Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

10 stappen voor een marktgericht locatiebeleid

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

10 stappen voor een marktgericht locatiebeleid
Vooraf
Het economisch belang van het regionale bedrijfsleven vereist zowel kwantitatief als kwalitatief voldoende bedrijfslocaties. Door deze goed in te passen in een heldere ruimtelijk-economische structuur kunnen activiteiten elkaar versterken. Locaties moeten enerzijds voldoende flexibel zijn voor toekomstige veranderingen en anderzijds in staat zijn om de continuïteit van de daar gevestigde bedrijven te waarborgen. Onder het motto ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’ leek het huidige locatiebeleid (ABC-beleid), dat eind jaren ’80 haar intrede deed, aan deze randvoorwaarden tegemoet te willen komen. Het ABC-locatiebeleid werkt in zijn huidige vorm echter averechts. Al heet ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’ de basis te zijn voor dit beleid, feitelijk bleek ‘beperking van de automobiliteit’ de hoofddoelstelling. De centrale gedachte daarbij was dat door het combineren van ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’ met stringent parkeerbeleid, de automobiliteit teruggedrongen kon worden en het gebruik van openbaar vervoer en de fiets zou toenemen. Naast het ABC-beleid bestond ook een vestigingsbeleid voor perifere en grootschalige detailhandel, het PDV/GDV-beleid. Door selectief plekken aan te wijzen waar dergelijke locaties mochten ontstaan, werd ook een poging ondernomen de mobiliteit te beïnvloeden. In het huidige locatiebeleid ligt teveel nadruk op regulering (push-factoren) en te weinig op facilitering van goede randvoorwaarden (pull-factoren). Bovendien ontbreekt het aan een regionale regie over de plaats en aard van de te ontwikkelen bedrijfslocaties. Door dit alles vinden investeringen van overheid en bedrijven niet of niet op de juiste plek plaats. De hoofddoelstelling van het locatiebeleid ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’ wordt zodoende niet gehaald. Het locatiebeleid is dus toe aan grondige herijking. Het Rijk heeft in De Vijfde Nota, Het nieuwe locatiebeleid: een goede plaats voor ieder bedrijf de uitgangspunten, doelstellingen en maatregelen opnieuw bepaald.1 Ook de Kamers van Koophandel in de Randstad2 vinden herijking van het locatiebeleid noodzakelijk. Bedrijven moeten, veel meer dan nu het geval is, via uitstekende randvoorwaarden verlokt worden om zich op de juiste plek te vestigen. ‘Het juiste bedrijf op de juiste plaats’ is nog steeds een goed beginsel voor locatiebeleid. In deze notitie zetten we de manco’s van het vigerende ABC-locatiebeleid op een rij. Vervolgens geven we in 10 stappen aanbevelingen voor een nieuw, meer marktgericht locatiebeleid. Dit moet zijn vertaalslag krijgen in de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, nieuwe streekplannen (provincies), nieuwe regionale structuurplannen (kaderwetgebieden en grotere gemeenten), verkeers- en vervoersplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen.

1

Inmiddels is in december 2001 deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (PKB-3) uitgebracht, waarin echter geen wezenlijke verschillen over het locatiebeleid staan ten opzichte van deel 1.

2

Amsterdam, Flevoland, Gooi- en Eemland, Haaglanden, Rijnland, Rotterdam en Utrecht.

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 1

A Push-beleid: de manco’s van het huidige (ABC-) locatiebeleid
Eind jaren ’80 werd het locatiebeleid geïntroduceerd. De centrale gedachte van dit beleid is dat de mobiliteit beperkt kan worden door ‘het juiste bedrijf op de juiste plaats’ te vestigen in combinatie met stringent parkeerbeleid. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen A-, B- en C-locaties, waaraan het de bijnaam ‘ABCbeleid’ heeft overgehouden. Op de verschillende locaties wordt gewerkt volgens het principe: hoe beter de bereikbaarheid per openbaar vervoer (OV) en fiets, hoe strenger de parkeernorm. Naast het locatiebeleid bestaat een selectief vestigingsbeleid voor perifere en grootschalige detailhandel, het PDV/GDV-beleid. Dit beleid is erop gericht om de versnippering van detailhandelsvestigingen tegen te gaan. Gevreesd werd dat grote winkels aan de stadsrand of weidewinkels in de groene buitengebieden een dermate grote aantrekkingskracht op het publiek zouden hebben, dat het winkelbestand in binnensteden en centra onder druk zou komen te staan en - op termijn - zelfs zou afkalven. Dergelijke winkels hebben ook een grote auto-aantrekkende werking. De overheid wil met dit beleid voorkomen dat er grote verkeersstromen naar de randen van de steden gaan.

