COLOFON

Titel Van Lakenindustrie tot Kennisstad Thema/ondertitel Sleutels voor moderne bedrijvigheid in een historische stad Datum Maart 2003 Samengesteld door Drs. S.D. Bulterman Drs. K.J.C. Senden Stafgroep Economisch Onderzoek Rabobank Nederland In opdracht van MKB-Nederland Rabobank Nederland Drukwerk en lay-out GrafiPrint BV Postbus 9725 5602 LS Eindhoven 040-297 64 64 De Rabobank Groep en de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland hebben in 2000 een overeenkomst gesloten met als doel het verder professionaliseren van het ondernemerschap in Nederland door het delen van kennis. Hiertoe zijn in het jaar 2001 verschillende projecten van start gegaan, waaronder het project Lokale Economie waarvan het hier volgende rapport een onderdeel is. Het project Lokale Economie is erop gericht de lokale ondernemersverenigingen te ondersteunen bij hun beleidsbepaling en hun belangenbehartiging van het mkb door de sociaal economische omgeving in kaart te brengen. Door de ondernemersvereniging goed te informeren over de ontwikkelingen op lokaal-economisch terrein kan de beleidsbeïnvloeding door deze vereniging effectiever plaatsvinden. Het project heeft een looptijd van vier jaar. Per jaar wordt in een viertal gemeenten een onderzoek verricht. Voor 2001 zijn dit de gemeenten Haarlemmermeer, Coevorden, Vlissingen en Hof van Twente geweest. In 2002 worden de onderzoeken uitgevoerd in de gemeenten Alkmaar, Roosendaal, Arnhem, Zuid-Kennemerland, en Delfzijl. Het onderzoek in Leiden is het eerste onderzoek van dit jaar. Voor meer informatie over de overige samenwerkingsprojecten kunt u contact opnemen met de bovengenoemde contactadressen. Contactadressen Rabobank Nederland Marktmanagement Bedrijven Marleen Jansen Postbus 221 5600 MA Eindhoven 040-217 65 12 MKB-Nederland Regionale Organisatie Drs. Milo Bakker Postbus 5096 2600 GB Delft 015-219 12 81

2

VOORWOORD
Wij, Ed Cohen en René van Leeuwen, hebben dankbaar gebruik gemaakt van het landelijke initiatief van Rabobank Nederland en MKB-Nederland om de lokale economie onder de loep te nemen en te komen tot aanbevelingen. Leiden blijkt over potentieel krachtige economische bronnen te beschikken. Toch heeft Leiden nog niet dat imago. Het opbouwen van een positief imago zal een van de speerpunten moeten zijn van de lokale overheid en het bedrijfsleven. Ook het verder uitbouwen van het toerisme zal hierbij een belangrijke rol spelen. De Rabobank Leiden en Oegstgeest is zeer actief in het culturele leven van Leiden. Naast het initiëren van projecten is de bank sponsor van vele vitale onderdelen van de Leidse cultuur. Te noemen zijn de Stadsgehoorzaal, Het Leids Cabaretten Festival, Leiden Culinair. Ter versterking van het binnenhalen van winkelend publiek sponsort de bank de Museum Shuttlebus, die een brug legt tussen musea en de binnenstad van Leiden. Daarnaast is de bank actief in financiering van de bio-science bedrijven, een van de speerpunten van de toekomstige economie van leiden. De ondernemersvereniging MKB Leiden zet zich al decennia lang in voor de verbetering van het ondernemersklimaat in Leiden. Door zich actief op te stellen komen mede dankzij MKB Leiden projecten van de grond. Een belangrijke bijdrage is geleverd in de tot standkoming van het Nieuw Aalmarkt Plan dat van vitaal belang is voor de Leidse binnenstad. Dit project zal Leiden in de regio weer duidelijk op de kaart zetten. Op het werkgeversvlak is MKB Leiden in samenwerking met de ondernemersvereniging LVI doende de werkgelegenheid zoveel mogelijk te bevorderen. Zo is MKB Leiden voorzitter van de Stichting Werkhotel dat jongeren in een moeilijke positie uitzicht biedt op een baan en werk in combinatie met het aanbieden van woonruimte. Wij hopen dat de lezer van deze sociaal-economische monitor een goed inzicht krijgt in Leiden als samenleving en daarmee de aanbevelingen omarmt en mede ten uitvoer brengt. Want een samenleving is niet van één individu maar van ons allen.

Rabobank Leiden en Oegstgeest Ed Cohen Commercieel Directeur

Ondernemersvereniging MKB Leiden René van Leeuwen Voorzitter

3

INHOUDSOPGAVE
5 5 5 6 7 7 11 15 20 26 30 31 31 35 37 41 43 43 46 49 50 51 54 57 57 66 68 71 75 77 77 79 80 82 1. 1.1 1.2 1.3 2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 Inleiding Tussen ‘museumstad’ en ‘moderne stad’ Perspectief en leeswijzer Verantwoording

De Leidse economie in beeld Economisch presteren Leidse regio Economische structuur van Leiden Vestigingsklimaat Voorwaardenscheppend beleid Waardering ‘voorwaardenscheppend beleid’ vestigingsklimaat 2.6 Resumé 3. 3.1 3.2 3.3 3.4 4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 Toeristisch product Leiden Toerisme in Leiden: feiten en cijfers Aandachtspunten lokaal beleid in Leiden Waardering: hoe scoort Leiden? Resumé

Leiden Winkelstad Profiel van het winkelaanbod Economische dynamiek in de Leidse detailhandel Concurrentie van andere winkelcentra Beleid, initiatieven en investeringen Waardering van Leiden als winkelstad en het gevoerde beleid 4.6 Resumé 5. 5.1 5.2 5.3 Randvoorwaarden voor een gezonde arbeidsmarkt Woningmarkt Collectieve voorzieningen Voorwaardenscheppend beleid: de regionale oriëntatie 5.4 Waardering van condities voor de arbeidsmarkt 5.5 Resumé 6. 6.1 6.2 6.3 Conclusies en aanbevelingen De economie van Leiden in breder perspectief De Leidse binnenstad als toeristisch product Krappe woningmarkt ondermijnt positie Leidse arbeidsmarkt 6.4 Visie op en investeren in een concurrentie krachtige winkelstad Leiden Bijlage Geraadpleegde bronnen

84 85

4

Van Lakenindustrie tot Kennisstad
Sleutels voor moderne bedrijvigheid in een historische stad

1
1.
5

Inleiding
een stad waar conservering een gezonde economische vernieuwing frustreert. Voor velen gaat deze stelling wellicht wat ver, maar veel ondernemers delen wel de zorg over de beperkingen en knelpunten die het ondernemen in de stad bemoeilijken. Vanuit deze achtergrond, dat Leiden een stad van kansen maar ook van knelpunten is voor ondernemers, is de voorliggende studie opgesteld. De studie tracht een analyse te geven van de economische ontwikkeling, de ontwikkelingsmogelijkheden en -onmogelijkheden van Leiden en haar ondernemers. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar Leiden als winkelstad, als toeristische stad en als woonstad.

1.1 Tussen ‘museumstad’ en ‘moderne stad’
Voor veel buitenstaanders heeft Leiden het aangezicht van een karaktervolle, typisch Hollandse stad met een sterke band met het verleden. Het imago van Leiden is dan ook totaal anders dan dat van ‘moderne groeisteden’ als Zoetermeer, Almere en Hoofddorp. Dat is niet voor niets. De Leidse historie gaat ver terug en veel in het hedendaagse Leiden is nog altijd sterk met de historie verbonden. De historische binnenstad is een van de grootste in Nederland en van economische betekenis voor Leiden als regionale winkelstad. De universiteit inclusief het Leids Universitair Medisch Centrum - is een andere belangrijke economische motor voor de stad en heeft eveneens een sterke historische dimensie. Met respect voor en zelfs met behulp van haar historischcultureel erfgoed probeert Leiden een moderne stad te zijn, die meegaat in processen van maatschappelijke en economische vernieuwing. Leiden heeft ook de potentie een stad te zijn waar oud én nieuw dicht bij elkaar komen en elkaar wederzijds versterkend voor bloei kunnen zorgen. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de kennisindustrie en dan met name de biotechnologie. Die is nauw gelieerd aan de rijke geschiedenis van Leiden als universiteitsstad op het gebied van de medische en natuurwetenschappen. Denk daarbij ook aan de rijksmusea Naturalis en Volkenkunde. Zonder die geschiedenis als universiteitsstad was het Bio Science Park er waarschijnlijk nooit gekomen. Toch menen de critici onder de Leidse ondernemers dat de rijke historie en de invloed die dat heeft op de mentaliteit juist een gezonde economische dynamiek in de weg staat. Leiden zou volgens hen zelfs een ‘museumstad’ zijn,

1.2 Perspectief en leeswijzer
Het palet van eigenschappen van Leiden krijgt eerst kleur als het gebied in perspectief wordt geplaatst. Dit gebeurt door onze gemeente te vergelijken met het beeld van andere steden in West-Nederland, of door de stad af te zetten tegen de regionale ontwikkeling. De ‘regio’ is geen eenduidig begrip. In de studie komen wisselende regionale indelingen aan de orde, afhankelijk van het relevante onderwerp en het regionaal niveau waarop gegevens beschikbaar zijn. De gehanteerde regionale indelingen zijn: • Leidse regio (Samenwerkingsorgaan): Leiden en de direct aangrenzende (buur)gemeenten Alkemade, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten en Zoeterwoude. • Regio Leiden & Bollenstreek (CBS-indeling): Leidse regio, Katwijk en de Duin- & Bollenstreek. • Rijnland (Kamer van Koophandel-regio): Duin- & Bollenstreek, Leidse regio en Alphense regio tezamen.

Achtereenvolgens wordt een schets gegeven van het sociaal-economisch profiel van de gemeente, is er enige aandacht voor de op tafel liggende visies en beleidsstukken en nemen we de verschillende aspecten van Leiden als winkelstad, als toeristische stad en als woonstad onder de loep. De studie sluit af met een aantal conclusies en aanbevelingen in de richting van de ondernemers, beleidsmakers en bestuurders in Leiden.

een vergelijkbare opzet. Er wordt gestart met een algemeen economisch beeld, waarna enkele thema’s die ter plekke ‘spelen’ verder wordt uitgewerkt. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen omtrent te ondernemen stappen. Strekking rapport In dit rapport wordt de ontwikkeling in Leiden in kaart gebracht en in een kader geplaatst. Uiteraard nemen de diverse beleidsvisies en -nota’s van de gemeente en regio daarbinnen een belangrijke plaats in. Bronnen daarvoor zijn allerlei openbare statistieken, studies en beleidsstukken en interviews. Het rapport bevat geen diepgaande analyse van de achtergrond en samenhang van ontwikkelingen in de lokale context. Zo’n onderzoek zou voorbijgaan aan het doel van het project ‘Lokale Economie’. Evenmin is het rapport een actieprogramma, plan van aanpak of stappenplan. Daarvoor is de afstand tussen het bureau van de onderzoeker en de dagelijkse praktijk te groot. Niettemin verwachten wij dat dit rapport inzicht, richting, enige relativering en bovenal een ‘sense of urgence’ biedt voor alle partijen - privaat en publiek - die nu de kans hebben om gezamenlijk Leiden uitzicht op een gezonde toekomst te geven.

1.3 Verantwoording
Project Lokale Economie Deze studie over Leiden verschijnt in een reeks onderzoeken die plaatsvinden in het kader van het project ‘Lokale Economie’. Dit project is één van de activiteiten in het kader van de samenwerking tussen de Rabobank en MKB-Nederland ten behoeve van de versterking van de positie van het midden- en kleinbedrijf in ons land. Doel van dit project is het ‘informeren van de lokale ondernemersverenigingen over de ontwikkelingen die zich in de lokale economie voordoen, waardoor de beleidsbeïnvloeding door deze vereniging effectiever kan plaatsvinden’. Het onderzoek dat hiervoor nodig is, wordt door Stafgroep Economisch Onderzoek van Rabobank Nederland uitgevoerd. Deze onderzoeken hebben alle

Dankwoord
De initiatiefnemers en onderzoekers danken tot slot de volgende personen die hun medewerking hebben verleend bij het tot stand komen van dit rapport. • • • • • • • • • • • • Mevrouw M. Glaser Mevrouw M. Haazebroek-Buysen De heer E. Cohen De heer J. van Doggenaar De heer S.B. Engelsman De heer A.C. Geertsema De heer M.H.T. de Jong De heer R. van Leeuwen De heer R. Mantel De heer K. de Mooy De heer T. van Raan De heer R.E. Santing - Woningstichting Ons Doel - MKB Leiden, Sport Business & Media Travel - Rabobank Leiden & Oegstgeest - Gemeente Leiden, Samenwerkingsorgaan Leidse Regio - Leiden Centraal, Rijksmuseum voor Volkenkunde - Gemeente Leiden, wethouder - Rabobank Leiden & Oegstgeest - MKB Leiden, Berk - LVI - Gemeente Leiden, Economische Zaken - Projectgroep Nieuw Aalmarkt, Universiteit Leiden - Proxy Laboratories

6

2
2.

De Leidse economie in beeld

De Universiteit en Hogescholen, het Universitair Medisch Centrum, het Bio Science Park en de binnenstad zijn beeldbepalende elementen in het economisch landschap van Leiden. Een sterke dominantie van de (semi-)overheidssector en dienstverlening nodigt Leiden ertoe uit van de stad een kenniseconomie te maken. Daarin staat ze overigens lang niet alleen in Nederland. Hoe ziet de Leidse (kennis)economie eruit en op welke wijze onderscheidt ze zich van andere gebieden in ons land?

2.1 Economisch presteren Leidse regio
Economische groei De afgelopen jaren heeft de Leidse regio een matige groei doorgemaakt. Ten opzichte van andere regio’s als Alkmaar en Delft steekt de Leidse regio niet wezenlijk af. Typische groeiregio’s als Zoetermeer en Haarlemmermeer (Hoofddorp/Schiphol) hebben het - logischerwijs - beter gedaan dan Leiden.

Figuur 2.1 Gemiddelde economische groei per jaar in diverse regio’s, 1998-2001
Reële (gecorrigeerd voor inflatie), gemiddelde jaarlijkse groei in procenten 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0
7,9

4,5

Ned. gem. = 3,3 4,2 3,2 3,1 2,8 2,7

0,2
nd ek . Al me re er me tre re lem ie glo Ag me ra t Ha ar er n e.o de .o. km aa

ste

er

tla es W lft re g io Le ide n & Bo &

me

et

ht

Dr ec

me r

Zo

lem

Al

Bron: CBS (2002).

In figuur 2.2 zijn de economische groeiprestaties en kracht van Leiden & Bollenstreek met een rapportcijfer gewaardeerd. Daarvoor is op een aantal indicatoren voor economische groei en economische kracht de situatie in deze regio vergeleken met die in andere regio’s in Nederland. [1] Al snel ontstaat het beeld dat de groeipotenties van de regio niet volledig tot uitdrukking komen in de feitelijke groeicijfers.

7

1 Zie voor een toelichting op de wijze van waarderen de bijlage op blz. 84

Ha

ar

De

lle

ns

Figuur 2.2 Rapportcijfer voor economische groeiprestaties en kracht van regio Leiden & Bollenstreek, 1998-2001
8 7 6 5 4 groeiprestaties kracht totaal

1998

1999

2000

2001

Bron: Rabobank Nederland (2002).

De regio lijkt niet optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die er in principe zijn. Het jaar 2001 vormt hierop een incidentele uitzondering. In dat jaar vielen de groeiprestaties ten opzichte van andere regio’s mee. Met name de winst- en de werkgelegenheidsontwikkeling zijn de afgelopen jaren achtergebleven bij die in andere regio’s. En dat terwijl er veel nieuwe bedrijvigheid is bijgekomen (zie de hoge score op turbulentie) en de bedrijvenstructuur gunstig is samengesteld met relatief veel sectoren met groeimogelijkheden, zoals de horeca, de zakelijke dienstverlening en kennisgerelateerde (industriële) bedrijvigheid.

Figuur 2.3 Scores van regio Leiden & Bollenstreek op indicatoren voor economische groeiprestaties, 1998-2001

winstgroei exportgroei omzetgroei werkgelegenheidsgroei

ver beneden-gemiddeld

gemiddeld

ver boven-gemiddeld

2001

2000

1999

1998

Bron: Rabobank Nederland (2002).

Het investerings- en exportpatroon van de Leidse economie is veel minder eenduidig. Overigens gaat het hierbij om de regionale situatie, dus inclusief bedrijven in omliggende gemeenten in de polder (o.a. Heineken, Heijmans) en de Kusten bollenstreek (o.a. kusttoerisme, ESTEC).

