Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

Streekplan Overijssel 2000+

RWB

Vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 13 april 2005

Colofon

Datum

13 april 2005
Oplage

300
Auteurs

Mossel en Van Weerd
Fotografie/Illustraties OD 205 Vormgeving

Inlichtingen bij

P. Mossel RWB team Ontwikkeling tel.: 038 - 425 16 44 e-mail: pcw.mossel@prv-overijssel.nl
Adresgegevens

Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 425 25 25 Fax 038 425 48 30 www.prv-overijssel.nl postbus@prv-overijssel.nl

Inhoudsopgave

1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Opzet van de planherziening Aanleiding tot deze partiële herziening Procedure van de planherziening Korte beschrijving van de inhoud

5 5 6 7 8

2 2.1 2.2 2.3

Wijziging van het streekplan Wijzigingen in de streekplantekst Wijziging van de streekplankaart Aanvulling van de toelichting

9 9 15 15

3 3.1 3.2 3.3

3.4

Toelichting op de herziening 17 Voorgeschiedenis: Partiële herziening van 2001 17 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 23 april 2003 17 Voorbereiding nieuw locatiebesluit 18 3.3.1 Aanvulling locatiekeuzedeel MER 18 3.3.2 Locatiekeuze door initiatiefnemer 22 3.3.3 Inrichtings-MER 23 Locatiekeuze en inrichting RBT in het streekplan 25 3.4.1 Inhoud (aangevulde) MER 25 3.4.2 Beoordeling MER, voorkeursalternatief en voorkeursinrichting 26 3.4.3 Locatiekeuze en inrichting RBT in het streekplan 27 3.4.4 Karakter van concrete beleidsbeslissing 27 3.4.5 Nut en noodzaak van het Regionaal Bedrijventerrein Twente 32 3.4.6 Waterparagraaf 35 3.4.7 Europese richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. 37

4 4.1 4.2 4.3 4.4 Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage

Resultaten van advies en overleg over voorgenomen locatiekeuze Advies Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving Opmerkingen van gemeenten Opmerkingen van overige instanties Reactie op de overlegresultaten 1: Overzicht vigerende streekplantekst en voorgestelde nieuwe tekst 2: Op welke wijze is gevolg gegeven aan de uitspraak van de Raad van State 3: Overzicht rapporten bij MER RBT en Ontwerp-streekplanherziening RBT, oktober 2004 4: Rapport luchtkwaliteit 1 2 2.1 2.2 2.3 3 3.1 3.2 3.3 4 5 Inleiding Besluit luchtkwaliteit Het Besluit luchtkwaliteit Bronnen en effecten van luchtverontreiniging Grenswaarden, plan- en alarmdrempels Onderzoek van de luchtkwaliteit Aanpak Overige uitgangspunten voor het onderzoek Resultaten onderzoek luchtkwaliteit Conclusie Referenties

39 39 40 40 41 43 57 64 66 71 72 72 73 75 76 76 77 78 81 82

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

3

4

1

Inleiding

1.1

Opzet van de planherziening

In dit eerste hoofdstuk worden de opzet, aanleiding en de procedure van deze herziening van het streekplan Overijssel 2000+ beschreven. Vervolgens wordt kort beschreven wat in het (complete) Milieu-effectrapport Regionaal Bedrijventerrein Twente (verder MER genoemd) staat en welk voorkeursalternatief en welke voorkeursinrichting in het MER zijn opgenomen. Locatie en hoofdelementen van de inrichting worden in deze herziening vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de eigenlijke herziening: hierin wordt aangegeven welke onderdelen van het streekplan worden gewijzigd. Bijlage 1 laat de oude en nieuwe tekst naast elkaar zien, waarbij de nieuwe tekstgedeelten van een markering zijn voorzien. Hoofdstuk 3 bevat een uitgebreidere toelichting op de voorgeschiedenis, de voorbereiding van het nieuwe besluit en op de inhoud van het nieuwe besluit. Hoofdstuk 4 gaat in op de resultaten van advisering en overleg over de voorgenomen herziening. Leeswijzer. Als uitgangspunt is genomen de streekplantekst en –kaart van het streekplan Overijssel 2000+, zoals dat is vastgesteld in december 2000. In oktober 2001 hebben Provinciale Staten de partiële herziening van het streekplan Overijssel 2000+ “Locatiekeuze Regionaal Bedrijventerrein Twente” vastgesteld. Het merendeel van die herziening had betrekking op het RBT; deze onderdelen zijn door de uitspraak van de Raad van State vervallen. Enkele onderdelen vielen buiten het kader van de concrete beleidsbeslissing; deze zijn na de publicatie van de vastgestelde streekplanherziening van kracht geworden. Het gaat om de volgende onderdelen: Par. 4.1.3.2.1., de passage: “Op de streekplankaart zijn enkele nieuwe terreinen aangegeven voor ontwikkeling van bedrijvigheid in Almelo. Voor één gebied gaat het om een zoeklocatie, waarover nog nadere oordeelsvorming moet plaatsvinden. Omdat het gaat om terrein dat voor 2010 nodig is, is een afzonderlijk symbool gebruikt.” Voorts is in par. 5.6. de volgende tekst toegevoegd: “Met de aanduiding grote woon- of werklocatie tot 2010 wordt bedoeld aan te geven dat deze locaties naar verwachting vóór 2010 in ontwikkeling zullen worden gebracht; de realisering kan evenwel tot na 2010 doorlopen. Een apart symbool “zoeklocatie voor grote werklocatie tot 2010” is opgenomen voor gebieden die op basis van een globale beoordeling aan de hand van de beschikbare gebiedsgegevens mogelijk in aanmerking komen voor de ontwikkeling van bedrijventerrein in de periode tot 2010, maar waarvan de geschiktheid nog nader moet worden onderzocht”. Deze tekst vindt u dus terug in bijlage 1 in de linkerkolom met de vigerende tekst. Op de streekplankaart leidde de herziening tot toevoeging van de werklocatie ten noorden van het bedrijvenpark Twente en ten noorden van RW 36, en van de toevoeging van het symbool B aan de legenda en plaatsing op de streekplankaart ten zuiden van Nijrees. Verder werd een rode belemmeringslijn uitbreidingsrichting stads- en dorpsgebied getrokken ten zuiden van het als RBT aangewezen gebied. In hoofdstuk 2 wordt nu aangegeven wat er wijzigt ten opzichte van het streekplan Overijssel 2000+ met inbegrip van deze toevoegingen. Par. 1.4 geeft hier een korte beschrijving van.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

5

1.2

Aanleiding tot deze partiële herziening

Waarom een regionaal bedrijventerrein in Twente? Al in de jaren negentig is met name in de regio Twente een tekort aan bedrijventerreinen geconstateerd. In de provinciale Bedrijventerreinenvisie (1997) werd een beleid uitgestippeld dat onder meer is gericht op de ontwikkeling van voldoende bedrijventerreinen met daarbij een segmentering van de bedrijventerreinen, dat wil zeggen: onderscheid in typen bedrijventerreinen t.b.v. maatwerk en verhoging kwaliteit van de terreinen, en een regionale aanpak. Mede ten behoeve van die regionale aanpak heeft de provincie regionale Programmeringsoverleggen Bedrijventerreinen ingesteld, inmiddels omgevormd tot Regionaal Platform Bedrijventerreinen (RPB), waarin alle gemeenten in een regio participeren. Ze zijn ingesteld om te komen tot regionale afstemming en samenwerking ten aanzien van planning, reservering, realisering, differentiatie/segmentering, revitalisering en uitgifte van bedrijventerreinen op prioritaire locaties. De provincie gaf in de Bedrijventerreinenvisie een eerste voorzet tot het realiseren van een regionaal bedrijventerrein in Twente met name gericht op grote ruimtevragers. Zo’n terrein zou een goede bijdrage kunnen betekenen aan het enerzijds voorzien in de maatschappelijke behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, en anderzijds het zoveel mogelijk sparen van het waardevolle Twentse landschap. Door grote ruimtevragers te bundelen op een regionaal terrein kan ruimte vrijkomen op bestaande terreinen voor nieuwe hoogwaardige ontwikkelingen en wordt minder aanspraak gedaan op ruimtebeslag in meer kwetsbare gebieden. De eerste verkenning van de problematiek door het PO Twente in 1999 liet zien dat de belangrijkste tekorten optreden in de segmenten Gemengd Plus en Transport & Distributie. Met name voor grootschalige bedrijven zijn in de regio nauwelijks vestigingsmogelijkheden te vinden. Het programmeringsoverleg Bedrijventerreinen Twente (PO Twente) kwam in dit verband met het voorstel om een regionaal bedrijventerrein te ontwikkelen voor met name die grootschalige bedrijvigheid. Zo’n terrein zou een belangrijke aanvulling op het regionale aanbod betekenen en zou het mogelijk maken de overige bedrijventerreinen in de stedenband doelmatiger en gedurende een langere periode te kunnen benutten. Zo’n regionaal terrein is dus in de eerste plaats bedoeld voor de ruimtebehoefte in de grote steden, in Twente samen het stadsgewest Twente vormend. Dit uitgangspunt sluit ook aan op het verstedelijkingsbeleid van rijk en provincie. Zo’n terrein kan verder een aanvullende rol spelen voor de omringende gemeenten, waar evenzeer de behoefte kan optreden om grote ruimtevragers te kunnen uitplaatsen of doorverwijzen naar een regionaal terrein. Streekplanherziening 2001 Het Programmeringsoverleg Twente heeft vervolgens het initiatief genomen voor een Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) en heeft opdracht gegeven een Milieueffectrapport op te stellen om te komen tot een voorkeur voor een locatie. Na vaststelling van de Richtlijnen voor het MER door de provincie is een locatiekeuzedeel van het MER opgesteld (Milieu-effectrapport–deel A: locatiekeuze). In dit deel van het MER zijn uit een zevental potentiële vestigingsgebieden twee zoekgebieden geselecteerd, waaronder het gebied Almelo-Zuid/Borne-Noord. De beide zoekgebieden zijn op geschiktheid voor het realiseren van het RBT onderzocht. Dat heeft geleid tot een voorkeur voor de locatie Almelo-Zuid. Gedeputeerde Staten hebben het locatiekeuzedeel A van het MER aanvaard en ter visie gelegd en hebben het voorstel voor de locatiekeuze verwoord in een ontwerp voor de streekplanherziening. Deze herziening is in oktober 2001 door Provinciale Staten vastgesteld. Aanleiding hernieuwde locatiekeuze. Op 23 april 2003 heeft de Raad van State (RvS) het provinciaal besluit van oktober 2001 over de locatiekeuze voor een Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) vernietigd, onder andere omdat: zij ‘….bij hun besluitvorming door de gevolgde selectiemethode voorbij zijn gegaan aan de reële waarde van de locatie Almelo-Noord als alternatief …’ en ‘…. het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, nu dit niet berust op de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.’ Bovendien vond de Raad van State dat vóór het streekplanbesluit de financiële haalbaarheid vastgesteld had moeten worden en niet pas daarna. Tevens is de Raad van State van mening dat er ten tijde van het streekplanbesluit zicht moest zijn op een ontheffing op grond van de Flora en faunawet. Ook ontbrak naar haar mening zicht op de wijze waarop met cultuurhistorische belangen rekening wordt gehouden. Op een zevental andere punten, waaronder de onderbouwing van de

6

noodzaak van een RBT, stemde de Raad van State in met het verweer tegen de ingestelde beroepen. De initiatiefnemers blijven van oordeel dat een RBT belangrijk blijft voor de economische structuur van Twente, de werkgelegenheidsontwikkeling en het oplossen van ruimtegebrek bij de afzonderlijke steden. Een geactualiseerd onderzoek Van Buck Consultants International bevestigt de Twentse vraag naar bedrijfslocaties voor ‘grote ruimtevragers’. Gezien de uitspraak van de Raad van State was het voor een nieuwe streekplanafweging noodzakelijk dat Almelo-Noord alsnog werd onderzocht op alle relevante aspecten. Zomer 2003 hebben de initiatiefnemers van het RBT, de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo en de provincie Overijssel, daarom besloten het locatiekeuze onderzoek aan te vullen met een integraal onderzoek naar de geschiktheid van Almelo-Noord voor het RBT en in dat kader het Milieueffectrapport (MER) aan te vullen. Ook is voor de voorkeurslocatie van de initiatiefnemers een InrichtingsMER opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze bij de inrichting rekening wordt gehouden met o.a. natuur-, landschap en cultuurhistorie. Augustus 2004 is bovendien door de initiatiefnemers in het kader van een bezwaarprocedure tegen weigering van de ontheffing Flora- en faunawet een vernieuwde ontheffingsaanvraag ingediend. De initiatiefnemers, raden en staten, beslissen begin 2005 over de financiële haalbaarheid van het project, dus voordat Provinciale Staten de streekplanherziening vaststellen. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle thema’s waarop de Raad van State het aanvankelijke besluit heeft beoordeeld en wordt daarbij aangegeven op welke wijze in het nieuwe voorstel met deze thema’s rekening wordt gehouden. Uitkomst aanvullend onderzoek. Het aanvullend onderzoek wijst uit dat in het zoekgebied Almelo-Noord eveneens een geschikte locatie voor het RBT is aan te wijzen, die vergeleken kan worden met de locatie Almelo-Zuid. De meest geschikte locatie in Almelo-Noord is vergeleken met de locatie Almelo-Zuid. De locatie in Almelo-Noord is volgens het aanvullend MER-onderzoek het zogenaamde Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) maar de locatie Almelo-Zuid voldoet beter aan het Programma van eisen van de initiatiefnemers, genereert minder autokilometers op het wegennet en biedt meer (en flexibeler) ruimte voor bedrijven in de zwaardere milieucategorie door de afstanden tot woongebieden. Op beide locaties kan een RBT geëxploiteerd worden maar in Almelo-Zuid zijn ten aanzien van de uitgifte en de beoogde looptijd minder risico’s te verwachten. Voor de locatie Almelo-Zuid had de stuurgroep RBT in 2003 al geconcludeerd dat een RBT in Almelo-Zuid financieel haalbaar was. Door verschillende inrichtings- en uitvoeringsmaatregelen kan op de locatie Almelo-Zuid aan een aantal milieubezwaren worden tegemoetgekomen en kan het MMA dicht worden benaderd. Het nadeel dat in de locatie Almelo-Zuid meer woningen en (agrarische) bedrijven moeten verdwijnen dan in de locatie in Almelo-Noord, blijft. De initiatiefnemers menen dat dit nadeel niet opweegt tegen de economische en werkgelegenheidsbelangen die worden gediend met een RBT op de meest wervende locatie: Almelo-Zuid. De ligging aan de autosnelweg A35, de korte afstand tot de A1, de ligging aan de hoofdvaarweg Twentekanaal en de centrale ligging in de stedenband zijn voor de initiatiefnemers daarbij doorslaggevend. De locatie Almelo-Zuid is bovendien op redelijke termijn te realiseren omdat ze ligt binnen het grondgebied van één der initiatiefnemers (Almelo). De raden van de gemeenten Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Provinciale Staten van Overijssel hebben als initiatiefnemers van het RBT in de periode september/oktober 2004 ingestemd met deze keuze. De stuurgroep RBT, die namens de initiatiefnemers de realisering van het RBT voorbereidt, heeft vervolgens het provinciaal bestuur gevraagd deze voorkeurslocatie in een streekplanherziening vast te leggen, en heeft daartoe het gecompleteerde MER, inclusief een inrichtings-MER voor de locatie Almelo-Zuid, als onderbouwing aangeboden. In het inrichtings-MER voor de locatie Almelo-Zuid is het voorkómen van de negatieve gevolgen zoals die in het aanvullend locatieonderzoek naar voren zijn gekomen, als uitgangspunt genomen.

1.3

Procedure van de planherziening

Na de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2003 hebben begin juni 2003 de colleges van Burgemeester en wethouders van Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Gedeputeerde Staten van Overijssel voorstellen naar raden en staten gezonden over de verdere procedure voor een Regionaal Bedrijventerrein Twente; de eerste stap daarin was nader onderzoek om tot een zo goed mogelijk onderbouwde nieuwe locatiekeuze te kunnen komen. Provincie en gemeenten hebben vervolgens

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

7

ingestemd met de verlenging van de Intentieovereenkomst en de voorgestelde aanvulling van het MER met een onderzoek naar het gebied Almelo-Noord en het completeren van het MER met een inrichtings-MER. Betrokken vier gemeenteraden en provinciale staten hebben zomer 2004 als initiatiefnemers van het RBT ingestemd met de keuze van het voorkeursalternatief van de stuurgroep in de aanvulling op het locatiekeuzedeel van het MER. Vervolgens heeft de stuurgroep RBT het oorspronkelijke locatiekeuzedeel van het MER (Milieu-effectrapport–deel A: locatiekeuze (november 2000)) , de aanvulling daarop en een inrichtings-MER voor Almelo-Zuid in oktober 2004 aan Gedeputeerde Staten ter aanvaarding aangeboden met het verzoek de locatie Almelo-Zuid en de voorkeursinrichting in het streekplan op te nemen. Op 16 juli 2004 is het voornemen om tot een hernieuwde aanwijzing van de locatie Almelo-Zuid als regionaal bedrijventerrein in Twente te komen in het kader van het wettelijke overleg en advisering ingevolge artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening door Gedeputeerde Staten voorgelegd aan de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving en betrokken bestuursorganen. De reacties in het kader van het wettelijk overleg zijn (in hoofdlijnen) instemmend. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitkomsten van dit overleg. De ontwerp-streekplanherziening met het complete MER heeft van 29 oktober tot en met 25 november 2004 ter inzage gelegen. Er zij 16 reacties met bedenkingen en opmerkingen inzake de ontwerp-streekplanherziening en het MER ontvangen. Alle stukken en alle reacties zijn aan de commissie voor de milieueffectrapportage toegezonden. Deze commissie heeft het MER aan de richtlijnen voor het MER getoetst, waarbij zij de ingekomen reacties heeft betrokken. De commissie heeft aan Gedeputeerde Staten van Overijssel op 6 januari 2005 een positief advies uitgebracht over het Milieueffectrapport Regionaal Bedrijventerrein Twente. Het besluit om de locatie Almelo-Zuid aan te wijzen als RBT krijgt het karakter van een concrete beleidsbeslissing. Dat stelt bijzondere eisen aan de voorbereiding van het besluit. Provinciale Staten kunnen de streekplanherziening pas vaststellen als: • alle betrokken initiatiefnemers het zogenaamde Go-besluit hebben genomen en daarmee de financiële haalbaarheid vaststaat; • er zicht is op de ontheffingverlening Flora- en Faunawet. Na vaststelling van het streekplan is beroep mogelijk bij de Raad van State.

1.4

Korte beschrijving van de inhoud

De feitelijke streekplanherziening (opgenomen in hoofdstuk 2) bestaat uit een aanpassing van de teksten van paragraaf 4.1.3.2, 4.5.1.1.1. en 5.6 en een aanpassing van de streekplankaart. In de tekst wordt duidelijk gemaakt aan de hand van welke eisen een locatie is gezocht, welke afweging daarbij is gemaakt, en op welke doelgroepen de gekozen locatie Almelo-Zuid is gericht. In de tekst en in afbeeldingen is duidelijk gemaakt aan welke voorwaarden de inrichting van het terrein moet voldoen, dit met het oog op de waarden in het gebied zelf en de effecten op de omgeving. De toelichting (hoofdstuk 3) gaat veel uitgebreider in op de voorgeschiedenis en de inhoud van de nu voorliggende keuze van het RBT. Op de kaart is de locatie voor het RBT aangegeven als grote werklocatie met de extra aanduiding Regionaal Bedrijventerrein (RB). De omvang van het terrein is gebaseerd op het stedenbouwkundig plan, met inbegrip van de ecologische zone langs de Doorbraak, en loopt tot aan de, op het tracé van de Doorbraak getekende, rode belemmeringslijn. Deze preciezere aanduiding wijkt enigszins af van de in 2001 vastgestelde rode lijn. Daarom wordt voorgesteld de rode lijn opnieuw vast te stellen in deze herziening. Tot slot wordt voorgesteld het symbool “zoeklocatie voor grote werklocatie tot 2010” onder Nijrees te laten vervallen. In de door provincie en gemeente begin 2002 gezamenlijk vastgestelde notitie “Ontwikkeling bedrijventerreinen Almelo” is omtrent deze locatie het volgende geconcludeerd: “Bij de ontwikkeling en realisering van de woonwijk Nijrees heeft de gemeente Almelo tijdens informatieavonden en hoorzittingen nadrukkelijk verklaard dat het gebied rondom deze wijk groen zal blijven. In dat kader is de wijk gepropageerd als ‘de buitenplaats Nijrees’. Het thans ontwikkelen van een bedrijfsterrein op korte afstand van deze woonwijk op een tijdstip dat de wijk nog niet eens gereed is, is, vanwege gewekte verwachtingen, maatschappelijk gezien volstrekt onaanvaardbaar. In lijn met deze opvatting zal worden voorgesteld om het betreffende gebied in het structuurplan als groene long aan te merken.”

8

2

Wijziging van het streekplan

2.1

Wijzigingen in de streekplantekst

De tekst van onderstaande paragrafen wordt als volgt gewijzigd: de oude tekst van de betreffende paragrafen (met inbegrip van kaart 4 op blz. 54) vervalt, en onderstaande tekst (met inbegrip van de nieuwe kaarten 4A, 4B en 4C en de aangepaste kaart 22) komt er voor in de plaats. Voor de overzichtelijkheid is hier gekozen voor volledige vervanging van de betreffende (delen van) paragrafen, ook al is er in meerdere of mindere mate sprake van handhaving van oude teksten. In de nieuwe tekst is de concrete beleidsbeslissing (cbb) in een kader geplaatst (omlijnd). 1. par. 4.1.3.2. Bedrijventerreinen: vraag en aanbod en differentiatie de tekst op blz. 53 e.v. van paragraaf 4.1.3.2.1. VRAAG EN AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN vervalt. Daarvoor in de plaats komt de volgende tekst: Blz. 53 e.v. 4.1.3.2. Bedrijventerreinen: vraag en aanbod en differentiatie 4.1.3.2.1. VRAAG EN AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN Voldoende beschikbaarheid van bedrijventerreinen is een basisvoorwaarde voor een goed vestigingsklimaat. Een goede behoefteraming is daarbij noodzakelijk, om tekorten of overschotten te voorkomen. Enige bandbreedte is hierbij gewenst. Bij de berekeningsmethode van de behoefte voor de komende tien jaar gaan we uit van het uitgiftetempo van de afgelopen tien jaar. De uitgifte was in die periode hoog. Dat betekent dat verwacht mag worden dat een op dit uitgiftetempo gebaseerd aanbod van terreinen voldoende groot zal zijn om aan de toekomstige vraag te voldoen. De ontwikkeling van de economie is voor de periode tot 2010 nog redelijk voorspelbaar. Dat geldt niet voor de periode 2010 tot 2020. Over de economische ontwikkeling en de daarbij horende ruimtevraag zijn geen betrouwbare uitspraken te doen. Wel wordt voorzien dat de kwantitatieve vraag naar bedrijventerreinen kleiner zal zijn dan in voorgaande jaren. Met name het ruimtegebruik van productieactiviteiten zal afnemen. Vandaar dat voor die periode uitgegaan wordt van een minder hoog uitgiftetempo. Om te voorkomen dat niet tijdig rekening wordt gehouden met een andere meer ruimte vragende economische ontwikkeling zal als bovengrens ook het hoge uitgiftetempo van de periode tot 2010 verder worden doorgetrokken. Er wordt voor de periode 2010-2020 dus gewerkt met een bandbreedte. De bovengrens wordt gevormd door een doortrekking van de geprognotiseerde behoefte tot 2010. Voor de ondergrens is uitgegaan van een minder hoog uitgiftetempo, zoals hierboven geschetst. In de toelichting (T.3) wordt de berekeningsmethode nader uitgelegd.

In het kader van efficiënt ruimtegebruik streven wij naar een zo optimale benutting van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Gemeenten zullen hier in hun plannen aandacht aan moeten besteden (zie ook T.4 duurzame ontwikkeling). Wij zullen bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten te ontwikkelen of te ondersteunen, waar duidelijk sprake is van efficiënt ruimtegebruik, door middel van bijvoorbeeld meerlaags bouwen of parkeergelegenheid onder gebouwen. Daarnaast geldt dat wij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen zo veel mogelijk willen bevorderen. Uit onderzoek blijkt dat door herstructurering ongeveer 5% van de uitbreidingsbehoefte aan bedrijventerreinen gedekt kan worden. Gestreefd wordt naar multimodale ontsluiting van bedrijventerreinen.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

9

In de gebiedsbeschrijvingen is voor de steden en streekcentra uitgewerkt wat de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen is. Voor Overijssel als geheel is er in kwantitatief opzicht voldoende bedrijventerrein beschikbaar. Op regionaal en stadsgewestelijk niveau zijn er echter kwantitatieve en kwalitatieve lacunes. Tabel 5 geeft de situatie weer voor geheel Overijssel voor de streekplanperiode 2000-2020. strategische voorraad (vijf jaar) vraag in ha netto vraag in ha netto vraag in ha netto ondergrens 2010 - 2019 85 4 92 76 257 75 60 392 16 11 27 346 765 aandeel in totaal aanbod ha netto aanbod ha netto

1999-2010 bovengrens 2010 - 2019 124 7 135 112 378 110 88 576 24 16 40 506 1122 113 6 123 102 344 100 80 524 22 15 37 459 1020

voorraad plannen (1-1-1999) 33 1 18 44 96 47 29 172 4 10 14 94 280 139 0 169 151 459 110 124 693 73 37 110

Almelo Borne Hengelo Enschede stadsgewest Twente Zwolle Deventer totaal stadsgewesten Hardenberg Steenwijk totaal streekcentra overig Overijssel

56 3 62 51 172 50 40 262 11 8 19 229 510

51%

4% 45% 100%

EEN REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN IN TWENTE Onderzoek in 1999 gaf aan dat vooral in Twente op korte termijn problemen zouden gaan ontstaan. Er werd met name een tekort aan bedrijventerreinen in de segmenten Gemengd-plus en T&D gesignaleerd. Het gaat daarbij om terreinen die geschikt zijn om bedrijven in de hogere milieucategorieën en/of met een behoefte aan grotere kavels te huisvesten, met de daarbij behorende bereikbaarheidseisen. Al bij de voorbereiding en vaststelling van dit streekplan in 2000 is daarom voor Twente de realisering van een regionaal bedrijventerrein dringend gewenst geacht. Deze wens komt voort uit de in de par. 4.1.3.1. Ontwikkelingen algemeen geschetste doelstelling: verbreding van de Twentse economie en groei van de werkgelegenheid. Het stadsgewest Twente heeft een centrale rol in deze ontwikkeling. Het ontbreken van voldoende ruimte voor uitbreiding van bestaande bedrijvigheid of nieuwvestiging kan deze doelstelling doorkruisen. Het RBT is een belangrijk middel om te komen tot een gedifferentieerd aanbod van bedrijventerreinen, één van de doel-en taakstellingen in dit hoofdstuk. Het RBT is dus in de eerste plaats bedoeld voor de eigen bedrijvigheid in het stadsgewest, in de tweede plaats voor bedrijvigheid uit de omringende regio die de aard en/of schaal van de vestigingsplaats ontgroeit, en in de derde plaats voor vestiging van bedrijvigheid van buiten de regio, waartoe ook eventuele vestiging vanuit het buitenland behoort. Sindsdien is nader onderzoek naar de behoefte, aard, omvang en meest wenselijke locatie van het Regionaal Bedrijventerrein Twente (verder als RBT aan te duiden) gedaan. Het programma van eisen (PvE) voor een RBT, bij de start vastgelegd, zegt over de gewenste ligging van het RBT samengevat het volgende: • perfecte wervingskracht door uitstekende bereikbaarheid en ontsluiting; • geschikt voor de vestiging van grootschalige bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5; • centrale ligging in de stedenband; • gunstige ligging t.o.v. knooppunt A1/A35 bij Azelo (de hoofdtransportcorridor); • multimodaal te ontsluiten; • goed openbaar vervoer. Onderzochte voorkeursgebieden. Gelet op deze eisen enerzijds en de geschiktheidsbeoordeling in het MER anderzijds heeft de provincie in 2001 de locatie Almelo-Zuid aangewezen als meest geschikte locatie voor het Regionaal bedrijventerrein Twente. In beroep heeft de Raad van State geoordeeld dat deze locatiekeuze

10

onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat met name de mogelijke geschiktheid van Almelo-Noord onvoldoende is onderzocht. In een aanvullend onderzoek is Almelo-Noord op vergelijkbare wijze onderzocht. Het onderzoek wijst uit dat in Almelo-Noord een geschikte locatie gevonden kan worden. Vergeleken met Almelo-Zuid kan deze locatie als Meest Milieuvriendelijke Alternatief worden aangemerkt. De locatie Almelo-Noord scoort per saldo op milieugebied beter dan AlmeloZuid. ‘Per saldo’ wil zeggen dat Almelo-Noord niet op alle milieuaspecten beter scoort, maar het totaal aan effecten overziend scoort Almelo-Noord beter. De verschillen zijn echter niet groot. Bovendien zullen de nadelen voor natuur, landschap en cultuurhistorie op de locatie Almelo-Zuid door een goede inrichting, overeenkomstig de voorkeursinrichting en stedenbouwkundig plan van de initiatiefnemers zoals opgenomen in het inrichtings-MER, beperkt worden. Een tweede belangrijk ijkpunt vormt het programma van eisen. Almelo-Zuid voldoet op nagenoeg alle punten beter dan Almelo-Noord. Belangrijke punten in het voordeel van Almelo-Zuid zijn: de meer centrale ligging binnen de stedenband, de gunstige ligging ten opzichte van het knooppunt A1/A35 bij Azelo, de ligging aan groot vaarwater, en de met deze punten samenhangende wervingskracht van de locatie. De centrale ligging in de netwerkstad speelt in op de arbeidsmarkt, trekt (groeiende) bedrijven aan uit de hele Netwerkstad en heeft betekenis voor dienstverlenende bedrijven uit zowel Almelo als Hengelo/Borne en Enschede. Omvang van het terrein. Naast het aanvullende locatieonderzoek zijn ook de vraag- en aanbodgegevens geactualiseerd om na te gaan of de behoefte aan het RBT nog steeds actueel is. Onderstaande tabel 5a geeft voor Twente een geactualiseerd beeld naar de peildatum 1-1-2004. Hieruit wordt duidelijk dat de situatie in Twente nijpender is geworden. Ondanks de weer wat geringere uitgifte in de jaren 2000-2003 ten opzichte van eindjaren negentig is de verhouding tussen vraag en aanbod in ongunstige zin veranderd. Het verschil tussen de gewenste strategische voorraad in het stadsgewest van 165 ha en de direct beschikbare voorraad van 76 ha is erg groot. Het algemene beeld blijft voorts dat er sprake is van een versnipperd aanbod van terreinen, waarop nauwelijks mogelijkheden zijn om grootschalige kavels, ook voor bedrijven in de hogere milieucategorieën, te ontwikkelen. De behoefte aan een regionaal terrein juist voor die doelgroepen blijft onverminderd groot. Tabel 5a direct uitgeefbaar (ha) niet direct uitgeefbaar (planologische procedure gaande) (ha) 68.5 82.0 150.5 uitgifte afgelopen 10 jaar (ha) gewenste strategische voorraad in ha (voor 5 jaar)

Stadsgewest Twente Overig Twente Twente totaal Bron: VROM, IBIS

76.3 65.6 141.9

329.6 242.6 572.2

165 121 286

Het RBT is in de eerste plaats bedoeld voor de stadsgewestelijke vraag. Door aanbod voor grote ruimtevragers te creëren, kan elders langer met de beschikbare voorraad worden gedaan en kan deze voor meer kleinschalige en arbeidsintensieve bedrijvigheid worden aangewend. Uit het onderzoek voor het RBT is een behoefte van gemiddeld 6 tot 7 ha per jaar voor de grote ruimtevragers gebleken. Om ook voor de langere termijn voldoende aanbod veilig te stellen, is in de planvorming uitgegaan van een periode van 20 jaar, en is de gewenste omvang op ca. 130 ha netto bepaald. Het gebied Almelo-Zuid voldoet in de in het inrichtingsMER uitgewerkte voorkeursinrichting met een netto uitgeefbare oppervlakte van ca. 125 ha vrijwel geheel aan dit uitgangspunt Het RBT vervult ook een (aanvullende) rol voor de overige Twentse gemeenten. Deze rol is echter in omvang beperkt; het aanbod van het RBT kan niet in de plaats treden van het in tabel 5a bij Overig Twente vermelde aanbod en de daar in ontwikkeling zijnde plannen, omdat deze kwantitatief al achter blijven bij de gewenste omvang. Deze zijn in de eerste plaats nodig voor de eigen bedrijvigheid. In de toelichting wordt uitgebreider op vraag en aanbod ingegaan. De realisering van het RBT kan voor de regio Twente een zeer positieve bijdrage betekenen in een kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod aan bedrijventerrein. Alle onderzoeksgegevens afwegende concludeert de provincie dat er nog steeds behoefte is aan een terrein voor grootschalige bedrijvigheid en dat het gebied Almelo-Zuid daarvoor het meest in aanmerking komt.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

