INHOUDSOPGAVE

1. SAMENVATTING 1

2. INLEIDING 4
2.1. Aanleiding 4
2.2. Onderzoeksopzet 5
2.3. Weergave uitkomsten 5
2.4. Trends 6

3. INTRAREGIONALE PENDEL 8
3.1. Werken binnen en buiten de eigen woongemeente 8
3.2. Intensieve interne pendelrelaties 8

4. INTERREGIONALE PENDEL 11
4.1. Pendelsaldi met Randstad 11
4.2. Lange afstandspendel en modal split 11

5. WERKGELEGENHEIDSFUNCTIE GROTERE GEMEENTEN 13
5.1. Pendelstromen naar enkele gemeenten 14
5.2. Grote relatieve afhankelijkheid van kleinere gemeenten 15
5.3. Werkgelegenheidsfunctie gemeenten 15

6. PENDEL NAAR OPLEIDING EN GESLACHT 17
6.1. Aandeel opleidingsniveau 17
6.2. Saldi uitgaande en inkomende pendel naar opleiding 18
6.3. Breda meer geschoold 19
6.4. Pendel naar geslacht 20

7. PENDELONTWIKKELINGEN IN DE TIJD 21
7.1. Meer pendel 21
7.2. Meer vrouwen 21
7.3. Verdere terreinwinst voor de auto 21


BIJLAGEN
Begrippenlijst
Onderzoeksachtergrond, opzet en beperkingen
Woon-werk matrix West-Brabant
Aandelen werk in eigen gemeente, regiogemeente, buiten de regio




2

1. SAMENVATTING

Fors uitgaand pendelsaldo
Vanuit West-Brabant gaan ruim 65.000 personen werken in een andere regio. Omgekeerd
komen bij benadering circa 45.000 personen van elders naar de regio toe om te werken. Er
gaan derhalve per saldo zo´n 20.000 personen meer uit de regio dan er in komen.

Drie op de vier mensen werken in de eigen regio
De totale werkende beroepsbevolking die woont in West-Brabant bedraagt ruim 283.000
personen (gemiddeld in de jaren 1998, 1999 en 2000). Van hen werkt 48% binnen de eigen
woongemeente en 28% gaat voor het werk naar een andere gemeente in de regio. De rest,
bijna een kwart van de werkende beroepsbevolking reist naar een plaats buiten West-Brabant
om te werken.

Werken in de eigen gemeente
In gemeenten met werkgelegenheidsfunctie werken (veel) meer personen in de eigen
woongemeente dan in gemeenten met weinig werk. Bij de laatste groep zien we vooral
randgemeenten van steden en landelijke gemeenten zonder een uitgesproken
werkgelegenheidsfunctie (bijvoorbeeld Drimmelen en gemeenten in het Land van Heusden en
Altena); in deze gemeenten werkt als regel minder dan 40% in de eigen gemeente. Bij de
hoogste scores treffen we de steden Breda en Bergen op Zoom, op enige afstand gevolgd door
Roosendaal (respectievelijk ruim 60% en 55% werkend in de eigen gemeente).

Elders in de regio werken
De hoogste scores worden gehaald door de gemeenten die centraal in het gebied liggen, tussen
grotere werkgelegenheidscentra zoals Rucphen, Halderberge en Drimmelen, van waaruit ruim
de helft gaat werken in een andere regiogemeente.

Buiten de regio werken
Hierbij zien we hoge scores voor de drie gemeenten in het Land van Heusden en Altena, waar
ongeveer 40 à 50% buiten West-Brabant werkt. Voor de drie gemeenten Rucphen, Halderberge
en Drimmelen blijkt dat 40 à 50% van de werkende beroepsbevolking buiten de regio van SES
werkt. Voor gemeenten aan de `zuidkant´ van de regio blijkt dat slechts 20% van de werkende
beroepsbevolking buiten de regio werkt. Dit kan verklaard worden door de landsgrens waardor
deze gemeenten voor werk voor meer dan 80% afhankelijk zijn van de eigen regio.

Fervente autogebruikers
De inwoners van West-Brabant nemen nog vaker dan gemiddeld de auto om op het werk te
komen: 64% tegen 55% in Nederland als geheel. Van het openbaar vervoer wordt daarentegen
nog altijd maar spaarzaam gebruikgemaakt: 4% voor West-Brabant, 5% voor heel Brabant en
9% voor Nederland als geheel.
De grote scheidslijn tussen het wel of niet met de auto met de auto naar het werk gaan ligt bij
het al dan niet binnen de gemeente kunnen blijven voor het werk. Binnengemeentelijk is de
fiets haast even belangrijk als de auto om op het werk te komen (resp. 38% en 42%). Buiten
de eigen gemeente werken betekent in meer dan vier op de vijf gevallen met de auto naar het
werk gaan.
Ook om naar het werk te gaan in een nabijgelegen gemeente, wordt massaal gebruikgemaakt
van de auto: nog maar 10% neemt daarvoor de fiets. Het openbaar vervoer is wel van grotere
betekenis in het lange afstandsverkeer.





3
Pendelsaldi met de Randstad zwaar negatief, voor de rest wel evenwicht
West-Brabant kent een intensief pendelverkeer met de Randstad. Maar voor elk van de
onderscheiden drie Randstad onderdelen geldt dat het pendelsaldo, bezien vanuit West-
Brabant, fors negatief uitvalt. De conclusie dringt zich op dat men vaker West-Brabant kiest of
aanhoudt om te wonen en de Randstad om te werken.

Erg opvallend is de verhouding tussen uitgaande en inkomende pendelstromen tussen West-
Brabant en de regio Dordrecht-Gorinchem. Tegenover circa 9.000 uitgaande pendelaars staat
een inkomende stroom van nog geen 3.000. Vooral vanuit de gemeenten in het Land van
Heusden en Altena gaan veel mensen werken in deze Zuid-Hollandse regio, weinig mensen
gaan in omgekeerde richting.
Voor de regio´s buiten de Randstad, inclusief het nabije Midden-Brabant en Zeeland, waarmee
ook intensieve pendelrelaties worden onderhouden, is overwegend sprake van bescheiden
inkomende pendelsaldi.

Langere afstanden veel vaker per trein
Het openbaar vervoer eist een duidelijker plaats op naarmate de reisafstand naar het werk
toeneemt. Dat gaat in het bijzonder op voor de afwikkeling van de stromen tussen plaatsen op
de hoofdassen van het openbaar vervoer. Zo gaat vanuit Breda bijna 40% van degenen die in
Dordrecht, Rotterdam en Den Haag werken met het openbaar vervoer; voor de stroom van
Breda naar Den Haag is dat zelfs ruim 50%.
In omgekeerde richting komen vanuit de Randstad veel minder mensen naar West-Brabant. Zij
maken daarbij minder gebruik van het OV en meer van de auto. Dat komt wellicht ook omdat
hun patroon van spreiding over de regio meer diffuus is.

Breda als werkgelegenheidsverschaffer voor de regio
Bij vergelijking van de woongemeenten van de werkenden in de zes werkgelegenheids-
gemeenten binnen West-Brabant, valt op dat eigenlijk alleen de gemeente Breda veel
werkgelegenheid biedt voor mensen uit een ruime omgeving.
Rondom Breda treffen we elf gemeenten aan van waaruit meer dan 1.000 personen in Breda
gaan werken, met uitschieters naar boven van 3.000 à 4.000 inkomende pendelaars vanuit de
gemeenten Drimmelen, Oosterhout en Etten-Leur.
Voor de vijf andere werkgelegenheidsgemeenten varieert het aantal omliggende gemeenten
met een pendelstroom van ten minste 1.000 personen naar die centrumgemeenten van twee
(Moerdijk) tot vier (Roosendaal en Etten-Leur).
Van een wezenlijke afhankelijkheid van een grotere werkgelegenheidsgemeente is zonder meer
te spreken indien daar meer dan 15% van de werkende beroepsbevolking uit een gemeente
heen gaat. Breda heeft zes gemeenten in zijn nabijheid van waaruit ten minste 15% in deze
stad gaat werken, waarvan drie meer dan 20% halen (Drimmelen, Etten-Leur en Zundert).
Woon-werkrelaties van een vergelijkbare intensiteit (>15%) zien we verder alleen incidenteel
en wel bij Halderberge (richting Roosendaal) en bij Woensdrecht en Tholen (richting Bergen op
Zoom). Ook zo uitgedrukt is de werkgelegenheidsimpact van Breda op de
omgevingsgemeenten aanmerkelijk groter dan van alle andere werkgelegenheidsgemeenten.

Opleidingsniveau 'gemiddeld'
De verschillen in opleidingsniveau van de werkende beroepsbevolking tussen West-Brabant,
Noord-Brabant en Nederland zijn op het eerste gezicht niet opvallend. De groep met een Mbo-
opleidingsniveau is met ruim 35% in alle gevallen het grootst, op vrij korte afstand gevolgd
door de groep met VMBO (rond de 30%). Bij nadere beschouwing zien we in West-Brabant
minder hoogopgeleiden en een sterkere vertegenwoordiging van lager opgeleiden, zowel in
vergelijking met de hele provincie Noord-Brabant als met het landelijke beeld.




4

Pendel en opleidingsniveau
De pendelafstand wordt mede benvloed door de nabijheid van werkgelegenheidscentra en door
het opleidingsniveau. Opvallend is dat West-Brabant, ondanks een geringer aandeel hoger
opgeleiden, juist met deze categorie een donorfunctie vervult voor zijn omgeving:per saldo
9.000 meer uitgaande dan inkomende pendelaars op dit opleidingsniveau. Zelfs de gemeente
Breda heeft een hoog uitgaand pendelsaldo van hoger opgeleiden. Dit is eerder toe te schrijven
aan het grote aantal hoog opgeleiden dat hier woont dan aan het feit dat er in Breda minder
banen zijn voor hoog opgeleiden.
Bezien we de pendelstromen per opleidingsniveau dan blijkt dat van degenen met alleen
basisopleiding bijna drie op elke vijf personen in de eigen gemeente werken. Bij de categorie
met het hoogste opleidingsniveau is deze verhouding minder dan twee op vijf.
Tot en met het Mbo-niveau gaat men vaker buiten de woongemeente, elders in West-Brabant
werken. Personen met de hoogste opleidingsniveaus gaan naar verhouding vaker juist buiten
West-Brabant werken: ruim een derde, tegenover niet meer dan een vijfde bij alle andere
opleidingsniveaus.