8

Figuur 2.4 Scores van regio Leiden & Bollenstreek op indicatoren voor economische kracht, 1998-2001

turbulentie bedrijfsleven productiestructuur % bedrijven dat exporteert % bedrijven met investeringen

ver beneden-gemiddeld

gemiddeld

ver boven-gemiddeld

2001

2000

1999

1998

Bron: Rabobank Nederland (2002).

Uit de economische thermometer kwam zojuist al naar voren dat de ‘boom’ in de Nederlandse werkgelegenheid van de afgelopen jaren grotendeels aan Leiden voorbij is gegaan. Niet alleen in groeisteden als Zoetermeer en

Hoofddorp, ook in ‘vergelijkbare’ steden als Delft en Alkmaar is de werkgelegenheid sneller gegroeid dan in Leiden. De Leidse buurgemeenten hebben daarentegen wel volop meegeprofiteerd van de werkgelegenheidsexpansie.

Figuur 2.5 Ontwikkeling van de werkgelegenheid en bedrijfsvestigingen in Leiden, de regio en andere steden, 1996-2001
Index: 1996=100 125 120 115 110 105 100 95
ide n ov er & Bo ige lle Le ns ide tre n ek Al km Al aa ph r en aa n de n Ri jn lft ar lem ud Go Le Ha et Zo er me De er a

vestigingen

werkgelegenheid

Bron: LISA (2002), bewerking Rabobank Nederland.

De zakelijke dienstverlening wordt gezien als dé banenmotor van de Nederlandse economie. Uit nationale statistieken blijkt ook dat de arbeidsintensieve zakelijke diensten het leeuwendeel van de nieuwe banen voor hun rekening hebben genomen. Daarbij gaan we even niet in op de discussie in hoeverre die banengroei mogelijk is gemaakt door de industrie, ofwel wat het - indirecte -

belang van de industrie voor de Nederlandse economie is geweest. In Leiden is het werkgelegenheidseffect in elk geval tamelijk direct geweest. De industrie is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de banengroei in deze gemeente. De lokale zakelijke dienstverlening steekt met een aandeel van nog geen 20 % ook in landelijk opzicht schril af.

9

In feite kunnen we de Leidse situatie vanuit twee perspectieven waarderen: 1. Positief voor de industrie is dat ze dé grote banenmotor in deze stad is. 2. Negatief is dat de zakelijke dienstverlening haar - veronderstelde - rol als banenmotor hier niet waarmaakt, waardoor de lokale werkgelegenheidsgroei in zijn geheel tegenvalt. In de volgende paragraaf komt de structuur van de Leidse economie uitgebreid aan bod, maar voor een beter begrip gaan we toch alvast even in op de aard van de branche specifieke groeicijfers. De verzorgende en collectieve dienstensector, waaronder de universiteit, het LUMC, de overheid en de detailhandel en horeca, heten de dominante sectoren van de Leidse economie te zijn.

Gezien dit dienstverlenende karakter van de Leidse economie lijkt een expansie van de zakelijke dienstensector meer voor de hand te liggen dan een forse groei van de industrie. Dat is in elk geval wat op veel andere plaatsen in ons land gebeurt. Het omgekeerde lijkt in Leiden echter het geval te zijn. Lijkt, want de huidige structuur en de industriële ontwikkeling van Leiden houden wel degelijk verband met elkaar. Vanuit haar sterke positie als biomedische kennisstad, met de universiteit en het LUMC als belangrijke troeven, timmert Leiden hard aan de weg om het nationale centrum te worden voor de biomedische industrie. Het betreft kennisintensieve, ontwikkelings- en onderzoeksgerichte bedrijfsactiviteiten binnen een industriële sector die qua beeld meer overeenkomsten vertoont met de zakelijke dienstverlening dan met een industrie oude stijl.

Figuur 2.6 Aandeel van bedrijfstakken in de werkgelegenheidsgroei in Leiden, 1996-2001
Werkgelegenheidssaldo per sector als percentage van de totale banengroei in Leiden 70% 60% 57,3% 49,2% 50% 40% 30% 18,0% 20% 6,6% 5,1% 3,7% 10% 0,4% 0% -1,6% -2,1%-2,3%-2,6% -10% -12,6% -20% -19,2% -30%
tri e ed jns ien zo ar rg stv be er stu len ur ing & ov er he ov er id ige ho die re fin ns ca tv an er cië len le ing ins te llin nu ge tsb n ed rij ve n ha nd el ve on rvo de er bo rw ,o uw ijs ps nij lag ve ,c om rhei d mu ag nic ra at ris ie ch es ec to r op en ba lijk we lzi ind zo nd he ge ids us za -&

Bron: LISA (2002), bewerking Rabobank Nederland.

Concurrentiepositie van kennisstad Leiden Leiden springt er niet uit waar het de economische groeiprestaties betreft. De vraag is of dit met de concurrentiepositie van Leidse bedrijven en instellingen te maken heeft. De concurrentiepositie van - het bedrijfsleven in een regio is lastig te meten. We proberen hiervoor een indicatie te krijgen door het niveau van arbeidskosten en arbeidsproductiviteit voor de Leidse regio te vergelijken met het Nederlands gemiddelde en met enkele andere regio’s. Daarbij is het Nederlands gemiddelde van arbeidskosten en -productiviteit op 100 gesteld.

ke

Hoe hoger de productiviteit/kostenratio ligt, des te gunstiger is de concurrentiepositie van de Leidse regio ten opzichte van andere regio’s. In de twee onderstaande grafieken is eerst voor de regionale economie als geheel en vervolgens voor de industrie in het bijzonder de concurrentiepositie van de Leidse regio weergegeven. Terwijl het kostenniveau in de economie van deze regio nauwelijks onder het landelijk gemiddelde ligt, is de productiviteit hier wel duidelijk lager (figuur 2.7 hieronder). Deze lage productiviteit/kosten-verhouding duidt op een ongunstige concurrentiepositie.

10

Figuur 2.7 Concurrentiepositie gehele economie van regio Leiden & Bollenstreek ten opzichte van andere regio’s, 2000
Index: Nederlands gemiddelde = 100. Bolgrootte correspondeert met omvang Bruto Toegevoegde Waarde. 120 arbeidsproductiviteit 115 110 105 100
Alkmaar e.o. Drechtsteden Agglomeratie Haarlem Leiden & Bollenstreek Zoetermeer Delft & Westland Haarlemmermeer e.o.

95 90 90 95 1 00

105 arbeidskosten

110

115

120

Bron: CBS (2002), bewerking Rabobank Nederland.

Voor de industrie in het bijzonder (figuur 2.8), een van de terreinen waarop Leiden zich wil onderscheiden in Nederland en wil concurreren met buitenlandse centra, is de kosten/productiviteitsratio nog ongunstiger. Overigens zijn in deze cijfers ook andere grote industrieën meegenomen, zoals Heineken. Heineken staat bekend om zijn gunstige CAO en hogere loonniveau. De Leidse regio lijkt een dure industrieregio te zijn.

Figuur 2.8 Concurrentiepositie industrie van regio Leiden & Bollenstreek ten opzichte van andere regio’s, 2000
Index: Nederlands gemiddelde = 100. Bolgrootte correspondeert met omvang Bruto Toegevoegde Waarde. 110
Haarlemmermeer e.o.

arbeidsproductiviteit

105 100 95 90 85 85 90 95 100 arbeidskosten
Alkmaar e.o.

Drechtsteden

Delft & Westland Zoetermeer

Agglomeratie Haarlem

Leiden & Bollenstreek

105

110

Bron: CBS (2002), bewerking Rabobank Nederland.

2.2 Economische structuur van Leiden
De minder gunstige concurrentiepositie van de Leidse regio leiden we af van het feit dat een lagere arbeidsproductiviteit hier gecombineerd gaat met een hoger kostenniveau. De lagere arbeidsproductiviteit vloeit direct voort uit het sterk dienstverlenende karakter van de regionale economie. In het algemeen hebben overheidsdiensten, de zorgsector en ook een groot deel van de detailhandel en de zakelijke dienstverlening een arbeidsintensief en minder productief karakter. En juist die sectoren beheersen de Leidse economie sterk. Tegelijkertijd liggen de arbeidskosten hier hoger, ook binnen sectoren met een lagere arbeidsintensiteit, zoals de nijverheid.

11

Bedrijven als Heineken, maar ook de kennisindustrie (o.a. biotechnologie) kennen een hoog loonniveau. De meeste industrieën hebben de regio en vooral Leiden zelf de afgelopen decennia achter zich gelaten. Nederland en zeker ook deze regio werd voor veel bedrijven te duur en de overheid heeft weinig gedaan om de bedrijven te behouden. Sterker, het beleid was erop gericht voorrang

te verlenen aan minder ruimtebehoevende, milieuvervuilende en meer arbeidsintensieve bedrijvigheid. Bedrijvigheid die aansluit bij het kennis- en overheidskarakter van de economische trekkers en het opleidingsprofiel van de - steeds hoger opgeleide - beroepsbevolking. Het directe belang van de industrie voor de Leidse werkgelegenheid is met 9% dan ook vrij bescheiden. Ter vergelijking: het Nederlandse percentage is 14.

Figuur 2.9 Werkgelegenheidsstructuur in Leiden en de overige regio, 2001
24,2% 24,4% 16,1% 11,6% 11,9% 6,9% 3,8% 3,9% 4,4% 3,4% 4,4% 4,9% 13,5%
rg zo jns die ns tv er len ing

30% 25%
9,7% 13,6%

15%
6,0%

10% 5% 0%
es ch

4,2% 6,7%

14,2%

20%

0,2%

1,5% 3,5%

eid

ing

id

n

el

ie

n

r

to

ve

ca

nd

at

ge

he

ec

rh

nic

llin

ho

len

rij

ha

er

ed

ve

er

mu

te

ov

on

de

rw

re

tsb

nij

ins

stv

&

uw

nu

om

ris

ien

cië le

ra

bo

ur

e&

er

ed

ag

stu

-&

,c

an

rvo

lijk

tri

ids

be

fin

us

ve

ke

ar

he

ind

za

ba

en

Leiden

overige regio Leiden & Bollenstreek

Bron: LISA (2002).

op

De grote economische spelers in de Leidse economie zijn dus niet zozeer grote industriële bedrijven, maar overheden en collectieve dienstverleners: de universiteit, het LUMC. Figuur 2.10 illustreert de grootschaligheid van de overheid, universiteit en gezondheidszorg in de stad. Het contrast met de kleinschalige detailhandel, horeca en ook de zakelijke dienstverlening is zeer groot. Het economisch belang van de industrie is naar omzet en export gemeten een stuk groter. De sector neemt circa een kwart van de totale productie en tweederde van de totale uitvoer uit de regio Leiden & Bollenstreek voor haar rekening. Bovendien hebben de ontwikkelingen in deze sector een indirect effect op andere sectoren in de lokale economie. De groei van de industrie in de stad

12

ge

Leiden van de afgelopen jaren concentreert zich hoofdzakelijk in de biomedische branche. De vraag is of deze bedrijven sterke (commerciële) band hebben met de rest van de Leidse economie. Die banden bepalen namelijk hoe sterk de expansie van de biomedische industrie doorwerkt in de rest van de lokale economie. Ondanks de focus op moderne, kennisintensieve bedrijven in de biomedische wereld, is de concurrentiepositie van de Leidse industrie niet zonder meer gunstig. Figuur 2.8 liet dat al zien. Het kennisintensieve karakter vertaalt zich tegelijkertijd in een arbeidsintensieve bedrijfsvoering. Bovendien zijn met het hooggekwalificeerde, specialistische en grensverleggende werkveld van de sector hoge arbeidskosten respectievelijk forse continue investeringen gemoeid.

zo

nd

ov

er

ige

we

lzi

ijs

3,9% 3,2%

Figuur 2.10 Groottestructuur van bedrijven en instellingen in Leiden en de overige regio, 2001
Gemiddelde omvang gemeten naar het gemiddeld aantal banen per vestiging per sector 140 120 100
59,5 41,6 24,3 22,6 20,6 14,8 9,1 12,6 17,1 132,6

80 60 40
4,0 4,1

34,3 22,8

6,1 7,8

6,3 7,7

6,7 8,1

6,4 7,2

0
an un cië ica za le ke t ie ins lijk op te ed en l l in ba ien ge ar stv n be er stu len ur ing & ge ov zo er nd he he id on ids de -& rw ov we ijs er lzi ige die jnsz or ns g tv er len ing to ta al en or eid ve rh ha nd ec t ijv ed r es ch tsb nij mm ho re ca el

ar is

nu

uw

ag r

e&

bo

ve rvo

tri

ind

us

Leiden

overige regio Leiden & Bollenstreek

Bron: LISA (2001).

Een andere ‘moderne’ branche met een gedeeltelijk industrieel karakter is de ICT-sector. Gedeeltelijk, aangezien de bedrijvigheid binnen de branche varieert van hardware gerichte maakbedrijven tot volledig dienstverlenende bedrijven. In verhouding tot haar kennis- en universiteitskarakter is Leiden geen uitgesproken centrum voor ICT-bedrijven. In andere universiteitssteden als Delft (11,6%), Groningen (9,4%) en Utrecht (9.4%) zijn verhoudingsgewijs meer ICT-bedrijven gevestigd.

Tabel 2.1 ICT-bedrijvigheid in Leiden en de overige regio, 2000
Specialisatiegraad is het % ICT bedrijven van alle bedrijven, concentratiegraad is het % van lokale ICT-bedrijven in Nederland. ICT bedrijven Leiden 376 overige regio Leiden & Bollenstreek 582 Alkmaar 306 Delft 440 Dordrecht 298 Gouda 214 Haarlem 582 Zoetermeer 389 Nederland 44.009 Bron: CBS (2002), De digitale economie 2002. alle bedrijven 4.907 12.301 4.174 3.800 4.726 3.150 7.013 3.660 770.494 specialisatie-graad 7,7% 4,7% 7,3% 11,6% 6,3% 6,8% 8,3% 10,6% 5,7% concentratie-graad 0,9% 1,3% 0,7% 1,0% 0,7% 0,5% 1,3% 0,9% 100,0%

fin

er ,

co

Universiteitssteden staan bekend als ‘broedplaatsen’ voor jong, nieuw ondernemerschap. Ook Leiden past in dit beeld. Tussen 1997 en 2001 zijn in Leiden bijna 2.500 bedrijven opgestart. Gerelateerd aan de bedrijvenpopulatie is dat bijna 50%! Daarmee scoort Leiden bijvoorbeeld nog beter dan universiteitsstad Delft en een groeigemeente als Zoetermeer. Haarlem (32%) en Gouda (38%)

komen niet bij het Leidse starterscijfer in de buurt. Alleen qua absoluut aantal starters weet Haarlem Leiden te overtreffen. De zakelijke dienstverlening is veruit de populairste branche voor starters. Verder zijn de bouwnijverheid en de persoonlijke dienstverlening populair. In deze laatste cate-

13

5,4 4,1

20

12,6 9,5

gorieën gaat het veelal om zogenoemde ZZP-ers (zelfstandigen zonder personeel). Door fiscaal-juridische wijzigingen en maatschappelijke ontwikkelingen heeft deze vorm van zelfstandig ondernemerschap de afgelopen jaren een flinke opleving gekend, ook in Leiden. Overigens gaat het ook bij starters in de zakelijke dienstverlening overwegend om kleine bedrijfjes. Het directe werkgelegenheidseffect van de starters is derhalve vrij beperkt.

Tabel 2.2 Populaire startersbranches in Leiden en andere steden, 1997-2001
Aandelen van startersbranches in het totaal aantal starters tussen 1997 en 2001. Leiden 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. adviesdienstverlening facilitaire dienstverlening bouwnijverheid persoonlijke dienstverlening detailhandel groothandel industrie overige (non-profit) dienstverlening horeca vervoer, communicatie financiële instellingen landbouw 19% 18% 18% 10% 9% 8% 4% 4% 4% 3% 2% 1% Delft 23% 29% 9% 7% 8% 7% 4% 3% 3% 2% 1% 2% Haarlem 21% 15% 19% 11% 9% 9% 3% 4% 3% 4% 1% 1% Zoetermeer 21% 21% 9% 14% 8% 10% 3% 6% 2% 2% 2% 1%

Bron: VVK (2002), bewerking Rabobank Nederland.

Leiden verliest bedrijvigheid aan andere gemeenten in de regio en aan andere regio’s in het land. Tussen 1997 en 2001 bedroeg het verlies per saldo ruim 400 bedrijven. Dit is fors in vergelijking met andere steden als Delft, Haarlem en Gouda. De vergelijking met deze steden is relevant aangezien ze in hetzelfde schuitje zitten: een structureel gebrek aan nieuwe bedrijventerreinen met een opdrijvend effect op de grondprijzen. Over - de betekenis van - bedrijfsruimte voor de Leidse economie in de volgende paragraaf meer.

