Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Eindrapport

Opgesteld op verzoek van: REAP Zuidoost-Brabant Opgesteld door: ETIN Adviseurs

Tilburg, juni 2001

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Inhoudsopgave
Pag. Inhoudsopgave .................................................................................................... 0 1. 2. Inleiding........................................................................................................ 1 Regio Eindhoven: een blik op de toekomst .............................................. 3
2.1 2.2 Inleiding ...............................................................................................................................3 Toekomstvisie .....................................................................................................................3

3.

Sociaal economische regiovisie 2001-2005 .............................................. 6
3.1 3.2 Inleiding ...............................................................................................................................6 Aandachtspunten per thema .............................................................................................6 A. Economische structuur...........................................................................................6 B. Arbeidsmarkt ............................................................................................................9 C. Bedrijfsomgeving ...................................................................................................11 D. Mobiliteit ..................................................................................................................13

4.

Strategische agenda REAP 2001-2005 .................................................... 16
4.1 4.2 Inleiding .............................................................................................................................16 Speerpunten REAP ..........................................................................................................16 A) ICT.............................................................................................................................17 B) Plattelandseconomie .............................................................................................19 C) Kennis en innovatie ...............................................................................................20 D) Internationalisering................................................................................................22 E) Knelpunten arbeidsmarkt .....................................................................................24 F) Toerisme en recreatie............................................................................................25 G) Ruimtegebruik voor economische activiteit .....................................................26 H) Mobiliteit ..................................................................................................................28

5.

Organisatie REAP...................................................................................... 30
5.1 5.2 5.3 Soorten REAP projecten..................................................................................................30 Criteria en voorwaarden...................................................................................................31 Organisatie REAP Zuidoost-Brabant ..............................................................................33

6. 7.

Financiering ............................................................................................... 35 Monitoring regionaal economische ontwikkeling................................... 36
7.1 7.2 Inleiding .............................................................................................................................36 Kengetallen .......................................................................................................................36

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

1.

Inleiding

Het in 1994 opgestelde meerjarig Economisch Actieplan Bedrijfsleven Zuidoost-Brabant van het regionale bedrijfsleven en het Sociaal-Economisch Beleidsplan 1995-1999 van het SRE vormden het vertrekpunt voor de gezamenlijke REAP-jaarprogramma’s in de periode 1995 tot heden. Een nieuwe meerjarenvisie en programma wordt door alle bij het REAP betrokken partijen wenselijk geacht om als kader te dienen voor de jaarprogramma’s in de periode 2001-2005. Structurele versterking van de economie van Zuidoost-Brabant blijft een belangrijke uitdaging voor de komende jaren. Met name de versterking van de innovatieve kracht van het industriële middenen kleinbedrijf vraagt hierbij aandacht. De tendens tot vergaande clustering van industriële bedrijven vormt de belangrijkste kracht van de regionale economie in Zuidoost-Brabant en dient versterkt te worden. Voorts staat de regio voor de uitdaging zijn leidende positie op ICT-gebied verder uit te bouwen en Nederland internationaal op de kaart te zetten voor de ontwikkeling van interactieve diensten. Hiertoe dienen de randvoorwaarden gecreëerd te worden voor vernieuwende ICT-ontwikkelingen op het gebied van consumentendiensten, infrastructuur en gebruik. Uitwerking van acties heeft met name plaats in het samenwerkingsverband Kenniswijk. De omschakeling van de agrarische sector van bulk-productie naar een innovatieve, duurzame agribusiness met een maximale toegevoegde waarde is een uitdaging van formaat die maximale aandacht vraagt van onze regio en de omliggende regio’s. Bij de versterking van de plattelandseconomie is er een grote potentie voor bijvoorbeeld de verdere ontwikkeling van recreatie en toerisme. In samenhang met de reconstructie wordt middels de streekplatforms in de Peel en de Kempen de projectontwikkeling ter versterking van de plattelandseconomie gestimuleerd. Tot slot vragen het regionaal arbeidsmarkt-/ empoyability- en doelgroepen(sluitende aanpak) beleid, de (re-)vitalisering van bestaande bedrijventerreinen en de ontwikkeling van duurzame nieuwe bedrijventerreinen alsmede in het bijzonder ook de bereikbaarheid van de regio alle aandacht van de samenwerkende partijen in de regio en daarbuiten. Het REAP en de projecten, die middels provinciale REAP-middelen en middelen van de deelnemende partijen worden ondersteund, heeft bij bovenstaande ontwikkelingen een aanjaagfunctie. Strategische- en oriënterende projecten staan hierbij centraal. Deze functie dient naar de mening van alle betrokken partijen bij het REAP Zuidoost-Brabant ook de komende jaren gecontinueerd en verder uitgebouwd te worden. Specifieke aandachtsgebieden zullen in de komende jaarprogramma’s extra aandacht krijgen. Zo zullen de versterking van de plattelandseconomie en de ICT-ontwikkeling in 2001 en 2002 uitgebreid aandacht krijgen. Voor de meer omvangrijke operationele uitvoeringsgerichte projecten wordt een beroep gedaan op de middelen die in Stimulus en andere EU-programma’s en de middelen ter co-financiering van deze programma’s (SRE programma Europese fondsen) beschikbaar zijn. Voor uitvoeringsgerichte projecten die niet voor een bijdrage uit de EU-programma’s in aanmerking komen wil het REAP een beroep doen op de extra REAP-middelen die de provincie heeft gereserveerd. In de REAP-aanpak in de regio Eindhoven staan de lichte slagvaardige structuur, het genereren van extra co-financieringsmiddelen, de toenadering overheid-bedrijfsleven en de scheiding van projectmanagement en projectuitvoering voorop. Gezamenlijke belangenbehartiging bij hogere overheden en het ontwikkelen van gezamenlijk beleid heeft op diverse terreinen plaats.

1

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Regionale samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven, ondersteunt door de provincie, het rijk en de EU heeft de afgelopen jaren in Zuidoost-Brabant reeds tot vele concrete resultaten geleid. Versterking en verdere uitbouw van de samenwerking in de komende jaren zal ertoe moeten leiden dat deze regio de komende jaren tot de “technological brainport” van Nederland uitgroeit. In deze REAP-nota “Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant” wordt een regiovisie uitgewerkt die gebaseerd is op een uitgebreide sterkte-zwakte analyse van de ruimtelijk economische structuur van de regio Eindhoven. Deze analyse verschijnt als afzonderlijke publicatie onder de naam “Economisch profiel regio Eindhoven“. Op basis van de regiovisie wordt de strategische agenda voor het REAP 2001-2005 opgesteld, welke de lijnen uitzet van het REAP voor de komende jaren. De opbouw van dit rapport ziet er als volgt uit. In hoofdstuk 2 wordt een toekomstvisie geschetst van de regio Eindhoven anno 2010. Het is een visie ‘met een knipoog’ en dient vooral als input voor discussie. In hoofdstuk 3 wordt een regiovisie gepresenteerd waarin de belangrijkste actiepunten c.q. aandachtspunten voor de komende jaren worden neergezet. De vertaalslag van de regiovisie naar het REAP (in strategische keuzes) vindt plaats in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 beschrijft de organisatiestructuur en handelswijze van het REAP. Tot slot bevat hoofdstuk 6 een samenvattend overzicht met kengetallen van de regio Eindhoven.

De Stuurgroep Economisch actieplan Regio Eindhoven Eindhoven, juni 2001

2

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

2.
2.1

Regio Eindhoven: een blik op de toekomst
Inleiding

Dit hoofdstuk bevat een toekomstvisie van de regio Eindhoven. Het betreft een visie met een ‘knipoog’ en dient vooral als discussiestuk te worden gelezen. Beschreven wordt de situatie ergens na 2010. Het precieze jaartal doet er niet toe, het gaat om de richting, om een soort ideaalbeeld waar de regio zich naar toe zou kunnen c.q. moeten begeven. De rode draad van het verhaal is de ontwikkeling van een ‘industrial mainport’ naar een ‘technological brainport’. Gelet op deze ontwikkeling zal de factor ‘kwaliteit’ in alle opzichten het primaatschap krijgen: kwaliteit van ruimte (van bijvoorbeeld bedrijventerreinen en het woon- en leefmilieu), kwaliteit van bedrijvigheid, kwaliteit van de werkgelegenheid, etc.

2.2

Toekomstvisie

In 2010 staat de regio Eindhoven binnen Europa bekend als technological brainport. De werkgelegenheid is er bij uitstek kennisintensief en (dus) hoogwaardig, bedrijven en hun medewerkers zijn er sterk internationaal georiënteerd en de technologische basis van bedrijven en kennisinstellingen is verder versterkt en verbreed. Nieuwe technologieën als nanotechnologie, biotechnologie, gentechnologie, bio-engineering etc., werpen hun vruchten af. Door de verdienstelijking van de economie, efficiencyverbeteringen en de toepassing van nieuwe technologieën is er een ontkoppeling tot stand gekomen tussen economische groei en milieudruk. De vaste waarden uit het verleden (Philips, ASML, VDL, Neways, Paccar DAF etc.) hebben zich staande weten te houden door zelf voortdurend te vernieuwen en intelligente netwerken van kennis, arbeid en productiecapaciteit rond zich te bouwen. Deze netwerken zijn uiteraard niet regionaal, maar internationaal georganiseerd. De ‘industriële’ component van deze bedrijven is geminimaliseerd. Zij houden zich eigenlijk nog uitsluitend bezig met de kop (R&D, design) en de staart (marketing, sales, services) van het productieproces. Het middenstuk (productie, assemblage etc.) is voor een belangrijk deel verplaatst naar het buitenland. In de meer hoogwaardige segmenten zijn regionale toeleveranciers gedoken. De ‘jobbers’, die zich vroeger in groten getale bevonden in met name de landelijke gemeenten in de regio Eindhoven, hebben hun krachten gebundeld en zijn opgeschoven richting mainsupplier, dan wel special jobber. Deze bedrijven hebben een strategische relatie met hun uitbesteders, die zich overigens overal ter wereld bevinden. Het zal duidelijk zijn dat veel kleinere bedrijven, met name in de metaalindustrie, deze slag niet hebben kunnen maken en hun deuren hebben moeten sluiten. Het overtollige personeel werd met open armen door andere bedrijven ontvangen. Het bedrijfsleven in de regio is uitgebreid met een groot aantal, meest kleinere bedrijven op het gebied van ICT en multimedia, in de meest brede zin van het woord. De meeste van hen zijn neergestreken in het stedelijk gebied, maar ook het platteland weet te profiteren van deze bedrijven. In verschillende dorpen zijn met name ontwikkelbedrijven gevestigd, waarvoor rust belangrijker is dan bereikbaarheid voor klanten of de directe fysieke nabijheid van kennis. De virtuele bereikbaarheid volstaat voor deze bedrijven.

3

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

De regio Eindhoven bevindt zich op het kruispunt van twee belangrijke assen. De ene, de A2 as, loopt van noord naar zuid, van Amsterdam, via Utrecht, Den Bosch naar de regio Eindhoven en van daaruit verder richting Zuid-Limburg/Aken/Luik-Hasselt en zo verder Europa in. Deze as is het best te kenschetsen als een kennis-as, met een hoog technologie-gehalte (met name ICT) en veel bedrijvigheid in de zakelijke dienstverlening. De regio Eindhoven heeft letterlijk en figuurlijk een centrale positie op deze as. Zij heeft er voor gekozen, en is erin geslaagd, om uit te groeien tot de mooiste parel aan deze ketting en weet bedrijvigheid op dit vlak, als vanzelf aan zich te binden. De A58/A67 as loopt van Rotterdam, via Moerdijk, Tilburg (respectievelijk van Antwerpen, via Turnhout) richting de regio Eindhoven, en van daaruit via Venlo richting Ruhrgebied. Deze as is vooral te kenschetsen als een logistieke as (ook via opeenvolgende schakels in de procesindustrie). De regio Eindhoven heeft er bewust voor gekozen om de logistieke competentie niet zelf verder te ontwikkelen, maar om door middel van nauwe samenwerking met vooral Tilburg en Venlo (steden met complementaire kwaliteiten) de logistieke functie veilig te stellen. De logistieke bedrijvigheid in de regio heeft vooral ingezet op Value Added Logistics en maakt volop gebruik van multimodaal transport. De genoemde ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de hoeveelheid kennis per hectare in de regio duidelijk hoger ligt dan elders in Brabant (Nederland). De bedrijventerreinen zijn steeds meer intensief en duurzaam bebouwd. Op alle bedrijventerreinen zijn de bedrijventerreinenverenigingen tot standgekomen en wordt op het gebied van o.a. afval, energie, milieu en voorzieningen samengewerkt. De hoogwaardige bedrijven gedijen ook prima op zogenaamde ‘groene terreinen’ (en op het platteland). De Hightech-campus van Philips is een doorslaand succes. Het is een broedplaats voor nieuwe kennis en zorgt voor hoogwaardige spin-offs. De campus fungeert als internationale magneet voor zowel hooggeschoold personeel als hoogwaardige bedrijvigheid. Hoewel Philips de spil van het geheel blijft, krijgt de campus een open karakter. Ook het internationaal onderwijs in Eindhoven heeft zich op de campus gevestigd. De campus ontwikkelt zich tot het middelpunt van de internationale gemeenschap in de regio. Ook rond ASML en op het terrein van de TUE ontstaan concentraties van kennisintensieve bedrijvigheid. De gerealiseerde grote wegenruit rond Eindhoven/Helmond heeft een forse impuls gegeven aan de economische ontwikkeling van Helmond en de plattelandseconomie van de Peel. In de Kempen zijn de grotere bedrijven geconcentreerd op het Kempisch Bedrijventerrein en zijn de opengevallen locaties op de locale bedrijventerreinen ingenomen door kleinere -veelal hoogwaardige bedrijven- uit de Kempen. Rond Pasminco Budel Zink is een innovatief complex van metallurgische bedrijven gevestigd die in belangrijke mate gebruik maken van grond-, hulp- of reststoffen, energiebronnen en de aanwezige multimodale ontsluitingsmogelijkheden via de IJzeren Rijn en het kanaal. Het hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) heeft vorm gekregen, zowel binnen het stedelijk gebied als naar de omliggende kernen. Binnen het stedelijk gebied lopen er HOV-lijnen van het centrum van Eindhoven naar Eindhoven-Airport en Veldhoven, naar Helmond en Deurne, via de Technocampus naar Valkenswaard en via Ekkersrijt naar Son en Breugel en Best. Deze HOVverbindingen zorgen ervoor dat een belangrijk deel van het woon-werk- en winkelverkeer uit de auto is gehaald. Hetzelfde geldt voor het op grote schaal ingevoerde telewerken. De pilot ‘Kenniswijk’ was op dit punt zodanig succesvol dat heel de regio inmiddels is voorzien van een hoogwaardige ICT-infrastructuur. De doorstroming op de wegen in de regio en met name rond Eindhoven is daardoor sterk verbeterd.