11

Locatiekeuze. De provincie wijst daarom de locatie Almelo-Zuid aan als regionaal bedrijventerrein, hoofdzakelijk bedoeld voor grootschalige bedrijvigheid met een kavelomvang vanaf 2 ha in de milieucategorieën tot en met categorie 5. Op plankaart 2, de functiekaart, wordt dit gebied, begrensd door de A-35, de “Doorbraak” en de daarlangs getrokken rode belemmeringenlijn en het Twentekanaal, aangegeven als “grote werklocatie” met de extra aanduiding Regionaal Bedrijventerrein, op de kaart aangegeven met het symbool RB. De “Doorbraak” is de ten zuiden van Almelo geprojecteerde nieuwe waterloop die het landelijke bekenstelsel van Noordoost-Twente zal gaan verbinden met de Regge. Deze waterloop wordt gecombineerd met de in de omgevingsplannen van Overijssel in dit gebied geprojecteerde provinciale ecologische verbindingszone (zie plankaart 1: Integratiekaart, en plankaart 3: Natuurbeleidskaart). De inrichting van het terrein dient plaats te vinden overeenkomstig de hieronder genoemde hoofdelementen uit de voorkeursinrichting in het inrichtings-MER en daarbij behorende stedenbouwkundig plan, waarbij belangrijke natuur- landschaps- en cultuurhistorische waarden worden gespaard en een goede afstemming met de Doorbraak wordt gewaarborgd: • de groenstructuur en de daarin opgenomen afstemming met de Doorbraak en maatregelen t.b.v. cultuurhistorie, landschap en flora en fauna en waterberging (kaart 4A) • de hoofdontsluitingsstructuur (kaart 4B) • de per deelgebied toegelaten categorieën bedrijvigheid i.v.m. (geluid)hinder en veiligheid (kaart 4C), verder juridisch vast te leggen in het bestemmingsplan. In dit plan en bij de milieuvergunningverlening wordt er voor gezorgd dat de geluidsproductie van de te vestigen bedrijvigheid de op de kaart aangegeven 55 dB(A)- en 50 dB(A)-contouren niet overschrijdt. De provincie merkt dit onderdeel van het streekplan met daarin het besluit over de locatie en hoofdelementen van de inrichting van een RBT in Almelo-Zuid aan als een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 en 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De concrete beleidsbeslissing (cbb) heeft betrekking op het gehele gebied Almelo-Zuid. Een beperking van de cbb tot een eerste fase voor ongeveer 10 jaar is vanwege de specifieke omstandigheden niet mogelijk en ook niet wenselijk. De toelichting (par. 3.4.4.) gaat hier nader op in. De tot de cbb gerekende teksten zijn in een tekstkader geplaatst. Voorts behoren de kaarten 4A, 4B en 4C en de voorgestelde wijziging op de streekplankaart, te weten de aanduiding “grote werklocatie tot 2010” voor het gebied Almelo-Zuid en het daarin geplaatste symbool RB met de betekenis “regionaal bedrijventerrein” tot de cbb. In de toelichting, T3A, wordt deze locatiekeuze en inrichting aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken nader onderbouwd. De daarin opgenomen kaarten geven nader inzicht in de inrichting van het gebied, de milieucontouren en de afstemming op en overgang naar de ecologische verbindingszone van de “Doorbraak”. De ter plaatse van de Doorbraak gelegde rode belemmeringenlijn maakt geen onderdeel uit van de concrete beleidsbeslissing. EEN REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN IN WEST-OVERIJSSEL? In het kader van de Regiovisie Zuid-Drente/Noord-Overijssel vindt er onderzoek plaats naar de noodzaak en mogelijke locatie van een regionaal bedrijventerrein voor het gebied Steenwijk, Meppel, Staphorst. Wanneer dit leidt tot een concrete locatie zal ook deze via een streekplanuitwerking opgenomen worden. ONTWIKKELING VAN BEDRIJVENTERREINEN Ook de werkgelegenheid van de overige kernen is van groot belang voor de economie van Overijssel. Daarom moeten ook deze kernen voldoende snel kunnen voldoen aan de vraag naar ruimte voor de bij die kern passende bedrijvigheid. Zie daarvoor hetgeen in paragraaf 4.1.1 per desbetreffende kern vermeld staat. Bij de beoordeling van bestemmingsplannen gaat de provincie uit van de uitgifte van de laatste tien jaar. De gemeente mag de helft hiervan in voorraad hebben en tevens in het bestemmingsplan ruimte hebben voor een uitbreiding van dezelfde omvang. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. De gemeente dient bij een nieuw bestemmingsplan voor uitbreiding van bedrijventerrein inzicht te geven in de wijze van uitgifte van bedrijfsterrein. Als grond is uitgegeven voor bedrijvigheid die niet past bij de functie van een kern zoals hierboven in de profielen beschreven, c.q. als vestiging van een

12

bedrijf niet is afgestemd in het programmeringsoverleg, dan zal een correctie plaatsvinden. We zullen dan eisen stellen ten aanzien van het tempo van uitgifte door bijvoorbeeld maar een deel van het ontwerp-bestemmingsplan goed te keuren. Actiepunten • • • • indien uit nadere verkennende studie blijkt dat in het gebied MeppelSteenwijk-Staphorst de behoefte bestaat aan een regionaal bedrijventerrein (op Overijssels grondgebied) zal hiervoor in een streekplanuitwerking een locatie worden aangeduid wij zullen bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten op het gebied van efficiënt ruimtegebruik van bedrijventerreinen te ontwikkelen of te ondersteunen de provincie zal zich in samenwerking met de mede-initiatiefnemers voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente inspannen om dit RBT zo spoedig mogelijk te realiseren

2. Blz. 112 en 113: de tekst vanaf KENSCHETS EN ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN VAN DE STEDEN EN KERNEN BINNEN HET STADSGEWEST tot aan het onderdeel WONINGBOUW wordt vervangen door: KENSCHETS EN ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN VAN DE STEDEN EN KERNEN BINNEN HET STADSGEWEST. Bij de kenschets van het stadsgewest Twente als netwerkstad is al geconstateerd dat er in dit gebied in steeds sterkere mate sprake is van een functioneren als één stedelijk gebied, met onder andere een samenhangende woning- en arbeidsmarkt. De opgaven bij de stedelijke ontwikkeling zullen daarom voor een belangrijk deel in een regionale aanpak en afstemming tot uitvoer worden gebracht, zoals bijvoorbeeld de bedrijventerreinenontwikkeling. Dit aspect wordt hierna als eerste behandeld. Dat neemt niet weg dat de steden en kernen ook hun eigen karakter en kernmerken en daaruit voortkomende ontwikkelingsopgaven hebben; in de gebiedsbeschrijving komen deze ook tot uitdrukking. Voorkomen moet worden dat steden en kernen zich zo ontwikkelen dat er een overaanbod van voorzieningen of van woon- en werklocaties komt dat kan leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en kwaliteitsverlies. Een regionale aanpak moet dergelijke effecten voorkomen. REGIONALE AANPAK VAN BEDRIJVIGHEIDSONTWIKKELING Algemeen aandachtspunt is de raming van de behoefte aan bedrijventerrein in Twente. Die behoefte kan op verschillende manieren worden benaderd. In de toelichting wordt daar nader op ingegaan. Op grond van de in de toelichting gegeven ramingen kan als bandbreedte voor de periode 2000 tot 2020 voor heel Twente 930 ha netto tot 1100 ha netto (= circa 1.300 ha bruto tot 1.540 ha bruto) en voor het stadsgewest Twente 560 ha netto tot 800 ha netto (= 784 ha bruto tot 1.120 ha bruto) worden aangehouden. Op basis van de cijfers in de toelichting kan het volgende overzicht worden gegeven voor het stadsgewest (zie onderstaande tabel 6). Tabel 6 STRATEGISCHE VOORRAAD periode (5 jaar) Stadsgewest Twente1 172 1999 -2010 378 VRAAG IN HA. (NETTO) AANBOD IN HA. (NETTO) voorraad (1-1-1999) 96 4292 plannen

bovengrens 2010 -2020 344

ondergrens 2010 - 2020 257

1
2

Het stadsgewest Twente bestaat uit de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo Op basis van de in de ‘Ruimtelijke ontwikkelingsvisie tot 2015’ van de gemeente Enschede opgenomen planning is voor de locatie Usseleres, noordelijk deel, rekening gehouden met een bedrijventerrein van 60 ha en is het ‘zachte plan’ Havengebied-west vooralsnog p.m. gelaten. De locatie Grote Plooy is niet in de beschikbare capaciteit meegenomen vanwege het vergevorderde stadium van het bestemmingsplan voor de vestiging van Grolsch op dat terrein.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

13

Uit deze tabel kan worden opgemaakt dat de behoefte in de periode van 1999 tot 2020 naar verwachting van 807 ha netto tot 894 ha netto zal bedragen. Na aftrek van het aanbod (voorraad + in plannen voorziene aanbod), resteert nog in de maximale variant 369 ha netto te ontwikkelen bedrijventerreinen in de periode tot 2020. Voor de periode tot 2010 is de vraag 550 ha netto. Na aftrek van het aanbod (voorraad + plannen) betekent dit dat voor deze periode nog (550 - 525 =) 25 ha netto aan plannen moet worden ontwikkeld. KWALITATIEVE ASPECTEN, SEGMENTERING EN FASERING BEDRIJVEN Het gaat hierboven om een puur cijfermatige benadering. In de werkelijkheid is de problematiek gecompliceerder. Behalve de vraag naar de totale behoefte aan bedrijventerreinen speelt ook de vraag naar de kwaliteit en plaats van de locaties die aangeboden (kunnen) worden. In de voorraad zit een incourant en/of versnipperd aanbod; het aanbod beslaat ook niet alle segmenten van bedrijvigheid. Zo is er slechts een minimaal aanbod van transport- en distributieterreinen en is een voldoende aanbod aan C-locaties een zorgpunt. Mogelijkheden om echt grote kavels uit te geven zijn er nauwelijks. Ook een tijdig en voldoende aanbod van B-locaties blijft aandacht vragen. Al in 1999 heeft het programmeringsoverleg Twente de conclusie getrokken dat de ontwikkeling op korte termijn van een regionaal bedrijventerrein in de stedenband Twente noodzakelijk is om in het stadsgewest Twente als geheel op het juiste moment de juiste hoeveelheden bedrijventerrein in de juiste kwaliteiten te kunnen aanbieden. Het regionale bedrijventerrein moet dus in zijn samenhang met de lokale terreinen die de steden ontwikkelen, worden bezien. Sinds die tijd is de situatie in het stadsgewest alleen maar nijpender geworden. In een milieu-effectrapportage (MER) en aanvullende onderzoeken zijn de mogelijkheden voor een regionaal bedrijventerrein onderzocht. In par. 4.1.3.2. is beschreven hoe op grond van deze onderzoeken het gebied Almelo-Zuid is aangewezen als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente, bedoeld voor grootschalige bedrijvigheid (kavelgrootte vanaf 2 ha) in de milieucategorieën tot en met 5. Voor vestiging van bedrijven in de groene geleding van het terrein gelden afwijkende vestigingsvoorwaarden. Het regionale karakter van het RBT komt mede tot uitdrukking door de instelling van een Openbaar lichaam waarin de initiatiefnemers (provincie en de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo) participeren. De regeling bevat o.a. regels voor de vestiging overeenkomstig het RBTprofiel (met een hardheidsclausule voor bijzondere gevallen), en de doorverwijzing van bedrijven met een RBT-profiel uit de netwerkstad naar het RBT met een (oplopende) compensatieverplichting als daar incidenteel van wordt afgeweken. Het RBT is dus in de eerste plaats een voorziening voor de stadsgewestgemeenten (netwerkstad Twente), in overeenstemming met de regionale functie voor de vestiging van bedrijvigheid die deze gemeenten hebben. Het RBT staat voorts open voor vestiging van bedrijven die aan het RBT-profiel voldoen vanuit andere gemeenten.

3. blz. 119: de tekst onder ALMELO, onderdeel WERKEN, wordt vervangen door: WERKEN De in 2000 nog beschikbare capaciteit in de locaties Bornsestraat, het bedrijvenpark Twente en het bedrijventerrein Twentepoort is medio 2004 vrijwel geheel benut; Almelo heeft nog enkele kleinere locaties die nog ontwikkeld kunnen worden zoals Wendelgoor en gebiedjes langs de stadsring (de singels). Voorts bieden de locaties Aadijk/Bleskolk, de in de partiële herziening van 2001 toegevoegde locatie ten noorden van het Bedrijvenpark Twente en een vergrote locatie Buitenhaven-west nog ruimte. Gelet op de wenselijkheid om een strategische voorraad aan te kunnen houden en op de ruimtebehoefte voor de langere termijn bestaat er al op redelijk korte termijn behoefte aan een nieuw terrein van grotere omvang, naast de ruimte die het Regionaal Bedrijventerrein Twente biedt voor de grootschalige bedrijvigheid. Het aanvankelijk daarvoor gedachte gebied ten zuiden van Twentepoort is nu aangewezen als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente. Zoekgebied voor aanvullende mogelijkheden is het gebied ten westen van het Twentekanaal binnen de rode contourlijn. Op kaart 22 met een uitsnede van Almelo staan de genoemde locaties aangegeven. 4. Blz. 149: de tekst van paragraaf 5.6 DE STREEKPLANKAARTEN tot aan de passage beginnend met “De aanduidingen voor de zones I tot en met …” (rechterkolom, regel 20) gaat als volgt luiden:

14

5.6 DE STREEKPLANKAARTEN Op de functiekaart (kaart 2) is het beleid, zoals beschreven in hoofdstuk 4, zoveel mogelijk in beeld gebracht. De aanduidingen op de kaart geven het ruimtegebruik aan zoals de provincie dat voor de toekomst ziet en nastreeft. Daarbij gaat het meestal om –in aansluiting op de streekplantekst– globale aanduidingen, die bij verdere beleidsontwikkeling op provinciaal en/of gemeentelijk niveau ingevuld dienen te worden. De verhouding tussen de streekplantekst en de aanduidingen op de functiekaart is zo dat de tekst beleidsbepalend is. De bestaande en de nog (gedeeltelijk) te ontwikkelen locaties voor wonen, werken en voorzieningen in de steden en kernen in de stadsgewesten, streekcentra en grotere kernen die al in een goedgekeurd bestemmingsplan zijn vastgelegd of waarvoor een anticipatieprocedure is doorlopen, zijn in de aanduiding stadsgewest, streekcentrum resp. grotere kern opgenomen. De soort en grootte van de letters van de plaatsnaam geeft de typering aan. Zie ook kaart 3 in hoofdstuk 4.1. Ook deze aanduiding heeft een globaal karakter en pretendeert niet de exacte bestemmingsplangrenzen weer te geven. Rond de steden en kernen in de stadsgewesten zijn voorts globaal toekomstige grote woon- en werklocaties en ontwikkelingsrichtingen voor wonen en werken na 2010 aangegeven. Met de aanduiding grote woon- of werklocatie tot 2010 wordt bedoeld aan te geven dat deze locaties naar verwachting vóór 2010 in ontwikkeling zullen worden gebracht; de realisering kan evenwel tot na 2010 doorlopen. Het gebied Almelo-Zuid is, in de vorm van een concrete beleidsbeslissing, als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente aangewezen. Deze locatie heeft behalve de aanduiding “grote werklocatie tot 2010” aanvullend de aanduiding Regionaal Bedrijventerrein (op de kaart aangeduid als RB) gekregen. De pijlen voor de ontwikkelingsrichtingen hebben geen directe relatie met de omvang van de voorziene woon- en werkgebieden; wel gaat het daarbij om de belangrijkste ontwikkelingsmogelijkheden voor de langere termijn. Daarnaast zijn er ook op andere plekken stedelijke functies mogelijk, voorzover rode (contour)lijnen geen belemmering hiervoor vormen. N.B.: Voor de overzichtelijkheid is hier gekozen voor volledige vervanging van de betreffende (delen van) paragrafen, ook al is er in meerdere of mindere mate sprake van handhaving van oude teksten. Bijlage 1 laat de oude en nieuwe tekst (inclusief de voorgestelde aanpassingen n.a.v. de bedenkingen) naast elkaar zien, waarbij de nieuwe teksten van een markering zijn voorzien.

2.2

Wijziging van de streekplankaart

Op de achterin opgenomen kaart (herziening van Plankaart 2: functiekaart) staat de vigerende situatie weergegeven en staan daarnaast de wijzigingen aangegeven. De wijzigingen zijn met een heldere kleur aangegeven, terwijl de bestaande aanduidingen met minder contrast zijn aangeduid. De wijzigingen betreffen: a. het opnemen van de grote werklocatie Almelo-Zuid met extra aanduiding Regionaal Bedrijventerrein b. de aanpassing van de rode lijn aan de preciezere begrenzing van RBT en aangrenzende zone tot aan de Doorbraak c. het schrappen van de aanduiding “zoekgebied voor grote werklocatie tot 2010” onder het gebied Nijrees en uit de legenda.

2.3

Aanvulling van de toelichting

De hierna als hoofdstuk 3 opgenomen toelichting wordt als “T3A . Regionaal Bedrijventerrein Twente” toegevoegd aan de toelichting van het Streekplan Overijssel 2000+.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

15

3

Toelichting op de herziening

Met het complete MER Regionaal Bedrijventerrein Twente en de onderliggende rapporten (zie lijst achterin, bijlage 3) en deze toelichting geeft de Provincie tevens invulling aan de inhoudelijke en procedurele vereisten ingevolge de Europese Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. Deze toelichting wordt als “T3A . Regionaal Bedrijventerrein Twente” opgenomen in de toelichting van het Streekplan Overijssel 2000+.

3.1

Voorgeschiedenis: Partiële herziening van 2001

In het Streekplan Overijssel 2000+ is aangekondigd dat voor een Regionaal Bedrijventerrein in Twente een proces van locatiekeuze gaande was, dat zou leiden tot een herziening van het streekplan. De provincie stimuleert regionale samenwerking en afstemming met betrekking tot het ontwikkelen van bedrijventerreinen en ondersteunt het ontwikkelen van een Regionaal Bedrijventerrein Twente. Het, op initiatief van de provincie ingestelde, Programmeringsoverleg Twente heeft hiervoor het initiatief genomen en heeft opdracht gegeven een Milieueffectrapport op te stellen om te komen tot een voorkeur voor een locatie. Na vaststelling van de Richtlijnen voor het MER door de provincie is een locatiekeuzedeel van het MER (Milieu-effectrapport - deel A: locatiekeuze (november 2000)) opgesteld. In dit deel van het MER zijn twee zoekgebieden, waaronder het gebied AlmeloZuid/Borne-Noord, verder onderzocht. Dat heeft geleid tot een voorkeur voor de locatie Almelo-Zuid (Bornerbroek-Noord). Gedeputeerde Staten hebben het MER aanvaard en ter visie gelegd en hebben een besluit over de locatiekeuze verwoord in een ontwerp voor de streekplanherziening. De betreffende locatie was in het genoemde Streekplan 2000+ voor een deel al bestempeld als toekomstig bedrijventerrein voor Almelo terwijl voor een ander deel een verdere ontwikkelingsrichting “werken/tevens reservelocatie” is aangegeven. De ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein op deze plaats was dus op zich niet verrassend. Het verschil met het vigerende streekplan betrof primair de omvang van de locatie en het feit dat deze locatie expliciet een regionale functie werd toegekend. Deze herziening is in oktober 2001 door Provinciale Staten vastgesteld. De locatiekeuze was als een concrete beleidsbeslissing aangemerkt. Hiertegen is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

3.2

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 23 april 2003

De Raad van State (RvS) heeft het besluit van Provinciale Staten over de streekplanherziening RBT van oktober 2001 vernietigd. Daarbij ging het om de volgende vier thema’s: • de selectie van de zoekgebieden en de onderzochte alternatieven; • de financiële onderbouwing en haalbaarheid; • de toets aan vereisten van de Flora- en faunawet; • cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Op deze 4 van de 11 behandelde thema’s vindt de Raad van State dat ten tijde van het streekplanbesluit sprake was van: onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en/of te weinig

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

17

noodzakelijke kennis van de relevante feiten en af te wegen belangen en/of te weinig of gebrekkige motivering; te weinig duidelijkheid over de financiële haalbaarheid; te weinig zicht op de kans op ontheffingverlening op grond van de Flora- en Faunawet. Ten aanzien van de andere geschilpunten, te weten de onderbouwing van de noodzaak, de aanwezigheid van het landgoed ’t Wolbert, het rekening houden met de belangen van de bewoners, de gevolgen voor Bornerbroek, de waterhuishouding, de infrastructuur en de gasleidingen in het gebied Almelo-Zuid, is de Raad van State van oordeel dat het provinciaal bestuur de belangen in redelijkheid heeft afgewogen en een verantwoorde beslissing daarover heeft genomen. Met name naar aanleiding van het standpunt van de Raad van State dat de provincie: “bij de besluitvorming door de gevolgde selectiemethode voorbij is gegaan aan de reële waarde van Almelo-Noord als alternatief (…) en het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, nu dit niet berust op de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.”, was meer onderzoek nodig om tot een voldoende onderbouwd en zorgvuldig nieuw streekplanbesluit te komen. Bijlage 2 geeft een compleet overzicht van de 11 thema’s en de wijze waarop deze in het nieuwe voorstel zijn verwerkt.

3.3

Voorbereiding nieuw locatiebesluit

De Stuurgroep RBT en de raden en staten van de daarin deelnemende partijen hebben na de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2003 uitgesproken dat zij de ontwikkeling van een RBT nog steeds dringend gewenst vinden. Begin juni 2003 hebben de colleges van Burgemeester en wethouders van Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Gedeputeerde Staten van Overijssel voorstellen naar raden en staten gezonden over de verdere procedure voor een RBT. Provincie en gemeenten hebben vervolgens ingestemd met de verlenging van de lopende Intentieovereenkomst en de voorgestelde aanvulling van het MER met een onderzoek naar het gebied Almelo-Noord en het completeren van de locatiekeuze-MER met een inrichtings-MER. De provincie heeft als bevoegd gezag voor het te nemen besluit over een nieuwe streekplanherziening bij brief van 7 juli 2003 aan de initiatiefnemers meegedeeld dat het gebied Almelo-Noord conform de richtlijnen van februari 2000 op dezelfde manier onderzocht moet worden als de gebieden Almelo-Zuid/ Borne-Noord en Hengelo-Oldenzaal (Deurningen). In verband hiermee gaf de provincie aan dat een ruim zoekgebied ten noorden van Almelo onderzocht zou moeten worden.

3.3.1

Aanvulling locatiekeuzedeel MER
Opstellen van de aanvulling. De aanvulling van het MER moest als gezegd gebeuren op de manier zoals voorgeschreven in de Richtlijnen voor het MER, die in februari 2000 zijn vastgesteld door de provincie. In de ‘Hoofdpunten van de Richtlijnen’ staat ten aanzien van de locatiekeuze het volgende: ‘Toepassing van deze eisen3 moet leiden tot de uiteindelijke selectie van één of slechts een zeer beperkt aantal (voorkeurs)locatie(s). De provincie beveelt aan dat, als de eerste fase van het MER op basis van het onderzoeksmateriaal en programma van eisen inderdaad leidt tot één duidelijk kansrijke locatie, de initiatiefnemer deze uitkomst vastlegt in een locatiekeuzedeel van het MER en dit deel voorlegt aan de provincie als bevoegd gezag, als eerste basis voor besluitvorming inzake het streekplan.’ Vanaf mei 2003 zijn diverse nadere onderzoeken uitgevoerd, waaronder een aanvullend flora- en faunaonderzoek in zowel Almelo-Noord als Almelo-Zuid. Dit werk is gebeurd onder verantwoordelijkheid van de stuurgroep RBT waarin de vijf initiatiefnemers samenwerken. De eerste stap in het ‘Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’, de geschiktheidbeoordeling, is januari 2004 door de stuurgroep afgerond.

3

eisen die aan de omgeving gesteld worden vanuit het RBT en eisen die door de omgeving worden gesteld aan het RBT

18

Conclusie is dat er naast Almelo-Zuid, na een eerste beoordeling op basis van milieueffecten, ook in Almelo-Noord geschikte gebieden te vinden zijn voor een RBT. Op grond daarvan heeft de stuurgroep een tweede stap gezet in de vorm van het uitvoeren van een leefbaarheidsanalyse voor de geselecteerde gebieden in Almelo-Noord. De stuurgroep heeft deze stap in juni 2004 afgerond en zich aansluitend de vraag gesteld of het locatiekeuzedeel van het MER kon worden afgerond en een locatiekeuze door de initiatiefnemers mogelijk en verantwoord was. De andere mogelijkheid was om voor Almelo-Noord eerst een inrichtings-MER op te stellen, net als eerder gebeurd is voor Almelo-Zuid, en pas daarna de locatie te kiezen. De stuurgroep heeft geconcludeerd dat verder onderzoek op inrichtingsniveau geen informatie kon opleveren die voor de locatieafweging tussen Almelo-Noord en de locatie Almelo-Zuid van doorslaggevend belang is. Uitkomsten van de aanvulling locatiekeuzedeel MER. In het ‘Stappenplan RBT tot streekplanbesluit’ van oktober 2003 heeft de stuurgroep in chronologische volgorde voor deze fase de volgende momenten in het proces onderscheiden: • is er een geschikte locatie in Almelo-Noord; • is er na een leefbaarheidsanalyse nog steeds een geschikte locatie in Almelo-Noord; • welke locatie is het meest milieuvriendelijk en welke heeft de voorkeur.
Geschikte locatie in Almelo-Noord

Het antwoord op de eerste twee vragen is ja. In januari 2004 heeft de stuurgroep RBT alle betrokkenen, raden en staten over deze resultaten van de geschiktheidsbeoordeling geïnformeerd. De stuurgroep heeft vervolgens binnen de geschikte gebieden in Almelo-Noord op systematische wijze (contourgenering genoemd) de relatief beste locatie nader begrensd. Het gaat om het gebied direct ten noorden van de N36 respectievelijk ten westen en ten oosten van kanaal en spoorlijn.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

19

Deze locatie in Almelo-Noord en de locatie Almelo-Zuid zijn vergeleken op alle relevante aspecten.
Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA)

Het is wettelijk voorgeschreven om in het MER aan te geven wat het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) is. Dit betekent niet dat dit alternatief automatisch gekozen moet worden. Volgens de aanvulling op het MER is de voorkeurslocatie in Almelo-Noord het MMA. De locatie Almelo-Noord scoort per saldo op milieugebied beter dan Almelo-Zuid. ‘Per saldo’ wil zeggen dat Almelo-Noord niet op alle milieuaspecten beter scoort, maar het totaal aan effecten overziend scoort Almelo-Noord beter. In het ‘Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’ is dit uitgebreid beschreven. Samengevat is de situatie als volgt: In de locatie Almelo-Noord liggen 4 woningen en 8 bedrijven die moeten verdwijnen. Het gebied heeft weinig of geen natuur-, landschaps-, cultuurhistorische en archeologische waarden. Op het waterhuishoudingsaspect scoort Almelo-Noord beter dan Almelo-Zuid. Een negatief milieuaspect in verband met mogelijke hinder betreft de afstand van de locatie ten opzichte van de 21 woningen aan de Wierdenseweg (richting Vriezenveen), die bedraagt 100 m. De afstanden tot Aadorp (800m) en Vriezenveen (300 m) zijn zodanig dat hinder beperkt zal blijven. Tussen de locatie en de geplande woningbouw in het Structuurplan van Almelo ten zuiden van de N36 (ten noorden van Aadorp) ligt alleen de N36 en deze beperkte afstand (150 m) kan hinder opleveren. Een RBT in Almelo-Noord veroorzaakt vergeleken met Almelo-Zuid 29% meer autoverkeer in de avondspits en daarmee samenhangende milieueffecten. De geluidzone van de RBT-locatie en de autoweg N36 vallen voor een deel samen. Dat positieve effect is kleiner dan in Almelo-Zuid omdat de geluidzone bij een autoweg kleiner is dan bij een autosnelweg. Het westelijk deel van de locatie Almelo-Noord kan via spoor ontsloten worden en het oostelijk deel ligt aan een 600 tons vaarweg. De visueelruimtelijke buffer tussen Vriezenveen en Almelo wordt verkleind. De recreatieve waarde van het kanaal Almelo-De Haandrik neemt ter plaatse af. Aandachtspunt voor de bereikbaarheid, mede als gevolg van autonome ontwikkelingen, is de capaciteit op de N36 en de Wierdensebrug en afwikkeling van het verkeer van het RBT op het stedelijk hoofdwegennet. Binnen de locatie Almelo-Zuid zijn natuur-, landschaps-, cultuurhistorische, recreatieve en archeologische waarden aanwezig en die ontbreken nagenoeg in Almelo-Noord. Op het waterhuishoudingsspect scoort Almelo-Zuid minder goed dan Almelo-Noord. In de locatie Almelo-Zuid liggen 40 (bedrijfs-)woningen en 17 bedrijven die moeten verdwijnen. De afstanden tot Bornerbroek en de daar geplande uitbreiding aan de noordoostzijde (350 m) en de woonwijk Windmolenbroek (400 m) zijn zodanig dat hinder beperkt zal blijven. De Almelose wijk het Nijrees ligt op 800 afstand. De directe ligging aan de rijksweg en de ligging binnen de stedenband levert in de avondspits 29% minder autoverkeer op dan in Almelo-Noord. De geluidzone van de autosnelweg A35 en de geluidzone van de locatie vallen voor een deel samen. Omdat de geluidzone van een autosnelweg groter is dan van een autoweg is dit positieve effect groter dan bij de locatie Almelo-Noord. De locatie ligt aan een 2.000-tons vaarweg en kan niet door spoor ontsloten worden.

20

De visueel-ruimtelijke buffer tussen Bornerbroek en Almelo wordt verkleind. Realisering van de (verbrede) doorbraak accentueert de scheiding tussen RBT en Bornerbroek en omgeving. Voor de bereikbaarheid is de toenemende druk op de Henriëtte Roland Holstlaan aandachtspunt, als gevolg van zowel autonome ontwikkelingen als het RBT.
Beoordeling vanuit Programma van eisen voor het RBT

Het programma van eisen (PvE) voor een RBT, bij de start vastgelegd, zegt over de gewenste ligging van het RBT samengevat het volgende: • perfecte wervingskracht door uitstekende bereikbaarheid en ontsluiting; • geschikt voor de vestiging van grootschalige bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5; • centrale ligging in de stedenband; • gunstige ligging t.o.v. knooppunt A1/A35 bij Azelo (de hoofdtransportcorridor); • multimodaal te ontsluiten; • goed openbaar vervoer. Almelo-Zuid voldoet op nagenoeg al deze punten beter dan Almelo-Noord. De locatie Almelo-Zuid ligt aan de (door te trekken) autosnelweg A35, bij een afslag. Er is voldoende afstand tot woonbebouwing om in een deel van het gebied bedrijven tot en met milieucategorie 5 te kunnen vestigen. De locatie ligt centraal in de stedenband en op ca 4 km afstand van het knooppunt Azelo. Het terrein ligt aan de 2.000-tons hoofdvaarweg Twentekanaal. Openbaar vervoer zal per bus moeten plaatsvinden. De locatie Almelo-Noord ligt aan de autoweg N36 (via de door te trekken A35/aansluiting N36 te bereiken) waar op kan worden aangesloten. De afstand tot aaneengesloten woonbebouwing (woningen langs de Wierdenseweg en de geplande woningbouw in het Structuurplan van Almelo ten noorden van Aadorp) is kleiner dan in Almelo-Zuid, waardoor de ruimte voor bedrijven in de zwaardere milieucategorieën kleiner is dan in Almelo-Zuid. De locatie ligt ca op 11 km van het knooppunt Azelo. De westelijke helft van de locatie is door een – door te trekken – stamspoorlijn te ontsluiten en het oostelijk deel ligt aan een 600-tonsvaarweg. Openbaar vervoer zal per bus moeten plaatsvinden.
Maatregelen die nadelen opheffen

De stuurgroep heeft nagegaan welke maatregelen mogelijk zijn om de nadelen van de locaties op te heffen of te verminderen. De belangrijkste nadelen van Almelo-Zuid in vergelijking met Almelo-Noord betreffen: • verlies natuur, landschaps- en recreatieve waarden; • mogelijke verstoring archeologische en verlies cultuurhistorische waarden; • vermindering recreatief uitloopgebied en kwaliteit fietsroutes; • past minder goed in watersysteem; • geen spooraansluiting ; • groter aantal woningen en bedrijven dat weg moet met directe en indirecte gevolgen. De eerste twee nadelen zijn te verminderen door goede inrichtings- en uitvoeringsmaatregelen. Goed ingepaste fietsverbindingen in dit plan kunnen zorgen voor blijvende bereikbaarheid van het landelijk gebied, als recreatief uitloopgebied. Negatieve gevolgen voor het watersysteem zijn door technische maatregelen te voorkomen4. Het realiseren van een spooraansluiting is niet reëel. Het aantal gedwongen verhuizingen is niet te verminderen. De belangrijkste nadelen van Almelo-Noord in vergelijking met Almelo-Zuid betreffen: a. de ligging aan een autoweg i.p.v. een autosnelweg; b. 7 km verder tot knooppunt Azelo; c. genereert meer autoverkeer; d. decentrale ligging in stedenband; e. ligging aan 600 tons vaarweg i.p.v. een 2.000 tons hoofdvaarweg; f. afstand tot woonbebouwing (hinder) en dit beperkt ook (flexibele) vestigingsruimte zwaardere milieucategorieën; g. grotendeels niet gelegen op het grondgebied van één der initiatiefnemers. Er zijn voor de punten a t/m e geen reële maatregelen te bedenken die deze nadelen van AlmeloNoord opheffen. Het nadeel f kan verminderd worden door verkleining van de nieuwe
4

rapport Arcadis ‘Afstemming RBT en Doorbraak, water en landschap’ (mei 2002)

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

21

woningbouwlocatie ten noorden van Aadorp en/of door de 21 woningen aan de Wierdenseweg weg te halen. Voor wat betreft punt g: met toepassing van de ‘Wet algemene regels herindeling’ kan een grenscorrectie plaatsvinden.
Locatieafweging i.r.t. inrichtings-MER

Zoals hiervoor is aangegeven gaat het bij de nadelen van Almelo-Noord niet om zaken die door een bepaalde inrichting van het terrein kunnen worden vermeden of verminderd. Het maken van een inrichtings-MER voor Almelo-Noord heeft volgens het MER voor een locatieafweging dan ook geen toegevoegde waarde. In het ‘Stappenplan RBT tot streekplanbesluit’ (oktober 2003) heeft de stuurgroep aangegeven dat indien een MMA of voorkeurslocatie in Almelo-Noord zou liggen, hiervoor een inrichtings-MER opgesteld zou worden. De stuurgroep heeft besloten daarvan gemotiveerd af te wijken omdat een volledige inrichtings-MER aan de locatieafweging niets kan toevoegen en omdat de Richtlijnen voor het MER (februari 2000) het ook niet voorschrijven. Onder die omstandigheden acht de stuurgroep een locatiekeuze thans volledig verantwoord. Extra tijd en kosten die gemoeid zijn met het opstellen van zo’n inrichtings-MER ca voor Almelo-Noord zouden in dit stadium van de besluitvorming alleen te rechtvaardigen zijn als ze voor de locatieafweging van belang zijn.
Evaluatie locatieafweging in 1999 - 2001

Het Programmeringsoverleg Bedrijventerreinen heeft bij de start van het RBT-proces, bij de startnotitie MER (1999), de afweging gemaakt om Almelo-Noord niet in het MER te onderzoeken. De stuurgroep RBT en de provincie, als bevoegd gezag voor de richtlijnen MER (2000) en het streekplanbesluit (2001), hebben hiermee ingestemd. In de betreffende streekplanherziening (toelichting) en het statenvoorstel is dit, mede naar aanleiding van de toen binnengekomen bezwaren, beargumenteerd. In een afwegingsmatrix in de streekplanherziening scoorde AlmeloNoord t.o.v. Almelo-Zuid slechter op de ontsluiting, ligging in de stedenband en afstand tot / uitbreidingsruimte voor – geplande – woongebieden. Voor wat betreft de waarden landelijk gebied scoorden beide locaties volgens die matrix toen gelijk, daarbij werd uitgegaan van de geldende zoneaanduiding in het streekplan die voor beide gelijk is (zone I, landbouw). In het statenvoorstel 32 van 2001, inclusief de nota van wijzigingen, is tevens ingegaan op de (milieu-) informatie vanuit het MER dat was opgesteld voor de streekplanherziening Stadsgewest (1996). Daaruit kwam naar voren dat zowel Almelo-Noord als Almelo-Zuid relatief geschikt waren voor verstedelijking, maar dat op ‘water en bodem’ Almelo-Zuid slechter scoorde dan Almelo-Noord. De potentiële geschiktheid van Almelo-Noord is destijds dus niet in twijfel getrokken. Nu - naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van april 2003 - het onderzoek voor het RBT was aangevuld, lag bij de initiatiefnemers de vraag voor of dit zodanige nieuwe inzichten oplevert dat zij tot een andere keuze moeten komen dan in 2001, of dat de oorspronkelijke voorkeur bevestigd kan worden. De stuurgroep heeft geconstateerd dat het ‘Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’ gedetailleerd inzicht verschaft in de voor- en nadelen van de locaties Almelo-Noord en Almelo-Zuid. Dit komt ook doordat nu – systematisch onderbouwd – de meest geschikte RBT-locatie binnen het zoekgebied Almelo-Noord is bepaald. Het levert ten opzichte van de inzichten en afweging in 2001 de volgende belangrijkste verschillen op: • op de aspecten natuur-, landschap, archeologie, recreatie en cultuurhistorie komt Almelo-Zuid nu slechter naar voren t.o.v. Almelo-Noord dan in 2001; • explicieter komt nu naar voren dat in Almelo-Zuid aanmerkelijk meer woningen en bedrijven moeten verdwijnen dan in Almelo-Noord; • de kwalitatieve verschillen in de bereikbaarheid staan beter op een rij; • er is nu (ook doordat in 2002 het structuurplan voor Almelo is vastgesteld) meer zicht op de relatie tussen een RBT in Almelo-Noord en de aldaar geplande woningbouw; • thans komt naar voren dat de meest geschikte RBT-locatie in Almelo-Noord voor het grootste deel op het grondgebied ligt van de gemeente Twenterand.

