Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Opdrachtgevers: Samenwerkingsverband Noord Nederland Ministerie van Economische Zaken

ECORYS-NEI Regionale & Stedelijke Ontwikkeling Luc Boot Manfred Wienhoven Atze Verkennis

Rotterdam, 13 me i 2003

f/i8241

ECORYS-NEI Postbus 4175 3006 AD Rotterdam Watermanweg 44 3067 GG Rotterdam T 010 453 88 00 F 010 453 07 68 E netherlands@ecorys.com W www.ecorys.com K.v.K. nr. 24316726

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

3

4

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Inhoudsopgave

Voorwoord Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Achtergrond en doel 1.2 Evaluatievragen 1.3 Evaluatieproces 1.4 Kanttekeningen vooraf 2 Programma synopsis 2.1 Inleiding 2.2 Doel van het Kompas 2.3 Beleidsmix op hoofdlijnen 2.4 Maatregelen 2.5 Verdeling financiële middelen 2.6 Financiële voortgang op hoofdlijnen 3 Relevantie 3.1 Inleiding 3.2 Sociaal-economische context 3.2.1 De hoofddoelstelling van Kompas 3.2.2 Ontwikkelingen tot en met 2001 3.2.3 Toekomstverwachtingen, knelpunten en SWOT 3.3 Beoordeling relevantie maatregelen 3.3.1 Belang versus urgentie 3.3.2 Werklocaties 3.3.3 Bedrijfsgerichte maatregelen 3.3.4 Toeristische maatregelen 3.3.5 Kennisinfrastructuur 3.3.6 Arbeidsmarkt 3.3.7 Infrastructuur 3.3.8 ICT infrastructuur 3.3.9 Stedelijk leefklimaat 3.4 Relevantie Kernzonebeleid 3.5 Conclusies Relevantie 4 Effectiviteit 4.1 Inleiding
Mid Term Review Kompas voor het Noorden

7 9 25 25 25 28 28 30 30 30 31 32 35 39 40 40 41 41 44 46 50 50 50 51 57 58 59 60 61 62 63 64 67 67
5

4.2 Werklocaties 4.2.1 Financiële voortgang 4.2.2 Outputs 4.2.3 Effectiviteit 4.3 Bedrijfsgerichte maatregelen 4.3.1 Financiële voortgang 4.3.2 Outputs 4.3.3 Effectiviteit 4.4 Toeristische maatregelen 4.4.1 Financiële voortgang 4.4.2 Outputs 4.4.3 Effectiviteit 4.5 Kennisinfrastructuur 4.5.1 Financiële voortgang 4.5.2 Outputs 4.5.3 Effectiviteit 4.6 Arbeidsmarkt 4.6.1 Financiële voortgang 4.6.2 Outputs 4.6.3 Effectiviteit 4.7 Conclusies Effectivite it 5 Efficiency 5.1 Inleiding 5.2 Kostenefficiency outputs 5.3 Private hefboomwerking 5.4 Efficiency verwachte werkgelegenheidseffecten 5.5 Conclusies Efficiency 6 Uitvoering 6.1 Inleiding 6.2 Uitvoering Kompas-breed 6.3 Organisatie - en beheersstructuur EZ/Kompas 6.4 Partnerschap 6.5 Programmamarketing 6.6 Projectverwerving 6.7 Projectbeoordeling 6.8 Programma- en projectuitvoering 6.9 Monitoring en evaluatie 6.10 Conclusies Uitvoering Bijlage 1: Begrippenkader Bijlage 2: Toelichting bij bepaling economische effecten Bijlage 3: Strategiedag Bijlage 4: Overzicht geïnterviewde personen Bijlage 5: Overzicht van de in de evaluatie betrokken EZ/Kompas projecten

70 70 70 71 74 74 75 78 86 86 86 88 92 92 93 93 96 96 96 97 98 102 102 104 106 108 111 112 112 113 114 117 119 121 125 132 134 136 138 140 150 152 155

6

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Voorwoord

Dit rapport bevat de resultaten van de Mid Term Review van het Kompas voor het Noorden, het ruimte lijk-economisch ontwikkelingsprogramma 2000 t/m 2006 voor Noord-Nederland. Het is het eindresultaat van een evaluatieproces dat liep van juli 2002 tot maart 2003. De evaluatie is begeleid door een begeleidingscommissie met daarin ambtelijke vertegenwoordigers van de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe en het Ministerie van Economische Zaken. Daarnaast hebben velen binnen en buiten Noord-Nederland bijgedragen aan de totstandkoming van deze evaluatie middels deelname aan de Strategiedag, deelname aan de interviews, het beschikbaar stellen van de benodigde documentatie, het verschaffen van toelichting bij de monitoringgegevens en deelname aan discussies bij presentaties die in het kader van de evaluatie zijn gehouden. We willen allen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze evaluatie hartelijk bedanken. Wij hopen dat onze bevindingen en aanbevelingen een constructieve bijdrage zullen leveren aan een relevant, effectief, efficiënt en uitvoerbaar programma in de resterende Kompasperiode.

ECORYS-NEI Regionale en Stedelijke Ontwikkeling Rotterdam, maart 2003

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

7

8

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Samenvatting

Inleiding
Het Kompas voor het Noorden is het ruimtelijk-economisch ontwikkelingsprogramma 2000 t/m 2006 voor Noord-Nederland. Met dit programma investeren de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân, in samenwerking met lokale overheden en organisaties, de Rijksoverheid en de Europese Commissie, in de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Het Kompas is opgesteld in 1999. In 2000 is de uitvoering van het programma begonnen. Halverwege de uitvoering bestaat de behoefte aan een tussenstand die aangeeft of NoordNederland op de goede weg is om de geformuleerde doelstellingen te halen en of de ingezette strategie daar nog steeds aan bijdraagt. De Mid Term Review (MTR) verschaft inzicht in deze en daaraan gerelateerde vragen. De MTR is uitgevoerd in de periode augustus 2002 – maart 2003. Deze samenvatting bevat de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen uit de MTR.

Doel van het Kompas
De hoofddoelstelling van Kompas 2000-2006 is een bijdrage te leveren aan het inlopen van het economisch faseverschil tussen Noord-Nederland en Nederland als geheel, gemeten in termen van werkgelegenheid. Daarnaast dient Kompas bij te dragen aan het versterken van de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied. Kwantitatief is de hoofddoelstelling Kompas-breed vertaald naar 13.300 – 22.700 extra banen in de periode 2000-2006. Voor EZ/Kompas gaat het om 9.500 – 17.700 extra banen. Het gaat daarbij om structurele banen die het gevolg zijn van structurele versterkingen van de NoordNederlandse economie. De doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied zijn niet geoperationaliseerd. De Langman-afspraken die ten grondslag liggen aan het Kompas, hebben een tijdshorizon tot 2010. Het faseverschil wordt in die periode volledig ingelopen als er in Noord-Nederland 43.000 extra banen bijkomen. De Commissie Langman becijferde dat daarvoor een investeringsimpuls van 4,7 miljard euro nodig zou zijn. Kompas heeft betrekking op een kortere periode (2000-2006) en een kleinere investeringsimpuls. Het doel voor de periode 2000-2006 is mede daarom minder ambitieus.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

9

Evaluatievragen
Hoofdvraag van de MTR is of de doelstellingen van Kompas worden gehaald, of de ingezette strategie daar nog steeds aan bijdraagt en om aanbevelingen te doen voor de resterende programmaperiode. Hiertoe zijn in de MTR de relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering van de strategie beoordeeld, op basis van analyses van de sociaal-economische context, de effecten van de tot nu toe uitgevoerde projecten en de uitvoering van het programma. Onderstaand schema illustreert het verband tussen analyse, beoordeling en aanbevelingen.
Figuur 0.1 Opzet Mid Term Review Kompas voor het Noorden
Analyse sociaal-economische context Analyse economische effecten

Analyse uitvoering

Beoordeling relevantie

Beoordeling effectiviteit en efficiency

Beoordeling uitvoering

Aanbevelingen

Voor een goed begrip van wat er precies geëvalueerd wordt, is het van belang drie niveaus binnen Kompas te onderscheiden: • Kompas-breed: het volledige Kompasprogramma dat betrekking heeft op alle maatregelen en gemaakte financieringsafspraken met het Rijk. Op dit niveau beoordeelt de MTR de relevantie en uitvoering op hoofdlijnen; • EZ/Kompas: de maatregelen binnen Kompas die worden uitgevoerd door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) en die worden gecofinancierd door het Ministerie van Economische Zaken. Voor EZ/Kompas doet de MTR uitspraken over alle vier de evaluatievragen ten aanzien van relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. • EPD: de maatregelen binnen EZ/Kompas die worden gecofinancierd door de Europese Commissie in het kader van het Europese Doelstelling 2 programma. Voor het EPD doet de MTR uitspraken over alle vier de evaluatievragen ten aanzien van relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. Deze bevindingen zijn opgenomen in een aparte rapportage.

Analyse sociaal-economische context (EZ/Kompas)
Om de vorderingen van Noord-Nederland bij het inlopen van het economisch faseverschil te meten worden negen omgevingsindicatoren gemonitord. Deze indicatoren geven inzicht in de structurele veranderingen in de Noordelijke economie over een langere periode. Ze laten zien dat het faseverschil kleiner wordt, maar dat de achterstand ten opzichte van Nederland nog altijd groot is. Voor twee belangrijke indicatoren wordt de

10

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

achterstand niet kleiner: de aanwezigheid van stuwende werkgelegenheid en de mate van innovativiteit van het regionaal bedrijfsleven. Een belangrijke verandering in de sociaal-economische context is de omslag van hoogconjunctuur naar laagconjunctuur. Voor de resterende periode geldt dat daar waar de externe krachten aanvankelijk in dezelfde groeirichting werkten als het programma, dit nu omgekeerd is. Noord-Nederland moet harder groeien dan Nederland als geheel in een periode van economische neergang. Gegeven de structurele zwakheden van de NoordNederlandse economie is dit niet eenvoudig. Additionele werkgelegenheidsgroei realiseren zal daarom in de resterende Kompasperiode een zwaardere opgave zijn dan in de periode tot nu toe. De belangrijkste structurele knelpunten in het regionaal investeringsklimaat van NoordNederland liggen op het gebied van: • Marktrelaties: beperkte omvang lokale afzetmarkt, gebrek aan ondernemerschap en innovativiteit en de beperkte beschikbaarheid van lokale toeleveranciers; • Arbeidsmarkt: beperkte beschikbaarheid van goed opgeleid personeel; • Infrastructuur: slechte bereikbaarheid van buiten de regio; • Kennisinfrastructuur: beperkte aanwezigheid kennisinstituten en gebruik daarvan door het regionaal bedrijfsleven.

Analyse economische effecten (EZ/Kompas)
De financiële voortgang van EZ/Kompas bedraagt per december 2002 44% van de beschikbare EZ/Kompas middelen, inclusief IPR centraal. Er is tot nu toe voor 1,2 miljard euro aan projecten goedgekeurd, waarvan 515 miljoen euro afkomstig is van Europese, nationale, regionale en lokale overheden en 680 miljoen euro vanuit het bedrijfsleven. Gegeven dat op het moment van evalueren 40% van de Kompasperiode is verstreken, ligt de financiële voortgang op hoofdlijnen goed op schema.
Tabel 0.1 Financiële voortgang EZ/Kompas per december 2002 Totaal gecommitteerd publiek M.1 Vestigingsvoorwaarden economische kernzones 1 M.2 Versterking marktsector in Noord-Nederland M.3 Versterking arbeidsaanbod in Noord-Nederland M.4.1. Optimalisering internationale transportassen S.3 Bestaande werkgebieden S.4 Kwaliteitsimpuls binnensteden S.5 Versterking hoger onderwijs L.1 Versterking marktgerichte land- en tuinbouw L.2 Vernieuwing Landelijk gebied L.4 Toerisme en recreatie Uitv.Kosten Totaal
1

Totaal gecommitteerd privaat 210.219.189 429.621.157 6.126.007 2.893.112 9.366.694 15.829.906 2.084.119 3.514.206 679.654.390

% Uitputting EZ/Kompas 46% 57% 25% 0% 17% 24% 47% 15% 0% 20% 40% 44%

198.949.687 135.320.364 10.022.939 56.518.605 26.165.910 27.510.660 1.967.726 47.367.395 12.137.105 515.960.391

Inclusief IPR centraal; Bron: SNN UO, Ministerie van EZ; zie bijlage totaaloverzicht projecten

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

11

De verwachte omvang van de economische effecten van de tot nu toe goedgekeurde projecten uitgedrukt in werkgelegenheid schatten we in op 4.510 fte netto gecreëerde werkgelegenheid. Het betreft netto effecten. Dit houdt in dat er is gecorrigeerd voor dubbeltellingen en dat verplaatsing van werkgelegenheid binnen Noord-Nederland niet is meegeteld. Effecten die ook zonder Kompas zouden zijn gerealiseerd zijn ook buiten beschouwing gelaten, evenals projecteffecten die ten koste gaan van ontwikkelingen elders in de regio. Indirecte effecten bij toeleveranciers en afnemers zijn wel meegenomen. Overige indirecte effecten als gevolg van indirect uitgelokte investeringen en daarmee verbonden werkgelegenheid zijn niet meegenomen. Tot slot zijn ook tijdelijke werkgelegenheid en eventueel behouden werkgelegenheid buiten beschouwing gelaten.
Tabel 0.2 Samenvatting verwachte economische effecten EZ/Kompas per december 2002 Totaal netto werkgelegenheid Werklocaties Bedrijfsgericht Kennisinfrastructuur Toerisme Arbeidsmarkt Totaal 1.610 2.540 40 350 10 4.510 % Totaal netto werkgelegenheid 36% 56% 1% 8% 0% 100%

De werkgelegenheidseffecten zijn op het moment van evalueren nog niet gerealiseerd. Het gaat om verwachte effecten. Een voorwaarde voor het realiseren van deze effecten is daarom dat de goedgekeurde projecten volgens plan worden uitgevoerd. De termijn waarop de werkgelegenheidseffecten zich manifesteren, zal voor een belangrijk deel pas ruim na afloop van de programmaperiode zijn. Dit geldt met name voor voorwaardenscheppende investeringen in werklocaties, toeristische infrastructuur en kennisinfrastructuur. Kompas levert een positieve bijdrage aan een structurele versterking van de economische structuur in Noord-Nederland. De bedrijfsgerichte en voorwaardenscheppende elementen van de beleidsmix dragen hier elk op hun eigen manier aan bij. De bijdrage van de bedrijfsgerichte maatregelen manifesteert zich vooral door de positieve invloed op het knelpunt marktrelaties. De Kompasprojecten leveren een positieve bijdrage aan het versterken van het ondernemerschap in Noord-Nederland, door startersbegeleiding en door het bestaand bedrijfsleven te ondersteunen bij onder meer het verbeteren van de bedrijfsvoering, het vinden van nieuwe markten en het bevorderen van innovatie van producten en processen. De voorwaardenscheppende maatregelen dragen positief bij aan het scheppen van de randvoorwaarden waarbinnen de effecten van de bedrijfsgerichte maatregelen zich kunnen manifesteren. Met name geldt dit voor investeringen in kennisinfrastructuur die relevant zijn voor het regionaal bedrijfsleven, investeringen in versterking van het toeristisch product en investeringen in werklocaties.

