KWALITEIT WINT TERREIN

Actieplan herstructurering bedrijventerreinen

MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN APRIL 2002

Inhoudsopgave

1 2

Inleiding _________________________________________________________ 3 Wat wil het rijk? ___________________________________________________ 4
2.1 Waarom wil het rijk dat? _______________________________________________ 4 2.2 Rol van het rijk?_______________________________________________________ 5 2.3 Selectieve inzet van rijksmiddelen ________________________________________ 6

3 4

Wat is het probleem? _______________________________________________ 7 Acties___________________________________________________________ 10
4.1 Inleiding ____________________________________________________________ 10 4.2 Uitwerking acties _____________________________________________________ 10

5

Financieel instrumentarium ________________________________________ 20
5.1 Inleiding ____________________________________________________________ 20 5.2 EZ pakket 2000 - 2003 _________________________________________________ 20 5.3 Beleidsoverwegingen voor nieuw financieel instrumentarium_________________ 20 5.4 Benodigde inzet vanaf 2003 _____________________________________________ 22

Bijlage 1 Definities ___________________________________________________ 24 Bijlage 2 Acties gekoppeld aan knelpunten ________________________________ 25 Bijlage 3 Schema oorzaken langzame herstructurering ______________________ 26 Bijlage 4 Schema belemmeringen voor beheer _____________________________ 30 Bijlage 5 Quick-scan wet- en regelgeving__________________________________ 31

2

1

Inleiding

Economische Zaken heeft als missie ‘Het bevorderen van het duurzaam economisch groeivermogen’. Ruimte is een belangrijke pijler onder deze missie. Een voldoende en gevarieerd aanbod van bedrijfslocaties is een noodzakelijke voorwaarde om aan deze economische doelstelling te voldoen. Dit speelt zich af in een economie die zich meer en meer ontwikkelt richting een kennisintensieve economie. De kwaliteit van de bedrijfsomgeving wordt daarin een steeds belangrijkere vestigingsfactor. Tegelijkertijd stellen ondernemers en burgers steeds hogere eisen aan de ruimtelijke inrichting van ons land. Eén van de belangrijkste opgaven voor de komende jaren is het oplossen van het verouderingsvraagstuk. Op dit moment is minimaal 10.000 hectare bedrijventerrein verouderd. De problematiek op deze terreinen is dusdanig dat regulier onderhoud niet meer voldoende is. Herstructurering van deze terreinen is noodzakelijk om de economische functie te behouden en de kwaliteit voor de gebruiker en de omgeving weer op peil te brengen. Om deze herstructureringsopgave adequaat aan te kunnen pakken is een flinke financiële inspanning, ook van het rijk, noodzakelijk. Met de thans voorziene middelen voor de periode na 2003 kan maar een deel van de herstructureringsopgave opgelost. Er zal nog flink wat geld bijmoeten. Daarom heb ik in het kader van de impulsbrief een voorstel ingediend met een omvang van € 680 miljoen. Het volgende kabinet zal over de impulsbrief een besluit over nemen. Maar dit alleen is niet voldoende. Herstructurering is een ingewikkeld vraagstuk waarbij vele aspecten een rol spelen. Daarom heb ik dit actieplan opgesteld. De acties bestaan uit het maken van afspraken, faciliteren en stimuleren van processen en projecten, aanpak van regelgeving en het financieel investeren in projecten. Ik heb dit actieplan toegezegd tijdens het Algemeen Overleg van de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken, van 4 oktober 2001. Het actieplan is primair de verantwoordelijkheid van het Ministerie van EZ. Bij het opstellen is nauw samengewerkt met het Ministerie van VROM. Ook andere departementen zijn betrokken. Daarnaast is intensief samengewerkt met VNO-NCW, MKB-Nederland, IPO, VNG, NEPROM, AVBB, IVBN en de Kamer van Koophandel Amsterdam. Ook bij de uitvoering van het actieplan zal worden samengewerkt met deze partijen. Het actieplan begint in hoofdstuk 2 met de ambitie die het rijk heeft ten aanzien van de herstructureringsopgave. In hoofdstuk 3 wordt het probleem nader beschreven. In hoofdstuk 4 komen de acties aan bod die EZ met de andere partijen uit gaat voeren. De gevolgen voor het financieel instrumentarium is onderwerp van hoofdstuk 5.

3

2

Wat wil het rijk?

Ambitie Het rijk gaat samen met de medeverantwoordelijke overheden én private partijen in de periode tot 2010 het nationale areaal verouderde bedrijventerreinen van minimaal 10.000 hectare1 herstructureren en voorkomen dat deze terreinen opnieuw snel verouderen.

Herstructurering van bedrijventerreinen is nodig om de kwaliteit van het ondernemingsklimaat te verbeteren en om, waar mogelijk, ruimte te besparen. Hierdoor wordt de noodzaak tot aanleg van nieuwe terreinen niet onnodig vergroot. Nieuwe terreinen blijven echter van belang vanwege de gewenste economische dynamiek én vanwege de noodzakelijke uitplaatsing van bedrijven bij herstructureringsoperaties. Het bereiken van de bovengenoemde ambitie vereist een forse inzet van betrokken partijen en van financiële middelen. Mochten de financiële middelen ontoereikend blijken te zijn dan zal de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen eerder en sneller plaatsvinden. Heroverweging van de geformuleerde ambitie is in dat geval noodzakelijk. 2.1 Waarom wil het rijk dat?

Drie hoofdredenen voor bemoeienis van het rijk Er zijn drie belangrijke redenen waarom het rijk een rol heeft bij het oplossen en voorkomen van veroudering van bedrijventerreinen. Ten eerste heeft het rijk in een aantal gevallen direct baat bij de oplossing. Het gaat dan om terreinen waarbij herstructurering leidt tot landelijke maatschappelijke en economische baten. Denk daarbij aan versterking van de kwaliteit van het ondernemingsklimaat, met name in de Ruimtelijk-Economische Hoofdstructuur, en aan de impuls voor het sociale en economische klimaat in de binnensteden. Ten tweede is in sommige gevallen veroudering ontstaan door toedoen ‘van buitenaf’ (vanuit het perspectief van het bedrijventerrein), waarbij rijksregelgeving of rijksbeleid mede een rol spelen. Het gaat hierbij vooral om nieuwe, aangescherpte regelgeving. Een goed voorbeeld is de aanscherping in het kader van het externe veiligheidsbeleid. Het rijk is in deze gevallen medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de veroudering.

1

In 2002 wordt een nieuwe inventarisatie gedaan van het areaal verouderd bedrijventerrein

4

Ten derde draagt herstructurering bij aan de beleidsdoelstelling van maatschappelijk verantwoord ondernemen door de positieve effecten op onder meer milieu- en sociale prestaties en het ruimtegebruik 2.2 Rol van het rijk?

EZ vervult in het bedrijventerreinenbeleid een aantal rollen die hieronder kort worden omschreven. Aanspreekpunt De primaire taak van EZ binnen het netwerk van betrokkenen is het beïnvloeden van het proces van ruimtelijk-economische besluitvorming met het oog op de gestelde opgaven en ambities op het vlak van bedrijventerreinen. Het gaat dan om de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid, zoals in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, en daaruit voortvloeiende acties en afspraken. Deze bepalen in belangrijke mate het speelveld waarbinnen ook de ruimte voor bedrijvigheid moet worden gevonden. EZ is daarvoor het aanspreekpunt op rijksniveau. Dat geldt ook voor de afspraken in het convenant ‘Samenwerking in de regio’. Faciliteren Trefwoord is hier uitwisseling van kennis en ervaringen. Er bestaat een brede behoefte aan het uitwisselen van kennis, praktijkvoorbeelden, informatie over regelingen etc. Het aanbod van kennis is groot, maar erg versnipperd. Hier ligt bij uitstek een taak voor de overheid, om te voorkomen dat telkens weer het wiel wordt uitgevonden, maar ook voor het geven van ‘eigen’ informatie over bijvoorbeeld stimuleringsinstrumenten en wet- en regelgeving. EZ zal een kennisstructuur ontwikkelen waardoor uitwisseling van de voornaamste kennis op gebied van bedrijventerreinen eenvoudig wordt. Tot de faciliterende rol behoort ook het in kaart brengen van belemmerende (toepassing van) wet- en regelgeving. Stimuleren Het gaat hier om het op gang brengen van ontwikkelingen die het rijk van belang acht en die anders niet of onvoldoende van de grond zouden komen. Dit vertaalt zich in het financieel ondersteunen van aanjaagprojecten, pilots e.d. op initiatief van het rijk, mede-overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties. Het EZ-stimuleringsprogramma voor Duurzame Bedrijventerreinen (DBT) is hier een voorbeeld van. De looptijd van dit programma zal met een jaar worden verlengd, tot en met 2003. Investeren Dit betreft de medefinanciering van investeringen in de ontwikkeling en herstructurering van bedrijventerreinen, waar vanwege economische en maatschappelijke effecten ook het rijk een verantwoordelijkheid heeft. Huidig instrument is de TIPP-regeling. In de opvolger van de TIPP zullen de EZ-gelden sterker worden geconcentreerd op herstructurering.

