Plan van Aanpak Beleidsintensivering herstructurering bedrijventerreinen Provincie Overijssel FASE 1: Aanjaagprojecten

Versie: 3.0 Auteur: Ingrid Kalkhoven Datum: 4 januari 2007

Huidige bedrijventerreinen zijn niet mooi, onpraktisch, ruimteverslindend en mensonvriendelijk. 1

1. Inleiding Dit Plan van Aanpak (PvA) is een nadere uitwerking van de Startnotitie beleidsintensivering herstructurering bedrijventerreinen (EMT/2006/3795) die op 8 november 2006 door Provinciale Staten is aangenomen. Zoals in de Startnotitie gemeld bestaat het project uit twee fasen, een korte termijn en een lange termijn. 2 Dit PvA omvat de nadere uitwerking van de korte termijnfase, alsmede een aantal uitgangspunten en opties. In paragraaf 2 staat voor beide fasen de opdracht van de projectgroep beschreven. In paragraaf 3 staat de definitie van herstructurering beschreven zoals die door de projectgroep wordt gehanteerd. Paragraaf 4 betreft de nadere uitwerking van de korte termijnfase, waaronder de aanjaagprojecten. Paragraaf 5 gaat in op de mogelijke rollen van de provincie en het (toekomstig) beschikbare instrumentarium dat gehanteerd kan worden (opties). Paragraaf 6 gaat over de projectorganisatie inclusief financiën, communicatie en planning. Waar nodig zal dit in de uitwerking van Fase 2 aangescherpt c.q. verdiept worden. 2. Opdracht projectgroep De projectgroep Beleidsintensivering herstructurering bedrijventerreinen heeft de opdracht de volgende producten op te leveren: Korte termijnfase: 1) Voorstel aanjaagprojecten (in paragraaf 4 bijgevoegd). 2) Uitwerking per aanjaagproject van vraagstelling, aanpak en te behalen resultaat voor de provincie. 3) Zorgdragen voor uitvoering van de aanjaagprojecten. Lange termijnfase: 1) Voorstel financieringsopties. 2) Voorstel uitvoeringsorganisatie passende bij de opties onder 1). 3) Zorgdragen voor instellen uitvoeringsorganisatie. 4) Voorstel opties RO-instrumentarium. 5) Uitwerking van de gekozen optie onder 4). 6) Voorstel voor inpassing in bestaande organisatie na voltooiing projectopdracht. 7) Voorstel met betrekking tot “kenniscentrum” en afhankelijk van voorstel zorgdragen voor totstandkoming daarvan. Dit alles ten behoeve van de realisatie van de doelstellingen die de provincie zich heeft gesteld (zie 5.1.). Hierbij dienen de aangenomen beleidskaders (zie 5.1.) als uitgangspunten gehanteerd te worden. Dit alles binnen een vastgestelde planning. De projectgroep zorgt voor interne afstemming met aanverwante dossiers.

Uit: BNSPNieuws, nr. 2 mei 2005, Infobulletin Beroepsvereniging van Nederlandse Stedenbouwkundigen en Planologen 2 Het is mogelijk t.z.t. de opdracht uit te breiden met de uitwerking/invoering van het nieuwe beleid zijnde Fase 3.

1

2

Niet-aanjaaggemeenten Bovenstaande houdt in dat de projectgroep zich bezighoudt met de aanjaaggemeenten. De lijn (EMTW) houdt zich bezig met de reguliere herstructureringsprojecten, dat wil zeggen, met alle gemeenten en terreinen die niet de status van aanjaagproject hebben. De recent aangepaste subsidieregeling 2007 staat deze gemeenten ter beschikking als men aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Overigens kan ook binnen een aanjaagproject het besluit genomen worden een subsidie-aanvraag op basis van de regeling 2007 in te dienen. De afwikkeling van zo’n aanvraag geschiedt bij EMTW. Met de lijnorganisatie zal voortdurend afstemming plaatsvinden om het uit elkaar lopen van aanjaagprojecten en niet-aanjaagprojecten op het terrein van herstructurering te voorkomen. Over de onderlinge taakverdeling tussen de projectgroep en EMTW zal met externen goed gecommuniceerd worden, onder andere door middel van een brief aan alle gemeenten. Nieuwe terreinen Gegeven de doelstellingen die de provincie zichzelf gesteld heeft zal het nieuw te ontwikkelen lange termijnbeleid ook betrekking hebben op nieuwe terreinen. Hierbij moet gedacht worden aan zaken als duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en parkmanagement. 3. Definities Definitie herstructurering In dit Plan van Aanpak (PvA) wordt de volgende definitie van herstructurering gehanteerd 3 : “Alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend.” Herstructurering kan verschillende vormen hebben, van een opknapbeurt tot totale verandering van de functie van het terrein. Hiervoor worden de volgende definities gehanteerd: 1. Facelift 2. Revitalisering 3. Herprofilering 4. Transformatie Ad 1 Facelift: Een grote opknapbeurt bij (deels) technische veroudering van het terrein. Ad 2 Revitalisering: Een integrale aanpak is nodig om de deels technische, economische en maatschappelijke veroudering tegen te gaan. Het vestigingsmilieu wordt vernieuwd waarbij bestaande economische functies behouden blijven. Ad 3 Herprofilering: Het terrein krijgt (deels) een andere werkfunctie, met een hogere vastgoedwaarde (bijvoorbeeld kantoren). Een integrale aanpak bestrijdt de economische, maatschappelijke en ruimtelijke veroudering. Ad 4 Transformatie: Het terrein met economische en ruimtelijke veroudering krijgt door een integrale aanpak een andere functie, zoals wonen, leisure en/of retail. Het project Beleidsintensivering herstructurering bedrijventerreinen gaat met name over revitalisering en herprofilering. Dit uitgangspunt zal meegenomen worden in het nieuw te ontwikkelen lange termijnbeleid. Bij de keuze of en zo ja in welke mate van zwaarte ingrepen gepleegd zouden moeten worden, moet vooraf een kosten/baten-analyse gemaakt worden (zien onder herstructureringsopgave).
3