Hoofdlijnen van het ABC-locatiebeleid Locatie Voorwaarden Soorten bedrijvigheid
Hoofdkantoren Detailhandel Horeca Onderwijs Overheidsinstellingen

Aantal parkeerplaatsen per 100 werknemers
10, in de Randstad, stedelijke knooppunten en stadsgewesten 20, elders

A-locaties

Optimaal bereikbaar per OV op nationaal, regionaal, stadsgewestelijk en lokaal niveau. De autobereikbaarheid is op deze locaties van ondergeschikt belang en er gelden strenge parkeernormen. Er zijn uitstekende voorwaarden voor het gebruik van de fiets Goed bereikbaar per OV op regionaal, stadsgewestelijk en lokaal niveau. Redelijke bereikbaarheid per auto op lokaal en bovenlokaal niveau. Er gelden met name beperkingen voor het langparkeren. Goede bereikbaarheid per fiets Optimaal bereikbaar per auto via filevrije routes naar het hoofdwegennet. Geen eisen voor OV en fiets

B-locaties

Groothandel Kantoren Sport en recreatie Hoogwaardige Industrie

20, in de Randstad, stedelijke knooppunten en stadsgewesten 40, elders

C-locaties

Industrie Logistiek Opslag

Geen

2 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

manco 1 het ABC-locatiebeleid ‘lokt’ niet; onvoldoende randvoorwaarden zijn gefaciliteerd
Het ABC-locatiebeleid is teveel ‘push-’ en te weinig ‘pull-’beleid, oftewel: veel en strenge regulering en weinig facilitering. Op A- en B-locaties is onvoldoende geïnvesteerd in stallingsvoorzieningen voor auto’s en fietsen bij OV-haltes en in goed voor- en natransport vanaf die haltes. De parkeernormen zijn te streng en het zogenaamde invloedsgebied van een locatie is te groot. Er worden onacceptabele normen gehanteerd voor de loopafstand van de OV-halte tot de eindbestemming. Op C-locaties ontbreken faciliteiten voor multimodale bereikbaarheid (zoals binnenvaartterminals en overslagstations op knooppunten van waterwegen met autowegen en railverbindingen) en voor goede doorstroming naar het hoofdwegennet.

manco 2 het beleid is aanbod-gestuurd; overheden hebben weinig kennis van de vraagzijde
Streekplannen en bestemmingsplannen geven de kaders voor de ontwikkeling van bedrijfslocaties naar plaats en soort bedrijvigheid3. Daarbij kijkt de overheid veelal meer naar lokale, gebiedsgebonden wensen en (on)mogelijkheden dan naar de wensen en (on)mogelijkheden van de markt. Er zijn echter vanuit de markt wel degelijk wensen ten aanzien van locaties, bedrijfsomgeving, bestemmingen, segmentering, infrastructuur en andere voorzieningen waarvoor regionaal èn lokaal ruimte gereserveerd zou moeten worden. Het beleid is aanbod-gestuurd en mist vraaggerichte uitgangspunten. 3
Waar wordt gesproken over bedrijvigheid en bedrijven, bedoelen we in deze notitie ook allerlei andere voorzieningen die onder het locatiebeleid vallen, zoals scholen, ziekenhuizen en openbare instellingen.

Noodparkeren als oplossing voor achterblijvend OV.

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 3

manco 3 te strenge parkeernormen maken A-locaties onaantrekkelijk
Kantooractiviteiten die veel van het OV gebruik (kunnen) maken, laten A-locaties veelal links liggen. Dat komt omdat de parkeernormen zo streng zijn dat zelfs een minimale, maar noodzakelijke autobereikbaarheid (bijvoorbeeld voor bezoekers en ambulante werknemers van bedrijven) niet kan worden geaccommodeerd. Maar ook het gebrek aan goede openbaar vervoersvoorzieningen in vele woongebieden, dus waar de werknemers vandaan moeten komen, is hier debet aan. Gevolg is dat veel kantoren uitwijken naar B- en C-locaties, alwaar ze veel meer autoverkeer genereren dan volgens het beleid gewenst is. Door het wegblijven van economische functies wordt de stedelijke vitaliteit van stationsgebieden aangetast.