5

Bij de oplossing van het herstructureringsvraagstuk is naast het faciliteren en stimuleren ook een stevige financiële impuls noodzakelijk. Zonder investeringen van het rijk zal de herstructureringsopgave slechts gedeeltelijk worden opgelost. 2.3 Selectieve inzet van rijksmiddelen

Niet elke investering in een verouderd bedrijventerrein is een zaak van nationaal belang. Om inzicht te geven in de omstandigheden waaronder het rijk een financiële rol bij verouderde terreinen wil spelen, wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën: 1. Terreinen waarbij herstructurering leidt tot landelijke maatschappelijke en economische baten; 2. Terreinen waar het rijk direct medeverantwoordelijk is voor de ontstane situatie; 3. Overige verouderde bedrijventerreinen. Het rijk/EZ heeft een faciliterende rol bij alle 3 categorieën bedrijventerreinen. Het gaat dan met name om het scheppen van goede condities op het terrein van organisatie/proces, kennis, weten regelgeving en afspraken. Een financiële rol heeft het rijk/EZ bij de categorieën 1 en 2, samen naar schatting circa 5000 hectare bedrijventerrein. Hierbij gelden de volgende randvoorwaarden: - Bij deze terreinen wordt de ruimte zorgvuldiger gebruikt; - Bij deze terreinen wordt een passend kwaliteitsniveau ingevoerd en gehandhaafd. Voor beide randvoorwaarden geldt maatwerk per terrein. De rol van het rijk/EZ bij het oplossen van het probleem van verouderde bedrijventerreinen is in onderstaande afbeelding weergegeven.

Totaal areaal verouderde bedrijventerreinen (circa 10.000 ha)
ha

w

an rv aa

0 00 5.

wa ar va n

5. 00 0

ha

terreinen waarbij herstructurering leidt tot omvangrijke maatschappelijke en economische baten

terreinen waarbij rijk medeverantwoordelijk is voor ontstane situatie
financiële rol EZ/Rijk

overige terreinen

rol EZ/Rijk op gebied van het scheppen van optimale niet-financiële condities

Figuur 1: rol rijk/EZ bij herstructurering

6

3

Wat is het probleem?

Omvang van de veroudering In 1996 heeft Heidemij in opdracht van EZ een onderzoek2 uitgevoerd naar de omvang van de verouderde bedrijventerreinen in Nederland. Enquêtes en fysieke inspectie leidden tot de conclusie dat circa 10.000 hectare bedrijventerrein was verouderd, ongeveer 17% van het totale areaal bedrijventerreinen in Nederland. Inmiddels is er aanleiding om te veronderstellen dat dit een te lage raming is, onder meer omdat vanwege toegenomen milieueisen meer terreinen verouderd zijn. Mede daarom vindt in 2002 een nieuwe inventarisatie plaats. De verdeling van deze verouderde terreinen over de provincies en landsdelen staat in de onderstaande tabel.
Provincie Groningen Friesland Drenthe Landsdeel Noord Overijssel Gelderland Landsdeel Oost Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Flevoland Landsdeel West Zeeland Noord-Brabant Limburg Landsdeel Zuid Nederland Bruto ha 213 237 86 536 1222 648 1870 391 1132 2092 350 3965 304 3313 231 3848 10119

Tabel 1 verdeling verouderde ha bedrijventerreinen

De veroudering van bedrijventerreinen concentreert zich in Zuid-Holland en Noord-Brabant. Beide provincies nemen gezamenlijk zo’n 50% van het nationale areaal voor hun rekening. RIGO3 heeft in 1997 nader onderzoek gedaan naar de situatie in de G25 en kwam tot de conclusie dat 5.000 à 6.000 hectare van de verouderde bedrijventerreinen in de G25 ligt.

2 3

Op basis van: Heidemij Advies (1996), Nieuwe kansen voor bestaande terreinen. RIGO (1997), Herstructurering bedrijventerreinen. “Scan” behoeften 25 gemeenten Grote Stedenbeleid.

7

Gevolgen van veroudering Uit onderzoek van het CPB4 blijkt dat veroudering van bedrijventerreinen een aantal maatschappelijk ongewenste effecten met zich mee brengt. Op verouderde bedrijventerreinen wordt de beschikbare ruimte vaak inefficiënt gebruikt. Dat betekent dat de vraag naar bedrijventerreinen elders wordt uitgeoefend, hetgeen ten koste gaat van andere ruimtelijke functies, zoals groen en natuur. Veroudering leidt ook tot een verminderde bereidheid van de gevestigde bedrijven om te investeren in de kwaliteit van het terrein, bijvoorbeeld het aanzien van het terrein, de verkeersafwikkeling en milieuvoorzieningen. Dit kan de bedrijfsvoering van gevestigde bedrijven schaden, maar kan zeker ook schade berokkenen aan aangrenzende woonwijken door toegenomen sociale onveiligheid, verkeersdruk en belasting van het milieu. Verder kan veroudering aanleiding geven tot hogere kosten voor de gevestigde bedrijven, bijvoorbeeld op het vlak van verkeersontsluiting of bouwkundige aanpassingen in verband met onhandige verkaveling. De gebrekkige uitstraling kan ook tot verlies van klandizie en daarmee verlies van omzet leiden. Dit alles leidt weer tot afnemende werkgelegenheid. Door veroudering worden met name de grote steden en sociaal-economisch kwetsbare stedelijke gebieden getroffen. Veroudering van bedrijventerreinen is in die zin de ruimtelijk-economische uitdrukking van de problematiek in grote steden. Kenmerken en oorzaken van veroudering De verouderde bedrijventerreinen zijn zeer heterogeen van karakter en niet aan de hand van één kenmerk te typeren. Een overzicht van kenmerken van verschillende soorten van veroudering is beschreven in het eerdergenoemde onderzoek dat het CPB in opdracht van EZ en VROM heeft uitgevoerd. Het CPB maakt onderscheid in vier verschillende aspecten van een bedrijventerrein waar veroudering betrekking op kan hebben: het ruimtegebruik, het aanzicht, de ontsluiting en de milieuhygiënische situatie. Vaak is sprake van een combinatie van deze aspecten. Bij de opzet van bestaande bedrijventerreinen zijn in het verleden structurele weeffouten gemaakt, vooral op de volgende punten: - Onzorgvuldige indeling van de terreinen (eenmalige grondoverdracht, versnipperd eigendom, weinig segmentering); - Onvoldoende reservering van middelen voor langdurig beheer en onderhoud (beperkte budgetten, niet gebiedsgericht in te zetten, verspreid door de gemeentelijke begroting, huisvesting geen kernactiviteit voor zittende bedrijven); - Bedrijven waren niet verplicht om aan gezamenlijke basisvoorzieningen bij te dragen (freeriders).

4

CPB (2001), Veroudering van bedrijventerreinen. Een structuur voor herstructurering.

8

Knelpunten voor oplossingen van veroudering Kort gezegd zijn er twee oplossingsrichtingen voor het probleem van verouderde bedrijventerreinen: herstructurering (genezen) en beheer (voorkomen). De voornaamste knelpunten bij deze oplossingsrichtingen zijn geselecteerd met de andere betrokken partijen. Aan deze selectie ligt een brede literatuurstudie ten grondslag, aangevuld met resultaten uit interviews met de belangrijkste stakeholders. In onderstaande tabel staan de geselecteerde knelpunten5.
Knelpunt voor: Herstructurering Type knelpunt Juridisch Knelpunt Belemmerende wet- en regelgeving Gebrek aan schuif- en groeiruimte Starre hantering wet- en regelgeving m.b.t. milieu en bouwhoogte maakt herstructurering minder aantrekkelijk Financieel Onoverzichtelijkheid subsidies Zowel gemeenten als private partijen willen niet investeren Onvoldoende rijksmiddelen Gebrek aan kostendragers Organisatorisch Lage organisatiegraad bedrijven Gemeenten formuleren plannen zonder overleg Organisatie proces gebrekkig Onvoldoende kennis en ervaring bij gemeenten Regionale afstemming onvoldoende Beheer Organisatorisch Financieel Zwakke organisatie van het beheer Lage organisatiegraad bedrijven Weinig prikkels voor bedrijven om te investeren in bestaande locatie Willekeurig toelatingsbeleid Weinig prikkels voor de beheerder om te investeren na uitgifte grond Planologisch Plaatsing bedrijven t.o.v. voorzieningen niet optimaal Tabel 2 Geselecteerde knelpunten bij herstructurering en beheer

5

In bijlagen 3 en 4 zijn schema’s opgenomen met alle elementen die totstandkoming van goede herstructurering en beheer belemmeren. De schema’s zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en interviews met betrokken partijen. Uit de schema’s komt de complexiteit van het vraagstuk duidelijk naar voren.

9

4
4.1

Acties
Inleiding

EZ wil haar ambitie samen met andere betrokken partijen bereiken door bovenstaande knelpunten aan te pakken. Bij het ontwikkelen van acties is het uitgangspunt geweest om te concentreren op de voornaamste en beïnvloedbare knelpunten voor herstructurering en goed beheer. Bij de vormgeving van de acties is uitgegaan van vijf oplossingssporen: afspraken over meerjarige herstructureringsprogramma’s, ontwikkeling en overdracht van kennis en ervaring, processturing, juridische maatregelen en financiële ondersteuning. In bijlage 2 worden de geselecteerde knelpunten gerelateerd aan de acties die in dit actieplan zijn geformuleerd. 4.2 Uitwerking acties

De voorgestelde acties verschillen in omvang, complexiteit, benodigde tijd en geld. De acties zijn afgestemd met de actie-agenda van de taskforce Woningbouwproduktie van het ministerie van VROM. Deze acties worden in overleg met de relevante partijen verder uitgewerkt. EZ zal niet bij elke actie het voortouw nemen. Soms ligt het initiatief bij een andere partij. Afspraken over meerjarige herstructureringsprogramma’s Het rijk maakt, als onderdeel van bredere afspraken over ruimte voor bedrijvigheid, afspraken met andere overheden over meerjarige herstructureringsprogramma’s. Actie 1a Afspraken over regionale herstructureringsprogramma’s Het gaat hier om afspraken over programma’s die bottom-up zijn vormgegeven door regionaal samenwerkende overheden in nauw overleg met het bedrijfsleven, bijvoorbeeld in functionele regio’s 6 of (bestaande) intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Deze afspraken zullen deel uitmaken van bredere afspraken over ruimte voor bedrijvigheid die in het kader van de uitwerking van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening worden gemaakt. Dit betreffen de regioconvenanten die met de landsdelen worden gesloten en de verstedelijkingsafspraken die worden gemaakt met provincies, kaderwetgebieden en de G30. Bezien zal worden wat de beste constructie is voor effectieve en doelmatige verdeling van rijksmiddelen ter ondersteuning van deze regionale programma’s.
6

Een functionele regio is een gebied, ongeacht de daarop van toepassing zijnde landelijke, provinciale en gemeentelijke grenzen, waarbinnen door belanghebbende partners rijk, provincie, gemeenten, inclusief het georganiseerd) bedrijfsleven en andere relevante deskundigen, wordt samengewerkt op het terrein van nieuwe uitleg en herstructurering van bedrijventerreinen. Het gaat hierbij om horizontale en verticale afstemming tussen de bestuurslagen (uitdrukkelijk niet om het creëren een nieuwe 4e bestuurslaag).