12

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Beoordeling Relevantie (Kompas-breed)
Het stimuleren van stuwende bedrijvigheid loopt als een rode draad door alle maatregelen van Kompas heen, meer dan in vorige periodes van regionaal beleid in Noord-Nederland. Dit aspect van de strategie blijft onverminderd relevant. De achterblijvende economische ontwikkeling in Noord-Nederland wordt voor een belangrijk deel verklaard door het relatief lage aandeel stuwende bedrijven. Op zich is voldoende aanbod van verzorgende bedrijvigheid (lokale financiële dienstverlening, detailhandel, gezondheidszorg) een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor stuwende bedrijvigheid en daarmee ook van belang voor de economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Echter, voor verzorgende bedrijvigheid is de omvang van de lokale afzetmarkt de dominante groeifactor terwijl voor stuwende bedrijvigheid veel meer factoren een rol spelen. Verzorgende bedrijvigheid volgt daarom uiteindelijk vooral de ontwikkelingen in stuwende sectoren – naast ontwikkeling in zaken als bevolkingsomvang en koopkracht. Stimuleren van stuwende bedrijvigheid blijft daarom een effectieve en efficiënte strategie. In de huidige sociaal-economische context gaat het er daarbij vooral om het bestaande bedrijfsleven stuwender te maken. Ook de keuze voor een ruimtelijke concentratiestrategie (het kernzone-beleid) blijft relevant. Gegeven de ijle economische structuur van Noord-Nederland leveren investeringen het meeste rendement op in gebieden met de meeste economische ontwikkelingspotenties en waar agglomeratievoordelen kunnen worden gerealiseerd. Er bestaan in dat opzicht wel verschillen tussen de vijf kernzones. De Eemsmond dankt de status van kernzone vooral aan het feit dat Delfzijl één van de weinige gebieden is in Nederland waar planologisch plaats is voor de chemische industrie. Een deel van de Westergozone (het deel buiten Leeuwarden) is geen gebied met een dusdanige economische massa en een dermate gunstige ligging dat hier vanuit economisch ontwikkelingsperspectief speciale kansen liggen. Ten aanzien van de concrete maatregelen in de EZ/Kompas beleidsmix blijft het grootste deel ook in de resterende programmaperiode relevant voor de structurele economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Binnen de beleidsmix van EZ/Kompas zijn alleen investeringen in het stedelijk leefklimaat minder relevant. Het gaat dan om investeringen in centrumplannen, openbare ruimte, winkelcentra en cultuur-historisch erfgoed zonder toeristische potenties. In de hiërarchie van vestigingsfactoren of factoren die de investeringsgenei dheid van g bedrijven beïnvloeden, wegen de eerder genoemde knelpunten in het Noorden zwaarder. Stedelijke investeringen in werklocaties en investeringen die de ontwikkeling van het toerisme bevorderen blijven wel van belang. De sociaal-economische context waarbinnen het Kompas wordt uitgevoerd maakt een aantal maatregelen urgenter dan bij de aanvang van het programma. De omslag van hoogconjunctuur naar laagconjunctuur heeft negatieve invloed op de investeringsbereidheid van het bedrijfsleven, binnen Noord-Nederland en daarbuiten. De verhuisgeneigdheid van bedrijven neemt af. Economische groei zal de komende periode daarom bijna uitsluitend van het bestaande bedrijfsleven in Noord-Nederland moeten komen. De maatregelen die zich op het bestaande bedrijfsleven richten worden daarom

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

13

urgenter. Het gaat dan vooral om de IPR uitbreiding en om bedrijfsgerichte projecten die bedrijven ondersteunen bij het vinden van nieuwe markten, innovatie van producten en processen en verbetering van de bedrijfsvoering. De acties dienen gericht te zijn op structurele verlagingen van de kosten dan wel verhoging van de opbrengsten. Investeringen in kennisinfrastructuur en het gebruik daarvan door het MKB en investeringen in bedrijfshuisvesting voor kennisintensieve bedrijven worden ook urgenter, evenals arbeidsmarktmaatregelen op het gebied van vraaggerichte scholing en opleiding. Daarnaast is binnen de sociaal-economische context een aantal maatregelen minder urgent. Het gaat dan vooral om aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen en ontwikkeling van kantoorlocaties. Het belang van dergelijke investeringen staat niet ter discussie, wel de urgentie in de komende periode. Een goede fasering is nu belangrijk en de sociaal-economische context biedt mogelijkheden om investeringen in terreinen en locaties te temporiseren. De beleidsmix Kompas breed bestaat naast maatregelen die direct gericht zijn op het realiseren van de hoofddoelstelling, ook maatregelen die gericht zijn op het realiseren van de doelstellingen op het gebied van sterke steden en een leefbaar platteland. Het belang van dergelijke maatregelen, onder meer op het gebied van vernieuwing en leefbaarheid van het landelijk gebied en de stedelijke woningvoorraad, worden minder beïnvloed door de ontwikkelingen in de sociaal-economische context. Deze maatregelen blijven daarom relevant. Daarnaast bevat het Kompas brede programma een aantal maatregelen die voor de economische doelstellingen van het programma wel van direct belang zijn. Dit betreft vooral de investeringen in weginfrastructuur. Van belang voor de economische ontwikkeling van Noord-Nederland zijn met name de A28/A37 en A6/A7.

Beoordeling Effectiviteit (EZ/Kompas)
De Kompas periode is op het moment van evalueren ongeveer halverwege. Met de tot nu toe te verwachten werkgelegenheidseffecten van 4.510 fte netto gecreëerde werkgelegenheid wordt de doelstelling van 9.500 – 17.700 extra banen in 2006 nog niet gehaald, maar het programma ligt vooralsnog wel goed op koers. De effecten bij de huidige stand van uitvoering kunnen echter niet zonder meer worden geëxtrapoleerd naar een situatie van 100% gecommitteerde middelen, wat zou uitkomen op ca. 14.500 extra banen1 . De onzekere economische context waarbinnen het programma wordt uitgevoerd maakt het onzeker of alle delen van het programma volgens plan kunnen worden uitgevoerd. De laagconjunctuur werkt direct door in een verminderde investeringsbereidheid van het bestaande bedrijfsleven en van potentiële nieuwkomers. Dit heeft negatieve invloed op het gebruik van de bedrijfsgerichte maatregelen, in het
1

Het geëxtrapoleerde aantal netto banen is berekend door de gerealiseerde netto werkgelegenheid per maatregel te extrapoleren en vervolgens voor alle maatregelen op te tellen tot programmaniveau. Maatregelen met een lage committeringsgraad in december 2002 en veel verwachte werkgelegenheidseffecten tellen relatief zwaar mee. Daarom komt het getal van 14.500 hoger uit dan de rekensom 4.510 / 44% (= committeringsgraad per december 2002).

14

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

bijzonder de IPR, en op de vraag naar nieuwe werklocaties. Dit zet de mate waarin de kwantitatieve doelen worden bereikt onder druk. De werkgelegenheidsgroei neemt immers af en de mogelijkheden van het programma om dit tegen te gaan ook. De inschatting op dit moment is daarom dat het uiteindelijk aantal te realiseren extra banen laag binnen de geformuleerde bandbreedte uitkomt. Daarmee worden niettemin de kwantitatieve doelstellingen gehaald. In combinatie met de positieve effecten op economische structuurversterking is Kompas op hoofdlijnen een effectief programma. Een aspect van effectiviteit betreft de mate van additionaliteit van de gerealiseerde effecten. Welke ontwikkelingen zouden zonder Kompas niet in gang zijn gezet? Additioneel is Kompas vooral bij het in gang zetten van op zich belangrijke ontwikkelingen, die echter niet worden opgepakt wanneer urgentere, maar minder belangrijke, zaken voorrang krijgen binnen de regionale budgettaire randvoorwaarden. Additioneel in de voorwaardenscheppende sfeer zijn vooral investeringen in kennisinfrastructuur en IT infrastructuur en investeringen in de vanuit economische ontwikkeling interessante onderdelen van grootschalige projecten als het Friese Merenproject en de Blauwe Stad. Additioneel in de bedrijfsgerichte sfeer zijn vooral de IPR vestiging en projecten op het gebied van het bevorderen van economische samenwerking en het versterken van het innoverend vermogen van bestaande bedrijven. Onder de bedrijfsgerichte maatregelen vallen de regelingen en projecten op het gebied van nieuwe markten, innovatie, bedrijfsvoering en duurzaam ondernemen. Met name de regelingen en de eerste drie typen projecten zijn effectief in het licht van de werkgelegenheidsdoelstellingen van Kompas. Bedrijfsgerichte projecten zijn effectiever naarmate ze (a) zich meer richten op stuwende bedrijven, (b) bijdragen aan concrete gedragsverandering bij deelnemende bedrijven en (c) voldoende vraaggestuurd zijn. Op deze aspecten scoren de bedrijfsgerichte projecten over het algemeen goed. Stuwend zijn, of dat worden, door deelname aan regeling of project, is een rode draad in alle bedrijfsgerichte projecten. Positief uit oogpunt van effectiviteit en gedragsverandering is dat in adviesprojecten veel aandacht is voor de implementatie van adviezen. Ook de mate van vraaggestuurdheid van de bedrijfsgerichte projecten beoordelen we over het algemeen positief, ook voor projecten van (semi-)publieke organisaties als de Kamer van Koophandel of Syntens die veelal aanbodgestuurd worden gekenmerkt. Over de effectiviteit van een aantal specifieke bedrijfsgerichte maatregelen het volgende:

De effectiviteit van de IPR wordt positief beoordeeld. Ten opzichte van eerdere periodes zijn de eisen voor deelname aan de IPR verscherpt. Dit geldt zowel voor de IPR vestiging als voor de IPR uitbreiding. Het onderscheid tussen vestiging en uitbreiding, de invoering van een minimum investeringsbedrag, het verhogen van de premiepercentages en de eis van stuwendheid voor deelnemende bedrijven hebben de regeling selectiever gemaakt en de effectiviteit ervan doen toenemen. Versnippering van middelen (‘gieteren’) lijkt niet aan de orde en is in ieder geval een stuk minder dan in eerdere periodes. De komende IPR evaluatie zal dit beeld – mede op basis van gesprekken met deelnemende bedrijven – moeten verifiëren. De exportprojecten richten zich vooral op bedrijven die al exporteren of op het punt staan om dat te gaan doen. De Kompas projecten geven deze bedrijven het laatste,

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

15

nuttige, duwtje in de rug waardoor deze stuwende bedrijven nog stuwender worden. Daarachter zit echter een grotere groep bedrijven waar nog (veel) meer moet gebeuren alvorens zij exportrijp zijn. Het gaat dan om zaken op het gebied van bedrijfsvoering, kwaliteit, producten en productieprocessen. Deze bedrijven worden nog niet met Kompas bereikt. Het is daarom aan te bevelen om de toetredingsdrempel zo laag mogelijk te houden voor startende exporteerders. Daarnaast liggen er mogelijkheden om de effectiviteit te verhogen door init iatieven op het gebied van exportorganisatieadvies, exportmanagementcursussen en het uitdiepen van marktentreestrategieën.