manco 4 op B-locaties is het OV geen goed alternatief voor de auto
In de praktijk blijkt de OV-bereikbaarheid op B-locaties erg tegen te vallen. Door de lage frequenties en het geringe aantal verbindingen of richtingen vanaf de stations is het OV geen goed alternatief voor de auto. Als er al sprake is van een NS-station, dan laten het voor- en natransport en stallingsvoorzieningen voor fietsen en auto’s kwantitatief en kwalitatief te wensen over. De B-locaties zijn zodoende niet in staat om een belangrijke schakelfunctie als overstappunt van de ene vervoerswijze (fiets, auto, lopen) op de andere (OV) in de mobiliteitsketen te vervullen.

manco 5 steeds meer kantoren op C-locaties, waar ze niet thuishoren
In beginsel zijn C-locaties bedoeld voor met name logistieke en industriële activiteiten, die niet of nauwelijks ‘mengbaar’ zijn met andere functies. De strategische ligging van deze locaties nabij het hoofdwegennet oefent een grote aantrekkingskracht op bedrijven uit die er volgens de beginselen van het beleid niet mogen zitten, maar door te streng parkeerbeleid elders naar C-locaties worden gedreven. Bestemmingsplannen houden dit proces ook niet tegen. Gemeenten treden hiertegen bovendien niet al te streng op, omdat zij bedrijven binnen hun grenzen willen behouden of zelfs aantrekken. De bereikbaarheid over de weg, in theorie het sterke punt van C-locaties, vermindert daardoor zienderogen en van filevrije routes naar het hoofdwegennet is allang geen sprake meer. Bedrijven in de transport-, distributie- en productiesector zien zich derhalve steeds meer gedwongen naar een plaats buiten de regio uit te wijken. Dit verdringingsproces ondermijnt de regionale economische structuur en leidt daarmee tot onevenwichtigheid in de regio.

Goed bereikbare kantoorruimte aan de A12.

4 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

manco 6 het ontbreekt aan regionale regie
Tussen gemeenten onderling bestaan verschillen in beleid. De concurrentieslag tussen gemeenten om bedrijven aan te trekken leidt tot het toestaan van bedrijven op locaties waar deze volgens de beginselen van het ABC-locatiebeleid niet thuishoren en tot het ‘dealen’ met lagere parkeernormen. Het ontbreekt aan regionale regie en afstemming over de plaats en aard van de te ontwikkelen bedrijvenlocaties en de neerslag daarvan in goede bestemmingsplannen, waardoor investeringen niet of niet op de juiste plek plaatsvinden.

manco 7 gebiedsgerichte aanpak van de bedrijfslocatie komt onvoldoende uit de verf
Het gebrek aan inzicht in ontwikkelingen en wensen aan de vraagzijde beperkt de lokale samenwerking tussen partijen, zowel privaat-privaat, publiekpubliek als publiek-privaat. Investeringen blijven daardoor uit, waardoor terreinen kwalitatief achteruit kunnen gaan. Ook het bedrijfsleven laat kansen liggen: veel bedrijven hebben zich niet georganiseerd in of aangesloten bij bestaande verenigingen en zijn niet of nauwelijks op de hoogte van de mogelijkheden van zaken als centrum-, park- en vervoermanagement. Is die kennis er wel, dan ontbreekt het regelmatig aan een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen publieke en private partners.

Specifiek werkmilieu of juist op de verkeerde plaats?

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 5

B De wensen van het Rijk: de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening over het nieuwe locatiebeleid
s

