LIFE SCIENCES EN REGIO-IDENTITEIT

De business case Leiden Oktober 2003

LIFE SCIENCES EN REGIO-IDENTITEIT
De business case Leiden Oktober 2003

Voorwoord

De aanleiding voor het opstellen van het rapport dat thans voor u ligt, was de discussie over de inrichting van de ruimte aan de westkant van de stad Leiden zoals die door het openbaar bestuur in de regio op dit moment gevoerd wordt. Het plangebied is de biotoop voor een van de spannendste bedrijfsterreinen in Nederland: het Bio Science Park Leeuwenhoek. Naar het inzicht van de initiatiefnemers, kan men een ruimtelijke discussie niet voeren zonder een fundamenteel begrip van de vestigingseisen die life sciences stelt, van de ontwikkeling van deze nieuwe bedrijfstak en van de mogelijke economisch-structurerende effecten die de sector voor de regio kan hebben. Van daaruit ontstond de behoefte aan het flankeren van de ruimtelijke discussie met een goede beschrijving van het science park als een beginnend ‘cluster’. Wat een cluster is en waarom een cluster om een ander economisch beleid vraagt dan andere takken van bedrijvigheid, komt in dit rapport aan de orde. In dit voorwoord maken we het probleem waar Rijnland voor staat nog eens helder aan de hand van een tweetal reacties die dit rapport los maakte toen het begin september 2003 in conceptvorm werd verzonden, onder meer naar de gemeentebesturen in de regio. De allereerste reactie op het conceptrapport kwam niet uit de eigen regio, maar uit een heel andere regio die ambities heeft om zich tot vestigingsplaats voor life sciences bedrijvigheid te ontwikkelen (Limburg). Een persvermelding in het Leidsch Dagblad was (via internet) voldoende om aldaar belangstelling uit te lokken voor wat gezien werd als een ‘Leidse’ analyse van de ‘concurrentiefactoren’ van een life sciences cluster. Dit was niet alleen de eerste, maar naar ons inzicht ook een zeer zakelijke reactie: dit rapport gaat niet over overheidsbeleid of over een nieuwe technologie, maar over de concurrentiekracht van een regio. Misschien dat het komt door een langdurige periode van voorspoed, misschien komt het ook door de sterke aanwezigheid van overheid en kwartaire sector in de Leidse omgeving; maar de regio Rijnland ziet zichzelf in elk geval te weinig als een concurrentiemilieu dat zich voortdurend moet waarmaken. Life sciences is - zoals alle sleuteltechnologieën - een vechtmarkt. Als je als regio dat gevecht niet aangaat, zal het initiatief je snel ontfutseld worden. Die Limburgse reactie had niet symbolischer kunnen zijn. De tweede reactie - deze keer uit de eigen regio - ligt in het verlengde van de eerste. Dit rapport riep, in zijn conceptvorm, de verbaasde vraag op of de Leidse regio uitsluitend op life sciences moet inzetten. Andere bedrijfstakken zijn immers ook belangrijk. Zo zou het ruimtelijk areaal voor life sciences benut kunnen worden voor allocatie van andere kennisintensieve bedrijvigheid waar de regio goed in is, zoals internationaal recht of informatietechnologie. De boodschap achter een dergelijke reactie is dat het in Rijnland zou gaan om het verdelen van een koek, in plaats van om het binnenhalen van een vis. Niemand zal bestrijden dat Rijnland meer is dan alleen life sciences. Er is inderdaad ook internationaal recht, ICT, toerisme, agrotechnologie, cultuur en nog tal van andere sectoren. Maar de mededeling dat je overal goed in bent en alles wel wilt, is geen geloofwaardig bod in de harde internationale concurrentie om een sleuteltechnologie. Rijnland is gebaat bij een eenduidig en breed onderschreven keuze om het gevecht voor een plaats op de eerste rij in de life sciences aan te gaan. De ontwikkeling van een cluster, zoals in dit rapport beschreven, zal vanzelf de vraag creëren naar dienstverlening, octrooien, recht, culturele ambiance, het benutten van een attractieve monumentale omgeving, het mobiliseren van talent op het gebied van ICT en/of nanotechnologie.

1

Maar op voorhand voor life sciences bestemde grond en hulpbronnen beschikbaar stellen aan andere ruimtevragers, is geen goed signaal op een concurrentiegevoelige markt. Het voorlopige reactiepatroon op dit rapport heeft de initiatiefnemers doen concluderen dat het niet bij een eenmalige clusterbeschrijving kan blijven. Zij zullen zich, samen met anderen, de komende tijd beraden op mogelijkheden om te komen tot een vorm van ‘clustermanagement’: een versterkte regie in alle activiteiten (ruimtelijk, communicatie, kennisuitwisseling, vermarkting, omringende educatieve en culturele infrastructuur en andere) die met het cluster te maken hebben met als doel ‘alle neuzen dezelfde kant op’. Het thans voor u liggend rapport is een coproductie van twee instellingen die zelf deel uitmaken van het ‘organiserend vermogen’ van de regio. Daarnaast is er ‘meegedacht’ door vertegenwoordigers van het Ministerie van Economische Zaken, het stimuleringsprogramma Biopartner, de provincie Zuid-Holland en de Rijksuniversiteit Leiden.

Cees Broeksma, secretaris Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rijnland Aart van Bochove, directeur Bureau Blaauwberg

2

Inhoudsopgave

1. PLAATSBEPALING EN DEFINITIES 2. BUSINESS CASE LEIDEN: HISTORISCH PERSPECTIEF 3. BUSINESS CASE LEIDEN: ECONOMISCH PERSPECTIEF 4. BUSINESS CASE LEIDEN: RUIMTELIJK PERSPECTIEF 5. BUSINESS CASE LEIDEN ALS CLUSTER 6. CONCLUSIES EN AGENDA

4 9 13 16 18 22

3

1 Plaatsbepaling en definities
Het voorliggende document gaat over het Bio Science Park Leeuwenhoek, het bedrijventerrein aan de westkant van de stad Leiden zoals dat sinds 1984 tot ontwikkeling is gekomen. Het park is economisch en ruimtelijk buitengewoon interessant, omdat het een fysieke concentratie is van een voorhoedetechnologie en de betrekkelijk kleine Leidse regio verbindt met een wereldwijde ontwikkeling. Een ontwikkeling die een enorme vaart kent, in korte tijd in de Verenigde Staten tot een economische en technologische sector van grote betekenis heeft geleid en die nu in Azië forse investeringsimpulsen krijgt (in het Indiase Hydarabad wordt bijvoorbeeld een biotechnologiepark van zeshonderd km 2 ontwikkeld). Daarnaast is het echter ook een ingewikkeld verhaal. Om de lezer versneld greep te laten krijgen op de internationale en Leidse situatie, beginnen we deze notitie met een serie kernbegrippen en definities, die in sneltreinvaart worden gepresenteerd. Wat is life sciences? Life sciences is een ‘emerging technology’. Het is een bedrijvigheid die nog te nieuw is om in een vaste definitie te kunnen worden beschreven. Het is zelfs de vraag of de contouren ooit voldoende vast liggen om wel tot een goede afbakening te komen: misschien is wat we nu life sciences noemen, over vijftien jaar weer in een groter geheel opgegaan. Een strikt voorlopige definitie: life sciences bedrijven gebruiken de mogelijkheden van organismen en celcultures, dan wel delen van organismen en cellen, voor innovatieve industriële en medisch-technologische toepassingen, gericht op het verbeteren van de voedselzekerheid, de gezondheidstoestand van planten, dieren en mensen en aan aspecten die met kwaliteit van leven te maken hebben. Hoe verhoudt life sciences zich tot andere academische disciplines? Er is geen vastomlijnd academisch curriculum voor life sciences. In de praktijk beweegt het terrein zich op het snijvlak van biologie, biochemie en biotechnologie, medicijnen en farmacologie, procestechnologie en informatica. De verwachting is dat de komende jaren de fijnmechanica als verwante discipline belangrijker zal worden, vanwege de combinatie van organisch materiaal met micro-electronica en micro-instrumenten (nanotechnologie). De arbeidsmarkt in de life sciences is overigens niet alleen academisch van aard. Er is ook veel vraag naar hbo- en mbo- opgeleiden. Welke productlijnen zijn er te onderkennen? Gebruikelijk is drie productlijnen te onderscheiden: Agro-food: bedrijven en kennisinstellingen die zich richten op de voedingsmiddelenindustrie en op plantenveredeling. In Nederland is Wageningen het meest vooraanstaande complex op dit gebied. Health: biomedische toepassingen, diagnostiek, medicijnen. In Nederland is Leiden het meest vooraanstaande complex, gevolgd door Amsterdam, Maastricht en Groningen. General biotechnology: een containerbegrip voor onder meer bio-informatica, milieutechnologie, fijnchemie en toeleveranciers.

