdsrepertoire sterk door, terwijl de repertoirebreedte van 65-plussers juist versmalt.

6.2 Ontwikkelingen aanbodzijde leisure De groei van de vrijetijdseconomie gaat gepaard met een sterke professionalisering en expansie van het aanbod. Naast een breed pallet aan locale marktpartijen en exploitanten worden in toenemende mate ook (inter)nationale ketenbedrijven op de markt actief. De inzet van risicokapitaal is daarbij niet zelden de motor voor innovatieve formules en projecten. Door institutionele beleggers en vastgoedontwikkelaars wordt leisure meer en meer als een belangrijk onderdeel van integrale project- of gebiedsontwikkeling gezien. Investeringen zijn echter vooral afhankelijk van leisure-exploitanten zelf. Door het bijzondere karakter van het betreffende vastgoed is de courantheid (en daarmee de waardevastheid c.q. -ontwikkeling) hiervan gering. Hoewel leisure steeds vaker wordt genoemd en geprogrammeerd bij gebiedsontwikkeling en in grondexploitaties, is de werkelijkheid tamelijk eenzijdig. In de praktijk blijkt de uiteindelijke invulling vooral te gaan om grootschalige detailhandel (al dan niet met in de winkelformule geïntegreerde leisure elementen die men dan overigens vooral moet zien als verkoopondersteuning, zoals demonstratiepodia in sportwinkels), hotelfuncties, grootschalige horeca en partycentra/discotheken en in een enkel geval om bioscoopEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

voorzieningen, een theater of een amusementstheater. Vooral in deze segmenten zijn ook de ketenorganisaties actief. Daarnaast zien we de volgende ontwikkelingen aan de aanbodzijde: œ van solitair naar concentratie (clustering); œ van functioneel naar geïntegreerd; œ van eenpolig naar meerpolig (meerdere stedelijke leisurekernen en vrijetijdsmilieus op verschillende schaalniveaus); œ van basiskwaliteit naar uniek en onderscheidend; œ van product en dienst naar ervaring en belevenis. Schaalgrootte is een belangrijke randvoorwaarde voor leisurecentra. Eén solitaire leisurevoorziening zal geheel afhankelijk zijn van doelgericht bezoek. Kwaliteit en/of omvang zijn dan doorslaggevend. Schaalgrootte als een randvoorwaarde voor de continuïteit. Zeker als er sprake is van concurrentie. We zien dan ook dat solitaire leisurevoorzieningen (fors) uitbreiden en investeren in formulevernieuwing en -verbreding. Combinaties van voorzieningen worden in staat geacht ook ander dan doelgericht bezoek te genereren. We zien een welhaast autonome trend van leisurevoorzieningen om elkaars nabijheid te zoeken. Dit blijkt lang niet in alle gevallen ook effectief. Voorzieningen die elkaar niet aanvullen of complementair zijn ten opzichte van elkaar (in het inspelen op het bezoekersgedrag en de vraag van de consument) zullen in de regel nauwelijks profijt hebben van clustering. Er lijkt in die gevallen weliswaar sprake van een formule die in staat zou moeten zijn veel publiek te trekken (want schaalgrootte), maar door een gebrek aan functionele samenhang komt dit er niet uit. Schaalgrootte is in dit opzicht dus slechts dan van betekenis indien er sprake is van een samenhangend, functioneel verweven voorzieningenaanbod. 6.3 Leisuremarkt in beweging Een succesvol plan speelt adequaat in op de ontwikkelingen in de leisuremarkt. Daarom in vogelvlucht enkele kenmerkende marktbewegingen. Vrije tijd De vrije tijdsmarkt heeft zich ontwikkeld tot een volwaardige economische pijler. De consument geeft steeds meer geld uit aan vrijetijdsactiviteiten. Vrije tijd wordt steeds intensiever geconsumeerd. Er is sprake van een verschuiving van traditionele, informele, tijdsintensieve en geldextensieve bezigheden naar een doelbewuste, georganiseerde en snelle beleveniscultuur. Het vrijetijdsrepertoire verbreedt zich (vraag naar meer, spanning en uitdaging). Het belang van belevingswaarde is sterk toegenomen. Was vroeger een gewoon winkelcentrum genoeg, nu wordt een themacentrum gevraagd met hoge verblijfswaarde. In attractieparken neemt het gebruik van zgn. Disneyarchitectuur toe. Koffie is vervangen door cappuccino. De vrijetijdsindustrie speelt hierop in en produceert in hoog tempo nieuwe leisureproducten en diensten. Wie hierin niet investeert, raakt onherroepelijk marktaandeel kwijt. De levenscyclus van leisurevoorzieningen wordt daardoor korter. Een waterglijbaan in een zwembad is niet Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

meer genoeg. Andere, nieuwere attracties zijn nodig om bezoekers te binden. Een spiraal waarvan het einde nog niet in zicht is.

Sport, recreatie en wellness De sportintensiteit neemt toe. We sporten vaker en beoefenen meerdere sporten tegelijkertijd. Grensvervaging, kenmerkend voor het fenomeen leisure in algemene zin, zien we ook in de sportsector terug. Sport, recreatie, bewegings- en lichaamscultuur en entertainment vloeien in elkaar over. Denk aan de indoorkartbanen, de healthcenters in zwembaden of aan de opkomst van trendy activiteiten als skaten en mountainbiken. We zien de opkomst van multifunctionele sport- en vrijetijdscomplexen waarin meerdere van dit type voorzieningen worden geïntegreerd. Anderzijds neemt ook de behoefte aan vrije “ bewegingsruimte” toe (zowel indoor als outdoor). Sporten in verenigingsverband neemt af, ten gunste van individueel en informeel sporten (gelegenheidsgroepen). Ook in de sport heeft de belevingseconomie zijn intrede gedaan. Van wildwatervaren tot de merkenrage. Traditionele sportveldencomplexen kunnen inspelen op de noodzaak tot vernieuwing van het publieke sportaanbod door commerciële functies toe te laten. Zowel in de sfeer van sport (fitness, squash et cetera) als in de sfeer van horeca, persoonlijke verzorging en ‘wellness’ . In sommige gevallen zelfs (sport)evene-menten en entertainment (muziek). De laatst gehouden editie van het tijdsbestedingonderzoek suggereert dat de groei in de actieve sportdeelname van de jaren zeventig en tachtig tot stilstand is gekomen. Er wordt in 2000 weer wat meer binnen de woonplaats gesport. Na de forse daling in het sporten via de vereniging van na 1990 heeft de verenigingssport in 2000 een pas op de plaats gemaakt. Evenals de sporttijd daalt tussen 1995 en 2000 ook de tijd die aan wandelen en fietsen wordt besteed. Daarmee vertoont het bewegen in bredere zin een teruggang. Ouderen zijn meer gaan sporten, maar iets minder gaan wandelen en fietsen. Per saldo is de bewegingswinst voor ouderen op de langere termijn positief en op korte termijn negatief. Jongeren steken in 2000 wat betreft sport en bewegen met kop en schouders boven de rest van de bevolking uit. Tussen 1995 en 2000 worden de verschillen tussen mannen en vrouwen in sporten en bewegen kleiner, terwijl de verschillen naar opleidings-niveau wat groter worden. Cultuur Cultuur en leisure zijn sterk verweven. Het bezoek aan podiumkunsten stijgt. Het cultuurbewustzijn in algemene zin neemt toe; ondanks of misschien wel dankzij ontwikkelingen als internationalisering en vervlakking. De zgn. zap- en sensatiecultuur noopt de aanbieders te zorgen voor nieuwe impulsen. Musea veranderen van toonzalen naar interactieve centra. De breedte van de cultuurbehoeften, maar ook van het cultuuraanbod neemt verder toe. Van cultuur met de grote C tot de meer commerciële vormen van cultuur (musicaltheaters). Cultuur in leisuretermen is economie. Het draagt in belangrijke mate bij aan de stedelijke economie en voldoet aan een grote marktvraag (bijvoorbeeld de opkomst van vele theater- en muziekfestivals en evenementen). Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Publieke voorzieningen krijgen te maken met een toenemende concurrentie van de professionele vrijetijdsmarkt. De publieke sector moet zich dan ook voortdurend bezinnen op de vraag hoe zij het hoofd boven water kan houden. Dat moet ook wel, want de publieke sector heeft nu eenmaal meer taken dan commerciële marktpartijen, zoals de bescherming en het tentoonstellen van cultuurgoederen en de bereikbaarheid van het publieke aanbod voor iedereen. Om te kunnen concurreren, zal ook de publieke sector moeten investeren in productkwaliteit, uitstraling en omgevingskwaliteit. De inwoners van een stad hebben behoefte aan ‘eigen’ uitingsvormen. Een stad als Utrecht kent vele culturen: elitair, populair, allochtoon, amateur, jeugd en jongeren, et cetera. Om deze groepen de gelegenheid te geven zelf hun cultuur dicht bij huis te maken, kunnen bestaande of nieuwe accommodaties worden ingezet om zich in de richting van verbijzondering en specialisatie te ontwikkelen. Uitgaan In een periode van toenemende drukte loopt vooral de buitenshuis doorgebrachte vrije tijd van Nederlanders terug. Deze teruggang heeft consequenties voor de verschillende activiteiten die men buiten de deur onderneemt. Dit geldt ook voor het uitgaan. Hiertoe wordt niet alleen het bezoek aan café, discotheek, restaurant en andere horecagelegenheden gerekend, maar ook het bezoek aan culturele instellingen (museum, podium of bioscoop) en het bezoek aan sportwedstrijden, dierentuinen en pretparken. Na een geleidelijke stijging van de uitgaanstijd, keert deze trend tussen 1995 en 2000. In die periode blijft het aantal uitgaansuren constant op ongeveer 2,5. Het grootste deel van de uitgaanstijd in 2000 wordt in horecagelegenheden doorgebracht (66%). Bezoek aan cultuur (18%) en ' overig uitgaan' (16%) hebben een meer bescheiden plaats op de uitgaansagenda. Van de drie soorten uitgaan heeft het cultuurbezoek zich sinds het midden van de jaren negentig weten te handhaven in een tijdperk van krimpende vrije tijd. De grotere drukte gaat vooral ten koste van het overige uitgaan. Hoewel het uitgaan in de onderzoeksweek in oktober stagneert, groeit het aandeel van de bevolking dat minstens één keer per jaar cafés bezoekt. Steeds meer mensen gaan ' eens' maar minder mensen doen dit wel uit, met regelmaat. De drukte in het uitgaansleven is dan ook te omschrijven als een ' parade der passanten' (SCP 1998). Nederlanders neigen in de jaren tachtig en vroege jaren negentig naar een omnivore vrijetijdsbesteding. De combinatie van verschillende interesses komt vooral voor rekening van personen die zowel culturele instellingen als horecagelegenheden bezoeken. Entertainment De vermaakindustrie maakt een sterke groei door. Van de spelletjescomputers tot aan de vele spelshows op televisie en van de attractieparken tot aan de mega- en multi2 plexen .
2

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Het bioscoopbezoek vertoont de laatste jaren een aanmerkelijke groei. De afhankelijkheid van succesvolle Hollywoodproducties is groot.