Onder projecten die zich richten op verbeteren van de bedrijfsvoering nemen de startersprojecten een belangrijke plaats in. Een punt van aandacht is de selectie van potentieel succesvolle starters. Uit de interviews komt een beeld naar voren dat soms starters worden ondersteund die weliswaar aan de formele criteria voor deelname aan een project voldoen, maar waarover al bij voorbaat twijfels bestaan over de levensduur. Of dit een punt is waarop de effectiviteit kan verbeteren, moet blijken uit de komende evaluatie van het project Ondernemerskompas. Een uitvoeringsgerelateerd punt van aandacht dat de effectiviteit van bedrijfsgerichte projecten beïnvloedt, is het bevorderen samenwerking tussen bedrijven. Uit de gevoerde gesprekken, eerdere evaluatierapporten en een analyse van sectordoorlichtingen komt naar voren dat er groeikansen liggen als bedrijven nieuwe markten gezamenlijk betreden en gezamenlijk in product- en procesinnovatie investeren. Toch komt samenwerking tussen bedrijven nog steeds moeilijk van de grond. Ervaringen in eerdere periodes en ook met Kompas tot nu toe laten zien dat de juiste manier om dit te organiseren nog altijd niet is gevonden (zie ook onder Uitvoering). Om de innovativiteit van het bedrijfsleven te bevorderen komt uit de sectordoorlichtingen en de gevoerde gesprekken naar voren dat er behoefte bestaat aan kennisdragers (studenten, afstudeerders, recent-afgestudeerden, postdocs en promovendi) in het MKB. Naast activiteiten op het gebied van het inzichtelijk maken van het aanbod aan typen kennisdragers in de regio en afstemming tussen provincies en relevante kennisinstellingen, kan in dat verband ook worden gedacht aan een Noordelijke KIM-regeling (Kennisdragers in het MKB).

Versterken van de regionale kennisinfrastructuur is effectief als dit bijdraagt aan de innovativiteit en marktvergroting van het bestaande bedrijfsleven of spin off in de vorm van starters. Bedrijven gaat het echter vooral om bruikbare kennis, de herkomst ervan is niet belangrijk. Het programma biedt nu geen ruimte om bedrijven kennis te laten maken met de kennis van kennisinstituten buiten de regio. Door dit wel mogelijk te maken kan de effectiviteit van kennisgeoriënteerde maatregelen verder toenemen. Een tweede punt van overweging is om als regionale overheid in de rol van opdrachtgever innovatie te stimuleren, iets wat de overheid in relatie tot bijvoorbeeld beleidsonderzoek al doet. Dit verdient nadere analyse en uitwerking. Ten aanzien van toerisme wordt vastgesteld dat de tot nu toe goedgekeurde investeringen in toeristische attracties zijn over het algemeen effectief, evenals investeringen in

16

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

toeristische fiets-, wandel, -en vaarroutes als ontbrekende delen in het netwerk worden aangepakt. De effectiviteit van de investeringen in het toerisme wordt ook positief beïnvloed door de acties in het kader van Kompas om verschillende publieke en private initiatieven onder een zelfde thematische noemer te brengen. Dit draagt bij aan de herkenbaarheid van het toeristisch product van Noord-Nederland en een minder versnipperd aanbod. Investeringen in musea en het cultuur-historisch erfgoed zijn alleen effectief als ze structureel voorzien in slechtweervoorzieningen én bijdragen aan verlenging van het toeristisch verblijf in de regio. De structurele werkgelegenheidseffecten en economische spin-off plausibel te beargumenteren zijn. De omvang hiervan moet bovendien worden afgewogen ten opzichte van mogelijke alternatieven met meer of snellere economische effecten. De effectiviteit van de eenmalige culturele evenementen is in dat verband beperkt. Investeringen in openbare ruimte en infrastructuur zijn alleen effectief als er een duidelijk aantoonbaar verband is met toeristische activiteiten. De huidige set arbeidsmarktmaatregelen binnen EZ/Kompas is niet effectief. De HRMregeling is op zich nuttig, maar raakt niet de kern van de arbeidsmarktproblematiek in Noord-Nederland. Deze ligt op het gebied van bedrijfsgerichte opleidingen en aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dit is Kompas-breed het terrein van ESF 3. Gezien de achterblijvende voortgang van dat programma zijn de verwachte effecten hiervan klein. Heroverweging van wat binnen EZ/Kompas op arbeidsmarktgebied kan verdient daarom aanbeveling. Gedacht kan worden aan het combineren van arbeidsmarktmaatregelen met bedrijfsgerichte maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie en opleiding.

Beoordeling Efficiency (EZ/Kompas)
Een eerste punt van aandacht is de efficiency waarmee de outputs van het programma worden gerealiseerd (hectares, vierkante meters, km fietspad, adviestrajecten). Op basis van vergelijking met gegevens over eerdere periodes en op basis van gesprekken met het programma management, de SNN UO en individuele projectuitvoerders lijken de outputs over het algemeen efficiënt te worden gerealiseerd. Ook tijdens de verschillende stadia van projectverwerving en projectbeoordeling krijgt de efficiency waarmee de outputs worden gerealiseerd voldoende aandacht. Het programma is efficiënter naarmate het er beter in slaagt nieuwe ontwikkelingen in gang te zetten. Door het programma uitgelokte private investeringen zijn hiervan een graadmeter. De grootste private hefboomwerking komt voor rekening van de bedrijfsgerichte maatregelen, hetgeen deels ligt opgesloten in de vereiste private cofinanciering van deelnemende bedrijven. Door de lagere deadweight van de IPR in vergelijking met eerdere periodes, neemt het volume uitgelokte investeringen toe en daarmee de efficiency van de regeling. De private hefboomwerking van investeringen in werklocaties, toeristische infrastructuur en kennisinfrastructuur is relatief laag, overeenkomstig hun voorwaardenscheppende karakter. Zij dragen echter indirect en op langere termijn ook bij aan private investeringen.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

17

In het licht van efficiency is ook gekeken naar de kosten van een netto gecreëerde structurele arbeidsplaats. Deze zijn het laagst voor de bedrijfsgerichte maatregelen en werklocaties en het hoogst voor voorwaardenscheppende investeringen in kennisinfrastructuur en toeristische infrastructuur. Dit betekent niet dat het accent van het programma per definitie moet worden verschoven naar maatregelen waar de kosten per arbeidsplaats het laagst zijn. Bedrijfsgerichte maatregelen zijn bijvoorbeeld efficiënt mede dankzij hetgeen met maatregelen op het gebied van kennisinfrastructuur of toeristische infrastructuur wordt bereikt. Het gaat uiteindelijk om een efficiënte mix van maatregelen in het programma als geheel. Voor de beoordeling hiervan is vergelijkingsmateriaal nodig uit andere regio’s. De mid term evaluaties van andere (Europese) regionale beleidsprogramma’s, die in de loop van 2003 zullen verschijnen, kunnen hier meer inzicht in verschaffen.

Analyse uitvoering (Kompas-breed)
De programmatische aanpak is een wisselend succes. Het EZ/Kompas deel van het programma wordt succesvol op programmatische wijze uitgevoerd. Dit geldt niet voor alle onderdelen van het Kompas-brede programma. Een belangrijk deel van de Rijksbijdrage is niet programmatisch beschikbaar gesteld. Het belangrijkste knelpunt doet zich voor met het Ministerie van SZW en de inzet van ESF Doelstelling 3 middelen. De belangrijkste verklarende factor is dat de meeste ministeries geen regionale beleidsdoelstellingen kennen. Als gevolg daarvan ontbreekt het aan ervaring met de regionale inzet van rijksmiddelen en wordt de noodzaak ertoe niet ingezien en onderzocht. Dit maakt het in de praktijk lastig om de gemaakte afspraken over programmatische inzet van middelen na te komen. Door de frequente contacten met onder meer de provincie zijn gemeenten en semipublieke organisaties over het algemeen goed op de hoogte van de mogelijkheden die Kompas biedt. Voor deze doelgroepen is de programmamarketing dan ook voldoende. De bekendheid met de mogelijkheden van Kompas onder het regionaal bedrijfsleven is daarentegen nog altijd voor verbetering vatbaar. Het gevaar dreigt dat vooral een relatief kleine groep van goed georganiseerde en over het algemeen wat grotere bedrijven de weg naar Kompas weet te vinden. Onbekendheid met Kompas wordt deels veroorzaakt door het algemene probleem van het slechte imago van subsidieregelingen bij ondernemers (veel procedures, slechte toegankelijkheid). “Onbemind maakt onbekend”. De ervaring, ook met Kompas, leert dat veel van deze barrières kunnen worden weggenomen middels directe contacten met bedrijven. De projectverwerving van publieke projecten is goed georganiseerd. Provinciale projectverwervers genereren projecten en begeleiden projectaanvragers bij het opstellen van de aanvraag. Zij worden soms gehinderd in de uitvoering van hun taken door onduidelijkheid in het beleidsdocument Kompas, dat nooit eenduidig is vertaald naar een subsidieprogramma en daardoor soms onterechte verwachtingen schept. Een punt van aandacht is de positie van de projectverwervers binnen de provinciale organisatie in het licht van de soms niet gelijkopgaande belangen van enerzijds de provincie om een project gefinancierd krijgen en anderzijds van Kompas om alleen Kompaswaardige projecten goed te keuren.

18

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

De projectverwerving van marktsectorprojecten is een punt van aandacht. Het gaat dan vooral om de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten vanuit het bedrijfsleven. Het gebrek aan samenwerking tussen bedrijven, een gebrek aan samenwerking en communicatie tussen verschillende partijen die betrokken zijn bij ontwikkelingen in de marktsector en een gebrek aan organiserend vermogen bij de ondernemersorganisaties zijn belangrijke knelpunten. De Taskforces die het Adviescollege voor de Markt in het leven kan roepen dragen naar vermogen maar beperkt bij aan projectverwerving van genoemde projecten. Op basis van onder meer de sectordoorlichtingen lijken er daardoor ontwikke lingskansen te blijven liggen. De SNN Uitvoeringsorganisatie (SNN UO) en Projectbeoordelingscommissie (PBC) verzorgen de ambtelijke voorbereiding van de projectbeoordeling door de Bestuurscommissies. De PBC vormt de laatste stap in de ambtelijk-technische voorbereiding van de besluitvorming op bestuurlijk niveau in de BC. Het waardevolle van de PBC is dat de vertegenwoordigers van verschillende voor het programma belangrijke partijen hierin van gedachten wisselen over de concrete uitvoerig van het programma door discussie over individuele projecten. Programmatisch denken en partnerschap krijgen het meest concreet vorm in de PBC. Tijdens het projectbeoordelingsproces bestaat er soms spanning tussen het provinciale besluitvormingstraject enerzijds en het SNN besluitvormingstraject anderzijds. Punt van aandacht is vooral dat goedkeuring van een project door GS binnen het provinciehuis vaak wordt gezien als finale goedkeuring. Alles wat daarna gebeurt op SNN-niveau wordt dan in feite overbodig, en als vervelend ervaren als dit leidt tot een andere besluitvorming. Als een PBC advies afwijkt van een besluit in GS roept dit bij sommigen de vraag op vanuit welk mandaat de provinciale ambtenaren in de PBC een GS-besluit in twijfel kunnen trekken. Irritatie bij bestuurders hierover zet de kwaliteit van besluitvorming over projecten in de Bestuurscommissies soms onder druk. Tabel 0.2 vat de bevindingen van de MTR op hoofdlijnen samen. Op basis hiervan en de overige bevindingen zoals hierboven en in het hoofdrapport beschreven, komen we tot onderstaande aanbevelingen voor de resterende Kompas periode. We maken een onderscheid tussen inhoudelijke aanbevelingen over de strategie en concrete maatregelen enerzijds en aanbevelingen over de uitvoeringsgerelateerde aspecten anderzijds, alsmede tussen EZ/Kompas en Kompas breed.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

19

Tabel 0.3

Samenvatting Beoordeling Relevantie, Effectiviteit, Efficiency en Uitvoering EZ/Kompas Relevantie Belang Urgentie Effectiviteit Financiële voortgang Werkgelegenheidseffecten Werklocaties Nieuwe terreinen Revitalisering terreinen Stationslocaties Bedrijfsgericht IPR vestiging IPR uitbreiding NIOF Bedrijfsgericht overig Landbouw Arbeidsmarkt HRM regeling Vraaggest. scholing Kennisinfrastructuur Toerisme Bedrijfsgericht Infrastructuur Stedelijk leefklimaat Kompas totaal g.u. = geen uitspraak Groot Groot Matig Groot Redelijk Redelijk Laag Hoog Goed Wisselend g.u. Goed Veel Redelijk g.u. Redelijk Kort Lang g.u. Wisselend Gemiddeld Hoog g.u. Voldoende Direct Indirect g.u. Voldoende Goed Goed g.u. Goed Matig Groot Groot Laag Hoog Hoog Matig Slecht Wisselend Weinig g.u. Weinig Kort g.u. Kort g.u. g.u. Hoog Indirect g.u. Indirect Goed Slecht Redelijk Groot Groot Groot Groot Groot Hoog Hoog Hoog Hoog Hoog Goed Goed Goed Wisselend Slecht Veel Redelijk Weinig Veel Weinig Kort Kort Kort Kort Kort Gemiddeld Gemiddeld Hoog Laag g.u. Direct Direct Indirect Indirect Indirect Goed Goed Goed Goed Slecht Groot Groot Groot Laag Laag Laag Matig Matig Goed Veel Redelijk Veel Lang Lang Lang Laag Gemiddeld Laag Indirect Indirect Indirect Goed Redelijk Redelijk Termijn Efficiency Kosten per arbeidsplaats Hefboom privaat Uitvoering Uitvoerbaarheid

