\|s|o cp p.cv|rc|.|o Jvr.

n|ok 2006
'PDVTPQIFUQPUFOUJFFMWBOBMMPDIUPPO/FEFSMBOE
,FOOJTFO&DPOPNJTDI0OEFS[PFL
Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inhoudsopgave

Voorwoord Voorwoord Voorwoord Voorwoord 3 33 3
Leeswijzer Leeswijzer Leeswijzer Leeswijzer 4 44 4
Groei en kracht in de regio’ Groei en kracht in de regio’ Groei en kracht in de regio’ Groei en kracht in de regio’s ss s 5 55 5
Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland 9 99 9
Groningen Groningen Groningen Groningen 23 23 23 23
Friesland Friesland Friesland Friesland 34 34 34 34
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe 45 45 45 45
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel 56 56 56 56
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland 67 67 67 67
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland 78 78 78 78
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht 89 89 89 89
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland 100 100 100 100
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland 111 111 111 111
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland 122 122 122 122
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant 133 133 133 133
Limburg Limburg Limburg Limburg 144 144 144 144
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen 155 155 155 155
Bronvermelding Bronvermelding Bronvermelding Bronvermelding 161 161 161 161
Colofon Colofon Colofon Colofon 162 162 162 162

3
Voorwoord Voorwoord Voorwoord Voorwoord

In het Nederland van 2006 wonen ruim 3,1 miljoen mensen met een allochtone achtergrond, van
wie ongeveer 1,7 miljoen mensen van niet-westerse afkomst. In deze Visie op provinciale
dynamiek 2006 hebben wij daarom, behalve naar het economisch presteren van de Nederlandse
provincies, uitvoerig gekeken naar laatstgenoemde bevolkingsgroep. Niet om ons in de veelheid
aan maatschappelijke discussies te mengen, maar om een aantal maatschappelijke en
economische feiten op een rij te zetten. Voor ons als allfinanz marktleider vormen de ‘nieuwe
Nederlanders’ immers in de eerste plaats een belangrijke focusgroep. Zowel de ondernemer als de
particulier. En niet alleen als klant, maar ook als werknemer en collega. Diversiteit in ons beleid is
voor ons dan ook geen vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar zoete
noodzaak.

Mensen van buitenlandse afkomst hebben vaak een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling
van ons land. Daarom wil ik graag eens met u terugblikken. Terugblikken naar het begin van een
lange periode van tot dan toe ongekende rijkdom. We schrijven de tweede helft van de zestiende
eeuw als forse stromen immigranten in ons land neerstrijken. De Lage Landen stonden in die tijd
bekend om hun relatief tolerante houding naar buitenlanders. Tolerantie die deels te maken had
met onze afhankelijkheid van buitenlandse handel en daarom nogal pragmatisch van aard was.
Hoe het ook zij, de grote instroom van immigranten was van eminent belang voor de economische
en creatieve bloei die Nederland de hieropvolgende eeuw doormaakte. Zo is de opkomst van de
Nederlandse lakenindustrie, die onder meer Leiden groot maakte, rechtstreeks toe te schrijven aan
de instroom van goede Vlaamse en Waalse calvinistische ambachtslieden die vanwege hun religie
naar ons land moesten vluchten. Overigens was deze ‘braindrain avant la lettre’ een klap in het
gezicht van de Vlaamse lakenindustrie, maar dat terzijde.

Ook anno 2006 kan worden geconcludeerd dat mensen met een allochtone achtergrond zich
steeds meer ontpoppen als een belangrijke bron van dynamiek en nijverheid. Daarom hebben we
in de Visie op provinciale dynamiek 2006 uitgebreid gekeken naar de demografie, het
ondernemerschap en de maatschappelijke positie van de niet-westerse allochtonen in ons land.
Ons onderzoek leverde een aantal verrassende uitkomsten op. Wist u bijvoorbeeld dat het aantal
niet-westerse allochtone ondernemers in de afgelopen drie jaar met 13% groeide, terwijl het
aantal autochtone ondernemers met slechts 6% steeg? Dit en een schat aan andere
onderzoeksresultaten vindt u in deze publicatie en meer gedetailleerd per provincie (en zelfs op
een nog kleinere schaal) op onze website: www.rabobankgroep.nl/provinciestudies.

Rest mij u veel plezier toe te wensen bij het lezen van de Visie op provinciale dynamiek 2006. Ik
hoop dat deze studie zal bijdragen aan een beter inzicht in de positie van onze allochtone
landgenoten en de betekenis die deze bevolkingsgroep, niet wezenlijk anders dan in de Gouden
Eeuw, heeft voor onze samenleving en economie.

Bert Heemskerk
Voorzitter raad van bestuur
Rabobank Nederland

Juni 2006
4
Leeswijzer Leeswijzer Leeswijzer Leeswijzer

De Visie op provinciale dynamiek 2006 is een bundeling van twaalf afzonderlijke rapporten waarin
per rapport één provincie aan bod komt. Deze rapporten worden voorgegaan door twee
samenvattende hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk, Groei en kracht in de regio’s, behandelt de
recente regionaal economische ontwikkelingen in Nederland. Hierin presenteren we onder andere
de top 40 van de economische prestaties van Nederlandse regio’s in 2005. Het tweede hoofdstuk,
Allochtonen in Nederland, gaat in op het centrale thema en beschrijft een groot aantal kenmerken
van niet-westerse allochtonen, hun onderlinge verschillen en verschillen met autochtonen. Dat
gebeurt aan de hand van drie subthema’s: demografie, maatschappelijke positie en
ondernemerschap.

De hierop volgende provinciale deelrapporten zijn identiek opgebouwd in vier hoofdstukken. In
het eerste hoofdstuk komt de economie in de betreffende provincie aan de orde. We kijken daarbij
ook naar de regionale verschillen binnen de provincie. In de drie daaropvolgende hoofdstukken
diepen we het thema uit. Daarin beschrijven en analyseren we achtereenvolgens een aantal
kenmerken van de demografie, de maatschappelijke positie en het ondernemerschap van
allochtonen. Door vergelijkingen te maken met andere provincies en door op verschillende
vlakken in te zoomen op regionale verschillen schetsen we een globaal beeld per provincie.

5
Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s
And the winner is… And the winner is… And the winner is… And the winner is…
In de Visie op provinciale dynamiek analyseren we jaarlijks de economische prestaties van het
bedrijfsleven in de Nederlandse regio’s. Dit doen we enerzijds aan de hand van hun economische
groei in het afgelopen jaar, die vrij vertaald als de economische conjunctuurindicator of
thermometer kan worden beschouwd. Anderzijds kijken we naar de economische kracht van de
regio’s, die vooral op structuurkenmerken is gebaseerd en als de economische barometer kan
worden gezien. Samen vormen deze twee indicatoren een rapportcijfer voor de economische
prestaties van de regio. In dit hoofdstuk vindt u de uitkomsten van de analyse.

Figuur 1 geeft een overzicht van de economische groei en de economische kracht van veertig
Nederlandse regio’s
1
. De grootte van de bollen correspondeert met de omvang van het bruto
regionaal product (BRP). Idealiter ligt een regio in het kwadrant rechtsboven van de figuur. De
regio’s in dat kwadrant krijgen een voldoende voor zowel de economische groei als de
economische kracht. De regio’s in het kwadrant links onderin de figuur hebben juist slecht
gepresteerd en krijgen voor zowel de groei als de kracht een onvoldoende.

De top 40 van 2005 De top 40 van 2005 De top 40 van 2005 De top 40 van 2005
In tabel 1 staan de scores van de veertig regio’s. Daarbij zijn de regio’s geordend naar de hoogte
van het rapportcijfer voor hun economische prestaties in 2005. Zo ontstaat de Top 40 van 2005.
Daarnaast zijn de rapportcijfers voor de economische groei en kracht van de regio’s weergegeven.
De winnaars van dit jaar zijn de regio’s in de Randstad. Zij beïnvloeden de nationale (conjunctuur-)
ontwikkeling in sterke mate en kunnen in een aantrekkende economie, zoals nu het geval in
Nederland, het meest profiteren. Hoewel Flevoland met een zesde positie keurig scoort, is dit het

1
De regio’s zijn gebaseerd op de zogenoemde corop-indeling. In die indeling worden de provincies Flevoland
en Utrecht als corop-regio’s beschouwd. In de gedetailleerde onderzoeksresultaten van die twee provincies
die op onze website worden gepresenteerd, is echter onderscheid gemaakt in drie respectievelijk vier
subregio’s. Voor een kaart van de corop-indeling en de subregio’s verwijzen we u naar onze website:
www.rabobankgroep.nl/provinciestudies.
Figuur 1: Figuur 1: Figuur 1: Figuur 1: Economische groei en kracht in de regio’s, 2005 Economische groei en kracht in de regio’s, 2005 Economische groei en kracht in de regio’s, 2005 Economische groei en kracht in de regio’s, 2005

4,0
4,5
5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
7,5
8,0
4,5 5,0 5,5 6,0 6,5 7,0 7,5
rapportcijfer economische groei
r
a
p
p
o
r
t
c
i
j
f
e
r

e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Midden-Limburg
Het Gooi en Vechtstreek
Zuidoost-Zuid-Holland
Groot-Rijnmond
Noord-Drenthe
Zuidoost-Brabant
Zeeuwsch-Vlaanderen
Delfzijl en
omgeving
Overig Zeeland
Noord-Friesland
Midden-Brabant
Zuid-Limburg
Aggl. 's-Gravenhage
Groot-
Amsterdam
Noord-Overijssel
Utrecht
Oost-Groningen
Zuidwest-Friesland

Bron: Rabobank

6
Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s

eerste jaar sinds 2002 dat deze regio de ranglijst niet aanvoert. Als we de provincie evenals vorig
jaar zouden opdelen in drie afzonderlijke regio’s, dan zouden Almere en Midden-Flevoland
respectievelijk de tweede en vierde positie innemen. De zeer matige score van de Noordoost-
polder beïnvloedt de prestatie van de gehele provincie echter in negatieve zin. De opvallende
aanvoerder van de top 40 is nu Midden-Limburg. Die positie hangt samen met een sterke omzet-

Tabel 1: Economische prestatie, groei en kracht in de regio’s, 2005 Tabel 1: Economische prestatie, groei en kracht in de regio’s, 2005 Tabel 1: Economische prestatie, groei en kracht in de regio’s, 2005 Tabel 1: Economische prestatie, groei en kracht in de regio’s, 2005
Prestatie Prestatie Prestatie Prestatie Positie Positie Positie Positie Groei Groei Groei Groei Kracht Kracht Kracht Kracht
Midden-Limburg 6,81 1 7,31 6,31
Zuidoost-Zuid-Holland 6,63 2 6,44 6,81
Groot-Rijnmond 6,53 3 6,25 6,81
Utrecht 6,50 4 6,31 6,69
Het Gooi en Vechtstreek 6,47 5 5,63 7,31
Flevoland 6,41 6 6,31 6,50
Noord-Drenthe 6,31 7 6,50 6,13
Noord-Limburg 6,28 8 6,13 6,44
Zuidwest-Drenthe 6,22 9 6,38 6,06
Veluwe 6,22 10 6,38 6,06
Zuidoost-Brabant 6,19 11 6,38 6,00
Groot-Amsterdam 6,16 12 5,94 6,38
Zuidwest-Gelderland 6,13 13 6,31 5,94
Oost-Zuid-Holland 6,13 14 6,38 5,88
IJmond 6,09 15 6,19 6,00
Overig Groningen 6,06 16 6,19 5,94
West-Brabant 6,06 17 6,19 5,94
Zuidoost-Drenthe 6,03 18 6,13 5,94
Twente 6,03 19 6,25 5,81
Arnhem/Nijmegen 6,03 20 6,00 6,06
Aggl. 's-Gravenhage 6,00 21 5,50 6,50
Alkmaar en omgeving 5,97 22 5,94 6,00
Aggl. Leiden en Bollenstreek 5,91 23 5,63 6,19
Zuidwest-Friesland 5,88 24 6,31 5,44
Zuidoost-Friesland 5,81 25 5,94 5,69
Aggl. Haarlem 5,81 26 5,38 6,25
Noord-Overijssel 5,78 27 6,06 5,50
Delft en Westland 5,78 28 5,81 5,75
Noordoost-Brabant 5,78 29 5,81 5,75
Zuidwest-Overijssel 5,75 30 5,88 5,63
Achterhoek 5,75 31 5,81 5,69
Zaanstreek 5,75 32 5,44 6,06
Kop van Noord-Holland 5,66 33 5,75 5,56
Zuid-Limburg 5,66 34 5,00 6,31
Oost-Groningen 5,59 35 5,88 5,31
Zeeuwsch-Vlaanderen 5,56 36 6,06 5,06
Midden-Brabant 5,56 37 5,13 6,00
Noord-Friesland 5,53 38 5,38 5,69
Overig Zeeland 5,41 39 5,50 5,31
Delfzijl en omgeving 5,25 40 6,00 4,50
7
Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s

en exportgroei in het bedrijfsleven in deze regio. Eveneens opvallend is dat de nabijgelegen regio
Zuid-Limburg een tegenovergesteld beeld laat zien. Deze regio krijgt de slechtste score voor
economische groei van alle regio’s.

Groei verspreid; kracht geconcentreerd in de Rands Groei verspreid; kracht geconcentreerd in de Rands Groei verspreid; kracht geconcentreerd in de Rands Groei verspreid; kracht geconcentreerd in de Randstad tad tad tad
De figuren 2 en 3 tonen kaarten met de groei en de kracht per regio, de twee deelindicatoren die
samen het economisch presteren bepalen. Na een aantal jaren van economische stagnatie en zelfs
krimp was er in 2004 sprake van een aarzelend herstel van de Nederlandse economie. Dit herstel
zette zich voort in 2005. De economische groei in het afgelopen jaar verschilt uiteraard per regio,
getuige figuur 2.

De sterkste groei vond plaats in Midden-Limburg en Noord-Drenthe. De hoge positie van Noord-
Drenthe op de groeiranglijst is eigenlijk geen verrassing meer. Deze regio heeft sinds 1999 met
uitzondering van 2003 elk jaar in de top 10 van deze ranglijst gestaan. Slechts één regio scoorde in
de periode 1999-2005 gemiddeld nog beter op de economische groei en dat was Flevoland. De
achtste positie van dit jaar is dan ook haar op één na slechtste in de geschiedenis van de Visie op
provinciale dynamiek. De score van de Brabantse regio’s is eveneens opvallend te noemen. Vorig
jaar leek er sprake van een omslag, toen Zuidoost-Brabant de sterkste groei van alle regio’s liet zien
en de andere Brabantse regio’s in het spoor van Zuidoost-Brabant ook bovengemiddeld scoorden.
Dit jaar scoren de Brabantse regio’s echter weer matig. Met name de export- en omzetgroei in het
bedrijfsleven van Midden- en Noordoost-Brabant bleef achter. De sterke groei van Zuidoost-
Brabant van 2004 heeft zich in 2005 vertaald in de sterkste werkgelegenheidsgroei van alle
Nederlandse regio’s. Ondanks dit kende het bedrijfsleven in deze regio een relatief lage winstgroei.

Voor wat betreft de economische kracht zien we vooral winnaars in de Randstad. Vorig jaar onder-
scheidde de noordvleugel van de Randstad zich van overig Nederland. Dit jaar breidt dit zich uit
met de zuidvleugel. Opvallend is de zeer hoge score van Het Gooi en Vechtstreek. Hoewel deze
regio vorig jaar in onze analyse ontbrak, zien we dat het gebied op de krachtindicatoren in de jaren
ervoor maar net bovengemiddeld scoorde. De score van dit jaar ligt ruim één punt boven het
gemiddelde van de jaren 1999-2003. Dit is te danken aan een sterke productiestructuur, waarover
de regio al jaren beschikt, maar ook aan veel starters en investerende bedrijven. In Groot-Rijnmond
is de hoge score te danken aan een sterk op export georiënteerd bedrijfsleven en een sterke
Figuur 2: Economische groei in de regio’s, 2005 Figuur 2: Economische groei in de regio’s, 2005 Figuur 2: Economische groei in de regio’s, 2005 Figuur 2: Economische groei in de regio’s, 2005 Figuur 3: Economische kracht in de regio’s, 2005 Figuur 3: Economische kracht in de regio’s, 2005 Figuur 3: Economische kracht in de regio’s, 2005 Figuur 3: Economische kracht in de regio’s, 2005

Rapportcijfer groei
goed (6,5 of hoger)
voldoende (6,0 tot 6,5)
onvoldoende (5,5 tot 6,0)
slecht (5,5 of lager)

Bron: KvK, LISA, bewerking Rabobank

Rapportcijfer kracht
goed (6,5 of hoger)
voldoende (6,0 tot 6,5)
onvoldoende (5,5 tot 6,0)
slecht (5,5 of lager)

Bron: KvK, LISA, bewerking Rabobank


8
Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s Groei en kracht in de regio’s

economische structuur. Perifeer gelegen regio’s als Zeeuws-Vlaanderen, Overig Zeeland en Delfzijl
en omgeving behoren dit jaar opnieuw tot de achterblijvers als het gaat om economische kracht.

We kunnen stellen dat de regio’s in de Randstad en
Drenthe over het algemeen een goed jaar hebben
gehad. De score van Midden-Limburg lijkt een uitschieter
en we zijn daarom benieuwd hoe deze regio volgend
jaar uit de bus komt. De regio’s in Noord-Holland laten
een wisselend beeld zien. De zuidelijk gelegen regio’s
Groot-Amsterdam, IJmond en Het Gooi en Vechtstreek
hebben een goed jaar gehad, terwijl de regio’s ten
noorden van Amsterdam evenals vorig jaar achterbleven.
De verliezers van 2005 liggen daarmee in de uithoeken
van ons land: Kop van Noord-Holland, Noord-Friesland,
Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving, Overig Zeeland,
Zeeuwsch-Vlaanderen en Zuid-Limburg. De vraag is of
deze regio’s in het huidige economische tij zullen
worden meegetrokken en volgend jaar een inhaalslag
kunnen maken.

Overigens merken we bij de interpretatie van de uitkomsten op dat de economische omvang van
de onderscheiden regio’s sterk verschilt. Zo is het bruto regionaal product van Groot-Amsterdam
met bijna 55 miljard euro maar liefst 34 keer zo groot als dat van Delfzijl en omgeving. Vooral in
kleinere regio’s met een dominante bedrijfstak kunnen de ontwikkelingen in enkele grote
bedrijven het beeld sterk beïnvloeden. Dit speelt onder meer in Zeeuws-Vlaanderen (chemie) en
Zuidwest-Friesland (agrarische en watersportgerelateerde bedrijvigheid).

Toelichting bij het economisch rapportcijfer Toelichting bij het economisch rapportcijfer Toelichting bij het economisch rapportcijfer Toelichting bij het economisch rapportcijfer
Hoe heeft de regionale economie het in 2005 gedaan? Deze vraag beantwoorden we aan de hand
van een rapportcijfer voor de economische groei, de economische kracht en het economisch
presteren van de Nederlandse regio’s. Jaarlijks zetten we hierbij het Nederlandse gemiddelde op
zes. Een cijfer hoger dan zes betekent dat de regio boven het Nederlandse gemiddelde heeft
gepresteerd. Een waardering met een cijfer onder de zes duidt op een minder dan gemiddelde
score en wordt daarom als onvoldoende beoordeeld. Uitspraken dat een regionale economie het
‘goed’ heeft gedaan, moeten tegen deze achtergrond worden geplaatst en hebben dus vooral een
relatieve waarde.

De economische groei wordt bepaald op basis van de groei van de winst, de export, de omzet en
de werkgelegenheid in het bedrijfsleven van de regio. De kracht van de economie wordt
beoordeeld aan de hand van de bedrijfsdynamiek, de productiestructuur, de exportgerichtheid en
de investeringsbereidheid van de bedrijven (figuur 4). Met bedrijfsdynamiek bedoelen we de
‘verjonging’ van het regionale bedrijfsleven, zowel door starters als door de oprichting van
nevenvestigingen door reeds bestaande bedrijven. Bedrijfsdynamiek en productiestructuur geven
een indicatie van het toekomstperspectief van het bedrijfsleven, terwijl de exportgerichtheid en
de investeringsbereidheid vooral een indruk geven van de kwaliteit van het ondernemerschap.
Het presteren van een regio is het ongewogen gemiddelde van groei en kracht. De rapportcijfers
zijn berekend op basis van verschillende bronnen, onder meer van de Kamer van Koophandel
(ERBO) en de werkgelegenheidscijfers uit het zogenoemde LISA-bestand.
Figuur 4: Toelichting economisch rapportcijfer Figuur 4: Toelichting economisch rapportcijfer Figuur 4: Toelichting economisch rapportcijfer Figuur 4: Toelichting economisch rapportcijfer


Investeringsbereidheid
Omzet
Bedrijfsdynamiek
Productiestructuur
Winst
Exportgerichtheid
Export
Werkgelegenheid
Presteren
Kracht Groei
Investeringsbereidheid
Omzet
Bedrijfsdynamiek
Productiestructuur
Winst
Exportgerichtheid
Export
Werkgelegenheid
Presteren
Kracht Groei


Bron: Rabobank
9
Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland Allochtonen in Nederland
Over grote en kleine verschillen Over grote en kleine verschillen Over grote en kleine verschillen Over grote en kleine verschillen
Allochtonen vormen een uiterst belangrijke bevolkingsgroep in ons land. Een bevolkingsgroep die
vaak onderwerp is van stevige discussies. Met deze studie mengen we ons niet in die discussies,
maar zetten we een aantal feiten op een rij om een beter inzicht te krijgen in de betekenis en de
positie van allochtonen in Nederland.

In Nederland wonen ongeveer 16,3 miljoen mensen. Bijna één op de vijf daarvan heeft ten minste
één ouder die niet in Nederland is geboren. Deze groep allochtonen heeft een omvang van in
totaal 3,1 miljoen mensen. Daarvan zijn ongeveer 1,7 miljoen mensen (54%) van niet-westerse
afkomst. Deze groep niet-westerse allochtonen staat in deze studie centraal. Het is in veel gevallen
echter niet terecht om te spreken van de niet-westerse allochtonen als één bevolkingsgroep.
Binnen die groep bestaan namelijk grote verschillen tussen de landen van herkomst. Zoals uit deze
studie blijkt, zijn de verschillen tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen op veel vlakken
zelfs kleiner dan die tussen niet-westerse allochtonen onderling. We maken daarom in deze studie
onderscheid naar herkomst.

Verder beschrijven we op een groot aantal onderwerpen de kenmerken en ontwikkelingen van
niet-westerse allochtonen. We vergelijken bovendien de verschillende herkomstgroepen met
elkaar en met de autochtone bevolking. De studie is onderverdeeld in drie hoofdstukken:
demografie, maatschappelijke positie en ondernemerschap. In het hoofdstuk demografie komen
de herkomst, de ontwikkeling en de regionale spreiding van niet-westerse allochtonen aan de
orde. Het tweede hoofdstuk, over de maatschappelijke positie, gaat onder meer in op de
participatie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij. Ook het inkomensniveau komt aan
bod, vooral de inkomensverschillen tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen. Tenslotte
beschrijft het derde hoofdstuk het ondernemerschap van niet-westerse allochtonen. In welke
sectoren en in welke regio’s ondernemen niet-westerse allochtonen vooral? Welke verschillen zien
we daarbij tussen de landen van herkomst en tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen?
Deze vragen komen in dat hoofdstuk aan bod.

In deze brochure leest u de belangrijkste en meest opvallende uitkomsten van de studie.
Gedetailleerde uitkomsten kunt u lezen in de provinciale hoofdstukken. Deze kunt u inzien en
downloaden op onze internetsite: www.rabobankgroep.nl/provinciestudies.
10
Demografie Demografie Demografie Demografie
Niet over één kam Niet over één kam Niet over één kam Niet over één kam
Met 1,7 miljoen mensen en een aandeel van ruim 10% vormen de niet-westerse allochtonen een
belangrijk deel van de bevolking in Nederland. Maar zoals gezegd is het onterecht om van de niet-
westerse allochtonen als één bevolkingsgroep te spreken. In onderstaande figuren maken we
daarom een onderscheid naar land van herkomst. Figuur 5 geeft de verhouding van de herkomst-
landen in 2005 weer. Als het gaat om absolute aantallen, dan zijn Turkije, Marokko, Suriname en in
mindere mate de Nederlandse Antillen en Aruba verreweg de belangrijkste landen van herkomst.
Samen zijn zij goed voor tweederde van het totaal aantal niet-westerse allochtonen in Nederland.
Tot begin jaren ‘90 lag het belang van de vier genoemde landen zelfs rond de 80%.

In figuur 6 staat de ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in de periode van 1972
tot 2005. Het totale aantal niet-westerse allochtonen vertienvoudigde in die periode, van 162
duizend naar 1,7 miljoen, met de grootste absolute groei tussen 1994 en 2005.

Turken en Marokkanen kwamen in de jaren ’60 en ’70 massaal naar Nederland. In de jaren ‘60
vestigden ze zich in ons land om hier het tekort aan arbeidskrachten op te vullen. Vooral de
textielindustrie staat erom bekend toen veel gebruik te hebben gemaakt van buitenlandse
arbeidskrachten. In de jaren ’70 volgde een tweede golf van immigranten uit Turkije en Marokko
die vooral bestond uit gezinshereniging. In de decennia daarna werd de natuurlijke bevolkings-
groei belangrijker voor de stijging van het aantal allochtonen van Turkse en Marokkaanse afkomst.
Surinamers immigreerden vooral in de jaren na de onafhankelijkheid van Suriname. In 1975, het
jaar van de onafhankelijkheid, en in 1980, het einde van de periode waarin Surinamers voor het
Nederlands staatsburgerschap konden kiezen, waren er pieken in de migratie waar te nemen (CBS,
2005). Daardoor was de absolute groei van het aantal Surinamers in de periode tussen 1972 en
1983 het grootst van alle herkomstlanden.

Het aantal asielzoekers was in die decennia nog beperkt, maar nam vanaf 1980 sterk toe. Sindsdien
is het aantal immigranten vanuit andere niet-westerse landen flink gestegen. Na 2000 is het aantal
asielzoekers juist weer gedaald, onder meer door een strenger overheidsbeleid. Voorbeelden van
landen waaruit Nederland het einde van de vorige eeuw veel vluchtelingen heeft ontvangen, zijn
Pakistan, Ghana, Sri Lanka en later Irak, Iran, Afghanistan en Somalië (CBS, 2005). Ook het aantal
Chinezen steeg enorm en verdubbelde bijna in de afgelopen tien jaar tot 46 duizend, grotendeels
door een grote immigratiestroom (zie ook figuur 9).
Figuu Figuu Figuu Figuur r r r 5: Niet 5: Niet 5: Niet 5: Niet- -- -westerse allochtonen naar herkomstland, 2005 westerse allochtonen naar herkomstland, 2005 westerse allochtonen naar herkomstland, 2005 westerse allochtonen naar herkomstland, 2005 Figuur Figuur Figuur Figuur 6: 6: 6: 6: Niet Niet Niet Niet- -- -westerse allochtonen naar herkomstland (x 1.000) westerse allochtonen naar herkomstland (x 1.000) westerse allochtonen naar herkomstland (x 1.000) westerse allochtonen naar herkomstland (x 1.000)

19%
19%
22%
4%
11%
11%
6%
8%
Turkije
Marokko
Suriname
Antillen & Aruba
Irak, Iran, Afghanistan
Overig Azië
Overig Afrika
Latijns Amerika

Bron: CBS

Herkomst Herkomst Herkomst Herkomst 1972 1972 1972 1972 1983 1983 1983 1983 1994 1994 1994 1994 2005 2005 2005 2005
Turkije 31 147 257 359
Marokko 22 99 211 316
Suriname 54 185 271 329
Antillen en Aruba 22 49 87 131
Overig 34 126 266 564
Totaal niet-w. all. 162 607 1.092 1.699
Totale bevolking 13.270 14.340 15.342 16.306

Bron: CBS


11
Demografie Demografie Demografie Demografie
Zonder allochtonen geen bevolkingsgroei Zonder allochtonen geen bevolkingsgroei Zonder allochtonen geen bevolkingsgroei Zonder allochtonen geen bevolkingsgroei
De gemiddelde leeftijd van niet-westerse allochtonen is lager dan die van de overige bevolking
(autochtonen en westerse allochtonen), zie figuur 7. De gemiddelde leeftijd van autochtonen en
westerse allochtonen is 40 jaar, die van niet-westerse allochtonen slechts 28 jaar. We kunnen
hiervoor meer oorzaken aanwijzen. Ten eerste de leeftijd
van immigranten. De gemiddelde leeftijd van een niet-
westerse immigrant was in de afgelopen tien jaar
ongeveer 25 jaar. Het feit dat er nog steeds mensen naar
Nederland komen, zorgt er dus voor dat de gemiddelde
leeftijd relatief laag blijft. Een tweede oorzaak is de
relatief hoge vruchtbaarheid van niet-westerse
allochtonen, met name van Marokkanen en Turken (RPB,
2005). Zij krijgen over het algemeen meer kinderen en
bovendien op een lagere leeftijd. Uitgaande van een
afnemende immigratie in de komende decennia zal de
gemiddelde leeftijd van niet-westerse allochtonen
stijgen. Door de hogere vruchtbaarheid zal deze echter
lager blijven dan de gemiddelde leeftijd van de
autochtone bevolking.

Figuur 8 laat de prognose voor de bevolkingsgroei zien
tot 2050. Het beeld van de figuur is erg sprekend. De groei van het aantal autochtonen daalde in
de afgelopen vijftien jaar ten opzichte van de vijftien jaar daarvoor. De komende jaren wordt zelfs
een afname van de autochtone bevolking verwacht. Een afname die volgens de verwachting tot
2050 zal doorzetten. Het aantal niet-westerse allochtonen blijft waarschijnlijk juist toenemen, al zal
de groei niet meer zo sterk zijn als de afgelopen vijftien jaar. Dit heeft te maken met een kleinere
verwachte immigratiestroom.

Eerder kwam naar voren dat de immigratie vanuit de belangrijkste herkomstlanden vooral voor
1980 heeft plaatsgevonden. In de afgelopen tien jaar waren met name Irak, Iran en Afghanistan
belangrijke herkomstlanden (figuur 9). Weliswaar is het aantal Marokkanen en Turken het meest
gegroeid, maar die groei wordt grotendeels door natuurlijke aanwas veroorzaakt en niet door
migratie.
Fi Fi Fi Figuur guur guur guur 8: Groei van de bevolking, historie en prognose (x 1.000) 8: Groei van de bevolking, historie en prognose (x 1.000) 8: Groei van de bevolking, historie en prognose (x 1.000) 8: Groei van de bevolking, historie en prognose (x 1.000) Figuur Figuur Figuur Figuur 9: Bevolkingsgroei 1996 9: Bevolkingsgroei 1996 9: Bevolkingsgroei 1996 9: Bevolkingsgroei 1996 - -- - 2005 naar herkomst (x 1.000) 2005 naar herkomst (x 1.000) 2005 naar herkomst (x 1.000) 2005 naar herkomst (x 1.000)

-1.000
-500
0
500
1.000
1.500
1975-1990 1990-2005 2005-2020* 2020-2035* 2035-2050*
Autochtonen Niet-westerse allochtonen Westerse allochtonen
* = prognose

Bron: CBS, Primos prognoses, bewerking Rabobank

0
25
50
75
100
M
a
r
o
k
k
o
T
u
r
k
ije
O
v
e
r
ig
A
f
r
ik
a
Ir
a
k
, Ir
a
n
, A
f
g
h
.
O
v
e
r
ig
A
z

S
u
r
in
a
m
e
A
n
t
ille
n
e
n
A
r
u
b
a
L
a
t
ijn
s
-
A
m
e
r
ik
a
C
h
in
a
natuurlijke bevolkingsgroei migratiesaldo

Bron: CBS


Figuur Figuur Figuur Figuur 7: Aande 7: Aande 7: Aande 7: Aandeel van de leeftijdsklassen in de bevolking, 2005 el van de leeftijdsklassen in de bevolking, 2005 el van de leeftijdsklassen in de bevolking, 2005 el van de leeftijdsklassen in de bevolking, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS
12
Demografie Demografie Demografie Demografie
Regionale verschillen in spreiding groot Regionale verschillen in spreiding groot Regionale verschillen in spreiding groot Regionale verschillen in spreiding groot
Tot nu toe hebben we gesproken over de niet-westerse allochtonen in heel Nederland, maar
daarbij nog geen regionaal onderscheid gemaakt. Er bestaan echter grote verschillen in de
spreiding van niet-westerse allochtonen binnen Nederland. Het zal niet verrassen dat verreweg de
meeste niet-westerse allochtonen in de Randstad wonen,
hoewel ook Noord-Brabant veel niet-westerse
allochtonen telt. In de drie randstedelijke provincies is
ook het aandeel van niet-westerse allochtonen in de
bevolking hoger dan in de meer landelijke gebieden.
Flevoland is in dat opzicht opvallend. Het aandeel niet-
westerse allochtonen in de bevolking is met bijna 16%
erg hoog, maar het belang in heel Nederland is beperkt.
Slechts 3,6% van alle niet-westerse allochtonen in
Nederland woont in Flevoland.

Onderstaande kaart geeft een meer gedetailleerd beeld
van de regionale spreiding. In de donkerblauw gekleurde
gemeenten is het percentage niet-westerse allochtonen
in de bevolking het hoogst. Met meer dan 35% is dat
percentage het hoogst in Rotterdam, op de voet gevolgd
door Amsterdam en Den Haag met respectievelijk 34 en 32%. Tussen de steden bestaan overigens
grote verschillen naar herkomst. Het meest opvallende verschil is dat in de drie grootste steden de
Surinamers het best zijn vertegenwoordigd, terwijl Turkije het grootste herkomstland is in
Nederland. In Rotterdam en Den Haag vormen de Turken dan ook de op één na grootste groep,
maar in Amsterdam zijn dat de Marokkanen. In Amsterdam is slechts 15% van de niet- westerse
allochtonen van Turkse afkomst. In Utrecht vormen de Marokkanen verreweg
Figuur 10: Aandeel van niet Figuur 10: Aandeel van niet Figuur 10: Aandeel van niet Figuur 10: Aandeel van niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Zuid-Holland 16,8% Zuid-Holland 34,2%
Flevoland 16,7% Noord-Holland 24,2%
Noord-Holland 15,8% Noord-Brabant 10,2%
Utrecht 10,9% Utrecht 7,5%
Noord-Brabant 7,2% Gelderland 7,2%
Overijssel 6,8% Overijssel 4,5%
Gelderland 6,2% Flevoland 3,6%
Groningen 5,5% Limburg 3,5%
Limburg 5,2% Groningen 1,9%
Zeeland 4,6% Friesland 1,4%
Friesland 3,7% Zeeland 1,0%
Drenthe 3,0% Drenthe 0,9%
Aandeel binnen provincie Aandeel in Nederland

Bron: CBS
Figuur Figuur Figuur Figuur 11: Belang van niet 11: Belang van niet 11: Belang van niet 11: Belang van niet- -- -westerse allochtonen in de westerse allochtonen in de westerse allochtonen in de westerse allochtonen in de bevolking, 2005 bevolking, 2005 bevolking, 2005 bevolking, 2005

Percentage niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 20%
10% tot 20%
7% tot 10%
4% tot 7%
2% tot 4%
minder dan 2%



13
Demografie Demografie Demografie Demografie

de grootste groep. Van alle niet-westerse allochtonen in Utrecht is 42% van Marokkaanse afkomst.
Buiten de Randstad valt ook een aantal gemeenten met een hoog percentage op. In Twente, en
dan vooral in Enschede, hebben veel Turken in de textielindustrie gewerkt. Veel van hen wonen
daar nog steeds met hun gezinnen. Andere steden met veel niet-westerse allochtonen zijn
Eindhoven, Tilburg en Arnhem, waar ook relatief veel Turken wonen.

De kaart maakt duidelijk dat de niet-westerse allochtonen vooral in de steden wonen. In de sterk
tot zeer sterk stedelijke gemeenten
2
samen (68 gemeenten) woont maar liefst driekwart van de
niet-westerse allochtone bevolking (figuur 12). In de niet tot weinig stedelijke gemeenten samen
woont nog geen 10% van de niet-westerse allochtonen, terwijl dat voor de autochtone bevolking
juist wel belangrijke woongebieden zijn. Deze grote verschillen hebben te maken met de initiële
keuze van veel niet-westerse allochtonen voor de stad op het moment van immigratie, maar ook
met hun binnenlandse verhuisgedrag. Niet-westerse allochtonen verhuizen meer dan
autochtonen, maar terwijl veel autochtonen de laatste jaren vanuit de stad verhuizen naar minder
stedelijke omliggende gebieden, verhuizen veel niet-westerse allochtonen vooral binnen de stad
zelf of naar andere steden.

De meeste niet-westerse allochtonen wonen dus in de steden in de Randstad. Maar ook binnen de
steden is er sprake van concentratie. Het aantal wijken met meer dan 50% niet-westerse
allochtonen is de laatste jaren fors gestegen (Van der Laan Bouma-Doff, 2006). In de top staan de
bekende wijken in de grote steden als Spangen, de Bijlmer en de Schilderswijk met elk meer dan
80% niet-westerse allochtonen. Een belangrijke vraag is of de keuze van niet-westerse allochtonen
om in die wijken te gaan wonen een vrijwillige is, bijvoorbeeld omdat familieleden daar al wonen,
of vooral wordt gestuurd door economische motieven, zoals lagere huizenprijzen. De meningen
zijn hierover verdeeld. Van de dertig grootste gemeenten in Nederland staan in figuur 13 de tien
meest en de tien minst gesegregeerde. Segregatie wil zeggen dat de verdeling van de niet-
westerse allochtonen over de wijken niet overeenkomt met die van de overig bevolking. Van de
dertig grootste gemeenten komt die verdeling het meest overeen in Almere en het minst in Ede.
Ook in Den Haag (nummer 3) en Utrecht (nummer 8) is sprake van sterke segregatie. Amsterdam
staat op de lijst van meest gesegregeerde gemeenten op de veertiende plaats.

2
De stedelijkheid van gemeenten wordt gebaseerd op de omgevingsadressendichtheid. Zie de bijlage op
www.rabobankgroep.nl/provinciestudies voor een indeling van de gemeenten naar stedelijkheid.
Figuur Figuur Figuur Figuur 12: Aandeel van niet 12: Aandeel van niet 12: Aandeel van niet 12: Aandeel van niet- -- -westerse allochtonen per westerse allochtonen per westerse allochtonen per westerse allochtonen per
stedelijkheidscategorie, 2005 stedelijkheidscategorie, 2005 stedelijkheidscategorie, 2005 stedelijkheidscategorie, 2005
Figuur Figuur Figuur Figuur 13: Mate van segregatie in de 30 grootste gemeenten 13: Mate van segregatie in de 30 grootste gemeenten 13: Mate van segregatie in de 30 grootste gemeenten 13: Mate van segregatie in de 30 grootste gemeenten

18%
46%
27%
30%
21%
15%
21%
7% 13%
2%
0%
25%
50%
75%
100%
Totale bevolking Niet-westerse allochtonen
Niet stedelijk
Weinig stedelijk
Matig stedelijk
Sterk stedelijk
Zeer sterk stedelijk

Bron: CBS

rang rang rang rang meest gesegregeerd meest gesegregeerd meest gesegregeerd meest gesegregeerd rang rang rang rang minst gesegregeerd minst gesegregeerd minst gesegregeerd minst gesegregeerd
1 Ede 1 Almere
2 Deventer 2 Zoetermeer
3 Den Haag 3 Westland
4 Emmen 4 Haarlemmermeer
5 Dordrecht 5 Eindhoven
6 Den Bosch 6 Sittard-Geleen
7 Breda 7 Nijmegen
8 Utrecht 8 Maastricht
9 Amersfoort 9 Groningen
10 Zaanstad 10 Leiden

Bron: CBS


14
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Grote verschille Grote verschille Grote verschille Grote verschillen naar land van herkomst n naar land van herkomst n naar land van herkomst n naar land van herkomst
In Nederland is veel te doen om de integratie en de maatschappelijke positie van niet-westerse
allochtonen. Veel niet-westerse allochtonen hebben op dat gebied nog steeds een achterstand. In
dit hoofdstuk geven we hiervan op drie aspecten een beeld: maatschappelijke participatie, arbeid
en inkomen. Daarbij zal blijken dat er behoorlijke regionale verschillen bestaan. Bovendien is
sprake van een grote variatie in de diverse herkomstgroepen.

Hogere p Hogere p Hogere p Hogere participatie articipatie articipatie articipatie bij politie en lokal bij politie en lokal bij politie en lokal bij politie en lokale politiek e politiek e politiek e politiek
Deelname aan maatschappelijke processen kan de integratie van allochtonen bevorderen. Een
maat voor de maatschappelijke deelname van niet-westerse allochtonen is het aandeel niet-
westerse allochtonen in de gemeenteraden. In de lokale politiek zijn allochtonen zwak
vertegenwoordigd; slechts 3% van alle raadsleden is niet-westers allochtoon, tegenover ruim 10%
niet-westerse allochtonen in de Nederlandse bevolking. Toch is het aantal allochtone raadsleden
met de helft toegenomen sinds 2002. In de vier grote steden is het aandeel van niet-westerse
allochtonen in de gemeenteraad met 20% het hoogst, in de 31 grootste gemeenten is dat 11%.
Het aandeel van niet-westerse allochtone vrouwen in de gemeenteraad is sinds 2002 verdubbeld
naar 35% (106 van de 302 allochtone raadsleden; IPP, 2006).

Voor wat betreft de vertegenwoordiging van niet-westerse allochtonen in de gemeenteraad zijn er
flinke regionale verschillen. In figuur 14 is te zien dat geen enkele provincie een evenredige
verhouding kent tussen het aandeel niet-westerse allochtonen in de gemeenteraad en in de
bevolking. Overijssel heeft de beste vertegenwoordiging van niet-westerse allochtonen in de
gemeenteraden. Dit hoge aandeel is mede te verklaren door de grote Turkse gemeenschap in deze
provincie; zoals hierna blijkt, zijn Turken relatief zeer actief in de politiek. In Noord- en Zuid-Holland,
de provincies met de hoogste percentages niet-westerse allochtonen, zijn niet-westerse
allochtonen slecht vertegenwoordigd in de gemeenteraden. Dat geldt ook in sterke mate voor
Flevoland, waar niet-westerse allochtonen nauwelijks zijn vertegenwoordigd.

Figuur 15 laat het aandeel van de verschillende herkomstgroepen in de gemeenteraden zien. De
lijnen geven de verhouding weer van de totale groep niet-westerse allochtonen, waaruit blijkt dat
niet-westerse allochtonen in 2006 beter zijn vertegenwoordigd dan in 2002. Turkse allochtonen
zijn absoluut en relatief het sterkst vertegenwoordigd in de gemeenteraden.
Figuur 14: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraads Figuur 14: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraads Figuur 14: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraads Figuur 14: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraadsleden ten leden ten leden ten leden ten
opzichte van het aandeel in de bevolking, 2002 opzichte van het aandeel in de bevolking, 2002 opzichte van het aandeel in de bevolking, 2002 opzichte van het aandeel in de bevolking, 2002
Figuur 15: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraadsleden ten Figuur 15: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraadsleden ten Figuur 15: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraadsleden ten Figuur 15: Verhouding aandeel allochtone gemeenteraadsleden ten
opzichte van het aandeel in de bevolking opzichte van het aandeel in de bevolking opzichte van het aandeel in de bevolking opzichte van het aandeel in de bevolking

0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Nederland

Bron: IPP, bewerking Rabobank

0,0
0,1
0,2
0,3
0,4
0,5
0,6
0,7
0,8
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig
2002
2006
Niet-westerse all. totaal
Niet-westerse all. totaal

Bron: IPP, bewerking Rabobank


15
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie

Bovendien is dit aandeel na de verkiezingen van 2006 nog gegroeid; hoewel het aandeel vrouwen
fors is toegenomen, betreft het hier vooral Turkse mannen. Onder vrouwen zijn Surinaamse
allochtonen het meest actief. Voor de Surinamers, de Antillianen en de ‘overige niet-westerse’
allochtonen is de vertegenwoordiging niet veel veranderd. Het aandeel Marokkaanse allochtonen
in de gemeenteraden is daarentegen flink toegenomen.