• •

4

Opvallend is dat Leiden weinig meer aan agro-food doet, ondanks de nabijheid van de technologisch veeleisende tuinbouw (Westland) en bollenteelt, en Wageningen weinig aan health. Kennelijk bepaalt het vertrekpunt (in Wageningen de landbouw, in Leiden de medicijnen) nog steeds de gedaante van het life sciences complex. Hoe zit de structuur van de sector in elkaar? Internationaal wordt het volgende onderscheid gemaakt:1 Er zijn ‘dedicated’ bedrijven, dat zijn bedrijven die zich uitsluitend met life sciences bezig houden. De meerderheid van de bedrijven op het Leidse Bio Science Park is dedicated. Er zijn een paar grote spelers bij, zoals Centocor en Crucell, maar de meerderheid van de bedrijven is klein. Er zijn ‘diversified’ bedrijven, dat zijn bedrijven die ook aan life sciences doen, maar in overwegende mate met meer conventionele productie actief zijn. Het gaat om grote ondernemingen als DSM, AKZO en Unilever. Er zijn ‘volgende’ bedrijven: bedrijven die producten van de dedicated en diversified afnemen en gebruiken. Op dit moment zijn dat vooral de voedingsmiddelenindustrie en de landbouw. Er is ‘afgeleide’ bedrijvigheid, vooral in de dienstverlening. Mede vanwege het innovatieve karakter van de industrie, wordt de sector omgeven door juristen (voor octrooien en vergunningen), venture capitalists (voor het verstrekken van durfkapitaal) en bedrijfsadviseurs (voor de organisatie en strategie van productie- en verkoopprocessen). Deze indeling heeft alleen betrekking op de commerciële activiteiten. In de life sciences is echter, meer dan in andere sleuteltechnologieën als chemie of ICT, sprake van een verwevenheid tussen commerciële en niet-commerciële activiteiten, met name in het onderzoek (kennisinstituten) en de zorg (met name de academische gezondheidszorg). Wat is de economische betekenis van de life sciences? De economische betekenis die aan de life sciences wordt toegekend, is strikt afhankelijk van de definitie van de bedrijfstak. Bij een zeer beperkte definitie - dedicated en commercieel-industrieel - komen we op 1.326 arbeidsplaatsen in Leiden, volgens een telling van de Kamer van Koophandel. We tekenen daarbij aan dat: De economische betekenis eigenlijk niet aan individuele bedrijven is te ontlenen, maar aan een cluster als geheel (op het clusterbegrip zal later in de notitie worden ingegaan). De internationale literatuur aan een arbeidsplaats in een dedicated bedrijf een multiplier van drie tot vier toekent. De industriële bedrijvigheid in het Leidse Bio Science Park vrijwel geheel ‘stuwend’ is, in de zin dat de opbrengst buiten de regio (en zelfs buiten Nederland) gegenereerd wordt en er sprake is van een hoge toegevoegde waarde op het park. Er is, met andere woorden, sprake van een zeer sterke koopkracht-toevloeiing naar de vestigingsregio van het life sciences cluster. Het aantal arbeidsplaatsen de komende jaren sterk gaat groeien, door de voorgenomen uitbreiding van de productiefaciliteiten van Centocor en door verwachte doorbraken bij andere bedrijven.

• • •

1

Evenals bij de gehanteerde definitie van life sciences en de beschrijving van de productlijnen gaat het niet om

afgebakende begrippen, maar om in de beleidspraktijk vaak gebruikte terminologie. Het sterk internationale karakter van de sector zorgt daarbij voor veel Engels jargon.

5

Overigens telt Ernst & Young in de regio Leiden - Haaglanden 65 life sciences ondernemingen - waarvan 36 gevestigd in Leiden - met gezamenlijk 6.500 arbeidsplaatsen. Opgemerkt moet worden dat de arbeidsplaatsen van de diversified speler DSM Gist in Delft hierbij zijn meegeteld. Er zijn dus heel verschillende getallen op de sector los te laten, wat onderstreept hoe zeer de bedrijfstak nog in ontwikkeling is. Wat zijn de kernproblemen van de sector? Er zijn twee kernproblemen: De weg van een goed idee, via ‘research and development’ tot aan een marktklaar product duurt lang, drie tot zeven jaar. De procedures voor toetsing, octrooien en vergunningen en markttoegang duren nog eens een zelfde periode. Al die tijd - ongeveer tien jaar – wordt er nog niets verdiend. Er is dus veel voorfinanciering nodig. De politieke en publieke acceptatie is gebrekkig. In de beeldvorming overheersen wildwest-geluiden over genetische manipulatie, klonen en dierproeven. De zeer nauwkeurige autorisatieprocedures en de resultaten op het gebied van medicijnontwikkeling blijven echter onderbelicht. Het tweede probleem houdt verband met het eerste: onzekerheid in de publieke opinie kan investeerders ontmoedigen. Er vindt op dit moment feitelijk export van Nederlands kapitaal naar elders plaats (Verenigde Staten, ontwikkelingslanden), omdat het publieksklimaat daar vriendelijker is. Het financieringsprobleem doet zich op dit moment vooral bij de doorgroeiers voor, bedrijven die de startfase ontgroeid zijn. Starters - kleine tot zeer kleine bedrijven - kunnen met goedkope faciliteiten en met een aanvangskrediet een eind komen en ook bedrijven die eenmaal produceren en verkopen, redden zich. Maar de sprong van doorgroeien (halverwege het researchproces) naar verkopen (aan het einde van de autorisatietermijn) is voor veel bedrijven te zwaar. Een Nederlands (en Europees) probleem is de gebrekkige ‘valorisatie’ (vermarkting) van academische kennis. Het blijkt moeilijk om in wetenschappelijke instituten ontwikkelde kennis aan een commerciële waarde te helpen. Slechts een minderheid van starters en doorstarters is van academische origine, de meerderheid start vanuit een bestaand bedrijf. Ook de gewenste combinatie van onderzoeksmatige excellentie met ondernemerschap is in Nederland zeldzaam, in vergelijking met bijvoorbeeld de VS of Finland. Wat is de voornaamste succesfactor? In de internationale literatuur wordt bij voortduring ‘clustervorming’ als succesfactor genoemd. Een stand-alone bedrijf redt het niet in deze markt, het gaat altijd om een regionale of op z’n minst functionele samenhang. We kunnen dat begrip clustervorming het beste illustreren aan de hand van het volgende staatje: Stand van zaken Europese top-10 in de bio-farma Omzet 1995 2000 4 10 Winst 6

Deze cijfers wijzen op een groot succes: in 1995 leefden zes van de tien grootste biofarmabedrijven (life sciences-bedrijven die zich bezig houden met medicijnontwikkeling) in Europa van voorfinanciering en verkochten slechts vier van de tien daadwerkelijk iets.

6

In 2000 hadden tien bedrijven omzet en maakten zes zelfs winst. Er zit echter een adder onder het gras: de samenstelling van de top-10 was in de tussentijd nogal gewijzigd. Het bleek in die vijf jaar een bedrijfstak te zijn van ‘eat and be eaten’. Wat is daaruit te leren? De bedrijfstak als geheel gaat goed. Dat zegt weinig over individuele merknamen (die zijn in hoge mate verhandelbaar). Het is zaak je kracht niet alleen te ontlenen aan individuele ondernemingen, maar aan een cluster van bedrijven, met als kenmerken: 1. Absorberend vermogen. Er kan bij individuele ondernemingen veel mis gaan. De financier kan de stekker er uit trekken, een vergunning kan niet (tijdig) verleend worden, enzovoort. De omvang van het cluster moet groot genoeg zijn om pieken en dalen bij individuele ondernemingen op te vangen en menselijke kennis en talent niet ‘te laten lopen’. 2. Veel starters. De sector kent een paar grote en heel veel kleine spelers, waaronder veel starters. Het is niet te voorspellen wie van die starters het gaat halen, het is wel te voorspellen dat wanneer je een goede pool van starters hebt, er zeker successen zullen ontstaan. 3. Variatie. Het cluster moet groot en gevarieerd genoeg zijn om kennis uit omringende academische instituten te absorberen. 4. Zelf innoverend. Het moet - omgekeerd - ook weer groot en gevarieerd genoeg zijn om innovatie te genereren zonder continue academische input (bestaande bedrijvigheid moet voldoende start-ups genereren). 5. Parkmanagement. Het moet groot genoeg en geografisch voldoende samenhangend zijn om een marketingprofiel te formuleren dat bij het benaderen van overheden en stakeholders gebruikt kan worden en om de collectieve belangen te behartigen. Op de vraag: 'hoe word je een cluster?' is geen eenduidig antwoord te geven. De geschiedenis van de tot op heden meest toonaangevende biotech-clusters (Boston en San Fransisco) leren wel dat naast overheidssteun, een goede academische kennisbasis, de aanwezigheid van voldoende investeringskapitaal (venture capital) en het vermogen onderzoek om te zetten in commerciële producten cruciaal is in de ontwikkeling van een cluster.2 Zolang een verzameling bedrijven en kenniscentra nog geen cluster vormt, is het kwetsbaar. Zodra de drempelwaarde is bereikt en een echt cluster is ontstaan, gaat het niet snel meer kapot. Het is vooral een zaak van lang volhouden. In het vervolg van deze notitie zullen we zien dat het Bio Science Park Leeuwenhoek in Leiden er zeer behoorlijk voor staat en mogelijk het enige biomedische complex in Nederland is dat zich al een cluster kan noemen. Maar Leiden is nog steeds kwetsbaar. Met name het vijfde net genoemde clusterkenmerk - een goede relatie met overheden en stakeholders in de omgeving - komt nog onvoldoende uit de verf. Daarover in de volgende hoofdstukken meer.

