Inspraaknotitie startnotitie milieu effect rapportage

Regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard

Binnenmaas 18 februari 2004

Inspraaknotitie startnotitie mer Regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard
Binnenmaas 18 februari 2004
1. Inleiding Wat kunt u van deze inspraaknotitie verwachten? In deze notitie geven wij aan hoe wij met de inspraakreacties op de startnotitie tijdens het vervolg van de procedure omgaan. Er zijn in totaal 20 schriftelijke inspraakreacties ontvangen door het Bevoegd Gezag en vier reacties per email. Alhoewel niet alle reacties binnen de inzagetermijn zijn ingediend betrekken wij wel alle reacties bij deze inspraaknotitie. Wij hebben er voor gekozen om de verschillende reacties per (milieu)aspect te beantwoorden in plaats van elke reactie afzonderlijk. Het voordeel hiervan is dat alle insprekers, maar ook andere belanghebbenden via dit inspraakverslag zicht hebben op alle ingediende reacties en de beantwoording hier van. Hoe kunt u het antwoord op uw reactie vinden? In paragraaf 3 vindt u een overzicht van instanties en personen die schriftelijk hebben gereageerd op de startnotitie. De insprekers kunnen achter hun naam en het nummer onder de rubriek “zienswijze” de inspraakreactie en het antwoord daarop vinden. Leeswijzer In dit inspraakverslag geven wij een overzicht van alle reacties die zijn ingediend. Dit zijn zowel de reacties van belanghebbenden en geïnteresseerden als van de commissie voor de milieu effectrapportage. De mondelinge inspraak komt naar voren in de verslagen die bij hoofdstuk 2 genoemd zijn. Wij hebben de reacties in hoofdstuk 3 gerangschikt op basis van de onderwerpen die in de reacties zelf en in de startnotitie terugkomen. In hoofdstuk 4 gaan wij in op het advies van de commissie mer. In hoofdstuk 5 geven wij aan welke onderwerpen in de MER meegenomen worden. In hoofdstuk 6 geven wij tot slot aan hoe het vervolgtraject er uit ziet. 2. Verslag van de inspraakavonden

Bij dit inspraakverslag treft u het verslag van de inspraakavond van 10 december 2003 aan. De opmerkingen die tijdens deze avond zijn gemaakt, komen terug in de inspraakreacties die ingediend zijn. Er zijn geen aanvullingen vanuit de mondelinge reacties tijdens de inspraakavond ten opzichte van de schriftelijke reacties. Daarnaast hebben wij op 15 december 2003 een themadiscussie gehad over verkeer op basis van het verkeersonderzoek van DTV Consultants. Het verslag van deze discussieavond

treft u ook bij dit inspraakverslag aan. Ook de uitkomsten van deze themadiscussie zijn belangrijk voor het vervolgtraject c.q. het opstellen van de MER.

3.

Overzicht van de ontvangen inspraakreacties (brieven) Onderstaande schriftelijke inspraakreacties zijn in volgorde van de dagtekening van de ingekomen brieven weergegeven. Nr. Instantie/persoon 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. Gemeente Oud-Beijerland Dienst Ruimte Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek R. Rozendaal J. de Vlieger B. de Winter Suiker Unie De Groene Oase Adresgegevens Terug te vinden bij onderwerpen

Postbus 2003, 3.2.2/ 3.2.10 3260 EA Oud-Beijerland Postbus 1600, 3.2.7 3811 CV Amersfoort Blaaksedijk 255 Zomerlandseweg 9, Heinenoord Mollenkade 24a, 3274 LP Postbus 5601, 3297 ZG Puttershoek Staalmeesterstraat 30, 2613 MX Delft. P/a Mollenkade 17, Postbus 5455, 3299 ZH Maasdam Gorzenweg 5, 3274 LL Heinenoord De Ruijterstraat 17 3274 LJ Blaaksedijk Gorzenweg 6a Heinenoord Gorzenweg 7, 3274 LL Heinenoord Blaaksedijk 217, 3271 LP Mijns3.2.9. 3.2.3/ 3.2.9 3.2.3 3.2.3 / 3.2.4. 3.2.1/ 3.2.2 / 3.2.4 / 3.2.9 3.2.2/ 3.2.3./ 3.2.9 3.2.7. 3.2.2./ 3.2..8./ 3.2.9 3.2.1./ 3.2.2./ 3.2.3./ 3.2.4./ 3.2.6./ 3.2.8./ 3.2.9 3.2.2./ 3.2.3./ 3.2.4./ 3.2.6./ 3.2.8./ 3.2.9 3.2.1./ 3.2.2. / 3.2.3./ 3.2.8./ 3.2.9 3.2.4. / 3.2.6./ 3.2.7./ 3.2.9

Bewoners Mollenkade 13 t/m 21 (oneven) 2 brieven 9. Stichting tot behoud van Molens in de gemeente Binnenmaas 10. Stichting Noordrand Open 11. A. van der Pol en D. Gaasbeek 12. Mw. M. Lecluijze 13. M. Fabrie en W. FabrieDuvaloois 14. P. Bakhuizen en S. Bakhuizen-de Mos

15. Vereniging Hoekschewaards Landschap 16. Inspectie VROM 17. Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland 18. Deltanatuur 19. Politie Zuid-Holland-Zuid 20. Staatsbosbeheer 21. Gemeente Zwijndrecht 22. ZuiveringschapHollandse Eilanden en Waarden 23. Waterschap de Groote Waard 24. Ministerie van Defensie

heerenland Postbus 1080, 3.2.4./ 3.2.6./ 3260 AB Oud-Beijerland 3.2.7./ 3.2.9. Postbus 29036, 3001 GA ROTTERDAM Postbus 556 3000 N Rotterdam Postbus 1167 3300 BD Dordrecht Jos.Baldee@zuidholland.politie.nl R.Krober@sbb.agro.nl S. Vervoort@zwijndrecht.nl Postbus 469, 3300 AL Dordrecht Postbus 7010, 3286 ZG Klaaswaal t.a.v. J.M.J. Waals Postbus 8002, 3503 RA, Utrecht t.a.v. de heer C. van Kooten geen opmerkingen 3.2.3./ 3.2.10. geen opmerkingen 3.2.8. 3.2.6. 3.2.4. 3.2.5. 3.2.3. / 3.2.5. geen opmerkingen

3.1

Overzicht van de zienswijzen uit de inspraakreacties met beantwoording. De opmerkingen in de inspraakreacties hebben betrekking op verschillende onderwerpen. In dit inspraakverslag geven wij per onderwerp aan welke opmerkingen in de inspraakreacties zijn gemaakt. De onderwerpen die wij hebben benoemd komen terug in de startnotitie zelf. Bovendien hebben wij een koppeling gemaakt met de nota van beantwoording bij het beleidsvoornemen. De onderwerpen die wij benoemen in dit inspraakverslag zijn “Communicatieen informatieproces”,“Ruimtelijke structuur: woon- werk- en leefomgeving, “Verkeer”, “Bodem en water”, “Milieu”, “Natuur” , “Landschap, cultuurhistorie en archeologie”. De vragen en opmerkingen die niet duidelijk onder de milieuaspecten kunnen worden gerangschikt, behandelen wij bij het onderwerp “Overigen”. De reacties die betrekking hebben op alternatieve locaties komen terug bij het onderwerp “Alternatieve locaties”. Tot slot zijn vragen gesteld c.q. opmerkingen gemaakt over het provinciale plan voor een bovenregionaal bedrijventerrein in (een deel van) hetzelfde zoekgebied. Deze zijn behandeld onder de rubriek ”Bovenregionaal bedrijventerrein”. De opmerkingen en vragen uit de inspraakreacties zijn cursief gedrukt. Wij geven hierbij aan uit welke brief of brieven de betreffende vraag/opmerking afkomstig is. Per onderwerp geven wij een reactie op de vragen en opmerkingen uit de inspraakreacties. Een deel van de vragen en opmerkingen