10

Decor: project duurzame herstructurering in Zuid-Holland “We moeten woekeren met de ruimte die we voor het bedrijfsleven beschikbaar hebben”, aldus Commissaris van de Koningin J. Franssen. “Daarna moeten we de bestaande bedrijventerreinen intensiever gaan gebruiken. Maar de herstructurering die daarvoor noodzakelijk is, moet ook duurzaam zijn: economisch, ecologisch en sociaal duurzaam”. De provincie wil dat bereiken door met de bestaande regionale economische samenwerkingsverbanden in Zuid-Holland (“REO’s”) afspraken te maken in de vorm van “regionale intentieverklaringen”. In die afspraken worden dan niet alleen de gezamenlijke intenties vastgelegd, maar wordt ook een uitvoeringsprogramma opgenomen. Tijdens een druk bezochte conferentie op 11 oktober 2001 voor bestuurders van bedrijfsleven, gemeente en provincie, werd dit idee positief ontvangen. In het voorjaar van 2002 zouden de eerste intentieverklaringen ondertekend moeten worden. De provincie biedt niet alleen ondersteuning bij de voorbereiding en uitvoering van deze afspraken, maar produceert ook praktische handreikingen, stimuleert kennisuitwisseling door regionale platforms, ondersteunt pilotprojecten en (co-)financiert haalbaarheidsonderzoeken en procesmanagement.
Illustratiekader 1: Decor: project duurzame herstructurering Zuid-Holland

Actie 1b Criteria en procesafspraken Criteria en procesafspraken waar deze herstructureringsprogramma’s aan moeten voldoen zijn vooraf vastgesteld door VNG en IPO in overleg met EZ, VROM, VNO-NCW, MKB-Nederland en NEPROM. Het rijk zal de voorgestelde programma’s toetsen aan deze criteria en procesafspraken. Voorbeelden hiervan zijn dat de programma’s bottom-up en met betrokkenheid van bedrijfsleven zijn vormgegeven en dat ze moeten passen binnen de ruimtelijke planvorming (bijvoorbeeld binnen streekplan) en programmering (onder meer goede afstemming tussen provincies), waarborgen van behoud van kwaliteit in de toekomst (parkmanagement) en dat ze voldoende moeten bijdragen aan het invullen van de gezamenlijke ambitie om tot en met 2010 10.000 hectare verouderd terrein aan te pakken.
Nationale Criteria en procesafspraken Actie 2a Opstellen van ‘spelregels’ Voor de vorming van herstructureringsopgave Over de rol- en taakverdeling en de programma’s (opgesteld door VNO-NCW, MKB-Nederland, samenwerking tussen overheden VNG, IPO, EZ en VROM) onderling en tussen overheden en bedrijfsleven bestaat soms onduidelijkheid. Rijk toetst Dit heeft zowel betrekking op de wijze regionale programma’s aan criteria en procesafspraken waarop programma’s worden opgesteld als waarop deze worden uitgevoerd. Om dit te voorkomen trekt VNO-NCW een actie om in de verschillende regio’s ‘spelregels’ op te stellen over de wijze waarop private partijen betrokken zullen Voorstellen voor regionale herstructureringsprogramma’s worden bij het opstellen en uitvoeren van herstructureringsprogramma’s. Vanuit intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en betrokken bedrijfsleven

11

Actie 2b Voorbeelden interactieve regionale samenwerking Voorbeelden van de wijze waarop een interactief proces van lokaal tot nationaal niveau vorm wordt gegeven, zullen worden geïnventariseerd en verspreid. VNG en IPO maken een voorstel voor acties die betrekking hebben op dit laatste. Actie 3 Ontwikkeling van verouderings- en herstructureringsmonitor Het is onduidelijk hoe veroudering en herstructurering in Nederland zich ontwikkelen. Een monitor is nodig om de omvang van de veroudering te volgen en om in kaart te brengen hoeveel en welke terreinen worden geherstructureerd. EZ en VROM ontwikkelen samen met andere partijen, waaronder het CPB en een afvaardiging van gemeenten, een verouderings- en herstructureringsmonitor om de resultaten van de gemaakte afspraken te kunnen volgen. Met de resultaten van deze monitor wordt de omvang en voortgang van de aanpak van de veroudering duidelijk. De nulmeting van de monitor wordt de tweede helft van 2002 verricht. Kennisontwikkeling en - verspreiding Het rijk ondersteunt en faciliteert de andere partijen met behulp van kennisontwikkeling en verspreiding en helpt partijen bij het uitwisselen van ervaringen. De onderstaande acties zijn ook van toepassing op invoering en handhaving van vormen van structurele kwaliteitsbeheersing op het bedrijventerrein. Actie 4 Opzetten van een structuur voor de uitwisseling van kennis en ervaringen Kennis en ervaringen over herstructurering zijn verspreid beschikbaar in Nederland. Het opzetten van een structuur, waarmee kennis en ervaringen uitgewisseld kunnen worden tussen relevante partijen, biedt mogelijkheden om processen van herstructurering te versnellen. Binnen deze structuur, die onderdeel uitmaakt van de bredere kennisstructuur bedrijventerreinen, zullen bestaande kennis en ervaringen worden geïnventariseerd, onder andere over procesarchitectuur, parkmanagement, duurzame bedrijventerreinen, functiemenging, ervaringen in binnen- en buitenland. Vervolgens wordt de informatie ontsloten op laagdrempelige wijze. Tevens worden de mogelijkheden onderzocht voor het formeren van een platform voor projectleiders van herstructureringsprojecten. Daarbij dient wel onderscheid te worden gemaakt tussen openbaar toegankelijke en commercieel gevoelige informatie. Bij het opzetten van de gewenste structuur wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande en in ontwikkeling zijnde structuren, zoals het kenniscentrum PPS, KEI, Habiforum, Novem en de actieagenda van de Taskforce Woningbouwproduktie. De kennisstructuur zal in 2002 worden opgezet. Trekkers hiervan zijn EZ en VROM. Actie 5 Ontwikkeling van nieuwe kennis Om nieuwe kennis te ontwikkelen worden de volgende acties ondernomen: - Onderzoek naar innovatieve eigendom- en beheerconstructies: een instrument om in de huidige situaties van veelal versnipperd eigendom (publiek én privaat) collectief beheer in te voeren is parkmanagement. Ook alternatieve eigendoms- en beheerconstructies zijn

12

-

denkbaar, variërend van volledig publiek tot volledig privaat waarbij ondernemers en/of projectontwikkelaars een grote rol spelen; Ontwikkeling van een werkwijzer Herstructurering analoog aan de werkwijzer Woningbouw; Ondersteuning van de vorming van onafhankelijke deskundige adviesteams binnen regio’s, zoals het Projecten Innovatie Team uit Noord-Brabant (zie illustratiekader 2) of het Ontwikkelings- en Participatiebedrijf Publieke Sector (zie illustratiekader 3).

Met de ontwikkeling van nieuwe kennis zal al in 2002 gestart worden. Natuurlijk is dit proces van kennisvernieuwing afhankelijk van de input van andere betrokken partijen bij herstructurering. Het traject van deze kennisvernieuwing wordt verspreid over meerdere jaren. EZ en VROM nemen het voortouw bij de eerste twee acties, het IPO doet dit bij de derde actie.
Projecten Innovatie Team (PIT) Het PIT ondersteunt initiatiefnemers bij het opzetten en uitvoeren van projecten waarmee economisch voordeel én milieuwinst te behalen is. Het PIT denkt mee over ideeën met marktkansen. In het PIT werken de provincie Noord-Brabant, de Stichting Sociaal-Economisch Overlegorgaan Brabant, waarin de Kamers van Koophandel, ondernemingsorganisaties, vakbonden en de landbouwsector zijn georganiseerd, en de NV Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) samen. Het PIT faciliteert en ondersteunt partijen bij het uitwerken van een projectopzet, bij het afstemmen van overheisprocedures en bij het verkrijgen van subsidie. Anderen trekken de projecten. PIT blijft op de achtergrond, geeft begeleiding en denkt zonodig mee. Afhankelijk van het type project helpt PIT met het leggen van contacten met mensen die thuis zijn op het gebied van bijvoorbeeld innovatie, energie, milieuzorg, preventie, water, landbouw en vervoer. De betrokkenheid van PIT is van tijdelijke aard.
Illustratiekader 2: Projecten Innovatie Team