• • •

2

The birth of a biotech cluster. Financial Times, 14 augustus 2003.

7

Wie zijn de eindgebruikers van de life sciences? Een life sciences cluster moet fysiek ergens staan. Het kan gedeconcentreerd zijn of zeer compact (zoals in Leiden), maar het heeft - hoe dan ook - een praktische en materiële band met het omringende vestigingsmilieu. Tegelijkertijd worden er in het cluster producten geproduceerd waarvan de klanten af en toe niet veel meer dan abstracties zijn zoals bijvoorbeeld patiënten in Europa of Amerika of bewoners van een ontwikkelingsland over vijftien jaar. Een betrekkelijk kleine en dichtbevolkte regio als Leiden staat voortdurend voor de keuze om schaarse grond en aandacht te besteden aan een direct zichtbaar belang (woningbouw, verzorgende bedrijvigheid als winkels, welzijn) dan wel aan een betrekkelijke abstractie die op langere termijn van Leiden een ‘wereldcentrum’ maakt. Het volgende - niet uitputtende - rijtje ‘afnemers’ van de life sciences en hun belangen bij een vitale ontwikkeling van de sector maakt duidelijk hoe verstrekkend de inzet is: Afnemer / Stakeholder Patiënten Belang bij life sciences producten Nieuwe medicijnen ter verlenging van de levensduur en verhoging van de levenskwaliteit. Prijs, kwaliteit, variatie en houdbaarheid van levensmiddelen. Reductie van gebruik bestrijdingsmiddelen in landbouw. Betere benutting grondstoffen. Afvalbeheer en milieureiniging. Slimmere productieprocessen, nieuwe producten. Kennisintensieve teelten. Ruimtezuinige productie. Voedselzekerheid in ontwikkelingslanden. Gezondheidsbevordering, epidemiebestrijding. Regievoering in technologie die in goede handen briljant, in kwade handen riskant wordt. Versterking economische structuur, hoge toegevoegde waarde, binding van hoger opgeleiden, multiplier-effect.

Verzuim- en levensverzekeraars Gezondheidswinst van polishouders. Consumenten van levensmiddelen Milieugroeperingen

Levensmiddelen en procesindustrie Landbouw Ontwikkelingssamenwerking Landelijke overheid Lokaal en regionaal bestuur

Tot zover deze introductie in enkele kernbegrippen uit de life sciences. Laten we vervolgens kijken naar de 'business case' Leiden.

8

2 Business case Leiden: historisch perspectief
In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw komt Leiden flink in de problemen. Het is één van de oudste industriesteden van Nederland, maar de klassieke maakindustrie - Leiden was groot geworden met textiel, metaal en voedingsmiddelen was in die jaren flink op z’n retour en bezweek uiteindelijk vrijwel geheel aan de concurrentie uit opkomende industrielanden elders in de wereld. Leiden werd, samen met onder meer Twente en de Limburgse Mijnstreek, een conversiegebied, met de opgave om binnen een generatie een nieuwe economische basis te vinden. De opgave werd verzwaard door een ernstig verval van de leegstaande fabrieksterreinen en de omringende woonwijken. Leiden was één van de eerste steden waar stadsvernieuwing als grootschalig proces werd aangepakt. De stad kon het niet op eigen kracht financieren. Leiden werd in 1969 ‘artikel a2 gemeente’, een gemeente die extra middelen uit de rijkskas ontving en daarvoor onder curatele werd gesteld.

Achteraf gezien zijn twee duidelijke speerpunten te ontdekken in de conversiestrategie van de stad: enerzijds de bouw van grote middenklassewijken die evenwicht bracht in de demografische samenstelling en een draagvlak schiep voor voorzieningen en anderzijds de ontwikkeling van een nieuw economisch centrum met kantoren, een academisch ziekenhuis, een groot museum en een lichte industrie. Een deel van het terrein werd in 1982 bestemd voor - wat toen nog heette - bioscience: het bestemmingsplan Leeuwenhoek, een op dat moment zo goed als braak liggend gebied met een potentieel uiterst strategische ligging, namelijk tussen het station en de rijksweg A44, op twintig minuten afstand van Schiphol. De gedachte aan een science park was mede geïnspireerd door een andere conversieregio, namelijk Twente, waar de universiteit een beleid was begonnen om academische kennis te gelde te maken door faciliteiten te scheppen voor startende techno-ondernemers. Omdat de Leidse universiteit thematisch sterk was in de biomedische wetenschappen, lag het voor de hand het science park in deze stad het thema van de bioscience mee te geven. Na de start in 1984 heeft het Bio Science Park zich in betrekkelijke rust kunnen ontwikkelen. Weliswaar nam in de loop der jaren de druk op de ruimte toe - Leiden heeft sinds kort de titel ‘dichtstbevolkte gemeente van Nederland’ van Den Haag overgenomen - maar de gemeente heeft in redelijke mate kunnen vasthouden aan een restrictief vestigingsbeleid. De komst van het bestuursgebouw van het Hoogheemraadschap van Rijnland was een inbreuk op de formule en er zijn inmiddels bedrijven gevestigd waar de nadruk meer ligt op productie dan op science, maar over het geheel genomen is sprake van een bedrijventerrein met een duidelijk programma: biofarma, kennisintensiteit, exportgerichtheid.

9

Het park is niet af. Het vertoont uiterlijk nog te weinig de gedaante van een ‘park’ en het is onderontwikkeld als het gaat om centrale ondersteunende voorzieningen. Er is interactie met de universiteit - bijvoorbeeld door ‘facilitysharing’ van startende ondernemingen in universitaire gebouwen - maar er zijn ook veel bedrijven zonder betekenisvolle kennisrelaties met de universiteit. Toch is het langdurig vasthouden aan de bioscience bestemming van het park volop z’n vruchten aan het afwerpen. Het park kent de grootste concentratie van life sciences bedrijven in Nederland en behoort tot de top in Europa.

Er zijn bovendien tekenen dat het Bio Science Park een echt cluster aan het worden is. Het is een kraamkamer voor startende bedrijven en bij faillissementen wordt de menselijke kennis elders in het cluster opgevangen. Er zijn nog steeds (of al weer) ondernemingen die voornamelijk onderzoek doen (Crucell: in 2001 72,5 procent van de omzet naar research and development; Pharming: in 2000 80,4 procent van de omzet naar R&D), maar er zijn ook echte producenten (Centocor: in 1998 ‘slechts’ 19,8 procent van de omzet naar R&D; Genencor: 19,3 procent in 2001). Daardoor komt de vraag in zicht of het park een specifiek research-karakter moet houden of dat er sprake moet zijn van zowel productie als research op het park. Er is nog geen duidelijk antwoord op die vraag te geven. Duidelijk is wel dat het antwoord genuanceerd moet zijn en dat wanneer het park kiest voor een exclusief of overwegend research-karakter, er een goede regionale regie op het vestigingsbeleid nodig is om bedrijven die de stap van research naar productie zetten te faciliteren op relatief korte afstand van het Bio Science Park. Die regionale regie - waarin bijvoorbeeld een regionale ontwikkelingsmaatschappij zou kunnen voorzien - is er nu niet. Wanneer de analyse klopt dat Leiden het eerste echte life sciences cluster in Nederland is, dan is het een redelijke verwachting dat het Bio Science Park aan de vooravond van een hausse staat. We zagen in de vorige paragraaf van deze notitie al dat life sciences een zaak van lang volhouden is vanwege de lange doorlooptijden voor research en autorisatie. Maar als de olie eenmaal in de pijplijn zit, kan het ook hard gaan. De forse uitbreiding van Centocor waartoe recent is besloten, is daar een voorbode van. Hetzelfde Centocor dat slechts enkele jaren geleden honderden mensen moest ontslaan, omdat één van de twee op dat moment in ontwikkeling zijnde producten geen toegang kreeg tot de Amerikaanse markt. Dat het park - en uiteindelijk ook Centocor - van deze schok alleen maar sterker is geworden, onderstreept de vitaliteit van het cluster. Als we de opbrengsten van een kwart eeuw conversiebeleid onder ogen zien, dan lijkt Leiden op het eerst gezicht een geslaagde reconstructie te hebben meegemaakt. De
10