Deze definitie komt overeen met die uit het UBS 2007

3

Definitie verouderingsbegrippen: 1. Technische veroudering: betreft de fysieke en niet-fysieke infrastructuur, die niet langer als passend gezien worden op de vestigingseisen van bedrijven, zoals slijtage aan materialen, maar ook het ontbreken van bijvoorbeeld glasvezelkabel, een te smal wegprofiel of het ontbreken van openbaar vervoer voor arbeidsintensieve bedrijven. 2. Ruimtelijke veroudering: betreft de inrichting en lay-out van het bedrijventerrein, maar ook de ruimtelijke inpassing in de omgeving. 3. Maatschappelijke veroudering: sociale veiligheid en andere leefbaarheidsaspecten. 4. Economische veroudering: is het afnemen van de bijdrage, welke het terrein levert aan de economische ontwikkeling van de stad of regio (bruto regionaal product, aantal arbeidsplaatsen), maar ook afname van de grondwaarde en het bedrijfsonroerend goed op het bedrijventerrein doordat perceel en gebouw incourant zijn geworden. Onder duurzame maatregelen wordt verstaan: Het realiseren van voorzieningen op de gebieden energie, water, grondstoffen, afval, nutsvoorzieningen, gebouwen, verkeer en vervoer, ruimtelijke inrichting en parkmanagement, die leiden tot een hoger economisch rendement en een lagere milieubelasting en een zorgvuldig ruimtegebruik op een bestaand of nieuw bedrijventerrein. Onder zorgvuldig ruimtegebruik wordt verstaan: Het zo efficiënt mogelijk benutten van de bruto beschikbare hoeveelheid bedrijventerrein. Bijvoorbeeld door het vergroten van de bouwhoogte; meervoudig ruimtegebruik (zoals parkeerplaatsen die ’s avonds gebruikt kunnen worden); gemeenschappelijk grondgebruik of het beter benutten van restruimtes en ongebruikte kavels. Herstructureringsopgave Om te kunnen bepalen hoe groot de herstructureringsopgave voor de provincie Overijssel daadwerkelijk is zal het Stec-onderzoek dat in 2004 is uitgevoerd geactualiseerd worden. Deze kennis is onder andere nodig om te kunnen berekenen hoeveel de totale herstructureringsopgave zal gaan kosten (onafhankelijk van wie welk deel van de kosten op zich neemt). Tevens is deze kennis nodig om een planning en prioritering te kunnen aanbrengen voor de toekomst, en als provincie de eigen te behalen resultaten smart te kunnen formuleren. Het evaluatie-onderzoek dat in 2003 namens de provincie is uitgevoerd (PS/2003/886) naar bedrijventerreinen zal hierbij ook betrokken worden. Op basis van ervaringsgegevens 4 is bekend dat herstructurering van enige omvang per ha € 200.000 - € 300.000 kost: • inclusief verbetering van de verkeersveiligheid en interne ontsluiting, groen en verlichting en de aanleg van extra parkeerplaatsen; • exclusief verwerving en uitplaatsing, ontruiming en sloop en bodemsanering. Facelifts zijn goedkoper, transformaties duurder. Bij zware herstructureringsopgaven kunnen de kosten oplopen tot € 3.000.000 per ha: • inclusief verwerving en uitplaatsing, ontruiming en sloop en bodemsanering

4

Gegevens Stec Groep

4

4. FASE 1 4.1. Aanjaagprojecten In de brief van 12 april 2006 over de beleidsintensivering is melding gemaakt van het voornemen te gaan werken met een aantal aanjaagprojecten. Het doel van het instellen van aanjaagprojecten is tweeledig: 1. Versnellen van een aantal herstructureringsopgaven. 2. Leren van deze projecten ten behoeve van de ontwikkeling van het lange termijnbeleid. De projectgroep kiest ervoor zeven gemeenten in maximaal vijf aanjaagprojecten op te pakken. Zij denkt (mede) daardoor voldoende relevante input te hebben om het lange termijnbeleid te kunnen ontwikkelen. Gegeven de te realiseren planning en personele mogelijkheden is vijf ook de uiterste span of control. Voor elk aanjaagproject zal een aanjaagteam gevormd worden. De exacte invulling van dat team hangt af van het specifieke project. Zo denken wij de projecten 1 en 3 (zie hieronder) meer in de vorm van een werkgroep aan te pakken. In ieder geval zal ieder aanjaagteam minimaal één provinciale vertegenwoordiger kennen. De rol van de provincie in een aanjaagteam bestaat uit stimuleren, ondersteunen en faciliteren. De provincie neemt nooit de verantwoordelijkheid van de gemeenten over. De verwachting is dat gerichte en voor een bepaalde periode continue aandacht vanuit de provincie deze projecten op zich al vooruit zal helpen. De taak van een aanjaagteam bestaat uit het uitvoeren van de, in overleg met de gemeenten, vast te stellen projectopdracht. Die taak zal dus per project verschillend zijn, aangezien het gaat om verschillende typen vraagstukken. De selectie van potentiële aanjaagprojecten is gebaseerd op de volgende criteria: • Ieder aanjaagproject moet bijdragen aan één van de vraagstukken t.b.v. de lange termijnontwikkeling; d.w.z. dat er geen dubbelingen qua onderwerp inzitten. • Er moet bij de betreffende gemeenten voldoende draagvlak zijn om daadwerkelijk een aanjaagproject tot uitvoering te brengen. Dit houdt tevens in dat de gemeente zorg dient te dragen voor voldoende draagvlak bij de ondernemers. Dat wil zeggen dat er concrete stappen voorwaarts gezet moeten kunnen worden. • Er moet sprake zijn van stagnatie, dus een daadwerkelijk probleem om tot de noodzakelijke herstructurering te komen. • De betreffende herstructureringsplannen moeten bijdragen aan de provinciale doelstellingen. Op basis van bovenstaande criteria zijn door de projectgroep de volgende aanjaagprojecten gekozen: Gemeente 1. Enschede en Kampen 2. Almelo 3. Hardenberg en Zwolle 4. Ommen 5. Zwartewaterland Aspect herstructureringsmaatschappij procesmanagement geluidsproblematiek duurzaamheid/kwaliteit bedrijfsverplaatsing Bijzonderheden 2 pilots binnen 1 aanjaagproject 2 pilots binnen 1 aanjaagproject

