Aan

de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA 's-GRAVENHAGE

Datum

Uw kenmerk

Ons kenmerk

Bijlage(n )

5-4-2001
Onderwerp

EZ-01-27

ES/REB/RTS 01006305.b10

reactie op verzoek om een actieplan m.b.t. herstructurering bedrijventerreinen (kenmerk EZ-01-27) Hierbij zend ik u de reactie op het verzoek van de Vaste Commissie voor Economische Zaken om op korte termijn een actieplan herstructurering op te stellen (kenmerk EZ-0127). De vaste Commissie voor Economische Zaken heeft dit verzoek op 18 januari 2001 bij EZ neergelegd. Het kabinet onderkent ten volle de problematiek rondom de veroudering van bedrijventerreinen in Nederland waarnaar u verwijst. Dit blijkt onder meer uit de aandacht voor deze problematiek in het Grotestedenbeleid, in de nota Ruimtelijk Economisch Beleid (NREB) en in de recent uitgebrachte Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (VIJNO). Uw terechte zorg over de verouderingsproblematiek heeft u in het afgelopen jaar tot uiting gebracht in twee amendementen. Naar aanleiding van het amendement dat door de heer Hindriks met de heer Van Walsem is ingediend bij de behandeling van de begroting 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XIII, nr. 27) heb ik het budget voor de TIPP inmiddels verhoogd met NLG 100 mln. Uw laatste amendement (Kamerstukken II 2000/2001, 27 400 XIII, nr. 22) is vervolgens door de Minister van Economische Zaken ontraden in een brief aan de Tweede Kamer d.d. 4 december 2000 (Kamerstukken II 2000/2001, 27400 XIII, nr. 39) omdat wij geen kans zien om extra middelen op korte termijn op een verantwoorde manier om te zetten in projecten. Dit laat onverlet dat ik mij geheel kan vinden in het inhoudelijke doel van uw actie: het realiseren van een fikse kwaliteitsslag op een deel van de bestaande bedrijventerreinen in Nederland. Ik maak dan ook graag van deze gelegenheid gebruik om u nader te informeren over de wijze waarop ik nu én in de voorliggende periode tot en met 2010 met de problematiek rond de verouderende bedrijventerreinen om wil gaan.

Bezoekadres

Doorkiesnummer

Telefax

Bezuidenhoutseweg 30, Den Haag
Hoofdkantoor Bezuidenhoutseweg 30 Postbus 20101 2500 EC 's-Gravenhage Telefoon (070) 379 89 11 Telefax (070) 347 40 81 Telex 31099 ecza nl Telegramadres ecza g v

(070) 379 6400

(070) 379 6095

X-400 adres S=EZPOST/C=NL/A=400NET/P=MIN EZ Internetadres ezpost@minez.nl Verzoeke bij beantwoording van deze brief ons kenmerk te vermelden

Achtereenvolgens ga ik in deze brief in op de volgende punten: • rolverdeling, taken en verantwoordelijkheden rondom de verouderingsproblematiek; • activiteiten die EZ op dit moment ontplooit; • activiteiten die EZ gaat ontplooien.