zwakke plekken in de stad zijn vrijwel overal verdwenen en de bevolking is - in vergelijking met de andere grotere steden in Nederland - hoog opgeleid en welvarend. Bij nadere beschouwing blijkt de conversie echter vooral gedragen te zijn door de woonfunctie. De economie is onderontwikkeld. Een indicatie daarvoor is de zogenaamde arbeidsplaatsenquote, de verhouding van het aantal arbeidsplaatsen tot het aantal leden van de beroepsbevolking. Bij een quote van één zijn er evenveel arbeidsplaatsen als leden van de beroepsbevolking. Een centrumstad heeft doorgaans een hogere quote, omdat werkenden (forensen) uit de omgeving dagelijks de stad in komen. Utrecht en Roermond hebben in Nederland de hoogste quote (1,5), een teken van een bijna extreme centrumfunctie. De Leidse quote is 0,75. De Leidse agglomeratie (inclusief randgemeenten) in zijn geheel doet het niet beter. Alleen Zoeterwoude heeft - dankzij de vestiging van de Heinekenbrouwerij - een hogere quote dan één. Leiden is derhalve extreem eenzijdig als woonstad ontwikkeld. De grote uitgaande pendel op de as Den Haag - Schiphol - Amsterdam is daar het resultaat van. Overigens verdient de Leidse bevolking zijn inkomen niet alleen elders, ze geeft dat inkomen ook weer elders uit. Leiden heeft, in vergelijking met de andere grotere steden in het land, weinig café’s, weinig culturele voorzieningen en zeer weinig winkeloppervlak tot zijn beschikking. Alleen het areaal aan restaurants past enigszins bij de omvang van de stad, mogelijk dankzij de vraag uit universitaire kring. Het patroon van verdienen en uitgeven in Leiden lijkt op dat van een Vinex-wijk. Wat op het eerste gezicht een geslaagde conversie lijkt, is bij nadere beschouwing slechts een partiële transformatie. Leiden is geen complete stad, in de zin dat het een behoorlijk zelfdragend vermogen heeft. Leiden is enerzijds afhankelijk van overheidsgerelateerde bedrijvigheid, in de stad zelf (universiteit, ziekenhuis, hogeschool) en daarbuiten in het ambtelijk complex in Den Haag en anderzijds van bedrijvigheid in Schiphol en Amsterdam.

In de twee decennia dat het Bio Science Park bestaat, is het besef van een conversieproces echter geheel verdwenen. Het gevoel van urgentie dat er aan de streek gewerkt moet worden - in andere conversiegebieden als Twente en Limburg nog steeds in tact - is weg. Ook het lange termijn commitment aan een science park - vanwege de lange doorlooptijd van de technologie en noodzaak om een park tot ontwikkeling te brengen - spreekt niet meer vanzelf. Het Bio Science Park is her en der in de publieke en politieke opinie in de regio een ‘gewoon’ bedrijventerrein geworden, dat voornamelijk met de woonfunctie moet concurreren om de steeds schaarser wordende grond.

11

Een voorbeeld van deze verandering in perceptie is de discussie over de inrichting van Rijnfront. Het gaat om een terrein van zeventig hectare, met als oostgrens de A44 en als westgrens de Oude Rijn. De meest zuidelijke vijftien hectare van dit terrein, met de contouren op de kaart van een taartpunt, grenzen direct aan het science park. De ontsluiting onder de A44 ligt er al sinds jaar en dag. In de jaren zestig heeft de universiteit hier veel grond gekocht, in de veronderstelling dat zich hier - twee kilometer ten westen van het centrum van Leiden - mogelijk een academische campus zou ontwikkelen. Daar is het nooit van gekomen. Weliswaar is ten oosten van de A44 (Leeuwenhoek) een belangrijk academisch complex ontstaan, maar de strategische keuze is gemaakt om een stadsuniversiteit te blijven. Toen het science park tot ontwikkeling kwam, kreeg de zuidelijke taartpunt van Rijnfront ‘als vanzelf’ de verwante bestemming van bioscience. Die bestemming is in het Streekplan vastgelegd en door Provinciale Staten vastgesteld. Het bestaan van deze strategische reserve is voor de ontwikkeling van het park van groot belang geweest: wanneer in de toekomst de schoksgewijze clustervorming extra ruimte nodig had, dan zou die ruimte er ook zijn. Die zekerheid verstrekte de acquisitiekracht van het park ten opzichte van buitenlandse concurrenten. Bij de discussie rond de inrichting van Rijnfront zijn verschillende varianten aan de orde geweest. Er was een variant met driehonderd woningen, wat in een dichtheid van twintig huizen per hectare zou resulteren. Dat getal is voor de dichtbevolkte Leidse agglomeratie weliswaar aan de lage kant, maar Rijnfront zou met die woningdichtheid stellig een woonwijk zijn geworden, niet eens een gemengde wijk. Een andere variant sprak over bestemmingen voor wonen, werken, horeca, detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke doeleinden en recreatie. Het probleem is dat de Nederlandse wetgeving de combinatie van life sciences bedrijvigheid met andere bestemmingen moeilijk maakt. Voor laboratoria geldt een contour, waarbinnen geen andere bestemmingen dan science zijn toegestaan. Wie kiest voor een gemengde functie op het terrein, sluit life sciences automatisch uit. Het gevolg zou feitelijk het wegbestemmen van de strategische reserve van het science park zijn. Inmiddels is overeenkomst bereikt tussen de verschillende betrokken partijen over de handhaving van de bepaling van het Streekplan (en dus van de science bestemming) van zuidelijk Rijnfront. Een dreigende breuk met het langdurige commitment van het openbaar bestuur, de academische gemeenschap en het georganiseerde bedrijfsleven in de regio met het science park is daarmee voorkomen. Het feit dat deze regionale economische ‘frontrunner’ - uitgerekend op een moment dat de clustervorming tot een flinke groei van de bedrijvigheid lijkt te gaan leiden - het ruimtelijke lange termijn perspectief zou verliezen, is echter reden tot alertheid. Wat in de hoogtijdagen van de conversie nog vanzelf sprak - namelijk een bedrijvigheid ontwikkelen met een uitgesproken impact op de economische structuur van de regio - moet nu weer opnieuw bevochten worden. Het is kennelijk tijd voor hernieuwde formulering van de politiekeconomische agenda. Daar gaan we in het vervolg van deze notitie een poging toe doen.

12

3 Business case Leiden: economisch perspectief
Volgens Biopartner, het stimuleringsprogramma van het Ministerie van Economische Zaken voor de life sciences, is het science park in Leiden het meest succesvolle cluster in Nederland in termen van aantal nieuwe bedrijven en nieuwe werknemers en in termen van internationaal onderzoek. West-Nederland - de driehoek Leiden - Den Haag - Delft, waarin Leiden dominant is met ruim de helft van het aantal bedrijven - staat in Europa op de vijfde plaats, na South East England, Îlle de France, Bayern en Hessen.3 Wat is nu de achtergrond van die economische waardering? Allereerst de samenstelling. Het Bio Science Park is het oudste en grootste van Nederland. Maar zeker zo belangrijk zijn de volgende karakteristieken: Ongeveer tachtig procent van de veertig bedrijven in Leiden is ‘dedicated’. In andere 'brain parks' in Nederland is vaak sprake van een bijzondere kantorenlocatie, voor zakelijke dienstverlening met high tech-aspecten. Dergelijke woordinflatie is in Leiden afwezig. Het overgrote deel van de bedrijven legt zich toe op hoogwaardig onderzoek en industrie. Het park kent een redelijke variatie naar leeftijd. Het merendeel van de bedrijven startte in de jaren negentig, maar er kwam gedurende de afgelopen vijftien jaar eigenlijk elk jaar wel een bedrijf bij met bestaansrecht. Sommige bedrijven bestonden al enkele jaren voordat ze zich in Leiden vestigden, anderen zijn er begonnen. Het park kent een mix van Nederlandse en buitenlandse bedrijven, volgens Biopartner een van de sterke kanten van het cluster. Het versterkt de economische cultuur, omdat het verschillende bedrijfsstrategieën, kennis, toeleveranciers en innovatiedruk bij elkaar brengt. De oriëntatie van het cluster is redelijk eenzijdig: ongeveer tweederde van de bedrijven is bezig met onderzoek naar en ontwikkeling van biomedische toepassingen of diagnostiek. Daarbinnen is echter sprake van een behoorlijke spreiding naar diagnostische en therapeutische toepassingen en naar biologische en farmaceutische processen. Het park is nog niet ‘compleet’, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat het cluster slechts enkele ‘afgeleide' bedrijven telt (consultants, lab-infrastructuur, facilitaire bedrijven) en betrekkelijk weinig 'volgende' bedrijven. Weliswaar is een behoorlijk deel van de nieuwe bedrijven spin-off van bestaande bedrijvigheid, maar het is niet zo dat zich al hele productiekolommen op het park hebben ontwikkeld. Dat moet nog op gang komen. In klassieke economische structuren moeten pluriformiteit van de productlijnen en van de werkgelegenheid weerstand bieden tegen economische kwetsbaarheid; in een life sciences cluster is dat anders. Daar hebben de bedrijven allemaal dezelfde oriëntatie en moet de weerstand komen uit een evenwichtige opbouw, in termen van grootte, fase (starters, doorstarters en succesvol producerende bedrijven) en herkomst. Het Leidse cluster is nog onevenwichtig, in de zin dat het aantal grotere ondernemingen aan de lage kant is en dat er relatief weinig volgende bedrijven in de buurt zijn. Maar vergeleken met andere ‘brain parks’, die met science betrekkelijk weinig te maken hebben, is dat een ‘minor disbalance’. Life sciences is, zoals eerder opgemerkt, een grillige bedrijfstak, vanwege de investeringscycli en de afhankelijkheid van patenten. Vanwege dat grillige verloop
3

EU paper, Innovation and competitiveness on European Biotechnology. Enterprise papers, nr. 7, 2002.