De consumentenbehoefte aan spanning en vermaak is kennelijk omvangrijk. Maar ook zeer dynamisch en deels vluchtig. Deze dynamiek vraagt forse investeringen van de leisure-industrie en noodzaakt tot continue vernieuwing. “ Top of flop” ligt dicht bij elkaar. Buitenlandse voorbeelden van multifunctionele entertainmentcenters werken veelal inspirerend, maar dienen in de Nederlandse marktverhoudingen op hun realiteitswaarde te worden getoetst.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De relatief fijnmazige voorzieningenstructuur in ons land laat minder marktruimte toe voor nieuwe ontwikkelingen. Anderzijds zijn echte vernieuwingen in het entertainmentaanbod inclusief de noodzakelijke forse investeringen(!) vrijwel uitsluitend nog mogelijk bij grootschalige projecten. Zie daar ons nationale dilemma, dat ook heel herkenbaar is in de detailhandel. Toerisme De bestedingen aan dag- en verblijfstoerisme nemen in ons land nog altijd toe. Ook het inkomend toerisme laat groei zien. Stedentrips nemen een steeds belangrijkere plaats in. Vooral in de binnenlandse markt. De toerist laat zich steeds meer leiden door “ beleving” . Het aantal toeristische bestemmingen en de veelzijdigheid in activiteiten nemen sterk toe. Er ontwikkelen zich vele marktsegmenten en evenzovele product/marktcombinaties. Van kamperen bij de boer in de Achterhoek tot een twintigdaagse trektocht door Nepal en een luxe citytrip naar Londen. De dagattracties zijn verwikkeld in een felle concurrentiestrijd. Ondanks de marktgroei moeten zij continu investeren om hun bezoekersaantallen op niveau te houden. Recreatie De directe woonomgeving (vooral stadsparken en stadsranden) is voor vele consumenten hun belangrijkste recreatieve gebied. Mits de omgeving daarop is ingericht en de voorzieningen toereikend zijn. Wandelen, fietsen en andere vormen van sportieve recreatie zijn de favoriete activiteiten. Ook water heeft een grote recreatieve betekenis (zowel watersport als waterbeleving. Groen is van belang voor het realiseren van bewegingsruimte: groene ruimte in de directe woonomgeving ingericht voor recreatieve en sportieve doeleinden (zoals trapveldjes, paden, routes, e.d.). De stad Utrecht wordt omringd door verschillende recreatiegebieden, die een belangrijke recreatieve functie hebben voor de Utrechters. Detailhandel “ Ik koop, dus ik besta” . Recreatief winkelen is één van de belangrijkste activiteiten in de vrijetijdseconomie. Daarnaast zijn winkel(- en horeca)voorzieningen in beginsel interessante kostendragers voor leisurecentra en andere leisurevoorzieningen. Winkelcentra zelf ontwikkelen zich overigens ook in toenemende mate tot leisurecentra. Compleet met attracties (de grote voorbeelden uit het buitenland) en veel aandacht voor het verblijfsklimaat (de nieuwe winkelcentra in ons land) en de aankleding. Winkelformules spelen eveneens in op de leisure- en belevingseconomie. In sportzaken is bijvoorbeeld te zien hoe winkels veranderen tot “ adventure stores” . Het nieuwe Factory Outlet Center Bataviastad bij Lelystad heeft meer weg van een toeristische attractie dan van een winkelcentrum. De Nederlandse binnensteden, inclusief die van Utrecht zullen echter altijd hun leisurefunctie behouden. Waar anders is een dergelijke dichtheid van winkels, horeca, cultuur, verblijfswaarde en “ straatvertier” te vinden? Non-food De verdringingsconcurrentie neemt toe. De aandacht gaat uit naar betere winkelpositionering met versterkte marktgerichte winkelformules. Investeringen zijn veelal gericht op het realiseren van schaalvoordelen en vergroten van inkoopmacht door fusies, verEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

dere concentratie en samenwerking. De non-fooddetailhandel kenmerkt zich door een onstuitbare trend van schaalvergroting. Marktpartijen strijden om goede verkooppunten waarbij vooral GDV/PDV locaties sterk in trek zijn. Bijvoorbeeld Alexandrium III te Rotterdam, Haaglanden MegaStores in Den Haag en Villa Arena in Amsterdam. Kleinere zelfstandige detaillisten zoeken onderscheid door verdieping van de relatie met de lokale markt, een goede advisering, persoonlijke service en een uitgekiend assortiment. Food De consument let steeds meer op zijn gezondheid, eist veilig voedsel en is bereid daar ook voor te betalen. Een andere trend is de behoefte aan gemak en vermaak. De consument kiest zelf de plaats en de tijd van zijn eetmoment. Hij wil minder tijd besteden aan het doen van de boodschappen en aan het bereiden van de maaltijd. Hij kiest daarom voor de supermarkt, waar hij in een keer zijn dagelijks benodigde gemaksproducten (snel klaar, kant-en-klaar) kan halen. Ook eet de consument meer en duurder buiten de deur. De buitenhuishoudelijke markt groeit. Deze omvat niet alleen de horeca, maar ook de bedrijfsrestaurants en instellingen. Naar schatting wordt al ruim 30% van het foodbudget op de buitenhuishoudelijke markt uitgegeven. Speciaalzaken verliezen terrein en zien het marktaandeel van de supermarkt in de versgroepen stijgen. De speciaalzaken weten nog onvoldoende antwoord te geven op het veranderende consumentengedrag en de reacties daarop van de supermarkten. Wel zijn er nieuwe typen speciaalzaken in opkomst. Onderwegwinkels zoeken de consument op en vestigen zich op plekken waar dagelijks veel consumenten langskomen. Met een (beperkt) assortiment voorzien zij de consument van zijn dagelijkse producten, al of niet in direct consumeerbare vorm. Ook fabrikanten profileren zich steeds vaker met o.a. soep- en koffiewinkels of lunchcafe’s waar hun producten centraal staan en waar directe consumptie belangrijk is. De supermarkten spelen in op het consumentengedrag met het assortiment (meer en betere verse en gekoelde producten, gemaksproducten, non food en diensten). Maar ook door een optimale vestigingslocatie en samenwerking via uitgekiende formules. Door de grotere behoefte aan verkoopruimte zet de trend naar grootschaligheid verder door. Horeca Moderne horecaconsumenten willen eten en drinken op de plaats waar zij zich bevinden en op de tijd die hen past. Zij zijn trendgevoelig en relatief snel uitgekeken op concepten. Voor horecaondernemingen is het essentieel om trends en veranderingen in consumentengedrag tijdig te signaleren en er adequaat op in te spelen. Zij dienen wel te waken voor kopieergedrag: concepten die ergens anders succesvol zijn, hoeven niet per definitie omzetstijging te verwezenlijken. Bovendien is een aandachtspunt voor ondernemers dat de levenscyclus van veel producten, diensten en concepten steeds korter wordt. De vraag naar producten en dienstverlening buiten de traditionele openingstijden in de horeca zal zich in beperktere mate voordoen dan verwacht.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Bedrijven laten enerzijds een verregaande ontwikkeling zien van concentratie, schaalvergroting, ketenvorming en internationalisering. Anderzijds is er een trend naar specialisatie. De kloof tussen grote en kleinere ondernemingen wordt groter. De dynamiek in de horeca laat in de komende jaren ook een verschuiving van de omzet zien van de traditionele restaurants naar enerzijds de kleinschalige buitenlandse restaurants met etnisch eten en anderzijds de grootschalige systeem- en merkketens. Verder zal het inspelen op de leef- en werksituatie van de individuele consument (young, urban, always in a hurry) de komende jaren een ineenvlechting doen ontstaan van het huidige fast-food en casual-dining naar fast-casual. 6.4 Aandachtspunten voor Utrecht Door de opkomst van de vrijetijdseconomie en de belevingseconomie is leisure één van de belangrijkste economische pijlers aan het worden. (Bestaande) voorzieningen (zoals sportvoorzieningen, horeca of winkelcentra) kunnen hun marktpositie vernieuwen en versterken door leisure elementen in te bouwen. Nieuwe leisure objecten weten in te spelen op de behoeften van de consument. Niet zelden zijn juist door clustering en concentratie van (leisure)voorzieningen aantrekkelijke leisuregebieden te ontwikkelen. De Utrechtse binnenstad heeft zich feitelijk van oudsher al op die wijze gevormd. Een toenemende hoeveelheid ruimte (van binnensteden, natuurgebieden en het platteland tot aan een groeiende hoeveelheid complexen in de stadsrand) wordt aangewend voor vrijetijdsvoorzieningen en wordt zo op tal van manieren het object van doelbewuste processen van attractievorming. Sport: integraal en multifunctioneel De belangrijkste leereffecten uit de ontwikkelingen in de sport voor de stad Utrecht zijn: œ faciliteren van voorzieningen en accommodaties voor nieuwe sporten: skaten, skeeleren, klimmen, mountainbiken, diverse fitnessvarianten en “ health en wellness” ; œ openbare ruimte toegankelijk maken voor sport/sportieve recreatie; œ stimuleren realisatie multifunctionele sport- en vrijetijdscomplexen met mix tussen conventionele sportwereld, topsport, breedtesport en sport met een “ trendy” karakter; œ in Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern rekening houden met blijvende, grote behoefte aan traditionele verenigingssporten, vooral vanwege het grote aantal jeugdigen. Cultuur: versterken concurrentiepositie Voor de toekomst van de cultuurvoorzieningen in Utrecht zijn de onderstaande beleidsaandachtspunten van belang: œ inspelen op de behoefte aan accommodaties met grotere capaciteit (vooral bij muziek, operette, musical en revue, circussen, danstheaters); œ inbouwen cultuurhistorische evenementen of evenementen in cultuurhistorische omgeving (binnenstad); œ stimuleren dat traditionele cultuurvoorzieningen, onder invloed van individualisering, zap- en sensatiecultuur, voor nieuwe impulsen zorgen om te kunnen concurreren met andere vrijetijdsvoorzieningen. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Entertainment: vernieuwing en schaalvergroting œ Inspelen op de groeiende behoefte aan entertainment; entertainment integreert meer met traditionele sectoren; groeiende behoefte aan spanning en vermaak; inbouwen van entertainment functies in andere voorzieningen (detailhandel, horeca e.d.). œ De dynamiek in de markt vraagt om continue vernieuwing en investeringen. œ Stijging bioscoopbezoek; groeiende belangstelling voor grootschalige(r) formules: het aantal multi- en megaplexbioscopen zal toenemen. œ De thematisering van bioscopen op kleine schaal, zoals filmhuizen vormt een tegen-gestelde trend. Toerisme en recreatie: kwaliteit en belevingswaarde Op het gebied van toerisme en recreatie gelden de volgende aandachtspunten: œ vergroot de belevingswaarde (de consument wil vermaakt en verrast worden); œ verbeter de kwaliteit van voorzieningen en van de omgeving door het inrichten van verblijfsgebieden; œ ontwikkel en/of vernieuw (dag)attracties om marktposities te behouden en of uit te breiden; œ creëer goede mogelijkheden en (kwalitatief) betere voorzieningen voor openluchtrecreatie en recreatie dicht bij huis; œ richt productontwikkeling, marketing en promotie op de ' kwaliteitstoerist'de lief: hebber van cultuurhistorie; œ stimuleer verblijfstoerisme. Horeca: toegevoegde waarde Aandachtspunten op horecagebied zijn: œ strategische acquisitie gericht op nieuwe concepten met toegevoegde waarde (service, beleving); œ inzetten op het aantrekken van grootschaliger horeca en meer variatie in het aanbod; œ zoek naar mogelijkheden voor samenwerking (sport, cultuur, detailhandel) om aantrekkingskracht op de consument en verblijfsklimaat te versterken. Detailhandel: verblijfskwaliteit Beleidsaandachtspunten voor leisure en detailhandel zijn: œ inbouwen leisure elementen in winkelcentra die zich richten op shoppingpubliek; œ veel aandacht voor sociale en fysieke veiligheid; œ werk aan verblijfskwaliteit en belevingswaarde in de winkelomgeving.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

7.