3.3.2

Locatiekeuze door initiatiefnemer

Voor de initiatiefnemers van het Regionaal Bedrijventerrein Twente lag dus de vraag voor of het aangevulde locatieonderzoek zodanige nieuwe inzichten oplevert dat de initiatiefnemers tot een andere keuze moeten komen dan in 2001, of dat de oorspronkelijke voorkeur bevestigd kan worden.

22

Voorkeursalternatief initiatiefnemers Naar het inzicht van de stuurgroep is een integrale afweging van belangen opnieuw aan de orde. De stuurgroep heeft bij het bepalen van haar voorkeur de volgende afweging gemaakt. De locatie in Almelo-Noord is het zogenaamde Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA), maar de locatie Almelo-Zuid voldoet beter aan het Programma van eisen van de initiatiefnemers, biedt meer en (flexibeler) ruimte voor bedrijven in de zwaardere milieucategorie door de afstanden tot woongebieden en genereert minder autokilometers. Op beide locaties kan een RBT geëxploiteerd worden maar in Almelo-Zuid zijn ten aanzien van de uitgifte en de beoogde looptijd minder risico’s te verwachten. Voor de locatie Almelo-Zuid had de stuurgroep RBT in 2003 al geconcludeerd dat een RBT in Almelo-Zuid financieel haalbaar was. Door verschillende inrichtings- en uitvoeringsmaatregelen kan volgens de stuurgroep op de locatie Almelo-Zuid aan een aantal milieubezwaren worden tegemoetgekomen. Het nadeel dat in de locatie Almelo-Zuid meer woningen en (agrarische) bedrijven moeten verdwijnen dan in de locatie in Almelo-Noord, blijft. De stuurgroep RBT meent dat dit nadeel niet opweegt tegen de economische en werkgelegenheidsbelangen die worden gediend met een RBT op de meest wervende locatie: AlmeloZuid. De ligging aan de autosnelweg A35, de korte afstand tot de A1, de ligging aan de hoofdvaarweg Twentekanaal en de centrale ligging in de stedenband zijn voor de stuurgroep RBT daarbij doorslaggevend. De locatie Almelo-Zuid is bovendien op redelijke termijn te realiseren omdat ze ligt binnen het grondgebied van één der initiatiefnemers (Almelo). De stuurgroep heeft de initiatiefnemers voorgesteld met deze conclusie in te stemmen. De raden van de gemeenten Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Provinciale Staten van Overijssel hebben in de periode september/oktober 2004 ingestemd met deze keuze. De stuurgroep heeft vervolgens: 1. voor Almelo-Zuid een aangepast stedenbouwkundig plan met inrichtingsmaatregelen vastgesteld waarin zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie en het watersysteem en waarin de negatieve gevolgen die in het aanvullend onderzoek naar voren zijn gekomen, zoveel mogelijk worden beperkt ; 2. het geactualiseerde inrichtings-MER RBT voor Almelo-Zuid vastgesteld en samengevoegd met het ‘Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’; 3. het aldus aangevulde en geactualiseerde MER ingediend bij de provincie als bevoegd gezag, met het verzoek het voorkeursalternatief Almelo-Zuid en de voorkeursinrichting op te nemen in het streekplan.

In januari en februari 2005 hebben de raden van de gemeenten Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Provinciale Staten van Overijssel als initiatiefnemers ingestemd met het gezamenlijk ter hand nemen van de ontwikkeling, exploitatie en beheer van het RBT en met als doel het realiseren ervan met een minstens sluitende exploitatie. Zij hebben daartoe de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Twente vastgesteld en voorts besloten in te stellen het Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente.

3.3.3

Inrichtings-MER
In het Inrichtings-MER (iMER) voor Almelo-Zuid is aangegeven op welke wijze duurzaamheidthema’s in de inrichting een rol spelen. Voor alle milieuaspecten is aangegeven wat de huidige situatie is en welke autonome ontwikkelingen worden voorzien. Vervolgens wordt ingegaan op de toetsingscriteria voor de inrichting alsmede mogelijke varianten en effecten daarvan. Aan de hand daarvan is het voorkeursalternatief ontwikkeld, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan van oktober 2004.

Stedenbouwkundig plan en Inrichtings-MER In het stedenbouwkundig plan zijn onder andere nader uitgewerkt en aangegeven: – de ontsluitings- en verkeersstructuur (directe ontsluiting vanaf A 35 en ongelijkvloerse kruising van Pastoor Ossestraat); – een sterke groene geleding in drie delen waarbij de belangrijkste groene elementen en cultuurhistorische waarden in het gebied worden gehandhaafd; het te behouden en in te passen gebied met ook het waardevolle erf met opstallen en directe omgeving van het landgoed ’t Wolbert vormt één geheel met de verbrede zone van de Doorbraak; – de verbreding van de Doorbraak; – opvang van water in zichtbare watergangen en vijvers;

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

23

– gedifferentieerde opbouw van de randen met verschillende ‘gezichten’; – situering van bedrijven in het groen – beeldkwaliteitscriteria voor de drie deelgebieden. Wij zijn van mening dat dit stedenbouwkundig plan een kwaliteit biedt die de provincie en de andere initiatiefnemers voor ogen hadden bij de start van het project. In het iMER is aangegeven op welke wijze duurzaamheidthema’s in de inrichting een rol spelen. Voorkomen van de negatieve gevolgen zoals die in het aanvullend locatieonderzoek zijn geconstateerd, is voor het iMER als uitgangspunt genomen. Voor alle milieuaspecten is aangegeven wat de huidige situatie is en welke de autonome ontwikkelingen worden voorzien. Vervolgens wordt ingegaan op de toetsingscriteria voor de inrichting alsmede mogelijke varianten en effecten daarvan. Aan de hand daarvan is het voorkeursalternatief ontwikkeld, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan van oktober 2004. De belangrijkste landschaps- en natuurelementen zijn in het structurele groen opgenomen. Deze voorkeursinrichting is vergeleken met een Meest Milieuvriendelijke Inrichting (MMI). In de MMI zijn nagenoeg alle bestaande groenelementen in structureel groen op het RBT opgenomen. Dat zien de initiatiefnemers echter niet als een reële optie, omdat daardoor de hoeveelheid uitgeefbaar terrein afneemt en een goede verkaveling voor grootschalige bedrijvigheid bemoeilijkt wordt. Wel zal ernaar worden gestreefd om bestaande groenelementen buiten het structureel groen ook te handhaven in overleg met de bedrijven die zich ter plekke vestigen. Het voorkeursalternatief heeft in onze ogen ook een zeer hoge kwaliteit en kan de toets der kritiek doorstaan. Gegevens ten behoeve van ontheffing Flora- en Faunawet In verband met het voorkomen van beschermde flora- en faunasoorten in de locatie Almelo-Zuid is voor de realisering van het RBT een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet nodig. Het ontbreken van (zicht op) een ontheffing Flora- en faunawet ten tijde van het vorige streekplanbesluit was één van de vier redenen voor de Raad van State om het eerdere streekplanbesluit te vernietigen. Het Flora- en Faunaonderzoek dat sinds april 2003 in opdracht van de stuurgroep RBT gedurende 12 maanden in Almelo-Zuid (en Almelo-Noord) is uitgevoerd, bevat alle benodigde gegevens voor een geactualiseerde ontheffingsaanvraag. Deze is eind augustus 2004 ingediend opdat een ontheffing kan zijn verkregen voordat Provinciale Staten besluiten over de streekplanherziening. Relatie met de Doorbraak De Doorbraak (voorheen Natte Doorbraak genoemd) betreft een initiatief van het Waterschap Regge en Dinkel om een waterloop gecombineerd met een ecologische verbindingszone te realiseren door de Twentse Stedenband. Bij de besluitvorming over de eerste streekplanherziening RBT is door Provinciale staten bepaald dat deze Doorbraak waar deze grenst aan het RBT robuuster moet worden uitgevoerd waarbij de breedte van het tracé daar zal moeten worden verdubbeld tot gemiddeld 150 meter. Het RBT is wat betreft het onderdeel waterhuishouding en riolering en afstemming RBT–Doorbraak goed uitvoerbaar. Er zijn geen technische belemmeringen aanwezig om het RBT te ontwikkelen in samenhang met een goed functionerende (verbrede) Doorbraak. In het stedenbouwkundig plan voor het RBT is de (verbrede) Doorbraak betrokken en vormt het ecologisch functioneren van de Doorbraak uitgangspunt. In de verbreding van de Doorbraak worden extra natuurvoorzieningen gerealiseerd, zoals poelen voor amfibieën en onderkomens voor vleermuizen. De verwervings- en inrichtingskosten van de extra 75 meter (21 hectare) zijn opgenomen in de exploitatieopzet voor het RBT. Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft reeds groen licht gegeven voor de realisering van de Doorbraak zelf. Een bestemmingsplan voor de Doorbraak is inmiddels in procedure. Duurzaamheid In de Intentieovereenkomst RBT die eerder door gemeenteraden en Staten is ondertekend onderschrijven de betrokken partijen het uitgangspunt van duurzaamheid bij de gehele ontwikkeling van het bedrijventerrein. Er is in het kader van de haalbaarheidstudie RBT daarom een kadernotitie Duurzaamheid opgesteld. Hierin staan de nagestreefde doelen en specificaties, de stand van zaken en de aandachtspunten. In een actieplan/overzichtstabel staan alle doelen en maatregelen die voor het vervolg van het proces belangrijk zijn en wie daarvoor verantwoordelijk is en/of zorgt voor de uitvoering. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het realiseren van de verbrede Doorbraak, de afwikkeling van het verkeer, het hergebruik van proces-/afvalwater, de milieuzonering, het benutten van restwarmte, duurzame energie, beeldkwaliteit, meervoudig en intensief ruimtegebruik en parkmanagement.

24

Gasleidingen Er lopen door het RBT-gebied een hoofdtransportleiding en een regionale gasleiding. Deze moeten beide worden verlegd om het RBT op een goede manier te kunnen ontwikkelen en realiseren. De leidingen zullen langs Rijksweg 35 gesitueerd worden, mogelijk in samenhang met een nieuwe leiding langs de A35. De kosten van de verlegging zijn door de Gasunie geraamd en opgenomen in de exploitatieopzet. Rijkswaterstaat en Gasunie willen hun medewerking verlenen. Verkeer Naar de afwikkeling van het verkeer is uitgebreid onderzoek gedaan door het adviesbureau Goudappel en Coffeng. Conclusie is dat bij ontwikkeling van het RBT er in de komende 17 jaar aanpassingen nodig en mogelijk zijn op de H. Roland Holstlaan en dat daardoor een acceptabele verkeersafwikkeling mogelijk blijft. In de exploitatieopzet van het RBT is een afdracht aan het fonds Bovenwijkse voorzieningen van Almelo opgenomen. Rond 2020 zullen de verkeersintensiteiten op de H. Roland Holstlaan en de Wierdensestraat-N 36 de capaciteiten van die wegvakken gaan overschrijden. Ten behoeve van de bereikbaarheid van Almelo (inclusief het RBT) zullen dan maatregelen op structuur- en Netwerkstadniveau nodig zijn. De ontsluiting van het RBT vindt plaats vanaf de nieuwe aansluiting op de doorgetrokken Rijksweg 35 in het verlengde van de H. Roland Holstlaan. Ook het RBT-gebied ten oosten van de Pastoor Ossestraat wordt ontsloten via de hoofdontsluitingsas over het RBT die de Pastoor Ossestraat ongelijkvloers kruist. De hoofdontsluitingsas is bovendien zo gesitueerd dat verlenging over het kanaal mogelijk is om een eventueel Almelo’s bedrijventerrein westelijk van het kanaal te kunnen ontsluiten. Er komt een noodaansluiting op de Pastoor Ossestraat, die alleen open gezet wordt als de hoofdontsluiting door calamiteiten of werkzaamheden geblokkeerd is. Verder komen er diverse fietsontsluitingen die ook geschikt worden gemaakt als alternatieve ontsluitingen voor hulpdiensten. Archeologie Doel van het verdrag van Malta is dat als de bodem verstoord wordt, belangrijke archeologische resten bewaard blijven (in de bodem, dan wel door opgraven). De monumentenwet wordt hierop aangepast en zal naar verwachting in het voorjaar van 2005 van kracht worden. De Wet beoogt het belang van de archeologische monumentenzorg vooral tot zijn recht te laten komen in het bestemmingsplan en de daaraan te toetsen besluiten. Voor het RBT betekent dit dat de gebieden waar mogelijk archeologische resten zijn, tijdig onderzocht worden (bureau- en veldonderzoek, graven van proefsleuven) om meer inzicht te krijgen. Een deel van de gebieden in Almelo-Zuid met een hoge trefkans voor wat betreft archeologie, zoals Erve ’t Wolbert en omgeving, is opgenomen in de groenstructuur en wordt niet aangetast. In het inrichtings-MER RBT is opgenomen dat verder gehandeld wordt conform de (aangepaste) Monumentenwet.

3.4

Locatiekeuze en inrichting RBT in het streekplan

De in de vorige paragraaf beschreven aanvulling van het MER ligt nu samengevoegd met het oorspronkelijke MER en het inrichtingsdeel voor als hulpmiddel bij de besluitvorming over de locatiekeuze en inrichting van het RBT. De inhoud van het complete MER kan als volgt worden samengevat.

3.4.1

Inhoud (aangevulde) MER
Milieueffectrapport deel A: locatiekeuze (november 2000) In dit deel zijn zoekgebieden bij Almelo-Zuid/Borne-Noord en Hengelo-Oldenzaal (Deurningen) met elkaar vergeleken. Almelo-Noord is in deze vergelijking niet meegenomen . Na deze stap, de geschiktheidsbeoordeling, is de conclusie in dit deel van het MER dat alleen in het zoekgebied Almelo-Zuid/Borne-Noord geschikte gebieden te vinden zijn. Via een tussenstap zijn vervolgens de relatief meest geschikte gebieden geselecteerd en vier voorkeursgebieden onderscheiden: Almelo-Zuid, Almelo-Zuidoost, Bornerbroek-Zuidwest en Bornerbroek-Zuid. Deze vier voorkeursgebieden zijn vervolgens in een leefbaarheidsanalyse met elkaar vergeleken. Eindconclusie in dit locatiekeuzedeel is dat Almelo-Zuid vergeleken met genoemde drie andere voorkeursgebieden het Meest Milieuvriendelijke Alternatief is. Almelo-Zuid voldoet ook in de

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

25

vergelijking met de voorkeursgebieden Almelo-Zuidoost, Bornerbroek-Zuidwest en Bornerbroek-Zuid het meest aan het programma van eisen van de initiatiefnemers. Aanvulling locatiekeuzedeel MER 2004 Na de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2003 is, in een aanvulling op het locatiekeuzedeel van het MER, de locatie Almelo-Zuid vergeleken met (het zoekgebied) Almelo-Noord. De eerste stap in het ‘Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’, de geschiktheidbeoordeling, levert als conclusie op dat er naast Almelo-Zuid, op basis van milieueffecten, ook in Almelo-Noord geschikte gebieden te vinden zijn voor een RBT. Op grond daarvan is de tweede stap gezet in de vorm van een leefbaarheidanalyse voor de geselecteerde gebieden in Almelo-Noord. Via een contourkeuzemodel is hiervoor, binnen de geschikte gebieden in Almelo-Noord, een voorkeurslokatie geselecteerd. De leefbaarheidanalyse voor Almelo-Zuid is tegelijkertijd geactualiseerd. In deze aanvulling op het MER wordt geconcludeerd dat verder onderzoek op inrichtingsniveau geen informatie kan opleveren die voor de locatieafweging tussen de beste lokatie in Almelo-Noord en de locatie Almelo-Zuid van doorslaggevend belang is. Het heeft geen toegevoegde waarde omdat de nadelen van Almelo-Noord niet door de inrichting van deze locatie zijn te voorkomen. De beste locatie in Almelo-Noord is, in deze aanvulling op het MER, vergeleken met Almelo-Zuid, het zogenaamde Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA). Maar de locatie Almelo-Zuid voldoet volgens het MER beter aan het Programma van eisen van de initiatiefnemers en heeft meer (flexibele) ruimte voor bedrijven in de zwaardere milieucategorie door de afstanden tot woongebieden. Op beide locaties kan een RBT geëxploiteerd worden maar in Almelo-Zuid zijn ten aanzien van de uitgifte en de beoogde looptijd minder risico’s te verwachten. Door verschillende inrichtings- en uitvoeringsmaatregelen kan volgens het MER op de locatie Almelo-Zuid aan een aantal milieubezwaren worden tegemoetgekomen. Het nadeel dat in de locatie Almelo-Zuid meer woningen en (agrarische) bedrijven moeten verdwijnen dan in de locatie in Almelo-Noord, blijft. De initiatiefnemers van het MER zijn van mening dat dit nadeel niet opweegt tegen de economische en werkgelegenheidsbelangen die worden gediend met een RBT op de meest wervende locatie: AlmeloZuid. De ligging aan de autosnelweg A35, de korte afstand tot de A1, de ligging aan de hoofdvaarweg Twentekanaal en de centrale ligging in de stedenband zijn voor de stuurgroep RBT daarbij doorslaggevend. De locatie Almelo-Zuid is bovendien op redelijke termijn te realiseren omdat ze ligt binnen het grondgebied van één der initiatiefnemers (Almelo). In de aanvulling MER is Almelo-Zuid daarom als voorkeursalternatief van de initiatiefnemers opgenomen. Inrichtings-MER Almelo-Zuid 2004 In het Inrichtings-MER (iMER) is voor de locatie Almelo-Zuid aangegeven op welke wijze duurzaamheidthema’s in de inrichting een rol spelen. Voor alle milieuaspecten is aangegeven wat de huidige situatie is en welke de autonome ontwikkelingen worden voorzien. Vervolgens wordt ingegaan op de toetsingscriteria voor de inrichting alsmede mogelijke varianten en effecten daarvan. Aan de hand daarvan is de voorkeursinrichting ontwikkeld, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan van oktober 2004. In het stedenbouwkundig plan zijn onder andere nader uitgewerkt en aangegeven: – de ontsluitings- en verkeersstructuur (directe ontsluiting vanaf A 35 en ongelijkvloerse kruising van Pastoor Ossestraat); – een sterke groene geleding in drie delen waarbij de belangrijkste groene elementen in het gebied worden gehandhaafd; – de verbreding van de Doorbraak; – het systeem van watergangen en retentievijvers; – gedifferentieerde opbouw van de randen met verschillende ‘gezichten’; – situering van bedrijven in (een beperkt deel van) de groene geleding op het terrein; – beeldkwaliteitscriteria voor de drie deelgebieden. De belangrijkste landschaps- en natuurelementen zijn in het structurele groen opgenomen. Deze voorkeursinrichting, vormgegeven in dit stedenbouwkundig plan, is vergeleken met de Meest Milieuvriendelijke Inrichting (MMI). In de MMI zijn nagenoeg alle bestaande groenelementen in structureel groen op het RBT opgenomen. Dat zien de initiatiefnemers echter niet als een reële optie. Wel zal ernaar worden gestreefd om bestaande groenelementen buiten het structureel groen ook te handhaven in overleg met de bedrijven die zich ter plekke vestigen.

3.4.2

Beoordeling MER, voorkeursalternatief en voorkeursinrichting
De provincie heeft als bevoegd gezag een gunstig oordeel over het Milieueffectrapport. Er is hierin op gedegen en goed onderbouwde wijze onderzocht welke gebieden in aanmerking komen voor de

26

vestiging van een Regionaal Bedrijventerrein Twente. Daarbij is op goede wijze uitvoering gegeven aan de richtlijnen. De provincie is van oordeel dat in hoofdstuk 8 van de Aanvulling op het locatiekeuzedeel MER op een evenwichtige en genuanceerde wijze is gekomen tot de bepaling van het voorkeursalternatief. Gelet op het feit dat dit voorkeursalternatief, volgens het Inrichtings-MER, met toepassing van een pakket aan maatregelen het Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA) dicht benadert, en het voorkeursalternatief van de initiatiefnemers in veel sterkere mate aan het programma van eisen voldoet, kan de provincie instemmen met het voorkeursalternatief, de locatie Almelo-Zuid, met de voorkeursinrichting als aangegeven in het Inrichtings-MER.

3.4.3

Locatiekeuze en inrichting RBT in het streekplan
In het ontwerp wordt voorgesteld de locatiekeuze van het RBT en de voorkeursinrichting ervan overeenkomstig het inrichtings-MER als concrete beleidsbeslissing aan te merken. Om dat te kunnen doen, moet aan enkele voorwaarden worden voldaan. Het gaat daarbij om het volgende: • de initiatiefnemers moeten het “Go-besluit” hebben genomen, waardoor de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende aannemelijk is; • er moet zicht zijn op de ontheffingverlening ingevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet. Provinciale Staten kunnen de streekplanherziening vaststellen als hieraan is voldaan. Verder is van belang dat de provincie zich evenals andere overheden heeft verplicht een watertoets uit te voeren bij plannen die invloed (kunnen) hebben op de waterhuishouding. In de hierna volgende waterparagraaf wordt verslag gedaan van deze toets. Tot slot heeft de provincie evenals de andere initiatiefnemers een actualisatie van de gegevens inzake nut en noodzaak van het RBT nodig geacht voor een zorgvuldige besluitvorming. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze aspecten.

3.4.4

Karakter van concrete beleidsbeslissing
Om als concrete beleidsbeslissing te kunnen worden aangemerkt, moet het te nemen besluit aan een aantal inhoudelijke eisen voldoen. In het verleden zijn al de volgende eisen inzake de mate van concreetheid geformuleerd: Ten eerste dient het plandeel concreet tot uitdrukking te brengen dat Provinciale Staten, als verantwoordelijk bestuursorgaan, ten tijde van de planvaststelling hebben beoogd met het desbetreffende plandeel een afgewogen beslissing te nemen. Ten tweede dient de plaats of het gebied waarvoor deze beslissing geldt voldoende concreet te zijn bepaald. Ten derde moet het beoogde project of de ruimtelijke ingreep voldoende concreet zijn aangegeven. Met name deze laatste eis is nadien verder uitgewerkt en verfijnd. Onder meer de eisen dat het plan financieel en economisch uitvoerbaar moet zijn en het zicht hebben op het verkrijgen van een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet kunnen in dat licht worden gezien. Ook diverse elementen op inrichtingsniveau uit het stedenbouwkundig plan zijn van belang voor de zorgvuldige afweging en het aantonen van de uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat daarbij veelal om elementen die in het oorspronkelijke streekplanbesluit ook al werden genoemd als nader uit te werken onderdelen. Deze elementen zijn als hoofdelementen van de inrichting opgenomen in de in hoofdstuk 2 geformuleerde concrete beleidsbeslissing (cbb). Het gaat daarbij om de hoofdgroenstructuur, inclusief de overgang naar en afbakening tot de Doorbraak, de ontsluiting van het RBT en aspecten van hinder en veiligheid in samenhang met de aard van de bedrijvigheid die zich op het RBT kan vestigen. Deze zijn in het inrichtingsdeel van het MER uitvoerig behandeld en hiervoor in par. 3.3.3 deels ook samengevat. Ze worden hierna kort toegelicht in relatie tot de concrete beleidsbeslissing. Financiële en economische uitvoerbaarheid; Go-besluit De initiatiefnemers van het RBT hebben een besluit genomen over het gezamenlijk ter hand nemen van de realisering en exploitatie van het RBT op de locatie Almelo-Zuid. Op basis van een grondexploitatie heeft de stuurgroep RBT, via de betrokken colleges van Burgemeester en wethouders en Gedeputeerde staten, hiertoe een voorstel gedaan aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. De kosten- en opbrengstenstructuur is hiervoor uitvoerig en volledig in beeld gebracht, terwijl via een risico-analyse (volgens een techniek die gebruikelijk is bij grondexploitaties

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

27

in de gemeente Enschede) de kansen en risico’s zijn berekend. De gemeenteraden en Provinciale Staten hebben als initiatiefnemers besloten over te gaan tot realisering en exploitatie van het RBT. Dit houdt in dat zij gezamenlijk, volgens een verdeelsleutel, bij een tekort een voorziening daarvoor treffen, en instaan voor eventueel optredende risico’s. Het go-besluit dat de initiatiefnemers hebben genomen vormt de basis voor de realisering van het RBT en biedt de zekerheid dat het plan uitvoerbaar is. Ontheffing Flora- en faunawet. Tijdens het opstellen van de aanvulling op het MER in de periode juni 2003-juni 2004 is voor zowel het gebied Almelo-Noord als Almelo-Zuid een uitgebreid onderzoek naar flora en fauna gedaan. Op basis van dit onderzoek kan voor het gebied Almelo-Zuid preciezer worden aangegeven op welke manier de waarden van flora en fauna zo goed mogelijk kunnen worden beschermd. Op basis van deze uitgebreide gegevens en de daarbij aangegeven schadebeperkende maatregelen is in augustus 2004 een aanvulling op de ontheffingsaanvraag ingevolge art. 75 van de Flora- en faunawet ingediend bij de minister van LNV. Enkele maatregelen komen hierna bij het onderdeel Hoofdgroenstructuur aan de orde. Hoofdgroenstructuur. De groenstructuur is zodanig vormgegeven dat deze diverse, goed met elkaar te verenigen doelen in zich herbergt. Het gaat daarbij om veiligstellen van de belangrijkste cultuurhistorische waarden in het gebied, voldoende ruimte voor waterberging, een goede overgang naar de ecologische zone van de Doorbraak, en handhaven en realiseren van aanvullende beplanting en begroeiing en eventuele andere elementen die belangrijk zijn voor de flora en fauna in het gebied. Zo zijn in de zone van de Doorbraak nu twee bunkers voorzien die als winterverblijf voor vleermuizen kunnen dienen. Voorts zullen bij nieuwbouw in het gebied voorzieningen voor vaste zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen worden gerealiseerd. De hoofdgroenstructuur is opgenomen in het stedenbouwkundig plan, zoals neergelegd in kaart 4A in het streekplan. In het bestemmingsplan voor het RBT moet deze hoofdgroenstructuur met inbegrip van de daarin opgenomen waterbergingen worden vastgelegd. Verkeersontsluiting. Voor de kern Bornerbroek is van belang dat er geen directe ontsluiting van het RBT vanaf de Pastoor Ossestraat plaatsvindt. Kaart 4B in het streekplan geeft de hoofdontsluitingsstructuur weer, waaruit blijkt dat er sprake is van een rechtstreekse hoofdontsluiting op de RW 35 en in het verlengde daarvan op de H. Roland Holstlaan. Deze hoofdontsluiting sluit via een T-splitsing aan op de centrale as door het RBT (west-oost lopend). Deze centrale as zal ongelijkvloers en zonder aansluiting daarop de Pastoor Ossestraat kruisen. In het bestemmingsplan voor het RBT moet deze hoofdontsluitingsstructuur worden vastgelegd. Hinder en veiligheid. Onder de noemer Hinder en veiligheid zijn diverse onderwerpen te scharen, die deels via de hoofdelementen van de inrichting van invloed (kunnen) zijn op de gevolgen van het RBT voor de omgeving. • Geluid Er van uitgaande dat zich op het terrein bedrijven uit de milieucategorie 3, 4 en (beperkt) 5 moeten kunnen vestigen, is een 50 en 55 dB(A)-geluidscontour berekend. De berekende 50 en 55 dB(A)- contouren zijn weergegeven op kaart 4C in het streekplan. De contouren zijn bepaald op een waarneemhoogte van 5 meter. Uit de kaart kan worden afgeleid dat de 50 dB(A) contour (voorkeurgrenswaarde Ingevolge de Wet geluidhinder) vanwege het gehele bedrijventerrein, de aangesloten woonbebouwing in Almelo of Bornerbroek niet doorsnijdt. De 50 dB(A) - geluidscontour ten noorden van de rijksweg 35 vertoont een vreemde lus. Deze lus is te verklaren door de afscherming van het talud van de rijksweg 35 zelf (de weg gaat hier omhoog richting de brug over het Twentekanaal). Alle solitaire woningen liggen tussen de 50 en 55 dB(A)-contour. De woningen ondervinden een geluidsbelasting van het totale bedrijventerrein die boven de voorkeurgrenswaarde van de Wet geluidhinder ligt. Er zijn geen solitaire woningen met een hogere geluidsbelasting dan 55 dB(A) etmaalwaarde. De solitaire woningen zijn in de bijlage akoestisch onderzoek bij het iMer weergegeven. Nader akoestisch onderzoek in het kader van de bestemmingsplanvoorbereiding moet aangeven welke individuele woningen dicht bij het bedrijventerrein of individuele bedrijven liggen en welke

28

geluidsbelastingen ze ondervinden. De benodigde hogere waarden worden aangevraagd op grond van de geluidsbelastingen die hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De geluidscontour moet conform kaart 3 worden vastgelegd in het bestemmingsplan RBT (conform de Wet geluidhinder). Ook de verdeling van de milieucategorieën op het terrein moet in het bestemmingsplan juridisch worden vastgelegd. • Luchtkwaliteit Anders dan bij geluid zijn de bronnen en effecten van het RBT op het gebied van de luchtkwaliteit niet met contouren en kaartbeelden weer te geven. Uit de beschrijving hieronder zal blijken dat met name op het punt van fijn stof de problematiek vooral op landelijk en internationaal niveau zal moeten worden aangepakt. Dat neemt echter niet weg dat ook provincies en gemeenten een verantwoordelijkheid hebben bij deze problematiek. In recente jurisprudentie staat hieromtrent de volgende overweging: “Ten aanzien van het in acht nemen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes is in de nota van toelichting bij het Besluit bepaald dat de verschillende overheden, ook al kunnen ze niet aangesproken worden op het oplossen van het zwevende deeltjes probleem, wel een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van de omvang ervan. Voor zwevende deeltjes houdt het in acht nemen van de grenswaarden dan in dat overheden zich inspannen de emissies zo ver mogelijk terug te dringen, aldus de nota van toelichting.” Hieronder wordt eerst de situatie voor geheel Almelo weergegeven. Aan het slot van dit onderdeel wordt nader ingegaan op de invloed van het RBT op de luchtkwaliteit en mogelijke maatregelen op lokaal niveau. Situatie in Almelo. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit rondom het RBT zijn de rapportages “Rapportage luchtkwaliteit 2002” van september 2003, provincie Overijssel, en het “Rapport luchtkwaliteit 2003” van juni 2004, gemeente Almelo van belang. Nagegaan is of er sprake is van overschrijdingen van de wettelijke luchtkwaliteitsnormen in het Besluit luchtkwaliteit voor de luchtverontreinigende stoffen: stikstofdioxide (NO2), koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2) en lood (Pb). Overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen zijn aan de orde voor de jaargemiddelden NO2 - en fijnstof-concentraties. Oorzaken van de overschrijdingen zijn verkeer (NO2) en hoge achtergrondconcentraties en in mindere mate het verkeer (fijn stof (PM10)). 5 NO2 Uit de provinciale rapportage blijkt voor 2002 geen overschrijding van de grenswaarde voor NO2 in Almelo; blijkens de gemeentelijke rapportage over 2003 was er in dat jaar wel sprake van (geringe) overschrijdingen van de grenswaarde langs een aantal drukke wegen. Dat is ook wel verklaarbaar: de klimatologische omstandigheden waren in 2003 ongunstiger voor de luchtkwaliteit. De jaargemiddelde concentraties NO2 overschrijden nergens de plandrempel. Er zijn blijkens de gemeentelijke rapportage geen locaties gevonden waar de uurgemiddelde concentraties van NO2 de grenswaarde (200 µg/m3) vaker heeft overschreden dan het wettelijke toegestane aantal van 18.
5

Op de Internetsite van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is (onder meer) de volgende toelichting te lezen: “Vooral twee categorieën stoffen houden risico's voor de gezondheid in: stikstofoxiden (NOx) en fijne stofdeeltjes (roet). Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) schat dat in Nederland zo'n 5000 mensen vervroegd overlijden door het inademen van vervuilde lucht. Mensen die langdurig bij een drukke weg wonen hebben een twee keer zo grote kans om te overlijden aan hart- of longaandoeningen. (……) Volgens het RIVM zijn de concentraties voor stikstofoxiden (NO2) en fijn stof (PM10) het hoogst in de Randstad en het laagst in het noordoosten. Er zijn twee soorten normen voor deze vervuilende stoffen. De ene norm gaat uit van het jaargemiddelde. De jaargemiddelde concentratie mag dan niet boven een bepaald niveau uitkomen. De andere norm gaat uit van het daggemiddelde. De norm drukt dan het maximaal aantal dagen per jaar uit dat het daggemiddelde wordt overschreden. De EU-norm voor NO2 bedraagt 40 microgram/m3 (jaargemiddelde). Overschrijding van deze norm treedt met name op langs zeer drukke wegen, vooral in de Randstad. In 2010 wordt alleen langs zeer drukke wegen in de Randstad de norm voor NO2 nog overschreden. In 2015 is de omvang van de normoverschrijding nog verder teruggebracht. ( …..) Het beeld voor fijn stof is vergelijkbaar met dat voor NO2. Voor fijn stof bepaalt de EU-norm dat maximaal 35 dagen per jaar de concentratie 50 microgram/m3 of meer (daggemiddelde) mag zijn. Deze norm wordt vaker overschreden dan de norm voor NO2. Het jaargemiddelde voor fijn stof wordt over het algemeen wel gehaald.”