Arbeidsparticipatie verschilt sterk per herkomstland Arbeidsparticipatie verschilt sterk per herkomstland Arbeidsparticipatie verschilt sterk per herkomstland Arbeidsparticipatie verschilt sterk per herkomstland
Ook de participatie op de arbeidsmarkt versterkt de maatschappelijke positie van niet-westerse
allochtonen. De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt
flink verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een behoorlijke achterstand ten opzichte
van de autochtone bevolking. Dit uit zich in een hogere werkloosheid onder niet-westerse
allochtonen (maar liefst 16,6% tegenover 5,2% onder autochtonen) en een relatief lage
arbeidsparticipatie. Slechts 47% van de allochtone bevolking in de leeftijd van 15 tot 65 jaar werkt,
tegenover 66% van de autochtone bevolking.
De arbeidsparticipatie varieert sterk per provincie (figuur 16). De provincie Groningen heeft de
kleinste potentiële beroepsbevolking: slechts de helft van de totale niet-westerse bevolking is
tussen de 15 en 65 jaar. Flevoland heeft relatief de grootste potentiële beroepsbevolking en
bovendien, samen met Zeeland, de hoogste arbeidsparticipatie. In Drenthe en Friesland is de
arbeidsparticipatie slechts 40%. De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is met 23% het
hoogst in Overijssel. Van de autochtone beroepsbevolking in Overijssel is bijna 6% werkloos.

Figuur 17 geeft de kenmerken van de beroepsbevolking naar herkomst weer. De verschillen tussen
de herkomstgroepen zijn groot. Van de niet-westerse allochtone bevolking is de potentiële
beroepsbevolking van Surinamers en Antillianen relatief het grootst. Binnen die groep is
bovendien de beroepsbevolking, het deel dat zich beschikbaar stelt op de arbeidsmarkt, veel
groter (beide 67%) dan van Turken en Marokkanen (respectievelijk 52 en 50%). De relatief lage
participatie van de eerste generatie Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt heeft
hiermee te maken (LBR, 2005). Ook taal kan een rol spelen. Surinamers en Antillianen zijn over het
algemeen beter bekend met de Nederlandse taal waardoor hun achterstand kleiner is en daardoor
misschien hun zelfvertrouwen om de arbeidsmarkt op te gaan groter.
Figuur 16: Arbeidsparticipatie per provincie, 2005 Figuur 16: Arbeidsparticipatie per provincie, 2005 Figuur 16: Arbeidsparticipatie per provincie, 2005 Figuur 16: Arbeidsparticipatie per provincie, 2005 Figuur 17: Beroepsbevolking naar herkomst, 2005 Figuur 17: Beroepsbevolking naar herkomst, 2005 Figuur 17: Beroepsbevolking naar herkomst, 2005 Figuur 17: Beroepsbevolking naar herkomst, 2005

Niet-westerse all. Autochtonen
Flevoland 50% 67%
Zeeland 50% 63%
Noord-Brabant 48% 65%
Zuid-Holland 48% 67%
Noord-Holland 48% 69%
Utrecht 46% 69%
Groningen 44% 59%
Gelderland 43% 64%
Overijssel 43% 65%
Limburg 42% 63%
Friesland 40% 61%
Drenthe 40% 63%

Bron: CBS

0%
20%
40%
60%
80%
100%
A
u
t
o
c
h
t
o
n
e
n
T
u
r
k
i
j
e
M
a
r
o
k
k
o
S
u
r
i
n
a
m
e
A
n
t
il
le
n
O
v
e
r
ig
< 15 of > 64
Kan of wil niet werken
Werkloze
beroepsbevolking
Werkzame
beroepsbevolking

Bron: CBS


16
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie

Ook de participatiegraad van Turken en Marokkanen is lager. Slechts 42 respectievelijk 40 van de
bevolking in de leeftijd van 15 tot 65 jaar heeft een baan. Van de Surinamers is dat 59%, van de
Antillianen 55%. De werkloosheid is het hoogst onder de Marokkanen (20%) en ook van de
Antillianen is een groot deel werkloos (17,7%). De werkloosheid onder Turken (14,4%) en
Surinamers (12,4%) is lager, maar het verschil met autochtonen is nog steeds erg groot. Net als bij
de autochtonen is de werkloosheid bij niet-westerse allochtonen het hoogst onder jongeren,
vooral in de leeftijd 15 tot 25 jaar. In 2005 was dat maar liefst 26% bij niet-westerse allochtonen en
11% bij autochtone jongeren in die leeftijdsklasse (CBS, 2006). De hoge werkloosheid bij
Antillianen kan dan ook deels verklaard worden door de opbouw van de bevolking. Maar liefst
21% van de bevolking is tussen de 15 en 25 jaar oud.

Inkomen in het westen hoger Inkomen in het westen hoger Inkomen in het westen hoger Inkomen in het westen hoger
In alle Nederlandse regio’s geldt dat niet-westerse allochtonen gemiddeld een lager inkomen
genieten dan autochtonen. Over het algemeen geldt ook dat hoe hoger het inkomen van
autochtonen is, des te hoger is ook het inkomen van de niet-westerse allochtonen. Zowel de
inkomens van autochtonen als van niet-westerse allochtonen zijn gemiddeld hoger in de
Randstedelijke provincies. Niet-westerse allochtonen in Flevoland hebben gemiddeld het meest te
besteden; EUR 16.600 op jaarbasis
3
. In Utrecht en Noord-Holland ligt het inkomen eveneens boven
het landelijk gemiddelde. Het gemiddeld inkomen van de Friese niet-westerse bevolking is met
EUR 14.400 het laagst, op de voet gevolgd door Groningen en Overijssel.

Figuur 18 toont de inkomensverschillen tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen.
Landelijk gezien is het besteedbaar inkomen van autochtonen18% hoger. In het algemeen geldt
dat hoe hoger het inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van
niet-westerse allochtonen. In de provincie Utrecht is dit verschil het grootst: het besteedbaar
inkomen van niet-westerse allochtonen is hier gemiddeld 78% van dat van autochtonen. Ook de
provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant laten grote verschillen zien tussen de inkomens van
autochtonen en niet-westerse allochtonen. Binnen de randstedelijke regio’s bestaan op dit gebied
echter veel interne verschillen. Zo verdienen de niet-westerse allochtonen in Rotterdam bijna 5%
minder dan niet-westerse allochtonen in Den Haag. In Drenthe, tevens de provincie met de

3
Het betreft hier het gemiddeld besteedbaar gestandaardiseerd inkomen van huishoudens.
Gestandaardiseerd wil zeggen dat is gecorrigeerd voor het aantal personen per huishouden.
Figuur 18: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 18: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 18: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 18: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 19: Gemiddeld, besteedbaar, gestandaardiseerd Figuur 19: Gemiddeld, besteedbaar, gestandaardiseerd Figuur 19: Gemiddeld, besteedbaar, gestandaardiseerd Figuur 19: Gemiddeld, besteedbaar, gestandaardiseerd
huishoudensinkomen naar herkomst, 2000 huishoudensinkomen naar herkomst, 2000 huishoudensinkomen naar herkomst, 2000 huishoudensinkomen naar herkomst, 2000

Inkomen van niet-westerse allochtonen
als % van inkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Turkije Marokko Suriname Antillen
actief niet actief
Totale actieve bevolking NL
Totale niet-actieve bevolking NL
x €1.000

Bron: CBS


17
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie

minstverdienende autochtonen, is het inkomensverschil het kleinst. Hier verdienen niet-westerse
allochtonen gemiddeld bijna 90% van het autochtone inkomen.

Ook op het gebied van inkomen moeten de verschillen
tussen de herkomstgroepen niet over het hoofd worden
gezien (figuur 19). In het algemeen geldt dat Surinamers
het meest te besteden hebben. In Utrecht verdienen
werkzame Surinamers gemiddeld €18.200. Dat is meer
dan de verdiensten van autochtonen in Groningen en
Friesland. Van de werkzame bevolking hebben
Marokkanen het laagste inkomen. Dit bedrag van
€14.500 valt zelfs onder het landelijk gemiddelde van de
niet-werkzame bevolking.
Van de niet-werkzame bevolkingsgroepen hebben
Marokkanen en Antillianen gemiddeld het laagste
inkomen, in het bijzonder in Groningen en Friesland.
Hoewel de vier grootste herkomstgroepen gemiddeld
minder verdienen dan de autochtone bevolking, liggen
de inkomens hoger dan de verdiensten van de overige
niet-westerse allochtonen.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 20). Het aandeel niet-westerse allochtonen met
een uitkering is drie keer zo groot als het aandeel autochtonen. Hetzelfde geldt voor huishoudens
onder of rond het sociaal minimum. De verhouding is minder scheef op het gebied van structurele
armoede, ofwel huishoudens met een langdurig laag inkomen. Ook hier is echter de
oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen nog steeds goed zichtbaar.
Figuur Figuur Figuur Figuur 20: Armoede 20: Armoede 20: Armoede 20: Armoede- -- -indicat indicat indicat indicatoren oren oren oren

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westerse allochtonen Autochtoon

Bron: CBS
18
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
V VV Verrassende groei allochtone ondernemers errassende groei allochtone ondernemers errassende groei allochtone ondernemers errassende groei allochtone ondernemers
Het aantal niet-westerse allochtonen met een eigen onderneming neemt snel toe. In drie jaar tijd
steeg het aantal niet-westerse ondernemers met 13,3%. Dat is een zeer sterke groei in vergelijking
met de gemiddelde groei van alle Nederlandse ondernemers (6,5%).

Ondanks deze snelle groei is het aandeel van ondernemers in de beroepsbevolking bij niet-
westerse allochtonen (6,0%) nog steeds lager dan bij de totale Nederlandse bevolking (8,1%).
In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend eerste generatie niet-westerse allochtonen die
ondernemen. Van de tweede generatie niet-westerse allochtonen zijn dat er naar schatting
twaalfduizend. Deze twee groepen allochtonen vormen samen zo’n 8% van de totale
ondernemerspopulatie in Nederland.

De sectorkeuze van niet-westerse allochtonen wijkt af van de keuze van de overige ondernemers
(figuur 21). Vooral de horeca en de detailhandel zijn populair onder niet-westerse allochtonen. In
de productiesectoren (landbouw, bouwnijverheid en industrie) zijn weinig niet-westerse
ondernemers actief. In de commerciële en overige diensten zijn weliswaar veel niet-westerse
allochtonen actief, maar nog altijd minder dan gemiddeld in Nederland. Deze sectorverdeling zal
de komende jaren veranderen. Niet-westerse starters kiezen namelijk andere sectoren dan de
huidige ondernemers. Momenteel starten de meeste niet-westerse ondernemers in de zakelijke
diensten en de detailhandel. Steeds minder niet-westerse starters kiezen voor de horeca, de sector
die nu nog zeer populair is bij niet-westerse ondernemers. Wanneer deze trend zich doorzet, zal de
sectorverdeling onder niet-westerse allochtonen steeds meer gaan lijken op die van autochtonen.

De groei van het aantal niet-westerse ondernemers komt voornamelijk door een groei in de
beroepsbevolking, maar ook door een stijgend ondernemerschap. Dat wil zeggen dat een steeds
hoger percentage van de niet-westerse allochtonen gaat ondernemen. Die trend gaat in tegen een
steeds minder ondernemende autochtone bevolking (EIM, 2004). Dit zien we bevestigd in het
aantal startende ondernemingen. Het starterspercentage, ofwel het aandeel startende
ondernemers ten opzichte van het totale aantal ondernemers, is bij niet-westerse ondernemers
met 14,5% hoger dan gemiddeld in Nederland (8,9%). Hierbij moeten we wel vermelden dat de
gemiddelde levensduur van bedrijven van niet-westerse allochtonen lager is dan gemiddeld. De
gemiddelde levensduur van bedrijven in Nederland is 8,5 jaar en bij niet-westerse allochtonen is
dat 4,4 jaar. Deze levensduur is in de afgelopen jaren echter wel toegenomen (EIM, 2004).
Figuur Figuur Figuur Figuur 21 21 21 21: :: : Sectorkeuze van ondernemers, 2006 Sectorkeuze van ondernemers, 2006 Sectorkeuze van ondernemers, 2006 Sectorkeuze van ondernemers, 2006 Figuur 22: Figuur 22: Figuur 22: Figuur 22: Niet Niet Niet Niet- -- -westerse ondernemers en beroepsbevolking, 2006 westerse ondernemers en beroepsbevolking, 2006 westerse ondernemers en beroepsbevolking, 2006 westerse ondernemers en beroepsbevolking, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Niet-westerse ondernemers Totaal ondernemers

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

Ondernemers
8%
30%
32%
5%
7% 18%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Beroepsbevolking
4%
10%
5%
54%
21%
6%

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank


19
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Grote verschillen tussen stad en platteland Grote verschillen tussen stad en platteland Grote verschillen tussen stad en platteland Grote verschillen tussen stad en platteland
Niet-westerse allochtonen wonen geconcentreerd in stedelijke gebieden
4
. Veel bedrijven van niet-
westerse allochtonen zijn hierdoor logischerwijs gevestigd in de steden. In stedelijke gebieden is
het aandeel niet-westerse allochtonen in de totale ondernemerspopulatie dan ook hoger dan in
de meer landelijke gebieden. In de zeer sterk stedelijke
gebieden is 16% van alle ondernemers niet-westers. In
Den Haag, Rotterdam, Amsterdam en ook Beverwijk is
het aandeel zelfs hoger dan 16% (figuur 23).

Het kleine aandeel van niet-westerse allochtonen in de
plattelandsbevolking leidt natuurlijk tot een klein
aandeel ondernemers van niet-westerse afkomst. Van de
ondernemers in niet-stedelijke gebieden is namelijk
slechts 1,4% niet-westers allochtoon (figuur 24).
Opvallend is echter dat niet-westerse allochtonen op het
platteland ondernemender zijn dan in de meer stedelijke
gebieden. Van de niet-westerse plattelandsbevolking, in
de leeftijd van 15 tot 65 jaar, is 9,4% ondernemer.
Daarmee zijn niet-westerse allochtonen op het
platteland zelfs ondernemender dan de totale bevolking
op het platteland.

Tussen 2003 en 2006 zijn er in totaal 6.782 niet-westerse ondernemers bijgekomen in Nederland.
De groei van het niet-westerse ondernemerschap is in de zeer sterk stedelijke gemeenten in
absolute termen nog altijd het grootst (2.419), maar relatief gezien het laagst (10%). Buiten de
grote steden groeide het niet-westerse ondernemerschap in drie jaar tijd met meer dan 15%. Voor
heel Nederland geldt dat het niet-westerse ondernemerschap veel sterker is gegroeid dan het
autochtone ondernemerschap dat met 6% groeide.



4
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen uitsluitend de
eerste generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een
klein deel van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur Figuur Figuur Figuur 24: Aandeel niet 24: Aandeel niet 24: Aandeel niet 24: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers naar stedelijkheid, westerse ondernemers naar stedelijkheid, westerse ondernemers naar stedelijkheid, westerse ondernemers naar stedelijkheid,
2006 2006 2006 2006
Figuur 25: Figuur 25: Figuur 25: Figuur 25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

0%
5%
10%
15%
20%
Z
e
e
r
s
t
e
r
k
s
t
e
d
e
l
i
j
k
S
t
e
r
k
s
t
e
d
e
l
i
j
k
M
a
t
i
g
s
t
e
d
e
l
i
j
k
W
e
i
n
i
g
s
t
e
d
e
l
ij
k
N
ie
t
s
t
e
d
e
l
i
j
k
T
o
t
a
a
l

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
Z
e
e
r
s
t
e
r
k
s
t
e
d
e
li
j
k
S
t
e
r
k
s
t
e
d
e
l
i
jk
M
a
t
ig
s
t
e
d
e
li
j
k
W
e
i
n
i
g
s
t
e
d
e
li
j
k
N
ie
t
s
t
e
d
e
l
i
jk
T
o
t
a
a
l
Niet-westerse allochtonen Autochtonen

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuu Figuu Figuu Figuur 23: r 23: r 23: r 23: Ranglijst aandeel allochtone ondernemers, 2006 Ranglijst aandeel allochtone ondernemers, 2006 Ranglijst aandeel allochtone ondernemers, 2006 Ranglijst aandeel allochtone ondernemers, 2006

Rang Rang Rang Rang Top 10 Top 10 Top 10 Top 10 Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel Laagste 10 Laagste 10 Laagste 10 Laagste 10 Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2% Vlieland 0,0%
2 Beverwijk 19,2% Dirksland 0,2%
3 Rotterdam 19,0% Ferwerderadiel 0,2%
4 Amsterdam 18,5% Staphorst 0,2%
5 Almere 13,9% Kollumerland 0,4%
6 Schiedam 13,2% Schermer 0,4%
7 Diemen 13,0% Grootegast 0,4%
8 Utrecht 11,3% Ameland 0,5%
9 Spijkenisse 10,7% Ouderkerk 0,5%
10 Arnhem 10,3% Achtkarspelen 0,5%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank
20
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Bepaalt herkomst de Bepaalt herkomst de Bepaalt herkomst de Bepaalt herkomst de sectorkeuze? sectorkeuze? sectorkeuze? sectorkeuze?
Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt al dat er niet zoiets bestaat als de niet-westerse allochtoon.
Allochtonen van uiteenlopende herkomst verschillen sterk van elkaar. De herkomstgroepen die
onderscheiden kunnen worden, laten dan ook grote variaties zien in ondernemerschap (figuur 26).
Het ondernemerschap van de groepen wijkt sterker van
elkaar af dan dat het niet-westerse ondernemerschap
afwijkt van het autochtone ondernemerschap. De
Chinezen vallen als groep direct op met een zeer hoog
ondernemerschap (19%).

Chinezen vallen eveneens op door hun sectorkeuze:
maar liefst 70% van de ondernemers van Chinese
herkomst heeft gekozen voor de horeca (figuur 27).
Marokkanen en Turken kiezen vaker voor de
detailhandel. Door relatief geringe investeringen en het
benodigde opleidingsniveau zijn de horeca en de
detailhandel laagdrempelige sectoren waarvoor niet-
westerse allochtonen vaker kiezen dan gemiddeld (EIM,
2004). Niet alle niet-westerse allochtonen kiezen echter
vaker voor de laagdrempelige sectoren. Surinamers en
Antillianen kiezen juist vaker voor zakelijke, financiële en
collectieve dienstverlening dan gemiddeld.

Evenzeer is de verspreiding van het ondernemerschap per herkomstgroep uiteenlopend.
Marokkaanse, Turkse en Surinaamse ondernemers zijn vaker gevestigd in de zeer sterk stedelijke
gemeenten dan de overige niet-westerse groepen. Overigens laat figuur 27 duidelijk zien dat voor
elke niet-westerse herkomstgroep geldt dat ondernemers zich concentreren in de zeer sterk
stedelijke gebieden. Het Chinese ondernemerschap onderscheidt zich van de andere
herkomstgroepen met een relatief groot aantal vestigingen in niet-stedelijke en in weinig
stedelijke gemeenten. Het hoge ondernemerschap van Chinezen in landelijke gemeenten zorgt er
voor dat de totale groep niet-westerse allochtonen ondernemender is op het platteland dan in de
stedelijke gebieden.
Figuur 27 Figuur 27 Figuur 27 Figuur 27: :: : Aantal ondernemers, sectorverdeling en stedelijkheid naar herkomst, 2006 Aantal ondernemers, sectorverdeling en stedelijkheid naar herkomst, 2006 Aantal ondernemers, sectorverdeling en stedelijkheid naar herkomst, 2006 Aantal ondernemers, sectorverdeling en stedelijkheid naar herkomst, 2006

Herkomst Herkomst Herkomst Herkomst Totaal NL Totaal NL Totaal NL Totaal NL Niet-westers Niet-westers Niet-westers Niet-westers China China China China Turkije Turkije Turkije Turkije Suriname Suriname Suriname Suriname Antillen Antillen Antillen Antillen Marokko Marokko Marokko Marokko Overig niet-westers Overig niet-westers Overig niet-westers Overig niet-westers
Aantal ondernemers Aantal ondernemers Aantal ondernemers Aantal ondernemers 924576 58384 7271 13682 8868 2733 5664 20092
Horeca Horeca Horeca Horeca 7% 23% 70% 19% 8% 4% 16% 20%
Detailhandel Detailhandel Detailhandel Detailhandel 17% 19% 5% 24% 15% 10% 30% 20%
Overig Overig Overig Overig 77% 58% 25% 57% 76% 86% 54% 59%
Zeer sterk stedelijk Zeer sterk stedelijk Zeer sterk stedelijk Zeer sterk stedelijk 18% 47% 30% 50% 58% 36% 55% 46%
Sterk stedelijk Sterk stedelijk Sterk stedelijk Sterk stedelijk 24% 27% 29% 28% 26% 33% 26% 27%
Matig stedelijk Matig stedelijk Matig stedelijk Matig stedelijk 21% 14% 19% 14% 10% 17% 14% 14%
Weinig stedelijk Weinig stedelijk Weinig stedelijk Weinig stedelijk 23% 8% 16% 6% 5% 10% 5% 9%
Niet-stedelijk Niet-stedelijk Niet-stedelijk Niet-stedelijk 13% 3% 7% 1% 2% 4% 1% 4%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuu Figuu Figuu Figuur 26: Ondernemerschap naar herkomst, 2005 r 26: Ondernemerschap naar herkomst, 2005 r 26: Ondernemerschap naar herkomst, 2005 r 26: Ondernemerschap naar herkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
Totaal
Nederland
Niet-
westers
China Turkije Overig
niet-
westers
Suriname Antillen Marokko
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
21
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Herkomst verklaart regionale Herkomst verklaart regionale Herkomst verklaart regionale Herkomst verklaart regionale verschillen verschillen verschillen verschillen
Dat chinezen veel in de horeca zitten zal u niet verbazen. In Drenthe, Groningen, Friesland, Zeeland
en Limburg wonen relatief veel Chinezen en meer dan 40% van de niet-westerse ondernemers is
actief in de horeca. Ook in de andere provincies is de horeca de belangrijkste sector voor niet-
westerse allochtonen, maar daar is al een verschuiving
naar andere sectoren zichtbaar. In Flevoland, Noord-
Holland en Zuid-Holland lijkt de sectorkeuze van niet-
westerse ondernemers al veel meer op de sectorkeuze
van autochtonen. In die provincies wonen relatief veel
Surinamers en Antillianen die vaak voor een
dienstensector kiezen. Marokkanen in Nederland kiezen
vaker voor een onderneming in de detailhandel. In
Utrecht kiezen Marokkanen echter, net als autochtonen,
vaker voor de zakelijke dienstverlening. Hierdoor lijkt de
sectorkeuze van niet-westerse allochtonen in de
provincie Utrecht meer op de sectorkeuze van
autochtonen dan in andere provincies.
In Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant is een klein
deel van de ondernemers van niet-westerse herkomst. In
de provincies Gelderland en Overijssel is het aandeel Turken in de ondernemerspopulatie groot.
Deze groep heeft een sterke voorkeur voor een onderneming in de detailhandel.

Sterke groei niet Sterke groei niet Sterke groei niet Sterke groei niet- -- -westerse ondernemers zet door westerse ondernemers zet door westerse ondernemers zet door westerse ondernemers zet door
Hoewel mensen van Marokkaanse afkomst het minst ondernemend zijn, stijgt het aantal
Marokkaanse ondernemers het snelst (figuur 28). Het aantal ondernemers van Marokkaanse
afkomst groeit met 19% veel sneller dan de Marokkaanse bevolking (4%). Het aantal Chinese
ondernemers steeg in drie jaar tijd met zo’n 13%, terwijl de Chinese beroepsbevolking met
ongeveer 19% steeg. Het aantal Antillianen en Surinamers in de beroepsbevolking bleef tussen
2003 en 2006 stabiel, maar desondanks steeg het aantal ondernemers in die periode met
respectievelijk 12% en 10%. Dit betekent dat Antillianen, Surinamers, Marokkanen en ook Turken
naar rato van de beroepsbevolking steeds ondernemender worden, terwijl Chinezen in de
afgelopen drie jaar juist relatief minder vaak een eigen bedrijf beginnen.

Niet-westerse ondernemers zijn, kortom, een zeer heterogene groep. Er is een sterk verband tussen
de herkomst van de ondernemers en de sectorkeuze, de prestaties en het ondernemerschap. In de
horeca en in de sterk stedelijke gemeenten is een groot deel van de ondernemers van niet-
westerse herkomst. Het aantal niet-westerse ondernemers groeit zeer sterk. De groei wordt
veroorzaakt door de groei van de allochtone beroepsbevolking, maar vooral ook door een
groeiend ondernemerschap onder niet-westerse allochtonen. Ondanks de kortere levensduur van
ondernemingen van niet-westerse allochtonen zal deze groei waarschijnlijk doorzetten in de
komende jaren. Een verder professionalisering van het ondernemerschap kan hiertoe bijdragen.

Vooral de stedelijke gebieden, waar nu al grote concentraties allochtone ondernemers gevestigd
zijn, vangen de groei grotendeels op. Relatief gezien groeit het ondernemerschap buiten de grote
steden echter sneller en dus zal ook op het platteland het niet-westerse ondernemerschap van
groter belang worden. Behalve een absolute groei is er ook nog een verschuiving in de
sectorkeuze die leidt tot een nieuw beeld van allochtoon ondernemerschap. De horeca verliest aan
populariteit, de dienstverlening wint juist sterk aan populariteit. De detailhandel zal voorlopig nog
een belangrijke sector blijven voor niet-westerse ondernemers.
Figuu Figuu Figuu Figuur 28: Groei aantal ondernemers naar herkomst, ’03 r 28: Groei aantal ondernemers naar herkomst, ’03 r 28: Groei aantal ondernemers naar herkomst, ’03 r 28: Groei aantal ondernemers naar herkomst, ’03- -- -‘06 ‘06 ‘06 ‘06

0%
5%
10%
15%
20%
Totaal
Nederland
Niet-
westers
Marokko Turkije China Overig
niet-
westers
Antillen Suriname
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
22
Tot besluit Tot besluit Tot besluit Tot besluit

In de voorgaande hoofdstukken staan de belangrijkste uitkomsten van de Visie op provinciale
dynamiek 2006. Zoals gebruikelijk presenteren we de top 40 van Nederlandse regio’s, gebaseerd
op de prestaties van het bedrijfsleven in 2005. Daarin staan behoorlijk wat regio’s op een
opvallende positie. Over de jaren heen zien we dat de economisch kracht vrij stabiel is en het
hoogst is in de regio’s in het midden en westen van het land. Dat is ook dit jaar het geval, met hier
en daar een uitzondering. De economische groei is doorgaans meer wisselend. Het beeld van
afgelopen jaar is dat veel Hollandse regio’s hiervoor een onvoldoende krijgen, met name in de
noordvleugel van de Randstad. Toch staan veel Randstedelijke regio’s hoog in de top 40. Zij mogen
tot de winnaars van 2005 worden gerekend. Onderaan de top 40 staan traditiegetrouw vooral
meer perifere gebieden.

Het centrale thema van dit jaar is allochtoon Nederland. Op een groot aantal onderwerpen,
onderverdeeld in de hoofdstukken demografie, maatschappelijke positie en ondernemerschap
maken we vergelijkingen tussen autochtonen en allochtonen, tussen allochtonen onderling,
tussen stedelijke gebieden en platteland en tussen de twaalf provincies. Een opvallende uitkomst
is bijvoorbeeld dat de verschillen tussen niet-westerse allochtonen onderling vaak veel groter zijn
dan die tussen autochtonen en de niet-westerse allochtonen als geheel. Oftewel, de
bevolkingsgroep ‘niet-westerse allochtonen’ bestaat eigenlijk niet. Daarom maken we in deze
studie regelmatig onderscheid naar land van herkomst. Andere uitkomsten zijn dat we in een
Nederland zonder allochtonen de komende decennia geen bevolkingsgroei zouden kennen en
dat het aantal niet-westerse allochtone ondernemers de afgelopen drie jaar ruim twee keer zo
hard groeide als het aantal autochtone ondernemers.

Het complete rapport van onze Visie op provinciale dynamiek 2006 vindt u op onze website.
Daarin worden de prestaties van het bedrijfsleven en de kenmerken van niet-westerse allochtonen
per provincie uitgebreid beschrijven en geanalyseerd. We nodigen u van harte uit om de site te
bezoeken: www.rabobankgroep.nl/provinciestudies.
23
Groningen Groningen Groningen Groningen
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Groningen in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Groningse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 1.1 geeft de rapportcijfers voor de Groningse
regio’s en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. De grootste economie van de
provincie, Overig Groningen, komt het beste uit de bus.
Zowel voor wat betreft de economische groei, als voor
wat betreft de economische kracht laat deze regio de
andere Groningse regio’s achter zich. De aanwezigheid
van de stad Groningen speelt hierbij vanzelfsprekend
een belangrijke rol. Dit is overigens een beeld dat niet
afwijkt van voorgaande jaren. Delfzijl en omgeving is
evenals in 2000 en in 2003 de hekkensluiter van de ranglijst.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 1.2 blijkt dat er in het bedrijfsleven van de provincie een relatief
sterke omzet- en exportgroei heeft plaatsgevonden. De werkgelegenheidsgroei bleef daarentegen
nog sterker achter bij het landelijk gemiddelde dan vorig jaar. Dit geldt overigens niet voor Oost-
Groningen, waar juist een sterke werkgelegenheidsgroei heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft
de kracht laat de provincie eenzelfde beeld als vorig jaar zien. Relatief weinig Groningse bedrijven
richten zich op de exportmarkt en de investeringsbereidheid van de Groningse ondernemer is
over het algemeen klein. En hoewel de provincie een positieve score voor de kracht van de
productiestructuur krijgt, moet hierbij worden aangetekend dat dit vooral te maken heeft met de
score van de stad Groningen (7,8). Buiten de stad is de productiestructuur weinig krachtig.
Figuur 1.2: Economische groei 2005 Figuur 1.2: Economische groei 2005 Figuur 1.2: Economische groei 2005 Figuur 1.2: Economische groei 2005 Figuur 1.3: Economische kracht 2005 Figuur 1.3: Economische kracht 2005 Figuur 1.3: Economische kracht 2005 Figuur 1.3: Economische kracht 2005

O
o
s
t
-
G
r
o
n
i
n
g
e
n

D
e
l
f
z
i
j
l

e
n

o
m
g
e
v
i
n
g

O
v
e
r
i
g

G
r
o
n
i
n
g
e
n

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 7,3 6,5 5,0 5,3
omzetgroei 5,5 6,5 7,0 6,5
exportgroei 5,8 6,3 6,8 6,5
winstgroei 5,0 4,8 6,0 5,8
Economische groei 5,9 6,0 6,2 6,0
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


O
o
s
t
-
G
r
o
n
i
n
g
e
n

D
e
l
f
z
i
j
l

e
n

o
m
g
e
v
i
n
g

O
v
e
r
i
g

G
r
o
n
i
n
g
e
n

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 4,8 4,0 5,5 5,3
% exporterende bedrijven 5,5 4,8 5,3 5,3
kracht productiestructuur 5,3 4,8 6,8 6,3
dynamiek 5,8 4,5 6,3 6,0
Economische kracht 5,3 4,5 5,9 5,7
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 1.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 1.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 1.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 1.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

4,0
4,5
5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
5,5 6,0 6,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Delfzijl en omgeving
Oost-Groningen
Provinciaal
gemiddelde
Overig Groningen
40
16
35
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
24
Groningen Groningen Groningen Groningen
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De weinig verstedelijkte provincie Groningen heeft 575
duizend inwoners, van wie ongeveer 32 duizend niet-
westerse allochtonen. Dat is nog geen 2% van het totaal
in Nederland. Daarmee is ongeveer 5,5% van de totale
Groningse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 1.4).

Geconcentreerd in de stad Groningen Geconcentreerd in de stad Groningen Geconcentreerd in de stad Groningen Geconcentreerd in de stad Groningen
Van alle niet-westerse allochtonen in de provincie woont meer dan de helft in de gemeente
Groningen, geconcentreerd in het zeer sterk stedelijke gebied. Toch is niet in die gemeente, maar
in de gemeente Hoogezand-Sappemeer het aandeel van niet-westerse allochtonen in de totale
bevolking het hoogst (ruim 10%). Groningen-stad en Delfzijl volgen met beide ongeveer 9%.
Figuur 1.4: Percentage niet Figuur 1.4: Percentage niet Figuur 1.4: Percentage niet Figuur 1.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 1.5: Spreiding van niet Figuur 1.5: Spreiding van niet Figuur 1.5: Spreiding van niet Figuur 1.5: Spreiding van niet- -- -westerse allochtonen in provincie Groningen westerse allochtonen in provincie Groningen westerse allochtonen in provincie Groningen westerse allochtonen in provincie Groningen

Pekela Pekela Pekela Pekela Pekela Pekela Pekela Pekela Pekela
Veendam Veendam Veendam Veendam Veendam Veendam Veendam Veendam Veendam
Winsum Winsum Winsum Winsum Winsum Winsum Winsum Winsum Winsum
Leek Leek Leek Leek Leek Leek Leek Leek Leek
Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer Hoogezand-Sappemeer
Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl Delfzijl
Haren Haren Haren Haren Haren Haren Haren Haren Haren
Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde Vlagtwedde
Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal Stadskanaal
Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam Appingedam
Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde Bellingwedde
Groningen Groningen Groningen Groningen Groningen Groningen Groningen Groningen Groningen
Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten Winschoten
De Marne De Marne De Marne De Marne De Marne De Marne De Marne De Marne De Marne
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



25
Groningen Groningen Groningen Groningen
Demografie Demografie Demografie Demografie
Verder valt Veendam op met een voor Groningse begrippen redelijk hoog percentage van ruim
6%. In gemeente Stadskanaal is, gezien haar omvang en stedelijkheid, het aandeel van niet-
westerse allochtonen juist relatief laag (bijna 3%).

Suriname belangrijkste herko Suriname belangrijkste herko Suriname belangrijkste herko Suriname belangrijkste herkomstland mstland mstland mstland
In figuur 1.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Groningen als geheel Nederland. Daarin zien we
een gelijk aandeel van Surinamers, maar ook grote
verschillen. Wat het meeste opvalt, is de forse
ondervertegenwoordiging van Turken en met name
Marokkanen. Inwoners met een Afrikaans of Aziatisch
herkomstland zijn er, relatief gezien, juist in hogere
aantallen. Dit geldt overigens voor alledrie de noordelijke
provincies. In Hoogezand-Sappemeer wonen relatief veel
Surinamers en Turken. In Delfzijl, Veendam en
Appingedam is het grootste deel van de niet-westerse
allochtonen van Turkse herkomst. In Groningen stad
wonen relatief veel Antillianen.

Sterke internationale migratie Sterke internationale migratie Sterke internationale migratie Sterke internationale migratie
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Groningen (figuur 1.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
bevolkingsontwikkelingen in Groningen. Opvallender is echter de verdubbeling van het aantal
overige niet-westerse allochtonen. Belangrijke herkomstlanden in die groep zijn Afghanistan, Irak,
Iran en China.
Het migratiepatroon van Groningen (figuur 1.8) lijkt sterk op dat van Drenthe en Friesland. De
totale migratie vanaf 1990 bestaat voor het grootste deel uit migratie van allochtonen met een
Aziatische of Afrikaanse afkomst. Verder is er een sterke immigratie naar Groningen geweest van
Figuur 1. Figuur 1. Figuur 1. Figuur 1.7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in
Groningen Groningen Groningen Groningen (index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100)
Figuur 1.8: Figuur 1.8: Figuur 1.8: Figuur 1.8: Internationale immigratie Internationale immigratie Internationale immigratie Internationale immigratie en emigratie naar en vanuit en emigratie naar en vanuit en emigratie naar en vanuit en emigratie naar en vanuit
Groningen Groningen Groningen Groningen van niet van niet van niet van niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

2000
1000
0
1000
2000
3000
4000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 1.6 Figuur 1.6 Figuur 1.6 Figuur 1.6: Niet : Niet : Niet : Niet- -- -westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
Suriname Overig
Afrika
Overig
Azië
Antillen
& Aruba
Turkije Irak, Iran,
Afgh.
Latijns
Amerika
Marokko
Groningen Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
26
Groningen Groningen Groningen Groningen
Demografie Demografie Demografie Demografie
Antillianen vanaf 1990. Pas na 2002 daalt het migratiesaldo van Antillianen en overige niet-
westerse allochtonen en in 2004 wordt het saldo zelfs negatief. Vanuit Groiningen verhuizen al
langere tijd niet-westerse allochtonen naar andere Nederlandse provincies.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin immigranten zich in Nederland en
Groningen vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 1.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in de provincie Groningen
vergeleken met de overige bevolking (westerse
allochtonen en autochtonen). De bevolking van de niet-
westerse allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het
aandeel van 45-plussers is bij de niet-westerse
allochtonen aanzienlijk lager. Dit patroon komt overeen
met het landelijke beeld. In Groningen valt de grote
groep 20 tot 25-jarigen bij de niet-westerse allochtonen
en de overige bevolking op. De piramide in figuur 1.9 zal
in de toekomst veranderen en meer op die van de
overige bevolking gaan lijken. Als de vruchtbaarheid van
niet-westerse allochtonen hoog blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Segregatie Segregatie Segregatie Segregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt binnen gemeenten ook per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 41,4 is de segregatie in Hoogezand-
Sappemeer relatief hoog terwijl die van Groningen relatief laag is (28). Onderstaande kaarten laten
zien dat de verdeling van niet-westerse allochtonen op buurtniveau gelijkmatiger is in Groningen
dan in Hoogezand-Sappemeer.
Figuur 1.10: Aandeel niet Figuur 1.10: Aandeel niet Figuur 1.10: Aandeel niet Figuur 1.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Groningen stad, Groningen stad, Groningen stad, Groningen stad, 2005 2005 2005 2005
Figuur 1.11: Aandeel niet Figuur 1.11: Aandeel niet Figuur 1.11: Aandeel niet Figuur 1.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Hoogezand Hoogezand Hoogezand Hoogezand- -- -Sappemeer, 2005 Sappemeer, 2005 Sappemeer, 2005 Sappemeer, 2005

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 1.9: Figuur 1.9: Figuur 1.9: Figuur 1.9: Bevolkingspiramide van Groningen, 2005 Bevolkingspiramide van Groningen, 2005 Bevolkingspiramide van Groningen, 2005 Bevolkingspiramide van Groningen, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
27
Groningen Groningen Groningen Groningen
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Bovengemiddelde integratie Bovengemiddelde integratie Bovengemiddelde integratie Bovengemiddelde integratie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.
De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 1.12).

In Groningen is slechts 1,4% van de gemeenteraadsleden en 3,7% van de politiefunctionarissen
van allochtone afkomst (zie figuur 1.13). Doordat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de
bevolking relatief laag is, loopt de provincie qua integratie bij de politie en in de lokale politiek
toch voor op het landelijk gemiddelde. De participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek
in Groningen ligt op 27% van het bij volledige integratie behorende niveau en bij de politie op
67%. De provincie is met 6 allochtone raadsleden goed voor ongeveer 2% van alle allochtone
raadsleden in ons land en met 66 allochtone politiemensen ligt het aandeel in Nederland op 3,3%.
Figuur 1.12: Aandeel niet Figuur 1.12: Aandeel niet Figuur 1.12: Aandeel niet Figuur 1.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
t tt ten opzichte van aandeel in de bevolking en opzichte van aandeel in de bevolking en opzichte van aandeel in de bevolking en opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 1.13: Aandeel niet Figuur 1.13: Aandeel niet Figuur 1.13: Aandeel niet Figuur 1.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Groningen Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


28
Groningen Groningen Groningen Groningen
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.

Deze achterstand komt in figuur 1.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 1.14 en 1.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Groningen weer. In de provincie Groningen is het aandeel
van de werkzame allochtone beroepsbevolking relatief klein; slechts 44% van de totale potentiële
beroepsbevolking heeft een baan (figuur 1.15). In heel Nederland is dat 47% en onder Groningse
autochtonen 59%. De hoge werkloosheid in de provincie ligt hier voor een deel aan ten grondslag.
Van de niet-westerse allochtonen in Groningen die zich beschikbaar stellen op de arbeidsmarkt is
Figuur 1.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 1.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 1.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 1.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 1.15: Potentiële beroepsbevolking van Groningen, 2005 Figuur 1.15: Potentiële beroepsbevolking van Groningen, 2005 Figuur 1.15: Potentiële beroepsbevolking van Groningen, 2005 Figuur 1.15: Potentiële beroepsbevolking van Groningen, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


29
Groningen Groningen Groningen Groningen
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
22% werkloos, tegenover 16,5% in heel Nederland. Ook de autochtone bevolking in Groningen is
minder actief op de arbeidsmarkt in vergelijking met heel Nederland.

Lage koopkracht Lage koopkracht Lage koopkracht Lage koopkracht
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 1.16)
5
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen. Zowel
niet-westerse allochtone als autochtone huishoudens in
Groningen hadden in 2000 relatief weinig te besteden;
€11.900 respectievelijk €16.400. Alleen in Friesland is de
koopkracht van niet-westerse allochtonen lager.

Figuur 1.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het
algemeen dat hoe hoger het inkomen van autochtonen
is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-
westerse allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een
enkele uitzondering in Friesland. Het inkomensverschil is het grootst in de provincie Utrecht en het
kleinst in Drenthe.
Het verschil tussen de inkomens van autochtonen en niet-westerse allochtonen in Groningen wijkt
weinig af van het landelijke beeld: autochtonen in Groningen verdienen gemiddeld 16% meer dan
niet-westerse allochtonen (in heel Nederland is dat 18%).
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 1.18). Terwijl 12% van de autochtone bevolking
in Groningen een uitkering ontvangt, is dit aandeel van de niet-westerse allochtonen ruim drie
keer zo groot.

5
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 1.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 1.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 1.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 1.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 1.18 Figuur 1.18 Figuur 1.18 Figuur 1.18: Armoede : Armoede : Armoede : Armoede- -- -indicatoren in Groningen, 2000 indicatoren in Groningen, 2000 indicatoren in Groningen, 2000 indicatoren in Groningen, 2000


Inkomen van niet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 1.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 1.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 1.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 1.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000
Bron: CBS
30
Groningen Groningen Groningen Groningen
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Dit geldt ook voor de sociale minima; huishoudens die een inkomen verdienen dat lager is dan het
bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities). Niet-westerse allochtonen behoren samen met
eenoudergezinnen en huishoudens met een uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP,
2005). Hoewel het aandeel van niet-westerse allochtonen
met een langdurig laag inkomen veel lager is, is ook hier
het verschil met de autochtone bevolking een feit.

Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie
Turkse allochtonen zowel absoluut als relatief sterk
vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone gemeenteraadsleden,
waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral mannen; Turkse
vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen zeer goed
vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 1.19 laat zien dat er in de provincie Groningen flinke verschillen in koopkracht bestaan
tussen de vier allochtone herkomstgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden
van de niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten. In Groningen hebben de werkzame Surinaamse allochtonen
gemiddeld de hoogste koopkracht, hoewel de achterstand in vergelijking met de totale
Nederlandse bevolking nog erg groot is. De niet-werkzame Marokkaanse allochtonen hebben de
laagste koopkracht en moesten in 2000 rondkomen met gemiddeld €8.000. Dit bedrag valt ver
onder het landelijke gemiddelde van de totale niet-werkzame bevolking. Ook de Turkse,
Antilliaanse en Arubaanse allochtonen in Groningen hebben gemiddeld een koopkracht die lager
ligt dan het landelijke gemiddelde van niet-werkzame personen.

Figuur 1.19: Koopkracht naar herkomst in Groningen, 2000 Figuur 1.19: Koopkracht naar herkomst in Groningen, 2000 Figuur 1.19: Koopkracht naar herkomst in Groningen, 2000 Figuur 1.19: Koopkracht naar herkomst in Groningen, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
31
Groningen Groningen Groningen Groningen
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
6
. In provincie Groningen wonen 923 ondernemers die in
een niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Groningen het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 4,8% (figuur 1.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 1.21). In de provincie Groningen is het aandeel niet-
westerse ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is,
ligt hier op zo’n 4,0%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-
westerse ondernemers komt de stad Groningen met 6% op de 54
ste
plaats (figuur 1.22).

6
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 1.21: Aandeel niet Figuur 1.21: Aandeel niet Figuur 1.21: Aandeel niet Figuur 1.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 1.22: Aandeel niet Figuur 1.22: Aandeel niet Figuur 1.22: Aandeel niet Figuur 1.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
54 Groningen 6,0%
92 Veendam 4,3%
98 Hoogezand-Sappemeer 4,2%
126 Winschoten 3,7%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 1.20: Figuur 1.20: Figuur 1.20: Figuur 1.20: Percentage o Percentage o Percentage o Percentage ondernemer ndernemer ndernemer ndernemers van 15 s van 15 s van 15 s van 15- -- -65 jarigen, 65 jarigen, 65 jarigen, 65 jarigen, 2005 2005 2005 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
32
Groningen Groningen Groningen Groningen
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In de provincie Groningen wonen relatief weinig Turken
en Marokkanen. Dat is terug te zien in het aantal Turkse
en Marokkaanse ondernemers (figuur 1.24), maar ook in
de sectorkeuze van niet-westerse allochtonen in
Groningen (figuur 1.23). De handel en logistiek is in
Groningen minder populair onder allochtonen dan in de
rest van Nederland. Dankzij het relatief grote aantal
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers is in Groningen
het percentage ondernemers in de overige diensten
hoog. Verder valt op dat er in Groningen een relatief
grote groep Chinese ondernemers is. De horeca is dan ook populair onder niet-westerse
ondernemers in Groningen. De laatste groep, de ‘overig niet-westerse’ ondernemers, is in
Groningen groter dan gemiddeld in Nederland. De ‘overige’ groep bestaat in Groningen vooral uit
mensen met een Afrikaans of Aziatisch herkomstland. Zij zijn voornamelijk actief in de
commerciële diensten, horeca en detailhandel. De specifieke sectorkeuze van ondernemers van
niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt
vooral voor de horeca en food-detailhandel (onderdeel van handel en logistiek). In de provincie
Groningen is 18% van alle horeca-ondernemers geboren in een niet-westers land. In de food-
detailhandel is dat 5,5%. In de overige sectoren is het aandeel lager. Van 2003 tot 2006 nam het
aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%), terwijl het totaal aantal
ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Groningen was de groei groter. De groeipercentages
waren respectievelijk 14,2% en 9,5% (figuur 1.25).
Figuur 1.24: Herkomst van niet Figuur 1.24: Herkomst van niet Figuur 1.24: Herkomst van niet Figuur 1.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 1.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 1.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 1.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 1.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Groningen
13%
15%
42%
7%
3%
20%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 1.23: Niet Figuur 1.23: Niet Figuur 1.23: Niet Figuur 1.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Groningen Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
33
Groningen Groningen Groningen Groningen
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in de
provincie Groningen 13,6%. Dat is veel hoger dan het
totaal aandeel startende ondernemers in Nederland
(9,0%) en Groningen (10,1%; zie figuur 1.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Turken, Surinamers en Chinezen in de
ondernemerspopulatie vinden we niet terug bij de
starters. Juist Irakezen, Iraniërs en mensen met een ander
Aziatisch of Afrikaans herkomstland blijken veel
ondernemingen op te starten in Groningen (figuur 1.27).
Het aandeel ondernemers uit deze landen zal waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Groningen is
39% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 8% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 1.28). In Groningen start 31% van de niet-westerse allochtonen in de
commerciële dienstverlening, waarin nu slechts 17% van de ondernemers actief is. Groningen
heeft nu nog relatief weinig ondernemers in de dienstverlening, maar door het grote aantal
starters zal het aandeel van deze sectoren de komende jaren waarschijnlijk toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 1.27: Niet Figuur 1.27: Niet Figuur 1.27: Niet Figuur 1.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 1.28: Niet Figuur 1.28: Niet Figuur 1.28: Niet Figuur 1.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Groningen
8%
3%
8%
60%
12%
9%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Groningen Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 1.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 1.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 1.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 1.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
34
Friesland Friesland Friesland Friesland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Friesland in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Friese economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en kracht
in de regio’s’ geeft een beschrijving van de gehanteerde
methodiek en toont de top veertig van Nederlandse
regio’s.

Figuur 2.1 geeft de rapportcijfers voor de Friese regio’s en
de provincie als geheel weer. De cijfers in de bollen
refereren aan de positie van de regio in de Top 40. De
grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. Vooral de scores voor
economische groei lopen in Friesland sterk uiteen. De
grootste economie van Friesland, Noord-Friesland, scoort
op de economische groei het slechtst. Zuidwest-
Friesland laat daarentegen, evenals voorgaande jaren,
een ruime voldoende aantekenen. Voor de economische
kracht krijgen de meeste regio’s in Noord-Nederland een
onvoldoende. Dit geldt ook voor de Friese regio’s.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 2.2 blijkt dat de hoge score van Zuidwest-Friesland voor de
economische groei met name te danken is aan een bovengemiddelde exportgroei in het
bedrijfsleven in deze regio. Verder zien we dat de winstgroei in het bedrijfsleven in Noord-Friesland
ver achterblijft bij het landelijk gemiddelde. De regio krijgt op dit gebied zelfs de slechtste score
van alle regio’s. Zuidoost-Friesland heeft op de groei-indicatoren een ontwikkeling doorgemaakt
die ongeveer parallel loopt aan het gemiddelde van alle Nederlandse regio’s.
Voor wat betreft de economische kracht zien we dat het Friese bedrijfsleven maar in beperkte
mate op de exportmarkt is georiënteerd. Ook de productiestructuur blijft één van de zwakke
punten van de Friese economie. Daarentegen zijn er in de provincie, evenals vorig jaar, relatief veel
investerende bedrijven. Zuidwest-Friesland loopt hierin al jaren voor op de andere Friese regio’s.
Figuur 2.2: Economische groei 2005 Figuur 2.2: Economische groei 2005 Figuur 2.2: Economische groei 2005 Figuur 2.2: Economische groei 2005 Figuur 2.3: Economische kracht 2005 Figuur 2.3: Economische kracht 2005 Figuur 2.3: Economische kracht 2005 Figuur 2.3: Economische kracht 2005

N
o
o
r
d
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 6,0 6,0 6,0 6,0
omzetgroei 5,5 6,5 6,0 5,8
exportgroei 6,0 7,3 6,0 6,3
winstgroei 4,0 5,5 5,8 4,8
Economische groei 5,4 6,3 5,9 5,7
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


N
o
o
r
d
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
F
r
i
e
s
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,5 7,0 5,8 6,5
% exporterende bedrijven 4,8 4,8 5,3 4,8
kracht productiestructuur 5,8 4,8 5,8 5,5
dynamiek 5,8 5,3 6,0 5,8
Economische kracht 5,7 5,4 5,7 5,6
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 2.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 2.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 2.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 2.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,0
5,5
6,0
6,5
5,0 5,5 6,0 6,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Zuidoost-
Friesland
Zuidwest-Friesland
Provinciaal
gemiddelde
Noord-Friesland
38
25
24
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
35
Friesland Friesland Friesland Friesland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen). De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Friesland heeft 640 duizend inwoners, van
wie 24 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is 1,4%
van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is ongeveer 3,7% van de totale
Friese bevolking van niet-westerse allochtone afkomst
(10,4% in Nederland, zie figuur 2.4).

Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen
In Friesland wonen de niet-westerse allochtonen net als
in de rest van Nederland vooral in de meer stedelijke gebieden. In Leeuwarden, Harlingen en
Heerenveen woont 23% van alle inwoners terwijl 48% van alle niet-westerse allochtonen in deze
drie gemeenten woont. Leeuwarden is met 9,4% de enige gemeente in Friesland met een
percentage boven de 7,5%. Heerenveen en Harlingen volgen met beide iets meer dan 5% niet-
westerse allochtonen.
Figuur 2.4: Percentage niet Figuur 2.4: Percentage niet Figuur 2.4: Percentage niet Figuur 2.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 2.5: Spreiding niet Figuur 2.5: Spreiding niet Figuur 2.5: Spreiding niet Figuur 2.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Friesland westerse allochtonen in Friesland westerse allochtonen in Friesland westerse allochtonen in Friesland

Ferwerderadiel Ferwerderadiel Ferwerderadiel
Ferwerderadiel
Ferwerderadiel
Ferwerderadiel Ferwerderadiel Ferwerderadiel Ferwerderadiel
Dongeradeel Dongeradeel Dongeradeel
Dongeradeel
Dongeradeel
Dongeradeel Dongeradeel Dongeradeel Dongeradeel
Kollumerland en Nieuwkruisland Kollumerland en Nieuwkruisland Kollumerland en Nieuwkruisland
Kollumerland en Nieuwkruisland
Kollumerland en Nieuwkruisland
Kollumerland en Nieuwkruisland Kollumerland en Nieuwkruisland Kollumerland en Nieuwkruisland Kollumerland en Nieuwkruisland
Leeuwarden Leeuwarden Leeuwarden
Leeuwarden
Leeuwarden
Leeuwarden Leeuwarden Leeuwarden Leeuwarden
Franekeradeel Franekeradeel Franekeradeel
Franekeradeel
Franekeradeel
Franekeradeel Franekeradeel Franekeradeel Franekeradeel
Harlingen Harlingen Harlingen
Harlingen
Harlingen
Harlingen Harlingen Harlingen Harlingen
Lemsterland Lemsterland Lemsterland
Lemsterland
Lemsterland
Lemsterland Lemsterland Lemsterland Lemsterland
Ooststellingwerf Ooststellingwerf Ooststellingwerf
Ooststellingwerf
Ooststellingwerf
Ooststellingwerf Ooststellingwerf Ooststellingwerf Ooststellingwerf
Heerenveen Heerenveen Heerenveen
Heerenveen
Heerenveen
Heerenveen Heerenveen Heerenveen Heerenveen
Smallingerland Smallingerland Smallingerland
Smallingerland
Smallingerland
Smallingerland Smallingerland Smallingerland Smallingerland
Ameland Ameland Ameland
Ameland
Ameland
Ameland Ameland Ameland Ameland
het Bildt het Bildt het Bildt
het Bildt
het Bildt
het Bildt het Bildt het Bildt het Bildt
Bolsward Bolsward Bolsward
Bolsward
Bolsward
Bolsward Bolsward Bolsward Bolsward
Schiermonnikoog Schiermonnikoog Schiermonnikoog
Schiermonnikoog
Schiermonnikoog
Schiermonnikoog Schiermonnikoog Schiermonnikoog Schiermonnikoog
Sneek Sneek Sneek
Sneek
Sneek
Sneek Sneek Sneek Sneek
Terschelling Terschelling Terschelling
Terschelling
Terschelling
Terschelling Terschelling Terschelling Terschelling
Vlieland Vlieland Vlieland
Vlieland
Vlieland
Vlieland Vlieland Vlieland Vlieland
Weststellingwerf Weststellingwerf Weststellingwerf
Weststellingwerf
Weststellingwerf
Weststellingwerf Weststellingwerf Weststellingwerf Weststellingwerf
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 7%
5% tot 7%
3% tot 5%
2% tot 3%
1% tot 2%
minder dan 1%



36
Friesland Friesland Friesland Friesland
Demografie Demografie Demografie Demografie
Van de tien gemeenten in Nederland met het laagste aandeel niet-westerse allochtonen zijn er vijf
Fries. Op Vlieland wonen in absolute zin het kleinste aantal niet-westerse allochtonen van alle
Nederlandse gemeenten. Ook op de overige waddeneilanden wonen zeer weinig niet-westerse
allochtonen.

Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden
In figuur 2.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Friesland als geheel Nederland. Daarin zien we
voor Friesland opvallend lage percentages Surinamers,
Marokkanen en Turken, net als in Groningen en Drenthe.
Relatief veel niet-westerse allochtonen in Friesland
komen uit Irak, China, Vietnam en Afghanistan. Hun
aandeel in de Friese bevolking is veel hoger dan buiten
de noordelijke provincies. Er zijn echter verschillen
tussen gemeenten in Friesland. Zo wonen in Harlingen
vooral Marokkanen, in Heerenveen Turken en in
Leeuwarden voornamelijk Surinamers en daarnaast
relatief veel Irakezen. Overigens wonen in alle
gemeenten in Friesland relatief veel allochtonen van
Afrikaanse en Aziatische afkomst.

Internationale immigratie en nationale verhuizingen Internationale immigratie en nationale verhuizingen Internationale immigratie en nationale verhuizingen Internationale immigratie en nationale verhuizingen
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Friesland (figuur 2.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt in de meeste provincies voornamelijk door natuurlijke groei. In Friesland wordt de
ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen echter nauwelijks beïnvloed door
natuurlijke groei. Internationale migratie en nationale verhuizingen bepalen sinds 1990 de
ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Friesland. Het internationale
migratieoverschot van Marokkanen en Surinamers is sinds 1990 zeer beperkt.
Figuur 2 Figuur 2 Figuur 2 Figuur 2.7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Friesland (index, 1996 = 100) Friesland (index, 1996 = 100) Friesland (index, 1996 = 100) Friesland (index, 1996 = 100)
Figuur Figuur Figuur Figuur 2. 2. 2. 2.8: 8: 8: 8: Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie naar en vanuit naar en vanuit naar en vanuit naar en vanuit
Friesland Friesland Friesland Friesland van niet van niet van niet van niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

1500
500
500
1500
2500
3500
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 2.6: Niet Figuur 2.6: Niet Figuur 2.6: Niet Figuur 2.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Overig
Afrika
Overig
Azië
Irak, Iran,
Afgh.
Suriname Marokko Antillen
& Aruba
Turkije Latijns
Amerika
Friesland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
37
Friesland Friesland Friesland Friesland
Demografie Demografie Demografie Demografie
De overige niet-westerse allochtonen zijn in die periode juist in grote aantallen vanuit het
buitenland naar Friesland gekomen, al dan niet via asielzoekerscentra. Na een verblijf in Friesland
verhuisden in de afgelopen jaren per saldo veel allochtonen vanuit Friesland naar andere
Nederlandse provincies.

Gemiddeld zeer jong Gemiddeld zeer jong Gemiddeld zeer jong Gemiddeld zeer jong
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Friesland vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuuur 2.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Friesland vergeleken met de
overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Het grote aandeel 20 tot 25 jarigen is in Friesland
bijzonder groot. De piramide in figuuur 2.9 kan in de
toekomst veranderen en meer op die van de overige
bevolking gaan lijken. Als de binnenlandse en
internationale migratiestromen blijven domineren dan
zullen er echter wel grote verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 37,1 respectievelijk 37,6 is de ruimtelijke
segregatie van niet-westerse allochtonen in de gemeenten Leeuwarden en Heerenveen relatief
hoog. Onderstaande kaarten laten zien dat in beide gemeenten een beperkt aantal buurten is met
een bovengemiddeld aandeel niet-westerse allochtonen.
Figuur 2.10: Aandeel niet Figuur 2.10: Aandeel niet Figuur 2.10: Aandeel niet Figuur 2.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Leeuwarden, 2005 Leeuwarden, 2005 Leeuwarden, 2005 Leeuwarden, 2005
Figuur 2.11: Aandeel niet Figuur 2.11: Aandeel niet Figuur 2.11: Aandeel niet Figuur 2.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Heerenveen, 2005 Heerenveen, 2005 Heerenveen, 2005 Heerenveen, 2005

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 2.9: Figuur 2.9: Figuur 2.9: Figuur 2.9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Friesland van Friesland van Friesland van Friesland, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
38
Friesland Friesland Friesland Friesland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Zwakke maatschappelijke integratie Zwakke maatschappelijke integratie Zwakke maatschappelijke integratie Zwakke maatschappelijke integratie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 2.12).

Friesland heeft na Flevoland de zwakste participatie van allochtonen in de politiek. Slechts een half
procent van de Friese raadsleden is van niet-westerse allochtone afkomst. De participatiegraad van
allochtonen in de lokale politiek in Friesland bedraagt daarmee slechts 16% van het bij volledige
integratie behorende niveau. Dat wil zeggen dat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de
bevolking zes keer zo groot is als in de gemeenteraden.
Figuur 2.12: Aandeel niet Figuur 2.12: Aandeel niet Figuur 2.12: Aandeel niet Figuur 2.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 2.13: Aandeel niet Figuur 2.13: Aandeel niet Figuur 2.13: Aandeel niet Figuur 2.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Friesland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


39
Friesland Friesland Friesland Friesland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Ook het aandeel van niet-westerse allochtonen bij de politie is erg laag. Doordat de provincie over
een klein aandeel niet-westerse allochtonen beschikt, zit Friesland toch bijna op het landelijk
gemiddelde wat betreft de participatie van allochtonen bij de politie.

Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 2.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).
De Figuren 2.14 en 2.15
7
geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Friesland weer. In de provincie Friesland zijn de verschillen
tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen groter dan de landelijke verschillen tussen deze

7
De werkloosheid in de figuur is nul door een beperking in de cijfers (duizendtallen).
Figuur 2.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 2.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 2.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 2.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 2.15: Potentiële beroepsbevolking van Friesland, 2005 Figuur 2.15: Potentiële beroepsbevolking van Friesland, 2005 Figuur 2.15: Potentiële beroepsbevolking van Friesland, 2005 Figuur 2.15: Potentiële beroepsbevolking van Friesland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


40
Friesland Friesland Friesland Friesland
M MM Maatschappelijke positie aatschappelijke positie aatschappelijke positie aatschappelijke positie
twee bevolkingsgroepen (figuur 2.15). Van de allochtone potentiële beroepsbevolking in Friesland
heeft 40% een baan. Dit is veel lager dan onder autochtonen (60%), maar daarmee zijn de niet-
westerse allochtonen in Friesland ook veel minder actief op de arbeidsmarkt dan de totale niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland. De grote
groep mensen die ‘niet kan of niet wil werken’ is
opmerkelijk.

Laagste koopkracht van Laagste koopkracht van Laagste koopkracht van Laagste koopkracht van Nederland Nederland Nederland Nederland
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 2.16)
8
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In Friesland hebben niet-westerse allochtone
huishoudens de laagste koopkracht van alle provincies.
Zij moesten in 2000 rondkomen met gemiddeld 11.400
euro per jaar.
Figuur 2.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het inkomen van
autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse allochtonen. De
verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele uitzondering in het
westen van Friesland. Hier wordt dit afwijkende beeld veroorzaakt door het relatief lage inkomen
van de niet-westerse allochtonen in deze regio. Het verschil in besteedbaar inkomen met de
autochtone bevolking is in Friesland groter dan in buurprovincie Groningen; in Friesland verdienen
de autochtonen 20% meer dan de niet-westerse allochtonen.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 2.18).

8
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 2.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 2.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 2.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 2.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 2.18: Armoede Figuur 2.18: Armoede Figuur 2.18: Armoede Figuur 2.18: Armoede- -- -indicatoren in Friesland, 2000 indicatoren in Friesland, 2000 indicatoren in Friesland, 2000 indicatoren in Friesland, 2000


Inkomen van niet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 2.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 2.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 2.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 2.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
41
Friesland Friesland Friesland Friesland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Hoewel 10% van de autochtone bevolking in Friesland rond moet komen van een uitkering, is
ditzelfde aandeel van de niet-westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit geldt ook voor de
sociale minima; huishoudens die een inkomen verdienen dat lager is dan het bestaansminimum
(zie de bijlagen voor definities).
Niet-westerse allochtonen behoren samen met
eenoudergezinnen en huishoudens met een
uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP,
2005). Het verschil tussen allochtonen en autochtonen is
kleiner als het gaat om structurele armen. Dit zijn
huishoudens met een langdurig laag inkomen. Toch is de
oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen,
en daarmee de achterstandspositie, nog steeds
aanwezig.

Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen en Arubanen)
kort besproken aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 2.19 laat zien dat er in Friesland flinke verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
grootste allochtone herkomstgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de
niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten. In Friesland hebben Surinamers met 14.700 euro het meest te
besteden. De achterstand in koopkracht ten opzichte van autochtonen is echter nog groot. De
Surinamers worden opgevolgd door de Turkse allochtonen die in 2000 gemiddeld 14.300 euro te
besteden hadden. Friesland is de enige provincie waar alle werkzame allochtone groepen minder
te besteden hebben dan de totale niet-werkzame bevolking in Nederland. In Friesland is tevens de
koopkracht van niet-werkzame Marokkaanse allochtonen het laagst van alle provincies. Zij hadden
in 2000 gemiddeld 7.900 euro te besteden.
Figuur 2.19: Koopkracht naar herkomst in Friesland, 2000 Figuur 2.19: Koopkracht naar herkomst in Friesland, 2000 Figuur 2.19: Koopkracht naar herkomst in Friesland, 2000 Figuur 2.19: Koopkracht naar herkomst in Friesland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Turkije Antillen en
Aruba
Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
42
Friesland Friesland Friesland Friesland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
9
. In Friesland wonen 754 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Friesland het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,0% (figuur 2.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 2.21). In Friesland is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 2,5%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Leeuwarden met 6,5% op de 41
ste
plaats (figuur 2.22).

9
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 2.21: Aandeel niet Figuur 2.21: Aandeel niet Figuur 2.21: Aandeel niet Figuur 2.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopul ondernemerspopul ondernemerspopul ondernemerspopulatie, 2006 atie, 2006 atie, 2006 atie, 2006
Figuur 2.22: Aandeel niet Figuur 2.22: Aandeel niet Figuur 2.22: Aandeel niet Figuur 2.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
41 Leeuwarden 6,5%
157 Heerenveen 3,1%
182 Smallingerland 2,9%
210 Bolsward 2,6%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 2.20: Ondernemers in de b Figuur 2.20: Ondernemers in de b Figuur 2.20: Ondernemers in de b Figuur 2.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 eroepsbevolking, 2005 eroepsbevolking, 2005 eroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
43
Friesland Friesland Friesland Friesland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Friesland wonen weinig Turken, Surinamers en
Marokkanen. Dat is terug te zien in het aantal Turkse,
Surinaamse en Marokkaanse ondernemers (figuur 2.24),
maar ook in de sectorkeuze van niet-westerse
allochtonen in Friesland (figuur 2.23). De handel en
logistiek en de dienstenlevering zijn in Friesland minder
populair onder allochtonen dan in de rest van Nederland.
Dankzij het relatief grote aantal Chinese ondernemers is
de horeca juist zeer populair onder niet-westerse
ondernemers in Friesland. De laatste groep, de ‘overig
niet-westerse’ ondernemers, is in Friesland groter dan gemiddeld in Nederland. De ‘overige’ groep
bestaat in Friesland vooral uit mensen met een Afrikaans of Aziatisch herkomstland. Zij zijn
voornamelijk actief in de commerciële diensten, horeca en detailhandel.

De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Friesland is 10,3% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 3,0%. In de overige sectoren is het aandeel
lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Friesland was de groei groter.
De groeipercentages waren respectievelijk 22,2% en 8,8% (figuur 2.25).
Figuur 2.2 Figuur 2.2 Figuur 2.2 Figuur 2.24: Herkomst van niet 4: Herkomst van niet 4: Herkomst van niet 4: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 2.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 2.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 2.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 2.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Friesland
9%
10%
50%
5%
7%
19%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 2.23: Niet Figuur 2.23: Niet Figuur 2.23: Niet Figuur 2.23: Niet- -- -w ww westerse ondernemers naar sector, 2006 esterse ondernemers naar sector, 2006 esterse ondernemers naar sector, 2006 esterse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Friesland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
44
Friesland Friesland Friesland Friesland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Friesland 17,3%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Friesland
(8,6%; zie figuur 2.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Chinezen in de ondernemerspopulatie
vinden we niet terug bij de starters. Juist Irakezen,
Iraniërs en mensen met een ander Aziatisch of Afrikaans
herkomstland blijken veel ondernemingen op te starten
in Friesland (figuur 2.27). Het aandeel ondernemers uit
deze landen zal dus waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Friesland is
40% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 10% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 2.28). In Friesland start 40% van de niet-westerse allochtonen een
onderneming in de handel en logistiek, waar nu slechts 30% van de ondernemers actief in is.
Friesland heeft nu nog relatief weinig ondernemers in de handel en logistiek, maar door het grote
aantal starters zal het aandeel van deze sectoren de komende jaren waarschijnlijk toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 2.27: Niet Figuur 2.27: Niet Figuur 2.27: Niet Figuur 2.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 2.28: Niet Figuur 2.28: Niet Figuur 2.28: Niet Figuur 2.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Friesland
7%
5%
7%
68%
5% 8%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Friesland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 2.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 2.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 2.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 2.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
45
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Drenthe in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Drentse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 3.1 geeft de rapportcijfers voor de Drentse regio’s
en de provincie als geheel weer. De cijfers in de bollen
refereren aan de positie van de regio in de Top 40. De
grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. Zowel de economische groei als
de economische kracht verschilt per regio. De groei was
het hoogst in Noord-Drenthe. Deze regio eindigde op de
groeiranglijst zelfs als tweede. Ook Zuidwest- en
Zuidoost-Drenthe scoorden bovengemiddeld als het
gaat om economische groei. Dit zorgde ervoor dat
Drenthe op de eerste plaats van de provinciale
groeilanglijst prijkt.

Onderstaande figuren tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 3.2 blijkt dat de sterke economische groei vooral te danken is
aan een sterke export- en winstgroei in het bedrijfsleven in Drenthe. Twee aspecten van de
economische groei die vorig jaar juist achterbleven. De werkgelegenheidsgroei is eveneens
tegengesteld aan vorig jaar. In 2004 onderscheidde Noord-Drenthe zich met een
bovengemiddelde werkgelegenheidsgroei en scoorde Zuidwest-Drenthe gelijk aan het landelijk
gemiddelde. Dit jaar is het andersom en is juist Zuidwest-Drenthe de positieve uitschieter.
Wat betreft de kracht is het beeld vergelijkbaar met vorig jaar.. Relatief weinig Drentse bedrijven
richten zich op de exportmarkt (al groeit de export wel) en sterk groeiende sectoren, zoals de
zakelijke dienstverlening, blijven in de provincie ondervertegenwoordigd. Anderzijds zien we dat
de verjonging van het bedrijfsleven vooral in Zuidoost-Drenthe nog steeds sterk doorzet.
Figuur 3.2: Economische groei 2005 Figuur 3.2: Economische groei 2005 Figuur 3.2: Economische groei 2005 Figuur 3.2: Economische groei 2005 Figuur 3.2: Economische kracht 2005 Figuur 3.2: Economische kracht 2005 Figuur 3.2: Economische kracht 2005 Figuur 3.2: Economische kracht 2005

N
o
o
r
d
-
D
r
e
n
t
h
e

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
D
r
e
n
t
h
e

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
D
r
e
n
t
h
e

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 5,3 5,3 7,5 6,0
omzetgroei 6,8 6,3 5,3 6,3
exportgroei 7,5 6,0 6,3 6,5
winstgroei 6,5 7,0 6,5 6,8
Economische groei 6,5 6,1 6,4 6,4
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


N
o
o
r
d
-
D
r
e
n
t
h
e

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
D
r
e
n
t
h
e

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
D
r
e
n
t
h
e

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,5 5,5 7,0 6,3
% exporterende bedrijven 5,3 6,0 5,5 5,5
kracht productiestructuur 6,3 5,0 5,3 5,5
dynamiek 6,5 7,3 6,5 6,8
Economische kracht 6,1 5,9 6,1 6,0
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 3.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 3.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 3.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 3.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,5
6,0
6,5
5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Noord-Drenthe
Zuidwest-Drenthe
Provinciaal
gemiddelde
Zuidoost-Drenthe
7
9
18
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
46
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont. De provincie Drenthe heeft 483
duizend inwoners, van wie 14,5 duizend niet-westerse
allochtonen. Dat is 0,9% van het totale aantal niet-
westerse allochtonen in Nederland. Daarmee is ongeveer
3% van de totale Drentse bevolking van niet-westerse
allochtone afkomst, het laagste percentage van alle
provincies (10,4% in Nederland, zie figuur 3.4).

Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen Weinig stedelijkheid, weinig allochtonen
In Drenthe wonen de niet-westerse allochtonen net als in de rest van Nederland vooral in de meer
stedelijke gebieden. Doordat die gebieden verspreid liggen over de provincie en door het lage
aantal allochtonen in Drenthe is de concentratie van niet-westerse allochtonen in Drenthe minder
sterk dan in de rest van Nederland. In Assen en Meppel samen woont 19% van de totale Drentse
bevolking terwijl in die twee gemeenten 35% van alle niet-westerse allochtonen woont.
Figuur 3.4: Percentage niet Figuur 3.4: Percentage niet Figuur 3.4: Percentage niet Figuur 3.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 3.5: Spreiding niet Figuur 3.5: Spreiding niet Figuur 3.5: Spreiding niet Figuur 3.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Drenthe westerse allochtonen in Drenthe westerse allochtonen in Drenthe westerse allochtonen in Drenthe

Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn Borger-Odoorn
Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze Aa en Hunze
Assen Assen Assen Assen Assen Assen Assen Assen Assen
Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe Midden-Drenthe
Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden Coevorden
Emmen Emmen Emmen Emmen Emmen Emmen Emmen Emmen Emmen
Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld Noordenveld
Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo Tynaarlo
Meppel Meppel Meppel Meppel Meppel Meppel Meppel Meppel Meppel
De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden De Wolden
Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld Westerveld
Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen Hoogeveen
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
4% tot 6%
3% tot 4%
2% tot 3%
1% tot 2%
minder dan 1%



47
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Emmen is het aandeel van niet-westerse allochtonen slechts 3,7% van de totale gemeentelijke
bevolking. Voor een stedelijke gemeente met de omvang van Emmen is dat percentage laag. In de
meeste overige gemeenten van Drenthe is het percentage echter nog lager.

Grote diversiteit Grote diversiteit Grote diversiteit Grote diversiteit onder allochtonen onder allochtonen onder allochtonen onder allochtonen
In figuur 3.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Drenthe als geheel Nederland. Daarin zien we voor
Drenthe opvallend lage percentages Surinamers,
Marokkanen en Turken. Net als in de overige noordelijke
provincies zijn de overige groepen relatief sterk
vertegenwoordigd. Er zijn echter verschillen tussen
gemeenten in Drenthe. In Hoogeveen en Assen is het
grootste deel van de niet-westerse allochtonen van
Irakese afkomst. In Emmen wonen relatief veel Turken, in
Meppel zijn juist de Marokkanen de grootste groep
allochtonen. In alle gemeenten in Drenthe wonen relatief
veel allochtonen met een Afrikaanse ofwel Aziatische
afkomst.

Recente internationale migratie Recente internationale migratie Recente internationale migratie Recente internationale migratie
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Drenthe (figuur 3.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
groeicijfers voor Drenthe.
De sterke ontwikkeling van de groep ‘overige niet-westerse’ allochtonen komt door een sterke
immigratie van 1996 tot 2003. Daarna is er weer een daling van het aantal overige niet-westerse
allochtonen door een negatief migratiesaldo voor de ‘overige niet-westerse’ allochtonen. De
immigratie van Turken, Marokkanen, maar ook van de Surinamers heeft vooral vóór 1990
plaatsgevonden en is na 1990 sterk teruggelopen. In de periode 1990-2005 vormen de overige
Figuur 3. Figuur 3. Figuur 3. Figuur 3.7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in Drenthe in Drenthe in Drenthe in Drenthe
(index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100) (index, 1996 = 100)
Figuur 3 Figuur 3 Figuur 3 Figuur 3.8: .8: .8: .8: Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie naar naar naar naar en vanuit en vanuit en vanuit en vanuit
Drenthe van niet Drenthe van niet Drenthe van niet Drenthe van niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
110
120
130
140
150
160
170
180
190
200
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

1000
500
0
500
1000
1500
2000
2500
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 3.6: Niet Figuur 3.6: Niet Figuur 3.6: Niet Figuur 3.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
Overig
Azië
Overig
Afrika
Irak, Iran,
Afgh.
Suriname Turkije Marokko Antillen
& Aruba
Latijns
Amerika
Drenthe Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
48
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Bevolkingsopbouw Bevolkingsopbouw Bevolkingsopbouw Bevolkingsopbouw
niet-westerse allochtonen samen het grootste deel van de migranten in Drenthe. Per saldo
verhuizen al langere tijd allochtonen vanuit Drenthe naar andere Nederlandse provincies.

Gemiddeld lage leeftijd Gemiddeld lage leeftijd Gemiddeld lage leeftijd Gemiddeld lage leeftijd
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Drenthe vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 3.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Drenthe vergeleken met de
overige bevolking (westerse allochtonen en autoch-
tonen). De bevolking van de niet-westerse allochtonen
blijkt, nog meer dan in andere provincies, veel jonger te
zijn: het aandeel van 45-plussers is bij de niet-westerse
allochtonen aanzienlijk lager. In Drenthe valt het hoge
aandeel van kinderen onder de 15 jaar op. Dit komt door
de relatief recente immigratie naar Drenthe. De piramide
in figuur 3.9 zal in de toekomst veranderen en waar-
schijnlijk meer op die van de overige bevolking gaan
lijken. Als de vruchtbaarheid van de niet-westerse alloch-
tonen hoog blijft, zullen verschillen echter voortbestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). De index van Emmen is zeer hoog (40,2) omdat er twee grote
wijken zijn waarin een hoog percentage van de inwoners niet-westers allochtoon is, terwijl het
gemiddelde percentage in Emmen laag is. Assen heeft een zeer lage index van 25,6 doordat er
relatief veel wijken zijn met een gemiddeld aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking.
Figuur 3.10: Aandeel niet Figuur 3.10: Aandeel niet Figuur 3.10: Aandeel niet Figuur 3.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Assen, westerse allochtonen per buurt in Assen, westerse allochtonen per buurt in Assen, westerse allochtonen per buurt in Assen,
2005 2005 2005 2005
Figuur 3.11: Aande Figuur 3.11: Aande Figuur 3.11: Aande Figuur 3.11: Aandeel niet el niet el niet el niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Emmen, westerse allochtonen per buurt in Emmen, westerse allochtonen per buurt in Emmen, westerse allochtonen per buurt in Emmen,
2005 2005 2005 2005

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank
meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 3.9: Bevolkingspiramide van Drenthe, 2005 Figuur 3.9: Bevolkingspiramide van Drenthe, 2005 Figuur 3.9: Bevolkingspiramide van Drenthe, 2005 Figuur 3.9: Bevolkingspiramide van Drenthe, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
49
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Hoogste participatie bij de politie Hoogste participatie bij de politie Hoogste participatie bij de politie Hoogste participatie bij de politie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval.

Drenthe is klein wat betreft het aantal allochtone raadsleden en politiemensen. In de provincie is
slechts 0,7% van de gemeenteraadsleden en 3,4% van de politiefunctionarissen allochtoon.
Doordat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking echter ook laag is, ligt de
provincie wat betreft integratie bij de politie ver voor op het landelijk gemiddelde. Het aandeel
van allochtonen bij de politie is zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (figuur 3.13).
Daardoor heeft Drenthe met 123% de hoogste participatiegraad van alle provincies (figuur 3.12).
De participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Drenthe ligt op een vijfde van het bij
Figuur 3.12: Aandeel niet Figuur 3.12: Aandeel niet Figuur 3.12: Aandeel niet Figuur 3.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 3. Figuur 3. Figuur 3. Figuur 3.13: Aandeel niet 13: Aandeel niet 13: Aandeel niet 13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Drenthe Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


50
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
volledige integratie behorende niveau, net onder het landelijk gemiddelde (figuur 3.12). Dat wil
zeggen dat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking vijf keer zo hoog is als in de
lokale politiek.

Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie Lage arbeidsparticipatie
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 3.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De Figuren 3.14 en 3.15
10
geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Drenthe weer.

10
De werkloosheid in de figuur is nul door een beperking in de cijfers (duizendtallen).
Figuur 3.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 3.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 3.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 3.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 F FF Figuur 3.15: Potentiële beroepsbevolking van Drenthe, 2005 iguur 3.15: Potentiële beroepsbevolking van Drenthe, 2005 iguur 3.15: Potentiële beroepsbevolking van Drenthe, 2005 iguur 3.15: Potentiële beroepsbevolking van Drenthe, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


51
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Maatschappelijke Maatschappelijke Maatschappelijke Maatschappelijke positie positie positie positie
Wat vooral opvalt, is de zeer grote groep niet-westerse allochtonen die zich niet beschikbaar stelt
op de arbeidsmarkt, maar liefst 60% van de potentiële beroepsbevolking. De allochtone bevolking
in Drenthe is, net als landelijk, relatief jong en bevat zodoende veel scholieren en studenten die
nog niet participeren op de arbeidsmarkt. Dit verklaart
ten dele de grote groep die niet kan of niet wil werken.
Het gevolg hiervan is dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen in Drenthe, samen met Friesland,
het laagst is van alle provincies.

Kleinste inkomensverschil van Nederland Kleinste inkomensverschil van Nederland Kleinste inkomensverschil van Nederland Kleinste inkomensverschil van Nederland
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 3.16)
11
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In de provincie Drenthe hadden in 2000 zowel niet-
westerse allochtone als autochtone huishoudens relatief
weinig te besteden; €12.400 respectievelijk €17.200.

Figuur 3.17 geeft het verschil tussen het gemiddelde persoonsinkomen van autochtonen en niet-
westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het
inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse
allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele
uitzondering in het westen van Friesland. Het inkomensverschil is het grootst in de provincie
Utrecht en het kleinst in Drenthe, respectievelijk de provincies met het hoogste en op twee na
laagste autochtone inkomen. In Drenthe verdienen niet-westerse allochtonen gemiddeld 89% van
het autochtone inkomen.
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 3.18).

11
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.

Figuur 3.17: Regionale inkomensverschillen tussen niet Figuur 3.17: Regionale inkomensverschillen tussen niet Figuur 3.17: Regionale inkomensverschillen tussen niet Figuur 3.17: Regionale inkomensverschillen tussen niet- -- -westerse westerse westerse westerse
allochtonen en autochtonen, 2002 allochtonen en autochtonen, 2002 allochtonen en autochtonen, 2002 allochtonen en autochtonen, 2002
Figuur 3.18: Armoede Figuur 3.18: Armoede Figuur 3.18: Armoede Figuur 3.18: Armoede- -- -indicatoren in Drenthe, 2000 indicatoren in Drenthe, 2000 indicatoren in Drenthe, 2000 indicatoren in Drenthe, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % van inkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 3.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 3.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 3.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 3.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
52
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
In Drenthe is het aandeel huishoudens met een uitkering relatief hoog, zowel van autochtonen als
van allochtonen. Maar hoewel 10% van de autochtone bevolking in Drenthe rond moet komen
van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit
geldt ook voor de sociale minima; huishoudens die een
inkomen verdienen dat lager is dan het
bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities). Niet-
westerse allochtonen behoren samen met
eenoudergezinnen en uitkeringsgerechtigden tot de
risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005). Ook het
aandeel van huishoudens met een structureel laag
inkomen is bij niet-westerse allochtonen veel hoger dan
bij autochtonen, al is het verschil hier iets kleiner.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken aan de hand van de onderwerpen lokale
politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 3.19 laat zien dat er in Drenthe flinke verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
allochtone herkomstgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de niet-
werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers, werklozen en
arbeidsongeschikten.
In Drenthe hebben de werkzame Surinaamse allochtonen het meest te besteden. Het verschil in
koopkracht met de autochtone bevolking is kleiner dan in de andere provincies, het verschil met
de koopkracht van de niet-werkzame Surinamers des te groter. De koopkracht van de overige drie
herkomstgroepen is relatief laag. De werkenden onder hen verdienen gemiddeld minder dan de
totale niet-werkzame bevolking in Nederland. Van de vier herkomstlanden in de figuur hadden de
niet werkenden Antillianen en Arubanen in 2000 de laagste koopkracht. Zij hadden in dat jaar
gemiddeld 8.600 euro te besteden.

Figuur 3.19: Koopkracht naar herkomst in Drenthe, 2000 Figuur 3.19: Koopkracht naar herkomst in Drenthe, 2000 Figuur 3.19: Koopkracht naar herkomst in Drenthe, 2000 Figuur 3.19: Koopkracht naar herkomst in Drenthe, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
53
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
12
. In Drenthe wonen 542 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Drenthe het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op 6,7% (figuur 3.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 3.21). In provincie Drenthe is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 2,5%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Assen met 4,4% op de 91
ste
plaats (figuur 3.22).

12
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 3.21: Aandeel niet Figuur 3.21: Aandeel niet Figuur 3.21: Aandeel niet Figuur 3.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemers ondernemers ondernemers ondernemerspopulatie, 2006 populatie, 2006 populatie, 2006 populatie, 2006
Figuur 3.22: Aandeel niet Figuur 3.22: Aandeel niet Figuur 3.22: Aandeel niet Figuur 3.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
91 Assen 4,4%
171 Meppel 3,0%
197 Hoogeveen 2,7%
226 Emmen 2,5%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 3.20: Ondernemers in Figuur 3.20: Ondernemers in Figuur 3.20: Ondernemers in Figuur 3.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 de beroepsbevolking, 2005 de beroepsbevolking, 2005 de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
54
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Drenthe wonen relatief weinig Turken, Surinamers en
Marokkanen. Dat is terug te zien in het aantal Turkse,
Surinaamse en Marokkaanse ondernemers (figuur 3.24).
In Drenthe wonen relatief veel Chinezen, wat te zien is
aan de sectorkeuze van niet-westerse allochtonen in
Drenthe (figuur 3.23). De horeca is bijzonder populair
onder niet-westerse allochtonen. Dankzij het relatief
grote aantal Chinese ondernemers is in Drenthe het
percentage niet-westerse ondernemers in de horeca zeer
hoog. De laatste groep, de ‘overig niet-westerse’
ondernemers, is in Drenthe groter dan gemiddeld in Nederland. De ‘overige’ groep bestaat in
Drenthe vooral uit mensen met een Afrikaans of Aziatisch herkomstland. Zij zijn voornamelijk
actief in de commerciële diensten, horeca en detailhandel.

