Regionaal Economische Verkenningen 2002 Groningen, Friesland en Drenthe

Drs. T. M. Stelder

Exemplaren van dit rapport à € 10,00 zijn verkrijgbaar bij: Sectie Ruimtelijke Economie Economische Faculteit RuG Postbus 800 9700 AV Groningen Tel: 050-3633740 Fax: 050-3637337 www.regroningen.nl

Inhoudsopgave Voorwoord 1. Samenvatting 2. Recente regionaal-economische ontwikkelingen 2.1. Bestedingen en productie 2.2. Werkgelegenheid 2.3. Bedrijfstakontwikkelingen 2.4. Arbeidsaanbod en werkloosheid 3. Ontwikkelingen op gemeenteniveau 4. De verwachtingen voor 2002 4.1. Productie en werkgelegenheid 4.2. Arbeidsaanbod en werkloosheid Bijlage A. Bijlage B. Bijlage C. Bijlage D. Kerngegevens arbeidsmarkt Groningen Kerngegevens arbeidsmarkt Friesland Kerngegevens arbeidsmarkt Drenthe Noordelijke gemeenten 2002 1 3 7 7 13 16 18 27 30 30 34 37 38 39 40 41

Publicaties van de Stichting Ruimtelijke Economie Groningen

Voorwoord De Regionaal Economische Verkenningen Groningen, Friesland en Drenthe 2002 verschijnt dit jaar voor de derde achtereenvolgende keer in opdracht van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN). In afwijking van eerdere jaren is ditmaal gekozen voor een verschijning later in het jaar om aan te kunnen sluiten met het Centraal Economisch Plan 2002 van het CPB, dat medio april 2002 is verschenen. Naar alle waarschijnlijkheid zal dit de laatste REV in haar huidige vorm zijn. Sinds 1999 heeft de RuG in aansluiting op de REV afzonderlijke Arbeidsmarktschetsen voor Groningen en Drenthe gepubliceerd in gezamenlijke opdracht van de betreffende provincies en de voormalige Arbeidsvoorziening Noord-Nederland, thans CWI. Het is de bedoeling dat dit jaar nog een begin wordt gemaakt met het samenvoegen van deze verschillende publicaties in een geintegreerde Arbeidsmarktverkenning Noord-Nederland ten einde duplicering en versnippering van regionaaleconomische informatievoorziening binnen Noord-Nederland tegen te gaan. Daarmee komt een einde aan een lange traditie die terug gaat tot 1986. In dat jaar werd de eerste REV gepubliceerd in het kader van de toenmalige Federatie van Noordelijke Economische Instituten (FNEI), een samenwerkingsverband tussen de drie Noordelijke Economisch Technologische Instituten en de RuG, dat van 1972 tot 1988 heeft bestaan. Met deze laatste REV is tevens het moment aan gebroken om stil te staan bij de uitzonderlijke prestatie van Dirk Stelder, die praktisch zonder onderbreking de REV gedurende al die jaren heeft verzorgd. Het is de langste reeks Regionale Verkenningen die Nederland kent en zonder meer de meest overzichtelijke en best geschreven reeks. Daarvoor moest hij steeds alle definitiewijzigingen in de statistieken bijhouden om uit de verwarrende brei cijfers een consistent verhaal met heldere ondersteunende grafieken op te bouwen. Datzelfde was nodig om steeds een modelmatig goed onderbouwde voorspelling voor het komende jaar te maken. Ook dat is een uitzonderlijke prestatie. Dirk, mede namens de zeer vele lezers van de REV, daarvoor zeer veel dank. Namens de Sectie Ruimtelijke Economie RuG, Prof. dr. Jan Oosterhaven

1

2

1.

SAMENVATTING

De economische groei is na 2000 fors teruggelopen. Na een onafgebroken periode van bijna 5 jaar ongekend hoge groeicijfers van 4% of nog meer komt de groei over 2001 landelijk op slechts 1% uit. De werkgelegenheidsgroei lijkt nog bijna een vol jaar na te ijlen, aangezien er over 2001 nog 136.000 banen bij zijn gekomen. Volgens het Centraal Planbureau loopt dit jaar echter ook dit cijfer fors terug tot 41.000 en slechts 30.000 extra banen in 2003. De noordelijke regio heeft in het begin van de hoogconjunctuur het nationale groeitempo niet helemaal bij kunnen houden, maar draait in de meest recente jaren volop mee. Gemiddeld over de laatste vijf jaar (19972001) ligt de groei van de werkgelegenheid in alle drie de provincies zelfs iets boven het landelijk gemiddelde, vooral in 2000 en 2001. Van de landelijke groeivertraging in 2001 is bij de groei van de noordelijke werkgelegenheid nog niets te merken. Volgens de Provinciale Werkgelegenheidsregisters (PWR) nam het aantal banen in het Noorden in 2000 toe met 2,8% en in 2001 met 2,9%, tegenover respectievelijk 2,4% en 1,9% landelijk. De vertraagde reactie van de werkgelegenheid op de afnemende economische groei wordt dus nog eens versterkt door het feit dat de noordelijke economie traditioneel 1 á 1,5 jaar op de landelijke ontwikkeling achterloopt. Terwijl Drenthe in 2000 de snelste toename van het aantal banen liet zien is Friesland in 2001 koploper: volgens de PWR bedroeg de groei van de Friese werkgelegenheid in 2001 4,7% tegenover 2,0 % in Groningen en 2,1% in Drenthe De werkloosheid is de afgelopen jaren landelijk sterk afgenomen van 348.000 (5,2%) in 1998 tot 248.000 ( 3,6%) in 2001. De toegenomen krapte op de arbeidsmarkt laat zien dat daarmee thans een niveau is bereikt dat onder het niveau van de frictiewerkloosheid ligt. De groeivertraging in 2002 en 2003 doet de werkloosheid landelijk weer toenemen, maar vooralsnog moet eerder gesproken worden van een arbeidsmarkt die minder krap wordt, dan van een daadwerkelijk oplopende werkloosheidsproblematiek. Dat geldt vooralsnog niet voor de noordelijke provincies, die nog wel te maken hebben met een substantiële werkloosheid. Het Noorden volgt de landelijke werkloosheidsdaling vanaf 1995 goed. In 2001 is de werkloosheid in Groningen en Friesland zelfs iets sneller afgenomen dan landelijk. Opvallend is dat binnen het Noorden een verschuiving is opgetreden. De Drentse werkloosheid lag in het verleden belangrijk lager dan in de rest van het Noorden, maar omdat de daling in Drenthe de afgelopen jaren beperkt is geweest, is Drenthe inmiddels door Friesland ingehaald. Thans bedraagt de werkloosheid volgens het CBS in Groningen 5,9%, in Friesland 4,6% en 1 in Drenthe 5,6% tegenover landelijk 3,9% . De officiële CBS-cijfers hebben echter voor de noordelijke provincies vanwege hun relatief geringe omvang een ruimere onnauwkeurigheidsmarge dan de landelijke cijfers. De gegevens van het CWI lijken erop te wijzen dat de werkelijke werkloosheid in Groningen iets hoger en in Drenthe
1

Gecorrigeerde CBS-cijfers op basis van voortschrijdende gemiddelden.

3

iets lager ligt dan de CBS-cijfers aangeven. De ontwikkeling in de tijd is niettemin vergelijkbaar. Het aantal bij de CWI’s ingeschreven niet werkenden werkzoekenden (NWW), uitgedrukt in percentage van de beroepsbevolking, is in Groningen de laatste drie jaar gedaald van 16,3% in 1998 tot 10,6% in 2001. In Friesland daalde het NWW percentage van 12,9% naar 8,7% en in Drenthe van 11,4% naar 8,1%. Ook volgens het CWI is de Friese werkloosheid dus meer gedaald dan in Drenthe. De economische structuur van de noordelijke provincies wordt gekenmerkt door een oververtegenwoordiging van langzaam groeiende sectoren als landbouw en industrie en een ondervertegenwoordiging van de snelgroeiende dienstensectoren. Dit is traditioneel nadelig geweest voor de totale werkgelegenheidsgroei in het Noorden, maar de laatste jaren neemt het structuurverschil af, met name in Groningen. In een groot aantal dienstensectoren neemt de werkgelegenheid in het Noorden momenteel sneller toe dan landelijk, vooral in de financiële en zakelijke dienstverlening. De nieuwste cijfers voor 2001 wijzen uit dat de voor de werkgelegenheid belangrijke sector zakelijke dienstverlening in Groningen net zo groot van omvang is geworden als landelijk. Hetzelfde geldt voor de financiële dienstverlening in Friesland. Ook de in het Noorden traditioneel lagere arbeidmarktparticipatie neemt al een aantal jaar sneller toe dan landelijk, zodat ook op dit punt het verschil met het landelijk gemiddelde afneemt. Dit geldt vooral voor vrouwen. In Groningen en Friesland is de vrouwelijke participatiegraad de laatste vijf jaar met 8,3 procentpunt toegenomen tegenover 6,2 landelijk. In Drenthe verloopt deze stijging met 5,7 procentpunt iets langzamer. Niettemin is er nog altijd een regionale achterstand weg te werken: thans bedraagt de vrouwelijke participatiegraad landelijk 54% tegenover 51% in Groningen en Drenthe en 49% in Friesland. De bevolkingsgroei ligt thans wat hoger dan in de voorafgaande jaren, maar dat komt vooral door de sterk gestegen immigratie vanuit het buitenland. In 2001 bedroeg het buitenlandse migratiesaldo 3800 voor Groningen, 4400 voor Friesland en 3000 voor Drenthe. Het effect hiervan op de beroepsbevolking is echter beperkt omdat het voor een groot deel asielzoekers betreft. De binnenlandse migratie is in het verleden in Groningen en Friesland per saldo sterk negatief geweest, maar beweegt zich thans dicht bij het nulpunt en heeft daarmee weinig effect op de groei van het arbeidsaanbod. De beroepsbevolking groeit voornamelijk door de toenemende participatie momenteel sneller dan landelijk met circa 4000 personen per jaar in Groningen en Friesland en 3000 in Drenthe. De ontwikkelingen op gemeenteniveau laten sterke verschillen binnen het Noorden zien. De gemeenten in de periferie langs de waddenkust en in noord-oost Groningen worden gekenmerkt door een lage of zelfs negatieve bevolkingsgroei, met als uitschieter de gemeente Delfzijl, die haar bevolking de laatste tien jaar met 8% heeft zien afnemen. Aan de andere kant zijn de groeiende gemeenten vooral in het Zuid-Westen te vinden. Een opvallend verschil daarbij is dat de bevolkingsgroei in de Friese gemeenten vooral door de natuurlijke aanwas wordt veroorzaakt, terwijl in de Drentse gemeenten immigratie de belangrijkste factor is. 4