Ontwikkelings- en participatiebedrijf Publieke Sector (OPP) Het OPP is een in 1997 opgerichte B.V. van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). Met de oprichting van OPP speelde de BNG in op de behoefte bij gemeenten en andere overheidsorganen om bij ruimtelijke problemen ondersteuning te bieden aan partijen. Het gaat om complexe, risicovolle projecten, zoals: Zeehavenuitbreiding Harlingen, ontwikkelingsvisie Meppel, betrokkenheid bij regionale ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden, herstructurering zeehaven Dordrecht en de herstructurering van het Westland. Het OPP participeert in veel gevallen in aparte vennootschappen. Hierin neemt ze, samen met andere partijen (gemeente, andere bank of ontwikkelingsmaatschappij), deel met een stukje risicodragend eigen vermogen. Het gaat bij alle projecten om een mix van winst- en verliesgevende onderdelen, waartussen verevening plaatsvindt. Voordeel voor de overheidspartij, die met OPP in zee gaat, is dat OPP geen eigen RO-belang nastreeft bij de projecten. D.w.z. dat de gemeenten volledige zeggenschap hebben over de beleidsmatige doelstellingen van het project. De bijdrage van OPP is in veel gevallen gericht op ontwikkeling van een soort privaat grondbedrijf.
Illustratiekader 3: Ontwikkelings- en Participatiebedrijf Publieke Sector

13

Processturing door actieve deelname rijk aan projecten Actie 6 Opdoen van kennis en ervaringen in projecten Door zelf te participeren in herstructureringsprojecten kan het rijk zelf veel kennis opdoen over de knelpunten in de praktijk. Die kennis kan gebruikt worden om het beleid beter af te stemmen op die praktijk. Dit kunnen projecten zijn waarin mogelijkheden voor vrijwillige gerelateerde verevening verder worden onderzocht of waarin de meerwaarde van een regionale benadering van het project voor het stedelijke netwerk aan bod komt. Het rijk kan op deze wijze andere publieke partijen ondersteunen bij het op innovatieve wijze (regionaal) oplossen van grote knelpunten in het ondernemingsklimaat ten aanzien van veroudering. Dit kan ook resulteren in deelname aan concrete projecten (zie ook illustratiekader 4 over Mercurius). Gestreefd wordt naar deelname aan een project, dat in 2002 van start zal gaan. De trekkers van deze actie zijn EZ en VROM.
Mercurius EZ heeft gezamenlijk met andere departementen een initiatief genomen om interdepartementale samenwerking in concrete, complexe projecten op het gebied van publiek-private samenwerking te vergroten. Om de steeds complexere systemen te doorgronden en innovatieve vormen voor publieke dienstverlening tot stand te brengen, is interdisciplinaire samenwerking tussen specialisten op verschillende terreinen noodzakelijk. Bundeling van expertise ontlokt creatieve oplossingen voor een probleem en kan bijdragen aan het doorbreken van bestaande structuren en processen in een organisatie. Het doel van het Mercurius-project is om een interdepartementaal samenwerkingsverband op te zetten van waaruit deskundigen met verschillende competenties beschikbaar kunnen worden gesteld aan concrete projecten op het gebied van de totstandkoming van publieke dienstverlening door samenwerking met private partijen. Daarbij wordt met name ook gedacht aan projectmanagers, en generalisten op juridisch en financieel gebied die integrale regie over een project kunnen voeren. Deze kennis blijkt binnen de overheid niet structureel aanwezig en bovendien moeilijk te behouden. Een interdepartementale projectenorganisatie zou deze expertise een “thuis” kunnen bieden en interdisciplinaire aanpak van projecten bevorderen.
Illustratiekader 4: project Mercurius

Wet- en regelgeving De belangrijkste juridische knelpunten zijn gedestilleerd uit gesprekken met de eerst betrokken partijen bij herstructurering7. Benadrukt dient te worden dat het gaat om onnodige juridische belemmeringen voor herstructurering en het voorkomen van veroudering van bedrijventerreinen. De geïnventariseerde knelpunten zijn gelegd naast al lopende juridische trajecten, zoals de fundamentele herziening van de WRO. Hieruit is gebleken dat op rijksniveau

7

Een compleet overzicht van belemmerende wet- en regelgeving m.b.t. herstructurering is opgenomen in bijlage 5.

14

een groot deel van de knelpunten al is of wordt aangepakt. De problemen die zich voordoen zijn vooral te vinden: - In de concrete toepassing van (aanvullende) gemeentelijke en provinciale regelgeving of een stapeling van deze regelgeving op rijksbeleid; - In de toepassing en uitvoering van rijksbeleid. Wanneer een bedrijventerrein volgens de milieunormering (geluid, externe veiligheid) of bouwregelgeving vol is, is het voor de gevestigde bedrijven minder aantrekkelijk om te herstructureren, aangezien zij moeilijk kunnen uitbreiden of intensiveren op de bestaande locatie. Om de nog aanwezige juridische knelpunten aan te pakken zijn de acties 7 tot en met 10 geformuleerd. Actie 7 Belemmerende bouwregelgeving voorkomen Maximale bouwhoogtes en bebouwingspercentages kunnen een belemmering vormen voor stapeling, uitbreiding en functiemenging op bedrijventerreinen. Gezien de toegenomen ruimtedruk zullen de veelal gebruikelijke maxima, zeker in nieuwe situaties, opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden. In het MDW-project Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen wordt dit probleem in meer algemene zin al meegenomen. Verder stelt EZ voor om afspraken over de aanpak van bouwhoogtes en bebouwingspercentages op te nemen in het nieuw op te stellen convenant tussen VROM, Neprom en VNG over intensief ruimtegebruik op bedrijventerreinen en grondprijzen. Uiteraard zal er ruimte moeten blijven voor afweging van belangen en maatwerk per locatie. Ook vraagt EZ aan de provincies om een kritische blik, in het kader van het vooroverleg, bij de toets op het (ontwerp-)bestemmingsplan, met intensivering in het achterhoofd. Voor de uitwerking van deze actie zal VROM trekker zijn, waarbij samenwerking met EZ, provincies, Neprom en de VNG noodzakelijk is. De uitwerking van dit actiepunt vindt plaats in 2002-2003. Actie 8 Verankeren Experimentenwet Stad en Milieu In de Experimentenwet Stad en Milieu is de mogelijkheid geschapen voor een integrale gebiedsgerichte benadering voor specifieke gebieden. Binnen deze gebieden mag op experimenteerbasis worden afgeweken van bestaande regelgeving, mits in totaliteit een maatschappelijk beter resultaat wordt geboekt en mits dit gebeurt binnen de grenzen van de EUregels. De toepassing van deze Experimentenwet op herstructureringszones kan mogelijk een bijdrage leveren aan de versnelling en verbetering van de procesgang bij herstructurering. Na evaluatie van deze Experimentenwet zal bij succes een wetgevingstraject worden gestart voor een structurele wettelijke regeling (aanpassing van betrokken wetten of regeling in een algemene wet). Afstemming vindt plaats met het actieplan Taskforce Woningbouwproduktie. De Taskforce stelt voor om nader te onderzoeken of een vervolg op de Stad en Milieu aanpak ook in herstructureringszones een bijdrage aan versnelling en verbetering van de procesgang kan leveren. De uitvoering van deze actie zal in samenspraak met het ministerie van VROM (trekker) plaatsvinden. Het onderzoek van de Taskforce gaat in 2002 van start.

15

Actie 9 Evaluatie pilots koepelvergunning Wanneer bedrijventerreinen volgens milieunormeringen juridisch vol zijn, kan het verstrekken van een koepelvergunning een oplossing bieden. Milieuvergunningen van bedrijven op één terrein kunnen onderling worden verevend of verhandeld. Op deze wijze wordt efficiënter omgegaan met de beschikbare ruimte. Op dit moment lopen er al twee pilots (DSM en AICD-Dinteloord). Uit deze pilots zal informatie beschikbaar komen over de werking van het instrument koepelvergunningen. De pilots zullen geëvalueerd worden op de volgende punten: ervaringen van het bedrijfsleven, milieuwinst, technische en juridische belemmeringen en de invloed op veroudering van bedrijventerreinen. Uit het MDW-project Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen volgt ook een dergelijke aanbeveling, waarbij gewezen wordt op het lopende traject van de discussienota ‘Met recht verantwoordelijk’. In deze nota wordt een andere invulling gegeven aan het begrip inrichtingen. Aanbeveling uit het MDW-project is te onderzoeken of het mogelijk is in de Wet Milieubeheer een basis te creëren voor ondernemingen die gezamenlijk een vergunningaanvraag willen indienen. Deze evaluatie wordt in de periode 2002-2003 uitgevoerd en wordt geleid door het ministerie van VROM. Actie 10 Gemeentelijke en provinciale regelgeving: onderzoek en pilots Veel onnodige belemmeringen voor snelle herstructurering en veroudering van bedrijventerreinen zijn te vinden in gemeentelijke en provinciale regelgeving of een stapeling daarvan op rijksbeleid. Ook de toepassing en uitvoering van wet- en regelgeving kan tot problemen leiden. Om meer inzicht te krijgen in deze belemmeringen zal een scan worden gemaakt van onnodig belemmerende gemeentelijke-, provinciale- en rijksregelgeving. Dit zal gebeuren door VNG en IPO in de periode 2002-2003. Verder wordt een aantal pilots opgezet, waarin nieuwe of toegesneden manieren van toepassing van wet- en regelgeving worden onderzocht. Gedacht kan worden aan de volgende onderwerpen: geluidsbeleid, bebouwingshoogtes, flexibele of globale bestemmingsplannen. Een ander voorbeeld is de uitwaartse zonering van bedrijventerreinen. Bestaande bedrijventerreinen die bijvoorbeeld in de jaren zeventig zijn aangelegd, lagen toen aan de rand van de bebouwing. Met de verdere verstedelijking zijn bedrijventerreinen steeds meer “genaderd” door woningbouw, waardoor ze maatschappelijk verouderen. Nuttige informatie uit deze pilots wordt toegankelijk gemaakt voor gemeenten en provincies. De opzet van deze pilots zal samen met het ministerie van VROM, IPO en VNG plaatsvinden. De start van de pilots is waarschijnlijk in 2003. De uitkomsten van deze pilots worden meegenomen in de acties voor kennisontwikkeling en -verspreiding. Financiering De financiering van herstructurering op bedrijventerreinen is veelal een fors knelpunt. Er zijn twee richtingen voor oplossingen: overheidsfinanciering en private financiering. Overheidsfinanciering is vaak een subsidie gericht op onderdelen als bodemsanering,