uit de inspraakreacties hebben geen betrekking op de MER maar is wel relevant voor de planvorming. Wanneer dit zo is geven wij dit aan en geven wij aan hoe wij deze inspraakreacties in het vervolgtraject betrekken. In de ingediende inspraakreacties worden ook vaak bezwaren geuit tegen mogelijke varianten en oplossingen. Het doel van de MER is juist het onderzoeken van de effecten van de verschillende effecten. Op dat moment kunnen wij onderbouwd aangeven of de bezwaren (volgens de MER) terecht zijn. Op deze inspraakreacties gaan wij daarom in dit stadium nog niet in maar pas na het uitbrengen van de MER. Wel vertalen wij deze bezwaren in de inspraakreacties waar mogelijk naar effecten die wij in de MER onderzoeken. Een deel van de inspraakreacties bevat ook suggesties voor oplossingen. Deze worden bij het opstellen van de varianten in het kader van het structuurplan nader bestudeerd. 3.2.1 Communicatie en informatie m.e.r. procedure
Vragen en opmerkingen uit inspraakreacties 7. Voorkeursalternatief. Dit betekent dat de afweging van de alternatieven op de niet-milieu criteria (kosten/baten), politieke afweging, maatschappelijk draagvlak parallel aan MERonderzoek gemaakt wordt. De vraag die gesteld wordt is door wie deze afweging gemaakt wordt en welke invloed betrokkenen hier op kunnen uitoefenen. 11.In de inspraakreactie wordt gevraagd of aangegeven kan worden wanneer er inspraak heeft plaatsgevonden over de gekozen zoekgebieden. 13.In de inspraakreactie wordt verzocht beslissingscriteria te formuleren op basis waarvan de locatiekeuze gemaakt kan worden, deze criteria te voorzien van een weging (belang per criterium) en naar aanleiding van de MER de criteria te kwantificeren. 14.De indruk bestaat dat de locatiekeuze zo goed als gemaakt is. Op basis van de reacties van de bewoners is de locatie ten oosten zelfs in het programma van eisen opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente reeds gebruik gemaakt van het voorkeursrecht ten oosten van de Boonsweg terwijl bij een ander perceel, dat niet ten oosten van de Boonsweg ligt, geen gebruik is gemaakt.

Bovenstaande opmerkingen en vragen uit de inspraakreacties hebben voornamelijk te maken met communicatie en informatie. Het betreft de vraag hoe de gemeente(n) is (zijn) gekomen tot de keuze van de zoekgebieden. Het zoekgebied is in stappen afgebakend. Eerste afbakening heeft plaats gevonden door de provincie Zuid-Holland in het kader van het streekplan ZuidHolland-Zuid. De provincie is mede tot haar besluit gekomen op basis van een MER. Vervolgens hebben de gemeenten in de Hoeksche Waard een visie op de Noordrand opgesteld. In deze visie is het zoekgebied voor het eerst afgebakend. Deze afbakening is onderwerp van inspraak geweest in het beleidsvoornemen “ontwikkeling 20 hectare regionaal bedrijventerrein binnen zoekgebied Noordrandvisie”. Dit beleidsvoornemen heeft van 4 november 2002 tot 2 december 2002 ter inzage gelegen. In mei 2003 heeft de gemeente in de nota van beantwoording haar reactie gegeven. De varianten genoemd binnen de MER vallen allen binnen het zoekgebied. De commissie mer heeft in haar advies gevraagd om de keuze voor het zoekgebied te verduidelijken in de MER. Dit aspect komt dan ook nader onderbouwd terug in de MER. Een tweede opmerking heeft betrekking op de vraag hoe de MER in de besluitvorming betrokken wordt en op welke manier de keuzes gemaakt worden. In paragraaf 6.3 van de startnotitie MER is aangegeven hoe de

procedure er uit ziet. Het doel van het MER is om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming mee te nemen. Het milieubelang is hierbij een breed begrip. Feitelijk komt een MER er op neer dat alle effecten waar je mee te maken kan krijgen bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein in beeld worden gebracht. Op basis van deze effecten die uit de MER naar voren komen maakt de raad van gemeente Binnenmaas een totale afweging van belangen, voor- en nadelen. Deze afweging wordt gemaakt in het kader van het structuurplan en vervolgens in het bestemmingsplan en mede op basis van de inspraakreacties van alle betrokkenen. De MER helpt dus om de juiste beslissingen te kunnen maken in de ruimtelijke plannen (structuurplan en bestemmingsplan). De indruk is gewekt dat de locatiekeuze reeds gemaakt is. Deze uitspraak is gebaseerd op het grondbeleid dat de gemeente voert in het kader van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten. Bij de mogelijkheid voor de aankoop van gronden worden ook andere afwegingen gemaakt dan alleen de ligging. De gronden die in het kader van het voorkeursrecht zijn aangeboden liggen allemaal ten noordoosten van de bestaande Boonsweg. Er zijn nog geen gronden ten westen van de Boonsweg aangeboden in het kader van het gevestigde voorkeursrecht zodat de conclusie dat er al een locatiekeuze zou zijn te voorbarig is. Wij hebben alleen gronden ten noorden en oosten van de Boonsweg aangeboden gekregen. Daarnaast houden wij er bij de prijsstelling en contractvorm rekening mee dat het bedrijventerrein niet op deze verworven gronden gerealiseerd wordt. Tot slot wordt gevraagd de criteria en de weging van deze criteria duidelijk te benoemen. Dit is het doel van het MER in het gehele besluitvormingstraject en wordt hier dan ook in meegenomen. Bovendien komt dit ook terug in de reactie van de commissie mer. 3.2.2. Ruimtelijke structuur: woon- werk en leefomgeving
Vragen en opmerkingen uit inspraakreacties 1. Aandacht wordt gevraagd voor een goede inpassing van het terrein in zijn omgeving. Het is van belang dat verspreid gelegen bedrijven in het gebied Blaaksedijk de mogelijkheid krijgen naar het nieuwe terrein te verplaatsen zodat ook dorps- of dijkbebouwings-vernieuwing in gang kan worden gezet 7. Aan en afvoer van goederen aan de achterzijde kan een oplossing bieden voor weggebruikers maar levert extra overlast op voor omwonenden. 7. Onduidelijk is wat de gevolgen zijn voor het Caravanpark 7. Kwaliteit in ontwikkeling moet voorop staan. Als slecht voorbeeld wordt de ontwikkeling van Boonsweg genoemd. 8. De uitspraak dat het terrein compacter van opzet moet zijn dan de Bosschen in Oud-Beijerland leidt tot zorgen over de impact van het terrein op de omgeving. De leefbaarheid van de Mollekade wordt bij alternatief 4 te veel aangetast. 10. Er zijn woningen, inclusief de vakantiewoningen van de Groene Oase, die meer dan gemiddeld worden belast bij de voorgestelde locaties. Hieraan moet bijzondere aandacht besteed worden. 10. De plaats van de landbouw (van de koude grond) als belangrijkste drager van het landschap wordt onderbelicht. 11. Er is een wens voor garanties ter voorkoming van (verdere) verpaupering.

11. De effecten van de verschillende locaties in de startnotitie op de leefbaarheid van de direct omwonenden moeten in beeld worden gebracht. Er is aandacht nodig voor veiligheid. Een onveilig terrein met veel inbraken kan zijn weerslag hebben op de woningen in de omgeving. 11. Welke uitgangspunten/criteria is de gemeente van plan te hanteren om te garanderen dat het huidige woongenot van de bewoners in en aan de rand van het Noordrandgebied op geen enkele wijze geschaad wordt. Een welke garanties geeft de gemeente dat die gehandhaafd worden en blijven? 12. Het is van belang in beeld te brengen wat het nadelige effect van de verschillende locaties is op de woon- en leefkwaliteit. Woon en leefkwaliteit wordt gezien als vrij uitzicht over akkerbouw, ruimte om te wandelen etc. 12. Wat is het effect van vrachtverkeer op de huizen (trilling, verzakking, scheuring). Wat voor effect van het realiseren van een bedrijventerrein op de waarde van woningen in het gebied. 11. Een parkachtig industrieterrein zoals in Oud-Beijerland is zonde van het mooie landschap. 13. Het moet duidelijk worden wat nu precies wordt verstaan onder kwalitatief hoogwaardige uitstraling in relatie tot de gewenste intensievere bebouwing. 13. De woningen in het gebied moeten op de kaarten aangegeven worden. 12. In verband met leefbaarheid wordt met name aandacht gevraagd voor scheiding woningen/bedrijven, afstand tot woonbebouwing, groencompensatie rond woonkernen 13. De MER moet niet alleen de ruimtelijke effecten van het uiteindelijke bedrijventerrein van 60 ha. moet beschrijven, maar ook de effecten op de omgeving en de relatie hiermee. Om deze effecten in het juiste perspectief te kunnen beoordelen is het ook noodzakelijk om de ontwikkelingen te beschrijven. De leefbaarheid in het gebied moet in stand blijven. 12 en 13. Het is onduidelijk hoe wordt omgegaan met planschades/ waardedalingen en/of schade aan de woning. 14. De (relatieve) openheid van de polder Oost-Zomerland ten oosten van de Boonsweg moet als waarde worden opgenomen. 20. Welk effect heeft het geplande bedrijventerrein op de recreatieve ontsluiting en beleving van met name de buitendijkse gebieden.