Rolverdeling, taken en verantwoordelijkheden Een belangrijk aspect bij de aanpak van verouderde bedrijventerreinen is de uiteindelijke rolverdeling tussen de verschillende betrokken partijen: het rijk, provincies, gemeenten en de private partijen. Uit de gekozen rolverdeling volgen uiteraard taken en verantwoordelijkheden van de diverse partijen. In de NREB wordt de noodzaak van flexibiliteit, maatwerk en samenhang in ruimtelijk beleid aangegeven. Mede naar aanleiding van het advies dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 1997 aan het kabinet uitbracht onder de titel Ruimtelijke ontwikkelingspolitiek, en op basis van onze ervaring met de praktijk van het ruimtelijk economische beleid is door het kabinet in de NREB nogmaals uiteen gezet wanneer, hoe en op welk bestuurlijk niveau de overheid in moet grijpen in de ruimtelijke dynamiek. De conclusie is tweeledig: 1. er ligt een duidelijke rol voor het rijk met betrekking tot de versterking van het ruimtelijk-economisch netwerk. Het rijk coördineert het ruimtelijk beleid en maakt keuzes op hoofdlijnen. Het rijk investeert in de kwaliteit en de bereikbaarheid van het netwerk of maakt deze investeringen mogelijk; 2. daarnaast ligt er een rol voor het rijk op het gebied van ruimte voor regionaal, gebiedsgericht maatwerk en schept het rijk voorwaarden voor een samenhangend beleid van andere overheden. Dus, een globaler beleid van het rijk en meer ruimte voor planvorming en beleidsontwikkeling op provinciaal en gemeentelijk niveau. Daarbij moeten de verantwoordelijkheden door de overheden in wisselwerking met de marktsector worden gedragen. Aan provincies en gemeenten vervolgens de uitdaging een concurrerend vestigingsklimaat te creëren op basis van de specifieke eigenschappen van de regio. Conform deze taakverdeling tussen de overheden zijn de gemeenten en provincies de eerstverantwoordelijke publieke partijen voor de ontwikkeling van nieuwe, en de aanpak van verouderde bedrijventerreinen. Het belang van deze partijen bij herstructurering van verouderde terreinen bestaat er met name uit dat de gerealiseerde kwaliteitsverbetering van de bedrijventerreinen direct bijdraagt aan de sociaal-economische leefbaarheid en de vitaliteit van steden en regio’s. Daar komt nog bij dat herstructurering een bijdrage kan leveren aan het efficiënter en intensiever omgaan met beschikbare ruimte (gemiddeld 4 - 12% ruimtewinst).

2

Het rijk ondersteunt de gemeenten en provincies langs de volgende vier lijnen: 1. formuleren van voorwaardenscheppend beleid zoals dat is neergelegd in bijvoorbeeld de VIJNO; 2. ontwikkelen en verspreiden van kennis zoals dat bij initiatieven als de BLM (Bedrijfslocatiemonitor) en het benchmarkonderzoek gebeurt; 3. maken van samenwerkingsafspraken met andere overheden, bijvoorbeeld het convenant EZ-IPO-VNG-V&W, waarin nadrukkelijk aandacht wordt geschonken aan hoe de herstructureringsopgave op te pakken. Het gaat hierbij om onderzoek, om het maken van handreikingen ten behoeve van concrete projecten en om het stimuleren van gemeenten om vaker samen te werken met het bedrijfsleven; 4. inzetten van selectieve financiële stimulansen om het proces van herstructurering op gang te brengen en te faciliteren. Een voorbeeld hiervan is de TIPP-regeling waar ik in de volgende paragraaf op terug kom.

Wat doet EZ al op het gebied van herstructurering? Om aan de investeringsopgave en het daarvoor noodzakelijke proces van samenwerking tussen de eerstverantwoordelijke partijen (gemeenten, provincies en bedrijfsleven) een extra impuls te geven heb ik begin dit jaar de Tenderregeling InvesteringsProgramma’s Provincies (TIPP) van start laten gaan (Staatsblad 31 januari 2001, nr. 46). De TIPP stimuleert provincies en via hen gemeenten om te zorgen voor kwalitatief goede en voldoende bedrijfslocaties. De regeling loopt t/m 2003 en heeft dankzij uw amendement inmiddels een budget van NLG 300 mln. Dit is een behoorlijke beleidsintensivering ten opzichte van de StiREA-regeling, de voorganger van de TIPP. De eerste tender in 2001 is op 5 februari jl. van start gegaan met een budget van 60 mln., de tweede tender zal de tweede helft van 2001 van start gaan met een budget van 90 mln. In 2002 respectievelijk 2003 volgende de derde en vierde tender. De TIPP richt zich op projecten met een exploitatietekort en legt een extra accent op invulling van herstructureringsopgaven. Op basis hiervan verwacht ik dat een aanzienlijk deel van de TIPP-middelen - naar schatting ruim tweederde deel- ten goede zal komen aan herstructureringsprojecten. Daarnaast zullen voor herstructurering de vanuit EZ beschikbaar gestelde middelen voor fysieke stadseconomie (ca. NLG 255 mln.) worden aangewend uit het Grotestedenbeleid. Fysieke stadseconomie maakt deel uit van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) dat loopt tot 2004. Op basis van een scan van de gemeentelijke projectplannen zal, afhankelijk van de definitieve projectkeuzes van de steden, naar schatting bijna de helft van het genoemde bedrag terechtkomen bij herstructureringsprojecten.