4

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Op het platteland is de rol van de agrarische sector flink veranderd. Na de crises rond de eeuwwisseling heeft de intensieve veehouderij grondige wijzigingen ondergaan. Ook binnen de landbouw is er sprake van kennisintensivering. Wat er over is van de intensieve veehouderij, vindt inmiddels vooral plaats op agrarische bedrijventerreinen in enkele concentratiegebieden. Daarnaast hebben biologische landbouw en extensieve veehouderij de plaats ingenomen van de vroegere varkens- en kippenboeren. Veel agrarische ondernemers zijn gestopt en hebben hun land verkocht. Anderen combineren hun activiteiten met verkoop aan huis, recreatie of een baan elders. Het telewerken is ook op het platteland een succes. Stedelijke en plattelandsontwikkelingen versterken elkaar. Nadrukkelijk is dit zichtbaar in de steeds belangrijker wordende sector cultuur, recreatie en toerisme. Steden en platteland zoeken elkaar op om tot een betere afstemming te komen. Met name de verblijfsrecreatie is in de regio Eindhoven sterk ontwikkeld (bungalowparken, luxe campings). Daarmee speelt de regio in op de recreatie-behoefte van met name ouderen en jonge gezinnen. Verder heeft de regio een naam opgebouwd op het gebied van ‘industrieel toerisme’. De regio is verrijkt met een aantal grotere en kleinere dagattracties. De regio heeft zich sterk ingezet om de participatie van met name vrouwen, allochtonen, ouderen en WAO-ers te bevorderen en heeft er zo voor gezorgd dat de krapte op de arbeidsmarkt minder groot is dan verwacht werd. Om de hoogopgeleiden voor vestiging te interesseren heeft de regio Eindhoven fors geïnvesteerd in zijn woon- en leefmilieu. Zowel in de stedelijke gebieden als in de forensengemeenten daaromheen is flink geïnvesteerd in hoogwaardige woonomgevingen. Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen is met name aandacht besteed aan luxe appartementen op toplocaties voor mensen die in een ‘gewoon huis’ woonden. Deze appartementencomplexen hebben een zodanig zuigende werking gehad, dat de woningmarkt is geruimd. Bovendien is er flink geïnvesteerd in de binnensteden van Eindhoven en Helmond en is de bereikbaarheid (zowel lange afstand als regionaal) stukken verbeterd.

5

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

3.
3.1

Sociaal economische regiovisie 2001-2005
Inleiding

De toekomst van de regio Eindhoven wordt bepaald door de verschuiving van een industriële economie naar een meer kennisintensieve economie. In populair engels: van ‘industrial mainport’ naar ‘technological brainport’. Deze ontwikkeling, die overigens in de regio Eindhoven reeds in volle gang is, heeft vergaande gevolgen voor economie en maatschappij. Mits in goede banen geleid kan deze transformatie een algehele kwaliteitsslag bewerkstelligen voor de regio. Het is duidelijk dat de regio keuzes zal moeten maken om de geschetste omslag naar een technological brainport te kunnen bewerkstelligen. Keuzes met betrekking tot promotie- en acquisitie-activiteiten bijvoorbeeld. Op welk type bedrijvigheid wordt de aandacht gericht? Is de regio bereid bepaalde typen activiteit te weigeren? En welke criteria worden daarvoor aangelegd? Maar ook zullen keuzes moeten worden gemaakt met betrekking tot de ruimtelijke inpassing van economische activiteiten. Is de regio van mening dat deze geconcentreerd moeten worden in de stedelijke regio? Of zouden juist de potenties van het landelijk gebied meer aandacht moeten krijgen? Kortom, de geformuleerde ambitie zal vertaald moeten worden naar een groot aantal aanpalende beleidsvelden. En wel op een zodanige manier dat ontwikkelingen op andere beleidsterreinen niet strijdig zijn met de centrale doelstelling, maar juist daaraan ondersteunend. Alle neuzen zullen één kant op moeten worden gericht. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om het veranderingsproces kans van slagen te bieden. In voorliggende regiovisie wordt aangegeven waar de regio Eindhoven de komende jaren op moet inzetten om de in hoofdstuk 2 geschetste streefbeelden tot werkelijkheid te maken. De elementen zijn afkomstig uit de SWOT-analyse (Strength, Weakness, Opportunities en Threats) van de regio Eindhoven die in een apart rapport is weergegeven (“Economisch profiel regio Eindhoven”).

3.2

Aandachtspunten per thema

De thema’s uit de SWOT-analyse zullen in deze regiovisie centraal staan. Het gaat om de economische structuur, de arbeidsmarkt, de bedrijfsomgeving en de mobiliteit. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de betreffende onderwerpen wordt verwezen naar de SWOT-analyse.

A.

Economische structuur

De economie van de regio Eindhoven verdienstelijkt. Dit proces voltrekt zich niet alleen tussen sectoren (van industrie naar dienstverlening) maar ook binnen sectoren (bijvoorbeeld de verdienstelijking van de industrie en logistiek). Om deze accentverschuiving in activiteit en werkgelegenheid soepel te laten verlopen, dient de kennisintensiteit van het bedrijfsleven op een hoger niveau getild worden. Gebeurt dit niet, dan zullen veel bedrijven door de sterk toegenomen (internationale) concurrentie het loodje leggen. De internationalisering en de snelle technologische ontwikkelingen (met name ICT) vragen om een slagvaardig beleid dat vooral gericht is op innovatie en netwerkvorming/samenwerking. De regio Eindhoven heeft één groot voordeel: de uitgangspositie is goed. De volgende speerpunten moeten de komen jaren prioriteit krijgen:

6

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Vergroten kennisintensiteit bedrijfsleven De kennisintensiteit van vooral het mkb is niet om over naar huis te schrijven. Het belang van innovatie wordt vaak nog onvoldoende onder ogen gezien. Het voortbestaan van veel mkb-ers komt daarmee op termijn in gevaar. De stimulering van de innovatiekracht moet de komende jaren dan ook veel aandacht krijgen. Speciale aandacht moet uitgaan naar de zogenaamde ‘jobbers’. Deze (vaak kleinere) toeleveranciers, veelal gevestigd buiten de stadsregio, moeten de komende jaren een belangrijke kwaliteitsslag bewerkstelligen. De aandacht dient overigens niet alleen gericht te zijn op ontwikkelen en techniek, maar ook op het verbeteren van de commerciële marktvaardigheden. Uit onderzoek is gebleken dat Brabantse bedrijven juist als het gaat om het vermarkten van nieuwe, innovatieve producten matig scoren. Beleid gericht op het vergroten van het innovatieve vermogen van het bedrijfsleven moet breed uitgezet worden. Bedrijven dienen via voorlichting ‘wakker geschud’ en enthousiast gemaakt te worden. Een mooi voorbeeld is het succesvolle televisieprogramma ‘GoedBeterBest.Nu’ dat onder andere in samenwerking met het RITTS-programma via Omroep Brabant wordt uitgezonden. In dit televisieprogramma draait alles om innovatieve bedrijven. Er zijn natuurlijk ook bedrijven die wel willen innoveren, maar dit om allerlei redenen niet (denken te) kunnen. Een belangrijke drempel zijn de vaak hoge investeringen. Om de financiële pijn bij investeringen te verzachten zijn er nationaal en regionaal reeds diverse ‘potjes’ beschikbaar. De toegankelijkheid en bekendheid van deze gelden zou echter verbeterd kunnen worden (volgens het ‘one-stop-shopping’ principe). Belangrijke speerpunten (succesfactoren) ten aanzien van innovatie zijn samenwerking en netwerk- c.q. clustervorming. Hierdoor vindt kennisoverdracht plaats en kunnen kosten en risico’s van (dure) investeringen worden gespreid. Het stimuleren van samenwerking dient dan ook een belangrijk onderdeel te zijn van het innovatiebeleid. Het belang van innovatie voor de toekomstige concurrentiekracht wordt in de regio Eindhoven alom onderkend, getuige de vele betrokken partijen en de vele projecten die lopen of reeds zijn afgerond (o.a. met ondersteuning van Stimulus). Stimuleren ICT De ‘kwaliteit’ van het bedrijfsleven wordt naar de toekomst toe steeds belangrijker. Bedrijven die niet vernieuwen, die niet tijdig inspelen op marktontwikkelingen, zullen niet overleven. Wil de regio haar ambities in de richting van ‘brainport’ verwezenlijken, dan is een belangrijke rol weggelegd voor ICT-bedrijvigheid en -toepassingen. Dit kan door het aantrekken van (buitenlandse) bedrijvigheid in deze sector, maar bovenal moet een omgeving worden gecreëerd, waarin startende en doorstartende bedrijven goed kunnen gedijen. De regio Eindhoven heeft vooral op het gebied van de zogenaamde ‘embedded software’ een internationaal toonaangevende positie. Dit moet worden gekoesterd en verder worden uitgebouwd. Startersbeleid, vooral gericht op de zogenaamde technostarters, is in dit kader een belangrijk issue. Een mooi voorbeeld is het Twinning Center Eindhoven waar het ter beschikking stellen van faciliteiten wordt gecombineerd met begeleiding en financiële participatie. Een dergelijk concept zou ook prima voor andere technologievelden (als biotechnologie, milieu- en energietechnologie, sensor- en lasertechnologie, nanotechnologie, etc.) kunnen worden toegepast. ICT-beleid moet overigens niet alleen gericht zijn op de ‘trendy’ sectoren, maar dient ook aandacht te hebben voor de meer traditionele sectoren. Er zijn weinig bedrijven/branches die niet geconfronteerd worden met (de kansen en bedreigingen) van ICT. Clustervorming behoort een belangrijk onderdeel van het ICT-beleid te zijn. Door het stimuleren van technologische samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen en tussen bedrijven onderling wordt een hoger rendement van onderzoek en ontwikkeling bewerkstelligd (belangrijk speerpunt Stimulusprogramma).

7

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Punt van aandacht (en zorg) is de ICT-infrastructuur. De afgelopen jaren hebben bijna alle grote buitenlandse ICT-bedrijven zich gevestigd in de Randstad. Ook ten aanzien van dienstverlening, R&D en technologische bedrijven lijkt de afstand van de Randstad ten opzichte van Brabant groter te worden. Volgens de BOM, in Brabant verantwoordelijk voor het aantrekken van buitenlandse bedrijven, komt dat doordat de ICT-infrastructuur in de Randstad beduidend beter is dan in Brabant. Er zijn daar meer internetproviders, het kabelnetwerk is er beter en groter en er zijn fraaie moderne kantoorlocaties. Ondanks het feit dat de regio Eindhoven ten aanzien van de ICTinfrastructuur binnen Brabant er duidelijk uitspringt, dient er in de regio continue geïnvesteerd te worden in het verbeteren en uitbreiden van de digitale infrastructuur. In dit licht is het verheugend dat de regio is aangewezen als pilotregio voor het megaproject Kenniswijk. Kenniswijk wordt een proeftuin voor het op grote schaal experimenteren met onder meer elektronisch winkelen, elektronische overheidsdiensten, teleleren, telewerken en toepassingen in de (gezondheids)zorg. De Kenniswijk zal worden voorzien van hoogwaardige ICT-infrastructuur. Zowel innovaties op het gebied van ICT-voorzieningen als op het vlak van elektronische diensten worden dichter bij de burger gebracht. Kenniswijk zal positief uitwerken op het imago van de regio Eindhoven als ICTregio. Benutting kennisinfrastructuur verbeteren De regio Eindhoven heeft een kennisinfrastructuur waar veel andere regio’s hun vingers bij zouden aflikken. Genoemd kunnen worden: de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), de Fontys Hogescholen (Eindhoven heeft de grootste school voor hoger onderwijs van Nederland), het Mikrocentrum Nederland, de Design Academy, het European Design Centre, R&D-laboratoria van Philips (Philips Campus), TNO-Industrie, Eurandom, Syntens, etc.. Desalniettemin zou de benutting van deze kennisinstellingen beter kunnen. Dit geldt met name voor het mkb. De samenwerking tussen de private kennisinfrastructuur en het bedrijfsleven dient dan ook gestimuleerd te worden (ook bijvoorbeeld ten aanzien van ‘facility sharing’). De spin-off van deze instellingen naar de regio kan ook worden vergroot door tijdens de opleiding meer aandacht te besteden aan ondernemerschap (met als gevolg meer starters) en R&D. Tevens dient te worden bezien of het mogelijk is om de concentratie van hightech bedrijvigheid rond de TU/e te vergroten (campus ontwikkeling). Nabijheid werkt als het gaat om kennisoverdracht en samenwerking nog steeds drempelverlagend! Inspelen op internationalisering Bedrijven opereren in toenemende mate in een internationale omgeving. De meeste bedrijven kiezen hier bewust voor (het afzetpotentieel wordt fors vergroot), andere bedrijven worden hier door de internationale concurrentie ongewild mee geconfronteerd. Hoe dan ook, het opereren in een internationale omgeving vraagt om een pro-actieve houding van het bedrijfsleven. Overheden en intermediaire organisaties kunnen daarbij een handje helpen. Gedacht kan worden aan exportstimulering, internationale benchmarking en bedrijvenscans. Ook hier dienen de inspanningen vooral gericht te zijn op het mkb. Het bedrijfsleven en de werkgelegenheid in de regio wordt zelf ook steeds internationaler. Illustratief zijn de vele buitenlandse bedrijven die in de regio gevestigd zijn, maar ook de vele buitenlandse arbeidskrachten die bij tal van bedrijven werkzaam zijn. Een mooi voorbeeld is de Philips High Tech Campus die veel internationale (hoogopgeleide) arbeidskrachten en hun gezinnen aantrekt. Het voorzieningenniveau in de regio dient hierop te worden afgestemd. Denk bijvoorbeeld aan onderwijsvoorzieningen (aanwezigheid en kwaliteit internationale scholen), mobiliteit (zoals ontsluiting Philips Campus, positie Eindhoven Airport, HSL Shuttle, HOV-traject, etc.) en huisvesting in de juiste segmenten (veelal tijdelijke huisvesting).

8

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Stimuleren plattelandseconomie De verschuivingen in de economische structuur laten hun sporen achter op het platteland. Enerzijds vormt dit een bedreiging (neergang landbouw en aanverwante sectoren), anderzijds zijn er volop kansen. Deze kansen kunnen gezocht worden in onder andere alternatieve vormen van (kennisintensieve) landbouw, kleinschalige dienstverlenende activiteiten, thuiswerk en recreatie en toerisme. Vooral de toeristische en recreatieve sector dient een meer prominente plaats te krijgen op het platteland. Deze sector is in de regio Eindhoven nog relatief ondervertegenwoordigd, maar heeft steeds meer economische toegevoegde waarde. Overigens is niet de landbouw maar de industriële sector de grootste werkgever in het landelijk gebied. Het is dan ook van belang dat de concurrentiepositie van vooral het industrieel mkb wordt behouden c.q. verbeterd. Zoals al eerder aangegeven dient speciale aandacht uit te gaan naar de ‘mkb-jobbers’ die de komende jaren (op last van de grote uitbesteders) moeten investeren in kwaliteit en innovatie. Voor groeiers uit stad en platteland zou buiten de stadsregio een beperkt aantal bovenregionale bedrijventerreinen kunnen worden aangewezen. Ook zal er nagedacht moeten worden of het wenselijk en mogelijk is om de kennisintensiteit op het platteland te vergroten (kantoorontwikkeling). Dit kan door het (in beperkte mate) toelaten van ICT/R&D-achtige bedrijven, het verbeteren van de ICT-infrastructuur en het stimuleren van ICT-gebruik bij bestaande bedrijvigheid. Interessant is om te kijken in hoeverre het project Kenniswijk vertaalt c.q. uitgebreid kan worden naar (delen van) het platteland. Komt er na Kenniswijk een Kennisdorp?

B.