16

bedrijfsverplaatsing en infrastructuur. Het is bedoeld om veroudering eenmalig aan te pakken. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre sprake is van fiscale belemmeringen. Een andere oplossing is de vergroting van kostendragers, waar ook private financiering aan de orde is. Dit biedt mogelijkheden om op meer structurele wijze veroudering aan te pakken dan wel te voorkomen. In de praktijk zal afhankelijk van de situatie een combinatie van financieringsvormen worden toegepast. EZ gaat de mogelijkheden hiervoor nader verkennen. De discussie over wie hoeveel financieel bijdraagt, begint met het zichtbaar maken van de baten. Deze baten worden toegedeeld aan de partijen die er profijt van hebben. Dit kunnen zijn gebruikers van bedrijventerreinen (privaat), ontwikkelaars of beleggers (privaat/publiek) en de omgeving van een bedrijventerrein als omwonenden in een gemeente of in een provincie (actie 12). Deze baten kunnen op vrijwillige of verplichte wijze aan de kosten worden gekoppeld (actie 13). Actie 11 Fiscale belemmeringen en prikkels Om herstructurering en intensivering aantrekkelijker te maken, zal EZ samen met VROM mogelijke fiscale knelpunten (bijvoorbeeld in de sfeer van de overdrachtsbelasting) inventariseren. EZ en VROM zullen dit traject in samenspraak met Financiën doorlopen. Actie 12 Toolkit Het inzichtelijk maken van de directe en indirecte baten voor diverse partijen is van groot belang voor besluitvorming over investeringsbijdragen door overheden aan herstructureringsprojecten. Het CPB8 heeft hierop al eerder gewezen. In zijn rapport heeft het CPB een zevental vragen aangegeven. Elke overheid zou de antwoorden op de vragen moeten laten meewegen bij besluitvorming over deelname aan investeringen in een herstructureringsproject. Deze vragen zullen vertaald worden naar een praktische toolkit. De toolkit kan worden gebruikt als hulpmiddel om besluiten en keuzes te maken en prioriteiten te stellen voor de partijen die de herstructureringsprogramma’s opstellen. Op die manier kunnen bijvoorbeeld verschillende herstructureringsprojecten met elkaar worden vergeleken op effectiviteit en doelmatigheid, wat betreft economische én maatschappelijke baten en lasten. De toolkit wordt in de periode mei-december 2002 ontwikkeld. De trekker van deze actie is EZ. Deelnemers zijn: VROM, VNG, IPO, VNO-NCW en MKB-Nederland. Actie 13 Koppeling van baten met kosten Als duidelijk is wat de kosten en baten zijn, moet een koppeling plaatsvinden van baten met kosten, verdeeld over de betrokken partijen. Dit kan op verschillende manieren, variërend van sterke overheidsbemoeienis tot sterke private betrokkenheid. De één heeft een vrijwillig karakter, de ander is verplichtend (zie illustratiekader 5).

8

CPB (2001), Veroudering van bedrijventerreinen. Een structuur voor herstructurering.

17

Instrumentenwaaier om baten met kosten te koppelen De instrumentenwaaier geeft financieringsvormen aan om private inbreng te vergroten. Deze instrumenten variëren in toepassing en kenmerken: van volledig publiek tot volledig privaat en van vrijwillig tot verplichtend. Ø Subsidie: een eenmalige of periodieke overheidsbijdrage die onder voorwaarden aan andere overheden of (groepen) bedrijven wordt toegekend. Het reduceert het risico voor investeerders, draagt bij tot een snelle uitvoering. Ø Erfpacht: De gemeente kan gemaakte kosten voor herstructurering terugverdienen via aanpassing van de canon van de kavels, waarvoor vastgoedeigenaren betalen. Het erfpachtsysteem wordt in enkele grote steden in Nederland gehanteerd. Ø Aanschrijving: Gemeente schrijft vastgoedeigenaar aan om door de gemeente gestelde maatregelen uit te voeren. Toepassing hiervan gebeurt bij achterstallig onderhoud en aanpak van free-riders. Ø Fondsvorming: Verzameling van publieke en private middelen in een fonds, waarvan het geld in de toekomst voor het bedrijventerrein wordt bestemd. Toepassing in Nederland is nog nieuw. Ø Profijtbeginsel: Op basis van overleg komen betrokkenen tot afspraken over een bijdrage aan deelprojecten waar zij direct baat (profijt) bij hebben. Dit gebeurt wel bijprojecten voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Ø Exploitatieverordening / baatbelasting: De gemeente sluit ofwel een privaatrechtelijke exploitatieovereenkomst met de ‘zakelijk gerechtigde’ op een onroerende zaak, ofwel legt een aanslag voor baatbelasting op. De gemeente legt dan voorzieningen aan, waarvoor de zakelijke gerechtigde betaalt. De exploitatie-overeenkomst biedt meer mogelijkheden voor het verrekenen van kosten dan de baatbelasting, maar kan uiteraard niet worden opgelegd. Ø Beheer via vereniging van eigenaren (vve): Alle vastgoedeigenaren worden verplicht lid van de vereniging van eigenaren om het terrein te beheren. Een gemeente kan ook deel uitmaken van de vve, wanneer de gemeente bijvoorbeeld eigenaar is van de openbare weg en de plantsoenen. Ø Publiek-private samenwerking: de vormen waarin publiek-private samenwerking kan plaatsvinden variëren sterk met de rol die betrokken partijen innemen. Voorbeelden van publiek-private samenwerkingsvormen zijn een joint venture en een concessiemodel. Bij een joint venture participeren gemeente en private partij(en) in een privaatrechtelijke organisatie, die alle activiteiten uitvoert. Bij een concessiemodel realiseren private partijen een locatie op basis van een programma van eisen van een overheid en verwerven daarmee een recht van exploitatie voor een bepaalde periode. Ø No further action letter: Afspraken tussen overheid en bedrijven en ontwikkelaars over garanties dat geen nieuwe overheidsingrepen zullen plaatsvinden gedurende een overeengekomen periode na het nemen van bepaalde maatregelen. Nog geen toepassing in Nederland. Ø Impact fees: Afspraken met ontwikkelaars om naast ontwikkeling van rendabele onderdelen van herstructurering ook de onrendabele onderdelen voor hun rekening te nemen. Deze onrendabele onderdelen betreffen vaak fysieke randvoorwaarden, waarvoor de overheid gewoonlijk zorgt. Dit is bruikbaar bij projecten met veel ontwikkelingsmogelijkheden, waar private partijen het initiatief nemen. Ø Winstafroming achteraf: De gemeente investeert in herstructurering onder voorwaarde dat bij excessieve waardestijgingen van het onroerend goed een deel hiervan wordt afgeroomd door de overheid. Dit is nieuw voor bedrijventerreinen in Nederland. Ø Site assessment fees: De private partij betaalt vergoedingen voor geleverde overheidsdiensten. Dit is eveneens nieuw in Nederland en toepasbaar in situaties waar private partijen het initiatief nemen. Bron: BCI/BRO (1999)
Illustratiekader 5: Instrumentenwaaier om baten met kosten te koppelen

18

Herstructureringsprojecten kunnen financieel haalbaar worden door het aanspreken van meer of andere kostendragers, zoals verevening die op vrijwillige basis tot stand komt tussen projecten die een onderlinge relatie hebben (‘gerelateerde verevening”) of tussen regionale ontwikkelingsmaatschappijen9. Succesvolle voorbeelden van deze verevening worden verspreid, en intergemeentelijke regionale ontwikkelingsmaatschappijen worden gestimuleerd door het uitvoeren van pilots. Hier kan ook gedacht worden aan deelname van het rijk (zie actie 7). De verspreiding van voorbeelden van verevening zal via de te ontwikkelen kennisstructuur worden verzorgd. Voor pilots met regionale ontwikkelingsmaatschappijen wordt gestreefd naar een start in 2003. De actie wordt getrokken door EZ en VROM. In onderstaande tabel zijn alle acties nog eens op een rijtje gezet.
Actie 1a Afspraken over herstructureringsprogramma’s 1b Criteria + procesafspraken IPO + VNG VNO-NCW, MKB Nederland, Neprom, EZ en VROM 2a Opstellen ‘spelregels’ 2b Voorbeelden interactieve samenwerking VNO-NCW IPO + VNG Neprom, VNO-NCW VNO-NCW, MKB Nederland, Neprom, EZ en VROM 3 Ontwikkeling monitor 4 Opzetten structuur uitwisseling kennis 5 Ontwikkeling nieuwe kennis 6 Opdoen van kennis en ervaringen in projecten 7 Belemmerende bouwregelgeving voorkomen 8 Verankeren Experimentenwet Stad en Milieu 9 Evaluatie pilots koepelvergunning 10 Pilots gemeentelijke en provinciale regelgeving 11 Fiscale belemmeringen en prikkels 12 Toolkit 13 Koppeling baten-kosten Tabel 3: Overzicht acties herstructurering
9

Voortouw EZ+VROM

Betrokken partij mede overheden

Actie gereed 2004 2004

2003 2003

EZ EZ EZ+VROM resp. IPO EZ+VROM VROM VROM VROM VNG+IPO EZ+VROM EZ EZ+VROM

VROM, VNG, IPO VROM

2002 (oplevering nulmeting) 2002 Doorlopend 2003

EZ, provincies, Neprom en VNG

2003 2003 2003

VROM Financiën VROM, VNG, IPO, VNONCW, MKB Nederland

2003 2002 2003 2003

Hier wordt niet gedoeld op de ROM’s waar EZ in participeert, maar op de intergemeentelijke ontwikkelingsmaatschappijen. Een voorbeeld van een dergelijke regionale ontwikkelingsmaatschappij is de ROM Drechtsteden.