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Inhoudelijke aanbevelingen EZ/Kompas
Werklocaties 1. Projecten op het gebied van werklocaties zoveel mogelijk temporiseren, behoudens lokale knelpunten. Bedrijfsgerichte maatregelen 2. Versterkt inzetten op maatregelen die de groei van het bestaand bedrijfsleven bevorderen, in het bijzonder bedrijfsgerichte maatregelen die rechtstreeks, maar wel op structurele wijze, aan omzetverhoging en kostenverlaging van het bestaand bedrijfsleven bijdragen. 3. De IPR in het Kompas is een stuk selectiever en daardoor effectiever dan de IPR in het verleden. Dit geldt voor zowel de IPR vestiging als de IPR uitbreiding. De IPR uitbreiding is een belangrijk instrument om investeringen door het bestaand bedrijfsleven in de regio te bevorderen. Aanbeveling is om de IPR ook in de resterende programmaperiode ongewijzigd te handhaven. 4. Meer aandacht voor het ondersteunen van bedrijven bij het vinden van nieuwe markten, in het bijzonder actiever bedrijven identificeren en ondersteunen die op zich wel exportpotenties hebben, maar daar op dit moment nog geen concrete acties op ondernemen. Houdt voor deze bedrijven de toetredingsdrempel zo laag mogelijk. Besteed daarnaast meer aandacht aan initiatieven op het gebied van exportorganisatieadvies, exportmanagementcursussen en het uitdiepen van marktentreestrategieën. 5. Toegang tot kennis is een noodzakelijke voorwaarde voor innovatie . Omdat kennis niet per definitie altijd in de eigen regio aanwezig is, verdient het aanbeveling om met Kompas, naast het versterken van de eigen kennisinfrastructuur en het gebruik daarvan door het Noordelijk bedrijfsleven, ook het gebruik door bedrijven van kennis van buiten de regio te stimuleren. 6. Vergroot de toegang van het regionaal bedrijfsleven tot regionale beschikbare kennis door het gebruik van kennisdragers in het regionale MKB te stimuleren, bijvoorbeeld door middel van een Noordelijke KIM-regeling (Kennisdragers in het MKB), naar het voorbeeld van de landelijke regeling van het Ministerie van EZ (nu onderdeel van de Subsidieregeling Kennisoverdracht Ondernemers (SKO)). 7. Onderzoek de mogelijkheden om als regionale overheid in de rol van ‘launching customer’ innovaties door het regionaal bedrijfsleven te stimuleren. Toeristische infrastructuur 8. Investeer alleen in musea en culturele voorzieningen als ze structureel voorzien in slechtweervoorzieningen én bijdragen aan toename of verlenging van het toeristisch verblijf in de regio. Stedelijk leefklimaat 9. Wees terughoudend met het financieren binnen EZ/Kompas van investeringen in het stedelijk leefklimaat (openbare ruimte, winkelcentra en centrumplannen), tenzij het

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

21

belang ervan in combinatie met andere Kompasprojecten, bijvoorbeeld op het gebied van toerisme of kantoorontwikkeling, goed en expliciet is onderbouwd in de projectaanvraag. 10. Beoordeel grote projecten die een structuurwijziging beogen op hun eigen merites. Het aantal van dit soort projecten is beperkt. Criteria voor dergelijke projecten zijn een stuwend karakter (projecten die nieuwe inwoners en/of bezoekers naar het Noorden trekken) en voldoende massa in termen van de omvang van de problematiek en van de benodigde investeringssom.

Inhoudelijke aanbevelingen Kompas-breed
Arbeidsmarkt 11. Onderzoek wat binnen EZ/Kompas extra op arbeidsmarktgebied kan worden gedaan, bijvoorbeeld het combineren van arbeidsmarktmaatregelen met bedrijfsgerichte maatregelen op het gebied van innovatie en opleiding. Op de huidige voet doorgaan met arbeidsmarktbeleid is kansloos en niet effectief. Kernzones 12. Heroverweeg de positie van een deel van de Westergozone (m.u.v. Leeuwarden) als economische kernzone: dit is geen gebied met een dusdanige economische massa en een dermate gunstige ligging dat hier vanuit economisch ontwikkelingsperspectief speciale kansen liggen.

Uitvoeringsgerelateerde aanbevelingen EZ/Kompas
Programma marketing 13. Vergroot de inspanningen op het gebied van “tell & sell” marketing door middel van beursbezoek en bedrijfsevenementen, onder meer in samenwerking met de ondernemersorganisaties. Het gaat dan niet zozeer om de grote algemeen op het MKB georiënteerde be urzen maar ook om kleinschaliger op specifieke branches gerichte beurzen en evenementen. 14. Onderzoek de mogelijkheden om de communicatie en samenwerking tussen de verschillende partijen die zich met het ontwikkelen van de marktsector bezighouden te versterken. Het organiseren van een structureler en frequenter overleg en afstemming tussen provincies, ondernemersorganisaties, het AMa en organisaties als NOM, Syntens en KvK, is een concrete suggestie in dat verband. 15. Besteed meer en structureler aandacht aan de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten door het regionaal bedrijfsleven. De kennis en kunde van provinciale projectverwervers, het georganiseerd bedrijfsleven (brancheorganisaties, VNO NCW, MKB Noord), individuele bedrijven, organisaties als KvK, Syntens, etc. (afhankelijk van het onderwerp) en het AMa dienen hiertoe te worden gebundeld in Taskforces nieuwe stijl met een expliciete projectverwervende opdracht.

22

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

16. Het georganiseerd bedrijfsleven (werkgeversorganisaties, brancheverenigingen), dient zelf beter en concreter vorm te geven aan zijn eigen verantwoordelijkheid bij de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten door het bedrijfsleven. 17. Maak meer gebruik van bestaande inzichten en kennis, zoals de sectordoorlichtingen uit de vorige programmaperiode en de resultaten van de tot nu toe uitgevoerde Taskforces. De resultaten hiervan dienen breder te worden gecommuniceerd richting ondernemersorganisaties en individuele bedrijven dan tot op heden is gedaan, bijvoorbeeld door middel van publieksvriendelijke versies van de sectordoorlichtingen. Projectbeoordeling 18. Handhaaf de huidige volgorde “provinciaal ambtelijk à Gedeputeerde Staten à SNN Uitvoeringsorganisatie / Projectbeoordelingscommissie à Bestuurscommissie”. 19. Om de geconstateerde spanning tussen het provinciale en landsdelige traject zoveel mogelijk weg te nemen verdient het aanbeveling om in voorkomende gevallen: • positieve GS-besluiten niet te communiceren als positief besluit over een project, maar alleen als besluit over de provinciale cofinanciering; • eerder contact te leggen door de projectverwervers met het Ministerie van EZ of de SNN UO bij twijfel over Kompaswaardigheid van projecten. 20. Om de onafhankelijkheid van de PBC ten opzichte van de provincies te versterken verdient het aanbeveling om deze aan te vullen met één of twee externe en onafhankelijke vertegenwoordigers. 21. Onderzoek hoe de rol van het Ministerie van EZ kan worden verstevigd als het gaat om de besteding van EZ-geld, zonder dat dit in strijd is met decentralisatie -afspraken. EZ kan nu bijvoorbeeld provinciale of SNN projecten voorleggen aan de staatssecretaris. Overwogen zou kunnen worden om deze mogelijkheid toe te passen op alle Kompas projecten die met EZ-geld worden medegefinancierd. Verscherp of verduidelijk waar nodig de criteria, zoals dat voor verschillende typen maatregelen al is gebeurd. Dit speelt met name nog bij projecten op het gebied van: • Leefomgeving / openbare ruimte (ondanks de aanscherping die al heeft plaats gevonden is hier nog steeds veel discussie over) • Sport, kunst en cultuur; • Waterinfrastructuur. 22. Verschaf meer duidelijkheid aan de projectuitvoerders op grond van welke overwegingen hun projectvoorstel is goedgekeurd, zodat projectuitvoerders een beter idee krijgen van het grotere geheel waarbinnen hun project kadert. Onder meer de Kompaskrant zou voor dit doel kunnen worden gebruikt. Monitoring en evaluatie 23. Maak gebruik van de tussentijdse evaluaties van grote bedrijfsgerichte projecten voor het in kaart brengen van de economische effecten van bedrijfsgerichte maatregelen en voor het formuleren van kengetallen en ervaringscijfers waarvan SNN UO en de
Mid Term Review Kompas voor het Noorden 23

provincies gebruik kunnen maken bij de ontwikkeling, beoordeling en monitoring van toekomstige projecten. 24. Aan SNN UO geven we ter overweging mee om mee te betalen aan de betreffende evaluaties en in ruil daarvoor een standaard methodiek aan de verschillende evaluatoren mee te geven, zodat op uniforme en daardoor vergelijkbare wijze de economische effecten van verschillende typen bedrijfsgerichte projecten in kaart worden gebracht. In ieder geval de volgende gegevens zouden moeten worden verzameld: • werkgelegenheid bij deelnemende bedrijven voor en na het project (dus niet alleen de toename van werkgelegenheid); • bij voorkeur ook gegevens over omzet van deelnemende bedrijven voor en na het project. Jaarprogramma’s 25. Jaarprogramma’s in de huidige vorm heroverwegen. Beperken tot financiële en inhoudelijke accenten op hoofdlijnen. Energie in plaats daarvan steken in het omschrijven van het Kompas beleidsprogramma naar een EZ/Kompas subsidieprogramma zodat meer duidelijkheid wordt verschaft over wat er met binnen EZ/Kompas wel en niet kan worden medegefinancierd.

Uitvoeringsgerelateerde aanbevelingen Kompas-breed
26. Blijf proberen om met het Ministerie van SZW concrete afspraken te maken over de wijze waarop de programmatische aanpak van het arbeidsmarktbeleid in NoordNederland kan worden vormgegeven. Zowel SNN als het coördinerend ministerie van EZ hebben hier een rol in te vervullen. Daarnaast dienen de gemeenten in NoordNederland meer te worden gestimuleerd om projecten in het kader van ESF Doelstelling 3 in te dienen.

24

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

1 Inleiding

1.1 Achtergrond en doel
Het Kompas voor het Noorden is het ruimtelijk-economisch ontwikkelingsprogramma 2000 t/m 2006 voor Noord-Nederland. Met dit programma investeren de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân, in samenwerking met lokale overheden en organisaties, de Rijksoverheid en de Europese Commissie, in de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Het Kompas is opgesteld in 1999. In 2000 is de uitvoering van het programma begonnen. De belangrijkste financiers van het programma hebben als voorwaarde gesteld dat het programma halverwege de looptijd wordt geëvalueerd. Met deze tussentijdse evaluatie of Mid Term Review (MTR) wordt aan deze verplichting voldaan. De MTR heeft als doel inzicht te verschaffen in de volgende hoofdvraag: Is Noord-Nederland op de goede weg om de geformuleerde doelstellingen te halen en draagt de ingezette strategie daar nog steeds aan bij? In de volgende paragraaf wordt de hoofdvraag nader uitgewerkt en toegelicht.

1.2 Evaluatievragen
De hoofdvraag is onderverdeeld in vier deelvragen: 1. Relevantie: Is er optimale afstemming tussen programmadoelstellingen en de problematiek van de regio? Draagt de voorgestelde aanpak (strategie, prioriteiten en maatregelen) bij aan de doelstelling? Zijn eventueel wijzigingen in het programma noodzakelijk om eraan bij te dragen dat het programma beter aansluit op (nieuw) geconstateerde noden? 2. Effectiviteit: In welke mate dragen de geboekte resultaten en effecten in de regio bij tot het bereiken van de doelstellingen van het programma? En op welke wijze? In welke mate zijn de doelstellingen haalbaar? In hoeverre ligt de voortgang van het programma op schema? 3. Efficiency: Staan de ingezette (financiële) middelen in verhouding tot de bereikte resultaten? Zijn de middelen optimaal (kosten-effectief) ingezet of had een hogere ‘value for money’ bereikt kunnen worden?

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

25

4. Uitvoering : Zijn de uitvoerings-, toezichts-, en evaluatiesystemen adequaat? Zijn selectieprocedure en –criteria transparant en in overeenstemming met de doelstelling van het programma? In hoeverre is tijdigheid en betrouwbaarheid van monitoringdata gewaarborgd? Onderstaande figuur illustreert de vier belangrijkste evaluatievragen.
Figuur 1.1 Illustratie Evaluatievragen MTR Kompas voor het Noorden

Impact SWOT UITVOERING Resultaten

Doelen

Inputs

Projecten

Outputs

EFFICIENCY

RELEVANTIE

EFFECTIVITEIT

Bron: ECORYS-NEI, Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006

Hoofdvraag van de MTR is of de doelstellingen van Kompas worden gehaald, of de ingezette strategie daar nog steeds aan bijdraagt en om aanbevelingen te doen voor de resterende programmaperiode. Hiertoe zijn in de MTR de relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering van de strategie beoordeeld, op basis van analyses van de sociaal-economische context, de effecten van de tot nu toe uitgevoerde projecten en de uitvoering van het programma. Onderstaand schema illustreert het verband tussen analyse, beoordeling en aanbevelingen.

Figuur 1.2

Opzet Mid Term Review Kompas voor het Noorden
Analyse sociaal-economische context Analyse economische effecten

Analyse uitvoering

Beoordeling relevantie

Beoordeling effectiviteit en efficiency

Beoordeling uitvoering

Aanbevelingen

26

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Voor een goed begrip van wat er precies geëvalueerd wordt, is het volgende onderscheid van belang:

Kompas-breed: het volledige Kompasprogramma dat betrekking heeft op alle maatregelen en gemaakte financieringsafspraken met het Rijk. Op dit niveau beoordeelt de MTR de relevantie en uitvoering op hoofdlijnen; EZ/Kompas: de maatregelen binnen Kompas die worden uitgevoerd door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) en die voor een belangrijk deel worden gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken. Voor EZ/Kompas doet de MTR uitspraken over alle vier de evaluatievragen ten aanzien van relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. EPD: de maatregelen binnen EZ/Kompas die worden gecofinancierd door de Europese Commissie in het kader van het Enig Programmeringsdocument (EPD) voor het Europese Doelstelling 2 programma. Voor het EPD doet de MTR uitspraken over alle vier de evaluatievragen ten aanzien van relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. Deze bevindingen zijn opgenomen in een aparte rapportage.