13

moeten de productiefactoren (arbeid, laboratoria) flexibel kunnen worden ingezet. Dat blijkt in Leiden goed te werken: de bedrijven functioneren onderling als communicerende vaten. Gebouwen (met lab en infrastructuurfaciliteiten) staan dus niet lang leeg. Toen Pharming bijvoorbeeld enkele jaren geleden als grootste huurder uit het verzamelgebouw van het ABC (Academisch Bedrijven Centrum) trok, zaten de vrijgekomen ruimtes binnen de kortste keren vol met kleine bedrijven.

Wat betekent dit opkomende cluster nu voor de regio? We kijken naar twee economische indicatoren: de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde. Eerst de werkgelegenheid. Eerder wezen we op problemen met definiëren en met tellen. Maar de volgende aantallen zijn plausibel: op het park werken ruim 3.500 mensen, exclusief het LUMC, inclusief onderwijsinstellingen en het Hoogheemraadschap. Ongeveer de helft van die 3.500 komt voor rekening van de Life sciences bedrijven. Een prognose uit het jaar 2000 voorzag een groei tot 6.000 werkenden in het park in het jaar 2010. Als de inschatting klopt dat het Leidse cluster aan een lift-off bezig is, dan is dat aantal realistisch. Deze 6.000 werkzame personen hebben een bijzondere betekenis voor de regio: De Leidse Regio heeft een hoog opgeleide beroepsbevolking. Van de grote steden is Leiden, na Utrecht, koploper. Probleem is dat het gaat om mensen die na hun studie in Leiden zijn blijven wonen, maar elders werken. Het is een beetje het Philips effect: Eindhoven is nog steeds techniekstad bij uitstek, maar de investeringen en de gecumuleerde kennis van Philips in Leuven zijn straks groter dan die in de thuisbasis. De TU Eindhoven is straks de stralende etalage van een lege winkel. Met het Bio Science Park krijgt Leiden eindelijk werkgelegenheid in huis die hoogopgeleiden aan de regio bindt. Het begrip ‘Leiden Kennisstad’ krijgt er empirische betekenis door. De 6.000 arbeidsplaatsen worden gefinancierd met geld dat van buiten de regio - en voor het grootste deel van buiten Nederland - komt. Stuwende bedrijvigheid, bedrijvigheid die zorgt voor een netto geld toevloeiing naar het productiegebied, is de kurk waar een regio op drijft. Er zijn voor deze sector nog geen studies bekend naar het macro-economische effect van een life science cluster op de geografische regio. Maar als we de multiplier van drie tot vier volgen die in andere clusteranalyses wordt gehanteerd, wordt duidelijk dat de regio een banenmotor onder handbereik heeft. Dan de toegevoegde waarde. Het binden van hoogwaardige werkgelegenheid is belangrijk voor een regio, maar dat geldt ook voor het binden van kapitaalstromen. In dat opzicht is Nederland Distributieland niet zo’n goed idee: een groot volume aan goederen wordt in Nederland verladen en belast de Nederlandse infrastructuur. Maar tijdens de

14

Nederlandse ’behandeling’ neemt de waarde maar weinig toe. Bij het Bio Science Park is dat anders. Het volume van de daar nagestreefde productie is bijna verwaarloosbaar, de waardetoevoeging daarentegen groot. Het gaat onder meer om geneesmiddelen, medische hulpstoffen en halffabrikaten, enzymen voor biotechnologisch onderzoek en hoogwaardige DNA analyses. Bureau Louter heeft voor Elsevier de toegevoegde waarde van het science park als volgt berekend: Toegevoegde waarde bedrijven en instellingen Bio Science Park in 20014 Sector Toegevoegde Waarde (mln.€) 117 0,2 8,3 16,9 93 145 28,6 409 259 TW met ophoging (mln.€) 117 0,2 8,3 16,9 139,5 217,5 28,6 528 378,7

High-tech industrie Overige industrie Groothandel Zakelijke diensten Onderwijs Medisch complex Overige industrie Totaal Waarvan non-profit

Deze tabel heeft betrekking op een geografisch gebied met zowel non-profit bedrijvigheid (LUMC, Universiteit, Hoogheemraadschap en TNO) als profit activiteiten (met als grootste de vestigingen Centocor, Fokker Space en Katwijk Farma). Wat nu precies de bijdrage van de commerciële dedicated bedrijven (het hart van het cluster) is, vergt nog nadere analyse. Maar ook met de beschikbare grofmazige gegevens noemt Elsevier het Bio Science Park als enige life sciences cluster in de top 40 van bedrijfslocaties in Nederland en een ‘pareltje aan de A44’.

4

In de berekening is het aantal werkzame personen vermenigvuldigd met de toegevoegde waarde per arbeidsplaats volgens

het nationaal gemiddelde in de betreffende sector. Zeer wel denkbaar is dat de toegevoegde waarde per arbeidsplaats in het LUMC in feite boven dat nationaal gemiddelde ligt. Voor de Universiteit Leiden geldt mogelijk hetzelfde. Voor de sectoren waar deze onder vallen is daarom ook een berekening gemaakt waarbij de toegevoegde waarde met een factor 1,5 is vermenigvuldigd (de 'TW met ophoging'). Dat is een schatting. Onderzoek op het niveau van de individuele vestigingen zou nodig zijn om dit verder aan te scherpen. Er kan van worden uitgegaan dat de uiteindelijke toegevoegde waarde ergens tussen de twee berekende getallen in zal liggen, dus tussen 409 en 528 miljoen Euro. Dat zijn overigens niet de totale economische effecten. Bestedingseffecten bij bedrijven elders in Leiden (of in de regio) door bedrijven gevestigd op het Bio Science Park zijn hier niet in meegerekend.

15

4 Business case Leiden: ruimtelijk perspectief
Het Bio Science Park ligt midden in een regio waar de druk op de schaarse ruimte enorm is. Dat leidt enerzijds tot innovatief en intensief ruimtegebruik in de regio (zoals de beginnende herinrichting van de oevers van de Oude Rijn tussen Leiden en Alphen en de planvorming voor de Rijn Gouwe Lijn), maar ook tot een grote druk op de woningmarkt. Die druk weerstaan vanwege een technologiepark dat een betrekkelijk abstract belang vertegenwoordigt, namelijk de sociaal-economische structuur op de langere termijn, is geen sinecure. Intussen is zoals gezegd het kaderstellende karakter van het Streekplan bevestigd: het Bio Science Park kan zich in de zuidpunt van Rijnfront verder ontwikkelen. De discussie is daarmee echter niet afgerond. Zo is er een bestuurlijke afspraak gemaakt dat, wanneer in 2008 niet van een substantiële ontwikkeling in Rijnfront sprake is, nieuw beraad over de bestemming van de grond mogelijk is. Voor de ruimtelijke doorontwikkeling van het huidige Bio Science Park (de Leeuwenhoek, het gebied ten oosten van de A44) wordt thans door gemeente en universiteit een plan voorbereid.

We plaatsen bij de voortgaande discussie over het ruimtegebruik van de life sciences bedrijvigheid de volgende opmerkingen. Ten eerste. In het recente verleden is wel naar voren gebracht dat toekomstige life sciences bedrijvigheid zou kunnen uitwijken naar andere bedrijventerreinen, zoals KleiOost, om meer ruimte te creëren voor woningbouw in Leiden en Oegstgeest. Deze gedachtegang gaat er van uit dat life sciences een ‘gewone’ bedrijvigheid is en miskent het specifieke karakter. Life sciences gedijt op een geprogrammeerd terrein, geclusterd rondom relevante kennisinstituten en centrale voorzieningen. Elders in de wereld wordt anders tegen afstanden aangekeken en kunnen auto’s (en soms zelfs helicopters) gebruikelijke vervoermiddelen zijn bij het benutten van de samenhang in een cluster. Maar het cluster Leiden heeft een typisch Nederlandse schaal: lopen, fietsen en - na de komst van de Rijn Gouwe Lijn - trammen. Over welke afstand nog kan en welke niet, zijn geen absolute uitspraken mogelijk. De trend dat Leiden steeds meer met Delft gaat samenwerken, geeft aan dat een cluster fysiek niet te bekrompen gedefinieerd moet zijn. Maar het gaat in Delft wel om bedrijvigheid in de onmiddellijke nabijheid van de Technische Universiteit. Met andere woorden: zonder nabij kennisinstituut geen cluster. Bijkomende omstandigheid is dat een life sciences bedrijf andere vestigingseisen stelt dan een ‘gewoon’ bedrijf. Zo is bereikbaarheid voor vrachtverkeer voor een life sciences bedrijf minder belangrijk. De materiële productie van een science bedrijf wordt in kilo’s gewogen, niet in tonnen. Nabijheid van openbaar vervoer en woonvoorzieningen
16