Hiermee is overigens niet direct gezegd dat ruimtegebrek de hoofdoorzaak van de uitstroom van bedrijven is. Het zijn immers niet eens zozeer de ruimtevretende bedrijven, die de stad verlaten. Veel van die industriële en logistieke ondernemingen hebben al eerder hun heil elders gezocht. De dienstverleners, in aantal de bedrijvenmarkt dominerend, vormen nu de kern van uitstroom van bedrijven. Alhoewel exacte cijfers ontbreken, kan het directe effect van het verlies van bedrijven voor de lokale werkgelegen-

Tabel 2.3 Migratie van bedrijven uit en naar Leiden en andere steden, 1997-2001
Migratiesaldo als percentage van de bedrijvenpopulatie in 1997. vestigers Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer 733 745 722 499 1.180 865 vertrekkers 1.147 811 991 693 1.487 900 migratie-saldo -414 -66 -269 -194 -307 -35 % v.d. populatie -7,7% -1,5% -6,6% -5,5% -3,9% -0,9%

Bron: VVK (2002), bewerking Rabobank Nederland.

14

heid meevallen. Zakelijke dienstverleners zijn namelijk doorgaans kleine bedrijfjes. Het is goed mogelijk dat vooral kleine, jongere ondernemers de stad verlaten vanwege gebrek aan geschikte woonruimte. In feite zijn dan privé-motieven van ondernemers de drijvende kracht achter het verlies aan bedrijvigheid. Meer in het bijzonder kan het gaan om jongeren die vanuit hun studie een bedrijfje hebben opgestart en de stad na hun afstuderen hebben verlaten met behoud van hun bedrijf of in elk geval hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel. In hoofdstuk 5, ‘Randvoorwaarden voor een gezonde

arbeidsmarkt’, wordt uitgebreid ingegaan op de Leidse en regionale woningmarkt met daarin ook aandacht voor de koppeling tussen woonruimte voor starters op de woningmarkt en bedrijfsruimte voor - kleine, jongere ondernemers. Uit ander onderzoek [2] komt naar voren dat de zich in de regio vestigende bedrijven - vooral die in de dienstensector - groter zijn dan de vertrekkende bedrijven.

Tabel 2.4 Rangordening van bedrijfstakken in Leiden en andere steden naar omvang van hun migratiesaldo, 1997-2001
rang 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. bedrijfstak facilitaire dienstverlening adviesdienstverlening persoonlijke dienstverlening bouwnijverheid financiële instellingen detailhandel groothandel overige dienstverlening vervoer, communicatie horeca industrie agrarische sector Leiden -88 -74 -49 -45 -42 -38 -31 -24 -14 -7 -5 +3 Alkmaar -3 -11 -12 -11 -6 +2 +10 -17 +10 +1 -30 +1 Delft -75 -116 -11 -15 -5 -1 -36 -10 33 -2 -31 0 Gouda -28 -34 -16 -15 -11 -28 -41 -9 -3 +2 -7 -4 Haarlem -59 -59 -21 -80 -8 -34 -52 -6 +1 0 15 -4 Zoetermeer -35 -1 -6 +12 -3 +2 +9 -7 0 -9 +5 -2

Bron: VVK (2002), bewerking Rabobank Nederland.

2.3 Vestigingsklimaat
Zojuist kwam het al even aan de orde: de kwaliteit van het Leidse ondernemingsklimaat. In de volgende paragrafen komen het zogenoemde ‘voorwaardenscheppend’ beleid en de waardering ten aanzien van het vestigingsklimaat ter sprake. Bedrijfsruimte Leiden en eigenlijk de gehele regio Rijnland en Bollenstreek kampen met een chronisch gebrek aan bedrijfsruimte. Binnen de Nederlandse context is dat niet verbazingwekkend. Ruimtegebrek is een zorg in veel gebieden en bovendien behoort deze regio tot de meer verstedelijkte en duurdere in ons land. Natuurlijk heeft de beschikbaarheid van bedrijfsruimte ook met prioriteiten stellen te maken. In Schiphol en Hoofddorp, de Zuidas in Amsterdam en Zoetermeer wordt alle ruimte geboden aan groeiende en zich vestigende bedrijvigheid. Daar is door lokale en regionale overheden bewust voor gekozen. Hier in Leiden en omgeving is het bedrijfsruimtebeleid terughoudender en gericht op ‘selectieve’ groei en acquisitie van bedrijvigheid. Daarover verderop, in de paragraaf over het economisch beleid, meer. Bedrijventerreinen Het komt er in het kort op neer dat in de Leidse regio al een aantal jaar praktisch geen uitgeefbare bedrijventerreinen meer beschikbaar zijn. In Alkemade is Veenderveld in ontwikkeling, maar die ruimte is vooral bedoeld voor te verplaatsen bedrijven binnen de gemeente zelf. Verder komt op kortere termijn een groter aanbod aan ruimte beschikbaar op het terrein Rijnfront in Oegstgeest. Andere gemeenten met nog enig aanbod zijn Alphen a/d Rijn, Hillegom en Sassenheim.

15

2 Inbo (2002), In goede banen Leiden - Kantorennota Leidse Regio, p.17.

Tabel 2.5 Huidig aanbod aan bedrijventerreinen in de regio’s Leiden & Bollenstreek en Rijnstreek
Stand: Januari 2003. gemeente Leiden Alphen a/d Rijn Alphen a/d Rijn Alphen a/d Rijn Nieuwkoop Nieuwkoop Hillegom Sassenheim Rijnsburg Lisse Noordwijk Oegstgeest Rijnland totaal naam Bio Science Park Hoorn West Molenwetering De Schans II Industriepark Woerendse Verlaat Hillegom Zuid Sassenheim Zuid Florapark I Meer & Duin Klei Oost Rijnfront profiel biomedisch/R&D alle bedrijven alle bedrijven industrie & groothandel gemeente/regiogebonden gemeente/regiogebonden regiogebonden alle bedrijven veilingverwante bedrijven alle bedrijven regiogebonden gemeente/regiogebonden oppervlakte (in ha.) 2 2 1 6 1 2 4 6 2 2 4 29 61

Bron: Bedrijfspandinrijnland.nl (stand: januari 2003).

Volgens de Kamer van Koophandel en een aantal ondernemersverenigingen in de Leidse regio en de Duin- & Bollenstreek dreigt tot 2010 een tekort van 75 hectare bedrijventerrein te ontstaan. In de Alphense regio ramen de gemeenten het tekort tot 2015 op circa 100 hectare. [3] Volgens de gemeente Leiden moet de Leidse regio tot 2020 200 hectare bedrijventerrein realiseren. [4] De huidige plannen voorzien in 90 tot 100 hectare, hetgeen betekent dat voor nog eens 100 hectare ruimte gevonden moet worden.

Niet duidelijk is aan welk typen terreinen bij het regionale bedrijfsleven de grootste behoefte bestaat. Traditioneel domineren de zogenoemde ‘gemengde’ terreinen het totale Nederlandse areaal. Dit zijn terreinen bestemd voor overwegend kleinere en middelgrote bedrijven in de lichte (kleinschaliger en minder milieubelastende) industrie, handel, garages, etc.. Ook in Leiden en omliggende regio beheersen de gemengde terreinen het beeld. Wel is door de ontwikkeling van het Bio Science Park het aandeel ‘hoogwaardige’ terreinnen hier verhoudingsgewijs hoog. Overigens zijn in de Haagse regio de meer hoogwaardige terreinen nog beter vertegenwoordigd.

16

3 VNO-NCW West, Kamer van Koophandel Rijnland et al. (2002), Rijnland op de kaart. 4 Leidsch Dagblad (10-01-2003), Bedrijventerrein Oostvlietpolder langs Europaweg.

Figuur 2.11 Profiel van de voorraad aan bedrijventerreinen, 2001
Aandeel van typen bedrijventerreinen in het totale oppervlak aan bedrijventerreinen 100% 91% 88% 90% 83% 82% 79% 80% 66% 70% 60% 50% 40% 30% 30% 18% 14% 17% 20% 9% 5% 7% 5% 10% 4% 3% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0%
re Bo gio lle Le ns ide tre n ek Ag glo m Ha era ar tie lem A 's- ggl Gr om av er en at ha ie Oo ge stZu idHo lla nd Ne de rla nd Le ide n

industrie

&

gemengd

hoogwaardig

distributie

Bron: RPD/Etin Adviseurs (2002), IBIS

Het huidige areaal aan bedrijventerreinen is evenals elders in Nederland voor een groot deel toe aan vernieuwing. Deze zogenoemde ‘revitalisering’ en ‘herstructurering’ leveren uiteraard lang niet voldoende ruimtewinst op om in de extra ruimtebehoefte van het bedrijfsleven te kunnen voorzien. In meer optimistische landelijke en provinciale scenario’s bedraagt de netto ruimtewinst circa 15 tot 20%. In deze regio lijken de mogelijkheden voor ruimte-

winst op bestaande terreinen, gezien de huidige hoge gebruiksdichtheid echter minder groot dan in andere. Vier vijfde van het totale areaal uitgegeven bedrijventerreinen in deze regio is daadwerkelijk in gebruik door de (aldaar gevestigde) bedrijven. Het aandeel openbare ruimte en restruimte is dus een vijfde van het areaal, minder dan in andere regio’s en Nederland (een kwart).

Figuur 2.12 ‘Nuttig’ ruimtegebruik op bedrijventerreinen
Percentage door bedrijven gebruikte grond van het totale oppervlak uitgegeven bedrijventerreinen, 2001 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
82% 80% 74% 68% 60% 74%

A 's- ggl Gr om av er en at ha ie ge Oo stZu idHo lla nd

re gi Bo o Le lle ide ns n tre & ek Ag glo m Ha era ar tie lem

en

Le id

Bron: RPD/Etin Adviseurs (2002), IBIS

17

5 Het huidige areaal ‘industrieterrein’ in Haarlem was tot 1999 gedefinieerd als ‘gemengd terrein’. In de cijfers zijn de ‘zeehaven’-bedrijventerreinen niet meegenomen, aangezien die in de meeste van de weergegeven regio’s niet of nauwelijks voorkomen. Hierdoor vallen de Nederlandse cijfers van de weergegeven typen bedrijventerrein hoger uit dan in werkelijkheid.

Ne

de

rla n

d

Revitalisering en herstructurering zijn pas mogelijk nadat extra bedrijfsruimte is gecreëerd, die als ‘schuifruimte’ kan dienen om bedrijven - tijdelijk - elders te kunnen huisvesten. Daarnaast moet worden opgemerkt dat herstructurering van bedrijventerreinen in deze regio in het verleden regelmatig is uitgemond in een omzetting naar een woonfunctie. De bedrijfsruimte ging dus zelfs geheel verloren voor het bedrijfsleven. Ook bij het huidige te herstructureren terrein Grote Polder bestaat de kans dat bedrijfsruimte verloren gaat aan ruimte voor wonen. Herstructurering is vooral gericht op het moderniseren van bedrijfslocaties, opdat de aldaar gevestigde bedrijven volgens de nieuwste milieutechnische, logistieke en visuele uitstralingsmaatstaven kunnen opereren. Er zijn geen aanwijzingen dat het areaal aan bedrijventerreinen in deze regio sterker of minder sterk is verouderd dan dat in andere regio’s.

Kantorenmarkt De kantorenmarkt in de Leidse regio (Leiden en omliggende gemeenten) was de afgelopen jaren ruimer dan de markt voor bedrijventerreinen. Tussen 1998 en 2002 is het aanbod met 54 duizend m2 (17%) uitgebreid. De grootste concentraties van kantoorruimte zijn op dit moment te vinden in Leiden Centraal, Bio Science Park, Kanaalpark en Leiderdorp. In totaal bedraagt de kantoorruimtevoorraad in de Leidse regio zo’n 480 duizend m2, waarvan 370 duizend m2 binnen Leiden zelf is gesitueerd. [6] De afgelopen jaren zijn de huurprijzen op de Leidse kantorenmarkt met zo’n 20 tot 30% gestegen. In het gebied van Leiden Centraal zijn de duurste kantoren gevestigd. De daar geldende prijzen behoren tot de hogere in de regio. Toch kan het nog altijd duurder: Hoofddorp, Schiphol en locaties in Amsterdam.

Figuur 2.13 Prijsniveau en prijsontwikkeling van kantoorhuren, 1997-2001
Y-as: Prijsontwikkeling als index (1997=100) én mediane huurprijs in euro per m 2 vloeroppervlak. 160 140 120 100 80 60
tra al Ple /S sm cie a nc nla e a LD Pa n /La K rk mm an en aalp sc ar ha k Zo ns St ZM ads eter St cen mee t ro ok rum r Af rik aw eg ZM Ro kk ev ee n Go ud /b a S inn ta en tio Go stad n ud se Po or t Ho of dd or p LD Ce n Le ide n

mediane huurprijs

index prijsontwikkeling

Bron: FGH Bank (2002), bewerking Rabobank Nederland.

Onder invloed van de huidige laagconjunctuur is sinds 2001 van een verdere verruiming van de kantorenmarkt sprake. Als reactie daarop zijn in de Leidse evenals in andere regio’s grote nieuwbouwplannen voorlopig in de ijskast gezet of in elk geval soberder en kleinschaliger van opzet gemaakt dan aanvankelijk de bedoeling was. Toch valt de leegstand hier tot op heden nog mee. Momenteel bedraagt die naar schatting circa 9%. Dat is hoger dan gewenst, maar lager dan in Amsterdam en Den Haag. Bovendien was de Leidse kantorenmarkt in het verleden met een leegstand van slechts enkele procenten
6 Inbo (2002). 7 Gemeente Leiden, afdeling Economische Zaken (2003).

structureel te krap. [7] Die structurele krapte lijkt, gelet op de nieuwbouw van de afgelopen en komende jaren, definitief voorbij. Dat is niet alleen vanwege de omvang van de kantorenbouw, maar ook omdat er steeds meer voor de commerciële markt wordt gebouwd. Doordat die markt, ten koste van de non-profit instellingen, een steeds groter deel van de totale voorraad kantoren inneemt, groeit de conjunctuurgevoeligheid van de Leidse kantorenmarkt. Met de grotere fluctuaties in vraag en aanbod die hierdoor ontstaan, neemt de kans op structurele krapte immers af.

18

Overigens blijft de markt voor kantoren een lastig stuurbare vanwege de hoge dynamiek en de lange (plannings- en realisatie)termijn die nodig is om op nieuwe ontwikkelingen te kunnen anticiperen. Idealiter ligt de verhouding tussen het aanbod en de feitelijke opname van kantoorruimte tussen 1 en de 1,5. Ligt die ratio boven de 1,5 dan is sprake van een vragersmarkt (ruime markt, lagere prijzen), onder de 1 een krappe markt met hoge prijzen. In Leiden is de kantorenmarkt als gevolg van meer nieuwbouw in 1998 en 1999 een stuk ruimer geworden. Wat dat betreft kenden Gouda en Zoetermeer de afgelopen jaren een gunstiger verhouding tussen het aanbod en de vraag.

Figuur 2.14 Verhouding tussen vraag en aanbod op de kantorenmarkt, 1997-2001
Weergegeven als de aanbod/opname-ratio: tussen de 1 en de 1,5 staat voor een gezonde vraag/aanbod-verhouding. 4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 1997

1998

1999

2000

2001

Leiden

Delft

Gouda

Zoetermeer

Hoofddorp

Bron: FGH Bank (2002), bewerking Rabobank Nederland.

Een ander kenmerk van de Leidse kantorenmarkt is haar kleinschaligheid en haar sterke regionale en lokale functie. Leiden heeft als kantorenstad tot op heden niet de allure van omliggende regio’s als Den Haag, Amsterdam en Hoofddorp/Schiphol. Het Bio Science Park vormt hierop een uitzondering gezien het specifieke, kennisintensieve en meer (inter)nationale karakter. De verwachtingen voor de Leidse kantorenmarkt zijn voor de korte termijn nog onzeker. Voor de middellange termijn lijkt een voortzetting van het groeitempo van de afgelopen 10 jaar of iets hoger realistisch. Uiteraard hangt dat ook af van de ontwikkelingen in andere (concurrerende) kantorenregio’s en de kracht en strategie waarmee met kantorenbeleid in Leiden en omgeving zal worden gevoerd. Daarover in de volgende paragraaf meer. Bereikbaarheid Een sterk punt van Leiden en de regio is de economisch strategische ligging binnen de Randstad: vlakbij de regio’s Amsterdam-Schiphol en Den Haag, en aan de A4 en de A44. Daarmee is nog niet gezegd dat Leiden - in zijn geheel - ook goed bereikbaar is. De A4 is een van de meest intensief gebruikte snelwegen in ons land.