citaat Vijfde Nota RO

s

citaat Vijfde Nota RO

doelstelling: nu echt het juiste bedrijf op de juiste plaats!
Het doel van het nieuwe locatiebeleid is ‘het bieden van een goede plaats voor ieder bedrijf, iedere winkel of andere voorziening’. Anders gezegd: het nieuwe beleid richt zich primair op de ontwikkeling van voldoende geschikte vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en voorzieningen. Die zullen, net als voor het wonen, gevonden moeten worden binnen de toekomstige rode contouren (door het Rijk aangegeven grenzen aan bebouwd gebied). Deze rode contouren liggen rond het bebouwde en tot 2015 nog te bebouwen gebied en zijn mede een middel om onwenselijke verschijnselen als weidewinkels en verspreide bedrijfsbebouwing in de open ruimte te verhinderen. Aan bovengenoemde hoofddoelstelling zijn meerdere sub-doelstellingen verbonden, te weten: s economische ontwikkelingsmogelijkheden: het bieden van ruimte voor werkgelegenheid door het creëren van voldoende geschikte vestigingsplaatsen voor bedrijvigheid en voorzieningen; s bereikbaarheid: het optimaal gebruik van alle vervoersmogelijkheden voor personen en goederen over de weg, het spoor en het water; s ruimtelijke kwaliteit: efficiënt ruimtegebruik, kwaliteit en variatie in vestigingsmilieus voor alle stedelijke activiteiten, functiemenging en kwaliteit van de leefomgeving (veiligheid, emissies en geluid).

typologie van woon/werkmilieus bepaalt de invulling
In het nieuwe locatiebeleid worden de volgende zes woon/werkmilieus onderscheiden die alle in meer of mindere mate gemengd zijn, behalve de laatste: s centrum-stedelijk (1) s buiten-centrum (2) s groen-stedelijk (3) s centrum-dorps (4) s landelijk-dorps (5) s specifieke werkmilieus (6). Deze woon/werkmilieus zijn vervolgens gegroepeerd in de volgende drie vestigingsmilieus: s centrum-milieus: concentraties van stedelijke functies op en rond ‘knopen’ in het stedelijke netwerk. Naast de bestaande binnensteden en stationsomgevingen kan het ook gaan om nieuwe centra zoals de Amsterdamse Zuidas (1). Om centra optimaal tot ontwikkeling te brengen dient meer vestigingsruimte beschikbaar te komen in een hogere omgevingswaarde. Dat kan door intensief ruimtegebruik (hoog en diep bouwen), inpandig parkeren, functies combineren en verbetering van bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte. s gemengde milieus: kleinschalige centra op wijk- of buurtniveau en verspreide vestigingen in buitencentrum, groen-stedelijke of dorpse milieus, bijvoorbeeld de Schilderswijk of Overvecht (2 t/m 5). De ruimtelijke scheiding tussen wonen en werken neemt toe. Deze trend dient gekeerd te worden. Voor zover schaal, gevaar of hinder van bedrijven en voorzieningen het toelaten verdient functiemenging voorrang. s specifieke werkmilieus: bedrijventerreinen en andere concentraties zoals multimodale locaties langs vervoersassen of bijzondere, grootschalige winkel- en recreatiecomplexen, bijvoorbeeld Moerdijk of Efteling (6). Om deze specifieke werkmilieus goed tot hun recht te laten komen, dienen zij beschikbaar te blijven voor dit soort activiteiten. Vestiging van bedrijven en voorzieningen die wel inpasbaar zijn in centra en gemengde omgevingen moet worden tegengegaan in de specifieke werkmilieus.

6 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

C Pull-beleid: 10 stappen naar de juiste bedrijfslocatie

stap 1 herziening locatiebeleid is nodig: van aanbod-naar marktgestuurde aanpak
Bij de herziening van het locatiebeleid dient de nadruk te liggen op ‘faciliteren’ in plaats van op ‘reguleren’. De randvoorwaarden die bedrijven stellen aan hun vestigingslocatie zijn daarbij richtinggevend voor beleidsmakers en -uitvoerders. Hiertoe is een gedegen inventarisatie nodig naar de relevante vestigingsplaatsfactoren van bedrijven. Op initiatief van de overheden zullen partijen dit gezamenlijk moeten oppakken. In deze notitie komen al enkele factoren aan de orde. De verschillende voorwaarden aan de vraagzijde kunnen worden ‘gematcht’ met verschillende typen locaties op de regionale kaart, zodat een aantrekkelijk en divers aanbod ontstaat in de regio. Pas wanneer aan deze voorwaarden is voldaan op de verschillende locaties, zullen de juiste bedrijven en voorzieningen aangetrokken worden tot de juiste plaats.