Het onderdeel Ruimtelijke structuur: woon- werk en leefomgeving heeft een sterke relatie met de onderwerpen milieu, verkeer en natuur en landschap. Bij dit onderdeel behandelen wij de meer algemene opmerkingen en vragen. Meer specifieke opmerkingen komen bij één van de andere onderwerpen terug. In tabel 10 van de startnotitie MER zijn criteria opgenomen die in de MER zelf verder worden uitgewerkt. Onder deze criteria vallen bijvoorbeeld ook geluidsen trillingshinder. Aan de hand van de criteria worden de effecten van de alternatieven beschreven zodat de alternatieven vergelijkbaar zijn. Aan de hand van de beschreven effecten wordt gekeken of aantasting van aanwezige waarden voorkomen of beperkt kan worden of anders gecompenseerd. Openheid is niet als criterium opgenomen in de startnotitie maar komt wel

naar voren bij de verschillende modellen. Dit wordt wel als kwaliteit van het landschap gezien en daarom ook meegenomen in de MER. Naast de effecten op de stedenbouwkundige kwaliteit (met name gericht op de woonomgeving en de hoofdstructuur) worden ook de effecten op de landschappelijke kwaliteit in beeld gebracht. Een dilemma dat ook uit de inspraakreacties blijkt is de compactheid van het terrein. Een compact terrein beperkt het ruimtebeslag en beschermd dus beter de openheid van het gebied. Enkele bewoners vinden echter dat een compact terrein niet past in de Hoeksche Waard. Gevreesd wordt voor hoge bebouwing waardoor de belevingswaarde van het gebied wordt aangetast. In de inspraakreacties komen zowel voor als tegenstanders van een compact terrein naar voren. Dit dilemma wordt meegenomen in de MER zodat hier uiteindelijk een keuze in kan worden gemaakt. Bijzondere aandacht wordt door de insprekers gevraagd voor de afstand van bedrijven tot woningen. Voor de afstand tot woningen gelden afstandsnormen (zie onderwerp milieu). Daarnaast is het bepalen van afstanden als onderdeel van kwaliteit een onderwerp van inspraak. In overleg met de betrokkenen willen wij deze vaststellen en opnemen in de plannen. Wel hebben wij in een eerder stadium (presentatie beleidsvoornemen) in het programma van eisen voor het kwaliteitsbeeld al uitgangspunten opgenomen voor de afstand tot aanwezige bebouwing. Hier is in aangegeven dat langs bestaande bebouwing een zone wordt aangehouden gericht op het behoud van het beeld en het functioneren van de bestaande bebouwing. In het deel van de zone grenzend aan de bestaande bebouwing is nieuwe bebouwing niet mogelijk. Ook hier is aangegeven dat de precieze afstand per soort bedrijf kan verschillen. In het programma van eisen zijn ook uitgangspunten opgenomen voor het realiseren van gebieden op het terrein waar dezelfde soorten bedrijven aan elkaar gekoppeld worden. Bovendien zijn uitgangspunten opgenomen voor de afronding van de clusters. In de MER worden de effecten van de afstanden tot gevoelige objecten in relatie tot het behouden van de leefbaarheid beoordeeld. In het MER zal ook expliciet worden gemaakt welke woningen/gevoelige objecten relatief meer worden belast. Het in stand houden van de leefbaarheid van bestaande bebouwing is een belangrijk uitgangspunt bij het ontwikkeling van het nieuwe regionale bedrijventerrein. Dit moet dan ook specifiek aan de orde komen in de MER. Zoals wij ook in onze nota van beantwoording op het beleidsvoornemen van mei 2003 aangeven vinden wij de Boonsweg ook een voorbeeld van hoe wij het niet willen doen bij het nieuwe terrein. Dit is ook één van de redenen dat wij het voorkeursrecht in het gebied hebben gevestigd. Dit is een belangrijke mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de kwaliteit en uitstraling van het nieuwe terrein. De herstructurering van de Boonsweg is een belangrijk onderwerp dat wij als gemeente Binnenmaas zullen oppakken, los van de ontwikkeling van het nieuwe terrein. De relaties tussen de herstructurering en de nieuwe ontwikkeling worden natuurlijk wel in de gaten gehouden. In een inspraakreactie komt naar voren dat de woningen niet op de kaarten zijn ingetekend. De kaarten geven een globaal beeld van de te onderzoeken modellen. De woningen in het gebied zijn echter wel per huisnummer benoemd in de startnotitie. Alle woningen die te maken krijgen met de

modellen die onderzocht worden, zijn hier genoemd. Dit betekent dan ook dat de aanwezige woningen niet vergeten worden bij de uiteindelijke beoordeling in de MER. Landbouw is een belangrijke drager van het landschap voor de Hoeksche Waard maar minder relevant bij de discussie over de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Landbouw als functie verdwijnt immers als hier bedrijventerrein voor in de plaats komt. Wel relevant is dat de functie landbouw een landschappelijke kwaliteit namelijk openheid meebrengt die aangetast wordt. Deze landschappelijke kwaliteit komt dan ook terug in de MER. Wij begrijpen dat er angst is voor waardedaling van eigendommen en uiteindelijk schade aan de woningen. In dit stadium is met name het signaal van belang om hier rekening mee te houden in het verdere traject. Zowel mogelijke planschade als schade aan de woning is pas aan de orde als er zekerheid is over de uitvoering en/of als echt gestart wordt met de uitvoering. De overige onderwerpen zijn wel relevant voor het realiseren van een regionaal bedrijventerrein maar worden via een ander traject dan de MER betrokken. - Diverse suggesties voor het ontwerp (structuurplan) - Verplaatsing van bedrijven uit de omgeving naar het regionaal bedrijventerrein (afspraken met gemeenten en via uitgifte van gronden) - De uitstraling van Boonsweg geeft geen vertrouwen in de aanleg van het regionale bedrijventerrein (herstructurering Boonsweg en afspraken over onderhoud nieuwe terrein, parkmanagement) - Invloed van het bedrijventerrein op de sociale veiligheid zoals inbraak, rondhangende mensen etc. (beveiliging terrein, parkmanagement) - Effect van de verschillende varianten op de waarde van onroerend goed (planschades)

3.2.3. Verkeer
vragen en opmerkingen uit de inspraakreacties 4. Er is veel overlast van sluipverkeer in het gebied die verergert als een bedrijventerrein wordt ontwikkeld. 5. Voorgesteld wordt bij de aanleg van het bedrijventerrein Boonsweg de Mollekade en