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

29

Fijn stof De problematiek met fijn stof betreft een landelijk probleem, met ook een belangrijke internationale dimensie. Buitenlandse bronnen spelen een belangrijke rol in de in het algemeen hoge jaargemiddelde concentraties van fijn stof (PM10). De hoge achtergrondconcentraties spelen de belangrijkste rol bij de (te) hoge concentraties, en in mindere mate het verkeer. Verhoogde concentraties van fijn stof langs drukke wegen blijken snel af te nemen op enige afstand van die wegen. Om te komen tot een vermindering van de problematiek zijn daarom vooral generieke maatregelen op landelijk en ook internationaal niveau noodzakelijk. Wat de jaargemiddelde concentraties PM10 in Almelo betreft blijkt uit de gemeentelijke rapportage dat langs of in de nabijheid van 1.005 meter weg de jaargemiddelde concentratie van PM10 de wettelijke grenswaarde (40 µg/m3) heeft overschreden. Nergens heeft de jaargemiddelde concentratie van PM10 ook de plandrempel (43 µg/m3) overschreden. Door de hoge achtergrondconcentratie is er ook sprake van overschrijdingen van het wettelijk toegestane aantal van de 24-uurgemiddelde concentraties van fijn-stof (PM10) in heel Almelo wat de grenswaarde betreft; langs een aantal drukkere wegen in Almelo was ook sprake van overschrijding van de plandrempel. Invloed van het RBT. De bijdrage van het verkeer van het RBT aan de totale hoeveelheid verkeer op wegen buiten het plangebied is beperkt (minder dan 10%). Een belangrijke rol bij de ontsluiting van het RBT zal de (doorgetrokken) RW35 spelen. De extra verkeersbewegingen vanwege het RBT (dan wel een lokaal bedrijventerrein) zijn meegenomen in de berekeningen die voor het bestemmingsplan A35 zijn uitgevoerd en waarbij een overschrijding van de norm voor fijn stof is geconstateerd. Voor andere stoffen werd geen overschrijding geconstateerd. Uit de studie van de effecten van de rijkswegen 35 en 36 bleek dat op een afstand van 100 meter van de wegrand de bijdrage nauwelijks boven de achtergrondconcentratie ligt. Voor de op het RBT te vestigen bedrijven geldt dat emissies van bedrijven worden geregeld in de milieuvergunningen. De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de Nederlandse emissierichtlijn (NeR) en het Besluit luchtkwaliteit. Bij toepassing van de NeR geldt dat in principe geen schadelijke effecten voor de omgeving ontstaan. Toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit betekent dat in ieder geval de stand der techniek zal worden voorgeschreven. Op grond van het vorenstaande zal de invloed van het RBT op de luchtkwaliteit in het algemeen, en in het bijzonder ter plaatse van gevoelige bestemmingen als de woongebieden van Bornerbroek, Windmolenbroek en Nijrees naar verwachting verwaarloosbaar zijn.

De toekomstige luchtkwaliteit. Door het treffen van generieke maatregelen op Europese en nationale schaal, zal de achtergrondconcentratie van Fijn stof en NO2 lager worden. Op lokaal niveau zullen vooral de voorgenomen verbeteringen van de hoofdwegenstructuur een bijdrage leveren aan het terugdringen van de luchtverontreiniging in woongebieden en nabij andere gevoelige bestemmingen als onderwijs- en zorgvoorzieningen. Het gaat hierbij met name om het doortrekken van de A35 richting Nijverdal, het aansluiten van rijksweg 36 hierop en het aanleggen van de Nijreessingel als completering van de ringwegenstructuur in Almelo. Deze wegen zullen naar verwachting binnen enkele jaren gereed zijn. Vanuit de exploitatie van het RBT wordt een bijdrage geleverd aan het gemeentelijke fonds Bovenwijkse voorzieningen. Daaruit worden onder meer verbeteringen van de infrastructuur bekostigd. Gezien de recente jurisprudentie inzake toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit, is besloten de effecten voor de luchtkwaliteit van het RBT op de omgeving uitgebreider te onderzoeken. Het aanvullend onderzoek heeft zich gericht op de gevolgen vanwege het autoverkeer, omdat dit de belangrijkste bron van emissies is. Bovendien wordt iedere aanvraag om milieuvergunning getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit en de NER. Tevens is gekozen voor een worst case-benadering waarbij is gerekend alsof het volledige RBT in 2010 gerealiseerd is. De conclusie uit het onderzoek is dat bij volledige realisatie van het RBT wat de luchtkwaliteit betreft geen overschrijdingen van grenswaarden uit het Besluit Luchtkwaliteit optreden. Het onderzoek is aan deze toelichting toegevoegd als bijlage 4.

30

Voor het onderzoek is een model gebruikt dat gebaseerd is op de achtergrondconcentratie in 2010. Naar verwachting zal de eerste bedrijvigheid zich vestigen vanaf 2006/2007 (de eerste gronduitgifte is gepland in 2006). De achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10) zal dan nog wel hoger zijn dan in 2010, waardoor overschrijding van de grenswaarde voor fijn stof (PM10) ook zonder RBT optreedt. Conclusie in het rapport is dat de toevoeging van het RBT in 2007 zorgt voor een zeer geringe verdere overschrijding van de grenswaarde voor PM10 op de H.R.Holstlaan ten noorden van de A35. In deze berekening is uitgegaan van de veronderstelling dat in 2007 10 ha van het RBT zal zijn uitgegeven én gerealiseerd. In 2010 wordt als gezegd voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit, zelfs als in deze berekeningen het gehele RBT (180 ha bruto oppervlakte) al in 2010 gerealiseerd is gedacht, terwijl dit volgens de huidige uitgifteplanning pas na 20 jaar, dus omstreeks 2026 het geval zal zijn. • Veiligheid

Veiligheidseffectrapportage (VER) Ten behoeve van de ontwikkeling van het RBT is en wordt een Veiligheidseffectrapportage (VER) uitgevoerd. Het VER wordt in verschillende fasen en stappen uitgevoerd. In 2001 is een startnotitie VER opgesteld, in 2002 is de Veiligheidsscan Regionaal bedrijfsterrein Twente uitgebracht (zie de nrs. 22 en 23 in bijlage 3). Deze veiligheidsscan heeft zijn doorwerking gekregen in met name het inrichtingsMER (zie par. 4.6 van het iMER). Vervolgfasen komen nog aan de orde in het kader van het bestemmingsplan en het parkmanagement van het RBT. Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid van de provincie is uitgangspunt. Dat betekent dat eerst wordt onderzocht of de veiligheidscontour binnen de kavelgrens kan blijven, zo niet dan wordt de contour beperkt tot terreingrens, en als dit niet mogelijk is kan eventueel bij wijze van uitzondering de veiligheidscontour buiten het RBT toegestaan worden. Met een interne milieuzonering en het hanteren van deze provinciale beleidslijn bij de vergunningverlening wordt bewerkstelligd dat er zich geen kwetsbare objecten (in dit geval woningen) binnen de 10–6- contour bevinden. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit externe veiligheid binnen inrichtingen (Bevi). Verkeersontsluiting bij calamiteiten Er komt een noodaansluiting op de Pastoor Ossestraat, die alleen open gezet wordt als de hoofdontsluiting door calamiteiten of werkzaamheden geblokkeerd is. Verder komen er diverse fietsontsluitingen die ook geschikt worden gemaakt als alternatieve ontsluitingen voor hulpdiensten. Gasleidingen Er lopen door het RBT-gebied twee hoofdtransportleidingen en een regionale gasleiding. Tijdens de inspraak voor de vorige streekplanherziening bleek dat velen deze omstandigheid als een risico ervaren. Bij de ontwikkeling van de plannen bleek deze ligging een beperkende factor te zijn in de ontwikkelingsmogelijkheden voor het RBT, al is er bij een zorgvuldige planvorming van extra of onaanvaardbare risico’s geen sprake. Daarom zullen de leidingen worden verlegd om het RBT op een goede manier te kunnen ontwikkelen en realiseren. De leidingen zullen langs Rijksweg 35 gesitueerd worden, mogelijk in samenhang met een nieuwe leiding langs de A35. De kosten van de verlegging zijn door de Gasunie geraamd en opgenomen in de exploitatieopzet voor het RBT. Rijkswaterstaat en Gasunie willen hun medewerking verlenen aan verlegging van de gasleidingen waarbij vanzelfsprekend de huidige veiligheidsnormen en –eisen zullen worden toegepast.

Omvang en eventuele fasering van het tot de cbb gerekende gebied. De eisen die aan een cbb worden gesteld, worden soms kort samengevat in de typering: de cbb heeft een bestemmingsplan-vervangend karakter. Dat roept de vraag op of de cbb zich niet moet beperken tot een voor een bestemmingsplan gebruikelijke periode van 10 jaar. In dit concrete geval is dat niet mogelijk en ook niet wenselijk. De jurisprudentie over een aanvaardbare planperiode laat zien dat er goede redenen kunnen zijn om van een langere termijn uit te gaan6. Erkende redenen zijn b.v. een gegarandeerde exploitatieduur langer dan de planperiode vanuit bedrijfseconomische eisen, onzekerheid over het precieze ontwikkelingstempo in samenhang met een belangrijke Zie b.v. KB 20 augustus 1991, No. 91.007227 (Vuilstortplaats "Elhorst-Vloedbelt'' Borne), KB 21 april 1980 nr. 133 (Bestemmingsplan “Kern Mook'', gemeente Mook en Middelaar), KB 17 januari 1979, nr. 32 (Bestemmingsplan "Globaal bestemmingsplan Houten'', gemeente Houten)
6

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

31

regionale functie van een te ontwikkelen gebied, het voorkomen van versnipperde ontwikkelingen. Dergelijke redenen spelen hier ook een rol. Belangrijke factoren die maken dat zowel de planvorming als planuitvoering op het gehele gebied betrekking moeten hebben, zijn: - de afstemming met de Doorbraak. De Doorbraak vormt de zuidelijke grens van het plangebied. PS hebben als eis gesteld dat de ecologische zone langs de Doorbraak ter plaatse van het RBT moet worden verdubbeld. De realisering van deze zone zal in de eerstkomende jaren meteen aan de orde komen. - de gastransportleidingen. Deze lopen vanuit het zuidoosten naar het noordwesten dwars door vrijwel het gehele plangebied. Verlegging van de leidingen raakt een groot deel van het gebied. - de geluidszonering. Deze kan het best in één keer voor het gehele plangebied worden vastgesteld, zowel voor de rechtszekerheid van de gebruikers van het RBT als voor omwonenden. - De verdeling van de milieucategorieën over het gebied. De categorieën 3 tot en met 5 zijn over het gehele gebied verdeeld met het oog op het voorkomen van hinder voor de omgeving. Die indeling kan niet worden veranderd zonder in het karakter van het RBT in te grijpen. Een fasering in twee delen waarin in beide delen alle drie milieucategorieën voorkomen, is niet mogelijk. Watergebonden bedrijvigheid kan alleen in het westelijke deel komen. Het RBT kan bij een planologische fasering niet in alle omstandigheden het gewenste aanbod leveren. - flexibiliteit van het aanbod. Het is moeilijk om de uitgifte binnen het RBT goed te voorspellen. De verwachting is wel dat er in de eerste twee jaar sprake zal zijn van een verhoogde uitgifte. Het is niet uitgesloten dat in die periode of kort daarna een zeer grote kavel zal worden gevraagd. Bij een gefaseerde planontwikkeling is het moeilijker grote kavels flexibel in te passen. - Deze aspecten samengenomen maken (mede) een exploitatieopzet voor het gehele plan en de gehele looptijd noodzakelijk. Mede om deze redenen is in de voorbereiding niet geanticipeerd op een fasering. De Wet voorkeursrecht gemeenten is op het gehele gebied van toepassing verklaard. Bij de verwerving is het uitgangspunt dan ook geweest dat op reële aanbiedingen in het gehele gebied steeds is ingegaan. Op deze wijze komt de rechtszekerheid van betrokkenen in het gebied het minst in de knel.

3.4.5

Nut en noodzaak van het Regionaal Bedrijventerrein Twente
Waarom een regionaal bedrijventerrein in Twente? Al in de jaren negentig is met name in de regio Twente een tekort aan bedrijventerreinen geconstateerd. In de provinciale Bedrijventerreinenvisie (1997) werd een beleid uitgestippeld dat onder meer is gericht op de ontwikkeling van voldoende bedrijventerreinen met daarbij een segmentering van de bedrijventerreinen, dat wil zeggen: onderscheid in typen bedrijventerreinen t.b.v. maatwerk en verhoging kwaliteit van de terreinen, en een regionale aanpak. Mede ten behoeve van die regionale aanpak heeft de provincie regionale Programmeringsoverleggen Bedrijventerreinen ingesteld, inmiddels omgevormd tot Regionaal Platform Bedrijventerreinen (RPB), waarin alle gemeenten in een regio participeren. De provincie gaf in de Bedrijventerreinenvisie een eerste voorzet tot het realiseren van een regionaal bedrijventerrein in Twente met name gericht op grote ruimtevragers. Zo’n terrein zou een goede bijdrage kunnen betekenen aan het enerzijds voorzien in de maatschappelijke behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen, en anderzijds het zoveel mogelijk sparen van het waardevolle Twentse landschap. Door grote ruimtevragers te bundelen op een regionaal terrein kan ruimte vrijkomen op bestaande terreinen voor nieuwe hoogwaardige ontwikkelingen en wordt minder aanspraak gedaan op ruimtebeslag in meer kwetsbare gebieden. De eerste verkenning van de problematiek door het PO Twente in 1999 liet zien dat de belangrijkste tekorten optreden in de segmenten Gemengd Plus en Transport & Distributie. Met name voor grootschalige bedrijven zijn in de regio nauwelijks vestigingsmogelijkheden te vinden. Het programmeringsoverleg Bedrijventerreinen Twente (PO Twente), dat is ingesteld om te komen tot regionale afstemming en samenwerking ten aanzien van planning, reservering, realisering, differentiatie/segmentering, revitalisering en uitgifte van bedrijventerreinen op prioritaire locaties, kwam in dit verband met het voorstel om een regionaal bedrijventerrein te ontwikkelen voor met name die grootschalige bedrijvigheid. Zo’n terrein zou een belangrijke aanvulling op het regionale aanbod betekenen en zou het mogelijk maken de overige bedrijventerreinen in de stedenband doelmatiger en gedurende een langere periode te kunnen benutten. Zo’n regionaal terrein is dus in de eerste plaats bedoeld voor de ruimtebehoefte in de grote steden, in Twente samen het stadsgewest (of stedenband of netwerkstad) Twente vormend. Dit sluit ook

32

aan op het verstedelijkingsbeleid van rijk en provincie. Zo’n terrein kan verder een aanvullende rol spelen voor de omringende gemeenten, waar evenzeer de behoefte kan optreden om grote ruimtevragers te kunnen uitplaatsen of doorverwijzen naar een regionaal terrein. De ramingen voor het RBT zijn op twee manieren benaderd en met elkaar vergeleken: 1. vraag en aanbod in de gehele regio Twente, en de aanvullende rol die het RBT in het geconstateerde tekort kan vervullen, dit overeenkomstig streekplanbeleid; 2. de behoefte afgeleid uit de historische uitgifte aan grote ruimtevragers in de steden Enschede, Hengelo en Almelo. Ad 1: vraag- en aanbodgegevens conform de streekplanmethodiek. De vraag- en aanbodgegevens zijn geactualiseerd om na te gaan of de behoefte aan het RBT nog steeds actueel is. Onderstaande tabel 5 a geeft voor Twente een geactualiseerd beeld naar de peildatum 1-1-2004. Voor alle duidelijkheid zij nog vermeld dat het in deze tabel gaat om alle typen bedrijventerreinen, dus inclusief b.v. B-locaties in de steden, maar ook kleine bedrijventerreinen in plattelandskernen. Hieruit wordt duidelijk dat de situatie in Twente nijpender is geworden. Ondanks de weer wat geringere uitgifte in de jaren 2000-2003 ten opzichte van eindjaren negentig is de verhouding tussen vraag en aanbod in ongunstige zin veranderd. Het verschil tussen de gewenste strategische voorraad in het stadsgewest van 165 ha en de direct beschikbare voorraad van 76 ha is erg groot. De realisering van het RBT kan voor de regio Twente een zeer positieve bijdrage betekenen in een kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod aan bedrijventerrein. Tabel 5 a direct uitgeefbaar (ha) Stadsgewest Twente Overig Twente Twente totaal Bron: VROM, IBIS Uitgangspunt bij deze benadering van de behoefte is dat er een dreigend tekort en in sommige segmenten al acuut tekort aan bedrijventerreinen in Twente aan de orde is. Een acuut tekort is er aan bedrijventerreinen waarop grote kavels kunnen worden aangeboden. Het RBT heeft daarbij twee doelen: een aanvulling op het huidige aanbod in de stedenband, en een wervingsfactor voor bedrijven van buiten de regio. Door grote ruimtevragers naar het RBT te kunnen verwijzen, kan langer gedaan worden met de reguliere bedrijventerreinen die in exploitatie of in voorbereiding zijn in en grenzend aan de steden. Verder kunnen er binnenstedelijk of op bestaande bedrijventerreinen gebieden vrij komen die via herstructurering (deels) ook weer als hoogwaardige bedrijvenlocaties kunnen worden benut. Ad 2: historische uitgifte aan grote ruimtevragers in het verleden. In het Milieu-effectrapport–deel A: locatiekeuze (november 2000) is op basis van het door het Programmeringsoverleg bedrijventerreinen Twente vastgestelde Programma van eisen RBT (PvE) d.d. 8 juni 2000 uitgegaan van een gemiddelde uitgifte van 4 ha. per jaar in de steden Enschede, Hengelo en Almelo aan grote ruimtevragers. Deze raming is mede gebaseerd op een onderzoek van Buck Consultants uit 1999. Bij deze raming is gekeken naar de historische uitgifte aan grote ruimtevragers, en is voorts ook een inschatting gemaakt van toekomstige ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat is gekeken of de aldus berekende behoefte zich in redelijke mate verhoudt tot de potentiële doelgroep van toekomstige verplaatsers. Dat is van belang omdat de uitgifte van grote kavels veel incidenteler verloopt dan de meer reguliere kavels. De raming van samen 4 ha. per jaar is ook met die blik naar de toekomst reëel geacht. In deze raming is geen rekening gehouden met een tweetal zeer grote uitgiften, nl. 18 ha. (Holec) in 1998 in Hengelo en 25 ha. (Grolsch) in Enschede (feitelijke uitgifte in 2001, maar al veel langer in voorbereiding). Deze twee voorbeelden geven wel het grote belang aan van de beschikbaarheid van een groot regionaal terrein met voldoende buffervoorraad voor dergelijke incidentele grote uitgiftes. 76.3 65.6 141.9 niet direct uitgeefbaar (planologische procedure gaande) (ha) 68.5 82.0 150.5 uitgifte afgelopen Gewenste 10 jaar strategische (ha) voorraad in ha (voor 5 jaar) 329.6 165 242.6 572.2 121 286

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

33

Deze raming van 4 ha. per jaar is opgehoogd met een regionale component (factor 1,67, uitgaande van het feit dat gemiddeld 60% van de totale regionale uitgifte in de steden plaatsvindt) tot 6,7 hectare per jaar. Bij deze raming is nauwelijks rekening gehouden met de potentiële ruimtebehoefte van grote ruimtevragers van buiten de regio (met inbegrip van buitenlandse bedrijven), omdat er in de onderzochte periode nauwelijks aanbod is geweest voor deze doelgroep. Wij noemen deze categorie niettemin expliciet, omdat het provinciale sociaal-economisch beleid voor Twente er op is gericht de werkloosheid in deze regio verder terug te dringen, zo mogelijk ook door het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid van buiten de regio. In 2002 is het onderzoek van Buck Consultants verder uitgewerkt in het rapport Specificatie van programmering Regionaal Bedrijventerrein Twente. Daarin is preciezer naar de ruimtebehoefte van de in het profiel van het RBT passende bedrijvigheid gekeken. De behoefte is toen geraamd op een gemiddelde over 20 jaar van 7,1 ha per jaar. Omdat sinds het eerste locatiebesluit inmiddels enkele jaren zijn verstreken, hebben de initiatiefnemers laten onderzoeken of de behoefte aan een RBT nog steeds actueel is. Uit de actualisatie van vraag en aanbod door Buck Consultants International (juni 2004) (waarvan de conclusies hieronder kort worden weergegeven) is andermaal gebleken dat er een dringende behoefte is naar bedrijfslocaties voor ‘grote ruimtevragers’ in de categorieën grootschalige industriële productie alsmede transport, logistiek en distributie. Bij de steden zelf is nauwelijks nog ruimte aanwezig waardoor bestaande bedrijven die willen uitgroeien op dit moment geen passende kavel aangeboden kan worden. De mogelijkheden bij Borne, Hengelo en Enschede om zelf bedrijventerrein te realiseren voor deze doelgroep zijn niet meer aanwezig. Uitplaatsing van bestaande bedrijven in de Twentse steden naar een RBT zal daarnaast belangrijk kunnen bijdragen aan een gewenste andere en hoogwaardiger invulling van bestaand stedelijk gebied. De conclusies van Buck Consultants International (juni 2004) zijn samengevat: • vanuit het gevestigde bedrijfsleven in Twente is sprake van een (toenemende) vraag naar bedrijfslocaties voor ‘grote ruimtevragers’; • het huidige (geplande) aanbod in Twente voor grote ruimtevragers is (te) beperkt; • de vanuit het bedrijfsleven gezien mindere gunstige situering van een RBT in Almelo-Noord brengt uitgifteprijzen met zich mee die 20% lager liggen dan in Almelo-Zuid; • de arbeidsmarkt in de regio Twente is zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin ‘ruim’ genoeg om de ontwikkeling van een RBT mogelijk te maken; • het RBT vervult een belangrijke functie in de opbouw en ontwikkeling van de economische structuur en het leveren van een kwantitatieve en kwalitatieve impuls aan de werkgelegenheidsontwikkeling; • collectieve voorzieningen op een RBT verhogen de aantrekkingskracht van het bedrijventerrein. De provincie deelt de conclusie van de stuurgroep RBT naar aanleiding van dit rapport dat er geen aanleiding is om de doelstellingen voor de realisering van een RBT bij te stellen. Hierbij past voorts nog de kanttekening dat de situatie zich heeft ontwikkeld dat de grote steden in de praktijk al geen mogelijkheden meer hebben om aan de vraag naar kavels van meer dan 2 ha te voldoen. Mede om deze redenen hebben de initiatiefnemers het vestigingsprofiel voor het RBT in die zin aangepast dat alle aanvragen voor kavels groter dan 2 ha onder de categorie “grote ruimtevragers” worden aangemerkt, en deze ondergrens dus niet alleen voor T&D-bedrijven geldt. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat daardoor de behoefte groter zal uitvallen dan eerder geraamd. Tot slot nog enkele algemene opmerkingen bij dit onderwerp. Het provinciale beleid is er op gericht flexibel op de vraag naar bedrijventerrein te kunnen inspelen. Dat betekent niet dat de provincie er in samenwerking met de gemeenten naar streeft de geraamde aantallen hectares bedrijventerrein ver van te voren op voorraad beschikbaar te hebben, maar wel dat de planologische procedures op tijd worden doorlopen zodat terreinen ook direct ontwikkeld kunnen worden als de vraag zich werkelijk aandient. Met name de strategische reserve in de ramingen moet in dit licht worden gezien. De provincie streeft voorts naar een gevarieerd aanbod aan typen bedrijventerrein. Dat betekent dat voor uiteenlopende locaties plannen moeten worden ontwikkeld. Hoe belangrijk het is om tijdig de planologische procedures te doorlopen, blijkt daarbij keer op keer. De ontwikkeling van een nieuw bestemmingsplan vergt in de praktijk vele jaren. Het feit bijvoorbeeld dat in 2000 de uitgifte aan bedrijventerreinen in Twente weer terugliep, heeft nauwelijks te maken met een

34

verminderde vraag door een teruglopende economie7, maar vooral met een ontoereikend aanbod in de verschillende segmenten. De beeldvorming als zou er een overmaat aan bedrijventerrein beschikbaar zijn, is daarom volstrekt onjuist.

3.4.6

Waterparagraaf
Watertoets In de vorige partiële herziening van het streekplan Overijssel 2000+ (provincie Overijssel 2001), is een watertoets opgenomen. Hierin zijn onder andere de volgende vragen beantwoord: 1. Leidt het RBT op de beoogde locatie tot belemmeringen voor vasthouden, bergen en afvoeren in een deelstroomgebied. 2. Leidt inpassing tot afwenteling van waterproblemen. 3. Hoe worden negatieve gevolgen gecompenseerd. Voor de locatie Almelo-Zuid is indertijd in de watertoets geconcludeerd dat “het RBT op de voorkeurslocatie (i.c. Almelo-Zuid) goed in te passen is in het watersysteem zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin”. Voor deze streekplanherziening zullen deze vragen opnieuw beantwoord worden. Deze paragraaf gaat bovendien in op het overleg met het waterschap dat heeft plaatsgevonden en op de inrichting van het watersysteem. Overleg met waterbeheerder Overleg met de waterbeheerder, dan wel afstemming met het beleid van het waterschap heeft op een aantal momenten plaatsgevonden. De belangrijkste voor deze streekplanherziening zijn: • Ten tijde van het locatiekeuzeonderzoek in het kader van het MER; • Ten tijde van het haalbaarheidsonderzoek. De initiatiefnemer heeft in overleg met het waterschap onderzoek naar de waterhuishouding en riolering laten uitvoeren; • Het waterschap heeft geadviseerd over het voornemen om de locatie Almelo-Zuid in de nu voorliggende partiele streekplanherziening op te nemen: zie hoofdstuk 4. Daarnaast is de locatiekeuze voor het RBT in Almelo-Zuid in de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL) besproken op 15 september 2004; de Overijsselse waterschappen zijn in deze adviescommissie vertegenwoordigd. Locatiekeuze In het Milieu-effectrapport–deel A: locatiekeuze (november 2000) is geconstateerd dat van de zoekgebieden die in dat onderzoek aan de orde waren (Almelo-Zuid/ Borne-Noord en Hengelo/Oldenzaal), de voorkeur uitging naar het zoekgebied Almelo-Zuid/ Borne-Noord. Ontwikkeling van het RBT vraagt wel keuzes hoe om te gaan met infiltratie en afvoer van water (Partiële herziening van het streekplan Overijssel 2000+, provincie Overijssel, 2001). In de watertoets bij de partiële herziening van het streekplan van oktober 2001 zijn inrichtingseisen voor het watersysteem opgenomen. Deze zijn meegenomen bij de verdere planontwikkeling. In de Aanvulling op het locatiekeuzedeel MER 2004 is naast de locatie Almelo-Zuid, het zoekgebied Almelo-Noord bekeken. Volgens de SOM-kaart van het waterschap en de stroomgebiedsvisie is dit laatste gebied geschikt voor stedelijke ontwikkelingen. Haalbaarheidsonderzoek In samenwerking met het waterschap Regge en Dinkel is in het kader van het haalbaarheidsonderzoek gekeken naar de waterhuishouding en riolering in Almelo-Zuid en naar afstemming met de Doorbraak. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in “Afstemming RBT en Doorbraak, water en landschap” (Arcadis, mei 2002). In dit onderzoek zijn twee varianten voor de waterhuishouding en riolering uitgewerkt: 1. oppervlakkige afvoer van schoon dakwater naar het landelijk watersysteem, overig water afvoeren naar het stedelijk watersysteem 2. Infiltratie van schoon dakwater, overig water afvoeren naar het stedelijk watersysteem Voor beide varianten was een scheiding tussen landelijk en stedelijk water uitgangspunt. Al het water van het RBT is beschouwd als stedelijk water. Conclusie uit het onderzoek is een goede

7

Ter vergelijking de uitgifte in West-Overijssel: in 1999 52,11 ha, in 2000 70.04 hectare. De sprong in de uitgifte is te verklaren uit het beschikbaar komen van nieuwe bedrijventerreinen in b.v. de gemeenten Zwolle, Steenwijk en Holten.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

35

(grondwaterneutrale) waterhuishouding en riolering gerealiseerd kan worden in Almelo-Zuid. Vanuit milieuoogpunt en uit kostenoverwegingen heeft variant 2 daarbij de voorkeur. Aanvullend MER-onderzoek voor de locatiekeuze In het aanvullend onderzoek locatie RBT (Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze, Grontmij, Adecs Oost bv, 2004) is het thema water in de afweging meegenomen. Op basis van de Somkaart (waterschap Regge en Dinkel, 2000) is Almelo-Noord vanuit water bezien als geschikter aangemerkt voor vestiging van een RBT dan Almelo-Zuid. In de stroomgebiedsvisie (bestuurlijk waterplatform Vecht-Zwarte water, 2003) is opgenomen dat ook ten zuiden van de A35 en ten noorden van de Doorbraak stedelijke ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Eerder onderzoek dat uitgevoerd was in het kader van het haalbaarheidsonderzoek had al aangegeven dat een goede waterhuishouding en riolering in Almelo-Zuid mogelijk is. In het vooroverleg (commissie PCFL) over deze streekplanherziening en in een eigen schriftelijke reactie d.d. 21 september 2004 in het kader van het wettelijke overleg heeft het waterschap aangegeven in te kunnen stemmen met het RBT op de locatie-Zuid. Inrichting van het watersysteem In de watertoets bij de vorige partiële herziening van het streekplan Overijssel 2000+ voor het RBT zijn inrichtingseisen opgenomen voor het watersysteem. Globaal is daarin aangegeven dat er twee inrichtingsscenario’s mogelijk zijn: 1. afwatering richting stedelijk gebied van Almelo 2. afwatering richting de Doorbraak Zoals eerder al aangegeven ging op basis van het haalbaarheidsonderzoek de voorkeur uit naar een variant waarbij het schone dakwater geïnfiltreerd wordt. In het kader van het inrichtings-MER en aansluitend op de watertoets is vervolgens gekeken of er niet meer water naar de Doorbraak afgevoerd kan worden. Uitgangspunt daarbij is dat dat alleen kan als het (stedelijk) water van het RBT dat naar de Doorbraak afgevoerd wordt voldoende van kwaliteit is. Met deze variant is uitwerking gegeven aan scenario twee uit de watertoets van 2001. In het inrichtings-MER is vervolgens geconcludeerd dat vanuit milieuoogpunt de voorkeur uitgaat naar een variant waarbij zoveel mogelijk schone oppervlaktes afgekoppeld worden, omdat op die manier het meeste water in het gebied vastgehouden wordt. Deze variant leidt niet tot afwenteling van problemen en heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Daarmee zijn de vragen die in het begin van deze paragraaf gesteld zijn, voor het RBT positief beantwoord. Toets aan inrichtingseisen watertoets In onderstaande tabel zijn de eisen uit de watertoets ten aanzien van de inrichting weergegeven. Tevens is aangegeven hoe daarmee bij het RBT wordt omgegaan Inrichtingseis Geen veranderingen waterkarakteristiek Doorbraak Maatregelen Alleen schone oppervlaktes worden afgekoppeld. Nader overleg met het waterschap is nodig om goed te definiëren om welke oppervlaktes het precies gaat. In het plan is rekening gehouden met plaatsing van slibvangers daar waar het water in de Doorbraak komt, om risico op vervuiling te voorkomen. Minder snelle afvoer door In het plan (en exploitatie) is rekening gehouden met bijvoorbeeld infiltratie infiltratie. Zo klein mogelijk verhard Uitgangspunt voor het plan is dat dit, waar de waterkwaliteit oppervlak op riolering aansluiten het mogelijk maakt, zal gebeuren. Afvoer beperken door gebruik van Aandachtspunt bij verdere uitwerking van de plannen regenwater in productieprocessen Beperken van risico’s door In overleg met het waterschap wordt bekeken welke calamiteiten voorzieningen hiervoor getroffen kunnen worden. Bluswater uit oppervlaktewater of Wordt meegenomen als uitgangspunt bij de verdere Doorbraak uitwerking van plannen.