MARKTPARTIJEN AAN HET WOORD

Voor dit beleidsadvies zijn meerdere commerciële en niet-commerciële marktpartijen en exploitanten geconsulteerd. Hun visie en inbreng is van groot belang omdat zij uiteindelijk mede invulling (kunnen) geven aan de concretisering van het beleid. Hieronder volgt een impressie van de uitkomst van de gesprekken met de marktpartijen. Voor het overige zijn plannen, initiatieven en suggesties meegenomen bij het opstellen van dit beleidsadvies. 7.1 Investeringsplannen In het kader van de ontwikkeling van het Stationsgebied hebben vooral de Jaarbeurs en Corio grootschalige investeringsplannen voor leisurevoorzieningen. In totaliteit is er in het programma meer dan 100.000 m2 bvo beschikbaar voor leisure- en cultuurfuncties. Voor een groot deel van dit programma bestaan er (meer of minder vergevorderde) contacten met investeerders en/of exploitanten. Het gaat hierbij vooral om entertainmentfuncties en culturele voorzieningen: bioscoopcomplex, amusementstheater, horecafuncties, casino, muziekpaleis (Muziekcentrum Vredenburg, Tivoli en SJU), fitness/wellnessvoorziening. Van groot belang is een adequate programmering van deze voorzieningen over het gehele gebied. DeFabrique, een oude veevoerderfabriek aan de West Kanaaldijk, dient als uniek decor voor de grootste indoorkartingbaan van Europa, en de enige in Nederland met een kids karting school. De eigenaar/exploitant heeft plannen om de leisureformule uit te breiden. Nu al worden op kleine schaal bedrijfsbijeenkomsten georganiseerd. Het ligt in de bedoeling om dit product uit te breiden, vooral door verdere conceptontwikkeling en het aanbieden van meerdere ruimten in het fabriekscomplex. Daarnaast wil de eigenaar de leisureformule uitbreiden (laserquest, survival mountain en beachvolleybal). De plannen voor het realiseren van een internationaal restaurantplein en een 3-D filmzaal zijn minder concreet. De setting van het industrieel erfgoed zorgt voor een belevingswaarde die elders in de stad niet of alleen met buitengewoon hoge investeringen kan worden gerealiseerd. Hommerson Fun Factory heeft interesse getoond voor het ontwikkelen van een opmaat-leisure formule in Leidsche Rijn Centrum (of het Jaarbeursterrein). Een dergelijke formule lijkt goed te passen in de ambities en het concept van Leidsche Rijn Centrum om wonen, werken, detailhandel, kantoren en leisure te integreren. Door het “ opmaat” karakter van de formule kan elk gewenst kwaliteitsniveau worden gerealiseerd. Atelier Art-len heeft een aanvraag ingediend bij Projectbureau Leidsche Rijn voor het ontwikkelen van een cultureel centrum aldaar en Cannons Health Club ziet mogelijkheden om een of twee “ sportsleisure” voorzieningen te realiseren in respectievelijk Leidsche Rijn Centrum en/of Stations-gebied/Catharijnezijde. Uit de consultaties van de marktpartijen blijkt een aanzienlijke interesse voor het ontwikkelen van leisurevoorzieningen op een aantal belangrijke zoeklocaties in de stad Utrecht. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

7.2 Visie op Utrecht leisurestad Utrecht is volgens marktpartijen een interessante stad voor leisure investeringen. Door haar goede uitgangspositie (grote bevolkingsconcentratie en centrale, goed bereikbare landelijke ligging) en door de aantrekkingskracht en kwaliteit van vooral de binnenstad en de mogelijkheid om een aantal locaties (in eerste instantie in die binnenstad) daadwerkelijk in de komende jaren te kunnen (her)ontwikkelen. Hoewel Utrecht door haar binnenstad in beginsel een sterke leisuretroef in handen heeft, is het profijt dat de stad ervan trekt nog maar beperkt. Het ontbreekt in Utrecht, uitzonderingen daargelaten, aan leisurevoorzieningen met een nationale uitstraling. Het aanbod is overwegend lokaal/regionaal verzorgend van aard. De concurrentiekracht van Utrecht als leisure bestemming is beperkt (het Circustheater in Scheveningen is nog altijd van een andere orde dan het Beatrixtheater in Utrecht). De potentie van de stad wordt aanmerkelijk hoger geschat dan de prestaties op dit moment. Verschillende marktpartijen wijzen op het gevaar van een te langdurige planontwikkeling voor het Stationsgebied. Het gevaar bestaat dat bepaalde ontwikkelingen/investeringen daardoor niet van de grond komen. De marktruimte voor uitbreiding van het bioscoopaanbod bijvoorbeeld is zo groot dat de betreffende marktpartijen op elk moment kunnen besluiten te kiezen voor een vestiging in bijvoorbeeld een van de randgemeenten. Het is daarom (nood)zaak snel te komen tot een gericht gemeentelijk stimuleringsbeleid voor het binnen afzienbare tijd tot ontwikkeling brengen van een beperkt aantal leisure ontwikkelingslocaties. Dezelfde snelheid en daadkracht zijn geboden bij het gericht acquireren van exploitanten en investeerders en het in de planontwikkeling inpassen van bestaande initiatieven. Kort samengevat luidt de visie van de markt op Utrecht als leisurestad:
Aanbodkwaliteit Het ontbreekt aan bijzondere formules en/of leisure milieus Utrecht mist grootschalige(r) en multifunctionele voorzieningen Kiezen voor uitbreiding en toevoeging nieuwe leisure voorzieningen op beperkt aantal strategische locaties Voorzieningen en evenementen beter integreren Gemist worden grote muziekzaal, mega- of multiplex, (top)sportvoorziening, grootschalige(r) horeca, grotere discotheken Meer aandacht voor kwaliteit van voorzieningen, gebouwen en omgeving Behoefte aan beeldkwaliteitplan voor stadshart en stationsgebied om homogene USP Historische binnenstad (kern leisure centrum met winkels, horeca en cultuur) is belangrijke troef en USP Marktpotentie Voorzieningen moeten passen bij Utrechtse schaal en verzorgingsgebied Utrecht + LR beschikt over een interessant (jong) bevolkingspotentieel Binnenstad/Stationsgebied leisurematig optimaal uitnutten; unieke kans op landelijke positionering; leisureontwikkeling Leidsche Rijn “ volgend” (primair een meer locale en regionale functie geven/aanvullend) Slechts marktruimte voor 1 mega- of multiplex Verschil van mening over marktruimte voor meerdere theaters naast Stads-

-

-

-

-

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

verblijfskwaliteit te waarborgen

schouwburg en Beatrixtheater (dat op eigen locatie nog kan uitbreiden)

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

7.3 Leisurelocaties in Utrecht De geconsulteerde marktpartijen is gevraagd een aantal mogelijke leisureontwikkelingslocaties in de stad Utrecht te beoordelen op hun functionele geschiktheid voor leisure. De resultaten hiervan zijn verwerkt in hoofdstuk 9: Leisurelocaties in Utrecht.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

8.

HET MARKTPOTENTIEEL VOOR UTRECHT

In Utrecht is zonder meer marktruimte aanwezig voor een substantiële uitbreiding van het aanbod aan (boven)locale leisure voorzieningen. Nog los van de bestuurlijke ambities om beeldbepalende leisure voorzieningen in de stad Utrecht te vestigen. De leisure markt is een zeer veelzijdige markt die zich uitstrekt van detailhandel tot sport en van cultuur tot horeca. Dit maakt het niet eenvoudig een beeld te verkrijgen van de marktruimte voor uitbreiding van het leisure aanbod. Mede omdat de mogelijkheden voor een cijfermatige onderbouwing zeer sterk afhankelijk zijn van de voorzieningen in kwestie en generieke marktcijfers niet over de hele linie beschikbaar zijn. 8.1 Marktkansen Op basis van de uitgevoerde analyses kan voor een aantal concrete voorzieningen en leisure marktsegmenten worden vastgesteld welke marktkansen er zijn in de periode tot 2015. 8.1.1 Sport en recreatie Zwembaden Verwacht mag worden dat de zwembaden hun aanbod aan zullen passen aan de veranderende consumentenwensen. Het huidige animocijfer zal daarom wel op peil blijven. De vraag naar overdekte en onoverdekte zwembaden in Utrecht zal onder invloed van bevolkingsontwikkelingen toenemen. Ervan uitgaande dat de zwembaden in Utrecht nog ruimte hebben om de groei van het aantal recreatieve zwemmers op te vangen, is het huidige aanbod voldoende. Gesteld echter dat de baden in Utrecht en omliggende gemeenten hun capaciteit volledig benutten, is er ruimte voor een extra zwemvoorziening. IJsbaan De belangstelling voor (recreatief) schaatsen zal de komende jaren weinig veranderen. Het animocijfer is constant, een lichte vraagtoename is te verwachten op grond van bevolkingsontwikkelingen. Gesteld dat de bezetting van de ijsbaan momenteel maximaal is, is er circa 3.000 m² extra ijs nodig. Gezien de relatief geringe toename van het aantal schaatsers, biedt dit geen rendabel perspectief voor een nieuwe ijsbaan. Indoorkarting De markt voor indoor kartbanen lijkt haar hoogtepunt te hebben gehad. Hoewel er nog geen sprake is van complete verzadiging, is het niet te verwachten dat er in Utrecht behoefte ontstaat aan een tweede kartbaan. Utrecht beschikt met DeFabrique over de grootste indoorkartbaan van Europa op een unieke accommodatie. De vraag zal mede hierdoor op peil blijven. 8.1.2 Wellness Fitness & health Uitgangspunt is dat de huidige voorzieningen in Utrecht volledig bezet zijn. De nog steeds toenemende populariteit van fitness, de groeiende zorg om de eigen gezondEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