De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In provincie Drenthe is 12,6% van alle horeca-ondernemers
geboren in een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 2,4%. In de overige sectoren is het
aandeel lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totaal aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Drenthe was de groei groter. De
groeipercentages waren respectievelijk 20,4% en 12,8% (figuur 3.25).
Figuur 3.24: Her Figuur 3.24: Her Figuur 3.24: Her Figuur 3.24: Herkomst van niet komst van niet komst van niet komst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 3.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 3.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 3.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 3.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Drenthe
7%
13%
45%
6%
3%
26%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 3.23: Niet Figuur 3.23: Niet Figuur 3.23: Niet Figuur 3.23: Niet- -- -westers westers westers westerse ondernemers naar sector, 2006 e ondernemers naar sector, 2006 e ondernemers naar sector, 2006 e ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Drenthe Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
55
Drenthe Drenthe Drenthe Drenthe
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Drenthe 11,8%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Drenthe
(9,9%; zie figuur 3.26)
De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de reeds bestaande ondernemers. De grote
groep Chinezen in de ondernemerspopulatie vinden we
niet terug bij de starters. Ook Antillianen en Surinamers
zijn minder goed vertegenwoordigd bij de starters. Juist
Turken, Marokkanen en alle andere herkomstgroepen
blijken veel ondernemingen op te starten in Drenthe
(figuur 3.27). Het aandeel ondernemers uit deze landen
zal waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Drenthe is
46% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 15% van de starters in de horeca
begint (figuur 3.28). In Drenthe start een groot deel van de niet-westerse allochtonen (42%) in de
handel en logistiek, waarin nu slechts 24% van de ondernemers actief is. Drenthe heeft nu nog
relatief weinig ondernemers in de handel en logistiek, maar door het grote aantal starters zal het
aandeel van deze sectoren de komende jaren naar alle waarschijnlijkheid toenemen. Allochtonen
zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te vermelden dat niet-
westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook vaker opheffen, al dan
niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het ondernemerschap zal een
positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de groei dus nog verder
versterken.
Figuur 3.27: Niet Figuur 3.27: Niet Figuur 3.27: Niet Figuur 3.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 3.28: Niet Figuur 3.28: Niet Figuur 3.28: Niet Figuur 3.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Drenthe
11%
6%
5%
55%
18%
5%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Drenthe Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 3.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 3.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 3.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 3.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
56
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Overijssel in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Overijsselse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 4.1 geeft de rapportcijfers voor de regio’s in
Overijssel en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. In tegenstelling tot voorgaande
jaren valt de score van Zuidwest-Overijssel tegen. Na drie
jaren in de top 10 en vorig jaar zelfs een derde plaats,
vinden we de regio nu pas terug op de 30
e
plaats van de
ranglijst. De grootste economie van de provincie, Twente,
laat voor het eerst sinds 2001 de hoogste score van de
Overijsselse regio’s aantekenen.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 4.2 blijkt dat vooral de omzet- en exportgroei in het bedrijfs-
leven in Zuidwest-Overijssel is achtergebleven; twee deelindicatoren waarop de regio vorig jaar
juist een bovengemiddelde score liet zien. Opvallend is de hoge provinciale score voor werk-
gelegenheidsgroei. De provincie heeft op dit gebied een duidelijke inhaalslag gemaakt. Vorig jaar
bleef de regio met een 5,3 ver achter bij het landelijke gemiddelde, terwijl de provincie met een
6,8 nu tot de koplopers behoort. Wat betreft de economische kracht zien we weinig verschillen
tussen de indicatoren en de regio’s. In tegenstelling tot voorgaande jaren hebben in 2005 relatief
weinig Overijsselse bedrijven geïnvesteerd. De bedrijven in Noord-Overijssel vormen hierop een
uitzondering, wat hoogstwaarschijnlijk te maken heeft met de sterke economische ontwikkeling
die Zwolle doormaakt. In Twente was het bedrijfsleven, evenals in voorgaande jaren, relatief sterk
georiënteerd op de exportmarkt.
Figuur 4.2: Economische groei 2005 Figuur 4.2: Economische groei 2005 Figuur 4.2: Economische groei 2005 Figuur 4.2: Economische groei 2005 Figuur 4.3: Economische kracht 2005 Figuur 4.3: Economische kracht 2005 Figuur 4.3: Economische kracht 2005 Figuur 4.3: Economische kracht 2005

N
o
o
r
d
-
O
v
e
r
i
j
s
s
e
l

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
O
v
e
r
i
j
s
s
e
l

T
w
e
n
t
e

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 7,0 6,3 6,8 6,8
omzetgroei 5,8 5,5 6,5 6,3
exportgroei 5,8 5,5 5,5 5,5
winstgroei 5,8 6,3 6,3 6,0
Economische groei 6,1 5,9 6,3 6,1
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


N
o
o
r
d
-
O
v
e
r
i
j
s
s
e
l

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
O
v
e
r
i
j
s
s
e
l

T
w
e
n
t
e

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,3 5,3 5,3 5,5
% exporterende bedrijven 5,5 5,3 6,5 6,0
kracht productiestructuur 5,3 5,5 5,5 5,5
dynamiek 5,0 6,5 6,0 6,0
Economische kracht 5,5 5,6 5,8 5,8
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 4.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 4.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 4.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 4.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,0
5,5
6,0
6,5
5,5 6,0 6,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Twente
Noord-Overijssel
Zuidwest-Overijssel
Provinciaal
gemiddelde
27
30
19
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
57
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Overijssel heeft 1,1 miljoen inwoners, van
wie 76 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is 4,5%
van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is 6,8% van de totale Overijsselse
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst (10,4%
in Nederland, zie figuur 4.4).

Concentratie in de steden Concentratie in de steden Concentratie in de steden Concentratie in de steden
In Overijssel wonen de niet-westerse allochtonen net als in de rest van Nederland vooral in de
meer stedelijke gebieden. Doordat die gebieden verspreid liggen over de provincie is de
concentratie van niet-westerse allochtonen in Overijssel minder sterk dan in de rest van Nederland.
Enschede is de grootste gemeente in Overijssel waar 14% van de inwoners van niet-westerse
allochtonen afkomst is.
Figuur 4.4: Percentage niet Figuur 4.4: Percentage niet Figuur 4.4: Percentage niet Figuur 4.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 4.5: Spreiding niet Figuur 4.5: Spreiding niet Figuur 4.5: Spreiding niet Figuur 4.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Overijssel westerse allochtonen in Overijssel westerse allochtonen in Overijssel westerse allochtonen in Overijssel

Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo Hengelo
Almelo Almelo Almelo Almelo Almelo Almelo Almelo Almelo Almelo
Borne Borne Borne Borne Borne Borne Borne Borne Borne
Ommen Ommen Ommen Ommen Ommen Ommen Ommen Ommen Ommen
Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen Tubbergen
Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst Staphorst
Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg Hardenberg
Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland Steenwijkerland
Kampen Kampen Kampen Kampen Kampen Kampen Kampen Kampen Kampen
Raalte Raalte Raalte Raalte Raalte Raalte Raalte Raalte Raalte
Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten Rijssen-Holten
Deventer Deventer Deventer Deventer Deventer Deventer Deventer Deventer Deventer
Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente Hof van Twente
Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen Haaksbergen
Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal Oldenzaal
Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle Zwolle
Enschede Enschede Enschede Enschede Enschede Enschede Enschede Enschede Enschede
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



58
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Demografie Demografie Demografie Demografie
Almelo (13%), Deventer (12,3%) en Hengelo (10,5%) hebben ook een hoger aandeel niet-westerse
allochtonen dan landelijk gemiddeld. Zoals in de kaart te zien is, heeft het grootste deel van de
gemeenten in Overijssel juist een zeer laag percentage niet-westerse allochtonen in de bevolking.

Turkije belangrijk Turkije belangrijk Turkije belangrijk Turkije belangrijkste herkomstland ste herkomstland ste herkomstland ste herkomstland
In figuur 4.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Overijssel als geheel Nederland. Daarin zien we dat
in Overijssel een zeer groot deel van de niet-westerse
allochtonen van Turkse afkomst is. De Marokkanen en
Surinamers zijn juist ondervertegenwoordigd. De
verschillen tussen gemeenten in Overijssel zijn klein. In
alle gemeenten wonen relatief zeer veel Turken. In Zwolle
is 14% van de niet-westerse allochtonen van Antilliaanse
herkomst. In Kampen woont een relatief grote groep
Chinezen.

Nieuwe groepen Nieuwe groepen Nieuwe groepen Nieuwe groepen
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse
allochtonen in Overijssel (figuur 4.7) wordt bepaald door
natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en verhuizingen
binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers komt
voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de iets
minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de groeicijfers
voor Overijssel. Opvallender is echter de verdubbeling van het aantal overige niet-westerse
allochtonen. Belangrijke herkomstlanden in die groep zijn Afghanistan, Irak, Iran en China. Deze
verdubbeling komt door een sterke immigratie van de ‘overige niet-westerse’ allochtonen. In de
periode 1990-2005 was er een migratieoverschot van Turken, dat echter in het niet valt bij het
migratieoverschot van de overige niet-westerse allochtonen . Toch vormen de Turken nog altijd de
grootste groep allochtonen in Overijssel. De immigratie van Turken, maar ook van de Marokkanen
en Surinamers heeft vooral vóór 1990 plaatsgevonden en is na 1990 sterk teruggelopen.
Figuur 4 Figuur 4 Figuur 4 Figuur 4.7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Overijssel (index, 1996 = 100) Overijssel (index, 1996 = 100) Overijssel (index, 1996 = 100) Overijssel (index, 1996 = 100)
Figuur 4. Figuur 4. Figuur 4. Figuur 4.8: 8: 8: 8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Overijssel van niet van en naar Overijssel van niet van en naar Overijssel van niet van en naar Overijssel van niet- -- -
westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
240
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

3000
2000
1000
0
1000
2000
3000
4000
5000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 4.6: Niet Figuur 4.6: Niet Figuur 4.6: Niet Figuur 4.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
Turkije Overig
Azië
Irak, Iran,
Afgh.
Overig
Afrika
Suriname Marokko Antillen
& Aruba
Latijns
Amerika
Overijssel Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
59
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Demografie Demografie Demografie Demografie
De afgelopen jaren verhuisden allochtonen vanuit Overijssel naar andere Nederlandse provincies.
De groei van het aantal Turken en Marokkanen is in Overijssel dan ook lager dan gemiddeld in
Nederland.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de migranten zich in Nederland en
Overijssel vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 4.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Overijssel vergeleken met
de overige bevolking (westerse allochtonen en autoch-
tonen). De bevolking van de niet-westerse allochtonen
blijkt gemiddeld jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 4.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Segr Segr Segr Segregatie egatie egatie egatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 32 is de ruimtelijke segregatie van niet-
westerse allochtonen in de gemeenten Zwolle, Enschede en Hengelo gemiddeld. In Almelo is de
index (41,3) echter hoger dan de index van Den Haag! Almelo heeft een klein aantal buurten met
een hoog percentage en veel buurten met een laag percentage niet-westerse allochtonen. In de
drie andere gemeenten is ook duidelijk te zien dat er buurten zijn met een hoger dan gemiddeld
percentage niet-westerse allochtonen.
Figuur 4.10: Aandeel niet Figuur 4.10: Aandeel niet Figuur 4.10: Aandeel niet Figuur 4.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt i westerse allochtonen per buurt i westerse allochtonen per buurt i westerse allochtonen per buurt in Zwolle, n Zwolle, n Zwolle, n Zwolle,
2005 2005 2005 2005
Figuur 4.11: Aandeel niet Figuur 4.11: Aandeel niet Figuur 4.11: Aandeel niet Figuur 4.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Almelo, westerse allochtonen per buurt in Almelo, westerse allochtonen per buurt in Almelo, westerse allochtonen per buurt in Almelo,
Enschede en Hengelo, 2005 Enschede en Hengelo, 2005 Enschede en Hengelo, 2005 Enschede en Hengelo, 2005

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 4.9: Figuur 4.9: Figuur 4.9: Figuur 4.9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Overijssel van Overijssel van Overijssel van Overijssel, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
60
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Hoogste politieke participatie Hoogste politieke participatie Hoogste politieke participatie Hoogste politieke participatie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.
De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 4.12).

In Overijssel is 4,5% van de gemeenteraadsleden en 4% van de politie allochtoon, zie figuur 4.13.
Doordat het aandeel niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief klein is, loopt de provincie
qua integratie in de lokale politiek hiermee toch ver voor op alle andere provincies, maar bij de
politie loopt ze net achter op het landelijk gemiddelde. De participatiegraad van allochtonen in de
lokale politiek ligt in Overijssel op 72% en bij de politie op 60% van het bij volledige integratie
behorende niveau.
Figuur 4.12: Aandeel niet Figuur 4.12: Aandeel niet Figuur 4.12: Aandeel niet Figuur 4.12: Aandeel niet- -- -wester wester wester westerse all. in gemeenteraad en politie se all. in gemeenteraad en politie se all. in gemeenteraad en politie se all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 4.13: Aandeel niet Figuur 4.13: Aandeel niet Figuur 4.13: Aandeel niet Figuur 4.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Overijssel Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


61
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Wat betreft allochtone bevolkingsomvang en aantal allochtone raadsleden is Overijssel een
middenmoter onder de Nederlandse provincies. De provincie is met 17 allochtone raadsleden
goed voor 8% van alle allochtone raadsleden in ons land. Bij de politie ligt dit aandeel op 4% (128
allochtone politiemensen).

Zeer hoge werkloosheid Zeer hoge werkloosheid Zeer hoge werkloosheid Zeer hoge werkloosheid
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 4.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,6 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 4.14 en 4.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële beroeps-
bevolking, van Nederland en Overijssel weer. Op het gebied van de beroepsbevolking zijn de
Figuur 4.14: Poten Figuur 4.14: Poten Figuur 4.14: Poten Figuur 4.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 tiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 tiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 tiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 4.15: Potentiële beroepsbevolking van Overijssel, 2005 Figuur 4.15: Potentiële beroepsbevolking van Overijssel, 2005 Figuur 4.15: Potentiële beroepsbevolking van Overijssel, 2005 Figuur 4.15: Potentiële beroepsbevolking van Overijssel, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


62
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
verschillen tussen Overijssel en de landelijke cijfers niet zo groot, zoals te zien is in figuur 4.15. Dit
komt onder meer door de leeftijdssamenstelling van de niet-westerse allochtone bevolking in
Overijssel. Deze komt redelijk overeen met die in heel Nederland. De werkloosheid onder de niet-
westerse allochtonen is echter wel zeer hoog in
Overijssel; ruim 23% van de niet-westerse allochtonen
die zich beschikbaar stellen op de arbeidsmarkt is
werkloos, tegenover 16,6% in heel Nederland.

Lage koopkracht Lage koopkracht Lage koopkracht Lage koopkracht
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 4.16)
13
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In Overijssel hadden in 2000 zowel niet-westers
allochtone als autochtone huishoudens relatief weinig te
besteden. Alleen in de noordelijke provincies Groningen
en Friesland hebben allochtone huishoudens een lagere
koopkracht.
Figuur 4.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde persoonsinkomen van autochtonen en
niet-westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het
inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse
allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele
uitzondering in Friesland. Het inkomensverschil is het grootst in de provincie Utrecht en het kleinst
in Drenthe, de provincies met het hoogste respectievelijk op twee na laagste autochtone inkomen.
In Overijssel is het verschil relatief groot. Hier verdienden de niet-westerse allochtonen in 2002
gemiddeld 3.000 euro minder dan hun autochtone medeburgers. Van de kaart is af te lezen dat de
verschillen in Twente en met name Zuidwest-Overijssel groter zijn dan in Noord-Overijssel.

13
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 4.17: Regionale inkomens Figuur 4.17: Regionale inkomens Figuur 4.17: Regionale inkomens Figuur 4.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en verschillen tussen allochtonen en verschillen tussen allochtonen en verschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 4.18: Armoede Figuur 4.18: Armoede Figuur 4.18: Armoede Figuur 4.18: Armoede- -- -indicatoren in Overijssel, 2000 indicatoren in Overijssel, 2000 indicatoren in Overijssel, 2000 indicatoren in Overijssel, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 4.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 4.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 4.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 4.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
63
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 4.18). Hoewel 9% van de autochtone bevolking
in Overijssel rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-westerse
allochtonen drie keer zo groot. Dit geldt ook voor de
sociale minima; huishoudens die een inkomen verdienen
dat lager is dan het bestaansminimum (zie de bijlagen
voor definities). Niet-westerse allochtonen behoren
samen met eenoudergezinnen en huishoudens met een
uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP,
2005).Het aandeel niet-westerse allochtonen met een
langdurig laag inkomen is veel kleiner, maar de
achterstandspositie van allochtonen ten opzichte van
autochtonen blijft duidelijk zichtbaar.

Herkomst is Herkomst is Herkomst is Herkomst is bepalend bepalend bepalend bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen en Arubanen)
kort besproken aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 4.19 laat zien dat in Overijssel de hoogte van koopkracht sterk verschilt per allochtone
herkomstgroep. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de niet-werkzame
bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers, werklozen en
arbeidsongeschikten. Hoewel de werkzame Surinamers in Overijssel over de hoogste koopkracht
beschikken (16.400 euro), zoals landelijk dat ook het geval is, blijkt uit het relatief grote verschil
met de totale Nederlandse bevolking toch een achterstand in koopkracht. Tevens zijn de
werkzame Surinamers de enige groep die over een hogere koopkracht beschikken dan de totale
niet-werkzame bevolking van Nederland. Vooral de koopkracht van Antillianen en Arubanen ligt in
Overijssel ver onder dit gemiddelde. Niet-werkzame allochtonen afkomstig van de Antillen en
Aruba moesten in 2000 rondkomen van gemiddeld 9.000 euro.


Figuur 4.19: Koopkracht naar herkomst in Overijssel, 2000 Figuur 4.19: Koopkracht naar herkomst in Overijssel, 2000 Figuur 4.19: Koopkracht naar herkomst in Overijssel, 2000 Figuur 4.19: Koopkracht naar herkomst in Overijssel, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Turkije Marokko Antillen en
Aruba
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
64
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
14
. In Overijssel wonen 2.429 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Overijssel het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,6% (figuur 4.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 4.21). In Overijssel is het aandeel niet-westerse
ondernemers lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op zo’n
5,3%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Almelo met 8,3% op de 22
ste
plaats (figuur 4.22).

14
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 4.21: Aandeel niet Figuur 4.21: Aandeel niet Figuur 4.21: Aandeel niet Figuur 4.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 4.22: Aandeel niet Figuur 4.22: Aandeel niet Figuur 4.22: Aandeel niet Figuur 4.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
22 Almelo 8,3%
26 Deventer 7,8%
29 Enschede 7,5%
45 Zwolle 6,4%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 4.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 4.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 4.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 4.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
65
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Overijssel wonen relatief veel Turken en Chinezen. Dat
is terug te zien in het aantal Turkse en Chinese
ondernemers (figuur 4.24), maar ook in de sectorkeuze
van niet-westerse allochtonen in Overijssel (figuur 4.23).
De horeca, handel en logistiek zijn in Overijssel
populairder onder allochtonen dan in de rest van
Nederland. Het relatief kleine aantal Surinaamse en
Antilliaanse ondernemers in Overijssel heeft een laag
percentage niet-westerse ondernemers in de
dienstenlevering als gevolg. De laatste groep, de ‘overig
niet-westerse’ ondernemers, is in Overijssel groter dan gemiddeld in Nederland. De ‘overige’ groep
bestaat in Overijssel vooral uit mensen met een Afrikaans of Aziatisch herkomstland. Zij zijn
voornamelijk actief in de commerciële diensten, horeca en detailhandel.
De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Overijssel is 21,5% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 8,2%. In de overige sectoren is het aandeel
lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totaal aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Overijssel was de groei groter.
De groeipercentages waren respectievelijk 19,1% en 7,7% (figuur 4.25).
Figuur 4.24: Herkomst van niet Figuur 4.24: Herkomst van niet Figuur 4.24: Herkomst van niet Figuur 4.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 4.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 4.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 4.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 4.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Overijssel
5%
42%
31%
3%
2%
17%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 4.23: Niet Figuur 4.23: Niet Figuur 4.23: Niet Figuur 4.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Overijssel Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
66
Overijssel Overijssel Overijssel Overijssel
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Overijssel 16,7%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Overijssel
(8,9%; zie figuur 4.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Turken in de ondernemerspopulatie vinden
we ook terug bij de starters. De Chinezen starten echter
relatief minder vaak een nieuwe onderneming. Juist
Irakezen en mensen met een ander Aziatisch of Afrikaans
herkomstland blijken veel ondernemingen op te starten
in Overijssel (figuur 4.27). Het aandeel ondernemers uit deze landen zal waarschijnlijk toenemen in
de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Overijssel is
34% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 12% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 4.28). In Overijssel start 50% van de niet-westerse allochtonen in de
handel en logistiek, waarin nu al 34% van de ondernemers actief is. Door het grote aantal starters
zal het aandeel van deze sector de komende jaren waarschijnlijk nog verder toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 4.27: Niet Figuur 4.27: Niet Figuur 4.27: Niet Figuur 4.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 4.28: Niet Figuur 4.28: Niet Figuur 4.28: Niet Figuur 4.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Overijssel
7%
5%
3%
41%
40%
4%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Overijssel Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 4.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 4.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 4.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 4.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
67
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Flevoland in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Flevolandse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 5.1 geeft een overzicht van de economische groei
en de economische kracht van de Flevolandse regio’s in
2005. De grootte van elke bol correspondeert met het
bruto regionaal product en geeft daarmee een indicatie
van de economische omvang. De gehele provincie nam
op de Top 40 de zesde positie in. Voor de analyse van de
regionale verschillen in de provincie, is Flevoland dit jaar
opnieuw opgesplitst in drie regio’s. Hiermee wordt
duidelijk waar de groei en de kracht van de provincie
zich bevindt: Midden-Flevoland en Almere. Die regio’s
zouden de tweede en vierde positie in de Top 40
innemen, terwijl de regio Noordoostpolder en Urk de
hekkensluiter van de ranglijst zou zijn.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. In figuur 5.2 zien we een uitstekende score van Almere voor werkgelegen-
heidsgroei. Ook beschikt Almere over een potentievolle productiestructuur, waarin landelijk sterk
groeiende sectoren als ICT en zakelijke diensten goed zijn vertegenwoordigd (figuur 5.3). Daar-
naast treden er in de gemeente nog altijd veel bedrijven toe, waarmee de verjonging van het
bedrijfsleven is gewaarborgd. De economische groei van de Noordoostpolder vormt een schril
contrast met die van Almere. De Noordoostpolder beschikt juist over relatief veel agrarische
bedrijven; bedrijven waarin de werkgelegenheid al jaren terugloopt. Hoewel de verjonging van het
bedrijfsleven in de Noordoostpolder niet achterblijft bij het gemiddelde van alle regio’s, zijn de
starters in de Noordoostpolder niet in staat om de ‘gaten’ die de agrarische sector achterlaat op te
vullen. Bovendien zijn er in de Noordoostpolder relatief weinig investerende bedrijven.
Figuur 5.2: Economische groei 2005 Figuur 5.2: Economische groei 2005 Figuur 5.2: Economische groei 2005 Figuur 5.2: Economische groei 2005 Figuur 5.3: Economische kracht 2005 Figuur 5.3: Economische kracht 2005 Figuur 5.3: Economische kracht 2005 Figuur 5.3: Economische kracht 2005

A
l
m
e
r
e
M
i
d
d
e
n
-
F
l
e
v
o
l
a
n
d

N
o
o
r
d
o
o
s
t
p
o
l
d
e
r

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 8,0 6,8 4,0 6,8
omzetgroei 6,8 6,0 6,0 6,5
exportgroei 5,8 6,5 5,8 6,0
winstgroei 5,8 6,5 5,0 6,0
Economische groei 6,6 6,4 5,2 6,3
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


A
l
m
e
r
e
M
i
d
d
e
n
-
F
l
e
v
o
l
a
n
d

N
o
o
r
d
o
o
s
t
p
o
l
d
e
r

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 5,5 5,8 4,0 5,3
% exporterende bedrijven 6,0 6,5 5,3 6,0
kracht productiestructuur 8,0 6,5 4,0 6,8
dynamiek 8,0 8,0 6,0 8,0
Economische kracht 6,9 6,7 4,8 6,5
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 5.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 5.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 5.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 5.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

4,0
4,5
5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
7,5
5,0 5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Provinciaal
gemiddelde
Noordoostpolder
en Urk
Midden Flevoland
Almere

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
68
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Flevoland heeft 370 duizend inwoners, van
wie ruim 60 duizend niet-westerse allochtonen. Daarmee
is het aandeel van niet-westerse allochtonen in de totale
bevolking erg groot (16,7%, zie figuur 5.4). Doordat
Flevoland qua inwonertal een kleine provincie is, woont
er echter slechts 3,6% van het totale aantal niet-westerse
allochtonen in Nederland.

Allemaal naar Almere Allemaal naar Almere Allemaal naar Almere Allemaal naar Almere
In Flevoland wonen de niet-westerse allochtonen net als in de rest van Nederland vooral in de
meer stedelijke gebieden. De meeste niet-westerse allochtonen wonen dan ook in Almere. Terwijl
48% van de totale bevolking daar woont, huist Almere maar liefst 70% van alle niet-westerse
allochtonen.
Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.4 44 4: :: : Percentage niet Percentage niet Percentage niet Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.5 55 5: :: : Spreiding niet Spreiding niet Spreiding niet Spreiding niet- -- -westers westers westers westerse allochtonen in e allochtonen in e allochtonen in e allochtonen in Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland

Urk Urk Urk Urk Urk Urk Urk Urk Urk
Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder Noordoostpolder
Dronten Dronten Dronten Dronten Dronten Dronten Dronten Dronten Dronten
Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde Zeewolde
Almere Almere Almere Almere Almere Almere Almere Almere Almere
Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad Lelystad
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 20%
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



69
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Demografie Demografie Demografie Demografie
Almere is met een percentage van 24,4% niet-westerse allochtonen de vierde in de ranglijst van
gemeenten naar aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking. Lelystad is met 17% niet-
westerse allochtonen de achtste gemeente in Nederland. Ook de gemeenten Noordoostpolder en
Dronten hebben hogere percentages dan de meeste
gemeenten in Nederland. In Urk en Zeewolde is het
aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking
juist erg laag.

Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland
In figuur 5.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Flevoland als geheel Nederland. Daarin zien we dat
in Flevoland een opvallend groot deel van de niet-
westerse allochtonen van Surinaamse afkomst is. De
Turken zijn juist ondervertegenwoordigd. De verschillen
tussen gemeenten in Flevoland zijn groot. Van alle
allochtonen van Surinaamse afkomst in Nederland
woont 5,4% in Almere. Verder zijn er in Almere relatief
veel Iraniërs, Ghanezen en Filippijnen. Allochtonen van
Turkse en Marokkaanse herkomst zijn er in Almere juist
weinig. In Noordoostpolder en Dronten wonen juist relatief veel Irakezen, Somaliërs en Zuid-
Afrikanen. Die gemeenten wijken daarmee af van de rest van Flevoland. De niet-westerse
allochtone bevolking van Lelystad komt voor wat betreft de samenstelling redelijk overeen met de
Nederlandse allochtone bevolking.

Extreme groei aantal allochtonen Extreme groei aantal allochtonen Extreme groei aantal allochtonen Extreme groei aantal allochtonen
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Flevoland (figuur 5.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). Voor alle bevolkingsgroepen is de groei van het aantal inwoners
in Flevoland veel sterker dan in de overige provincies. De natuurlijke bevolkingsgroei is hier echter
voor slechts een klein deel debet aan. En ook de internationale migratie (figuur 5.8) levert een
gemiddeld saldo op voor Flevoland en kan de sterke groei niet verklaren.
Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5.7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet .7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Flevoland (index, 1996 = 100) Flevoland (index, 1996 = 100) Flevoland (index, 1996 = 100) Flevoland (index, 1996 = 100)
Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.8: 8: 8: 8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie naar en vanuit Flevoland van niet naar en vanuit Flevoland van niet naar en vanuit Flevoland van niet naar en vanuit Flevoland van niet- -- -
westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
240
260
280
300
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

1500
1000
500
0
500
1000
1500
2000
2500
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.6: Niet 6: Niet 6: Niet 6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
Suriname Marokko Antillen
& Aruba
Overig
Afrika
Overig
Azië
Turkije Irak, Iran,
Afgh.
Latijns
Amerika
Flevoland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
70
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Demografie Demografie Demografie Demografie
De sterke groei van alle groepen in Flevoland wordt voornamelijk veroorzaakt door verhuizingen
vanuit andere provincies naar Flevoland.

Nieuw en jong Nieuw en jong Nieuw en jong Nieuw en jong
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Flevoland vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 5.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Flevoland vergeleken met
de overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van Flevoland is relatief jong,
maar de bevolking van de niet-westerse allochtonen
blijkt gemiddeld nog jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. De piramide in figuur 5.9 zal in de toekomst
veranderen en meer op die van de overige bevolking
gaan lijken. Als de vruchtbaarheid van niet-westerse
allochtonen hoger blijft, zullen er echter wel verschillen
blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). De kaarten van Almere en Lelystad laten zien dat er relatief veel
buurten zijn met hoge aandelen niet-westerse allochtonen in de bevolking. Een gemeente met
een hoge index zou juist een zeer beperkt aantal buurten met een zeer hoog aandeel niet-
westerse allochtonen zien. Met een index van 18,5 respectievelijk 22 is de ruimtelijke segregatie
van niet-westerse allochtonen in de gemeenten Almere en Lelystad dan ook relatief laag.
Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5.10: Aandeel niet .10: Aandeel niet .10: Aandeel niet .10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in Almere, in Almere, in Almere, in Almere,
2005 2005 2005 2005
Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5 Figuur 5.11: Aandeel niet .11: Aandeel niet .11: Aandeel niet .11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in Lelystad, in Lelystad, in Lelystad, in Lelystad,
2005 2005 2005 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.9: 9: 9: 9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Flevoland van Flevoland van Flevoland van Flevoland, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
71
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Maatschappelijke Maatschappelijke Maatschappelijke Maatschappelijke positie positie positie positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Laagste politieke participatie Laagste politieke participatie Laagste politieke participatie Laagste politieke participatie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.
De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 5.12).

In Flevoland is slechts 0,6% van de gemeenteraadsleden, maar wel 8,2% van de politiemensen
allochtoon. Doordat het aandeel niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief hoog is, loopt
de provincie qua integratie in de lokale politiek hiermee ver achter op het landelijk gemiddelde,
evenals de integratie bij de politie. De participatiegraad van allochtonen bij de politie in Flevoland
ligt op 50% van het bij volledige integratie behorende niveau, maar in de lokale politiek slechts op
5%. De provincie telt 90 allochtone politiemensen en daarmee is de provincie goed voor 2% van
de allochtone politiefunctionarissen in ons land.
Figuur Figuur Figuur Figuur 5.12: Aandeel niet 5.12: Aandeel niet 5.12: Aandeel niet 5.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 5.13: Aandeel niet Figuur 5.13: Aandeel niet Figuur 5.13: Aandeel niet Figuur 5.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
16%
18%
Flevoland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


72
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.

Deze achterstand komt in figuur 5.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 5.14 en 5.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële beroeps-
bevolking, van Nederland en Flevoland weer. Flevoland wijkt af van het landelijke beeld. In de
provincie is het aandeel van de allochtone bevolking dat zich beschikbaar stelt op de arbeidsmarkt
groter dan landelijk (figuur 5.15). Dit heeft onder meer te maken met de kleine groep in de leeftijd
van 15 tot 25 jaar onder niet-westerse allochtonen. Doorgaans stellen veel mensen uit die leeftijds-
klasse zich niet beschikbaar op de arbeidsmarkt omdat zij nog naar school gaan of studeren.
Figuur 5.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 5.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 5.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 5.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 5.15: Potentiële beroepsbevolking van Flevoland, 2005 Figuur 5.15: Potentiële beroepsbevolking van Flevoland, 2005 Figuur 5.15: Potentiële beroepsbevolking van Flevoland, 2005 Figuur 5.15: Potentiële beroepsbevolking van Flevoland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


73
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is met 21% echter behoorlijk groot in Flevoland,
na Groningen en Overijssel het grootst in Nederland. Ondanks dat heeft Flevoland na Zeeland de
meest actieve niet-westerse bevolking van alle provincies. Ongeveer de helft van de potentiële
beroepsbevolking heeft een baan.

Hoogste koopkracht van Nederland Hoogste koopkracht van Nederland Hoogste koopkracht van Nederland Hoogste koopkracht van Nederland
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 5.16)
15
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
Flevoland is in dat opzicht zeer afwijkend. In de provincie
hebben de niet-westerse allochtone huishoudens in
2002 het meest te besteden van alle provincies, te weten
€14.300. Dit geldt totaal niet voor de autochtone
huishoudens in deze provincie, die juist relatief weinig te
besteden hebben. De hoge koopkracht van allochtone
huishoudens wordt voornamelijk veroorzaakt door het
grote aandeel Surinamers in de provincie die, zoals later
zal blijken, relatief veel verdienen.
Figuur 5.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde persoonsinkomen van autochtonen en
niet-westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het
inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse
allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele
uitzondering in Friesland. Het inkomensverschil is het grootst in de provincie Utrecht en het kleinst
in Drenthe. Flevoland is eveneens bijzonder: hier verdienen autochtonen ‘slechts’ 13,3% meer.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 5.18).

15
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 5.17: Regionale inkomensverschillen tussen alloc Figuur 5.17: Regionale inkomensverschillen tussen alloc Figuur 5.17: Regionale inkomensverschillen tussen alloc Figuur 5.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en htonen en htonen en htonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 5.18: Armoede Figuur 5.18: Armoede Figuur 5.18: Armoede Figuur 5.18: Armoede- -- -indicatoren in Flevoland, 2000 indicatoren in Flevoland, 2000 indicatoren in Flevoland, 2000 indicatoren in Flevoland, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
16%
18%
20%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 5.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 5.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 5.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 5.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
74
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
In de provincie Flevoland zijn de verschillen tussen deze twee groepen echter een stuk kleiner dan
in de rest van Nederland. Niet-westerse allochtonen behoren samen met eenoudergezinnen en
huishoudens met een uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005). Het aandeel van
niet-westerse allochtonen met een uitkering ligt landelijk
op 29%, in Flevoland op ‘slechts’ 19%. Ook het aandeel
van huishoudens op of rond het sociaal minimum en met
een langdurig laag inkomen is kleiner. Toch is ook in
Flevoland de achterstandspositie van niet-westerse
allochtonen nog goed zichtbaar.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 5.19 laat zien dat er in Flevoland verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
allochtone herkomstgroepen. Ten opzichte van andere provincies zijn deze verschillen echter vrij
klein. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de niet-werkzame bevolking. Hiertoe
behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers, werklozen en arbeidsongeschikten.
Hoewel de werkzame Surinamers in Flevoland over de hoogste koopkracht beschikken, zoals
landelijk dat ook het geval is, bestaat er een flinke achterstand op de totale Nederlandse bevolking
en de autochtone bevolking in Flevoland. Werkzame Turkse allochtonen, die in Flevoland het minst
te besteden hebben, en Marokkanen hebben in deze provincie een lagere koopkracht dan de
totale niet-werkzame bevolking van Nederland. Zij moesten in 2000 rondkomen van minder dan
10.000 euro. Niet werkzame Antillianen en Arubanen hebben gemiddeld echter de laagste
koopkracht. Zij hadden in 2000 slechts 8.700 euro te besteden.

Figuur 5.19: Koopkracht naar herkomst in Flevoland, 2000 Figuur 5.19: Koopkracht naar herkomst in Flevoland, 2000 Figuur 5.19: Koopkracht naar herkomst in Flevoland, 2000 Figuur 5.19: Koopkracht naar herkomst in Flevoland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Marokko Turkije
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
75
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
16
. In Flevoland wonen 1.803 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Flevoland het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,1% (figuur 5.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 5.21). In Flevoland is het aandeel niet-westerse
ondernemers hoger. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 11%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Almere met 13,9% op de 5
de
plaats (figuur 5.22).

16
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 5.21: Aandeel niet Figuur 5.21: Aandeel niet Figuur 5.21: Aandeel niet Figuur 5.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 5.22: Aandeel niet Figuur 5.22: Aandeel niet Figuur 5.22: Aandeel niet Figuur 5.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 55 5 Almere 13,9%
13 Lelystad 9,8%
162 Dronten 3,1%
195 Zeewolde 2,8%
236 Urk 2,3%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 5.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 5.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 5.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 5.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
76
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Flevoland wonen relatief weinig Turken en
Marokkanen en veel Surinamers en Antillianen. Dat is
terug te zien in het aantal Turkse en Marokkaanse
ondernemers (figuur 5.24), maar ook in de sectorkeuze
van niet-westerse allochtonen in Flevoland (figuur 5.23).
De handel en logistiek is in Flevoland minder populair
onder allochtonen dan in de rest van Nederland. Dankzij
het relatief grote aantal Surinaamse en Antilliaanse
ondernemers is in Flevoland het percentage
ondernemers in de commerciële en overige diensten
hoog. Verder valt op dat er in Flevoland een relatief kleine groep Chinese ondernemers is. De
horeca is dan ook minder populair onder niet-westerse ondernemers in Flevoland.
De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Flevoland is 28% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 12,8%. In de overige sectoren is het aandeel
lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totaal aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Flevoland was de groei veel
groter. De groeipercentages waren respectievelijk 30,7% en 16,1% (figuur 5.25).
Figuur 5.24: Herkomst van niet Figuur 5.24: Herkomst van niet Figuur 5.24: Herkomst van niet Figuur 5.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 5.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 20 Figuur 5.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 20 Figuur 5.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 20 Figuur 5.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 06 06 06

Flevoland
30%
10%
36%
7%
9%
8%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 5.23: Niet Figuur 5.23: Niet Figuur 5.23: Niet Figuur 5.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Flevoland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
77
Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Flevoland 22,5%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Flevoland
(13,4%; zie figuur 5.26).
De starters in Flevoland blijken een ongeveer gelijke
herkomstverdeling te hebben als de huidige niet-
westerse ondernemers. Alleen de Chinezen starten
relatief weinig ondernemingen. De grote groep
Surinamers en Antillianen in de ondernemerspopulatie
vinden we ook bij de starters. In Flevoland blijken
Marokkanen relatief veel ondernemingen op te starten in
Flevoland (figuur 5.27). Het aandeel ondernemers uit
Marokko zal dus waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.

Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Flevoland is
14% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 7% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 5.28). In Flevoland start 40% van de niet-westerse allochtonen in
handel en logistiek, waarin nu slechts 33% van de ondernemers actief is. Door het grote aantal
starters zal het aandeel van deze sector de komende jaren waarschijnlijk verder toenemen. Starters
in Flevoland kiezen ook nog altijd veel voor de dienstverlening.
Het is echter belangrijk te vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker
ondernemingen opstarten, maar ook vaker opheffen, al dan niet door een faillissement.
Verdergaande professionalisering van het ondernemerschap zal een positief effect hebben op de
levensduur van de ondernemingen en de groei dus nog verder versterken.
Figuur 5.27: Niet Figuur 5.27: Niet Figuur 5.27: Niet Figuur 5.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 5.28: Niet Figuur 5.28: Niet Figuur 5.28: Niet Figuur 5.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Flevoland
3%
11%
8%
36%
10%
32%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Flevoland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 5.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 5.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 5.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 5.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
78
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Gelderland in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Gelderse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 6.1 geeft de rapportcijfers voor de Gelderse regio’s
en de provincie als geheel weer. De cijfers in de bollen
refereren aan de positie van de regio in de Top 40. De
grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. Met uitzondering van de
Achterhoek was 2005 een goed jaar voor de Gelderse
regio’s. Dit geldt met name voor de Veluwe en Zuidwest-
Gelderland. Als het gaat om economische groei, nemen
zij respectievelijk de vierde en achtste positie in op de
ranglijst. Arnhem-Nijmegen (KAN) scoort zowel qua
economische groei als qua economische kracht
gemiddeld.. De Achterhoek ten slotte heeft haar hoge
positie van vorig jaar niet kunnen continueren en laat zowel voor de economische groei, als voor
de economische kracht een onvoldoende aantekenen.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 6.2 blijkt dat de Veluwe voor elke indicator een voldoende krijgt.
Dit in tegenstelling tot de andere regio’s waarin de scores voor de indicatoren zeer uiteenlopend
zijn. We zien ook grote regionale verschillen als we de deelindicatoren van de economische kracht
apart beschouwen. In de Achterhoek zijn, in tegenstelling tot het KAN en de Veluwe, relatief veel
bedrijven op de exportmarkt gericht. Verder zien we grote verschillen als het gaat om de kracht
van de productiestructuur. De potentie voor toekomstige werkgelegenheidsgroei is met een
sterke zorg- en dienstverleningssector in het KAN een stuk groter dan in de Achterhoek, waarin
krimpende sectoren als de industrie en de landbouw nog altijd (sterk) zijn vertegenwoordigd.
Figuur 6.2: Economische groei 2005 Figuur 6.2: Economische groei 2005 Figuur 6.2: Economische groei 2005 Figuur 6.2: Economische groei 2005 Figuur 6.3: Economische kracht 2005 Figuur 6.3: Economische kracht 2005 Figuur 6.3: Economische kracht 2005 Figuur 6.3: Economische kracht 2005

V
e
l
u
w
e

A
c
h
t
e
r
h
o
e
k

A
r
n
h
e
m
/
N
i
j
m
e
g
e
n

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
G
e
l
d
e
r
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 7,0 5,3 7,0 7,5 6,8
omzetgroei 6,3 6,0 5,8 5,8 6,0
exportgroei 6,0 5,8 5,8 5,5 5,8
winstgroei 6,3 6,3 5,5 6,5 6,0
Economische groei 6,4 5,8 6,0 6,3 6,1
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


V
e
l
u
w
e

A
c
h
t
e
r
h
o
e
k

A
r
n
h
e
m
/
N
i
j
m
e
g
e
n

Z
u
i
d
w
e
s
t
-
G
e
l
d
e
r
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,3 5,8 5,3 6,5 5,8
% exporterende bedrijven 5,8 7,3 5,5 6,5 6,0
kracht productiestructuur 6,5 4,8 7,0 5,5 6,3
dynamiek 5,8 5,0 6,5 5,3 5,8
Economische kracht 6,1 5,7 6,1 5,9 5,9

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 6.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 6.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 6.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 6.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,5
6,0
6,5
5,5 6,0 6,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Arnhem-
Nijmegen Veluwe
Zuidwest-
Gelderland
Achterhoek
Provinciaal
gemiddelde
10
13
20
31
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
79
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Gelderland heeft bijna 2 miljoen inwoners,
van wie 122 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is
7,2% van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is ongeveer 6,2% van de totale
Gelderlandse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 6.4).