1

2 3 4 5 6

Nader overleg met het waterschap Het waterschap heeft aangegeven akkoord te gaan met de keuze voor Almelo-Zuid. Uit onderzoek blijkt dat een goede waterhuishouding in Almelo-Zuid mogelijk is.

36

Realisering van het RBT leidt niet tot negatieve effecten op het watersysteem. In het kader van de verdere uitwerking van de plannen zullen afspraken gemaakt worden over: • De oppervlaktes die afgekoppeld kunnen worden; • De technische voorzieningen die nodig zijn om calamiteiten te voorkomen. In de exploitatie is vooralsnog rekening gehouden met een inrichting waarbij alleen het schone dakwater via infiltratievoorzieningen op de Doorbraak afvoert. De positieve opstelling van het waterschap blijkt uit de overlegreactie d.d. 21 september 2004: zie hoofdstuk 4.

3.4.7

Europese richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s.

Sinds 21 juli 2004 is de Europese richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s rechtstreeks van toepassing, omdat deze niet voor die datum in de Nederlandse wet- en regelgeving is geïmplementeerd. In Nederland wordt deze richtlijn in de praktijk de richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB) genoemd. Een wetsvoorstel voor implementatie is op 28 september 2004 naar de Tweede Kamer gezonden (wetsvoorstel 29 811) Het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft als handreiking voor de situatie dat deze wet nog niet geldt, een notitie met aandachtspunten opgesteld. Deze notitie is voor een belangrijk deel gebaseerd op het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn SMB. In het wetsvoorstel is overigens het begrip SMB weer verlaten en is sprake van een m.e.r. voor plannen en een m.e.r. voor besluiten. Hierin staat onder meer het volgende: “Aangezien de richtlijn SMB in Nederland nog niet in een wet is vertaald zijn er helaas plannen die zowel onder de Europese SMB- als de Nederlandse m.e.r.-plicht zullen vallen. Dit komt omdat de Nederlandse regelgeving voor m.e.r. op het punt van de reikwijdte verder gaat dan de Europese richtlijnen voor m.e.r. voorschrijven. Een voorbeeld van een dergelijk plan is een streekplan dat een concrete beleidsbeslissing bevat die m.e.r.-(beoordelings)plichtig is. In deze situatie dient voor dit onderdeel van het plan zowel te worden voldaan aan de vereisten volgens de m.e.r.-regelgeving als aan de vereisten van de richtlijn SMB. Tot dit bij de implementatie van de richtlijn SMB in de Nederlandse wet is geregeld blijft die overlap bestaan en zal in zo’n geval meestal door het volgen van een m.e.r.-procedure aan beide verplichtingen kunnen worden voldaan. Wel is het van belang hierbij om goed in ogenschouw te nemen wat de inhoudelijke vereisten zijn voor zowel het MER als voor het milieurapport.” Wij delen dit standpunt en menen dat hier duidelijk sprake is van zo’n geval waarin door de m.e.r.procedure wordt voldaan aan beide verplichtingen. Bij dit plan is de situatie zo dat het plan met de concrete beleidsbeslissing geheel samenvalt met het project van het RBT, waarvoor het MER is opgesteld. Als we inhoud en proces van het MER nader beschouwen, dan kan worden geconstateerd dat het MER zeer breed is opgezet, met onder meer een ruime locatiestudie en –afweging. Er is een zeer uitgebreide vergelijking gemaakt tussen de overgebleven zoeklocaties Almelo-Noord en Almelo-Zuid. Vervolgens is in het inrichtingsdeel voor de voorkeurslocatie Almelo-Zuid uitgebreid onderzoek gedaan naar alle in de Richtlijn en in de Wet milieubeheer genoemde aspecten. In de onderdelen Landschap, cultuurhistorie en archeologie en Natuur is onderzoek gedaan naar de aanwezige waarden op deze aspecten en de mogelijkheden deze waarden zoveel mogelijk te behouden. De ontworpen hoofdgroenstructuur omvat een aantal belangrijke maatregelen op dit punt, in samenhang met de maatregelen voor de waterhuishouding. Op het vlak van de Flora en fauna zijn er maatregelen opgenomen die tot een vergroting van de biodiversiteit in de groenstructuur kunnen leiden. Wij menen daarom dat aan de eisen van de Richtlijn is voldaan. De rapportage daarover is te vinden in deze toelichting met inbegrip vanzelfsprekend van het complete MER Regionaal Bedrijventerrein Twente en de onderliggende rapporten. Overigens is het de vraag of er in dit geval sprake is van een rechtstreekse verplichting tot het opstellen van een SMB. Het plan voor het RBT valt mogelijk onder de overgangsregeling van de richtlijn, omdat het besluit hieromtrent binnen 24 maanden na genoemde datum zal worden

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

37

genomen en de eerste voorbereidende handelingen al voor de datum van 21 juli 2004 zijn verricht. Als voorbereidende handelingen schrijft de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het vragen van advies van de Provinciale Planlogische Commissie en het plegen van overleg met betrokken bestuursorganen. Deze formele voorbereidende handelingen zijn in de vorm van het vaststellen van desbetreffende brieven d.d. 16 juli 2004 gebeurd.

38

4

Resultaten van advies en overleg over voorgenomen locatiekeuze

4.1

Advies Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving

De commissie adviseert het volgende. “Uw verzoek om advies is aan de orde gesteld in de vergadering van de Subcommissie PCFL van 15 september 2004. Behoefte aan bedrijfslocatie voor 'grote ruimtevragers'. De commissie was al overtuigd van de noodzaak van een RBT. De ontwikkeling van het RBT acht de commissie gewenst in verband met de opvang van de ruimtevraag voor ‘grote en zware’ bedrijven. Van belang is dat het door Buck Consultants International geactualiseerde onderzoek dit nog eens bevestigt. Wel wijst de commissie op een tekstueel verschil in het Statenvoorstel nr. PS/2004/690 daar waar in § 2.3 gesproken wordt over de toenemende vraag naar bedrijfslocaties voor ‘grote ruimtevragers’ wordt bij de beoordeling vanuit het programma van eisen (PVE) op blz. 6 gesproken over de geschiktheid voor de vestiging van ‘grootschalige bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5’. Beide begrippen overlappen elkaar grotendeels maar voor de duidelijkheid is het beter om te kiezen voor een zelfde formulering. Voorkeursalternatief Almelo Zuid. De commissie heeft, terwijl zij zich baseert op het aanvullende locatie onderzoek, geen eensluidend standpunt. Een groot aantal leden steunt de door de Stuurgroep RBT en de door u overgenomen keuze voor locatie Almelo-Zuid. Dit zijn de vertegenwoordigers van de VROM Inspectie Oost, het Ministerie van Economische Zaken, regio Oost; het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regio Oost (LNV) en de vertegenwoordiger namens het Overijssels Dijkgravenoverleg (ODO). Met dien verstande dat: • LNV een voorkeur heeft voor de locatie Almelo-Noord, maar zij vind de locatie AlmeloZuid ook aanvaardbaar; • het zelfde geldt voor ODO, in Almelo-Zuid ligt het hydrologische ingewikkelder maar het is oplosbaar. De vertegenwoordiger van Natuur en Milieu Overijssel kiest voor de locatie Almelo-Noord en het verder ontwikkelen van het Meest Milieuvriendelijke Alternatief. De voordelen die spreken voor Almelo-Noord wegen voor hem zwaarder dan de nadelen. De vertegenwoordiger van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, afdeling Overijssel, tevens lid van het college van Burgemeester en Wethouders van Almelo, neemt hierover geen standpunt in. Afstemming van het aanvullende MER en de vertaling naar de vast te stellen streekplanherziening met de status van een concrete beleidsbeslissing.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

39

Bij de commissie bestaat zorg over de houdbaarheid van de voorgenomen concrete beleidsbeslissing bij de beroepsgang naar de Raad van State, hierbij spelen twee zaken een rol. Allereerst betreft dit de afstemming van het aanvullende MER en de vertaling naar de vast te stellen streekplanherziening met de status van een concrete beleidsbeslissing. De vraag is namelijk of in hiërarchie van de te nemen besluiten niet eerst een besluit moet worden genomen over de strategische milieubeoordeling. De commissie adviseert u voor de vaststelling van de streekplanherziening hiernaar in Den Haag of in Brussel bij de Europese Unie te informeren. Een tweede punt betreft de vraag of het wel haalbaar is om voldoende afgestemd op de te nemen concrete beleidsbeslissing de hiervoor nodige informatie te kunnen leveren. In het eerdere besluit van de Raad van State worden 11 punten aangehaald. Bij 4 punten hiervan zijn door de Raad van State tekortkomingen geconstateerd. Een goede motivering en onderbouwing zijn voor de te nemen concrete beleidsbeslissing van groot belang. De VROM Inspectie Oost heeft de indruk dat de afweging in een aantal gevallen mogelijk niet geheel consequent is verwoord. Als voorbeeld is genoemd het hierboven eerder aangehaalde tekstuele verschil tussen § 2.3 en de tekst bij de beoordeling van het PVE voor wat betreft de omschrijving van de bedrijven met een RBT-profiel. De commissie adviseert u aan een goede motivering en onderbouwing veel aandacht te besteden. De meerderheid van de commissie heeft er vertrouwen in dat u hierin zult slagen. Het advies: De meerderheid van de commissie steunt de door u en de Stuurgroep RBT gemaakte keuze voor de locatie Almelo Zuid of acht deze keuze aanvaardbaar. Bij de commissie bestaat zorg over de houdbaarheid van de voorgenomen concrete beleidsbeslissing. Zij adviseert u extra aandacht te besteden aan een goede motivering en onderbouwing van de te nemen concrete beleidsbeslissing. Een minderheid geeft de voorkeur aan de locatie Almelo Noord.”

4.2

Opmerkingen van gemeenten

Almelo De gemeente deelt mee het voornemen van harte te ondersteunen. Losser De gemeente geeft de volgende reactie: “Wij achten het van belang dat er een regionaal bedrijventerrein in Twente is. Op die wijze is het voor “grote ruimtevragers” mogelijk om zich in deze regio te vestigen. Wij menen echter dat het voor onze gemeente niet van direct belang is of dat terrein zich ten zuiden of ten noorden van Almelo bevindt. Om die reden spreken wij ons niet voor een locatiekeuze uit.” Oldenzaal De gemeente merkt het volgende op: “Voor de economische structuurversterking en de werkgelegenheidsontwikkeling in Twente is een spoedige realisering van groot belang. Voor het goed functioneren van een regionaal bedrijventerrein is de ligging aan een snelweg essentieel. De locatie Almelo-Zuid is daarom in onze ogen het meest geschikt. Wij ondersteunen daarom uw voorkeursalternatief voor Almelo-Zuid.” Twenterand De gemeente ziet geen aanleiding voor het maken van op- of aanmerkingen.

4.3

Opmerkingen van overige instanties

Waterschap Regge en Dinkel Het Dagelijks Bestuur van het waterschap Regge en Dinkel heeft bij brief van 21 september 2004 gereageerd op het voornemen. Het geeft daarin aan dat de locatie Almelo-Noord vanuit het watersysteem redenerend de voorkeur heeft boven de locatie Almelo-Zuid. De locatie Almelo-Zuid is echter niet onacceptabel, mits de benodigde technische (inrichtings)maatregelen worden getroffen om negatieve gevolgen voor het watersysteem te ondervangen.

40

Regio Twente De regio Twente geeft in haar brief d.d. 8 september 2004 de volgende reactie. “Wij hebben kennis genomen van het "Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze". De uitkomsten van dit onderzoek bevestigen nogmaals onze eerder gemaakte keuze dat uit oogpunt van de exploitatie van een regionaal bedrijventerrein de locatie Almelo-Zuid het meest geschikt is. Ten opzichte van de locatie Almelo-Noord is dan ook sprake van significante verschillen in vestigingsplaatsfactoren, zoals - de ligging in het stedelijk gebied, daar waar de economische ruimtenood het grootst is - de ligging aan een autosnelweg (A35 c.q. nabijheid A1) - de directe nabijheid van het Twentekanaal met een 2000 tons hoofdvaarweg - mogelijkheden voor zwaardere milieucategorieën Het zijn deze factoren geweest die indertijd voor ons ook de overwegingen vormden om Almelo-Zuid als de meest geschikte locatie voor een regionaal bedrijventerrein in Twente te bestempelen. Het stemt ons tot tevredenheid dat een hernieuwde afweging met een locatie elders in Twente (Almelo-Noord) tot eenzelfde resultaat heeft geleid. Het moge dan ook duidelijk zijn dat wij op basis van bovenstaande u positief adviseren omtrent de locatie Almelo-Zuid als toekomstig regionaal bedrijventerrein.” Regionaal Platform Bedrijventerreinen (RPB) Twente Het RPB Twente geeft het volgende advies: “Begin 2000 hebben 5 deelnemers van de voorloper van het RPB Twente, het Programmeringoverleg Bedrijventerreinen Twente, het voornemen uitgesproken een regionaal bedrijventerrein, bestemd voor de opvang van de (boven)regionale bedrijvigheid te willen ontwikkelen. Het huidige RPB Twente is verheugd te mogen constateren dat dit initiatief heeft geleid tot een definitieve locatiekeuze voor een regionaal bedrijventerrein Twente en in het kielzog daarvan een partiele herziening van het Streekplan 2000+. Het RPB Twente stemt dan ook in het met voornemen tot herziening. Kanttekeningen: De portefeuillehouders EZ van de gemeenten Wierden en Hof van Twente vragen nadrukkelijk aandacht voor de mobiliteit rondom de toekomstige locatie van het regionale bedrijventerrein Twente.”

4.4

Reactie op de overlegresultaten

Wij zijn verheugd met de brede steun die het voornemen krijgt van de overlegpartners. Wij delen de zorg van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving over de formulering van de concrete beleidsbeslissing (cbb), maar zijn anderzijds van mening dat de wetgever niet voor niets de mogelijkheid van het opnemen van zo’n beslissing in het streekplan in de wet heeft opgenomen. Wij zijn bij de vormgeving van deze streekplanherziening uitgegaan van de kritiekpunten van de Raad van State op de eerdere streekplanherziening. Wij zijn blij dat de initiatiefnemers in de aanvulling op het MER uitvoerig onderzoek naar de omstreden punten hebben laten doen. Er is nu op basis van gedegen onderzoeksmateriaal een zeer verantwoorde keuze mogelijk. Wij hebben verder de meest recente regelgeving en jurisprudentie betrokken bij de onderbouwing van de herziening. Wij hebben er vertrouwen in dat deze herziening voldoet aan de eisen die aan een cbb worden gesteld. In de toelichting zijn wij voorts ingegaan op de verhouding tussen de verplichtingen ingevolge de Europese richtlijn 2001/42/EG en m.e.r.-procedure die voor deze herziening is gevolgd. Op goede gronden zijn wij van mening dat in deze situatie met het volgen van de m.e.r.-procedure tevens wordt voldaan aan de eisen van de Richtlijn. Wat betreft de kanttekening van enkele leden van het RPB Twente merken wij op dat de verkeersontsluiting van het RBT nadrukkelijke aandacht in het MER heeft gekregen. De hoofdontsluitingsstructuur wordt volgens het voorstel vastgelegd in de concrete beleidsbeslissing, en zal verder worden uitgewerkt in het bestemmingsplan.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

41

42

Bijlage 1: Overzicht vigerende streekplantekst en voorgestelde nieuwe tekst

VIGERENDE TEKST Blz. 53 e.v. 4.1.3.2. Bedrijventerreinen: vraag en aanbod en differentiatie 4.1.3.2.1. VRAAG EN AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN Voldoende beschikbaarheid van bedrijventerreinen is een basisvoorwaarde voor een goed vestigingsklimaat. Een goede behoefteraming is daarbij noodzakelijk, om tekorten of overschotten te voorkomen. Enige bandbreedte is hierbij gewenst. Bij de berekeningsmethode van de behoefte voor de komende tien jaar gaan we uit van het uitgiftetempo van de afgelopen tien jaar. De uitgifte was in die periode hoog, zodat verwacht mag worden dat het aanbod van terreinen voldoende groot zal zijn om aan de vraag te voldoen. De ontwikkeling van de economie is voor de periode tot 2010 nog redelijk voorspelbaar. Dat geldt niet voor de periode 2010 tot 2020. Over de economische ontwikkeling en de daarbij horende ruimtevraag zijn geen betrouwbare uitspraken te doen. Wel wordt voorzien dat de kwantitatieve vraag naar bedrijventerreinen kleiner zal zijn dan in voorgaande jaren. Met name het ruimtegebruik van productieactiviteiten zal afnemen. Vandaar dat voor die periode uitgegaan wordt van een minder hoog uitgiftetempo. Om te voorkomen dat niet tijdig rekening wordt gehouden met een andere meer ruimte vragende economische ontwikkeling zal als bovengrens ook het hoge uitgiftetempo van de periode tot 2010 verder worden doorgetrokken. Er wordt voor de periode 2010-2020 dus gewerkt met een bandbreedte. De bovengrens wordt gevormd door een doortrekking van de geprognotiseerde behoefte tot 2010. Voor de ondergrens is uitgegaan van een minder hoog uitgiftetempo, zoals hierboven geschetst. In de toelichting (T.3) wordt de berekeningsmethode nader uitgelegd. In het kader van efficiënt ruimtegebruik streven wij naar een zo optimale benutting van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Gemeenten zullen hier in hun plannen aandacht aan moeten besteden (zie ook T.4 duurzame ontwikkeling). Wij zullen

VOORGESTELDE NIEUWE TEKST: nieuwe tekstdelen zijn gemarkeerd. Blz. 53 e.v. 4.1.3.2. Bedrijventerreinen: vraag en aanbod en differentiatie 4.1.3.2.1. VRAAG EN AANBOD VAN BEDRIJVENTERREINEN Voldoende beschikbaarheid van bedrijventerreinen is een basisvoorwaarde voor een goed vestigingsklimaat. Een goede behoefteraming is daarbij noodzakelijk, om tekorten of overschotten te voorkomen. Enige bandbreedte is hierbij gewenst. Bij de berekeningsmethode van de behoefte voor de komende tien jaar gaan we uit van het uitgiftetempo van de afgelopen tien jaar. De uitgifte was in die periode hoog. Dat betekent dat verwacht mag worden dat een op dit uitgiftetempo gebaseerd aanbod van terreinen voldoende groot zal zijn om aan de toekomstige vraag te voldoen. De ontwikkeling van de economie is voor de periode tot 2010 nog redelijk voorspelbaar. Dat geldt niet voor de periode 2010 tot 2020. Over de economische ontwikkeling en de daarbij horende ruimtevraag zijn geen betrouwbare uitspraken te doen. Wel wordt voorzien dat de kwantitatieve vraag naar bedrijventerreinen kleiner zal zijn dan in voorgaande jaren. Met name het ruimtegebruik van productieactiviteiten zal afnemen. Vandaar dat voor die periode uitgegaan wordt van een minder hoog uitgiftetempo. Om te voorkomen dat niet tijdig rekening wordt gehouden met een andere meer ruimte vragende economische ontwikkeling zal als bovengrens ook het hoge uitgiftetempo van de periode tot 2010 verder worden doorgetrokken. Er wordt voor de periode 2010-2020 dus gewerkt met een bandbreedte. De bovengrens wordt gevormd door een doortrekking van de geprognotiseerde behoefte tot 2010. Voor de ondergrens is uitgegaan van een minder hoog uitgiftetempo, zoals hierboven geschetst. In de toelichting (T.3) wordt de berekeningsmethode nader uitgelegd. In het kader van efficiënt ruimtegebruik streven wij naar een zo optimale benutting van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Gemeenten zullen hier in hun plannen aandacht aan moeten besteden (zie ook T.4 duurzame ontwikkeling). Wij zullen

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

43

bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten te ontwikkelen of te ondersteunen, waar duidelijk sprake is van efficiënt ruimtegebruik, door middel van bijvoorbeeld meerlaags bouwen of parkeergelegenheid onder gebouwen. Daarnaast geldt dat wij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen zo veel mogelijk willen bevorderen. Uit onderzoek blijkt dat door herstructurering ongeveer 5% van de uitbreidingsbehoefte aan bedrijventerreinen gedekt kan worden. Gestreefd wordt naar multimodale ontsluiting van bedrijventerreinen. In de gebiedsbeschrijvingen is voor de steden en streekcentra uitgewerkt wat de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen is. Voor Overijssel als geheel is er in kwantitatief opzicht voldoende bedrijventerrein beschikbaar. Op regionaal en stadsgewestelijk niveau zijn er echter kwantitatieve en kwalitatieve lacunes. In onderstaande tabel 5. wordt een overzicht gegeven van de geschatte toekomstige behoefte voor de stadsgewesten, streekcentra en overige kernen. Zonder aanvullend beleid doen zich met name in Twente op korte termijn problemen voor. De komst van een regionaal bedrijventerrein kan hier uitkomst bieden.

bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten te ontwikkelen of te ondersteunen, waar duidelijk sprake is van efficiënt ruimtegebruik, door middel van bijvoorbeeld meerlaags bouwen of parkeergelegenheid onder gebouwen. Daarnaast geldt dat wij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen zo veel mogelijk willen bevorderen. Uit onderzoek blijkt dat door herstructurering ongeveer 5% van de uitbreidingsbehoefte aan bedrijventerreinen gedekt kan worden. Gestreefd wordt naar multimodale ontsluiting van bedrijventerreinen. In de gebiedsbeschrijvingen is voor de steden en streekcentra uitgewerkt wat de toekomstige behoefte aan bedrijventerreinen is. Voor Overijssel als geheel is er in kwantitatief opzicht voldoende bedrijventerrein beschikbaar. Op regionaal en stadsgewestelijk niveau zijn er echter kwantitatieve en kwalitatieve lacunes. Tabel 5 geeft de situatie weer voor geheel Overijssel voor de streekplanperiode 2000-2020.

Tabel 5 OVERZICHT VRAAG EN AANBOD BEDRIJVENTERREINEN strategi- vraag in vraag in ha vraag in ha sche ha netto netto netto voorraad (vijf 1999-2010 bovengrens ondergrens jaar) 2010 - 2019 2010 2019 Almelo Borne Hengelo Enschede stadsgewest Twente Zwolle Deventer totaal stads56 3 62 51 172 50 40 262 124 7 135 112 378 110 88 576 113 6 123 102 344 100 80 524 85 4 92 76 257 75 60 392

aandeel in totaal

aanbod ha netto

aanbod ha netto

voorraad plannen (1-1-1999)

33 1 18 44 96 47 29 172

139 0 169 151 459 110 124 693

51%

44

gewesten Hardenberg Steenwijk totaal streekcentra overig Overijssel

11 8 19

24 16 40

22 15 37

16 11 27

4%

4 10 14

73 37 110

229 510

506 1122

459 1020

346 765

45% 100%

94 280

Samen met de gemeenten willen wij zo snel mogelijk tot een locatiekeuze komen. Op dit moment loopt hiervoor een m.e.r.-procedure. Op kaart 4 is het voorstel voor de zoekgebieden uit de startnotitie aangegeven. Inmiddels hebben wij de richtlijnen voor het MER Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) vastgesteld. De aanwijzing van de zoekgebieden heeft tot veel reacties geleid. Op advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage hebben wij in de richtlijnen de volgende aanpak voor het MER aangegeven: ‘De selectiecriteria voor het initiatief en de randvoorwaarden vanuit het milieu leiden tot de keuze van locaties die in het MER worden onderzocht omdat deze de beste potentie hebben om het RBT te ontwikkelen. De startnotitie geeft twee zoekgebieden aan waarbinnen kansrijke locaties gezocht worden. De toepassing van de systematiek zoals in deze Richtlijnen wordt aangegeven kan er toe leiden dat meer of minder zoekgebieden gekozen worden voor nadere studie in het MER. Het MER moet de keuze van gebieden onderbouwen met behulp van het programma van eisen voor de locatiekeuze’. Het is dus mogelijk dat in het MER andere of minder zoekgebieden nader worden onderzocht. Het kaartje met zoekgebieden heeft daar slechts een indicatieve betekenis. Een belangrijk aandachtspunt bij het vaststellen van de richtlijnen is de onzekerheid van de bevolking over de uiteindelijke locatie van het RBT geweest. Daarom hebben wij de voorkeur uitgesproken de m.e.r.-procedure te knippen als er tijdens het onderzoek één kansrijke locatie voor het bedrijventerrein naar voren komt. Dit leidt dan tot een locatie-m.e.r., gevolgd door een inrichtings-m.e.r.. De locatie-m.e.r. is bedoeld om tot een locatiekeuze te komen. Het is niet gelukt het (locatiedeel van het) MER zo snel af te ronden dat de besluitvorming over de locatiekeuze nog aan de besluitvorming over dit streekplan kon worden gekoppeld. De locatiekeuze zal nu via een herziening van het Streekplan zijn beslag krijgen. Na deze locatiekeuze dient de initiatiefnemer het MER voort te zetten voor de inrichting van het regionale bedrijventerrein Twente. De uitwerking van de inrichtingsvarianten kan zich dan op één locatie toespitsen. De globale

EEN REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN IN TWENTE Onderzoek in 1999 gaf aan dat vooral in Twente op korte termijn problemen zouden gaan ontstaan. Er werd met name een tekort aan bedrijventerreinen in de segmenten Gemengd-plus en T&D gesignaleerd. Het gaat daarbij om terreinen die geschikt zijn om bedrijven in de hogere milieucategorieën en/of met een behoefte aan grotere kavels te huisvesten, met de daarbij behorende bereikbaarheidseisen. Al bij de voorbereiding en vaststelling van dit streekplan in 2000 is daarom voor Twente de realisering van een regionaal bedrijventerrein dringend gewenst geacht. Deze wens komt voort uit de in de par. 4.1.3.1. Ontwikkelingen algemeen geschetste doelstelling: verbreding van de Twentse economie en groei van de werkgelegenheid. Het stadsgewest Twente heeft een centrale rol in deze ontwikkeling. Het ontbreken van voldoende ruimte voor uitbreiding van bestaande bedrijvigheid of nieuwvestiging kan deze doelstelling doorkruisen. Het RBT is een belangrijk middel om te komen tot een gedifferentieerd aanbod van bedrijventerreinen, één van de doel-en taakstellingen in dit hoofdstuk. Het RBT is dus in de eerste plaats bedoeld voor de eigen bedrijvigheid in het stadsgewest, in de tweede plaats voor bedrijvigheid uit de omringende regio die de aard en/of schaal van de vestigingsplaats ontgroeit, en in de derde plaats voor vestiging van bedrijvigheid van buiten de regio, waartoe ook eventuele vestiging vanuit het buitenland behoort. Sindsdien is nader onderzoek naar de behoefte, aard, omvang en meest wenselijke locatie van het Regionaal Bedrijventerrein Twente (verder als RBT aan te duiden) gedaan. Het programma van eisen (PvE) voor een RBT, bij de start vastgelegd, zegt over de gewenste ligging van het RBT samengevat het volgende: • • perfecte wervingskracht door uitstekende bereikbaarheid en ontsluiting; geschikt voor de vestiging van grootschalige bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5;

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

45

inrichtingsaspecten zullen vervolgens in een uitwerking van het Streekplan worden geregeld. (zie omtrent het RBT ook onder de gebiedsbeschrijving van het stadsgewest Twente). Als er niet wordt gekozen voor een ‘knip’ in de procedure en locatiekeuze en inrichtingsaspecten in één geïntegreerd milieu-effectrapport worden behandeld, zal in een partiële herziening van het streekplan zowel de locatiekeuze als het vastleggen van de globale inrichtingsaspecten aan de orde komen. Op de streekplankaart zijn enkele nieuwe terreinen aangegeven voor ontwikkeling van bedrijvigheid in Almelo. Voor één gebied gaat het om een zoeklocatie, waarover nog nadere oordeelsvorming moet plaatsvinden. Omdat het gaat om terrein dat voor 2010 nodig is, is een afzonderlijk symbool gebruikt.

• • • •

centrale ligging in de stedenband; gunstige ligging t.o.v. knooppunt A1/A35 bij Azelo (de hoofdtransportcorridor); multimodaal te ontsluiten; goed openbaar vervoer.