Arbeidsmarkt

De ontwikkeling richting een kennisintensieve economie heeft veel impact op de arbeidsmarkt. Er zal een nog grotere behoefte ontstaan aan hoger opgeleid (technisch) personeel. Hier wringt echter de schoen. De krapte op de arbeidsmarkt in de regio Eindhoven is nu al schrijnend. Dit geldt overigens niet alleen voor de vraag naar hoger opgeleiden. Ook aan lager opgeleiden is (voorlopig) gebrek. De vooruitzichten zijn redelijk somber. Door de vergrijzing veroudert de beroepsbevolking snel, hetgeen gepaard gaat met een grote uitstroom van personeel. Deze uitstroom kan niet volledig worden opgevangen door nieuwe instroom van jongeren (ontgroening) of arbeidsvervangende en productiviteitsverhogende maatregelen (zoals verdere automatisering). Tegelijkertijd bestaat er nog altijd een grote groep mensen die om allerlei redenen niet deelneemt aan het arbeidsproces. Voor een deel kunnen werkgevers deze groep niet bereiken (communicatieprobleem), echter voor een deel willen bedrijven deze mensen ook niet bereiken (het gaat veelal om mensen met een ‘vlekje’). De arbeidsmarkt mag geen rem zijn op de economische ontwikkeling! Er zal op het gebied van arbeidsmarktbeleid een blijvende inspanning worden gevraagd ten aanzien van de verbetering van de kwaliteit van het arbeidsaanbod en een betere aansluiting tussen vraag en aanbod. Het gaat daarbij vooral om het vergroten van de arbeidsparticipatie van specifieke doelgroepen. Aantrekken hoog opgeleid (technisch) personeel Als ‘brainport’ heeft de regio Eindhoven grote behoefte aan hoog opgeleid personeel. Om hoger opgeleiden voor de regio te behouden (voorkomen ‘braindrain’) en personeel van elders aan te trekken, is het niet alleen van belang om interessante werkgevers in de regio te hebben, maar is er ook grote behoefte aan een aantrekkelijk woon- en leefmilieu. Wat betreft de werkomgeving scoort de regio goed, als het gaat om het woon- en leefmilieu krijgt de regio een minder goed ‘rapportcijfer’. De komende jaren zal dan ook veel geïnvesteerd moeten worden in de verbetering van de kwaliteit van vooral het stedelijke milieu (in de meest brede zin van het woord).

9

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Door de aard van de werkgelegenheid in de regio Eindhoven is er een grote vraag naar technisch opgeleid personeel. En dit terwijl de instroom in het technisch onderwijs al jaren tanende is. Techniek is een zorgenkind. Ondanks het feit dat de inspanningen tot nu toe nog weinig effect hebben gesorteerd, dient de promotie (imago-verbetering) van techniek door te gaan. Via een ketenaanpak dienen leerlingen, ouders en leerkrachten reeds in een vroeg stadium (basisscholen) geïnformeerd te worden over de verschillende (technische) beroepen, opleidingen en carrièremogelijkheden. Uiteraard is in het hele traject een belangrijke rol weggelegd voor het bedrijfsleven. Vergroten arbeidsparticipatie Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt is er nog steeds een grote groep mensen die in principe zou kunnen (en willen) werken. Het vergroten van de arbeidsparticipatie van specifieke doelgroepen is één van de grote uitdaging voor de komende jaren. Naast het vergroten van de arbeidsdeelname van (langdurig) werklozen, dient de aandacht vooral gefocust te worden op: Vrouwen: In de regio Eindhoven ligt de participatie van vrouwen onder het landelijke gemiddelde. Door flexibele uren, kinderopvang, thuiswerk, scholing, etc. kunnen vrouwen wellicht over de streep getrokken worden. Allochtonen: Allochtonen zijn de komende jaren de motor achter de groei van de (beroeps)bevolking in de regio. Veel energie zal gestoken moeten worden in het vergroten van de arbeidsparticipatie van deze doelgroep. Scholing en onderwijs zijn van belang om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Het verkleinen van het aantal vroegtijdige schoolverlaters (‘dropouts’) is een belangrijk aandachtspunt. Ouderen: Door de toenemende vergrijzing moet het (re)activeren en langer vasthouden van ouderen prioriteit krijgen. Vroegtijdige uitval moet worden voorkomen. Het gaat hier dus veelal om preventief beleid. WAO-ers: een groot aantal WAO-ers is slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt en kan, al dan niet na aanpassing van de werkplek, (in deeltijd) deelnemen aan het arbeidsproces. Veel van deze arbeidsongeschikten willen graag weer aan slag, maar de werkgevers reageren terughoudend en maken van dit deel van de arbeidsreserve nog maar mondjesmaat gebruik. Het inzetten van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten zal vaak inspanningen vergen ten aanzien van het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en het verminderen van de fysieke of geestelijke belasting. Vergroten aantrekkingskracht mkb Verwacht wordt dat vooral het mkb de komende jaren de dupe wordt van de arbeidsmarktkrapte. Kleine bedrijven kunnen moeilijk opboksen tegen de grote bedrijven die veel geld steken in (nationale en internationale) wervingscampagnes en bovendien op het gebied van arbeidsvoorwaarden (financieel en secundair) meer kunnen bieden. Bovengenoemde geldt met name ten aanzien van hoger opgeleiden. Mkb-bedrijven kunnen op verschillende manieren met de arbeidsmarktkrapte omgaan. Arbeidsvervangende en productiviteitsverhogende maatregelen, zoals verdere automatisering, kunnen enig soelaas bieden. Op dit moment blijkt echter dat bedrijven nog nauwelijks geprobeerd hebben hun productieproces efficiënter te laten verlopen. Grootschalige mechanisaties worden nauwelijks doorgevoerd. Veel vaker wordt gekozen voor ad hoc-oplossingen zoals overwerk. Door samenwerking (op bijvoorbeeld een bedrijventerrein) kan efficiënt met capaciteitsproblemen omgegaan worden. Een arbeidspool maakt de uitwisseling van personeel mogelijk. Door het aanbieden van centrale voorzieningen (bijvoorbeeld centrale kinderopvang op het terrein) kan tevens de aantrekkingskracht van de bedrijvigheid en het terrein worden vergroot. Er moet verder worden nagedacht hoe de aantrekkingskracht van het mkb als werkgever kan worden vergroot.

10

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Verbeteren match onderwijs en bedrijfsleven De technologische ontwikkelingen gaan dusdanig snel dat het gevaar dreigt dat het onderwijs het tempo van het bedrijfsleven niet meer kan bijbenen. Vraag is of er nog wel de juiste opleidingen worden aangeboden waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft en of deze opleidingen qua inhoud nog wel aansluiten op de praktijk. Om vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten is samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven onontbeerlijk. De behoefte van het bedrijfsleven moet voortdurend worden gepeild, zodat veranderingen in de vraag in een vroeg stadium kunnen worden gesignaleerd en hier tijdig op kan worden ingespeeld. Beter benutten arbeidsmarktpotentieel van het platteland De arbeidsparticipatie op het platteland is lager dan in de stad. Bovendien moet er rekening worden gehouden met een verdere afbouw van het agribusiness-complex (de landbouw plus gerelateerde sectoren) en de daarmee vrijkomende werkgelegenheid. Vanuit sociaal maatschappelijk oogpunt is dit een zorgwekkende ontwikkeling, vanuit economisch oogpunt gaat het hier ook om nieuw arbeidsmarktpotentieel waar veel bedrijven graag gebruik van zouden willen maken. Een aantal (ex-)agrariërs zal op de huidige locatie naar een alternatieve bron van inkomsten uitkijken, echter in veel gevallen zullen de boeren een baan elders zoeken. Waar de mensen ook terecht komen, herscholing is bijna altijd noodzakelijk. Door een gebrek aan werkgelegenheid op het platteland zal een deel van de boeren moeten uitwijken naar de stadsregio. Dit legt extra druk op het wegennet. Het verbeteren van de verbindingen tussen platteland en stad zou wenselijk zijn. Buiten de stadsregio zou op een beperkt aantal plaatsen regionale bedrijventerreinen aangelegd kunnen worden voor met name bestaande industriële en dienstverlenende bedrijvigheid. Ook het stimuleren van thuiswerken kan de participatie van met name plattelandsvrouwen vergroten.

C.

Bedrijfsomgeving

Economische, demografische en maatschappelijke ontwikkelingen brengen een toenemende druk op de ruimte met zich mee. Het bedrijfsleven claimt ruimte, de bevolking wil meer woon- en recreatieve ruimte, de toenemende mobiliteit neemt steeds meer ruimte in beslag, enzovoort. Het inwilligen van al deze ruimteclaims zou een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit én de leefbaarheid betekenen voor de regio Eindhoven. Er moeten dus keuzes gemaakt worden. Daar waar gebouwd mag worden, dient efficiënter, intensiever en duurzamer met de ruimte omgesprongen te worden. Intensief en duurzaam ruimtegebruik Deze populaire termen worden te pas en te onpas gebruikt, maar in de praktijk nog veel te weinig toegepast. Bedrijven (op zowel oude als nieuwe terreinen) moeten via wetgeving, prijsstelling of een beperkte terreinuitgifte gedwongen worden (en eventueel door subsidies geprikkeld worden) om intensief en duurzaam met de ruimte om te gaan. Vooral in het verleden werd de bedrijven nauwelijks een strobreed in de weggelegd en werden ze te weinig gestimuleerd om daadwerkelijk hun ruimte- en bouwgedrag aan te passen. Vergroten herstructureringsinspanningen Het behoud van economische functies op bestaande terreinen moet voorop staan. Hierdoor kan worden voorkomen dat nieuwe ruimtevraag elders ontstaat. Een goed instrument is herstructurering van bedrijventerreinen. Herstructurering leidt tot een algehele upgrading van het terrein (komt de representativiteit ten goede) en tot efficiënter ruimtegebruik (met een beetje geluk is er ook nog wat ruimtewinst te boeken, echter in de praktijk is dit zelden meer dan 5%). In de Tender Investeringsprogramma’s Provincies (TIPP) wordt zwaar ingezet op de herstructurering van de bestaande voorraad bedrijventerreinen.

11

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Aanleg nieuwe bedrijventerreinen Voldoende en voldoende gevarieerd aanbod van bedrijventerreinen van bedrijventerreinen op de goede plek is noodzakelijk om de economische dynamiek structureel te accommoderen. Dit geldt zowel voor het stedelijk als het landelijke gebied. Het aanbod aan bedrijventerreinen in de regio Eindhoven is beperkt en alle scenario’s wijzen op grote tekorten in de toekomst. Er moeten sowieso nieuwe terreinen gepland en gerealiseerd worden, echter wel op een verantwoorde manier. Behalve het stimuleren van intensief en duurzaam ruimtegebruik is ook selectiviteit bij de uitgifte geboden. De voorkeur moet uitgaan naar bedrijven die goed aansluiten bij het economische profiel van de regio (bijvoorbeeld die passen binnen specifieke clusters). Op terreinen in het stedelijke gebied zouden zich vooral hoogwaardige bedrijven moeten vestigen, ‘autonome’ groeiers uit andere sectoren zouden terecht moeten kunnen op een beperkt aantal regionale bedrijventerreinen buiten de stadsregio. Eén van de nieuwe terreinen die voor de komende jaren gepland staat en waar gezocht zal worden naar een duurzame invulling is het Duurzaam Industriepark Cranendonck (DIC). De regio dient terughoudend te zijn ten aanzien van het faciliteren van logistieke en distributiebedrijven. Een uitzondering vormen logistieke bedrijven die zich in belangrijke mate bezighouden met Value Added Logistics (VAL-activiteiten) of sterk gerelateerd zijn aan de in de regio gevestigde industrie. Door de verdienstelijking van de economie zal de nadruk in toenemende mate komen te liggen op kantoorontwikkeling. Uit onderzoek van Nyfer blijkt dat de regio Eindhoven één van de regio’s is met de grootste toename in de kantoorbehoefte tot 2009. Vooralsnog lijkt de regio over voldoende capaciteit te beschikken. Reconstructie van de landbouw: ruimte op het platteland Door de reconstructie zal het aantal landbouwbedrijven fors afnemen. Een verbreding van economische dragers in het landelijk gebied is daarom wenselijk. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (vab’s) kunnen gedeeltelijk gebruikt worden voor nieuwe activiteiten (ambachten en dienstverlening, bij voorkeur agro-gerelateerd). Ook initiatieven richting biologische landbouw, verbrede landbouw, agrotoerisme en wellicht de agro/biotech en initiatieven die gericht zijn op een betere benutting van het regionaal recreatief potentieel dienen gestimuleerd te worden. Dit niet alleen vanuit sociaal economische oogpunt, maar ook om extra mobiliteit te voorkomen die zou ontstaan door pendel. In het nieuwe Streekplan zullen straks de kaders worden vastgesteld waarbinnen het landelijk gebied zich economische kan en mag ontwikkelen. Wanneer de mogelijkheden zijn vastgesteld zullen in de regionale reconstructieplannen maatregelen en projecten worden voorgesteld die moeten bijdragen aan de versterking van de economische structuur van het landelijk gebied. Creëren hoogwaardig woon- en leefmilieu in stedelijk gebied Voor het welslagen van de transformatiemissie ‘van industrial mainport naar technological brainport’ is het realiseren van een hoogwaardig woon- en leefmilieu een absolute must. Alleen zo kan de regio de noodzakelijke (hoogopgeleide) werkgelegenheid behouden c.q. aantrekken. Vooral hoger opgeleiden hebben een voorkeur voor een hoogwaardig stedelijke milieu met alles dat daarbij hoort. Het gaat dan onder andere om voldoende aanbod aan woningen in het duurdere koopsegment (versterken van de woonfunctie in het centrumgebied), maar ook om de diversiteit en kwaliteit van voorzieningen (culturele voorzieningen, uitgaansgelegenheden, een exclusief winkelapparaat, gevarieerde sportactiviteiten, etc.). Veel van deze doelstellingen maken onderdeel uit van het grotestedenbeleid, waarbij het versterken van de sociale, economische en ruimtelijke infrastructuur centraal staat.