19

5
5.1

Financieel instrumentarium
Inleiding

Voorafgaande hoofdstukken omvatten diverse acties waarmee de genoemde ambitie gerealiseerd kan worden. In de huidige kabinetsperiode wordt daar reeds een stevige financiële inspanning voor geleverd. Voor een volledige realisatie van de ambitie is echter een aanvullende financiële impuls noodzakelijk. Daarbij wordt ook het huidige instrumentarium opnieuw bekeken. 5.2 EZ pakket 2000 - 2003

Ter stimulering van bedrijventerreinen zet EZ momenteel twee specifieke financiële instrumenten in. Dat zijn de TIPP (Tenderregeling Investeringsprogramma’s Provincies) en de Stimuleringsregeling Duurzame Bedrijventerreinen (DBT). In de periode 2000 - 2003 bedraagt de financiële impuls van deze regelingen tezamen € 150 mln. Maar ook komen er EZ-middelen bij ontwikkeling en vooral herstructurering van bedrijventerreinen terecht via het onderdeel fysieke stadseconomie van het GSB en het programma Kompas voor het Noorden. De daarmee gemoeide gelden belopen in de genoemde periode ongeveer € 48 mln. In totaal is de financiële inzet van EZ bij bedrijventerreinen in de periode 2000 - 2003 € 198 mln. EZ-middelen bedrijventerreinen 2000 – 2003 (in mln. Euro) TIPP DBT GSB Kompas Totaal 136 14 30 18 198

De regeling DBT zou in 2002 aflopen, maar wordt met een jaar verlengd tot en met 2003. De TIPP loopt eveneens tot en met 2003. Voor de eerste tweede tenders zijn veel en goede projecten ingediend. De eerste tender heeft geleid tot een investeringsimpuls van in totaal € 500 mln, de tweede tender beloopt in totaal € 330 mln. Deze cijfers onderstrepen nog eens het aanjaagkarakter van de TIPP. In 2002 en 2003 volgen nog twee tenders. Op enkele punten behoeft de TIPP nadere verduidelijking. Dit betreft vooral de mogelijkheden voor publiekprivate samenwerking. Samen met Senter is daarvoor een communicatie-traject in gang gezet. 5.3 Beleidsoverwegingen voor nieuw financieel instrumentarium

In deze paragraaf worden enkele uitgangspunten geschetst waaraan het nieuwe instrumentarium zou moeten voldoen. Deze uitgangspunten zijn opgesteld in samenspraak met belanghebbende

20

publieke en private partijen. Daarbij is gebruik gemaakt van ervaringen van de uitvoeringsorganisaties, Senter en Novem, en van partijen die in de praktijk met deze instrumenten te maken hebben. Precieze invulling van het nieuwe instrument en besluitvorming daarover zijn de verantwoordelijkheid van het volgende kabinet. Uitgangspunten rijk - Het nieuwe instrumentarium moet aansluiten bij de - grotendeels - decentrale rolverdeling tussen rijk en andere overheden. Effecten van veroudering en herstructurering zijn in het algemeen voelbaar op lokaal en regionaal overheidsniveau. De rol van het rijk is dan ook voornamelijk stimulerend en faciliterend richting de lokale en regionale publieke en private partijen (kennisontwikkeling en -overdracht, afsluiten van convenanten, stimulerend financieel instrumentarium); - Het financieel instrumentarium van het rijk richt zich met name op herstructurering van bedrijventerreinen, in het bijzonder op projecten die leiden tot omvangrijke regionale/nationale maatschappelijke en economische baten (dus vooral gelegen in de Ruimtelijk-Economische Hoofdstructuur/nationale en regionale stedelijke netwerken) en/of waar het rijk medeverantwoordelijk is voor de ontstane situatie (bijvoorbeeld door rijksregelgeving en specifiek rijksbeleid); - Het rijk volgt in zijn strategie een combinatie van algemene afspraken met andere overheden over regionale herstructureringsopgaven en eigen betrokkenheid bij enkele concrete projecten op basis van innovatieve aspecten, zoals een bijzondere samenwerkingsconstructie, een combinatie van verschillende thema’s of een grote private betrokkenheid. Contouren nieuw financieel instrumentarium Bovenstaande globale uitgangspunten van het rijk, gecombineerd met de geconstateerde financiële knelpunten in de praktijk, kunnen ‘vertaald’ worden in de contouren van een financieel instrumentarium ten aanzien van bestemming, inhoudelijke voorwaarden en uitvoering. Qua bestemming van middelen zou het instrumentarium gericht moeten zijn op: - Met name herstructureringsprojecten; - Goede koppeling met andere rijkssubsidiestromen voor met name de grote kostenposten als bodemsanering, (multimodale) ontsluiting en bedrijfsverplaatsing; - Projecten met een exploitatietekort. Qua inhoudelijke voorwaarden zou het instrumentarium moeten functioneren als: - Stimulans voor private partijen om financieel deel te nemen aan herstructureringsprojecten en deze projecten ook zelf op gang te brengen; - Stimulans tot samenwerking en afstemming tussen betrokken publieke en private partijen binnen economisch samenhangende regio’s, bijvoorbeeld provincies, functionele regio’s, kaderwetgebieden of stedelijke netwerken;

21

-

-

Stimulans voor realiseren en handhaven van door de betrokken partijen gewenste kwaliteitsniveau voor de locatie op het gebied van onder meer zorgvuldig ruimtegebruik, milieuprestaties, beheer, uitstraling; Passend in regionaal economisch perspectief en visie vanwege diversificatie werkmilieu’s en nodige schuifruimte.

Qua uitvoering zou het instrument het volgende moeten bieden: - Meerjarige zekerheid, gekoppeld aan afrekenbare afspraken over te realiseren herstructureringsopgaven; - Aansluiten op de uitvoeringspraktijk; - Eenvoud: weinig administratieve lasten, zo min mogelijk schijven; - Duidelijkheid vooraf qua procedure en criteria voor projecten; - Afstemming, stroomlijning en bundeling met andere geldstromen voor herstructurering. Vervolgtraject De komende maanden zal EZ het financieel instrumentarium verder uitwerken ter voorbereiding van besluitvorming in het volgende kabinet. Daarbij wordt samengewerkt met de ministeries van BZK, V&W en VROM. De volgende punten komen daarbij in elk geval aan de orde: - Doorlichten op praktijkervaringen van de huidige EZ-regelingen op het gebied van bedrijventerreinen. Dit zijn de DBT en de TIPP en de generieke maatregelen zoals het EZdeel van het grotestedenbeleid en Kompas voor het Noorden; - Mogelijkheden van afstemming, stroomlijning en bundeling van interdepartementale geldstromen met betrekking tot bodemsanering, ontsluiting en verplaatsing waaronder de Bedrijvenregeling Bodemsanering Bedrijventerreinen met Convenant, Gebundelde Doeluitkering, Saneringsregeling ongewenste bestemmingen en ISV/IPSV; - Inventariseren van buitenlandse ervaringen met financiering van herstructureringsprojecten en van ervaringen met herstructureringsprojecten als onderdeel van het stadsvernieuwingsbeleid; - Bekijken van de mogelijkheden van een nationaal/regionaal herstructureringsfonds en middelen van rijk, provincie, gemeenten en private partijen, die risicodragend voor projecten worden ingezet (aansluitend op het lopende initiatief van provincie NoordBrabant en buitenlandse ervaringen). 5.4 Benodigde inzet vanaf 2003

De ambitie die in deze agenda is neergezet vraagt om een financiële impuls. Zoals aangegeven ziet het rijk een financiële rol voor zichzelf weggelegd bij ongeveer 5000 van de 10.000 hectare nationale verouderde bedrijventerreinen. Dit is nodig vanwege de volgende knelpunten: - Hoge kosten per hectare, zeker wanneer bodemsanering, verplaatsing van bedrijven (NIMBY) en verbeterde ontsluiting aan de orde is. Gemiddeld liggen de kosten per hectare te herstructureren bedrijventerrein op ongeveer € 275.000. De bandbreedte is echter groot, variërend van zo’n € 50.000 tot ongeveer € 550.000;

22

-

-

Herstructureringsprojecten zijn risicovol: onzekerheid bij private partijen over planning en doelstelling van overheid, onervarenheid met PPS-constructies, onvoldoende (rijks)middelen, grondspeculatie, versnippering van subsidies; Moeilijk zichtbare en kwantificeerbare maatschappelijke baten: behoud van groene ruimte, ruimtewinst, terugdringen van emissies, tegengaan van werkloosheid en ‘rechtvaardige’ geografische verdeling van genoemde baten. Tegelijkertijd is bij herstructurering sprake van weinig kostendragers. Nieuwe uitgeefbare ruimte komt in geringe mate vrij en baten voor betrokken partijen zijn vaak moeilijk te kwantificeren.