5

Na keuze van de aanjaagprojecten door GS wordt met de betreffende gemeente het volgende geregeld: 1. er komt per aanjaagproject een opdracht voor het aanjaagteam; 2. binnen welke termijn die opdracht dient te zijn afgerond en de standaard(tussen-) rapportage aan de DB’s van gemeenten en provincie (1 A4-tje over de voortgang); 3. wordt afgesproken wie deelnemen in het aanjaagteam; 4. wat taak, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het aanjaagteam zijn; 5. wat de financiële afspraken zijn (wat wordt betaald, door wie en onder welke voorwaarden); 6. communicatie-afspraken. Deze afspraken worden per gemeente met de het college vastgelegd. Voor deze fase zal een communicatieplan geschreven worden (1e kwartaal 2007). Na besluitvorming in GS zullen alle gemeenten in Overijssel per brief over de aanjaagprojecten geïnformeerd worden. Daarbij zal de onderbouwing van de keuze toegelicht worden alsmede wat de is relatie tussen het project en de lijn en tot wie binnen de provincie de gemeenten zich kunnen wenden met vragen. Alle gemeenten binnen de provincie zullen ten behoeve van de lange termijnontwikkeling wel geraadpleegd worden door de projectgroep. In de brief van april 2006 zijn de volgende zeven gemeenten genoemd als potentiële aanjaaggemeenten: 1. Kampen (Haatland) 2. Hardenberg (Bruchterweg/Nieuwe Haven) 3. Steenwijkerland (Groot Verlaat) 4. Zwartewaterland (Tapijtwijk) 5. Enschede (Havengebied) 6. Almelo (Dollegoor) 7. Wierden (Kluinveen) Met deze gemeenten zijn gesprekken gevoerd. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met Zwolle en Ommen. Van de overige gemeenten is bij de provincie ruimschoots kennis over hun bedrijventerreinen en de herstructureringsopgaven aanwezig. De gemeente Wierden heeft op dit moment nog geen uitgewerkte analyse van de eigen situatie en geen onderbouwing voor een vraagstelling waar de provincie voor de ontwikkeling van de lange termijnvisie haar voordeel mee kan doen. Gelet op deze situatie zal medio februari overleg zijn met de gemeente Wierden. De gemeente Steenwijkerland heeft aangegeven op dit moment geen herstructureringsopgave van enige omvang te hebben. Daarmee viel deze gemeente af als mogelijk aanjaagproject in het kader van het project herstructurering. De gemeente en de provincie zijn het daar over eens. Tijdens de gesprekken met Steenwijkerland bleek deze gemeente wel zeer geschikt als pilotproject in het kader van het programma Investeren in duurzaam Overijssel (IdO). Eén onderdeel van IdO is namelijk het uitvoeren van een pilot in het kader van het duurzame beheer van bedrijventerreinen waaronder parkmanagement. Dit sluit aan bij de ontwikkelingen die nu in Steenwijkerland plaatsvinden. De provincie en de gemeente Steenwijkerland kunnen elkaar op deze manier versterken. De contacten hierover zijn inmiddels gelegd. In de gesprekken met de gemeente Zwartewaterland is het ons duidelijk geworden dat de opgave op het terrein in Hasselt zich veel beter leent voor een aanjaagproject dan de Tapijtwijk. De gemeente onderschrijft dit ook. De gemeente Hardenberg heeft van de provincie subsidie gekregen voor een onderzoek naar de geluidsproblematiek. Gebleken is dat dit een problematiek is waar veel gemeenten mee worstelen, waaronder Zwolle. Gegeven de eerder genoemde criteria, in dit geval vooral het criterium dat het moet bijdragen aan de provinciale doelstellingen, is gekozen voor een combinatie Hardenberg/Zwolle op het terrein van de

6

geluidsproblematiek. Bij de herstructurering in Zwolle gaat het namelijk om een groot aantal ha’s. Bovenstaande inzichten hebben mede bijgedragen tot de keuze voor de 5 eerder genoemde aanjaagprojecten.