Stedelijke concentratie minder sterk Stedelijke concentratie minder sterk Stedelijke concentratie minder sterk Stedelijke concentratie minder sterk
In Gelderland wonen de niet-westerse allochtonen net als in de rest van Nederland vooral in de
meer stedelijke gebieden. Doordat die gebieden verspreid liggen over de provincie is de
concentratie van niet-westerse allochtonen in Gelderland minder sterk dan in veel andere
provincies. In Arnhem is het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking met 17% het
grootst.
Figuur 6.4: Percentage ni Figuur 6.4: Percentage ni Figuur 6.4: Percentage ni Figuur 6.4: Percentage niet et et et- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 6.5: Spreiding niet Figuur 6.5: Spreiding niet Figuur 6.5: Spreiding niet Figuur 6.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Gelderlan westerse allochtonen in Gelderlan westerse allochtonen in Gelderlan westerse allochtonen in Gelderland dd d

Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo Groenlo
Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort Westervoort
Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar Zevenaar
Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg Doesburg
Heumen Heumen Heumen Heumen Heumen Heumen Heumen Heumen Heumen
Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen Nijmegen
Rheden Rheden Rheden Rheden Rheden Rheden Rheden Rheden Rheden
Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen Zutphen
Brummen Brummen Brummen Brummen Brummen Brummen Brummen Brummen Brummen
Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet Nunspeet
Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk Harderwijk
Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk Nijkerk
Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek Oude IJsselstreek
Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal Lingewaal
Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel Zaltbommel
Aalten Aalten Aalten Aalten Aalten Aalten Aalten Aalten Aalten
Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn Apeldoorn
Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem Arnhem
Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld Barneveld
Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen Beuningen
Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg Culemborg
Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem Doetinchem
Druten Druten Druten Druten Druten Druten Druten Druten Druten
Ede Ede Ede Ede Ede Ede Ede Ede Ede
Epe Epe Epe Epe Epe Epe Epe Epe Epe
Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo Ermelo
Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen Geldermalsen
Heerde Heerde Heerde Heerde Heerde Heerde Heerde Heerde Heerde
Lochem Lochem Lochem Lochem Lochem Lochem Lochem Lochem Lochem
Renkum Renkum Renkum Renkum Renkum Renkum Renkum Renkum Renkum
Tiel Tiel Tiel Tiel Tiel Tiel Tiel Tiel Tiel
Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen Wageningen
Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk Winterswijk
Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen Wijchen
Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe Overbetuwe
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



80
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Demografie Demografie Demografie Demografie
Tiel (13%), Culemborg (13%), Nijmegen (12%) en Wageningen (11%) volgen met percentages nog
boven het Nederlandse gemiddelde. Ondanks de stedelijkheid en grootte van Apeldoorn en Ede is
het percentage niet-westerse allochtonen in de bevolking daar lager dan 7%.

Weinig Surinamers, veel Turken Weinig Surinamers, veel Turken Weinig Surinamers, veel Turken Weinig Surinamers, veel Turken
In figuur 6.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Gelderland als geheel Nederland. Daarin zien we
dat in Gelderland een opvallend groot deel van de niet-
westerse allochtonen van Turkse afkomst is. De
Surinamers zijn juist sterk ondervertegenwoordigd. In
een groot aantal gemeenten ten noorden en oosten van
Arnhem wonen relatief veel Turkse allochtonen. In Ede
wonen juist veel Marokkanen. In Tiel wonen relatief veel
Marokkanen en Turken. De allochtone bevolking van
Wageningen heeft een zeer afwijkende samenstelling.
Maar liefst 30% van de niet-westerse allochtonen heeft
een Afrikaans land anders dan Marokko als herkomst en
15% is van Chinese afkomst.

Natuurlijke groei Natuurlijke groei Natuurlijke groei Natuurlijke groei
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Gelderland (figuur 6.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken uit de groeicijfers
voor Gelderland.
Turken en Marokkanen vormen de grootste groepen migranten in Gelderland. De immigratie van
Turken, Marokkanen, maar ook van de Surinamers heeft vooral vóór 1990 plaatsgevonden en is na
1990 sterk teruggelopen. In de periode 1990-2005 is het migratieoverschot van Turken nog wel
sterk positief.
Figuur 6. Figuur 6. Figuur 6. Figuur 6.7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet 7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Gelderland (index, 1996 = 100) Gelderland (index, 1996 = 100) Gelderland (index, 1996 = 100) Gelderland (index, 1996 = 100)
Figuur 6. Figuur 6. Figuur 6. Figuur 6.8: 8: 8: 8: Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie Internationale immigratie en emigratie naar en vanuit naar en vanuit naar en vanuit naar en vanuit
Gelderland van niet Gelderland van niet Gelderland van niet Gelderland van niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

4000
2000
0
2000
4000
6000
8000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 6.6: Niet Figuur 6.6: Niet Figuur 6.6: Niet Figuur 6.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, erkomst, erkomst, erkomst, 2005 2005 2005 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Turkije Marokko Overig
Azië
Overig
Afrika
Irak, Iran,
Afgh.
S urinameAntillen &
Aruba
Latijns
Amerika
Gelderland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
81
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Demografie Demografie Demografie Demografie
De internationale immigratie van de overige niet-westerse allochtonen is relatief sterk geweest in
Gelderland. In 2002 nam de immigratie sterk af en begon de emigratie toe te nemen zodat er in
2004 een negatief migratiesaldo was. Het saldo van verhuizingen naar en vanuit andere
Nederlandse provincies lijkt in de afgelopen jaren
beperkt.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Gelderland vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 6.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Gelderland vergeleken met
de overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 6.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 35 heeft Arnhem een relatief hoge
segregatie-index terwijl Nijmegen met een index van 28 relatief laag scoort. Onderstaande kaarten
laten zien dat de verdeling van niet-westerse allochtonen gelijkmatiger is in Nijmegen dan in
Arnhem.
Figuur 6.10: Aandeel niet Figuur 6.10: Aandeel niet Figuur 6.10: Aandeel niet Figuur 6.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Arnhem, westerse allochtonen per buurt in Arnhem, westerse allochtonen per buurt in Arnhem, westerse allochtonen per buurt in Arnhem,
2005 2005 2005 2005
Figuur 6.11: Aandeel niet Figuur 6.11: Aandeel niet Figuur 6.11: Aandeel niet Figuur 6.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Nijmegen, 2005 Nijmegen, 2005 Nijmegen, 2005 Nijmegen, 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 6.9: Bevolkingspiramide van Gelderland, 2005 Figuur 6.9: Bevolkingspiramide van Gelderland, 2005 Figuur 6.9: Bevolkingspiramide van Gelderland, 2005 Figuur 6.9: Bevolkingspiramide van Gelderland, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
82
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Relatief sterke integratie Relatief sterke integratie Relatief sterke integratie Relatief sterke integratie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.
De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs flink hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 6.12).

In Gelderland is slechts 1,5% van de gemeenteraadsleden en 6,2% van de politie allochtoon.
Doordat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief klein is, loopt de
provincie hiermee qua integratie in de lokale politiek en vooral bij de politie toch voor op het
landelijk gemiddelde. De participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Gelderland ligt
op 27% van het bij volledige integratie behorende niveau, maar bij de politie op bijna op 100%.
Gelderland heeft met 20 allochtone raadsleden en 305 allochtone politiemensen een landelijk
aandeel van 9,6% respectievelijk 9,2%.
Figuur 6.12: Aandeel niet Figuur 6.12: Aandeel niet Figuur 6.12: Aandeel niet Figuur 6.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 6.13: Aandeel niet Figuur 6.13: Aandeel niet Figuur 6.13: Aandeel niet Figuur 6.13: Aandeel niet- -- -westerse a westerse a westerse a westerse allochtonen llochtonen llochtonen llochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Gelderland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


83
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Daarmee is Gelderland in absolute zin een middenmoter onder de Nederlandse provincies, zowel
wat betreft het aantal allochtone raadsleden en politiemensen als de totale niet-westerse
allochtone bevolking.

Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 6.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 6.14 en 6.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Gelderland weer. In de provincie Gelderland zijn de
verschillen tussen autochtone en niet-westerse allochtonen enigszins groter dan de landelijke
Figuur 6.14: Potentiële beroepsbev Figuur 6.14: Potentiële beroepsbev Figuur 6.14: Potentiële beroepsbev Figuur 6.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 olking van Nederland, 2005 olking van Nederland, 2005 olking van Nederland, 2005 Figuur 6.15: Potentiële beroepsbevolking van Gelderland, 2005 Figuur 6.15: Potentiële beroepsbevolking van Gelderland, 2005 Figuur 6.15: Potentiële beroepsbevolking van Gelderland, 2005 Figuur 6.15: Potentiële beroepsbevolking van Gelderland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


84
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
verschillen, zie figuur 6.15. De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen is met bijna 20% zeer
hoog in Gelderland. Samen met een flink aandeel dat zich niet beschikbaar stelt op de
arbeidsmarkt, resulteert dit in een relatief kleine werkzame beroepsbevolking in Gelderland. Van
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking in de
provincie heeft 43% een baan.

Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 6.16)
17
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In Gelderland hadden niet-westerse allochtone
huishoudens relatief weinig te besteden in 2000. De
koopkracht van autochtone huishoudens wijkt niet veel
af van de landelijke.

Figuur 6.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het inkomen van
autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse allochtonen. De
verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele uitzondering in
Friesland. In de provincie Gelderland ligt dit inkomensverschil boven het landelijk gemiddelde;
niet-westerse allochtonen verdienen gemiddeld 84% van het autochtone inkomen.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 6.18). Hoewel ruwweg 9% van de autochtone
bevolking in Gelderland rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-
westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit geldt ook voor de sociale minima; huishoudens

17
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 6.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 6.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 6.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 6.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
au au au autochtonen, 2002 tochtonen, 2002 tochtonen, 2002 tochtonen, 2002
Figuur 6.18: Armoede Figuur 6.18: Armoede Figuur 6.18: Armoede Figuur 6.18: Armoede- -- -indicatoren in Gelderland, 2000 indicatoren in Gelderland, 2000 indicatoren in Gelderland, 2000 indicatoren in Gelderland, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%
Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 6.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 6.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 6.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 6.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
85
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
die een inkomen verdienen dat lager is dan het bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities).
Niet-westerse allochtonen behoren samen met eenoudergezinnen en huishouden met een
uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005). Hoewel deze verhoudingen ongeveer
gelijk zijn aan het landelijke beeld, zijn er in Gelderland
relatief minder huishoudens, zowel autochtoon als
allochtoon, met een uitkering of een laag inkomen.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie
Turkse allochtonen zowel absoluut als relatief sterk
vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone gemeenteraadsleden,
waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral mannen; Turkse
vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen zeer goed
vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 6.19 laat zien dat er in Gelderland enige verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
grootste allochtone herkomstgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de
niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten.
In Gelderland hebben werkzame Surinaamse allochtonen met bijna 17.000 euro het meest te
besteden. Toch is de achterstand in koopkracht in vergelijking met de autochtone bevolking nog
erg groot. Gelderse Turken, Marokkanen, Antillianen en Arubanen die werkzaam zijn hadden in
2000 een koopkracht die ongeveer gelijk is aan de koopkracht van de totale niet-werkzame
bevolking in Nederland. Marokkanen, Antillianen en Arubanen die niet werkzaam zijn hadden in
2000 minder dan 10.000 euro te besteden.



Figuur 6.19: Koopkracht naar herkomst in Gelderland, 2000 Figuur 6.19: Koopkracht naar herkomst in Gelderland, 2000 Figuur 6.19: Koopkracht naar herkomst in Gelderland, 2000 Figuur 6.19: Koopkracht naar herkomst in Gelderland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
86
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Ondernemersc Ondernemersc Ondernemersc Ondernemerschap hap hap hap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
18
. In Gelderland wonen 3.834 ondernemers die in een
niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Gelderland het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,5% (figuur 6.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 6.21). In Gelderland is het aandeel niet-westerse
ondernemers lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op zo’n
4,3%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Arnhem met 10,3% op de 10
de
plaats (figuur 6.22).

18
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 6.21: Aandeel niet Figuur 6.21: Aandeel niet Figuur 6.21: Aandeel niet Figuur 6.21: Aandeel niet- -- -westerse on westerse on westerse on westerse ondernemers in totale dernemers in totale dernemers in totale dernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 6.22: Aandeel niet Figuur 6.22: Aandeel niet Figuur 6.22: Aandeel niet Figuur 6.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
10 Arnhem 10,3%
27 Nijmegen 7,6%
38 Culemborg 6,8%
44 Tiel 6,5%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 6.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 6.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 6.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 6.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
87
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Gelderland wonen relatief veel Turken. Dat is terug te
zien in het aantal Turkse ondernemers (figuur 6.24), maar
niet in de sectorkeuze van niet-westerse allochtonen in
Gelderland (figuur 6.23). Het hoge aantal Turkse
ondernemers zou normaal gesproken tot een hoog
aantal niet-westerse ondernemers in de handel en
logistiek moeten leiden. In Gelderland zijn Turken echter
veel vaker actief in de horeca dan in de rest van
Nederland. Daarbij komt dat er een relatief groot aantal
Chinese ondernemers is gevestigd in Gelderland
waardoor het percentage ondernemers met een horeca onderneming hoog ligt. De laatste groep,
de ‘overig niet-westerse’ ondernemers, is in Gelderland iets groter dan gemiddeld in Nederland. De
‘overige’ groep bestaat in Gelderland vooral uit mensen met als herkomst Irak, Afghanistan of een
ander Aziatisch land. Zij zijn voornamelijk actief in de commerciële diensten, horeca en
detailhandel.
De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Gelderland is 19% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 6,4%. In de overige sectoren is het aandeel
lager. Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totaal aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Gelderland was de groei iets
groter. De groeipercentages waren respectievelijk 14,1% en 6,3% (figuur 6.25).
Figuur 6.24: Herkomst van niet Figuur 6.24: Herkomst van niet Figuur 6.24: Herkomst van niet Figuur 6.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 6.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 6.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 6.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 6.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Gelderland
8%
30%
32%
5%
7%
18%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 6.23: Niet Figuur 6.23: Niet Figuur 6.23: Niet Figuur 6.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Gelderland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
88
Gelderland Gelderland Gelderland Gelderland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Gelderland 15,1%. Dat is veel hoger dan het totaal
aandeel startende ondernemers in Nederland (9,0%) en
Gelderland (8,9%; zie figuur 6.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Turken in de ondernemerspopulatie is nog
groter bij de starters. Chinezen blijken relatief weinig
ondernemingen op te starten terwijl juist Marokkanen,
Surinamers en Antillianen veel ondernemingen
opstarten in Gelderland (figuur 6.27). Het aandeel
ondernemers uit deze landen zal waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Gelderland is
33% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 13% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 6.28). In Gelderland start 37% van de niet-westerse allochtonen in de
handel en logistiek, waarin nu slechts 28% van de ondernemers actief is. Gelderland heeft nu nog
relatief weinig ondernemers in de handel en logistiek, maar door het grote aantal starters zal het
aandeel van deze sectoren de komende jaren waarschijnlijk toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 6.27: Figuur 6.27: Figuur 6.27: Figuur 6.27: Niet Niet Niet Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 6.28: Niet Figuur 6.28: Niet Figuur 6.28: Niet Figuur 6.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Gelderland
5%
10%
6%
36%
34%
9%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Gelderland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 6.26: Aandeel Figuur 6.26: Aandeel Figuur 6.26: Aandeel Figuur 6.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 starters in ondernemerspopulatie, 2005 starters in ondernemerspopulatie, 2005 starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
89
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Utrecht in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Utrechtse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 7.1 geeft de rapportcijfers voor de Utrechtse
regio’s en de provincie als geheel weer. De grootte van
elke bol correspondeert met het bruto regionaal product
en geeft daarmee een indicatie van de economische
omvang. Als de Utrechtse regio’s in de top veertig waren
opgenomen, dan zouden Eemland, waartoe Amersfoort
behoort, en Stadsgewest Utrecht op respectievelijk de 2
e

en de 7
e
positie eindigen. Utrecht West en de Utrechtse
Heuvelrug scoren wat lager en zouden we in de
middenmoot terugvinden. De scores van Stadsgewest
Utrecht en Eemland zorgen er wel voor dat Utrecht dit
jaar op de provinciale ranglijst de eerste positie inneemt.
Voor de tweede keer sinds de introductie van de Visie op
provinciale dynamiek wordt deze ranglijst dus niet aangevoerd door Flevoland.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 7.2 blijkt dat Eemland het hoge cijfer voor de economische
groei met name te danken heeft aan een sterke werkgelegenheidsgroei. Daarnaast heeft het
bedrijfsleven in deze regio een relatief sterke winstgroei behaald. De regionale verschillen binnen
de provincie zijn op deze deelindicator groot. Zo was de winstgroei in het bedrijfsleven in Utrecht
West het minst groot van alle Nederlandse regio’s, Noord-Friesland uitgezonderd. Voor wat betreft
de economische kracht zijn er ook forse regionale verschillen. De productiestructuur is misschien
wel de grootste kracht van de Utrechtse economie. Met name de productiestructuur van Stads-
gewest Utrecht en Eemland lijkt een garantie te zijn voor toekomstige werkgelegenheidsgroei.
Ook het dynamische bedrijfsleven is een groot pluspunt van de Utrechtse economie.
Figuur 7.2: Economische groei 2005 Figuur 7.2: Economische groei 2005 Figuur 7.2: Economische groei 2005 Figuur 7.2: Economische groei 2005 Fig Fig Fig Figuur 7.3: Economische kracht 2005 uur 7.3: Economische kracht 2005 uur 7.3: Economische kracht 2005 uur 7.3: Economische kracht 2005

R
e
g
i
o

U
t
r
e
c
h
t

W
e
s
t

S
t
a
d
s
g
e
w
e
s
t

U
t
r
e
c
h
t

U
t
r
e
c
h
t
s
e

H
e
u
v
e
l
r
u
g
E
e
m
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 7,0 8,0 5,8 7,5 7,5
omzetgroei 6,3 5,8 5,3 5,5 5,8
exportgroei 6,8 5,3 5,5 5,8 5,8
winstgroei 4,5 5,8 6,5 7,5 6,3
Economische groei 6,1 6,2 5,8 6,6 6,3
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


R
e
g
i
o

U
t
r
e
c
h
t

W
e
s
t

S
t
a
d
s
g
e
w
e
s
t

U
t
r
e
c
h
t

U
t
r
e
c
h
t
s
e

H
e
u
v
e
l
r
u
g
E
e
m
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 5,5 6,0 7,5 6,5 6,3
% exporterende bedrijven 5,8 5,0 5,5 6,3 5,5
kracht productiestructuur 6,0 8,0 7,0 8,0 8,0
dynamiek 4,8 7,8 6,3 7,3 7,0
Economische kracht 5,5 6,7 6,6 7,0 6,7

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 7.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 7.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 7.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 7.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
7,5
5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Utrechtse
Heuvelrug
Stadsgewest Utrecht
Provinciaal
gemiddelde
Regio Utrecht West
Eemland
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
90
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Utrecht heeft 1,2 miljoen inwoners, van wie
128 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is 7,5% van
het totale aantal niet-westerse allochtonen in Nederland.
Daarmee is ongeveer 10,9% van de totale Utrechtse
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst (10,4%
in Nederland, zie figuur 7.4).

Liever in de stad dan in de provincie Liever in de stad dan in de provincie Liever in de stad dan in de provincie Liever in de stad dan in de provincie
In de provincie Utrecht wonen de niet-westerse allochtonen net als in de rest van Nederland
vooral in de meer stedelijke gebieden, zie figuur 7.5. Van alle niet-westerse allochtonen in de
provincie, woont 58% in de steden Utrecht of Amersfoort terwijl slechts 35% van de totale
provinciale bevolking daar woont. In de provincie Utrecht zijn maar twee gemeenten met minder
dan 2,5% niet-westerse allochtonen, te weten Oudewater en Renswoude.
Figuur 7.4: Percentage niet Figuur 7.4: Percentage niet Figuur 7.4: Percentage niet Figuur 7.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 7.5: Spreiding niet Figuur 7.5: Spreiding niet Figuur 7.5: Spreiding niet Figuur 7.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in provincie Utrecht westerse allochtonen in provincie Utrecht westerse allochtonen in provincie Utrecht westerse allochtonen in provincie Utrecht

Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein Nieuwegein
IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein IJsselstein
Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude Abcoude
Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude Renswoude
Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen Maarssen
Leersum Leersum Leersum Leersum Leersum Leersum Leersum Leersum Leersum
Soest Soest Soest Soest Soest Soest Soest Soest Soest
Zeist Zeist Zeist Zeist Zeist Zeist Zeist Zeist Zeist
Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort Amersfoort
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater Oudewater
Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal Veenendaal
Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen Vianen
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 20%
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



91
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Demografie Demografie Demografie Demografie
In de stad Utrecht is ongeveer 21% van de bevolking van niet-westerse allochtone afkomst, in
Amersfoort is dat ongeveer 13%. In Zeist, IJsselstein en Nieuwegein is het aandeel van niet-
westerse allochtonen in de bevolking tussen de 10 en 12%.

Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland
In figuur 7.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel de provincie Utrecht als geheel Nederland. Daarin
zien we dat in Utrecht een opvallend groot deel van de
niet-westerse allochtonen van Marokkaanse afkomst is.
De verschillen tussen gemeenten in de provincie Utrecht
zijn groot. In de gemeente Utrecht is bijvoorbeeld 42%
van de niet-westerse allochtonen van Marokkaanse
afkomst. In de gemeenten Zeist (45%) en Veenendaal
(48%) wonen ook relatief veel Marokkanen, maar in de
andere Utrechtse gemeenten is dat aandeel lager. In
Amersfoort en Soest wonen voornamelijk Turken.
IJsselstein en Nieuwegein hebben een relatief groot
aantal inwoners van Surinaamse afkomst.

Natuurlijke groei Natuurlijke groei Natuurlijke groei Natuurlijke groei
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in de provincie Utrecht (figuur 7.7)
wordt bepaald door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie
(internationaal en verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken,
Marokkanen en Surinamers komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere
vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers
voor Surinamers blijken deels uit de groeicijfers voor Utrecht. Vooral de natuurlijke groei van de
grote groep Marokkanen was belangrijk voor de groei van het totale aantal niet-westerse
allochtonen in Utrecht. De opvallende verdubbeling van het aantal ‘overige niet-westerse’
allochtonen vanaf 1990, wordt veroorzaakt door internationale migratie. De immigratie uit de
‘overige’ landen is sinds 1990 sterk gegroeid. In de afgelopen vijftien jaar kwamen ruim 24 duizend
mensen uit deze landen naar Nederland. Dit terwijl ongeveer 10 duizend mensen uit ‘overige niet-
Figuur 7.7: Figuur 7.7: Figuur 7.7: Figuur 7.7: Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
provincie Utrecht (index, 1996 = 100) provincie Utrecht (index, 1996 = 100) provincie Utrecht (index, 1996 = 100) provincie Utrecht (index, 1996 = 100)
Figuur 7.8: Figuur 7.8: Figuur 7.8: Figuur 7.8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Utrecht van niet van en naar Utrecht van niet van en naar Utrecht van niet van en naar Utrecht van niet- -- -
westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
120
140
160
180
200
220
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

3000
2000
1000
0
1000
2000
3000
4000
5000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 7.6: Niet Figuur 7.6: Niet Figuur 7.6: Niet Figuur 7.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar herkomst westerse allochtonen naar herkomst westerse allochtonen naar herkomst westerse allochtonen naar herkomst, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Marokko Turkije Suriname Overig
Afrika
Overig
Azië
Irak, Iran,
Afgh.
Antillen
& Aruba
Latijns
Amerika
Utrecht Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
92
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Demografie Demografie Demografie Demografie
westerse’ landen Nederland verlieten in dezelfde periode. Turken en met name Marokkanen zijn
ook nog belangrijke groepen migranten in Utrecht, al is het migratiesaldo uit die landen sinds
1990 flink geslonken. In vergelijking met de decennia daarvoor is de immigratie zelfs zeer beperkt
te noemen.

Gemi Gemi Gemi Gemiddeld jonge bevolking ddeld jonge bevolking ddeld jonge bevolking ddeld jonge bevolking
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Utrecht vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit heeft
consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 7.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Utrecht vergeleken met de
overige bevolking (westerse allochtonen en autoch-
tonen). De bevolking van de niet-westerse allochtonen
blijkt gemiddeld veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 7.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie).
Met een index van 37 respectievelijk 36 is de ruimtelijke segregatie van niet-westerse allochtonen
in de gemeenten Utrecht en Amersfoort relatief hoog. Onderstaande kaarten laten zien dat in
beide gemeenten buurten zijn waar meer dan 50% van de bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst is.
Figuur 7.10: Aandeel niet Figuur 7.10: Aandeel niet Figuur 7.10: Aandeel niet Figuur 7.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
gemeente Utrecht, 2005 gemeente Utrecht, 2005 gemeente Utrecht, 2005 gemeente Utrecht, 2005
Figuur 7.11: Aandeel niet Figuur 7.11: Aandeel niet Figuur 7.11: Aandeel niet Figuur 7.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buu westerse allochtonen per buu westerse allochtonen per buu westerse allochtonen per buurt in rt in rt in rt in
Amersfoort, 2005 Amersfoort, 2005 Amersfoort, 2005 Amersfoort, 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 7.9: Bevolkingspiramide van de provincie Utrecht, 2005 Figuur 7.9: Bevolkingspiramide van de provincie Utrecht, 2005 Figuur 7.9: Bevolkingspiramide van de provincie Utrecht, 2005 Figuur 7.9: Bevolkingspiramide van de provincie Utrecht, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
93
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Behoorlijke maatschappelijke deelname Behoorlijke maatschappelijke deelname Behoorlijke maatschappelijke deelname Behoorlijke maatschappelijke deelname
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 7.12).

In Utrecht is 2,9% van de gemeenteraadsleden en 7,8% van de politie allochtoon. Daarmee loopt
de provincie qua integratie bij politie en lokale politiek voor op het landelijk gemiddelde. De
participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Utrecht ligt op 30% van het bij volledige
integratie behorende niveau en bij de politie op 71%. De provincie is met 17 allochtone raadsleden
goed voor 8% van alle allochtone raadsleden in ons land en met 292 allochtone politiemensen ligt
het aandeel op 7%.
Figuur 7.12: Aandeel niet Figuur 7.12: Aandeel niet Figuur 7.12: Aandeel niet Figuur 7.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 7.13: Aandeel niet Figuur 7.13: Aandeel niet Figuur 7.13: Aandeel niet Figuur 7.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Utrecht Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


94
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Utrecht is door zijn kleine oppervlakte weliswaar een middenmoter onder de provincies qua
allochtone bevolkingsomvang en aantal allochtone raadsleden, maar bekleedt de vierde plaats als
het gaat om het aantal allochtone politiemensen.

Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.

Deze achterstand komt in figuur 7.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 7.14 en 7.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Utrecht weer. In de provincie Utrecht is de werkloosheid
Figuur 7.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 7.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 7.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 7.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 7.15: Potentiële beroepsbevolking van Utrecht, 2005 Figuur 7.15: Potentiële beroepsbevolking van Utrecht, 2005 Figuur 7.15: Potentiële beroepsbevolking van Utrecht, 2005 Figuur 7.15: Potentiële beroepsbevolking van Utrecht, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


95
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
onder niet-westerse allochtonen lager dan in heel Nederland; 13% respectievelijk 16,5%. Het
aandeel studenten en scholieren in Utrecht is hoog, ook onder de niet-westerse allochtonen,
waardoor veel jongeren zich niet beschikbaar stellen op de arbeidsmarkt. Het aandeel van
werkzame personen in de bevolking valt hierdoor lager
uit in Utrecht: 46% van de niet-westerse potentiële
beroepsbevolking heeft een baan.

Grootste inkomensverschil van Nederland Grootste inkomensverschil van Nederland Grootste inkomensverschil van Nederland Grootste inkomensverschil van Nederland
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 7.16)
19
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In de provincie Utrecht hebben zowel niet-westerse
allochtone als autochtone huishoudens relatief veel te
besteden. Alleen in Flevoland hebben niet-westerse
allochtonen een hogere koopkracht.

Figuur 7.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij
geldt in het algemeen dat hoe hoger het inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil
met het inkomen van niet-westerse allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen
van het land, met een enkele uitzondering. In de provincie Utrecht, waar de bestverdienende
autochtonen wonen, is dit verschil het grootst: het besteedbaar inkomen van niet-westerse
allochtonen is hier gemiddeld 78% van dat van autochtonen.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 7.18). In Utrecht is de achterstand van niet-
westerse allochtonen enigszins groter dan landelijk het geval is.

19
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur Figuur Figuur Figuur 7.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en 7.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en 7.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en 7.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 7.18: Armoede Figuur 7.18: Armoede Figuur 7.18: Armoede Figuur 7.18: Armoede- -- -indicatoren in Utrecht, 2000 indicatoren in Utrecht, 2000 indicatoren in Utrecht, 2000 indicatoren in Utrecht, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%
Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 7.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 7.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 7.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 7.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
96
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Terwijl 8% van de autochtone bevolking in Utrecht rond moet komen van een uitkering, is
ditzelfde aandeel van de niet-westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit geldt ook voor de
sociale minima; huishoudens die een inkomen verdienen dat lager is dan het bestaansminimum
(zie de bijlagen voor definities). Niet-westerse
allochtonen behoren samen met eenoudergezinnen en
uitkeringsgerechtigden tot de risicogroep van lage
inkomens (SCP, 2005). Het aandeel allochtonen met een
langdurig laag inkomen is met bijna 12% zelfs 3,5 keer zo
groot als het autochtone aandeel. Dat aandeel is echter
lager dan in de meeste andere provincies. Alleen in
Noord-Brabant en Flevoland is er minder sprake van
‘structurele armoede’ onder niet-westerse allochtonen.

Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken aan de hand van de onderwerpen lokale
politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 7.19 toont dat er in de provincie Utrecht behoorlijke verschillen in koopkracht bestaan
tussen de vier allochtone herkomstgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden
van de niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten.
In de provincie Utrecht is de koopkracht relatief hoog voor alle allochtone groepen; dit geldt ook
voor de niet-werkzame bevolking. Zoals in elke provincie hebben Surinamers in Utrecht
gemiddeld het meest te besteden. In Utrecht is de koopkracht van werkzame Surinamers
gemiddeld 18.200 euro. Dit is zelfs hoger dan de koopkracht van werkzame autochtonen in
Groningen en Friesland. Werkende allochtonen van Turkse en Marokkaanse afkomst hadden in
2000 gemiddeld ongeveer 15.000 euro te besteden. Niet werkende Marokkanen moesten in dat
jaar van minder dan 10.000 euro rondkomen.
Figuur 7.19: Koopkracht naar herkomst in Utrecht, 2000 Figuur 7.19: Koopkracht naar herkomst in Utrecht, 2000 Figuur 7.19: Koopkracht naar herkomst in Utrecht, 2000 Figuur 7.19: Koopkracht naar herkomst in Utrecht, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
97
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
20
. In provincie Utrecht wonen 4.191 ondernemers die in
een niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Utrecht het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 6,0% (figuur 7.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 7.21). In de provincie Utrecht is het aandeel niet-westerse
ondernemers iets lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 7,3%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt de stad Utrecht met 11,3% op de 8
ste
plaats (figuur 7.22).

20
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 7.21: Aandeel niet Figuur 7.21: Aandeel niet Figuur 7.21: Aandeel niet Figuur 7.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 7.22: Aandeel niet Figuur 7.22: Aandeel niet Figuur 7.22: Aandeel niet Figuur 7.22: Aandeel niet- -- -westerse westerse westerse westerse ondernemers in de ondernemers in de ondernemers in de ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
8 Utrecht 11,3%
31 Amersfoort 7,4%
33 Nieuwegein 7,3%
57 Veenendaal 5,7%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 7.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 7.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 7.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 7.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
98
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In de provincie Utrecht wonen relatief veel Marokkanen.
Dat is terug te zien in het aantal Marokkaanse
ondernemers (figuur 7.24), maar niet in de sectorkeuze
van niet-westerse allochtonen in Utrecht (figuur 7.23). De
handel en logistiek is in Utrecht minder populair onder
allochtonen dan in de rest van Nederland. Ondanks het
relatief kleine aantal Surinaamse ondernemers is in
Utrecht het percentage ondernemers in de
dienstverlening opvallend hoog. In provincie Utrecht is
de dienstverlening erg belangrijk. Niet-westerse
allochtonen kiezen blijkbaar, net als de autochtonen in de provincie Utrecht, relatief vaak voor de
dienstverlenende sectoren. Zo is in heel Nederland 30% van de Marokkaanse ondernemers een
dienstverlener terwijl in Utrecht 37% actief is in de dienstverlening. Ondanks het hogere
percentage niet-westerse ondernemers dat kiest voor dienstverlening wijkt ook in Utrecht de
sectorkeuze van niet-westerse allochtonen af van de sectorkeuze van autochtonen. Deze
specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen van
allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In de provincie Utrecht is 28% van alle horeca-ondernemers
geboren in een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 13%. In de overige sectoren is het
aandeel lager. Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland
(13,3%), terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Utrecht was de groei
groter. De groeipercentages waren respectievelijk 18,3% en 8,7% (figuur 7.25).
Figuur 7.24: Herkomst van niet Figuur 7.24: Herkomst van niet Figuur 7.24: Herkomst van niet Figuur 7.24: Herkomst van niet- -- -wes wes wes westerse ondernemers, 2006 terse ondernemers, 2006 terse ondernemers, 2006 terse ondernemers, 2006 Figuur 7.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 7.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 7.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 7.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Utrecht
13%
21%
30%
6%
18%
12%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 7.23: Niet Figuur 7.23: Niet Figuur 7.23: Niet Figuur 7.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar westerse ondernemers naar westerse ondernemers naar westerse ondernemers naar sector, 2006 sector, 2006 sector, 2006 sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Utrecht Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
99
Utrecht Utrecht Utrecht Utrecht
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in de
provincie Utrecht 13,6%. Dat is veel hoger dan het totaal
aandeel startende ondernemers in Nederland (9,0%) en
Utrecht (10,1%; zie figuur 7.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Turken, Surinamers en Chinezen in de
ondernemerspopulatie vinden we niet terug bij de
starters. Juist Irakezen, Iraniërs en mensen met een ander
Aziatisch of Afrikaans herkomstland blijken veel
ondernemingen op te starten in Utrecht (figuur 7.27). Het
aandeel ondernemers uit deze landen zal waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.

Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Utrecht is
21,5% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 10% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 7.28). In Utrecht start 29% van de niet-westerse allochtonen in de
commerciële dienstverlening, waarin nu slechts 25% van de ondernemers actief is. Door het grote
aantal starters zal het aandeel van de sector de komende jaren waarschijnlijk verder toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 7.27: Niet Figuur 7.27: Niet Figuur 7.27: Niet Figuur 7.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 7.28: Niet Figuur 7.28: Niet Figuur 7.28: Niet Figuur 7.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Utrecht
6%
23%
5%
35%
23%
8%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Utrecht Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 7.26: Aandeel sta Figuur 7.26: Aandeel sta Figuur 7.26: Aandeel sta Figuur 7.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 rters in ondernemerspopulatie, 2005 rters in ondernemerspopulatie, 2005 rters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
100
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Noord-Hollandse in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Noord-Hollandse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei
en kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 8.1 geeft de rapportcijfers voor de Noord-
Hollandse regio’s en de provincie als geheel weer. De
cijfers in de bollen refereren aan de positie van de regio
in de Top 40. De grootte van elke bol correspondeert met
het bruto regionaal product en geeft daarmee een
indicatie van de economische omvang. De grootste
economie van de provincie, Groot-Amsterdam, laat een
ruime voldoende voor de economische kracht zien en
een net benedengemiddelde score voor de economische
groei. Dit resulteert in de 12
e
positie op de ranglijst.
Verder zien we in de provincie grote verschillen tussen
de prestaties van de regio’s. Het Gooi en Vechtstreek,
Groot-Amsterdam en IJmond hebben in 2005 een goed
jaar gekend. Zaanstreek en Kop van Noord-Holland daarentegen zien we als gevolg van lage
scores pas in de staart van het klassement terug.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 8.2 blijkt dat de Noord-Hollandse regio’s met uitzondering van
IJmond allemaal een onvoldoende laten aantekenen voor de economische groei. De slechte scores
hebben niet te maken met een enkele deelindicator. Vooral voor werkgelegenheids- en export-
groei zien we matige scores. Voor wat betreft de economische kracht scoren de Noord-Hollandse
regio’s met uitzondering van de Kop van Noord-Holland daarentegen allemaal bovengemiddeld.
Met name de score van Het Gooi en Vechtstreek valt op. Deze regio komt op de economische
kracht als beste regio uit de bus, wat naast de productiestructuur, die al jaren sterk is, te danken is
aan relatief veel investerende en exporterende bedrijven en een bovengemiddeld aantal starters.
Figuur 8.2: Economische groei 2005 Figuur 8.2: Economische groei 2005 Figuur 8.2: Economische groei 2005 Figuur 8.2: Economische groei 2005 Figuur 8.3: Economische kracht 2005 Figuur 8.3: Economische kracht 2005 Figuur 8.3: Economische kracht 2005 Figuur 8.3: Economische kracht 2005

K
o
p

v
a
n

N
o
o
r
d
-
H
o
l
l
a
n
d

A
l
k
m
a
a
r

e
n

o
m
g
e
v
i
n
g

I
J
m
o
n
d

A
g
g
l
o
m
e
r
a
t
i
e

H
a
a
r
l
e
m

Z
a
a
n
s
t
r
e
e
k

G
r
o
o
t
-
A
m
s
t
e
r
d
a
m
H
e
t

G
o
o
i

e
n

V
e
c
h
t
s
t
r
e
e
k

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 6,3 4,5 5,3 4,0 5,3 6,3 4,0 5,8
omzetgroei 5,8 7,0 6,3 5,0 6,0 5,8 6,5 6,0
exportgroei 5,8 7,0 5,5 5,0 5,5 5,8 5,8 5,8
winstgroei 5,3 5,3 7,8 7,5 5,0 6,0 6,3 6,0
Economische groei 5,8 5,9 6,2 5,4 5,4 5,9 5,6 5,9
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


K
o
p

v
a
n

N
o
o
r
d
-
H
o
l
l
a
n
d

A
l
k
m
a
a
r

e
n

o
m
g
e
v
i
n
g

I
J
m
o
n
d

A
g
g
l
o
m
e
r
a
t
i
e

H
a
a
r
l
e
m

Z
a
a
n
s
t
r
e
e
k

G
r
o
o
t
-
A
m
s
t
e
r
d
a
m
H
e
t

G
o
o
i

e
n

V
e
c
h
t
s
t
r
e
e
k

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,5 5,5 6,3 5,0 5,8 5,0 7,3 5,5
% exporterende bedrijven 5,0 5,3 5,5 5,0 5,8 6,0 6,8 5,8
kracht productiestructuur 5,5 7,3 5,8 8,0 6,3 8,0 8,0 7,5
dynamiek 5,3 6,0 6,5 7,0 6,5 6,5 7,3 6,3
Economische kracht 5,6 6,0 6,0 6,3 6,1 6,4 7,3 6,3
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 8.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 8.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 8.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 8.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
7,5
5,0 5,5 6,0 6,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Groot-Amsterdam
IJmond
Zaanstreek
Alkmaar en
omgeving
Provinciaal
gemiddelde
Kop van
Noord-Holland
Agglomeratie
Haarlem
15
12
22
32
26
33
5
Het Gooi en
Vechtstreek
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
101
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen). De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Noord-Holland heeft 2,6 miljoen inwoners,
van wie 410 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is
24% van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is ongeveer 16% van de totale
Noord-Hollandse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 8.4).

De steden zijn populair De steden zijn populair De steden zijn populair De steden zijn populair
In Noord-Holland wonen de niet-westerse allochtonen,
net als in de rest van Nederland, vooral in de meer stedelijke gebieden. Alleen al in Amsterdam
wonen meer dan 250 duizend niet-westerse allochtonen, 62% van alle niet-westerse allochtonen
in Noord-Holland en 15% van alle niet-westerse allochtonen in Nederland. Ook de gemeenten
Zaanstad, Purmerend, Haarlem, Weesp, Alkmaar, Amstelveen, Hoorn, Haarlemmermeer en met
name Diemen hebben een relatief hoog percentage niet-westerse allochtonen.
Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8.4 .4 .4 .4: :: : Percentage niet Percentage niet Percentage niet Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5. Figuur 5.5 55 5: :: : Spreiding niet Spreiding niet Spreiding niet Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in Flevoland Flevoland Flevoland Flevoland

Texel Texel Texel Texel Texel Texel Texel Texel Texel
Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard Heerhugowaard
Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik Medemblik
Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen Enkhuizen
Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn Hoorn
Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar Alkmaar
Velsen Velsen Velsen Velsen Velsen Velsen Velsen Velsen Velsen
Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk Heemskerk
Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad Zaanstad
Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk Beverwijk
Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem Haarlem
Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend Purmerend
Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam Amsterdam
Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen Amstelveen
Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer Haarlemmermeer
Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort Zandvoort
Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn Uithoorn
Schagen Schagen Schagen Schagen Schagen Schagen Schagen Schagen Schagen
Huizen Huizen Huizen Huizen Huizen Huizen Huizen Huizen Huizen Weesp Weesp Weesp Weesp Weesp Weesp Weesp Weesp Weesp
Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum Hilversum
Diemen Diemen Diemen Diemen Diemen Diemen Diemen Diemen Diemen
Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder Den Helder
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 20%
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



102
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Demogr Demogr Demogr Demografie afie afie afie
In deze negen gemeenten wonen in totaal ongeveer 100.000 niet-westerse allochtonen. Er wonen
relatief weinig niet-westerse allochtonen in de landelijke gemeenten Beemster, Schermer en de
gemeenten in de kop van Noord-Holland.

Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland
In figuur 8.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Noord-Holland als geheel Nederland. Daarin zien
we dat er in Noord-Holland veel allochtonen wonen van
Surinaamse en Marokkaanse herkomst. De allochtonen
van Turkse herkomst zijn licht ondervertegenwoordigd.
De verschillen tussen gemeenten in Noord-Holland zijn
groot. In Zaanstad, Alkmaar en Haarlem wonen juist veel
Turken, Den Helder heeft een hoog percentage
Antillianen. In Amsterdam, Purmerend, Diemen en
Haarlemmermeer is het aandeel Surinamers boven-
gemiddeld. Amstelveen kent een geheel afwijkende
samenstelling van de niet-westerse allochtonen Daar
wonen voornamelijk mensen van Aziatische afkomst.

Beperkte groei Beperkte groei Beperkte groei Beperkte groei
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Noord-Holland (figuur 8.7) wordt
bepaald door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
groeicijfers voor Noord-Holland. De sterke ontwikkeling van het aantal ‘overige niet-westerse’
allochtonen sinds 1996 komt voornamelijk door immigratie.
Surinamers, Turken en Marokkanen vormen de grootste groepen allochtonen in Noord-Holland. De
immigratie van Turken, Marokkanen en Surinamers heeft vooral vóór 1990 plaatsgevonden en is
na dat jaar sterk teruggelopen. De immigratie van allochtonen uit de óverige niet-westerse’ landen
is sindsdien juist flink gestegen.
Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8.7 77 7: :: : Groe Groe Groe Groei van het aantal niet i van het aantal niet i van het aantal niet i van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in Noord in Noord in Noord in Noord- -- -
Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100)
Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8.8: 8: 8: 8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Noord van en naar Noord van en naar Noord van en naar Noord- -- -Holland van Holland van Holland van Holland van
niet niet niet niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
110
120
130
140
150
160
170
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

10000
5000
0
5000
10000
15000
20000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8.6: Niet .6: Niet .6: Niet .6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Suriname Marokko Turkije Overig
Azië
Overig
Afrika
Antillen
& Aruba
Latijns
Amerika
Irak, Iran,
Afgh.
Noord-Holland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
103
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Demografi Demografi Demografi Demografie ee e
Per saldo migreerde de afgelopen jaren een klein percentage allochtonen vanuit Noord-Holland
naar andere Nederlandse provincies. Samen met het relatief kleine internationale migratiesaldo
heeft dit tussen 1990 en 2005 in Noord-Holland geleid tot een beduidend lagere groei van het
aantal niet-westerse allochtonen dan landelijk.