Figuur 1.3

Evaluatieniveau’s en evaluatievragen MTR Kompas voor het Noorden
Kompas voor het Noorden integraal Evaluatieniveau I (Programmatische aanpak) 1. 2. 3. 4. Hoofddoelstelling: bijdrage Kompas aan sociaal-economische ontwikkeling Strategie: geheel van acties en middelen om doel te bereiken Bestuurlijke organisatie Uitvoeringstechnische organisatie

EZ/KOMPAS-middelen Evaluatieniveau II Doelstellingen op niveau van: • • • Deelprogramma’s Thema’s Maatregelen.

Doelstelling 2-middelen Doelstellingen op niveau van: • • • D2-Programma Prioriteiten Maatregelen.

Evaluatieonderwerpen: relevantie, effectiviteit, efficiency, uitvoering.

Evaluatieonderwerpen: relevantie, effectiviteit, efficiency, uitvoering.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

27

1.3 Evaluatieproces
De MTR Kompas voor het Noorden is uitgevoerd in de periode juli 2002 – maart 2003. De evaluatie is begeleid door een begeleidingscommissie met daarin ambtelijke vertegenwoordigers van de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe en het Ministerie van Economische Zaken. Onderstaand schema schetst het verloop van het evaluatieproces en geeft de kort de verschillende stappen weer. Juli – September 2002 Oktober 2002 November 2002
• • • •

December 2002 – Januari 2003

• • • •

Januari – Maart 2003

• • • • • •

Sociaal-economische analyse (te verschijnen als aparte publicatie “Koers op het Noorden 2003”) Beoordeling Relevantie Presentatie van de voorlopige resultaten aan het Comité van Toezicht Organisatie Strategiedag (Zie Bijlage 3) Face to face interviews met 39 sleutelpersonen (Zie Bijlage 4) Telefonische interviews met 32 projectuitvoerders (Zie Bijlage 4) Analyse administratieve organisatie Beoordeling Uitvoering Analyse projectdossiers Analyse monitoringdata Beoordeling Effectiviteit en Efficiency Presentatie van de concept-eindresultaten aan de drie provincies Eindrapportage Presentatie van de eindresultaten aan het Dagelijks Bestuur SNN en Comité van Toezicht

1.4 Kanttekeningen vooraf
MTR eerste evaluatie op basis van het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006 De MTR van het Kompas voor het Noorden is de eerste evaluatie die wordt uitgevoerd op basis van het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006. Dit evaluatiekader is in 2002 opgesteld in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken. Door de evaluatie uit te voeren op basis van het kader wordt er voor gezorgd dat de evaluatie in principe voldoet aan de belangrijkste eisen die de Europese Commissie en de Nederlandse overheid stellen aan beleidsevaluaties. De belangrijkste verandering ten opzicht van eerdere tussentijdse evaluaties van Doelstelling 2 programma’s in Noord-Nederland is dat het accent sterker dan voorheen ligt op de inhoudelijke evaluatie van het programma. In het bijzonder is veel meer aandacht besteed aan het kwantitatief inschatten van de (te verwachten) effecten van het gevoerde beleid, zowel op programmaniveau als op het niveau van verschillende typen maatregelen. Hierdoor wordt meer inzicht verschaft in de mate waarin en de wijze

28

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

waarop de verschillende onderdelen van de beleidsmix bijdragen aan het bereiken van de geformuleerde doelstellingen. In de loop van 2003 worden ook de andere regio’s en steden die Structuurfondsengeld ontvangen, geëvalueerd op basis van het evaluatiekader. Op basis van de ervaringen met de MTR Kompas en de andere evaluaties zal moeten blijken in hoeverre de weg die met het evaluatiekader wordt bewandeld inderdaad het benodigde additionele inzicht verschaft in de effectiviteit van de regionaal economische beleidsprogramma’s. MTR is een evaluatie op programmaniveau De MTR van het Kompas betreft een programma evaluatie. Dat wil zeggen dat de MTR uitspraken doet over de relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering van het programma als geheel. Om uitspraken op programmaniveau te kunnen doen zijn vanzelfsprekend de verschillende (typen) maatregelen en projecten binnen het programma bestudeerd. De programma evaluatie is echter geen som van individuele maatregelevaluaties. Met andere woorden: over de individuele maatregelen is soms in principe meer te zeggen dan in de MTR wordt gedaan. Nog sterker geldt dit voor de individuele projecten. Omdat de MTR een programma evaluatie is, bevat deze in principe geen uitspraken over individuele projecten en regelingen. Een deel van de projecten (bijvoorbeeld enkele grote bedrijfsgerichte projecten) en regelingen (bijvoorbeeld de IPR) wordt daarom zelfstandig geëvalueerd, buiten de MTR om. Als het gaat om individuele maatregelen, projecten en regelingen blijft de MTR zodoende, mede gezien de omvang van het programma en de veelheid van beleidsterreinen die het Kompas bestrijkt, een evaluatie op hoofdlijnen. MTR evalueert de ‘beleidsoptie’ Kompas programma De MTR evalueert het Kompas programma en de wijze waarop dit programma bijdraagt aan het bereiken van de geformuleerde doelstellingen voor Noord-Nederland. De beleidsmatige aanpak waarmee de regionaal-economische ontwikkeling wordt gestimuleerd, namelijk via een integraal meerjaren programma met daarbinnen een mix van voorwaardenscheppende en bedrijfsgerichte maatregelen, wordt daarbij als een gegeven beschouwd. Met andere woorden: de evaluatie gaat niet in op eventuele alternatieve beleidsopties zoals bijvoorbeeld een Masterplan Noord-Nederland met een beperkt aantal grote projecten, of de beleidsoptie ‘helemaal geen regionaal beleid in Noord-Nederland’. De programmatische aanpak wordt als een gegeven beschouwd. De inhoudelijke aanbevelingen blijven daarom binnen het kader van de ‘beleidsoptie’ Kompas programma.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

29

2 Programma synopsis

2.1 Inleiding
Deze programma synopsis geeft een korte niet-evaluerende beschrijving op hoofdlijnen van het Kompas programma. Het hoofdstuk is vooral informatief van aard en dient als inleiding bij het te evalueren programma. De eigenlijke evaluatie vindt plaats in de hiernavolgende hoofdstukken. Achtereenvolgens behandelen we in dit hoofdstuk: • Doel van het Kompas • Beleidsmix op hoofdlijnen om dit doel te bereiken • (Typen) maatregelen in meer detail • Financiële kerngegevens

2.2 Doel van het Kompas
Hoofddoelstelling: inlopen economische faseverschil Het Kompas voor het Noorden is het ruimtelijk-economisch ontwikkelingsprogramma 2000 t/m 2006 voor Noord-Nederland. Met dit programma investeren de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân, in samenwerking met lokale overheden en organisaties, de Rijksoverheid en de Europese Commissie, in de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Noord-Nederland. De hoofddoelstelling van Kompas 2000-2006 is een bijdrage te leveren aan het inlopen van het economisch faseverschil tussen Noord-Nederland en Nederland als geheel, gemeten in termen van werkgelegenheid. Daarnaast dient Kompas bij te dragen aan het versterken van de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied. Kwantitatief is de hoofddoelstelling Kompas-breed vertaald naar 13.300 – 22.700 extra banen in de periode 2000-2006. Voor EZ/Kompas gaat het om 9.500 – 17.700 extra banen. Het gaat daarbij om structurele banen die het gevolg zijn van structurele versterkingen van de NoordNederlandse economie. De doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied zijn niet geoperationaliseerd.

30

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

2.3 Beleidsmix op hoofdlijnen
Driesporenbeleid Met het Kompas wordt een driesporenbeleid gevoerd, waarin een versterkte economische groei (nodig om het verschil met de rest van het land in te lopen) gecombineerd wordt met behoud en versterking van natuurlijke, landschappelijke en milieuwaarden: • versterking van de marktsector en concentratie van wonen en werken in economische kerngebieden; • vitale stedelijke centra; • een aantrekkelijk landelijk gebied als voorwaarde voor een evenwichtige ontwikkeling. Het driesporenbeleid is uitgewerkt in drie deelprogramma’s: • Deelprogramma Economische kerngebieden / versterking marktsector (Markt) • Deelprogramma Stedelijke centra (Stad) • Deelprogramma Landelijk gebied (Land). De belangrijkste thema’s binnen deze deelprogramma’s worden hieronder toegelicht
Deelprogramma Markt: • • • • Thema M1: Verbetering van de vestigingsvoorwaarden ten behoeve van bestaande en nieuwe bedrijvigheid in kernzones Thema M2: Thema M3: Thema M4: kernzones Deelprogramma Stad: • • • • • • Thema S1: Thema S2: Thema S3: Vroegtijdige ontwikkeling van stadslandschappen ten behoeve van wonen en werken (in Woningvoorraad kwalitatief en kwantitatief afstemmen op de vraag door herstructurering Bestaande werkgebieden in de stedelijke centra kwalitatief op peil houden en nieuwe VINEX-steden en in de overige steden in de kernzones) Versterking van de marktsector in Noord-Nederland Versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland Optimalisering internationale transportassen en verbetering bereikbaarheid economische

van na-oorlogse woonwijken impulsen geven Thema S4: binnensteden Thema S5: Thema S6: Versterking hoger onderwijs en aanwezige kennis productief maken Bereikbaarheid van de (binnen)steden waarborgen Versterking stedelijke voorzieningen en het geven van een kwaliteitsimpuls aan de

Deelprogramma Land: • • • • Thema L1: Thema L2: Thema L3: voorzieningen Thema L4: Gastvrij Noord-Nederland: versterking van toerisme en recreatie Een gezonde sector in een gezonde omgeving: verbreding, versterking en vernieuwing van Vernieuwing landelijk gebied: via een gebiedsgerichte investeringsimpuls een majeure Leefbaar landelijk gebied: instandhouding en ontwikkeling van de woonfunctie en landbouw, tuinbouw en visserij.

bijdrage leveren aan de verbetering van de regionale economie, leefbaarheid en omgevingskwaliteit.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

31

Kernzonebeleid Een belangrijk aspect van de strategie is de ruimtelijke concentratie van wonen en werken in een beperkt aantal kernzones: • de regio Roden/Leek - Groningen - Assen - Veendam - Winschoten; • de regio Sneek - Heerenveen - Drachten (A7-zone Fryslân); • de stedenband (Zwolle -) Meppel - Hoogeveen - Emmen/Coevorden; • het gebied Leeuwarden - Harlingen (Westergozone); • het Eemsmondgebied. Het idee is dat bundeling van wonen en werken in kernzones agglomeratievoordelen met zich mee brengt. Hierdoor wordt de diversiteit bevorderd en economische groei gestimuleerd. De vergroting van de kritische massa versterkt het draagvlak voor voorzieningen. Dit leidt vervolgens weer tot een aantrekkelijker vestigingsklimaat voor handel en diensten. Noord-Nederland kan hierdoor definitief afrekenen met het imago van een regio met “een ijle economische structuur”. Door concentratie wordt bovendien naar verwachting een schaaleffect bereikt waarmee transportassen, infrastructuur en logistiek netwerk optimaal benut worden en versnippering wordt vermeden. Tegelijkertijd wordt de ruimtedruk op het landelijk gebied verminderd. De kwaliteiten van dit gebied kunnen hierdoor duurzaam benut worden, niet alleen als woonmilieu, maar ook voor de belangrijke economische sectoren landbouw en toerisme en recreatie.

2.4 Maatregelen
Hieronder worden op hoofdlijnen de maatregelen kort beschreven. Onder het kopje “maatregelen Kompas-breed” komen de maatregelen aan bod die niet met EZ/Kompas worden gefinancierd. Maatregelen Kompas-breed De belangrijkste thema’s en maatregelen Kompas-breed zijn: Deelprogramma Markt: • Thema M3: Versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland. Kompas-breed gaat het vooral om maatregelen op het gebied van sluitende aanpak, reïntegratietrajecten en ID-banen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de belangrijkste financier van deze maatregelen; • Thema M4: Optimalisering internationale transportassen en verbetering bereikbaarheid economische kernzones. Projecten op het gebied van optimalisering van internationale transportassen en verbetering van de bereikbaarheid van kernzones. Het Ministerie van Verkeer & Waterstaat is de belangrijkste financier van deze maatregelen. Deelprogramma Stad: • Thema S1: Vroegtijdige ontwikkeling van stadslandschappen ten behoeve van wonen en werken (in VINEX-steden en in de overige steden in de kernzones) en Thema S6: Bereikbaarheid van de (binnen)steden waarborgen zijn relatief kleine thema’s binnen Kompas. • Thema S2: Woningvoorraad kwalitatief en kwantitatief afstemmen op de vraag door herstructurering van na-oorlogse woonwijken. Het gaat hier met name om projecten