Gorzenweg af te sluiten voor doorgaand verkeer en Blaaksedijk inrichten als 30 km zône. Ook wordt nadrukkelijk gevraagd om maatregelen voordat het terrein wordt ontwikkeld en niet gelijktijdig. 6.Gevraagd wordt de verkeersaspecten vanuit de suikerfabriek in het MER mee te nemen 8. Verkeersveiligheid op Mollenkade en Blaaksedijk neemt door toenemend verkeer nog verder af door ontbreken van voet- en fietspaden. Dat geldt zowel voor bewoners als voor schooljeugd. Erken Blaaksedijk en Mollenkade in richting van Heinenoord tunnel als schoolroute. 8 en 12. De route Gorzenweg, Mollekade, Blaaksedijk richting Reedijk wordt een gewilde sluiproute. Gevraagd wordt deze route gedurende ochtendspits richting Boonsweg af te sluiten en in de avondspits richting A-29 8. Gevraagd wordt de mogelijkheid van het parkeren van vrachtwagens in het plan mee te nemen om te voorkomen, dat daarmee de omgeving wordt geconfronteerd 11. Het hanteren van de Boonsweg als ontsluitingsweg is gebaseerd op een functie vanuit het verleden en daarom niet logisch. De Langeweg wordt als goede ontsluiting gezien voor een te ontwikkelen terrein. 12. Gevraagd wordt of ook verkeersstromen in het weekeinde onderzocht kunnen worden omdat er veel verkeersbewegingen zijn van en naar de supermarkt in het gebied 14. Onduidelijk is waarom de Reedijk verkeersstromen niet zou kunnen afhandelen. Hier moeten dan passende maatregelen voor genomen worden. 17. De ontwikkeling van een bovenregionaal terrein is een autonome ontwikkeling die moet worden meegenomen in de MER. Onduidelijk is welke aanpassingen nodig zijn aan het kruispunt A29/N217. Verder is van belang dat aanpassingen aan de infrastructuur die het gevolg zijn van ruimtelijke ontwikkelingen, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Voor de beoordeling van verkeerseffecten kan gebruik gemaakt worden van de mobiliteitstoets. 23. De verkeersbelasting is als autonome ontwikkeling een knelpunt op de N217 en moet meegenomen worden in de MER. Hierbij moet aandacht besteed worden aan verkeersveiligheid en de effecten op de woonmilieus.

In de MER worden de effecten van de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein ten aanzien van verkeersbewegingen onderzocht. Uiteindelijk moet op basis van de effecten bekeken worden wat de beste optie is voor het ontwikkelen van bedrijventerrein om verkeersoverlast zo veel mogelijk te beperken. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de effecten van verkeersbewegingen op de woongebieden c.q. de leefbaarheid in het gebied. Het onderzoek in de MER spitst zich toe op het nieuwe terrein en niet op bestaande situaties zoals bij de supermarkt in het gebied. De verkeersbewegingen die hier mee samenhangen zijn een vast gegeven in het onderzoek aangezien dit een bestaande functie is op de Boonsweg. Uit de verkeersonderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat een ontsluiting van een nieuw bedrijventerrein via de Reedijk knelpunten oplevert omdat de opvangmogelijkheden tussen de A29 en het kruispunt met de Reedijk beperkt zijn. Uit de verkeersonderzoeken blijkt dat wij beter gebruik kunnen maken van de capaciteit van de N217 over een grotere lengte van de N217 om te voorkomen dat het verkeer vast loopt op het kruispunt A29/ N217. Dit aspect komt ook weer terug bij de verkeersaspecten in de MER. Wij hebben onderzoek gedaan naar de verkeerssituatie op de Blaaksedijk. In het verkeersonderzoek zijn ook mogelijke maatregelen opgenomen om de bestaande problemen op te lossen. In een discussie over het verkeersonderzoek is ook over de mogelijke oplossingen gesproken. Een

mogelijke afsluiting van delen van de Blaaksedijk en omgeving is hier ook aan de orde geweest. Een verslag van de themadiscussie verkeer treft u bij dit inspraakverslag aan. Mede op basis van de resultaten van de MER bekijken wij wat een geschikte oplossing is voor de problemen aan de Blaaksedijk. Hierbij kijken wij ook naar het fietsverkeer op deze route. De mogelijke effecten van het bedrijventerrein op de Suiker Fabriek en omgekeerd is een onderwerp voor de MER. Het is mogelijk dat op het nieuwe terrein ook een vrachtwagenparkeerplaats wordt gerealiseerd. Dit wordt meegenomen als uitgangspunt in de MER. Uiteindelijk moet hier in het structuurplan of het bestemmingsplan een beslissing over worden genomen. Op dit moment zoeken wij al naar een tijdelijke oplossing voor het parkeren van vrachtwagens. Tot slot is van belang dat verkeer een belangrijk onderwerp in de MER is. Het uitgangspunt van zowel onze gemeente als de initiatiefnemer is dat alleen ontwikkeld wordt wat de infrastructuur aankan. Hierbij is ook van belang dat de MER betrekking heeft op de door de gemeente en initiatiefnemer gewenste ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein. De discussie over het bovenregionale bedrijventerrein is bekend. Alhoewel dit opgenomen is in het streekplan is er geen sprake van een concrete beleidsbeslissing van de provincie. De verantwoordelijkheid voor een bovenregionaal terrein, dat tegen de wens van de Hoeksche Waard is, ligt dan ook niet bij ons of de initiatiefnemer. Op het moment dat de plannen van de provincie daadwerkelijk uitgevoerd (moeten) worden moeten hiervoor door het verantwoordelijk bestuur en de initiatiefnemer van het bovenregionaal terrein de nodige procedures doorlopen worden. Vanzelfsprekend noemen wij in de startnotitie wel de mogelijkheid van een bovenregionaal terrein. Bij het maken van de keuzes in de ruimtelijke plannen speelt dit ook op de achtergrond mee. Dit betekent echter niet dat wij als Hoekschewaardse gemeenten deze verantwoordelijkheid overnemen. Als gesproken wordt over noodzakelijke aanpassingen van het kruispunt A29/ N217 is dit gebaseerd op onderzoeken van Haskoning in opdracht van de provincie bij de merprocedure rond het streekplan Zuid-Holland Zuid. In de reacties worden ten aanzien van verkeer verschillende oplossingen aangedragen voor de verkeersproblematiek. Deze worden betrokken bij de uiteindelijke keuzes in het structuurplan en het bestemmingsplan. Oplossingen zijn nog niet van belang bij het opstellen van de MER. Onderwerpen die wel relevant zijn voor het regionale bedrijventerrein maar niet voor de MER en daarom in een ander traject aan de orde komen: - oplossingen voor verkeersproblemen (structuurplan, bestemmingsplan, besluiten over verkeersmaatregelen) 3.2.4. Milieu

vragen en opmerkingen uit inspraakreacties 6.Gevraagd wordt het effect van de hinder van de suikerfabriek, met name de geurhinder, op de drie verschillende alternatieven van het regionale bedrijventerrein op te nemen in de MER. 7. Voorgesteld wordt de hindercategorie niet te vergroten, de milieucategorie te beperken tot cat. 3, een afstand te bewaren tot woonbebouwing en recreatieterrein van 300 meter, de te verwachten milieueffecten te splitsten naar bestaande en nieuwe hinder en de gevolgen van de verschillende alternatieven voor het caravanpark aan te geven. Bedrijven in milieu categorie 4 zijn niet acceptabel; deze horen thuis op zware industrieterreinen. Bovendien moeten de effecten die onderzocht worden uitgebreider omschreven worden. 11. Bedrijven met een extra verkeersaantrekkende werking horen niet thuis op het bedrijventerrein maar op zware bedrijventerreinen. 12. Onduidelijk is welke effecten te verwachten zijn met betrekking tot geur- en geluidoverlast. 15. Gevraagd wordt om (onder 5.2. beoordelingskader) ook de effecten van verlichting vanuit het bedrijventerrein in relatie tot de buitendijkse natuurgebieden (w.o. Agathapolder) te beschrijven. 21. De locatie Mollekade verdient vanuit milieu-optiek de voorkeur omdat de open ruimte ten oosten van de Boonsweg in stand kan worden gehouden, er minder transportbewegingen en uitstoot zullen zijn en er minder vrachtverkeer is in het gebied. Er kan gebruik gemaakt worden van de aansluiting op de Reedijk en het aanwezige bedrijventerrein op deze locatie.