3

Via de TIPP-regeling en het GSB-beleid komt t/m 2003 derhalve naar verwachting ongeveer NLG 325 mln. aan EZ-middelen beschikbaar voor herstructurering van bedrijventerreinen. Daarbovenop komt nog een - thans nog niet nader te bepalen - deel van de in totaal ca. NLG 423 mln. t/m 2006 die in negen steden via de EUStructuurfondsen ( D2-programma's) kunnen worden aangewend voor herstructurering van bedrijventerreinen. Naast de lopende subsidie-instrumenten heeft EZ samen met VROM het CPB opdracht gegeven tot een nader onderzoek naar veroudering en herstructurering van bedrijventerreinen. De resultaten van dit onderzoek komen begin mei beschikbaar; ik zal u een exemplaar sturen. Doel van het onderzoek was het opstellen van een eenduidig begrippenkader voor herstructurering en veroudering en het verschaffen van inzicht in zowel de financiële als de maatschappelijke kosten en baten van herstructurering. Als belangrijk onderdeel van het onderzoek hebben EZ en VROM een werkconferentie georganiseerd over herstructurering in september 2000 in Utrecht. Voor deze conferentie waren gemeenten, provincies en private partijen uitgenodigd om vanuit hun dagelijkse praktijk te reageren op de tussenresultaten van het onderzoek. Enkele belangrijke tussenresultaten van het onderzoek zijn dat het: • meer inzicht biedt in het proces en de problematiek van veroudering, in de wijze waarop diverse partijen vanuit het verleden betrokken zijn bij veroudering en herstructurering. Het onderzoek geeft tevens inzicht in de financiële en maatschappelijke kosten en baten van herstructurering; • een voorstel doet voor een stappenplan aan de hand waarvan overheden per individueel verouderd bedrijventerrein een investeringsbeslissing kunnen nemen. • inzicht geeft in de mogelijke toekomstige publiek-publieke en publiek-private rolverdeling bij herstructurering van verouderde terreinen en • een aantal voorstellen doet om het opnieuw ontstaan van grootschalige herstructureringsopgaven in de toekomst te voorkomen. Om de nationale problematiek rondom herstructurering met name structureel op een goede manier aan te pakken, is het noodzakelijk om aanvullende activiteiten te ondernemen. In de volgende paragraaf ga ik dan ook nader in op de acties die EZ van plan is te ondernemen. Wat gaat EZ nog meer doen op het gebied van herstructurering? Het is mijn ambitie om over de periode van 2001 t/m 2010 op basis van de gekozen verantwoordelijkheidsverdeling tussen publieke partijen onderling en tussen publieke en private partijen vanuit het rijk de lagere overheden te ondersteunen bij het oplossen van het huidige probleem rondom veroudering en bij het voorkomen van een nieuwe herstructureringsopgave.