12

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Behoud leefbaarheid landelijke gebied Een verdere aantasting van de leefbaarheid in het landelijk gebied dient te worden voorkomen. De aantrekkelijkheid van dit gebied moet gewaarborgd c.q. versterkt worden, hetgeen beperkingen oplegt ten aanzien van de realisatie van nieuwe woningen en het accommoderen van nieuwe en bestaande bedrijvigheid. Het adagium moet dan ook zijn ‘alles met mate’. Het tegengaan van de verschraling van het voorzieningenniveau in de kleine kernen is een ‘mission impossible’, echter hier zouden minder bevolkingsafhankelijke (kleinschalige) bedrijven voor in de plaats kunnen komen. Projecten die aan deze doelstelling invulling zouden moeten geven, kunnen ten dele onder de reconstructievlag worden uitgevoerd. Aan het versterken van de economische structuur van het landelijk gebied wordt binnen de reconstructie veel waarde gehecht. Naast het versterken van de lokale economie dient ook de sociale cohesie te worden verbeterd. Potenties in het landelijke gebied moeten beter benut worden. Stimulering recreatie en toerisme in steden De regio Eindhoven heeft geen grote aantrekkingskracht op (dag)toeristen. De steden missen het cultureel historische erfgoed dat veel andere steden wel hebben. Ook beschikken de steden in Zuidoost-Brabant nauwelijks over toeristische topattracties. Door de aantrekkelijkheid van de binnensteden en het winkelapparaat te vergroten (funshoppen) in combinatie met culturele arrangementen en het organiseren van evenementen kunnen meer toeristen en dagjesmensen aangetrokken worden. Daarmee zou het voorzieningenniveau van de steden ook beter aansluiten op de behoefte van de hoog opgeleiden. De regio zou bijvoorbeeld het thema ‘kennis en techniek’ op dusdanige wijze kunnen uitwerken dat dit interessant is voor het grote publiek. Het Evoluon biedt daarbij wellicht de beste ontwikkelingsmogelijkheden. Het landgoed Gulbergen vormt met zijn 36-holes golfbaan, wildpark en mogelijk uitzichtpunt, evenementen- terrein en cultuurstraat ook een trekpleister van formaat. Stimulering recreatie en toerisme in het buitengebied De belangrijkste trekkers in de regio Eindhoven als het gaat om korte binnenlandse vakanties zijn de natuurgebieden van de Kempen en de Peel. Deze gebieden hebben wat betreft recreatie en toerisme nog volop ontwikkelmogelijkheden (stimulering verblijfsrecreatie, verbetering infrastructuur als parkeergelegenheden, informatiecentra, wandel-, fiets-, skate- en ruiterpaden, mountainbikeroutes, etc.). Door de reconstructie van de landbouw in deze gebieden komt er wellicht ruimte vrij voor nieuwe (recreatieve) initiatieven. Speciale aandacht moet uitgaan naar het creëren van mogelijkheden voor kleinere en middelgrote dagattracties. Een en ander kan niet los worden gezien van een intensivering van de promotie-inspanningen.

D.

Mobiliteit

Een goede bereikbaarheid vormt één van de belangrijkste ingrediënten van een aangenaam woon- en leefmilieu en is cruciaal voor het regionale vestigingsklimaat. In de afgelopen jaren is de mobiliteit in de regio Eindhoven aan één stuk door gestegen. Het goederenvervoer heeft een vlucht genomen en door trends als de verdergaande individualisering, globalisering en ecommerce lijkt er voorlopig nog geen einde aan te komen. Daarnaast hebben maatschappelijke, demografische en economische ontwikkelingen de pendelstromen tussen woon- en werklocaties doen toenemen en ook deze stromen zullen alleen maar verder uitdijen. Mede door ontwikkelingen als de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen, als Lake Forum en Flight Forum, de uitbreiding van Eindhoven Airport, de ontwikkeling van de Philips High Tech Campus en de aanleg van nieuwe woonwijken als Meerhoven lijkt de regio regelrecht aan te sturen op een complete verkeersinfarct. Er moeten daarom snel maatregelen genomen worden die op de korte termijn lucht scheppen en op de langere termijn de regionale bereikbaarheid garanderen.

13

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Wegnemen infrastructurele knelpunten Verwacht wordt dat het wegverkeer de komende jaren zal verdubbelen. Er dienen daarom nieuwe wegen te worden aangelegd en van de meeste bestaande wegen moet de capaciteit beter worden benut of uitgebreid. Ook de binnenvaart en het spoorvervoer kennen infrastructurele knelpunten die zo spoedig mogelijk moeten worden weggenomen. Op dit vlak bestaan legio plannen en projecten die variëren van rijp tot zeer groen. Voorbeelden van belangrijke weginfrastructuurprojecten die reeds in uitvoering zijn of binnen afzienbare tijd gepland staan danwel in studie zijn, zijn de aanleg van de A50 tussen Oss en Eindhoven en de verbreding van de tangenten rond Eindhoven alsmede de completering van de ruit rond Eindhoven(/Helmond). Bij het spoor kan worden gedacht aan de opwaardering van het traject Liempde-Eindhoven (oplevering in 2002) en de realisatie van de IJzeren Rijn en de aanleg van de goederenlijn tussen Bergen op Zoom en Antwerpen (Lijn 11). De laatste twee leveren een bijdrage aan de ontlasting van de Brabantroute. Wat betreft de regionale waterinfrastructuur staat de aanpassing van infrastructurele kunstwerken en het verbreden en uitdiepen van de Zuid-Willemsvaart tussen Veghel en Helmond nog op het programma. Daarnaast moet er een omleiding komen bij Den Bosch en moeten de bruggen en sluizen tussen Helmond en Nederweert worden verhoogd c.q. verbreed. Behalve het wegwerken van infrastructurele knelpunten moet de aandacht natuurlijk ook uitgaan naar de ontwikkeling c.q. het inzetten van kleinere schepen (o.a. zogenoemde Neo Kemp) die beter afgestemd zijn op de Brabantse waterwegen. Aanpakken vrachtverkeer binnenstad Door verruiming van de venstertijden en door het opzetten van stadsdistributiecentra kan het vrachtverkeer in de binnenstad worden teruggebracht of beter over de dag worden verspreid. Maatregelen zijn noodzakelijk, omdat door ‘just in time’ bevoorrading en e-commerce het aantal vervoersbewegingen de komende jaren drastisch zal stijgen. Door de inzet van stillere (elektronische) voertuigen zou de binnenstad ook buiten de huidige venstertijden bevoorraad kunnen worden. Bovendien zouden de mogelijkheden van ondergrondse logistieke systemen en stadsranddistributiecentra kunnen worden onderzocht. Stimuleren multimodaal vervoer Om een modal shift te kunnen realiseren moeten de voordelen van multimodaal transport beter bij het bedrijfsleven onder de aandacht worden gebracht. Samen met bijvoorbeeld het Multimodaal Coördinatie en Adviescentrum (MCA) en grotere logistieke dienstverleners kunnen bijeenkomsten worden georganiseerd voor het regionale bedrijfsleven. Tevens dienen de infrastructurele knelpunten op dit vlak worden opgelost. Bij het bedrijventerrein Acht zal binnenkort een weg-rail overslagterminal in gebruik worden genomen en de mogelijkheden van multimodale overslag op bedrijventerreinen, waaronder het toekomstige DIC(Cranendonck)-terrein, worden onderzocht. Bundeling pendelstromen landelijk gebied/stad Door het aanleggen van HOV-verbindingen tussen stad en centrale kernen in het landelijk gebied kan het woon-werkverkeer over de weg worden verminderd. De HOV-haltes moeten worden gezien als multimodale personenvervoersknooppunten waar zorg wordt gedragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende schakels binnen de keten (ketenmanagement). Dit houdt in dat ook met voor- en natransport voldoende rekening wordt gehouden. De HOV-knooppunten kunnen tevens worden gebruikt als carpoolplaats. Het ligt voor de hand om de Philips Campus op te nemen in het HOV-traject. De (internationale) werkpopulatie zal waarschijnlijk veel behoefte hebben aan goed openbaarvervoer met een hoge frequentie en een grote capaciteit. De Campus zal veel verkeer genereren. Ook andere creatieve vormen van openbaarvervoer in het landelijke gebied moeten gevonden worden om de bereikbaarheid te behouden c.q. te verbeteren.

14

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Stimuleren ICT in het landelijk gebied De komende jaren zal de woon-werk pendel tussen het stedelijk gebied en de omliggende kernen verder toenemen. Door het landelijk gebied te voorzien van een goede ICT-infrastructuur (zoals glasvezelkabels) en het gebruik van Internet te stimuleren worden de mogelijkheden voor telewerken vergroot. Telewerken kan bijdrage aan het terugdringen van de piekbelasting tijdens ochtend en avondspits door een betere spreiding van woon-werk verkeer over de dag. Stimuleren vervoersmanagement op bedrijventerreinen Het gaat hier om inspanningen van bedrijven en instellingen die er op gericht zijn de negatieve effecten van het autogebruik in het woon-werkverkeer en het zakelijk verkeer terug te dringen. Doel is het helpen waarborgen van de bereikbaarheid van bedrijven en de doorstroming van het economisch noodzakelijk verkeer. Belangrijke slagingsfactor bij vervoersmanagement is de aanwezigheid van voldoende draagvlak bij de betrokken partijen. Een voorbeeld is het vervoerplan voor bedrijventerrein De Hurk in de gemeente Eindhoven.

15

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

4.
4.1

Strategische agenda REAP 2001-2005
Inleiding

Het gaat in economisch opzicht momenteel uitstekend in de regio Eindhoven. Dit betekent echter niet dat de regio achteroverleunend op haar lauweren kan rusten. Om goed te kunnen blijven presteren zullen de aanwezige sterke punten van de regio verder moeten worden uitgebuit. Kansen moeten worden benut. Daarnaast zijn er nog altijd verschillende zwakke punten en knelpunten aan te wijzen die om een slagvaardig beleid vragen. De noodzaak om op regionale schaal beleid te maken c.q. af te stemmen is dus zeker niet verdwenen. Om toekomstige kansen te kunnen benutten en bedreigingen te kunnen weerstaan, zullen de handen binnen de regionale economie ineen moeten worden geslagen. Het REAP is hier een prima instrument voor. In dit hoofdstuk wordt de strategische agenda van het REAP Zuidoost-Brabant voor de periode 20012005 opgesteld. Deze agenda zet de lijnen van het REAP voor de komende jaren uit. De speerpunten zijn in nauw overleg met de Stuurgroep Economisch Actieplan Regio Eindhoven gekozen en zijn gebaseerd op de in de regiovisie gepresenteerde actiepunten.

4.2

Speerpunten REAP

De regio Eindhoven wil uitgroeien van een ‘industrial mainport’ naar een ‘technological brainport’. Om dit te bereiken zal de aandacht de komende jaren in toenemende mate moeten verschuiven van ‘kwantiteits-‘ naar kwaliteits’-beleid: kwaliteit van bedrijven in termen van ondernemerschap, kennisintensiteit en innovativiteit; kwaliteit van de ruimte in termen van duurzaamheid en intensief ruimtegebruik; en kwaliteit van de mensen in termen van kennis, opleidingen en vaardigheden. Bij het opstellen van de agenda en het selecteren van de speerpunten is rekening gehouden met deze accentverschuiving. Ondanks het feit dat het REAP het stimuleren van de regionale economie als belangrijkste doelstelling heeft, mag het blikveld van het REAP niet alleen naar binnen gekeerd zijn. Integendeel, aansluitend bij de sterke buitenlandse oriëntatie van de regio en de ontwikkeling richting de ‘nieuwe economie’, waarbinnen informatietechnologie en (internationale) netwerkvorming centraal staan, dient voor een extroverte filosofie gekozen te worden. Het REAP dient waar mogelijk de interne cohesie van de regio te versterken en pakt gezamenlijke problemen en kansen aan. De gemeenten en natuurlijk ook de bedrijven in de regio richten hun blikken echter zeker ook over de grenzen van het REAP-gebied heen en zoeken in variërende samenstellingen naar samenwerkingsverbanden en (afzet)markten. Het REAP moet zich in haar projecten daarom niet laten beperken door de grenzen van de regio, maar zou kunnen uitgroeien tot een moderne vorm van (inter)regionale samenwerking. De komende jaren zal zoals gezegd binnen het REAP-programma een aantal thema’s centraal staan. Het betreft thema’s die van de REAP-stuurgroep de komende jaren de meeste prioriteit krijgen. De thema’s of speerpunten zijn zorgvuldig gekozen. Ze sluiten aan bij de ambities van de regio Eindhoven en zijn gebaseerd op een uitgebreide SWOT-analyse van de regio (zie ‘Economisch profiel regio Eindhoven’). Als ingediende projecten niet binnen één van de thema’s vallen, maar wel bijdragen aan de versterking (en verduurzaming) van de regionale economie, worden ze uiteraard niet bij voorbaat uitgesloten.

16

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Hieronder worden acht speerpunten benoemd die tezamen de strategische agenda van het REAP voor de periode 2001-2005 vormen. Voor een deel overlappen de thema’s elkaar (dit geldt vooral voor het thema plattelandseconomie. Het betreft: A) ICT B) Plattelandseconomie C) Kennis en innovatie D) Internationalisering E) Knelpunten arbeidsmarkt F) Toerisme en recreatie G) Ruimtegebruik voor economische activiteit H) Mobiliteit De versterking van de plattelandseconomie en de ICT-ontwikkeling krijgen in 2001 en 2002 extra aandacht. Hieronder worden de acht thema’s kort beschreven, volgt een overzicht van de belangrijkste actoren en wordt gekeken naar de rol die het REAP zou kunnen vervullen. Per thema wordt een aantal voorbeeldprojecten genoemd.

A)

ICT

Achtergrond Informatie- en communicatietechnologie (ICT) is een belangrijke, zo niet de belangrijkste trekker van de economische ontwikkeling in de regio. Een belangrijk deel van de groei in bedrijvigheid en werkgelegenheid kan op het conto van de ICT-sector en ICT-gerelateerde activiteiten worden toegeschreven. Behalve als motor van de economie, kan ICT ook bijdragen aan het oplossen van meer maatschappelijke doelen, zoals op het gebied van mobiliteit, ruimtegebruik, scholing en zorg. Inzetten op ICT is inzetten op economische groei, kwaliteit en duurzaamheid. De regio Eindhoven is zowel nationaal als internationaal een topregio op ICT-gebied. De regio behoort volgens McKinsey internationaal tot de 25 belangrijkste ICT-regio’s, nationaal wordt een derde plaats ingenomen (na Amsterdam en Utrecht). De regio Eindhoven heeft de ambitie om haar positie op het gebied van ICT verder uit te bouwen. De randvoorwaarden zijn goed en zullen bijvoorbeeld bij welslagen van het project ‘Kenniswijk’ alleen maar beter worden. Kenniswijk is een prima voorbeeld van de integratie van ICT in allerlei maatschappelijke ontwikkelingen en processen. Ondanks de goede uitgangspositie mag de regio niet ‘verslappen’. Integendeel, de technische ontwikkelingen gaan dusdanig snel dat een voorsprong geen vanzelfsprekendheid is. Een voortvarend ICT-beleid is een belangrijke voorwaarde in de ontwikkeling richting ‘technological brainport’. Bovendien zijn er ook in de regio Eindhoven nog legio kansen die onvoldoende worden opgepakt. Bedrijven die niet inspelen op ICT-ontwikkelingen raken achterop. Het ICT-beleid dient daarom breed uitgezet te worden. Actoren Het zijn vooral de bedrijven zelf die de ‘ICT-kar’ moeten trekken. Dit zijn de grote (beursgenoteerde) ICT-bedrijven als Philips, ASML, Simac, Neways, Toolex, Origin en UPC, maar ook talrijke kleinere ICT-bedrijven. Gezien het grote economische en maatschappelijke belang van ICT is een belangrijke stimulerende rol weggelegd voor overheid en intermediaire organisaties. In de regio Eindhoven zijn vele partijen op directe of indirecte wijze bezig met ICT. Illustratief is de Task Force Zebr@ die de spil vormt van de organisatie Kenniswijk. Deze bestaat uit een publieke samenwerking tussen de gemeente Eindhoven, gemeente Helmond, het SRE en NV REDE.