Herstructurering van 10.000 hectare bedrijventerreinen in de periode tot en met 2010 komt neer op een totaalbedrag aan netto kosten van ongeveer € 2,75 mrd. Het rijk zal naar verwachting een financiële bijdrage leveren aan herstructurering van 5000 hectare van de nationale opgave. De netto kosten van deze herstructureringsoperatie bedragen circa € 1,37 mrd. De rijksbijdrage wordt vooralsnog vastgesteld op 50% van het exploitatietekort, overeenkomstig de systematiek bij de TIPP. Dit betekent dat het rijk € 680 mln. nodig heeft voor een financiële impuls aan 5000 hectare verouderd bedrijventerrein. De financiële inzet van het rijk vanaf 2003 tot en met 2010 op het gebied van bedrijventerreinen bestaat uit gelden die op dit moment zijn gereserveerd voor een vervolg op de TIPP-regeling, alsmede de EZ-middelen voor GSB/ISV. In de periode 2003 tot en met 2010 (8 jaar) gaat het om in totaal circa € 240 mln. Hiermee kan een bijdrage worden gegeven aan herstructurering van ongeveer 1500 à 2000 hectare verouderd bedrijventerrein. Voor een rijksbijdrage aan herstructurering van de overige 3000 à 3500 hectare én voor de aanvullende financiële acties is dus minimaal nog € 440 mln. aan extra middelen nodig. Ik heb hiervoor een investeringsvoorstel ingediend in het kader van de ICES impulsbrief. Daarbij is ook het amendement betrokken van het kamerlid Hindriks c.s. over een extra financiële impuls voor de herstructurering van bedrijventerreinen € 45,4 mln, dat is aangenomen bij de behandeling van de EZ-begroting voor het jaar 2001 (kamerstukken II 2000/2001, 27 400 XIII, nr. 22). Dit zoals eerder is aangekondigd door de Minister van Economische Zaken in een brief van 4 december 2000 (kenmerk FEZ/BB/00075571). Het is aan het volgende kabinet om te beslissen over de omvang van de investeringsimpuls.

23

Bijlage 1 Definities

Herstructurering: In de literatuur worden diverse definities gehanteerd voor het begrip herstructurering. Een aantal is op een rij gezet door het CPB in het rapport over veroudering van bedrijventerreinen uit 2001. Het CPB concludeert zelf als definitie voor herstructurering: alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. De ingrepen kunnen betrekking hebben op elk van de volgende vier aspecten van veroudering: ruimtegebruik, aanzicht, ontsluiting en milieuhygiëne. Parkmanagement Parkmanagement is kwaliteitsmanagement. Het is een middel om in de huidige situatie van veelal versnipperd eigendom van grond en vastgoed de kwaliteit van een locatie af te stemmen op de wensen van de betrokkenen. Parkmanagement is het sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een locatie. Veelal gebeurt dat in samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven. Aan elk van de genoemde aspecten kan een heel spectrum van activiteiten worden verbonden. Hoe die vervolgens worden ingevuld is afhankelijk van het terrein, de gevestigde bedrijven en het draagvlak bij de overige betrokken partijen. Duurzaam bedrijventerrein Door samenwerking tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en overheden realiseren van betere milieuprestaties en economische prestaties. In het stimuleringsprogramma DBT wordt zorgvuldig ruimtegebruik gedefinieerd als milieuthema. Kwaliteit op bedrijventerreinen Mate waarin de prestaties van een bedrijventerrein op functioneel (technisch, economisch) en maatschappelijk (milieuhygiënisch, ruimtelijk, sociaal) gebied aansluiten bij de wensen van alle betrokken partijen. Wanneer de prestaties goed aansluiten bij genoemde wensen is sprake van een optimale kwaliteit.

24

Bijlage 2 Acties gekoppeld aan knelpunten

Herstructurering

Organisatorisch Beheer

Organisatorisch

Starre hantering wet- en regelgeving m.b.t. bouwhoogte en mil

Lage organisatiegraad bedrijven (geldt ook voor beheer)

Oplossingssporen Meerjarige herstructureringprogramma's

Acties 1a Afspraken over herstructureringsprogramma's 1b Criteria + procesafspraken 2a Opstellen van spelregels 2b Voorbeelden interactieve samenwerking 3 Ontwikkeling monitor Kennis en ervaring 4 Opzetten structuur uitwisseling kennis 5 Ontwikkeling nieuwe kennis Processturing 6 Opdoen van kennis en ervaringen in projecten Juridisch 7 Belemmerende bouwregelgeving voorkomen 8 Verankeren Experimentenwet Stad & Milieu 9 Evaluatie pilots koepelvergunning 10 Pilots gemeentelijke en prov. regelgeving Financiering 11 Fiscale prikkels 12 Toolkit 13 Koppeling van baten met kosten x = heeft directie invloed op deze belemmering o = heeft indirect invloed op deze belemmering

x x x x x x x Beleidsinstrument: volgt ontwikkeling problematiek o o o x x x o o x o o o x x x x x x x x x x x x

x x x x x x

o o

o

x

o o x

25

Plaatsing bedrijven t.o.v. voorzieningen niet optimaal o x

Zowel gemeenten als bedirjven willen niet investeren

Weinig prikkels voor de beheerder om te investeren

Weining prikkels voor bedrijven om te investeren

Onvoldoende kennis en ervaring bij gemeenten

Gemeenten formuleren plannen zonder overleg

Regionale afstemming onvoldoende

Belemmerende wet- en regelgeving

Zwakke organisatie van het beheer

Gebrek aan schuif- en groeiruimte

Onoverzichtelijkheid subsidies

Organisatie proces gebrekkig

Willekeurig toelatingsbeleid

Onvoldoende rijksmiddelen

Gebrek aan kostendragers

Knelpunt

Planologisch

Bestuurlijk-

Financieel

Financieel

juridisch

Bijlage 3 Schema oorzaken langzame herstructurering

langzame herstructurering

juridisch

financieel

organisatorisch

belemmerende wet- en regelgeving voor gemeenten en bedrijven

onvoldoende juridische instrumenten voor gemeenten

starre hantering wet- en regelgeving

begroting van het project is niet sluiten te krijgen

geen overeenstemming over verdeling kosten/baten

prioriteit gemeenten niet bij herstructurering want financieel aantr. om nieuwe terrein aan te leggen of binnenstedelijke locaties te transformeren naar woonlocaties

terughoudende rol gemeente bij het nemen van initiatief

regionale afstemming onvoldoende

onvoldoende samenwerking tussen ondernemers

samenwerking ondernemers/ gemeenten loopt niet

algemeen probleem soorten belemmeringen belemmeringen achterliggende oorzaken belemmeringen waarvoor in dit plan acties zijn geformuleerd

langzame herstructurering

juridisch

financieel

organisatorisch

belemmerende weten regelgeving voor gemeenten en bedrijven

onvoldoende juridische instrumenten voor gemeenten

starre hantering wet- en regelgeving

tegenstrijdigheid binnen 1 terrein van wet- en regelgeving

tegenstrijdigheid tussen verschillende terreinen van weten regelgeving

tegenstrijdigheid van wet- en regelgeving tussen verschillende bestuursniveau’s

gebrek aan schuif- en groeiruimte in bestem.plan

gebrek aan dwangmiddelen van gemeenten

milieu (o.a. geluid)

bouwhoogte

externe veiligheid als politiek issue

nieuwe regels stapelen op oude regels, en stimuleren daardoor niet of onvoldoende

verschillende normen voor verschillende segmenten

geen afstemming tussen regels voor particuliere gronden en openbare ruimte

27

langzame herstructurering

juridisch

financieel

organisatorisch

begroting van het herstructureringsproject is niet sluitend

er is geen overeenstemming over de verdeling van de baten en kosten

prioriteitsstelling van gemeenten benadeelt herstructurering/ voor gemeente finan. aantrekkelijk om nieuw terrein te bouwen buiten de stad en binnenstedelijke locaties te transf. toto woonlocaties

grondspeculatie

geen optimale inzet van rijksmiddelen

private partijen willen moeilijk investeren

onvoldoende rijksmiddelen

onvoldoende middelen voor gemeenten

gebrek aan kostendragers

grote bedrijfseconomische risico’

winst voor grondbedrijven van gemeenten

nimby-gedrag

politiek scoren

onoverzichtelijkheid van subsidies (versnippering/ complex, etc.)