Het uitgangspunt voor het nieuwe terrein zijn bedrijven in de categorieën 1, 2 en 3 met een vrijstellingsmogelijkheid voor categorie 4. Dit is hetzelfde als op bedrijventerrein De Bosschen. Ook in de Hoeksche Waard zelf zijn bedrijven in categorie 4 gevestigd die mogelijk in aanmerking komen voor verplaatsing naar het regionale terrein. Deze mogelijkheid moet dan wel aanwezig zijn. De effecten van deze categorieën bedrijven op de omgeving worden onderzocht in de MER. In de zonering van het bedrijventerrein kan hier ook rekening mee worden gehouden bijvoorbeeld door de minder belastende bedrijven aan de randen te plaatsen. Deze keuze moet uiteindelijk in het structuurplan en het bestemmingsplan gemaakt worden. De zonering van het terrein is een onderzoekspunt in de MER. Ook de commissie mer vraagt hier aandacht voor. De effecten in relatie tot de aanwezige Suiker Fabriek en effecten ten aanzien van geur en geluid worden meegenomen in de MER. Ook de mogelijke effecten van verlichting worden meegenomen. De locatie Mollekade wordt als locatie onderzocht. Als dit een goed alternatief vanuit milieuoptiek is, komt dit in de MER naar voren. Vanzelfsprekend moet dit nog wel afgezet worden tegenover andere effecten van dit alternatief bijvoorbeeld op de leefbaarheid in het gebied. De mogelijkheid voor verplaatsing van bedrijven uit de Hoeksche Waard naar het nieuwe terrein levert een verbetering in de milieusituatie op voor de hele Hoeksche Waard. Het is daarom van belang dit als effect mee te nemen in de MER. De commissie mer vraagt dit ook in haar advies. Voor de herinrichting van de vrijkomende locaties geldt dan dat er een verbetering moet ontstaan. Voor deze locaties moeten dan apart van het traject voor het nieuwe terrein plannen worden gemaakt waar belanghebbenden dan weer op kunnen reageren.

3.2.5. Bodem en water
vragen en opmerkingen uit de inspraakreacties e 22. Er moet worden voldaan aan het beleid waterbeheer 21 eeuw aangezien dit een autonome ontwikkeling is. Het rioolgemaal bij de Blaaksedijk heeft onvoldoende capaciteit om de uitbreiding op te vangen. Dit wordt al nader onderzocht. 23. Op basis van het Nationaal Bestuurlijk akkoord Water moet rekening gehouden e worden met het beleid waterbeheer 21 eeuw. In de MER moet aangegeven worden hoe rekening wordt gehouden met de wateropgave. De uitkomsten kunnen gebruikt worden als handvat bij de watertoets. Daarnaast moet een veilige primaire en secundaire waterkering in stand worden gehouden.

De eisen en uitgangspunten ten aanzien van water worden meegenomen in de MER. 3.2.6. Natuur
vragen en opmerkingen uit de inspraakreacties 11. De effecten op de natuur en de open ruimte moeten in beeld worden gebracht. 12.Gevraagd wordt een onafhankelijke studie te laten uitvoeren op de natuurwaarde van het gebied, waarin de aanwezigheid van belangrijke vogels een feit is . 13.Het bedrijventerrein De Bosschen in Oud-Beijerland, dat vaak als modelvoorbeeld voor het regionale bedrijventerrein wordt genoemd, is uit het oogpunt van natuurwaarden juist niet aan te bevelen. Het terrein loopt door tot de rivierdijk. 15. In het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen (bedrijventerrein, glastuinbouw, golfbaan, zweefvliegterrein) is het belangrijk de ecologische structuren (verbindingszônes) en de eventuele natuurcompensatie mogelijkheden te beoordelen. Openheid moet als criterium opgenomen worden in de MER. De effecten van verlichting op de natuur moeten in beeld worden gebracht. 20. De invloed op de recreatieve ontsluitingen en de beleving van het buitendijks gebied moeten in beeld worden gebracht. Ook moeten de effecten op de ecologische structuur in beeld worden gebracht. Afstand tot het buitendijks gebied is nodig om de natuurwaarden te beschermen.

De effecten van een nieuw regionaal terrein op de aanwezige natuurwaarden is een belangrijk punt van onderzoek in de MER. Dit gebeurt via een natuurtoets waar alle natuurwaarden in kaart worden gebracht. Het buitendijks gebied als natuurwaarde wordt hier dan ook in meegenomen. In het gebied spelen meerdere initiatieven. Deze initiatieven zijn niet allemaal in het stadium van uitvoering of voorbereiding van de uitvoering. Als de ontwikkeling zeker is, moet hier rekening mee worden gehouden in de MER. Voor genoemde ontwikkelingen zoals een golfbaan en een zweefvliegterrein geldt dat deze nog onzeker zijn. Bij deze ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de MER regionaal bedrijventerrein. Vanzelfsprekend houden wij wel rekening met de initiatieven in de afstemming tussen deze ontwikkelingen en geven wij in gesprekken met initiatiefnemers deze relatie uitdrukkelijk aandacht. Waar mogelijk nemen wij deze initiatieven en de wederzijdse beïnvloeding van de initiatieven mee in de MER.

Openheid is een belangrijke kwaliteit in de Hoeksche Waard. Bij de toetsing van de effecten zal de invloed op de openheid dan ook meegenomen worden.

3.2.7. Landschap, cultuurhistorie en archeologie
vragen en opmerkingen uit de inspraakreacties 2. Geadviseerd wordt een bureau-onderzoek in combinatie met een inventariserend veldonderzoek naar de archeologische waarden uit te laten voeren voor die delen van het zoekgebied, waar een redelijke tot (zeer) hoge kans op het aantreffen van archeologische sporen is. In m.e.r. richtlijnen opnemen dat onderzoek inzicht moet bieden in aanwezigheid van archeologische resten op geulvullingen en in landschappelijke inbedding van deze structuren. In richtlijnen opnemen dat effecten van de verschillende alternatieven op deze voorwaarden worden beschreven en gewogen. 9. Gevraagd wordt in de (uitwerking van de) locatievarianten rekening te houden met hoogtebeperkingen ten behoeve van de Oostmolen - de enige overgebleven wipmolen op de Zuid-Hollandse eilanden - zodat de noodbemalingsfuntie, het beeldbepalend landschappelijk element en het cultuurhistorisch aspect voor de toekomst behouden blijven. Ter bescherming van deze waarden bestaat voorkeur voor de westelijke variant. 15. Aandacht wordt gevraagd voor de waarde van de (relatieve) openheid van de polder Oost Zomerland ten oosten van de Boonsweg. De startnotitie vermeldt, dat het Oude Maasgebied ten westen van de Heinenoord tunnel is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Dit is niet correct, het gebied is aangewezen als Habitatrichtlijngebied.

De kwetsbaarheid van het model ten oosten van de Boonsweg ten aanzien van de openheid komt naar voren in de startnotitie en wordt door ons ondersteund. Dit is echter één van de punten die bij het onderzoeken van de effecten moet worden gewogen tegenover andere aspecten zoals natuurwaarden en leefbaarheid in de bestaande woonomgeving. De mogelijke archeologische waarden worden als uitgangspunt meegenomen in de MER. De relatie met de molen is van belang als een alternatief onderzocht wordt dat de molenbiotoop van de molen overschrijdt. Bij de alternatieven die wij onderzoeken is dit niet het geval. Als dit wel het geval is, moet rekening gehouden worden met de bepalingen in de molenbiotoopregeling. Als er inderdaad sprake is van een habitatrichtlijn in plaats van een vogelrichtlijn nemen wij dit mee in de natuurtoets en de MER. 3.2.8. Overigen
vragen en opmerkingen inspraakreacties 12. Een compact terrein is mogelijk, maar geen hoogbouw en maskeren met groen. 13. Als een hoge bebouwingsdichtheid alleen vanuit economische motieven wordt toegestaan kan dit de kwaliteit aantasten. 10. en 13. De aanwezigheid van de ondergrondse Rijn-Ruhr brandstof pijpleiding ontbreekt in de startnotitie. Gevraagd wordt de risico’s daarvan in

de MER mee te nemen. Het is niet toegestaan in de nabijheid van deze leiding te bouwen . 10. Uitgangspunt is een regionaal bedrijventerrein. Er worden geen instrumenten aangegeven, waarmee de vestiging van alleen bedrijven uit de Hoekschewaard in de praktijk wordt gegarandeerd. Een concrete lijst van bedrijven, die zich wel en niet mogen vestigen ontbreekt. Gevraagd wordt hiervoor criteria te ontwikkelen en de MER in deze lacune te laten voorzien .