17

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Daarnaast zijn ook de Technische Universiteit Eindhoven, het bedrijfsleven en de Stichting Regio Eindhoven Digitaal (RED) binnen het project belangrijke spelers. Het Twinning Center Eindhoven is eveneens een initiatief waar meerdere (publieke) partijen bij zijn betrokken. Verder wordt ook in het kader van het grotestedenbeleid, het Stimulusprogramma en het RITTS-programma aandacht geschonken aan ICT. Partijen als de NV BOM, Syntens, de provincie Noord-Brabant (project @Brabant) en de Kamer van Koophandel Oost-Brabant mogen als het gaat om de stimulering van ICT niet onvermeld blijven. Positie REAP Ook het REAP kan een belangrijke rol vervullen op het gebied van ICT. Het gaat daarbij met name om strategische en oriënterende projecten (veelal haalbaarheidsstudies). Het REAP heeft daarin vooral een belangrijke aanjaagfunctie. Zodra initiatieven uitmonden in meer uitvoeringsgerichte projecten, kunnen ze veelal in aanmerking komen voor andere middelen (bijvoorbeeld via Stimulus). Daarmee heeft het REAP een complementaire functie en is het geen concurrent van andere programma’s. Mogelijkheden voor het REAP liggen met name op het gebied van ICT-startersbeleid, het verbeteren van de groeicondities voor bestaande en toekomstige ICT-bedrijvigheid en het stimuleren van ICT-toepassingen. Doordat het stedelijk gebied grotendeels wordt gedekt door het grotestedenbeleid, ligt het voor de hand dat het REAP zijn aandacht (ook) richt op het platteland. Op het platteland kunnen projecten worden opgezet ter verbetering van de ICT-infrastructuur en ter stimulering van het ICT-gebruik. Dit leidt onder meer tot vergroting van de kennisintensiteit en daardoor tot een verbetering van de concurrentiepositie van de gevestigde bedrijven. Ook kan gedacht worden aan telewerk-faciliteiten, waardoor het woon-werk-verkeer kan afnemen. De aandacht van het REAP dient natuurlijk niet alleen gefocust te zijn op het bedrijfsleven. Ook ICT-toepassingen op het gebied van mobiliteit, ruimtegebruik en arbeidsmarkt dienen aandacht te krijgen. Bij alle REAP-projecten is samenwerking een belangrijke randvoorwaarde. Binnen deze samenwerkingsverbanden zullen naast het bedrijfsleven en de (semi)overheid, vaak ook onderwijs- en kennisinstellingen vertegenwoordigd moeten zijn.

Aantal voorbeeldprojecten ‘ICT’ Er zijn tal van lopende projecten c.q. initiatieven in de regio Eindhoven op het gebied van ICT. Twee zijn al genoemd, te weten het project Kenniswijk en het Twinning Center Eindhoven. Kenniswijk is een experiment om zowel innovaties op het gebied van ICT-voorzieningen als op het vlak van elektronische diensten dichter bij de burger te brengen. Veel geld zal worden geïnvesteerd in het optimaliseren van de ICT-infrastructuur. Met het opzetten van het Twinning Center wil het ministerie van Economische Zaken de ICT-sector in de regio een sterke stimulans geven. Startende ondernemers krijgen de kans en de mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen. Syntens is vooral actief op het gebied van ICT-stimulering bij individuele bedrijven (o.a. veel workshops over Internet en elektronisch zakendoen in het kader van het landelijke project “Nederland gaat digitaal”). In een ander project, uitgevoerd door Syntens, S.p.O.E.D. (Stimuleringsprogramma Opkomst Elektronische Diensten) is het de bedoeling dat binnen twee jaar drieduizend Nederlandse bedrijven overgaan tot e-commerce. De BOM is trekker van het project ‘Intelligent Systems Valley’. In Brabant vindt maar liefst 80% van de ontwikkeling van embedded software in Nederland plaats. De ‘valley’ wordt een samenhangend geheel van elkaar versterkende initiatieven en projecten, alle gericht op productinnovatie. Een onderdeel is het cluster taal- en spraaktechnologie. Aan het project nemen veel bedrijven uit de regio Eindhoven deel.

18

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

B)

Plattelandseconomie

Achtergrond De kwaliteit van het platteland in de regio staat onder druk. De komende jaren staat de landbouw voor de zware opgave te voldoen aan de veelheid aan eisen die maatschappij, de markt en de regelgeving stellen. Door de herstructurering van het platteland valt het agrarisch ondernemerschap als basis voor de plattelandseconomie voor een deel weg. Ook in de 1 aanpalende industrie en diensten zullen klappen vallen . Woon-, werk- en leefmilieu op het platteland, samen te pakken in het begrip leefbaarheid, zullen hierdoor ongetwijfeld worden aangetast. Met alle sociale en economische gevolgen van dien. Aandacht en acties dienen zich enerzijds te richten op alternatieve economische dragers voor het platteland, zoals kleinschalige dienstverlenende activiteiten, de gezondheidszorg en toerisme en recreatie. Daarnaast passen kennisintensivering en de ontwikkeling van innovatieve ketens in de landbouw uitstekend binnen de voor de regio geschetste streefbeelden. Het is overigens niet alleen landbouw wat de klok slaat op het platteland. Veruit het grootste gedeelte van de bedrijvigheid op het platteland is niet gerelateerd aan de landbouw. Qua werkgelegenheid zijn de industrie en de handel de belangrijkste werkgevers. Daarnaast laat de zakelijke dienstverlening, nu nog ondervertegenwoordigd op het platteland, de laatste jaren een grote dynamiek zien. Om de concurrentiepositie van het bedrijfsleven op het platteland te behouden c.q. te verbeteren, moeten de pijlen van beleid ook op deze bedrijven gericht zijn. Belangrijke succesfactoren zijn de stimulering van het innoverend vermogen en van de kennisintensiteit. Dit geldt met name voor het industrieel mkb, en daarbinnen in het bijzonder voor de kleinere toeleveranciers. Behalve de kwaliteit van het bedrijfsleven dient ook de kwaliteit van de bedrijfsomgeving op een hoger plan getild te worden. Bedrijven hebben een omgeving nodig waarin zij goed kunnen gedijen. Belangrijke aspecten zijn de beschikbaarheid en de kwaliteit van bedrijfsruimte, de aanwezigheid van ICT-infrastructuur, een goede bereikbaarheid en een passende arbeidsmarkt. Actoren Er zijn vele partijen die de structuurversterking van de plattelandseconomie na aan het hart gaat. Allereerst natuurlijk de partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Reconstructiewet Concentratiegebieden, zoals de Provincie Noord-Brabant, ZLTO, DLG, BMF, Waterschappen, de ministeries van LNV en VROM, gemeenten, etc. De plattelandseconomie is een speerpunt van de Streekplatforms De Peel en De Kempen alsmede van het SRE. Deze organisaties zijn op dit gebied bij vele projecten betrokken. Ook het Stimulusprogramma richt zich voor een deel op de ontwikkeling van het platteland, met name waar het toerisme en recreatie alsmede het MKB betreft. Positie REAP Het REAP geeft hoge prioriteit aan de versterking van de plattelandseconomie. Door de vele aspecten die onder deze noemer vallen gaat het meer om een geografische dan om een thematische benadering. Immers, veel thema’s die het REAP de komende jaren op de agenda plaatst, kunnen door een ‘plattelandsbril’ bekeken worden. Dit betekent dat wanneer het gaat om bijvoorbeeld ICT-beleid, kennis en innovatie, recreatie en toerisme, knelpunten arbeidsmarkt, etc, in principe altijd moet worden bezien welke kansen er zijn voor het platteland. Door het

1

Het zogenaamde agribusiness-complex is nu nog goed voor zo’n 20% van de totale werkgelegenheid op het platteland.

19

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

laagdrempelige en aanjagende karakter zou het REAP vooral een nuttige rol kunnen vervullen ten aanzien van het stimuleren van nieuwe economische initiatieven op het platteland (bijvoorbeeld op het gebied van toerisme en recreatie). Speciale aandacht van het REAP zou ook kunnen uitgaan naar de arbeidsmarkt van het platteland. De arbeidsparticipatie is relatief laag en de werkgelegenheid in de agrarische sector (en gerelateerde sectoren) zal afnemen. Diverse agrariërs die stoppen zullen naar ander werk moeten uitkijken, anderen zullen moeten overschakelen op alternatieve vormen van landbouw of moeten trachten om voldoende neveninkomsten te verwerven om de terugvallende agrarische inkomsten te compenseren. Voor welke optie ook gekozen wordt, een steuntje in de rug is altijd welkom en vaak zelfs noodzakelijk. Het REAP kan hierop inspelen.
Aantal voorbeeldprojecten ‘plattelandseconomie’ In de regio Eindhoven hebben tal van projecten betrekking op het versterken van de plattelandseconomie. Ook het REAP heeft een aantal projecten lopen c.q. reeds afgerond. Eén daarvan is het project ‘Versterking agrarische sector Oost-Brabant (VASO)’. Dit project heeft meerdere doelen: de versterking van de economische structuur door de invoer van nieuwe technologieën, het behoud of uitbreiding van werkgelegenheid in de kennisintensieve agrarische/toeleverende en verwerkende industrie, het stimuleren van netwerkvorming (samenwerking tussen bedrijven uit agrarische sector, industriële bedrijven en kennisinstellingen) en de bevordering van het aantal en de snelheid van technologische innovaties. Andere meer kleinschalige REAP-projecten hebben vooral betrekking op toerisme en recreatie (o.a. ‘Fietsen en natuurkamperen’ en ‘Open Haard Herbergen’). Een project van geheel andere orde, echter wel passend binnen het thema is het onderzoek ‘Ontwikkeling Duurzaam Industriepark Cranendonck’. Immers, ook op het platteland dient op een beperkt aantal plaatsen ruimte te worden gecreëerd voor bedrijvigheid. In opdracht van de Kamer van Koophandel Oost-Brabant en MKB Nederland is het onderzoek ‘Kleine kernen, grote kansen!’ uitgevoerd, naar de ontwikkelingsmogelijkheden in kleine kernen.

C)

Kennis en innovatie

Achtergrond Het mkb is zich vaak nog onvoldoende bewust van de noodzaak voor en de mogelijkheden van innovatie. In internationaal perspectief stapt het mkb in Nederland relatief langzaam over op nieuwe technologieën. Teveel wordt er geconcurreerd op kosten in plaats van op kennis. Bovendien blijft de benutting van de aanwezige kennisinfrastructuur onder de maat. Dit alles kan op termijn een verslechtering van de concurrentiepositie tot gevolg hebben. Er is op dit terrein dan ook nog veel werk te verrichten. Voor de regio Eindhoven is het van essentieel belang dat niet alleen de grote bedrijven ‘leading in technology’ zijn en blijven, maar dat de groep hoogwaardige, kennisintensieve bedrijven wordt verbreed en verdiept. Met andere woorden: er moet geen kloof ontstaan tussen koplopers en de rest van het peloton. De (semi-)overheid en andere betrokken partijen kunnen een belangrijke stimulerende rol vervullen en kunnen proberen om (financiële) drempels te verlagen. Primair is innovatie natuurlijk de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Echter, gelet op de grote maatschappelijke belangen die op het spel staan en de scheve verhouding tussen kosten en baten (de kosten en risico’s van technologische ontwikkelingen worden door de bedrijven gedragen, terwijl een veel grotere groep hier relatief eenvoudig en goedkoop van meeprofiteert) zijn ‘publieke’ investeringen alleen maar toe te juichen. Voor de rijksoverheid (ministerie van EZ) is het stimuleren van R&D en innovatie daarom een belangrijk speerpunt binnen het technologiebeleid. Uit onderzoek is gebleken dat technologiestimulering loont. Berekend is dat elke gulden R&Dsubsidie leidt tot een extra R&D-uitgave van 1,04 gulden van het betreffende bedrijf. Het verkrijgen van subsidie, krediet of een fiscaal voordeel kan voor bedrijven een beslissende factor zijn bij het

20

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

al dan niet laten doorgaan van innovatie projecten of voor de snelheid daarvan. Het kan ook een bijdrage leveren aan de stimulering van samenwerking, het laten uitvoeren van haalbaarheidsstudies en een betere toegang tot andere financiers. R&D-inspanningen leiden tot innovaties in termen van nieuwe of verbeterde producten, processen of diensten. Bovendien kunnen zij leiden tot organisatorische veranderingen, het aanvragen van octrooien (een indicatie voor de kwaliteit van de innovaties) en bovenal tot een betere concurrentiepositie. Daarmee hebben R&D-inspanningen en innovatie positieve gevolgen voor de economie. Zo genereert elke gulden R&D-subsidie op de lange termijn 9,8 gulden extra toegevoegde waarde bij bedrijven. Ongeveer 80% van de extra toegevoegde waarde vertaalt zich in een hogere arbeidsproductiviteit, de overige 20% geeft een impuls aan de werkgelegenheid. Ook de export van bedrijven neemt toe. Nederland heeft grote behoefte aan meer innovatieve ondernemingen. Er zijn echter tal van belemmeringen (zoals gebrek aan kennis, middelen en marktkracht) waar deze categorie bedrijven in de eerste levensfase tegenaan loopt. Deze belemmeringen kosten de jonge ondernemers in het algemeen heel wat tijd, geld en hoofdbrekens. Het stimuleren van deze zogenoemde technostarters is van groot belang. Er dient derhalve een gunstiger klimaat voor deze doelgroep te worden geschapen, waarmee de kans op succes wordt gemaximaliseerd. Een belangrijke rol is weggelegd voor kennisinstellingen. Actoren Er kan slechts één conclusie de juiste zijn: innovatiestimulering loont! De hierboven genoemde effecten zijn weliswaar gebaseerd op het EZ-instrumentarium, maar ook meer regionale initiatieven zullen vruchten afwerpen. In dit kader is het bemoedigend om te zien dat het belang van innovatie, getuige de vele initiatieven en betrokken partijen, ook in (Zuidoost-)Brabant onderkend wordt. Een partij als Syntens vertaalt het overheidsbeleid naar de regio en is betrokken bij vele projecten. Van groot belang in Brabant is het RITTS-project, een programma van de Europese Commissie, waarin de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij en de Provincie samenwerken aan het opstellen van een actieprogramma om de innovatiekracht van het Brabantse mkb verder te versterken. Ook het Technocentrum Zuid Oost Nederland speelt een belangrijke rol, vooral ten aanzien van het ontwikkelen, activeren en onderhouden van netwerken voor de uitwisseling van kennis. Uiteraard mag het Stimulusprogramma niet onvermeld blijven. Stimulus richt zich met name op de versterking van het industrieel ‘weefsel’ door bedrijfsgerichte maatregelen (stimulering samenwerking en clustering) en het bevorderen van kennisoverdracht. Positie REAP Als overheid en bedrijfsleven de komende jaren inzetten op kennis en vernieuwing, dan zal de regio Eindhoven haar positie als brainport van Nederland, het centrum van kennis en technologie, verder kunnen uitbouwen. Ondanks het feit dat al vele partijen betrokken zijn bij kennisintensivering, dient ‘kennis en innovatie’ ook voor het REAP een belangrijk speerpunt te zijn. Toegevoegde waarde heeft het REAP wederom vooral in de oriënterende fase van een project (haalbaarheidsonderzoeken). In de overgang naar de uitvoeringsfase, kan het stokje eventueel overgenomen worden door bijvoorbeeld Stimulus of Syntens. Speciale aandacht van het REAP zou uit moeten gaan naar de zogenaamde ‘jobbers’. Deze (vaak kleinere) toeleveranciers, niet zelden gevestigd buiten de stadsregio, moeten de komende jaren een belangrijke kwaliteitsslag bewerkstelligen. Doen zij dat niet, dan zullen velen het loodje leggen. De aandacht dient overigens niet alleen gericht te zijn op ontwikkelen en techniek, maar ook op het verbeteren van de commerciële marktvaardigheden. Een speerpunt van het REAP zou