stap 2 de markt stelt voorwaarden, de ruimte biedt mogelijkheden en beperkingen
Voldoende inzicht in de markt is cruciaal: bedrijven stellen randvoorwaarden aan hun vestigingslocatie. Zo moet de ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid van een locatie aansluiten bij de bedrijfsuitstraling en de activiteiten die men er wil (laten) ontwikkelen. Ook het begrip ‘schaal’ is hierbij essentieel: in de economische structuur van stedelijke netwerken is er sprake van verschillende schaalniveaus waarop bedrijven opereren, variërend van internationaal tot lokaal. Bereikbaarheid, uitstraling, segmentering en faciliteiten van een locatie dienen te passen bij en mee te groeien met de schaal waarop de activiteiten plaatsvinden. De overheid is in belangrijke mate verantwoordelijk voor investeringen in faciliteiten (bereikbaarheid, vestigingsmilieu) die het voor bedrijven mogelijk maken om te functioneren en te kunnen concurreren met andere regio’s binnen en buiten Nederland. Maar ook bedrijven zelf hebben de verantwoordelijkheid om zich daar te vestigen, waar ten behoeve van hun kernactiviteit faciliteiten worden gecreëerd.

s

citaat Vijfde Nota RO

overheden moeten vraag en aanbod in kaart brengen
Gemeenten en provincies moeten vraag en aanbod gedifferentieerd in kaart brengen en de ontwikkeling van de verschillende locatiemilieus op elkaar afstemmen, opdat ieder bedrijf en iedere voorziening een locatie kan vinden die past bij de eisen die het daaraan zelf stelt en bij de gewenste ruimtelijke kwaliteit.

Rotterdam Centraal: centrum-milieu van de toekomst.

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 7

stap 3 eerst randvoorwaarden scheppen, daarna pas ontwikkelen
De overheid zal veel randvoorwaarden voor de verschillende vestigingslocaties moeten faciliteren, zoals de aanleg van infrastructuur voor een goede bereikbaarheid over water, spoor en weg (en internationaal ook door de lucht). Alvorens bedrijven investeren in een locatie dient één en ander al gerealiseerd te zijn. Een strategische fasering is daarom essentieel. Niet zelden zal de kost daarbij voor de baat uitgaan. Een aantal zaken verdient op korte termijn de nodige verbetering, zoals: s de OV-kwaliteit in het algemeen en in het bijzonder daar waar arbeidsintensieve activiteiten zijn gevestigd; s de autobereikbaarheid van stationsgebieden; s het voor- en natransport inclusief stallingsvoorzieningen voor fietsen en parkeren voor auto’s; s specifieke locaties faciliteren voor transport- en distributiebedrijven bij multimodale knooppunten; s filevrije routes naar het hoofdwegennet vanaf productie- en logistieke terreinen; s hoogwaardige ruimtelijke inrichting van stations en stationsomgevingen; s (herkomst)transferia (P+R) bij (regionale) stations faciliteren met voldoende parkeerplaatsen t.b.v. OV-reizigers; s regionaal grond- en grondprijsbeleid, gerelateerd aan gewenste ontwikkelingen en investeringen op vestigingslocaties. De ontwikkelingen die vervolgens - al of niet in samenwerking met de overheid - door de markt worden geïnitieerd op de geboden vestigingslocaties dienen dan natuurlijk wel aan te sluiten bij de gewenste aard en kwaliteit van de activiteiten op die locaties.

stap 4 regionale structuurvisie dient kader te zijn voor lokaal vestigingsbeleid
De ontwikkeling van een gevarieerd aanbod van bedrijfslocaties, die een marktgericht en synergetisch geheel vormen, vraagt om een inbedding in een breed gedragen regionale structuurvisie. Gemeenten zullen zich moeten committeren aan een dergelijke bovenlokale ruimtelijk-economische structuurvisie op basis van hun specifieke voordelen. Deze structuurvisie zal in streekplannen en regionale structuurplannen moeten worden verankerd als toetsingskader voor gemeentelijke bestemmingsplannen. Op deze wijze worden ontwikkelingspotenties van locaties en doelstellingen ten aanzien van de stedelijke ontwikkeling en vitaliteit met elkaar in verband gebracht.

s

citaat Vijfde Nota RO

gemeenten moeten beoordelen of activiteiten mengbaar zijn
Om te kunnen beoordelen of bedrijven en voor zieningen al of niet inpasbaar zijn in gemengde woon/werkmilieus of stedelijke centra zullen gemeenten de invloed van een bedrijventerrein op de omgeving in beeld moeten brengen. Criteria die aandacht dienen te krijgen zijn veiligheid en hinder van het bedrijf en het daarmee verbonden transport, ruimte- en bezoekersintensiteit, toename van het verkeer op het omliggende wegennet.

s

citaat Vijfde Nota RO

specifieke bedrijventerreinen multimodaal ontsluiten
Specifieke werkmilieus dienen zoveel mogelijk multimodaal ontsloten te worden, dit om het goederenvervoer over weg, spoor, water en per buisleiding mogelijk te maken.