11. Er zijn garanties gewenst dat zich alleen regionale bedrijven op het regionale terrein kunnen vestigen. Nadrukkelijk dient te worden gekeken naar hergebruik en herstructurering van bestaand bedrijventerrein. Veel bedrijfspanden daar staan leeg en bij de Nimag locatie is nog 6,5 ha. beschikbaar. Gevraagd wordt of gemeente initiatief neemt voor Nimag terrein en herstructurering bestaande bedrijventerrein en wat de milieu effecten daarvan zijn. Insprekers doen de aanbeveling daarbij gebruik te maken van de diensten van Decor. Er is onduidelijkheid over het standpunt ten aanzien van glastuinbouw. 14. Gevraagd wordt om toezending van de enquête resultaten van het behoefteonderzoek, waarop de 28 ha is gebaseerd. 19. Als een definitief besluit genomen is, is betrokkenheid bij de discussie over een veilig terrein gewenst.

In paragraaf 3.2.2. gaan wij in op de keuze die gemaakt moet worden tussen een groter ruimtebeslag en intensief ruimtegebruik. Dit dilemma komt terug in de MER. Aan een keuze voor een hoge bebouwingsdichtheid ligt niet alleen een economisch motief ten grondslag. Een hogere bebouwingsdichtheid betekent dat de openheid van een gebied minder wordt aangetast omdat er minder ruimte nodig is voor dezelfde hoeveelheid bedrijven. Dit is dus voornamelijk een maatschappelijke afweging. Alhoewel de leiding in het gebied niet naar voren komt in de startnotitie is de aanwezigheid hiervan bekend. Dit is ook tijdens de informatieavond aangegeven. Waarschijnlijk is dit voornamelijk van belang bij de inrichting van het gebied en het plan dat uiteindelijk gemaakt wordt. In de MER houden wij rekening met deze leiding en onderzoeken wij of dit van invloed is op de effecten van het nieuwe terrein. Als gemeente Binnenmaas hebben wij de noodzakelijke herstructurering van de Boonsweg aangedragen als project in het kader van Decor (Duurzaam Economisch Ruimtegebruik). Wij zijn dus bekend met het project Decor en sluiten ons hier als gemeente bij aan. De suggesties over het benutten van de herstructureringsopgave voordat nieuw terrein wordt ontwikkeld, raakt aan de discussie over de nut en noodzaak van het nieuwe terrein. Wij hebben marktonderzoek uit laten voeren naar de vraag naar bedrijventerrein. Hier komt de behoefte uit naar voren. De resultaten van het onderzoek zijn in te zien bij de gemeente en komen ook naar voren in de nota van beantwoording bij het beleidsvoornemen (mei 2003). Het onderzoek spitst zich toe op vraag naar nieuw terrein vanuit de Hoeksche Waard zelf. Bij de herstructurering van de Boonsweg gaan wij er niet vanuit dat dit extra ruimte oplevert voor nieuwe

bedrijven. Wij zetten bij de Boonsweg voornamelijk in op een verbetering van de uitstraling van het bestaande terrein. Het is mogelijk dat er enkele bedrijven willen verplaatsen naar het regionale terrein maar dit levert dan per saldo geen nieuwe ruimte op. Daarnaast blijft de uitbreidingsvraag die uit het marktonderzoek naar voren komt aanwezig. Vanuit de enquête die wij gehouden hebben in de Hoeksche Waard (met KIHW) zijn er verschillende bedrijven die interesse hebben in het nieuwe terrein. Deze lijst met bedrijven is niet openbaar aangezien wij vertrouwelijk met de vragen van de bedrijven omgaan. In de MER geven wij wel aan welke type bedrijven dit zijn en wat dit dan betekent voor het nieuw te ontwikkelen terrein. De resultaten van de enquête zijn beschikbaar en staan op de internetsite www.binnenmaas.nl. De uitkomsten ten aanzien van het type bedrijven zijn meegenomen in de startnotitie en komen dus ook terug in de MER. De commissie mer heeft in haar advies ook gevraagd meer aandacht te besteden aan de vraag naar bedrijventerrein en aan de effecten van verplaatsing van bedrijven. In de MER komen deze aspecten dan ook terug. Via de gronduitgifte en bepalingen in het bestemmingsplan sturen wij er op dat het terrein ook daadwerkelijk beschikbaar komt voor regionale bedrijven. Wij zorgen er verder voor dat de fasering van de uitgifte van de grond aansluit bij de vraag vanuit de regio. Het is niet mogelijk vestiging van bedrijven buiten de regio volledig uit te sluiten. Wij zullen echter alle mogelijkheden die er zijn benutten. Voor alle bedrijven die zich vestigen gelden dan wel dezelfde kwaliteitseisen. Dit betekent in de praktijk dat het type bedrijven dat zich vestigt wel hetzelfde is en voldoet aan de eisen die wij aan de uitstraling van het bedrijf stellen. De discussie over glas is in principe niet van belang voor de discussie over het bedrijventerrein en de MER regionaal bedrijventerrein. In het ontwikkelingsprogramma Hoeksche Waard is opgenomen dat er in de noordrand van de Hoeksche Waard ruimte is voor 50 hectare bruto glastuinbouw. Dit is bedoeld als opvang voor bedrijven die nu op andere locaties in de Hoeksche Waard gevestigd zijn zoals in een dorpskern of in gebieden met een hoge natuurwaarde. Het liefst willen wij geen glastuinbouwbedrijven op deze locaties. Wel moeten wij die bedrijven dan de mogelijkheid geven zich op een andere locatie te vestigen. Het is niet onze bedoeling om het voortbestaan voor de bestaande glastuinbouwbedrijven onmogelijk te maken.

De locatie in de noordrand als opvanglocatie moet nog onderzocht worden. Op dit moment weten wij nog niet of een dergelijke opvanglocatie te realiseren is en/of financieel haalbaar is. Zodra hier wel duidelijkheid over is, zullen wij u hierover informeren. Dit aspect is in ieder geval niet relevant voor de MER voor het regionale bedrijventerrein. 3.2.9. Alternatieve locaties
vragen en opmerkingen inspraakreacties 3. Gevraagd wordt in verband met de minste overlast voor de bewoners het bedrijventerrein langs de A29 te positioneren in de richting van de Mollenkade. Hierdoor worden N217 en Blaaksedijk ontzien en kan de leefbaarheid beter gewaarborgd worden. 4. Verkeerstoename kan via aanleg verkeersplein worden opgelost.Een locatie langs de A29 is beter omdat dit minder verkeer oplevert. Bovendien is deze locatie aantrekkelijk voor bedrijven 7. Wie maakt, parallel aan de MER, de afweging in de alternatieven op de nietmilieucriteria, zoals kosten/baten, politiek, maatschappelijk draagvlak. 8. Het in het plan uitgewerkte “model 4” (plan west) is voor de bewoners van de Mollekade een rampscenario. De in het rapport vermelde analyse dat dit model als slecht waardeert, wordt onderschreven. 10. Vanwege de kwaliteiten van het landschap is een bedrijventerrein in de noordrand onaanvaardbaar, gezien de eenvoudige en onbegrensde uitbreiding in oostelijke en westelijke richting. De nuloptie verdient daarmee de voorkeur en dient uitgewerkt te worden in de MER. Een locatie ten oosten van de HSL zou vanwege een duidelijke begrenzing in aanmerking kunnen komen. Als “second best” oplossing dienen de locaties aan beide zijden van de A29 en de locatie Reedijk/N217 te worden onderzocht en in de MER te worden meegenomen. Deze tasten het open landschap minder aan dan de locaties rond Boonsweg en sluiten beter aan bij de gehanteerde overwegingen rond ontsluiting, inpassing in het landschap en beperkte aanpassing infrastructuur. 10. Gevraagd wordt binnen het aangegeven zoekgebied een vierde variant in het MER mee te nemen, waarin alleen het oostelijk en westelijk gebied van het bestaande bedrijventerrein zijn opgenomen en de noordkant helemaal open blijft. 11. De mogelijkheid om bedrijven te verplaatsen naar Moerdijk moet onderzocht worden. 12. Inspreker zou graag vanwege de nadelen Noordrand en de vele voordelen van het gebied Blaaksedijk/N217 studie zien naar een terrein tussen Blaaksedijk en N217 13. Een situering aan de A29 ontlast het woongebied. 14.Het bezwaar van twee terreinen op korte afstand is een gevoelsmatige redenering. Gevraagd wordt beslissingscriteria te formuleren en van een weging te voorzien en op basis van de daaruit volgende score een locatiekeuze te maken.Een locatie direct aan de A29 moet worden opgenomen als te onderzoeken alternatief. 15.Gevraagd wordt een variant ten oosten en westen van de Boonsweg te onderzoeken. Er zijn valide argumenten (ruimte beslag en invloed op woonbebouwing) om dit niet te doen, maar een afweging op aspecten natuur en landschap ontbreekt daarbij wel.