21

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

ook de benutting van het aanwezige kennispotentieel kunnen zijn. Het bedrijfsleven maakt hier momenteel onvoldoende gebruik van. De toegevoegde waarde van de kennisinstellingen voor de regio moet de komende jaren worden vergroot (o.a. meer aandacht voor ondernemerschap en R&D). Ook als het gaat om samenwerking en clustering op het gebied van kennis en innovatie komt het REAP in beeld. Innovatiestimulering van individuele bedrijven behoort niet tot het takenpakket van het REAP. Het REAP zou zich vooral kunnen focussen op specifieke technologiesectoren (bijvoorbeeld ‘embedded software’, biotechnologie, nanotechnologie, milieuen energietechnologie, sensor- en lasertechnologie).
Aantal voorbeeldprojecten ‘Kennis en innovatie’ Een groot project op het gebied van kennis en innovatie is het RITTS-project. Dit is een programma van de Europese Commissie, waarin de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij en de Provincie samenwerken aan het opstellen van een actieprogramma om de innovatiekracht van het Brabantse mkb verder te versterken. De Technische Universiteit Eindhoven heeft in samenwerking met enkele andere gerenommeerde organisaties werkzaam in de regio, Tijdelijke Ondernemers Plaatsen (TOP) gecreëerd. Het brede ondersteuningspakket dat aan deze TOP-regeling verbonden is, moet de (techno)starter met een kansrijk idee in staat stellen het eerste moeilijke jaar zonder kleerscheuren door te komen en de basis te leggen voor een glansrijke verdere ontwikkeling van de onderneming. Voorbeelden van REAP-projecten zijn: Innovatief vermogen regio (actueel, regionaal beeld van de mate waarin het Oost-Brabantse bedrijfsleven bezig is met innovaties en de eventuele knelpunten die hierbij worden ervaren). Versterking agrarische sector Oost-Brabant (gericht op onder ander invoer nieuwe technologieën en de bevordering van het aantal en snelheid van technologische innovaties). Philips-project (o.a. bevordering kennisoverdracht). Cape Canaveral in Zuidoost-Brabant (het verbeteren van de commerciële perspectieven van techno-innovators, door hen te helpen om de omslag te maken van ondernemend technoloog tot technologisch ondernemer). Kennisindustrie Eindhoven Initiatief (gericht op onder andere samenwerking, clustering, kennisoverdracht). Ondernemend Samenwerken (o.a. verbeteren van de zakelijke samenwerking tussen toeleveranciers en uitbesteders, ook op het gebied van productinnovaties). Syntens speelt een belangrijke rol op het gebied van kennis en innovatie. Een aantal voorbeeldprojecten is: Zakenlift: De Zakenlift biedt innovatieve ondernemers intensieve begeleiding en advisering door een persoonlijke coach, de mogelijkheid om deel te nemen aan regionale netwerkmeetings plus alle benodigde praktische informatie en tips. Kennismanagement: Brengen van structuur in het vergaren, actualiseren en aanbieden van kennis in een bedrijf. Maak kennis met…….: Het programma ‘Maak kennis met de expertise van uw collega’s 2000/2000’ biedt gelegenheid om bij anderen, ook buiten de eigen branche, in de keuken te kijken. Dit kan bedrijven helpen bij vernieuwingsprocessen. Modern Produceren: Een programma dat tot doel heeft zo optimaal mogelijk gebruik te maken van nieuwe kennis en nieuwe technieken. Innomat: Geeft gerichte praktijkinformatie over de implementatie van nieuwe technieken op het gebied van materialen. Dit om de introductie van nieuwe materiaaltechnologie in het mkb te vergemakkelijken. Employability: Programma ter vergroting van de employability. Employability stimuleert de kennis en vaardigheden van medewerkers. Ze ontwikkelen zichzelf, worden mobieler, flexibeler en slagvaardiger en kunnen ook op andere functies worden ingezet. Het resultaat is een hogere kwaliteit en een betere productiviteit.

D)

Internationalisering

Achtergrond Onder internationalisering wordt verstaan de toenemende afhankelijkheid en verwevenheid van de nationale c.q. regionale economie met het buitenland. Er ontstaat een mondiale netwerkeconomie. De internationalisering uit zich in groeiende handelsstromen, een sterke groei van buitenlandse investeringen, een toename van het internationaal goederen- en personenvervoer, maar vooral een zeer krachtige groei van het internationaal kapitaal- en dataverkeer. Door de internationalisering neemt de concurrentie tussen bedrijven, maar ook tussen regio’s en landen,

22

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

sterk toe. Het bedrijfsleven dient hierop te anticiperen (marktbereik vergroten, innoveren, etc.). Alleen zo kunnen de bedrijven hun concurrentiepositie behouden of verbeteren. De regio Eindhoven is reeds sterk op het buitenland georiënteerd (hoog aandeel exporterende bedrijven), tegelijkertijd is het ‘buitenland’ ook sterk op de regio Eindhoven gericht. Dit is natuurlijk logisch voor een regio die een voorhoedepositie inneemt op het gebied van technologische ontwikkeling. Immers, als iets internationaal van aard is dan is het wel R&D. De internationalisering van de regio blijkt behalve uit de goederenstromen ook uit de vele buitenlandse investeringen/bedrijven. Tezamen met deze investeringen zijn ook buitenlandse werknemers (met hun gezinnen) in de regio neergestreken. Ook Nederlandse bedrijven hebben vaak hoogopgeleide buitenlandse medewerkers in dienst (zogenaamde expatriates). Het voorzieningenniveau in de regio dient hierop te worden afgestemd. Actoren De Kamer van Koophandel Oost-Brabant is actief op het gebied van exportstimulering. Het gaat hier vooral om de begeleiding en advisering van individuele bedrijven. Ook binnen het Stimulusprogramma wordt aandacht besteed aan exportstimulering. Het betreft de Stimulus Exportregeling (SER), ter bevordering van nieuwe exportactiviteiten die te maken hebben met het ontwikkelen en/of uitbreiden van een markt in het buitenland. Door middel van het stimuleren van intensieve grensoverschrijdende samenwerking op sociaal, cultureel, economisch en infrastructureel gebied vormen de INTERREG-programma's van de Europese Unie een belangrijk hulpmiddel bij het realiseren van euregionale ontwikkelingsplannen. Ook het SRE besteedt ten behoeve van de economische structuurversterking van de regio in toenemende mate aandacht aan internationalisering. Een belangrijke taak van NV REDE is het aantrekken van buitenlandse bedrijven. Positie REAP Door het toenemende belang van de internationalisering voor het regionale bedrijfsleven en voor het vestigingsmilieu mag dit thema binnen het actieprogramma van het REAP niet ontbreken. In aanmerking komen vooral projecten die gericht zijn op exportstimulering (projecten om het mkb ‘wakker te schudden’), het bevorderen van internationale samenwerking en het (internationale) voorzieningenniveau. Ook projecten die tot doel hebben de regio Eindhoven internationaal op de kaart te zetten (promotieprojecten) zouden voor REAP-gelden in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van het voorzieningenniveau wordt vooral gedacht aan de kwaliteit van het internationale onderwijs (Eindhoven beschikt over twee internationale scholen), de aanwezigheid van culturele voorzieningen, de internationale verbindingen van Eindhoven Airport, e.d.. Het REAP zou tezamen met bijvoorbeeld de TUE projecten kunnen opzetten die het aantrekken en faciliteren van buitenlandse studenten tot doel hebben. Door het vervagen van de grenzen wordt de arbeidsmarkt steeds internationaler. Grote bedrijven maken hier reeds volop gebruik van, het mkb werft vooral regionaal/nationaal. In het kader van de krappe arbeidsmarkt moet worden bezien hoe het mkb haar blikveld op de arbeidsmarkt kan verruimen.
Aantal voorbeeldprojecten ‘Internationalisering’ In opdracht van de Kamer van Koophandel Oost-Brabant en de gemeente Eindhoven wordt een onderzoek verricht naar de positie en toekomst van de twee internationale scholen in Eindhoven. Ook is er binnen het REAP een onderzoek uitgevoerd naar het economische belang van Eindhoven Airport. De Kamer van Koophandel heeft ook een project genaamd ‘Het gebruik van uw website bij internationaal zakendoen’ en projecten gericht op specifieke landen. Genoemde kunnen worden ‘G-BOC’ (Global Business Opportunity Convention) te Osaka (Japan) waar buitenlandse ondernemers potentiële Japanse partners ontmoeten, de oprichting van een ‘Dutch/Romanian Business Centre’ te Timisoara en een project waarbij Roemeense managers op stage zijn bij Brabantse bedrijven. Zowel het project in Japan als de projecten in Roemenië, zijn projecten waar de Kamer van Koophandel nauw samenwerkt met locale organisaties.

23

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

E)

Knelpunten arbeidsmarkt

Achtergrond De knelpunten op de arbeidsmarkt in de regio Eindhoven worden groter en groter. De werkloosheid is extreem laag (onder de 2%) en de vooruitzichten zijn somber gelet op de ontgroening en vergrijzing van de (beroeps)bevolking. Door de ontwikkeling naar een kenniseconomie neemt de vraag naar hoger opgeleiden sterk toe. In de regio Eindhoven is vooral een grote behoefte aan hoger opgeleiden met een technische achtergrond. Gezien de teruglopende instroom in het technisch onderwijs, is het is nog maar de vraag of in de toekomst in deze behoefte kan worden voorzien. Ondanks de krappe arbeidsmarkt is er nog altijd een grote groep mensen die niet aan het arbeidsproces deelneemt, maar dit in principe wel zou kunnen of willen. Veel energie zal gestoken moeten worden in het aanboren van deze zogenaamde ‘stille reserve’. Tegelijkertijd zijn de kansen om langdurig werklozen aan een baan te helpen nog nooit zo goed geweest. Dit vergt echter intensieve begeleiding. Speciale aandacht moet uitgaan naar de arbeidsmarkt van het platteland en de positie van het mkb. Deze laatste groep legt het steeds vaker af tegen het grootbedrijf, dat werknemers in het algemeen betere arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden kan bieden. Actoren Vele partijen zijn betrokken bij het wegnemen van knelpunten op de arbeidsmarkt. Dit zijn bijvoorbeeld gemeenten (onder meer in het kader het grotestedenbeleid), de nieuwe zelfstandige onderdelen van de voormalig Arbeidsvoorzieningsorganisatie (o.a. Centra Werk en Inkomen, KLIQ en Facent), commerciële (uitzend)bureaus, Stimulus (vooral gericht op human resourcebeleid), het SRE, de Kamer van Koophandel Oost-Brabant, werkgeversorganisaties en PSW. Het Regionaal Arbeidsmarkt Platform Zuidoost-Brabant stimuleert de samenwerking tussen partijen, bevordert de werking van de arbeidsmarkt en tracht de middelen van alle betrokken partijen in projecten te verknopen. Positie REAP Gezien de in de visie neergeschreven ambities moet het REAP vooral inzetten op projecten die gericht zijn op het aantrekken en behouden van hoogopgeleiden, waarbij extra aandacht uit moet gaan naar technisch geschoolden. Projecten ter promotie van techniek, het vergroten van de aantrekkingskracht van het mkb, het verbeteren van de match tussen onderwijs en bedrijfsleven en het beter benutten van het arbeidspotentieel van het platteland behoren tot het takenpakket van het REAP. Een speerpunt zou ook het vergroten van de productiviteit bij bedrijven kunnen zijn (om zo het beroep op de arbeidsmarkt te verkleinen). Dit aandachtspunt heeft slechts indirect met de arbeidsmarkt te maken en zou wellicht beter geplaatst kunnen worden onder de noemer ‘kennis en innovatie’. Ook het belang van het vergroten van de arbeidsparticipatie wordt door het REAP onderschreven. Echter gelet op de veelheid aan partijen die hier reeds bij betrokken zijn, zal dit geen grote prioriteit binnen het REAP-programma krijgen.

24

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Aantal voorbeeldprojecten ‘knelpunten arbeidsmarkt’ Het REAP heeft reeds vele projecten ten aanzien van de arbeidsmarkt ondersteund. Genoemd kunnen worden: - Informatiecentrum nieuwe stijl (het realiseren c.q. instandhouden van een gemeenschappelijke voorziening o.a. met betrekking tot informatie en documentatie inzake onderwijs, beroep en arbeid) - Ondernemersraden in de collectieve sector; participatie allochtone werknemers en diversiteit (doel is het toerusten van ondernemingsraden voor een structurele aanpak/werkwijze ten behoeve van de instroom en behoud van allochtone werknemers in de collectieve sector. - Werkconferentie kansen benutten, mogelijkheden van cao’s voor werkgelegenheid en scholing op regionaal niveau (nieuwe initiatieven die leiden tot een effectievere uitvoering van CAO afspraken) - Masterplan Beroepsonderwijs (regionale visie geeft richting aan activiteiten op het terrein onderwijs-arbeidsmarkt en de rol van het regionale beroepsonderwijs daarin) - Van vakwerk tot meesterwerk (kinderen, docenten en ouders confronteren met ‘vakmanschap’ in hun directe omgeving) - Relatie onderwijs- bedrijfsleven, ROB-project ZORG (jongeren interesseren voor het werk in de zorgbranche in het verzorgingsgebied van de regio Peelland en daarbuiten)

F)

Toerisme en recreatie

De regio Eindhoven heeft een beperkte aantrekkingskracht op toeristen. Eindhoven en Helmond beschikken niet over het cultuur-historische erfgoed dat veel andere steden zo aantrekkelijk maakt, ook zijn er weinig toeristische topattracties. De belangrijkste ‘magneten’ in de regio zijn de natuurgebieden van De Kempen en De Peel. De omvang van de sector toerisme en recreatie is in arbeidsplaatsen gemeten in de regio Eindhoven nog relatief beperkt (het aandeel in de totale werkgelegenheid ligt onder het landelijk gemiddelde), echter de toegevoegde waarde neemt toe. Bovendien is er in de regio nog voldoende toeristisch/recreatief potentieel aanwezig. Dat betreft zowel het dagtoerisme als het verblijfstoerisme. Nieuwe activiteiten zijn niet alleen belangrijk voor het creëren van nieuwe werkgelegenheid, maar ook voor het versterken van het imago van de regio als een aantrekkelijk woon-, leef- en werkgebied. Dit draagt weer bij aan het tot stand brengen van het hoogwaardige vestigingsklimaat dat kennisintensieve bedrijven en hoogopgeleide medewerkers eisen. Door de reconstructie van de landbouw komt er wellicht ruimte vrij voor nieuwe initiatieven. Bovendien hebben de bestaande natuurgebieden nog voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. Tegelijkertijd zouden de steden moeten nadenken hoe zij hun aantrekkingskracht op (dag)toeristen kunnen vergroten. Actoren Het toenemende belang van toerisme en recreatie wordt door de regio onderkend. De steden hebben deze sector in het kader van het grotestedenbeleid tot speerpunt verheven. Ook binnen het Stimulusprogramma wordt veel aandacht besteed aan de toeristische sector en regiopromotie. Het beleid van het SRE is er op gericht te komen tot een versterking van de toeristisch-recreatieve structuur van de regio. Het SRE is verantwoordelijk voor het onderhoud van een netwerk van 30 fietsroutes in de hele regio en zet in totaal ongeveer 40 (bewegwijzerde) regionale wandelroutes uit. Voor De Kempen en de Dommelvallei werkt het SRE plannen uit voor een regionaal ruiterroute-netwerk. Voor de Peel is een Toeristische Ontwikkelingsvisie opgesteld en wordt een studie voorbereid inzake de ontwikkeling van de Groene Peelvallei. Natuurlijk mogen ook partijen als het VVV, Brabants Bureau voor Toerisme en de Kamer van Koophandel Oost-Brabant hier niet ontbreken.