Vrouwen pendelen veel minder dan mannen
Vrouwen werken vaker in de eigen woongemeente dan mannen (58% versus 40%) en veel
minder vaak buiten de regio (14% versus 29%). Dat geldt zeker voor de categorie met een
kortere werkweek (waarbinnen zich meer vrouwen bevinden). Maar ook in de categorie
vrouwen met een werkweek van ten minste dertig uur werken relatief veel minder vrouwen dan
mannen buiten West-Brabant (19% versus 31%). Dit duidt erop dat het geslacht voor een flink
deel medebepalend is voor de pendelafstand. Deze conclusie krijgt extra reliëf in het licht van
de toekomstige toename van het arbeidsaanbod, die overwegend uit vrouwen zal bestaan.
Ervan uitgaan dat die ook massaal buiten de eigen regio aan de slag zullen gaan, zou een
afwijking van het nu gangbare patroon inhouden. Anders gezegd, gegeven de feitelijke
verhoudingen en verwachte ontwikkelingen, zal de werkgelegenheid-dichtbij-huis een extra
`push´ moeten krijgen.

Minder werken in de eigen gemeente
In de jaren 1998, 1999 en 2000 zien we licht afnemende aantallen werkenden in de eigen
woongemeente. Deze tendens zien we ook landelijk, maar minder manifest. Het percentage
van de beroepsbevolking dat werk vindt in de eigen woongemeente daalt voor heel West-
Brabant van ruim de helft naar iets meer dan 45 tussen 1998 en 2000 (landelijk van 49% naar
48%).
Men gaat (of moet) dus verder van huis om op het werk te komen. De grootste groei doet zich
voor bij de groep die werk vindt buiten West-Brabant.

Aandeel van de auto in de pendel
In de periode 1998-2000 is het aandeel van de auto in het woon-werkverkeer verder
toegenomen: van bijna 62% naar ruim 65%. Het toegenomen autogebruik zien we vooral
optreden bij mannen: het aandeel mannen dat de auto neemt stijgt van ruim 65% naar boven
de 70%. Daarmee scoort West-Brabant hoog in vergelijking met de landelijke verhoudingen
(auto aandeel voor mannen van 58% naar ruim 60%) en ook met die voor de hele provincie
Noord-Brabant (van 63 naar 65% in dezelfde jaren).






5
2. INLEIDING


2.1 Aanleiding

De actieradius van personen, maar ook van bedrijven is de afgelopen decennia steeds groter
geworden. Groeiende markten en toegenomen mogelijkheden voor mobiliteit genereren
intensievere stromen van personen en goederen over grotere afstanden. Daarbij is de ligging
van de regio in alle opzichten van belang voor het woon-werkverkeer en de goederenstromen.
In het bijzonder geldt dat voor West-Brabant, gelegen in het krachtenveld tussen de grote
mainports Rotterdam en Antwerpen en het belangrijke achterland in Noordwest-Europa. Een
aantal ontwikkelingen kent een eigen economische dynamiek. Daarom is het voor de regio van
belang voor het regionale arbeidsmarkt- en vestigingsbeleid meer inzicht te krijgen in de
omvang, richting en samenstelling van de woon-werkstromen.

Dit inzicht kan verkregen worden met antwoorden op vragen als: Hoe verhouden inkomende en
uitgaande pendelstromen tussen de regio en omliggende gebieden zich ten opzichte van
elkaar? Wat voor typen werknemers zijn daarbij betrokken naar opleidingsniveau? Tot hoe ver
reikt de invloed van de werkgelegenheidscentra in het gebied en daarbuiten?
Hiermee is ook iets te zeggen over de relatieve positie/aantrekkingskracht van de regio in
vergelijking met de directe omgeving. Verder zou een beter inzicht in de woon-werkstromen
bijvoorbeeld kunnen helpen bij het nemen van maatregelen om de regio en in het bijzonder de
economische centra in de regio ook in de toekomst bereikbaar te houden.


2.2 Onderzoeksopzet

De basisinformatie over pendelstromen met voldoende detaillering en actualiteit ligt niet voor
het oprapen. ETIN Adviseurs heeft daarom eerder dit jaar in opdracht van de provincie Noord-
Brabant gezocht naar wegen om de gemeentelijke en regionale pendelbewegingen in een
nieuwe pendelmatrix onder te brengen. Hiervoor is aangehaakt bij de meest uitgebreide
bestaande jaarlijkse enquête op dit punt, het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG),
uitgevoerd door het CBS. Door (een deel van) de basisinformatie uit het OVG te koppelen aan
uitkomsten van andere bestanden (EBB, Scarb en Vestigingenregister/LISA) heeft ETIN
Adviseurs een nieuwe pendelmatrix geconstrueerd voor Noord-Brabant. Daarover is in 2002
gepubliceerd.
1


Het reeds verzamelde materiaal voor de provinciale matrix kan met enkele bewerkingen ook
geschikt worden gemaakt voor een analyse van de West-Brabantse pendelstromen.

Met de uitkomsten van een dergelijke analyse is een basis voorhanden om de actuele
inkomende en uitgaande pendelstromen voor West-Brabant beter dan nu te kunnen beoordelen
en ook te volgen in de tijd. Voor een beschrijving van de methodiek die voor dit onderzoek is
gebruikt, zie bijlage 1.


1
Zie: Pendel in Brabant: ‘Waar gaat dat heen?’, ETIN Adviseurs, april 2002




6

2.3 Weergave uitkomsten

De belangrijkste onderwerpen die in dit rapport aan de orde komen zijn de volgende:
- Intraregionale pendel: de pendelstromen tussen de achttien gemeenten van SES West-
Brabant.
- Interregionale pendel: de pendelstromen vanuit de achttien gemeenten van SES West-
Brabant naar elders en vice versa.
- Werkgelegenheidsfunctie zes grotere gemeenten: de oriëntatie van `woongemeenten´ op
de verschillende `werkgemeenten´ in West-Brabant.
- Pendel naar opleiding en geslacht: de samenstelling van de pendelstromen naar
enkele sociaal-economische kenmerken zoals opleidingsniveau en geslacht.
- Pendelontwikkelingen: nagaan en zo mogelijk presenteren van pendelbewegingen op
hoofdlijnen binnen, naar en uit West-Brabant in de tijd (1998, 1999 en 2000)





7

2.4 Trends

Ter afsluiting van deze inleidende paragraaf geven wij enkele samenvattende tabellen en
grafieken. Zij geven een eerste richtinggevoel omtrent de aantallen personen betrokken bij het
woon-werkverkeer in West-Brabant. Zo zal het volume van de werkende beroepsbevolking in
West-Brabant worden afgezet tegen de aantallen werkenden in het gebied. Alle te presenteren
gegevens hebben betrekking op de te berekenen 3-jaarsgemiddelden voor de jaren 1998, 1999
en 2000. Diverse van deze uitkomsten zullen terugkomen bij de verdere uitsplitsing in latere
onderdelen en daarbij een herkenbaar baken vormen.

Figuur 2.1 Woon-werkverkeer binnen, uit en naar West-Brabant




Totaal verplaatsingen, relatie werkende beroepsbevolking en
werkgelegenheidscijfers
Uit de cijferopstelling komt naar voren dat de werkende beroepsbevolking in de achttien
gemeenten van West-Brabant gemiddeld 283.600 personen omvat.
Verder blijkt dat per saldo ruim 21.000 personen meer buiten West-Brabant werken dan er
naartoe komen voor hun werk. Zo bezien heeft de regio een omvangrijk `tekort´ aan
werkgelegenheid voor de eigen beroepsbevolking (ter grootte van 7,5% van de werkende
beroepsbevolking). Positiever geformuleerd zou men ook kunnen stellen dat West-Brabant een
aanzienlijke donorfunctie heeft voor de werkgelegenheid in bepaalde aangrenzende regio´s, met
name voor de Randstad.

Of het beeld ook zo negatief uitvalt wanneer men de werkende beroepsbevolking afzet tegen de
werkgelegenheid geboden door werkgevers die in West-Brabant zijn gevestigd, is niet
waarschijnlijk.




8
Maar door de verschillende wijzen van registreren, is dat niet scherp vast te stellen. Bij de
werkgelegenheid, waarbij alle banen - ook die van minder dan twaalf uur per week - worden
geteld, komt als gemiddelde voor 1998, 1999 en 2000 een getal naar voren van 288.000 banen
in West-Brabant.
2
Dit getal ligt ongeveer 4500 hoger dan de werkende beroepsbevolking in
West-Brabant.

Na correctie voor een zelfde uurcriterium als gebruikt voor de pendelcijfers, zou het
werkgelegenheidscijfer echter weer royaal beneden de werkende beroepsbevolking uitkomen,
wellicht iets hoger dan uit de pendelmatrix naar voren komt (globale schatting ca. 270.000).
Ook zo bezien is het reëel uit te gaan van een negatief pendelsaldo voor de West-Brabant van
globaal 10.000 à 15.000 personen.

Voor een flink deel is het negatieve pendelsaldo blijkens de detailcijfers per gemeente toe te
schrijven aan de uitkomsten voor de drie gemeenten in het Land van Altena: van daaruit gaan -
afgerond - 8.000 personen meer naar elders voor hun werk dan er naar het gebied toe komen.
Gezien de ligging is het logisch dat de zuidvleugel van de Randstad frequent genoemd wordt als
werkgebied.



2: Bron: Vestigingenregister Noord-Brabant, diverse jaargangen




9
3. INTRAREGIONALE PENDEL

Zoals verwacht vindt het grootste deel van het woon-werkverkeer plaats binnen de eigen regio.


3.1 Werken binnen en buiten de eigen woongemeente

Ruim 48% van de werkende beroepsbevolking (inclusief thuiswerkers) blijft in West-Brabant
binnen de woongemeente voor het uitoefenen van zijn werk en iets meer dan de helft gaat naar
een andere gemeente. In 28% van alle gevallen is die werkgemeente een andere gemeente in
West-Brabant, ruim 23% van het totaal gaat naar voor het werk naar een plaats buiten West-
Brabant. Meer dan driekwart van al het woon-werkverkeer speelt zich af binnen de regio met
een accent op het werk binnen de eigen woongemeente. Het percentage werkenden in de eigen
gemeente ligt voor West-Brabant met 48% praktisch even hoog als gemiddeld in Brabant en
Nederland (49%).