Onderzochte voorkeursgebieden. Gelet op deze eisen enerzijds en de geschiktheidsbeoordeling in het MER anderzijds heeft de provincie in 2001 de locatie Almelo-Zuid aangewezen als meest geschikte locatie voor het Regionaal bedrijventerrein Twente. In beroep heeft de Raad van State geoordeeld dat deze locatiekeuze onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat met name de mogelijke geschiktheid van Almelo-Noord onvoldoende is onderzocht. In een aanvullend onderzoek is Almelo-Noord op vergelijkbare wijze onderzocht. Het onderzoek wijst uit dat in Almelo-Noord een geschikte locatie gevonden kan worden. Vergeleken met Almelo-Zuid kan deze locatie als Meest Milieuvriendelijke Alternatief worden aangemerkt. De locatie Almelo-Noord scoort per saldo op milieugebied beter dan Almelo-Zuid. ‘Per saldo’ wil zeggen dat Almelo-Noord niet op alle milieuaspecten beter scoort, maar het totaal aan effecten overziend scoort Almelo-Noord beter. De verschillen zijn echter niet groot. Bovendien zullen de nadelen voor natuur, landschap en cultuurhistorie op de locatie Almelo-Zuid door een goede inrichting, overeenkomstig de voorkeursinrichting en stedenbouwkundig plan van de initiatiefnemers zoals opgenomen in het inrichtings-MER, beperkt worden. Een tweede belangrijk ijkpunt vormt het programma van eisen. Almelo-Zuid voldoet op nagenoeg alle punten beter dan Almelo-Noord. Belangrijke punten in het voordeel van Almelo-Zuid zijn: de meer centrale ligging binnen de stedenband, de gunstige ligging ten opzichte van het knooppunt A1/A35 bij Azelo, de ligging aan groot vaarwater, en de met deze punten samenhangende wervingskracht van de locatie. De centrale ligging in de netwerkstad speelt in op de arbeidsmarkt, trekt (groeiende) bedrijven aan uit de hele Netwerkstad en heeft betekenis voor dienstverlenende bedrijven uit zowel Almelo als Hengelo/Borne en Enschede. Omvang van het terrein. Naast het aanvullende locatieonderzoek zijn ook de vraag- en aanbodgegevens geactualiseerd om na te gaan of de behoefte aan het RBT nog steeds actueel is. Onderstaande tabel 5 a geeft voor Twente een geactualiseerd beeld naar de peildatum

46

1-1-2004. Hieruit wordt duidelijk dat de situatie in Twente nijpender is geworden. Ondanks de weer wat geringere uitgifte in de jaren 2000-2003 ten opzichte van eindjaren negentig is de verhouding tussen vraag en aanbod in ongunstige zin veranderd. Het verschil tussen de gewenste strategische voorraad in het stadsgewest van 165 ha en de direct beschikbare voorraad van 76 ha is erg groot. Het algemene beeld blijft voorts dat er sprake is van een versnipperd aanbod van terreinen, waarop nauwelijks mogelijkheden zijn om grootschalige kavels, ook voor bedrijven in de hogere milieucategorieën, te ontwikkelen. De behoefte aan een regionaal terrein juist voor die doelgroepen blijft onverminderd groot. Tabel 5 a direct uitgeefbaar (ha) niet direct uitgifte uitgeefbaar afgelopen (planologische 10 jaar procedure (ha) Gaande (ha) Stadsgewest Twente 76.3 Overig Twente 65.6 Twente totaal 141.9 Bron: VROM, IBIS 68.5 82.0 150.5 329.6 242.6 572.2 165 121 286 gewenste strategische voorraad in ha (voor 5 jaar)

Het RBT is in de eerste plaats bedoeld voor de stadsgewestelijke vraag. Door aanbod voor grote ruimtevragers te creëren, kan elders langer met de beschikbare voorraad worden gedaan en kan deze voor meer kleinschalige en arbeidsintensieve bedrijvigheid worden aangewend. Uit het onderzoek voor het RBT is een behoefte van gemiddeld 6 tot 7 ha per jaar voor de grote ruimtevragers gebleken. Om ook voor de langere termijn voldoende aanbod veilig te stellen, is in de planvorming uitgegaan van een periode van 20 jaar, en is de gewenste omvang op ca. 130 ha netto bepaald. Het gebied Almelo-Zuid voldoet in de in het inrichtingsMER uitgewerkte voorkeursinrichting met een netto uitgeefbare oppervlakte van ca. 125 ha vrijwel geheel aan dit uitgangspunt. Het RBT vervult ook een (aanvullende) rol voor de overige Twentse gemeenten. Deze rol is echter in omvang beperkt; het aanbod van het RBT kan niet in de plaats treden

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

47

van het in tabel 5a bij Overig Twente vermelde aanbod en de daar in ontwikkeling zijnde plannen, omdat deze kwantitatief al achter blijven bij de gewenste omvang. Deze zijn in de eerste plaats nodig voor de eigen bedrijvigheid. In de toelichting wordt uitgebreider op vraag en aanbod ingegaan. De realisering van het RBT kan voor de regio Twente een zeer positieve bijdrage betekenen in een kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod aan bedrijventerrein. Alle onderzoeksgegevens afwegende concludeert de provincie dat er nog steeds behoefte is aan een terrein voor grootschalige bedrijvigheid en dat het gebied Almelo-Zuid daarvoor het meest in aanmerking komt. Locatiekeuze. De provincie wijst daarom de locatie Almelo-Zuid aan als regionaal bedrijventerrein, hoofdzakelijk bedoeld voor grootschalige bedrijvigheid met een kavelomvang vanaf 2 ha in de milieucategorieën tot en met categorie 5. Op plankaart 2, de functiekaart, wordt dit gebied, begrensd door de A-35, de “Doorbraak” en de daarlangs getrokken rode belemmeringenlijn en het Twentekanaal, aangegeven als “grote werklocatie” met de extra aanduiding Regionaal Bedrijventerrein, op de kaart aangegeven met het symbool RB. De “Doorbraak” is de ten zuiden van Almelo geprojecteerde nieuwe waterloop die het landelijke bekenstelsel van Noordoost-Twente zal gaan verbinden met de Regge. Deze waterloop wordt gecombineerd met de in de omgevingsplannen van Overijssel in dit gebied geprojecteerde provinciale ecologische verbindingszone (zie plankaart 1: Integratiekaart, en plankaart 3: Natuurbeleidskaart). De inrichting van het terrein dient plaats te vinden overeenkomstig de hieronder genoemde hoofdelementen uit de voorkeursinrichting in het inrichtings-MER en daarbij behorende stedenbouwkundig plan, waarbij belangrijke natuur- landschaps- en cultuurhistorische waarden worden gespaard en een goede afstemming met de Doorbraak wordt gewaarborgd: • de groenstructuur en de daarin opgenomen afstemming met de Doorbraak en maatregelen t.b.v. cultuurhistorie, landschap en flora en fauna en waterberging (kaart 4A) de hoofdontsluitingsstructuur (kaart 4B) de per deelgebied toegelaten categorieën bedrijvigheid i.v.m. (geluid)hinder en veiligheid (kaart 4C), verder juridisch vast te leggen in het bestemmingsplan. In dit plan en bij de milieuvergunningverlening wordt er voor gezorgd dat de geluidsproductie van de te vestigen

• •

48

bedrijvigheid de op de kaart aangegeven 55 dB(A)- en 50 dB(A)contouren niet overschrijdt. De provincie merkt dit onderdeel van het streekplan met daarin het besluit over de locatie en hoofdelementen van de inrichting van een RBT in Almelo-Zuid aan als een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 en 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De concrete beleidsbeslissing (cbb) heeft betrekking op het gehele gebied Almelo-Zuid. Een beperking van de cbb tot een eerste fase voor ongeveer 10 jaar is vanwege de specifieke omstandigheden niet mogelijk en ook niet wenselijk. De toelichting (par. 3.4.4.) gaat hier nader op in. De tot de cbb gerekende teksten zijn in een tekstkader geplaatst. Voorts behoren de kaarten 4A, 4B en 4C en de voorgestelde wijziging op de streekplankaart, te weten de aanduiding “grote werklocatie tot 2010” voor het gebied Almelo-Zuid en het daarin geplaatste symbool RB met de betekenis “regionaal bedrijventerrein” tot de cbb. In de toelichting, T3A, wordt deze locatiekeuze en inrichting aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken nader onderbouwd. De daarin opgenomen kaarten geven nader inzicht in de inrichting van het gebied, de milieucontouren en de afstemming op en overgang naar de ecologische verbindingszone van de “Doorbraak”. De ter plaatse van de Doorbraak gelegde rode belemmeringenlijn maakt geen onderdeel uit van de concrete beleidsbeslissing. In het kader van de Regiovisie Zuid-Drente/Noord-Overijssel vindt er onderzoek plaats naar de noodzaak en mogelijke locatie van een regionaal bedrijventerrein voor het gebied Steenwijk, Meppel, Staphorst. Wanneer dit leidt tot een concrete locatie zal ook deze via een streekplanuitwerking opgenomen worden. Ook de werkgelegenheid van de overige kernen is van groot belang voor de economie van Overijssel. Daarom moeten ook deze kernen voldoende snel kunnen voldoen aan de vraag naar ruimte voor de bij die kern passende bedrijvigheid. Zie daarvoor hetgeen in paragraaf 4.1.1 per desbetreffende kern vermeld staat. Bij de beoordeling van bestemmingsplannen gaat de provincie uit van de uitgifte van de laatste tien jaar. De gemeente mag de helft hiervan in voorraad hebben en tevens in het bestemmingsplan ruimte hebben voor een uitbreiding van dezelfde omvang. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. De gemeente dient bij een nieuw bestemmingsplan voor EEN REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN IN WEST-OVERIJSSEL? In het kader van de Regiovisie Zuid-Drente/Noord-Overijssel vindt er onderzoek plaats naar de noodzaak en mogelijke locatie van een regionaal bedrijventerrein voor het gebied Steenwijk, Meppel, Staphorst. Wanneer dit leidt tot een concrete locatie zal ook deze via een streekplanuitwerking opgenomen worden. ONTWIKKELING VAN BEDRIJVENTERREINEN Ook de werkgelegenheid van de overige kernen is van groot belang voor de economie van Overijssel. Daarom moeten ook deze kernen voldoende snel kunnen voldoen aan de vraag naar ruimte voor de bij die kern passende bedrijvigheid. Zie daarvoor hetgeen in paragraaf 4.1.1 per desbetreffende kern vermeld staat. Bij de beoordeling van bestemmingsplannen gaat de provincie uit van de uitgifte van de laatste tien jaar. De gemeente mag de helft hiervan in

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

49

uitbreiding van bedrijventerrein inzicht te geven in de wijze van uitgifte van bedrijfsterrein. Als grond is uitgegeven voor bedrijvigheid die niet past bij de functie van een kern zoals hierboven in de profielen beschreven, c.q. als vestiging van een bedrijf niet is afgestemd in het programmeringsoverleg, dan zal een correctie plaatsvinden. We zullen dan eisen stellen ten aanzien van het tempo van uitgifte door bijvoorbeeld maar een deel van het ontwerpbestemmingsplan goed te keuren. Actiepunten • • indien uit nadere verkennende studie blijkt dat in het gebied MeppelSteenwijk-Staphorst de behoefte bestaat aan een regionaal bedrijventerrein (op Overijssels grondgebied) zal hiervoor in een streekplanuitwerking een locatie worden aangeduid wij zullen bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten op het gebied van efficiënt ruimtegebruik van bedrijventerreinen te ontwikkelen of te ondersteunen

voorraad hebben en tevens in het bestemmingsplan ruimte hebben voor een uitbreiding van dezelfde omvang. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. De gemeente dient bij een nieuw bestemmingsplan voor uitbreiding van bedrijventerrein inzicht te geven in de wijze van uitgifte van bedrijfsterrein. Als grond is uitgegeven voor bedrijvigheid die niet past bij de functie van een kern zoals hierboven in de profielen beschreven, c.q. als vestiging van een bedrijf niet is afgestemd in het programmeringsoverleg, dan zal een correctie plaatsvinden. We zullen dan eisen stellen ten aanzien van het tempo van uitgifte door bijvoorbeeld maar een deel van het ontwerpbestemmingsplan goed te keuren. Actiepunten • indien uit nadere verkennende studie blijkt dat in het gebied Meppel-SteenwijkStaphorst de behoefte bestaat aan een regionaal bedrijventerrein (op Overijssels grondgebied) zal hiervoor in een streekplanuitwerking een locatie worden aangeduid wij zullen bezien of het mogelijk is een of meerdere voorbeeldprojecten op het gebied van efficiënt ruimtegebruik van bedrijventerreinen te ontwikkelen of te ondersteunen de provincie zal zich in samenwerking met de mede-initiatiefnemers voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente inspannen om dit RBT zo spoedig mogelijk te realiseren

Blz. 112 e.v. KENSCHETS EN ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN VAN DE STEDEN EN KERNEN BINNEN HET STADSGEWEST. Bij de kenschets van het stadsgewest Twente als netwerkstad is al geconstateerd dat er in dit gebied in steeds sterkere mate sprake is van een functioneren als één stedelijk gebied, met onder andere een samenhangende woning- en arbeidsmarkt. De opgaven bij de stedelijke ontwikkeling zullen daarom voor een belangrijk deel in een regionale aanpak en afstemming tot uitvoer worden gebracht, zoals bijvoorbeeld de bedrijventerreinenontwikkeling. Dit aspect wordt hierna als eerste behandeld. Dat neemt niet weg dat de steden en kernen ook hun eigen karakter en kernmerken en daaruit voortkomende ontwikkelingsopgaven hebben; in de gebiedsbeschrijving

Blz. 112 e.v. KENSCHETS EN ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN VAN DE STEDEN EN KERNEN BINNEN HET STADSGEWEST. Bij de kenschets van het stadsgewest Twente als netwerkstad is al geconstateerd dat er in dit gebied in steeds sterkere mate sprake is van een functioneren als één stedelijk gebied, met onder andere een samenhangende woning- en arbeidsmarkt. De opgaven bij de stedelijke ontwikkeling zullen daarom voor een belangrijk deel in een regionale aanpak en afstemming tot uitvoer worden gebracht, zoals bijvoorbeeld de bedrijventerreinenontwikkeling. Dit aspect wordt hierna als eerste behandeld. Dat neemt niet weg dat de steden en kernen ook hun eigen karakter en kernmerken en daaruit voortkomende ontwikkelingsopgaven hebben; in de gebiedsbeschrijving

50

komen deze ook tot uitdrukking. Voorkomen moet worden dat steden en kernen zich zo ontwikkelen dat er een overaanbod van voorzieningen of van woon- en werklocaties komt dat kan leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en kwaliteitsverlies. Een regionale aanpak moet dergelijke effecten voorkomen. REGIONALE AANPAK VAN BEDRIJVIGHEIDSONTWIKKELING Algemeen aandachtspunt is de raming van de behoefte aan bedrijventerrein in Twente. Die behoefte kan op verschillende manieren worden benaderd. In de toelichting wordt daar nader op ingegaan. Op grond van de in de toelichting gegeven ramingen kan als bandbreedte voor de periode 2000 tot 2020 voor heel Twente 930 ha netto tot 1100 ha netto (= circa 1.300 ha bruto tot 1.540 ha bruto) en voor het stadsgewest Twente 560 ha netto tot 800 ha netto (= 784 ha bruto tot 1.120 ha bruto) worden aangehouden.

komen deze ook tot uitdrukking. Voorkomen moet worden dat steden en kernen zich zo ontwikkelen dat er een overaanbod van voorzieningen of van woon- en werklocaties komt dat kan leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en kwaliteitsverlies. Een regionale aanpak moet dergelijke effecten voorkomen. REGIONALE AANPAK VAN BEDRIJVIGHEIDSONTWIKKELING Algemeen aandachtspunt is de raming van de behoefte aan bedrijventerrein in Twente. Die behoefte kan op verschillende manieren worden benaderd. In de toelichting wordt daar nader op ingegaan. Op grond van de in de toelichting gegeven ramingen kan als bandbreedte voor de periode 2000 tot 2020 voor heel Twente 930 ha netto tot 1100 ha netto (= circa 1.300 ha bruto tot 1.540 ha bruto) en voor het stadsgewest Twente 560 ha netto tot 800 ha netto (= 784 ha bruto tot 1.120 ha bruto) worden aangehouden. Op basis van de cijfers in de toelichting kan het volgende overzicht worden gegeven voor het stadsgewest (zie onderstaande tabel 6). Tabel 6 STRATEGISCHE VOORRAAD VRAAG IN HA. (NETTO) AANBOD IN HA. (NETTO) ondergrens 2010 2020 257 voorraad (1-1-1999) 96 4299 plannen

Op basis van de cijfers in de toelichting kan het volgende overzicht worden gegeven voor het stadsgewest (zie onderstaande tabel 6).

periode (5 jaar) Stadsgewest Twente8 172 1999 -2010 378

bovengrens 2010 -2020 344

8
9

Het stadsgewest Twente bestaat uit de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo Op basis van de in de ‘Ruimtelijke ontwikkelingsvisie tot 2015’ van de gemeente Enschede opgenomen planning is voor de locatie Usseleres, noordelijk deel, rekening gehouden met een bedrijventerrein van 60 ha en is het ‘zachte plan’ Havengebied-west vooralsnog p.m. gelaten. De locatie Grote Plooy is niet in de beschikbare capaciteit meegenomen vanwege het vergevorderde stadium van het bestemmingsplan voor de vestiging van Grolsch op dat terrein.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

51

Uit deze tabel kan worden opgemaakt dat de behoefte in de periode van 1999 tot 2020 naar verwachting van 807 ha netto tot 894 ha netto zal bedragen. Na aftrek van het aanbod (voorraad + in plannen voorziene aanbod), resteert nog in de maximale variant 369 ha netto te ontwikkelen bedrijventerreinen in de periode tot 2020. Voor de periode tot 2010 is de vraag 550 ha netto. Na aftrek van het aanbod (voorraad + plannen) betekent dit dat voor deze periode nog (550 - 525 =) 25 ha netto aan plannen moet worden ontwikkeld. KWALITATIEVE ASPECTEN, SEGMENTERING EN FASERING Het gaat hierboven om een puur cijfermatige benadering. In de werkelijkheid is de problematiek gecompliceerder. Behalve de vraag naar de totale behoefte aan bedrijventerreinen speelt ook de vraag naar de kwaliteit en plaats van de locaties die aangeboden (kunnen) worden. In de voorraad zit een incourant en/of versnipperd aanbod; het aanbod beslaat ook niet alle segmenten van bedrijvigheid. Zo is er slechts een minimaal aanbod van transport- en distributieterreinen en is een voldoende aanbod aan C-locaties een zorgpunt. Mogelijkheden om echt grote kavels uit te geven zijn er nauwelijks. Van diverse kanten komt dan ook de roep om een regionaal bedrijventerrein van in potentie flinke omvang, als belangrijke wervingsfactor bij het aantrekken van nieuwe bedrijven Ook de fasering speelt een belangrijke rol: kunnen er tijdig bedrijventerreinen worden aangeboden en in de juiste segmenten? Daarbij blijft onder andere een tijdig en voldoende aanbod van B-locaties de aandacht vragen. In het programmeringsoverleg Twente worden deze aspecten in hun onderlinge samenhang besproken. Daar is men tot de conclusie gekomen dat de ontwikkeling op korte termijn van een regionaal bedrijventerrein in de stedenband Twente noodzakelijk is om in het stadsgewest Twente als geheel op het juiste moment de juiste hoeveelheden bedrijventerrein in de juiste kwaliteiten te kunnen aanbieden. Het regionale bedrijventerrein moet dus in zijn samenhang met de lokale terreinen die de steden ontwikkelen, worden bezien.

Uit deze tabel kan worden opgemaakt dat de behoefte in de periode van 1999 tot 2020 naar verwachting van 807 ha netto tot 894 ha netto zal bedragen. Na aftrek van het aanbod (voorraad + in plannen voorziene aanbod), resteert nog in de maximale variant 369 ha netto te ontwikkelen bedrijventerreinen in de periode tot 2020. Voor de periode tot 2010 is de vraag 550 ha netto. Na aftrek van het aanbod (voorraad + plannen) betekent dit dat voor deze periode nog (550 - 525 =) 25 ha netto aan plannen moet worden ontwikkeld.

KWALITATIEVE ASPECTEN, SEGMENTERING EN FASERING Het gaat hierboven om een puur cijfermatige benadering. In de werkelijkheid is de problematiek gecompliceerder. Behalve de vraag naar de totale behoefte aan bedrijventerreinen speelt ook de vraag naar de kwaliteit en plaats van de locaties die aangeboden (kunnen) worden. In de voorraad zit een incourant en/of versnipperd aanbod; het aanbod beslaat ook niet alle segmenten van bedrijvigheid. Zo is er slechts een minimaal aanbod van transport- en distributieterreinen en is een voldoende aanbod aan C-locaties een zorgpunt. Mogelijkheden om echt grote kavels uit te geven zijn er nauwelijks. Ook een tijdig en voldoende aanbod van B-locaties blijft aandacht vragen. Al in 1999 heeft het programmeringsoverleg Twente de conclusie getrokken dat de ontwikkeling op korte termijn van een regionaal bedrijventerrein in de stedenband Twente noodzakelijk is om in het stadsgewest Twente als geheel op het juiste moment de juiste hoeveelheden bedrijventerrein in de juiste kwaliteiten te kunnen aanbieden. Het regionale bedrijventerrein moet dus in zijn samenhang met de lokale terreinen die de steden ontwikkelen, worden bezien. Sinds die tijd is de situatie in het stadsgewest alleen maar nijpender geworden. In een milieu-effectrapportage (MER) en aanvullende onderzoeken zijn de mogelijkheden voor een regionaal bedrijventerrein in een orde van grootte van 65 tot 200 ha worden onderzocht. In par. 4.1.3.2. is beschreven hoe op grond van deze onderzoeken het gebied Almelo-Zuid is aangewezen als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente, bedoeld voor grootschalige bedrijvigheid (kavelgrootte vanaf 2 ha) in de milieucategorieën tot en met 5. Voor vestiging van

52

In een milieu-effectrapportage (MER) zullen de mogelijkheden voor een regionaal bedrijventerrein in een orde van grootte van 65 tot 200 ha worden onderzocht. Als zoekgebieden voor zo’n regionaal terrein zijn in de startnotitie voor het MER Regionaal Bedrijventerrein Twente de zones tussen Almelo en Borne en tussen Hengelo en Oldenzaal aangegeven. Mede aan de hand van de uitkomsten van het MER zal een voorstel voor de locatie van een regionaal bedrijventerrein worden gedaan. In paragraaf 4.1.3.2. is nader uiteen gezet welke procedure voor deze locatiekeuze gevolgd zal worden.

bedrijven in de groene geleding van het terrein gelden afwijkende vestigingsvoorwaarden. Het regionale karakter van het RBT komt mede tot uitdrukking door de instelling van een Openbaar lichaam waarin de initiatiefnemers (provincie en de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo) participeren. De regeling bevat o.a. regels voor de vestiging overeenkomstig het RBT-profiel (met een hardheidsclausule voor bijzondere gevallen), en de doorverwijzing van bedrijven met een RBT-profiel uit de netwerkstad naar het RBT met een (oplopende) compensatieverplichting als daar incidenteel van wordt afgeweken. Het RBT is dus in de eerste plaats een voorziening voor de stadsgewestgemeenten (netwerkstad Twente), in overeenstemming met de regionale functie voor de vestiging van bedrijvigheid die deze gemeenten hebben. Het RBT staat voorts open voor vestiging van bedrijven die aan het RBT-profiel voldoen vanuit andere gemeenten.

blz. 119: ALMELO, onderdeel WERKEN Naast de nog beschikbare capaciteit in de locaties Bornsestraat, het bedrijvenpark Twente en het bedrijventerrein Twentepoort heeft Almelo diverse kleinere locaties die nog ontwikkeld kunnen worden. Daarnaast bestaat er al op korte termijn behoefte aan een nieuw grootschaliger terrein. Daarvoor zijn gebieden in beeld op het grondgebied van de gemeenten Vriezenveen en Borne, namelijk de locaties Aadijk en Twentepoort-Zuid. Om in het tekort tot 2010 te voorzien komen in aanmerking een verdere uitbreiding aan de zuidzijde en een verdere bedrijventerreinontwikkeling in de omgeving van Aadorp. Deze locaties moeten ook dienen voor de periode vanaf 2010. Aanvullende mogelijkheden liggen er in het gebied ten westen van het Twentekanaal in de driehoek tussen de aan te leggen RW35, het kanaal en Wierden.

BLZ. 119: ALMELO, onderdeel WERKEN De in 2000 nog beschikbare capaciteit in de locaties Bornsestraat, het bedrijvenpark Twente en het bedrijventerrein Twentepoort is medio 2004 vrijwel geheel benut; Almelo heeft nog enkele kleinere locaties die nog ontwikkeld kunnen worden zoals Wendelgoor en gebiedjes langs de stadsring (de singels). Voorts bieden de locaties Aadijk/Bleskolk, de in de partiële herziening van 2001 toegevoegde locatie ten noorden van het Bedrijvenpark Twente en een vergrote locatie Buitenhaven-west nog ruimte. Gelet op de wenselijkheid om een strategische voorraad aan te kunnen houden en op de ruimtebehoefte voor de langere termijn bestaat er al op redelijk korte termijn behoefte aan een nieuw terrein van grotere omvang, naast de ruimte die het Regionaal Bedrijventerrein Twente biedt voor de grootschalige bedrijvigheid. Het aanvankelijk daarvoor gedachte gebied ten zuiden van Twentepoort is nu aangewezen als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente. Zoekgebied voor aanvullende mogelijkheden is het gebied ten westen van het Twentekanaal binnen de rode contourlijn. Op kaart 22 met een uitsnede van Almelo staan de genoemde locaties aangegeven.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

53

Blz. 149 gedeeltelijk, tot aan “Op de belemmeringenkaart”: 5.6 DE STREEKPLANKAARTEN Op de functiekaart (kaart 2) is het beleid, zoals beschreven in hoofdstuk 4, zoveel mogelijk in beeld gebracht. De aanduidingen op de kaart geven het ruimtegebruik aan zoals de provincie dat voor de toekomst ziet en nastreeft. Daarbij gaat het meestal om –in aansluiting op de streekplantekst– globale aanduidingen, die bij verdere beleidsontwikkeling op provinciaal en/of gemeentelijk niveau ingevuld dienen te worden. De verhouding tussen de streekplantekst en de aanduidingen op de functiekaart is zo dat de tekst beleidsbepalend is.

Blz. 149 gedeeltelijk, tot aan “Op de belemmeringenkaart”: 5.6 DE STREEKPLANKAARTEN Op de functiekaart (kaart 2) is het beleid, zoals beschreven in hoofdstuk 4, zoveel mogelijk in beeld gebracht. De aanduidingen op de kaart geven het ruimtegebruik aan zoals de provincie dat voor de toekomst ziet en nastreeft. Daarbij gaat het meestal om –in aansluiting op de streekplantekst– globale aanduidingen, die bij verdere beleidsontwikkeling op provinciaal en/of gemeentelijk niveau ingevuld dienen te worden. De verhouding tussen de streekplantekst en de aanduidingen op de functiekaart is zo dat de tekst beleidsbepalend is.

De bestaande en de nog (gedeeltelijk) te ontwikkelen locaties voor wonen, werken en voorzieningen in de steden en kernen in de stadsgewesten, streekcentra en grotere kernen die al in een goedgekeurd bestemmingsplan zijn vastgelegd of waarvoor een anticipatieprocedure is doorlopen, zijn in de aanduiding stadsgewest, streekcentrum resp. grotere kern opgenomen. De soort en grootte van de letters van de plaatsnaam geeft de typering aan. Zie ook kaart 3 in hoofdstuk 4.1. Ook deze aanduiding heeft een globaal karakter en pretendeert niet de exacte bestemmingsplangrenzen weer te geven. Rond de steden en kernen in de stadsgewesten zijn voorts globaal toekomstige grote woon- en werklocaties en ontwikkelingsrichtingen voor wonen en werken na 2010 aangegeven. Met de aanduiding grote woon- of werklocatie tot 2010 wordt bedoeld aan te geven dat deze locaties naar verwachting vóór 2010 in ontwikkeling zullen worden gebracht; de realisering kan evenwel tot na 2010 doorlopen. Een apart symbool “zoeklocatie voor grote werklocatie tot 2010” is opgenomen voor gebieden die op basis van een globale beoordeling aan de hand van de beschikbare gebiedsgegevens mogelijk in aanmerking komen voor de ontwikkeling van bedrijventerrein in de periode tot 2010, maar waarvan de geschiktheid nog nader moet worden onderzocht. De pijlen voor de ontwikkelingsrichtingen hebben geen

De bestaande en de nog (gedeeltelijk) te ontwikkelen locaties voor wonen, werken en voorzieningen in de steden en kernen in de stadsgewesten, streekcentra en grotere kernen die al in een goedgekeurd bestemmingsplan zijn vastgelegd of waarvoor een anticipatieprocedure is doorlopen, zijn in de aanduiding stadsgewest, streekcentrum resp. grotere kern opgenomen. De soort en grootte van de letters van de plaatsnaam geeft de typering aan. Zie ook kaart 3 in hoofdstuk 4.1. Ook deze aanduiding heeft een globaal karakter en pretendeert niet de exacte bestemmingsplangrenzen weer te geven. Rond de steden en kernen in de stadsgewesten zijn voorts globaal toekomstige grote woon- en werklocaties en ontwikkelingsrichtingen voor wonen en werken na 2010 aangegeven. Met de aanduiding grote woon- of werklocatie tot 2010 wordt bedoeld aan te geven dat deze locaties naar verwachting vóór 2010 in ontwikkeling zullen worden gebracht; de realisering kan evenwel tot na 2010 doorlopen. Het gebied Almelo-Zuid is, in de vorm van een concrete beleidsbeslissing, als locatie voor het Regionaal Bedrijventerrein Twente aangewezen. Deze locatie heeft behalve de aanduiding “grote werklocatie tot 2010” aanvullend de aanduiding Regionaal Bedrijventerrein (op de kaart aangeduid als RB) gekregen. De pijlen voor de ontwikkelingsrichtingen hebben geen directe relatie met de omvang

54

directe relatie met de omvang van de voorziene woon- en werkgebieden; wel gaat het daarbij om de belangrijkste ontwikkelingsmogelijkheden voor de langere termijn. Daarnaast zijn er ook op andere plekken stedelijke functies mogelijk, voorzover rode (contour)lijnen geen belemmering hiervoor vormen. De aanduidingen voor de zones I tot en met IV zijn de belangrijkste dragers voor het beleid voor de groene ruimte; voorts zijn er overlay-aanduidingen voor bos en water. De aanduiding recreatieconcentratiepunt betreft een zelfstandige aanduiding. Het beleid voor de zones I tot en met IV is voor deze gebieden niet van toepassing. De begrenzing is ook hier weer een globale begrenzing die niet de exacte bestemmingsplangrenzen pretendeert weer te geven. In de groene ruimte kunnen aansluitend aan de steden en kernen stedelijke functies worden ontwikkeld met inachtneming van de in par. 4.1.4. en 4.1.5. beschreven beleidslijnen en algemene principes. Voor dergelijke gebieden geldt vervolgens niet meer het beleid voor de groene ruimte: zie ook par. 4.2.3.8. Op de functiekaart zijn voorts aanduidingen voor verkeer en vervoer en overige voorzieningen opgenomen. Zoals in paragraaf 4.1.4.2 is aangegeven zijn aan dit plan nog enkele detailkaartjes voor kleine kernen met contouren opgenomen. Bij de drie plannen voor de leefomgeving is nog een afzonderlijke integratiekaart ruimte, water en milieu (kaart 1) opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 4.2.3.6. De Provinciale Ecologische Hoofdstructuur is aangeduid op de Natuurbeleidskaart (kaart 3).

van de voorziene woon- en werkgebieden; wel gaat het daarbij om de belangrijkste ontwikkelingsmogelijkheden voor de langere termijn. Daarnaast zijn er ook op andere plekken stedelijke functies mogelijk, voorzover rode (contour)lijnen geen belemmering hiervoor vormen. De aanduidingen voor de zones I tot en met IV zijn de belangrijkste dragers voor het beleid voor de groene ruimte; voorts zijn er overlay-aanduidingen voor bos en water. De aanduiding recreatieconcentratiepunt betreft een zelfstandige aanduiding. Het beleid voor de zones I tot en met IV is voor deze gebieden niet van toepassing. De begrenzing is ook hier weer een globale begrenzing die niet de exacte bestemmingsplangrenzen pretendeert weer te geven. In de groene ruimte kunnen aansluitend aan de steden en kernen stedelijke functies worden ontwikkeld met inachtneming van de in par. 4.1.4. en 4.1.5. beschreven beleidslijnen en algemene principes. Voor dergelijke gebieden geldt vervolgens niet meer het beleid voor de groene ruimte: zie ook par. 4.2.3.8. Op de functiekaart zijn voorts aanduidingen voor verkeer en vervoer en overige voorzieningen opgenomen. Zoals in paragraaf 4.1.4.2 is aangegeven zijn aan dit plan nog enkele detailkaartjes voor kleine kernen met contouren opgenomen. Bij de drie plannen voor de leefomgeving is nog een afzonderlijke integratiekaart ruimte, water en milieu (kaart 1) opgenomen. Zie hiervoor paragraaf 4.2.3.6. De Provinciale Ecologische Hoofdstructuur is aangeduid op de Natuurbeleidskaart (kaart 3).

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

55

56

Bijlage 2: Op welke wijze is gevolg gegeven aan de uitspraak van de Raad van State

Regionaal Bedrijventerrein Twente Raad van State-uitspraak 23 april 2004 (cursieve tekst betreft citaten) Hoe is aan de Raad van State-uitspraak gevolg gegeven

De 4 onderdelen die aanleiding hebben gegeven tot vernietiging van het PS-besluit 1. Bezwaren met betrekking tot de keuze van de locatie ‘Uit het vorenstaande volgt dat in het MER bij de beantwoording van de vraag welke alternatieven voor de voorgenomen activiteit redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, slechts beleidsmatige overwegingen een rol hebben gespeeld. Verweerders zijn bij hun besluitvorming door de gevolgde selectiemethode voorbijgegaan aan de reële waarde van de locatie Almelo-Noord als alternatief, terwijl deze waarde, gelet op het gestelde in het toetsingsadvies van de Commissie, geacht moet worden bekend te zijn bij verweerders. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, nu dit niet berust op de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.’ De initiatiefnemers hebben na de uitspraak van de Raad van State, na overleg met het secretariaat van de commissie voor de Milieueffectrapportage, besloten de eerder opgestelde MER aan te vullen. Via een van te voren door de initiatiefnemers vastgesteld stappenplan is de locatie Almelo-Noord via dezelfde systematiek zorgvuldig onderzocht en vergeleken met de locatie Almelo-Zuid. Voor zover noodzakelijk zijn daarbij gegevens van Almelo-Zuid geactualiserd. Voor een nieuw streekplanbesluit is nu bovendien ook een Inrichtings-MER opgesteld waarin zichtbaar wordt gemaakt hoe bij de inrichting van het voorkeursalternatief van de initiatiefnemers rekening wordt gehouden met o.a. natuur, landschap, cultuurhistorie en verkeer. De provincie heeft als bevoegd gezag voor een nieuw streekplanbesluit, in relatie tot de eerder vastgestelde richtlijnen voor het MER, een ruim zoekgebied vastgesteld voor Almelo-Noord en bij brief van 7 juli 2003 kenbaar gemaakt aan de initiatiefnemers. Vanwege de kritiek van de Raad van State op het Flora- en faunaonderzoek (punt 3 in dit overzicht) is zowel in het zoekgebied Almelo-Noord als de locatie Almelo-Zuid een grondig Ecologisch onderzoek uitgevoerd door EgoGroen Advies BV. De resultaten daarvan zijn verwerkt in het MER. Ook is, mede vanwege kritiekpunt 4 in dit overzicht, een rapport ‘Waardering landschappelijke eenheden’ opgesteld. In het Inrichtings-MER is hiermee rekening gehouden bij de door initiatiefnemers voorgetelde inrichting. Gedurende het hele proces is door de stuurgroep teruggekoppeld naar de betrokken gemeenteraden en provinciale staten, en zijn burgers en belangengroeperingen geïnformeerd. 2. Bezwaren met betrekking tot de financiële haalbaarheid ‘Hieruit volgt dat op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, onzeker was of de vestiging van een RBT op deze locatie financieel haalbaar was en dat deze onzekerheid in ieder geval tot mei 2003 voortduurt. Gelet op het belang van appellanten om duidelijkheid te verkrijgen omtrent hun situatie, getuigt het naar het oordeel van de Afdeling niet van een Ten tijde van het streekplanbesluit op 31 oktober 2001 was de financiële haalbaarheid van het RBT nog niet vastgesteld. Initiatiefnemers wilden eerst zekerheid verkrijgen over de locatiekeus door Provinciale Staten. Vóór de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2003 heeft de stuurgroep RBT wel de financiële haalbaarheid van het RBT op de locatie Almelo-Zuid onderzocht. Op grond daarvan hebben de stuurgroep RBT (maart 2003) en daarop volgend de betrokken colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten wel geconcludeerd dat het RBT

evenredige belangenafweging om de locatiekeuze voor een RBT reeds voordat duidelijkheid bestond over de financiële haalbaarheid daarvan, als concrete beleidsbeslissing in een streekplanherziening vast te leggen.’

haalbaar is. Staten- en raadsvoorstellen terzake zijn echter teruggenomen na de uitspraak van de Raad van State van 23 april 2003. In het kader van het aanvullend locatieonderzoek zijn de locaties Almelo-Noord en Almelo-Zuid in financieel opzicht vergeleken. Conclusie is dat op beide locaties een RBT geëxploiteerd kan worden maar dat in AlmeloZuid t.a.v. de uitgifte en beoogde looptijd minder risico’s te verwachten zijn. Na de hernieuwde locatiekeuze van de stuurgroep voor Almelo-Zuid is de eerder opgestelde exploitatieopzet voor Almelo-Zuid geoptimaliseerd. Kostenposten en projectgebonden risico’s die aanvankelijk grof waren geschat zijn nader onderbouwd en berekend. Ook is de gehanteerde rentevoet, gezien de marktsituatie, met 1% verlaagd tot 6%. De inrichting is daarnaast verder geoptimaliseerd. In januari en februari 2005 hebben de raden van de gemeenten Almelo, Borne, Hengelo en Enschede en Provinciale Staten van Overijssel als initiatiefnemers ingestemd met het gezamenlijk ter hand nemen van de ontwikkeling, exploitatie en beheer van het RBT en met als doel het realiseren ervan met een minstens sluitende exploitatie. Zij hebben daartoe de Gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Twente vastgesteld en voorts besloten in te stellen het Openbaar Lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente.