Bereikbaarheid is lastig meetbaar. In elk geval betekent veel infrastructuur nog niet dat een stad goed bereikbaar is. Het biedt dus geen garantie op een goede bereikbaarheid. Immers, files en verkeersopstoppingen belemmeren de bereikbaarheid. Dat geldt ook voor knelpunten in en rond de stad. Figuur 2.15 geeft voor een aantal steden aan hoeveel huishoudens op minder dan 30 reisminuten afstand van de stad woonachtig zijn. Daarbij is geen rekening gehouden met files, maar wel met het type wegennet, de beschikbaarheid van afslagen en het aanwezigheid van zogenoemd ‘OV-natransport’. Zo’n 600.000 huishoudens kunnen Leiden binnen 30 minuten per auto bereiken. Dat zijn er meer dan in Alkmaar en Almere, maar beduidend minder dan in Delft en Gouda. Het aantal huishoudens binnen het bereik van 30 reisminuten hangt uiteraard niet alleen van de infrastructurele bereikbaarheid van de steden af. Minstens zo belangrijk is de ligging ten opzichte van andere steden. Niet voor niets is het bereik van huishoudens in Delft erg hoog: Delft ligt immers vlakbij Den Haag en Rotterdam. Het beeld uit figuur 2.15 laat zien dat de meeste steden een groter autobereik van huishoudens en een kleiner OV-bereik van huishoudens hebben dan Leiden.

19

Figuur 2.15 Aantal huishoudens binnen 30 reisminuten afstand per auto en OV woonachtig van diverse steden, 1998
1.400
aantal huishoudens (x 1.000)

1.200 1.000 800 600 400 200 0
Ha ar lem aa r Le ide n me re De lft Go u or Ho et er m Zo km Al Al of dd ee r da p

per auto

per OV

Bron: CBS (1998).

De arbeidsmarkt en alles wat daarmee samenhangt (woningmarkt, bemiddelingsbeleid, etc.) is ook een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat. Hoofdstuk 5 gaat apart op de Leidse arbeidsmarkt in.

2.4 Voorwaardenscheppend beleid
Een gezonde Leidse economie vergt goed ondernemerschap en goede prestaties van bedrijven. Voor dat laatste is het ondernemersklimaat weer van cruciaal belang: ondernemers moeten letterlijk en figuurlijk de voldoende ruimte krijgen om te ondernemen. Deze paragraaf gaat daarom uitgebreid in op de aandacht die aan het Leidse ondernemersklimaat wordt geschonken. De lokale overheid doet dat - samen met andere (markt)partijen middels het zogenoemde economisch ‘voorwaardenscheppend beleid’. Vier belangrijke thema’s binnen dit beleid, die in deze paragraaf aan de orde komen, zijn: • Bedrijfsruimte: ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen en kantoorlocaties. • Bereikbaarheid: fysieke en virtuele infrastructuur: wegen, OV, parkeren, digitale infrastructuur, bedrijvennetwerken en communicatie. • Ondersteuning en samenwerking: ondernemerssubsidies, startersbeleid, advisering en loketfunctie, etc. • Lastendruk en regelgeving: OZB, vergunningverlening, handhaving van veiligheidsvoorschriften, etc.

Een belangrijke vraag is in hoeverre het voorwaardenscheppend beleid op lokaal dan wel regionaal niveau wordt en zou moeten worden ontwikkeld en uitgevoerd. Bij de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen is het bijvoorbeeld van belang dat niet alle gemeenten ieder voor zich mee bezig zijn, maar dat daarover onderlinge afstemming plaatsvindt. Dit is nodig om een overaanbod aan terreinen en ongewenste concurrentie tussen de gemeenten te voorkomen. De kwestie van de lokale/regionale scope geldt eigenlijk voor alle vier de voornoemde thema’s en zal dan ook steeds aan de orde komen. Alvorens tot bespreking van de vier thema’s over te gaan, staan we nu eerst stil bij de rode draad in en de doelstellingen van het economisch beleid in Leiden en de regio: de achterliggende strategie.

20

Visie en strategie Regionale Samenwerking De Leidse Regio en de Duin- & Bollenstreek streven, gezamenlijk een ‘duurzame, evenwichtige ontwikkeling na, die nadruk legt op versterking van de bestaande bedrijvigheid in combinatie met vernieuwing van de economische structuur’ [8], aldus de Samenwerkingsorganen Leidse regio en Duin- & Bollenstreek. De regio stelt zich ten doel de aantrekkelijkheid van de regio te behouden en te versterken door het bevorderen van duurzame economische activiteiten. Daartoe dient een selectief economisch beleid te worden gevoerd, dat zich toespitst op stimulering en ondersteuning van de drie volgende economische speerpunten: 1. Research & development. 2. Toerisme & recreatie. 3. Kennisintensieve dienstverlening. Om de gewenste ontwikkeling van met name deze drie economische activiteiten te waarborgen, acht de regio een gezamenlijke aanpak van de volgende aandachtspunten in het vestigingsklimaat van belang: • Herstructurering en selectieve ontwikkeling van bedrijventerreinen (inclusief segmentering). • Verbetering van de bereikbaarheid van de regio (per weg en per OV). • Versterking van het woningaanbod, o.m. ter vergroting van het aanbod op de regionale arbeidsmarkt. • Behoud en verdere ontwikkeling van de aantrekkelijkheid van de stedelijke en de natuurlijke omgeving. Wat betekent deze, tamelijk abstracte regionaal-economische ontwikkelingsvisie in meer concrete zin voor Leiden? Ten aanzien van de 1e en 3e speerpuntbranche speelt Leiden een cruciale rol binnen de regio. Veruit de meeste bedrijvigheid in onderzoek & ontwikkeling en de dienstverlening is in deze stad gevestigd en ook in de toekomst zal Leiden daarvoor de regionale opvangfunctie vervullen. Dit is een logisch gevolg van de typische kenmerken van het Leids stedelijk vestigingsklimaat: een kantorenstad

met een sterke concentratie van zakelijke dienstverleners en kennisinstellingen. Op het gebied van recreatie & toerisme is voor Leiden een rol weggelegd op het gebied van het stedelijk toerisme, recreatief winkelen en theater- en museumbezoek. In het hoofdstuk ‘Toeristisch product Leiden’ wordt hierop uitgebreid ingegaan. Aandachtspunten in het Leidse vestigingsklimaat zijn volgens het regionaal samenwerkingsverband: • Herstructurerings- en ontwikkelingsprojecten van bedrijfslocaties als Oostvlietpolder, Leeuwenhoek, Groenoord, Leiden Centraal en de knopen van RijnGouweLijn en A4/A44 (W-4 project). • Aanleg van de RijnGouweLijn, realisatie van een oostwestverbinding tussen de A4 en de A44, verbreding van de N206 alsook het tegengaan van congestie op de wegen in de oostflank door bijvoorbeeld verbreding van de A4. • Herstructurering van en verdichting in woongebieden als Roomburg en Leiden Noord. Gerichte nieuwbouw voor het hogere segment en meer woningbouw in particulier opdrachtgeverschap (zie hoofdstuk 5 ‘Randvoorwaarden voor een gezonde arbeidsmarkt’). Hieronder volgt een nadere uitwerking van het Leids economisch beleid op het gebied van bedrijfsruimte en infrastructuur, aangevuld met de thema’s ondernemersondersteuning en lasten en regelgeving. Lokaal beleid volgens het MeerJaren Ontwikkelings Programma Het economisch beleid binnen de gemeente Leiden stoelt, behalve op een regionale visie, ook op haar eigen zogenoemde Meerjaren Ontwikkelings Programma en de doelstellingen binnen het Grote Stedenbeleid. Belangrijke programma’s ten aanzien van het voorwaardenscheppend beleid zijn: [9] • ‘Brainport Leiden: intelligente stad in aanbouw’ • ‘Economische structuurversterking’ • ‘De bereikbare stad’

21

8 NEI (2003), Synergie in economie in de Leidse Regio en de Duin- & Bollenstreek - Samenwerkingsdocument economie t.b.v. ‘werkgroep werken’, p. i. 9 Gemeente Leiden (1999), Meerjaren Ontwikkelings Programma 1999-2004 - Een uitwerking van de stadsvisie ‘Dit is mijn stad’.

Economisch beleidskader gemeente Leiden In 1998 is het rijksbeleid ten aanzien van allerlei sociale, economische en ruimtelijke aspecten van de grootstedelijke problematiek onder een noemer gebracht. Fondsen en instrumenten van het rijk in het kader van dit Grote Stedenbeleid worden sindsdien niet meer jaarlijks per beleidsveld aan tal van gemeenten ter beschikking gesteld, maar geïntegreerd voor een periode van een aantal jaren en slechts aan de 30 gemeenten waar de grootstedelijke problematiek het sterkst speelt. Leiden is een van deze gemeenten (Ministerie van Binnenlandse Zaken, 1999). Om in aanmerking te komen voor deze fondsen moet een gemeentebestuur een visie op haar gemeente opstellen en deze voorzien van een uitvoeringsprogramma voor vijf jaar, waarin per beleidsdoel de beoogde resultaten, maatregelen, mogelijke samenwerking met partners, planning en vereist budget worden aangegeven. In Leiden is in 1999 een dergelijke toekomstvisie opgesteld onder de naam ‘Meerjaren Ontwikkelings Programma (MOP) 1999-2004, een ontwikkeling van de stadsvisie ‘Dit is mijn stad’.

Bedrijfsruimte Volgens de gemeente heeft de Leidse regio tot 2015 200 hectare extra aan bedrijventerreinen nodig om in de behoefte te kunnen voorzien en de regionale opvangtaak te kunnen vervullen. Daarvan is tot dusver, met beschikbare of geplande ruimte op onder meer Veenderveld (1,5 hectare), Leeuwenhoek (omvang onzeker), Rijnfront (10 hectare) en het jongste plan voor de Oostvlietpolder (40 hectare), zo’n 80 à 90 hectare ingevuld (zie tabel 2.6). Voor het overige moet dus nog naar ruimte worden gezocht. De regionale werkgroep ‘Werken’, die zich met het economisch beleid binnen de regio bezighoudt, wil bij het opstellen van het nieuwe regionale bedrijventerreinprogramma sterk de nadruk leggen op revitalisering en intensiever (en effectiever) ruimtegebruik. In de meeste plannen rond en studies naar de regionale bedrijfsruimte tot

dusver lijkt revitalisering slechts een bescheiden bijdrage te kunnen leveren aan de benodigde nieuwe bedrijfsruimte. Revitalisering van de Grote Polder in Zoeterwoude zou 3 tot 5 hectare extra ruimte opleveren en van Dobbewijk in Voorschoten 2 tot 3 hectare. [10] Bovendien bestaat er een reële kans dat enkele te herstructureren terreinen, zoals bijvoorbeeld De Waard niet langer een werkfunctie, maar een woonbestemming zullen krijgen. Het ziet ernaar uit dat een groot deel van de nieuwe bedrijfsruimte buiten de Leidse gemeentegrenzen zal moeten - worden gevonden. Een actueel overzicht van de regionale plannen en beschikbare bedrijfsruimte is in tabel 2.6 weergegeven. Op korte termijn moet zelfs worden uitgeweken naar ruimte in de Duin- & Bollenstreek en de Alphense regio. [11]

Tabel 2.6 (Gepland) aanbod bedrijventerreinen in de Leidse regio, 2001-2015
Netto oppervlak in hectare. Stand: januari 2003. direct uitgeefbaar Leiden Leiderdorp Oegstgeest Alkemade Voorschoten Zoeterwoude Leidse regio 0,9 1,5 0,9 3,3 niet direct hard 1,0 0,9 1,1 3,0 uitgeefbaar zacht 40,0 4,5 10,0 0,2 54,7 resterende plancapaciteit 3,8 3,8 ruimtewinst

16,0 0,8 7,5 0,8 0,9 2,1 28,1

22

10 Buck Consultants International (2000), Bedrijventerreinenstrategie Leidse regio (2000). 11 NEI (2002), Quick-scan behoefteraming bedrijventerreinen Leidsche Regio en Duin- & Bollenstreek - Vraag, aanbod en confrontatie.

Leiden wil zich de komende jaren sterker gaan profileren als kantoren- en kennisstad. Daarvoor hebben de gemeente en de Leidse regio een aantal scenario’s op een rij laten zetten [12] : 1. “Leiden, niet te mijden” Internatonale ondernemingen: bio & life sciences staan aan de basis van internationalisering van de kantorenmarkt in de Leidse regio. 2. “Rijden naar Leiden” Bereikbaarheid: door de gunstige ligging binnen de Randstad en de investeringen in de infrastructuur vestigen landelijk opererende bedrijven zich in de regio.

3. “Leiden bescheiden” Restrictief/inbreiden: de Leidse regio mikt vooral op de bestaande bedrijvigheid en is restrictief met kantoorontwikkeling. Zoals gezegd kijkt Leiden en omgeving serieus naar een ambitieus kantorenscenario, waarbij het eerste eventueel gecombineerd met het tweede zeker niet wordt uitgesloten. Daarmee is overigens niet gezegd dat geen aandacht zal uitgaan naar de behoeften van de bestaande bedrijvigheid. Het overzicht van alle plannen voor nieuwe kantoorlocaties in de Leidse regio illustreert de ambities treffend (zie tabel 2.7).

Tabel 2.7 Aanbod van nieuwbouw van kantoorlocaties in de Leidse regio, 2002-2015
oppervlak (x 1.000 m2 b.v.o.) 264,8 15,0 15,0 15,0 100,0 7,0 50,0 5,0 30,0 20,0 2,0 2,0 3,8 73,5 20,0 25,0 13,0 15,5 77,0 65,0 12,0 85,5 85,5 3,6 2,9 0,7 10,0 10,0 514,4

locatie Leiden Leiden Centraal: Vijverlocatie Leiden Centraal: LUMC Leiden Centraal: Trafolocatie Leeuwenhoek A4-knooppunt Station Lammerschans Station De Vink Groenoordhallen Roomburg Noordmanterrein Snooker Tweelingstraat Leiderdorp Elisabethhof Vierzicht Bospoort overige locaties Zoeterwoude Meerburgpolder Grote Polder Oegstgeest Rijnfront Zuid Alkemade Stationsstraat-Alkemadelaan Stationsstraat-Narcisstraat Voorschoten NS-Station totaal Leidse regio

status plan

% totaal planaanbod 51% 3% 3% 3% 19% 1% 10% 1% 6% 4% 0% 0% 1% 14% 4% 5% 3% 3% 15% 13% 2% 17% 17% 1% 1% 0% 2% 2% 100%

fasering

zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht zacht hard zacht zacht zacht hard hard zacht hard hard zacht

2004-2007 2007-2010 2005-2008 2005-2015 2005-2007 2010-2015 2010-2015 2005-2010 2010-2014 2004-2005 2003-2004 2002-2004 2003-2004 2004-2008 2006-2010 2003-2005 2004-2008 2004-2007 2003-2015 2002-2003 2002-2003 2006-2015

Bron: Inbo (2002), In goede banen Leiden – Kantoren in de Leidse regio.

23

12 Inbo (2002), In goede banen Leiden - Kantoren in de Leidse regio.

Als alle plannen zouden worden uitgevoerd, zou tot 2015 ruim 500 duizend m2 bruto vloeroppervlak aan nieuwe kantoorruimte op de markt komen. Dat is meer dan het huidige aanbod bij elkaar. De helft van de nieuwe kantoren is in Leiden zelf gepland. Een beperkt deel van naar schatting 70 duizend m2 b.v.o. van de nieuwbouw is nodig ter vervanging van bestaande verouderde kantoren. Uit analyses [13] blijkt dat de resterende plancapaciteit de toekomstige vraag waarschijnlijk nog altijd ruim zal overtreffen. De vraag welke prioriteiten ten aanzien van de kantoorruimteontwikkeling zouden moeten worden gemaakt, is onderwerp van paragraaf 2.5 “Waardering randvoorwaardenscheppend beleid vestigingsklimaat”, verderop in het hoofdstuk. Bereikbaarheid De gemeente Leiden, de Kamer van Koophandel en de ondernemersverenigingen breken - gezamenlijk - een lans voor een betere wegbereikbaarheid in oost-west richting en voor de aanleg van de RijnGouweLijn. Het platform Rijnland Zuid-as, waarin diverse stakeholders uit de overheid en het bedrijfsleven zijn vertegenwoordigd, heeft zelfs een ‘mission statement’ opgesteld waarin een ontwikkelingsperspectief voor een oost-westverbinding is geformuleerd. [14] Zij ontvouwt drie scenario’s ter verbetering van de verbinding tussen de A44 en de A4: • ‘Stadsboulevard Leiden-Zuid’: Omvorming van de N206 tot een stadsboulevard met allure, zonder dat daarbij een snellere verbinding tussen de A44 en de A4 als doel centraal staat. • ‘Tunneltraverse Leiden-Zuid’: Vervanging van de N206 door een open of gesloten tunnel voor het doorgaande verkeer. Wegvlakken voor het lokale verkeer liggen op maaiveld, dus boven die voor het doorgaande verkeer. • ‘Nieuwe Randweg Leiden-Voorschoten’: Ontwikkeling van een nieuwe randweg door Voorschoten, ten zuiden van Leiden om de groeiende mobiliteit als gevolg van de bouw van Valkenburg te kunnen opvangen. Het Platform spreekt in haar ‘mission statement’ geen voorkeur uit voor een van de drie scenario’s. Ze ziet voor elk van de scenario’s een rol weggelegd in een gefaseerde aanpak: op kortere termijn komen tot realisatie van de Stadsboulevard en voor de langere termijn eventueel denken aan een Nieuwe Randweg.