3.2 Intensieve interne pendelrelaties

Ook na de grootschalige gemeentelijke herindelingen van 1997, is er intensief verkeer van
pendelaars tussen de gemeenten van West-Brabant: 80.000 personen gaan voor hun werk naar
een andere gemeente binnen in de regio. Het feit dat ruim een kwart van de beroepsbevolking
werkt in een andere gemeente van de regio geeft aan dat er een stevige sociaal-economische
cohesie bestaat tussen de regiogemeenten. Mogelijk wordt die binding versterkt door het feit
dar er in Zeeland relatief weinig grote werkgelegenheidscentra zijn en door de barrièrewerking
van institutionele belemmeringen met België.


Figuur 3.1 Verdeling binnen en buiten de woongemeente werkenden

Thuiswerkend
(16700)
Binnen de eigen
woongemeente
werkend.
(137000)
Elders binnen
woongemeente
werkend.
(120300)
Elders buiten
woongemeente
werkend, binnen
SES gebied.
(80100)




10
Woon-werkverkeer naar vervoerwijze: de 'modal split'
West-Brabanders zijn fervente autogebruikers in het woon-werkverkeer. In vergelijking met de
rest van Brabant en zeker in vergelijking met Nederland, nemen de inwoners van West-Brabant
vaker de auto: 64% tegen 55% in Nederland als geheel. Van het openbaar vervoer wordt
daarentegen maar spaarzaam gebruikgemaakt: 4% voor West-Brabant, 5% voor heel Brabant
en 9% voor Nederland als geheel.

Figuur 3.3 Modal split woon-werkverkeer, totalen SES, Noord-Brabant en Nederland

De keuze tussen het wel of niet met de auto naar het werk gaan ligt bij het al dan niet binnen
de gemeente kunnen blijven voor het werk. Binnengemeentelijk is de fiets haast even
belangrijk als de auto om op het werk te komen (resp. 38% en 42%). Het valt verder op dat
degenen die binnen de eigen gemeente blijven nauwelijks van het openbaar vervoer gebruik
maken om op het werk te komen (1%).


Figuur 3.4 Modal split naar werkenden in eigen gemeente, elders in en buiten West-
Brabant



















42
1
38
19
86
4
8
3
84
10
3
3
0%
20%
40%
60%
80%
100%
eigen gemeente elders in de regio buiten de regio
auto OV fiets/bromfiets lopen/anders
0 10 20 30 40 50 60 70
(Brom)fiets
Auto
Lopen/anders
nvt (Thuiswerkend)
OV
SES gebied Noord-Brabant Nederland




11
Indien men buiten de woongemeente werkt, neemt de rol van het langzaam verkeer sterk af,
vooral ten faveure van de auto: meer dan 4 van de 5 personen maken dan gebruik van de auto
om op het werk te komen. Het blijkt dat men ook om naar het werk te gaan in een
nabijgelegen gemeente, gebruikmaakt van de auto. Naar Breda komt vanuit de vijf meest op
Breda betrokken randgemeenten vier vijfde deel met de auto en ruim 10% met de fiets. Het
openbaar vervoer speelt wel een rol, maar van betekenis is dat alleen vanuit Oosterhout en
Etten-Leur, oftewel de grotere gemeenten met ov-aansluitingen (circa 10%).





12
4 INTERREGIONALE PENDEL


Bijna een kwart van de totale werkende beroepsbevolking van 325.000 personen gaat voor het
werk naar een andere regio. In vergelijking met andere regio´s is dat een hoge uitkomst: voor
de 10 grootste Corop regio´s in Nederland (met elk een werkende beroepsbevolking van meer
dan 250.000) ligt het percentage dat buiten het eigen gebied gaat werken op 20%.
In totaal hebben zo´n 65.000 personen hun werk buiten West-Brabant. Omgekeerd komen er
veel minder personen naar West-Brabant om te werken: ruim 45.000 in totaal. West-Brabant
kent dus een negatief pendelsaldo van 21.000 personen.


4.1 Pendelsaldi met Randstad

Tussen West-Brabant en de Randstad bestaat intensief pendelverkeer. Voor drie Randstad
`onderdelen´ geldt dat het pendelsaldo negatief uitvalt. Opvallend is de omvang van de
uitgaande pendel en de mate van onbalans voor het kleinste onderscheiden gebied van deze
drie, de regio Dordrecht-Gorinchem. Tegenover circa 9.000 uitgaande pendelaars staat een
inkomende stroom van nog geen 3.000. Vooral vanuit de gemeenten uit het Land van Heusden
en Altena gaan veel mensen werken in deze Zuid-Hollandse regio, weinig mensen gaan in
omgekeerde richting. Voor de regio´s buiten de Randstad, inclusief het nabije Midden-Brabant
en Zeeland, waarmee ook intensieve pendelrelaties worden onderhouden, is overwegend
sprake van bescheiden inkomende pendelsaldi.

Figuur 4.1 Pendel van en naar West-Brabant in personen, 1998-2000


4.2 Lange afstandspendel en modal split

Het woon-werkverkeer met plaatsen buiten de eigen regio zal veelal lange(re) afstandspendel
betreffen dan verkeer binnen de regio. Een voorbeeld van dergelijke, redelijk intensieve
stromen is te zien tussen de gemeenten Oosterhout en Dongen, resp. in en juist buiten West-
Brabant gelegen. Logisch dat daartussen ook een intensief woon-werkverkeer plaatsvindt en
ook dat voor meer dan een derde deel als langzaam verkeer wordt afgewikkeld.


-

-

-

-

-

0 5000 1000

1500

Saldo totaal NL
Overig NL
ZW Gelderland
Rest Randstad
Rijnmond
Dordrecht e.o
Zeeland
Midden-Brabant
Inkomende
pendel
Uitgaande
pendel
Pendelsaldo




13
Tabel 4.1: Modal split uitgaand en inkomend pendelverkeer
(van SES naar elders en van elders naar SES)

Modal split Uitgaand (in %) Inkomend (in %)

Auto 83,8 87,9
OV 10,2 7,1
Fiets 3,3 3,3
Lopen/anders 2,8 1,7

Totaal in % 100,0 100,0
abs. 66.660 42.330

We zien verder dat het openbaar vervoer een duidelijker plaats gaat innemen naarmate de
afstand toeneemt: de stromen vanuit West-Brabant worden weliswaar sterk gedomineerd door
het autoverkeer, maar toch blijkt ruim 10% te kiezen voor het openbaar vervoer. Dat gaat dan
wel voornamelijk op voor de afwikkeling van de stromen tussen plaatsen op de hoofdassen van
het openbaar vervoer: zo gaat vanuit Breda bijna 40% van degenen die naar Dordrecht,
Rotterdam en Den Haag gaan voor hun werk met het openbaar vervoer; voor de stroom van
Breda naar Den Haag is dat zelfs ruim 50%. Vanuit alle andere gemeenten van West-Brabant
gaat niet meer dan 1/4 deel met het OV naar Den Haag. Voor de gemeenten zonder directe
spoorwegverbinding is dat zelfs maar 12%.
De inkomende pendel maakt meer gebruik van de auto en minder van het OV. Het patroon van
werken over de regio is bij de inkomende pendelstroom ook meer diffuus. En samen met een
wat geringere congestie op de inkomende wegen is dat wellicht ook nog vaker reden om de
auto te gebruiken als vervoermiddel. Een andere voorzichtige conclusie zou kunnen zijn dat
men vaker West-Brabant kiest of aanhoudt als regio om te wonen maar wel in de Randstad
blijft werken dan omgekeerd het geval is.
Ten slotte blijkt dat het openbaar vervoer wel van grotere betekenis is in het lange
afstandsverkeer: van degenen die buiten de regio gaan werken maakt 10% daarvan gebruik,
tegen ruim 2% van al degenen die voor het werk binnen de regio blijven.





14
5 WERKGELEGENHEIDSFUNCTIE GROTERE GEMEENTEN

Er bestaan grote verschillen tussen werkenden in de eigen gemeente en daarbuiten. In
gemeenten met een werkgelegenheidsfunctie blijven (veel) meer personen in de eigen
woongemeente voor hun werk dan in gemeenten met weinig werkgelegenheid. Bij de laatste
groep zien we randgemeenten van steden en landelijke gemeenten zonder een uitgesproken
werkgelegenheidsfunctie (bijvoorbeeld Drimmelen en gemeenten in het Land van Heusden en
Altena). Bij de hoogste scores treffen we de steden Breda, Bergen op Zoom op enige afstand
gevolgd door Roosendaal. Als gevolg van de bijzondere land- en tuinbouwfunctie scoort ook
Zundert op dit item hoog.

Figuur 5.1 Verdeling binnen de gemeente, elders in de regio en buiten de regio
werkenden, per gemeente

De mate waarin men elders in de regio werkt heeft behalve met de omvang van de
werkgelegenheid in de gemeente ook te maken met de ligging in het gebied. De hoogste scores
worden gehaald door de gemeenten die centraal in het gebied liggen, tussen grotere
werkgelegenheidscentra zoals Rucphen, Halderberge en Drimmelen, van waaruit ruim de helft
gaat werken in een andere regiogemeente.
Evenzo is het te verklaren dat vanuit gemeenten aan de rand van de regio vaker werk wordt
gevonden buiten de regio; in het bijzonder geldt dit voor de drie gemeenten in het Land van
Heusden en Altena. Opvallend zijn de lage scores werkenden buiten de regio voor de
gemeenten aan de zuidrand van doorgaans ruim beneden de 20%. Dit duidt eens te meer op
de barrièrewerking van de landsgrens en omgekeerd op het feit dat dergelijke gemeenten voor
meer dan 80% afhankelijk zijn van de eigen regio voor werk.






15
Er bestaan grote verschillen in de mate waarin personen in de eigen woongemeente (kunnen)
werken. Hoe meer werkgelegenheid, hoe groter de kans dat men niet naar elders gaat/hoeft
voor werk. In de praktijk betekent dit dat gemeenten met een werkgelegenheidsfunctie relatief
veel mensen uit de directe omgeving aantrekken. Binnen West-Brabant biedt eigenlijk alleen de
gemeente Breda veel werkgelegenheid voor de omgeving. Dat blijkt uit de kaartbeelden waarin
is aangegeven hoe sterk de absolute en relatieve binding aan elk van de zes grote
werkgelegenheidsgemeenten in West-Brabant is, bezien vanuit de omgevingsgemeenten.