Voorts blijkt dat de werkgelegenheid in veel kleine gemeenten de laatste tien jaar relatief sneller is gegroeid dan in de grotere kernen. Dit betekent dat binnen het Noorden sprake is van een tendens tot ruimtelijke deconcentratie. Opvallend is ook dat de werkgelegenheidgroei gunstig is voor tal van gemeenten die niet tot de in het kader van het in 2000 gestarte beleidsprogramma KOMPASaangewezen kernzones behoren. De verwachtingen voor 2002 zijn voor de noordelijke provincies nog duidelijk gunstiger dan landelijk. De groei van de werkgelegenheid in 2002 komt naar verwachting in Groningen uit op 1,2%, in Friesland 1,3% en in Drenthe 0,9% tegenover slechts 0,5% landelijk. Dit komt door het feit dat de afnemende conjunctuur in het Noorden vertraagd doorwerkt. Daarnaast heeft de noordelijke export minder last van de meest conjunctuurgevoelige delen van de wereldhandel. Er is al enige tijd sprake van extra exportgroei in het Noorden en voorts verloopt ook de woningbouwontwikkeling iets gunstiger dan het landelijk gemiddelde. Mede onder invloed van dit laatste wordt het binnenlandse migratiesaldo ook weer positiever, met name in Groningen en Friesland. De meest nieuwe banen zullen wederom gerealiseerd worden in de dienstverlenende sectoren. In 2002 zullen er in Groningen naar schatting 2600 banen bij komen, in Friesland 3000 en in Drenthe 1600. Aan de andere kant van de arbeidsmarkt neemt echter het arbeidsaanbod ook sneller toe dan landelijk. Vooral onder invloed van de voortgaande groei van de participatiegraad stijgt de beroepsbevolking dit jaar in Groningen met 1,7% (4100 personen), in Friesland met 1,6% (4300) en in Drenthe met 1,4% (2800). Landelijk is deze groei slechts 1,1%. Het gevolg van deze gespiegelde ontwikkelingen is dat per saldo de regionale werkloosheid in 2002 in gelijke mate oploopt als landelijk. De werkloosheid stijgt in Groningen naar 6,4%, in Friesland naar 5,0% en in Drenthe naar 6,1%. De regionale component (het verschil met het landelijke percentage) blijft daarmee in 2002 exact gelijk op 2,6 procentpunt in Groningen, 1,2 in Friesland en 2,3 in Drenthe. Het is te verwachten dat de trendmatige groei van de regionale participatiegraad nog wel enige tijd aan zal houden. Dit betekent dat de werkgelegenheidsgroei nog een aantal jaren boven het landelijk gemiddelde uit zal moeten gaan totdat het verschil met het landelijke participatieniveau is verdwenen. Pas dan zal de regionale component structureel kunnen afnemen.

5

6

2. RECENTE REGIONAAL-ECONOMISCHE ONTWIKKELINGEN 2.1. Bestedingen en productie In de loop van 2001 is een einde gekomen aan een periode van meer dan vijf jaar ongekend sterke economische groei. Zowel in de USA als in de EU liep de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) terug van bijna 4% per jaar tot 1 á 2% in 2001. De vorig jaar om deze tijd reeds voorziene groeivertraging werd zoals bekend nog eens versterkt door de aanslagen van 11 september 2001. Opvallend in de meest actueel beschikbare ramingen is dat de groei in de USA dit jaar verder terugloopt dan in de EU, en dat het Nederlandse groeitempo niet langer boven het Europese gemiddelde ligt. In 2001 lag de Nederlandse groei zelf onder het EUgemiddeld (zie figuur 2.1) Figuur 2.1 Groei BBP internationaal 1995-2002
6

4

% 2 0

1995

1996

1997
USA

1998
EU

1999

2000
Nederland

2001

2002

Bron: CEP 2002

De sterk op het buitenland gerichte Nederlandse economie heeft vorig jaar vooral de invloed ondervonden van de tegenvallende exportontwikkeling. De groei van de afzet naar het buitenland liep terug van meer dan 10% in het topjaar 2000 tot minder dan 1% in 2001. Ook de consumptiegroei neemt af, terwijl de bedrijfsinvesteringen vorig jaar zelfs zijn gedaald (zie tabel 2.1).

7

Tabel 2.1 Kerncijfers Nederland 1995-2001
Volume-mutaties in %

BBP
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001
Bron: CEP 20002

export
7.6 4.2 9.8 7.8 5.5 10.8 0.9

consumptie
2.0 4.0 3.0 4.8 4.5 3.8 1.2

investeringen
7.0 6.4 9.9 5.1 9.9 5.4 -2.3

2.3 3.0 3.8 4.3 3.7 3.5 1.1

Met name de exportontwikkeling illustreert dat Nederland ten opzichte van de rest van Europa in de meest recente jaren in zekere zin het slachtoffer van haar eigen succes is geworden. Het CPB becijfert in het Centraal Economisch Plan 2002 (CEP) dat het vooral de prijsconcurrentie is die de Nederlandse exporteurs momenteel parten speelt. Gedurende 1988-2000 zijn de Nederlandse loonkosten gecumuleerd 17% achtergebleven bij die in het Euro-gebied, maar door de krap geworden Nederlandse arbeidsmarkt zijn de rollen nu omgedraaid: sinds 1998 zijn de Nederlandse loonkosten juist 14% meer gestegen dan in de rest van Europa. Of deze ontwikkeling ook voor de noordelijke regio geldt kan momenteel op basis van de beschikbare gegevens nog niet worden vastgesteld. Op regionaal niveau is voor 2001 alleen de Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO) beschikbaar, die jaarlijks in opdracht van de Kamers van Koophandel wordt gehouden. Uit tabel 2.2 blijkt dat de export in Groningen en Drenthe vorig jaar nog is toegenomen terwijl landelijk sprake is van een daling. De Groningse en Drentse industrie vertoont nog gunstige exportcijfers, o.a. omdat de sectoren chemie en voedingsmiddelen weinig last hebben gehad van de terugval van de wereldhandel. De omzetcijfers zijn eveneens gunstiger dan landelijk; de Drentse omzetgroei is zelfs de hoogste van alle provincies. Daarmee is het Noorden de enige regio in Nederland die volgens de ERBO geen dalende omzetcijfers heeft. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de Noordelijke conjunctuur over het algemeen met een of soms wel twee jaar vertraging op de ontwikkeling in de rest van het land reageert.

8

Tabel 2.2. Conjunctuurindicatoren 2000-2001
Volume-mutaties in %

2000
omzet Groningen Friesland Drenthe Nederland
Bron: ERBO

2001
export 8.6 -1.0 5.5 4.3 omzet -0.9 -0.6 2.0 -1.0 export 2.0 0.0 4.3

3.3 2.4 2.5 2.9

-1.8

De regionale cijfers van de ERBO lopen jaarlijks vaak sterk uiteen en 2 vertonen over het algemeen meer schommelingen dan andere bronnen . In figuur 2.2 is het verloop van de omzet in de drie noordelijke provincies over de laatste tien jaar weergegeven. Figuur 2.2 Omzet 1991-2001
6

4

% groei

2

0

1997/2001 1992/2001

-2

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001
Groningen Friesland Drenthe

gemiddelden
Nederland

Bron: ERBO

2

Dit komt mede omdat de weinig conjunctuurgevoelige overheidsectoren niet worden meegeteld. Voorts is de kans op uitschieters in de noordelijke enquêteresultaten groot vanwege de relatief geringe omvang van de economie in de noordelijke provincies. Het al of niet meedoen van grote en voor het Noorden belangrijke bedrijven aan de enquête kan de resultaten al snel vertekenen.

9

Uit figuur 2.2 blijkt dat de sterke economische groei vanaf 1996 pas de laatste twee jaar door het Noorden goed wordt gevolgd. Opvallend zijn voorts de relatief lagere groeicijfers voor Friesland tot 1999. De gemiddelde jaarlijkse omzetgroei bedroeg over het afgelopen decennium voor Friesland 0,5% tegenover 1,6% landelijk. Groningen en Drenthe houden de landelijk trend wel goed bij met een gemiddeld groeicijfer van respectievelijk 1,5% en 1,8%. De laatste vijf jaar liggen de groeicijfers een stuk hoger met opnieuw hetzelfde beeld: over de periode 1997-2001 nam de omzet in Groningen met 1,9% en in Drenthe met 2,9% toe tegenover 2,4% landelijk. Het Friese gemiddelde bedraagt daarentegen slechts 1,4%. De groei van het exportvolume ligt voor Groningen en Drenthe de laatste vijf jaar boven de landelijke trend ondanks slechte cijfers voor 1998 en 1999 (zie figuur 2.3). Friesland blijft volgens de ERBO wederom bij de twee andere provincies achter. Op langere termijn bekeken ligt het Groningse exportcijfer met een gemiddelde groei van 3% ruim boven het landelijk gemiddelde van 2,3%. Friesland en Drenthe blijven gemiddeld over de laatste tien jaar nog achter met een jaarlijkse exportgroei van respectievelijk 1,3% en 1,5%. Figuur 2.3 Export 1991-2001
Waarde-mutaties
10 8 6 4 % groei 2 0
1997/2001 1992/2001