Ook ziet het Platform een duidelijke relatie tussen de infrastructurele en de (commerciële) vastgoedontwikkeling in Leiden Zuid. Daarbij wijst zij vier (her)ontwikkelingszones aan: 1. A44-zone: Ontwikkeling van Rijnfront-LeeuwenhoekPlesmanweg voor bedrijvigheid in logistiek, handel, tuinbouw, kennisintensieve sectoren en leisure-activiteiten. 2. Spoorzone: Het gebied Leiden CS-Morskwartier-Oude Rijn-Haagweg transformeren naar intensiever gebruik voor o.m. woningbouw en zakelijke dienstverlening. 3. Vlietzone: In omgeving Lammenschans NS-TrekvlietVoorschoterweg komen tot herstructurering van woningbouw, dienstverlening en onderwijslocaties 4. A4-zone: Masterplan A4/W4 behelst herstructurering en intensivering van bedrijfslocaties in combinatie met een verdiepte aanleg van de A4. Dit biedt ruimte voor bedrijvigheid in de industrie, handel, transport en dienstverlening. Hoofdstuk 4, “Leiden Winkelstad”, besteedt meer aandacht aan het beleid ten aanzien van de RijnGouweLijn. Ondersteuning van en samenwerking met ondernemers Het gemeentelijk beleid [15] voorziet op een aantal manieren in ondersteuning en begeleiding van ondernemers. Daarbij kan grofweg een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds ondernemersfaciliteiten als ICT-infrastructuur, managementadvies, startersondersteuning en bedrijfsverzamelgebouwen, en anderzijds een betere informatieverstrekking richting en meer overleg met de ondernemers in de stad. Stimuleren ondernemerschap Om nieuw ondernemerschap te stimuleren streeft de gemeente naar revitalisering en nieuwbouw van bedrijfsverzamelgebouwen. In totaal gaat het om 200 m2 nieuwe en een zelfde oppervlak aan vernieuwde startersruimte in bedrijfsverzamelgebouwen. Daarvoor is tot en met 2004 € 800.000 vrijgemaakt. De gemeente kijkt voor de realisatie van nieuwe, kleinschalige bedrijfsruimte naar locaties als Roomburg en EWR/Slachthuisterrein. Verder werkt ze samen met de Kamer van Koophandel en de Universiteit Leiden bij het bieden van bedrijfshuisvesting voor starters. Een voorbeeld daarvan is het Academisch

24

13 Inbo (2002), In goede banen Leiden - Kantoren in de Leidse regio. 14 Kamer van Koophandel Rijnland, VNO-NCW West, et al. (2002), Rijnland Zuid-As - Ontwikkelingsperspectief Rijnland Zuid-As. 15 Uiteengezet in het Meerjaren Ontwikkelings Programma en de Jaarplannen Grotestedenbeleid van de gemeente Leiden.

Bedrijvencentrum (ABC), waar ondernemers in de biotechnologie en de ITC tegen gunstige voorwaarden kantoorruimte kunnen huren. Bij het stimuleren van nieuw ondernemerschap wil de gemeente in het bijzonder aandacht schenken aan werklozen en allochtonen en tevens ruimte bieden aan ondernemerschap met niet zozeer een economisch, maar vooral ook een sociaal rendement. Daarvoor werkt de gemeente onder meer samen met partners in het project ‘Dienstverlening op maat’, waarin allochtonen en werklozen die voor zichzelf willen beginnen de voor hen specifieke ondersteuning en informatie krijgen. Andere stimuleringsprojecten waarin de gemeente participeert, zijn: • ‘Spin Off Initiatief ’ (SOIL): Ondersteuning van starters vanaf het allereerste idee, in samenwerking met onder meer Universiteit Leiden. • ‘Nieuwe Bedrijvigheid’: Een project in groter regionaal verband, waarbij (door)startende ondernemingen in de industrie en stuwende dienstverlening professionele ondersteuning krijgen. [16] Communicatie en samenwerking De gemeente Leiden stelt zich ten doel de ondernemers en bestuurders op één lijn te krijgen door intensiever met elkaar van gedachten te wisselen over het economisch beleid. Daartoe wil de gemeente: • Een centrummanager aanstellen (vanaf 2003), die als intermediair gaat fungeren tussen ondernemers, eigenaren van bedrijfspanden en andere belanghebbenden in de binnenstad en de gemeente. De manager moet een spilfunctie gaan vervullen in grote projecten als RijnGouweLijn, Aalmarkt, Lakenhal-Lammermarkt en het Rembrandtjaar. • Een ondernemersloket opzetten met een front- en back-office ten behoeve van alle relevante procedures. • Klankbordgroepen oprichten ter verhoging van de participatie van ondernemers in politieke en ambtelijke processen. [17]

Verder wil de gemeente, samen met de Kamer van Koophandel, een zogenoemd ‘regionaal digitaal bedrijfsloket’ oprichten, alwaar ondernemers voor allerhande informatie terechtkunnen en een aantal - gestandaardiseerde - (administratieve) procedures en aanvragen kunnen afwikkelen. Tot slot streeft de gemeente naar invoering van ‘parkmanagement’ op nieuw te ontwikkelen en zo mogelijk ook op bestaande (te herstructureren) bedrijventerreinen. Nu al maakt de gemeente in het kader van haar beleidsinitiatief ‘Schoon en heel’ afspraken met bedrijven op terreinen over zaken als beveiliging, onderhoud en reiniging. Lastendruk en regelgeving De lastendruk voor bedrijven in Leiden ligt op een aantal punten relatief hoog. Zo ligt het OZB-tarief voor gebruikers en eigenaren van niet-woonpanden op 6,6. Daarmee betalen gebruikers in Leiden beduidend meer dan die in andere steden als Gouda (3,7), Delft (3,8), Haarlem (5,3) en Zoetermeer (2,8). [18] Ook op het gebied van de precariobelasting voor cafés en restaurants behoort Leiden tot de duurdere gemeenten in de regio, maar ten opzichte van andere ‘uitgaanssteden’ vallen de lasten enigszins mee. [19] ‘Objectieve’ gegevens over regelgeving in Leiden zijn beperkt aanwezig. Een manier om hiervan een indruk te krijgen is het vergelijken van de afhandelingsduur van aanvragen van ondernemers voor vergunningen bij de gemeente Leiden met die bij andere gemeenten. De gegevens hebben betrekking op het jaar 2000. [20] Toen bedroeg de afhandelingsduur voor een milieuvergunning gemiddeld 21 weken, wat ten opzichte van andere grotere steden redelijk is. De afhandelingsduur voor een bouwvergunning was 13,5 week, een minder gunstige score ten opzichte van andere grotere steden.

25

16 17 18 19 20

Gemeente Leiden (2002), Nieuwsbrief Economische Zaken. Gemeente Leiden (2002), Projectenboek Grotestedenbeleid Leiden 2003. Bron: COELO (2002). Bedrijfschap Horeca (2002). Research voor Beleid (2002), Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat - Resultaten tussenmeting gemeente Leiden.

2.5 Waardering ‘voorwaardenscheppend beleid’ vestigingsklimaat
In de verleden jaar uitgevoerde ‘Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat’ geven de Leidse ondernemers aan dat zij het verkeersbeleid, het ruimtelijk beleid (waaronder het beleid met betrekking tot bedrijfsruimte) en de gemeentelijke communicatie de belangrijkste elementen vinden in hun beoordeling van het ondernemingsklimaat. Ook ten opzichte van ondernemers in andere grotere steden wijzen de Leidse ondernemers de voornoemde beleidsterreinen als relatief belangrijker aan. [21]

23% van de Leidse ondernemers is van mening dat de aandacht van de lokale overheid voor het ondernemingsklimaat is toegenomen. Ter vergelijking: in alle grotere steden is gemiddeld 29% van de ondernemers die mening toegedaan. Volgens de gemeente Leiden zelf is de meeste beleidsmatige vooruitgang geboekt in het toerisme, de bedrijventerreinenstrategie, de bedrijvenservice en het Aalmarktproject. De grootste stagnatie is volgens haar opgetreden bij de uitgifte van Oostvlietpolder en de aanleg van ICT-infrastructuur.

Tabel 2.8 Waardering van diverse aspecten van bedrijfsruimte in Leiden en andere grote steden, 2002
Waardering door ondernemers uitgedrukt in rapportcijfers. Leiden beschikbaarheid bedrijfslocaties beleid ontwikkeling/herstructurering bedrijfslocaties parkeermogelijkheden bedrijventerrein bereikbaarheid auto bedrijventerrein bereikbaarheid OV bedrijventerrein Bron: Research voor Beleid (2002). 6,0 5,8 7,2 7,7 6,5 G30 gemiddeld 6,2 6,3 -

Bedrijfsruimte De gemeente geeft in de Benchmark zelf al een belangrijk knelpunt in het vestigingsklimaat aan: het trage tempo waarin nieuwe bedrijfsruimte beschikbaar komt, met name door vertraging in de ontwikkeling van Oostvlietpolder. Op papier is een groot deel van de ruimtebehoefte voor bedrijven in plannen keurig ingevuld. De Leidse praktijk blijft daar echter ver bij achter. Elders in de regio is meer of komt sneller extra ruimte beschikbaar dan in deze stad. Ook de geïnterviewde sleutelfiguren wijzen op de vertragingen rond de realisatie van het bedrijventerrein Oostvlietpolder en het dreigend gebrek aan bedrijfsruimte. Daarbij gaat het niet zozeer om kantoorruimte, maar vooral om bedrijventerreinen. Tussen bedrijventerreinen en kantoorruimte ligt een belangrijke scheidslijn. Overigens is Leiden lang niet de enige stad waar structureel een tekort aan bedrijventerreinen dreigt, integendeel. Leiden maakt die scheidslijn zelf nog scherper doordat ze zich verder wil ontwikkelen tot een kennis- en kantorenstad en op dat gebied ambitieuze plannen heeft. Kantorenbouw lijkt in de huidige Leidse praktijk ook sneller realiseerbaar dan bedrijventerreinontwikkeling.

Bovendien is er op de kantorenmarkt momenteel voldoende ruimte, vanwege de vraaguitval in de huidige laagconjunctuur. De strategie van Leiden om sterker in te zetten op kantoorontwikkeling ten behoeve van de nationale en internationale markt, is niet onomstreden. In theorie heeft Leiden als grotere kantorenstad zeker potentie: een hoge scholingsgraad van de beroepsbevolking, de aanwezigheid van diverse kennisinstellingen, een gunstige ligging binnen de Randstad, op korte afstand van Schiphol en een aantrekkelijk woon- en recreatieklimaat in een afwisselende omgeving. Deze kenmerken heeft Leiden echter langer dan vandaag. De vraag rijst dan ook waarom Leiden eigenlijk niet nu reeds de kantorenstad is, die ze (zo graag) wil zijn. Een positief ingestoken antwoord is dat de stad tot dusver weinig werk heeft gemaakt van haar mogelijkheden om zich tot een kantorenstad te ontwikkelen. De ambitieuze strategie is tamelijk nieuw en acquisitie en promotie richting grotere (inter)nationale bedrijven krijgen pas recent enige vorm. De Leidse ondernemers beoordelen het huidige gemeentelijke acquisitiebeleid in elk geval niet

26

21 Research voor Beleid (2002), Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat - Resultaten tussenmeting gemeente Leiden.

positief. De strategie moet zich dan ook nog bewijzen, maar daarvoor moet dan ook wel de kans worden geboden. In de huidige situatie van een ruime, zeer onzekere kantorenmarkt ligt dat lastig. Dit vereist namelijk dat Leidse bestuurders, ondernemers en andere stakeholders verder kunnen en durven kijken dan de huidige laagconjunctuur en het nu inzetten op grootschalige kantoorontwikkeling zien als een beleid dat op langere termijn de gewenste uitwerking zal hebben. Uit de interviews met sleutelfiguren kwamen zeer gemengde reacties naar voren op het idee van een ambitieus kantorenbeleid. Kantoorontwikkeling is en blijft een lastig tot niet te plannen proces met aanzienlijke risico’s. Een negatief geredeneerd antwoord is dat Leiden niet het imago heeft van een aantrekkelijke, ‘sexy’ kantorenstad en dat ook niet zomaar zal krijgen, alle grote promotie en acquisitie-inspanningen ten spijt. De Leidse markt is, in de ogen van ontwikkelaars en investeerders, een minder belangrijke dan de Amsterdamse, Haagse en wellicht de Zoetermeerse en de Haarlemse. [22] Bovendien bieden de laatstgenoemde regio’s voor de komende jaren mogelijkheden te over voor kantoorontwikkeling. Behalve de twijfelachtige steun voor grootschalige kantoorontwikkeling vanuit het Leidse zelf, is het ook uiterst onzeker of onder de benodigde investeerders van buiten voldoende animo zal bestaan. Bezien vanuit het economisch belang van Leiden en omgeving is aandacht voor kantoorontwikkeling een goede zaak. Het stimuleren van zakelijke en kennisdien-

sten heeft als groot voordeel dat in de beperkt beschikbare ruimte veel banen worden gecreëerd die geschikt zijn voor de eigen, gemiddeld hoger opgeleide bevolking. Het lijkt in elk geval dé manier om van Leiden meer een ‘werkstad’ te maken dan ze nu is en de omvangrijke uitgaande pendel naar de regio’s Den Haag en Amsterdam niet verder uit de hand te laten lopen. Om daarbij meer de nadruk te leggen op kantoorontwikkeling voor grote (inter)nationale instellingen gaat echter een stap verder en is gewaagder. Het is zeer belangrijk dat daarbij strenge randvoorwaarden worden ingebouwd om te voorkomen dat nieuwbouwplannen uitmonden in desinvesteringen. Zo dienen grootschalige kantoren geschikt te worden gemaakt voor kleinschaliger huisvestiging voor het geval de behoefte bij grote bedrijven te beperkt blijkt te zijn en aan de ruimtevraag voor kleine bedrijven niet kan worden voldaan. Infrastructuur Gemiddeld genomen wordt de huidige infrastructuur in Leiden en omgeving door ondernemers met een ruime voldoende gewaardeerd (zie onderstaande tabel). Tegelijkertijd wordt unaniem (zowel in studies als door de geïnterviewde sleutelfiguren) op een aantal knelpunten in de bereikbaarheid gewezen. Daarbij gaat het met name om een goede oost-west verbinding, die nu niet of nauwelijks aanwezig is. De huidige route van de kust naar Oost-Nederland loopt via Den Haag of via Amsterdam. Daarnaast kan de ontsluiting van de stad worden verbeterd door meer wegruimte te creëren. Daarbij valt te denken aan het verbreden van de N206 tussen de A4 en de A44, en het beter reguleren van de stoplichten.