5.1 Pendelstromen naar enkele steden

Bij meer dan 1.000 personen die naar een werkgelegenheidsgemeente gaan, is er sprake van
een intensieve pendelstroom. Bij Breda treffen we 11 gemeenten aan die een dergelijk aantal
halen, met uitschieters naar boven van zo´n 3.000 à 4.000 inkomende pendelaars vanuit de
gemeenten Drimmelen, Oosterhout en Etten-Leur. Op de vierde plaats treffen we Tilburg van
waaruit ruim 2.000 personen in Breda komen werken (omgekeerd gaan er vanuit Breda ook
bijna 2.000 naar Tilburg toe om daar te werken). Voor de vijf andere
werkgelegenheidsgemeenten varieert het aantal omliggende gemeenten met een pendelstroom
naar die centrumgemeenten van ten minste 1.000 personen van twee (Moerdijk) tot vier
(Roosendaal en Etten-Leur).


Bergen op Zoom Roosendaal





 



 

Breda
Tholen
Moerdijk
Zundert
Steenbergen
Roosendaal
Reimerswaal
Rucphen
Woensdrecht
Halderberge
Etten-Leur
Kapelle
Bergen op Zoom
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00














Breda
Tholen
Moerdijk
Zundert
Steenbergen
Roosendaal
Drimmel en
Rucphen
Woensdrecht
Oosterhout
Halderberge
Etten-Leur
Bergen op Zoom
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00


Moerdijk Etten-Leur
















Breda
Moerdijk
Steenbergen
Werkendam
Dordrecht
Roosendaal
Strijen
Drimmelen
Rucphen
Oosterhout
Halderberge
Etten-Leur
Cromstrijen
Bergen op Zoom
Geertruidenberg
Drimmelen
's-Gravendeel
Zwijndrecht
Drimmelen
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00



















Breda
Moerdijk
Tilburg
Zundert
Steenbergen
Roosendaal
Drimmelen
Rucphen
Woensdrecht
Goirle
Oosterhout
Alphen-Chaam
Halderberge
Etten-Leur
Baarle-Nassau
Gilze en Rijen
Bergen op Zoom
Dongen
Geertruidenberg
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00








16
Breda Oosterhout









 
















Breda
Moerdijk
Tilburg
Zundert
Steenbergen
Werkendam
Roosendaal
Waalwijk
Drimmelen
Rucphen
Woensdrecht
Aalburg
Goirle
Oisterwijk
Oosterhout
Al phen-Chaam
Hal derberge
Etten-Leur
Baarle-Nassau
Gilze en Rijen
Bergen op Zoom
Woudrichem
Dongen
Loon op Zand
Geertruidenberg
Drimmelen
Drimmelen
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00













Breda
Moerdijk
Tilburg
Werkendam
Waalwijk
Drimmelen
Aalburg
Oosterhout
Etten-Leur
Gilze en Rijen
Woudrichem
Dongen
Loon op Zand
Geertruidenberg
Drimmelen
Drimmelen
Absoluut aantal pendelaars

1 - 200

201 - 500

501 - 1000

1001 - 2000

meer dan 2000
Percentage van de werkende beroepsbevolking
0,01 - 5,00
5,01 - 10,00
10,01 - 15,00
15,01 - 20,00
20,01 - 30,00


Figuur 4.1 Inkomende pendelstromen zes werkgelegenheidsgemeenten (W6)



5.2 Grote relatieve afhankelijkheid van kleinere plaatsen

De mate van betrokkenheid op een centrumgemeente wordt vaak tot uitdrukking gebracht met
het percentage van de werkende beroepsbevolking in een gemeente dat voor het werk naar
een bepaalde centrumgemeente gaat (zie figuur 4.1)
Van een wezenlijke afhankelijkheid van een grotere werkgelegenheidsgemeente wordt vaak
gesproken indien daarheen meer dan 15% van de werkende beroepsbevolking in een gemeente
naar één andere gemeente gaat. Breda heeft zes gemeenten in zijn nabijheid van waaruit ten
minste 15% in deze stad gaat werken, waarvan drie meer dan 20% halen (Drimmelen, Etten-
Leur en Zundert). Woon-werkrelaties van een vergelijkbare intensiteit zien we verder alleen
incidenteel en bij Roosendaal (vanuit Halderberge) en bij Bergen op Zoom (vanuit Woensdrecht
en Tholen).
Breda weet ook de meeste gemeenten aan zich te binden waar tussen de 5% en 15% heen
gaat om te werken, te weten 7. Bij de overige werkgelegenheidsgemeenten varieert dat van
twee (naar Moerdijk) tot vier (naar Etten-Leur en naar Roosendaal).
Moerdijk neemt een wat aparte positie in het geheel in: hier treffen we de minst intensieve
relaties met de directe omgeving. Wel zien we zekere relaties met de aangrenzende
randstedelijke gemeenten, maar ook die reiken niet tot hoge intensiteiten. Om de gemeente
Moerdijk werkenden komen uit een groot, verspreid gebied. Dat onderstreept de specifieke
(opvang)functie van deze gemeente met het bedrijventerrein Moerdijk

De werkgelegenheidsgemeenten binden doorgaans ook hoge percentages van de eigen
werkende beroepsbevolking aan zich. Koplopers in West-Brabant zijn Breda en Bergen op
Zoom, waar rond de 62% in de eigen gemeente werkt, gevolgd door Roosendaal met 55%. In
de 3 andere werkgelegenheidsgemeenten vindt tussen de 40% en 45% werk in de eigen
gemeente.


5.3 Werkgelegenheidsfunctie gemeenten

De totale betekenis van gemeenten op werkgelegenheidsgebied wordt wel uitgedrukt met de
term werkgelegenheidsfunctie: dit is het quotiënt van alle werkenden in een gemeente en de
totale werkende beroepsbevolking die er woont. Binnen de gehanteerde (eenduidige) definities




17
van werkenden kan uit het onderzoeksmateriaal voor elke gemeente ook een
werkgelegenheidsfunctie worden bepaald. Komt een gemeente dan een uitkomst boven de 1,
dan is er zeker sprake van een bovenlokale werkgelegenheidsfunctie; naarmate men daar
verder onder zit, zal de afhankelijkheid van andere gemeenten des te groter zijn. Hoe de
situatie in dit opzicht uitpakt voor de gemeenten in West-Brabant, is af te lezen uit figuur 4.2.

Figuur 4.2 Werkgelegenheidsfunctie gemeenten
Breda
Moerdijk
Zundert
Steenbergen
Werkendam
Roosendaal
Drimmelen
Rucphen
Woensdrecht
Aalburg
Oosterhout
Alphen-Chaam
Halderberge
Etten-Leur
Baarle-Nassau
Bergen op Zoom
Woudrichem
Geertruidenberg
Werkgelegenheidsfunctie gemeenten
kleiner dan 0.60
0.60 tot 0.90
0.90 tot 1.00
1.00 tot 1.10
1.10 of meer



Breda is de enige gemeente met een werkgelegenheidsfunctie van meer dan 1,10, dat wil
zeggen hier is het aantal werkenden meer dan 10% groter dan de omvang van de eigen
werkende beroepsbevolking. In drie van de andere gemeenten komen ook nog uitkomsten voor
van boven de 1: Bergen op Zoom, Etten-Leur en Moerdijk. Ook Geertruidenberg (o.a. Essent
effect) komt in deze klasse.Opvallend is dat in Roosendaal en vooral Oosterhout minder
mensen werken in vergelijking met de eigen beroepsbevolking. De afhankelijkheid van de
overige gemeenten in West-Brabant zijn meer afhankelijk van de gemeente met een grote
werkgelegenheidsconcencentratie.




18
6 PENDEL NAAR OPLEIDINGSNIVEAU EN GESLACHT


Dichtbij of verder van huis werken wordt naast de nabijheid van grotere
werkgelegenheidscentra ook beïnvloed door het opleidingsniveau en het geslacht van de
werkende beroepsbevolking. Op deze aspecten wordt in deze paragraaf nader ingegaan.
Onderscheiden zijn vier algemene opleidingsniveaus, die lopen van basisopleiding (alleen
basisonderwijs als hoogste opleiding, inclusief de kleine categorie met `andere´, waarschijnlijk
meestal lagere opleiding), VMBO (MAVO en VBO niveau), MBO en HBO/WO niveau.


6.1 Aandeel opleidingsniveaus

De verschillen in opleidingsniveau van de werkende beroepsbevolking tussen de onderscheiden
gebieden (West-Brabant, Noord-Brabant en Nederland, zie figuur 5.1) zijn op het eerste gezicht
niet zo groot. De groep met een Mbo-opleidingsniveau is met ruim 35% in elk gebied het
grootst, op vrij korte afstand gevolgd door de groep met VMBO. Daarna komen overal de
groepen met respectievelijk HBO/WO (20 à 25%) en basisopleiding (7à 8%).
Bij nadere beschouwing zien we in West-Brabant wel minder hoogopgeleiden en een sterkere
vertegenwoordiging van lager opgeleiden, zowel in vergelijking met heel de provincie Noord-
Brabant als met het landelijke beeld.

Figuur 6.1 Werkende beroepsbevolking naar opleidingsniveau in West-Brabant (SES-
gebied), Noord-Brabant en Nederland




0 5 10 15 20 25 30 35 40
Basisopleiding
VMBO
MBO
HBO/WO
SES gebied Noord-Brabant Nederland




19
6.2 Saldi uitgaande en inkomende pendel naar opleiding

Aangezien er relatief minder hoogopgeleiden wonen in West-Brabant dan elders in Nederland,
zou men kunnen veronderstellen dat er per saldo meer mensen met een hogere opleiding naar
West-Brabant komen om te werken. West-Brabant vervult ondanks een geringer aandeel hoger
opgeleiden, juist voor hoger opgeleiden een donorfunctie voor zijn omgeving (per saldo 9.000
meer uitgaande dan inkomende pendelaars op dit opleidingsniveau).
Mede door de geringere omvang van de werkgelegenheid ten opzichte van de werkende
beroepsbevolking zijn overigens op alle opleidingsniveaus de uitgaande pendelstromen groter
dan de inkomende stromen.