-2 -4 -6

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997
Friesland

1998

1999

2000

2001

gemiddelden

Groningen

Drenthe

Nederland

Bron: ERBO

Veel betrouwbaarder dan de ERBO-cijfers zijn de Regionale Economische Jaarcijfers (REJ) van het CBS, maar deze gegevens komen met grote vertraging beschikbaar en zijn veelal niet voor prijsstijgingen gecorrigeerd. De belangrijkste uitzondering is het Bruto Regionaal Product (BRP), waarvan de volume-ontwikkeling wel bekend is. Het momenteel 10

meest recent beschikbare cijfer van het BRP heeft betrekking op 1999. Figuur 2.4 toont de reële groei van het BRP exclusief delfstoffenwinning vanaf 1991. Over de periode 1993-1997 zijn de noordelijke cijfers relatief gunstig en liggen voor diverse provincies vaak zelfs boven de landelijke trend, met name in Groningen. Het hoge nationale groeicijfer van 4% wordt echter in 1998 niet meer bijgehouden. In 1999 presteren de noordelijke provincie beter en komt Groningen zelfs ruim boven de landelijke groei uit. Gemiddeld over de laatste vijf jaar ligt de economische groei in Groningen met 3,6% per jaar boven het landelijk gemiddelde van 3,4%. Friesland en Drenthe blijven achter met respectievelijk 2,4% en 2,5%. De REJ-exportcijfers komen met nog meer vertraging beschikbaar en zijn niet voor prijsstijgingen gecorrigeerd. Het meest recente cijfer heeft helaas nog altijd betrekking op betrekking op 1996, dus valt er over de recente uitbundige exportgroei regionaal nog niets te zeggen (zie figuur 2.5). De nominale groei van de export is voor Friesland en Drenthe gunstig geweest en ligt gemiddeld boven de landelijke trend, zowel over de laatste vijf jaar als over de langere periode 1987-1996. Dit betekent dat het bedrijfsleven zich in toenemende mate oriënteert op het buitenland en dat de relatief lage exportquote ten opzichte van de rest van Nederland dus iets wordt ingelopen. De export volgens de ERBO in figuur 2.3 doet vermoeden dat deze trend zich in ieder geval voor Groningen en Drenthe heeft voortgezet. Figuur 2.6 toont de - wederom nominale - groei van de investeringen in de industrie over de periode 1988-1998 volgens de CBS-statistiek Investeringen in vaste activa in de nijverheid. Ook hier geldt dat de regionale prestaties in 1998 en 1999 duidelijk beter zijn dan in de beginjaren 1995-1997 van de recente economische hoogconjunctuur, vooral in Friesland. Opmerkelijk is dat gunstige investeringscijfers in het verdere verleden er in totaal toe leiden dat de gemiddelde groei over de gehele tienjaarlijkse periode voor Friesland en Drenthe hoger ligt dan landelijk. Over de laatste vijf jaar heeft Friesland de sterkste investeringsgroei en blijft Groningen met gemiddeld 5% achter bij de landelijk trend van 9%.

11

Figuur 2.4 Bruto Regionaal Product
Volume-mutaties exclusief delfstoffenwinning
6

4

% 2 0

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

gemiddelde '95-'99

Figuur 2.5 Export
Waarde-mutaties exclusief delfstoffenwinning
30

20

10 % 0

1992/96 1987/96

-10

-20

1986

1987

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

gemiddelden

Figuur 2.6 Investeringen industrie
Waarde-mutaties
40

30

20

10 % 0
1995/99 1990/99

-10

-20

-30

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994
Friesland

1995

1996

1997

1998

1999
Nederland

gemiddelden

Groningen

Drenthe

Bron: CBS

12

2.2. Werkgelegenheid De recente hoogconjunctuur heeft zich ook op de arbeidsmarkt doen gelden en heeft tot een ongekende toename van het aantal banen geleid. Landelijk zijn er tot en met 2000 bijna 200.000 banen per jaar bij gekomen (tabel 2.3). De groei van de werkgelegenheid loopt na het topjaar 1998 terug, maar bedroeg ook vorig jaar nog altijd 136.000.
Tabel 2.3 Werkgelegenheid 1996-2001
Absolute toename aantal banen > 12 uur per week

Groningen
1996 1997 1998 1999 2000 2001
Bron: CEP 20002, PWR

Friesland
4 985 4 312 7 313 6 443 3 898 9 693*

Drenthe
1 888 4 461 3 110 6 665 8 026* 3 457

Nederland
x 1000 152 191 216 181 171 136

2 776 2 497 5 655 5 687 3 499 3 346

* vertekend door registratie-effecten

Vanf 1997 loopt de banengroei ook regionaal sterk op. De sterke groei in Drenthe in 2000 en in Friesland in 2001 wordt enigzins vertekend door registratiewijzigingen, waardoor waarschijnlijk een aantal banen van minder dan 12 uur zijn meegeteld. De reeds besproken ERBO geeft ook reeds resultaten voor de werkgelegenheid voor 2001. Ter vergelijking zijn beide bronnen voor de laatste twee jaar samen weergegeven in tabel 2.4.
Tabel 2.4 Werkgelegenheid 2000-2001
% mutaties t.o.v. voorgaande jaar

ERBO 2000 Groningen Friesland Drenthe Noorden Nederland
pwr bruto Bron: CEP 2002, ERBO, PWR

PWR 2000 ERBO 2001 PWR 2001 1.6 1.9 5.2 2.8 2.4 2.4 2.3 2.6 2.4 2.2 2.0 4.7 2.1 2.9 1.9

2.7 3.4 4.5 3.4 3.3

13

De ERBO-cijfers zijn in beide jaren relatief gunstig voor de noordelijke regio. Gemiddeld komt de werkgelegenheidsgroei in het Noorden in beide jaren boven het landelijk gemiddelde uit. Dat geldt in versterkte mate voor de PWR-cijfers. In 2000 ligt het noordelijke groeicijfer 0,4% punt en in 2001 zelfs een vol %-punt boven de landelijke ontwikkeling. De ERBOwerkgelegenheidscijfers zijn minder betrouwbaar dan de PWR, o. a. omdat overheids- en kwartaire sectoren niet in de cijfers worden meegenomen. Niettemin is ook het beeld dat uit de ERBO-werkgelegenheid naar voren komt in overeenstemming met de in de vorige paragraaf reeds besproken tendens dat de noordelijke provincies momenteel een inhaalslag doormaken. In het Noorden wordt nog vollop economische groei gerealiseerd terwijl het landelijke groeitempo alweer afneemt. De figuren 2.7 en 2.8 geven een overzicht van beide werkgelegenheidsindicatoren over een wat langere periode. Volgens de ERBO (figuur 2.7) volgt het Noorden de landelijke ontwikkeling goed. Friesland loopt vanaf 1996 wat achter, maar haalt in 1999 en 2000 in terwijl dan juist Groningen en Drenthe wat achterblijven. Gerekend over de laatste tien jaar ligt de groei in alle drie de provincies boven het landelijk gemiddelde. Over de laatste vijf jaar gaat Friesland gelijk op en blijven Groningen en Drenthe iets achter, zij het dat, zoals reeds gezegd, de groeicijfers over 2001 in het gehele Noorden boven de landelijke trend liggen. Volgens de PWR (figuur 2.8) is de ontwikkeling nog gunstiger, al moeten de uitschieters voor Drenthe in 2000 en Friesland in 2001 met enige reserve worden bekeken. Het belangrijkste verschil met de ERBO-cijfers is dat volgens de PWR Friesland en Drenthe beter scoren dan Groningen. Zowel over de laatste vijf als de laatste tien jaar liggen de Friese en Drentse groeicijfers boven het landelijk gemiddelde, terwijl Groningen daar iets onder blijft. Figuur 2.9 toont tenslotte nog het verloop van een derde indicator van de werkgelegenheid, namelijk de werkzame beroepsbevolking volgens de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Het gaat hier in tegenstelling tot de twee voorgaande figuren niet om het aantal in de regio aanwezige banen, maar om het aantal in de provincie woonachtige werkende personen. Verschuivingen in pendelstromen, bijvoorbeeld werkenden in Groningen die in toenemende mate in Drenthe gaan wonen, zijn hier niet zichtbaar. Aangezien de EBB-cijfers op regionaal niveau een hoge foutenmarge hebben is in figuur 2.9 het driejaars voortschrijdende 3 gemiddelde genomen . Ook deze cijfers zijn gunstig voor het Noorden, maar het beeld per provincie is opnieuw verschillend. Nu zijn het Groningen en Friesland, die sterker groeien dan landelijk en blijft Drenthe achter. Dit is een mogelijke indicatie van een pendelverschuiving: veel van de banen, die er volgens figuur 2.7 en 2.8 de afgelopen jaren in Drenthe bij zijn gekomen, kunnen zijn bezet door mensen van buiten de provincie. Een andere mogelijkheid is dat de uitgaande pendel van Drenthe is afgenomen en dat daarmee een groter deel van de Drentse beroepsbevolking een werkkring binnen de eigen provincie heeft gekregen.

3

Voor 2000 is het gemiddelde van 1999 en 2000 genomen

14

Figuur 2.7 Werkgelegenheid ERBO
% mutatie banen > 12 per week
6

4

%

2

0

1997/2001 1992/2001

-2

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

gemiddelden

Figuur 2.8 Werkgelegenheid PWR
% mutatie banen > 12 per week
6

4

%

2

0

1997/2001 1992/2001

-2

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

gemiddelden

Figuur 2.9 Werkzame beroepsbevolking
% mutatie werkzame personen > 12 uur per week, 3-jaarsgemiddelden
6

4

%

2

0
1996/2000 1991/2000

-2

1990

1991

1992

1993

1994

1995
Friesland

1996

1997

1998

1999

2000
Nederland

gemiddelden

Groningen

Drenthe

15

2.3. Bedrijfstakontwikkelingen Een belangrijke economische verklaring voor regionaal afwijkende ontwikkelingen is het verschil in bedrijfstakstruktuur. Indien in een regio langzaam groeiende sectoren oververtegenwoordigd zijn en snel groeiende sectoren ondervertegenwoordigd, kan hierdoor de werkgelegenheid voor de regio als geheel achterblijven bij de landelijke trend. In figuur 2.10 is de sectorstruktuur in 2001 voor de drie noordelijke provincies naast die voor Nederland als geheel weergeven. Uit de figuur blijkt dat de landbouw, de industrie en de bouwnijverheid in de noordelijke provincies relatief sterker vertegenwoordigd zijn dan landelijk. Omgekeerd zijn de dienstensectoren over het algemeen relatief kleiner van omvang dan landelijk. In de kwartaire dienstverlening valt op dat de zorgsector in het Noorden relatief groot is. Groningen heeft daarnaast zoals bekend een omvangrijke onderwijssector. Aangezien de werkgelegenheidsgroei in de landbouw, industrie en bouw gemiddeld veel lager ligt dan in andere sectoren, werkt deze sectorstructuur nog altijd in het nadeel van de noordelijke regio. Dit nadeel neemt echter af omdat geleidelijk aan de noordelijke sectorstructuur steeds meer op de landelijke begint te lijken. Opvallend in dit verband is dat de voor de werkgelegenheid zeer belangrijke zakelijke diensten thans in Groningen van gelijke omvang zijn als landelijk gemiddeld. Datzelfde geldt voor de financiële dienstverlening in Friesland. Figuur 2.10 Werkgelegenheidstructuur 2001
% aandeel sector in totaal banen >12 uur per week
25