In de inspraakreacties en ook tijdens de informatiebijeenkomst is aangedrongen op het

uitbreiden van de te onderzoeken alternatieven. Bij het bepalen van de alternatieven hebben wij ons beperkt tot het zoekgebied zoals dit naar voren komt in onze ruimtelijke plannen. Als basis van deze ruimtelijke plannen hebben wij de afweging gemaakt welke locatie geschikt is voor het realiseren van bedrijventerrein, op niveau van de Hoeksche Waard. Dit is in feite een inperking van de ruimtelijke aanwijzing in het streekplan op basis van een nader onderzoek. In ons beleidsvoornemen om te starten met de ontwikkeling van 20 hectare bedrijventerrein geven wij alle argumenten aan waarom wij tot dit gebied gekomen zijn. Ook in de nota van beantwoording bij dit beleidsvoornemen komen deze argumenten terug. Omdat er nog steeds veel vragen zijn over deze keuzes, geven wij de keuze nogmaals onderbouwd weer in de MER. Dit doen wij aan de hand van verschillende criteria die wij bij onze beoordeling betrokken hebben. Los van deze nadere onderbouwing in de MER willen wij op basis van de inspraakreacties alternatieven toevoegen. Dit doen wij om tegemoet te komen aan alle opmerkingen die hierover zijn gemaakt. Model 3 (locatie Mollekade) zal worden uitgebreid, buiten het zoekgebied om, tot het gebied direct aan de A29. De effecten van een ontwikkeling direct aan de A29 zullen dan nogmaals in de MER worden onderzocht. Daarnaast voegen wij een variant toe. Dit is de oost-west-variant rondom de Boonsweg. Dit houdt concreet in dat wij een uitbreiding van de Boonsweg ten oosten en ten westen onderzoeken waarbij het gebied ten noorden van de Gorzenweg vrij blijft van een uitbreiding. Uiteindelijk worden er dus vier varianten onderzocht in de MER. Op bijgaand kaartje geven wij de uitbreiding van de modellen aan. Er worden in de inspraakreacties nog meerdere locatiemogelijkheden aangestipt. De overige locaties die genoemd worden in de inspraakreacties komen terug in de nadere onderbouwing van de locatiekeuze die wij in de MER opnemen. Ook de commissie MER heeft gevraagd om een uitbreiding van de te onderzoeken varianten en een duidelijke onderbouwing van de locatiekeuze.

Onderzoek naar mogelijke locaties buiten de Hoeksche Waard valt buiten het kader van deze MER. Het ontwikkelen van een regionaal bedrijventerrein is van belang om een gezond ondernemersklimaat te bieden in de Hoeksche Waard. Voor de leefbaarheid in de Hoeksche Waard is het ook van belang om een bepaalde mate van werkgelegenheid in stand te houden. Wij vinden het geen goede ontwikkeling om bedrijven te stimuleren te verplaatsen naar terreinen buiten de Hoeksche Waard. Het is overigens wel mogelijk dat er bedrijven zijn die willen uitbreiden of verplaatsen maar vanuit een kwaliteitsuitgangspunten niet passen op het regionale terrein. In die situatie is het natuurlijk wel mogelijk dat bedrijf te stimuleren om te verplaatsen naar een terrein buiten de Hoeksche Waard. Het uitgangspunt voor deze MER is de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein. Het onderzoeken van een optie waarbij geen terrein wordt ontwikkeld is daarom niet aan de orde. In de MER wordt bekeken wat de effecten van een ontwikkeling zijn op de omgeving niet wat er gebeurd als er geen ontwikkelingen zijn in het gebied. Er wordt om een nadere toelichting gevraagd over de manier waarop de afweging uiteindelijk plaatsvindt. In paragraaf 3.2.1: communicatie en informatie mer procedure gaan wij hier nader op in. In de inspraakreacties komen verschillende oplossingen naar voren. Deze oplossingen zijn relevant bij de discussie over een regionaal bedrijventerrein maar niet voor deze MER. Oplossingen komen terug bij de procedure over het structuurplan of het bestemmingsplan. Daarnaast geven verschillende insprekers een oordeel over de locaties die onderzocht moeten worden. Sommige locaties worden als positief en sommige als negatief beoordeeld. De objectieve beoordeling van deze locaties komt naar voren in de MER. Op basis hiervan kunnen de verschillende argumenten in relatie tot elkaar beoordeeld worden. 3.2.10. Bovenregionaal bedrijventerrein

vragen en opmerkingen inspraakreacties 1. Er moet rekening gehouden worden met het feit dat de provincie andere wensen heeft dan de gemeenten. 17. In het onderzoek naar de verkeerseffecten moet rekening gehouden worden met een bovenregionaal bedrijventerrein.

Bij het onderwerp verkeer (3.2.3) gaan wij in op de relatie met het bovenregionale terrein. Onderwerp voor de MER is de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein en niet een bovenregionaal terrein. De effecten van een regionaal terrein worden dan ook onderzocht. Het is bekend dat de provincie op dit moment in gesprek is met de gemeenten over haar plannen met de Hoeksche Waard. Dit heeft geleid tot de nodige commotie en onrust over de plannen van de provincie. De discussie over de ontwikkeling van een bovenregionaal terrein loopt nog. Voor de ontwikkeling van een regionaal terrein hebben wij er voor gekozen deze discussies niet af te wachten. Het is van belang te voorzien in de behoefte aan bedrijventerrein en de voorbereidingen hiervoor moeten dan ook getroffen worden. Als er inderdaad een bovenregionaal terrein wordt ontwikkeld is dit de verantwoordelijkheid voor de provincie. De provincie moet hiervoor dan ook de nodige procedures doorlopen. In de discussie over het regionale terrein, nemen wij deze verantwoordelijkheid van de provincie niet over. Er is sprake van een ander initiatief en een ander bevoegd gezag.

4.

Advies richtlijnen commissie voor de milieu effectrapportage Na een locatiebezoek op 20 januari 2004 heeft de commissie voor de milieu effectrapportage een advies uitgebracht over de richtlijnen voor de MER. Dit is

een advies aan gemeente Binnenmaas als bevoegd gezag. De raad van de gemeente beslist of zij dit advies opleggen aan de initiatiefnemer (RIHW) en eventueel aanvullende richtlijnen vaststellen. Op basis van dit besluit van de gemeenteraad zorgt de initiatiefnemer dat de MER opgesteld wordt. In paragraaf 4.1. geven wij de belangrijkste elementen uit het advies aan en op welke wijze dit meegenomen moet worden in de MER. Het volledige advies treft u als bijlage bij dit inspraakverslag aan.