Figuur 6.2
-10000 -5000 0 5000 10000 15000 20000 25000
Basisniveau
Opleidingsniveau
Inkomend Uitgaand Saldo uitgaand



Tabel 6.1 Binnen- en buitengemeentelijke woon-werkverplaatsingen per
opleidingsniveau


Opleidingsniveau
Werkt
in woonge-
meente
Werkt
elders
in SES
Werkt
buiten
SES
Totaal
woont in SES
% abs.
Basisniveau 58 22 20 100 23.200
VMBO 54 27 19 100 95.000
MBO 48 32 20 100 102.500
HBO/WO 38 26 36 100 62.900

Totaal in % 48 28 24 100
abs. 137.000 80.000 66.600 283.600

De pendelstromen naar richting per opleidingsniveau dan blijkt dat de aandelen van de dichtbij
- in de woongemeente - werkenden vrij sterk afnemen naarmate het opleidingsniveau hoger is:
van degenen met alleen basisopleiding werken bijna drie op elke vijf personen in de eigen
gemeente, bij de categorie met het hoogste opleidingsniveau ligt het vergelijkbare aandeel op
minder dan 2:5.




20
Tot en met het MBO niveau gaat men vaker elders in West-Brabant werken. Personen met de
hoogste opleidingsniveaus gaan naar verhouding juist vaker buiten West-Brabant werken: ruim
1/3 deel, tegenover niet meer dan 1/5 deel bij alle andere opleidingsniveaus. Zo bezien sluit
het pendelgedrag van MBO-ers nauwer aan bij de lager opgeleiden dan bij de hoger opgeleiden.

Een opvallend detail bij de hoger opgeleiden die buiten West-Brabant gaan werken, is de mate
waarin zij daarbij gebruik maken van het openbaar vervoer. Zij gaan in een op de zes gevallen
met het openbaar vervoer naar het werk (tegenover 1 op 10 bij alle buiten het SES
werkenden). Nog aanmerkelijk groter wordt het OV gebruik tussen goed per spoor bereikbare
plaatsen in het woon-werkverkeer over langere afstand. Het meest in het oog springt dan het
OV gebruik op het traject Breda-Den Haag: gaat van alle werkenden al ruim de helft met de
trein, van de hoger opgeleiden reist niet minder dan 7/8 deel met het openbaar vervoer.


6.3 Breda meer geschoold

Een markante uitkomst in het pendelgedrag naar opleiding is de mate waarin de stad Breda
personen van bepaalde opleidingsniveaus aan zich weet te binden. Uit de cijfers blijkt dat per
saldo beduidend meer personen met opleidingen op VMBO-, maar vooral op MBO niveau naar
de stad komen voor hun werk dan eruit vertrekken naar elders voor hun werk (inkomende
pendelsaldi van resp. bijna 4.000 en 6.000). Voor de laagste en de hoogste
opleidingscategorieën zien we daarentegen licht negatieve pendelsaldi. Zoals eerder
aangegeven vallen voor heel West-Brabant de pendelsaldi negatief uit bij alle
opleidingsniveaus.
De Bredase uitkomsten worden niet zozeer veroorzaakt door de samenstelling van de
werkgelegenheid naar opleidingsniveau. Degenen die werk vinden in Breda hebben even vaak
als degenen die in de rest van West-Brabant werken een opleiding op MBO niveau (ca. 37%).
En zij die in Breda werken hebben veel vaker een HBO/WO opleiding dan degenen die in de rest
van de regio werk vinden (resp. 28% en 18%). Dat Breda desondanks in het hoogste
opleidingssegment per saldo toch een negatief pendelsaldo kent, heeft meer te maken met het
hoge aandeel hoger opgeleiden dat woont in Breda.
Van de werkende Bredase beroepsbevolking heeft bijna 1/3 deel een hogere opleiding, in de
rest van West-Brabant is dat gemiddeld 1/5 deel (slechts 5 van de overige gemeenten in West-
Brabant komen tot een score van 20 à 25%; waaronder de grotere gemeenten Bergen op
Zoom, Roosendaal en Oosterhout; 12 gemeenten halen een score van minder dan 20%, als
regel tussen de 15% en 20%).
Vallen de uitkomsten van Breda erg op binnen West-Brabant, zij liggen wel meer in lijn met de
verhoudingen in de 3 andere Brabantse steden met meer dan 100.000 inwoners.


6.4 Pendel naar geslacht

De mate waarin men verder pendelt heeft niet alleen te maken met het geslacht maar ook met
het aantal (betaalde) werkuren per week. Van alle werkenden heeft driekwart een `hele´
werkweek (hier opgevat als `meer dan 30 uur per week´). Van alle werkende mannen is dat
ruim 90%, van de werkende vrouwen is dat de helft.




21
Alleen al op grond van deze zeer aanzienlijke verschillen mag verwacht worden dat vrouwen
gemiddeld genomen veel vaker dichter bij huis werk zullen zoeken /hebben dan mannen;
immers, het is niet zo aantrekkelijk om verder van huis te gaan werken bij een relatief korte
werktijd (per dag).


Tabel 6.2 Binnen- en buitengemeentelijke woon-werkverplaatsingen naar geslacht
(en arbeidsduur)
1



Geslacht
Werkt
in
woongemeente
Werkt
elders in
WB
Werkt
buiten WB
Totaal
woont in WB
% abs.
Mannen 42

(40)

29

(29)
29

(31)
100

(100)
176.300

(159.500)
Vrouwen 58

(50)

28

(31)
14

(19)
100

(100)
107.300

(53.000)

Totaal M+V 48

(43)

28

(30)

24

(27)

100

(100)

..283.600

.(212.500)


1 Uitkomsten tussen haakjes betreffen de verhoudingen voor degenen met een werkweek van
ten minste 30 uur.
WB= West-Brabant

Uit de gegevens in tabel 6.2 blijkt dat vrouwen vaker werken in eigen woongemeente dan
mannen (58% versus 40%) en veel minder vaak buiten de regio (14% versus 29%). Wel
werken mannen en vrouwen nagenoeg gelijk (bijna 30%). Deze conclusie krijgt extra reliëf in
het licht van de toekomstige toename van het arbeidsaanbod, die overwegend uit vrouwen zal
bestaan. Ervan uitgaan dat die ook massaal buiten de eigen regio aan de slag zullen gaan, zou
een afwijking van het nu gangbare patroon inhouden. Anders gezegd, gegeven de feitelijke
verhoudingen en verwachte ontwikkelingen, zal het dichtbij-huis-werken een extra `push´
moeten krijgen.




22
7 PENDELONTWIKKELINGEN IN DE TIJD


7.1 Meer pendel

Ondanks oplopende aantallen voor de werkende beroepsbevolking in de jaren 1998, 1999 en
2000 zien we afnemende aantallen werkenden in de eigen woongemeente. Deze tendens zien
we ook landelijk, maar minder manifest. Het percentage dat werk vindt in de eigen
woongemeente daalt voor het hele SES gebied van ruim de helft naar iets meer dan 45%
tussen 1998 en 2000 (landelijk van 49% naar 48%).


7.2 Meer vrouwen

Het aandeel vrouwen in de totale werkende beroepsbevolking neemt gestaag toe: in de jaren
1998-2000 zien we een toename met bijna 1%. Een dergelijke ontwikkeling zal zich ook in de
komende jaren manifesteren.
In dit perspectief laat zich de vraag stellen of het patroon van binnen en buiten de eigen
woongemeente werken een parallelle ontwikkeling vertoont voor mannen en vrouwen. Het
gedeelte van de vrouwen dat binnen de eigen woongemeente werk vindt, daalt tussen 1998 en
2000 vrij sterk: van ruim 60% naar iets meer dan 55%.
Ook afwijkend zijn de uitkomsten voor mannen en vrouwen waar het gaat om het vaker gaan
werken binnen of buiten de regio. Bij mannen wordt de daling van de werkers binnen de eigen
woongemeente overwegend gecompenseerd door het vaker gaan werken buiten West-Brabant.
Bij vrouwen zien we ook wel een groei in dit segment, maar daarnaast zien we ook het aandeel
dat werk vindt in een andere gemeente van West-Brabant duidelijk toenemen.
Er blijft hoe dan ook wel een vrij aanzienlijk verschil bestaan tussen het aandeel mannen en
vrouwen dat buiten West-Brabant werk vindt: dat is voor mannen iets meer dan 30% en voor
vrouwen ruim 15%. Kortom, deze uitkomsten schragen de veronderstelling dat de mate waarin
personen aangewezen zijn op werk in de eigen regio vooralsnog beduidend hoger ligt voor
vrouwen dan voor mannen.


7.3 Verdere terreinwinst voor de auto

In de periode 1998-2000 is het aandeel van de auto in het woon-werkverkeer verder
toegenomen: van bijna 62% naar ruim 65%. Het openbaar vervoer heeft in deze periode niet
duidelijk kunnen profiteren van de grotere trek naar buiten de regio: het aandeel ervan in het
totaal van de woon-werkverplaatsingen blijft steken op een schamele 4%. Wel is het OV bij
vrouwen iets populairder dan bij mannen (5% tegen 3%). Landelijk is dat overigens ook zo, zij
het met hogere aandelen voor vrouwen en voor mannen: ruim 11% versus krap 8%).
Het toegenomen autogebruik zien we met name optreden bij mannen: het aandeel dat de auto
pakt stijgt van ruim 65% naar boven de 70%. Daarmee scoort West-Brabant ook erg hoog in
vergelijking met de landelijke verhoudingen (auto aandeel voor mannen van 58% naar ruim
60%) en ook met die in de hele provincie Noord-Brabant (van 63 naar 65% in dezelfde jaren).





23
Begrippenlijst


Kader
Deze uitkomsten komen naar voren uit de pendelanalyse voor West-Brabant. De analyse is tot
stand gekomen via een koppeling van uitkomsten uit het landelijke Onderzoek
verplaatsingsgedrag (OVG) van het CBS met de berekende werkende beroepsbevolking;
omwille van een toereikende celvulling zijn de uitkomsten bijeengevoegd voor de
driejaarsperiode 1998-2000.
De uitkomsten passen binnen het geconstrueerde kader van werkenden in en buiten de regio
en dat is op zich niet identiek (te maken) met de algemeen gehanteerde cijfers voor de
beroepsbevolking en werkgelegenheid. Daarin worden onder meer de werkloze
beroepsbevolking en werkenden met een werkweek van minder dan 12 uur meegenomen. Hier
niet en dat verklaart, samen met de omstandigheid dat in het OVG wordt gekeken naar de
plaats waar men feitelijk gaat werken en niet naar de plaats waar de werkgever is gevestigd,
dat woon- en werkplekken uit de pendelanalyse niet 1:1 kunnen samenvallen met die uit
andere gangbare verzamelingen. Door de gehanteerde eenduidige begrippen biedt de
pendelanalyse wel een uitstekend vergelijkingskader om de pendelbewegingen in, naar en
vanuit West-Brabant in beeld te brengen.