3.

Bezwaren met betrekking tot beschermde diersoorten ‘Gelet hierop diende in dit geval dan ook voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit onderzocht te worden welke dier- en plantensoorten hun natuurlijke leefomgeving in het gebied hebben en welke gevolgen verstedelijking van het gebied heeft voor het voortbestaan van deze dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefomgeving. Aan de hand van een dergelijk onderzoek kon worden vastgesteld of een ontheffing op grond van de ten tijde van het bestreden besluit geldende Natuurbeschermingswet (thans Flora- en Faunawet) vereist was en in hoeverre redelijkerwijs te verwachten was dat deze ontheffing, indien vereist, zou worden verleend. Uit de aanvulling op het MER blijkt, voorzover hier van belang, dat in het gebied van de locatie Almelo-Zuid zeven soorten vleermuizen voorkomen en het vrijwel zeker is dat in het gebied ook de kamsalamander voorkomt. Alle vleermuissoorten en alle salamandersoorten zijn beschermde diersoorten in de zin van de Natuurbeschermingswet. Bovendien zijn alle vleermuissoorten en de

In opdracht van de initiatiefnemers heeft EcoGroen Advies een jaar lang (vanaf juni 2003 t/m juli 2004), ecologisch onderzoek uitgevoerd in het zoekgebied Almelo-Noord en de locatie Almelo-Zuid. Het onderzoek is gebaseerd op een groot aantal veldbezoeken, beschikbare informatie uit beleidsdocumenten en databanken. Onderzochte soortengroepen zijn: flora, zoogdieren, broedvogels, amfibieën en reptielen, vissen en insecten. Van deze gegevens is gebruik gemaakt bij het opstellen van het MER (aanvulling locatiekeuzedeel en Inrichtings-MER Almelo-Zuid) Bovendien is aan de hand van deze gegevens de ontheffingsaanvraag Flora- en Faunawet voor AlmeloZuid vernieuwd. Deze is op 25 augustus 2004 toegezonden aan het agentschap Laser i.h.k.v. de lopende bezwaarprocedure tegen eerdere formele weigering van de ontheffing (omdat het streekplanbesluit was vernietigd). Uit het onderzoek blijkt dat de kamsalamander niet in het onderzoeksgebied voorkomt. De soort komt wel voor aan de andere zijde van het Twentekanaal. Bovendien ontbreekt in de locatie Almelo-Zuid een geschikt leefgebied (habitat) voor deze soort. In het gebied zijn foeragerend zeven vleermuissoorten aangetroffen. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn, ondanks intensief onderzoek, niet in het plangebied aangetroffen. Van een aantal soorten is wel vaste verblijfplaatsen te verwachten, met name in de omgeving van landgoed ’t Wolbert. Het waardevolle erf en opstallen van het landgoed zijn als te behouden opgenomen in het stedenbouwkundig plan en de

58

kamsalamander in bijlage IV, letter a, van de Habitatrichtlijn aangewezen als diersoorten van communautair belang die strikt beschermd moeten worden. Gelet hierop is de enkele stelling van verweerders dat de diersoorten die ter plaatse voorkomen niet zeldzaam zijn in Twente en hun voortbestaan in zoverre dan ook niet wordt bedreigd, onvoldoende nu deze stelling niet berust op onderzoeksgegevens dan wel anderszins aannemelijk is gemaakt. Bovendien blijkt niet dat verweerders op basis van onderzoeksgegevens hebben afgewogen of op voorhand redelijkerwijs te verwachten was dat een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet, indien vereist, zou kunnen worden verleend. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en berust in zoverre op een gebrekkige motivering.’ 4. Bezwaren met betrekking tot de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van het gebied ‘Uit het deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak komt naar voren dat met name het westelijke deel van de locatie Almelo-Zuid landschappelijk karakteristiek is door zogenoemde kampen, graslanden, houtwallen en waterlopen. Voorts volgt daaruit dat een deel van de karakteristieke bebouwing en erfbeplanting nog in het gebied aanwezig is. Gelet hierop wordt door verweerders aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied geen recht gedaan met de enkele vaststelling dat het gebied in vergelijking met andere gebieden geen bijzondere landschappelijke waarde heeft. Daarbij dient te worden opgemerkt dat deze waarden blijkens het bovenstaande provinciaal ruimtelijk beleid door verweerders wel van belang worden geacht. Het bestreden besluit berust ook in zoverre niet op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.’

voorkeursinrichting van de initiatiefnemers. Bij de realisering van het RBT zal schade ook worden voorkomen door vlak voor de sloop van de overige gebouwen en kap van bomen, waar zich mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in zouden kunnen bevinden, (buiten de wintermaanden) een controle te laten uitvoeren. Indien op een bepaalde locatie vleermuizen zijn aangetoond, zal door regelmatige controle het moment afgewacht worden tot de vleermuizen weer vertrokken zijn (vleermuizen verblijven namelijk niet permanent in dezelfde verblijfplaats). Er zullen daarnaast maatregelen worden uitgevoerd om vleermuizen te begunstigen: twee vleermuisbunkers in de verbrede Doorbraak en nieuwe verblijfplaatsen in nieuwbouw. Gelet op het voorgaande is geen ontheffing Flora- en Faunawet voor vleermuizen gevraagd en is er geen strijd met bijlage IV, letter a, van de Habitatrichtlijn. In de vernieuwde ontheffingsaanvraag is gemotiveerd waarom een ontheffingsmogelijkheid aanwezig is voor de plant- (dotterbloem) en diersoorten waarvoor wel ontheffing wordt gevraagd. In het kader van de aanvulling MER is een rapport ‘Waardering landschappelijke eenheden’ opgesteld. Daarmee is vervolgens rekening gehouden bij het maken van het stedenbouwkundig plan en de voorkeursinrichting van de initiatiefnemers voor de locatie Almelo-Zuid. De belangrijkste landschaps- en natuurelementen zijn in het structurele groen opgenomen. De herziening van het streekplan, in de vorm van een concrete beleidsbeslissing, gaat uit van deze voorkeursinrichting. Zowel met de verbreding van de Doorbraak als de groene geleding van het terrein wordt recht gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied.

De 7 onderdelen waarbij de Raad van State geen aanleiding zag tot vernietiging van het besluit 5. Bezwaren met betrekking tot de noodzaak van een RBT ‘Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de De gehanteerde uitgangspunten en de daaruit voortvloeiende behoefteraming zijn volledigheidshalve herijkt. Bij de behoefteramingen voor het RBT is gekeken naar de historische uitgifte aan grote ruimtevragers in de Netwerkstad en de regio, en is

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

59

Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerders ten tijde van het bestreden besluit gehanteerde uitgangspunten dan wel de daaruit voortvloeiende behoefteraming, onredelijk zijn. Zij hebben deze raming dan ook ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit, voorzover het de daarin vervatte locatiekeuze voor een RBT betreft.‘ 6. Bezwaren met betrekking tot landgoed ‘t Wolbert ‘In de toelichting bij het streekplan is een lijst opgenomen van de 60 beschermde buitenplaatsen in de provincie Overijssel. Landgoed ’t Wolbert is niet vermeld op de bovenbedoelde lijst en heeft als zodanig geen beschermde status. Voorts kan worden opgemerkt dat niet is gebleken dat het landgoed, afgezien van het te handhaven waardevolle erf met opstallen, van grote waarde is vanwege de aanwezigheid van parken of tuinen. In dat verband is van belang dat uit de stukken blijkt dat het grootste deel van het landgoed verpacht is voor de landbouw. Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het landgoed niet van dezelfde betekenis is als landgoederen in de omgeving welke op de bovenbedoelde provinciale lijst zijn opgenomen. Het betoog van appellanten dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het streekplan, faalt derhalve. De Afdeling overweegt voorts dat in het MER is vermeld dat gebieden waarin landgoederen zijn gelegen, negatief worden beoordeeld voor de vestiging van een RBT. Deze negatieve beoordeling als zodanig maakt echter niet dat het gebied ongeschikt is voor vestiging van een RBT en laat ruimte voor een nadere belangenafweging. Verweerders hebben in dat verband aan het belang dat is gediend met de vestiging van een RBT een groter gewicht toegekend. Zij hebben daarbij aangegeven dat het landgoed zoveel mogelijk zal worden ingepast en dat het waardevolle erf met opstallen behouden zal worden. De Afdeling acht deze belangenafweging niet onredelijk zodat verweerders in dit bezwaar in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’ 7. Bezwaren met betrekking tot de gevolgen voor bewoners en bedrijven

voorts ook een inschatting gemaakt van toekomstige ontwikkelingen. Nagegaan is of deze berekende behoefte zich in redelijke mate verhoudt tot de potentiële doelgroep van toekomstige verplaatsers. Dat is van belang omdat de uitgifte van grote kavels veel incidenteler verloopt. Onderzoek van Buck Consultants International bevestigt de berekende ruimtebehoefte: gemiddeld circa 6 tot 7 ha per jaar.

Het waardevolle erf en opstallen en de directe omgeving van het landgoed ’t Wolbert zijn als te behouden opgenomen in het stedenbouwkundig plan en de voorkeursinrichting van de initiatiefnemers. Het te behouden gebied vormt op deze wijze één geheel met de verbrede Doorbraak. Met het belang van het landgoed wordt op deze wijze rekening gehouden.

In het kader van de hernieuwde afweging zijn de belangen van bewoners en bedrijven in het gebied

60

‘Uit de toelichting bij het bestreden besluit blijkt dat de belangen van de bewoners en de bedrijven in het gebied bij de afweging van verweerders een rol hebben gespeeld, maar dat een groter gewicht is toegekend aan het belang dat is gediend met de vestiging van een RBT. De Afdeling is van oordeel dat verweerders deze belangenafweging in redelijkheid hebben kunnen maken. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de vestiging van een RBT met een omvang van ongeveer 185 hectare op iedere in aanmerking komende alternatieve locatie ertoe zou leiden dat bewoners dan wel bedrijven uit het desbetreffende gebied zouden moeten vertrekken. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat in het bestreden besluit onvoldoende duidelijkheid is geboden over vervangende woonruimte dan wel een vervangende bedrijfslocatie, overweegt de Afdeling als volgt. Niet vereist is dat in de fase van de besluitvorming over de locatie van het aan te leggen RBT, reeds volledige duidelijkheid dient te bestaan over vervangende woonruimte dan wel een vervangende bedrijfslocatie. Verweerders hebben ermee kunnen volstaan vast te stellen dat er in de regio mogelijkheden zijn voor het vinden van vervangende woonruimte dan wel een vervangende bedrijfslocatie. De daadwerkelijke invulling hiervan kan in een volgende fase van de besluitvorming aan de orde komen. In dat verband is van belang dat verweerders reeds hebben toegezegd dat er onder omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt op het algemene provinciale beleid om geen nieuwe burgerwoningen in het buitengebied toe te staan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in deze bezwaren in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’ 8. Bezwaren met betrekking tot de gevolgen voor de kern Bornerbroek ‘Ten aanzien van de mogelijke overlast dan wel hinder van een RBT voor de kern Bornerbroek overweegt de Afdeling dat deze aspecten specifiek zien op de inrichting van het RBT. Niet aannemelijk is geworden dat het gebied niet op een zodanige wijze kan worden ingericht dat overlast voorkomen kan worden. Gelet hierop hebben verweerders zich in

opnieuw afgewogen. De belangen die worden gediend met vestiging van een RBT op de locatie Almelo-Zuid worden zwaarder gewogen dan die van de bewoners en bedrijven in het gebied. Bij de locatievergelijking Almelo-Noord/Almelo-Zuid is ook rekening gehouden met de belangen van bewoners en bedrijven in de omgeving. Het provinciaal beleid ten aanzien van vervangende woonruimte, zoals opgenomen in de provinciale ‘Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen’, blijft van toepassing.

In de aanvulling op het MER en de Inrichtings-MER is de mogelijke overlast voor de kern Bornerbroek onderzocht. Uit het Inrichtings-MER blijkt dat het RBTgebied op zodanige wijze kan worden ingericht dat overlast voorkomen kan worden. Ook de mogelijke sociaal culturele gevolgen voor Bornerbroek zijn beschreven. Zij zijn niet van die aard dat hieraan een overwegend gewicht moet worden toegekend.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

61

redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aspecten in het kader van het MER ten behoeve van de inrichting van het gebied en het bestemmingsplan nader onderzocht en uitgewerkt kunnen worden. Ten aanzien van de sociaal-culturele gevolgen van de vestiging van een RBT voor de kern Bornerbroek, overweegt de Afdeling als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat de vestiging van een RBT in het gebied zodanige negatieve sociaalculturele gevolgen voor de kern Bornerbroek zal hebben, dat verweerders daaraan in hun besluitvorming een overwegend gewicht hadden moeten toekennen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in deze bezwaren in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’ 9. Bezwaren met betrekking tot de waterhuishouding ‘Uit het MER en de aanvulling daarop blijkt dat verweerders de waterhuishoudkundige gevolgen van de vestiging van een RBT op de locatie Almelo-Zuid globaal hebben onderzocht. Daaruit is niet gebleken dat de vestiging van een RBT op deze locatie vanuit waterhuishoudkundig oogpunt onmogelijk is. Wel is gebleken dat bepaalde technische maatregelen noodzakelijk zijn om een goede waterhuishouding te waarborgen. Verweerders hebben zich evenwel op het standpunt kunnen stellen dat verdergaand onderzoek naar deze maatregelen kan plaatsvinden in het kader van het MER dat ten behoeve van de inrichting van het gebied zal worden opgesteld. Voorts is van belang dat het waterschap Regge en Dinkel als eerstverantwoordelijk orgaan voor de waterhuishouding in het gebied niet te kennen heeft gegeven dat indien in het gebied een RBT wordt aangelegd onoverkomelijke problemen zijn te verwachten. Daarbij wordt opgemerkt dat aan het door appellanten bedoelde rapport van het waterschap geen absolute betekenis kan worden toegekend, nu dit indicatief van aard is en ruimte biedt voor een nadere afweging. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in dit bezwaar in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’ In de aanvulling op het locatiekeuzedeel van het MER en het Inrichtings-MER zijn de waterhuishoudkundige aspecten opnieuw onderzocht en geactualiseerd. Daaruit is gebleken dat de vestiging van een RBT op zowel de locatie Almelo-Noord als Almelo-Zuid vanuit waterhuishoudkundig oogpunt goed mogelijk is. Het waterschap Regge en Dinkel heeft weliswaar een voorkeur voor de locatie Almelo-Noord t.o.v. AlmeloZuid, maar in het kader van de totale belangenafweging en de mogelijkheid om technische maatregelen te treffen is dit verschil niet van doorslaggevend belang. Het waterschap heeft bij brief van 21 september 2004 te kennen gegeven de locatie Almelo-Zuid acceptabel te vinden. Ook de afstemming met de realisering van de Doorbraak is goed onderzocht en geregeld. Realisering van Doorbraak en RBT op de locatie Almelo-Zuid gaan goed samen en geeft geen waterhuishoudkundige problemen, noch kwantitatief noch kwalitatief.

62

10.

Bezwaren met betrekking tot de infrastructuur ‘Niet aannemelijk is geworden dat de infrastructuur in het gebied niet op een zodanige wijze kan worden aangelegd dat een goede ontsluiting van het gebied is te waarborgen. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aspecten in het kader van het MER ten behoeve van de inrichting van het gebied en het bestemmingsplan nader onderzocht en uitgewerkt kunnen worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in dit bezwaar in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’

Naar de afwikkeling van het verkeer is uitgebreid onderzoek gedaan door het adviesbureau Goudappel en Coffeng. Conclusie is dat bij ontwikkeling van het RBT op de locatie Almelo-Zuid er in de komende 17 jaar aanpassingen nodig en mogelijk zijn op de H. Roland Holstlaan en dat daardoor een acceptabele verkeersafwikkeling mogelijk blijft. De ontsluiting van het RBT vindt plaats vanaf de nieuwe aansluiting op de doorgetrokken Rijksweg 35 in het verlengde van de H. Roland Holstlaan. Ook het RBT-gebied ten oosten van de Pastoor Ossestraat wordt ontsloten via de hoofdontsluitingsas over het RBT die de Pastoor Ossestraat ongelijkvloers kruist. De wijze van hoofdontsluiting van het RBT vormt een onderdeel van de concrete beleidsbeslissing in de streekplanherziening RBT. In de exploitatieopzet van het RBT is een afdracht aan het fonds Bovenwijkse voorzieningen van Almelo opgenomen. Er lopen door het RBT-gebied een hoofdtransportleiding en een regionale gasleiding. Deze moeten beide worden verlegd om het RBT op een goede manier te kunnen ontwikkelen en realiseren. De leidingen zullen langs Rijksweg 35 gesitueerd worden, mogelijk in samenhang met een nieuwe leiding langs de A35. De kosten van de verlegging zijn door de Gasunie geraamd en opgenomen in de exploitatieopzet. Rijkswaterstaat en Gasunie willen hun medewerking verlenen.

11.

Bezwaren met betrekking tot gasleidingen in het gebied ‘Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de gastransportleidingen die in het gebied gelegen zijn, kunnen worden verplaatst. Niet aannemelijk is geworden dat verplaatsing van de leidingen tot veiligheidsrisico leidt of dermate hoge kosten met zich brengt dat de vestiging van een RBT ter plaatse financieel onmogelijk zou worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerders in dit bezwaar in redelijkheid geen beletsel behoefden te zien om het gebied aan te wijzen als locatie voor de vestiging van een RBT.’

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

63

Bijlage 3: Overzicht rapporten bij MER RBT en Ontwerp-streekplanherziening RBT, oktober 2004

Product

Opgesteld door

Datum

MER

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

11

12 13 14 15

Startnotitie MER MER RBT, Reacties op startnotitie deel 1 MER RBT, Reacties op startnotitie deel 2 Advies voor richtlijnen voor het MER RBT MER RBT, richtlijnen Reactienota i.r.t. startnotitie en richtlijnen MER MER RBT, deel A: locatiekeuze (1e) aanvullingen op MER RBT, deel A: locatiekeuze (Water en Flora en Fauna) Toetsingsadvies over het MER deel A en daarbij behorende aanvullingen Brief gedeputeerde staten over aanvulling MER en zoekgebied Almelo-Noord (RWB/03/1359) Brief betreffende aanbieding (ter aanvaarding) van het aanvullend MERonderzoek RBT aan het bevoegd gezag. Aanvullend onderzoek locatiekeuze RBT RBT locatie Almelo-Zuid: Inrichtings-MER MER Regionaal Bedrijventerrein Twente, Samenvatting Schematisch overzicht werkwijze MER

PO Twente/ Grontmij Provincie Overijssel Provincie Overijssel Commissie voor de m.e.r. Provincie Overijssel Provincie Overijssel / Grontmij PO Twente/ Grontmij Grontmij/Provincie Commissie voor de m.e.r. Gedeputeerde staten

November 1999 November 1999 November 1999 Januari 2000 Februari 2000 Februari 2000 November 2000 Juni 2001 September 2001 Juli 2003

Stuurgroep RBT

Oktober 2004

Grontmij/ Adecs Oost bv Grontmij/ Adecs Oost bv Grontmij/ Adecs Oost bv Adecs Oost bv

Oktober 2004 Oktober 2004 Oktober 2004 Oktober 2004

Raad van State 16 Uitspraak afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over streekplanbesluit RBT van oktober 2001 (zaaknummer 200200160/1) Achtergronddocumenten Water 17 Afstemming RBT en Doorbraak, water en landschap Natuur 18 19 20 Flora- en faunaonderzoek Regionaal Bedrijventerrein Twente (tussenrapportage) Waardering Landschappelijke eenheden Ecologisch onderzoek Regionaal Bedrijventerrein Twente, inventarisatie en beoordeling van natuurwaarden ten behoeve van de realisering van een regionaal bedrijventerrein ten zuiden van Almelo Ontheffingsaanvraag RBT-locatie Almelo-Zuid met rapport ‘Ecologisch onderzoek RBT’

Raad van State

April 2003

Arcadis

Mei 2002

EcoGroen Advies EcoGroen Advies EcoGroen Advies

December 2003 December 2003 Augustus 2004

21

ProvincieOverijssel/ EcoGroen Advies

Augustus 2004

64

Veiligheid 22 23 RBT, Startnotitie VER Veiligheidsscan RBT Provincie Overijssel Provincie Overijssel Juni 2001 Oktober 2002 Juli 2002 April 2003 Juni 2003 April 2004

Verkeer 24 25 26 27 RBT Almelo, Verkeerskundige bevindingen (Almelo-Zuid) RBT Almelo, aanvullende rapportage op verkeerskundige bevindingen (Almelo-Zuid) Verkeersafwikkeling A35. H.R.Holstlaan-zuid, aanvullend resultaat, externe notitie Goudappel Coffeng Goudappel Coffeng Goudappel Coffeng Goudappel Coffeng

RBT Almelo-Noord: verkeersgevolgen voorkeurslocatie Geluid 28 Akoestisch onderzoek ligging geluidcontour

Gemeente Almelo

Oktober 2004 September 2003 Juni 2004 Februari 2002 Februari 2002 Juni 2004

Lucht 29 30 31 32 Rapportage luchtkwaliteit 2002 Rapport luchtkwaliteit 2003 Specificatie van programmering RBT Provincie Overijssel Gemeente Almelo Buck Consultants International Buck Consultants International Buck Consultants International

Programmering

Specificatie van programmering RBT, Bijlagenrapport 33 Actualisatie programmering regionaal bedrijventerrein Twente Overig 34 35 36 37 RBT kadernotitie duurzaamheid Contourkeuzemodel RBT RBT stedenbouwkundig plan Stappenplan RBT, samenvatting

Adecs Oost bv Adecs bv OD205, stedenbouw, onderzoek en landschap Adecs Oost bv

Januari 2003 Juni 2004 Oktober 2004 Oktober 2003

Besluiten 38 39 Intentieovereenkomst Regionaal Bedrijventerrein Twente Statenbesluit Verlenging intentieovereenkomst en instemming met voorbereiding nieuwe streekplanherziening RBT Tweede besluit Verlenging intentieovereenkomst Statenbesluit inzake ‘Regionaal bedrijventerrein Twente en Aanvullend onderzoek RBT locatiekeuze’ Provincie, Almelo, Hengelo, Borne, Enschede Provincie (en via raadsbesluiten: Almelo, Hengelo, Borne, Enschede) Provincie, Almelo, Hengelo, Borne, Enschede Provinciale Staten (en raden) 2002 Juni 2003

40 41

Juli 2004 Oktober 2004

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

65

Bijlage 4:

Rapport luchtkwaliteit

66

Adecs Oost BV

Onderzoek luchtkwaliteit Regionaal Bedrijventerrein Twente

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

67

Adecs Oost BV

Onderzoek luchtkwaliteit Regionaal Bedrijventerrein Twente

Datum februari 2005 Kenmerk AVD007/Wjg/0082 Eerste versie

68

Documentatiepagina

Opdrachtgever(s) Titel rapport Kenmerk Datum publicatie Projectteam opdrachtgever(s) Projectteam Goudappel Coffeng Projectomschrijving

Adecs Oost BV Onderzoek luchtkwaliteit Regionaal Bedrijventerrein Twente ADV007/Wjg/0082 februari 2005 de heer S. Idema, mevrouw M. van Gerwen

de heren H.M. Golstein en G. Wijnja

Onderzoek van de luchtkwaliteit voor de ontwikkeling van het Regionaal Bedrijventerrein Twente met behulp van het CAR-II-model versie 3.0. Luchtkwaliteit, Regionaal Bedrijventerrein Twente, Almelo, CAR-II-model

Trefwoorden

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

69

Inhoud

Pagina

1

Inleiding

71

2 2.1 2.2 2.3

Besluit luchtkwaliteit Het Besluit luchtkwaliteit Bronnen en effecten van luchtverontreiniging Grenswaarden, plan- en alarmdrempels

72 72 73 75

3 3.1 3.2 3.3

Onderzoek van de luchtkwaliteit Aanpak Overige uitgangspunten voor het onderzoek Resultaten onderzoek luchtkwaliteit

76 76 77 78

4

Conclusie

81

5

Referenties

82

70

1

Inleiding

De gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo en de provincie Overijssel willen samen het Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT) ontwikkelen, exploiteren en beheren. Het wordt een grootschalig terrein van bruto ongeveer 180 ha en een netto uitgeefbare oppervlakte van ongeveer 125 ha ten zuiden van Almelo. Het RBT is bedoeld voor bedrijven in de logistiek, transport, distributie en industrie. Met dit terrein willen de gemeenten en de provincie een impuls geven aan de werkgelegenheid in Twente. De stuurgroep heeft inmiddels gekozen voor Almelo-Zuid als beste locatie voor de vestiging van het Regionaal Bedrijventerrein Twente. Inmiddels is het MER voor het RBT afgerond. Voor het MER zijn de luchtkwaliteitsgegevens gebruikt zoals berekend voor de A35. Naar aanleiding van de jurisprudentie die is ontstaan over hoe om te gaan met luchtkwaliteit, heeft de initiatiefnemer voor het RBT echter besloten aanvullend een apart onderzoek ten aanzien van de luchtkwaliteit vanwege het RBT te laten uitvoeren voor de situatie in 2020 als het RBT volledig gerealiseerd is. In diverse onderzoeken worden de verschillende effecten van de ontwikkeling van een dergelijk terrein onderzocht. Dit is voortgaand proces, waarbij voortdurend keuzes worden gemaakt die op onderdelen wettelijk worden getoetst. Dit rapport beschrijft het onderzoek door Goudappel Coffeng BV in opdracht van Adecs Oost BV naar de luchtkwaliteit van en op het toekomstig bedrijventerrein. In hoofdstuk 2 wordt in het kort het Besluit luchtkwaliteit, de effecten van de verschillende stoffen en de grenswaarden zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit toegelicht. In hoofdstuk 3 staan de aanpak en de uitgangspunten voor het onderzoek naar de luchtkwaliteit alsmede resultaten van dit onderzoek. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies opgenomen.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

71

2
2.1

Besluit luchtkwaliteit
Het Besluit luchtkwaliteit

Door de activiteiten van de mens, zoals industrie, verkeer en landbouw, wordt de lucht in meerdere of mindere mate vervuild. De gevolgen van luchtverontreiniging zijn in algemene zin: schade aan gezondheid van mens, plant en dier, schade aan gebouwen en stankoverlast. Reeds in de jaren tachtig heeft de Raad van de Europese Gemeenschap richtlijnen opgesteld betreffende grens- en richtwaarden van de luchtkwaliteit voor zwaveldioxide, zwevende deeltjes, lood en stikstofdioxide. Deze richtlijnen zijn in Nederland geïmplementeerd door de Besluiten luchtkwaliteit. In 1996 heeft de Raad van de Europese Unie de (nieuwe) richtlijn 96/62/EG opgesteld inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (verder te noemen: kaderrichtlijn). In deze richtlijn zijn de grondbeginselen opgenomen van een gemeenschappelijke strategie voor het vaststellen van de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu, alsmede een programma waarin de Europese Unie zich ten doel stelt om voor dertien luchtverontreinigende stoffen voorstellen te formuleren voor de grenswaarden van de buitenluchtkwaliteit. Op 19 juli 2001 is in Nederland het ‘Besluit luchtkwaliteit en Meetregeling luchtkwaliteit’ van kracht geworden (bronnen 1 en 2). Dit Besluit luchtkwaliteit bevat de regels ter implementatie van de richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwavel-, stikstofdioxide en -oxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht. Deze richtlijn is de eerste zogenaamde dochterrichtlijn die voortvloeit uit de in 1996 opgestelde richtlijn. In het Besluit luchtkwaliteit zijn naast de genoemde stoffen en in afwachting van de tweede dochterrichtlijn de grenswaarden voor koolstofmonoxide, lood en benzeen uit de bestaande Besluiten luchtkwaliteit onverminderd overgenomen. Dit Besluit luchtkwaliteit vervangt daarmee alle eerdere Besluiten luchtkwaliteit in Nederland. Ingevolge het Besluit luchtkwaliteit hebben de bestuursorganen in Nederland (Rijk, provincies en gemeenten) de taak om de grenswaarden, plan- en alarmdrempels in acht te nemen. De voorschriften in het Besluit luchtkwaliteit hebben betrekking op het in kaart brengen van de actuele luchtverontreinigingssituatie en waar nodig vormgeven en uitvoeren van plannen ter verbetering van de situatie. Teneinde toekomstige nieuwe situaties met grenswaardeoverschrijding te vermijden, wordt van overheden verwacht dat zij ook bij de besluitvorming inzake nieuwe ontwikkelingen de grenswaarden en realisatietermijnen in acht nemen. In het Besluit luchtkwaliteit is dit gespecificeerd als 'bestuursorganen dienen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van bepaalde luchtverontreinigende stoffen kunnen hebben, de betreffende grenswaarden in acht te nemen'. Daarmee wordt aangegeven dat het bij de toepassing van het Besluit luchtkwaliteit om dié bevoegdheden gaat, waarbij de luchtkwaliteit ten aanzien van de betreffende stoffen daadwerkelijk beïnvloed kan worden. Het gaat om taken of bevoegdheden waarmee invloed van enige betekenis uitgeoefend kan worden op de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij onder andere om de bevoegdheden op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waaronder het opstellen of herzien van bestemmingsplannen. De grenswaarden genoemd in het Besluit, gelden overal in Nederland uitgezonderd de werkplek. Elke situatie in Nederland dient uiterlijk in 2010 aan de grenswaarden te voldoen. Daar waar niet voldaan kan worden aan de grenswaarden zijn maatregelen noodzakelijk en is geen ontwikkeling van woningbouw of andere gevoelige bestemmingen mogelijk, tot het moment dat wel aan de normen wordt voldaan. Een en ander is nader toegelicht in een brief van Staatssecretaris Van Geel van VROM, gericht aan alle Colleges van Burgemeester en Wethouders naar aanleiding van recente uitspraken van de Raad van State (bron 3). In deze brief is aangegeven dat dit met name voor de grenswaarden voor NO2 geldt. Het voldoen aan de grenswaarden van PM10 acht de staatssecretaris primair een taak voor de rijksoverheid, omdat de concentraties voor groot deel worden veroorzaakt door de emissies in het buitenland. Wel wijst de staatssecretaris erop dat er lokaal verhoogde concentraties kunnen voorkomen waar de gemeenten mogelijk wel invloed op kunnen uitoefenen. Hij acht het echter niet wenselijk dat strikte interpretatie van de verplichting om te voldoen aan de grenswaarde van PM10 leidt tot het maatschappelijk niet aanvaardbare gevolg dat geen enkel plan of ontwikkeling nog doorgang kan vinden. In het Besluit luchtkwaliteit is aangegeven dat de luchtkwaliteit mag worden vastgesteld door middel van meten of berekenen. Voor het berekenen van de luchtkwaliteit wordt door het ministerie van VROM een programma beschikbaar gesteld, waarmee deze berekeningen langs stedelijke wegen kunnen worden uitgevoerd: CAR-II-model. Voor complexere situaties zoals bijvoorbeeld langs rijkswegen is het CAR-II-

72

model niet geschikt. Voor dergelijke situaties moeten de berekeningen uitgevoerd worden met zogenaamde verspreidingsmodellen, zoals bijvoorbeeld het TNO-verkeersmodel of het Nieuw Nationaal Model van KEMA. Op basis van metingen en empirische gegevens worden de invoerparameters voor de rekenmodellen gevalideerd. Door VROM wordt daarom jaarlijks een nieuwe versie van het CAR-II-model beschikbaar gesteld. In deze nieuwe versies (inmiddels is versie 3.0 beschikbaar) worden de achtergrondniveaus van het voorgaande jaar op basis van het landelijke meetnet opgenomen. Vanaf versie 2.0 is tevens een nieuwe prognose van de achtergrondniveaus en emissieparameters van het voertuigpark geïntegreerd, gebaseerd op de uitwerkingsnotitie Referentie Raming 2010. In deze nieuwe prognoses zijn de achtergrondniveaus voor stikstofdioxide (NO2) naar boven en die van fijn stof (PM10) naar beneden bijgesteld.

2.2

Bronnen en effecten van luchtverontreiniging

Een belangrijke bron van luchtverontreiniging is het gemotoriseerde verkeer. Daarnaast zijn ook de industrie en landbouw belangrijke bronnen van luchtverontreiniging. De concentraties kunnen significant verhoogd zijn door lokale emissies en door plaatselijke omstandigheden die de verspreiding in de atmosfeer belemmeren. Het gaat bij deze luchtverontreiniging om een grote verscheidenheid aan verbindingen die op geringe hoogte worden uitgestoten, dus in ons directe leefmilieu. De voor de mens meest schadelijke stoffen zijn: stikstofoxiden (NO en NO2); fijn stof (PM10); benzeen (C6H6); zwaveldioxide (SO2); koolstofmonoxide (CO); benzo(a)pyreen; lood (Pb).