20

15 % 10 5 0

landbouw industrie

bouw handel/rep.
Groningen

horeca

fin. diensten overheid vervoer/com. zak. diensten onderwijs
Drenthe Nederland

zorg ov. diensten

Friesland

Bron: CEP 2002, PWR

16

Figuur 2.11 Groei werkgelegenheid naar sector 1997-2001
% gemiddelde jaarlijkse groei banen >12 uur per week

10

6 % 2 -2 landbouw bouw horeca fin. diensten overheid zorg industrie handel/rep. vervoer/com. zak. diensten onderwijs ov. diensten
Groningen Friesland Drenthe Nederland

totaal

Bron: CEP 2002, PWR

Dat juist de belangrijke zakelijke dienstverlening in het Noorden snel groeit blijkt uit figuur 2.11, waarin de gemiddelde jaarlijkse groei over de laatste vijf jaar per sector is weergegeven. De groei van het aantal banen in de financiële en zakelijke diensten ligt in alle drie de provincies boven de 6% per jaar. In Friesland vormt de ontwikkeling in de landbouw en industrie een uitzondering: daar is nog sprake van een sterkere groei dan landelijk, hetgeen betekent dat die sectoren dus relatief weer iets groter worden ten opzichte van het landelijke beeld. Het gunstige groeicijfer in de landbouw is ook in Drenthe terug te vinden. Een van de achterliggende factoren is een verschuiving van o.a. varkenshouderijen vanuit het Zuiden naar NoordNederland. Het negatieve cijfer voor de Groningse landbouw houdt verband met de voortgaande uitstoot van arbeid uit de akkerbouwsectoren. Opvallend is voorts dat de werkgelegenheid bij de overheid en de zorgsectoren regionaal sterker is gestegen dan landelijk. Het negatieve cijfer voor de vervoerssector in Groningen heeft te maken met een adminstratieve wijziging in het PWR, die delen van de telecommunicatie (vooral KPN) van vervoer in 1998 naar zakelijke diensten heeft overgeheveld.

17

2.4. Arbeidsaanbod en werkloosheid Arbeidsaanbod Het arbeidsaanbod neemt in de noordelijke provincies jaarlijks met enige duizenden personen toe als gevolg van de groei van de bevolking van 15 tot 64 jaar in samenhang met de nog altijd toenemende participatiegraad. Tabel 2.4 geeft een overzicht van de belangrijkste demografische indicatoren. In de provincie Groningen neemt de bevolking vanaf 1998 weer toe na de stilstand in de jaren 1996 en 1997. De laatste twee jaar bedraagt de Groningse bevolkingstoename bijna 4000 personen, maar uit de tabel blijkt dat dit vrijwel geheel toe te schrijven is aan het toegenomen buitenlandse migratiesaldo. De natuurlijke aanwas bedraagt slechts enige honderden en wordt voor een groot deel teniet gedaan door een beperkt negatief binnenlands migratiesaldo. Het effect van de toegenomen buitenlandse migratie op de regionale arbeidsmarkt is overigens gering omdat het voor een belangrijk deel asielzoekers betreft. De potentiële beroepsbevolking van 15 tot 64 jaar neemt minder snel toe dan de totale bevolking, maar ook voor deze groep is het binnenlandse migratiesaldo in 2000 positief geworden. Door de specifieke samenstelling van het Groningse 4 migratiesaldo is het effect hiervan op het arbeidsaanbod nog wel negatief en schommelt rond de 1000 personen per jaar. In totaal groeit de Groningse beroepsbevolking momenteel met ongeveer 4000 personen per jaar. Dat is twee maal zoveel als de bevolking van 15-64 jaar omdat, zoals nog nader te bespreken, de participatiegraad sterk toeneemt. De bevolking neemt de laatste twee jaar in Friesland toe met ruim 6000 personen, waarvan net als in Groningen ruim 4000 moet worden toegeschreven aan de buitenlandse migratie. De natuurlijke aanwas blijft zeer constant op ongeveer 2000 personen per jaar. De binnenlandse migratie vertoont ook in Friesland een sterk opgaande lijn en kwam vorig jaar zelfs voor het eerst sinds 1982 weer boven de nul uit. Voor de groep van 15 tot 64 jaar vertoont de Friese migratie ongeveer dezelfde ontwikkeling en bedraagt thans nog –500 personen. Dit wordt meer dan gecompenseerd door de sterk toenemende participatiegraad, zodat de groei van de Friese beroepsbevolking momenteel ruim 5000 personen per jaar bedraagt. Ook in Drenthe zorgde de buitenlandse migratie vorig jaar voor een hogere bevolkingsgroei dan in de jaren daarvoor. De Drentse natuurlijke aanwas schommelt rond de 1000 personen per jaar. Vorig jaar nam de totale Drentse bevolking met ruim 4000 personen toe, waarvan 3000 als gevolg van het buitenlandse migratiesaldo. De negatieve binnenlandse

4

In Groningen is traditioneel sprake van een positief saldo voor eerstejaars studenten met een lage participatie, en een hoog negatief saldo voor afgestudeerden met een hoge participatie. Indien beide groepen even groot zijn is het totale migratiesaldo van beide groepen samen nul, maar is het effect op het arbeidsaanbod negatief.

18

Tabel 2.4. Bevolking, migratie en beroepsbevolking
1997 Groningen bevolking per 31-12 (x 1000) toename waarvan natuurlijke aanwas binnenlandse migratie buitenlandse migratie toename 15-64 jaar waarvan binnenlandse migratie toename beroepsbevolking* waarvan binnenlandse migratie Friesland bevolking per 31-12 (x 1000) toename waarvan natuurlijke aanwas binnenlandse migratie buitenlandse migratie toename 15-64 jaar waarvan binnenlandse migratie toename beroepsbevolking* waarvan binnenlandse migratie Drenthe bevolking per 31-12 (x 1000) toename waarvan natuurlijke aanwas binnenlandse migratie buitenlandse migratie toename 15-64 jaar waarvan binnenlandse migratie toename beroepsbevolking* waarvan binnenlandse migratie
* trendmatige ontwikkeling Bron: berekend op basis van CBS: Enquête Beroepsbevolking, Bevolkingsstatistieken Provincies: voorlopige bevolkingscijfers.

1998

1999

2000

2001

558 -100 -1500 -2000 1400 -600 -1600 4600 -1900

560 2000 900 -1800 2400 1200 -800 3000 -1700

563 2600 600 -200 2200 1500 0 2800 -1100

567 3900 300 -100 3700 2300 100 3200 -800

570 3800 400 -400 3800 -200 4300 -1200

618 3100 1800 -1200 2500 2100 -1200 5200 -700

621 3100 1800 -1800 3100 2000 -1900 5200 -1100

625 3300 1700 -1400 3000 1700 -1500 3800 -800

631 6000 2044 -100 4100 3700 -600 4200 -200

637 6300 1800 100 4400 -500 5500 -100

465 3900 1000 1200 1700 1700 100 1900 300

467 2400 1300 -500 1600 400 -1000 3100 -300

470 2700 1400 -100 1400 400 -600 3400 -100

475 4700 1000 900 2700 2500 400 3000 500

479 4400 1100 300 3000 -100 4400 0

migratie in 1998 en 1999 is de laatste twee jaar weer omgeslagen in een beperkt positief saldo, al is het saldo voor de groep van 15 tot 64 jaar in 2001 weer negatief geworden. De ook in Drenthe verder toenemende participatie leidt per saldo tot een jaarlijkse groei van het arbeidsaanbod van 3000 á 4000 personen per jaar.

19

Figuur 2.12 Migratie 1987-2001
x 1000
6

Groningen Friesland Drenthe

totale migratie

4
G F D

buitenlandse migratie

2

0

-2
G F D

binnenlandse migratie
-4 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001

De ontwikkeling van de migratie op wat langere termijn is weergeven in figuur 2.12. De buitenlandse migratie is steeds positief en neemt vanaf 1996 in alle provincies sterk toe. De binnenlandse migratie wijkt voor Drenthe sterk af van de beide andere provincies. Het Drentse saldo is lange tijd constant positief geweest terwijl Friesland en Groningen reeds vanaf 1982 te maken hebben gehad met een groeiend vertrekoverschot onder invloed van de toenmalige oplopende werkloosheid. Het Friese saldo daalde nog het meest van +4000 in 1977 tot -3000 in 1987. Drenthe behield vooral een positief saldo door een constant vestigingsoverschot in de leeftijdsgroep boven de 55 jaar, voor wie de Drentse woningmarkt een gunstige aantrekkingskracht heeft. In Groningen en Friesland betreft het vertrekoverschot vooral de groep 25-40 jaar, die meer gevoelig is voor de 5 aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt elders in het land . In de jaren 90 neemt het Groningse en Friese vertrekoverschot geleidelijk af omdat de regionale arbeidsmarkt verbetert. Vanaf 1994 houdt de daling van de werkloosheid in deze provincies echter geen gelijke tred met de sterke landelijke daling, waardoor de saldi weer afnemen. Dit is echter een tijdelijk effect. In de meest recente jaren neemt het vertrek5

Modelberekeningen tonen aan dat de regionale werkloosheidscomponent en het regionale aandeel in het landelijk aantal gereedgekomen woningen in belangrijke mate van invloed zijn op de fluctuaties in het migratiesaldo van de noordelijke provincies.