Intraregionale pendel:
de pendelstromen tussen de achttien gemeenten in West-Brabant.

Interregionale pendel:
de pendelstromen uit de achttien gemeenten in West-Brabant naar elders en vice versa.

Beroepsbevolking
werkende beroepsbevolking met een werkweek van ten minste twaalf uur uit ScarB,
aansluitend op de werkende beroepsbevolking uit de EBB).

Werkgelegenheidsfunctie:
het quotiënt van alle werkenden in een gemeente en de totale werkende beroepsbevolking die
er woont.























24
Onderzoeksachtergrond, opzet en beperkingen


Achtergrond
Veranderingen in vestigingsplaatsen en -eisen van bedrijven krijgen terecht veel aandacht van partijen die
staan voor de werkgelegenheidsbevordering in een regio. Vooral de fysieke aspecten komen daarbij in beeld.
Met name vragen rond het thema beschikbaarheid en bereikbaarheid van bedrijventerreinen en kantoren
hebben een warme belangstelling van belangenbehartigers en overheden in de regio. Met de conjuncturele
en mogelijk ook structurele veranderingen op de arbeidsmarkt worden in toenemende mate ook vragen
gesteld bij de huidige en toekomstige beschikbaarheid van competent personeel voor de bedrijvigheid in de
regio.

Vanuit deze achtergrond is de vraag opportuun in hoeverre het inkomende en uitgaande pendelverkeer een
oplossing of juist een probleem kan veroorzaken bij het zoeken naar aansluiting van het regionale
arbeidsaanbod op de vraag. Hoe moeten we in dit verband bijvoorbeeld aankijken tegen de omvangrijke
pendelstroom naar elders vanuit West-Brabant ? Voor antwoorden is een dieper gravende analyse nodig van
de actuele pendelstromen.

Was het in het verleden zo dat in de provincie een omvangrijk pendelonderzoek werd gehouden door
koppeling van extra vragen aan de werkgelegenheidsenquête, na 1994 is dat niet meer gebeurd. Wat met
deze enquête werd vastgesteld, waren de woonplaatsen van de werkzame personen bij bedrijven. Zodoende
kon een beeld worden verkregen van de pendelbewegingen in een gebied en tevens van de inkomende
pendel van elders. Van de uitgaande pendelstromen was in het gunstigste geval alleen langs indirecte weg
een beeld te verkrijgen, namelijk indien op hetzelfde moment soortgelijke enquêtes werden gehouden in
omliggende gebieden.
Het is steeds lastiger gebleken langs deze weg tot redelijk sluitende beelden te geraken, hetzij doordat
onvoldoende vestigingregisterhouders de extra benodigde middelen daarvoor konden opbrengen, hetzij
doordat bepaalde vestigingregisterhouders steeds meer beducht werden voor een afnemende respons op de
reguliere werkgelegenheidsenquête. Zo was al helemaal niet mogelijk nog aanvullende vragen te stellen die
voor een verdere analyse wel zeer gewenst waren. Bij dit alles kwam nog dat vanwege de ingrijpende
gemeentelijke herindelingen sinds 1994 ook de vergelijking met uitkomsten uit eerder onderzoek ernstig werd
bemoeilijkt: door samenvoeging van gemeenten (al of niet gedeeltelijk) zou bijvoorbeeld een deel van de
intergemeentelijke pendel van voorheen, in de latere uitkomsten later automatisch worden aangemerkt als
binnengemeentelijke pendel, etc.
Kortom, voor nieuwe inzichten inzake de pendelstromen moest worden uitgekeken naar een andere
verzameling van basisgegevens.

Opzet
Voor de analyse van de pendelstromen in, naar en vanuit West-Brabant is een aanpak gekozen waarmee
door ETIN Adviseurs ervaring is opgedaan bij de in 2002 geconstrueerde pendelmatrix voor Noord-Brabant.
Dat houdt in dat dezelfde uitgangspunten met betrekking tot te hanteren bronnen en definities zullen worden
gevolgd. In concreto betekent het dat het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG) als belangrijkste
voedingsbron voor de te traceren pendelbewegingen is gehanteerd.
De primaire insteek van het OVG is door middel van een enquête onder een groot aantal personen (ca.
140.000 op jaarbasis) inzicht te krijgen in de mobiliteit van de bevolking in Nederland. Het gaat dan om de
frequentie en de wijze waarop personen zich verplaatsen (‘modal split’) voor verschillende doeleinden
(werken, winkelen, vrije tijdsbesteding, ziekenbezoek, schoolbezoek, e.d.) van de ene plaats (gemeente) naar
de andere. Door dit onderzoek jaarlijks uit te voeren worden ook beelden opgebouwd over de ontwikkelingen
in de geconstateerde patronen die van belang zijn voor bijvoorbeeld het treffen van verkeers- en
vervoersmaatregelen door zowel de rijksoverheid als de regionale overheden.

De OVG steekproef wordt getrokken op woonadres. Dat wil zeggen dat met een bepaalde dichtheid en
stratificatie woonadressen worden geselecteerd voor deze enquête. De (alle) daar woonachtige personen
wordt gevraagd voor een hele dag (24 uur) bij te houden welke verplaatsingen zij uitvoeren met welk doel,
waarheen, etc. Door de uitkomsten te ‘linken’ met andere gegevens (bijvoorbeeld verkeerstellingen,
bevolkingsgegevens, andere CBS verzamelingen) worden de uitkomsten door het CBS zodanig stabiel
gemaakt (door middel van diverse wegingsfactoren) dat het mogelijk wordt uitspraken te doen over de
mobiliteit van de Nederlandse bevolking naar motief, vervoermiddel, opleidingsniveau, regio, reistijd, etc.

Doordat in het OVG als verplaatsingsmotief o.a. ook ‘gaan werken’ wordt opgenomen en daarbij tegelijk
wordt gevraagd naar woon- en werkgemeente, zijn via deze enquête ook beelden op te bouwen over de
woon-werkstromen naar richting, modal split en sociaal-economische kenmerken als opleiding, geslacht e.d.
In totaal zijn uit dezen hoofde jaarlijks uit het OVG de records van zo’n 40.000 personen te lichten met een
woon-werkverplaatsing op de enquêtedag.





25
Wat bij de geselecteerde woon-werkverplaatsingen feitelijk wordt vastgelegd is enerzijds de woongemeente
van de betreffende persoon en anderzijds de gemeente waarheen men is gereisd voor het werk. Dit laatste is
niet zonder betekenis voor de interpretatie van de uitkomsten. Er wordt voor de vaststelling van de
werkgemeente immers niet gekeken naar de plaats waar de werkgever is gevestigd, maar naar de locatie
waar men heen is gereisd voor de feitelijke uitoefening van het werk. Voor de meeste woon-werkrelaties geldt
overigens dat men wel steeds naar hetzelfde werkadres gaat (in ongeveer 4 van de 5 gevallen volgens de
EBB). En voor een deel van de wisselende woon-werkverplaatsingen zal men ook kleine afstanden binnen de
woongemeente afleggen voor een werkgever binnen diezelfde gemeente.

Niettemin kunnen er onzuiverheden optreden als men de aankomstgemeenten voor werk 1:1 interpreteert als
de plaats waar de werkgever is gevestigd. Vooral in plaatsen met bijvoorbeeld veel bouwondernemingen of
andere bedrijven met veel ambulante werknemers zoals in de zakelijke dienstverlening, kunnen deze
vertekeningen van betekenis zijn. Uit een globale exercitie komt als beeld naar voren dat via het OVG
gemeenten met grote en dynamische economische activiteiten (veel nieuwbouw en/of veel grote
(hoofd)kantoren) nóg vaker als werkgemeente worden opgegeven dan blijkt uit de werkgelegenheidscijfers
voor die gemeenten. Dit mogelijk als manco ervaren gegeven is niet een twee drie te elimineren. Daar staat
tegenover dat de gevolgde werkwijze wel in beeld brengt hoe de feitelijke woon-werkbewegingen verlopen
(wie veroorzaken welke drukte op welke punten?). En uit het op eenzelfde wijze verzamelde en verwerkte
OVG materiaal voor opeenvolgende reeksen van jaren is ook een aardig beeld te compileren van zich
voltrekkende ontwikkelingen in de tijd. Via andere verzamelingen is e.e.a. niet te evenaren met eenzelfde
mate van detaillering.

Beperkingen
De nu geconstrueerde pendelmatrix met behulp van het OVG materiaal legt niet de relaties vast tussen het
fysieke vestigingsadres van een bedrijf en de woonplaats van de aldaar werkenden, zoals bij de
pendelonderzoeken in de jaren negentig is gebeurd. Een vergelijking met de uitkomsten van eerdere tellingen
is door deze verschillende wijze van dataverzameling dan ook nauwelijks mogelijk. Bovendien zou zo’n
vergelijking extra gecompliceerd worden door de sinds 1994 doorgevoerde grootschalige gemeentelijke
herindelingen in de regio.

In de nu geconstrueerde pendelmatrix zijn de uitkomsten die via het OVG tevoorschijn komen stabieler
gemaakt voor de vertrekzijde van de pendelbewegingen (oftewel de woongemeenten). Omdat de uitkomsten
geografisch ver uitgesplitst moeten worden, is het o.i. namelijk wenselijk de (al opgehoogde) aantallen
personen met woon-werkverplaatsingen uit het OVG te laten aansluiten op bestaande, per jaar stabiele en
herkenbare gegevens over de beroepsbevolking per gemeente. Dat is mogelijk door de OVG cijfers te
zwaluwstaarten met de data over de werkende beroepsbevolking per gemeente (EBB definitie) in het
arbeidsmarktinformatiesysteem Scarb van ETIN Adviseurs. Daardoor ontstaan in de matrix in ieder geval
uitkomsten die stabiel zijn voor de voor de vertrekzijde van de pendelbewegingen. Door bovendien de
uitkomsten voor meerdere jaren bijeen te voegen, worden de grootste uitschieters aan de andere kant van de
matrix, i.c. de werkgemeenten ook verder geneutraliseerd.