4.1

Uitgangspunten
- Onderbouwing locatiekeuze De MER moet antwoord geven op de vraag welke locaties onderzocht zijn en welke locatie reëel zijn om te onderzoeken. De belangrijkste kenmerken van de locaties moeten beschreven worden. - Aanpak inrichtingsvarianten. Bij de beschrijving van de inrichtingsvarianten moet inzichtelijk zijn welke milieuafwegingen zijn gemaakt waarbij met name aandacht moet worden besteed aan intensief ruimtegebruik. - Ruimtelijke kwaliteit Er moet aandacht worden besteed aan de landschappelijke inpassing. - Bereikbaarheid De effecten op de mobiliteit moeten beschreven worden. Hieronder vallen de ontsluitingsstructuur en de belasting van het omliggend wegennet. Ook moet beschreven worden hoe de verkeersontsluiting de gefaseerde ontwikkeling van het terrein kan volgen. - Oplossing bestaande knelpunten Het nieuwe terrein moet een oplossing bieden voor bestaande milieuknelpunten zoals op de Boonsweg en elders in de Hoeksche Waard. Hierbij moet aandacht besteed worden aan verplaatsing van milieuhinderlijke bedrijven vanuit de Hoeksche Waard en aan de herstructurering van de Boonsweg. - Behoefteonderzoek Het marktonderzoek moet geactualiseerd worden waarbij de commissie enkele specifieke vragen stelt waar inzicht in moet worden gegeven. Dit betreft bijvoorbeeld de relatie met herstructureringsopgaven, de beschikbare ruimte op andere terreinen en de economische recessie. - Overige opmerkingen Ten aanzien van de omvang van het terrein geeft de commissie als tip om te werken met scenario’s waarbij gekeken wordt naar een minimale en maximale omvang van een bedrijventerrein op deze locatie. Er moet aandacht worden besteed aan de milieuzonering in relatie tot de verschillende categorieën bedrijven die zich op het terrein kunnen vestigen. Daarnaast moet aandacht besteed worden aan hoe via het beheer van het terrein een gerealiseerde kwaliteit kan worden gewaarborgd. Een ander belangrijk aspect is de mogelijkheid van flexibiliteit en fasering op te nemen in de MER om in te kunnen spelen op gewijzigde omstandigheden en zodoende negatieve effecten te kunnen verminderen. Dit sluit ook aan bij de opmerking over de omvang van het terrein. Tot slot wordt specifiek aandacht gevraagd voor de woon- en leefomgeving.

5.

Conclusie

In dit hoofdstuk geven wij concluderend aan welke onderwerpen meegenomen moeten worden in de MER. Wij geven hierbij alleen datgene aan dat niet al automatisch in de MER aan de orde komt en/of al in de startnotitie is aangegeven. Het betreft alleen de zaken die aanvullend zijn en/of bijzondere aandacht vragen. De weergave bij deze

conclusies zijn dus de richtlijnen zoals wij adviseren om vast te stellen voor de op te stellen MER. 5.1. Inspraakreacties Communicatie- en informatieproces - Verduidelijking totstandkoming zoekgebied noordrandvisie/ ontwikkelingsprogramma voor de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein - Benoemen duidelijke criteria in MER waarop de verschillende varianten getoetst zijn zodat de afweging duidelijk is en de varianten goed met elkaar vergeleken kunnen worden (zie ook advies commissie mer) Ruimtelijke structuur: woon- werk en leefomgeving - Openheid opnemen als belangrijk kwaliteitsaspect dat moet worden meegenomen in de beoordeling van de varianten - Effecten van keuzemogelijkheid tussen ruime opzet nieuw terrein en intensief bouwen in beeld brengen vanuit wens enkele insprekers om een ruime opzet te kiezen en andere insprekers en commissie mer om te kiezen voor intensief ruimtegebruik - Leefbaarheid en het instandhouden van de leefbaarheid na het realiseren van een regionaal bedrijventerrein mee te nemen in de beoordeling van de verschillende varianten. Verkeer - Effecten van een nieuw regionaal bedrijventerrein op mobiliteit in beeld brengen, zowel voor ontsluiting terrein, gevolgen onderliggend wegennet, verkeersveiligheid en kwetsbare weggebruikers. Dit gebeurt ten aanzien van alle varianten die worden onderzocht. - Effecten van het terrein op Suiker Fabriek ten aanzien van verkeersbewegingen meenemen - Verkeer als uitgangspunt nemen voor fasering van de ontwikkeling. Dit betekent dat er geen bedrijventerrein ontwikkeld wordt als de infrastructuur dit niet kan dragen. Het uitgangspunt hierbij is dat er 20 ha ontwikkeld kan worden zonder aanpassingen van het kruispunt A29/ N217. Milieu - Effecten van gewenste milieucategorieën meenemen in beoordeling van de

ontwikkeling van een bedrijventerrein (1 tot en met 3 met vrijstelling voor 4). - Zoneringsmogelijkheden op te ontwikkelen terrein onderzoeken met als uitgangspunt het beperken van overlast voor in het gebied aanwezige bestaande (gevoelige) bebouwing. - Effecten ten aanzien van geur, geluid en verlichting meenemen. Bij geur en geluid ook relatie met Suiker Fabriek meenemen - Effecten in milieuverbetering in Hoeksche Waard meenemen als gevolg van verplaatsing van bedrijven naar het nieuwe regionale bedrijventerrein. Bodem en water - Eisen en uitgangspunten van Waterschap en Zuiveringsschap ten aanzien van water meenemen in de MER. Natuur - Via natuurtoets natuurwaarden belangrijke plaats geven in de MER. Natuurwaarden op basis hiervan in kaart brengen zodat effecten op een goede manier beoordeeld kunnen worden. - Waar mogelijk rekening houden met initiatieven die in het gebied spelen met als uitgangspunt een goed beeld te hebben waar initiatieven elkaar versterken en/of aanvullen en waar mogelijk sprake kan zijn van strijdigheid. Met deze strijdigheid kan bij initiatieven die nog in voorbereiding zijn rekening worden gehouden omdat de ontwikkeling van het bedrijventerrein een feit is, wat niet geldt voor initiatieven als de ontwikkeling van een golfbaan of een zweefvliegterrein. - Openheid meenemen als kwaliteitsaspect van het landschap bij de beoordeling van de verschillende varianten Landschap, cultuurhistorie en archeologie - Rekening houden in de MER met de archeologische waarden in het gebied. - Indien noodzakelijk rekening houden met de molenbiotoopregeling. dit - Als er sprake is van een habitatrichtlijn in plaats van een vogelrichtlijn, aanpassen in de MER.

Overigen - Effecten van keuzemogelijkheid tussen ruime opzet nieuw terrein en intensief bouwen in beeld brengen vanuit wens enkele insprekers om een ruime opzet te kiezen en andere insprekers en commissie mer om te kiezen voor intensief ruimtegebruik. - Rekening houden met de aanwezige leiding(en) in het gebied en de effecten hiervan op de verschillende varianten.

- Actualisering van behoefte en vraag van bedrijven meenemen in MER (zie ook advies commissie mer). Alternatieve locaties - Nadere onderbouwing locatiekeuze opnemen in MER met afweging van locaties die naar voren komen in inspraakreacties (zie ook advies commissie mer). - Model 3 (Mollekade) uitbreiden tot direct aan de A29 om tegemoet te komen aan de inspraakreacties (zie kaartje 1). Mogelijk wordt de totale omvang iets beperkter omdat het uitgangspunt is een terrein van 60 hectare netto/ 90 hectare bruto. - Model 4 toevoegen om variant aan weerszijden Boonsweg te onderzoeken waarbij gebied ten noorden Gorzenweg vrij blijft (zie kaartje 2).

5.2.

Advies richtlijnen commissie mer Wij adviseren het advies van de commissie mer volledig op te volgen en vast te stellen als richtlijnen voor de op te stellen MER.

6.

Vervolgtraject

Na vaststelling van de richtlijnen door de raad, worden de volgende stappen gezet in het kader van deze ruimtelijke procedures. 1. Bekendmaken richtlijnen raad algemeen en individuele beantwoording inspraakreacties 2. Bekendmaken richtlijnen raad aan initiatiefnemer RIHW 3. Initiatiefnemer RIHW stelt MER en structuurplan op 4. Communicatietraject MER en structuurplan 5. Vaststellen structuurplan door raad 6. Opstellen bestemmingsplan door initiatiefnemer RIHW eerste fase 20 ha 7. Herijking MER en eventueel aanpassing MER aan nieuwe ontwikkelingen op basis van bestemmingsplan om de goede effecten in beeld te hebben bij besluitvorming over bestemmingsplan 8. Communicatietraject (aangepaste) MER en bestemmingsplan 9. Vaststelling bestemmingsplan door raad Wij verwachten dat de MER en het structuurplan rond de zomerperiode gereed zijn.

Het bestemmingsplan is in de tweede helft van 2004 gereed.