32

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

op het gebied van herstructurering van de woningvoorraad die leegstand, verpaupering en sociale segregatie in bestaande woongebieden moeten tegengaan. Het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV) van het Ministerie van VROM is hiervoor het aangewezen beleidskader. Deelprogramma Land: • Thema L2: Vernieuwing landelijk gebie d: via een gebiedsgerichte investeringsimpuls wordt een majeure bijdrage geleverd aan de verbetering van de regionale economie, leefbaarheid en omgevingskwaliteit in het landelijk gebied. Grootschalige functiewijzigingen, waarbij ingespeeld wordt op de problemen en potenties van het betreffende gebied vallen hier ook onder (majeure projecten als Blauwe Stad, Fries merengebied en Hunzedal). De ministeries van LNV en VROM zijn belangrijkste nationale financiers van deze maatregelen. • Thema L3: Leefbaar landelijk gebied. Het gaat hier om acties gericht op het instandhouden en ontwikkelen van de woonfunctie en van voorzieningen in het landelijk gebied. Ook hier zijn de ministeries van LNV en VROM de belangrijkste nationale financiers. Maatregelen EZ/Kompas In deze evaluatie worden de EZ/Kompas maatregelen geclusterd tot een aantal hoofdtypen: • Werklocaties • Bedrijfsgerichte maatregelen • Toerisme • Kennisinfrastructuur • Arbeidsmarkt Werklocaties De maatregelen binnen het Deelprogramma Markt richten zich op de aanleg van nieuwe terreinen en het waarborgen van een voldoende en gedifferentieerd aanbod aan zgn. bovenregionale bedrijventerreinen met attractieve verkaveling, ontsluiting, voorzieningen en uitstraling. Het programma draagt bij aan de aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande bovenregionale bedrijventerreinen in de kernzones. Daarnaast revitalisering van goed gesitueerde oudere bedrijventerreinen, ook vooral bovenregionale terreinen in de kernzones. Binnen het Deelprogramma Stad wordt daarnaast gewerkt aan het vernieuwen en herontwikkelen van stationsgebieden ten behoeve van publieke voorzieningen en kantoor- , woon- , detailhandels- en horecafuncties. Intensief ruimtegebruik, versterking van de stedelijke en economische functies en een goed verbinding met het stadscentrum worden nagestreefd. Bedrijfsgerichte maatregelen Bedrijfsgerichte maatregelen, met name onder Thema M2 richten zich op versterking van de marktsector, in het bijzonder verhoging van het kennisniveau dat noodzakelijk is bij exporteren, innoveren, kwaliteitszorg enz. De regelingen IPR (Investeringspremieregeling en NIOF (Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit) leggen het grootste beslag op het beschikbare publieke budget, met ruim 75% van de beschikbare middelen. Ook het Venture Kapitaal Fund rekenen we hiertoe. IPR wordt deels centraal door het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd, het gaat dan om ondersteuning van nieuwe

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

33

vestigingen in het Noorden met een totaal investeringsvolume groter dan 10 miljoen euro. De rest van de IP R wordt decentraal door SNN uitgevoerd, bestaande uit een regeling voor nieuw vestigers (IPR vestiging) en een regeling voor bestaand bedrijfsleven (IPR uitbreiding). De twee niet-regeling MKB-maatregelen zijn M2.2 Generieke stimulering vernieuwing MKB en 2.3.e Tenderprocedure met in totaal 10% van het bedrijfsgerichte Kompasbudget. De maatregel specifiek gericht op het agrarisch bedrijfsleven met 12% van het publieke Kompas budget voor MKB maatregelen vormt een categorie op zich. Onder M2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB vallen projecten gericht op verhoging van het kennisniveau bij het MKB over zaken als exporteren, innoveren, toeleveren en uitbesteden, vernieuwing productiemethoden / vermarkten, kwaliteit, clustering, product- en procesontwikkeling, bedrijfsvoering e.d. Het gaat hier met name om de zogenaamde aanbodgestuurde projecten. Hoewel het onderscheid aanbod- versus vraaggestuurd uit oogpunt van effectiviteit niet op voorhand relevant is, is kenmerkend dat projectuitvoerders binnen deze maatregel vooral semi-publieke organisaties zijn die zich richten op MKB. De Tenderprocedure (M.2.3.e: Officiële titel is “gerichte stimulering van het bedrijfsleven”, tegenover de generieke stimulering onder 2.2) is in het leven geroepen om projecten die niet vallen binnen resterende maatregelen – de zogenaamde restvraag – te kunnen accommoderen. Hieronder vallen onder meer vraaggestuurde projecten vanuit het bedrijfsleven. De twee overige bedrijfsgerichte maatregelen betreffen acquisitie ondersteunende promotie (M1.2.a) en het budget voor AMa en Taskforces (M2.3.c). Toerisme De toeristische beleidsmix in het Kompas / EPD bestaat uit bedrijfsgerichte maatregelen en investeringen in infrastructuur. De KITS-regeling (Kwaliteitsinvesteringen in de Toeristische Sector) is een subsidieregeling gericht op de vestiging van nieuwe toeristische ondernemingen in Noord-Nederland en kwaliteitsverbetering en/of uitbreiding van bestaande ondernemingen. Maatregel 2.3.d Kwaliteitsverbetering van de toeristische sector ondersteunt acties op het gebied van professionalisering van het toeristische bedrijfsleven, vergroten van de marketingkracht, verbeteren van de dienstverlening etc en op het verbeteren van het toeristisch promotiebeleid, professionalisering van de VVV’s, organisatie van festivals en evenementen, etc.. Ook de IPR staat open voor grootschalige investeringen in toeristische bedrijven. Zowel het deelprogramma Stad als het deelprogramma Land bevatten maatregelen op het gebied van toeristische infrastructuur. Zij zijn gericht op versterken van het aanbod van toeristische, culturele en sportvoorzieningen in steden, op grootschalige functiewijziging en verbetering van de toeristisch-recreatieve infrastructuur in het landelijk gebied, met bijzondere aandacht voor verbetering van de watersport mogelijkheden.

34

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Kennisinfrastructuur Het betreft de acties binnen het Deelprogramma Stad in het bijzonder Thema S5. Binnen maatregel S.5.1 Oprichting (top)kennisinstituten en aanbieden nieuwe opleidingen gaat het om verdere versterking van op toepassing gericht onderzoek en op de praktijk gericht onderwijs en ondersteuning van onderwijsinhoudelijke innovatie die zorgen voor een economische en sociaal-culturele impuls in het Noorden. Binnen maatregel S.5.2 Vestigingslocaties voor kennisgeoriënteerde bedrijvigheid worden bedrijfslocaties en bedrijfshuisvestingsmogelijkheden ontwikkeld nabij kennisinstellingen (HBO, WO) ten behoeve van kennisgeoriënteerde bedrijven. Gezien de duidelijke link met WO en HBO beperken dergelijke bedrijfshuisvestingsprojecten zich in beginsel tot Groningen, Leeuwarden en Emmen. Projecten in deze maatregel betreffen de aanleg van bedrijfslocaties en gebouwen in de directe nabijheid van kennisinstellingen. Arbeidsmarkt De belangrijkste arbeidsmarktmaatregelen binnen EZ/Kompas zijn M3.1.b Verbetering werking arbeidsmarkt en M3.2.d. Nieuwe werkgelegenheid. De acties onder M3.1.b Verbetering werking arbeidsmarkt hebben als doel verbetering van de werking van de arbeidsmarkt door het bevorderen van professionalisering van het human resourcebeleid bij bedrijven, het op innovatieve wijze samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en het verbeteren van de instroom vanuit het beroepsonderwijs. Concreet worden acties ondersteund die bijdragen aan een bete r human resourcebeleid (bijv. gericht op het stimuleren van een leven lang leren of het combineren van arbeids- en zorgtaken) en het optimaliseren van de kwaliteit van het management en ondernemerschap op het gebied van human resources, leiden tot een betere afstemming van aanbod en vraag op de arbeidsmarkt en acties om in de personeelsbehoefte van het bedrijfsleven te voorzien. M3.2.d. Nieuwe werkgelegenheid richt zich op een groot deel van de (langdurig) werklozen met een lage opleiding. Het gaat om het creëren van nieuwe werkgelegenheid voor deze groep. Dit kan zowel reguliere als gesubsidieerde arbeid betreffen.

2.5 Verdeling financiële middelen
Kompas-breed Onderstaande figuur illustreert de verdeling van de financiële middelen Kompas breed, op basis van de verdeling van de financiële middelen zoals opgenomen in de oorspronkelijke financiële tabel van het Kompas voor het Noorden.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

35

Figuur 2.1

Verdeling van de totale publieke middelen Kompas voor het Noorden 2000-2006

Wonen 4% 23% 16% Werklocaties Toeristische infrastructuur Openbaar vervoer 0% 1% 3% 2% 0% Leefomgeving Kennisinfrastructuur IPR Infrastructuur steden Infrastructuur landeljik gebied Infrastructuur 18% 0% 8% 0% 2% 23% Bedrijfsgericht Bedrijfsgericht toerisme Bedrijfsgericht landbouw Arbeidsmarkt

Bron: Kompas voor het Noorden 2000-2006

Het grote aandeel voor Leefomgeving (23%) wordt verklaard door het grote bedrag uit de O&O fondsen dat hiervoor is opgenomen in het oorspronkelijke Kompas. Andere grote maatregelcategorieën zijn Arbeidsmarkt (23%), Weginfrastructuur (18%) en Werklocaties (16%). Binnen de bedrijfsgerichte maatregelen maakt de IPR het grootste deel uit (8% van de middelen). EZ/Kompas Onderstaande figuren illustreren respectievelijk de verdeling van de totale publieke middelen voor het EZ/Kompas deel van het programma en de verdeling van de EZ-gelden binnen het EZ/Kompas programma. Het grootste deel van de totaal geplande EZ/Kompas middelen gaat naar werklocaties (40%) en de IPR (19%). Dit laatste bedrag is inclusief de IPR centraal. Toeristische infrastructuur beslaat 11% van de voorgenomen inzet van publieke middelen.

36

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Figuur 2.2

Verdeling van de totale publieke middelen EZ/Kompas programma

2% 4% 7%

9% Werklocaties Infrastructuur Functiewijziging 40% Kennisinfrastructuur Toeristische infrastructuur IPR Bedrijfsgericht

19%

Bedrijfsgericht landbouw Bedrijfsgericht toerisme 1% 11% 6% 1% Arbeidsmarkt

Bron: SNN

De verdeling van de EZ-gelden binnen het EZ/Kompas programma laat een wat ander beeld zien dan de totale publieke middelen. De helft van het EZ-budget gaat naar de IPR. Dit is inclusief de IPR centraal, waar een groot deel van het IPR budget mee gemoeid is. Werklocaties maakt 16% uit van de EZ-middelen. De bedrijfsgerichte maatregelen zijn goed voor 12% van de EZ-middelen.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

37

Figuur 2.3

Verdeling van de EZ -middelen EZ/Kompas programma

4% 2% 12%

4% 16% 0% 1% 3% 8% Werklocaties Infrastructuur Functiewijziging Kennisinfrastructuur Toeristische infrastructuur IPR Bedrijfsgericht Bedrijfsgericht landbouw Bedrijfsgericht toerisme Arbeidsmarkt 50%

Bron: SNN

38

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

2.6 Financiële voortgang op hoofdlijnen
Onderstaande tabel laat de financiële voortgang zien van het EZ/Kompas deel van het Kompasprogramma. De uitputtingspercentages hebben betrekking op het EZ-budget, inclusief de IPR centraal . De tabel laat zien dat financiële voortgang van EZ/Kompas per december 2002 44% van de beschikbare EZ/Kompas middelen bedraagt. Er is tot nu toe voor 1,2 miljard euro aan projecten goedgekeurd, waarvan 515 miljoen euro afkomstig is van Europese, nationale, regionale en lokale overheden en 680 miljoen euro vanuit het bedrijfsleven. Gegeven dat op het moment van evalueren 42,8 % van de Kompasperiode is verstreken, ligt de financiële voortgang op hoofdlijnen goed op schema. De belangrijkste knelpunten doen zich voor binnen M.3 Versterking arbeidsaanbod in NoordNederland, S.3 Bestaande werkgebieden, S.4 Kwaliteitsimpuls binnensteden en L.1 Versterking marktgerichte land- en tuinbouw en L.2 Vernieuwing Landelijk gebied.
Tabel 2.1 Financiële voortgang EZ/Kompas per december 2002 Totaal gecommitteerd publiek M.1 Vestigingsvoorwaarden economische kernzones M.2 Versterking marktsector in Noord-Nederland M.3 Versterking arbeidsaanbod in Noord-Nederland M.4.1. Optimalisering internationale transportassen S.3 Bestaande werkgebieden S.4 Kwaliteitsimpuls binnensteden S.5 Versterking hoger onderwijs L.1 Versterking marktgerichte land- en tuinbouw L.2 Vernieuwing landelijk gebied L.4 Toerisme en recreatie Uitv.Kosten Totaal 198.949.687 135.320.364 10.022.939 56.518.605 26.165.910 27.510.660 1.967.726 47.367.395 12.137.105 515.960.391 Totaal gecommitteerd privaat 210.219.189 429.621.157 6.126.007 2.893.112 9.366.694 15.829.906 2.084.119 3.514.206 679.654.390 % Uitputting EZ/Kompas 46% 57% 25% 0% 17% 24% 47% 15% 0% 20% 40% 44%

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

39

3 Relevantie

3.1 Inleiding
De eerste hoofdvraag die in deze evaluatie wordt beantwoord is de relevantievraag: is Noord-Nederland nog steeds gebaat bij de strategie die in het Kompas en het EPD is uitgezet?
Figuur 3.1 Evaluatie van de relevantie

Impact SWOT UITVOERING Resultaten

Doelen

Inputs

Projecten

Outputs

EFFICIENCY

RELEVANTIE

EFFECTIVITEIT

Het stellen van deze vraag heeft alles te maken met de ontwikkelingen in de tijd. Immers, de strategie is eind jaren negentig ontwikkeld, op basis van toen bekende feiten en bepaalde aannames omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het is nu eind 2002, zodat bezien kan worden welke ontwikkelingen zich daadwerkelijk hebben voltrokken, en wat dit betekent in relatie tot het doel (“inlopen van het faseverschil”) en de prioriteiten en maatregelen. Economische ontwikkeling op regionaal niveau is, zeker in een land met een open economie, altijd sterk afhankelijk van de economische ontwikkelingen op internationaalen nationaal niveau. Dat wordt ook nu weer duidelijk. Het is reeds een behoorlijke tijd geleden dat een on going of mid term evaluatie werd uitgevoerd in een periode van neergaande conjunctuur, op basis van een programma dat werd opgesteld in een periode van hoogconjunctuur. Dat maakt de relevantievraag nu nog gewichtiger: er is duidelijk sprake van een tussentijds veranderde economische omgeving.