Containerterminal: niet te mengen.

8 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

stap 5 de regionale structuur van knopen en netwerken moet helder zijn
Het is zaak dat de overheid in overleg met het bedrijfsleven de structuur van knopen en netwerken in de regio vaststelt om te kunnen bepalen op welke plekken de gevarieerde wensen uit de ruimtelijk economische structuurvisie kunnen worden gerealiseerd. Ook wordt dan duidelijk op welke locatie nog geïnvesteerd moet worden om de randvoorwaarden te garanderen en voor welke bedrijven en sectoren locaties ontbreken. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat een goede combinatie van auto- en OV-bereikbaarheid méér OV-reizigers oplevert dan alleen maar bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Hiervoor moet de kwaliteit èn capaciteit van het openbaar vervoer wel op orde zijn.

stap 6 decentralisatie van mandaat en middelen naar de regio
De regio is het schaalniveau waarop het beleid moet worden gevoerd. Daar is immers de ruimtelijk-economische samenhang het grootst en de planologische neerslag van het ruimtelijk-economisch beleid in streek- en regionale structuurplannen het meest voelbaar voor bedrijven. Het Rijk dient dan ook voldoende mandaat en middelen te verstrekken aan regionale overheden (provincies en kaderwetgebieden). Een krachtige regionale autoriteit die de bovenlokale regie voert, ontmoedigt een ongezonde concurrentie tussen gemeenten onderling in het aantrekken van bedrijven. Bovendien wordt zodoende voorkomen dat bepaalde (ruimteextensieve en laagwaardige) activiteiten in het geheel geen plaats krijgen, terwijl deze essentieel zijn voor een diverse en vitale ruimtelijk-economische structuur.

Een heldere ruimtelijke structuur.

s

citaat Vijfde Nota RO

lagere overheden moeten PKB-locatiebeleid uitwerken
Het zijn dus de gemeenten, de kaderwetgebieden en de provincies die zullen moeten zorgen voor een uitgewerkt locatiebeleid en daar uitvoering aan moeten geven. Dit zullen zij in streek-, structuur- en bestemmingsplannen moeten vastleggen. Het Rijk zal beoordelen of de streekplannen en regionale structuurplannen voldoen aan het kader in de PKB. Essentieel is hierbij dat die plannen regels en criteria bevatten die waarborgen dat: s gemeenten gezamenlijk zorgen voor een voldoende gevarieerd aanbod van vestigingsmogelijkheden, waarbij zij elkaar aanvullen; s de vestiging van bedrijven en voorzieningen met gemeentegrens-overschrijdende gevolgen regionaal wordt afgestemd.

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 9

stap 7 planologische zekerheid bieden, met name in specifieke werkmilieus
Als de ruimtelijk-economische structuur in de regio is vastgesteld, de marktwensen bekend zijn en de randvoorwaarden op de bedrijfslocatie zijn geschapen, zullen de juiste bedrijven tot de juiste plaats worden aangetrokken. Onder bepaalde omstandigheden, zoals krapte in het aanbod van vestigingslocaties en -terreinen kan het nodig zijn dat een selectief planologisch toelatingsbeleid wordt gevoerd. Via streekplannen, regionale structuurplannen en bestemmingsplannen kunnen provincies en gemeenten zo voorkomen dat activiteiten als kantoren, detailhandel, factory outlet centers, auto-, boten- en caravanhandel en grootschalige recreatievoorzieningen zich op bedrijventerreinen vestigen, die hiervoor niet bedoeld zijn. Voor dergelijke bedrijven dienen andere locaties geschikt gemaakt te worden in de regio. Concreet gelden bij deze stap de volgende uitgangspunten:
s

