DEEL A

BELEIDSEVALUATIE

2.

WERKGELEGENHEID EN BEROEPSBEVOLKING

2.1

Inleiding
Uit het Regionaal Structuurplan en de Regionaal-economische Ontwikkelingsstrategie die door het Bestuur Regio Utrecht zijn opgesteld, kunnen doelstellingen voor de toekomstige ontwikkeling van de regio Utrecht worden herleid. In dit hoofdstuk worden de doelstellingen ten aanzien van werkgelegenheid, beroepsbevolking en bereikbaarheid getoetst. 1) Het duurzaam versterken en vernieuwen van de economische structuur; a) het benutten van de economische potentie van de regio en het aanwijzen van speerpunten voor economische groei 2) Het behouden van bestaande en het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid, passend bij de behoefte van de beroepsbevolking in de regio; a) selectie bij werving van bedrijvigheid, bij een (te verwachten) explosieve groei van de werkgelegenheid met achterblijvende groei van de beroepsbevolking, b) discrepantie tussen de vraag naar hooggeschoolden en het aanbod van laaggeschoolden is toetssteen bij werving en selectie van bedrijven, 3) Het waarborgen van de bereikbaarheid van werklocaties; het verminderen van pendelen en files. Per doelstelling wordt nagegaan in hoeverre de ontwikkelingen hierbij aansluiten. Het onderzoeksgebied beslaat de oorspronkelijke tien gemeenten van het RSP, te weten Bunnik, De Bilt, Houten, Maarssen, Maartensdijk (per 1 januari 2001 bij De Bilt) Nieuwegein, Utrecht, Vleuten-De Meern (per 1 januari 2001 bij Utrecht), Vianen en IJsselstein, aangevuld met de gemeenten Zeist en Driebergen-Rijsenburg.

2.2

Het duurzaam versterken en vernieuwen van de economische structuur
Door het bekijken van de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen en het aantal vestigingen in de periode 1996-2001, wordt nagegaan of de economische structuur duurzaam is versterkt en vernieuwd. Daarbij wordt tevens de ontwikkeling van de werkgelegenheid en het aantal vestigingen per bedrijfstak behandeld. Om de mate van vernieuwing van de economische structuur in beeld te brengen, wordt specifiek aandacht besteed aan innovatie bij Utrechtse bedrijven en de ontwikkelingen in twee bedrijfssectoren die worden beschouwd als innovatieve speerpunten: de biomedische sector en de ICT-sector. De ontwikkelingen worden zoveel mogelijk op gemeenteniveau bekeken. Waar mogelijk wordt een vergelijking gemaakt met ontwikkelingen op nationaal niveau en met ontwikkelingen in drie andere grote steden, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam.

STOGO onderzoek & advies 2002

4

Ontwikkeling aantal arbeidsplaatsen Het aantal fulltime arbeidsplaatsen in het RSP-gebied is in de periode 1996-2001 met 73.450 arbeidsplaatsen toegenomen tot 336.280 arbeidsplaatsen (tabel 2.1). Dit komt neer op een jaarlijkse groei van 5,6%, ruim boven het landelijke gemiddelde van 3,2% per jaar. Van de vier grote steden in Nederland kende Utrecht de hoogste werkgelegenheidsgroei (+19%), gevolgd door Amsterdam (+16%) en Den Haag (+13%). In Rotterdam was de groei beduidend lager (+9%). In het RSP-gebied kwam ruim de helft van de groei voor rekening van de stad Utrecht (38.200 arbeidsplaatsen). In Nieuwegein steeg het aantal fulltime banen met 11.000. Relatief gezien kende Houten het hoogste groeicijfer (72%), gevolgd door IJsselstein (54%), Nieuwegein (40%) en Driebergen-Rijsenburg (37%). De Bilt, Bunnik en Utrecht bleven vlak onder het gebiedsgemiddelde van 28%. De rij wordt gesloten door Zeist (22%) en Maarssen (20%) en Vianen (12%) (figuur 2.1).
Tabel 2.1 Ontwikkeling van het aantal vestigingen fulltime arbeidsplaatsen in de periode 1996-2001 per gemeente (in absolute aantallen) Ontwikkeling van het aantal vestigingen Gemeente Bunnik De Bilt Driebergen-R. Houten Maarssen Nieuwegein Utrecht Vianen IJsselstein Zeist Totaal 1996 564 1.499 747 888 1.438 2.046 12.607 907 680 2.294 23.670 1997 585 1.617 761 1.077 1.481 2.304 12.577 926 754 2.414 24.496 1998 645 1.750 793 1.151 1.637 2.442 13.324 978 811 2.535 26.066 1999 782 2.257 943 1.385 1.888 3.160 13.824 956 936 3.002 29.133 2000 804 2.318 976 1.439 1.918 3.200 14.391 847 1.030 3.112 30.035 2001 815 2.391 1.006 1.597 1.935 3.244 14.994 852 1.211 3.244 31.329 toename 19962001 45% 60% 35% 80% 35% 61% 19% -6% 78% 41% 32%

Ontwikkeling van het aantal fulltime arbeidsplaatsen Gemeente Bunnik De Bilt Driebergen-R. Houten Maarssen Nieuwegein Utrecht Vianen IJsselstein Zeist Totaal 1996 5.442 11.098 5.882 8.584 9.677 27.788 155.052 8.416 5.419 25.472 262.830 1997 5.706 11.682 6.249 10.177 9.887 30.317 165.363 8.624 5.616 27.139 280.760 1998 5.981 12.505 6.364 11.498 10.675 33.307 176.574 8.838 6.256 28.763 299.761 1999 6.277 12.865 7.480 12.859 11.441 35.105 182.758 9.056 6.702 30.487 315.030 2000 6.567 13.386 8.031 13.680 12.075 37.502 189.866 9.280 7.381 31.650 329.418 2001 6.791 14.089 8.058 14.762 11.639 38.866 193.252 9.457 8.320 31.043 336.277 toename 19962001 25% 27% 37% 72% 20% 40% 25% 12% 54% 22% 28%

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996-2001; Bedrijvenregister Zuid-Holland