heid in combinatie met de bevolkingsontwikkeling dragen ertoe bij dat het animocijfer zal stijgen, evenals het aantal beoefenaars. In de regio Utrecht zal naar verwachting een vraag naar circa 5.400 m² BVO ruimte extra ontstaan. Het plan van Pellikaan/Cannons voor een of meer Health Clubs sluit volgens ons aan op de vraagontwikkeling. Het gezondheidsbesef groeit. Onthaasten en jezelf verwennen is “ in” . Dit zijn mede de oorzaken voor de groeiende populariteit van sauna’ s, kuuroorden, bronnenbaden en beautyaccommodaties. Bij een aantal Utrechtse accommodaties is het al noodzakelijk om vooraf te reserveren. Vooral het aantal grootschalige sauna-/beautybedrijven met een keur aan voorzieningen is de laatste jaren sterk toegenomen. De verwachting is dat die vraag ook in de regio Utrecht zal toenemen en dat bestaande ondernemers die vraag niet op kunnen vangen. Een grootschalig sauna-/beautycomplex vraagt al gauw minimaal 5.000 m² ruimte. 8.1.3 Entertainment Bioscopen Het bioscoopbezoek neemt de komende jaren naar verwachting in belangstelling toe. Het huidige animocijfer zal dan ook licht stijgen, van 1,6 naar 1,8. Met de bestaande bioscopen is die vraagtoename (circa 200.000 bezoeken meer in 2015) niet op te vangen. Hiervoor zijn 650-700 extra stoelen nodig ofwel drie zalen. Daarnaast is het mogelijk het marktaandeel van het bioscoopaanbod in Utrecht te vergroten door uitbreiding van de stoelcapaciteit. De vestiging van een multiplex zal verder gepaard gaan met sluiting van enkele verouderde voorzieningen, zodat per saldo marktruimte aanwezig lijkt voor een voorziening tot maximaal 15 zalen of 3.500 stoelen. De benodigde ruimte hiervoor bedraagt naar schatting 8.000 m² BVO. Tevens is de aanzet gegeven voor een Artplex van 12 zalen, verdeeld over twee accommodaties. Casino’s en gokcentra De casino- en gokmarkt zullen min of meer stabiel blijven en alleen onder invloed van bevolkingstoename licht groeien. In Utrecht is geen ruimte voor een tweede casino. Bij de plannen om de bestaande tijdelijke voorziening om te zetten in een nieuwe, permanente is uitbreiding met circa 500 m² BVO realistisch te noemen (totale vloeroppervlakte 4.500 m² bvo). Mogelijk is er in Utrecht ruimte voor een Fun Factory formule. 8.1.4 Cultuur Theater en muziek De belangstelling voor theatervoorstellingen (van cabaret, toneel tot experimenteel ballet) en muziek (van hardcore tot Händel) neemt naar verwachting sterk toe. De groei zal naar verwachting circa 4.500 stoelen kunnen bedragen. In navolging van de vaste voorzieningen zal ook de belangstelling voor culturele festivals en evenementen toenemen. Een ruimer opgezet festivalterrein kan dit soort activiteiten in de toekomst accommoderen. Musea Utrecht opereert op de landelijke markt en neemt daarin, zeker in vergelijking met de andere grote steden, een bescheiden plaats in. Er bestaan diverse initiatieven of ideeEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

en die hierop inspelen en kunnen bijdragen aan een verbeterde marktpositie voor Utrecht, zoals het Presentatiepunt voor de Mode, een Stadsgalerie, een Intermediaire instelling Beeldende Kunst en een Kunsthal. 8.1.5 Toeristische attracties Utrecht beschikt over één dagattractie, te weten Kidzcity, een speelcentrum dat zich specifiek richt op kinderen. Andere toeristische dagattracties kent Utrecht niet (uitgezonderd de culturele attracties zoals de oude binnenstad, de Domtoren en het Spoorwegmuseum). Hoewel dit geen marktsegment is dat zich laat plannen (want geheel afhankelijk van initiatieven uit de markt) zijn in Utrecht de marktvoorwaarden aanwezig om een dergelijke ontwikkeling te ambiëren, maar bij voorkeur niet in de binnenstad, waar het accent ligt op cultuur en kwaliteit. 8.1.6 Overig Winkelen Het dagelijks en recreatief winkelen in al zijn vormen en hoedanigheden blijft populair, ook in economisch minder gunstige tijden. De optimalisering van bestaande winkelvoorzieningen en daarnaast de ontwikkeling van nieuwe leisure mogelijkheden zullen in Utrecht leiden tot een groeiende vraag. Het bezoek aan de binnenstad en het winkelhart zou in 2015 kunnen toenemen tot 35-40 miljoen. Ook de ontwikkeling van Leidsche Rijn is vanzelfsprekend goed voor een forse toename van het voorzieningendraagvlak. Horeca De aanwezigheid van horeca is voor leisurevoorzieningen een randvoorwaarde. Het aantal horecavoorzieningen zal dus mee moeten groeien met de leisureontwikkelingen. Andersom zijn horecavoorzieningen afhankelijk van de aanwezigheid van grote trekkers in de omgeving. Vooral voor meer grootschalige, trendy horecaformules, gericht op meerdere doelgroepen, lijkt marktruimte aanwezig. 8.2 Marktruimte Een indicatieve doorrekening van de marktruimte tot 2015 voor nieuwe, (boven)locale leisurevoorzieningen in Utrecht leidt tot het volgende leisureprogramma. Voor een aantal voorzieningen is deze doorrekening te onderbouwen met marktcijfers. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 3. Voor enkele andere voorzieningen, zoals voor toeristische attracties, is geen cijfermatige onderbouwing van aanwezige marktruimte mogelijk; hiervoor is een realistisch ontwikkelingsvolume geraamd.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Marktruimte bovenlokale leisurevoorzieningen Utrecht tot 2010 – 2015
Sport - Zwembaden 2.000 – 3.000 m² bvo - IJsbaan 3.000 m² bvo - Topsportaccommodaties PM Wellness - Fitness 5.000 – 6.000 m² bvo - Wellness 5.000 m² bvo Entertainment - Bioscopen 5.000 - 8.000 m² bvo - Casino’ s 500 - 1.000 m² bvo (additioneel) - Theater/overig 20.000 – 30.000 m² bvo Cultuur - Theater 10.000 – 20.000 m² bvo - Overig (musea, kunsthal e.d.) 10.000 – 20.000 m² bvo Toeristische attracties - Attracties (incl. amusement) 10.000 – 20.000 m² bvo Overig Leisuredetailhandel PM Horeca PM

De totale marktruimte bedraagt daarmee circa 100.000 m² bvo. Ter gedachtebepaling: œ de huidige totale vloeroppervlakte van het bovenlokale leisurevoorzieningenaanbod in Utrecht bedraagt circa 125.000 m² bvo (exclusief Jaarbeurs, winkels en horeca; zie paragraaf 5.4); œ de beschikbare plancapaciteit op alle voor leisure genomineerde ontwikkelingslocaties bedraagt circa 150.000 – 175.000 m² bvo (exclusief specifieke en solitaire locaties; zie hoofdstuk 9).

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

9.

LEISURELOCATIES IN UTRECHT

Zoals voor vele voorzieningen geldt ook voor leisure dat de belangrijkste vier kwaliteitspijlers te maken hebben met locatie, locatie, locatie en locatie. Niet alleen omdat locaties voorwaardenscheppend zijn voor van ruimte, marktbereik, bebouwings- mogelijkheden en bereikbaarheid. Ook, omdat juist leisure alles te maken heeft met beleving en verblijfskwaliteit. Een theater kan een prachtige programmering en gebouwambiance bieden; op een winderige, afgelegen locatie tussen de bedrijfsgebouwen zal het nooit “ prettig uitgaan” zijn. Welke locaties en locatiekwaliteit heeft Utrecht dan te bieden? Welke locaties zijn het meest geschikt om te worden benut voor het realiseren van een leisureprogramma? Vragen die in dit hoofdstuk worden beantwoord aan de hand van een functionele analyse van leisure-exploitaties. 9.1 Het vestigingsprofiel van Utrecht “ Utrecht ligt midden in ons land en is daarom meer dan andere grote steden het “ bezit” van de rest van Nederland. Niet voor niets luidt de slogan “ HC winkelhart van Nederland” . Het is de tweede monumentenstad van ons land. De combinatie van de talrijke festivals, de Jaarbeurs, het museumkwartier, de Domtoren, de unieke grachten, maar ook de gezellige café’ s en restaurants, de vele winkels en het rijke culturele leven zijn een attractie voor velen” (Utrecht Groeit, presentatie Stedelijk Ontwikkelingsplan 2000 - 2005). De uitstekende ligging van Utrecht, centraal in het land en op het knooppunt van autowegen en openbaar vervoerverbindingen, staat garant voor een in beginsel groot marktbereik en verzorgingsgebied. Mits er vanzelfsprekend sprake is van aanbodkwaliteit. De grote leisurevoorzieningen in Utrecht zijn op jaarbasis nu al goed voor meer dan 35 miljoen bezoeken! De binnenstad is daarbij het brandpunt en kloppend hart. Eigenlijk is het Utrechts enige, echte leisurelocatie. Maar dan ook wel een die veel mensen trekt en van bijzondere kwaliteit is. De combinatie historische binnenstad/Hoog Catharijne/culturele voorzieningen/horeca en winkels/Jaarbeurs is ijzersterk. Bij de ontwikkeling van Leidsche Rijn Centrum kan hieruit lering worden getrokken. Om een vergelijkbare omgevingskwaliteit te bereiken, is hoogwaardige architectuur en een vierde generatie (zie hoofdstuk 2) ontwikkeling nodig. Dat wil zeggen: integratie van leisure, wonen, werken, detailhandel en kantoren. Waar andere steden beschikken over locaties die een begrip zijn in de leisuremarkt, mist Utrecht dergelijke “ bestemmingsgebieden” . Uitgezonderd wellicht de Oude Gracht. Anderzijds mist de stad, zoals eerder geconstateerd, ook een aantal leisurevoorzieningen. Aan Utrecht de uitdagende opdracht het voorzieningenaanbod uit te breiden, in samenhang met een gerichte locatieontwikkeling. Opdat de synergie tussen voorzieningen en hun vestigingsomgeving als verblijfs- en bestemmingsmilieu opti3

Voorbeelden hiervan zijn de Korenmarkt in Arnhem, de Boulevard in Scheveningen, de Waalkade in Nijmegen, het Leidscheplein in Amsterdam of de Kop van Zuid in Rotterdam.