Tabel 2.9 Waardering van diverse aspecten van bereikbaarheid in Leiden en andere grote steden, 2002
Waardering door ondernemers uitgedrukt in rapportcijfers. Leiden 1998 bewegwijzering ontsluiting (overheidsbeleid) bereikbaarheid per auto bereikbaarheid per OV Bron: Research voor Beleid (2002). 6,0 6,6 6,2 6,4 G30 gemiddeld 1998 2002 6,3 6,7 6,8 6,3 6,6 6,7 6,9 6,5

2002 6,5 6,6 6,6 6,6

27

22 FGH-Bank (2002), Vastgoedbericht 2002.

Aan de aandacht voor een betere oost-west verbinding ligt een meer fundamenteel vraagstuk over de ruimtelijkeconomische ontwikkeling van de regio ten grondslag: Zet de regio vooral in op een nieuwe economische ontwikkelingsas in oost-westelijke richting of juist op - versterking van - de economische relaties met de regio’s Amsterdam-Schiphol en Den Haag? In het eerste scenario ligt de nadruk op de aanleg van de RijnGouweLijn, de Rijnland Zuid-As en ontwikkeling van de zogenoemde ‘Oude Rijn-zone’. Die zone is een nieuwe economische navelstreng in de regio en vormt, samen met de infrastructurele projecten, een concrete aanleiding voor een betere afstemming en samenwerking tussen gemeenten en ondernemersorganisaties binnen de regio. Het tweede scenario schenkt vooral aandacht aan de infrastructurele knelpunten op de A4 en A44 en de rol van de regio Leiden & Bollenstreek als woon- en recreatiegebied tussen de werksteden Amsterdam en Den Haag. De belangstelling van bestuurders en ondernemers voor het eerste scenario neemt duidelijk toe, getuige de inspanningen die worden verricht om de bestuurlijke relaties tussen de Duin- & Bollenstreek en de Leidse regio te versterken. [23] Leiden wordt binnen deze grotere regio gezien als het centrum voor kennisinstellingen, zakelijke diensten, verzorgende bedrijvigheid en winkelen stadstoerisme. De Duin- & Bollenstreek en de Alphense regio ontwikkelen zich sterk als recreatiegebied, woongebied en locatie voor bedrijventerreinen. De economische en bevolkingsgroei van Alphen a/d Rijn, Leiderdorp en de discussie over regionale woningbouw in Valkenburg onderstrepen dit. De elkaar aanvullende en onderling versterkende functies van Leiden, Duin- & Bollenstreek en het gebied Leiderdorp-HazerswoudeAlphen a/d Rijn zorgen voor meer sociale en economische interactie en mobiliteit. De aanleg van de RijnGouweLijn en de Rijnland Zuid-As ondersteunt en anticipeert op deze ontwikkeling. Voor de sterkere oriëntatie in economische en infrastructurele richting oost-west valt veel te zeggen. De regio ligt ingeklemd tussen de steeds verder oprukkende Zuid- en Noordvleugel van de Randstad. Als antwoord hierop is het van wezenlijk belang te kiezen voor regionale samenwerking en een bewuste, zelfstandige ontwikkelingsrichting van deze regio.

Gebeurt dit niet, dan is de kans groot dat op termijn de regio wordt versnipperd en opgeslokt door haar grootstedelijke buren. Een gemeenschappelijke, zelfstandige regionale ontwikkeling betekent ook kiezen voor de regionale infrastructuur in oost-westelijke richting boven investeringen in de noord-zuid verbindingen. Dat laatste zou de werkoriëntatie van de regionale bevolking op Amsterdam en Den Haag juist ongewenst bevorderen. Bovendien is de congestie op de A4, de A44 en op het spoor tussen Den Haag en Amsterdam overwegend een bovenregionaal probleem. Het betreft veel meer doorgaand verkeer dan regionaal bestemmingsverkeer. De benodigde oplossingen en investeringen zijn derhalve een Randstedelijke of zelfs nationale aangelegenheid, waarbij slechts een bescheiden rol is weggelegd voor Leiden en de regio. Ondersteuning en dienstverlening De Leidse ondernemers geven de gemeentelijke organisatie en dienstverlening op alle terreinen nu een hoger rapportcijfer dan in 1998. Maar de lokale overheid in Leiden komt dan ook ‘van ver’. Ze behoorde destijds tot de groep laagst gewaarde van alle grotere steden. De dienstverlening verbetert volgens de ondernemers vooral op het gebied van de communicatie. Zo is een ondernemersloket opgericht en is recent gestart met een centrummanager. Op die terreinen scoort Leiden dan ook inmiddels rond het gemiddelde van de grotere steden. Overigens is de gemeente nog ver verwijderd van de ‘mooie’ rapportcijfers, alhoewel men zich mag afvragen of dat ook wel een reëel streven zou zijn. Een goede communicatie en samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven is uiteraard een gedeelde verantwoordelijkheid. Bij zowel de overheden als de ondernemers groeit de samenwerking binnen regionaal verband. Dat is een goede opmaat naar een betere samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven onderling. Een helder, gemeenschappelijk geluid bij de overheid alsook in het ondernemerskamp is een voorwaarde om als volwaardige gesprekspartners met elkaar te kunnen discussiëren en samenwerken. De wederzijdse versterking dient nog te worden gezocht. De laatste paar jaren zoeken gemeente en bedrijfsleven elkaar meer op en intensiveert het onderling contact en overleg. Dit leidt weliswaar tot ideeën en plannen die door beiden worden gesteund,

28

23 Provincie Zuid-Holland, Samenwerkingsorgaan Leidse Regio, Samenwerkingsorgaan Duin- & Bollenstreek (2003), Synergie in economie in de Leidse regio en de Duin- & Bollenstreek - Samenwerkingsdocument economie t.b.v. ‘werkgroep werken’.

maar tot een daadwerkelijke uitvoering komt het in de praktijk veelal (nog) niet. Door geld- en capaciteitsgebrek stranden veel initiatieven ‘op de tekentafel’. Het startersbeleid van de gemeente krijgt van de Leidse ondernemers een kleine voldoende. De vorige paragraaf schetste een aantal goede initiatieven, gericht op ondersteuning van ondernemers en stimulering van ondernemerschap in Leiden. De gemeente moet er echter voor waken niet de aandacht te veel te verleggen van lokaal ondernemerschap naar het aantrekken en ondersteunen van - grotere - bedrijven van buiten. Dat laatste is op zich een goede zaak, zolang de dienstverlening aan en inzet voor lokale ondernemers gewaarborgd blijft.

Tabel 2.10 Waardering van diverse aspecten van gemeentelijke dienstverlening in Leiden en andere grote steden, 2002
Waardering door ondernemers uitgedrukt in rapportcijfers. Leiden 1998 algemeen oordeel nakomen afspraken snelheid beantwoording verzoeken kennisniveau ambtenaren klachtenmogelijkheden Bron: Research voor Beleid (2002). 5,5 5,7 4,4 5,6 5,1 G30 gemiddeld 1998 5,8 6,1 5,2 6,1 5,6

2002 5,8 5,9 5,3 6,1 5,5

2002 5,9 6,2 5,3 6,1 5,8

Lastendruk en regelgeving Aan het eind van de vorige paragraaf is kort aangegeven dat de lastendruk voor ondernemers in Leiden vergelijkbaar is met die in andere steden als Haarlem, Gouda en Delft. Uitzondering hierop is het hogere OZB-tarief in Leiden. Voor het ondernemingsklimaat als geheel zijn de lokale lasten volgens de ondernemers van veel minder groot belang dan zaken als bereikbaarheid, parkeermogelijkheden, gemeentelijke dienstverlening en organisatie, en woonklimaat. De Leidse ondernemers vinden het thema wel iets belangrijker dan ondernemers in andere grotere steden. [24] Tegelijkertijd waarderen ze de lokale lastendruk minder positief dan ondernemers in andere steden.

Tabel 2.11 Waardering van diverse aspecten van de lokale lasten in Leiden en andere grote steden, 2002
Waardering door ondernemers uitgedrukt in rapportcijfers. Percentage van de ondernemers dat leges te hoog vindt. Leiden 1998 rapportcijfer lokale lasten % bouwleges te hoog % parkeervergunning te hoog Bron: Research voor Beleid (2002). 5,1 39,7% 50,7% G30 gemiddeld 1998 2002 5,4 5,6 -

2002 5,3 88,7% 69,5%

29

24 Research voor Beleid (2002), Benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat - Resultaten tussenmeting gemeente Leiden.

2.6 Resumé
De economie in deze regio is de afgelopen jaren minder hard gegroeid dan die in een aantal omliggende regio’s. De groeiprestaties vallen tegen gezien de economische potenties die de regio heeft: een evenwichtig samengesteld, kansrijk bedrijfsleven, een hoog opgeleide beroepsbevolking, de strategische ligging in de Randstad en een uitgebreide kennisinfrastructuur. Blijkbaar zijn er echter ook zaken die het Leidse groeivermogen inperken. De grenzen aan de groei in Leiden liggen op het terrein van de fysieke bedrijfsruimte (tekort aan bedrijventerreinen), de krapte op de arbeidsmarkt en infrastructurele knelpunten. Bovendien is Leiden en omgeving rijk aan historisch-cultureel erfgoed dat terecht grote bescherming geniet, maar dat tevens zorgt voor belemmeringen en vertragingen bij realiseren van economische vernieuwing. Het tekort aan bedrijfsruimte spitst zich toe op de op bedrijventerreinen gevestigde bedrijvigheid, zoals grootschalige industrie, groothandel en logistiek. De vertragingen rond de realisatie van bedrijventerrein Oostvlietpolder leiden ertoe dat bedrijven met acute ruimtenood (moeten) uitwijken naar terreinen in de bollenstreek of een andere regio. Kantoorruimte is in Leiden in voldoende mate aanwezig. Door de laagconjunctuur en de vele (geplande) nieuwbouwprojecten dreigt zelfs een overschot aan kantoren te ontstaan. Het is dan ook terecht dat een deel van de plannen voorlopig in de ijskast is gezet en er meer oog ontstaat voor regionale afstemming op het gebied van kantoorontwikkeling. Voor de langere termijn houdt Leiden echter grote ambities voor de ontwikkeling van kantoorgerelateerde bedrijvigheid en dus ook kantoren. De gemeente wil Leiden als ‘kantorenstad’ op de kaart zetten bij (inter)nationale bedrijfsleven. Daarbij bouwt zij voort op de huidige positie van Leiden in de (inter)nationale biotechnologiesector. De vraag is of dit een haalbaar streven is. Nadruk op kantoorgebonden bedrijvigheid bij de toekomstige economische ontwikkeling van de stad is logisch, gelet de beperkte ruimte voor bouwmogelijkheden, het hoge scholingsniveau van de beroepsbevolking en de huidige (kennis)dienstverlenende economische structuur. Leiden staat hierin echter niet alleen: nog los van de vier grote steden richten veel andere steden (waaronder Haarlem, Hoofddorp, Zoetermeer en Delft) zich op (kennis)bedrijvigheid. Ook zij hebben daarvoor grootste plannen voor nieuwbouwprojecten van kantoren. Haar huidige positie in de biotechnologie biedt geen garantie op succes bij een sterkere focus op (inter)nationale kantoorgebonden bedrijvigheid. De samenwerking binnen de regio op het gebied van economische ontwikkeling lijkt de laatste jaren in een stroomversnelling te komen. Dat gebeurt niet voor niets en het is een goede zaak. Regionale samenwerking is nodig om de zelfstandigheid te beschermen tegen de oprukkende economische en bestuurlijke invloed vanuit de Haagse en de Amsterdamse regio. Leiden heeft de andere gemeenten in de regio steeds meer nodig om de sociaal-economische kansen te kunnen verzilveren. Leiden kan immers geen kennisstad zijn zonder een aantrekkelijk woon- en verblijfsklimaat in de omliggende regio. In Leiden ontbreekt eenvoudigweg de ruimte voor grootschalige woningbouw en de aanleg voor nog meer bedrijventerreinen. Daarnaast ervaren Leiden en andere gemeenten in de regio steeds vaker dezelfde knelpunten. De matige ontsluiting in oost-west richting is hiervan een goed voorbeeld. De lijn Katwijk-Leiden-Alphen a/d Rijn is dé grote toekomstige ontwikkelingsas in de regio. Daar liggen de uitbreidingsmogelijkheden voor wonen, werken en recreëren. Voor die ontwikkeling vormt de gebrekkige oostwest verbinding echter een struikelblok. Het verbeteren van de infrastructuur is daarmee ook een gemeenschappelijke regionale aangelegenheid. De aanleg van de RijnGouweLijn alsook de matige autowegverbinding heeft een specifiek Leidse dimensie. De kunst is de RijnGouweLijn twee functies in een te laten vervullen: een regionale functie door hogere snelheden en minder haltes buiten Leiden, een lokale Leidse functie door hogere frequenties en meer haltes binnen Leiden. Verder is Leiden zo ongeveer de grootste hindernis in de autowegverbinding tussen Katwijk en Alphen a/d Rijn. De urgentie voor het wegnemen van de knelpunten is hier het grootst. Terecht bestaat er dan ook een groot draagvlak bij bestuurders en ondernemers in de regio voor een spoedige opwaardering van de N206 of een andere oost-westverbinding tussen de A4 en de A44, zoals de N445 (Willem de Zwijgerweg) of zelfs een geheel nieuwe randweg ten zuiden van Leiden.

30

3
3.

Toeristisch product Leiden
onderzoeken en reacties uit de interviews, een waarderend oordeel.

Leiden trekt met haar historische binnenstad met daarin vele musea, monumenten, hofjes en niet te vergeten de grachten jaarlijks talrijke bezoekers. Dit zijn veelal dagjesmensen en Leiden weet haar bezoekers dus nauwelijks voor een langere periode vast te houden. Door de ligging van Leiden in het hart van de Randstad is er tevens sprake van regionale concurrentie van steden als Den Haag, Amsterdam, Haarlem en Delft. Leiden is dan ook steeds meer op zoek naar een specifiek toeristisch product, iets waarmee de stad zich kan onderscheiden en zichzelf beter op de kaart kan zetten. Allereerst schetsen we een cijfermatig beeld van de huidige situatie op het gebied van toerisme en recreatie in Leiden. We leggen het aanbod van toeristisch-recreatieve voorzieningen en de bezoekersaantallen in Leiden onder de loep en vergelijken - waar mogelijk - met steden van een soortgelijk profiel. Vervolgens komt het toeristisch beleid aan bod en tot slot, op basis van enkele

3.1 Toerisme in Leiden: feiten en cijfers
‘Leiden museumstad’ Wie denkt er bij Leiden niet aan musea als het Naturalis, het Rijksmuseum voor Oudheden en de Hortus Botanicus? Leiden staat bekend om haar rijke museumaanbod. Dit zorgt elk jaar weer voor een aanzuigende werking van bezoekers, zowel van binnen als van buiten de regio. Dit zijn meestal dagjesmensen, maar ook verblijfstoeristen, die meerdere dagen in de stad verblijven. In Leiden zijn de musea, zo’n 13-tal, goed vertegenwoordigd. Leiden heeft als stad vele musea maar dit is slechts een klein deel van het totale landelijke museumaanbod.

Tabel 3.1 Aanbod van musea
2000 Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer Totaal Nederland Bron: MJK-T (2002). 14 6 12 5 13 1 51 1.264 2001 13 5 12 5 13 1 49 1.268

De bezoekersaantallen van musea (en andere bezienswaardigheden) in tabel 3.2 vertonen alleen in Leiden een positieve trend. De bezoekersaantallen lopen gestaag op, een uitzondering in 1999 daargelaten. In vergelijking met Delft valt op dat Leiden - met slechts één museum meer beduidend hogere bezoekersaantallen laat zien. Met grote trekkers als het Naturalis en het Rijksmuseum voor Oudheden mag Leiden zich dan ook terecht ‘museumstad’ noemen. Om een beeld te krijgen van het bovenlokale aandeel van de bezoekers corrigeren we de bezoekersaantallen voor het aantal inwoners van de betreffende gemeente. Na correctie voor het aantal inwo-

ners blijkt een groot deel van de bezoekers van de Leidse musea niet uit Leiden te komen; ook bij de Delftse musea zien we dit beeld. Terwijl de bovenlokale bezoekersfunctie in Leiden de laatste jaren gestaag toeneemt, is in Delft echter sprake van daling van het aantal bezoekers van buiten de gemeente, naast een daling in het bevolkingscijfer van de gemeente. In 2001 kwamen per inwoner bijna zes bezoekers van buiten de gemeente op de Leidse musea af. Hierbij gaan we ervan uit dat het lokale museumbezoek tussen steden hetzelfde is. In Leiden, maar nog duidelijker in Delft, is dan ook sprake van een sterke bovenlokale functie van de musea.

31

Tabel 3.2 Bezoekersaantallen musea en andere bezienswaardigheden
1997 % v.d. bev. 3,7 0,2 7,7 2,1 1998 % v.d. bev. 6,2 0,2 7,6 2,1 1999 % v.d. bev. 5,6 0,1 7,4 1,9 2000 % v.d. bev. 6,3 0,1 6,9 1,8 2001 % v.d. bev. 5,7 0,2 8,5 2,2

Leiden Alkmaar Delft Gouda

429.470 18.007 724.397 147.800

722.830 14.051 724.397 147.000

660.880 11.230 703.298 139.100

737.020 5.618 661.100 132.900

669.872 31.182 830.100 155.125

Bron: Diverse gemeenten (2002), Afdelingen Onderzoek & Statistiek.

Schouwburgen/theaters Theaters vormen een goede graadmeter voor het culturele karakter van een gemeente. Theaters kennen evenals musea een sterk spreidingspatroon in Nederland. Echter, het aantal theaters ontloopt elkaar veel minder dan het aantal musea in de verschillende gemeenten. In tabel 3.3 zien we dat Leiden, na Haarlem, de meeste theaters binnen haar gemeentegrenzen heeft. De grootte van de theaters blijkt wel sterk te verschillen per gemeente.