20

overschot weer verder af door de ook regionaal sterk teruglopende werkloosheid, maar voor Groningen en Friesland is nog altijd geen sprake van een binnenlands vestigingsoverschot. Participatie Onder invloed van de gunstige conjunctuur en de krappe arbeidsmarkt blijft de arbeidsmarktparticipatie van vooral vrouwen toenemen, ook in de noordelijke regio. Tabel 2.5 toont de ontwikkeling van de participatiegraad over de laatste vijf jaar naar geslacht en verschillende leeftijdsgroepen. Het betreft 3-jaars voortschrijdende gemiddelden aangezien de participatiegegevens door de beperkte statistische nauwkeurigheid van de EBB-cijfers op provinciaal niveau jaarlijks soms onwaarschijnlijke fluctuaties vertonen.
Tabel 2.5. Participatie naar leeftijd en geslacht
% van de bevolking van 15-64 jaar

leeftijd
Mannen gemiddelde 1998-2000 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 totaal 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 totaal 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64* totaal 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64* totaal

Groningen
40.7 91.7 91.7 87.0 46.3 74.3 2.0 4.0 0.7 2.0 9.7 4.3 38.0 72.3 65.3 50.0 51.3 5.0 5.3 12.3 9.3 8.3

Friesland
47.0 94.0 93.0 88.0 46.3 76.3 1.3 0.7 1.3 3.0 9.3 3.0 40.0 71.3 59.7 46.3 49.0 -1.0 12.3 13.3 10.0 8.3

Drenthe Nederland
50.0 96.0 93.7 90.7 43.0 77.7 4.0 1.0 -1.0 4.3 4.7 2.3 46.7 73.0 59.7 50.7 51.0 0.0 9.0 6.0 11.0 5.7 48.7 94.0 94.7 90.0 46.3 78.7 2.4 1.2 0.8 1.8 6.6 2.9 44.7 73.7 63.7 53.3 54.0 0.7 7.6 7.7 8.9 6.2

toename 1994-2000

Vrouwen gemiddelde 1998-2000

toename 1994-2000

* regionaal niet beschikbaar Bron: CBS, voortschrijdende gemiddelden op basis van EBB-gegevens

21

De participatie van jongeren ligt in Groningen relatief laag vanwege het grote aantal studerenden. Bij de mannen ligt de participatiegraad in Friesland en Drenthe nu vrijwel op het landelijke niveau. Opvallend is de groei in de groep van 45 jaar en ouder in Groningen en Friesland, hetgeen mogelijkerwijs duidt op toegenomen herintreding vanuit de WAO. Van groter belang is de groeiende participatie van vrouwen. Landelijk nam de vrouwelijke deelname aan de arbeidsmarkt de afgelopen vijf jaar toe met 6,2% en in Groningen en Friesland zelfs met 8,3%. In Drenthe is in de oudere leeftijdsgroepen ook sprake van een flinke stijging, maar de participatie in de jongste leeftijdsgroep blijft gelijk. De structurele achterstand van de noordelijke provincies op dit punt laat echter nog ruimte voor verdere groei. Ondanks de sterke stijging van de afgelopen jaren ligt de vrouwelijke participatiegraad in Friesland met 49% nog 5 %-punt onder het landelijke niveau van 54%. Groningen en Drenthe hebben elk nog een achterstand van circa 3 procentpunt. Werkloosheid De werkloosheid is de laatste jaren sterk gedaald en beweegt zich landelijk thans op het niveau van de frictiewerkloosheid. De geregistreerde werkloosheid (GWL) was landelijk in 1998 al fors gedaald tot 287.000 in 1998 en halveerde nog eens tot 136.000 eind 2001. Het betreft personen die bij een arbeidsbureau staan ingeschreven, niet of minder dan twaalf uur per week werken en binnen twee weken beschikbaar zijn voor een baan van meer dan twaalf uur. Uitgedrukt in % van de beroepsbevolking bedroeg de GWL werkloosheid landelijk in 2001 2,3% tegenover nog 4,2% in 1998 (zie tabel 2.6). In Groningen en Friesland verloopt de werkloosheidsdaling sneller, vooral in 2001. Met resp. 4,1% en 3,1% is de werkloosheid in deze provincies sinds 1998 vrijwel gehalveerd. Opvallend is dat Friesland daarmee op een lager werkloosheidsniveau is gekomen dan Drenthe. De Drentse werkloosheid was altijd lager dan in de rest van het Noorden, maar is minder snel teruggelopen tot 3,3% in 2001. De werkloze beroepsbevolking (WLB) is een internationaal meer gangbare maatstaf. Deze bestaat eveneens uit personen die actief naar werk zoeken voor 12 uur of meer per week, maar niet noodzakelijkerwijs bij een arbeidsbureau staan ingeschreven. Ook de WLB nam aanzienlijk af van landelijk 348.000 in 1998 tot 248.000 in 2001. Het WLB percentage ligt door de ruimere definitie hoger dan de GWL en daalt ook geleidelijker: landelijk van 5,2% naar 3,6%. Volgens het WLB cijfer lag de Friese werkloosheid al langer onder het Drentse niveau en dit effect verstrekt zich in 2001. Volgens de WLB bedraagt de regionale component voor Friesland thans nog maar 1%-punt tegenover 2,4 voor Groningen en 2,0 voor Drenthe.

22

Tabel 2.6 Werkloosheid volgens verschillende definities
% van de beroepsbevolking

Groningen
geregistreerde werkloosheid (GWL) 1998 1999 2000 2001 regionale component GWL 1998 1999 2000 2001 werkloze beroepsbevolking (WLB) 1998 1999 2000 2001 regionale component WLB 1998 1999 2000 2001

Friesland

Drenthe

Noorden

Nederland

8.0 6.2 5.4 4.1 3.8 3.0 2.8 1.8

5.8 4.6 4.2 3.1 1.6 1.3 1.6 0.8

4.7 4.4 4.3 3.3 0.5 1.1 1.7 1.0

6.3 5.1 4.6 3.5 2.1 1.8 2.0 1.2

4.2 3.3 2.6 2.3

8.3 6.9 6.4 5.9 3.1 2.6 2.5 2.4

6.6 5.6 5.1 4.6 1.5 1.4 1.2 1.0

6.6 6.0 6.0 5.6 1.5 1.8 2.1 2.0

7.2 6.2 5.8 5.3 2.0 2.0 2.1 1.8

5.2 4.2 3.7 3.6

niet-werkende werkzoekenden (NWW) 1998 16.2 1999 13.6 2000 10.9 2001 10.6 regionale component NWW 1998 6.8 1999 5.8 2000 4.0 2001 3.9

12.9 10.5 8.8 8.7 3.6 2.7 2.0 2.0

11.4 9.5 7.8 8.1 2.0 1.7 0.9 1.4

13.6 11.3 9.2 9.2 4.3 3.5 2.4 2.5

9.4 7.8 6.9 6.7

GWL en WLB betreffen voortschrijdende 3-jaarsgemiddelden, NWW betreft ultimocijfers ramingen cursief Bron: CBS en CWI Noord-Nederland

Het derde werkloosheidscijfer, de niet-werkende werkzoekenden (NWW), betreft personen die bij een arbeidsbureau staan ingeschreven en werk zoeken volgens de administratie van het CWI. Deze bestanden zijn niet ontworpen voor statistische doeleinden, maar worden in de praktijk toch veel gebruikt omdat ze zeer gedetailleerd beschikbaar zijn naar bijvoorbeeld leeftijd, opleiding en gemeente. Een nadeel is dat het NWW- bestand ‘vervuild’ is in die zin dat niet elke ingeschrevene die een baan heeft gevonden zich ook daadwerkelijk uit het bestand laat uitschrijven. De omvang van het nationale NWW-bestand bedroeg eind 2001 488.000 personen, ruim 200.000 meer dan volgens de twee andere definities.

23

Opvallend is dat de NWW werkloosheid eveneens sinds 1998 sterk is teruggelopen, maar in 2001 nauwelijks verder afneemt, zowel landelijk als regionaal. In Drenthe is zelfs sprake van een lichte stijging. Ten opzichte van 1998 neemt de Groningse NWW het meest af van 16,2% in 1998 tot 10,6% in 2001. Friesland volgt op de tweede plaats met een daling van 12,9% naar 8,7%. De regionale component is voor Drenthe het laagst met 1,4 procentpunt in 2001, maar ligt wel iets hoger dan enige jaren geleden. Tenslotte is de WLB-werkloosheid over een langere periode weergegeven in figuur 2.13. Opvallend is dat rond 1993, na de eerste jaren van snelle economische groei begin jaren 90, de onderlinge verschillen tussen de drie provincies minimaal waren. Daarna is de Groningse werkloosheid weer evenveel boven het Friese niveau uitgekomen als voorheen. De Drentse werkloosheid daalt na 1995 snel, maar daarna veel langzamer en komt de laatste jaren boven het Friese niveau te liggen. Voor het Noorden als geheel verandert er opmerkelijk weinig: sinds 1988 ligt de noordelijke werkloosheid zeer constant 2%-punten boven het landelijk gemiddelde. Figuur 2.13 Werkloosheid 1988-2001
Werkloze beroepsbevolking in %; 3-jaars voortschrijdend gemiddelde
15

Groningen
Groningen
Friesland

Friesland

Drenthe

Noorden

10
Drenthe

%

Nederland

5
regionale component

0

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

24

25

Figuur 3.1 Bevolkingsontwikkeling naar gemeenten 1992-2002

Standcijfers per 1 januari

26
Mutaties in procenten van de bevolking 2001 Positief geboorte-overschot Positief migratiesaldo Negatief geboorte-overschot Negatief migratiesaldo