STOGO onderzoek & advies 2002

5

Ontwikkeling aantal bedrijven Het aantal bedrijfsvestigingen is de afgelopen vijf jaar iets sneller gestegen dan het aantal arbeidsplaatsen. In deze periode is het aantal vestigingen in het RSP-gebied met 32% toegenomen tot 31.330 (tabel 2.1). In de meeste gemeenten lag de werkgelegenheidsgroei lager dan de groei van het aantal vestigingen. In Utrecht en Driebergen-Rijsenburg bleef de groei van het aantal vestigingen achter bij de banengroei, Vianen kende zelfs een daling van het aantal vestigingen. De procentuele toename was het grootst in Houten (+80%) en IJsselstein (+78%).
Figuur 2.1 Groei van aantal fulltime arbeidsplaatsen en het aantal vestigingen per gemeente in de periode 1996-2001 (in procenten)
BUNNIK

DE BILT

DRIEBERGENRIJSENBURG

HOUTEN

MAARSSEN

NIEUWEGEIN

UTRECHT

VIANEN

IJSSELSTEIN

ZEIST

TOTAAL

-10%

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

Vestigingen

Arbeidsplaatsen

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996 en 2001; Bedrijvenregister Zuid-Holland

STOGO onderzoek & advies 2002

6

Dynamiek naar bedrijfstak Het aantal arbeidsplaatsen is tussen 1996 en 2001 in alle bedrijfstakken toegenomen. De dienstverlening kende echter de hoogste groeicijfers. Daarbinnen heeft vooral de commerciële dienstverlening een enorme groei doorgemaakt (+51%). Het aantal banen in de overige diensten steeg met 25%, ruim boven de andere sectoren die een groei van rond de 15% kenden (figuur 2.2). De groei van de werkgelegenheid was in zeven van de tien gemeenten het grootst in de financiële en zakelijke dienstverlening. Alleen in De Bilt, Driebergen-Rijsenburg en Vianen lag de groei in de overige dienstverlening hoger. In de industrie/bouwnijverheid groeide het aantal banen alleen fors in Houten en IJsselstein (figuur 2.3).

Figuur 2.2

Ontwikkeling van het aantal fulltime arbeidsplaatsen in het RSP-gebied naar bedrijfstak in de periode 1996-2001, geïndexeerd (1996=100)

170 160 150 140 130 120 110 100 90 1996 1997 1998 1999 2000 Handel en horeca Overige dienstverlening 2001

Financiële en zakelijke dienstverlening Vervoer en communicatie Industrie, bouwnijverheid en nutsbedrijven

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996, 1997, 1998, 1999, 2000 en 2001

Inmiddels is tweederde van het aantal voltijd arbeidsplaatsen in het RSP-gebied te vinden in de financiële en zakelijke dienstverlening (35%) en in de overige dienstverlening (30%). In 1996 was dit nog 61% van het aantal banen. Er is dus sprake van een verdienstelijking van de economische structuur. Deze trend doet zich voor in heel Nederland, maar het tempo van de groei is niet overal gelijk. Tussen 1995 en 2000 groeide de financiële en zakelijke dienstverlening het snelst in Utrecht (+35%) en Amsterdam (+32%). In Rotterdam en Den Haag lag de groei lager (+22%, respectievelijk +19%). Het aantal arbeidsplaatsen in de overige dienstverlening groeide in alle vier grote gemeenten ongeveer even snel (+13%). Van de grote vier heeft Den Haag de grootste dienstensector met 71% van het totale aantal banen in 2000. Utrecht en Amsterdam volgen met 65% en 64%. In Rotterdam behoort 56% van de fulltime banen tot de dienstverlening.

STOGO onderzoek & advies 2002

7

Binnen het RSP-gebied zijn Driebergen-Rijsenburg, Zeist en Utrecht dienstencentra bij uitstek. In deze gemeenten bestaat 70% van de werkgelegenheid uit banen in de dienstverlening. In Bunnik en IJsselstein is minder dan de helft van de banen te vinden in de dienstensector. De industrie/bouwnijverheid is hier de grootste sector met 29% respectievelijk 27% van de fulltime werkgelegenheid. Vianen kent een zeer afwijkende werkgelegenheidsstructuur, waarbij de dienstverlening slechts eenderde van het aantal banen omvat. De grootste sector is de handel en horeca met 40% van het aantal fulltime arbeidsplaatsen.
Figuur 2.3 Groei van het aantal fulltime arbeidsplaatsen naar bedrijfstak en per gemeente in de periode 1996-2001 (in procenten)

STOGO onderzoek & advies 2002

8

STOGO onderzoek & advies 2002

9

BUNNIK

DE BILT

DRIEBERGENRIJSENBURG

HOUTEN

MAARSSEN

NIEUWEGEIN

UTRECHT

VIANEN

IJSSELSTEIN

ZEIST

-20%

-10%

0%

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

110%

120%

130%

Totaal Financiële en zakelijke diensten Industrie, bouwnijverheid en nutsbedrijven
Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996 en 2001

Overige diensten Handel, horeca en vervoer

Specialisatie index Het is interessant om na te gaan in hoeverre de verdienstelijking van de economie heeft geleid tot een toenemende specialisatie van de economische structuur. Dit kan worden berekend aan de hand van de specialisatie index. Deze index geeft de mate aan waarin de werkgelegenheidsstructuur in een regio afwijkt van de betreffende structuur in een referentiegebied. De index kan een waarde aannemen tussen 0 en 1. Door de specialisatie index voor de jaren 1996 en 2001 te berekenen, kan worden bezien of de economie in deze periode eenzijdiger is geworden. Een gestegen index betekent dat de economische structuur eenzijdiger is geworden.

STOGO onderzoek & advies 2002

10

In 2001 is de structuur in het RSP-gebied eenzijdiger geworden vergeleken met de structuur in Nederland. Deze sterkere specialisatie is een gevolg van de toenemende invloed van de dienstensector in de regio Utrecht. Op gemeenteniveau blijkt dat alleen binnen het RSP-gebied de werkgelegenheidsstructuur van Driebergen-Rijsenburg, Maarssen en Vianen eenzijdiger is geworden. In de overige gemeenten is sprake van een afgenomen specialisatie (zie tabel 2.2).
Tabel 2.2 Specialisatie index per gemeente, 1996 en 2001 Specialisatie index 1996 0,31 0,17 0,16 0,19 0,18 0,07 0,06 0,30 0,21 0,12 Specialisatie index 2001 0,24 0,12 0,24 0,12 0,19 0,05 0,04 0,31 0,20 0,11

Gemeenten t.o.v. RSPgebied Bunnik De Bilt Driebergen-R. Houten Maarssen Nieuwegein Utrecht Vianen IJsselstein Zeist