40

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

In dit hoofdstuk komen aan de orde: • Een overzicht van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren op basis van de 9 indicatoren van het Kompas; • Een overzicht van de huidige situatie en verwachtingen omtrent de toekomst in relatie tot de SWOT; • De conclusie ten aanzien van het doel van het Kompas/EPD; • De beoordeling van de belangrijke maatregelen in termen van ‘belangrijk’ (in relatie tot het doel) en ‘urgent’ (moet het op korte termijn); • De eindconclusie inzake de relevantie. De inhoud van dit hoofdstuk is gebaseerd op diverse bronnen: • geactualiseerde data uit Koers op het Noorden; • overige literatuur- en data analyse; • een discussie in het Comité van Toezicht voor het EPD; • de resultaten van een speciaal georganiseerde ‘strategiedag’ met deelname van deskundigen uit en over het Noorden.

3.2 Sociaal-economische context
3.2.1 De hoofddoelstelling van Kompas Hoofddoelstelling Kompas De hoofddoelstelling van het Kompas voor het Noorden 2000-2006 is het inlopen van het economisch faseverschil tussen Noord-Nederland en Nederland als geheel, gemeten in termen van werkgelegenheid. Kompas-breed is het doel ruimer geformuleerd. Daarin gaat het ook om de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied. Kwantitatief is de hoofddoelstelling vertaald naar 13.300 – 22.700 extra banen in de periode 2000-2006. De doelstellingen ten aanzien van de kwaliteit van het stedelijk en landelijk gebied zijn niet geoperationaliseerd. Hoofddoelstelling Kompas 2000-2006 versus de Langmandoelstellingen 2000-2010 De Commissie Langman becijferde dat om het faseverschil over de periode 2000-2010 weg te werken, 43.000 extra banen nodig zijn. De Commissie Langman bedoelde hiermee dat als er in Noord-Nederland op het moment van deze uitspraak 43.000 banen bij zouden komen, het faseverschil in één klap zou zijn weggewerkt. Was de uitspraak een aantal maanden later gedaan, dan was echter een ander cijfer genoemd. De 43.000 banen betreft dan ook een momentopname (standcijfer). Het is geen hard gegeven, maar een slechts beperkt houdbare indicatie van het economisch faseverschil. Het cijfer wordt beïnvloed door factoren als de conjunctuur, de mate waarin economische ontwikkeling in Noord-Nederland (on)gelijk op gaat met die in de rest van het land, ontwikkelingen van de (beroeps-) bevolking, etc. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de 43.000 banen zich moeilijk laten vergelijken met het aantal en type banen dat kan worden gecreëerd met behulp van Kompas. Kompas richt zich op bepaalde sectoren (stuwende werkgelegenheid), in bepaalde gebieden (met name de kernzones). Hoewel dit in de communicatie over de 43.000 banen wellicht niet altijd even duidelijk is geweest, hebben de 43.000 banen in principe betrekking op alle

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

41

sectoren van de economie, inclusief verzorgende werkgelegenheid, vakantiebanen, tijdelijke werkgelegenheid etc. Groei van het regionaal inkomen Bij de hoofddoelstelling gemeten in werkgelegenheid hoort de kanttekening dat werkgelegenheid maar één aspect is van economische ontwikkeling. Groei van het regionaal inkomen (Bruto Regionaal Product, BRP) is echter ook van belang om het economisch faseverschil weg te werken. Dit aspect zou meer nadruk in de doelstellingen verdienen 2 . Het belang van zaken als (arbeids-)productiviteitsgroei en innovativiteit wordt daarmee ook scherper aangezet. Expliciet opnemen van de groei van het BRP in de hoofddoelstelling heeft, in ieder geval in theorie, consequenties voor de inhoud van het programma, in het bijzonder voor de projectbeoordelingscriteria. Projecten dienen dan minder expliciet op werkgelegenheidseffecten te worden beoordeeld. Projecten op het gebied van procesinnovatie bijvoorbeeld, kunnen immers (in ieder geval op korte termijn) tot verlies van werkgelegenheid leiden door minder arbeidsintensieve productieprocessen. Ook initiatieven gericht op kwaliteitsverbetering van producten (in de brede zin, dus inclusief bijvoorbeeld het toeristisch product) hoeven niet per definitie tot meer werkgelegenheid te leiden, terwijl ze wel kunnen bijdragen aan het genereren van extra inkomen voor de regio. Voor de praktijk van de programma uitvoering zijn de gevolgen van het expliciet opnemen van inkomensgroei in de hoofddoelstelling beperkt. Ook nu al worden – ondanks de werkgelegenheidsfocus – projecten goedgekeurd die procesinnovatie en kwaliteitsverbetering stimuleren. Het niet geoperationaliseerde begrip “economische structuurversterking” speelt dan in de argumentaties vaak een belangrijke rol. Door groei van het regionaal inkomen in de Kompas doelstellingen op te nemen wordt dit aspect van economische structuurversterking beter geoperationaliseerd. Voor bedrijfsgerichte maatregelen dient in dat geval niet zozeer de werkgelegenheidsgroei bij deelnemende bedrijven te worden beoordeeld en gemonitord, als wel de omzetgroei. Structurele werkgelegenheidsgroei versus ID-banen De hoofddoelstelling kan in theorie ook worden behaald door het creëren van ID-banen. Dit is vanzelfsprekend niet de bedoeling van Kompas. Aan de hoofddoelstelling kan daarom worden toegevoegd dat de werkgelegenheidsdoelen vooral betrekking hebben op permanente, structurele werkgelegenheid. Hoofddoelstelling en de omgevingsmonitor Om de vorderingen van Noord-Nederland bij het inlopen van het economisch faseverschil te meten, worden negen omgevingsindicatoren gemonitord. Deze indicatoren geven inzicht in de structurele veranderingen in de Noordelijke economie over een langere periode. De keuze van de hoofdindicatoren geeft al aan dat de doelstellingen van Kompas breder zijn dan werkgelegenheid alleen. Verschillende elementen van economische structuurversterking zoals de sectorstructuur, mate van stuwendheid van de economie, mate van diversificatie van de economie en de innovativ iteit van het bedrijfsleven)
2

Zie ook: Kompas op koers en voldoende vaart? Plausibilititstoets Kompas voor het Noorden 2000-2006, NEI 2000

42

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

worden gemonitord. Zij benadrukken dat het Kompas tot doel heeft om structurele effecten te realiseren. Een concrete suggestie is om aan de set van indicatoren de ontwikkeling van het BRP per inwoner toe te voegen. Operationalisering Kompasbrede doelstellingen voor steden en landelijk gebied De Kompasbrede doelstellingen van sterke steden en een leefbaar landelijk gebied zijn niet duidelijk geoperationaliseerd in het Kompas. Het gevolg hiervan is dat investeringen die op het eerste gezicht “goed” lijken te zijn voor Noord-Nederland, niet kunnen worden gefinancierd omdat ze niet binnen het EZ./Kompas programma vallen. Hierdoor worden niet-economische projecten soms als economisch “verkocht”, hetgeen voor de effectiviteit van Kompas op de economische doelstellingen niet bevorderlijk is. Het verdient daarom aanbeveling om de Kompasbrede doelstellingen te operationaliseren, zoals dat ook voor de economische doelstellingen is gebeurd (in dat geval in termen van werkgelegenheid en economische structuurversterking, o.a. door het definiëren van de 9 hoofdindicatoren, voor sterke steden en een aantrekkelijk platteland zouden alternatieve indicatoren moeten worden geformuleerd). Duidelijker geoperationaliseerde Kompasbrede doelstellingen kunnen bijdragen aan een succesvollere implementatie van de Kompasbrede programmatische aanpak. Dan kan beter worden beargumenteerd waarom bepaalde projecten binnen Kompas (breed) thuis horen. Op die manier kunnen ook verzoeken om nationale cofinanciering van andere ministeries dan het Ministerie van EZ beter worden beargumenteerd. Voorbeelden van investeringen zijn in dat verband:

Investeringen in het stedelijk woonklimaat, in het bijzonder herstructurering van woongebieden in achterstandswijken en investeringen in openbare ruimte zonder toeristisch medegebruik (in woonwijken bijvoorbeeld). Voor het behalen van de economische hoofddoelstellingen van Kompas zijn dergelijke investeringen niet of nauwelijks relevant. De kwaliteit van woningen en woonomgeving in achterstandswijken in het stedelijk gebied zijn nauwelijks van invloed op de investeringsbeslissingen van bestaande en nieuwe stuwende bedrijvigheid en daarom niet vanuit de economische hoofddoelstelling van Kompas te beargumenteren. In het kader van een geoperationaliseerde sterke-steden-doelstelling kunnen dergelijke investeringen echter wellicht beter worden beargumenteerd. Het verdient aanbeveling dat SNN dit verder uitwerkt. ICT investeringen in het landelijk gebied. In de economische ijle gebieden van Noord-Nederland komen investeringen in IT-infrastructuur door de marktsector minder snel tot stand dan elders. Rijks- en Europees beleid staan subsidiëring van investeringen in ICT infrastructuur toe in perifere gebieden, als in de regio onvoldoende particuliere initiatieven zijn om te investeren. De economische hoofddoelstelling van het Kompas en het kernzonebeleid maken dat ontsluiting van plattelandsgebieden op dit moment niet tot de prioriteiten van het programma behoort. In het kader van geoperationaliseerde leefbaarheidsdoelstellingen voor plattelandsgebieden kunnen dergelijke investeringen wellicht beter worden beargumenteerd.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

43

3.2.2

Ontwikkelingen tot en met 2001 Lange termijn trends De 9 hoofdindicatoren die voor het Kompas-programma zijn geformuleerd geven op hoofdlijnen een goed beeld van de belangrijkste ontwikkelingen in de sociaaleconomische situatie in Noord-Nederland. Onderstaande tabel laat zien wat de stand van zaken op dit moment is (gebaseerd op cijfers 2001) en hoe de indicatoren zich hebben ontwikkeld (over de periode 1995-2001). Ze verschaffen inzicht in de structurele veranderingen in de Noord-Nederlandse economie. De cijfers hebben grotendeels betrekking op de periode voor uitvoering van het Kompas en geven daarom vooral weer hoe Noord-Nederland zich in de ISP-5 3 -periode ontwikkeld heeft.

Tabel 3.1

Ontwikkelingen in de 9 hoofdindicatoren Kompas over de periode 1995-2001 Hoofdindicator Verschil met NL (2001) 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Werkloosheid Werkgelegenheid Netto participatiegraad Sectorstructuur Stuwende karakter Verhoudingsgewijze toename ec. activiteiten in kernzones Verhoudingsgewijze toename ec. activiteiten in Noorden als geheel Diversificatie economie Innovativiteit Neutraal Trend (19952001) + + + + + + + -

Bron: ECORYS-NEI, Koers op het Noorden 2003

De volgende conclusies kunnen worden getrokken over de periode 1995-2001: • De werkloosheid nadert het landelijk niveau; • Een steeds groter deel van de potentiële beroepsbevolking participeert; • Het verschil in netto participatiegraad met Nederland wordt kleiner; • Het aandeel commerciële diensten in de sectorstructuur blijft nog steeds achter, maar het verschil wordt wel kleiner; • Het aandeel stuwende economische activiteiten blijft 2 procentpunt achter ten opzichte van landelijk niveau; • Er is sprake van een toename van economische activiteiten in de kernzones t.o.v. het landelijk gebied; • Er is eveneens sprake van een toename van economische activiteiten in NoordNederland ten opzicht van Nederland als geheel; • Innovativiteit blijft achter bij Nederland, evenals het aandeel hoger opgeleiden. Zeven van de negen hoofdindicatoren laten een redelijk positief beeld zien van de economische ontwikkelingen in Noord-Nederland ten opzichte van Nederland als geheel. Met name de indicatoren die zijn gebaseerd op werkgelegenheidscijfers ontwikkelen zich