Bevolkingsgroei in procenten

< -4%

-4 - -2%

-2 - 0%

0 - 2%

2 - 4%

4 - 6%

6 - 8%

8 - 10%

> 10%

3. Ontwikkelingen op gemeenteniveau De economische gegevens, zoals die in het vorige hoofdstuk zijn besproken, zijn op provinciaal niveau al in beperkte mate beschikbaar vergeleken met de landelijke indicatoren. Dat geldt nog in sterkere mate voor de economische ontwikkeling naar individuele gemeenten, die slechts met globale indicaties in kaart kan worden gebracht. Wij beperken ons hier tot de twee belangrijkste: de bevolking en de werkgelegenheid. Vanwege de kleine ruimtelijke schaal kunnen soms van jaar op jaar sterke fluctuaties optreden, b.v. in de werkgelegenheid door de verhuizing van één enkel bedrijf, of verplaatsing van de registratie van het aantal banen naar een andere vestiging of kantoor in een andere gemeente. Om die redenen beperkt dit overzicht zich tot een weergave van de ontwikkeling van de 6 werkgelegenheid en de bevolking, gemiddeld over de laatste tien jaar . Figuur 3.1 toont de gemeentelijke bevolkingsgroei over de periode 1992-2002 (cijfers per 1 januari), uitgesplitst naar natuurlijke aanwas en migratiesaldo. Voor de provincie Drenthe zijn de gegevens teruggaand tot 1992 herberekend op basis van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1998. Wat direct opvalt is dat er in de periferie langs de noordkust en in noord-oost Groningen een aantal gemeenten zijn, waar helemaal geen sprake is van enige bevolkingsgroei. In de gemeenten Ferweradeel, De Marne, Reiderland, Loppersum en Appingedam is de bevolking sinds 1992 met 0,5% á 1% gedaald en in Delfzijl als uitschieter zelfs met meer dan 8%. Landinwaarts valt nog Hoogezand (-2%) Winschoten (-2%) en Bolsward (3%) op. De groeiende gemeenten bevinden zich vooral in het Zuid-Westen. Uitzonderingen zijn de snelst groeiende gemeente Assen (15%) en Leeuwarderadeel (11%). Het Zuidelijk Westerkartier heeft met Marum (11%), Leek (9%) en Grootegast (8%) eveneens een snelle bevolkingsgroei. Op de kaart zijn de natuurlijke aanwas en het migratiesaldo beiden uitgedrukt in percentages van de bevolking. Opvallend is dat de Friese gemeenten over het algemeen een hogere natuurlijke aanwas hebben dan in Drenthe. De snel groeiende Drentse gemeenten hebben hun groei voornamelijk te danken aan een positief migratiesaldo. In de krimpende gemeenten langs de kust en in Groningen is het negatieve migratiesaldo de belangrijkste oorzaak. Een negatief geboorte-overschot is te vinden in Sneek, Haren, Appingedam en de vier meest oostelijke Groningse gemeenten Winschoten, Reiderland, Bellingwedde en Vlagtwedde. De meest krimpende gemeente Delfzijl heeft echter nog wel een positief geboorteoverschot . De Waddeneilanden, tenslotte, hebben allen zowel een positief geboorte-overschot als een postief migratiesaldo.

6

In bijlage D is een overzichtskaart met de gemeentenamen opgenomen.

27

Figuur 3.2 Werkgelegenheidsontwikkeling naar gemeenten 1991-2001

28

0 - 0.7%

0 - 1.5%

1,5 - 2 %

2 - 2,5 %

2,5 - 3 %

KOMPAS kernzones Aandeel in totale noordelijke werkgelegenheid 2001

3 - 4,5 %

> 4,5 %

Figuur 3.2 toont de werkgelegenheidsontwikkeling over de periode 19912001 naar gemeente in banen van 12 uur of meer per week volgens de PWR. Omwille van de onderlinge vergelijkbaarheid en de gemeentelijke herindeling van Drenthe betreft het hier de totale werkgelegenheid inclusief uitzendkrachten, maar exclusief de agrarische werkgelegenheid. Evenals bij de bevolking hebben de noord-oostelijk gemeenten rond Delfzijl inclusief Winschoten en de beide Pekela’s een lage werkgelegenheidsgroei. Elders vallen de lage groeicijfers op voor de kustgemeenten in de Westergo-zone Harlingen en Franekeradeel, en vooral voor Marum, dat juist een hoge bevolkingsgroei in figuur 3.1 laat zien. In de meeste Groningse gemeenten is de werkgelegenheidsgroei overigens gunstiger dan de bevolkingsgroei. Anderzijds is de groei in de meeste Drentse gemeenten relatief bescheiden vergeleken met hun bevolkingsgroei. De positieve uitschieters Bedum (8%), Slochteren (5%) en Westerveld (5%) zijn relatief van weinig belang, hetgeen aan de staafdiagrammen kan worden afgelezen. Deze geven de omvang van de gemeenten aan als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen in het Noorden. Over het algemeen valt op dat veel kleinere gemeenten sneller groeien dan de grote kernen. Alleen Assen is een uitzondering. De rode gebieden betreffen de kernzones volgens het regionale beleidsprogramma KOMPAS, dat gericht is op een concentratie van de economische ontwikkeling in Harlingen - Leeuwarden (1), Heerenveen – Sneek - Drachten (2), Groningen - Leek - Assen - Veendam - Winschoten (3), Eemshaven - Delfzijl (4) en Meppel - Hoogeveen – Emmen (5). Het beeld dat uit figuur 3.2 naar vorig komt is in dit perspectief erg diffuus. Vooralsnog treden tal van gemeenten naar voren met gunstige werkgelegenheidscijfers, die niet tot deze kernzones behoren. Gemiddeld scoren 2 van de 5 kernzones boven het noordelijk gemiddelde (zie tabel 3.1). De vanuit beleidsoogpunt gewenste concentratie in de kernzones zal dus nog een extra inspanning vereisen.
Tabel 3.1. Werkgelegenheidsgroei naar kernzones 1991-2001
% gemiddelde jaarlijkse groei banen >12 uur per week exclusief landbouw 1. Westergo 2. Sneek-Heerenveen-Drachten 3. Leek-Groningen-Assen-Veendam 4. Delfzijl e.o. 5. Meppel-Hoogeveen-Emmen Noorden 1.7 3.0 2.4 0.3 1.9 2.2

29

4.

DE VERWACHTINGEN VOOR 2002

4.1. Productie en werkgelegenheid Ten opzichte van eerdere ramingen zijn de verwachtingen voor 2002-2003 in het Centraal Economisch Plan 2002 (CEP) nog in belangrijke mate naar beneden bijgesteld. De thans geraamde groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) bedraagt 1,1% voor dit jaar en 1,5% voor 2002 tegenover de 2% voor beide jaren waar in september vorig jaar nog van werd uitgegaan. De nieuwste CBS-cijfers laten overigens zien dat het groeitempo in het derde kwartaal van 2001 zelfs tot 0.8% is teruggelopen.
Tabel 4.1. Nationale kernvariabelen 2001-2003
volume-mutaties in % tov het voorafgaande jaar

2001
consumptie gezinnen investeringen in vaste activa bedrijven woningen overheid export goederen (excl energie) diensten productie (BBP) banen > 12 uur idem absolute mutatie werkloosheid (% WLB)
Bron: CEP 20002

2002
2.8 -0.5 -0.5 -1.0 0.3 2.5 2.0 2.3 1.5 0.5 41 000 3.8

2003
2.8 4.5 3.3 2.0 4.0 6.0 6.5 5.3 2.5 0.5 30 000 4.5

1.2 -1.3 -2.3 -0.7 4.6 1.3 0.9 0.8 1.1 1.9 136 000 3.3

Tabel 4.1 geeft aan dat vooral de export is teruggezakt tot een zeer bescheiden groei van 1,3% in 2001. De CEP ramingen zijn echter nogal optimistisch over een spoedig exportherstel naar 2,5% in 2002 en zelfs 6% in 2003. Vorig jaar was het vooral de overheid, die met een toename van de investeringen van 4,6% nog de belangrijkste bijdrage aan de economische groei heeft gegeven. De consumptieve bestedingen zijn ook veel minder toegenomen dan verwacht, o.a. doordat de met de belastingherziening van 2001 voorziene koopkrachtverbetering nauwelijks tot extra bestedingen heeft geleid. In plaats daarvan zijn juist de besparingen op peil gebracht en de schulden verminderd. Niettemin wordt voor 2002 en 2003 weer een hoger groeicijder van 2,8% verwacht. De bedrijfsinvesteringen nemen ook in 2002 nog af, maar zullen naar verwachting in 2003 weer met 4,5% toenemen. 30

Voor de arbeidsmarkt heeft dit alles tot gevolg dat de werkgelegenheidsgroei ver achterblijft bij de meer dan 150.000 banen, die de afgelopen periode jaarlijks werden gerealiseerd. Deze ontwikkeling verloopt overigens met enige vertraging: het herstel van de groei van het BBP in 2003 komt nog niet tot uiting in extra werkgelegenheidsgroei en de 1.9% toename in 2001 houdt nog in belangrijke mate verband met de economische groei in 2000. Aangezien het arbeidsaanbod jaarlijks met ongeveer 100.000 personen toeneeemt moet rekening gehouden worden met een stijging van de werkloosheid van 3,3% in 2001 tot 4,5% in 2003. Daarmee blijft het werkloosheidsniveau volgens het CBP overigens ook in 2003 nog altijd onder het frictieniveau. De arbeidsmarkt blijft dus krap, zij het minder krap dan in de afgelopen jaren. De vertaling van de nationale kerncijfers naar de drie noordelijke provincies vindt voor de REV zoals gebruikelijk plaats met behulp van biregionale input-outputtabellen voor Groningen, Friesland en Drenthe 7 afzonderlijk . Uitgangspunt daarbij is dat de uiteindelijke economische groei per regio wordt bepaald door de structuur van de bestedingen in de regio zelf en de effecten die de economische groei elders in het land heeft op de ontwikkeling in het Noorden vanwege toeleveringseffecten. De regionale bestedingen zijn voor zover mogelijk naar goederensoorten gespecificeerd, zoals bij de export en de consumptie van huishoudens, en naar type van investeringsgoederen. Daarnaast wordt rekening gehouden met regionale ontwikkelingscomponenten die op langere termijn zichtbaar zijn. Een belangrijke factor is dat het noordelijke bedrijfsleven minder naar het buitenland exporteert dan landelijk, maar dat dit verschil afneemt (zie ook figuur 2.3 en 2.5). Deze trendmatige ontwikkeling leidt tot een geraamde extra groei van de noordelijke export van ongeveer een kwart procent per jaar ten opzichte van de landelijke groei. De bedrijfsinvesteringen groeien sinds 1990 in Groningen en Friesland iets sneller dan landelijk. De cijfers zijn alleen in lopende prijzen beschikbaar dus moet een nationaal gedefleerde regionale component voorzichtig worden gehanteerd. Voor de regionale ramingen wordt thans uitgegaan van een extra groei van een kwart procent voor Groningen en Friesland. De regionale groei van de investeringen in woningen kan worden benaderd met recente cijfers over gereedgekomen nieuwbouwwoningen. Het noordelijke aandeel in het totale aantal landelijk gereedgekomen woningen vertoont jaarlijkse fluctuaties, maar ligt met name in Groningen en Friesland thans structureel hoger dan eind jaren tachtig (figuur 4.1). Een extrapolatie van de lange termijn trend leid tot een lichte verdere toename voor Groningen en Friesland. Voor dit jaar is op basis hiervan aangenomen dat de investeringen in woningen in Groningen en Friesland ongeveer een half procent meer toenemen dan landelijk. Voor Drenthe is uitgegaan van het landelijke cijfer.