(winkels, kinderopvang, restaurants) zijn veel belangrijker. Dat betekent overigens niet dat er ook grootschalige productie op het park moet gaan plaatsvinden om de eenheid van het cluster te bewaren. Er zijn goede redenen om productie op een andere plek, bijvoorbeeld de Oostvlietpolder, te willen faciliteren en het park vooral voor research bestemmingen te behouden, maar dat is een andere discussie waar eerder in deze notitie op is ingegaan. Ten tweede. Universiteit en gemeente Leiden werken thans aan een ruimtelijke ordeningsplan voor het oorspronkelijke Bio Science Park in de Leeuwenhoek. In het plan zal getracht worden het gebied een meer stedelijk karakter te geven, enerzijds door verdichting (er zijn nu nog extensief gebruikte sportterreinen, parkeerplaatsen en andere gronden), anderzijds door toevoeging van nieuwe functies. Het kan daarbij ook gaan om parkgerelateerde woonfuncties, zoals verblijven voor buitenlandse gasten en studentenhuisvesting. Bij dit streven naar een hogere ruimtelijke kwaliteit passen twee relativeringen: Er is een grens aan verstedelijking van een park. Op sommige plaatsen is ongetwijfeld verdichting en gestapelde bouw mogelijk, maar er zullen ook veel plekken zijn waar met milieucontouren rekening moet worden gehouden (vanwege de laboratoria) en waar gewoon een park- of campusachtige omgeving nodig is. Met een campusachtige omgeving bedoelen we overigens niet dat er grootschalige huisvesting van studenten of 'visiting fellows' op het park moet komen. Dat is niet goed voor de ontwikkeling van het park (dat is inmiddels aan de orde geweest), maar bovendien is het een potentieel selling point dat je buitenlandse onderzoekers huisvesting kan bieden in de historische binnenstad, met een zeer goede verbinding naar het park (Rijn Gouwe Lijn). De campusachtige omgeving betekent wat ons betreft goede faciliteiten en ondersteuning op het park en een goede bereikbaarheid. In het verleden is de bestuurlijke discipline in het handhaven van bestemmingen in de regio niet altijd groot gebleken. Een woonbestemming toekennen aan bepaalde delen van de Leeuwenhoek voor een academische populatie kan op papier de biotoop van de science bedrijven versterken. Maar het kan ook de opening zijn van een sluipgang naar ‘gewone’ woningbouw. Dan gaat het parkkarakter verloren. Met enige overdrijving zou je kunnen zeggen dat het voornaamste dat de gemeente Leiden sinds 1984 voor het park gedaan heeft, het weren van andere dan science bestemmingen is. De gemeente moet die rol van waakhond niet te snel opgeven. Deze beide kanttekeningen betekenen niet dat het denken over verweving van science met andere functies (zoals ook over het faciliteren van life sciences bedrijven die beginnen te produceren) moet stoppen. Het betekent wel dat daar een sterke, liefst bovengemeentelijke regisserende hand voor nodig is, anders gaat het fout. Een voorbeeld als De Baanderij in Leiderdorp - waar een industrieterrein in luttele jaren verschiet tot een woonboulevard - roept argwaan op als het gaat om het geduld van het lokaal bestuur om een goede terreinformule de tijd te geven en te vrijwaren van ‘vervuiling’ met andere bedrijvigheid. Met iets meer tijd had De Baanderij uit kunnen groeien tot een terrein met veel meer stuwende bedrijvigheid en een veel hogere toegevoegde waarde dan thans het geval is. De discussie over de ruimtelijke ordening van de Leeuwenhoek, over Rijnfront na 2008 en over relatie tussen productie en onderzoekscapaciteit van science bedrijven roept om een regionale bedrijvenstrategie en een regionale regie in de gronduitgifte.

17

5 Business case Leiden als cluster
Voor het doorgroeien van het Bio Science Park tot een volwassen economisch cluster is behoud van de verworvenheden van de afgelopen periode nodig, maar zijn ook nieuwe activiteiten gewenst. In de vorige paragrafen hebben we vanuit achtereenvolgens het historische, het economische en het ruimtelijke perspectief betoogd dat het Bio Science Park van grote betekenis is voor de regio. Er is alle reden voor de regio om zijn parel wat meer te koesteren. Maar voor die parel zelf is het, ondanks de goede perspectieven, geen ‘business as usual’. Dat past niet bij de karakteristieken van de sector, het past niet bij het idee van clustervorming en het park zou daarmee in de val van de ‘wet van de remmende voorsprong’ lopen. In deze paragraaf proberen we wat verder in de toekomst te kijken, aan de hand van het voor de life sciences technologie wezenlijke begrip clustervorming. Clustervorming vraagt continue interactie met de omgeving Er wordt veel over gezegd en geschreven, maar wat is clustervorming nu eigenlijk? Een definitie waarmee de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) uit de voeten kan is de volgende: ‘Networks of interdependent firms, knowledge institutions (universities, research institutes, technology providing firms), bridging institutions (e.g providers of technical or consultancy serveces) and customers, linked in a value added creating production chain. Het Bio Science Park voldoet eenvoudig aan deze definitie. De nabijheid van drie universiteiten (Delft, Leiden en Rotterdam) met bijbehorende medische centra, is een goede biotoop gebleken voor clustervorming in Leiden. Enkele tientallen bedrijven, het Academisch Bedrijven Centrum als incubator en de infrastructuur van de universiteit en van het LUMC vormen samen de karakteristieke contouren van een cluster. Nu het cluster er eenmaal is, zal het bedrijvigheid blijven aantrekken. De meest gezaghebbende deskundige op het gebied van clustervorming, de econoom Michael Porter, acht vier kernfactoren van doorslaggevend belang voor een concurrentiepositie van een cluster in een ‘emerging technology’: • • • • productiefactoren (beschikbaarheid voldoende investeringsmiddelen; geavanceerde, toegankelijke en dynamische kennis) marktfactoren (veeleisende klanten) bedrijfsstrategieën en rivaliteit, een economische cultuur van hard werken, scherpzinnigheid en durf, een goede neus voor allianties goede en innovatieve toeleveranciers en ondersteunende sectoren. Daarnaast spelen ook een beetje geluk en een stimulerend overheidsbeleid een rol in het creëren van een sterke concurrentiepositie. Porter voegt er aan toe dat de concurrentiepositie van een cluster in constante interactie met de directe omgeving tot stand komt. De institutionele omstandigheden moeten goed passen bij de industrie of dienst die concurrerend wil zijn. Een concurrerende

18

bloembollenindustrie opzetten in Finland zal waarschijnlijk moeilijk gaan, maar het klimaat voor concurrerende telecomproducten is daar juist weer erg goed. Innovatieve en competitieve bedrijven hebben hun omgeving niet zelf in de hand. Ze hebben partners als overheden en kennisinstituten nodig. Een cluster is dus nooit ‘footloose’, het zal zijn kernactiviteiten, kennis en expertise niet plotseling verplaatsen naar een lage lonenland, hoe internationaal de oriëntatie ook is. Een regio die een cluster in huis heeft, moet er, met andere woorden, goed voor zorgen, maar krijgt er buitengewoon duurzame en rendabele werkgelegenheid voor terug. Een cluster dijt bijna per definitie uit Clustervorming is één comparatief voordeel van de business case Leiden. Een ander voordeel is dat door de lange en succesvolle ontwikkeltijd nu ook ‘normale’ vestigingsvoorwaarden een rol gaan spelen: bedrijven zitten er al een tijdje en hebben loyaliteit aan de regio, kunnen goed met de gemeente overweg, de werknemers wonen er prettig (zie het kader over Centocor). Naast de high-tech clustervorming, zijn ook de reguliere, verzorgende bedrijvigheid en de relatieopbouw een vestigingsfactor geworden. Die combinatie is in Nederland vrij uniek en welhaast vergelijkbaar met bedrijven als Philips in Eindhoven en DSM in Zuid-Limburg. Het heeft in elk geval tot gevolg dat het park acquisitievermogen kan ontlenen aan het succes van bedrijven die er eenmaal gevestigd zijn.

Een indicatie voor het bestaan van dat vliegwiel is het aantal starters. Hoewel het aantal startende bedrijven in Europa afneemt, mede als gevolg van het onzekere economische klimaat, blijft het aantal in Leiden op peil. Leiden is veruit koploper in Nederland.5 Bovendien blijkt dat slechts ongeveer een derde van de starters voortkomt uit academisch onderzoek. Dat is weinig voor wie hoopt op intensieve valorisatie (vermarkting) van academische kennis. Maar de keerzijde van de medaille is dat dus tweederde van de starters afkomstig is uit bestaande bedrijvigheid of van buiten komt. Het cluster vernieuwt zichzelf. Het momentum in de life sciences is er één van een doorgroeiende sector met veel nationale beleidsaandacht

5

Biopartner, Growth against the tide, the Netherlands Life sciences Sector Report 2003.