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996 en 2001

2.3

Het benutten van de economische potentie van de regio en het aanwijzen van speerpunten voor economische groei
Het RSP-gebied blijkt door de centrale ligging, de hoog opgeleide beroepsbevolking en de aanwezigheid van de Universiteit Utrecht (en andere instellingen voor Hoger Onderwijs) en diverse aanverwante onderzoeksinstituten een aantrekkelijke locatie voor innovatieve bedrijven. Het beleid in de regio Utrecht is al jarenlang gericht op het zo goed mogelijk benutten en versterken van de bestaande kennisinfrastructuur. Zo wil men de concurrentiepositie van de regio Utrecht, zowel nationaal als internationaal, versterken. Innovatie Twee belangrijke indicatoren voor innovatie zijn de omvang van R&D-uitgaven door bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen en de inzet van personeel dat zich bezighoudt met R&D. In 1999 vormden de R&D-uitgaven in de provincie Utrecht 9,3% van het totale bedrag van ruim 7,5 miljard euro dat landelijk aan R&D werd uitgegeven, een lager percentage dan in 1997 (10,6%). Vooral de uitgaven door het Utrechtse bedrijfsleven zijn flink gedaald, terwijl landelijk gezien sprake was van een stijging van de uitgaven met 15% (tabel 2.3). In Utrecht vertoonden onderzoeksinstellingen zowel bij de uitgaven als bij de personeelsinzet hogere groeicijfers dan landelijk. Het aantal arbeidsjaren van R&Dpersoneel groeide in Utrecht met 1,5%, tegen 3,6% in heel Nederland. Het aandeel van Utrecht in het gehele Nederlandse R&D-personeelsbestand is marginaal afgenomen van 11% in 1997 tot 10,9% in 1999. De conclusie is dan ook dat het innovatiepotentieel van het Utrechtse bedrijfsleven is achtergebleven bij de landelijke ontwikkelingen. Alleen de researchinstellingen vertonen een gunstige ontwikkeling.

STOGO onderzoek & advies 2002

11

Overigens is uit onderzoek van het CBS gebleken dat innoveren loont. Voor de periode 1996-1998 liggen de groeipercentages van zowel omzet als werkgelegenheid bij innoverende bedrijven 1,5 procentpunt hoger dan bij niet innoverende bedrijven. Reden om dit beleidspunt opnieuw onder de aandacht te brengen.
Tabel 2.3 R&D-uitgaven en R&D-personeel in de provincie Utrecht en in Nederland, 1999 en groei van R&D-uitgaven en R&D-personeel in de provincie Utrecht en in Nederland, 1997-1999
R&D-uitgaven (mln euro) OnderUniver- ResearchTotaal nemingen siteiten instellingen Prov. Utrecht 1997-1999 Nederland 707 -2,3% 7.563 277 -14% 4.263 262 +4% 1.983 168 +11 1.317 +7% R&D-personeel (arbeidsjaren) OnderUniverResearchinstellingen Totaal nemingen siteiten 9.352 +1,5% 87.022 +3,6% 3.515 0% 45.181 +7% 3.228 0% 24.301 0% 2.609 +5% 17.540 +2%

1997-1999 +11,1% +15% +7% Bron: CBS Kennis en economie, 1999 en 2001

Ontwikkeling van de ICT-sector en de biomedische sector De Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) is in het RSP-gebied zeer sterk aanwezig (zie voor definiëring bijlage 2). In 2001 telt de sector ruim 31.000 banen, 9,3% van het totale aantal arbeidsplaatsen (in 1996 was dit 7,6%). Vergeleken met andere regio’s in Nederland heeft alleen Zuidoost-Noord-Brabant een iets hoger aandeel ICTbanen. In de regio’s Den Haag, Groot-Amsterdam en Groot-Rijnmond is het percentage ICT-banen in de totale werkgelegenheid beduidend lager dan in Utrecht. De ICT-sector in het RSP-gebied heeft in de periode 1996-2001 een enorme groei doorgemaakt. Het aantal arbeidsplaatsen is met 55% toegenomen, waar de totale werkgelegenheid met 28% toenam. Het aantal vestigingen steeg zelfs met 90%, tegenover 32% voor het totale aantal vestigingen (tabel 2.4). Vooral in de stad Utrecht zijn veel ICT- en ICT-gerelateerde bedrijven gevestigd, waarvan 24 zeer grote vestigingen van de grote Nederlandse ICT-dienstverleners, met name hoofdkantoren. Het is daarom voor Utrecht extra vervelend dat deze sector in een economische dip zit. Door de aanwezigheid van het grote aantal ICT-hoofdkantoren in de regio wordt echter verwacht dat de negatieve gevolgen vergeleken met andere regio’s beperkt zullen blijven. Dat heeft er o.a. in de loop van het laatste jaar toe geleid dat de opname op de kantorenmarkt in het RSP gebied is gestabiliseerd (voor verder informatie zie hoofdstuk 4, §4.8).

STOGO onderzoek & advies 2002

12

Tabel 2.4

Ontwikkeling van het aantal vestigingen en fulltime arbeidsplaatsen in de biomedische sector en de ICT-sector in het RSP-gebied in de periode 19962001 Sector 1996 2001 Toename Groei 1996-2001 Biomedische sector Vestigingen 202 242 40 20% Arbeidsplaatsen 6.512 7.233 721 11% ICT-sector Vestigingen Arbeidsplaatsen 1.173 20.052 2.223 31.133 1.050 11.081 90% 55%

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996 en 2001

Naast dit ICT-cluster heeft de regio Utrecht een sterke traditie en sterke uitgangspunten voor activiteiten op biomedisch gebied. Vanuit de Universiteit Utrecht en het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC, bestaande uit AZU/WKZ en de medische faculteit) is een aantal spin-offs ontstaan (bijvoorbeeld U-Gene en U-bi-Sys). Daarnaast bevinden zich in de regio grote onderzoeksinstellingen in de life-science sfeer, zoals TNO en RIVM en er zijn enkele grote farmaceutische en medisch-technologische bedrijven (zoals GlaxoSmithKline en Solvay), waarmee een langlopende samenwerking bestaat. De biomedische sector in het RSP-gebied is in de periode 1996-2001 minder snel gegroeid dan het totale aantal banen en vestigingen in het gebied. Het aantal arbeidsplaatsen is toegenomen met 11% en het aantal vestigingen steeg met 20%. In verband met de geringe beschikbaarheid van vergelijkbare gegevens is het helaas niet mogelijk om de ontwikkeling af te zetten tegen de ontwikkeling voor heel Nederland en voor de grote steden. Daardoor kan niet worden aangegeven of de bij de regio als geheel achterblijvende werkgelegenheidsontwikkeling als ongunstig of achterblijvend moet worden beoordeeld.