Wat blijft is dat de kleinere woon-werkstromen (m.n vanuit / naar kleine gemeenten) matig gevuld zullen
blijven in de matrix. Mede daarom zijn alle uitkomsten, net als in de pendelmatrix voor heel Brabant, in
principe herleid tot drie-jaarsgemiddelden voor de OVG waarnemingsjaren 1998, 1999 en 2000. Voor het
onderhavige doel heeft nog een verdere fine tuning plaatsgevonden ten aanzien van meer gedetailleerde
relaties met niet Brabantse gebieden (in Zeeland, Rijnmond, Dordrecht e.o) en het wegwerken van (kleine
aantallen) werkenden die niet naar het werk zijn gegaan vanuit hun woongemeente (de elk jaar voorkomende
hinderlijke ‘ruis’ voor de matrix). Verder is ten opzichte van de geconstrueerde pendelmatrix voor Noord-
Brabant het basismateriaal verder gestroomlijnd voor de verhouding mannen:vrouwen om ook op dit punt tot
meer evenwichtige uitkomsten op gemeenteniveau te komen.

Het geheel steunt op een kleine 6.000 waarnemingen in de OVG’s van 1998, 1999 en 2000 tezamen die
betrekking hebben op relevante woon-werkverplaatsingen voor West-Brabant (opgehoogd tot gemiddeld
325.000 werkzame personen in deze jaren). Kleine pendelstromen kunnen ook na de stabilisatie nog worden
overtrokken, of juist geheel ontbreken in de OVG waarneming. De positief gevulde cellen in de matrix hebben
kleinste opgehoogde waarden (dwz. als zij steunen op 1 onderliggende waarneming) van ruim 50. Kleinere
aantallen zullen als regel helemaal niet of slechts als toevalligheid in beeld komen. Worden de opgenomen
kleinere aantallen weer samengevoegd tot grotere aantallen naar / uit een bepaalde regio of richting, bieden
zij weer meer houvast, reden waarom ze in de bestanden zijn gehandhaafd. Hier past wel de waarschuwing
de vermelde kleine pendelstromen op zich niet al te absoluut te interpreteren. Wel geven geringe of lege
celwaarden in de pendelmatrix aan dat de relaties tussen de betreffende gemeenten/gebieden ook in de
werkelijkheid van ondergeschikte betekenis zullen zijn.

Op een in het OVG ontbrekende schakel is in de rapportage afzonderlijk aandacht besteed. Dat betreft de
inkomende pendel uit het buitenland, m.n. België. Omdat de gegevens in het OVG worden verzameld bij




26
Nederlandse ingezetenen, bevat de pendelmatrix geen gegevens over de inkomende pendel uit het
buitenland (wel over de omgekeerde stroom naar het buitenland). Zo gezien is de matrix nooit 100% sluitend
voor alle pendelbewegingen. Voor Nederland als geheel gaat het om bewegingen die van ondergeschikte
betekenis zijn, voor een regio die aan het buitenland grenst, ligt dat anders. Bij de weergave van de
uitkomsten is daarom met behulp van informatie uit een andere bron (Statistiek van de grenspendel) een
inschatting gemaakt van de inkomende pendel vanuit het buitenland naar West-Brabant.



2
7


B
i
j
l
a
g
e

2

Woon-werkmatrix SES gebied (op basis van herwogen OVG uitkomsten 1998, 1999 en 2000)
Werkt in: ->
Woont in
gemeente/
gebied:
A
a
l
b
u
r
g
A
l
p
h
e
n
-
C
h
a
a
m
B
a
a
r
l
e
-
N
a
s
s
a
u
B
e
r
g
e
n

o
p

Z
o
o
m
B
r
e
d
a
D
r
i
m
m
e
l
e
n
E
t
t
e
n
-
L
e
u
r
G
e
e
r
t
r
u
i
d
e
n
b
e
r
g
H
a
l
d
e
r
b
e
r
g
e
M
o
e
r
d
i
j
k
O
o
s
t
e
r
h
o
u
t
R
o
o
s
e
n
d
a
a
l
R
u
c
p
h
e
n
S
t
e
e
n
b
e
r
g
e
n
W
e
r
k
e
n
d
a
m
W
o
e
n
s
d
r
e
c
h
t
W
o
u
d
r
i
c
h
e
m
Z
u
n
d
e
r
t
T
o
t
a
a
l

S
E
S
W
e
r
k
t


b
u
i
t
e
n

S
E
S
A
l
g
e
m
e
e
n

t
o
t
a
a
l
Aalburg 2018 0 0 0 189 0 0 123 0 75 65 0 0 0 71 0 431 0 2972 1783 4755
Alphen -Chaam 0 1276 427 46 770 0 102 0 0 36 38 0 0 0 0 0 0 0 2695 1271 3966
Baarle -Nassau 0 92 1158 0 484 0 0 25 0 0 0 0 0 0 0 0 0 60 1819 749 2568
Bergen op Zoom 0 0 0 18206 578 0 457 0 157 528 87 1788 51 846 0 1580 0 0 24278 4814 29092
Breda 0 42 285 639 42702 508 1599 712 135 1379 1881 926 123 32 101 106 115 878 52163 17192 69355
Drimmelen 0 0 0 0 3057 2828 415 489 0 691 1140 0 0 0 0 50 45 0 8715 2771 11486
Etten -Leur 0 0 0 207 4334 0 7207 61 401 366 195 628 202 0 0 38 0 375 14014 2358 16372
Geertruidenberg 0 0 56 42 1298 376 151 3889 0 43 649 19 0 38 208 0 0 0 6769 2597 9366
Halderberge 0 114 0 478 1063 47 1384 0 3896 348 0 2494 360 131 0 47 0 0 10362 2205 12567
Moerdijk 0 0 0 657 1264 92 586 235 1044 6442 93 666 0 305 0 156 0 0 11540 4237 15777
Oosterhout 0 0 0 122 3876 648 233 1016 0 190 9597 81 0 0 160 56 82 119 16180 6573 22753
Roosendaal 0 0 0 2252 1573 91 1898 0 911 1064 303 17084 711 263 109 98 0 137 26494 4738 31232
Rucphen 0 0 0 330 1018 0 1116 0 375 429 47 1154 3574 98 0 0 0 437 8578 1378 9956
Steenbergen 0 0 0 923 128 0 174 0 136 604 0 1011 83 3607 0 380 0 0 7046 2846 9892
Werkendam 149 0 28 0 251 0 0 542 0 37 305 79 0 0 3513 0 825 0 5729 5248 10977
Woensdrecht 0 0 0 2462 0 70 82 0 0 268 0 539 44 0 0 3688 0 0 7153 1899 9052
Woudrichem 396 0 0 0 36 91 0 0 0 92 0 0 0 0 309 0 1934 0 2858 3122 5980
Zundert 0 0 32 42 1766 0 664 0 0 184 89 327 202 0 0 0 0 4391 7697 797 8494
Totaal SES gebied 2563 1524 1986 26407 64388 4750 16069 7091 7055 12776 14487 26794 5349 5320 4473 6199 3431 6397 217059 66563 283622
Totaal rest NL 869 216 245 4277 13295 745 1309 3149 799 4283 4729 3243 0 548 1051 1762 1345 466 42331 0 42331
Algemeen totaal
(werkt in:) 1) 3431 1740 2231 30683 77683 5495 17377 10240 7853 17058 19216 30037 5349 5867 5524 7961 4776 6863 259384 66563 325947
1) exclusief woont in buitenland en werkt in SES gebied
Woon-werkmatrix SES gebied (op basis van herwogen OVG uitkomsten 1998, 1999 en 2000)
Werkt in: ->
Woont in
gemeente/
gebied:
A
a
l
b
u
r
g
A
l
p
h
e
n
-
C
h
a
a
m
B
a
a
r
l
e
-
N
a
s
s
a
u
B
e
r
g
e
n

o
p

Z
o
o
m
B
r
e
d
a
D
r
i
m
m
e
l
e
n
E
t
t
e
n
-
L
e
u
r
G
e
e
r
t
r
u
i
d
e
n
b
e
r
g
H
a
l
d
e
r
b
e
r
g
e
M
o
e
r
d
i
j
k
O
o
s
t
e
r
h
o
u
t
R
o
o
s
e
n
d
a
a
l
R
u
c
p
h
e
n
S
t
e
e
n
b
e
r
g
e
n
W
e
r
k
e
n
d
a
m
W
o
e
n
s
d
r
e
c
h
t
W
o
u
d
r
i
c
h
e
m
Z
u
n
d
e
r
t
T
o
t
a
a
l

S
E
S
W
e
r
k
t


b
u
i
t
e
n

S
E
S
A
l
g
e
m
e
e
n

t
o
t
a
a
l
Aalburg 2018 0 0 0 189 0 0 123 0 75 65 0 0 0 71 0 431 0 2972 1783 4755
Alphen -Chaam 0 1276 427 46 770 0 102 0 0 36 38 0 0 0 0 0 0
Woon-werkmatrix SES gebied (op basis van herwogen OVG uitkomsten 1998, 1999 en 2000)
Werkt in: ->
Woont in
gemeente/
gebied:
A
a
l
b
u
r
g
A
l
p
h
e
n
-
C
h
a
a
m
B
a
a
r
l
e
-
N
a
s
s
a
u
B
e
r
g
e
n

o
p

Z
o
o
m
B
r
e
d
a
D
r
i
m
m
e
l
e
n
E
t
t
e
n
-
L
e
u
r
G
e
e
r
t
r
u
i
d
e
n
b
e
r
g
H
a
l
d
e
r
b
e
r
g
e
M
o
e
r
d
i
j
k
O
o
s
t
e
r
h
o
u
t
R
o
o
s
e
n
d
a
a
l
R
u
c
p
h
e
n
S
t
e
e
n
b
e
r
g
e
n
W
e
r
k
e
n
d
a
m
W
o
e
n
s
d
r
e
c
h
t
W
o
u
d
r
i
c
h
e
m
Z
u
n
d
e
r
t
T
o
t
a
a
l