4

Om deze ambitie te realiseren wil ik op korte termijn, dat wil zeggen tot en met 2003, geen extra financiële impulsen geven voor herstructurering, maar vooral verdere kennis over verouderings- en herstructureringsprocessen opbouwen. In ICES-verband wordt momenteel gewerkt aan de verkenning van structuurversterkende maatregelen voor de verdere toekomst, tot 2020. De knelpunten t.a.v. bedrijventerreinen maken deel uit van deze verkenning. De eventueel hieruit voortvloeiende investeringsimpuls zal worden ingebracht bij het komende regeerakkoord. Gelet op de fase waarin de verkenningen zich bevinden, is het te vroeg om daaraan nu conclusies te verbinden. Overigens is daarbij naar mijn mening de inzet van aanvullende prikkels tot andere structuren en publiek-private rolverdeling onontbeerlijk om tot een goed eindresultaat te komen. In het resterende deel van mijn brief zal ik stil staan bij de financiële en de begeleidende acties die ik op korte en middellange termijn voor ogen heb. • Korte termijn (2001 tot en met 2003)

Financieel In de vorige paragraaf heb ik reeds een korte schets gegeven van de financiële middelen die op korte termijn worden aangewend (TIPP, GSB, EU-fondsen). Zoals ik in de inleiding van deze brief al aangaf is inzet van meer financiële middelen op de korte termijn naar mijn mening geen goede optie omdat: 1. herstructureringsprojecten vaak complexe en arbeidsintensieve projecten zijn waarbij het op gang brengen en houden van het proces erg veel tijd kost. Het is dan ook van belang dat de uitvoerende partijen financiële ondersteuning goed kunnen verdelen over de tijd; 2. voor een goede vormgeving van het beleid op middellange termijn verdere kennisopbouw een absolute noodzakelijkheid is; 3. het van belang is dat we rekening kunnen houden met ervaringen uit de lopende subsidie-instrumenten voor herstructurering bij de vormgeving van nieuw beleid. Kennisopbouw en -verspreiding Om verdere kennis op te bouwen en te verspreiden met het oog op een structurele oplossing voor het huidige probleem bereid ik momenteel de volgende acties voor: 1. gesprekken met publieke en private partijen over de toekomstige rolverdeling en een zo effectief mogelijke inzet van middelen. De resultaten uit het onderzoek van het CPB zullen daarbij een belangrijke input vormen; 2. informatie verzamelen en verspreiden over nieuwe regionale samenwerkingsstructuren en het verkennen van mogelijkheden voor innovatieve eigendoms- en beheersstructuren; 3. verkennen van mogelijkheden voor marktconforme, financiële stimulansen, bezien in relatie tot en gebaseerd op ervaringen met bestaande instrumenten;

5

4. verkennen van mogelijkheden voor het ontwikkelen van een landelijke verouderingsmonitor. Over de voortgang en resultaten van bovengenoemde activiteiten zal ik rapporteren in het eerstvolgende voortgangsbericht over het Actieplan NREB, welke ik kort na het zomerreces naar de Tweede Kamer zal sturen. • Middellange termijn (2004-2010)

Financieel Op de middellange termijn (2004-2010) kan een extra financiële impuls van de rijksoverheid ervoor zorgen dat gemeenten, provincies en bedrijfsleven de vereiste inhaalslag maken en dat het ontstaan van een nieuwe omvangrijke herstructureringsopgave in de toekomst wordt voorkomen. Daarbij is het in mijn ogen van belang dat op den duur ook een iets andere taakverdeling zal ontstaan tussen de eerstverantwoordelijke publieke partijen en de private partijen opdat: 1. de financiële bijdrage van private partijen aan beheer, onderhoud en herstructurering van bedrijventerreinen groter wordt; 2. provincies en gemeenten subsidies voor herstructurering selectiever in gaan zetten, door maatschappelijk rendement, zoals de verbetering van de sociaal-economische leefbaarheid en de vitaliteit van een stad of regio, explicieter een rol te laten spelen bij de afweging hoeveel geld de overheid aan welke verouderde terreinen besteedt.

Alles overziend kom ik tot de conclusie dat we met de beschreven instrumenten en de lopende en nog voorgenomen acties, vanuit onze rol heel stevig aan de slag zijn met herstructurering.

(w.g.) drs. G. Ybema Staatssecretaris van Economische Zaken

6