gebrek aan vertrouwen in het project

gemeente laat met opzet verouderen om finan. steun vanuit het rijk te verkrijgen

28

langzame herstructurering

juridisch

financieel

organisatorisch

terughoudende rol van gemeente bij het nemen van initiatiefrol

regionale afstemming is onvoldoende

onvoldoende samenwerking tussen ondernemers

samenwerking ondernemers/ gemeenten loopt niet

samenwerking tussen gemeenten

reg. afstemming gem-prov loopt niet

organisatiegraad van bedrijven op een terrein is laag

herstructurering moet passen in de doelstellingen van ieder individueel bedrijf

communicatie is niet optimaal

verschillende belangen van gemeente bij herstructurering

te weinig organisatorische capaciteiten

onvoldoende kennis

verkokering binnen gemeenten

onvoldoen de politiek draagvlak

tijdspad van visies van bedrijven op het terrein is korter dan die van gemeenten

gemeente form. probleem + plan zonder overleg

gebrekkige organisatie van het proces

onvermogen om tot financiële afspraken te komen

weinig vertrouwen en weerstand richting gemeenten

gemeente handelt vanuit eigen budget / taak / beland

angst voor lange en onzeker ro-trajecten

politiek klimaat is aan verandering onderhevig

verschillende belangen van gemeenten

29

Bijlage 4 Schema belemmeringen voor beheer

geen goed beheer

organisatorisch

financieel

planologisch / fysiek

geen afstemming tussen gemeente en bedrijven

geen afstemming tussen bedrijven op een terrein

onderhoud particuliere ruimte onvoldoende

onderhoudpublieke ruimte onvoldoende

gemeente wordt niet direct aangesproken

zwakke organisatie beheer en fac. dienstverlening

organisatiegraad van bedrijven is laag

geen reserveringen/ afschrijving

weinig prikkel voor beheerder om te inv. na uitgifte grond

openbare infra = sluitpost

plaatsing bedrijven wordt niet per terrein integraal bekeken

weinig prikkels om te inv. in bestaande locatie

niveau kwal. eisen bedrijven verschillend

willekeurig toelatingsbeleid

onzekerheid over toekomst terrein

onbetrouwbare overheid

tegenstrijdige + versnipperde wetgeving

onderlinge hinder bedrijven

30

Bijlage 5 Quick-scan wet- en regelgeving
In het kader van het project ‘herstructurering van verouderde bedrijventerreinen’ is een inventarisatie (zie tabel) gemaakt van knellende wet- en regelgeving. Deze knelpunten leiden in veel gevallen tot veroudering van bedrijventerreinen of in sommige gevallen tot een vertraging in processen van herstructurering. De belangrijkste knelpunten zijn gedestilleerd uit gesprekken met eerst betrokken partijen bij herstructurering (IPO, VNG, VNO-NCW, etc.) en onderzochte literatuur op dit gebied. Benadrukt dient hier te worden dat het gaat om door deze partijen vermeende onnodige juridische knelpunten. Overige knelpunten zijn buiten beschouwing gelaten, aangezien dit meestal politieke keuzes betreffen. Natuurlijk bestaan er naast het tegengaan van onnodig belemmerende wet- en regelgeving ook andere mogelijkheden om de problemen van verouderde bedrijven tegen te gaan, zoals uitplaatsing van verouderde of risicovolle bedrijven. Per juridische belemmering is onderzocht wat precies het probleem is en of deze problemen al worden aangepakt in lopende beleidstrajecten. Dit bleek veelal het geval te zijn. Met name in de fundamentele herziening van de WRO worden veel problemen op het gebied van wettelijke procedures aangepakt. Voor de onnodig belemmerende wet- en regelgeving, waartegen nog geen stappen worden ondernomen, zijn mogelijke oplossingsrichtingen genoemd. Uit de inventarisatie blijkt dat op rijksniveau een groot deel van de knelpunten al is of wordt aangepakt. De problemen die zich nog steeds voordoen zijn vooral te vinden op lokaal niveau, en wel op de volgende twee punten: · (aanvullende) gemeentelijke wet- en regelgeving of een stapeling daarvan op rijksbeleid, en; · uitvoering van het rijksbeleid. Echter, de problemen zullen per situatie verschillen. De omvang en de gevolgen van deze knelpunten zijn in dit project dan ook niet onderzocht, gezien de gedifferentieerdheid van het probleem. Toch zullen ook deze problemen aangepakt moeten worden. Hier is een rol weggelegd voor provincies en gemeenten. Gedacht kan worden aan kennisuitwisseling over aanvullend gemeentelijke beleid en het vergelijken van de uitvoering van rijksbeleid door verschillende gemeenten. Door deze uitwisseling van kennis kan van elkaar worden geleerd en worden voorkomen dat aanvullende wet- en regelgeving en de uitvoering van rijksbeleid zo min mogelijk hoeft te leiden tot onnodige knelpunten voor (herstructurering) van bedrijventerreinen.

Inventarisatie (belemmerende) wet- en regelgeving voor herstructurering bedrijventerreinen
Knelpunt Regelgeving Milieuregelgeving Omschrijving Terreinen volgens milieunormering vol Wat gebeurt er al? In de Discussienota Toekomst Milieuwetgeving wordt aangekondigd te onderzoeken of op korte termijn in de Wet Milieubeheer een regeling kan worden opgenomen voor het verhandelen van emissies of rechten. Op dit moment lopen er al twee pilots (DSM en Suikerunie). Wat in actieagenda? Evaluatie van deze twee pilots op de volgende onderwerpen: - ervaringen van het bedrijfsleven; - milieuwinst - technische en juridische belemmeringen - invloed op veroudering van bedrijventerreinen

Hoogte geluidsbron van invloed op overlast

Milieuzonering maakt functiemenging en dichter bij elkaar staan van functies moeilijker (financiële haalbaarheid herstructurering moeilijker)

In het wetsvoorstel Modernisering Instrumentarium Geluidsbeleid wordt voorgesteld het geluidshinderbeleid naar de gemeenten te decentraliseren en de procedures te bundelen. In de Experimentenwet Stad & Milieu is de mogelijkheid geschapen voor integrale gebiedsgerichte benadering voor specifieke gebieden. Binnen deze gebieden mag op experimenteerbasis worden afgeweken van bestaande regelgeving, mits - in totaliteit een maatschappelijk beter resultaat wordt geboekt; - binnen grenzen EU-regels.

Bij succes uitbreiden naar meerdere gebieden of in algemene wet gieten (na evaluatie 2005). Externe zonering op basis integrale afweging kan van belang zijn uit oogpunt helderheid en rechtszekerheid

Knelpunt Regelgeving (vervolg) Milieuregelgeving (vervolg)

Omschrijving Externe veiligheid

Wat gebeurt er al? In het ontwerp-AmvB worden de risicocontouren voor risicovolle bedrijven aangescherpt. Dit maakt functiemenging lastiger. Heeft overigens geen gevolgen voor ongemengde bedrijventerreinen. Dit is geen wettelijk probleem, maar vooral de wijze van toepassing door gemeenten. Wordt overigens meegenomen in lopend MDW-project Intensief Ruimtegebruik Bedrijventerreinen.

Wat in actieagenda?

Bouwregelgeving

Maximale bouwhoogte en bebouwingspercentages belemmeren stapelen, uitbreiding en functiemening

Mogelijk aanhaken bij nieuw convenant VROMNeprom-VNG over grondprijzen bij intensief ruimtegebruik. Daarnaast mogelijk provincies vragen bij toets op bestemmingsplan kritisch hiernaar te kijken.

Parkeernormen

Te starre parkeernormen

Wet bodembescherming Ruimtelijke Ordening

In de nota’s NVVP en VIJNO is reeds een nieuw locatiebeleid aangekondigd, waarin de parkeernormen op rijksniveau vervallen. De beleidspraktijk is zich nog aan het instellen op deze nieuwe uitgangspunten. Bodemsanering kost enorm veel geld, maar is in veel In het kader van de beleidsvernieuwing van het gevallen noodzakelijk en/of verplicht bodemsaneringsbeleid (BEVER) wordt de mogelijkheid geboden voor functioneel saneren. Inflexibele regelgeving bij herziening WRO wordt momenteel fundamenteel herzien. Nieuwe WRO voorziet in: · Mogelijkheid planherziening op aanvraag · Mogelijkheid binnenplanse vrijstellingen · Buitenplanse ontheffingsmogelijkheden (bij AMvB te regelen)

34

Knelpunt Omschrijving Versnippering van regelgeving Veiligheids- en Hebben vaak betrekking op individuele bedrijven. milieuregelgeving Hierdoor is compensatie op terreinniveau niet mogelijk. Milieu en ROregelgeving Milieuwetgeving heeft vaak betrekking op individueel bedrijf, terwijl RO-regelgeving over ruimtelijk gebied gaat. Relatie ertussen ontbreekt vaak.

Wat gebeurt er al? In de Discussienota Toekomst Milieuwetgeving wordt aangegeven te gaan onderzoeken of in de Wet Milieubeheer gezamenlijke vergunningsaanvraag mogelijk is voor heel bedrijventerrein. In fundamentele herziening WRO is de centrale positie van het bestemmingsplan in de gemeentelijke planologie benadrukt. Ook voor bebouwde kommen komt er nu een verplicht bestemmingsplan. Bevestigd is jurisprudentielijn dat bij geven van bestemmingen (ook) rekening kan/moet worden gehouden met de milieuaspecten. Op deze manier vindt er een heldere, integrale ruimtelijke afweging van belangen plaats.

Wat in actieagenda? Stolp- of koepelvergunning? Lopende experimenten? Mogelijkheid uitwaartse zonering rondom bedrijven(terreinen)? Mogelijke instructieAMvB m.b.t. vertaling / afweging van milieukwaliteitseisen op basis van WM en Wro.

35

Knelpunt Procedures Parallelschakeling van procedures

Omschrijving Gebeurt veel te weinig bij procedures van MER, bestemmingsplan, bouwvergunning en milieuvergunning.

Wat gebeurt er al? In nieuwe WRO wordt mogelijkheid geschapen voor gecoördineerde projectbesluitvorming op gemeentelijk niveau. Dit maakt bundeling van vergunningsprocedures mogelijk en biedt ook gemeenten de mogelijkheid om herstructureringsprojecten projectmatig, en gestroomlijnd aan te pakken. In fundamentele herziening WRO: · Verkorting procedure (afschaffen standaard goedkeuringsprocedure van provincie) · Moderniseringsoptie (mogelijkheid om één of twee bedrijven te dwingen) · Digitalisering WRO-procedures · Mogelijkheid ingebouwd voor herziening bestemmingsplan op aanvraag. In Discussienota Toekomst milieuwetgeving wordt een keuze gemaakt m.b.t. het al dan niet inperken van de ‘actio popularis’ of verdergaande aansluiting bij het belanghebbende-begrip in de Algemene wet bestuursrecht.

Wat in actieagenda?

Procedures te lang / initiatiefmogelijkheden voor bedrijven te beperkt

Lange termijnen voor inspraak, bezwaar en beroep (komt overigens vooral door toepassingspraktijk). Individuele bedrijven hebben geen rechtstreekse stem in de totstandkoming van ruimtelijke plannen.

Bezwaarmogelijkheden Op elk beslissingsniveau kunnen dezelfde bezwaren te groot ingediend worden en zelfs door niet direct belanghebbenden in de beroepsfase

36