7

RuG/CBS (1999), Regionale Samenhang in Nederland: Bi-regionale input-output tabellen en aanbod-en gebruiktabellen voor de 12 provincies en de twee mainportregio’s. Groningen: Stichting Ruimtelijke Economie Groningen, publ. nr 20.

31

Figuur 4.1 Regionaal aandeel woningbouw
% van landelijk totaal gereedgekomen nieuwbouwwoningen
4.5%

4.0%

3.5%

3.0%

2.5%

* extrapolatie

2.0%

1988 1999 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002* 2003* Groningen Friesland Drenthe

Bron: CBS

Voor de consumptieve bestedingen geldt dat deze in de regio mede 8 worden beïnvloed door het geraamde migratiesaldo , dat in de volgende paragraaf wordt besproken. Het verwachte positieve saldo in alle drie de provincies leidt tot een opwaartse bijstelling van de consumptieve bestedingen. Voor de overheidsinvesteringen tenslotte zijn geen aanvullende regionale veronderstelingen gehanteerd. Tabel 4.2 toont het eindresultaat van de regionale verdeling van de nationale bestedingsontwikkeling voor 2002, aangevuld met de genoemde regionale componenten. Deze componenten zijn niet direct uit het eindresultaat af te lezen omdat ook nog rekening is gehouden met de weging naar type goederen. Zo zal bijvoorbeeld naar verwachting de export van voedingsmiddelen afnemen en van de chemie toenemen. Dit heeft respectievelijk negatieve gevolgen voor Friesland en positieve gevolgen voor Drenthe.

8

Een afname van het migratiesaldo van b.v. 1000 personen leidt via lagere bestedingen in de noordelijke regio uiteindelijk tot een verlies van circa 160 arbeidsplaatsen. Zie J. van Dijk & J. Oosterhaven, “Regional Impacts of Migrants’ Expenditures: An Input-Output/Vacancy Chain Approach”, in : P.W.J. Batey & M. Madden(eds), Integrated Analysis of Regional Systems, Londen: Pion, 1986.

32

Tabel 4.2. De regionale bestedingen in 2002
% volume-mutaties

Groningen Friesland
consumptie investeringen bedrijven overheid woningen export goederen exclusief energie diensten 3.0 -0.2 -1.0 0.7 2.3 2.5 3.1 -0.2 -1.0 0.8 2.2 2.6

Drenthe
3.0 -0.4 -1.0 0.3 2.5 2.4

Nederland
2.8 -0.5 -1.0 0.3 2.0 2.3

Een vertaling van de bestedingsontwikkeling naar de regionale werkgelegenheid met behulp van het input-outmodel dient nog op een belangrijk punt te worden aangevuld. De totale landelijke werkgelegenheidsgroei van 0,5% in 2002 wordt sterk beïnvloed door een verwachte groei van het aantal banen in de zorgsectoren met 2,8%. De werkgelegenheid in de zorg staat vrijwel los van marktontwikkelingen en wordt grotendeels bepaald door beleidsmaatregelen. Dit groeicijfer is zonder nadere regionale veronderstellingen ook toegepast op de zorgsector in het Noorden.

Tabel 4.3. Werkgelegenheid in aantal banen in 2002
% mutaties

Groningen
totaal banen > 12 uur absolute mutatie 1.2

Friesland
1.3

Drenthe
0.9

Nederland
0.5

2 600

3 000

1 600

41 000

Tabel 4.3 toont de uiteindelijke groei van de werkgelegenheid per provincie, uitgaande van de landelijke ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit naar bedrijfstak. Voorts is rekening gehouden met de aanname van het CPB dat in 2002 geen substantiële toe- of afname van het 9 werken in deeltijd zal optreden . De groeivertraging treedt in 20002 in het Noorden nog slechts gedeeltelijk op. De werkgelegenheidsgroei loopt terug, maar nog niet zoveel als landelijk. Groningen en Friesland blijven ruim
9

De verhouding personen arbeidsjaren ligt volgens het CEP 2002 al sinds 1995 constant op 126.

33

0,7%-punt en Drenthe 0,5%-punt boven het landelijke cijfer. In totaal bedraagt de groei van de werkgelegenheid in Groningen in 2002 2600, in Friesland 3500 en in Drenthe 1600 banen. Hiervan wordt veruit het grootste deel in de dienstensectoren gerealiseerd. De werkgelegenheid in de landbouw en industrie neemt landelijk af, maar blijft in het Noorden in 2002 ongeveer gelijk. 4.2. Arbeidsaanbod en werkloosheid De beroepsbevolking blijft toenemen maar niet of nauwelijks meer door de natuurlijke aanwas van de potentiële beroepsbevolking van 15-64 jaar. De demografische component is zelfs negatief en komt in Groningen en Friesland alleen nog boven de nul uit als gevolg van het positieve buitenlandse migratiesaldo. Landelijk wordt uitgegaan van een demografische groei van het arbeidsaanbod van slechts 10.000 personen (zie tabel 4.4).
Tabel 4.4. Regionaal arbeidsaanbod in 2002
mutaties tov 2001

Groningen
demografie* participatie beleidsmaatregelen migratie totaal % groei *inclusief buitenlandse migratie 1 000 2 500 1 000 -400 4 100 1.7

Friesland
400 3 100 800 0 4 300 1.6

Drenthe
-300 2 400 700 0 2 800 1.4

Nederland
10 000 45 000 28 000

83 000 1.1

Het grootste deel van de groei van het arbeidsaanbod wordt bepaald door de voortgaande stijging van de participatiegraad van vrouwen. Dit effect leidt landelijk tot een extra arbeidsaanbod van 45.000 personen in 2002. Relatief ligt dit cijfer in de noordelijke provincies nog iets hoger omdat met name in Groningen en Friesland de vrouwelijke participatiegraad sneller toeneemt dan landelijk (zie ook paragraaf 2.4). Voorts rekent het CPB landelijk met een extra arbeidsaanbod van bijna 30.000 personen als gevolg van herintredingsmaatregelen bij de WAO en de bijstandswet, en voortkomend uit het nieuwe belastingstelsel, dat o.a een positief effect heeft op het arbeidsaanbod van werkende partners. Deze beleidsmaatregelen zijn regionaal vertaald naar rato van het aantal uitkeringsgerechtigden in de bijstand en de WAO en komt per provincie neer op een extra aanbod van circa 1000 personen.

34

Tenslotte dient per regio nog een aanvullende raming te worden gemaakt van de arbeidsaanbodeffecten van de te verwachten binnenlandse migratie. Uit tabel 4.5 blijkt dat met name voor Groningen en Friesland in 2002 weer een positief migratiesaldo wordt verwacht voor de voor de arbeidsmarkt relevante leeftijdsgroep van 15 tot 64 jaar. Dit hangt samen met de dalende werkloosheid en de opgaande trend in het aantal nieuwbouwwoningen (zie ook figuur 4.1). Vanwege de samenstelling naar leeftijd van dit migratiesaldo is het uiteindelijke effect op het arbeidsaanbod beperkt, en blijft in Groningen ook bij een postief saldo van 400 nog negatief (zie ook paragraaf 2.4). Het migratie-effect is in de beide andere provincies nagenoeg nul.

Tabel 4.5. Binnenlands migratiesaldo en arbeidsaanbod 1999-2002
*raming 1999 Groningen 0-99 15-64 arbeidsaanbod effect Friesland 0-99 15-64 arbeidsaanbod effect Drenthe 0-99 15-64 arbeidsaanbod effect -200 27 -1100 -80 78 -800 -432 -211 -1200 300 400 -400 2000 2001 2002*

1448 -1462 -800

-146 -630 -200

75 -472 -100

400 200 0

-81 -622 -100

942 383 500

345 -75 0

300 0 0

In totaal bedraagt de verwachte toename van het arbeidsaanbod in 2002 4100 personen in Groningen, 4300 in Friesland en 2800 in Drenthe. In de groeipercentages wordt duidelijk zichtbaar dat vooral door het participatie-effect de regionale beroepsbevolking ongeveer een half procentpunt sneller toeneemt dan landelijk. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de regionale arbeidsmarkt omdat het betekent dat er regionaal ook meer extra werkgelegenheid nodig is om dit extra aanbod op te kunnen vangen.

35

Tabel 4.6. De regionale arbeidsmarkt in 2002
toename tov 2002 Groningen werkgelegenheid % groei beroepsbevolking % groei werkloosheid (WLB) idem nivo 2001 2002 idem in % 2001 2002 regionale component 2001 2002 2 600 1.2 4 100 1.7 1 500 14.7 16.2 5.9 6.4 2.6 2.6 Friesland 3 000 1.3 4 300 1.6 1 300 12.3 13.6 4.6 5.0 1.3 1.2 Drenthe 1 600 0.9 2 800 1.4 1 200 11.3 12.5 5.6 6.1 2.3 2.3 Nederland 41 000 0.5 83 000 1.1 42 000 248 000 290 000 3.3 3.8

Dit blijkt uit tabel 4.6 waarin de werkloosheidsontwikkeling voor 2002 wordt weergegeven, die voortvloeit uit de geraamde groei van het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid. Wat voor het Noorden meteen opvalt is dat de regionaal snellere groei van zowel de werkgelegenheid als de beroepsbevolking elkaar precies in evenwicht houden. Per saldo neemt als gevolg hiervan de werkloosheid in dezelfde mate toe als landelijk. Hierdoor blijft de regionale component in alle drie de provincies vrijwel gelijk. Het is te verwachten dat de trendmatige groei van de regionale participatiegraad nog wel enige tijd aan zal houden. Dit betekent dat de werkgelegenheidsgroei nog een aantal jaren boven het landelijk gemiddelde uit zal moeten gaan totdat het verschil met het landelijke participatieniveau is verdwenen. Pas dan zal de regionale component structureel kunnen afnemen.