3

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

maal kan worden benut. Het gaat met andere woorden om het creëren van leisureaanbod waarbij het binnen en ook buiten op straat goed toeven is.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

9.2 Leisure zoeklocaties Leisure ontwikkeling dient een doel op zich: het realiseren van een aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen dat voldoet aan de marktvraag. Daarnaast is leisure ontwikkeling één van de pijlers waarop bij vraagstukken van stedelijke ontwikkeling kan worden gebouwd. Leisure als functionele, programmatische en financiële (c.q. commerciële) drager voor gebiedsontwikkeling. Hetzij als voorzieningencluster, hetzij geïntegreerd in een groter geheel. Soms kan een eventuele grondopbrengst bij de ontwikkeling van commerciële leisurevoorzieningen worden aangewend ter ondersteuning van openbare voorzieningen. Bezien vanuit dit perspectief is er een aantal locaties in Utrecht dat voor (onder meer) leisure ontwikkeling in aanmerking komt, dan wel (deels) daarvoor al in planontwikkeling is genomen. Het gaat daarbij om: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. Stationsgebied Jaarbeurszijde Stationsgebied Catharijnezijde Stationsgebied Vredenburgplein; Leidsche Rijn centrum; Wetering-Zuid; Westraven (meubelboulevard); Maarschalkerweerd; Rijnsche Park; Haarrijnseplas; Oudenrijn (bedrijfsterrein).
Legenda

• • • • • • • • • •

Stationsgebied Jaarbeurszijde Stationsgebied Catharijnezijde Stationsgebied Vredenburgplein Leidsche Rijn centrum Wetering-Zuid Westraven (meubelboulevard) Maarschalkerweerd Rijnsche Park Haarrijnseplas Oudenrijn

In de plannen voor het Stationsgebied neemt leisure een belangrijke programmatische plaats in. In “ visie A” die als uitgangspunt dient voor de planontwikkeling is voor leisure en cultuur in totaliteit zo’ n 75.000 - 100.000 m² bvo opgenomen. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Als specifieke deellocaties worden onderscheiden: œ Jaarbeurszijde: Jaarbeursplein tussen de Croeselaan en de spoorbaan en Jaarbeursterrein ten westen van de Croeselaan; œ Catharijnezijde: Hoog Catharijne, Catharijnesingel en Smakkelaarsveld; œ Vredenburgplein. In de plannen en ambities voor Leidsche Rijn centrum wordt gerekend met een totaal voorzieningenprogramma van ruim 55.000 m² bvo. Het leeuwendeel hiervan wordt gereserveerd voor detailhandel (45.000 m² bvo). Omdat het centrum zich echter moet ontwikkelen tot een bruisend “ tweede hart” van Utrecht zullen horeca, cultuur en andere leisurefuncties mede hun stempel moeten drukken op dit nieuwe centrum. Hiervoor is ruimte beschikbaar. In Leidsche Rijn, bij Wetering-Zuid is eveneens ruimte voor een forse commerciële invulling. Zowel (grootschalige) detailhandel als leisure zijn hier genoemd. Het ruimtelijk beschikbare ontwikkelingsvolume bedraagt enkele tienduizenden m²-ers bvo. In Westraven is de realisatie van een meubelboulevard voorzien. In theorie is denkbaar deze locatie tevens te benutten als vestigingslocatie voor (grootschalige) perifere leisure. Hiervoor bestaan overigens geen concrete plannen. De plannen voor de grootschalige topsportcluster in Maarschalkerweerd voorzien in kwaliteitsverbetering en uitbreiding van sportfaciliteiten en (top)sportaccommodaties, gecombineerd met enkele ondersteunende en sportgerelateerde commerciële voorzieningen. Het Rijnsche Park is de enige, grotere groene ruimte in de stad c.q. in het stedelijk gebied van Utrecht die (mede) kan worden benut voor recreatieve/leisuredoeleinden. Een interessant gegeven in relatie tot de toenemende behoefte aan wat wel “ bewegingsruimte” wordt genoemd: openbare groene ruimte waarin vrije tijdsactiviteiten en sportieve recreatie kunnen plaatsvinden. Gekoppeld aan de toekomstige herontwikkeling van het zwembad Fletiomare is wellicht een clustering van leisure mogelijk. De Haarrijnsche Plas biedt mogelijkheden voor watergebonden en andere vormen van recreatie. In die zin is deze locatie in beginsel wellicht tevens geschikt voor andere leisurefuncties. In het bestemmingsplan Bedrijfsterrein Oudenrijn zijn gronden aangewezen die ook zouden kunnen dienen voor de vestiging van een publieksvoorziening. Daarbij wordt gedacht aan commerciële en niet-commerciële voorzieningen met publiekstrekkende functies, zoals een evenemententerrein of sportbeoefening. De vestiging van een publieksvoorziening wordt nagestreefd omdat dit een betere benutting van het aan te leggen HOV knooppunt zou betekenen en deze locatie daarmee in de avonduren en de weekenden een sociaal veiliger op- en overstapplaats wordt. Hoewel voor een deel van deze locaties nog geen concrete plannen of programmatische kaders zijn ontwikkeld, kan in een eerste ruwe schatting worden verondersteld dat deze locaties gezamenlijk goed zijn voor een te realiseren leisureprogramma van

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

150.000 - 175.000 m² bvo. Dit is derhalve aan te merken als de totale voor de komende tien - vijftien jaren beschikbare plancapaciteit, uitgezonderd specifieke projectontwikkeling op andere (solitaire) locaties. 9.3 Locatietoets De negen onderscheiden potentiële ontwikkelingslocaties zijn aan een nadere kwaliteitstoets onderworpen. Dit geeft zicht op hun functionele geschiktheid voor leisureontwikkeling (zowel investeringstechnisch als exploitatietechnisch) in algemene zin en voor enkele specifieke leisurevoorzieningen in het bijzonder. Om te beginnen zijn de negen locaties qua geaardheid onderverdeeld in vier locatietypen.
Binnenstad * * * * Perifeer centrum Bedrijventerrein Buitengebied

a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

Stationsgebied Jaarbeurszijde Stationsgebied Catharijnezijde Stationsgebied Vredenburgplein Leidsche Rijn Centrum Wetering-Zuid Westraven (meubelboulevard) Maarschalkerweerd Rijnsche Park Haarrijnseplas Oudenrijn

*

*

*

* * *

Voor de vier locatietypen is in de onderstaande tabel aangegeven in hoeverre zij geschikt zijn voor c.q. aansluiten op de locatie-eisen die worden gesteld vanuit verschillende vormen van leisuregebruik of leisure ontwikkeling. Hierbij is zowel uitgegaan van het gebruikersperspectief (gedrag en voorkeur van de leisureconsument) als van het exploitatieperspectief (voorkeur van investeerder en/of exploitant).
Binnenstad Aard leisureaanbod 1e generatie (solitair) 2e generatie (cluster) 3e generatie (formule) 4e generatie (geïntegreerd geheel) Type gebruik Dagelijks Meerkeuze Doelgericht Type voorziening Theater Bioscoop Casino Fitness Karting Klimhal Attractie Sport 0 0 + ++ Perifeer centrum + + ++ + Bedrijventerrein ++ ++ 0 -Buitengebied + + 0 --

++ ++ -

++ + +

-0 ++

-+

++ ++ ++ ++ --+ --

+ + 0 ++ ---+

-+ -0 ++ + -+

----+ ++ ++ ++

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

De belangrijkste vestigingsvoorwaarden voor leisurevoorzieningen (vanzelfsprekend mede afhankelijk van het exacte type voorziening) zijn in willekeurige volgorde: a. marktbereik en situering ten opzichte van/in verzorgingsgebied. De situering van en afstand van de locatie ten opzichte van het bezoekerspotentieel. Dit kan zowel gaan over passantenstromen (lopend publiek) als op een ander schaalniveau over de geografische situering ten opzichte van bijvoorbeeld de bevolkingsconcentraties; Bereikbaarheid met de auto. De mate waarin de voorziening of locatie direct bereikbaar is met de auto vanuit het voedingsgebied. Zowel in termen van de aanwezige infrastructuur als in termen van tijd en doorstroming. Een en ander inclusief kwantiteit en kwaliteit van parkeerfaciliteiten; b. bereikbaarheid per openbaar vervoer. De mate waarin de voorziening of locatie bereikbaar is met het openbaar vervoer vanuit het voedingsgebied. In termen van zowel kwantiteit als kwaliteit van openbaar vervoeraanbod. Inclusief loopafstanden en routekwaliteit vanaf stations/stopplaatsen; c. zichtbaarheid. De mate waarin een zichtlocatie kan worden geboden c.q. de betreffende leisurevoorziening zich visueel kan presenteren aan het voor haar relevante bezoekers-potentieel; d. ligging aan consumentenloopstroom. Voor die leisurevoorzieningen die in hun exploitatie voor een belangrijk gedeelte afhankelijk zijn van passanten, is een directe situering aan de loopstroom essentieel. Slechts kwalitatief en kwantitatief sterk ontwikkelde leisurevoorzieningen of -clusters zijn in staat een eigen loopstroom te genereren; e. sociale veiligheid. In toenemende mate van invloed op de verblijfskwaliteit van een locatie en daarmee op de aantrekkelijkheid voor de consument; f. grondprijs. Leisurevoorzieningen hebben een relatief lage “ vloerproductiviteit” (omzet c.q. opbrengst per vierkante meter). In de meeste gevallen is slechts een beperkte grondprijs haalbaar voor (niet gesubsidieerde) leisure-ontwikkelingen; g. aantrekkelijkheid omgeving/openbare ruimte. De verblijfskwaliteit van de openbare ruimte rond leisurevoorzieningen is van grote invloed op het functioneren van leisurevoorzieningen in termen van aantrekkingskracht.; h. aanwezigheid van ander leisure-aanbod c.q. mogelijkheden tot integratie met ander leisure-aanbod. Uitgezonderd leisurevoorzieningen die een geheel eigen marktpositie hebben (want eigen doelgericht publiek trekken) is de (mogelijke) aanwezigheid van andere leisurevoorzieningen van betekenis. De wervingskracht neemt hierdoor toe, mits er sprake is van voorzieningen die elkaar versterken en die het gelijke behoeftepatroon en gedragspatroon van de consument aanspreken; i. beschikbaarheid van ruimte. Leisurevoorzieningen stellen niet zelden forse ruimteeisen in termen van te bebouwen oppervlak en beschikbare buitenruimte (onder andere voor parkeervoorzieningen).