S
E
S
W
e
r
k
t


b
u
i
t
e
n

S
E
S
A
l
g
e
m
e
e
n

t
o
t
a
a
l
Aalburg 2018 0 0 0 189 0 0 123 0 75 65 0 0 0 71 0 431 0 2972 1783 4755
Alphen -Chaam 0 1276 427 46 770 0 102 0 0 36 38 0 0 0 0 0 0 0 2695 1271 3966
Baarle -Nassau 0 92 1158 0 484 0 0 25 0 0 0 0 0 0 0 0 0 60 1819 749 2568
Bergen op Zoom 0 0 0 18206 578 0 457 0 157 528 87 1788 51 846 0 1580 0 0 24278 4814 29092
Breda 0 42 285 639 42702 508 1599 712 135 1379 1881 926 123 32 101 106 115 878 52163 17192 69355
Drimmelen 0 0 0 0 3057 2828 415 489 0 691 1140 0 0 0 0 50 45 0 8715 2771 11486
Etten -Leur 0 0 0 207 4334
0 2695 1271 3966
Baarle -Nassau 0 92 1158 0 484 0 0 25 0 0 0 0 0 0 0 0 0 60 1819 749 2568
Bergen op Zoom 0 0 0 18206 578 0 457 0 157 528 87 1788 51 846 0 1580 0 0 24278 4814 29092
Breda 0 42 285 639 42702 508 1599 712 135 1379 1881 926 123 32 101 106 115 878 52163 17192 69355
Drimmelen 0 0 0 0 3057 2828 415 489 0 691 1140 0 0 0 0 50 45 0 8715 2771 11486
Etten -Leur 0 0 0 207 4334 0 7207 61 401 366 195 628 202 0 0 38 0 375 14014 2358 16372
Geertruidenberg 0 0 56 42 1298 376 151 3889 0 43 649 19 0 38 208 0 0 0 6769 2597 9366
Halderberge 0 114 0 478 1063 47 1384 0 3896 348 0 2494 360 131 0 47 0 0 10362 2205 12567
Moerdijk 0 0 0 657 1264 92 586 235 1044 6442 93 666 0 305 0 156 0 0 11540 4237 15777
Oosterhout 0 0 0 122 3876 648 233 1016 0 190 9597 81 0 0 160 56 82
0 7207 61 401 366 195 628 202 0 0 38 0 375 14014 2358 16372
Geertruidenberg 0 0 56 42 1298 376 151 3889 0 43 649 19 0 38 208 0 0 0 6769 2597 9366
Halderberge 0 114 0 478 1063 47 1384 0 3896 348 0 2494 360 131 0 47 0 0 10362 2205 12567
Moerdijk 0 0 0 657 1264 92 586 235 1044 6442 93 666 0 305 0 156 0 0 11540 4237 15777
Oosterhout 0 0 0 122 3876 648 233 1016 0 190 9597 81 0 0 160 56 82 119 16180 6573 22753
Roosendaal 0 0 0 2252 1573 91 1898 0 911 1064 303 17084 711 263 109 98 0 137 26494 4738 31232
Rucphen 0 0 0 330 1018 0 1116 0 375 429 47 1154 3574 98 0 0 0 437 8578 1378 9956
Steenbergen 0 0 0 923 128 0 174 0 136 604 0 1011 83 3607 0 380 0 0 7046 2846 9892
Werkendam 149 0 28 0 251 0 0 542 0 37 305 79 0 0 3513 0 825 0 5729 5248 10977
Woensdrecht 0 0 0 2462 0 70 82
119 16180 6573 22753
Roosendaal 0 0 0 2252 1573 91 1898 0 911 1064 303 17084 711 263 109 98 0 137 26494 4738 31232
Rucphen 0 0 0 330 1018 0 1116 0 375 429 47 1154 3574 98 0 0 0 437 8578 1378 9956
Steenbergen 0 0 0 923 128 0 174 0 136 604 0 1011 83 3607 0 380 0 0 7046 2846 9892
Werkendam 149 0 28 0 251 0 0 542 0 37 305 79 0 0 3513 0 825 0 5729 5248 10977
Woensdrecht 0 0 0 2462 0 70 82 0 0 268 0 539 44 0 0 3688 0 0 7153 1899 9052
Woudrichem 396 0 0 0 36 91 0 0 0 92 0 0 0 0 309 0 1934 0 2858 3122 5980
Zundert 0 0 32 42 1766 0 664 0 0 184 89 327 202 0 0 0 0 4391 7697 797 8494
Totaal SES gebied 2563 1524 1986 26407 64388 4750 16069 7091 7055 12776 14487 26794 5349 5320 4473 6199 3431 6397 217059 66563 283622
0 0 268 0 539 44 0 0 3688 0 0 7153 1899 9052
Woudrichem 396 0 0 0 36 91 0 0 0 92 0 0 0 0 309 0 1934 0 2858 3122 5980
Zundert 0 0 32 42 1766 0 664 0 0 184 89 327 202 0 0 0 0 4391 7697 797 8494
Totaal SES gebied 2563 1524 1986 26407 64388 4750 16069 7091 7055 12776 14487 26794 5349 5320 4473 6199 3431 6397 217059 66563 283622
Totaal rest NL 869 216 245 4277 13295 745 1309 3149 799 4283 4729 3243 0 548 1051 1762 1345 466 42331 0 42331
Algemeen totaal
(werkt in:) 1) 3431 1740 2231 30683 77683 5495 17377 10240 7853 17058 19216 30037 5349 5867 5524 7961 4776 6863 259384 66563 325947
1) exclusief woont in buitenland en werkt in SES gebied




28
Bijlage 2

2A


Woon-werkmatrix SES gebied (op basis van herwogen OVG uitkomsten 1998, 1999 en 2000)

Werkt in: ->
Woont in gemeente/ Aalburg Alphen- Baarle- Bergen Breda Drim- Etten- Geertrui- Halder- Moer- Ooster-
gebied: Chaam Nassau op Zoom melen Leur denberg berge dijk hout

Aalburg 2018 0 0 0 189 0 0 123 0 75 65
Alphen-Chaam 0 1276 427 46 770 0 102 0 0 36 38
Baarle-Nassau 0 92 1158 0 484 0 0 25 0 0 0
Bergen op Zoom 0 0 0 18206 578 0 457 0 157 528 87
Breda 0 42 285 639 42702 508 1599 712 135 1379 1881
Drimmelen 0 0 0 0 3057 2828 415 489 0 691 1140
Etten-Leur 0 0 0 207 4334 0 7207 61 401 366 195
Geertruidenberg 0 0 56 42 1298 376 151 3889 0 43 649
Halderberge 0 114 0 478 1063 47 1384 0 3896 348 0
Moerdijk 0 0 0 657 1264 92 586 235 1044 6442 93
Oosterhout 0 0 0 122 3876 648 233 1016 0 190 9597
Roosendaal 0 0 0 2252 1573 91 1898 0 911 1064 303
Rucphen 0 0 0 330 1018 0 1116 0 375 429 47
Steenbergen 0 0 0 923 128 0 174 0 136 604 0
Werkendam 149 0 28 0 251 0 0 542 0 37 305
Woensdrecht 0 0 0 2462 0 70 82 0 0 268 0
Woudrichem 396 0 0 0 36 91 0 0 0 92 0
Zundert 0 0 32 42 1766 0 664 0 0 184 89

Totaal SES gebied 2563 1524 1986 26407 64388 4750 16069 7091 7055 12776 14487

Totaal rest NL 869 216 245 4277 13295 745 1309 3149 799 4283 4729

Algemeen totaal
(werkt in:) 1) 3431 1740 2231 30683 77683 5495 17377 10240 7853 17058 19216

1) exclusief woont in buitenland en werkt in SES gebied






29
Bijlage 2 (vervolg)

2B



Woon-werkmatrix SES gebied (op basis van herwogen OVG uitkomsten 1998, 1999 en 2000)



Roosen-
daal
Rucphen

Steen-
bergen
Werken-
dam
Woens-
drecht
Woudri-
chem
Zundert

Totaal
SES
Werkt
bui-
ten SES
Algemeen
totaal
Totaal woont in
gemeente/gebied


0 0 0 71 0 431 0 2972 1783 4755 Aalburg
0 0 0 0 0 0 0 2695 1271 3966 Alphen-Chaam
0 0 0 0 0 0 60 1819 749 2568 Baarle-Nassau
1788 51 846 0 1580 0 0 24278 4814 29092 Bergen op Zoom
926 123 32 101 106 115 878 52163 17192 69355 Breda
0 0 0 0 50 45 0 8715 2771 11486 Drimmelen
628 202 0 0 38 0 375 14014 2358 16372 Etten-Leur
19 0 38 208 0 0 0 6769 2597 9366 Geertruidenberg
2494 360 131 0 47 0 0 10362 2205 12567 Halderberge
666 0 305 0 156 0 0 11540 4237 15777 Moerdijk
81 0 0 160 56 82 119 16180 6573 22753 Oosterhout
17084 711 263 109 98 0 137 26494 4738 31232 Roosendaal
1154 3574 98 0 0 0 437 8578 1378 9956 Rucphen
1011 83 3607 0 380 0 0 7046 2846 9892 Steenbergen
79 0 0 3513 0 825 0 5729 5248 10977 Werkendam
539 44 0 0 3688 0 0 7153 1899 9052 Woensdrecht
0 0 0 309 0 1934 0 2858 3122 5980 Woudrichem
327 202 0 0 0 0 4391 7697 797 8494 Zundert

26794 5349 5320 4473 6199 3431 6397 217059 66563 283622 Totaal SES gebied

3243 0 548 1051 1762 1345 466 42331 0 42331 Totaal rest NL

Algemeen totaal
30037 5349 5867 5524 7961 4776 6863 259384 66563 325947 (werkt in:)









30
Bijlage 3


Aandelen met werk in eigen gemeente, andere regiogemeente en buiten de regio


Gemeente Aandelen: Totaal
in eigen gem. in rest regio buiten regio in % abs.

Aalburg 42,5 20,1 37,5 100,0 4.753
Alphen-Chaam 32,2 35,8 32,0 100,0 3.963
Baarle-Nassau 45,1 25,7 29,2 100,0 2.566
Bergen op Zoom 62,6 20,9 16,5 100,0 29.090
Breda 61,6 13,6 24,8 100,0 69.354
Drimmelen 24,6 51,3 24,1 100,0 11.484
Etten-Leur 44,0 41,6 14,4 100,0 16.371
Geertruidenberg 41,5 30,8 27,7 100,0 9.364
Halderberge 31,0 51,4 17,6 100,0 12.569
Moerdijk 40,8 32,3 26,8 100,0 15.776
Oosterhout 42,2 28,9 28,9 100,0 22.752
Roosendaal 54,7 30,1 15,2 100,0 31.228
Rucphen 35,9 50,3 13,8 100,0 9.955
Steenbergen 36,5 34,8 28,8 100,0 9.892
Werkendam 32,0 20,2 47,8 100,0 10.975
Woensdrecht 40,7 38,3 21,0 100,0 9.052
Woudrichem 32,3 15,4 52,2 100,0 5.981
Zundert 51,7 38,9 9,4 100,0 8.492

Totaal SES gebied 48,3 28,2 23,5 100,0 283.617