25

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Positie REAP Het REAP dient gelden ter beschikking te stellen aan projecten die de toeristische aantrekkingskracht van de regio verhogen. De focus zal daarbij vooral liggen op het platteland, echter ook projecten binnen de stadsregio dienen niet bij voorbaat worden uitgesloten. De voorkeur gaat uit naar projecten die het toeristisch ondernemerschap versterken, de innovatie in de toeristische sector bevorderen en de regiopromotie ten goede komen. Aandacht dient ook uit te gaan naar het verbeteren van de ontsluiting van natuurgebieden en het uitbreiden van de recreatieve infrastructuur. Dit geldt niet alleen ten aanzien van fiets-, wandel- en ruiterpaden, maar ook ten aanzien van bijvoorbeeld de bereikbaarheid van attracties en voorzieningen met het openbaar vervoer en de auto. Het REAP zou een grote stimulator c.q. aanjager van nieuwe initiatieven kunnen zijn (o.a. haalbaarheidsstudies en samenwerkingsprojecten).
Aantal voorbeeldprojecten ‘Toerisme en recreatie’ Toerisme en recreatie is al langere tijd een speerpunten van het REAP. Voorbeeldprojecten zijn: - Open Haard Herbergen (samenwerking tussen 15 Open Haard Herbergen om te komen tot een kwaliteitsverbetering en een betere bezettingsgraad) - Fietsen en natuurkamperen (om aandacht te vestigen op Brabantse en Noord-Limburgse Natuurkampeerterreinen wordt via Internet een aantal fietsroutes aangeboden) - Milieuproject Recreatie en Toerisme in Noord-Brabant (doel: milieuvriendelijke recreatiebedrijven) Een voorbeeld van een (Stimulus) project dat de vele aspecten van toerisme en recreatie blootlegt is het project ‘Wildpark Gulbergen’. Het Wildpark Gulbergen is onderdeel van Het Landgoed Gulbergen. De initiatiefnemer van het Landgoed Gulbergen is het afvalverwerkingsbedrijf NV RAZOB (dochter van het SRE). RAZOB heeft zich verplicht om de voormalige stortplaats en de omgeving te ontwikkelen tot een landschap en deze vervolgens te beheren. Het Landgoed kan gaan dienen als een natuur- en recreatiepark met als doel om meer toeristen naar de regio te trekken alsmede de toeristen en recreanten langer in het gebied vast te houden. Het Wildpark vormt samen met een 27 holes golfbaan de eerste fase binnen de realisatie van het Landgoed Gulbergen. Ook een nog niet voorkomende roofvogeltuin en een bezoekerscentrum met een informatieve en educatieve functie maken onderdeel uit van het project. Door middel van het project wordt de samenhang en verwevenheid van het Landgoed versterkt en vindt een aanpassing van de infrastructuur plaats (wegenstructuren en fiets-, wandel- en ruiterpaden) die nodig is om zich als natuur- en recreatie park verder te ontwikkelen.

G)

Ruimtegebruik voor economische activiteit

Achtergrond De verdienstelijking en kennisintensivering van de economie stellen nieuwe eisen aan de ruimte. Het accent verschuift in toenemende mate van fysieke productie en transport naar meer kennisintensieve combinaties van industrie en dienstverlening. Hierdoor zal de vraag naar kantoorruimte toenemen. Dit geldt zowel voor de echte kantorenparken als voor locaties op (gemengde) bedrijventerreinen. Het tekort aan bedrijfsruimte in de regio Eindhoven wordt door het bedrijfsleven als een groot knelpunt ervaren. De ruimte is echter schaars en moet gedeeld worden met andere ruimtegebruikers (wonen, recreëren, mobiliteit, e.d.). Om de ruimtelijke kwaliteit niet te veel aan te tasten en de leefbaarheid in de regio te behouden dient er efficiënter, intensiever, selectiever en duurzamer met de ruimte omgesprongen worden. De regio zal keuzes moeten (durven) maken, die passen bij de geformuleerde ambities. Immers hoogwaardige bedrijven met hoogopgeleide medewerkers vragen een dito bedrijfsomgeving. De regio moet dus vooral inzetten op intensief en duurzaam ruimtegebruik op zowel oude als nieuwe terreinen. Een instrument dat momenteel vol in de belangstelling staat is herstructurering en revitalisering van oudere terreinen. De kwaliteit van de bedrijfsomgeving wordt hierdoor verhoogd, de kans dat bedrijven vertrekken wordt verkleind en soms is er ook nog ruimtewinst te boeken. Bedrijventerreinen moeten worden aangepast aan de veranderende eisen van het

26

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

bedrijfsleven. Tegelijk kan de regio Eindhoven de komende jaren niet zonder nieuwe terreinen. Daarbij dient zorgvuldig naar de locatie (stadsgewest of platteland) en naar de invulling (selectiviteit bij het toewijzen van kavels en strikte regels ten aanzien van het invullen van de kavels) gekeken te worden. Belangrijk is ook de discussie ten aanzien van het (toekomstige) ruimtegebruik op het platteland. Deze discussie is door de huidige Reconstructiewet zeer actueel. Het nieuwe Streekplan dient hiervoor de wettelijke kaders te scheppen. Actoren Als het gaat om ruimtegebruik voor bedrijvigheid spelen de Rijksoverheid en de Provincie (Streekplan) een voorname rol. Uiteraard hebben ook de gemeenten een belangrijke stem in het geheel. Het SRE heeft een rol bij de regionale afstemming van de planning/ontwikkeling van bedrijventerreinen en bij het stimuleren van (re)vitaliseringsprojecten. Het SRE zou een goede rol kunnen spelen bij de uitwerkingsplan(nen) van het streekplan. Ten aanzien van (re)vitaliseringsprojecten op bedrijventerreinen spelen TIPP (Tender Investeringsprogramma’s Provincies) alsmede Stimulus een belangrijke rol, ofschoon lokale partijen de projecten dienen te trekken. Stimulus-gelden kunnen ook ingezet worden om nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen te ontwikkelen. Ook andere partijen zijn betrokken bij ruimtevraagstukken. Het gaat dan om partijen als de Kamer van Koophandel Oost-Brabant, de NV BOM, NV REDE, de BMF etc. Positie REAP Het REAP heeft het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit hoog in haar vaandel staan. In dit licht is voor het REAP een belangrijke taak weggelegd op het gebied van herstructurering/revitalisering en intensief en duurzaam ruimtegebruik. In de regio Eindhoven worden herstructureringsactiviteiten ook met Stimulus-steun uitgevoerd. Het REAP zou vooral in het voortraject een nuttige rol kunnen spelen (bijv. haalbaarheidsstudies, behoeftepeilingen). Uiteraard is ook een belangrijke taak weggelegd voor het betrokken bedrijfsleven (marktpartijen). Van hen wordt eveneens een financiële inspanning gevraagd. Op nieuwe en bestaande terreinen zou het REAP ook aan ICT-, milieu- en vervoermanagementprojecten kunnen deelnemen. Het vizier van het REAP zou ten aanzien van het thema ‘ruimtegebruik voor economische activiteiten’ vooral op het platteland gericht moeten zijn. Hier zouden (kleinere) projecten opgestart kunnen worden om bijvoorbeeld de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen opnieuw in te vullen. REAP kan incidenteel ook participeren in meer grootschalige projecten, zoals afgelopen jaar bij de ontwikkeling van het Duurzaam Industriepark Cranendonck (DIC). Randvoorwaarde is dan wel dat het om projecten gaat waarbij duurzaamheid, intensief ruimtegebruik maar bijvoorbeeld ook multimodaliteit belangrijke aspecten zijn. Door de verdienstelijking van de economie dient het REAP ook aandacht te hebben voor hoogwaardige (kantoor)locaties, waar intensieve contacten tussen (startende) ondernemers, kennisinstituten/onderwijs en andere (intermediaire) instituten mogelijk zijn en worden gestimuleerd. Goede ICT-voorzieningen zijn daarbij van groot belang.

27

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Aantal voorbeeldprojecten ‘Ruimtegebruik voor economische activiteiten’ Elk nieuw bedrijventerrein, elke herstructurering, elke startersfaciliteit of feitelijk zelfs elke nieuwe economische activiteit zijn voorbeelden van projecten die binnen het thema ‘Ruimtegebruik voor economische activiteiten’ vallen. We beperken ons hier tot het noemen van een aantal projecten van het REAP, Stimulus en de Kamer van Koophandel Oost-Brabant. REAP-projecten: Vitaliseringsonderzoek bedrijventerreinen (behoud c.q. versterking van de regionale werkgelegenheidsfunctie van bedrijventerreinen, tegengaan van leegstaande complexen met een negatieve uitstraling, ruimtelijke kwaliteitsverbetering en efficiënter ruimtegebruik, bijdrage aan het mobiliteitsbeleid, realiseren duurzame ontwikkeling van bedrijventerreinen, etc.) Onderzoek ontwikkeling Duurzaam Industriepark Cranendonck (DIC) (onderzoek naar de ontwikkelingsmogelijkheden van een duurzaam bedrijvenpark van circa 100 ha. op de locatie van Budel Zink. Het moet bijdragen aan een rendementsverbetering van Budel Zink, een betere ontsluiting van het terrein, behoud en versterking van de lokale en regionale sociaal- economische structuur en het verbeteren van de natuurwaarden van de overige terreinen.) Stimulus-projecten: Het project ‘Duurzaam De Hurk’ is een pilot op het gebied van een integrale aanpak van het begrip duurzaamheid met betrekking tot bedrijventerreinen. Doel van het project is het realiseren van een duurzaam bedrijventerrein. Daartoe wordt op diverse terreinen tegelijk geanticipeerd. Naast revitalisering van de fysieke Infrastructuur wordt ook aandacht besteed aan Milieu, Energiegebruik, Bereikbaarheid, Beveiliging, Beheer en Werkgelegenheid. Het bedrijvencentrum Gilde wordt ingevuld met kantoorunits, bedrijfsruimtes en ateliers voor startende ondernemers. Doel is enerzijds het terugdringen van (langdurige) werkloosheid door bedrijfshuisvesting en begeleiding aan te bieden aan startende ondernemers en anderzijds het versterken van de stedelijke en regionale economische structuur en het stimuleren van nieuwe bedrijvigheid en werkgelegenheid door het aanbieden van bedrijfshuisvesting aan startende en jonge kleinschalige bedrijven in het algemeen. Kamer van Koophandel Oost-Brabant Inventarisatie van de ruimtebehoefte van bedrijven in een aantal gemeenten in de regio Eindhoven Project ‘Duurzaam en intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen’

H)

Mobiliteit

Achtergrond Het kan niemand zijn ontgaan, de wegen in de regio Eindhoven worden voller en voller. Daarmee betaalt de regio de tol voor haar gunstige geografische ligging en de voorspoedige economische ontwikkeling van de laatste jaren. Alles wijst er op dat de mobiliteitsgroei de komende jaren onverminderd zal doorgaan. Dit heeft alles te maken met demografische, technologische en (ruimtelijk) economische ontwikkelingen. Om te voorkomen dat de wegen volledig dichtslibben en de concurrentiepositie van de regio in gevaar komt, moeten er snel maatregelen genomen worden. Het pakket dient te bestaan uit een combinatie van maatregelen gericht op het wegnemen van infrastructurele knelpunten en maatregelen die er op gericht zijn om de mobiliteit terug te dringen. Als het gaat om knelpunten dan geldt dat zowel voor de weg-, de rail- als de waterinfrastructuur. Voor al deze modaliteiten bestaan er bij zowel het bedrijfsleven als intermediaire organisatie uitgebreide ‘verlanglijstjes’. Wat betreft het terugdringen van de mobiliteit dient vooral worden ingezet op het stimuleren van multimodaal vervoer, het promoten en faciliteren van telewerken, het inzetten van hoogwaardig openbaar vervoer, het opstellen van vervoersmanagementplannen (op bedrijventerreinen) en op maatregelen die efficiënter weggebruik mogelijk maken. Bij deze

28

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

laatste kan gedacht worden aan flexibele rijstroken, route-informatiepanelen, gebruik van de vluchtstroken als spitsstrook, inhaalverbod voor vrachtwagens, automatische geleidingssystemen, doelgroepstroken, carpoolen, flexibele werktijden, elektronische toeritdosering, inzet langere voertuigen (LZV’s) en Intelligente Snelheids Adaptie (ISA). Actoren De overheid (vooral de Rijksoverheid) is de belangrijkste partij als het gaat om infrastructurele projecten. De benodigde bedragen zijn over het algemeen dermate hoog dat andere partijen hierin nauwelijks een rol van betekenis kunnen spelen. Als het gaat om meer kleinschalige projecten dan neemt het aantal betrokken partijen toe. Het betreft dan vooral gemeenten (ook in het kader van het grotestedenbeleid), maar ook het SRE. Het SRE heeft als kaderwetgebied eigen wettelijke bevoegdheden. Zij stelt subsidies beschikbaar en is verantwoordelijk voor het openbaar vervoer in de regio Eindhoven. Uiteraard zijn er ook initiatieven van marktpartijen, al dan niet met subsidies van de overheid, zoals ten aanzien van multimodaal vervoer (bijv. de Railterminal in Acht). Positie REAP Door de grote bedragen die met infrastructurele projecten te maken hebben, kan het REAP in de uitvoeringsfase geen rol van betekenis spelen. Het REAP moet zich derhalve vooral richten op het signaleren en initiëren van projecten (nogmaals de kracht van het REAP zit vooral in de aanjaagfunctie) of het participeren in meer kleinschalige projecten (bijvoorbeeld het verbeteren van de toeristische en recreatieve infrastructuur, verbetering infrastructuur in het kader van herstructuringsprojecten, etc.). Het REAP kan ten aanzien van infrastructuur en mobiliteit tevens een lobbyfunctie ontwikkelen. Veel projecten zullen uitmonden in onderzoek (denk aan vooral aan haalbaarheidsstudies en knelpuntenanalyses). Multimodaliteit zou een van de speerpunten van het REAP kunnen worden.
Aantal voorbeeldprojecten ‘Mobiliteit’ Het REAP heeft tot nog toe weinig projecten (mee)gefinancierd op het gebied van mobiliteit en infrastructuur. Een voorbeeld is wel het onderzoek Eindhoven Airport. Het betreft een gedegen analyse van de huidige en toekomstige economie en strategische betekenis van Eindhoven Airport. Op het bedrijventerrein Acht komt de Rail Terminal Eindhoven (RTE) op het terrein van expeditiebedrijf Van Rooijen Logistiek, die als ondernemer het voortouw neemt. NV REDE is een van de initiatiefnemers en heeft meegewerkt aan het onderzoek dat het nut en rendement van de Rail Terminal heeft aangetoond. Provincie, rijk en gemeente dragen stevig bij aan de kosten. Een spraakmakend en veelbelovend project is Phileas, in de volksmond Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV). Dit is een project van het SRE in nauwe samenwerking met de gemeenten Eindhoven en Veldhoven, het Rijk, de provincie, Stimulus, het bedrijfsleven en kennisinstituten. HOV is een nieuwe vorm van openbaar vervoer, waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe bustechnieken. Bij deze vervoersvorm wordt de flexibiliteit van het vervoer per bus gekoppeld aan de betrouwbaarheid van het vervoer per rails. Daarnaast is het een milieuvriendelijkere vorm van vervoer.