2.4

Het behouden van bestaande en het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid, passend bij de behoefte van de beroepsbevolking in de regio
De dynamiek van de werkgelegenheid is nader geanalyseerd om te zien of het in lijn is met het behouden en het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid, passend bij de behoefte in de regio. Er is gekeken naar de componenten die de werkgelegenheidsgroei in de periode 1996-2001 hebben bepaald, zoals komst van nieuwe bedrijven, groei van het zittende bedrijfsleven en groei als gevolg van oprichting en opheffing van bedrijven. Voor een goed werkgelegenheidsbeleid is het tevens van belang om inzicht te hebben in de ontwikkeling van de beroepsbevolking in relatie tot de ontwikkeling van de werkgelegenheid, vooral qua opleidingsniveau. Dynamiek werkgelegenheid Werkgelegenheid verandert door oprichting en opheffing van bedrijven, door vestiging en vertrek van bedrijven en door groei en krimp van bestaande ondernemingen. In de periode 1996-2001 kwam 59% van de werkgelegenheidsgroei in het RSP-gebied voort uit het saldo van groei en krimp in bestaande bedrijven (+43.640 banen). Ruim eenderde van de groei was het gevolg van het saldo oprichtingen minus opheffingen (+26.130 banen). Het verschil tussen vestiging en vertrek van bedrijven droeg voor 5% bij aan de groei van het aantal arbeidsplaatsen (+3.670 banen).

STOGO onderzoek & advies 2002

13

Het bestaande bedrijfsleven is dus verreweg het belangrijkste als het gaat om de groei van het aantal arbeidsplaatsen. Hetzelfde is te zien op gemeenteniveau. In bijna alle gemeenten, uitgezonderd De Bilt, werd het grootste deel van de werkgelegenheidsgroei tussen 1996 en 2001 bepaald door het saldo van groei en krimp van bestaande bedrijven. Dit geldt zeer uitgesproken voor Vianen, DriebergenRijsenburg, Maarssen, Bunnik, Zeist en Utrecht. Nieuwegein en Houten hebben naar verhouding een groot deel van hun groei te danken aan migratie van bedrijven, geen ongewoon beeld voor zich ontwikkelende groeikernen. In De Bilt en Utrecht wordt meer dan 40% van de banengroei veroorzaakt door oprichting en opheffing van ondernemingen. Vianen verloor een groot aantal banen ten gevolge van opheffing van bedrijven. Drie gemeenten hebben een negatief saldo ten gevolge van migratie van bedrijven. In Utrecht en Driebergen-Rijsenburg betreft het een gering aantal arbeidsplaatsen, maar de gemeente Maarssen zag een relatief fors aantal banen verdwijnen (tabel 2.5 en 2.6). In de bijlage zijn de achterliggende gegevens van de saldi opgenomen. Er is dus op gemeenteniveau een verschil tussen gemeenten die al langer een stabiele situatie kennen, zoals Driebergen-Rijsenburg en Maarssen, gemeenten die een groeitaak hebben, zoals Houten en Nieuwegein en de kerngemeente Utrecht, die zich steeds sterker ontwikkelt als werkgelegenheidscentrum, getuige ook het grote aantal oprichtingen.
Tabel 2.5 Factoren werkgelegenheidsontwikkeling per gemeente in de periode 1996-2001 (in absolute aantallen) Gemeente Oprichting Vestiging minus Groei minus Mutatie totaal minus vertrek krimp aantal opheffing bedrijven bestaande arbeidsplaatsen bedrijven bedrijven Bunnik 331 146 872 1.349 De Bilt 1.386 274 1.330 2.991 Driebergen-R. 1 -58 2.233 2.176 Houten 1.917 1.387 2.874 6.178 Maarssen 578 -398 1.782 1.962 Nieuwegein 4.190 2.031 4.857 11.078 Utrecht 15.488 -460 23.172 38.200 Vianen -562 129 1.474 1.041 IJsselstein 1.075 240 1.586 2.901 Zeist 1.730 381 3.460 5.571 Totaal 26.134 3.673 43.640 73.447

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996-2001; Bedrijvenregister Zuid-Holland

STOGO onderzoek & advies 2002

14

Tabel 2.6

Factoren werkgelegenheidsontwikkeling per gemeente in de periode 1996-2001 (in procenten) Gemeente Oprichting Vestiging Groei minus Totaal minus minus vertrek krimp opheffing bedrijven bestaande bedrijven bedrijven Bunnik 24 11 65 100 De Bilt 46 9 45 100 Driebergen-R. 0 -3 103 100 Houten 31 22 47 100 Maarssen 29 -20 91 100 Nieuwegein 38 18 44 100 Utrecht 40 -1 61 100 Vianen -54 12 142 100 IJsselstein 37 8 55 100 Zeist 31 7 62 100 Totaal 36 5 59 100

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996-2001; Bedrijvenregister Zuid-Holland

Ontwikkeling van de beroepsbevolking De beroepsbevolking bestaat uit de werkzame en de niet-werkzame beroepsbevolking van 15 tot en met 64 jaar. In 2001 bedroeg de bruto-participatiegraad in de provincie Utrecht 69%, in 1996 was deze nog 66%. Voor 2001 betekent dit dat van iedere 100 personen in de leeftijdsgroep 15 t/m 64 jaar er 69 behoren tot de beroepsbevolking. De participatiegraad onder mannen ligt hoger dan onder vrouwen, maar de arbeidsdeelname onder vrouwen is wel sneller toegenomen in de afgelopen jaren. De participatiegraad onder mannen is toegenomen van 79% in 1996 tot 81% in 2000, de arbeidsdeelname onder vrouwen steeg van 54% naar 58%. Hier wordt verondersteld dat de brutoparticipatiegraad voor het RSP-gebied niet afwijkt van die voor de provincie Utrecht. In de periode 1996-2001 is de beroepsbevolking in het RSP-gebied met 21.615 personen gegroeid tot 278.640 personen, een toename van 8%. De helft van deze groei deed zich voor in IJsselstein, Houten en Nieuwegein en nog eens 40% van de groei zat in de gemeente Utrecht. Vianen en Bunnik zijn de enige gemeenten waar de beroepsbevolking licht afnam (tabel 2.7).