36

Bijlage A. Kerngegevens arbeidsmarkt Groningen
x 1000

1998 558.0 383.8 1103 2402 -1299 -767 237.0 145.2 91.8 217.7 204.5 133.8 70.6 19.7 8.3

1999 560.0 385.0 1990 2190 -200 27 241.0 147.7 93.3 224.3 209.6 136.2 73.4 16.7 6.9

2000 562.6 386.6 3592 3672 -80 78 242.0 147.6 94.4 226.5 212.8 137.0 75.9 15.5 6.4

2001 566.5 388.9 3417 3849 -432 -211 246.3 149.4 96.9 230.5 217.1 138.4 78.6 14.7 5.9

2002 570.3 391.5

bevolking per 1-1 w.v. 15-64 jaar migratiesaldo w.v. buitenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo 15-64 jaar beroepsbevolking w.v. mannen vrouwen werkzame beroepsbevolking werkgelegenheid (>15 uur) w.v. mannen vrouwen werkloosheid (WLB) werkloosheid (WLB) in %

300 400 250.4 150.3 100.1 219.7 140.0 79.7 16.2 6.4

37

Bijlage B. Kerngegevens arbeidsmarkt Friesland
x 1000

1998 618.1 412.5 1846 3145 -1820 -1876 256.7 162.2 94.4 239.3 197.5 132.4 65.0 17.0 6.6

1999 621.2 414.5 1528 2928 -1400 -1462 260.0 163.0 97.0 245.3 203.9 135.9 68.0 14.7 5.6

2000 624.5 416.2 3956 4102 -146 -630 263.0 163.5 99.5 249.5 207.8 137.5 70.3 13.5 5.1

2001 630.5 419.9 4471 4396 75 -472 268.5 165.7 102.8 254.7 217.5 142.2 75.3 12.3 4.6

2002 636.8 424.0

bevolking per 1-1 w.v. 15-64 jaar migratiesaldo w.v. buitenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo 15-64 jaar beroepsbevolking w.v. mannen vrouwen werkzame beroepsbevolking werkgelegenheid (>15 uur) w.v. mannen vrouwen werkloosheid (WLB) werkloosheid (WLB) in %

400 200 272.8 165.7 107.1 220.5 144.0 76.5 13.6 5.0

38

Bijlage C. Kerngegevens Drenthe
x 1000

1998 464.7 309.6 -185 1635 -471 -950 196.7 123.7 72.9 183.3 148.1 97.2 50.9 13.0 6.6

1999 467.1 310.1 1354 1435 -81 -622 199.0 122.7 76.3 186.7 154.7 99.9 54.8 12.0 6.0

2000 469.8 310.5 3656 2714 942 383 200.0 122.2 77.8 188.0 162.8 103.0 59.8 12.0 6.0

2001 474.5 313.0 3297 2952 345 -75 204.4 123.7 80.7 192.1 166.2 103.9 62.4 11.3 5.6

2002 478.9 315.9

bevolking per 1-1 w.v. 15-64 jaar migratiesaldo w.v. buitenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo binnenlands migratiesaldo 15-64 jaar beroepsbevolking w.v. mannen vrouwen werkzame beroepsbevolking werkgelegenheid (>15 uur) w.v. mannen vrouwen werkloosheid (WLB) werkloosheid (WLB) in %

300 0 207.2 123.2 84.0 167.8 104.8 63.0 12.5 6.1

39

Bijlage D. Noordelijke gemeenten 2002

Schiermonnikoog Ameland Terschelling Ferwerderadeel Dongeradeel Eemsmond De Marne Delfzijl

Vlieland

Loppersum Appingedam Winsum Bedum Kollumerland c.a. het Bildt Dantumadeel Zuidhorn Ten Boer Leeuwarderadeel Slochteren Reiderland Achtkarspelen Groningen Franekeradeel Grootegast Scheemda Menaldumadeel Tytsjerksteradiel Leek Leeuwarden Menterwolde Harlingen Haren Marum Hoogezand-Sappemeer Winschoten Littenseradiel Smallingerland Bellingwedde Zuidlaren Wûnseradiel Veendam Noordenveld Boarnsterhim Pekela Bolsward Opsterland Sneek Stadskanaal Assen Aa en Hunze Ooststellingwerf Wymbritseradiel Vlagtwedde Skarsterlân Heerenveen Nijefurd Gaasterlân-Sleat Weststellingwerf Lemsterland Middenveld Westerveld Emmen Borger-Odoorn

Meppel

Hoogeveen De Wolden

Coevorden

40

Publicaties van de Stichting Ruimtelijke Economie Groningen 1. J. van Dijk en R.J. Stoffelsma (red.), Groningen, Friesland en Drenthe op eigen kracht naar Europa 2000? 1990. ISBN 90-73709-01-6. 2. R.J. Stoffelsma en D. Strijker (red.), De noordelijke akkerbouw: sector en regio op zoek naar een toekomst. 1991. ISBN 90-73709-03-2. 3. D. Strijker (red.) Intermodaal op welke schaal? 1994. ISBN 90-7370905-9. 4. D. Strijker, J. van Dijk en M.J. Jongsma, Vooruitzichten voor de arbeidsmarkt van de noordelijke land- en tuinbouw. 1994. ISBN 9073709-06-7. 5. F.J. Sijtsma en D. Strijker, Investeringen met ruimtelijke werking in het landelijk gebied. 1994. 2e druk 1995. ISBN 90-73709-07-5. 6. F.J. Sijtsma, Arbeidsmarktanalyse Provincie Groningen. 1995. ISBN 9073709-08-3. 7. G.J. Eding, T.M. Stelder, E.R. Vos en J. Oosterhaven, Bi-regionale interactie, nieuwe input-output tabellen voor Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel 1990. 1995. ISBN 90-73709-09-1. 8. F.J. Sijtsma en D. Strijker, Effect-analyse Ecologische Hoofdstructuur, Deel I: Hoofdrapport. 1995. ISBN 90-73709-10-5. 9. F.J. Sijtsma en D. Strijker, Effect-analyse Ecologische Hoofdstructuur, Deel II: Natuurwaarde. 1995. ISBN 90-73709-11-3. 10. G.J. Eding, T.M. Stelder en J. Oosterhaven, Structuur en Interactie; een interregionale structuurschets van Groningen, Friesland en Drenthe voor 1990. 1995. ISBN 90-73709-12-1. 11. D. Strijker en F. J. Sijtsma (red.) Meten van Natuur. 1996. ISBN 9073709-13-x. 12. F.J. Sijtsma, T. M. Stelder, J. P. Elhorst, J. Oosterhaven en D. Strijker. Ruimte te Over, Ruimte Tekort: een verkennende studie naar een efficiënter gebruik van de nationale ruimte. 1996. ISBN 90-7370912-8. 13. J.P. Elhorst (red.) Ruimte te Over, Ruimte Tekort, Woord en Weerwoord, 1996. ISBN 90-73709-15-6. 14. J. Oosterhaven, F.J. Sijtsma en J.B. Polak, Schiphol-Flevo: Een verkenning van de werkgelegenheidseffecten, 1998, ISBN 90-7370916-4. 15. J.B. Polak (red.), Differentiatie in de vervoerseconomie. 1998. ISBN 9073709-17-2. 16. J.P. Elhorst en J. Oosterhaven (red.), Transport en Welvaart: Vervoer in Vogelvlucht. 1998. ISBN 90-73709-18-0. 17. L. Broersma, M. Woolthuis en D. Strijker, Effect-Ananlyse ISP 5 AgroBusiness. 1998, ISBN 90-73709-20-7. 18. J.P. Elhorst en D. Strijker (red.), Het economisch Belang van het Vervoer. 1999, ISBN 90-73709-21-0.

41

19. G.J. Eding, J. Oosterhaven en T.M. Stelder, Clusters en Linkages in Beeld: een Toepassing op de regio’s Noord-Nederland, GrootAmsterdam/NZKG en Groot-Rijnmond.1999, ISBN 90-73709-22-9. 20. Rijksuniversiteit Groningen en Centraal Bureau voor de Statistiek, Regionale Samenhang in Nederland: Bio-regionale input-output tabellen en aanbod-en gebruiktabellen voor de 12 provincies en de twee mainporregio’s. 1999, ISBN 90-73709-23-7. 21. D. Strijker, Ruimtelijke Verschuivingen in de EU-Landbouw: 1950-1992. 2000, ISBN 90-73709-24-5. 22. J.P. Elhorst, T. Knaap, J. Oosterhaven, W.E. Romp, T.M. Stelder en E. Gerritsen, Ruimtelijk Economische Effecten van Zes Zuiderzeelijn Varianten. 2000, ISBN 90-73709-25-3. 23. J. Oosterhaven en D. Strijker (red.), Effecten Magneetzweefbaan Randstad - Noord-Nederland. 2000, ISBN 90-73709-26-1. 24. D. Strijker, J.P. Elhorst, J. Oosterhaven en A.S. Zeilstra, Kompas voor Kwaliteit. 2001. ISBN 90-73709-27-X. 25. W. E. Romp, M. J. P. M. Thissen, J. Oosterhaven en J. P. Elhorst, Indirecte Effecten Rondje Randstad: Migratie en Banen. 2001. ISBN 90-73709-28-8.

Publicaties van de Stichting REG zijn te bestellen bij: Secretariaat Ruimtelijke Economie, RuG Postbus 800 9700 AV Groningen tel: 050 - 363 3740 email: vleuten@eco.rug.nl. website: www.regroningen.nl

42