Uiteindelijk vergrijst iedereen? Uiteindelijk vergrijst iedereen? Uiteindelijk vergrijst iedereen? Uiteindelijk vergrijst iedereen?
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Noord-Holland vestigden, verschilt sterk naar herkomst.
Dit heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 8.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Noord-Holland vergeleken
met de overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 8.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 34,5 respectievelijk 35,5 is de ruimtelijke
segregatie van niet-westerse allochtonen in de gemeenten Amsterdam en Haarlem relatief hoog.
Onderstaande kaarten laten zien dat er in Haarlem een duidelijk gebied is met hogere percentages
niet-westerse allochtonen. In Amsterdam wordt het centrum en (Oud) Zuid door relatief weinig
niet-westerse allochtonen bewoond.
Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8.10 10 10 10: : : : Aandeel niet Aandeel niet Aandeel niet Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in in in in
Amsterdam en Diemen, 2005 Amsterdam en Diemen, 2005 Amsterdam en Diemen, 2005 Amsterdam en Diemen, 2005
Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8. Figuur 8.11: Aandeel niet 11: Aandeel niet 11: Aandeel niet 11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in Haarlem, in Haarlem, in Haarlem, in Haarlem,
2005 2005 2005 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8 Figuur 8.9: .9: .9: .9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Noord van Noord van Noord van Noord- -- -Holland Holland Holland Holland, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
104
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking van de provincie (zie
figuur 8.12).

In Noord-Holland is ruim 3% van de gemeenteraadsleden en 7,5% van de politie allochtoon.
Doordat het aandeel niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief groot is, blijft de provincie
hiermee qua integratie bij politie en lokale politiek achter bij het landelijk gemiddelde.
De participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Noord-Holland ligt slechts op een
vijfde van het bij volledige integratie behorende niveau en bij de politie op 48%.
Figuur 8.12: Aandeel niet Figuur 8.12: Aandeel niet Figuur 8.12: Aandeel niet Figuur 8.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 8.13: Aandeel niet Figuur 8.13: Aandeel niet Figuur 8.13: Aandeel niet Figuur 8.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
16%
18%
Noord-Holland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


105
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
De provincie is met 38 allochtone raadsleden wel goed voor bijna een vijfde van alle allochtone
raadsleden in ons land en met 809 allochtone politiemensen ligt het aandeel eveneens op 20%.
Noord-Holland is daarmee niet alleen qua bevolkingsomvang, maar ook qua aantal allochtonen bij
politie en gemeenteraden een grote provincie.

Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid Relatief lage werkloosheid
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 8.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 8.14 en 8.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Noord-Holland weer. In de provincie Noord-Holland zijn, net
Figuur 8.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 8.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 8.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 8.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 8.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 8.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 8.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 8.15: Potentiële beroepsbevolking Noord- -- -Holland, 2005 Holland, 2005 Holland, 2005 Holland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


106
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
als in Zuid-Holland, ten opzichte van Nederland weinig verschillen te constateren wat betreft de
beroepsbevolking (figuur 8.15). Deze gelijkenis heeft deels te maken met het grote aantal
inwoners van Noord-Holland, zowel autochtonen als niet-westerse allochtonen. Dit zorgt ervoor
dat de provincie meer dan andere provincies het
landelijke beeld bepaalt. Wel is de werkloosheid in
Noord-Holland met 15% iets lager dan landelijk.

Bovengemiddelde koopkracht Bovengemiddelde koopkracht Bovengemiddelde koopkracht Bovengemiddelde koopkracht
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 8.16)
21
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de
koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In de provincie Noord-Holland hebben zowel niet-
westerse allochtone als autochtone huishoudens jaarlijks
meer te besteden dan het landelijk gemiddelde; €14.000
respectievelijk €19.200. De interne verschillen zijn echter
groot. Zo is de koopkracht van niet-westerse allochtonen
in Haarlem 7% hoger dan in Amsterdam.
Figuur 8.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde persoonsinkomen van autochtonen en
niet-westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het
inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse
allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele
uitzondering in Friesland Het inkomensverschil is het grootst in de provincie Utrecht en het kleinst
in Drenthe.
In Noord-Holland verdienen autochtonen gemiddeld ongeveer 20% meer dan niet-westerse
allochtonen. Ook wat dit betreft bestaan intern grote verschillen. In de kop van Noord-Holland
verdienen autochtonen 15% meer, in Het Gooi en Vechtstreek maar liefst 27%. Daarmee zijn de
verschillen in die regio na Utrecht het grootst in Nederland.

21
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 8.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 8.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 8.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 8.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 8.18: Armoede Figuur 8.18: Armoede Figuur 8.18: Armoede Figuur 8.18: Armoede- -- -indicatoren in Noord indicatoren in Noord indicatoren in Noord indicatoren in Noord- -- -Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 8.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 8.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 8.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 8.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
107
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappel Maatschappel Maatschappel Maatschappelijke positie ijke positie ijke positie ijke positie
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 8.18). Terwijl bijna 10% van de autochtone
bevolking in Noord-Holland rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-
westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit geldt in
mindere mate ook voor de sociale minima; huishoudens
die een inkomen verdienen dat lager is dan het
bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities). Niet-
westerse allochtonen behoren samen met
eenoudergezinnen en huishoudens met een uitkering tot
de risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005). Hoewel het
aandeel niet-westerse allochtonen kleiner is als het gaat
om personen met een langdurig laag inkomen, is de
achterstandspositie van deze groep ten opzichte van
autochtonen nog steeds erg groot.

Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend Herkomst is zeer bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-westerse allochtonen in Nederland (Turken,
Marokkanen, Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken aan de hand van de
onderwerpen lokale politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 8.19 laat zien dat er in Noord-Holland enig verschil in koopkracht bestaat tussen de
verschillende allochtone bevolkingsgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden
van de niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten.
Hoewel in Noord-Holland de koopkracht van alle allochtone groepen relatief hoog is, is de
achterstandsituatie ten opzichte van autochtonen en van de totale Nederlandse bevolking toch
nog aanzienlijk. Werkzame Surinaamse allochtonen in Noord-Holland hadden in 2000 met
gemiddeld 17.300 euro het meest te besteden. Het verschil met de werkzame Marokkaanse
allochtonen (14.500 euro) is aanzienlijk. De niet-werkzame Marokkanen in Noord-Holland hebben
de laagste koopkracht en moesten in 2000 rondkomen van minder dan 10.000 euro.

Figuur 8.19: Koopkracht naar herkomst in Noord Figuur 8.19: Koopkracht naar herkomst in Noord Figuur 8.19: Koopkracht naar herkomst in Noord Figuur 8.19: Koopkracht naar herkomst in Noord- -- -Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
108
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
22
. In Noord-Holland wonen 16.656 ondernemers die in
een niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Noord-Holland het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking relatief hoog; op 7,2% (figuur 8.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 8.21). In Noord-Holland is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel hoger. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier
op zo’n 11,9%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers staan dan ook twee Noord-Hollandse gemeenten in de top vijf (figuur 8.22).

22
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 8.21: Aandeel niet Figuur 8.21: Aandeel niet Figuur 8.21: Aandeel niet Figuur 8.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 8.22: Aandeel niet Figuur 8.22: Aandeel niet Figuur 8.22: Aandeel niet Figuur 8.22: Aandeel niet- -- -we we we westerse ondernemers in de sterse ondernemers in de sterse ondernemers in de sterse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 22 2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 44 4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
7 Diemen 13,0%
16 Zaanstad 9,6%
18 Amstelveen 8,5%
20 Purmerend 8,3%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 8.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 8.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 8.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 8.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
109
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Noord-Holland wonen relatief weinig Turken, maar
veel Marokkanen en Surinamers. Dat is terug te zien in
het aantal Turkse, Marokkaanse en Surinaamse
ondernemers (figuur 8.24), maar ook in de sectorkeuze
van niet-westerse allochtonen in Noord-Holland (figuur
8.23). De handel en logistiek (Marokkanen) en
Commerciële diensten (Surinamers) zijn in Noord-
Holland populairder onder allochtonen dan in de rest
van Nederland. Verder valt op dat er in Noord-Holland
een relatief kleine groep Chinese ondernemers is. De
horeca is dan ook minder populair onder niet-westerse ondernemers in Noord-Holland. De laatste
groep, de ‘overig niet-westerse’ ondernemers, is in Noord-Holland groter dan gemiddeld in
Nederland. De ‘overige’ groep bestaat in Noord-Holland vooral uit mensen met Ghana, Egypte,
Pakistan, India, Irak en Iran als land van herkomst. Zij zijn voornamelijk actief in de commerciële
diensten, horeca en detailhandel. De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse
afkomst leidt tot hogere aandelen van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de
horeca en food-detailhandel (onderdeel van handel en logistiek). In Noord-Holland is bijna 30%
van alle horeca-ondernemers geboren in een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat
20,6%. In de overige sectoren is het aandeel lager. Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse
ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%), terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’
6,5% toenam. In Noord-Holland was de groei een stuk kleiner. De groeipercentages waren
respectievelijk 8,5% en 5,1% (figuur 8.25).
Figuur Figuur Figuur Figuur 8.24: Herkomst van niet 8.24: Herkomst van niet 8.24: Herkomst van niet 8.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 8.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 8.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 8.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 8.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Noord-Holland
16%
20%
41%
4%
11%
8%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 8.23: Ni Figuur 8.23: Ni Figuur 8.23: Ni Figuur 8.23: Niet et et et- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Noord-Holland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
110
Noord Noord Noord Noord- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in Noord-
Holland 12%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Noord-
Holland (8,3%; zie figuur 8.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Marokkanen en Turken zien we ook bij de
starters. Marokkanen starten zelfs relatief veel nieuwe
ondernemingen op. Chinezen en Surinamers starten in
Noord-Holland relatief weinig ondernemingen (figuur
8.27). Het aandeel ondernemers uit deze landen zal
waarschijnlijk afnemen in de komende jaren.

Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Noord-
Holland is 19% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 8% van de starters een
horeca onderneming begint (figuur 8.28). In Noord-Holland start 28% van de niet-westerse
allochtonen een onderneming in de commerciële dienstverlening waarin nu slechts 23% van de
ondernemers actief is. Door het grote aantal starters zal het aandeel van deze sector de komende
jaren waarschijnlijk verder toenemen. Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het
bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker
ondernemingen opstarten, maar ook vaker opheffen, al dan niet door een faillissement.
Verdergaande professionalisering van het ondernemerschap zal een positief effect hebben op de
levensduur van de ondernemingen en de groei dus nog verder versterken.
Figuur 8.27: Niet Figuur 8.27: Niet Figuur 8.27: Niet Figuur 8.27: Niet- -- -wes wes wes westerse starters naar herkomst, 2005 terse starters naar herkomst, 2005 terse starters naar herkomst, 2005 terse starters naar herkomst, 2005 Figuur 8.28: Niet Figuur 8.28: Niet Figuur 8.28: Niet Figuur 8.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Noord-Holland
4%
14%
4%
41%
20%
17%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Noord-Holland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 8.26: Aandeel starter Figuur 8.26: Aandeel starter Figuur 8.26: Aandeel starter Figuur 8.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 s in ondernemerspopulatie, 2005 s in ondernemerspopulatie, 2005 s in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
111
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Zuid-Holland in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren wordt
deze vraag beantwoord aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Zuid-Hollandse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei
en kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 9.1 geeft de rapportcijfers voor de Zuid-Hollandse
regio’s en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. De economische prestaties van de
Zuid-Hollandse regio’s liepen afgelopen jaar sterk uiteen.
Groot-Rijnmond en Zuidoost-Zuid-Holland hebben in
2005 een zeer goed jaar gekend en vinden we terug in
de top drie van het klassement. Delft en Westland vinden
we daarentegen pas op de 28
e
positie terug. Vooral de
prestatie van Zuidoost-Zuid-Holland valt op. Deze regio is
in de geschiedenis van de Visie op provinciale dynamiek
pas één keer eerder in de bovenste helft van het klassement geëindigd. Groot-Rijnmond vinden
we na twee mindere jaren weer terug op de derde positie, een positie die het in 2002 en 2003 ook
al bekleedde.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 9.2 blijkt dat de werkgelegenheidsgroei in Zuid-Holland het
afgelopen jaar is achtergebleven bij het landelijk gemiddelde. Vooral de twee regio’s die op de
totale economische prestatie als beste uit de bus komen, laten een matige werkgelegenheidsgroei
zien. Het bedrijfsleven in Groot-Rijnmond en Zuidoost-Zuid-Holland heeft in 2005 wel een
bovengemiddelde omzet-, export- en winstgroei behaald. Voor wat betreft de economische kracht
zien we in de provincie veel positieve uitschieters. Toekomstige werkgelegenheidsgroei ligt met de
sterke Zuid-Hollandse productiestructuur in de lijn der verwachting.
Figuur 9.2: Economische groei 2005 Figuur 9.2: Economische groei 2005 Figuur 9.2: Economische groei 2005 Figuur 9.2: Economische groei 2005 Figuur 9.3: Economische kracht 2005 Figuur 9.3: Economische kracht 2005 Figuur 9.3: Economische kracht 2005 Figuur 9.3: Economische kracht 2005

A
g
g
l
.

L
e
i
d
e
n

e
n

B
o
l
l
e
n
s
t
r
e
e
k

A
g
g
l
.

'
s
-
G
r
a
v
e
n
h
a
g
e

D
e
l
f
t

e
n

W
e
s
t
l
a
n
d
O
o
s
t
-
Z
u
i
d
-
H
o
l
l
a
n
d

G
r
o
o
t
-
R
i
j
n
m
o
n
d

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
Z
u
i
d
-
H
o
l
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 6,5 5,8 6,8 6,3 4,8 4,5 5,3
omzetgroei 5,8 6,3 5,5 5,8 6,5 7,0 6,3
exportgroei 5,5 4,0 5,5 8,0 6,5 6,3 6,0
winstgroei 4,8 6,0 5,5 5,5 7,3 8,0 6,5
Economische groei 5,6 5,5 5,8 6,4 6,3 6,4 6,0
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


A
g
g
l
.

L
e
i
d
e
n

e
n

B
o
l
l
e
n
s
t
r
e
e
k

A
g
g
l
.

'
s
-
G
r
a
v
e
n
h
a
g
e

D
e
l
f
t

e
n

W
e
s
t
l
a
n
d
O
o
s
t
-
Z
u
i
d
-
H
o
l
l
a
n
d

G
r
o
o
t
-
R
i
j
n
m
o
n
d

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
Z
u
i
d
-
H
o
l
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 6,0 5,8 6,0 5,5 6,5 7,3 6,3
% exporterende bedrijven 6,3 5,0 5,8 6,5 7,3 7,8 6,5
kracht productiestructuur 6,8 7,8 6,0 6,3 6,8 5,8 6,8
dynamiek 5,8 7,5 5,3 5,3 6,8 6,5 6,5
Economische kracht 6,2 6,5 5,8 5,9 6,8 6,8 6,5

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 9.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 9.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 9.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 9.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,5
6,0
6,5
7,0
7,5
5,0 5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Groot-Rijnmond
Oost-Zuid-Holland
Zuidoost-
Zuid-Holland
Agglomeratie
's-Gravenhage
Aggl. Leiden
& Bollenstreek
Delft en Westland
Provinciaal
gemiddelde
21
14
23
28
3
2
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
112
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Zuid-Holland heeft 3,2 miljoen inwoners,
van wie 580 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is
34% van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is bijna 17% van de totale Zuid-
Hollandse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 1.4).

Grote steden zijn populair Grote steden zijn populair Grote steden zijn populair Grote steden zijn populair
Zuid-Holland is een dichtbevolkte, stedelijke provincie, met relatief veel niet-westerse allochtonen.
Van de zeven Nederlandse gemeenten met meer den 20% niet-westerse allochtonen liggen er drie
in Zuid-Holland: Rotterdam (35%), Den Haag (32%) en Schiedam (23%). In die drie gemeenten
samen woont maar liefst 22% van alle niet-westerse allochtonen in Nederland. In de landelijke
gebieden van Zuid-Holland zijn de percentages niet-westerse allochtonen veel lager.
Figuur 9.4: Percentage niet Figuur 9.4: Percentage niet Figuur 9.4: Percentage niet Figuur 9.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 9.5: Spreiding niet Figuur 9.5: Spreiding niet Figuur 9.5: Spreiding niet Figuur 9.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Zuid westerse allochtonen in Zuid westerse allochtonen in Zuid westerse allochtonen in Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland

Lisse Lisse Lisse Lisse Lisse Lisse Lisse Lisse Lisse
Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk Rijswijk
Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven Schoonhoven
Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam Leerdam
Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel Capelle aan den IJssel
Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht Barendrecht
Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem Gorinchem
Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht Zwijndrecht
Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam Rotterdam
Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee Oostflakkee
Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede Goedereede
Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis Hellevoetsluis
Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam Schiedam
Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht
Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar Wassenaar
Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden Leiden
Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp Leiderdorp
's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage 's-Gravenhage
Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg Leidschendam-Voorburg
Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer Zoetermeer
Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn
Delft Delft Delft Delft Delft Delft Delft Delft Delft
Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen Vlaardingen
Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis Maassluis
Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse Spijkenisse
Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda Gouda
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 20%
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



113
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Demografie Demografie Demografie Demografie
Dat geldt met name voor Goeree-Overflakkee, Alblasserwaard en Krimpenerwaard. In veel
gemeenten in die gebieden is minder dan 2,5% van de bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst. Ook in de Bollenstreek wonen relatief weinig niet-westerse allochtonen (minder dan 5%).

Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland Suriname belangrijkste herkomstland
In figuur 9.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Zuid-Holland als geheel Nederland. Daarin zien we
dat in Zuid-Holland een opvallend groot deel van de
niet-westerse allochtonen van Surinaamse afkomst is.
Vooral in Den Haag en Rotterdam wonen veel
Surinamers. In Leiden en Gouda maken Marokkanen een
groot deel van de niet-westerse bevolking uit, in Gouda
maar liefst 63%. Dordrecht heeft juist relatief weinig
Marokkaanse en meer Antilliaanse en Turkse inwoners.
Delft trekt opvallend veel niet-westerse allochtonen uit
Aziatische landen. Dat is opvallend omdat er in Zuid-
Holland als geheel juist relatief weinig Aziaten wonen.
Tenslotte noemen we de Kaapverdianen, niet uitgesplitst
in de figuur, maar wel een bijzondere groep. Hoewel zij
niet een groot deel van de allochtonen uitmaken, woont 75% van de Kaapverdianen in Nederland
in Rotterdam.

Vooral natuurlijke groei Vooral natuurlijke groei Vooral natuurlijke groei Vooral natuurlijke groei
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Zuid-Holland (figuur 9.7) wordt
bepaald door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de groei-
cijfers voor Zuid-Holland. Surinamers, Turken en Marokkanen vormen de belangrijkste groepen
migranten in Zuid-Holland. De groei van het aantal Antillianen en de ‘overige niet-westerse’ alloch-
tonen in Zuid-Holland is opvallend groot ten opzichte van de groei van de ‘traditionele’ groepen.
Figuur 9.7: Figuur 9.7: Figuur 9.7: Figuur 9.7: Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in Zuid in Zuid in Zuid in Zuid- -- -
Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100) Holland (index, 1996 = 100)
F FF Figuur 9.8: iguur 9.8: iguur 9.8: iguur 9.8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Zuid van en naar Zuid van en naar Zuid van en naar Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland van van van van
niet niet niet niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
110
120
130
140
150
160
170
180
190
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

15000
10000
5000
0
5000
10000
15000
20000
25000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 9.6: Niet Figuur 9.6: Niet Figuur 9.6: Niet Figuur 9.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, erkomst, erkomst, erkomst, 2005 2005 2005 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Suriname Turkije Marokko Overig
Afrika
Overig
Azië
Antillen
& Aruba
Irak, Iran,
Afgh.
Latijns
Amerika
Zuid-Holland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
114
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Demogr Demogr Demogr Demografie afie afie afie
Internationale migratie veroorzaakt de sterke groei van het aantal Antillianen en ‘overige niet-
westerse’ allochtonen sinds 1990. Dit terwijl de immigratie van Turken, Marokkanen en Surinamers
vooral vóór 1990 heeft plaatsgevonden en na 1990 sterk is teruggelopen.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Zuid-Holland vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 9.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Zuid-Holland vergeleken
met de overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 9.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). In Den Haag is een duidelijk concentratiegebied te zien.
Transvaalkwartier en Schildersbuurt zijn duidelijk te herkennen in de kaart. In dit gebied wonen
meer dan 80% niet-westerse allochtonen. In Rotterdam (index=34) en Schiedam (index=38) zijn
zestien respectievelijk vijf buurten waar meer dan 50% van de inwoners van niet-westerse
allochtone afkomst is. In Spangen, Feijenoord en Afrikaanderwijk is meer dan 75% van de inwoners
van niet-westerse afkomst.
Fig Fig Fig Figuur 9.10: Aandeel niet uur 9.10: Aandeel niet uur 9.10: Aandeel niet uur 9.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Rotterdam en Schiedam, 2005 Rotterdam en Schiedam, 2005 Rotterdam en Schiedam, 2005 Rotterdam en Schiedam, 2005
Figuur 9.11: Aandeel niet Figuur 9.11: Aandeel niet Figuur 9.11: Aandeel niet Figuur 9.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Den westerse allochtonen per buurt in Den westerse allochtonen per buurt in Den westerse allochtonen per buurt in Den
Haag en Rijswijk, 2005 Haag en Rijswijk, 2005 Haag en Rijswijk, 2005 Haag en Rijswijk, 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 9.9: Figuur 9.9: Figuur 9.9: Figuur 9.9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Zuid van Zuid van Zuid van Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking
Bron: CBS, bewerking Rabobank
115
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname Matige maatschappelijke deelname
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.
De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking van de provincie (zie
figuur 9.12).
In Zuid-Holland is 3,2% van de gemeenteraadsleden en 8,4% van de politie allochtoon. Doordat
het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief groot is, blijft de provincie qua
integratie bij politie en lokale politiek toch achter bij het landelijk gemiddelde. De
participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Zuid-Holland ligt slechts op een vijfde
van het bij volledige integratie behorende niveau en bij de politie op 60%. De provincie is met 49
allochtone raadsleden wel goed voor bijna een kwart van alle allochtone raadsleden in ons land en
met 1.234 allochtone politiemensen ligt het aandeel zelfs op 27%.
Figuur 9.12: Aandeel niet Figuur 9.12: Aandeel niet Figuur 9.12: Aandeel niet Figuur 9.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 9.13: Aandeel niet Figuur 9.13: Aandeel niet Figuur 9.13: Aandeel niet Figuur 9.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
16%
18%
Zuid-Holland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


116
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Hoge werkloosheid Hoge werkloosheid Hoge werkloosheid Hoge werkloosheid
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 9.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 9.14 en 9.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Zuid-Holland weer. In de provincie Zuid-Holland zijn er
weinig verschillen te constateren met betrekking tot de potentiële beroepsbevolking ten opzichte
van Nederland. De werkloosheid van niet-westerse allochtonen is enigszins hoger (bijna 17%) en
de werkzame bevolking is relatief iets groter (figuur 9.15). Deze gelijkenis heeft deels te maken
met het grote aantal inwoners van Zuid-Holland, zowel autochtonen als niet-westerse allochtonen.
Dit zorgt ervoor dat de provincie meer dan andere provincies het landelijke beeld bepaalt.
Figuu Figuu Figuu Figuur 9.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 r 9.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 r 9.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 r 9.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 9.15: Potentiële beroepsbevolking Zuid Figuur 9.15: Potentiële beroepsbevolking Zuid Figuur 9.15: Potentiële beroepsbevolking Zuid Figuur 9.15: Potentiële beroepsbevolking Zuid- -- -Holland, 2005 Holland, 2005 Holland, 2005 Holland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


117
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de koopkracht van autochtone
huishoudens, gemiddeld genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie figuur 9.16)
23
. Over
het algemeen geldt dat hoe hoger de koopkracht van
autochtonen is, des te hoger is ook de koopkracht van de
niet-westerse allochtonen. In Zuid-Holland hebben niet-
westerse allochtone huishoudens net iets minder te
besteden dan het landelijk gemiddelde. Het verschil in
koopkracht met allochtone huishoudens in
buurprovincie Noord-Holland is opmerkelijk.

Figuur 9.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het
algemeen dat hoe hoger het inkomen van autochtonen
is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-
westerse allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter
in het westen van het land, met een enkele uitzondering
in Friesland.
In Zuid-Holland is de achterstandspositie van niet-
westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen behoorlijk groot: alleen in Utrecht is het
verschil in inkomen groter. Binnen Zuid-Holland zijn er flinke verschillen. In Den Haag verdienen
niet-westerse allochtonen bijvoorbeeld 5% meer dan in Rotterdam.. Het verschil met het inkomen
van de autochtone bevolking is echter over het algemeen in de hele provincie hetzelfde.

Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 9.18). Hoewel ruim 8% van de autochtone
bevolking in Zuid-Holland rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-
westerse allochtonen ruim drie keer zo groot. Dit geldt ook voor de sociale minima; huishoudens
die een inkomen verdienen dat lager is dan het bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities).

23
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 9.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 9.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 9.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 9.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 9.18: Armoede Figuur 9.18: Armoede Figuur 9.18: Armoede Figuur 9.18: Armoede- -- -indicatoren in indicatoren in indicatoren in indicatoren in Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000

Inkomen van niet-westerse allochtonen
als % van inkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%
Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 9.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 9.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 9.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 9.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
118
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Maatschap Maatschap Maatschap Maatschappelijke positie pelijke positie pelijke positie pelijke positie
Niet-westerse allochtonen behoren samen met eenoudergezinnen en huishoudens met een
uitkering tot de risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005).Hoewel het aandeel niet-westerse
allochtonen kleiner is als het gaat om personen met een langdurig laag inkomen, is de
achterstandspositie van deze groep ten opzichte van
autochtonen nog steeds erg groot.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie
Turkse allochtonen zowel absoluut als relatief sterk
vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de
herkomst van allochtone gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het
betreft hier overigens vooral mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek.
Surinaamse vrouwen zijn daarentegen zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 9.19 laat zien dat er in Zuid-Holland enige verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
allochtone bevolkingsgroepen. Door het grote aandeel allochtonen in Zuid-Holland wijkt het
beeld niet veel af van de landelijke verdeling van koopkracht. In de figuur is de werkzame
bevolking gescheiden van de niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en
pensioenontvangers, werklozen en arbeidsongeschikten.
In Zuid-Holland hebben werkzame Surinaamse allochtonen met 16.700 euro het meest te
besteden. Toch is de achterstand in koopkracht in vergelijking met de autochtone bevolking nog
erg groot. Werkzame Marokkaanse allochtonen hebben een lagere koopkracht dan de totale niet-
werkzame bevolking in Nederland. In 2000 moesten zij rondkomen van ruim 14.000 euro.



Figuur 9.19: Koopkracht naar herkomst in Zuid Figuur 9.19: Koopkracht naar herkomst in Zuid Figuur 9.19: Koopkracht naar herkomst in Zuid Figuur 9.19: Koopkracht naar herkomst in Zuid- -- -Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000 Holland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Turkije Antillen en
Aruba
Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000

Bron: CBS
119
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
24
. In Zuid-Holland wonen 18.835 ondernemers die in een
niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Zuid-Holland het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,6% (figuur 9.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 9.21). In Zuid-Holland is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel hoger. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier
op zo’n 12,2%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers staat Den Haag op nummer één en Rotterdam op drie (figuur 9.22).

24
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 9.21: Aandeel niet Figuur 9.21: Aandeel niet Figuur 9.21: Aandeel niet Figuur 9.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 9.22: Aandeel niet Figuur 9.22: Aandeel niet Figuur 9.22: Aandeel niet Figuur 9.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopu ondernemerspopu ondernemerspopu ondernemerspopulatie, 2006 latie, 2006 latie, 2006 latie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 11 1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 33 3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
6 Schiedam 13,2%
9 Spijkenisse 10,7%
11 Zoetermeer 10,3%
12 Vlaardingen 9,8%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 9.20: Figuur 9.20: Figuur 9.20: Figuur 9.20: Ondernemers in de beroepsbevolking Ondernemers in de beroepsbevolking Ondernemers in de beroepsbevolking Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
120
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Zuid-Holland is 26% van alle niet-westerse
ondernemers van Turkse herkomst (figuur 9.24). Dit komt
omdat er in Den Haag een relatief grote groep Turkse
ondernemers woont. Van deze groep is een zeer groot
deel actief in de agrarische sector als zelfstandige zonder
personeel
25
. Deze ondernemers zijn ook de verklaring
voor het hoge percentage allochtone ondernemers in de
productie in Zuid-Holland (figuur 9.23). Verder is er in
Zuid-Holland een groot aantal Surinaamse en
Antilliaanse ondernemers gevestigd. Hierdoor is de
dienstverlening onder niet-westerse ondernemers in Zuid-Holland relatief populair. De horeca
daarentegen is minder populair, wat gezien het aandeel Chinezen in de ondernemerspopulatie
niet vreemd is.
De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Zuid-Holland is 31,4% van alle horeca-ondernemers
geboren in een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 22,9%. In de overige sectoren is
het aandeel lager. Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in
Nederland (13,3%), terwijl het totaal aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Zuid-
Holland was het verschil nog groter. De groeipercentages waren respectievelijk 14,2% en 4,6%
(figuur 9.25).

25
(freelancer; EIM, 2000)
Figuur 9.24: Herkomst van niet Figuur 9.24: Herkomst van niet Figuur 9.24: Herkomst van niet Figuur 9.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur Figuur Figuur Figuur 9.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 9.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 9.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 9.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Zuid-Holland
20%
26%
29%
5%
9%
11%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 9.23: Niet Figuur 9.23: Niet Figuur 9.23: Niet Figuur 9.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Zuid-Holland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
121
Zuid Zuid Zuid Zuid- -- -Holland Holland Holland Holland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in Zuid-
Holland 14,2%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Zuid-
Holland (9,2%; zie figuur 9.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Turken en Surinamers in de
ondernemerspopulatie vinden we ook bij de starters
(figuur 9.27). De Chinezen starten echter weinig
ondernemingen op. Verder valt op dat Antillianen 8% van
de starters vormen, terwijl ze nu nog maar 5% van de
niet-westerse ondernemers in Zuid-Holland uitmaken. Het aandeel ondernemers uit de Antillen zal
waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Zuid-Holland
is 23% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 9% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 9.28). In Zuid-Holland start 26% van de niet-westerse allochtonen een
onderneming in de commerciële dienstverlening waarin nu slechts 21% van de ondernemers
actief is. Door het hoge aantal starters in de commerciële diensten zal het aandeel van deze sector
waarschijnlijk verder toenemen. Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven.
Het is echter belangrijk te vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker
ondernemingen opstarten, maar ook vaker opheffen, al dan niet door een faillissement.
Verdergaande professionalisering van het ondernemerschap zal een positief effect hebben op de
levensduur van de ondernemingen en de groei dus nog verder versterken.
Figuur 9.27: Niet Figuur 9.27: Niet Figuur 9.27: Niet Figuur 9.27: Niet- -- -westerse starte westerse starte westerse starte westerse starters naar herkomst, 2005 rs naar herkomst, 2005 rs naar herkomst, 2005 rs naar herkomst, 2005 Figuur 9.28: Niet Figuur 9.28: Niet Figuur 9.28: Niet Figuur 9.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Zuid-Holland
5%
10%
8%
30%
26%
21%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Zuid-Holland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 9.26: Aandeel starters in onderne Figuur 9.26: Aandeel starters in onderne Figuur 9.26: Aandeel starters in onderne Figuur 9.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 merspopulatie, 2005 merspopulatie, 2005 merspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
122
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Zeeland in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Zeeuwse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 10.1 geeft de rapportcijfers voor de Zeeuwse
regio’s en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. De economische kracht van de
regio’s en de provincie in zijn geheel ligt, evenals
voorgaande jaren, onder het landelijk gemiddelde. De
Zeeuwse regio’s behoren met relatief weinig
economische activiteit tot de economische periferie van
ons land. Vorig jaar kwam dit weinig tot uiting door een
relatief sterke economische groei. Dit jaar is dat niet het
geval, waardoor we de Zeeuwse regio’s pas terugzien in
de staart van het klassement, op de 36
e
en 39
e
positie.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 10.2 blijkt dat in het bedrijfsleven in Zeeuws-Vlaanderen een
relatief sterke omzetgroei heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft de winstgroei bleef dit
bedrijfsleven juist achter, wat overigens voor het bedrijfsleven in de gehele provincie geldt. Zowel
de hoge omzet- als de lage winstgroei in Zeeuwsch-Vlaanderen worden voor een belangrijk deel
veroorzaakt door exportgeoriënteerde bedrijven. Grote industriële bedrijven — die zich in sterke
mate richten op de chemie — vormen de kracht van Zeeuwsch-Vlaanderen. In Overig Zeeland
ontbreekt een dergelijke dominante bedrijfstak. In deze regio waren er, evenals in voorgaande
jaren, relatief weinig exporterende bedrijven. Daarnaast zijn er hier, net als in Zeeuwsch-
Vlaanderen, relatief weinig starters, waardoor de verjonging van het bedrijfsleven achterblijft.
Figuur 10.2: Economische groei 2005 Figuur 10.2: Economische groei 2005 Figuur 10.2: Economische groei 2005 Figuur 10.2: Economische groei 2005 Figuur 10.3 Figuur 10.3 Figuur 10.3 Figuur 10.3: Economische kracht 2005 : Economische kracht 2005 : Economische kracht 2005 : Economische kracht 2005

Z
e
e
u
w
s
c
h
-
V
l
a
a
n
d
e
r
e
n

O
v
e
r
i
g

Z
e
e
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 5,8 6,0 6,0
omzetgroei 7,5 5,5 6,0
exportgroei 6,5 5,8 6,0
winstgroei 4,5 4,8 4,8
Economische groei 6,1 5,5 5,7
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Z
e
e
u
w
s
c
h
-
V
l
a
a
n
d
e
r
e
n

O
v
e
r
i
g

Z
e
e
l
a
n
d

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 4,0 5,0 4,8
% exporterende bedrijven 7,3 5,8 6,3
kracht productiestructuur 5,0 5,5 5,3
dynamiek 4,0 5,0 4,5
Economische kracht 5,1 5,3 5,2

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 10.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 10.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 10.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 10.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

4,5
5,0
5,5
6,0
6,5
5,0 5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Overig Zeeland
Zeeuwsch-Vlaanderen
Provinciaal
gemiddelde
39
36
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
123
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).

De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.
De provincie Zeeland is weinig verstedelijkt. Er wonen
ongeveer 17 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is
slechts 1% van het totaal in Nederland. Daarmee is
ongeveer 4,6% van de totale Zeelandse bevolking van
niet-westerse allochtone afkomst (10,4% in Nederland,
zie figuur 10.4).

Bijna de helft in Vlissingen en Middelburg Bijna de helft in Vlissingen en Middelburg Bijna de helft in Vlissingen en Middelburg Bijna de helft in Vlissingen en Middelburg
Van alle niet-westerse allochtonen in de provincie woont 46% in de gemeenten Vlissingen en
Middelburg, geconcentreerd in het sterk stedelijke gebied. Vlissingen heeft met 10,1%hethoogste
percentage niet-westerse allochtonen in Zeeland. Dat aandeel ligt onder het landelijk gemiddelde
van 10,4%.
Figuur 10.4: Percentage niet Figuur 10.4: Percentage niet Figuur 10.4: Percentage niet Figuur 10.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuu Figuu Figuu Figuur 10.5: Spreiding niet r 10.5: Spreiding niet r 10.5: Spreiding niet r 10.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Zeeland westerse allochtonen in Zeeland westerse allochtonen in Zeeland westerse allochtonen in Zeeland

Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle Kapelle
Tholen Tholen Tholen Tholen Tholen Tholen Tholen Tholen Tholen
Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland
Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg Middelburg
Veere Veere Veere Veere Veere Veere Veere Veere Veere
Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen Vlissingen
Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal Reimerswaal
Borsele Borsele Borsele Borsele Borsele Borsele Borsele Borsele Borsele
Goes Goes Goes Goes Goes Goes Goes Goes Goes
Hulst Hulst Hulst Hulst Hulst Hulst Hulst Hulst Hulst
Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen Terneuzen
Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland Noord-Beveland
Sluis Sluis Sluis Sluis Sluis Sluis Sluis Sluis Sluis
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
meer dan 8%
6% tot 8%
4% tot 6%
2% tot 4%
minder dan 2%



124
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Demografie Demografie Demografie Demografie
Middelburg heeft 7,8%, Goes en Terneuzen volgen beide met 5,8% niet-westerse allochtonen. De
overige gemeenten in Zeeland hebben zeer weinig niet-westerse inwoners.

Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden Diverse herkomstlanden
In figuur 10.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Zeeland als geheel Nederland. Daarin zien we dat
in Zeeland relatief weinig Surinamers en Marokkanen
wonen. Het aandeel van Turken is ook iets lager dan
gemiddeld. De overige niet-westerse allochtonen zijn
zodoende oververtegenwoordigd in Zeeland, net als in
de drie noordelijke provincies. Goes heeft een relatief
grote groep Vietnamese inwoners. De niet-westerse
allochtonen in Middelburg hebben voor een groot deel
een Afrikaanse herkomst, waarvan slechts een klein deel
van Marokkaanse afkomst is. In Vlissingen wonen wel
veel Marokkanen en Antillianen, maar juist weinig Turken.
In Terneuzen wonen wel relatief veel Turken: 40% van de
niet-westerse allochtonen is daar van Turkse afkomst.

Vooral internationale migratie Vooral internationale migratie Vooral internationale migratie Vooral internationale migratie
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Zeeland (figuur 10.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
groeicijfers voor Zeeland. De groei van het aantal Antillianen en de ‘overige niet-westerse’
allochtonen in Zeeland is opvallend groot. Dit komt voornamelijk door een sterke immigratie sinds
1990 tot 2003. De immigratie van Turken, maar ook van de Surinamers en Marokkanen heeft vooral
vóór 1990 plaatsgevonden en is na 1990 sterk teruggelopen. In de periode 1990-2005 is het
migratieoverschot van Turken, Surinamers en Marokkanen zeer klein geweest. In 2004 was voor
alle groepen het internationale migratieoverschot naar Zeeland klein of zelfs negatief.
Figuur 10.7: Figuur 10.7: Figuur 10.7: Figuur 10.7: Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Zeeland (index, 1996 = 100) Zeeland (index, 1996 = 100) Zeeland (index, 1996 = 100) Zeeland (index, 1996 = 100)
Figuur 10.8: Figuur 10.8: Figuur 10.8: Figuur 10.8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Zeeland van niet van en naar Zeeland van niet van en naar Zeeland van niet van en naar Zeeland van niet- -- -
westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
110
120
130
140
150
160
170
180
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

800
400
0
400
800
1200
1600
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo
Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 10.6: Niet Figuur 10.6: Niet Figuur 10.6: Niet Figuur 10.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, erkomst, erkomst, erkomst, 2005 2005 2005 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Turkije Overig
Azië
Overig
Afrika
Suriname Marokko Antillen
& Aruba
Irak, Iran,
Afgh.
Latijns
Amerika
Zeeland Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
125
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Demografie Demografie Demografie Demografie
De migranten uit Turkije laten een tot 2004 een positief saldo zien, de overige groepen hebben in
2004 zelfs een negatief saldo. De totale groei, die beperkt is ten opzichte van de rest van
Nederland, kan verklaard worden door een groot aantal verhuizingen uit Zeeland naar andere
provincies.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Zeeland vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit
heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 10.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Zeeland vergeleken met de
overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 10.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 34 is de ruimtelijke segregatie van niet-
westerse allochtonen in de gemeente Middelburg bovengemiddeld. Terneuzen en Vlissingen
hebben een gemiddelde index van 31,5. Onderstaande kaarten laten zien dat in beide gemeenten
echter wel degelijk buurten zijn met een ruim bovengemiddeld aandeel niet-westerse
allochtonen.
Figuur 10.10: Aandeel niet Figuur 10.10: Aandeel niet Figuur 10.10: Aandeel niet Figuur 10.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Midde Midde Midde Middelburg en Vlissingen, 2005 lburg en Vlissingen, 2005 lburg en Vlissingen, 2005 lburg en Vlissingen, 2005
Figuur 10.11: Aandeel niet Figuur 10.11: Aandeel niet Figuur 10.11: Aandeel niet Figuur 10.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Terneuzen, 2005 Terneuzen, 2005 Terneuzen, 2005 Terneuzen, 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 10.9: Figuur 10.9: Figuur 10.9: Figuur 10.9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van van van van Zeeland, 2005 Zeeland, 2005 Zeeland, 2005 Zeeland, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
126
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Zwakke integratie bij politie Zwakke integratie bij politie Zwakke integratie bij politie Zwakke integratie bij politie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 10.12).
In Zeeland is slechts 2,4% van de gemeenteraadsleden en slechts 1,2% van de politie allochtoon.
Maar doordat het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief klein is, loopt de
provincie qua integratie in de lokale politiek toch voor op het landelijk gemiddelde. De
participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Zeeland ligt op 56% van het bij volledige
integratie behorende niveau, maar bij de politie op slechts 27%. De provincie is met 5 allochtone
raadsleden goed voor 2,4% van alle allochtone raadsleden in ons land en met 12 allochtone
politiemensen ligt dit aandeel op 1,8%.
Figuur 10.12: Aandeel niet Figuur 10.12: Aandeel niet Figuur 10.12: Aandeel niet Figuur 10.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel i ten opzichte van aandeel i ten opzichte van aandeel i ten opzichte van aandeel in de bevolking n de bevolking n de bevolking n de bevolking
Figuur 10.13: Aandeel niet Figuur 10.13: Aandeel niet Figuur 10.13: Aandeel niet Figuur 10.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Zeeland Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


127
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Daarmee is Zeeland niet alleen qua allochtone bevolkingsomvang, maar ook qua aantal allochtone
raadsleden en politiemensen een kleine provincie.

Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking Grote werkzame bevolking
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.

Deze achterstand komt in figuur 10.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).
De figuren 10.14 en 10.15
26
geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Zeeland weer. De verschillen tussen Zeeuwse autochtonen
en niet-westerse allochtonen zijn klein; het aandeel niet-westerse allochtonen met een baan is

26
De werkloosheid in de figuur is nul door een beperking in de cijfers (duizendtallen).

Figuur 10.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 10.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 10.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 10.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 10.15: Potentiële beroepsbevolking van Zeeland, 2005 Figuur 10.15: Potentiële beroepsbevolking van Zeeland, 2005 Figuur 10.15: Potentiële beroepsbevolking van Zeeland, 2005 Figuur 10.15: Potentiële beroepsbevolking van Zeeland, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


128
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
relatief groot. Het aandeel niet-westerse allochtonen in Zeeland dat zich niet beschikbaar stelt op
de arbeidsmarkt is enigszins groter dan dat van de autochtonen, maar veel kleiner dan in
Nederland als geheel. De participatiegraad van de niet-westerse allochtonen in Zeeland is dan ook
relatief hoog.

Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 10.16)
27
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger
de koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In Zeeland hebben zowel niet-westers allochtone als
autochtone huishoudens relatief weinig te besteden.
Figuur 10.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het
algemeen dat hoe hoger het inkomen van autochtonen
is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-
westerse allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter
in het westen van het land, met een enkele uitzondering. Het inkomensverschil is het grootst in de
provincie Utrecht en het kleinst in Drenthe. In Zeeland zijn de inkomensverschillen gemiddeld:
niet-westerse allochtonen verdienen 83% van het autochtone inkomen. In het noorden van
Zeeland zijn de verschillen groter dan in de regio Zeeuwsch-Vlaanderen. Dit wordt echter
veroorzaakt door verschillen in autochtone inkomens.
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 10.18). Hoewel 8% van de autochtone
bevolking in Zeeland rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel niet-westerse
allochtonen bijna vier keer zo groot. Nergens in Nederland is dit verschil zo groot als in Zeeland.

27
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 10.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 10.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 10.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 10.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
aut aut aut autochtonen, 2002 ochtonen, 2002 ochtonen, 2002 ochtonen, 2002
Figuur 10.18: Armoede Figuur 10.18: Armoede Figuur 10.18: Armoede Figuur 10.18: Armoede- -- -indicatoren in Zeeland, 2000 indicatoren in Zeeland, 2000 indicatoren in Zeeland, 2000 indicatoren in Zeeland, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%
Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 10.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 10.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 10.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 10.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
129
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Het aandeel niet-westerse allochtonen dat onder of rond het sociaal minimum verdient is ruim
drie keer zo groot; dit zijn huishoudens die een inkomen verdienen dat lager is dan het
bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities). Wat betreft structurele armoede, huishoudens
met een langdurig laag inkomen, is het aandeel van niet-
westerse allochtonen veel kleiner. Toch zorgt de
oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen
voor een achterstandspositie ten opzichte van
autochtonen in Zeeland.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 10.19 laat zien dat er in Zeeland flinke verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
grootste allochtone bevolkingsgroepen. In deze figuur is de werkzame bevolking gescheiden van
de niet-werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers,
werklozen en arbeidsongeschikten.
In Zeeland hebben werkzame Surinaamse allochtonen met 17.500 euro het meest te besteden.
Bovendien is de achterstand in koopkracht in vergelijking met de autochtone bevolking relatief
klein. Werkzame Zeeuwse Turken en Marokkanen hebben een lagere koopkracht dan het
gemiddelde van de niet-werkzame bevolking in Nederland. Antillianen en Arubanen die niet
werkzaam zijn moesten in 2000 rondkomen met gemiddeld 8.200 euro.

Figuur 10.19: Koopkracht naar herkomst in Zeeland, 2000 Figuur 10.19: Koopkracht naar herkomst in Zeeland, 2000 Figuur 10.19: Koopkracht naar herkomst in Zeeland, 2000 Figuur 10.19: Koopkracht naar herkomst in Zeeland, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
130
Zeelan Zeelan Zeelan Zeeland dd d
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6,0% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
28
. In Zeeland wonen 621 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Zeeland het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op 6,4% (figuur 10.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 10.21). In Zeeland is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 3,4%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Vlissingen met 5,7% op de 58
ste
plaats (figuur 10.22).

28
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 10.21: Aandeel niet Figuur 10.21: Aandeel niet Figuur 10.21: Aandeel niet Figuur 10.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 10.22: Aandeel niet Figuur 10.22: Aandeel niet Figuur 10.22: Aandeel niet Figuur 10.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
58 Vlissingen 5,7%
83 Goes 4,6%
90 Middelburg 4,4%
156 Terneuzen 3,1%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 10.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 10.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 10.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 10.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
131
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Zeeland wonen relatief weinig Turken, Marokkanen en
Surinamers. Dat is terug te zien in het aantal Turkse,
Marokkaanse en Surinaamse ondernemers (figuur 10.24),
maar ook in de sectorkeuze van niet-westerse
allochtonen in Zeeland (figuur 10.23). De dienstverlening
en de handel en logistiek zijn in Zeeland minder populair
onder allochtonen dan in de rest van Nederland. Verder
valt op dat er in Zeeland een relatief grote groep Chinese
ondernemers is. De horeca is dan ook zeer populair
onder niet-westerse ondernemers in Zeeland. Dat komt
overigens niet alleen door het hoge percentage Chinese ondernemers. In Zeeland richten
ondernemers van alle herkomstgroepen zich meer op de horeca dan gemiddeld.

De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Zeeland is 10,6% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 3,1%. In de overige sectoren is het aandeel
lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Zeeland was de groei groter. De
groeipercentages waren respectievelijk 15,6% en 6,2% (figuur 10.25).
Figuur 10.24: Herkomst van niet Figuur 10.24: Herkomst van niet Figuur 10.24: Herkomst van niet Figuur 10.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 10.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 10.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 10.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 10.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Zeeland
10%
16%
39%
5%
5%
25%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 10.23: Niet Figuur 10.23: Niet Figuur 10.23: Niet Figuur 10.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Zeeland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
132
Zeeland Zeeland Zeeland Zeeland
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Zeeland 14,5%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Zeeland
(7,8%; zie figuur 10.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Chinezen in de ondernemerspopulatie
vinden we niet terug bij de starters. Juist Irakezen,
Iraniërs en mensen met een ander Aziatisch of Afrikaans
herkomstland blijken veel ondernemingen op te starten
in Zeeland (figuur 10.27). Het aandeel ondernemers uit
deze landen zal waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Zeeland is
44% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 22% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 10.28). In Zeeland start 37% van de niet-westerse allochtonen in de
handel en logistiek, waarin nu slechts 26% van de ondernemers actief is. Zeeland heeft nu nog
relatief weinig ondernemers in de handel en logistiek, maar door het grote aantal starters zal het
aandeel van deze sectoren de komende jaren waarschijnlijk toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 10.27: Niet Figuur 10.27: Niet Figuur 10.27: Niet Figuur 10.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 10.28: Niet Figuur 10.28: Niet Figuur 10.28: Niet Figuur 10.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Zeeland
7%
7%
6%
50%
21%
9%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Zeeland Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 10.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 10.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 10.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 10.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
133
N NN Noord oord oord oord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Noord-Brabant in 2005 gepresteerd? Evenals in voorgaande jaren
beantwoorden we deze vraag aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Brabantse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 11.1 geeft de rapportcijfers voor de Brabantse
regio’s en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. De Brabantse regio’s hebben in
2005 de uitstekende prestaties van 2004 maar in
beperkte mate een vervolg kunnen geven. Vooral de
scores voor de economische groei vallen in vergelijking
met vorig jaar tegen, ondanks het feit dat Zuidoost-
Brabant de sterkste werkgelegenheidsgroei van alle
regio’s liet zien.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Als we de waarden in figuur 11.2 vergelijken met die van vorig jaar, dan
valt op dat geen enkele regio beter heeft gepresteerd. Vooral in Midden-Brabant zijn de verschillen
groot. Waar deze regio vorig jaar nog een voldoende liet aantekenen, is zij dit jaar op Zuid-Limburg
na de slechtst scorende regio voor de economische groei. Voor wat betreft de economische kracht
laat de provincie een krappe voldoende aantekenen. Dit is vooral te danken aan de export-
gerichtheid van het bedrijfsleven. Op de andere deelindicatoren krijgt de provincie een onvol-
doende. Dit geldt voor het aantal starters, die voor de verjonging van het bedrijfsleven moeten
zorgen, maar ook voor de kracht van de productiestructuur. Hierin bestaan wel grote verschillen
tussen stad en land. In de Brabantse steden heeft er een transitie plaatsgevonden van de industrie
naar de meer perspectief biedende (zakelijke) dienstverlening. In de meer landelijke gebieden
zorgt de dominantie van agrarische en industriële bedrijven nog altijd voor een onvoldoende.
Figuur 11.2: Economische groei 2005 Figuur 11.2: Economische groei 2005 Figuur 11.2: Economische groei 2005 Figuur 11.2: Economische groei 2005 Figuur 11.3: Economische kracht 2005 Figuur 11.3: Economische kracht 2005 Figuur 11.3: Economische kracht 2005 Figuur 11.3: Economische kracht 2005

W
e
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

M
i
d
d
e
n
-
B
r
a
b
a
n
t

N
o
o
r
d
o
o
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 6,5 5,3 6,3 7,8 6,5
omzetgroei 6,5 5,5 5,5 6,5 6,0
exportgroei 6,0 4,5 5,8 6,3 5,8
winstgroei 5,8 5,3 5,8 5,0 5,5
Economische groei 6,2 5,1 5,8 6,4 5,9
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


W
e
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

M
i
d
d
e
n
-
B
r
a
b
a
n
t

N
o
o
r
d
o
o
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

Z
u
i
d
o
o
s
t
-
B
r
a
b
a
n
t

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 5,3 6,0 6,0 5,5 5,8
% exporterende bedrijven 7,0 7,3 6,3 6,8 6,8
kracht productiestructuur 5,8 5,5 5,5 5,8 5,8
dynamiek 5,8 5,3 5,3 6,0 5,8
Economische kracht 5,9 6,0 5,8 6,0 6,0

Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur Figuur Figuur Figuur 11.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 11.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 11.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 11.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,5
6,0
6,5
5,0 5,5 6,0 6,5 7,0
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Noordoost-
Brabant
West-Brabant
Provinciaal
gemiddeld
e
Zuidoost-Brabant
Midden-Brabant
17
37
29
11
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
134
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Demograf Demograf Demograf Demografie ie ie ie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).
De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.

De provincie Noord-Brabant heeft 2 miljoen inwoners,
van wie 170 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is
10% van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is ongeveer 7,2% van de totale
Noord-Brabantse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 11.4).

Concentratie in de steden Concentratie in de steden Concentratie in de steden Concentratie in de steden
In Noord-Brabant wonen de niet-westerse allochtonen, net als in de rest van Nederland, vooral in
de meer stedelijke gebieden. Doordat die gebieden verspreid liggen over de provincie is de
concentratie van niet-westerse allochtonen in Noord-Brabant minder sterk dan in de rest van
Nederland. Eindhoven en Tilburg nemen samen een derde van de niet-westerse allochtonen in
Figuur 11.4: Percentage niet Figuur 11.4: Percentage niet Figuur 11.4: Percentage niet Figuur 11.4: Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 11.5: Spreiding niet Figuur 11.5: Spreiding niet Figuur 11.5: Spreiding niet Figuur 11.5: Spreiding niet- -- -westerse allochtonen in Noord westerse allochtonen in Noord westerse allochtonen in Noord westerse allochtonen in Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant

Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk Waalwijk
Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout Oosterhout
Best Best Best Best Best Best Best Best Best
Helmond Helmond Helmond Helmond Helmond Helmond Helmond Helmond Helmond
Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven Eindhoven
Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven Veldhoven
Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
Uden Uden Uden Uden Uden Uden Uden Uden Uden
Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur Etten-Leur
Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge Halderberge
Breda Breda Breda Breda Breda Breda Breda Breda Breda
Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen Gilze en Rijen
Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal Roosendaal
Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom Bergen op Zoom
Asten Asten Asten Asten Asten Asten Asten Asten Asten
Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer Boxmeer
Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel Boxtel
Deurne Deurne Deurne Deurne Deurne Deurne Deurne Deurne Deurne
Goirle Goirle Goirle Goirle Goirle Goirle Goirle Goirle Goirle
Grave Grave Grave Grave Grave Grave Grave Grave Grave
's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch 's-Hertogenbosch
Heusden Heusden Heusden Heusden Heusden Heusden Heusden Heusden Heusden
Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk Oisterwijk
Oss Oss Oss Oss Oss Oss Oss Oss Oss
Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel Schijndel
Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen Steenbergen
Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg Tilburg
Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard Valkenswaard
Veghel Veghel Veghel Veghel Veghel Veghel Veghel Veghel Veghel
Vught Vught Vught Vught Vught Vught Vught Vught Vught
Waalre Waalre Waalre Waalre Waalre Waalre Waalre Waalre Waalre
Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem Woudrichem
Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek Laarbeek
Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk Cuijk
Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk Moerdijk
Bladel Bladel Bladel Bladel Bladel Bladel Bladel Bladel Bladel
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



135
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Demografie Demografie Demografie Demografie
Noord-Brabant voor hun rekening. Aangevuld met Breda en Den Bosch is dat de helft van alle niet-
westerse allochtonen in de provincie. Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking is
vooral hoog in Eindhoven (14,6%), Tilburg (13,3%), Bergen op Zoom (12,6%), Roosendaal (11,7%)
en Helmond (11,6%). In die gemeenten is het aandeel
hoger dan gemiddeld in heel Nederland (10,4%). In de
lichtgekleurde, meer landelijke gebieden is het aandeel
niet-westerse allochtonen in de bevolking erg laag.

Turkije belangrijkste herkomstland Turkije belangrijkste herkomstland Turkije belangrijkste herkomstland Turkije belangrijkste herkomstland
In figuur 11.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Noord-Brabant als geheel Nederland. Daarin zien
we dat in Noord-Brabant een opvallend klein deel van de
niet-westerse allochtonen van Surinaamse afkomst is. De
Turken zijn juist oververtegenwoordigd. De verschillen
tussen gemeenten in Noord-Brabant zijn groot. In
Eindhoven en Tilburg wonen relatief veel Turken, terwijl
in de overige grote steden juist veel Marokkanen wonen.
In Oss is maar liefst 60% van alle niet-westerse
allochtonen van Turkse afkomst.

Natuurl Natuurl Natuurl Natuurlijke ijke ijke ijke g gg groei en migratie roei en migratie roei en migratie roei en migratie
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Noord-Brabant (figuur 11.7) wordt
bepaald door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
groeicijfers voor Noord-Brabant. De ontwikkeling in Noord-Brabant lijkt zeer sterk op de
ontwikkeling in heel Nederland.
Turken en Marokkanen vormen de belangrijkste groepen niet-westerse allochtonen in Noord-
Brabant, ondanks dat de immigratie van die groepen, net als van de Surinamers, vooral vóór 1990
heeft plaatsgevonden. Na 1990 is deze immigratie sterk teruggelopen.
Figuur 11.7: Figuur 11.7: Figuur 11.7: Figuur 11.7: Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in Noord in Noord in Noord in Noord- -- -
Brabant (index, 1996 = 100) Brabant (index, 1996 = 100) Brabant (index, 1996 = 100) Brabant (index, 1996 = 100)
Figuur 11.8: Figuur 11.8: Figuur 11.8: Figuur 11.8: Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Noord van en naar Noord van en naar Noord van en naar Noord- -- -Brabant van Brabant van Brabant van Brabant van
niet niet niet niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

100
110
120
130
140
150
160
170
180
190
200
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

6000
4000
2000
0
2000
4000
6000
8000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 11.6: Niet Figuur 11.6: Niet Figuur 11.6: Niet Figuur 11.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005 westerse allochtonen naar herkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Turkije Marokko Overig
Azië
Overig
Afrika
Suriname Antillen
& Aruba
Irak, Iran,
Afgh.
Latijns
Amerika
Noord-Brabant Nederland

Bron: CBS, bewerking Rabobank
136
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Demografie Demografie Demografie Demografie
In de jaren tussen 1990 en 2000 was er een migratieoverschot van Antillianen en ‘overige niet-
westerse allochtonen’. Dit migratieoverschot is vanaf 2000 sterk gedaald en werd in 2004 zelfs licht
negatief. Het effect van dit migratiepatroon is duidelijk terug te zien in figuur 11.8, maar ook figuur
in 11.7 waar de groei van het aantal Antillianen en
‘overige niet-westerse allochtonen’ afzwakt na 2001.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de immigranten zich in Nederland en
Noord-Brabant vestigden, verschilt sterk naar herkomst.
Dit heeft consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 11.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Noord-Brabant vergeleken
met de overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 11.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als
de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtonen hoger
blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 27 respectievelijk 33 is de ruimtelijke
segregatie van niet-westerse allochtonen in de gemeente Eindhoven relatief laag en in Tilburg
bovengemiddeld. Onderstaande kaarten laten zien dat in beide gemeenten een groot aantal
buurten is met een ruim bovengemiddeld aandeel niet-westerse allochtonen.
Figuur 11.10: Aandeel niet Figuur 11.10: Aandeel niet Figuur 11.10: Aandeel niet Figuur 11.10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in westerse allochtonen per buurt in
Eindhoven, 2005 Eindhoven, 2005 Eindhoven, 2005 Eindhoven, 2005
Figuur 11.11: Aandeel niet Figuur 11.11: Aandeel niet Figuur 11.11: Aandeel niet Figuur 11.11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt in Ti westerse allochtonen per buurt in Ti westerse allochtonen per buurt in Ti westerse allochtonen per buurt in Tilburg, lburg, lburg, lburg,
2005 2005 2005 2005

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 50%
20% tot 50%
10% tot 20%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 11.9: Bevolkingspiramide van Noord Figuur 11.9: Bevolkingspiramide van Noord Figuur 11.9: Bevolkingspiramide van Noord Figuur 11.9: Bevolkingspiramide van Noord- -- -Brabant, 2005 Brabant, 2005 Brabant, 2005 Brabant, 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
137
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Bovengemiddelde maatschappelijke deelname Bovengemiddelde maatschappelijke deelname Bovengemiddelde maatschappelijke deelname Bovengemiddelde maatschappelijke deelname
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 11.12).

In Noord-Brabant is 2,2% van de gemeenteraadsleden en 5,1% van de politie allochtoon. Echter
door het kleine aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking, loopt de provincie qua
integratie in de lokale politiek en vooral bij de politie toch voor op het landelijk gemiddelde. De
participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Noord-Brabant ligt op eenderde van het
bij volledige integratie behorende niveau, maar bij de politie al op 70%.
De provincie is met 32 allochtone raadsleden goed voor 16% van alle allochtone raadsleden in ons
Figuur 11.12: Aandeel niet Figuur 11.12: Aandeel niet Figuur 11.12: Aandeel niet Figuur 11.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten ten ten ten opzichte van aandeel in de bevolking opzichte van aandeel in de bevolking opzichte van aandeel in de bevolking opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 11.13: Aandeel niet Figuur 11.13: Aandeel niet Figuur 11.13: Aandeel niet Figuur 11.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Noord-Brabant Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


138
Noord Noord Noord Noord- -- -Bra Bra Bra Brabant bant bant bant
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
land en met 328 allochtone politiemensen ligt het aandeel op ruim12%. Daarmee neemt Noord-
Brabant qua aantal allochtone raadsleden en aantal politiemensen de derde plaats in van de
Nederlandse provincies.

Grote beroepsbevolking Grote beroepsbevolking Grote beroepsbevolking Grote beroepsbevolking
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.
Deze achterstand komt in figuur 11.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 11.14 en 11.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële
beroepsbevolking, van Nederland en Noord-Brabant weer. In de provincie Noord-Brabant is de
werkloosheid onder niet-westerse allochtonen lager dan in Nederland als geheel,;14%
Figuur 11.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 11.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 11.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 11.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 11.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 11.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 11.15: Potentiële beroepsbevolking Noord Figuur 11.15: Potentiële beroepsbevolking Noord- -- -Brabant, 2005 Brabant, 2005 Brabant, 2005 Brabant, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


139
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
respectievelijk 16,5%. Het aandeel van de potentiële beroepsbevolking dat zich niet beschikbaar
stelt op de arbeidsmarkt is even groot als het landelijke aandeel. Hierdoor is de werkzame
beroepsbevolking van niet-westerse allochtonen relatief groot in Noord-Brabant (48% van de
potentiële beroepsbevolking heeft een baan), maar wel
kleiner dan die van autochtonen.

Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart Grote verschillen in welvaart
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 11.16)
29
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger
de koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In de provincie Noord-Brabant hadden de niet-westerse
allochtone huishoudens in 2000 gemiddeld €13.400 te
besteden, iets minder dan gemiddeld in Nederland. Net
als in de overige provincies is het verschil met
autochtonen behoorlijk. Zij hadden gemiddeld zo’n vijf
duizend euro meer te besteden.

Figuur 11.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde persoonsinkomen van autochtonen en
niet-westerse allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het algemeen dat hoe hoger het
inkomen van autochtonen is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-westerse
allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter in het westen van het land, met een enkele
uitzondering. Het inkomensverschil is het grootst in de provincie Utrecht en het kleinst in Drenthe.
In Noord-Brabant zijn de inkomensverschillen relatief groot; niet-westerse allochtonen verdienen
gemiddeld bijna 83% van het autochtone inkomen. Zoals te zien is in de figuur zijn de
inkomensverschillen kleiner in het zuidoosten van Noord-Brabant, de lichtgekleurde regio. In die
regio hebben de niet-westerse allochtonen met gemiddeld bijna €16.000 dan ook het meest te
besteden van de provincie.

29
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 11.17: Regionale inko Figuur 11.17: Regionale inko Figuur 11.17: Regionale inko Figuur 11.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en mensverschillen tussen allochtonen en mensverschillen tussen allochtonen en mensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 11.18: Armoede Figuur 11.18: Armoede Figuur 11.18: Armoede Figuur 11.18: Armoede- -- -indicatoren in Noord indicatoren in Noord indicatoren in Noord indicatoren in Noord- -- -Brabant, 2000 Brabant, 2000 Brabant, 2000 Brabant, 2000

Inkomen van niet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
85%tot 90%
83%tot 85%
82%tot 83%
80%tot 82%
75%tot 80%

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 11.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 11.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 11.16: Koopkracht van huishoudens, 2000 Figuur 11.16: Koopkracht van huishoudens, 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
140
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 11.18). In Noord-Brabant is de (relatieve en
absolute) positie van niet-westerse allochtonen beter in vergelijking met het Nederlandse beeld.
De achterstandspositie ten opzichte van autochtonen is
echter nog duidelijk zichtbaar. Zo is het aandeel niet-
westerse allochtonen met een uitkering en met een
inkomen onder of rond het sociaal minimum bijna 3 keer
zo groot als het autochtone aandeel. Niet-westerse
allochtonen behoren samen met eenoudergezinnen en
huishoudens met een uitkering tot de risicogroep van
lage inkomens (SCP, 2005). Hoewel het aandeel niet-
westerse allochtonen met een langdurig laag inkomen
kleiner is, is ook hier de achterstandspositie ten opzichte
van autochtonen een feit.

Herk Herk Herk Herkomst is bepalend omst is bepalend omst is bepalend omst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-westerse allochtonen in Nederland (Turken,
Marokkanen, Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken aan de hand van de
onderwerpen lokale politiek, arbeid en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 11.19 laat zien dat er in Noord-Brabant behoorlijke verschillen in koopkracht bestaan
tussen de vier allochtone groepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de niet-
werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers, werklozen en
arbeidsongeschikten.
In Noord-Brabant hebben Surinaamse allochtonen met gemiddeld 17.300 euro de hoogste
koopkracht. Toch is er nog een flinke achterstand in koopkracht vergeleken met de autochtone
bevolking. Werkzame Marokkanen hebben minder te besteden dan de totale niet-werkzame
bevolking in Nederland. Van de niet-werkzame bevolking hebben Antillianen en Arubanen het
minst te besteden; zij moesten in 2000 rondkomen met gemiddeld 8.900 euro.

Figuur 11.19: Koopkracht naar herkomst Noord Figuur 11.19: Koopkracht naar herkomst Noord Figuur 11.19: Koopkracht naar herkomst Noord Figuur 11.19: Koopkracht naar herkomst Noord- -- -Brabant, 2000 Brabant, 2000 Brabant, 2000 Brabant, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Antillen en
Aruba
Turkije Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
141
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
30
. In Noord-Brabant wonen 5.608 ondernemers die in een
niet-westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Noord-Brabant het percentage niet-westerse
ondernemers in de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op slechts 5,8% (figuur 11.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 11.21). In Noord-Brabant is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 4,7%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Eindhoven met 8,2% op de 23
ste
plaats (figuur 11.22).

30
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 11.21: Aandeel niet Figuur 11.21: Aandeel niet Figuur 11.21: Aandeel niet Figuur 11.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 11.22: Aandeel niet Figuur 11.22: Aandeel niet Figuur 11.22: Aandeel niet Figuur 11.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ond ond ond ondernemerspopulatie, 2006 ernemerspopulatie, 2006 ernemerspopulatie, 2006 ernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
23 Eindhoven 8,2%
35 Tilburg 7,2%
36 Bergen op Zoom 7,1%
39 Roosendaal 6,7%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 11.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 11.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 11.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 11.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
142
Noord Noord Noord Noord- -- -Brabant Brabant Brabant Brabant
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Noord-Brabant wonen relatief veel Turken en
Marokkanen. Dat is echter niet goed terug te zien in het
aantal Turkse en Marokkaanse ondernemers (figuur
11.24) omdat Turken en Marokkanen in Noord-Brabant
relatief weinig ondernemend zijn. Hierdoor is de handel
en logistiek in Noord-Brabant minder populair onder
allochtonen dan in de rest van Nederland (figuur 11.23).
Wat vooral opvalt, is dat een groot deel (19%) van de
niet-westerse ondernemers in Noord-Brabant van
Chinese herkomst is. De horeca is dan ook populair
onder niet-westerse ondernemers in Noord-Brabant. Verder valt het relatief hoge aandeel
Antilliaanse ondernemers in Noord-Brabant op. Dit hoge aandeel komt door een relatief hoog
ondernemerschap onder Antillianen in Noord-Brabant.

De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Noord-Brabant is 20,4% van alle horeca-ondernemers
geboren in een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 8,0%. In de overige sectoren is het
aandeel lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Noord-Brabant was de groei
groter. De groeipercentages waren respectievelijk 17,3% en 6,9% (figuur 11.25).
Figuur 11.24: Herkomst van niet Figuur 11.24: Herkomst van niet Figuur 11.24: Herkomst van niet Figuur 11.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 20 westerse ondernemers, 20 westerse ondernemers, 20 westerse ondernemers, 2006 06 06 06 Figuur 11.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 11.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 11.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 11.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Noord-Brabant
9%
25%
31%
6%
10%
19%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 11.23: Niet Figuur 11.23: Niet Figuur 11.23: Niet Figuur 11.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Noord-Brabant Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
143
Noord Noord Noord Noord- -- -Braba Braba Braba Brabant nt nt nt
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in Noord-
Brabant 14,1%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Noord-
Brabant (8,5%; zie figuur 11.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. Het
aantal Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse
starters is relatief hoog (figuur 11.27). Het aandeel
ondernemers uit deze landen zal waarschijnlijk
toenemen in de komende jaren. Het aantal Chinese
starters is juist relatief laag.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Noord-
Brabant is 32% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 12% van de starters een
horeca onderneming begint (figuur 11.28). In Noord-Brabant start 22% van de niet-westerse
allochtonen in de commerciële dienstverlening, waarin nu slechts 18% van de ondernemers actief
is. Ook in de handel en logistiek is het aantal starters ten op zichte van huidige ondernemers hoog.
Door het grote aantal starters zal het aandeel van deze sectoren de komende jaren waarschijnlijk
toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 11.27: Niet Figuur 11.27: Niet Figuur 11.27: Niet Figuur 11.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 11.28: Niet Figuur 11.28: Niet Figuur 11.28: Niet Figuur 11.28: Niet- -- -westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005 westerse starters naar sector, 2005

Noord-Brabant
6%
11%
9%
32%
31%
11%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Noord-Brabant Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Fi Fi Fi Figuur 11.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 guur 11.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 guur 11.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 guur 11.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
144
Limburg Limburg Limburg Limburg
Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie Economische prestatie
Hoe heeft de economie van Limburg in 2005 gepresteerd? Evenals in de periode 1999-2004 wordt
deze vraag beantwoord aan de hand van een rapportcijfer voor de economische groei en de
economische kracht van de Limburgse economie in het afgelopen jaar. Het hoofdstuk ‘Groei en
kracht in de regio’s’ geeft een beschrijving van de
gehanteerde methodiek en toont de top veertig van
Nederlandse regio’s.

Figuur 12.1 geeft de rapportcijfers voor de Limburgse
regio’s en de provincie als geheel weer. De cijfers in de
bollen refereren aan de positie van de regio in de Top 40.
De grootte van elke bol correspondeert met het bruto
regionaal product en geeft daarmee een indicatie van de
economische omvang. De economische prestaties van de
Limburgse regio’s liepen afgelopen jaar zeer uiteen. Dit
geldt met name voor de scores van de regio’s voor de
economische groei. Terwijl Midden-Limburg in 2005 de
sterkste economische groei van alle regio’s liet zien, was
Zuid-Limburg de hekkensluiter van de groeiranglijst. Dit
zien we ook terug in de Top 40: Noord-Limburg neemt
hierop de eerste plaats in, terwijl Zuid-Limburg met een
34
e
positie in de staart van het klassement is terug te vinden. Noord-Limburg heeft in economisch
opzicht bovengemiddeld gepresteerd, wat zich vertaalt in een keurige 8
e
positie.

Onderstaande tabellen tonen de rapportcijfers voor de deelindicatoren waaruit de economische
groei en kracht bestaan. Uit figuur 12.2 blijkt dat het hoge rapportcijfer van Midden-Limburg voor
de economische groei vooral te danken is aan een hoge omzet- en exportgroei in het bedrijfsleven
in deze regio. Zuid-Limburg, de grootste economie van de provincie, scoort op deze variabalen
juist slecht. Voor wat betreft de economische kracht zijn de regionale verschillen minder groot dan
voor de economische groei. Als beste regio komt Noord-Limburg naar voren. In deze regio is een
relatief groot aantal exporterende bedrijven gevestigd, wat samenhangt met de distributiefunctie
van Venlo. Opvallend is het grote aantal investerende bedrijven in alledrie de regio’s. Op deze
indicator scoort de provincie veruit het best van alle provincies.
Figuur 12.2: Economische groei 2005 Figuur 12.2: Economische groei 2005 Figuur 12.2: Economische groei 2005 Figuur 12.2: Economische groei 2005 Figuur 12.3: Economische kracht 2005 Figuur 12.3: Economische kracht 2005 Figuur 12.3: Economische kracht 2005 Figuur 12.3: Economische kracht 2005
N
o
o
r
d
-
L
i
m
b
u
r
g
M
i
d
d
e
n
-
L
i
m
b
u
r
g
Z
u
i
d
-
L
i
m
b
u
r
g

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
werkgelegenheidsgroei 4,5 6,8 5,0 5,3
omzetgroei 5,8 8,0 4,0 4,0
exportgroei 6,3 8,0 4,0 5,5
winstgroei 8,0 6,5 7,0 7,3
Economische groei 6,1 7,3 5,0 5,5
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA

N
o
o
r
d
-
L
i
m
b
u
r
g
M
i
d
d
e
n
-
L
i
m
b
u
r
g
Z
u
i
d
-
L
i
m
b
u
r
g

P
r
o
v
i
n
c
i
a
a
l

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e
% bedrijven met investeringen 8,0 8,0 8,0 8,0
% exporterende bedrijven 8,0 7,3 5,8 7,0
kracht productiestructuur 4,0 5,0 6,3 5,5
dynamiek 5,8 5,0 5,3 5,3
Economische kracht 6,4 6,3 6,3 6,4
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA


Figuur 12.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 12.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 12.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005 Figuur 12.1: Rapportcijfer economische groei en kracht 2005

5,0
5,5
6,0
6,5
7,0
4,5 5,0 5,5 6,0 6,5 7,0 7,5
economische groei
e
c
o
n
o
m
i
s
c
h
e

k
r
a
c
h
t
Noord-Limburg
Provinciaal
gemiddeld
e
Midden-Limburg
Zuid-Limburg
8
34 1
Bron: Rabobank Nederland op basis van cijfers van KvK en LISA
145
Limburg Limburg Limburg Limburg
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Nederland wordt al jarenlang veel gediscussieerd over allochtonen. Met deze studie mengen we
ons niet in die discussies, maar zetten we een aantal feiten op een rij. In Nederland wonen
ongeveer 16,3 miljoen mensen, onder wie zo’n 3,1 miljoen allochtonen. Daarvan zijn ongeveer 1,7
miljoen mensen van niet-westerse afkomst. Over die
groep hebben we het in deze studie (voor definities zie
de bijlagen).

De niet-westerse allochtonen wonen sterk
geconcentreerd in de stedelijke gebieden van Nederland.
In de twaalf meest verstedelijkte gemeenten woont 46%
van de niet-westerse allochtone bevolking, terwijl slechts
18% van de totale Nederlandse bevolking in die
gemeenten woont.

De provincie Limburg heeft 1,1 miljoen inwoners, van
wie 59 duizend niet-westerse allochtonen. Dat is 3,5%
van het totale aantal niet-westerse allochtonen in
Nederland. Daarmee is ongeveer 5,2% van de totale
Limburgse bevolking van niet-westerse allochtone
afkomst (10,4% in Nederland, zie figuur 12.4).

Keuze voor de stad Keuze voor de stad Keuze voor de stad Keuze voor de stad
In Limburg wonen de niet-westerse allochtonen, net als in de rest van Nederland, vooral in de meer
stedelijke gebieden. Doordat die gebieden verspreid liggen over de provincie is de concentratie
van niet-westerse allochtonen in Limburg minder sterk dan in de rest van Nederland.
Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12.4 44 4: Percentage niet : Percentage niet : Percentage niet : Percentage niet- -- -westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005 westerse allochtonen, 2005

Nederland
0%
4%
8%
12%
16%
Dr Fr Ze Li Gr Ge Ov NB Ut NH Fl ZH

Bron: CBS, bewerking Rabobank
Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12.5: 5: 5: 5: Spre Spre Spre Spreidi idi idi iding niet ng niet ng niet ng niet- -- -westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in westerse allochtonen in Limburg Limburg Limburg Limburg

Helden Helden Helden Helden Helden Helden Helden Helden Helden
Roermond Roermond Roermond Roermond Roermond Roermond Roermond Roermond Roermond
Venlo Venlo Venlo Venlo Venlo Venlo Venlo Venlo Venlo
Weert Weert Weert Weert Weert Weert Weert Weert Weert
Venray Venray Venray Venray Venray Venray Venray Venray Venray
Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht Maastricht
Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen Sittard-Geleen
Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen Heerlen
Aandeel niet-westerse
allochtonen in de bevolking
10% tot 20%
7,5% tot 10%
5% tot 7,5%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%



146
Limburg Limburg Limburg Limburg
Demografie Demografie Demografie Demografie
In Venlo en Maastricht samen woont een derde van het totale aantal niet-westerse allochtonen.
Met 14% is het aandeel van niet-westerse allochtonen in de totale bevolking echter het hoogst in
Roermond, gevolgd door Venlo (11%), Venray (9%) en Weert (8%). Maastricht en Heerlen hebben
ondanks hun sterk stedelijke karakter een laag
percentage niet-westerse allochtonen (beide 7%).

Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland Marokko belangrijkste herkomstland
In figuur 12.6 is een verdeling gemaakt van de niet-
westerse allochtone bevolking naar herkomstland, voor
zowel Limburg als geheel Nederland. Daarin zien we dat
in Limburg een opvallend klein deel van de niet-westerse
allochtonen van Surinaamse afkomst is. De Marokkanen
zijn juist oververtegenwoordigd. De verschillen tussen
gemeenten in Limburg zijn groot. In Weert, Sittard-
Geleen en Heerlen wonen relatief veel Marokkanen,
terwijl in Venray en Venlo juist veel Turken wonen. In
Maastricht wonen relatief weinig Turken en Marokkanen,
maar zijn juist Chinezen, Iraniërs, Irakezen en vooral niet-
Marokkaanse Afrikanen oververtegenwoordigd.

Ontwikkeling Ontwikkeling Ontwikkeling Ontwikkeling
De ontwikkeling van het aantal niet-westerse allochtonen in Limburg (figuur 12.7) wordt bepaald
door natuurlijke bevolkingsgroei (geboorte minus sterfte) en migratie (internationaal en
verhuizingen binnen Nederland). De toename van het aantal Turken, Marokkanen en Surinamers
komt voornamelijk door natuurlijke groei. De hogere vruchtbaarheidscijfers voor Marokkanen, de
iets minder hoge cijfers voor Turken en de lage cijfers voor Surinamers blijken deels uit de
groeicijfers voor Limburg. Internationale migratie veroorzaakt de licht sterkere groei van het aantal
Turken in Limburg. Ook de groei van de ‘overige niet-westerse’ allochtonen komt door immigratie,
al is deze recentelijk sterk gedaald en was er in 2004 zelfs een negatief migratieoverschot. Dat
laatste geldt ook voor Antillianen en Arubanen.
Figuur 12.7: Groei van het aantal niet Figuur 12.7: Groei van het aantal niet Figuur 12.7: Groei van het aantal niet Figuur 12.7: Groei van het aantal niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen in in in in
Limburg (index, 1996 = 100) Limburg (index, 1996 = 100) Limburg (index, 1996 = 100) Limburg (index, 1996 = 100)
Figuur 12.8 Figuur 12.8 Figuur 12.8 Figuur 12.8: :: : Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie Internationale migratie van en naar Limburg van niet van en naar Limburg van niet van en naar Limburg van niet van en naar Limburg van niet- -- -
westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

80
100
120
140
160
180
200
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
Turkije Marokko Suriname Antillen Overig niet-westers

Bron: CBS, bewerking Rabobank

2000
1000
0
1000
2000
3000
4000
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
Immigratie Emigratie Saldo

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuur 1 Figuur 1 Figuur 1 Figuur 12.6: Niet 2.6: Niet 2.6: Niet 2.6: Niet- -- -westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar h westerse allochtonen naar herkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005 erkomst, 2005

0%
5%
10%
15%
20%
25%
Marokko Turkije Overig
Azië
Overig
Afrika
Irak, Iran,
Afgh.
Antillen
& Aruba
Suriname Latijns
Amerika
Limburg Nederland
Bron:
CBS, bewerking Rabobank
147
Limburg Limburg Limburg Limburg
Demografie Demografie Demografie Demografie
Turken en Marokkanen vormen de belangrijkste groepen migranten in Limburg. De immigratie
van die groepen, maar ook van Surinamers heeft vooral vóór 1990 plaatsgevonden en is na 1990
sterk teruggelopen. In de periode 1990-2005 was het migratieoverschot van Turken en Marok-
kanen in absolute zin gelijk en dus voor de Turken in
Limburg relatief groter. Dit verklaart de iets snellere groei
van het aantal Turken.

Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger Gemiddeld jonger
De periode waarin de migranten zich in Nederland
vestigden, verschilt sterk naar herkomst. Dit heeft
consequenties voor de leeftijdsopbouw van de
bevolking. In figuur 12.9 is de bevolkingsopbouw van alle
niet-westerse allochtonen in Limburg vergeleken met de
overige bevolking (westerse allochtonen en
autochtonen). De bevolking van de niet-westerse
allochtonen blijkt veel jonger te zijn: het aandeel van 45-
plussers is bij de niet-westerse allochtonen aanzienlijk
lager. Dit patroon komt overeen met het landelijke beeld.
De piramide in figuur 12.9 zal in de toekomst veranderen
en meer op die van de overige bevolking gaan lijken. Als de vruchtbaarheid van niet-westerse
allochtonen hoger blijft, zullen er echter wel verschillen blijven bestaan.

Se Se Se Segregatie gregatie gregatie gregatie
Het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking loopt uiteen per gemeente, maar
verschilt ook binnen gemeenten per buurt. Dit verschil noemen we ruimtelijke segregatie. Een
maat hiervoor is de segregatie-index. Van de grote steden heeft Den Haag de hoogste index (40).
Dat wil zeggen dat in theorie 40% van de allochtone ofwel autochtone bevolking zou moeten
verhuizen om in elke Haagse buurt tot een gelijk aandeel van niet-westerse allochtonen te komen
(zie de bijlagen voor de definitie). Met een index van 29 respectievelijk 28 is de ruimtelijke
segregatie van niet-westerse allochtonen in de gemeenten Maastricht en Venlo relatief laag.
Onderstaande kaarten laten zien dat in beide gemeenten echter wel degelijk buurten zijn met een
bovengemiddeld aandeel niet-westerse allochtonen.
Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12.10: Aandeel niet 10: Aandeel niet 10: Aandeel niet 10: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in in in in
Maastricht, 2005 Maastricht, 2005 Maastricht, 2005 Maastricht, 2005
Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12. Figuur 12.11: Aandeel niet 11: Aandeel niet 11: Aandeel niet 11: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt westerse allochtonen per buurt in Venlo, in Venlo, in Venlo, in Venlo,
2005 2005 2005 2005

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank

meer dan 20%
15% tot 20%
10% tot 15%
5% tot 10%
2,5% tot 5%
minder dan 2,5%
geen gegevens

Bron: CBS, bewerking Rabobank


Figuu Figuu Figuu Figuur 12 r 12 r 12 r 12.9: .9: .9: .9: Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide Bevolkingspiramide van Limburg van Limburg van Limburg van Limburg, 2005 , 2005 , 2005 , 2005

<5
5-10
10-15
15-20
20-25
25-30
30-35
35-40
40-45
45-50
50-55
55-60
60-65
65-70
70-75
75-80
80-85
85-90
90-95
>95
1e generatie 2e generatie Overige bevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank
148
Limburg Limburg Limburg Limburg
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving staat al enkele jaren in het middelpunt
van de belangstelling. In geval van volledige integratie zouden allochtonen in alle facetten van de
samenleving in verhouding tot hun aandeel in de bevolking vertegenwoordigd zijn. In het vorige
hoofdstuk bleek echter dat in ruimtelijk opzicht juist sprake is van segregatie. Allochtonen wonen
immers sterk geconcentreerd in een beperkt aantal (wijken in) stedelijke gemeenten.
Segregatie doet zich ook voor in maatschappelijk opzicht. Allochtonen nemen veel minder deel
aan maatschappelijke activiteiten, hebben minder vaak een inkomen uit arbeid en genieten
gemiddeld een veel lager inkomen dan autochtone Nederlanders.

Relatief sterke politieke integratie Relatief sterke politieke integratie Relatief sterke politieke integratie Relatief sterke politieke integratie
Politiek en overheid zetten zich al jaren in om de maatschappelijke participatie van allochtonen te
vergroten. Een maat voor de integratie van niet-westerse allochtonen is het aantal en aandeel niet-
westerse allochtone raadsleden en politiefunctionarissen. De beperkte integratie komt hierbij
bijzonder sprekend naar voren. Ons land telt na de verkiezingen van maart 2006 ruim 300
allochtone raadsleden en in 2005 meer dan 3.450 allochtone politiemensen. Sinds 2002 is het
aantal allochtone raadsleden met de helft toegenomen, waardoor de verhouding tussen
allochtone raadsleden en de allochtone bevolking enigszins is verbeterd. Daarmee is echter nog
lang geen sprake van een evenredige vertegenwoordiging. Terwijl ruim 10% van de landelijke
bevolking van niet-westerse allochtone afkomst is, maken zij slechts 3% van het aantal raadsleden
uit en ruim 6% van het aantal politiefunctionarissen.