Tabel 2.7

Ontwikkeling van de beroepsbevolking en de fulltime werkgelegenheid per gemeente in de periode 1996-2001 Gemeente Absolute groei Absolute groei Procentuele Procentuele beroepsbevolkin fulltime groei groei fulltime g 1996-2001 arbeidsplaatsen beroepsbevolkin arbeidsplaatsen 1996-2001 g 1996-2001 1996-2001 Bunnik 410 2.991 2 27 De Bilt -187 1.349 -3 25 Driebergen-R. 104 2.176 1 37 Houten 3.293 6.178 25 72 Maarssen 425 1.962 2 20 Nieuwegein 3.268 11.078 12 40 Utrecht 9.080 38.200 8 25 Vianen -252 1.041 -3 12 IJsselstein 4.040 2.901 38 54 Zeist 1.433 5.571 6 22 Totaal 21.866 73.447 8 28
Bron: CBS Statline, Provinciaal Arbeidsplaatsen Register 1996-2001

STOGO onderzoek & advies 2002

15

Door de economische voorspoed in de tweede helft van de negentiger jaren van de vorige eeuw is de werkgelegenheid in een aanzienlijk hoger tempo gegroeid dan de beroepsbevolking. In het RSP-gebied is het aantal fulltime arbeidsplaatsen met 28% toegenomen van 262.830 in 1996 tot 336.277 in 2001. Hierdoor is de verhouding tussen de omvang van de beroepsbevolking en de omvang van de werkgelegenheid in de periode 1996-2001 veranderd van 0,98 naar 0,83. Dit betekent dat in 2001 tegenover iedere arbeidsplaats 0,83 persoon uit de beroepsbevolking stond. Er moeten dus steeds meer mensen van buiten het RSP-gebied komen om de banen in te vullen. In alle RSP-gemeenten is het aantal arbeidsplaatsen sinds 1996 sneller toegenomen dan het aantal personen in de beroepsbevolking. Hierdoor zijn er in 2001 nog maar vier gemeenten die meer personen in de beroepsbevolking tellen dan arbeidsplaatsen, te weten IJsselstein, Maarssen, De Bilt en Houten. In 1996 gold dit – op Utrecht na – voor alle gemeenten. Inmiddels is voor Utrecht de verhouding tussen de beroepsbevolking en de werkgelegenheid gedaald tot 0,66 (van 0,77 in 1996) (figuur 2.4). Inkomende pendel De keerzijde van de snelle groei van het aantal arbeidsplaatsen in de regio is de forse groei van de inkomende pendel. Tussen 1996 en 2001 is het aantal personen dat dagelijks het RSP-gebied binnenkomt om te werken met 27% gestegen tot 209.000 personen. Ten dele is de groei van de pendel een gevolg van de algemene trend van toegenomen mobiliteit in Nederland. In de regio Utrecht leidt deze ontwikkeling echter in steeds sterkere mate tot problemen met de bereikbaarheid. Dit geldt met name in en rondom de stad Utrecht, zowel voor het wegverkeer als voor het treinverkeer. Bij de toetsing van de doelstelling “Waarborgen van de bereikbaarheid van werklocaties” wordt hierop nog nader teruggekomen. Gelet op het groeiende ‘overschot’ aan arbeidsplaatsen in vergelijking tot de omvang van de beroepsbevolking en gelet op de toenemende problemen met de bereikbaarheid, zou men zich kunnen afvragen in hoeverre een verdere stijging van de werkgelegenheid in het RSPgebied nog wenselijk is. Om die reden zijn in het REOS een aantal beleidsdoelstellingen opgenomen om de groei beter af te laten stemmen op het niveau van de beroepsbevolking.

STOGO onderzoek & advies 2002

16

Figuur 2.4

Aantal personen in beroepsbevolking per arbeidsplaats per gemeente, 1996 en 2001

BUNNIK

DE BILT

DRIEBERGENRIJSENBURG

HOUTEN

MAARSSEN

NIEUWEGEIN

UTRECHT

VIANEN

IJSSELSTEIN

ZEIST

TOTAAL

0,0

0,5 1996

1,0

1,5 2001

2,0

2,5

Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsenregister (2001), Statistisch Bestand Nederlandse Gemeenten, CBS (2001)

STOGO onderzoek & advies 2002

17

2.5

Selectie bij werving van bedrijvigheid, bij een (te verwachten) explosieve groei van de werkgelegenheid met achterblijvende groei van de beroepsbevolking
Het is niet bekend in hoeverre selectie plaatsvindt bij de werving van bedrijvigheid. Een bepaalde vorm van selectie zou een positieve uitwerking kunnen hebben, als hiermee tenminste een betere kwantitatieve afstemming wordt bereikt tussen werkgelegenheid en beroepsbevolking. Op deze wijze zou een bijdrage kunnen worden geleverd aan het beperken van de pendel. Er kunnen echter kritische kanttekeningen worden geplaatst. In het verleden zijn negatieve ervaringen opgedaan met het zogenaamde Sociale Vestigingsstatuut. Via dit statuut werd getracht om bedrijven die zich in het gebied wilden vestigen te selecteren op basis van een aantal criteria. Bedrijven moesten destijds vragenlijsten invullen over het aantal in dienst zijnde werknemers uit bepaalde doelgroepen. In de praktijk bleek dit selectie-instrument echter niet werkbaar, onder andere vanwege de gebrekkige controle en de weigering van veel bedrijven om de lijsten in te vullen. Voor zover bekend, vindt er momenteel geen selectie plaats.