19

Centocor Centocor is in 1984 opgericht als onderdeel van Centocor Incorporated (VS). In 1987 volgde in Leiden de productiehal. Centocor is een dochteronderneming van het bedrijf Johnson & Johnson, dat Centocor in 1999 heeft overgenomen. Het bedrijf is actief op het gebied van monoklonale antilichamen en DNAproducten en maakt onder andere medicijnen voor de Ziekte van Crohn, reuma en hart- en vaatziekten. Centocor is in Nederland het grootste bedrijf op het gebied van de biofarmacie en behoort wereldwijd tot de leidende bedrijven in de ontwikkeling en productie van biofarmaceutische producten. Om te kunnen voldoen aan de enorme vraag naar hun producten gaat zij haar productiecapaciteit uitbreiden in Leiden. Centocor heeft op dit moment rond de 850 mensen in dienst. Met de uitbreiding zal zij groeien van ongeveer 1.100 tot 1.200 werknemers. Centocor is de grote trekker van het Bio Science Park en is van groot belang voor het park, als werkgever en door haar internationale uitstraling voor het aantrekken van nieuwe bedrijven in deze branche naar Leiden. Met de uitbreiding van haar productiecapaciteit doet Centocor een investering van zo’n 250 miljoen euro in de vestiging Leiden. Met deze uitbreiding kan zij per jaar 150 kilo extra product maken en groeit de productie van 300 kilo naar 450 kilo. Het bedrijf heeft vorig jaar bij Economische Zaken aangeklopt om haar plannen voor uitbreiding kenbaar te maken. Dit heeft geresulteerd in het faciliteren van Centocor door Economische Zaken bij de uitbreidingsplannen, wat heeft bijgedragen tot de uiteindelijke beslissing van Centocor om in Leiden en niet elders in de wereld uit te breiden.

De bedrijven in de life sciences hebben, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de ICT-bedrijven enkele jaren geleden, te maken met een lange ontwikkeltijd. De periode tussen idee en winst is in de life sciences al snel tien tot vijftien jaar, terwijl het gemiddelde startkapitaal een behoorlijke omvang heeft. Dat maakt dat financiers in de sector lang moeten wachten op hun ‘return on investment’. Aan het besluit tot investeren in een sector als die van de life sciences moet daarom een lange termijn visie ten grondslag liggen. Vertrouwen dat kennisinstituten en overheid ‘steady’ blijven en niet plotseling van humeur veranderen, is essentieel. Op het moment heeft de sector, net als iedere andere, te lijden onder de ongunstige economische tijdingen. Het instorten van beursgenoteerde biotechnologieondernemingen dwingt de verstrekkers van durfkapitaal langer te blijven investeren in hun participaties, waardoor durfkapitaal langer vastzit en minder snel beschikbaar komt voor nieuwe deelnemingen. Voor het eerst in tien jaar stagneert daarom de groei internationaal. Dat klinkt somber, maar het tekent ook de ontwikkeling van een sector die volwassen aan het worden is. De life sciences was de afgelopen jaren in Nederland een ware ‘emerging market’. Er waren veel start-ups - na een aanvankelijke achterstand groeit Nederland op dat gebied door, terwijl de rest van Europa een terugval laat zien - en een flink deel daarvan nadert de status van doorgroeier. Dat betekent in de praktijk dat er nog behoorlijk geïnvesteerd moet worden in de bedrijven. Op dit moment wordt daarom breed nagedacht over arrangementen om de perspectiefrijke bedrijven aan financiering voor hun doorstart en voortzetting van hun research en autorisatieprocessen te helpen. De keuze van het net aangetreden kabinet om te investeren in de kenniseconomie, moet als gunstig voor de life sciences worden gezien. Die keuze betekent een publieke waardering voor de kennisintensieve bedrijvigheid en dat is weer gunstig voor het lange termijn vertrouwen en het investeringsklimaat.

20

Een regionaal cluster heeft ‘selling-points’ nodig Leiden heeft zich met het Bio Science Park een plaats verworven tussen internationale centra; van de universiteit van Wisconsin tot het Friedrich Miescher Institute in Bazel, Zwitserland. Die mooie positie spreekt niet vanzelf. Ooit was het Bio Science Park een voorloper, maar Leiden wordt in rap tempo ingehaald door anderen. Dat is niet per definitie een probleem. Je kunt een ander cluster als concurrent zien, maar je kunt er ook een samenwerkingspartner van maken. Het blijft echter zaak je in elk geval in sommige opzichten te onderscheiden van anderen. Je moet ‘comparatieve voordelen’ hebben, anders heb je noch in concurrentieverhoudingen noch in samenwerkingsrelaties iets te bieden. Hoe staat er Leiden er voor, bijvoorbeeld in vergelijking met het ‘perifere’ en beginnende cluster in Groningen? Eerst de comparatieve nadelen: De fysieke beperkingen van Leiden spelen in Groningen geen rol. Toekomstige deelnemers in een Gronings cluster kunnen verzekerd zijn van ruimte. Het publieke en politieke klimaat in Leiden is vrij onverschillig. In Groningen klinkt het welkom aan life sciences bedrijven veel harder, gewoon omdat de stad vanuit de regionale achterstand geleerd heeft alert te zijn op het werven van werkgelegenheid. De bestuurlijke samenhang in de Leidse regio is zwak. De gang van zaken rondom het bestemmingsplan Rijnfront gaf aan dat het moeilijk is om een agglomeratie- of regiobelang ook bestuurlijk als agglomeratie aan te pakken. Groningen beschikt over een veel sterkere bestuurlijke regie. Leiden heeft geen regionale subsidie- of kredietfaciliteiten, Groningen wel. De Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij heeft weliswaar beperkte mogelijkheden, maar kan de ‘financial engineering’ van met name startende en doorstartende activiteiten wel vergemakkelijken. Tegenover deze nadelen staan ook voordelen: Leiden vertoont, anders dan Groningen, duidelijk tekenen dat het al een cluster is. Er is een goede mix van bedrijven, met start-ups, doorstarters en producenten. Er is een beeldbepalende motor (Centocor). Pieken en dalen bij een individueel bedrijf worden in het cluster opgevangen. En er is een zichzelf genererende stroom innovaties op gang gekomen. Dat heeft op zich ook weer aantrekkingskracht voor buitenlandse potentiële vestigers in Europa. Het Leidse cluster ligt zeer gunstig, op twintig minuten afstand van Schiphol en heeft het technische cluster in Delft onder handbereik. Door die nabijheid van en samenwerking met Delft (en ook Haaglanden) vindt een zekere opschaling plaats van het Leidse cluster in 'West-Holland'-verband. Overigens delen Leiden, Groningen en de andere complexen de algemene problemen in de life sciences in Nederland, te weten de moeilijke verkrijgbaarheid van durfkapitaal in de doorstartfase en de gebrekkige verbinding tussen het ondernemerschap en de academische wereld. De conclusie van deze korte vergelijking van ‘selling points’ is enigszins alarmerend voor Leiden: de voornaamste voorsprong van Leiden is het feit dat het een voorsprong heeft. Meer niet.

• •

• •

21

6 Conclusies en agenda
We vatten de bevindingen van deze notitie puntsgewijs samen: • Het Bio Science Park van Leiden is een product van de conversietijd, de periode dat Leiden trachtte te transformeren van een even klassieke als failliete fabrieksstad tot een stad van moderne industrie en dienstverlening. Die conversie is te vroeg voor voltooid verklaard. De Leidse agglomeratie is een eenzijdig woongebied geworden, met hoofdzakelijk verzorgende en volgende bedrijvigheid. Voor de economische weerbaarheid van de regio is dat een slechte zaak. Het Bio Science Park is het enige omvangrijke economische complex dat substantieel geld voor de regio verdient. De meest voor de hand liggende strategie om de conversie alsnog te voltooien en meer balans tussen wonen en werken te brengen in de regio, is het krachtig stimuleren van het life sciences cluster. Werkgelegenheid in de life sciences heeft een hoge toegevoegde waarde (opbrengst in euro’s per hectare), biedt veel arbeidsplaatsen per hectare, is volumearm en draagt daardoor weinig bij aan congestie in het verkeer, bindt jonge mensen en hoge inkomens aan de regio en is bijna volledig stuwend van karakter, in de zin dat het geld elders verdiend wordt en naar Leiden toevloeit. Het is bovendien werkgelegenheid met een grote ‘multiplier’ in de vraag naar personeel in verwante bedrijven, onder toeleveranciers en onder voorzieningen horeca en cultuur. De werkgelegenheid is niet 'footloose' en is een prestatieprikkel voor de omringende instellingen voor onderwijs en kennis. Vanuit het gezichtspunt van een duurzame economische structuur, is life sciences het beste dat een regio kan overkomen. De voornaamste prijs die de regio daar voor betaalt, is het afzien van korte termijn succes en het aangaan van een langdurig commitment, met name als het gaat om het beschikbaar houden van ruimte, in mindere mate als het gaat om het onderhouden van de omringende fysieke, sociale en educatieve infrastructuur. Wegbestemmen van delen van Rijnfront of de Leeuwenhoek voor woningbouw vanwege de grote druk op de regionale woningmarkt, zou een geval van ‘penny wise, pound foolish’ zijn. Het verlicht de druk op de ruimte en op de lokale financiën even, maar is niet goed voor de lange termijn structuur. Op grond van de analyse in deze notitie van het Bio Science Park als cluster, mag de komende jaren een behoorlijke expansie verwacht worden. De uitbreiding van Centocor is daar de eerste concretisering van. Verdere ontwikkeling van het cluster kan voorts op een ‘goede golf’ rekenen vanuit de landspolitiek, gezien de nadruk op het belang van een kenniseconomie, op bètaonderwijs en op activering van de innovatiefondsen. Leiden staat dus goed voorgesorteerd, zelfs wanneer we in acht nemen dat de concurrentie veel groter is dan in het verleden het geval was. Gezien het gevorderde stadium van ontwikkeling waarin het Leidse cluster zich bevindt, zeker na de grote investeringen die Centocor ter plaatse doet, moet het cluster in hoge mate op eigen kracht gebruik kunnen maken van deze situatie. Vergeleken met een perifeer en beginnend cluster als dat in Groningen, is de opgave voor de Leidse regio betrekkelijk bescheiden, namelijk: maak geen fouten en zorg dat het cluster de eigen dynamiek vasthoudt.