De mate van integratie verschilt overigens per provincie. In Overijssel, Zeeland en Limburg is het
allochtone aandeel in de gemeenteraden ten opzichte van het aandeel in de bevolking het
grootst. In Drenthe en Gelderland is dat bij de politie het geval. In Drenthe is het aandeel van
allochtonen bij de politie zelfs hoger dan het aandeel in de totale bevolking (zie figuur 12.12).
In Limburg is slechts 2,4% van de gemeenteraadsleden en 3,5% van de politie allochtoon. Doordat
het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking relatief laag is, loopt de provincie qua
integratie bij de politie en in de lokale politiek hiermee toch voor op het landelijk gemiddelde. De
participatiegraad van allochtonen in de lokale politiek in Limburg ligt op de helft van het bij
volledige integratie behorende niveau, maar bij de politie al op 67%. De provincie is met 18
allochtone raadsleden goed voor 9% van alle allochtone raadsleden in ons land en met 114
allochtone politiemensen ligt het aandeel op 3,5%.
Figuur 12.12: Aandeel niet Figuur 12.12: Aandeel niet Figuur 12.12: Aandeel niet Figuur 12.12: Aandeel niet- -- -westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie westerse all. in gemeenteraad en politie
ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking ten opzichte van aandeel in de bevolking
Figuur 12.13: Aandeel niet Figuur 12.13: Aandeel niet Figuur 12.13: Aandeel niet Figuur 12.13: Aandeel niet- -- -westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen westerse allochtonen

0,0
0,2
0,4
0,6
0,8
1,0
1,2
1,4
Ov Ze Li NB Ut Gr Ge Dr NH ZH Fr Fl
Raadsleden (2002) Politie (2005)
Nederland

Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie

0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
Limburg Nederland
Bevolking (2005) Politie (2005) Raadsleden (2002)


Bron: CBS, IPP, Nederlandse Politie


149
Limburg Limburg Limburg Limburg
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Daarmee is Limburg wat aantal allochtone raadsleden en politiemensen betreft een middenmoter
onder de Nederlandse provincies.

Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking Kleine werkzame bevolking
De positie van niet-westerse allochtonen in de maatschappij hangt naast maatschappelijke
deelname sterk samen met de participatie op de arbeidsmarkt. Arbeidsparticipatie wordt hier
uitgedrukt als het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van 15 tot
65 jaar (zie de bijlagen voor definities). De afgelopen tien jaar is de positie van niet-westerse
allochtonen op de arbeidsmarkt sterk verbeterd in Nederland (LBR, 2005). Toch is er nog een
behoorlijke achterstand ten opzichte van de autochtone bevolkingsgroep.

Deze achterstand komt in figuur 12.14 tot uiting. Hierin wordt de totale autochtone en niet-
westerse allochtone bevolking in Nederland verdeeld over vier groepen. Ten eerste de bevolking
die jonger is dan 15 of ouder is dan 64 jaar. De overige bevolking bestaat uit werkzame personen,
werklozen en mensen die niet kunnen of niet willen werken. Dit zijn onder andere
uitkeringsgerechtigden en studenten. Deze drie groepen bij elkaar vormen de potentiële
beroepsbevolking, ofwel het totaal aantal personen in de leeftijd van 15 jaar tot 65 jaar. Tussen de
potentiële beroepsbevolking van autochtonen en van niet-westerse allochtonen bestaan landelijk
slechts kleine verschillen, respectievelijk 66% en 68% van de totale bevolking. Het aandeel van de
potentiële beroepsbevolking dat niet kan of wil werken is bij niet-westerse allochtonen (44%)
echter veel groter dan bij de autochtone bevolking (31%), evenals de werkloosheid (respectievelijk
16,5 en 5,2%). De arbeidsparticipatie ligt zodoende duidelijk lager bij niet-westerse allochtonen;
47% ten opzichte van 66% bij de autochtone bevolking.
De oorzaken hiervan zijn divers en liggen zowel bij de kenmerken van veel niet-westerse
allochtonen als bij die van autochtonen. Te denken valt aan een gebrekkige taalvaardigheid, de
houding van allochtone werkzoekers (gebrek aan zelfvertrouwen), de werving- en
selectieprocedure van autochtone werkgevers (discriminatie) en de geringe participatie van
Turkse en Marokkaanse vrouwen op de arbeidsmarkt (LBR, 2005).

De figuren 12.14 en 12.15 geven de bevolking van 15 tot 65 jaar, oftewel de potentiële beroeps-
bevolking, van Nederland en Limburg weer. In de provincie Limburg zijn de verschillen tussen
autochtone en niet-westerse allochtonen iets groter dan de landelijke verschillen (figuur 12.15).
Figuur 12.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 12.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 12.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 12.14: Potentiële beroepsbevolking van Nederland, 2005 Figuur 12.15: Potentiële beroeps Figuur 12.15: Potentiële beroeps Figuur 12.15: Potentiële beroeps Figuur 12.15: Potentiële beroepsbevolking van Limburg, 2005 bevolking van Limburg, 2005 bevolking van Limburg, 2005 bevolking van Limburg, 2005

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
20%
40%
60%
80%
100%
Niet-westerse
allochtonen
Autochtonen
Kan of wil niet werken
Werkloze beroepsbevolking
Werkzame beroepsbevolking

Bron: CBS, bewerking Rabobank


150
Limburg Limburg Limburg Limburg
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Hoewel de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen lager is in Limburg, is het aandeel dat
niet kan of wil werken juist erg groot. Hierdoor zijn de niet-westerse allochtonen in Limburg
gemiddeld weinig actief op de arbeidsmarkt, slechts 42% van de potentiële beroepsbevolking in
de provincie heeft een baan.

Lage koopkracht huishoudens Lage koopkracht huishoudens Lage koopkracht huishoudens Lage koopkracht huishoudens
De koopkracht van allochtone huishoudens is, evenals de
koopkracht van autochtone huishoudens, gemiddeld
genomen hoger in de Randstedelijke provincies (zie
figuur 12.16)
31
. Over het algemeen geldt dat hoe hoger
de koopkracht van autochtonen is, des te hoger is ook de
koopkracht van de niet-westerse allochtonen.
In Limburg hebben zowel niet-westerse allochtone als
autochtone huishoudens relatief weinig te besteden.
Figuur 12.17 geeft het verschil tussen de het gemiddelde
persoonsinkomen van autochtonen en niet-westerse
allochtonen met een inkomen weer. Hierbij geldt in het
algemeen dat hoe hoger het inkomen van autochtonen
is, des te groter is het verschil met het inkomen van niet-
westerse allochtonen. De verschillen zijn dan ook groter
in het westen van het land, met een enkele uitzondering in Friesland. Het inkomensverschil is het
grootst in de provincie Utrecht en het kleinst in Drenthe, met respectievelijk het hoogste en op
twee na laagste gemiddelde inkomen van autochtonen.
Binnen de provincie Limburg is het inkomensverschil tussen autochtonen en niet-westerse
allochtonen het grootst in de regio Midden-Limburg. Hier is het gemiddelde inkomen van zowel
autochtonen als van niet-westerse allochtonen het hoogst.
Het verschil in welvaart van autochtonen en niet-westerse allochtonen wordt ook duidelijk als we
kijken naar een aantal armoede-indicatoren (figuur 12.18). Hoewel ruim 10% van de autochtone
bevolking in Limburg rond moet komen van een uitkering, is ditzelfde aandeel van de niet-
westerse allochtonen bijna drie keer zo groot.

31
Dit is het gestandaardiseerde inkomen van huishoudens. Dat wil zeggen dat het huishoudensinkomen is
gecorrigeerd voor de huishoudensgrootte en geeft daardoor de koopkracht van huishoudens weer.
Figuur 12.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 12.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 12.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en Figuur 12.17: Regionale inkomensverschillen tussen allochtonen en
autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002 autochtonen, 2002
Figuur 12.18: Armoede Figuur 12.18: Armoede Figuur 12.18: Armoede Figuur 12.18: Armoede- -- -indicatoren in Limburg, 2000 indicatoren in Limburg, 2000 indicatoren in Limburg, 2000 indicatoren in Limburg, 2000


Inkomen vanniet-westerse allochtonen
als % vaninkomen van autochtonen
75% tot 80%
80% tot 82%
82% tot 83%
83% tot 85%
85% tot 90%
Bron: CBS, bewerking Rabobank

0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
uitkering onder of rond sociaal
minimum
langdurig laag inkomen
Niet-westers allochtoon Autochtoon

Bron: CBS


Figuur 12.16: Koopkracht van huishoudens Figuur 12.16: Koopkracht van huishoudens Figuur 12.16: Koopkracht van huishoudens Figuur 12.16: Koopkracht van huishoudens, ,, , 2000 2000 2000 2000

10
12
14
16
18
20
22
Fl Ut NH ZH NB Ge Ze Li Dr Ov Gr Fr
Niet-westerse allochtonen Autochtonen
NL
NL
x €1.000

Bron: CBS
151
Limburg Limburg Limburg Limburg
Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie Maatschappelijke positie
Dit geldt ook voor de sociale minima; huishoudens die een inkomen verdienen dat lager is dan het
bestaansminimum (zie de bijlagen voor definities). Niet-westerse allochtonen behoren samen met
eenoudergezinnen en uitkeringsgerechtigden tot de risicogroep van lage inkomens (SCP, 2005).
Het aandeel niet-westerse allochtonen met een
langdurig laag inkomen in Limburg is veel kleiner dan bij
de uitkeringsgerechtigden. Toch is ook hier de
achterstandspositie van allochtonen ten opzichte van
autochtonen een feit.

Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend Herkomst is bepalend
Tot nu is de sociaal-maatschappelijke positie van de niet-
westerse allochtonen als één groep aan de orde
gekomen. Er bestaan echter behoorlijke verschillen
tussen de diverse allochtone bevolkingsgroepen. Deze
verschillen worden voor de vier grootste groepen niet-
westerse allochtonen in Nederland (Turken, Marokkanen,
Surinamers en Antillianen en Arubanen) kort besproken
aan de hand van de onderwerpen lokale politiek, arbeid
en inkomen.

In Nederland zijn op het gebied van politieke participatie Turkse allochtonen zowel absoluut als
relatief sterk vertegenwoordigd. Dit komt goed tot uiting in de herkomst van allochtone
gemeenteraadsleden, waarvan ruim de helft van Turkse komaf is. Het betreft hier overigens vooral
mannen; Turkse vrouwen zijn juist niet actief in de politiek. Surinaamse vrouwen zijn daarentegen
zeer goed vertegenwoordigd (IPP, 2006).

In Nederland zijn Surinamers het meest actief op de arbeidsmarkt; het aandeel werkzame
personen is niet veel lager dan het aandeel bij de autochtone bevolking. Ook Antillianen en
Arubanen scoren hoog met een participatiegraad van 55%. Marokkaanse allochtonen zijn het
minst actief op de arbeidsmarkt; slechts 40% van de Marokkanen tussen 15 en 65 jaar werkt. Door
een kleinere groep die ‘niet kan of wil werken’ en een lagere werkloosheid heeft de groep Turken
een hogere participatiegraad op de arbeidsmarkt (45%) dan de Marokkanen.

Figuur 12.19 laat zien dat er in Limburg flinke verschillen in koopkracht bestaan tussen de vier
allochtone bevolkingsgroepen. In de figuur is de werkzame bevolking gescheiden van de niet-
werkzame bevolking. Hiertoe behoren onder meer bijstand- en pensioenontvangers, werklozen en
arbeidsongeschikten. In Limburg hebben Surinaamse allochtonen met gemiddeld 17.600 euro de
hoogste koopkracht (alleen Utrechtse Surinamers verdienen gemiddeld meer). Wel zijn de
verschillen met de niet-werkzame bevolking relatief groot, in het bijzonder bij Surinamers en
Antillianen. Werkzame Marokkaanse allochtonen in Limburg hebben gemiddeld minder te
besteden dan de totale niet-werkzame bevolking in Nederland. Niet-werkzame Antillianen en
Arubanen in Limburg hebben over het algemeen ook een relatief lage koopkracht; zij moesten in
2000 rondkomen met ruim 8.000 euro.

Figuur 12.19: Koo Figuur 12.19: Koo Figuur 12.19: Koo Figuur 12.19: Koopkracht naar herkomst in Limburg, 2000 pkracht naar herkomst in Limburg, 2000 pkracht naar herkomst in Limburg, 2000 pkracht naar herkomst in Limburg, 2000

0
5
10
15
20
25
Autochtoon Suriname Turkije Antillen en
Aruba
Marokko
Werkzaam Niet-werkzaam
Totale werkzame bevolking NL
Totale niet-werkzame bevolking NL
x €1.000
Bron: CBS
152
Limburg Limburg Limburg Limburg
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
Veel straten in Nederland krijgen kleur door winkels of restaurants die door allochtone
ondernemers worden geëxploiteerd. Hierdoor ontstaat al snel het beeld dat allochtonen erg
ondernemend zijn. Ondernemerschap is naast werken in loondienst een vorm van economische
participatie. Al in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke
Participatie’ zagen we dat de arbeidsparticipatie van niet-
westerse allochtonen ruim onder het landelijke
gemiddelde ligt. Beschouwen we het ondernemerschap,
dan kunnen we een vergelijkbare conclusie trekken.
Ruim 8,1% van de totale potentiële beroepsbevolking is
ondernemer, terwijl slechts 6% van de niet-westerse
allochtonen ondernemer is. Er zijn echter grote
verschillen naar herkomst van de allochtonen. De
Chinezen vormen een uitzonderlijk ondernemende
groep. Van alle mensen in Nederland die in China
geboren zijn, is meer dan 19% ondernemer! De groep
inwoners die geboren is in Turkije volgt met 7%
ondernemers. Van de Marokkaanse potentiële
beroepsbevolking onderneemt slechts 3,5%.

In totaal zijn er in Nederland meer dan 58 duizend
ondernemers van niet-westerse afkomst
32
. In Limburg wonen 2.007 ondernemers die in een niet-
westers land geboren zijn. Daarmee ligt in Limburg het percentage niet-westerse ondernemers in
de niet-westerse potentiële beroepsbevolking op 6,2% (figuur 12.20).
Een andere invalshoek om naar allochtoon ondernemerschap te kijken is het marktaandeel dat
allochtone ondernemers vormen ten opzichte van het totaal aantal ondernemers. Van alle
ondernemers in Nederland is ongeveer 7,7% van de ondernemers niet-westers allochtoon; 6,3%
eerste en 1,4% tweede generatie (figuur 12.21). In Limburg is het aandeel niet-westerse
ondernemers veel lager. Het percentage ondernemers dat van niet-westerse afkomst is, ligt hier op
zo’n 4,3%. In de ranglijst van alle 458 Nederlandse gemeenten naar het aandeel niet-westerse
ondernemers komt Venlo met 6,6% op de 40
ste
plaats (figuur 12.22).

32
De gegevens over niet-westerse ondernemers die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, betreffen enkel de eerste
generatie niet-westerse allochtonen, tenzij het expliciet vermeld is. De tweede generatie betreft een klein deel
van de populatie en wordt wegens gebrek aan gegevens buiten beschouwing gelaten.
Figuur 12.21: Aandeel niet Figuur 12.21: Aandeel niet Figuur 12.21: Aandeel niet Figuur 12.21: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale westerse ondernemers in totale
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006
Figuur 12.22: Aandeel niet Figuur 12.22: Aandeel niet Figuur 12.22: Aandeel niet Figuur 12.22: Aandeel niet- -- -westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de westerse ondernemers in de
ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006 ondernemerspopulatie, 2006

NL 1e gen
0%
2%
4%
6%
8%
10%
12%
14%
ZH NH Fl Ut Ov NB Li Ge Gr Ze Dr Fr
NL 2e gen
Aandeel 1e generatie Schatting aandeel 2e generatie

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank

Rang Rang Rang Rang Gemeente Gemeente Gemeente Gemeente Aandeel Aandeel Aandeel Aandeel
1 Den Haag 21,2%
2 Beverwijk 19,2%
3 Rotterdam 19,0%
4 Amsterdam 18,5%
5 Almere 13,9%
40 Venlo 6,6%
42 Roermond 6,5%
71 Maastricht 5,1%
75 Venray 5,0%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 12.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 12.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 12.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005 Figuur 12.20: Ondernemers in de beroepsbevolking, 2005

NL Totaal
0%
2%
4%
6%
8%
NH Dr Ze Li Ut NB ZH Ov Ge Fl Fr Gr
NL N-W
Niet-westers, eerste generatie Totaal
Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
153
Limburg Limburg Limburg Limburg
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap
De sectorkeuze van ondernemers is gerelateerd aan de herkomst van ondernemers. Het zal
misschien geen verassing zijn dat 70% van de ondernemers van Chinese herkomst een horeca
onderneming heeft. Turken (19%) en Marokkanen (16%) kiezen ook vaker voor horeca dan
autochtonen (7%). Marokkanen en Turken vallen echter
voornamelijk op door vaak voor de handel en logistiek te
kiezen. Verder is het opvallend dat ongeveer 55% van de
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers actief is in de
dienstverlening, een veel hoger percentage dan voor
autochtone ondernemers geldt (43%).

In Limburg is 25% van alle niet-westerse ondernemers
van Chinese herkomst (figuur 12.24). Dit komt omdat er
relatief veel Chinezen wonen in Limburg en doordat de
Chinezen, Surinamers en Antillianen in Limburg
ondernemender zijn dan gemiddeld in Nederland. Dit is
opvallend omdat andere herkomstgroepen en de
autochtonen in Limburg juist minder vaak ondernemer
zijn dan in de rest van Nederland. Het kleinere aandeel
Surinaamse en Antilliaanse ondernemers in Limburg is
het gevolg van het kleinere aandeel van deze groepen in
de beroepsbevolking. Het grote aandeel van Chinezen in de ondernemerspopulatie verklaart deels
de grote populariteit van de horeca onder niet-westerse allochtonen in Limburg. In Limburg
richten ondernemers van alle herkomstgroepen zich meer op de horeca dan gemiddeld.

De specifieke sectorkeuze van ondernemers van niet-westerse afkomst leidt tot hogere aandelen
van allochtonen in bepaalde sectoren. Dat geldt vooral voor de horeca en food-detailhandel
(onderdeel van handel en logistiek). In Limburg is 16% van alle horeca-ondernemers geboren in
een niet-westers land. In de food-detailhandel is dat 6,4%. In de overige sectoren is het aandeel
lager.
Van 2003 tot 2006 nam het aantal niet-westerse ondernemers sterk toe in Nederland (13,3%),
terwijl het totale aantal ondernemers met ‘slechts’ 6,5% toenam. In Limburg was de groei groter. De
groeipercentages waren respectievelijk 14,2% en 4,6% (figuur 12.25).
Figuur 12.24: Herkomst van niet Figuur 12.24: Herkomst van niet Figuur 12.24: Herkomst van niet Figuur 12.24: Herkomst van niet- -- -westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 westerse ondernemers, 2006 Figuur 12.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 12.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 12.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006 Figuur 12.25: Groei van het aantal ondernemers, 2003 tot 2006

Limburg
4%
21%
37%
4%
9%
25%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig Niet-Westers
Nederland
12%
10%
5%
35%
23%
15%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

NL Niet-Westers
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
Fl Fr Dr Ov Ut NB Ze Gr Li Ge ZH NH
NL
Niet-westers, eerste generatie Totaal


Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 12.23: Niet Figuur 12.23: Niet Figuur 12.23: Niet Figuur 12.23: Niet- -- -westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006 westerse ondernemers naar sector, 2006

0%
10%
20%
30%
40%
50%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Limburg Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
154
Limburg Limburg Limburg Limburg
Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap Ondernemerschap - -- - Starters Starters Starters Starters
Startende ondernemers zijn van groot belang voor het toekomstige ondernemerschap in een
gebied. Het aantal niet-westerse allochtonen dat een onderneming start is daarom een belangrijke
indicator voor de toekomstige ontwikkeling van het allochtoon ondernemerschap. De sectoren
waarin zij starten en de herkomst van de starters geven
bovendien een aanwijzing van de richting waarin het
allochtoon ondernemerschap zich beweegt. Het aandeel
niet-westerse ondernemers dat in 2005 een
onderneming startte, is in Nederland 14,2% en in
Limburg 14,4%. Dat is veel hoger dan het totaal aandeel
startende ondernemers in Nederland (9,0%) en Limburg
(8,9%; zie figuur 12.26).

De starters blijken een andere herkomstverdeling te
hebben dan de huidige niet-westerse ondernemers. De
grote groep Chinezen in de ondernemerspopulatie
vinden we niet in dezelfde mate terug bij de starters.
Juist Turken, Marokkanen en Antillianen blijken veel
ondernemingen op te starten in Limburg (figuur 12.27).
Het aandeel ondernemers uit deze landen zal
waarschijnlijk toenemen in de komende jaren.
Niet-westerse starters kiezen andere sectoren om in te ondernemen dan de huidige ondernemers.
De horeca blijkt veel minder populair bij starters dan bij de huidige ondernemers. In Limburg is
45% van de ondernemers actief in de horeca, terwijl slechts 19% van de starters een horeca
onderneming begint (figuur 12.28). In Limburg start 42% van de niet-westerse allochtonen in de
handel, waarin nu slechts 26% van de ondernemers actief is. Limburg heeft nu nog relatief weinig
niet-westerse ondernemers in de dienstverlening, maar door het grote aantal starters zal het
aandeel van de sector de komende jaren waarschijnlijk toenemen.
Allochtonen zorgen dus voor veel dynamiek in het bedrijfsleven. Het is echter belangrijk te
vermelden dat niet-westerse allochtonen niet alleen vaker ondernemingen opstarten, maar ook
vaker opheffen, al dan niet door een faillissement. Verdergaande professionalisering van het
ondernemerschap zal een positief effect hebben op de levensduur van de ondernemingen en de
groei dus nog verder versterken.
Figuur 12.27: Niet Figuur 12.27: Niet Figuur 12.27: Niet Figuur 12.27: Niet- -- -westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 westerse starters naar herkomst, 2005 Figuur 12.28: Niet Figuur 12.28: Niet Figuur 12.28: Niet Figuur 12.28: Niet- -- -westerse sta westerse sta westerse sta westerse starters naar sector, 2005 rters naar sector, 2005 rters naar sector, 2005 rters naar sector, 2005

Limburg
12%
13%
7%
39%
26%
3%
Turkije Suriname China Marokko Antillen Overig niet-westers
Nederland
5%
12%
6%
36%
25%
16%

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank

0%
10%
20%
30%
40%
Productie Handel en
logistiek
Horeca Commerciële
diensten
Overige
diensten
Limburg Nederland

Bron: Kamer van Koophandel, bewerking Rabobank


Figuur 12.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 12.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 12.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005 Figuur 12.26: Aandeel starters in ondernemerspopulatie, 2005

NL Niet-westers
0%
5%
10%
15%
20%
Fl Fr Ut Ov Ge Ze Li ZH NB Gr NH Dr
NL
Niet-westers Totaal

Bron: Kamer van Koophandel, CBS, bewerking Rabobank
155
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Overzicht regio’s economische groei en kracht Overzicht regio’s economische groei en kracht Overzicht regio’s economische groei en kracht Overzicht regio’s economische groei en kracht

1 Oost-Groningen 13 Veluwe 21 Agglomeratie Haarlem 32 Overig Zeeland
2 Delfzijl en omgeving 14 Achterhoek 22 Zaanstreek 33 West-Noord-Brabant
3 Overig Groningen 15 Arnhem/Nijmegen 23 Groot-Amsterdam 34 Midden-Noord-Brabant
4 Noord-Friesland 16 Zuidwest-Gelderland 24 Het Gooi en Vechtstreek 35 Noordoost-Noord-Brabant
5 Zuidwest-Friesland 17a Utrecht West 25 Aggl. Leiden Bollenstreek 36 Zuidoost-Noord-Brabant
6 Zuidoost-Friesland 17b Eemland 26 Aggl. 's-Gravenhage 37 Noord-Limburg
7 Noord-Drenthe 17c Stadsgewest Utrecht 27 Delft en Westland 38 Midden-Limburg
8 Zuidoost-Drenthe 17d Utrechtse Heuvelrug 28 Oost-Zuid-Holland 39 Zuid-Limburg
9 Zuidwest-Drenthe 18 Kop van N-Holland 29 Groot-Rijnmond 40a Almere
10 Noord-Overijssel 19 Alkmaar en omgeving 30 Zuidoost-Zuid-Holland 40b Midden-Flevoland
11 Zuidwest-Overijssel 20 IJmond 31 Zeeuwsch-Vlaanderen 40a Noordoostpolder
12 Twente

Kaart regio’s economische groei en kracht Kaart regio’s economische groei en kracht Kaart regio’s economische groei en kracht Kaart regio’s economische groei en kracht

40c
40b
40a
24
17d
17c
17b
17a
10
30
3
39
38
37
34 33
31
32
27
29
21
22
23
19
16
28
25
26
18
7
8
1
2
4
5 6
9
11
12
13
14
15
20
35
36
156
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Overzicht COROP Overzicht COROP Overzicht COROP Overzicht COROP- -- -gebieden gebieden gebieden gebieden

1 Oost-Groningen 11 Zuidwest-Overijssel 21 Agglomeratie Haarlem 31 Zeeuwsch-Vlaanderen
2 Delfzijl en omgeving 12 Twente 22 Zaanstreek 32 Overig Zeeland
3 Overig Groningen 13 Veluwe 23 Groot-Amsterdam 33 West-Noord-Brabant
4 Noord-Friesland 14 Achterhoek 24 Het Gooi en Vechtstreek 34 Midden-Noord-Brabant
5 Zuidwest-Friesland 15 Arnhem/Nijmegen 25 Aggl. Leiden Bollenstreek 35 Noordoost-Noord-Brabant
6 Zuidoost-Friesland 16 Zuidwest-Gelderland 26 Aggl. 's-Gravenhage 36 Zuidoost-Noord-Brabant
7 Noord-Drenthe 17 Utrecht 27 Delft en Westland 37 Noord-Limburg
8 Zuidoost-Drenthe 18 Kop van N-Holland 28 Oost-Zuid-Holland 38 Midden-Limburg
9 Zuidwest-Drenthe 19 Alkmaar en omgeving 29 Groot-Rijnmond 39 Zuid-Limburg
10 Noord-Overijssel 20 IJmond 30 Zuidoost-Zuid-Holland 40 Flevoland

Kaart COROP Kaart COROP Kaart COROP Kaart COROP- -- -gebieden gebieden gebieden gebieden

39
38
36
37
35
34 33
32
31
30
27
29
25
21
23
18
19
17
16
15
10
8
1
3
2
4
5 6 7
9
11
12
13
14
20
22
24
26
28
40
157
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Definities Definities Definities Definities

Allochtonen Allochtonen Allochtonen Allochtonen
Een persoon waarvan ten minste één van diens ouders in het buitenland is geboren (CBS).

A AA Antill ntill ntill ntillen en en en
In de tekst wordt dikwijls kortweg ‘Antillen’ gebruikt voor de Nederlandse Antillen en Aruba
tezamen. Met ‘Antillianen’ of mensen met Antilliaanse herkomst wordt dan ook bedoeld: mensen
met minstens één ouder uit de Nederlandse Antillen of Aruba.

Arbeidsparticipatie Arbeidsparticipatie Arbeidsparticipatie Arbeidsparticipatie
Deze kan bruto en netto worden weergegeven. De bruto arbeidsparticipatie is de werkloze en
werkzame beroepsbevolking als aandeel van de potentiële beroepsbevolking. De netto
arbeidsparticipatie is de werkzame beroepsbevolking als aandeel van de potentiële
beroepsbevolking. Als we in deze studie spreken van de arbeidsparticipatie, dan bedoelen we de
netto arbeidsparticipatie.

Asielzoeker Asielzoeker Asielzoeker Asielzoeker
Persoon die een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend (CBS). Asielzoekers komen
vaak nog niet voor in de statistieken als inwoner van Nederland omdat zij (nog) niet staan
ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie. In dat geval worden zij dus ook niet als
allochtoon beschouwd.

Autochtonen Autochtonen Autochtonen Autochtonen
Een persoon waarvan beide ouders in Nederland zijn geboren (CBS).

Beroepsbe Beroepsbe Beroepsbe Beroepsbevolking volking volking volking
Bevolking in de leeftijdsklasse van 15 tot 65 jaar die zich beschikbaar stelt op de arbeidsmarkt. Van
de beroepsbevolking worden personen die ten minste 12 uur per week werken tot de werkzame
beroepsbevolking gerekend en degenen die niet of minder dan 12 uur werken tot de werkloze
beroepsbevolking (CBS).

China China China China
In de tekst wordt ‘China’ gebruikt voor China inclusief Hong Kong.

Eerste generatie Eerste generatie Eerste generatie Eerste generatie allochtoon allochtoon allochtoon allochtoon
Persoon die in het buitenland is geboren met ten minste één in het buitenland geboren
ouder(CBS).

Gezinshereniging Gezinshereniging Gezinshereniging Gezinshereniging
De hereniging van gezinnen die al voor de migratie bestonden, waarbij één of meerdere personen
zich bij al langer in Nederland wonende gezinsleden voegen.

Gezinsvorming Gezinsvorming Gezinsvorming Gezinsvorming
Immigratie van allochtonen met het oog op een huwelijk of om te gaan samenwonen.

Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
Besteedbaar inkomen van een huishouden gecorrigeerd voor verschillen in grootte en
samenstelling van het huishouden. Het gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart
van een huishouden en wordt in deze studie ook wel met ‘koopkracht’ aangeduid.
158
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Definities Definities Definities Definities

Herkomstland Herkomstland Herkomstland Herkomstland
Land waar de moeder geboren is of, als de moeder in Nederland geboren is, het land waar de
vader is geboren.

Langdurig laag inkomen Langdurig laag inkomen Langdurig laag inkomen Langdurig laag inkomen
Tot de langdurige lage inkomens behoren huishoudens die minstens vier jaar achtereen van een
laag inkomen moesten rondkomen. Een inkomen is laag wanneer het omgerekend naar een
inkomen van een alleenstaande, een lagere koopkracht vertegenwoordigt dan een bedrag van
€7.260 in prijzen van 1990 (CBS).

Migrant Migrant Migrant Migrant
Iemand die de tot de Nederlandse Gemeente Basis Administratie toetreedt of deze verlaat (CBS).

Nederlander Nederlander Nederlander Nederlander
Iemand in het bezit van de Nederlandse nationaliteit (CBS). De overgrote meerderheid van de
allochtonen is Nederlander.

Niet Niet Niet Niet- -- -w ww westerse allochtonen esterse allochtonen esterse allochtonen esterse allochtonen
Allochtonen die hun herkomst hebben in een niet-westers land. Tot de niet-westerse landen
behoren Turkije, alle landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië, met uitzondering van Japan en
Indonesië (op basis van hun sociaal-maatschappelijke positie worden allochtonen uit die twee
landen tot de westerse landen gerekend) (CBS).

Ondernemers Ondernemers Ondernemers Ondernemers
Personen met een eigen onderneming. Doordat meerdere ondernemers één onderneming
kunnen oprichten, is het aantal ondernemers hoger dan het aantal ondernemingen.

Potentiële beroepsbevolking Potentiële beroepsbevolking Potentiële beroepsbevolking Potentiële beroepsbevolking
Bevolking in de leeftijdsklasse van 15 tot 65 jaar.

Segregatie Segregatie Segregatie Segregatie- -- -index index index index
De gebruikte formule voor de segregatie-index is: S = 0,5 * Σ | a
i
/ A — o
i
/ O | * 100
waarin a
i
en A het aantal niet-westerse allochtonen in buurt i, respectievelijk de hele gemeente
voorstellen en o
i
en O het aantal overige inwoners in de buurt i en de hele gemeente.

Sociaal minimum Sociaal minimum Sociaal minimum Sociaal minimum
Particuliere huishoudens met een inkomen rond of onder het wettelijk vastgestelde sociale
minimum (beleidsmatig minimum). Het sociale minimum is het wettelijke bestaansminimum zoals
dat in de politieke besluitvorming is vastgesteld (CBS).

Tweede generatie Tweede generatie Tweede generatie Tweede generatie
De tweede generatie allochtonen bestaat uit personen die in Nederland zijn geboren met ten
minste één in het buitenland geboren ouder. Wanneer beide ouders in het buitenland zijn
geboren, is het geboorteland van de moeder bepalend voor het herkomstland (CBS).

Westerse allochtonen Westerse allochtonen Westerse allochtonen Westerse allochtonen
Allochtoon met als herkomstgroepering een van de landen in de werelddelen Europa (excl.
Turkije), Noord-Amerika en Oceanië of Indonesië of Japan (CBS).
159
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Overzicht Overzicht Overzicht Overzicht stedelijkheid stedelijkheid stedelijkheid stedelijkheid

Zeer sterk stedelijke gemeenten Zeer sterk stedelijke gemeenten Zeer sterk stedelijke gemeenten Zeer sterk stedelijke gemeenten
Amsterdam Groningen Leidschendam-Voorburg Schiedam
Delft Haarlem Rijswijk Utrecht
Den Haag Leiden Rotterdam Vlaardingen

S SS Sterk stedelijke gemeenten terk stedelijke gemeenten terk stedelijke gemeenten terk stedelijke gemeenten
Alkmaar Bussum Heerlen Maastricht Velsen
Almere Capelle aan den IJssel Hellevoetsluis Middelburg Vlissingen
Alphen aan den Rijn Den Bosch Hengelo (O) Nieuwegein Voorschoten
Amersfoort Den Helder Hilversum Nijmegen Wageningen
Amstelveen Deventer Hoorn Oegstgeest Weesp
Apeldoorn Diemen Huizen Papendrecht Zaanstad
Arnhem Dordrecht IJsselstein Purmerend Zoetermeer
Barendrecht Eindhoven Katwijk Ridderkerk Zwijndrecht
Bergen op Zoom Enschede Krimpen aan den IJssel Sliedrecht Zwolle
Beverwijk Gorinchem Leeuwarden Spijkenisse
Breda Gouda Leiderdorp Tilburg
Brunssum Heemskerk Maassluis Veenendaal

Matig Matig Matig Matig stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten
Alblasserdam Enkhuizen Kerkrade Rheden Vught
Almelo Etten-Leur Landgraaf Roermond Waalwijk
Assen Geldrop-Mierlo Leerdam Roosendaal Waddinxveen
Baarn Goes Lelystad Rozenburg Wassenaar
Bergschenhoek Goirle Leusden Schagen Weert
Best Haarlemmermeer Lisse Schoonhoven Westervoort
Bloemendaal Harderwijk Maarssen Sittard-Geleen Westland
Bodegraven Heemstede Meppel Smallingerland Wijchen
Borne Heerenveen Midden-Delfland Sneek Wijk bij Duurstede
Boxtel Heerhugowaard Naarden Soest Winschoten
Castricum Heiloo Nieuwerkerk aan den IJssel Stede Broec Winterswijk
Culemborg Helmond Noordwijk Teylingen Woerden
De Bilt Hendrik-Ido-Ambacht Oldenzaal Tiel Wormerland
Doetinchem Hillegom Oosterhout Uden Zandvoort
Dongen Hoogeveen Oss Uithoorn Zeist
Duiven Hoogezand-Sappemeer Oud-Beijerland Valkenswaard Zevenaar
Edam-Volendam Houten Ouder-Amstel Veldhoven Zutphen
Ede Kampen Pijnacker-Nootdorp Venlo

Weinig Weinig Weinig Weinig stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten
Aalsmeer Beesel Boskoop Delfzijl Epe
Aalten Bennebroek Boxmeer Deurne Ermelo
Abcoude Bergen (NH) Breukelen Doesburg Franekeradeel
Albrandswaard Berkel en Rodenrijs Brielle Drimmelen Geertruidenberg
Alkemade Berkelland Brummen Dronten Geldermalsen
Appingedam Bernheze Bunnik Druten Gemert-Bakel
Asten Beuningen Bunschoten Echt-Susteren Gennep
Barneveld Bladel Cranendonck Eemnes Gilze en Rijen
Bedum Blaricum Cromstrijen Eijsden Grave
Beek Bleiswijk Cuijk Elburg Groenlo
Beemster Bolsward De Ronde Venen Emmen Groesbeek

160
Bijlagen Bijlagen Bijlagen Bijlagen
Overzicht Overzicht Overzicht Overzicht stedelijkeheid stedelijkeheid stedelijkeheid stedelijkeheid

Haaksbergen Leek Noordoostpolder Rucphen Vaals
Haarlemmerliede c.a. Lemsterland Noordwijkerhout Scherpenzeel Valkenburg aan de Geul
Halderberge Lingewaard Nuenen c.a. Schijndel Veendam
Hardinxveld-Giessendam Lochem Nunspeet 's-Gravendeel Veghel
Haren Loon op Zand Oirschot Simpelveld Venray
Harlingen Losser Oisterwijk Sint-Michielsgestel Vianen
Hattem Maasbree Oldebroek Sint-Oedenrode Voorst
Heerde Medemblik Oostzaan Skarsterlân Waalre
Heeze-Leende Meerssen Oude IJsselstreek Someren Waterland
Helden Middelharnis Ouderkerk Son en Breugel Werkendam
Hellendoorn Millingen aan de Rijn Oudewater Stadskanaal Weststellingwerf
Heumen Moerdijk Overbetuwe Steenbergen Westvoorne
Heusden Montferland Pekela Steenwijkerland Wierden
Hilvarenbeek Montfoort Putten Stein Wijdemeren
Hof van Twente Moordrecht Raalte Strijen Woensdrecht
Horst aan de Maas Nederlek Reeuwijk Swalmen Woudenberg
Kapelle Nederweert Renkum Terneuzen Zaltbommel
Laarbeek Nieuwkoop Rhenen Twenterand Zeewolde
Landsmeer Nieuw-Lekkerland Rijnwoude Uitgeest Zevenhuizen-Moerkapelle
Langedijk Nijkerk Rijssen-Holten Urk Zoeterwoude
Laren Noordenveld Rozendaal Utrechtse Heuvelrug Zwartewaterland

Niet Niet Niet Niet stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten stedelijke gemeenten
Aa en Hunze Dirksland Liemeer Obdam Texel
Aalburg Dongeradeel Liesveld Olst-Wijhe Tholen
Achtkarspelen Drechterland Lingewaal Ommen Thorn
Alphen-Chaam Eemsmond Lith Onderbanken Tubbergen
Ambt Montfort Eersel Littenseradiel Oostflakkee Tynaarlo
Ameland Ferwerderadiel Loenen Ooststellingwerf Tytsjerksteradiel
Andijk Gaasterlân-Sleat Lopik Opmeer Ubbergen
Anna Paulowna Giessenlanden Loppersum Opsterland Veere
Arcen en Velden Goedereede Maasbracht Reiderland Vlagtwedde
Baarle-Nassau Graafstroom Maasdonk Reimerswaal Vlieland
Bellingwedde Graft-De Rijp Maasdriel Renswoude Vlist
Bergambacht Grootegast Margraten Reusel-De Mierden Voerendaal
Bergeijk Gulpen-Wittem Marum Rijnwaarden Wervershoof
Bergen (L) Haaren Meerlo-Wanssum Roerdalen West Maas en Waal
Bernisse Haelen Meijel Roggel en Neer Wester-Koggenland
Binnenmaas Hardenberg Menaldumadeel Scheemda Westerveld
Boarnsterhim Harenkarspel Menterwolde Schermer Wieringen
Boekel Heel Midden-Drenthe Schiermonnikoog Wieringermeer
Borger-Odoorn het Bildt Mill en Sint Hubert Schinnen Winsum
Borsele Heythuysen Mook en Middelaar Schouwen-Duiveland Wognum
Bronckhorst Hulst Muiden Sevenum Woudrichem
Buren Hunsel Neder-Betuwe Sint Anthonis Wûnseradiel
Coevorden Jacobswoude Neerijnen Slochteren Wymbritseradiel
Dalfsen Kessel Niedorp Sluis Zederik
Dantumadeel Kollumerland c.a. Nijefurd Staphorst Zeevang
De Marne Korendijk Noord-Beveland Ten Boer Zijpe
De Wolden Landerd Noorder-Koggenland Ter Aar Zuidhorn
Dinkelland Leeuwarderadeel Nuth Terschelling Zundert

161
Bronvermelding Bronvermelding Bronvermelding Bronvermelding

• ABF Research (2006), Primos Prognoses, internetpagina: www.abfresearch.nl.
• CBS (2005), Concentratie allochtonen toegenomen, Bevolkingstrends 3
de
kwartaal 2005, p.90-
95.
• CBS (2005), Demografie van de allochtonen in Nederland, internetpagina: http://www.cbs.nl.
• CBS Statline (2006), internetpagina: http://statline.cbs.nl.
• CBS (2006), Werkloosheid niet-westerse allochtonen nauwelijks toegenomen, persbericht 13
februari 2006.
• EIM (2000), Monitor Etnisch Ondernemerschap 2000.
• EIM (2004), Monitor Etnisch Ondernemerschap 2004, internetpagina: www.eim.nl.
• IPP (2006), Helft meer allochtone raadsleden: onderzoeksrapport naar het aantal vrouwen en
allochtonen in 458 gemeenteraden na de verkiezingen van 7 maart 2006.
• Kamer van Koophandel (2006), Handelsregister.
• LBR (2005), Arbeidsmarktpositie etnische minderheden —factsheet, internetpagina:
www.lbr.nl.
• Nederlandse Politie (2005), Kerngegevens Nederlandse Politie (2004), internetpagina:
http://www.politie.nl.
• RPB & CBS (2005), Achtergronden en veronderstellingen bij het model PEARL, internetpagina:
http://www.rpb.nl.
• SCP (2005), Armoedemonitor 2005, SCP-publicatie nummer 16, 2005.
• Van der Laan Bouma-Doff, W. (2005), Soort zoekt soort, Rooilijn; Tijdschift voor wetenschap en
beleid in de ruimtelijke ordening, nummer 3, 2006.

162
Colofon Colofon Colofon Colofon


Deze publicatie is een uitgave van Kennis en
Economisch Onderzoek van Rabobank
Nederland.
De in deze publicatie gepresenteerde visie is
gebaseerd op gegevens uit door ons
betrouwbaar geachte bronnen die worden
genoemd in de bronvermelding. Deze
bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze
analyse verwerkt. Overname van de inhoud
met bronvermelding is toegestaan. Kennis en
Economisch Onderzoek aanvaardt echter geen
enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de
in deze publicatie neergelegde gegevens of
prognoses onjuistheden bevatten.

Het regionaal-economisch onderzoeksteam
van Kennis en Economisch Onderzoek van
Rabobank Nederland is gespecialiseerd in
onderzoek en advisering op regionaal sociaal-
economisch gebied en thema’s die een
duidelijke ruimtelijke dimensie hebben. Het
onderzoek wordt uitgevoerd op grond van
een gedegen kennis van de bancaire
omgeving en met een hoge mate van
gespecialiseerde kennis en ervaring op het
gebied van de regionale economie.
Het begrip ‘regio’ is niet vast gedefinieerd,
maar kan naar wens van de opdrachtgever
nader worden bepaald. De kleinste
geografische eenheid die wordt gehanteerd is
de gemeente, van waaruit desgewenst ieder
onderzoeksgebied kan worden opgebouwd.

Het team voert onderzoek uit in opdracht van
(groepen) Rabobanken, eventueel in
combinatie met derden, zoals gemeenten,
Kamers van Koophandel, regionale
organisaties et cetera. Onderzoek alleen voor
‘derden’ (dus niet behorend tot de Rabobank
Groep) is eveneens mogelijk na ruggespraak
met de betrokken Rabobank(en) in het
onderzoeksgebied. Onderzoeksopdrachten
worden steeds bevestigd met een
gedetailleerde offerte, waarin ook een
tijdsplanning is opgenomen. Aan
opdrachtgevers wordt een marktconform
uurtarief in rekening gebracht, waarbij
opdrachtgevers binnen de Rabobank Groep
geen BTW verschuldigd zijn.

Voor informatie kunt u bellen met het
secretariaat van Kennis en Economisch
Onderzoek, telefoonnummer 030-2162658.
U kunt ons ook bereiken op het volgende
e-mailadres: h.m.c.j.draaijers@rn.rabobank.nl.


Projectleiding:
Drs. R. Aalders
Samenstelling:
Drs. C.E. Asselbergs, drs. A.J.A. Bakkeren, drs.
G.J. Bal, drs. F.J. Oevering en drs. T.H. Twigt
Eindredactie: H.T. Versteegh