2.6

Discrepantie tussen de vraag naar hooggeschoolden en het aanbod van laaggeschoolden is toetssteen bij werving en selectie van bedrijven
Nu er ruim voldoende arbeidsplaatsen zijn, gaat het om de vraag of het ook passende arbeidsplaatsen zijn voor de eigen beroepsbevolking. Immers, naast de kwantitatieve afstemming moet ook rekening worden gehouden met de kwalitatieve afstemming van beroepsbevolking en werkgelegenheid. Het is daarom interessant om na te gaan in hoeverre sprake is van een juiste kwalitatieve afstemming. Om hiervan een indicatie te krijgen, is het niveau van de beroepsbevolking vergeleken met het niveau van de bestaande werkgelegenheid (beroepsniveau). Aangezien deze gegevens niet beschikbaar zijn op gemeentelijk niveau, is hiervoor gebruik gemaakt van cijfers op provinciaal niveau. De ontwikkeling in de tijd wordt bekeken door gegevens uit 2000 te vergelijken met cijfers uit 1996 (figuur 2.5). Sinds 1996 is een betere kwalitatieve afstemming tussen beroepsbevolking en werkgelegenheid bereikt. Toch bestaan er nog steeds discrepanties, al zijn deze discrepanties de laatste vijf jaar kleiner geworden. Met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt lijken zich problemen voor te doen door de sterke groei van het aantal mensen met een lage opleiding, terwijl daar vrijwel geen banengroei tegenover staat. Hoewel geen selectie heeft plaatsgevonden, is de balans toch beter geworden. Wel wordt duidelijk dat zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt problemen gaan voordoen. De verhouding tussen het aantal personen met een MAVO/VBO-opleiding en het aantal lagere beroepen is nauwelijks veranderd tussen 1996 en 2000. De verhouding tussen het aantal personen met alleen basisonderwijs en het aantal elementaire beroepen is daarentegen drastisch gewijzigd. Terwijl het aantal personen met 11.000 is toegenomen, steeg het aantal elementaire banen slechts met 1.000. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt is dus sprake van een stijgende “mismatch”.

STOGO onderzoek & advies 2002

18

Figuur 2.5

Aantal werkzame personen naar opleidingsniveau en aantal arbeidsplaatsen naar beroepsniveau in de provincie Utrecht, 1996 en 2000 (in absolute aantallen)

X 1.000

220
203 197 188

200

180

170

160

140
123

120 100
80 96 80 97 99

109 110

80

79 64 53

60
40 29 27 28

60

40

20

0
Basisonderwijs / Elementaire beroepen MAVO,VBO / Lagere beroepen HAVO,VWO,MBO / Middelbare beroepen HBO / Hogere beroepen WO / Wetensch. beroepen

Werkz. personen naar opleidingsniveau 1996 Werkz. personen naar opleidingsniveau 2000

Arb.plaatsen naar beroepsniveau1996 Arb.plaatsen naar beroepsniveau 2000

Bron: CBS Statline

Niet-werkzame beroepsbevolking Een ander toetsingselement is in hoeverre de groei van het aantal arbeidsplaatsen heeft geleid tot het opnemen van mensen uit de niet-werkzame beroepsbevolking. De jarenlange groei van de werkgelegenheid heeft ertoe geleid dat een steeds groter deel van de beroepsbevolking is gaan werken. Dit betekent dat de werkloosheid een dalende trend vertoont. Voor de beschrijving van de ontwikkeling van de werkloosheid wordt gebruik gemaakt van gegevens over de niet-werkzame beroepsbevolking. Deze groep wordt hier uitgesplitst naar werklozen en arbeidsongeschikten. Daarbij wordt het aantal werklozen gedefinieerd als het aantal personen dat een uitkering ontvangt in het kader van de Werkloosheidswet (WW) .

STOGO onderzoek & advies 2002

19

Het aantal arbeidsongeschikten wordt bepaald door de som van de uitkeringen van WAO (Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering), WAZ (Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen) en Wajong (Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Daarbij worden alleen personen meegerekend die meer dan 80% arbeidsongeschikt zijn. In 2000 ontving 1,9% van de beroepsbevolking in het RSP-gebied een WW-uitkering. Dit betekent een forse daling ten opzichte van 1996, toen het percentage op 5,2% lag. Het landelijke gemiddelde (2,7%) lag in 2000 hoger dan in het RSP-gebied. Bij de daling van het aantal WW-uitkeringen speelt de aanzienlijke groei van het aantal arbeidsplaatsen in de afgelopen jaren ongetwijfeld een belangrijke rol. Tussen de gemeenten in het RSPgebied bestaat weinig verschil in het aandeel WW-ers in de beroepsbevolking en evenmin in de omvang van de daling (tabel 2.8). Het is dus een algemeen verschijnsel.
Tabel 2.8 Aandeel personen met een WW-uitkering in de beroepsbevolking in 2000 (in procenten) en ontwikkeling in de periode 1996-2000 (in procentpunten) Gemeente 2000 1996-2000 Bunnik De Bilt Driebergen-Rijsenburg Houten Maarssen Nieuwegein Utrecht Vianen IJsselstein Zeist TOTAAL Nederland
Bron: LISV, Regionale gegevens WW (1996 en 2001) en EBB 2000

1,9 1,9 1,8 1,6 2,0 1,9 2,0 1,7 1,5 2,0 1,9 2,7

-2,3 -2,1 -2,5 -2,3 -3,8 -3,2 -3,6 -3,7 -3,1 -2,8 -3,3 -2,8

Het aantal arbeidsongeschikten is in de periode 1996-2000 flink toegenomen. In 1996 kreeg 9,2% van de beroepsbevolking een arbeidsongeschiktheidsuitkering en vier jaar later 12,7%. Landelijk gezien bedroeg het aandeel WAO-ers in de beroepsbevolking 13,3% in 2000. De gemeenten Zeist en Utrecht kennen een relatief groot aantal WAOers, terwijl Bunnik het laagste cijfer heeft. Vianen, Houten en Maarssen vertoonden sinds 1996 de grootste stijging (tabel 2.9).
Tabel 2.9 Aandeel volledig arbeidsongeschikten in de beroepsbevolking in 2000 (in procenten) en ontwikkeling in de periode 1996-2000 (in procentpunten) Gemeente 2000 1996-2000 Bunnik De Bilt Driebergen-Rijsenburg Houten Maarssen Nieuwegein Utrecht Vianen IJsselstein Zeist TOTAAL Nederland 9,6 10,6 12,8 10,6 11,8 12,1 13,4 11,6 11,0 15,1 12,7 13,3 3,0 3,5 3,5 4,3 4,3 3,8 3,4 4,6 3,5 2,7 3,5

Bron: LISV, Regionale gegevens WAO-, WAZ-, en Wajonguitkeringen (1996 en 2001) en EBB, 2000

STOGO onderzoek & advies 2002

20

De conclusie is dat de werkgelegenheidsgroei heeft geleid tot een daling van de werkloosheid, maar tegelijkertijd heeft geleid tot een toename van het aantal arbeidsongeschikten. Onduidelijk is of hierbij sprake is van een doorschuiving van de niet-werkzamen.