s

citaat Vijfde Nota RO

s

s

s

s

s

geen detailhandel op bedrijventerreinen (het vigerend PDV/GDV-beleid handhaven); specifieke locaties die goed per auto en OV bereikbaar zijn aanwijzen en faciliteren ten behoeve van bedrijven die niet of nauwelijks ‘mengbaar’ zijn met andere activiteiten, zoals PDV/GDV, grootschalige recreatievoorzieningen en extensieve productie-, logistieke, op- en overslagactiviteiten; voldoende ruimte op regionale bedrijventerreinen reserveren voor bedrijven die thans in gemengde stedelijke milieus voor overlast zorgen en op termijn bij voorkeur verplaatst zouden moeten worden; wonen, werken en overige voorzieningen combineren waar de activiteiten dit toestaan, maar niet-mengbare bedrijfsactiviteiten zodanig zoneren dat er voor deze activiteiten voldoende ruimte wordt geboden voor verdere ontwikkeling in de toekomst; de VNG-milieuzonering werkt dus twee kanten op: ter bescherming van de leefbaarheid in de woonomgeving en ter bescherming van de continuïteit van ruimte-behoevende bedrijfsactiviteiten; zorgdragen voor voldoende en tijdig aanbod van vestigingsmilieus voor alle typen van bedrijfsactiviteiten.

specifieke werkmilieus voor specifieke activiteiten
Specifieke werkmilieus zijn veelal bedrijventerreinen, gelegen aan of dichtbij autowegen en de randen van verstedelijkte gebieden. Deze zijn vooral geschikt voor bedrijven en voorzieningen die door hun aard niet inpasbaar zijn in centra of wijken. Het gaat dan vooral om vestigingen die gevaarlijk of hinderlijk, ruimte- en bezoekers-extensief of grootschalig zijn en veel verkeers- en transportstromen oproepen. Om deze specifieke werkmilieus goed tot hun recht te laten komen, is het vooral zaak te zorgen dat zij beschikbaar blijven voor dit soort activiteiten. Vestiging van bedrijven en voorzieningen die wel inpasbaar zijn in centra en gemengde omgevingen moet worden tegengegaan in de specifieke werkmilieus.

s

citaat Vijfde Nota RO

minimale bouwhoogten opnemen in bestemmingsplannen
Waar hoogbouw qua maat en schaal past in de omgeving, verdient het aanbeveling in bestemmingsplannen minimum bouwhoogten op te nemen. Dat geldt in ieder geval in binnenstedelijke centra waarvan de kwaliteit en capaciteit actief wordt verbeterd door transformaties en hoogwaardige intensivering van het ruimtegebruik en vergroting van de bereikbaarheid.

10 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

stap 8 gebiedsgericht beleid dient breed gedragen te worden door marktpartijen
Er is een nadere gebiedsgerichte uitwerking van het beleid nodig om de relatie tussen de vestigingslocatie in zijn lokale en regionale omgeving te optimaliseren. Diverse randvoorwaarden, beleidsvoornemens en feiten dienen daarbij met elkaar in verband gebracht te worden. Voor een breed draagvlak zal het lokale bedrijfsleven er nauw bij betrokken moeten worden, zodat niet alleen politieke prioriteiten, maar ook marktwensen worden verankerd in beleid. Bij de initiatieven om nieuw locatiebeleid uit te werken wordt door overheden echter nog te weinig gezocht naar synergie in regionaal verband en naar participatie van de markt.

stap 9 centrum- en parkmanagement als verantwoordelijk samenwerkingsverband (pps)
Om op de locatie zelf voldoende randvoorwaarden te scheppen die een aantrekkende werking hebben op de juiste bedrijven en sectoren, is een gebiedsgewijze aanpak nodig. Dit gaat zowel de overheid als het bedrijfsleven aan. De overheid dient de bestemmingsplannen op maat aan te passen, hetgeen op de korte termijn betekent dat de stringente parkeernormen eruit verwijderd zouden moeten worden. Gebiedsgewijze taken waarvoor het lokale bedrijfsleven (projectontwikkelaars, bedrijvenkringen e.a.) zich moet inspannen, zijn het zich goed organiseren en de gezamenlijke wensen en randvoorwaarden vaststellen. Ook thema’s als de uitstraling van de vestigingslocatie, onderhoud, vervoermanagement en parkeerbeheer (eigen of gezamenlijke terreinen of garages) verdienen aandacht van het bedrijfsleven. Voor deze mix van publiek-private verantwoordelijkheden op de vestigingslocatie zou centrummanagement in stedelijke centra en parkmanagement op bedrijventerreinen uitkomst kunnen bieden. In zulke organisaties is het van belang dat de verdeling van verantwoordelijkheden tussen publieke en private partners helder en controleerbaar is en dat er voldoende bestuurlijk en financieel draagvlak is voor de keuze van projecten en prioriteiten. Bij nieuwe bedrijventerreinen en winkelgebieden moeten deze zaken standaard meegenomen worden in de ontwikkeling van het project.