29

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

5.
5.1

Organisatie REAP
Soorten REAP projecten

Het uiteindelijke doel van het REAP is concrete projecten te entameren, die daadwerkelijk een bijdrage leveren aan de versterking van de concurrentiekracht van het bedrijfsleven, passend in het concept van de "duurzame samenleving". Het gaat met andere woorden om projecten die resultaat opleveren in termen van toegevoegde waarde (geldstroom, Bruto Regionaal Product) en/of van werkgelegenheid (direct of indirect). Echter doen gaat niet zonder denken. Een te grote versnippering van middelen leidt bovendien niet meer tot (herkenbare) resultaten. Tenslotte zijn ideeën niet altijd direct te vertalen in "doe-acties" met, tevoren aan te geven, meetbare output. Dit alles heeft gevolgen voor de opbouw en aanpak van het REAP. Er is daarom gekozen voor een samenhangend geheel van denk- en doe-activiteiten op drie niveaus, die pragmatisch te hanteren zijn. A. Strategisch niveau Hier gaat het om ontwikkelingen op de lange termijn en de visie die daarbij nodig is: welke zijn die ontwikkelingen? Zijn ze een bedreiging of kans? Moeten we er op insteken? En zo ja, hoe? Een en ander uiteraard passend in het profiel dat de regio gekozen heeft. Uiteraard horen ook projecten van puur strategische aard in deze categorie thuis, zoals ontwikkelen van lange termijn plannen, visies, onderzoeken e.d. B. Oriënterend niveau Als uit het voorgaande denkproces een bepaalde ontwikkeling in het kader van het REAP interessant is of tenminste lijkt, maar niet direct te vertalen is in concrete "doe"-projecten (het derde niveau), dan kan het zinvol zijn de vraagstelling eerst in een verkennende opdracht te gieten, dan wel in de vorm van een aanjaagproject. Dat laatste in het geval bekend is in welke richting oplossingen te zoeken zijn, maar trekkers en/of participanten en/of financiers nog niet (voldoende) in beeld zijn. Projecten op dit niveau hebben wel een concreet te formuleren output: immers het antwoord op de vraag of en zo ja op welke wijze een bepaalde ontwikkeling concreet te maken is. Indien de vraag positief beantwoord wordt, bevat de output tevens een concreet (doe)-projectvoorstel: dus probleemdefinitie, doelstelling, beoogde output, trekker, participanten, tijdlijnen, kosten (indicatief) en financiering (indicatief). Verkennende opdrachten genereren als het ware de doe-projecten van het volgende jaarprogramma. Op die manier wordt het REAP daadwerkelijk een dynamisch proces. C. Operationeel niveau (doe-projecten) Dit zijn de projecten waar het uiteindelijk om gaat. Immers hier wordt gewerkt aan de feitelijke impulsen voor (nieuwe) bedrijvigheid en/of werkgelegenheid. Deze projecten zijn dan ook in zeer concrete termen geformuleerd, met een duidelijke output, die in principe meetbaar moet zijn en met duidelijke tijdlijnen.

30

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Mega-projecten Binnen het REAP kunnen vele kleine projecten worden ondersteund, echter er kan ook gekozen worden voor het initiëren c.q. stimuleren van een ‘mega-project’. In de REAP-stuurgroep is het idee geopperd om de mogelijkheden te bekijken voor het formuleren van een mega-project. Een dergelijke project kan de regio Eindhoven zowel nationaal als internationaal op de kaart te zetten en helpen haar hoge ambitieniveau te verwezenlijken. Bestaande grote projecten in de regio, zoals ‘Kenniswijk’ en HOV zouden de rol van mega-project ook kunnen vervullen. Dergelijke projecten sluiten zeer goed aansluiten bij het high-tech karakter van de regio. Mega-projecten kunnen fungeren als drager van vernieuwing, met een grote (economische) spin-off naar de v regio. Het REAP kan een mega-project natuurlijk niet alleen (financieel) dragen, maar kan wel ondersteunen bij het definiëren van projecten en heeft een belangrijke aanjaag- c.q. regisseursfunctie bij de invulling en uitvoering ervan.

5.2

Criteria en voorwaarden

Het REAP Zuidoost-Brabant ondersteunt projecten die een wezenlijke bijdrage leveren aan de versterking van de regionale concurrentiekracht en/of bevordering van de werkgelegenheid in Zuidoost-Brabant. Om dit doel te bereiken worden verschillende projecten uitgevoerd die vallen binnen een groot aantal thema´s, te weten: ICT Plattelandseconomie Kennis en innovatie Internationalisering Knelpunten arbeidsmarkt Toerisme en recreatie Ruimtegebruik voor economische activiteit Mobiliteit Op basis van nieuwe sociaal-economische inzichten zal het programma worden afgestemd op de huidige en op korte termijn te verwachten knelpunten in de regio Zuidoost-Brabant. Criteria: Het REAP ondersteunt projecten die een wezenlijke bijdrage leveren aan de versterking van de regionale concurrentiekracht en/of bevordering van de werkgelegenheid. Projecten moeten zijn gericht op stuwende vormen van bedrijvigheid: agribusiness, industrie, professionele dienstverlening, groothandel, transport en niet-lokaal gericht toerisme/recreatie (niet detailandel en horeca). Voor zogenoemde doelgroepenprojecten kan hierop een uitzondering gemaakt worden. De projecten moeten passen binnen één van de acht bovengenoemde REAP-thema´s. Projecten moeten een (voor de regio) vernieuwend karakter hebben. Individuele bedrijfssteun is in beginsel uitgesloten. Projecttrekkers moeten bereid zijn kennis en ervaringen uit te dragen in de regio. Projecten moeten een voorbeeldfunctie voor de regio (kunnen) hebben. Projecten moeten in het jaar dat de REAP-bijdrage wordt verstrekt in uitvoering worden genomen en afgesloten worden in het daaropvolgende jaar. REAP-gelden zijn aanjaaggelden. Het uitgangspunt is dat een REAP-bijdrage éénmalig wordt verstrekt op grond van een tekort in een verder sluitende begroting.

31

ETIN Adviseurs -

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

De REAP-bijdragen bedraagt maximaal 50% van de totaalbegroting, tot een maximum van ƒ 100.000,= incl. eventuele BTW. De stuurgroep kan in een bijzonder geval besluiten hiervan af te wijken.

Voor het REAP komen niet in aanmerking: Projecten die louter beperkt blijven tot onderzoek en geen deel uitmaken van een breder uitvoeringsgericht traject (follow-up). Haalbaarheidsstudies en verkenningen die de basis zijn voor een uitvoeringsgericht projectplan komen wel in aanmerking. Projecten die uitsluitend communicatie betreffen zoals thema-bijeenkomsten, workshops, mailing etcetera. Individuele bedrijfssteun. Investeringen in infrastructuur en inventaris.

Hoe wordt een REAP-project ingediend? Projecten kunnen het hele jaar worden ingediend. Een REAP aanvraag is gericht aan de stuurgroep REAP ZuidoostBrabant en wordt toegezonden aan het secretariaat: Stuurgroep REAP Zuidoost-Brabant Postbus 735 5600 AS EINDHOVEN Tel: 040-2323288 / fax: 040-2464003 / e-mail: mmunnecom@eindhoven.kvk.nl De REAP aanvraag dient te worden vergezeld van een heldere projectomschrijving conform de door het REAP opgestelde formaat. Projecten worden ter besluitname voorgelegd aan de stuurgroep REAP. Na het besluit van de stuurgroep ontvangt de projectindiener een gemotiveerde schriftelijke reactie.

Algemene voorwaarden: Projecttrekkers nemen een resultaatverplichting op zich. Indien de uitgangspunten van het project zonder kennisgeving wordt gewijzigd, de doelstellingen substantieel achterblijven en/of de gerealiseerde kosten lager zijn dan begroot, behoudt de stuurgroep REAP zich het recht voor om de toegekende REAP bijdrage naar evenredigheid bij te stellen. De projectuitvoerder levert, op verzoek van de stuurgroep, een inhoudelijke en financiële tussenrapportage aan. Dit gebeurt bij voorkeur halverwege de looptijd van het project. Definitieve toekenning door de stuurgroep vindt plaats op basis van een inhoudelijke en financiële eindrapportage. Bij de communicatie dient te worden vermeld dat het project mede mogelijk wordt gemaakt door het REAP ZuidoostBrabant.

-

32

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

5.3

Organisatie REAP Zuidoost-Brabant

REAP Zuidoost-Brabant wordt gekenmerkt door het flexibele en slagvaardige karakter. Ook voor de komende jaren wil het REAP aan deze toegankelijke en vooral slagvaardige organisatiestructuur vasthouden. De stuurgroep REAP is als volgt samengesteld: Kamer van Koophandel Dhr. Drs. B.A.S. Pollmann (voorzitter) Mw. Drs. M.F.J. Munnecom (secretaris) SRE Dhr. Drs. R.Th.S.M. Harbers Gemeente Eindhoven Mw. Drs. T. van Gurp Gemeente Helmond Dhr. Mr. W.T.M. Swinkels BZW Dhr. P.C.J.M. van Run MKB Dhr. H.J. Bekkema Arbeidsvoorziening Zuidoost-Brabant Dhr. Drs. A.H. Kerkhoff NV REDE Dhr. Ir. J.A.P.M. Smeekens FNV Mw. E. Bos Syntens Dhr. Ing. G.R. van Marion ZLTO Dhr. Ing. P.A.M. Rombouts Toehoorder: Provincie Noord-Brabant Mw. Drs. I. Orbon

33

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

34

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

6.

Financiering

Het Regionaal Economisch ActieProgramma Zuidoost-Brabant zal voor de helft gefinancierd worden uit regionale middelen en voor de andere helft uit provinciale middelen. Het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE/gemeenten) en de Kamer van Koophandel Oost-Brabant zullen voor 2001 gezamenlijk een bedrag ad. F 625.000,- bijdragen aan projecten. Op basis van deze regionale bijdragen wordt aan de provincie Noord-Brabant eveneens een bijdrage van 625.000,- gevraagd. Voor de financiering van het Regionaal Economisch ActieProgramma Zuidoost-Brabant in 2001 ontstaat het volgende begrotingsbeeld: SRE Kamer van Koophandel OostBrabant Provincie Noord-Brabant Totaal 312.500 312.500 625.000 1.250.000

De middelen zullen, behalve aan het programmamanagement, besteed worden aan projecten die passen binnen de thema´s zoals die in deze meerjarenvisie naar voren zijn gebracht. In de jaarrapportage, die begin 2002 verschijnt, zal de besteding van de middelen aan de verschillende projecten inzichtelijk worden gemaakt.

35

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

7.
7.1

Monitoring regionaal economische ontwikkeling
Inleiding

In paragraaf 7.2 wordt een overzicht gepresenteerd van kengetallen die een beeld schetsen van de regionale economie van Zuidoost-Brabant. Als een dergelijk overzicht jaarlijks wordt geactualiseerd, dan wordt de dynamiek en ontwikkeling van de regionale economie zichtbaar. De lijst met kengetallen zou verder uitgebreid kunnen worden met onderwerpen die bij het REAP hoog op de agenda staan. Hierbij kan gedacht worden aan kengetallen ten aanzien van mobiliteit en (duurzaam) ruimtegebruik. Telos is momenteel bezig met het benoemen van meer kwalitatieve indicatoren. Het REAP zou hier eventueel bij kunnen aanhaken. De kengetallen kunnen niet als indicatoren fungeren die de effecten van het REAP aantonen. Het is onmogelijk om de bijdrage van het REAP hierin te kwantificeren. Sowieso is het moeilijk om op voorhand de doelstellingen c.q. effecten van het REAP (bijvoorbeeld in termen van arbeidsplaatsen, benaderde bedrijven, e.d.) te kwantificeren. Dit heeft onder andere te maken met de onvoorspelbaarheid van het aantal, het type en de omvang van projecten die een beroep zullen doen op het REAP. Doelstellingen zullen dan ook met name per project geformuleerd moeten worden. Het ligt voor de hand deze projecten achteraf te evalueren en doelstellingen en realisatie met elkaar te confronteren. Uiteraard zullen de formulering van de doelstellingen en de evalutietrajecten aansluiten op de door de provincie gehanteerde uitgangspunten en richtlijnen.

7.2

Kengetallen

In het volgende overzicht worden voor de regio Eindhoven en Nederland voor de onderwerpen bevolking, arbeidsmarkt, onderwijs, economie en bedrijventerreinen een aantal kengetallen gepresenteerd. Kengetallen regio Eindhoven en Nederland Indicators
Bevolking Bevolking (1-1-2001) Oppervlakte (vierkante kilometer) Bevolkingsdichtheid Leeftijdscategorieën (2000) % 0-14 % 15-64 % 65+ Aantal allochtonen (2000) % in totale bevolking (2000) Bevolkingsgroei (1991-2001) Gemiddelde jaarlijkse groei in periode 1991-2001 Arbeidsmarkt (gegevens 2000) Werkgelegenheid/werkzame beroepsbevolking) Beroepsbevolking % allochtoon (niet-westers) Netto participatie Werkloosheid Werkloosheidscijfer Vacaturegraad: vacatures per 1000 werkenden (1999) Arbeidsmarkt reserve (niet actief op de arbeidsmarkt)

Regio Eindhoven

Nederland

714.100 1.458 490 18,5% 68,6% 12,9% 103.700 14,6 8,5% 0,8%

15.983.100 (100%) 41.528 (100%) 385 18,6% 67,9% 13,6% 2.797.000 17,5% 6,5% 0,6%

331.000 8,2% 64% 6.300 1,9% 35 129.000

7.258.000 10,6% 64% 188.000 2,6% 24 2.891.900

36

ETIN Adviseurs

Meerjarenvisie en programma REAP Zuidoost-Brabant

Kengetallen regio Eindhoven en Nederland (vervolg) Indicators Regio Eindhoven
(vervolg) arbeidsmarkt Werkgelegenheid - agrarische sector - industrie - bouwnijverheid - handel - diensten Aandeel ICT-sector in totale werkgelegenheid Onderwijs (aantal leerlingen 1999/2000) Avo (x 1000) Vbo (x 1000) Mbo (x 1000) Hbo (x 1000) Wo (x 1000) Economie Bruto Regionaal Product (miljard gulden, 1998) Omzet groei (2000) Aandeel export/omzet (2000) Export groei (2000) Investerende bedrijven (2000) Bedrijven met voldoende rendement (2000)

Nederland

351.100 4,3% 21,1% 7,1% 17,9% 49,5% 6,2%

6.899.450 4,6% 14,8% 6,7% 18,3% 55,6% 3,5%

29,4 8,9 12,4 15,5 5,3

660,5 208,0 271,8 251,2 150,7

34,9 9,4% 36,0% 18,1% 63% 70%

776,2 5,6% 22,6% 8,5% 69% 74%

Bedrijventerreinen Terstond uitgeefbaar 1-1-2001 (ha) 118 Totaal uitgeefbaar 1-1-2001 (ha) 334 Gemiddelde uitgifte per jaar 1996 – 2001 (ha) 72 Uitgifte 2000 62 Bron: CBS, ERBO, ScarB, Vestigingenregister Noord-Brabant, LISA, ETIN Adviseurs

37