2.7

Het waarborgen van de bereikbaarheid van werklocaties; het verminderen van pendelen en files
Er is reeds geconstateerd dat de bereikbaarheid in het RSP-gebied de afgelopen jaren een steeds groter probleem wordt. Dit kan worden onderbouwd aan de hand van de uitkomsten van het pendelonderzoek dat is uitgevoerd door de provincie Utrecht. Eens in de vijf jaar wordt in de enquête aan bedrijven een extra vraag over pendel gesteld. De meest recente pendelgegevens zijn uit 2001. Deze gegevens worden vergeleken met de cijfers uit 1996. Hierbij wordt uitgegaan van het aantal werkzame personen per gemeenten. Er wordt gekeken naar het aantal werkzame personen dat in de werkgemeente woont en naar het aantal personen dat woonachtig is buiten de werkgemeente (inkomende pendelaars). Doordat de werkgelegenheid in de periode 1996-2001 veel sneller is gegroeid dan de beroepsbevolking is de inkomende pendel fors toegenomen. Het aantal inkomende pendelaars in het RSP-gebied is met 27% gestegen, van 164.300 naar 209.000 personen. Zes op de tien pendelaars heeft Utrecht als bestemming, 13% reist naar Nieuwegein en 10% naar Zeist.

De relatieve groei van de inkomende pendel was het grootst in de gemeenten die ook de hoogste werkgelegenheidsgroei kenden, namelijk Houten, IJsselstein, DriebergenRijsenburg en Nieuwegein (figuur 2.6). Van het totale aantal arbeidsplaatsen in het RSP-gebied wordt 37% ingenomen door personen die in de eigen gemeente wonen, een even groot aandeel als in 1996. In geen van de RSP-gemeenten komt het percentage werkzame personen dat in de werkgemeente woont uit boven de 50%. Voor het stadsgewest Utrecht geldt dat 60% van de werkzame personen hier ook woont. Daarnaast komt 14% uit een ander deel van de
STOGO onderzoek & advies 2002 21

provincie Utrecht en 26% komt van buiten de provincie. Het gaat vooral om de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag en om de grensgebieden van de provincie Utrecht. Door de toegenomen pendel wordt de druk op de bestaande infrastructuur steeds groter en komt de bereikbaarheid binnen het RSP-gebied in zekere mate in gevaar. Het BRU heeft daarom een onderzoek gedaan naar de omvang van pendel (een pendelscan). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat, hoewel de gemiddelde reisafstand tussen woonen werklocatie langzaam toeneemt, 37% van de mensen die in het BRU-gebied werken minder dan 5 km van het werk af woont (en ruim tweederde minder dan 20 km). Gezien deze korte woon-werkafstand is het opvallend dat toch nog 60% met de auto naar het werk komt. Hiernaast gaat een relatief groot gedeelte (23%) met de fiets. Uit het onderzoek blijkt dat 31% tot 52% van de soloautoritten ook per fiets zou kunnen. Het zou een enorme vermindering van het autoverkeer betekenen als deze mensen gestimuleerd zouden worden met de fiets te komen; een aandachtspunt voor toekomstig beleid.
Figuur 2.6 Aandeel van de werkzame beroepsbevolking dat woont in de werkgemeente in 2001 en groei van de pendel per gemeente* in de periode 1996-2001 (in procenten)

STOGO onderzoek & advies 2002

20

STOGO onderzoek & advies 2002

21

BUNNIK

26% 23% 40% 29% 36% 39% 37% 64% 43% 12% 30% 37% 37% 24% 47% 45% 36% 23% 37% 27%
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80%

DE BILT

DRIEBERGEN RIJSENBURG

HOUTEN

MAARSSEN

NIEUWEGEIN

UTRECHT

IJSSELSTEIN

ZEIST

TOTAAL

Percentage wonend in werkgemeente 2001 Groei pendel 1996-2001
* Voor de gemeente Vianen zijn geen pendelgegevens beschikbaar. Bron: Provinciaal Arbeidsplaatsen Register, 1996 en 2001, Pendel in de provincie Utrecht 2001

STOGO onderzoek & advies 2002

22

Files Het is de vraag of de infrastructuur in het gebied de steeds grotere aantallen pendelaars nog kan verwerken of dat er inmiddels congestieproblemen zijn ontstaan. Als indicator voor de drukte op de wegen werd tot 1999 gebruik gemaakt van de filezwaarte. Deze geeft aan hoeveel files er stonden in relatie tot de lengte van de files en de tijd dat ze er stonden. Vanaf 1990 (en met name vanaf 1993) ligt de groei van de filezwaarte voor de provincie Utrecht een stuk hoger dan het Nederlands gemiddelde (figuur 2.7). In 1997 is hierin een kentering te zien. In dit jaar is de filezwaarte afgenomen. Dit lijkt toegeschreven te kunnen worden aan maatregelen die op het wegennet zijn genomen. In 1998 is echter de registratie van files sterk verbeterd, wat te zien is aan de enorme toename van files in 1998 en 1999.
Figuur 2.7 Filezwaarte (in miljoenen kilometers maal minuten) in de provincie Utrecht en in Nederland in de periode 1986-1999, geïndexeerd (1986=100)

index 600 500 400 300 200 100 0 1986 1988 1990 1992 Provincie Utrecht 1994 1996 Nederland 1998* 1999 2000 2001

* Door een verbeterde registratie van files via het Traffic Information Centre Nederland, is in 1998 een trendbreuk opgetreden. Bron: Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Beleidseffectrapportage verkeer en vervoer Utrecht 2000

Behalve de ontwikkeling van de filezwaarte voor de gehele provincie kan door middel van de file top-20 op de autosnelwegen in de provincie Utrecht, ook op gedetailleerder niveau bekeken worden waar de files zich precies voordoen (tabel 2.11). De eerste vier files uit de top-20 komen ook in de landelijke file top-10 voor en kunnen dus tot de meest ernstige knelpunten van Nederland worden gerekend. Bijna alle files uit deze top-20 zijn op snelwegen geregistreerd die of op de stad Utrecht zijn gericht, of die er vandaan komen. De bereikbaarheid van de stad vormt dus echt een probleem. Het aantal voertuigkilometers in de provincie Utrecht is op de autosnelwegen aanzienlijk sterker toegenomen dan op de provinciale wegen. Tussen 1986 en 1999 nam het aantal voertuigkilometers op de autosnelwegen met 87% toe, terwijl dit op de provinciale wegen 19% was. Toch is ook op de provinciale wegen de toenemende drukte te merken, vooral in de spits.