7

5. Doorkijk Fase 2: Rol provincie en opties instrumentarium 5.1. Rol provincie Veel verschillende vraagstukken zijn met elkaar verweven, maar benodigde kennis zit vaak bij afzonderlijke disciplines. Alleen door disciplines te integreren en diverse partijen met elkaar te verbinden in vitale coalities kunnen maatschappelijke uitdagingen effectief worden aangepakt. De provincie beperkt zich daarbij niet tot het correct uitoefenen van haar eigen specifieke taak, maar richt zich op effecten en resultaten die zij nooit in haar eentje zou kunnen bereiken. Dit commitment aan maatschappelijke resultaten leidt ertoe dat de provincie niet alleen het initiatief neemt om partijen bij elkaar te brengen en processen te regisseren, maar dat zij daarin ook actief participeert. Veel maatschappelijke partners als bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen, woningcorporaties en zorginstellingen zijn zo groot en breed georiënteerd dat ze de beïnvloedingskracht van (samenwerkende) gemeenten te boven gaan. De provincie heeft vaak wel de schaal om als min of meer onafhankelijke vertegenwoordiger van het publieke belang leiding te nemen en actief te participeren. De provincie participeert door de directe inzet van eigen bevoegdheden, door zelf te investeren en door subsidies in te zetten. De inzet van de provincie helpt andere partijen vaak net over de drempel heen om, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, in actie te komen. Als alle partijen werkelijk samen in actie komen, is er in onze ogen sprake van een vitale coalitie. … Waarborg voor kwaliteit De provincie komt op voor publieke belangen die het risico lopen veronachtzaamd te worden. Algemeen gezegd gaat het om het voorkomen van afwentelgedrag. Vanuit regionaal perspectief is het niet optimaal als gemeenten elkaar beconcurreren met woningen, bedrijventerreinen of toeristische attracties. Vanuit regionaal perspectief is het belangrijk een ambitieus kwaliteitsniveau voor lokale samenlevingen en bestuur te waarborgen. Ook de kwaliteit van natuur, milieu, water en landschap moet op regionaal niveau gewaarborgd worden. Gezien de belangen die hierbij in het geding zijn, zijn toezichthoudende bevoegdheden noodzakelijk, maar het instrumentarium van de provincie is breder. Zij kan kennisdeling bevorderen, ontwikkelingen pro-actief signaleren en bestuurlijke interventies plegen op basis van haar wettelijke of morele gezagspositie. (Uit: De vitale coalitie van de provincie Overijssel) Algemeen Er is een algemeen gevoelen dat de huidige planning en realisering van bedrijventerreinen niet ongewijzigd kan worden voortgezet. Er zijn de laatste tijd veel publicaties, onderzoeken en andere signalen die wijzen op een overmaat aan (plannen voor) nieuwe bedrijventerreinen, en waarin een verspilling van ruimte en gevaar van (verdere) verloedering van bestaande bedrijventerreinen aan de orde wordt gesteld. Er zijn meerdere aanleidingen voor deze constateringen en verwachtingen. Alle toekomstscenario’s wijzen er op dat de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen zal afnemen. Dit vergt een zorgvuldige planning van wat nog moet worden toegevoegd, alsmede een zorgvuldige vormgeving en inrichting. De kans is groot dat de nu nog aan te leggen nieuwe terreinen de laatste uitleg zullen zijn en dus veelal een blijvende stads- of dorpsrand gaan vormen. De provincie en herstructurering

8

Bij de planning is het zaak om nu al inzicht te krijgen hoe uitbreiding zich verhoudt tot efficiënter en intensiever gebruik van bestaande terreinen. Daarbij wordt in de beschouwingen betrokken wat voor de langere termijn de transformatiemogelijkheden van terreinen kunnen zijn. Transformatie naar b.v. woningbouw en voorzieningen leidt ook tot minder uitbreidingsbehoefte voor die sectoren. Voorts is een kansrijk perspectief het ontwikkelen van werklandschappen, met menging van wonen, werken en voorzieningen. Het minder zorgvuldige gebruik van bestaande terreinen heeft diverse oorzaken, zoals onbenutte ruimte voor uitbreidingen, bodemverontreiniging en geluidszonering. Het aanpakken van dit probleem kan daarom niet volgens een vast recept gebeuren. Er zal sprake moeten zijn van maatwerk, creatieve oplossingen en inschakeling van diverse actoren. Dit alles leidt tot situaties die in het kader hierboven over de positie van het middenbestuur zijn geschetst, en die leiden tot de conclusie dat de provincie hier een belangrijke taak heeft. De provincie onderneemt deze taak vanuit het hierboven geciteerde uitgangspunt: “Veel verschillende vraagstukken zijn met elkaar verweven, maar benodigde kennis zit vaak bij afzonderlijke disciplines. Alleen door disciplines te integreren en diverse partijen met elkaar te verbinden in vitale coalities kunnen maatschappelijke uitdagingen effectief worden aangepakt. De provincie beperkt zich daarbij niet tot het correct uitoefenen van haar eigen specifieke taak, maar richt zich op effecten en resultaten die zij nooit in haar eentje zou kunnen bereiken.” Deze effecten en resultaten zullen door partnerschap eerder bereikt worden. Doelstellingen Overijssel bij de beleidsontwikkeling voor bedrijventerreinen (bestaand en nieuw): 1. Behouden c.q. uitbreiden van de werkgelegenheid in de provincie op verouderde bedrijventerreinen. 2. Voorkomen dat het landschap onnodig nog verder door uitbreiding met nieuwe bedrijventerreinen wordt aangetast. 3. Het creëren van een blijvend goed vestigingsklimaat in de provincie voor reeds gevestigde en nieuw aan te trekken bedrijven. 4. Ontwikkelen en versterken van het duurzame karakter van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen waaronder verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; in paragraaf 3 staan een aantal mogelijke maatregelen. Op basis van de inventarisatie van omvang zoals onder paragraaf 3 beschreven zullen in het tweede kwartaal van 2007 bovenstaande doelstellingen in een voorstel zo smart mogelijk geformuleerd zijn, waaronder het vaststellen van het aantal te herstructureren ha tot 2015. Dit is nodig om te kunnen bepalen welk instrumentarium het best ontwikkeld kan worden opdat die doelstellingen ook daadwerkelijk gehaald kunnen worden. Voor de keuze van het te ontwikkelen instrumentarium is het zeer relevant welke rol de provincie Overijssel voor zichzelf ziet als het gaat om ervoor te zorgen dat de doelstellingen verwezenlijkt worden. In het derde kwartaal van 2007 heeft de projectgroep een aantal opties hiervoor uitgewerkt. De projectgroep denkt daarbij aan verschillende vormen van instrumentarium, die soms als alternatieven zullen zijn geformuleerd, maar soms ook aanvullend kunnen worden gehanteerd. Daarbij zal waar mogelijk een opbouw van “lichte tot zware” instrumenten worden gepresenteerd, die aansluiten op de wens om maatwerk per geval of soort van gevallen te kunnen leveren. De aanpak en ervaringen van andere provincies zijn hiervoor een belangrijke input, evenals de resultaten van de aanjaagteams en de relatie met het POP. Deze zullen erbij worden betrokken, waarbij op dat moment de richting aan PS zal worden voorgelegd. Beleidskaders Daarbij gelden de door PS vastgestelde beleidskaders (8 november 2006) als uitgangspunt. Deze zijn:

9

1. We intensiveren het beleid ten aanzien van herstructurering. Dit vergt een verhoging van de ambitie van de provincie in een actief stimulerende rol, zonder de verantwoordelijkheid van gemeente en ondernemers over te nemen. 2. We maken een omslag van sturen op ruimte voor nieuwe bedrijventerreinen naar het sturen op vernieuwing van bedrijventerreinen. Dit houdt in dat er een relatie wordt gelegd tussen de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en de inspanningen die gepleegd zijn/worden op vernieuwing van bestaande terreinen (verbinding nieuw en oud). 3. De regionale afstemming is een essentiële voorwaarde voor het slagen van de herstructureringsopgave, alsmede voor de toekomstige programmering en prioritering van nieuwe terreinen. 4. De provincie beziet hoe in het licht van de noodzakelijk geachte vernieuwing van de regionale afstemming hoe het best omgegaan kan worden met de huidige structuur van RPB’s. Het convenant dat de provincie met de RPB’s heeft gesloten is per 1-1-2007 verlopen en in het licht van bovenstaande niet verlengd. 5. De provincie onderzoekt hoe meer prikkels gegeven kunnen worden voor lokale toepassing van de SER-ladder om de gewenste omslag naar meer samenhangend beleid te bewerkstellingen. 6. De provincie inventariseert de ervaringen bij andere provincies. De provincie inventariseert de kennisbehoefte en beziet hoe de uitwisseling van kennis het best gefaciliteerd kan worden. Met diverse wetenschappelijke instituten zal contact gelegd worden om ook de daar aanwezige kennis binnen te halen. Rol provincies bij herstructurering Gemeenten en ondernemers hebben de primaire verantwoordelijkheid als het gaat om herstructurering. Waarom dan een rol voor de provincie? De argumenten voor een geïntensiveerde aanpak door de provincie zijn onder andere: 1. Geconstateerd kan worden dat de noodzakelijke herstructurering (overigens niet alleen in Overijssel) nu onvoldoende van de grond komt. 2. Er moet erg veel geld bij: de problematiek overstijgt de individuele mogelijkheden van gemeenten. 3. De lokale aanpak die tot op heden is gevoerd leidt tot suboptimale oplossingen, en tot een te lage snelheid in de planvorming, -voorbereiding en -uitvoering. 5.2. Eerste verkenning instrumentarium De verbinding tussen “oud en nieuw” kan op de een aantal manieren tot stand komen, waarbij opties niet alleen alternatieven zijn, maar ook elkaar aanvullend instrumentarium kunnen vormen. Het gaat in dit stadium om gedachtelijnen die nog nader moeten worden onderzocht en uitgewerkt in voorstellen die aan PS ter besluitvorming worden voorgelegd. Wat betreft het RO-instrumentarium kunnen de opties van ‘licht’ naar ‘zwaar’ geformuleerd worden, variërend van het stellen van provinciale randvoorwaarden, het stellen van uitwerkingsregels via het POP, tot een provinciale omgevingsverordening op grond van de nieuwe Wet RO. Wat betreft het financiële instrumentarium zijn de opties:

10

• Herstructureringsmaatschappij(-en) • Fondsvorming al dan niet met aanvullende provinciale subsidieregeling • Vereveningsbijdragen (toeslag op nieuw uit te geven terrein t.b.v. fonds herstructurering) • Bij subsidieregeling “tender”-vormen: deadline voor aanvragen t.b.v. afweging + differentiatie in bijdragen, afhankelijk van prestatie óf continueren huidig beleid (“wie het eerst komt, het eerst maalt”) Als algemene voorwaarde bij elke vorm van financiering kan regionale afstemming vereist worden alsmede prestaties inzake duurzaamheid. Voorwaarden: duidelijkheid over rol provincie (zie hieronder voorbeelden N.H. en Gelderland), schaalgrootte regio’s: b.v. huidige regio’s IJssel-Vecht en Twente en Stedendriehoek (in overleg met Gelderland) of gebieden van gebiedsgericht werken. 5.3 Andere provincies Iedere provincie in Nederland heeft een omvangrijke herstructureringsopgave. Er is door de projectgroep al gestart met het inventariseren hoe (een aantal) andere provincies dit hebben aangepakt of van plan zijn aan te pakken. Hierbij wordt ook gekeken naar de rol die deze provincies hierin voor zichzelf gekozen hebben c.q. gaan kiezen. De provincies Noord-Holland en Gelderland 5 zijn al enige jaren met een actief beleid bezig. In bijlage 1 treft u alvast de aanpak en de ervaringen die daar daarbij tot op heden zijn opgedaan aan. Zowel Noord-Holland als Gelderland zijn overigens op dit moment ook zoekende naar de beste manier om de komende collegeperiode de herstructureringsopgave te vervolgen. 5.4. Ontwikkeling toekomstbestendig beleid (Fase 2) De lange termijnfase behelst de ontwikkeling van nieuw beleid met betrekking tot herstructurering van bedrijventerreinen en de aanleg van nieuwe terreinen. Dit bestaat uit de volgende onderdelen 6 : 1) Afronden inventarisatie te herstructureren terreinen, kosten, behoefte nieuwe terreinen (1e kwartaal 2007). 2) Afronden inventarisatie aanpak aantal andere provincies (1e kwartaal 2007). 3) Smart maken doelstellingen provincie (2e kwartaal 2007). 4) Opties t.b.v. rol provincie en daarbij het ontwikkelen van een bijpassend instrumentarium gegeven de omschreven doelstellingen en beleidsuitgangspunten (inclusief voorstel smart geformuleerde doelstellingen). Daaronder vallen de volgende onderwerpen: 4.1. RO-instrumentarium (4e kwartaal 2007). E.e.a. afhankelijk van de invoering van de nieuwe Wet RO. 4.2. Financiering herstructureringsprojecten (3e kwartaal 2007) 4.3. Uitvoeringsorganisatie (vorm hangt af van te kiezen financieringsinstrument; planning zal daarop worden afgestemd). 4.4. Preventie (onderhoud en beheer/parkmanagement) (4e kwartaal 2007) 4.5. Uitwerking van de gekozen opties in Plan van Aanpak fase 3 (2008). 5) “Kenniscentrum”: op welke wijze kan het beste kennis vergaard en ontsloten worden, met name voor derden en door wie (waar) kan dat het beste
5

Gelderland wil graag met Overijssel de mogelijkheden om Oost NV ook grondaankopen met risicodragend kapitaal te laten doen onderzoeken. De projectgroep zal hieraan deelnemen, maar zal haar eigen tempo aanhouden. 6 Bij de inhoudelijke uitwerking zullen de ontwikkelingen m.b.t. het POP en duurzaamheid meegenomen worden.

11

plaatsvinden. Hierbij kan worden gedacht aan aansluiting bij het kenniscentrum bedrijventerreinen dat Saxion gaat oprichten (kan op basis van letter of intent dat de provincie met Saxion heeft). Voorstel aan PS (4e kwartaal 2007). 6) Maken communicatieplan voor fase 1 (1e kwartaal 2007) en fase 2 (3e kwartaal 2007). 7) Op besluitvorming gerichte planning lange termijnfase (2e kwartaal 2007). Hiertoe zal gewerkt worden met expert meetings en andere bijeenkomsten waar met name extern betrokkenen (gemeenten, ondernemers, KvK/Milieucommissie, Oost NV, SER Overijssel, PCFL, maatschappelijke organisaties e.d.) input kunnen leveren. Op een aantal onderwerpen zal nader (extern) onderzoek verricht worden. Tevens zal de Europese dimensie (ook qua financieringsmogelijkheden) meegenomen worden. De hierboven geschetste planningstermijnen zijn voorlopig. De planning is afhankelijk van de voortgang en afronding van de aanjaagprojecten. De start van fase 2 is pas zinvol als in ieder geval voldoende inzicht aanwezig is in de relevante vraagstukken. De planning van Fase 2 wordt in ieder geval afgestemd op die van de ontwikkeling van het POP en de provinciale vertaling van de nieuwe Wet RO.

12

6. Projectorganisatie 6.1. Projectgroep Binnen de provincie is onder leiding van de projectleider een projectgroep geformeerd om uitvoering aan het Plan van Aanpak te geven. 6.2. Financiën Voor herstructurering bedrijventerreinen is in totaal voor 2007 het volgende beschikbaar: Beschikbaar Bedrag gesteld Perspectiefnota 1.000.000 * 2004 Perspectiefnota 1.500.000 * 2006 Perspectiefnota 3.500.000 ** 2007 Totaal 6.000.000 * = structureel ** = eenmalig Subsidie 7 1.000.000 1.000.000 3.000.000 5.000.000 Opdrachten -500.000 500.000 1.000.000 Budgetbeheerder EMTW EMTW Projectleider herstructurering

Het subsidiebedrag van € 5 miljoen voor 2007 voor herstructurering is voor alle gemeenten in Overijssel beschikbaar, mits aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. Ook vanuit de aanjaagprojecten kan een subsidie-aanvraag ten laste van dit bedrag gedaan worden. Daarnaast is het voor de aanjaagprojecten mogelijk vanuit het opdrachtenbudget van € 500.000,- zaken als inhuur van expertise e.d. via de provincie te laten financieren. Dat zal in onderling overleg gaan en is sterk afhankelijk van het (type) aanjaagproject. Ook de eventuele kosten voor de ontwikkeling van het lange termijnbeleid, zoals inhuur van expertise, komen ten laste van het opdrachtenbudget van € 500.000,-. 2006 In 2006 is voor € 1.548.120,- subsidie verstrekt ten behoeve van herstructurering van bedrijventerreinen in de provincie (exclusief parkmanagement). 6.3. Communicatie Ten behoeve van de communicatie over het project en de (tussen-)resultaten zal een voor zowel de eerste als de tweede fase een communicatieprogramma worden opgesteld. Hierin zal in ieder geval aandacht zijn voor de volgende doelgroepen: - gemeenten met een aanjaagproject (bestuur, raad, ambtelijk apparaat) - overige gemeenten - ondernemers uit gebieden met een aanjaagproject (ondernemersverenigingen, onverenigde ondernemers, KvK’s/Milieucommissie, VNO-NCW) - Regio Twente - Oost NV - KvK/Milieucommissie - Natuur- en milieuorganisaties - SER Overijssel/PCFL - Omwonenden/wijkraden/buurtschappen aanjaagprojecten - Media - Private (financiële) sector
7

Dit betreft de subsidieregeling 2007 die ook openstaat voor gemeenten die geen aanjaagproject hebben.