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Toegepast op de negen onderscheiden leisure-zoeklocaties, ontstaat de volgende beoordeling. Waarbij overigens geen sprake is van een absolute beoordeling van de afzonderlijke locaties maar van een beoordeling waarin ook de relatieve kwaliteiten van de locaties ten opzichte van elkaar zijn meegewogen.
Jaarbeurs zijde a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. Marktbereik Bereikbaarheid met auto Bereikbaarheid met ov Zichtbaarheid Consumentenloopstroom Sociale veiligheid Grondprijs Openbare ruimte Andere leisurevoorzieningen Beschikbaarheid van ruimte ++ + ++ ++ + + -0 + ++ Catharijne zijde ++ 0/+ ++ + ++ ++ -++ ++ 0 Vreden- LRC burg plein ++ 0/+ ++ + + ++ -++ ++ 0 + ++ ++ ++ 0 ++ + 0 ++ WeteringZuid 0 ++ + ++ -0 ++ Westraven 0 ++ 0/+ -/0 --++ -+ Maarschalkerweerd -++ 0 --++ 0 + Rijnsche Park -+ ----+ 0 0 + Haarrijnseplas -+ ----++ 0 + Oudenrijn -++ 0 -/0 --++ -+

Per saldo zijn de binnenstadslocaties in het Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum functioneel de meest geschikte locaties voor leisure-ontwikkeling, zo blijkt uit het schema. De grondprijzen vormen een in beginsel beperkende factor. De overige locaties zijn eigenlijk vooral geschikt voor (grootschalige) leisurevoorzieningen die een doelgericht publiek trekken. Zij beschikken niet over een aanwezige consumentenloopstroom en zijn daarmee afhankelijk van publiek dat speciaal voor de betreffende voorziening/activiteiten komt. Het grote voordeel van bedrijventerreinen en buitengebieden is de grondprijs. Dit verklaart veelal de oriëntatie van leisureprojecten op dergelijke locaties, terwijl feitelijk sprake is van minder locatiekwaliteit. Ook de bereikbaarheid met de auto scoort hier gemiddeld hoger dan op de centrumlocaties. 9.4 Locatieprofielen Op basis van de uitgevoerde locatietoets en rekening houdend met de specifieke karakteristieken en ontwikkelingsmogelijkheden van de negen potentiële leisurelocaties in Utrecht, is het volgende locatieprofiel opgesteld: Stationsgebied Jaarbeurszijde Zeer kansrijke ontwikkelingslocatie voor leisure. In beginsel voor de meeste leisurevormen geschikt. Het Jaarbeursterrein beschikt over unieke locatiefactoren wat betreft bereikbaarheid en beschikbaarheid van ruimte. Een natuurlijke consumentenstroom ontbreekt echter. De locatie zal zich grotendeels op eigen kracht moeten gaan bewijzen als leisure-verblijfslocatie, ondanks de wisselwerking die kan ontstaan met de beursactiviteiten op het complex. Een en ander stelt hoge eisen aan de omvang en kwaliteit van het aanbod, de mate van onderlinge (functionele) wisselwerking en complementariteit en de kwaliteit van de openbare ruimte (verblijfsambiance). Om maximaal te kunnen profiteren van de voordelen van een samenhangende leisure ontwikkeling en waarborgen in te bouwen voor een zo groot mogelijke verblijfskwaliteit, achten wij het wenselijk het leisureprogramma zo veel mogelijk te concentreren aan het Jaarbeursplein. Liefst in de vorm van een bebouwing rond of aan het plein. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

In de voorgestane boulevardontwikkeling schuilt het grote gevaar van een te lang gerekte, verblijfsonvriendelijke as die slechts zal worden bezocht door doelgerichte bezoekers van de aan deze as te situeren voorzieningen. In dat geval ontstaat ondanks e de unieke cluster- en integratiemogelijkheden niet meer dan een 2 generatie leisurevoorziening die weinig toegevoegde waarde voor én de stad én de jaarbeursontwikkeling met zich brengt. Stationsgebied Catharijnezijde Vooral kansrijk voor leisure ontwikkeling door de aanwezigheid van de grote bezoekersstroom en de mogelijkheden van synergie met de historische binnenstad en het binnenstedelijke winkel- en horeca-apparaat. Het bereikbaarheidsprofiel met de auto is vergelijkbaar met dat van het Jaarbeursterrein. Minder geschikt als locatie voor doelgericht leisurebezoek vanwege de extra druk die daardoor op het gebied zou ontstaan. De stedenbouwkundige en architectonische opgave om leisurevoorzieningen te integreren in de bestaande structuur vergt veel aandacht. Per saldo gaat de voorkeur uit naar winkelondersteunende of winkelgerelateerde leisure (=leisure die het begrip “ funshopping” daadwerkelijk inhoud geeft; instore en outstore). Hiervan profiteren zowel het winkelapparaat als de betreffende leisurefuncties. Stationsgebied Vredenburgplein Hiervoor geldt in grote mate hetzelfde als voor de locatie Catharijnezijde. Met dien verstande, dat een wisselwerking met het nieuw te realiseren Muziekpaleis en de (avond) uitgaansfunctie het meest voor de hand ligt (vanwege het te behalen synergetisch effect). Leidsche Rijn Centrum Op termijn is op deze locatie een volwaardig binnenstadsprofiel mogelijk. Leidsche Rijn centrum is ruimtelijk een interessante leisure ontwikkelingslocatie. Er is sprake van de aanwezigheid van een consumentenstroom (inwoners, winkelend publiek en werkers in het nieuwe stadscentrum), de ruimtelijke mogelijkheden zijn aanzienlijk (want een volledig nieuwe ontwikkeling) en het bereikbaarheidsprofiel is uitstekend. De aanwezige en feitelijk in de loop van de jaren nog volledig op te bouwen marktbasis, zal zich in eerste instantie beperken tot het verzorgingsgebied van het stadscentrum. Hierop is de omvang van het winkelapparaat gedimensioneerd. Door het realiseren van kwaliteit en bijzondere functies kan echter een groter (bovenlokaal) marktbereik worden ontwike keld. De voorkeur gaat daarom uit naar een 4 generatie leisure ontwikkeling. Geen grootschalige leisurevoorzieningen die solitair functioneren, maar een mix van leisurefuncties en andere centrumfuncties die elkaar aanvullen en versterken. Zoals in een traditionele binnenstad ook het geval is. Leisurevoorzieningen die volledig zijn geïntegreerd met de winkelfunctie, met woonfuncties, kantoorfuncties en andere voorzienin4 gen . Hierdoor wordt het centrumgebied meer dan een winkelcentrum en kan worden beantwoord aan de ambities. Wetering-Zuid, Leidsche Rijn In potentie geschikt als vestigings- of reserveringslocatie voor solitaire, grootschaliger leisurevoorzieningen. Aantrekkelijk vanuit de optiek van autobereikbaarheid, zichtbaar4

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Nieuwbouwontwikkelingen die op een dergelijk concept zijn gebaseerd zijn vooral te vinden bij moderne vakantiecomplexen en -resorts.

heid en grondprijsstelling. Omdat op andere locaties, vooral in de binnenstad en in Leidsche Rijn Centrum, de voordelen van synergie (in beginsel) aanwezig zijn en idealiter optimaal (kunnen) worden benut, is Wetering-Zuid niet te beschouwen als een voorkeurlocatie voor leisure-ontwikkeling. Wetering-Zuid is bedoeld als gdv-locatie met winkel doelbestemmingen. In het stedenbouwkundig programma wordt echter ook “ leisure, grootschalig, geringe relatie met andere functies in het gebied” en “ horeca” genoemd. Westraven (meubelboulevard) Idem als Wetering-Zuid. Functioneel is er geen noodzaak leisure te integreren of combineren met de ontwikkeling van een Meubelboulevard. Maarschalkerweerd Geschikt als locatie voor leisurevoorzieningen voor doelgericht bezoek. Dit sluit aan op de ontwikkelingsvisie als topsportcentrum. Sportondersteunende leisure (denk aan horeca) en sportgerelateerde detailhandel (mega sportstore) passen in dit profiel. Niet sportgerelateerde detailhandel en andere niet in het gedragspatroon van “ sportbeoefening” passende leisurevoorzieningen hebben vanuit de leisureoptiek geen toegevoegde waarde bij de ontwikkeling van deze locatie. Wel kunnen bepaalde commerciële voorzieningen fungeren als kostendragers voor openbare en meer maatschappelijke voorzieningen. Rijnsche Park Rijnsche Park vormt, naast de reeds geplande sportcomplexen in dit gebied, een kansrijke locatie voor openlucht- en groengebonden leisurefuncties. Het bereikbaarheidsprofiel is gunstig, evenals de situering midden in het nieuwe stadsdeel. De “ exclusiviteit” van een dergelijke grote recreatieve stedelijke groenlocatie vergroot de kans dit gebied regionaal te positioneren door vestiging van een beperkt aantal hierop geënte leisurefuncties met een dergelijk marktbereik. Haarrijnseplas Door de aanwezigheid van water is deze locatie vooral geschikt voor verschillende vormen van watergebonden leisure. Als buitengebiedlocatie zal het vooral gaan om voorzieningen die “ op eigen kracht” kunnen functioneren, waarbij zo veel mogelijk naar samenwerking en synergie dient te worden gestreefd. Het kan hierbij gaan om “ reguliere” functies (strandbadformule al dan niet met strand(horeca)paviljoens) maar ook om meer bijzondere ontwikkelingen (als een waterskibaan, een zeilschool en dergelijke). Oudenrijn In potentie geschikt als vestigings- of reserveringslocatie voor solitaire, grootschaliger leisurevoorzieningen. Aantrekkelijk vanuit de optiek van autobereikbaarheid, zichtbaarheid en grondprijsstelling. Omdat op andere locaties, vooral in de binnenstad en in Leidsche Rijn Centrum, de voordelen van synergie (in beginsel) aanwezig zijn en idealiter optimaal (kunnen) worden benut, is Wetering-Zuid niet te beschouwen als een voorkeurlocatie voor leisure-ontwikkeling. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Wetering-Zuid is bedoeld als gdv-locatie met winkel doelbestemmingen. In het stedenbouwkundig programma wordt echter ook “ leisure, grootschalig, geringe relatie met andere functies in het gebied” en “ horeca” genoemd.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

10.

BELEIDSADVIES

Ons beleidsadvies beoogt richting te geven aan de ontwikkeling van Utrecht als volwaardige en veelzijdige leisurebestemming op nationaal niveau. Rekening houdend met de marktrealiteit, de kwaliteiten van de beschikbare locaties, de positionering van deze locaties ten opzichte van elkaar en niet in de laatste plaats de optimale inzet van iedere locatie om een bijdrage te leveren aan de bovenliggende stedelijke doelstellingen. 10.1 Focus De leisuremarkt biedt Utrecht volop kansen. De stad kan beter en attractiever worden gepositioneerd en het aanbod van aansprekende vrijetijdsvoorzieningen kan in het komende decennium aanzienlijk worden uitgebreid. Wij zijn van oordeel dat Utrecht zich kan ontwikkelen tot één van de voornaamste vrijetijdsbestemmingen in ons land. De combinatie historische binnenstad, het culturele profiel en Hoog Catharijne (na de vernieuwinsoperatie) staat garant voor een sterke uitgangspositie. Door nieuwe, ook zelfstandige publiekstrekkers in de leisuresfeer aan dit pallet toe te voegen, ontstaat een zeer krachtige binnenstadspropositie. Hierdoor worden nieuwe bezoekersstromen naar de stad geleid en zal de binding met bestaande stromen zich verder versterken. Op de wat langere termijn biedt ook de ontwikkeling van Leidsche Rijn Centrum een interessant leisureperspectief door een combinatie van moderne, hoogwaardige stedenbouw en architectuur met centrumfuncties en daarin geïntegreerde leisurevoorzieningen en -functies. Toegeven aan de “ leisuretrend” , die zich richt op de ontwikkeling van (grote) vrijetijdscentra aan de stadsrand, achten wij op langere termijn niet wenselijk. Met uitzondering van grootschalige voorzieningen met specifieke locatie-eisen, die voornamelijk doelgericht publiek trekken, zoals ijsbanen en topsportvoorzieningen. Dergelijke locaties functioneren solitair, waardoor hun economische spin-off beperkt blijft. Bovendien is hun afbreukrisico relatief groot (want beperkte verblijfskwaliteiten in combinatie met weinig variatie in het aanbod, waardoor de kans op een korte levenscyclus niet ondenkbeeldig is). Beleidsmatig is enige voorzichtigheid geboden, zeker als het concurrerende voorzieningen betreft. Slagvaardig beleid is gewenst. Gerichte acquisitie en tijdig en adequaat optreden ten opzichte van investeringspartners is noodzakelijk om de nu aanwezige marktkansen en projectinitiatieven om te zetten in daadwerkelijke locatieontwikkeling. Van groot belang hierbij is de beleidsmatige coördinatie van leisure locaties en leisure programmering. Hieraan ontbreekt het momenteel. De gevolgen hiervan zijn een ongewenste onderlinge concurrentie tussen locaties, een overmaat aan plancapaciteit en een meer “ locatie-opportunistische” dan “ stedelijk-strategische” locatieplanning van leisurevoorzieningen. Daarnaast lijkt de financiële kracht van leisure te worden overschat. Als kostendrager voor locatie-ontwikkeling is leisure van beperkte betekenis.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