22

Die bescheiden opgave is echter moeilijk genoeg, in een regio met een enorme druk op de ruimte, met een gebrekkig gevoel van urgentie als het gaat om economie, werkgelegenheid en koopkracht en met een openbaar bestuur dat weinig of geen ervaring heeft met strategische samenwerking. Het verhaal komt eigenlijk neer op een onderschat begrip in het publieke leven, namelijk het ‘organiserend vermogen’. Je kunt als regio of als sector nog zulke goede kansen hebben, wanneer je niet in staat bent die kansen georganiseerd te benutten, loopt het mis. Kennis die in menselijke hoofden en elektronische databanken blijft zitten en nooit een productieproces bereikt, is zo’n gemiste kans. Even niet opletten en een belangrijke nieuwkomer naar elders zien vertrekken, is ook een gemiste kans. Het organiserend vermogen van de Leidse regio of van Rijnland in bredere zin is niet goed genoeg. De institutionele samenhang tussen onderwijs, overheid en economie is in Groningen en Twente sterker. Natuurlijk is dat ook een kwestie van de spreekwoordelijke stimulerende achterstand, maar dat doet niets af aan hun concurrentiekracht. Om de verdere ontwikkeling van het Leidse cluster te begeleiden, verdient het stellig aanbeveling meer te investeren in het organiserend vermogen van de regio en wel langs twee lijnen: de overheid en het science park zelf. Over het organiserend vermogen van de overheid het volgende. De discussie rond de inrichting van Rijnfront heeft andermaal duidelijk gemaakt dat het Bio Science Park niet meer een zaak van een ‘stand alone’ overheid is. Het zal dat in de toekomst steeds minder zijn. Naarmate het cluster expandeert en meer impact op de regio krijgt, zullen er discussies komen over uitplaatsing van productietaken uit het park naar andere plekken in de regio, over de organisatie van de toeleveringsketen, over de secondaire vestigingsvoorwaarden (wonen, recreatie, bereikbaarheid), enzovoort. Dergelijke discussies roepen om een gebiedsautoriteit, die gemeenteoverstijgend de formules van bedrijfsterreinen kan bewaken, vestigers en uitbreiders kan verwijzen, grondprijsvereveningen kan regelen, bestemmingsplannen kan volgen, enzovoort. Met name onder de georganiseerde ondernemers in Rijnland leeft al sterk de gedachte aan een regionale ontwikkelingsmaatschappij, waarin de gemeentelijke grondbedrijven en bedrijvenloketten zich bundelen, om concentratie te brengen in de dialoog met het bedrijfsleven. De gedachte aan een regionale ontwikkelingsmaatschappij is mede ingegeven door de voorgenomen reconstructie van de Oude Rijnzone, die ook een verregaande mate van intergemeentelijke coördinatie zal vergen. Het Bio Science Park onderstreept eens te meer de noodzaak van een dergelijk instrument. Op dit moment gaat de bal met betrekking tot een regionale ontwikkelingsmaatschappij wat ongemakkelijk heen en weer tussen de diverse partijen. De meest logische stap is dat de gemeenten in de regio collectief de wenselijkheid van zo’n maatschappij beamen en vervolgens onderzoek laten doen naar de functionaliteit van een dergelijke maatschappij. Het initiatief tot een dergelijke collectieve uitspraak van gemeentezijde zou van de centrumgemeente Leiden uit kunnen gaan. De rijksoverheid heeft Leiden in het kader van het Grote Stedenbeleid immers opgeroepen werk te maken van de economische relaties met de regio. Maar tactisch is het ongetwijfeld handiger om het initiatief elders te leggen, bijvoorbeeld bij een combinatie van de beide streekgewesten Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek, de Provincie Zuid-Holland en de Kamer van

23

Koophandel. Enige haast is, zeker vanuit het perspectief van het Bio Science Park, geboden. Er is dringend regie nodig. Over het organiserend vermogen van het cluster Leiden zelf het volgende. In de beginjaren had het Bio Science Park enkele eloquente woordvoerders, zowel vanuit het bedrijfsleven als vanuit de academische gemeenschap. Dat is nu veel minder het geval. Er zijn wel enkele communicatiekanalen: de ondernemersvereniging VOIBSP, in periodieke lunchbijeenkomsten met de bedrijven worden zaken doorgenomen die als parkmanagement te typeren zijn (beveiliging, bewegwijzering, aankleding van het terrein, en dergelijke), het Competence Centre Life Sciences (CCLS) stimuleert vanaf het park de ontwikkeling van life sciences in Zuid-Holland en ondersteunt ondernemers met concrete activiteiten en tenslotte is BioPartner, het stimuleringsprogramma van het Ministerie van Economische Zaken, ter plekke actief in het begeleiden van starters. Het lijkt echter op tenminste twee niveaus aan woordvoerderschap vanuit het cluster te ontbreken: • Het Leidse cluster ventileert nog weinig samenhangende en gearticuleerde visies op strategische vragen als samenwerking met andere clusters in binnen- en buitenland, nauwere verbinding van ‘business life’ met academische instituten, fondsvorming, marketing, publieksacceptatie, wetgeving, en dergelijke. Het cluster maakt de leidende rol die het als grootste complex in de Nederlandse opinievorming eigenlijk zou moeten spelen, onvoldoende waar. Het Leidse cluster doet te weinig aan collectieve belangenbehartiging. De relatieve afwezigheid van het Bio Science Park in de discussie over de ruimtelijke ontwikkeling van de omgeving van de laatste en de komende tijd, is in dat opzicht omineus. ‘Business life’ moet bij dergelijke belangrijke kwesties direct meepraten. Als we zoeken naar mogelijkheden tot versterking van het organiserend vermogen en het woordvoerderschap van het cluster, dan lijkt het minder voor de hand te liggen alleen aan natuurlijke personen te denken, zoals in het verleden het geval was. In de pionierstijd werkte dat goed, maar nu het cluster zich aan het doorontwikkelen is, zou het wat meer massa moeten tonen dan alleen briljante individuen. Te denken valt aan een ‘launching platform’, waar bedrijven, universiteit en medisch complex gezamenlijk de netgenoemde taken ter hand nemen en een parkmanager, die met name de marketing ter hand neemt (bijvoorbeeld een goede Engelstalige website van het park) en fungeert als aanspreekpunt. Het is lastig aan te geven wie daartoe de meest aangewezen initiatiefnemer is. Veel ondernemingen hebben hun handen vol aan allerlei contacten die met de autorisatie van hun producten te maken hebben en staan niet te springen om nog meer externe relaties aan te gaan. Dat is wat kortzichtig, maar voorlopig moet met deze praktische omstandigheid rekening gehouden worden. Mogelijk ligt het initiatief voor een ‘launching platform’ meer op de weg van het georganiseerde bedrijfsleven (VOIBSP, Kamer van Koophandel, VNO-NCW, de lokale ondernemersvereniging LVI/ Leiden Centraal) en de gemeente of regio.

24

Bronnen • Het beste boek over clusters als motor voor een economisch-innovatieve ontwikkeling is The Competive Advantage of Nations, van Michael E. Porter. De oorspronkelijke editie van dit boek is weliswaar van 1990, maar als analyse van moderne economische groei is deze bron nog steeds onovertroffen. • • • Actuele en breed georiënteerde informatie over kenniseconomie en clusterontwikkeling is te vinden in de elektronische dossiers van het Het Financieele Dagblad en de ‘Financial Times’. De best beschreven life science clusters bevinden zich in de Verenigde Staten. Een goede entree tot informatie over deze clusters is de website van The Brookings Institution: www.brookings.edu. Veel informatie over de Nederlandse life sciences ontwikkelingen is te vinden op de site van het ministerie van EZ: www.lifesciences.ez.nl en bij BioPartner: www.biopartner.nl

Voor meer informatie of een extra exemplaar van dit rapport kunt u contact opnemen met: Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rijnland Afdeling Regiostimulering Postbus 2059 2301 CB Leiden tel: 071 – 525 05 00 fax: 071 – 514 89 78 e-mail: info@leiden.kvk.nl website: www.leiden.kvk.nl

Bureau Blaauwberg Postbus 2091 2301 CB Leiden tel: 071 – 524 75 00 fax: 071 – 523 64 43 e-mail: info@blaauwberg.nl website: www.blaauwberg.nl

25