13

Oversticht (i.v.m. eventeeel industrieel erfgoed) Ambtenaren van de provincie (in ieder geval al na vaststelling PvA door GS) - GS - PS Het ligt in de bedoeling het deel van het communicatieplan dat gaat over de aanjaagprojecten ook door de betreffende gemeenten te laten vaststellen, zodat er op communicatief vlak vooraf al heldere afspraken zijn. 6.4. Planning Zie bijlage 2, separaat bijgevoegd. Deze planning zal in de loop van het jaar nader gepreciseerd worden.

14

Bijlage 1 PvA Fase 1 Inventarisatie andere provincies Noord-Holland 2003-2007 Doelstellingen De provincie Noord-Holland heeft voor de uitvoering van haar herstructureringsbeleid € 23,5 miljoen uitgetrokken (uit UNA-gelden). De doelstelling is: • 1000 ha herstructureren • 15% ruimtewinst boeken in 2005 • 10% ten behoeve van duurzame innovatieve maatregelen Na drie jaar is hiervan gerealiseerd: • 876 ha wordt nu opgeknapt • er is gemiddeld 11,3% ruimtewinst geboekt • 12% van de ingezette middelen is besteedt aan duurzame maatregelen De 15% ruimtewinst is politieke keuze geweest die niet cijfermatig was onderbouwd. De ervaring leert dat 10% op bestaande terreinen haalbaar is, maar er is voor gekozen om hoger in te zetten vanwege de signaalwerking. Bij nieuwe terreinen moet je aantonen dat je 10% zuiniger omgaat met de ruimte dan omliggende, vergelijkbare, terreinen. Hoe meer schaarste er is (zoals in Amsterdam en Haarlem) hoe hoger de kwaliteitseisen kunnen zijn. Er is bewust niet voor gekozen te sturen op arbeidsplaatsen. Volgens Noord-Holland leidt dat tot nog meer kantoren of bedrijven die je juist niet zou willen hebben. Het multipliereffect van de provinciale bijdragen blijkt sterk aanwezig. Regionale afstemming De geraamde vraag naar nieuwe terreinen is door de provincie met 15% gekort vanwege de intensiveringsdoelstelling. Van de terreinen is 60% aangewezen als regionaal bedrijventerrein en 40% als lokaal. Die 40% (= 140 ha) is in te vullen door de gemeenten in Regionale Bedrijventerreinen Visies (RBV). Een RBV moet de volgende elementen bevatten: - aantal ha per gemeente tot 2014 - fasering - verscheidenheid in vestigingsmilieus - herstructurering - intensivering - betrokkenheid matschappelijke organisaties De verhouding 60-40 is een politieke keuze geweest. Bij regionale terreinen heeft de provincie een veel grotere rol en dus meer grip. Hierbij is gekeken naar locatie en omvang. Er blijven overigens discussies met de gemeenten over het “grijze” gebied. De provincie heeft tot nu toe geen gebruik gemaakt van haar aanwijzingsbevoegdheid. De ervaringen in Noord-Holland hiermee zijn: • de ene regio voert te weinig en de andere regio teveel ha op; • de betrokkenheid van het bedrijfsleven is gering; • het RBV bestaat vooral uit een inventarisatie van bestaande plannen en heeft te weinig visie. • Desondanks wordt de druk om meer af te stemmen in de gemeenten steeds meer gevoeld. Regeling