De bronnen en effecten van deze stoffen zijn hierna aangegeven. Stikstofoxiden (NO en NO2) Stikstofoxiden NO en NO2 komen bij alle verbrandingsprocessen vrij door de reactie van de in de lucht aanwezige stikstof met zuurstof. In het gemotoriseerde verkeer zijn met name de dieselmotoren een belangrijke bron van de NO-uitstoot. NO bindt zich net als CO aan de hemoglobine. Door de lage concentraties is dit echter nauwelijks van belang. Wel is van belang dat NO onder bepaalde omstandigheden gemakkelijk kan oxideren tot NO2. NO2 zorgt voor verlies van de elasticiteit van het longweefsel en vermindering van de weerstand tegen infecties (bronnen 4 en 5). Door de complexe relatie tussen NO2 en de andere luchtverontreinigende componenten kan een effect dat gevonden wordt voor NO2, niet met redelijke zekerheid aan deze component worden toegeschreven. De WHO is daarom terughoudend om resultaten van epidemiologische studies voor NO2 bij kwantitatieve risico schattingen te gebruiken. Uit een recente review van de WHO (bron 6) wordt erop gewezen dat NO2 een sterke indicator is voor alle verkeersgerelateerde emissies en reactieproducten zoals ozon en PM. De review heeft geen nieuw wetenschappelijk bewijs opgeleverd dat aanscherping van de WHO richtlijnen voor deze component zou rechtvaardigen. Overschrijding van de grenswaarden voor NO2 komt nog veelvuldig in Nederland voor, met name langs drukke (snel)wegen en wegen met veel vrachtverkeer. Fijn stof (PM10) Fijn stof is een verzameling van stoffen, ook wel zwevende deeltjes en roet genoemd, met een maximale grootte van 10 µm. De bronnen van fijn stof zijn zeer divers en kunnen lokaal veel verschillen vertonen. Een aanzienlijk deel van de totale PM10-concentratie heeft een natuurlijke oorsprong, bijvoorbeeld zeezout. Fijn stof is een van de meest zorgwekkende luchtverontreinigingscomponenten op Nationaal en Europees niveau. In epidemiologische studies wordt verondersteld dat de nadelige gevolgen van fijn stof in de atmosfeer vooral te wijten zijn aan antropogene (door mensen teweeggebrachte) bronnen. Onderzoek duidt erop dat verkeersgerelateerde fijnstofemissies, zoals elementair koolstof en ultrafijne deeltjes, een

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

73

belangrijk aandeel kunnen hebben in de gezondheidseffecten van fijn stof (bron 7). De transportsector (wegverkeer, scheepvaart, vliegverkeer etc.) is de belangrijkste bronsector voor (antropogeen) PM. De antropogene emissies van PM10 (stofdeeltjes ruwweg kleiner dan 10 µm) zijn voor meer dan eenderde afkomstig van de transportsector, voor PM2,5 (stofdeeltjes ruwweg kleiner dan 2,5 µm) is dit meer dan de helft. Uit epidemiologische studies over de gehele wereld blijkt dat er significante verbanden zijn tussen gezondheid en de concentraties PM10 en PM2,5. Er zijn aanwijzingen dat niet zozeer de massa per m3, maar het aantal deeltjes, het oppervlak en de chemische samenstelling van belang zijn. Het vermoeden bestaat dat de ultra fijne fractie (kleiner dan 0,1 µm) de meeste effecten veroorzaken. De reden hiervoor is tweeledig: de ultra fijne fractie kan verder doordringen in het longsysteem (waar de gasuitwisseling plaatsvindt) en kan doordringen tot in het longweefsel; het specifieke oppervlak van de ultra fijne fractie is veel groter, waardoor toxische stoffen gemakkelijker kunnen vrijkomen en dus de toxische werking sterk toeneemt. Om deze redenen is het denkbaar dat niet zozeer de massa fijn stof per m3 maatgevend is voor gezondheidseffecten, maar eerder het aantal deeltjes per m3. Recente studies naar de effecten van PM op de gezondheid hebben het bestaande beeld dat PM ernstige gezondheidsschade kan veroorzaken versterkt. Uit de studies blijkt verder dat de lange-termijneffecten dominant zijn, dus de jaargemiddelde concentratie is de belangrijkste graadmeter. Op grond van de nieuwe informatie heeft de WHO de richtlijnen voor PM aangescherpt. Er is voor fijn stof geen drempelwaarde waaronder geen gezondheidsschade verwacht hoeft te worden. De effectiviteit van PM10 als maat voor fijn stof is de afgelopen tijd beleidsmatig landelijk aan de orde geweest. Een mogelijke oplossing kan bestaan uit het invoeren van een gevoeliger maat voor de hoeveelheid fijn stof. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan PM2.5. Vooralsnog wordt de PM10-norm gehandhaafd, omdat daarin in ieder geval alle gezondheidsbedreigende stoffen zijn opgenomen. Overschrijding van de grenswaarden voor PM10 komt in vrijwel geheel Nederland voor. Ondanks dat het verkeer de belangrijkste bron voor de fijn stof emissies is, is oplossen van het fijn stof probleem nauwelijks op lokale schaal mogelijk. Dit wordt met name veroorzaakt door de lange verblijfstijd van fijn stof in de atmosfeer. Het Rijk zet zich daarom in om de emissie van fijn stof in internationaal verband te verlagen waarmee impliciet de concentraties ook zullen dalen. Benzeen (C6H6) Benzeen is een vluchtige, kleurloze en ontvlambare vloeistof met een karakteristieke geur. Het is een bestanddeel van benzine. Belangrijke bronnen van C6H6 zijn dan ook het verkeer en tankstations. De stof heeft een toxische werking op het bloed en de bloedvormende weefsels. Het belangrijkste effect is dat benzeen een rol kan spelen bij het ontstaan van leukemie. Overschrijdingen van de norm voor benzeen komt op diverse plaatsen in Nederland voor. Zwaveldioxide (SO2) Zwaveldioxide wordt uitgestoten door de verbranding van zwavelhoudende brandstoffen. Het is vooral de diesel en de (zware) stookolie die veel zwavel bevat. Binnenlandse bronnen zijn de industrie, landbouw en het (zee)scheepvaartverkeer. Diverse maatregelen hebben geleid tot een forse verlaging van de zwaveldioxide-uitstoot in Nederland. Momenteel leveren buitenlandse bronnen de grootste bijdrage aan de huidige zwaveldioxideconcentraties in Nederland. Zwaveldioxide behoort met stikstofoxiden en ammoniak tot de verzurende gassen, waaruit ook weer fijn stof kan ontstaan. De concentraties zijn in Nederland tegenwoordig zo laag, dat directe gezondheidseffecten niet langer waarneembaar zijn. Koolstofmonoxide (CO) Koolstofmonoxide is een stof die ontstaat door onvolledige verbranding in de motor. CO is schadelijk voor de gezondheid van de mens. CO is in staat om zich te binden aan de hemoglobine (de rode bloedlichaampjes die zorgen voor het zuurstoftransport in het lichaam) en kan daardoor de opneming van zuurstof belemmeren. Deze stof verdient uiteraard de nodige aandacht, maar door de invoering van de driewegkatalysator komt vrijwel nergens in Nederland nog een overschrijding van de norm voor. Wel kan in enkele specifieke lokale situaties sprake zijn van een (dreigende) normoverschrijding. Benzo(a)pyreen Benzo(a)pyreen is een belangrijke indicatorstof van de groep polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). De stof komt vrij bij allerlei verbrandingsprocessen, vooral bij onvolledige verbranding. Van het

74

gemotoriseerde verkeer zijn de dieselmotoren een belangrijke bron. De concentratie van benzo(a)pyreen is de laatste tien jaar vrijwel gelijk gebleven. De gezondheidsrisico’s van PAK’s zijn voornamelijk de kankerverwekkende eigenschappen. Lood (Pb) Lood wordt hoofdzakelijk geëmitteerd door auto’s die op loodhoudende benzine rijden. Blootstelling aan lood heeft met name gevolgen voor het functioneren van het centrale zenuwstelsel en de enzymsystemen in het bloed. Door de toepassing van de katalysatoren worden in Nederland vrijwel geen loodhoudende benzines meer toegepast. Sinds 1993 is iedere nieuwe auto in Nederland met een benzinemotor voorzien van een katalysator. Hierdoor is de uitstoot van lood door het wegverkeer tot vrijwel nul gedaald. In het programma CAR-II is om deze reden de berekening van de concentraties lood ten gevolge van het wegverkeer niet opgenomen.

2.3

Grenswaarden, plan- en alarmdrempels

In het Besluit luchtkwaliteit worden voor de verschillende stoffen grenswaarden, plan- en alarmdrempels aangegeven. De definitie van de termen is als volgt:

Grenswaarde: Plandrempel: Alarmdrempel:

Kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat op een bepaald tijdstip bereikt moet zijn. Voor de grenswaarde geldt een resultaatverplichting, er is geen afwijking van de norm toegestaan. Kwaliteitsniveau van de buitenlucht waarbij bij het overschrijden van deze waarde de overheid een actieplan moet opstellen, teneinde tijdig aan de grenswaarde te voldoen. Kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij kortstondige overschrijding directe risico’s voor de gezondheid van de mens oplevert.

In tabel 2.1 zijn de voor deze rapportage relevante normen voor het jaar 2010 per stof aangegeven. De zogenaamde plandrempels die voor de huidige situatie van kracht zijn worden jaarlijks verlaagd, teneinde in 2010 uit te komen op de grenswaarde, daarom zijn in de tabel geen plandrempels meer opgenomen. Alle normen en grenswaarden staan uitgebreid beschreven in het Besluit luchtkwaliteit. stof stikstofdioxide (NO2) - jaargemiddelde - uurgemiddelde fijn stof (PM10) - jaargemiddelde - 24-uursgemiddelde benzeen (C6H6) - jaargemiddelde zwaveldioxide (SO2) - jaargemiddelde - 24-uursgemiddelde koolmonoxide (CO) - 98p 8-uursgemiddelde benzo(a)pyreen - jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m3 200 µg/m3 40 µg/m3 50 µg/m3 10 µg/m3 20 µg/m3 125 µg/m3 6.000 µg/m3 maximaal aantal dagen overschrijding per jaar 18 dagen 35 dagen 3 dagen -

1 µg/m3

Tabel 2.1: Grenswaarden voor het jaar 2010 conform het Besluit Luchtkwaliteit

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

75

3
3.1

Onderzoek van de luchtkwaliteit
Aanpak

Het is zeer wel denkbaar dat de ontwikkeling van het Regionaal Bedrijventerrein Twente zou kunnen leiden tot overschrijding van grenswaarden voor met name stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Zoals in voorgaande hoofdstuk aangegeven komt in Nederland momenteel alleen in uitzonderingssituaties overschrijdingen van de grenswaarden voor van benzeen, koolmonoxide en zwaveldioxide. Op basis hiervan wordt verondersteld dat deze stoffen in de toekomst geen overschrijdingen van de grenswaarden zullen laten zien en daarom in dit onderzoek buiten beschouwing kunnen worden gelaten. In de bedoelde uitzonderingssituaties wordt overigens ook altijd de grenswaarde voor NO2 en PM10 fors overschreden. Voor de op het RBT te vestigen bedrijven geldt dat emissies van bedrijven wordt geregeld in de milieuvergunningen. De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de Nederlandse emissierichtlijn (NeR) en het Besluit luchtkwaliteit. Bij toepassing van de NeR geldt dat in principe geen schadelijke effecten voor de omgeving ontstaan. Dit onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling van het RBT richt zich dan ook alleen op de berekening van de bijdragen van de bestaande en geplande wegen in het studiegebied aan de NO2- en de PM10-concentraties. Het is algemeen bekend dat deze twee stoffen problematisch zijn. Hoewel het niet de verwachting is dat de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsterreinen altijd tot problematische NO2- en PM10-concentraties zal leiden, is het noodzakelijk om dit op een juist wijze aan te tonen. Vanaf 1 januari 2005 dient iedere plek in Nederland te voldoen aan de normen ten aanzien van fijn stof zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. In 2010 dient daarnaast iedere plek in Nederland te voldoen aan de normen ten aanzien van de overige stoffen zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. Het onderzoek naar de luchtkwaliteit richt zicht dan ook op twee momenten: de situatie 2007 voor PM10, het moment waarop de eerste bedrijven zich zullen vestigen; de situatie 2010 voor de overige stoffen omdat dan voldaan moet worden aan de normen. In het jaar 2007 zullen vermoedelijk de eerste bedrijven zich op het RBT vestigen. De verkeersintensiteiten zullen vanaf dat moment, door het vestigen van nieuwe bedrijven op het RBT, toenemen. Van belang is om aan te tonen dat tot 2010 voldaan wordt aan de gestelde normen. Daarom is de luchtkwaliteit in beeld gebracht voor de situatie 2007 waarbij gerekend is met de verkeersintensiteiten zoals die voor de situatie 2010 verwacht mogen worden. Hierbij is ervan uitgegaan dat 10 ha van de beschikbare 125 ha netto terrein is uitgegeven. Ten aanzien van de toetsing aan de normen voor 2010 is een zelfde werkwijze gevolgd. De luchtkwaliteit is berekend voor de situatie 2010 waarbij is gerekend met de verkeersintensiteiten voor de situatie waarin het RBT volledig ontwikkeld is, namelijk de situatie 2020. De belangrijkste overweging hiervoor is dat als uitgegaan zou worden van de werkelijke situatie in 2010 waarin het RBT dus gedeeltelijk ontwikkeld zal zijn, niet gewaarborgd kan worden dat in de jaren na 2010, als het RBT verder ontwikkeld wordt, nog steeds kan worden voldaan aan de normen van het Besluit luchtkwaliteit. Daarnaast zijn in het verkeersonderzoek alleen verkeersprognoses gemaakt voor de situatie 2020 waarin het RBT volledig is ontwikkeld. Er is ook een prognose voor de situatie 2020 gemaakt waarin alleen het RBT niet is ontwikkeld maar alle andere ontwikkelingen wel. Een prognose voor 2010 met een gedeeltelijk ontwikkeld RBT is niet beschikbaar en het vergt relatief veel inspanning om een dergelijke prognose op te stellen. Het is voor dit onderzoek echter niet noodzakelijk om deze situatie op te stellen, gezien de hiervoor aangegeven overweging ten aanzien van de jaren na 2010. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van het CAR-II-model versie 3.0 zoals dat door het ministerie van VROM ter beschikking wordt gesteld. Het CAR-II-model bevat emissieparameters en achtergrondniveaus voor de situaties 2005 en 2010. Voor de situatie 2007 zijn deze parameters en achtergrondniveaus door middel van lineaire interpolatie berekend. In het kader van de doortrekking van de A35 tussen Almelo en Wierden is de lokale luchtkwaliteit door TNO in opdracht van Rijkswaterstaat directie Oost-Nederland onderzocht (bronnen 10 en 11) voor zowel de situatie 2010 als ook voor 2020. De resultaten van dat onderzoek zijn een welkome aanvulling aangezien het CAR-II-model minder geschikt is voor het berekenen van de luchtkwaliteit langs autosnelwegen. In het CAR-II-model kan namelijk geen rekening gehouden worden met de overheersende zuidwestelijke wind in Nederland noch met afscherming door bebouwing en geluidsschermen.

76

Daarnaast gaat de methodiek in het CAR-II-model ervan uit dat de rijlijnen van de beide rijrichtingen dicht bij elkaar liggen hetgeen bij een autosnelweg niet het geval is. Het onderzoek van TNO bevat niet het wegvak tussen Almelo en het knooppunt Azelo. Op basis van de berekening van TNO en berekening met het CAR-II-model is voor dit wegvak een schatting gemaakt van de luchtkwaliteit. Tot slot is voor de wegen op en rond het RBT een inschatting gemaakt van het aandeel vrachtverkeer op basis van de uitgangspunten zoals die zijn vastgesteld in het verkeersmilieumodel voor de gemeente Almelo.

3.2

Overige uitgangspunten voor het onderzoek

Voor het onderzoek van de luchtkwaliteit is de verkaveling conform de voorkeursinrichting als uitgangspunt gehanteerd (bron 12). Belangrijkste uitgangspunt daarbij is dat het bedrijventerrein één toegang voor gemotoriseerd verkeer heeft, en wel de aansluiting op de H.R. Holstlaan/aansluiting A35. De inrichting van het terrein zelf is voor de lokale luchtkwaliteit langs de wegen overigens van minder belang. Als onderdeel van de haalbaarheidsstudie zijn in een eerder onderzoek de verkeerskundige consequenties van het RBT voor de situatie 2020 onderzocht (bronnen 8 en 9). De in die onderzoeken berekende verkeersintensiteiten van de verschillende wegen zijn in dit onderzoek gebruikt. Het gaat daarbij om de intensiteiten, zoals die zijn zichtbaar gemaakt in de afbeeldingen 1 en 2 van de rapportage ‘RBT Almelo, aanvullende verkeerskundige bevindingen’, kenmerk AVD003/Gsh/0055 d.d. april 2003. Op de wegen op en rond het RBT zijn zeven meetpunten gelegd waarvoor de luchtkwaliteit is berekend dan wel ingeschat. Deze zeven meetpunten zijn in figuur 3.1 weergegeven.

Figuur 3.1: Meetpunten op de wegen, voorkeursinrichting RBT Almelo-Zuid Er zijn drie meetpunten op het RBT zelf gelegen. Dit zijn feitelijk de drukste wegvakken op het RBT. Voor deze meetpunten is met behulp van het CAR-II-model de luchtkwaliteit berekend, deze drie meetpunten zijn: punt 1 op de ontsluitingsweg naar de aansluiting op de A35 en H.R. Holstlaan; punt 2 ten westen van de ontsluitingsweg; punt3 ten oosten van de ontsluitingsweg. Verder zijn er twee meetpunten geplaatst buiten het RBT waarvoor eveneens met behulp van het CAR-IImodel de luchtkwaliteit is berekend: punt 4 Pastoor Ossestraat, deze weg blijft bestaan maar krijgt geen aansluiting in het RBT; punt 5 H.R. Holstlaan ten noorden van de aansluiting op de A35. Tot slot zijn twee meetpunten op de autosnelweg A35 gesitueerd: punt 6 is gelegen ten westen van de aansluiting op de A35 en komt overeen met locatie 8 uit het onderzoek van TNO; punt 7 ligt ten oosten van de aansluiting (luchtkwaliteit berekend met het CAR-II-model).

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

77

De uitgangspunten ten aanzien van de omgeving is voor de meetpunten 1 tot en met 5 gelijk gesteld. Deze uitgangspunten zijn in tabel 3.1 weergegeven. variabele X-coördinaat Y-coördinaat wegtype snelheidstype bomenfactor toegekende waarde 240900 482500 bebouwing aan beide zijden (2) doorstromend stadsverkeer (Ve) niet of nauwelijks aanwezig (1.00)

Tabel 3.1: Uitgangspunten omgevingsvariabelen meetpunten 1 tot en met 5

De verkeersintensiteiten en de bijbehorende aandelen vrachtverkeer staan voor de zeven punten in tabel 3.2. Hierbij is onderscheid gemaakt in het scenario met en zonder RBT. Voor deze punten is tevens de ophoogfactor opgenomen om de avondspitsuurintensiteiten uit het verkeersmodel op te hogen naar etmaalintensiteiten. intensiteit in mvt/etm
meetpunt omschrijving wegvak situatie 2007 met RBT in 2020 zonder RBT In 2020 fractie middelzwaar vracht fractie zwaar vrachtverkeer Ophoogfactor spitsetmaal

meetpunt 1 meetpunt 2 meetpunt 3 meetpunt 4 meetpunt 5 meetpunt 6 meetpunt 7 *
**

ontsluitingsweg RBT ten westen ontsluitingsweg RBT ten oosten ontsluitingsweg RBT Pastoor Ossestraat H.R. Holstlaan ten noorden aansluiting A35 TNO locatie 8, ten westen aansluiting A35 locatie 9, ten oosten aansluiting A35

1.600 600 1.000 1.200 39.000 23.710 50.340

20.160 7.650 12.510 14.650 48.250 31.620* 59.280*

0 0 0 13.820 45.060 26.260** 50.624**

7,5% 7,5% 7,5% 3,5% 6,0% 5,7% 5,7%

5,5% 5,5% 5,5% 1,5% 4,0% 5,7% 5,7%

9,0 9,0

9,0
10,2 10,9 10,1 10,3

Verkeersintensiteiten afkomstig uit het onderzoek van TNO (opgave Rijkswaterstaat directie Oost Nederland) Verkeersintensiteiten berekend op basis van verkeersonderzoek en vastgestelde ophoogfactor

Tabel 3.2: Verkeersintensiteiten meetpunten

3.3

Resultaten onderzoek luchtkwaliteit

Met de uitgangspunten zoals aangegeven in de voorgaande paragraaf is de luchtkwaliteit op de zeven meetpunten berekend. Voor de situatie 2007 is de luchtkwaliteit berekend en voor situatie 2010 is de luchtkwaliteit zowel berekend zonder het RBT als met het RBT. De resultaten hiervan worden hierna toegelicht. Resultaten berekening luchtkwaliteit situatie 2007 Voor de situatie 2007 is de luchtkwaliteit berekend, waarbij ervan uitgegaan is dat 10 ha van de netto uitgeefbare 125 ha van het RBT is uitgegeven. Qua verkeerssituatie is uitgegaan van de beschikbaarheid van de verlenging van de A35 in westelijke richting, hoewel dat laatste pas in 2008 feitelijk het geval zal zijn. Dit komt omdat alle beschikbare prognosegegevens (2020 en 2010) zijn gebaseerd op het gereed zijn van de verlengde A35. Voor het jaar 2007 is daarbij de verkeersbelasting van/naar de A35 aangehouden, zoals die voor het jaar 2010 is opgenomen in het TNO-rapport, zie ook * bij tabel 3.2. De luchtkwaliteit is berekend op een zo kort mogelijke afstand vanaf de weg. Dit is in beginsel het eerste punt waar mensen bloot gesteld worden aan de luchtkwaliteit. Als de grenswaarden hier niet worden overschreden, zal dit ook op grotere afstand van de weg niet het geval zijn omdat de verkeersbijdrage met het toenemen van de afstand steeds verder verdund wordt. In tabel 3.3 zijn de resultaten van de

78

berekeningen van de situatie 2007 opgenomen. Overigens is ook de concentratie NO2 berekend (hoewel die in 2007 nog niet hoeft te voldoen aan de gestelde grenswaarde).
concentratie NO2 (µg/m3) concentratie PM10 (µg/m3) aantal overschrijdingen grenswaarde 24-uursgemiddelde PM10 totaal (max. 35 keer) achtergrond

meetpunt

afstand

jaargemiddelde (max. nvt µg/m3) achtergrond

1 2 3 4 5 8 (TNO) 8 (CAR-II) 9

10 10 10 10 20 30 30 30

21,9 21,0 21,4 21,1 31,4 22,5 29,1

20,5 20,5 20,5 20,5 20,5 20,5 20,5

jaargemiddel de (max. 40 µg/m3) 29,2 29,0 29,1 29,1 33,0 29,7 30,7

achtergrond

28,8 28,8 28,8 28,8 28,8 28,8 28,8

24 23 23 23 44 27 32

22 22 22 22 22 22 22

Tabel 3.3: Jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en het aantal overschrijdingen grenswaarde 24uursgemiddelde PM10 voor het jaar 2007 met eenderde deel van RBT ontwikkeld

Uit de resultaten blijkt dat er geen overschrijding van de grenswaarden zijn op het RBT. Langs de H.R. Holstlaan wordt de grenswaarde voor de 24-uursgemiddelde concentratie 44 keer overschreden terwijl 35 keer maximaal is. Als het RBT-verkeer, veroorzaakt door uitgifte van 10 ha uitgegeven terrein, wordt weggelaten daalt het aantal overschrijdingen tot 43 keer. Ten gevolge van de ontwikkeling van het RBT neemt het aantal overschrijdingen dus met 1 toe. Uiteraard geldt hierbij dat het aantal overschrijdingen altijd in hele getallen wordt uitgedrukt. Langs de autosnelweg liggen de concentraties lager, omdat de afstand groter is en er rekening is gehouden met een grotere verdunning. Resultaten berekening luchtkwaliteit, situatie 2010 zonder RBT In eerste instantie is de luchtkwaliteit berekend zonder rekening te houden met de ontwikkeling van het RBT. Deze situatie geeft als het ware de autonome situatie weer. De vergelijking van deze resultaten met de resultaten van de situatie waarin het RBT wel ontwikkeld is, geeft inzicht in de veranderingen door de ontwikkeling van het RBT op de lokale luchtkwaliteit. In tabel 3.4 zijn de resultaten van de berekeningen van de situatie zonder RBT opgenomen. aantal overschrijdingen concentratie NO2 (µg/m3) Jaargemid- achtergrond delde (max. 40 µg/m3) 23,0 27,8 22,5 25,1 19,1 19,1 19,1 19,1 concentratie PM10 (µg/m3) Jaargemidachtergrond delde (max. 40 µg/m3) 29,3 30,8 28,4 29,0 27,7 27,7 27,7 27,7 grenswaarde 24uursgemiddelde PM10 totaal (max. 35 keer) achtergrond 16 16 16 16

meetpunt 1 2 3 4 5 8 (TNO) 8 (CAR-II) 9

afstand 10 10 10 10 20 30 30 30

24 32 19 23

Tabel 3.4: Jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en het aantal overschrijdingen grenswaarde 24uursgemiddelde PM10 voor het jaar 2010 zonder RBT, met verkeersintensiteiten 2020

Voor alle meetpunten geldt dat de concentraties in 2010 zonder RBT ver beneden de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit liggen.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

79

Resultaten berekening luchtkwaliteit, situatie 2010 met RBT Vervolgens is de luchtkwaliteit berekend waarbij wel rekening gehouden is met de ontwikkeling van het RBT. Op de A35 neemt de verkeersintensiteit met ongeveer 20% toe. Op de H.R. Holstlaan en de Pastoor Ossestraat is de toename ongeveer 7%. Deze toenamen zijn ook te vinden in de verkeersbijdrage aan de luchtverontreiniging langs de wegen. Omdat de verkeersbijdrage relatief klein is, is ook de toename in de totale concentratie kleiner dan de toename van het autoverkeer. In tabel 3.5 zijn de resultaten van de berekeningen van de situatie met RBT opgenomen. De berekening van TNO betreft de situatie 2020 voor zowel verkeersintensiteiten als emissieparameters en achtergrondniveaus. Duidelijk is te zien dat deze concentratie met name als gevolg van de lagere achtergrondniveaus lager liggen dan de concentraties berekend met het CAR-II-model voor de situatie 2010 met verkeersintensiteiten 2020. aantal overschrijdingen grenswaarde 24uursgemiddelde PM10 totaal (max. 35 keer) 32 achtergrond

concentratie NO2 (µg/m3) meetpunt afstand 10 10 10 10 20 30 30 30 Jaargemiddelde (max. 40 µg/m3) 28,4 23,2 25,4 23,2 28,3 16,8 22,9 26,1 achtergrond 19,1 19,1 19,1 19,1 19,1 14,5 19,1 19,1

concentratie PM10 (µg/m3) Jaargemid- achtergrond delde (max. 40 µg/m3) 30,7 27,7 28,8 27,7 29,5 29,4 31,0 31,6 28,5 29,3 27,7 27,7 27,7 31,3 27,7 27,7

2 3 4 5 6 (TNO) 6 (CAR-II) 9

22
26 25 33 20 24

16 16 16 16 16 16 16

Tabel 3.5: Jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en het aantal overschrijdingen grenswaarde 24uursgemiddelde PM10 voor het jaar 2010 met RBT en verkeersintensiteiten 2020

Overschrijding van de uurgemiddelde concentratie van NO2 komt niet voor en is daarom niet opgenomen in de tabel. Voor alle meetpunten geldt dat de concentraties NO2 en PM10 in 2010 met RBT hoger is dan zonder RBT, hetgeen logisch is. Uit vergelijking van de uitkomsten van de tabellen 3.4 en 3.5 blijkt echter, dat de verschillen tussen de situatie zonder en met RBT gering zijn. De jaargemiddelde concentratie van NO2 neemt op bestaande wegen maximaal ongeveer 0,6 µg/m3 toe en de jaargemiddelde concentratie van PM10 neemt met maximaal 0,3 µg/m3 toe. De invloed van het RBT op de lokale luchtkwaliteit is daarmee (zeer) gering te noemen. De totaalwaarden zijn niet zo hoog, dat op enig punt de normen van het Besluit luchtkwaliteit worden overschreden. De verschillen tussen de situatie 2010 met volledig ontwikkeld RBT en de situatie 2007 waarin eenderde van het RBT is ontwikkeld zijn opmerkelijk. Dit wordt volledig veroorzaakt door de geprognosticeerde forse daling van de achtergrondniveaus en de emissie van het voertuigpark. Conclusie is dat de toevoeging van het RBT in 2007 zorgt voor een geringe verdere overschrijding van de grenswaarde voor PM10 op de H.R. Holstlaan ten noorden van de A35 (waarbij overschrijding ook zonder RBT optreedt). In 2010 wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit, waarbij er moet rekening mee moet worden gehouden dat voor deze berekeningen het gehele RBT (180 ha bruto oppervlakte) al in 2010 gerealiseerd is gedacht, terwijl dit volgens de vigerende uitgifteplanning pas in 2020 het geval zal zijn.

80

4

Conclusie

Voor de ontwikkeling van het Regionaal Bedrijventerrein Twente ten zuiden van de A35 is de lokale luchtkwaliteit onderzocht en getoetst aan de normen zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. Reeds vanaf 1 januari 2005 dient iedere plek in Nederland te voldoen aan de normen ten aanzien van fijn stof zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. In 2010 dient iedere plek in Nederland te voldoen aan de alle normen gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. Het onderzoek naar de luchtkwaliteit voor het RBT heeft zich dan ook gericht op de situatie 2007 waarin de eerste bedrijven zich zullen gaan vestigen en de situatie 2010 waarin voldaan moet worden aan de normen.

Situatie 2007 In de situatie 2007 wordt op het RBT en langs de autosnelweg voldaan aan de normen. Langs de H.R. Holstlaan ten noorden van de A35 wordt echter de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie van PM10 in totaal 44 keer overschreden, terwijl 35 keer per jaar is toegestaan. Dit aantal overschrijdingen wordt slechts voor een klein deel, hooguit 1 keer, veroorzaakt door de ontwikkeling van het RBT. Door de ontwikkeling van het RBT wordt de overschrijding van de grenswaarde voor PM10 langs dit gedeelte van de H.R. Holstlaan dus iets groter.

Situatie 2010 De hoogste jaargemiddelde concentratie voor NO2 op bestaande wegen in 2010 is ongeveer 28 µg/m3, waarvan 19 µg/m3 ten gevolge van de achtergrond. De concentratie NO2 ligt daarmee ver beneden de grenswaarde van 40 µg/m3. Ook de jaargemiddelde concentraties van PM10 liggen ver beneden de grenswaarde van 40 µg/m3, de hoogste concentratie is bijna 31,0 µg/m3, waarvan bijna 28 µg/m3 ten gevolge van de achtergrondconcentratie. De grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie wordt maximaal 33 keer per jaar overschreden en blijft dus ook onder de gestelde maxima van 35 keer per jaar. De concentraties zijn berekend met een geringe afstand tot de weg. Naar mate de afstand tot de weg toeneemt neemt de verkeersbijdrage ten gevolge van verdunning af. Op basis hiervan kan gesteld worden dat ook op grotere afstand van de wegen de normen zeker niet worden overschreden. Uit het onderzoek is gebleken dat de verschillen tussen de situatie zonder en met RBT gering zijn. De jaargemiddelde concentratie van NO2 neemt op bestaande wegen maximaal ongeveer 0,6 µg/m3 toe en de jaargemiddelde concentratie van PM10 met maximaal 0,3 µg/m3. De invloed van het RBT op de lokale luchtkwaliteit is daarmee zeer gering te noemen; het aandeel van het RBT in de totale berekende concentraties bedraagt maximaal enkele procenten. De concentraties in de situatie met het RBT liggen ver beneden de grenswaarden. De overschrijding van de normen langs de H.R. Holstlaan ten noorden van de A35 in 2007 wordt derhalve slechts voor een zeer klein deel door het RBT veroorzaakt. Voor de situatie enkele jaren later, in 2010, is aangetoond dat ook langs de H.R. Holstlaan het aantal overschrijdingen fors is afgenomen (ondanks een toename van de intensiteiten) en in die situatie wel voldoet aan de gestelde normen. Deze afname wordt volledig veroorzaakt door de afname van de achtergrondniveaus en de emissies van het voertuigpark. Afgewogen moeten worden het belang van de ontwikkeling van het RBT tegen de ernst van de tijdelijke overschrijding van de grenswaarde van PM10 tussen 2007 en 2010. Omdat het RBT (aangetoond) slechts een zeer geringe toename van de overschrijding van de grenswaarde van PM10 in 2007 veroorzaakt; de overschrijding tijdelijk is; en de overschrijding in 2010 al geheel is ondervangen, vinden wij het belang van de verdergaande voorbereiding van het RBT zeker opwegen tegen de genoemde geringe tijdelijke toename van de overschrijding door PM10.

Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente

81

5
1.

Referenties
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2001, nummer 269, Besluit luchtkwaliteit

2.

Ministerie van VROM Besluit luchtkwaliteit en Meetregeling luchtkwaliteit, Den Haag, november 2001

3.

Brief staatssecretaris VROM aan alle Burgemeester en Wethouders Interpretatie Besluit luchtkwaliteit, kenmerk LMV 2004091308, 30 september 2004 Acid News NO. 2, ACID RAIN, Air pollution and health, juni 2001 B. Brunekreef, et al., Review: Air pollution and health, The Lancet vol. 360, 19 oktober 2002 WHO, Health aspects of air pollution with particulate matter, ozone and nitrogen dioxide, 2003 RIVM en Rijkswaterstaat (AVV), Verkeersgerelateerde luchtverontreiniging en gezondheid, oktober 2002 Goudappel Coffeng BV, Regionaal bedrijventerrein Almelo, Verkeerskundige bevindingen, AVD001/Gsh/0018, juli 2002 Goudappel Coffeng BV, RBT Almelo, Aanvullende verkeerskundige bevindingen, AVD003/Gsh/0055, april 2003 TNO, Lokale luchtkwaliteit in de omgeving van RW35 (wegvak Wierden-Almelo)/RW36 (RW35Wierden-oost), R2002/283, juni 2002 TNO, Lokale luchtkwaliteit in de omgeving van RW35/36 (geactualiseerde verkeersintensiteiten), R2003/015, januari 2003 Stuurgroep RBT, MER Regionaal Bedrijventerrein Twente, Samenvatting, oktober 2004

4. 5. 6. 7.

8.

9.

10.

11.

12.

82