10.2 Ontwikkelingsstrategie Wij adviseren op basis van de door ons uitgevoerde analyses beleidsmatig in te zetten op de volgende ontwikkelingsstrategie: 10.2.1Beleidsambitie a) Het versterken en uitbouwen van het functioneren en de werkgelegenheidspositie van de reeds in Utrecht gevestigde bovenlokale leisurevoorzieningen. b) Het benutten van de marktkansen en marktpotenties ten behoeve van de uitbreiding en diversificatie van het aanbod spraakmakende, bovenlokale en grootschalige leisurevoorzieningen. c) Het ontwikkelen van leisure aanbod ten behoeve van of als onderdeel van het opwaarderen van de uitstraling c.q. het imago van de stad. d) Het uitbreiden van het leisureaanbod in Utrecht. Het benutten van de aanwezige, reële marktruimte door nieuwe leisurevoorzieningen te realiseren die zijn afgestemd op de vraag. Concreet gaat het hierbij om circa 100.000 m² bvo aan nieuwe bovenlokale leisurevoorzieningen in de periode tot 2010 – 2015. e) Het verwerven van een krachtige landelijke marktpositie geconcentreerd rond in ieder geval de drie Utrechtse kernproposities op leisuregebied: cultuur, shopping en entertainment/uitgaan. f) Het aanwenden van leisureontwikkelingen ten behoeve van kwaliteitsverbetering en het versterken van de verblijfskwaliteiten en leefbaarheid op (nieuwe) stedelijke ontwikkelingslocaties. 10.2.2Beleidsprogramma g) Het ontwikkelen van nieuwe, volwaardige leisurelocaties die als bestemmings- en verblijfsgebied in staat zijn een eigen marktpositie te verwerven en direct bijdragen aan het imago en de wervingskracht van Utrecht in de vrijetijdsmarkt. h) Het indien mogelijk realiseren van nieuw, bovenregionaal toeristisch attractieaanbod (additioneel aan het cultuurtoeristisch aanbod in de historische binnenstad) en het indien (financieel) haalbaar tot ontwikkeling brengen van een topsportcluster in Maarschalkerweerd. i) Het ondersteunen van particuliere leisure-investeringsinitiatieven op basis van een daartoe ontwikkeld transparant beleidsmatig (zowel markttechnisch als ruimtelijk) afwegingskader. j) Het in de tijd programmeren van de belangrijkste, meest kansrijke en functioneel geschikte leisureontwikkelingslocaties. Het voeren van een terughoudend c.q. ontmoedigingsbeleid ten aanzien van leisure-ontwikkeling op andere dan de daartoe aangewezen ontwikkelingslocaties. k) Het programmeren van leisurevoorzieningen op de verschillende beschikbare locaties in de stad, rekening houdende met zowel de optimale vestigingsplaatsen voor de betreffende voorzieningen -ook uit het oogpunt van de betrokken investeerders en/of exploitanten- als het streven naar locatiekwaliteit op de onderscheiden leisure-locaties. l) Het mede door middel van een actieve leisure-ontwikkeling bewerkstelligen dat het Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum zich naast de historische binnenstad zullen ontwikkelen tot een tweede en op termijn derde leisurebestemmingsgebied in Utrecht. Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

10.3 Leisure in Utrecht Het huidige bovenlokale leisureaanbod in Utrecht kent in onze ogen een aantal belangrijke kwantitatieve en kwalitatieve tekortkomingen. Er is voldoende marktruimte om hierin verandering te brengen. In de periode tot 2015 kan het aanbod aan dit type leisure-voorzieningen ruwweg worden verdubbeld. Wat Utrecht vooral mist, is een wervende, grootschalige en landelijk onderscheidende leisurepropositie of attractie. Eén of meerdere voorzieningen en locaties die gekend zijn om hun aanbodkwaliteit en die in staat zijn nieuwe, additionele bezoekersstromen naar de stad te trekken. Leisurevoorzieningen die Utrecht in staat stellen voluit te concurreren met de andere grote steden en leisurecentra. Utrecht dient zich in onze optiek vooral te positioneren op drie leisure kernmarkten: œ cultuur (waaronder muziek); œ shopping; œ entertainment/uitgaan. In deze marktsegmenten is de stad “ vanoudsher” goed vertegenwoordigd en beschikt Utrecht over belangrijke bovenregionale voorzieningen. Utrecht kan zich juist in deze drie segmenten sterk onderscheiden. Het aanbod zal dan echter dienen te worden uitgebreid en/of gemoderniseerd. Hiervoor bestaan concrete (investerings)plannen. Wij adviseren deze kansen voortvarend aan te grijpen; het ijzer te smeden nu het heet is. Door deze drie ontwikkelingsprofielen zoveel mogelijk te koppelen aan specifieke locaties zullen deze zich in de markt krachtiger manifesteren. Op hoofdlijnen adviseren wij daarom de volgende locatieprogrammering: œ cultuur: oude binnenstad, Stationsgebied/Vredenburgplein, Leidsche Rijn Centrum; œ shopping: oude binnenstad, Stationsgebied Catharijnezijde en Leidsche Rijn Centrum; œ entertainment: Stationsgebied/Jaarbeurszijde, met het accent op Jaarbeursplein. Gezien de beschikbaarheid en de geschiktheid van de ontwikkelingslocaties in het Stations-gebied (Jaarbeursplein, Catharijnezijde en Vredenburgplein) en de huidige marktkansen, adviseren wij een beleidsinzet die zich in de komende jaren prioritair concentreert op het tot ontwikkeling brengen van deze locaties tot volwaardige leisurebestemmingen (zie voorts paragraaf 10.4 en 10.5) in de driehoek cultuur, entertainment en shopping. Dit impliceert dat wij van mening zijn dat de huidige, concrete investeringsinitiatieven in deze segmenten zoveel mogelijk in dit gebied dienen te worden geaccommodeerd. De ontwikkeling van Leidsche Rijn Centrum speelt op langere termijn (in de periode vanaf 2008). Na het Stationsgebied heeft deze locatie in onze optiek de mogelijkheid zich te ontwikkelen tot een derde belangrijk leisure bestemmingsgebied. Weliswaar op een lager marktniveau dan de binnenstad (doordat het voorzieningendraagvlak beduidend minder groot is dan in Utrecht centrum), maar wel met de kans op een uniek stedenbouwkundig concept. Deels zal de leisureprogrammering -zowel functioneel als qua volume- de resultante zijn van de mate waarin op dat moment de ontwikkeling in het Stationsgebied succesvol blijkt te zijn geweest. Deels zullen tegen die tijd echter ook invullingen kunnen plaatsvinden die in overeenstemming zijn met de dan heersende marktomstandigheden en aanwezige marktruimte. Hoe dan ook, het streven dient erEindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

op te zijn gericht een centrumgebied te realiseren dat door zijn verblijfswaarde, architectuur en voorzieningenaanbod in staat is mensen uit de regio en van verder te trekken én te verrassen (zie volgende paragrafen).

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Voorts zien wij marktkansen voor een (top)sportcluster in Maarschalkerweerd, voor watergebonden leisure bij de Haarrijnseplas en voor een combinatie van groene recreatie met een landschappelijk georiënteerde culturele invulling van het Rijnsche Park. Gezien hun bovenlokale betekenis, functioneren, potentie en karakteristieken verdienen de locaties Vechtse Banen en DeFabrique in onze ogen eveneens een volwaardige erkenning als bovenlokale leisure locatie. Wij adviseren terughoudendheid m.b.t. de leisure-invulling van Wetering-Zuid (zoals in het stedenbouwkundig programma toegestaan). Concentratie en clustering in de leisurekerngebieden Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum alsmede op de themalocaties (zie voorgaande alinea) heeft beleidsmatig sterke voorkeur.