15

Noord-Holland heeft begin 2006 een nieuwe “Deelverordening herstructurering en innovatief ruimtegebruik bedrijventerreinen” 8 opgesteld. Dit betreft een subsidieregeling met een financieel plafond. Deze regeling geldt voor zowel oude als nieuwe terreinen. Wat dat laatste betreft vooral vanwege het stimuleren van intensief ruimtegebruik en duurzaamheid. Naast gemeenten kunnen ook bedrijven en organisaties zoals ondernemersverenigingen, KvK’s, leveranciers van gas en water, milieu- en ander maatschappelijke organisaties, projectontwikkelaars, adviesbureaus en samenwerkingsverbanden van verschillende bedrijven of bedrijventerreinen gebruik maken. De meeste aanvragen worden door gemeenten ingediend (i.v.m. staatssteunproblematiek). Maximaal bedrag per aanvraag is € 1.500.000. Het ontwikkelen van een beeldkwaliteitsplan op bestemmingsplanniveau is verplicht gesteld. Van deze regeling is ook een overzichtelijke folder gemaakt. De subsidieregeling is een tender, dat wil zeggen dat er 1 datum per jaar is waarop alle subsidie-aanvragen binnen moeten zijn. Een onafhankelijke adviescommissie 9 adviseert over de toekenning. Tot nu toe is dat advies altijd gevolgd. Voordeel hiervan is dat er gekeken kan worden naar die projecten die het best en het snelst bijdragen aan de doelstellingen. Er worden voldoende aanvragen ingediend die uitsluitend gaan om duurzaamheid. Als nadeel van deze constructie wordt gezien de inflexibiliteit (vaste bedragen per jaar los van het aantal aanvragen en de totale hoogte van de aanvragen). In het begin waren er voldoende aanvragen voor een zorgvuldige afweging, het laatste jaar eigenlijk te weinig. Teveel helpen met een aanvraag door provinciemedewerkers leidt tot aantasting van de integriteit als die aanvragen vervolgens beoordeeld moeten worden. Ontwikkelingsmaatschappijen In Noord-Holland functioneren enkele ontwikkelingsmaatschappijen. Deze zijn klein van omvang (deelnemers) en bedrag (rond de € 1,5 miljoen, waarvan rond de 6,5 ton provinciale inbreng). Deze maatschappijen krijgen provinciale doelstellingen mee. De ervaringen met deze ontwikkelingsmaatschappijen zijn niet positief. Een probleem hiermee is onder andere het verbod op staatssteun en het feit dat dit soort maatschappijen zich op stellen (en ook moeten stellen) als bedrijf vanwege het te behalen rendement en zich daardoor nauwelijks meer onderscheiden van ontwikkelaars in de markt. Een ander probleem is dat bij onrendabele plannen de provincie alleen maar een lening kan verstrekken, omdat subsidie i.v.m. het verbod op staatssteun niet kan. Zo’n lening moet marktconform verstrekt worden. Gelderland 2003-2007 Doelstelling De overall doelstelling t.a.v. bedrijventerreinen is: • revitalisering van bedrijventerreinen en bedrijfscomplexen; • betrouwbare fysieke en digitale bereikbaarheid; • efficiënt en duurzaam parkmanagement; • integrale gebiedsontwikkeling De concrete doelstelling voor deze collegeperiode t.a.v. revitalisering was het herstructureren van 450 ha. Tot nu toe is al subsidie verleend voor in totaal 550 ha. Het totaal te herstructureren oppervlakte in Gelderland tot 2010 is nog 2300 ha. Gelderland heeft nog geen koppeling van nieuw aan oud, maar heeft het huidige RO-beleid al wel strakker aangetrokken.
8 9

Deze regeling was al geënt op de nieuwe Wet RO Leden: KvK levert voorzitter, verder vertegenwoordiger EZ i.v.m. Topper-regeling, hoogleraar i.v.m. duurzaamheid, vertegenwoordiger vereniging bedrijventerreinen i.v.m. parkmanagement, vertegenwoordiger Milieufederatie NH, vertegenwoordiger provinciale afdeling MKB

16

In het KAN-gebied heeft men zichzelf een taakstelling van 40% ruimtewinst opgelegd, maar dat wordt door de provincie als te hoog gezien. Subsidieregeling In Gelderland is ook een subsidie-regeling die per jaar één inzenddatum kent. Hier wordt echter doelbewust niet gesproken van een tender, omdat die als nadeel heeft dat het uit te geven bedrag van te voren moet vaststaan. In Gelderland wil men afwachten voor hoeveel er in totaal aan subsidie wordt aangevraagd. Als dat het bedrag overschrijdt dat in principe beschikbaar is, wil men de ruimte houden aan het bestuur voor te leggen het bedrag te verhogen (Gelderland kent ook een soort Ontwikkelfonds = RUP). Voor 2007 is in totaal ongeveer € 7,5 miljoen beschikbaar (w.v. € 3,2 miljoen RUP-gelden 10 ). Per subsidie-aanvraag is maximaal € 500.000,- beschikbaar, maar bij projecten van bijzonder belang kan dit maximum verhoogd worden. Gemeenten moeten altijd 50% zelf bijdragen. Ambtelijk wordt dat in Gelderland aan de lage kant gevonden. Er worden nu ideeën ontwikkeld om meerjarenafspraken te gaan maken met gemeenten (dus per jaar één subsidie-aanvraag maar al zekerheid hebben dat je dat een aantal jaren achtereen zult krijgen). De verwachting is dat dan ook meer geld weg te zetten is. In deze subsidie-regeling is ook bedrijfsverplaatsing vervat alsmede een bijdrage aan de kosten voor bodemsanering. Convenanten Los van bovenstaande subsidieregeling hebben GS van Gelderland met de zes regio’s convenanten afgesloten voor versnelde uitvoering van grote projecten in 2007. Dat gaat in totaal over € 73 miljoen. Voor een aantal regio’s betreft dit ook grote herstructureringsprojecten. Dit kan per herstructureringsproject oplopen tot een provinciale bijdrage van enkele miljoenen. Regionale afstemming Ook binnen Gelderland wordt gewerkt met regio’s. Deze regio’s moeten een plan maken voor programmering van de herstructurering voor 3-4 jaar, op basis van de gegevens uit het Stec-onderzoek. Opname in een regionaal herstructureringsprogramma is een voorwaarde om voor subsidie in aanmerking te komen. Tot op heden loopt dit goed. Per regio is er ook een werkgroep die zich bezighoudt met de planning en programmering van de nieuwe terreinen. De BLM-methodiek is hiervoor hanteerbaar gemaakt op regioniveau. Over de BLM-methodiek is in Gelderland geen discussie. Herstructureringsmaatschappijen Hattem-Oldenbroek kent een herstructureringsmaatschappij waar de provincie financieel aan mee doet als het gaat om nieuwe terreinen en verplaatsingen. Gelderland is erg geïnteresseerd in het verder uitbouwen van deze manier van financieren. Gelderland wil Oost NV in staat stellen om – in aanvulling op de gemeente – zo nodig risicodragend kapitaal in te zetten bij de aankoop van kavels. In principe moet dit geld zich bij de verkoop van kavels weer terugverdienen. Dit idee wil Gelderland in 2007 met Overijssel verder uitwerken.

10

RUP = Regionale Uitvoeringsprogramma’s

17