Tabel 3.3 Aanbod van theaters
aantal theaters 2000 Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer totaal Bron: TIN (2002). 2 2 2 1 4 1 12 aantal zalen 2000 3 3 2 1 6 2 17 aantal stoelen 2000 820 868 600 100 2505 900 5793

2001 3 1 2 2 4 1 13

2001 4 1 2 2 6 2 17

2001 1468 78 600 322 2505 900 5873

In tabel 3.4 valt op dat de Leidse theaters opvallend weinig bezoekers weten te trekken. Na correctie voor het aantal inwoners valt op dat theaterbezoek een veel sterkere lokale functie heeft dan museumbezoek. Terwijl Leidse theaters een evenwichtig patroon kennen van bezoekers afkomstig van binnen en buiten de gemeente, hebben musea duidelijk een sterke bovenlokale bezoekersfunctie. In Delft komt naar verhouding een groter deel van de eigen inwoners naar het theater en alleen in Gouda kent het theater een matig sterke bovenlokale bezoekersfunctie.

Tabel 3.4 Bezoekersaantallen theaters/schouwburgen
1997 % v.d bev. 0,3 1,7 0,9 1998 % v.d. bev. 0,4 1,9 0,9 1999 % v.d. bev. 0,4 2,1 1,0 2000 % v.d. bev. 0,6 0,4 2,2 0,5 1,0 2001 % v.d. bev. 0,5 0,5 1,1

Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer - = onbekend.

85.383 30.728 119.554 93.586

94.750 38.864 139.428 100.887

93.402 40.082 147.089 107.302

70.000 55.110 41.186 159.350 74.000 106.388

63.713 98.197 43.910 115.925

Bron: Diverse gemeenten (2002), Afdelingen Onderzoek & Statistiek.

32

Verblijfsmogelijkheden Mensen die een bezoek brengen aan Leiden komen vaak voor een dag(deel). De stad weet haar bezoekers maar moeilijk voor meerdere dagen vast te houden. Een gebrek aan overnachtingsmogelijkheden is een mogelijke oorzaak hiervoor.

Tabel 3.5 Aanbod hotels, kamers en bedden, 2001
Index: 1997=100 hotelkamers index hotelbedden index kamers per 10.000 inw. 47,9 11,2 41,2 17,1 39,3 19,8 index bedden per 10.000 inw. 99,8 21,4 78,2 34,5 83 39,6 index

Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer

560 104 396 123 583 218

99,3 71,2 106,2 87,2 122,7 100

1168 199 752 248 1231 436

97,7 74,8 105,8 89.9 121,6 100

99,3 71,1 103,8 86,8 121,9 97,7

97,8 74,7 103,4 89,4 120,9 97,7

Bron: Bedrijfschap Horeca (2002).

Uit tabel 3.5 blijkt dat Haarlem, op de voet gevolgd door Leiden, veruit het grootste aanbod heeft aan hotelkamers. Wel weet Haarlem, en in mindere mate Delft, de laatste jaren het aantal hotelbedden uit te breiden. In Leiden is er echter sprake van een stagnering, en zelfs lichte daling van het aantal van hotelbedden. Delft volgt met het aantal hotelkamers op afstand, terwijl Alkmaar, Gouda en Zoetermeer hierin een ondergeschikte rol spelen. Een zelfde patroon zien we bij het aantal hotelkamers per gemeente. Na correctie voor het aantal inwoners blijken Leidse hotels de grootste bovenlokale bezoekersfunctie te hebben.

In tabel 3.6 zien we dat het aantal hotelovernachtingen groeit in Leiden en dat er per inwoner bijna twee hotelbezoekers van buiten de gemeente komen. Evenals bij de theaterbezoeken zien we bij de hotelovernachtingen geen hoog bovenlokaal aandeel hotelgasten. Het zijn dus met name de musea (en andere bezienswaardigheden) die een sterke regionale, nationale of zelfs internationale (verzorgings) functie hebben. Dit voedt de gedachte dat er in Leiden vooral sprake is van dagtoerisme, waarbij de vele musea een grote trekkersrol vervullen.

Tabel 3.6 Aantal overnachtingen in hotels/pensions
1999 Leiden Alkmaar Delft Haarlem - = onbekend. Bron: Diverse gemeenten (2002), Afdelingen Onderzoek & Statistiek. 168.071 198.893 115.167 178.903 % v.d. bev. 1,4 2,1 1,2 1,2 2000 178.484 239.155 119.191 198.893 % v.d. bev. 1,5 2,6 1,2 1,3 2001 182.643 111.531 239.155 % v.d. bev. 1,6 1,2 1,5

Klassering Bij een inventarisatie van verblijfsmogelijkheden mag een evaluatie van de kwaliteit van hotels niet achterwege blijven. Een gevarieerd aanbod is van belang om zoveel mogelijk doelgroepen te kunnen bereiken. In Leiden zien we dat de middenklasse- en de wat luxere hotels iets rui-

mer vertegenwoordigd zijn dan de wat minder luxueuze hotels. Bij de andere gemeenten zien we een meer gelijkmatig verdeeld patroon. Vooral Delft is te typeren als een gemeente met een duidelijke oververtegenwoordiging in de midden en hogere klasse hotels. Opvallend is het ontbreken van 5-sterren hotels in de verschillende steden.

33

Tabel 3.7 Kwaliteit van het hotelaanbod, 2001
1 sterren hotels Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer 1 0 1 0 1 0 2 sterren hotels 2 3 2 3 3 0 3 sterren hotels 3 1 11 1 0 1 4 sterren hotels 3 0 3 0 3 2

Bron: Bedrijfschap Horeca (2002).

Economische betekenis Voor het meten van de betekenis van de toeristische sector voor de regionale economie zijn de bestedingen en de werkgelegenheid twee goede graadmeters. In onderstaande tabel zien we dat de Leidsche regio en de regio Duin& Bollenstreek samen een derde plaats innemen in zowel

het bestedingsbedrag als de werkgelegenheid, die het toerisme met zich meebrengt. De eerste en de tweede worden ingenomen door de regio’s Haaglanden, met daarin de steden Den Haag en Delft, en Rijnmond, met daarin de stad Rotterdam.

Tabel 3.8 Economische betekenis Zuid-Holland naar regio, 2001
bestedingen (mln. €) Werkgelegenheid (x 1.000 fte’s) 4,2 6,3 5,7 1,6 0,7 0,5 verdeling werkgelegenheid 22% 33% 30% 9% 4% 3%

Leidsche regio en Duin- & Bollenstreek Haaglanden Rijnmond Zuid-Holland Zuid Rijn en Gouwestreek De Waarden Bron: Provincie Zuid-Holland, et al. (2002).

323,1 497,7 456,7 120,7 57,7 36,2

Bij de economische effecten van toerisme in Zuid Holland staat het thema cultuurtoerisme - met € 812,3 miljoen aan bestedingen en 54% van de werkgelegenheid - op een eerste plek; de thema’s het kusttoerisme en ‘bloemen en bollen’ nemen resp. een tweede en derde plek in. Aangezien cultuurtoerisme vaak met stedenbezoek te maken heeft valt hieruit de voorzichtige conclusie af te leiden dat het hier met name om dagtoerisme gaat en minder om verblijfstoerisme. Desondanks blijkt wederom uit gegevens van de provincie Zuid-Holland dat het verblijfstoerisme (€ 859,4 miljoen bestedingen en 62% werkgelegenheid) een grotere economische betekenis

heeft dan het dagtoerisme (€ 632,8 miljoen bestedingen en 38% werkgelegenheid). Ten slotte kijken we naar het aandeel van het toerisme in de lokale werkgelegenheid. In tabel 3.9 zien we dat het toerisme het in economisch opzicht heel aardig doet in Leiden. In Nederland werd in het jaar 2000 6,7% van het totaal aantal banen vervuld in de toeristische sector. Haarlem en Leiden zitten ongeveer op het Nederlands gemiddelde, terwijl het percentage in andere gemeenten een stuk lager ligt. De sterke positie van Haarlem en Leiden springt ook in de lokale werkgelegenheid eruit.

34

Tabel 3.9 Procentueel aandeel van het toerisme in de werkgelegenheid, 2000
aandeel banen in toerisme (v.a. 1 uur per week) Leiden Alkmaar Delft Gouda Haarlem Zoetermeer Nederland Bron: VCO (2002). 6,6% 5,7% 5,2% 5,0% 6,7% 4,3% 6,7%

3.2 Aandachtspunten lokaal beleid in Leiden
Regionale samenwerking Voor planvorming op het gebied van toerisme en recreatie grijpen we terug op het ‘Meerjaren Ontwikkelings Programma 1999-2004’. Een van de ambities van de gemeente is de ontwikkeling van een hoger economisch weerstandsvermogen in Leiden. Om dit te kunnen verwezenlijken is verdere ontwikkeling en groei van het stedelijk toerisme van groot belang. De gemeente beoogt hiermee meer bezoekers aan Leiden en de Leidse regio te trekken, en verder een toename van de bestedingen, groei van de werkgelegenheid en uitbreiding van het aantal bedrijven te realiseren. Leiden wil met name inzetten op de combinatie van toeristische troeven in de regio, waaronder de kust, het plassengebied en de historische Leidse binnenstad. In Leiden zullen volgens de gemeente vooral lager opgeleiden profiteren van de extra werkgelegenheid in detailhandel, horeca, toerisme, cultuur en dienstverlening. Uitbreiding van voorzieningen en regionale samenwerking is het devies. Een goed voorbeeld van regionale samenwerking is het in 1995 opgestarte marketingconcept ‘Het Geheim van Holland’. Hierin streven Delft, Dordrecht, Gouda, Haarlem, Leiden en Schiedam gezamenlijk ernaar de bekende en nog onbekende Oudhollandse schatten van de steden te ontsluiten voor zoveel mogelijk bezoekers. De gezamenlijke kernkwaliteiten van de steden, het cultuurhistorisch erfgoed, de binnensteden en de landschappelijke omgeving liggen aan het concept ten grondslag, waarbij de toename van het verblijfstoerisme een belangrijke doelstelling vormt. Een langere verblijfsduur van de toeristen is economisch goed voor steden; een langer verblijf betekent namelijk dat er meer geld wordt uitgegeven. [25]

Leiden wil de komende jaren fors gaan inzetten op het watertoerisme. De aanpak van het Oostelijk Havengebied vormt hierin een belangrijk onderdeel. Het beleid is erop gericht de toeristische waarden en aantrekkelijkheid van de stad te versterken. Het moet de economische, culturele en sociale ontwikkeling van dit gebied en van de ‘kop van de Haarlemmerstraat’ stimuleren. Het Oostelijk Havengebied kan een enorme impuls geven aan het (regionale) toerisme door te fungeren als toegangspoort tot het stadscentrum. Ook kan dit gebied zorgen voor betere verbindingen van watergebieden met de binnenstad, economisch hergebruik van bestaande panden, waaronder monumenten, en groene waterverbindingen tussen de stad en de regio realiseren. De ontwikkeling van het Oostelijk Havengebied richt zich met name op het ‘upgraden’ van de passantenhaven. Deze is in de zomerperiode overvol en dus moet er een (gefaseerde) uitbreiding van de afmeervoorzieningen in het gebied komen. Verder is het belangrijk dat woonen verblijfsvoorzieningen uitgebreid worden, zowel voor bewoners als bezoekers. [26] Ook is het van belang dat er een aantal algemene voorzieningen inzake het watertoerisme getroffen wordt; hierbij gaat het om de vaarroute van de Kagerplassen naar het centrum van Leiden, het stimuleren van aanlegsteigers voor sloepen en rondvaartboten bij concentraties van horeca en musea, het verbeteren van de bewegwijzering in het vaarwater

35

25 Geheim van Holland (1999). 26 Gemeente Leiden (2003).

van de stadsgrachten en de singels, meer regionale samenwerking van gemeenten rondom de Kagerplassen/Braassem en ten slotte het opzetten van een promotiecampagne om watertoerisme in Leiden en het omliggende plassengebied te stimuleren. De gemeente wil het watertoerisme graag in samenwerking met ondernemers verder uitbouwen. Grote Steden Beleid Programmamanagers van het Grote Steden Beleid (GSB) brengen naar aanleiding van het MOP jaarlijks een plan uit waarin de samenspraak met in-, en externe partijen over het bereiken van de gestelde doelen centraal staat. In het GSB jaarplan 2002 is een aantal programmalijnen uitgezet dat ingaat op de huidige stand van zaken. In het programma ‘Historische stad’ wordt een aantal doelstellingen verbonden aan de positie van Leiden als bezoekersstad:

1. Meer bezoekers aan de historische binnenstad. 2. Een langer verblijf van deze bezoekers. 3. Toename van de waardering van binnenstadbewoners voor de kwaliteit van de historische binnenstad. 4. Toename van de waardering van bezoekers voor de kwaliteit van de historische binnenstad. Verder pleit het programma voor versterking van het aanbod van cultuur, ‘leisure’ en horeca waarvan zowel Leidenaren als bezoekers van buiten de gemeente kunnen profiteren. Om de kwaliteit van de binnenstad met haar monumenten, grachten en hofjes hierbij zo goed mogelijk te benutten, is een aantal deelprogramma’s opgesteld. Deze zijn in onderstaande tabel (3.10) schematisch weergegeven.

Tabel 3.10 Deelprogrammering ‘Historische stad’ (GSB)
Deelprogramma’s Versterking historische allure Doelstellingen • Herinrichting straten en pleinen, en versterking van de kwaliteit van het winkel-woon- en leisuregebied. • Versterking historische allure van beeldbepalende monumenten in de binnenstad. • Versterking aanbod van ‘leisure’ (buitenevenementen, themamarkten). • Verbetering structuur van terrassen/ cafés en afname overlast. • Versterking toeristisch vervoer over water (‘watertoerisme’). • Meer uitgaansgelegenheid voor jongeren. • Verbetering bereikbaarheid van touringcars. • Verbetering doorvaarbaarheid en de aanmeervoorzieningen van de stad. • De binnenstad moet beter leesbaar worden door vernieuwing van de bestaande bewegwijzering. Hierbij inbegrepen is de ontwikkeling van de ‘Leidse loper’, een vaste wandelroute door de historische binnenstad. • Een schonere binnenstad. • Uitbreiding overnachtingscapaciteit in alle kwaliteitsklassen. • Versterking museaal aanbod. • Versterking uitgaansaanbod. • Versterking bezoekersaanbod Leiden-Rembrandt/Gouden Eeuw. • Versterking toeristische functie ‘de Burcht’. • Lokale en regionale P&R ‘dagje uit in Leiden’. • Landelijke PR voor het museale aanbod. • PR geschiedenis van Leiden. • PR met de boot naar Leiden. • Marketing-informatiesysteem.

Binnenstad levendig

Binnenstad bereikbaar, leesbaar en schoon

Meer verblijfsmogelijkheden Versterking cultuur-toeristisch aanbod

Versterking promotie en arrangementen

Gezamenlijke marketinginformatie

Bron: Gemeente Leiden (2002), GroteStedenBeleid – jaarplan 2003.

36

Uit het jaarplan Grote Steden Beleid 2003 blijkt dat de gemeente al een aardig eind op weg is om haar doelstellingen binnen de ‘historische stad’ te bewerkstelligen, maar dat de partijen die betrokken zijn bij het versterken van de positie van Leiden als bezoekersstad geen hecht netwerk vormen. In 2003 moet verdere netwerkvorming dan ook worden versterkt. Wel is het Leidse VVV per 1-1-2003 gefuseerd met verschillende VVV’s uit de regio tot VVV Holland Rijnland. Andere accenten zullen in 2003 liggen op stedelijke vernieuwing (Aalmarktgebied, Lammermarkt/Lakenhal-gebied, Vrouwenkerkplein), op verder stimulering van de bereikbaarheid (o.a. waterrondje Leiden en Leidse Loper), vergroting van de verblijfsrecreatie (Oostelijk Havengebied, Groenoordhallen), het continueren van zowel grote projecten (Rembrandt 2006) als kleinere (Burcht) en tot slot de gezamenlijke promotie van de Leidse musea. In oktober 2002 is voor de gemeentelijke concernbegroting voor 2003 een meerjarenraming 2004-2006 opgesteld. [27] De toeristische ambitie voor de toekomst is om de (cultuur) historische kwaliteit verder uit te dragen (Rembrandt, de Gouden Eeuw en de Leidse grachten), om deze locaties duidelijk zichtbaar, vindbaar en bereikbaar te maken voor een groot publiek, om de stad schoon en aantrekkelijk te maken en om meer bezoekers te trekken, die langer blijven en meer geld besteden. De werkgelegenheid in de (cultuur)toeristische branche en aanverwante branches (bijv. detailhandel) blijft hierbij behouden en breidt uit. Om de positie van Leiden als bezoekersstad te versterken is een goede communicatie tussen betrokken partijen van belang. In de volgende paragraaf evalueren we verschillende aspecten van toerisme in meer waarderende zin. We betrekken verschillende studies en bespreken tevens de resultaten van de interviews met de sleutelpersonen.