10.4 Marktstrategie Wij adviseren bij de planning van leisurevoorzieningen in eerste instantie uit te gaan van het berekende ontwikkelingsvolume van circa 100.000 m² bvo in de periode tot 2010 2015. Hierin is inbegrepen een volume van zo’ n 50.000 m² bvo dat niet zozeer vraagafhankelijk is (dat wil zeggen onderbouwd met een marktvraag uit het eigen verzorgingsgebied van de stad en de regio), maar bepaald op basis van een bij de stad Utrecht behorende en haalbaar geachte aanbodpotentie (bijvoorbeeld voor een stedelijke toeristische attractie). Meer specifiek adviseren wij: œ het aanbod aan dagelijkse en doelgerichte leisurevoorzieningen uit te bouwen in overeenstemming met de berekende marktruimte voor de komende jaren (sport, cultuur, fitness, groene ruimte, winkels, horeca); œ de landelijke positie van Utrecht in het aanbod aan (muziek)theatervoorzieningen uit te bouwen; œ een museumaanbod met een landelijke profilering te bewerkstelligen; œ een breed en divers aanbod aan entertainment- en uitgaansvoorzieningen te realiseren met een nationale uitstraling en marktpositie; œ minstens één nationale toeristische attractie in de stad te realiseren; œ leisurecentra (als zodanig bekend staande vrijetijdsbestemmingsgebieden) te ontwikkelen die kunnen concurreren met andere, landelijk erkende vrijetijdsbestemmingen. 10.5 Volumestrategie Gegeven de berekende marktruimte voor het komende decennium enerzijds en de benoemde voorkeurlocaties alsmede het tijdstip waarop zij beschikbaar zijn/komen anderzijds, is een centrale regie op de locatieontwikkeling noodzakelijk. Hierdoor kan het beschikbare ontwikkelingsvolume evenwichtig worden gespreid (zodat de voorkeurlocaties ook alle tot ontwikkeling kunnen worden gebracht) en kan de plancapaciteit worden afgestemd op de aanwezige marktruimte. Voorgesteld wordt deze regiefunctie voor locatieprogrammering onder te brengen bij Economische Zaken. 10.6 Ruimtestrategie Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Wij onderstrepen het belang van een ruimtelijke concentratie van leisurevoorzieningen gebaseerd op functionele samenhang tussen deze voorzieningen.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Dat wil zeggen dat de bezoeker deze voorzieningen ook daadwerkelijk in één combinatiebezoek met elkaar verbindt. Dit schept de beste exploitatievooruitzichten voor de voorzieningen, maar levert ook de grootste bijdrage aan het creëren van levendige verblijfsgebieden. Dergelijke leisure locaties dienen zich daarom in onze ogen in eerste instantie te onderscheiden als aantrekkelijk ingerichte “ outdoor” omgevingen. Gerichte locatieontwikkeling leidt tot synergie voor de consument (aantrekkelijk aanbod in een dito omgeving), voor de ondernemer (exploitatiedraagvlak, wisselwerking met complementaire voorzieningen, adequate planologische en infrastructurele omstandigheden) en voor de overheid (efficiënt ruimtegebruik, beheersbaarheid, mobiliteitsaspecten, sociale veiligheid). De historische binnenstad functioneert nu reeds als een dergelijk leisurecentrum. Feitelijk het enige centrum dat Utrecht nu rijk is. Waar mogelijk zullen meer kleinschalige leisureprojecten aan de binnenstad kunnen worden toegevoegd. Mits deze passen in de fijnmazige structuur en historische karakteristiek. Wij beschouwen de binnenstad niet als een leisureontwikkelingslocatie, maar wel als het belangrijkste vrijetijdscentrum. Het is daarom wenselijk en noodzakelijk het functioneren van de binnenstad in die zin ook beleidsmatig te waarborgen. Dit betekent ruimte voor bedrijfsmatige ontwikkeling en vernieuwing van aanwezige (in hoofdzaak culturele en cultuurhistorische) voorzieningen en het voorkomen van het ondergraven van de positie van de historische binnenstad. Nieuwe leisurevoorzieningen in het stationsgebied dienen daarom complementair te zijn en toegevoegde waarde te brengen. 10.6.1Stationsgebied Voor de ontwikkeling van het Stationsgebied is visie A leidend. Het Stationsgebied beschouwen wij als de belangrijkste leisure ontwikkelingslocatie in de stad. De voorgestane leisure ontwikkeling omvat entertainment, cultuur, retail(ondersteunende)-leisure, fitness, dagattracties en horeca. Het gebied is onder te verdelen in drie deellocaties. Op hoofdlijnen stellen wij de volgende onderlinge programmering voor: œ Jaarbeurszijde: ontwikkeling tot entertainmentcluster; œ Catharijnezijde: retailondersteunend leisurecentrum; œ Vredenburgplein: cultuur(muziek)centrum. De leisure-ontwikkeling aan de Jaarbeurszijde wordt bij voorkeur geconcentreerd rond het Jaarbeursplein dat bij voorkeur daadwerkelijk het karakter krijgt van een verblijfsplein. Het totale leisureprogramma (richtinggevend 40.000 m² bvo) dat op het Jaarbeursplein kan worden gerealiseerd, kan omvatten: œ Beatrixtheater; œ Casino; œ Bioscoop; œ Hotel; œ Amusementstheater; œ Foodcourt; œ Dinnershowtheater; œ Aanvullende entertainmentachtige dagattractie (voorbeeld: “ roller coaster ride” , IMAX en dergelijke). Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

Catharijnezijde: het nieuwe Stationsplein schakelt Hoog Catharijne met de binnenstad. Met andere woorden een stedenbouwkundig zeer belangrijke “ knoop” . Leisurevoorzieningen op deze locatie kunnen het functioneren van de detailhandel versterken (verblijfsduurverlenging, vergroting aantrekkingskracht). Op die wijze ontstaat wellicht een “ echt” funshoppingcentrum. Het programma dat hier mogelijk is (richtinggevend 20.000 m² bvo), kan bestaan uit: œ Foodcourt; œ Amusementscenter; œ Fitness/wellness; œ Retailleisure (themashops, kidsplace, et cetera); œ Toeristische binnenstedelijke (intensieve) attractie (voorbeeld: “ Madame Tussaud” ). Het Vredenburgplein is voorbestemd als cultuurplein. De voorliggende plannen voor het nieuwe Muziekpaleis sluiten hierop aan. Naast deze vernieuwde culturele voorziening is tevens ruimte voor ondersteunende horecavoorzieningen en een cultiplex (totale programma circa 10.000 m² bvo). Het Vredenburgplein vormt een “ culturele oase” tussen winkelgebied Hoog Catharijne en het winkelhart in de historische binnenstad. 10.6.2Leidsche Rijn Centrum Leidsche Rijn Centrum zal zich in onze optiek te zijner tijd ontwikkelen tot wat vandaag de dag een vierde generatie leisurecentrum wordt genoemd; feitelijk vergelijkbaar met een volwaardige binnenstad. Een optimale mix van centrumvoorzieningen met andere woorden, afgestemd op het bijbehorende verzorgingsgebied. En soms verder reikend dan dat. De belangrijkste opgave voor de centrumontwikkeling van Leidsche Rijn is naar onze mening in de allereerste plaats dan ook het creëren van een centrumomgeving waarin bezoekers graag willen verblijven. Dit in tegenstelling tot eigenlijk de meeste nieuwe stadscentra en winkelcentra… .die weliswaar functioneel zijn maar onvoldoende “ gezellig” en aantrekkelijk. Grootschalige leisurevoorzieningen in gesloten gebouwen zullen een dergelijk beeld eerder versterken dan voorkomen. Daarom zal veel aandacht moeten worden gegeven aan het mengen van (meer kleinschalige en open) leisurevoorzieningen met de overige centrumfuncties (waaronder detailhandel). Horeca, cultuur (bijvoorbeeld een kunsthal) en entertainment (uitgaansvoorzieningen) nemen daarbij een belangrijke plaats in. Juist door menging van uiteenlopende functies ontstaat een “ druktebeeld” dat op zichzelf weer een voorwaarde is voor verdere leisure ontwikkeling. Hoogwaardige en bijzondere architectuur kunnen zorgen voor een bovengemiddelde aantrekkingskracht en bovenregionale marktpositionering. Bij de beoogde leisure ontwikkeling mogen de openbare ruimte en aandacht voor kwaliteit, milieu, duurzaamheid en leefbaarheid niet worden vergeten. Het moet immers de moeite meer dan waard zijn en blijven om Leidsche Rijn Centrum te bezoeken. Aangevuld met leisurevoorzieningen als een hotel- en congrescentrum, fitness en lifestylesport alsmede onderwijs- en gezondheidszorgvoorzieningen is de beoogde vierde generatie ontwikkeling compleet. Op basis van dit profiel en onze marktinschatting adviseren wij in totaliteit een ruimtereservering aan te houden van maximaal 15.000 m² bvo voor leisurevoorzieningen in Leidsche Rijn Centrum.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

10.6.3Maarschalkerweerd Maarschalkerweerd kan zich mogelijk ontwikkelen tot topsportcluster. De aanwezigheid van enkele belangrijke sportvoorzieningen verschaft hiervoor de basis. De aanwezige omgevingsfactoren zoals de landschappelijke overgang naar Amelisweerd heeft additionele recreatieve potentie die mogelijk in het concept kan worden ingepast. Door de nabijheid van het universiteitscomplex kan eveneens sprake zijn van een draagvlakversterking voor de te ontwikkelen sportvoorzieningen. Omdat het bij een dergelijke sportclustering voornamelijk gaat om gerichte bezoekersstromen, zullen overige leisureontwikkelingen naar onze mening beperkt moeten blijven tot ondersteuningsvoorzieningen (als horeca en andere après sport voorzieningen in bijvoorbeeld de wellness sfeer; ook sportdetailhandel, mits gedimensioneerd en gericht op de actieve sporters ter plaatse, zou hierin inpasbaar zijn). 10.6.4Rijnsche Park Rijnsche Park biedt naar onze mening als stadspark een uitgelezen mogelijkheid tot een menging van groene recreatie en cultuur. Wellicht naar analogie met het Sonsbeekpark in Arnhem. Vestiging van een culturele instelling als mogelijk een museum voor moderne kunst of een kunsthal, zou hier niet alleen goed bij passen, maar tevens een bijdrage kunnen leveren aan de door de gemeente gewenste bovenregionale marktpositionering van Leidsche Rijn. Wij adviseren daarom nader te onderzoeken welke locationele mogelijkheden hiervoor in het park aanwezig zijn c.q. kunnen worden gecreëerd. Wellicht is de omgeving van Fletiomare een optie. 10.6.5Haarrijnseplas Als themalocatie voor watergebonden of -georiënteerde leisure kunnen hier ontwikkelingen plaatsvinden. 10.6.6Bestaande locaties Wij adviseren voor bestaande leisurelocaties waar bovenlokale voorzieningen zijn gevestigd een beleid te voeren dat het functioneren van deze voorzieningen zoveel mogelijk faciliteert. Inclusief een eventuele doorontwikkeling of uitbouw van de betreffende leisurefunctie. Dit geldt in het bijzonder voor de locaties Vechtse Banen en DeFabrique, gezien de betekenis van beide centra voor het leisureprofiel van Utrecht. IJkpunten voor het verlenen van medewerking aan planontwikkeling op dergelijke bestaande locaties zijn: a) het realiteitsgehalte (planologische en financiële haalbaarheid) van het voorliggende plan/businessplan; b) de aanwezigheid van aantoonbare marktruimte (markttechnische haalbaarheid); c) de mate van functionele inpasbaarheid in c.q. versterking van de betreffende locatie of reeds aanwezige leisurevoorzieningen; d) de soliditeit van de betrokken investeerder en exploitant (kredietwaardigheidtoets);

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)

e) de bijdrage die het betreffende plan/project levert aan de leisurebeleidsdoelstellingen op stedelijk niveau: - nieuwe voorzieningen moeten een bijdrage leveren aan het versterken en uitbouwen van het functioneren en de werkgelegenheidspositie van de stad Utrecht als leisurestad; - nieuwe voorzieningen moeten een bijdrage leveren aan de opwaardering van de uitstraling c.q. het imago van de stad Utrecht en de uitbreiding en diversificatie van het aanbod; - nieuwe voorzieningen dienen bij voorkeur qua thematiek te passen binnen de Utrechtse kernproposities op leisuregebied: cultuur, shopping en entertainment/uitgaan; - nieuwe voorzieningen dienen bij te dragen aan de kwaliteitsverbetering en het versterken van de verblijfskwaliteiten en leefbaarheid op (nieuwe) stedelijke ontwikkelingslocaties. f) De mate waarin het betreffende initiatief past binnen eventuele andere relevante gemeentelijke beleidskaders (zoals bijvoorbeeld horeca, detailhandel); g) nieuwe plannen en initiatieven dienen expliciet te worden getoetst aan het vigerend milieu-, verkeer- en parkeerbeleid; nieuwe voorzieningen mogen geen schade toebrengen aan het milieu, geen overlast veroorzaken voor de inwoners in de nabije omgeving, niet leiden tot verkeer- en parkeeroverlast en per openbaar vervoer ontsloten kunnen worden); h) het voorkomen van nieuwe leisure” pool” vorming c.q. ongewenste kannibalisering ten opzichte van andere leisurevoorzieningen in de stad.

Eindrapportage (Copyright ¸ Markt plan Adviesgroep, 2003)