STOGO onderzoek & advies 2002

23

Tabel 2.10 2000 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

File top-20 in de provincie Utrecht, 2000 (2000 (1999) landelijk) Weg Omschrijving (1) Diefdijk - Everdingen (-) (2) A 2 knooppunt Everdingen (-) Everdingen (8) A 2 (4) (10) A 12 parkeerplaats Slagmaat - Bunnik (6) (18) A 2 knooppunt Holendrecht (5) (19) A 2 Breukelen - Vinkeveen (9) (20) A 27 Hilversum - Bilthoven (10) (22) A 28 Leusden-Zuid - Leusden (-) (23) A 2 Vianen - knooppunt Everdingen (-) (31) A 2 Utrecht-West - Utrecht (12) (34) A 28 De Uithof - Den Dolder (8) (47) A 12 Nieuwerbrug - Woerden (-) (54) A 27 Veemarkt - Utrecht-Noord (19) (55) A 2 Maarssen - Breukelen (-) (56) A 2 Everdingen - knooppunt (-) Everdingen (65) A 2 (-) (68) A 12 Breukelen - parkeerplaats Ruwiel (-) (70) A 28 Maarsbergen - Oudenhorst (-) (72) A 27 Leusden-Zuid - Leusden (13) (75) A 28 Hilversum - knooppunt Eemnes (-) A2 Leusden - Amersfoort Maarssen - Oog In Al

Richting Utrecht Den Bosch Arnhem Utrecht Amsterdam Utrecht Amersfoort Den Bosch Den Bosch Amersfoort Den Haag Utrecht Amsterdam Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht

Bron: Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Beleidseffectrapportage Verkeer en Vervoer Utrecht 2001

2.8

Conclusie
Uit het Regionaal Structuurplan en de Regionaal-economische Ontwikkelingsstrategie, die zijn opgesteld door het Bestuur Regio Utrecht, kan een aantal beleidsdoelstellingen voor de toekomstige ontwikkeling van de regio Utrecht worden herleid. De doelstellingen ten aanzien van de werkgelegenheid, de beroepsbevolking, bedrijfslocaties en bereikbaarheid zijn in dit rapport getoetst. Hierbij is gekeken naar de ontwikkelingen op deze terreinen in de periode 1996-2001. 1) Het duurzaam versterken en vernieuwen van de economische structuur • De economische structuur van het RSP-gebied is zeker versterkt tussen 1996 en 2001. Dit blijkt uit de forse groei van het aantal arbeidsplaatsen (+28%) en het aantal vestigingen (+32%). Hiermee liggen de groeicijfers in het gebied ruim boven het landelijke gemiddelde. • De financiële en zakelijke dienstverlening is de snelst groeiende bedrijfstak in de regio. Dit is overeenkomstig de landelijke trend, maar in Utrecht ligt het tempo van de groei hoger dan in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. • De vernieuwing van de economische structuur komt zeer duidelijk tot uiting in de explosieve groei van de ICT-sector. Utrecht heeft zich ontwikkeld tot één van de belangrijkste ICT-centra in Nederland. • Een ander speerpunt in de vernieuwing van de economische structuur is de biomedische sector. Hier zijn de groeicijfers minder spectaculair als in de ICT-sector, maar het fundament van universitaire instellingen en gerenomeerde onderzoeksinstituten is stevig.

STOGO onderzoek & advies 2002

24

De conclusie is dat de ontwikkelingen aansluiten bij deze beleidsdoelstelling. De economische structuur groeit en vernieuwt zich door de komst van nieuwe bedrijfssectoren. Toch blijft de vraag of deze groei duurzaam is, omdat zij is gerealiseerd in een periode van hoogconjunctuur. De vooruitzichten lijken tot nu toe echter ook in een periode van minder economische groei gunstig te zijn. 2) Het behouden van bestaande en het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid, passend bij de behoefte van de beroepsbevolking in de regio • Het aantal arbeidsplaatsen in de regio is zo snel gegroeid in vergelijking met de beroepsbevolking dat er veel meer banen zijn dan personen in de beroepsbevolking. Inmiddels staat tegenover elke arbeidsplaats 0,83 persoon uit de beroepsbevolking. • Het behouden van bestaande werkgelegenheid is van groot belang voor de vitaliteit van de economie van het RSP-gebied. Tussen 1996 en 2001 is 59% van de groei voortgekomen uit groei van het zittende bedrijfsleven. Ruim eenderde van de groei was het resultaat van het verschil tussen het aantal oprichtingen en het aantal opheffingen. Migratie van bedrijven heeft slechts marginaal (5%) bijgedragen aan de banengroei. • De kwalitatieve afstemming tussen werkgelegenheid en beroepsbevolking is enigszins verbeterd tussen 1996 en 2001. Toch bestaan er nog steeds discrepanties, zowel aan de top van de arbeidsmarkt, als met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Hier is het aantal laag opgeleiden sterk toegenomen, terwijl daar slechts een geringe banengroei tegenover staat. Deze beleidsdoelstelling is duidelijk gerealiseerd. Het zittende bedrijfsleven is erg dynamisch en er vertrekken verhoudingsgewijs weinig bedrijven. Ook de aansluiting tussen het niveau van het aangeboden werk en de beschikbare beroepsbevolking is verbeterd. Toch zou bij het – beperkt – aantrekken van nieuwe werkgelegenheid nadrukkelijker moeten worden gekeken naar de kwalitatieve afstemming met de beroepsbevolking. Gedacht kan worden aan hoogwaardige bedrijvigheid op het terrein van life sciences. Daarnaast dient werkgelegenheid voor personen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te worden aangetrokken of deze mensen moeten via intensieve scholingsprogramma’s op een hoger niveau worden gebracht. 3) Het waarborgen van de bereikbaarheid van werklocaties; het verminderen van pendelen en files • De groei van de werkgelegenheid heeft geleid tot een sterke toename van de inkomende pendel (+27% in de periode 1996-2001). Van het totale aantal arbeidsplaatsen in het RSP-gebied wordt 63% ingenomen door mensen die buiten de werkgemeente wonen, oftewel 209.000 personen. • De bereikbaarheid in het gebied, vooral in en rondom Utrecht, vormt een steeds groter probleem.

STOGO onderzoek & advies 2002

25

De druk op het Utrechtse wegennet is dusdanig toegenomen dat de kracht van de regio – een goede bereikbaarheid – zwaar onder druk komt te staan en niet aansluit bij de beleidsdoelstelling. Doordat bereikbaarheid een van de belangrijkste vestigingsfactoren voor de regio is, is het van eminent belang om op dit gebied actie te ondernemen om het tij te keren.

STOGO onderzoek & advies 2002

26