Het is echter vooral het verblijfstoerisme dat evenals bij veel andere gemeenten steeds duidelijker op de politieke agenda wordt gezet. De beleidsvorming rond toerisme is in Leiden ondergebracht bij de afdeling Economische Zaken, terwijl de regionale VVV zich bezighoudt met promotie, productontwikkeling en informatieverstrekking, waarvoor ze jaarlijks subsidie ontvangt. Elke gemeente wil zichzelf om de zoveel tijd wel eens langs de meetlat leggen om na te gaan hoe tevreden bewoners zijn, hoe tevreden ondernemers zijn en natuurlijk ook hoe Leiden als gemeente scoort ten opzichte van vergelijkbare steden in de regio. Het ‘toeristisch product’ van Leiden: de regionale insteek Het grote voordeel van Leiden is haar ligging, centraal in de Randstad, temidden van het Groene Hart, de Hollandse plassen, de kust en de bloemen. Vanuit Leiden zijn deze regionale trekkers relatief snel en makkelijk te bereiken. Daarom is recentelijk ook gekozen voor een verbetering van de regionale samenwerking. De verschillende sleutelpersonen vinden de regionalisering van de VVV dan ook unaniem een goed idee. Zo kan Leiden beter profiteren van de bezoekers, die in het kustgebied verblijven. In regionaal verband is de komst van de Rijn Gouwe Lijn volgens de sleutelpersonen eveneens een goed initiatief, al laat de invoering ervan nog wel lang op zich wachten. Door de regionale insteek zullen Leiden en de kustgemeenten meer van elkaars toeristen kunnen gaan profiteren. Promotie van de eigen stad in de omliggende (kust)gemeenten vormt hierbij een belangrijke stap in de goede richting. Nu de inkomstenstroom van de gemeente langzaam opdroogt, zijn visie en geld voor het VVV echter een punt van aandacht. Volgens sommige sleutelpersonen zijn er dan ook sponsoringsinitiatieven vanuit het bedrijfsleven nodig, waarvan het resultaat goed uitgedragen dient te worden. Leiden zou het regionale plaatje veel meer dan nu moeten inkleuren met haar rijke cultuurhistorie. Leiden kan haar 17e eeuwse historische binnenstad nog meer uitbuiten om hogere bezoekersaantallen te trekken, want vooral voor de buitenlandse toerist ligt er nog een markt open. Dit blijkt ook uit de ‘benchmark gemeentelijk ondernemingsklimaat’ [28], waarin ondernemers aangeven dat de totaliteit van inspanningen die de gemeente levert om de historische binnenstad meer bekendheid te geven nog niet voldoende is, ondanks de gezamenlijke promotie van musea in Leiden die als een positieve ontwikkeling wordt gezien.

3.3 Waardering: hoe scoort Leiden?
Het begrip toerisme kan meerdere vormen aannemen: cultuurhistorisch toerisme, groen watersporttoerisme, evenementen, zakelijk toerisme, attracties en uitgaanstoerisme. Leiden is vooral bezig met het uitdragen en verder versterken van de bekendheid en attractiviteit van haar historische binnenstad. Ook komt in Leiden de komende jaren weer meer nadruk te liggen op het evenemententoerisme door de organisatie van het ‘Rembrandt-jaar’ dat in 2006 plaatsvindt en als kapstok dient voor de presentatie en promotie van haar historische binnenstad.
27 Gemeente Leiden (2002). 28 Research voor Beleid (2002).

37

In dit verband zijn de musea van Leiden en de huidige aandacht voor het thema Rembrandt een goede input. Ook het watertoerisme vormt een steeds belangrijker onderdeel in het waarborgen van de bereikbaarheid, zowel extern - de verbinding met het omliggende plassengebied - als intern - de verbinding van de haven met de binnenstad. Een negatief aspect van de vele cultuurschatten in Leiden is dat ze te verspreid liggen en dat niemand de centrale trekkersrol op zich neemt. Sommige sleutelpersonen zijn van mening dat de burgemeester deze rol op zich zou kunnen nemen. Al met al is het de kunst om als regio een totaalpakket aan te bieden (kust, plassen, stad en bos), waarbij indivi-

duele kenmerken zó belicht worden dat er een vorm van hoogwaardige ‘kustrecreatie’ kan ontstaan. Promotie is en blijft hierbij een zeer belangrijk instrument: breng potentiële bezoekers op de hoogte van de mogelijkheden die Leiden biedt! De grote waarde van de Leidse binnenstad blijkt tevens uit de resultaten van het ContinuVakantieOnderzoek (CVO) over de eerste helft van 2002. Het CVO biedt goed inzicht in de activiteiten van (louter Nederlandse) bezoekers aan verschillende grote steden in Nederland. In tabel 3.11, is de verdeling weergegeven van de activiteiten van bezoekers; voor bezoekers aan Leiden is tevens specifiek gevraagd naar de hoofdreden van het bezoek.

Tabel 3.11 Ondernomen activiteiten en (hoofd)redenen van bezoek van consumenten aan steden, 2002
Leiden: hoofdreden bezoek winkelen voor plezier lunch / diner in restaurant terrasje stadswandeling museumbezoek evenement bioscoop uitgaan / nachtleven theater / concert bezoek sportwedstrijd attractie strand geen van deze totaal Bron: CVO (2002). 40% 7% 5% 6% 11% 10% 1% 4% 4% 0% 3% 0% 8% 100% Leiden: alle redenen 62% 37% 28% 21% 16% 11% 9% 9% 7% 6% 3% 3% 5% 217% Haarlem: alle redenen 66% 43% 31% 14% 10% 10% 12% 15% 5% 1% 3% 7% 5% 221% Delft: alle redenen 51% 30% 33% 25% 14% 11% 8% 3% 2% 3% 3% 0% 14% 196% Gemiddelde alle steden: alle redenen 59% 36% 32% 14% 10% 9% 10% 10% 8% 4% 6% 5% 6% 209%

In Leiden onderneemt men relatief vaak een stadswandeling, een museumbezoek en een bezoek aan een sportwedstrijd, en bezoekt men relatief weinig een attractie. Winkelen voor het plezier en in mindere mate museumbezoek vormen vaak de hoofdreden van het bezoek. In vergelijking met andere steden komen de meeste bezoekers per auto naar Leiden (65%) en opvallend weinig per

trein (17%). Het relatief grote aantal bezoekers dat met het openbaar vervoer (7%) of met de fiets (8%) Leiden bezoekt, duidt hoogstwaarschijnlijk op een relatief groot aantal bezoekers uit de regio. Om het verblijfstoerisme in Leiden te stimuleren moet er nog veel gebeuren, want slechts 5% van de bezoekers brengt een meerdaags bezoek aan Leiden.

38

Een ander onderzoek, dat zich specifiek richt op de museumbezoeker [29], geeft aan dat met name vrouwen de binnenstad van Leiden voor of na het museumbezoek bezoeken, o.a. voor het recreatieve winkelen (‘funshoppen’). Een groot deel van deze museumbezoekers oordeelt positief over de Leidse binnenstad en tevens over de kwaliteit van de musea. De bereikbaarheid van de binnenstad wordt minder positief beoordeeld, ondanks het parkeer-

systeem aan de Haagweg. Het winkelaanbod en de uitgaansvoorzieningen worden tamelijk positief beoordeeld. Als onaantrekkelijk worden verder het ‘vuil op straat’ en de ‘graffiti op de muren’ gezien. Ten slotte kunnen trends als vergrijzing, een toename van het aantal tweeverdieners en individualisering een positieve uitwerking hebben op het toerisme. Een SWOT-analyse ziet er op basis van de resultaten van het onderzoek als volgt uit:

Tabel 3.12 SWOT-analyse toerisme Leiden
Sterkten: • groot gevarieerd aanbod van musea • aantrekkelijke cultuur-historische binnenstad • sfeervolle terrasjes, eetgelegenheden, bereikbaarheid, openbaar vervoer • levendige stad Kansen: • • • • • toenemende vergrijzing toename hoger opgeleiden samenwerking met de musea, VVV etc. Haagwegsysteem (parkeren) zakenreizen Zwakten: • graffiti en vuil op straat • bewegwijzering, parkeergelegenheid, bankjes, toiletten

Bedreigingen: • langere werkweken hoger opgeleiden en langere vakanties • toenemende concurrentie van historische steden in het buitenland • tijdgebrek

Bron: Abma (2001).

Stimulering van verblijfstoerisme in Leiden? Over de mogelijkheid en haalbaarheid van het stimuleren van verblijfstoerisme in Leiden lopen de meningen van de sleutelpersonen uiteen. Er zijn sleutelpersonen die niet in verblijfstoerisme geloven omdat Leiden een te weinig gevarieerd aanbod van toeristische attracties zou hebben om een verblijf van meerdere dagen mee te vullen. Daarnaast is er te weinig aanbod van overnachtingsfaciliteiten voor uitbreiding van het verblijfstoerisme. Wel is een aantal sleutelpersonen op de hoogte van de uitbreidingsplannen van de hotelcapaciteit in de Groenoordhallen. Hier ontwikkelt Libema een groot leisure-project, waarbij een deel van het gebouw als hotel gaat fungeren. Toch zal Leiden een stad blijven van dagtoerisme en zal verblijfstoerisme met name in kustplaatsen als Katwijk en Noordwijk plaatsvinden. Het zijn met name deze kustplaatsen die een veel grotere aantrekkingskracht op verblijfstoeristen uitoefenen. Vanuit een van de kustplaatsen bezoeken deze mensen Leiden vaak puur als dagtrip.

Er zijn ook sleutelpersonen die veel meer geloven in het idee om verblijfstoerisme in Leiden te stimuleren. Het grote cultureel-toeristisch aanbod van Leiden leent zich beslist voor een bezoek van meer dan een dag en biedt zeker nog genoeg potentie. Een voldoende hoog voorzieningenniveau is dan wel een belangrijke randvoorwaarde. De vraag naar verblijfstoerisme komt voort vanuit de behoefte aan meer hotelovernachtingen. Aangezien de Leidse hotels nu bijna altijd vol zitten, is versterking van de hotelfunctie - ook in de binnenstad - zeker nodig. Een gevarieerder aanbod van de kwaliteit van overnachtingsmogelijkheden is hierbij van belang. Leiden zou ook wat beter vertegenwoordigd moeten raken in de duurdere en goedkopere hotels. De betrokkenheid van het bedrijfsleven is volgens sommige sleutelpersonen belangrijk bij het promoten van verblijfstoerisme en deze zou vergroot kunnen worden, o.a. door het stimuleren van evenementen. Dit is slechts één van de mogelijkheden om met een combinatie van elementen (cultuur, horeca) meer toeristische bestedingen te genereren.

39

29 Abma H.J. (2001).

Verder kan de cultuurmarkt veel markt winnen door in te spelen op een aantal trends dat zich landelijk voordoet. Zo kan volgens sommige sleutelpersonen het toenemend aandeel ouderen, dat veel vrije tijd en een relatief hoog besteedbaar inkomen heeft, verder uitgebuit worden. Plannen voor meerdaagse cultuurcursussen in de Leidse musea zijn reeds in ontwerp. Om er voldoende rendement uit te halen is het wel van belang dat deze cursussen herhaaldelijk gegeven worden. Echter, ook in het kader van toerisme blijft bereikbaarheid een belangrijk aandachtspunt, zeker ook als voorwaarde voor de rendabiliteit. Goed bereikbare voorzieningen kunnen een positieve impuls uitoefenen op het verblijfstoerisme. Over het ondernemersinitiatief van de parkeerplaats aan de Haagweg aan de rand van de binnenstad zijn de sleutelpersonen veelal positief. Ook het vervoer over water is volgens velen een stap in de goede richting. Sommige sleutelpersonen zien tevens een rol voor een ‘hop-on, hop-off systeem’ waarbij vervoer met busjes - vanuit de daarvoor aangewezen knooppunten - afgewisseld wordt met vervoer over water.

Gemeentelijk recreatie- en toerismebeleid Volgens de ‘Benchmark gemeentelijk ondernemersklimaat’ [30] zijn Leidse ondernemers de laatste jaren positiever gaan oordelen over de communicatie met de gemeente, ook al is deze zeker nog niet geheel interactief. Ondanks het feit dat ondernemers verbetering zien in het voorzieningenbeleid - met name in de sluitingstijden van horeca - vinden zij het recreatie- en toerismebeleid van de gemeente nog te versnipperd. Dit knelpunt blijkt met name uit de (gebrekkige) samenwerking tussen de VVV en de recreatieondernemers. Het oordeel van ondernemers over het toeristisch beleid in zijn algemeenheid wordt met een rapportcijfer 6,4 beoordeeld; dit cijfer ligt net iets onder het gemiddelde van de G30 (6,5). Dit is niet verontrustend, maar volgens de ondernemers zijn er nog genoeg verbeterpunten aan te dragen. Een belangrijk punt, dat reeds eerder genoemd is, zou de trekkersrol van de burgemeester kunnen zijn. Wanneer we tot slot even kort terugkoppelen naar het MOP-programma historische stad, zien we dat de gemeente zichzelf een aantal streefwaarden stelt voor het jaar 2003. In onderstaande tabel zijn tevens de waarden voor het jaar 2000 opgenomen. Leiden lijkt goed op weg te zijn om de streefwaarden voor het aantal hotelovernachtingen in 2003 te halen. Echter, om de streefwaarden voor het aantal museumbezoeken te halen in 2003 heeft de stad nog een lange weg te gaan.

Tabel 3.13 Streefwaarden Leidse indicatoren ‘historische stad’
1998 aantal toeristische bezoekers aantal overnachtingen in hotels aantal bezoeken aan musea bestedingen in de binnenstad/ detailhandel 450.000 160.000 725.000 € 329 mln. 2000 178.484 727.020 2003 550.000 185.000 800.000 € 363 mln.

Bron: Gemeente Leiden (1999), Meerjaren OntwikkelingsProgramma 1999-2004.

40

30 Research voor Beleid (2002).

3.4 Resumé
Leiden weet met haar historische binnenstad vele toeristische bezoekers naar de stad te trekken. De historie van de stad staat samen met de vele musea en het rijke aanbod van culturele bezienswaardigheden garant voor een aantrekkelijk aanbod van toeristische trekkers. Om te voorkomen dat bezoekers de verschillende bezienswaardigheden in de stad slecht weten te vinden, is het van belang om het toeristisch product van Leiden overzichtelijk en bereikbaar te houden. Het afstemmen van het toeristisch product op de veranderende samenleving is ook een wenselijke ontwikkeling. Leiden zal door vergrijzing te maken krijgen met steeds meer oudere toeristische bezoekers die langer vitaal blijven en meer te besteden hebben. Zeker een stad als Leiden moet met het culturele karakter van haar toeristisch product hierop goed kunnen inspelen. Ook de verdere individualisering en de groeiende groep tweeverdieners brengen een nieuwe markt tot ontwikkeling van welvarende potentiële bezoekers, die bovendien steeds meer vrije tijd hebben. De toeristische bezoekers, die Leiden met haar diverse toeristische aanbod aantrekt, komen vaak voor een dag of een dagdeel naar de stad. De gemeente wil graag een stap verder en zet met haar toeristisch-recreatief beleid in op verblijfstoerisme. Leiden heeft nog een lange weg te gaan om dit te bereiken. Op langere termijn zal de stad hiervan wel positieve economische effecten ondervinden, waarbij naar verwachting met name de werkgelegenheid voor lager opgeleiden zal groeien. Een punt van kritiek is dat Leiden een te kleine stad zou zijn voor verblijfstoerisme, toeristische concurrentie ondervindt vanuit het kustgebied en - mogelijk nog belangrijker - een gebrek heeft aan verblijfsaccommodaties. Echter, Leidse hotels zijn bijna altijd volgeboekt en daarom lijkt aan uitbreiding van de hotelcapaciteit zeker behoefte te bestaan. Een bijkomend probleem, dat mogelijk samenhangt met de huidige economische neergang, is dat de markt niet of nauwelijks inspringt op dit gebrek aan capaciteit. Een gebrek aan met name lage en hoge kwaliteitsklassen pleit voor uitbreiding aan de boven- en de onderkant van de logiesmarkt. De markt voor verblijfstoerisme ligt open voor de welvarende burger met veel vrije tijd en voor de buitenlandse toerist. Tevens kan Leiden voordeel halen uit haar vele grachten en de verbinding met het omliggende plassengebied. Uitbreiding van dit zgn. ‘watertoerisme’ moet dan wel goed gefaciliteerd worden, zodat het voor de toeristische bezoeker

aantrekkelijk is om Leiden per boot te bezoeken. De winst, die met het watertoerisme geboekt kan worden, is vanwege het sterke seizoensgebonden effect echter relativeerbaar.

41

42