s

citaat Vijfde Nota RO

een intergemeentelijk parkeerbeleid is nodig
Gemeenten dienen een actief, onderling meer afgestemd parkeerbeleid te voeren, gericht op meer betaald parkeren en het tegengaan van parkeeroverlast. Met name in binnenstedelijke centra wordt de totstandkoming van ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen gestimuleerd.

Prins Clausplein: knooppunt voor de toekomst.

Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie - 11

stap 10 ongewenste ontwikkelingen vermijden in de overgang tussen oud en nieuw beleid
Als de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening een feit is, is het huidige locatiebeleid van tafel. Zo wordt het althans door diverse partijen geïnterpreteerd. Er zit echter doorgaans veel tijd tussen de presentatie van nieuw rijksbeleid en de vertaling daarvan naar regionaal en lokaal beleid, met name in bestemmingsplannen. Deze inertie van beleidsveranderingen mag niet leiden tot ongewenste ontwikkelingen, zoals de vestiging van detailhandel op en de verkantorisering van bedrijventerreinen. Gegeven de globale formulering van het nieuwe locatiebeleid in de Vijfde Nota RO en de doelstelling van het Rijk om de verdere invulling van het nieuwe locatiebeleid te decentraliseren naar regionale en lokale overheden, zijn dergelijke ongewenste ontwikkelingen helaas niet denkbeeldig. De overheden zullen gezamenlijk tot een overgangsregeling moeten komen, totdat nieuw locatiebeleid regionaal en lokaal krachtig is verankerd in streek-, structuur- en bestemmingsplannen.

s

citaat Vijfde Nota RO

geen dwingende en rigide rijksnormen, maar maatwerk
Het Rijk schrijft de andere overheden binnen het nieuwe locatiebeleid niet meer - zoals in het huidige beleid - rechtstreeks normen voor die de indeling in locatietypen bepalen, aantallen parkeerplaatsen limiteren of beperkingen aan winkelbranches opleggen. Wel zal het Rijk in deel 3 van de PKB een richtlijn opnemen voor de ruimtelijke aspecten van (bedrijfs)activiteiten met grote risico’s. In verband daarmee zal van gemeenten worden gevraagd om vóór eind 2002 een inventarisatie uit te voeren van bestaande bedrijfsactiviteiten die niet voldoen aan deze richtlijn.

12 - Aangetrokken tot de juiste bedrijfslocatie

Kamer van Koophandel Amsterdam Postbus 2852 1000 CW Amsterdam Drs. M. Woolthuis mwoolthuis@amsterdam.kvk.nl Tel: 020 / 531 46 42 Kamer van Koophandel Flevoland Postbus 123 8200 AC Lelystad Mw. mr. G. Binnema sbinnema@lelystad.kvk.nl Tel: 0320 / 286 286 Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland Postbus 336 3800 AH Amersfoort Drs. A. Boone aboone@gooi-eemland.kvk.nl Tel: 033 / 453 57 66 Kamer van Koophandel Haaglanden Postbus 29718 2502 LS Den Haag Drs. T. Timmers ttimmers@haaglanden.kvk.nl Tel: 070 / 328 73 09 Kamer van Koophandel Rijnland Postbus 2059 2321 AT Leiden Drs. B.J.G. Schuttenbeld bschuttenbeld@rijnland.kvk.nl Tel: 071 / 525 05 00 Kamer van Koophandel Rotterdam Postbus 450 3000 AL Rotterdam Drs. G.L.M. Gietman ggietman@rotterdam.kvk.nl Tel: 010 / 402 78 83 Kamer van Koophandel Utrecht Postbus 48 3500 AA Utrecht Mw. drs. A.J.L. Bijmans abijmans@utrecht.kvk.nl Tel: 030 / 236 33 52 Drs. P.M.G. Ewalts pewalts@utrecht.kvk.nl Tel: 030 / 236 32 65