3

Integraal Structuurplan Noorden des Lands

44

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

positiever dan in Nederland als geheel. (werkloosheid, werkgelegenheid, participatiegraad, sectorstructuur). Voor twee van de negen hoofdindicatoren wordt de achterstand met Nederland niet kleiner: innovativiteit en stuwende karakter economie. Dit is zorgelijk, aangezien het hier de indicatoren betreft die het meest over de ‘eigen kracht’ van de regionale economie zeggen. Ontwikkeling in de netto participatiegraad Van de negen hoofdindicatoren zegt de ontwikkeling in de netto participatiegraad het meest direct iets over de mate waarin het economisch faseverschil in termen van werkgelegenheid wordt ingelopen. Het faseverschil is verdwenen als de nettoparticipatiegraad in Noord-Nederland gelijk is aan die van Nederland als geheel. De netto participatiegraad geeft weer welk deel van de totale bevolking van 15 t/m 64 jaar werkt en houdt daarbij ook rekening met demografische ontwikkelingen. De netto participatiegraad wordt beïnvloed door enerzijds demografische ontwikkelingen in de beroepsbevolking (vergrijzing en ontgroening) en anderzijds door de ontwikkeling van het aantal werkzame personen. Dit laatste wordt beïnvloed door het Kompas programma. Het verschil in netto participatiegraad tussen Noord-Nederland en Nederland als geheel is 0,5% kleiner geworden tussen 1996 en 2000. Het tempo waarmee de arbeidsparticipatie jaarlijks (gemiddeld) groeit ligt in het Noorden (2,6%) evenwel boven landelijk niveau (2,3%). Als Noord-Nederland in dit tempo doorgroeit is het faseverschil in 2010 ongeveer gehalveerd. De cijfers voor 2000 en 2001 geven wellicht een wat rooskleuriger beeld dan de werkelijkheid. De Noord-Nederlandse economie loopt van oudsher een aantal jaren achter op de landelijke ontwikkelingen als gevolg van de afwijkende sectorstructuur. Nu de sectorstructuur meer naar het nationaal gemiddelde tendeert, is dit effect overigens waarschijnlijk minder dan voorheen. Het extra accent op stuwende werkgelegenheid en de concentratie van activiteiten in de kernzones zijn nieuwe elementen van de strategie t.o.v. het verleden, en kunnen een extra duw in de juist richting bewerkstelligen. Kompas: Noord-Nederland kloon van Nederland als geheel? De ontwikkelingen in de hoofdindicatoren worden vergeleken met die van Nederland als geheel. Ontwikkelingen richting nationaal gemiddelde worden positief beoordeeld. Bij verschillende partijen heeft dit de vraag opgeroepen of dit betekent dat er me t Kompas naar wordt gestreefd dat Noord Nederland een ‘kloon’ wordt van Nederland en of dit wenselijk is. Dit inderdaad niet wenselijk, maar deze conclusie dient ook niet te worden getrokken. Een voorbeeld ter toelichting. De indicator “diversificatie economische structuur” is geoperationaliseerd als “economische sectorstructuur meer richting het Nederlands gemiddelde”. Dit betekent niet dat de Noord-Nederlandse economie een kopie moet worden van de Nederlandse. Daarvoor is het niveau waarop deze indicator wordt gemonitord (9 SBI-codes) te grof. Het gaat er om dat Noord-Nederland vooral groeit in die bedrijfstakken waar het een concurrentieel voordeel heeft ten opzichte van

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

45

concurrerende regio’s gegeven de sterke en zwakke punten van het regionaal investeringsklimaat, én die er voor kunnen zorgen dat de werkgelegenheid in NoordNederland harder groeit dan in Nederland als geheel. Over het algemeen zijn deze bedrijfstakken vooral te vinden in de zakelijke dienstverlening, die nu nog ondervertegenwoordigd is in Noord-Nederland. Echter ook de verdere groei van industriële bedrijfstakken met groeipotenties kan positief hieraan bijdragen. 3.2.3 Toekomstverwachtingen, knelpunten en SWOT Korte termijn: periode van laagconjunctuur beïnvloedt uitvoering Kompas-programma Vanaf 2001 is de Nederlandse economie in een periode van neergaande conjunctuur beland. Ook de economie van Noord-Nederland ontkomt niet aan de economische tegenwind. Deze manifesteert zich onder meer in de volgende ontwikkelingen met directe gevolgen voor de uitvoering / voortgang van het programma in relatie tot het doel: • Minder grote investeringsbereidheid van het bestaand bedrijfsleven; • Minder grote verhuisgeneigdheid onder potentiële nieuwvestigers; • Meer nadruk op kostenbesparingen bij het bedrijfsleven, met negatieve gevolgen voor de werkgelegenheidsgroei; • Meer faillissementen; • Verhoudingsgewijs forse inkrimping van grootschalige productiebedrijven met laagwaardige activiteiten; • Afnemende druk op markt voor bedrijfslocaties. Natuurlijk zijn dit ontwikkelingen die tevens op nationaal niveau plaatsvinden. Het ontbreekt op dit moment aan vergelijkbare statistische gegevens om een uitspraak te doen over de verhouding tussen Nederland en Noord-Nederland. Op dit moment is niet met zekerheid aan te geven hoe lang de laagconjunctuur aanhoudt, maar de meest recente inzichten maken het aannemelijk dat deze een aanzienlijk deel (zeker 2 tot 3 jaar) van de programmaperiode zal beslaan. Laagconjunctuur en de hoofddoelstelling: nieuwe versus behouden werkgelegenheid De laagconjunctuur beïnvloedt de werkgelegenheidsontwikkeling in Noord-Nederland negatief. Daar waar de externe economische krachten aanvankelijk in dezelfde (groei) richting werkten als het programma, is dit inmiddels omgekeerd. Werkgelegenheidsgroei zal de komende paar jaar dan ook een zwaardere opgave zijn dan in de Kompasperiode tot 2001. Dit roept de vraag op of het dan niet zinvol is om de doelstellingen te herformuleren en, in plaats van het accent op nieuwe werkgelegenheid, meer nadruk te leggen op behoud van bestaande werkgelegenheid. Immers, als in Noord-Nederland meer werkgelegenheid behouden blijft dan in de rest van Nederland, wordt het economisch faseverschil ook ingelopen. Hoewel deze redenering op zich klopt, dreigt het gevaar juist bij activiteiten gericht op behoud van werkgelegenheid van korte termijn beleid, gericht op “levensverlenging” i.p.v. het “redden van levens” c.q. het “scheppen van nieuw leven”. Het is niet wenselijk dat Kompas gedurende een beperkte periode werkgelegenheid in stand houdt, die het op

46

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

langere termijn alsnog niet redt. De focus op nieuwe werkgelegenheid benadrukt wat dat betreft veel sterker de focus op economische structuurversterking en lange termijn werkgelegenheidseffecten. Daarnaast zitten er in de praktische uitvoering van het programma de nodige haken en ogen aan behoud van werkgelegenheid als doelstelling. Het gaat er dan vooral om hoe een dergelijke doelstelling te operationaliseren in werkbare projectbeoordelingscriteria. Is het al lastig om aan te geven hoeveel extra werkgelegenheid een project creëert, nog lastiger is het om aan te geven hoeveel werkgelegenheid als gevolg van een project behouden blijft. Het verdient daarom aanbeveling om de focus op nieuwe werkgelegenheid te behouden en geen doelstellingen te formuleren ten aanzien van het behoud van werkgelegenheid. Lange termijn: investeringsklimaat De korte termijn conjuncturele problemen mogen geen aanleiding zijn tot het veronachtzamen van de structuurcomponenten van de Noordelijke economie. Op basis van de Internationale Benchmark Regionaal Investeringsklimaat (NEI, 2001) is een knelpuntanalyse van het investeringsklimaat in Noord-Nederland opgesteld. Onderstaande figuur illustreert de elementen van het investeringsklimaat. De tabel geeft de belangrijkste structurele knelpunten weer en geeft aan op welke de strategie van het Kompas-programma inspeelt.
Figuur 3.2 Elementen regionaal investeringsklimaat
Perceptie Productiemilieu Marktrelaties
Afnemers Toeleveranciers Beleving (intern)

Arbeidsmarkt Imago Vestigingssituatie (extern)

Bedrijf

Zakelijke diensten Concurrentie Ondernemerschap Leefomgeving Infrastructuur

Beleid

Samenwerking Regionale overheid

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

47

Tabel 3.2

Knelpuntenanalyse regionaal investeringsklimaat Noord-Nederland Element regionaal investeringsklimaat Knelpunt Nee Ja Ja Ja Ja Nee Nee Ja Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Ja Ja Ja Ja Nee Nee Nee Ja Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee Element Kompas breed Element EZ/Kompas

Marktrelaties

Lokale zakelijke diensten Afzetmarkt, koopkracht Samenwerking tussen bedrijven Ondernemerschap/innovativiteit Toeleveranciers Concurrenten Houding van werknemers Beschikbaarheid personeel Opleidingsniveau Loonniveau Beschikbaarheid terreinen Kwaliteit bedrijventerreinen Prijs bedrijventerreinen Beschikbaarheid kantoorruimte Kwaliteit kantoorruimte Prijs kantoorruimte Bereikbaarheid via de weg Openbaar vervoer Vervoer door de lucht Goederenvervoer over spoor Vervoer over water Telecom / IT infrastructuur Onderwijsfaciliteiten Kenniscentra Woningaanbod Recreatieve voorzieningen Criminaliteit in leefomgeving Natuurlijke omgeving Stedelijke omgeving Houding van overheden Belastingklimaat Subsidies en premies

3 3 3

3 3 3

Arbeidsmarkt

3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3

Vestigingssituatie

Infrastructuur

Kennisinfrastructuur

Leefomgeving

Regionale overheid

3

3

De knelpuntenanalyse illustreert dat de belangrijkste knelpunten in het regionaal investeringsklimaat van Noord Nederland liggen op het terrein van: • Marktrelaties (beperkte omvang lokale afzetmarkt, gebrek aan ondernemerschap en innovativiteit en de beperkte beschikbaarheid van lokale toeleveranciers) • Arbeidsmarkt (beperkte beschikbaarheid van goed opgeleid personeel) • Infrastructuur (slechte bereikbaarheid van buiten de regio en slechte interne OVbereikbaarheid) • Kennisinfrastructuur (beperkte aanwezigheid kennisinstituten en gebruik daarvan door het regionaal bedrijfsleven). Overigens geeft bovenstaande tabel een macro beeld van Noord-Nederland als geheel. Bijvoorbeeld op het vlak van bedrijventerreinen kunnen zich op lokaal niveau wel knelpunten voordoen. De kwaliteit en beschikbaarheid van IT infrastructuur is voor het gros van de bedrijven geen knelpunt, voor een deel van het bedrijfsleven dit wel het geval.

48

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

De tabel illustreert dat vrijwel alle knelpunten in het regionaal investeringsklimaat met Kompas worden aangepakt. Additionele elementen Kompas breed t.o.v. EZ/Kompas zijn met name maatregelen gericht op: • Arbeidsmarkt: Hoewel een klein deel van de arbeidsmarktmaatregelen onder EZ/Kompas en EPD valt, heeft het grootste deel betrekking op SZW-beleid en ESFgeld; • Infrastructuur: Investeringen in weginfrastructuur en spoor vallen voor het overgrote deel buiten EZ/Kompas en EPD. Het betreft hier vooral projecten die door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat worden gefinancierd; • Wonen: ISV-middelen van het Ministerie van VROM. In de beoordeling van de relevantie van de verschillende typen maatregelen komen we nader te spreken over de relatie tussen de geconstateerde knelpunten en het gevoerde beleid. Consequenties voor de SWOT Als we de conjuncturele ontwikkelingen en de, ten opzichte van het moment waarop Kompas werd opgesteld, nieuwe informatie inzake het investeringsklimaat confronteren met de SWOT-analyses uit Kompas, dan leidt dit tot de volgende conclusies voor de SWOT: • De SWOT blijkt behoorlijk robuust te zijn: er zijn weinig elementen die niet meer van toepassing zijn. • Twee kansen zoals benoemd in de oorspronkelijke SWOT zijn in het licht van de conjuncturele ontwikkelingen minder actueel: de stijging van het aantal vacatures en de overloop van bedrijven uit de Randstad. Dit zijn in relatie tot het doel wel belangrijke kansen. • Het bovenstaand beeld wordt in grote lijnen bevestigd door een recent door het Ministerie van Economische Zaken opgestelde SWOT-analyse voor het Noorden vanuit nationaal perspectie f4 . Daarin wordt bij zwakte nog de vinger gelegd op het aanbod van technische opleidingen. Conclusies ten aanzien van doelbereiking op basis van analyse relevantie Zonder zicht op de effectiviteit van reeds uitgevoerde maatregelen en projecten kan nog geen definitieve uitspraak over de doelbereiking worden gedaan. Wel kunnen op basis van deze contextanalyse de volgende opmerkingen worden gemaakt: • De ontwikkelingen in de 9 hoofdindicatoren in de eerste jaren van programma uitvoering waren over het algemeen positief in relatie tot de doelbereiking van Kompas. Het doel is echter nog niet gerealiseerd. Belangrijk punt van zorg is vooral de achterblijvende innovativiteit; • Daar waar de externe krachten aanvankelijk in dezelfde (groei) richting werkten als het programma, is dit nu omgekeerd. Werkgelegenheidsgroei zal in de komende paar jaar een zwaardere opgave zijn dan in de periode tot 2001; • De SWOT-analyse uit de oorspronkelijke strategie is grotendeels nog actueel. De kansen ten aanzien van het stijgende aantal vacatures en de overloop van bedrijven uit de Randstad zijn nu veel onwaarschijnlijker;
4

Ministerie van Economische Zaken, Naar gebiedsgericht economische perspectieven. Landsdelige rapportage NoordNederland, Den Haag, binnenkort te verschijnen

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

49

• •

Het investeringsklimaat is in nationaal opzicht goed. Belangrijkste knelpunt wordt gevormd door de marktrelaties: de ‘ijle’ economie; Al met al lijkt er geen zwaarwegende reden om het Kompasdoel te wijzigen. Daarbij wordt aangetekend dat betrouwbare gegevens over de meest recente contextontwikkelingen niet voorhanden zijn. De ontwikkelingen in 2002 en 2003 zullen zeer bepalend zijn om in het licht van de gewijzigde omstandigheden met meer zekerheid een uitspraak over doelbereiking te kunnen doen. Het verdient daarom aanbeveling om hier in 2004 hier nog een goede analyse op uit te voeren. Een van de vragen in dat verband is dan of het Kompas-doel in 2006 toch bereikt zal kunnen worden, of dat er met vertraging rekening gehouden moet worden. Uitgaande van vooralsnog een ongewijzigd doel, verdient het aanbeveling om nog eens goed naar de huidige beleidsmix van het Kompas te kijken: hoe belangrijk en hoe urgent zijn de Kompas maatregelen in de huidige situatie, gegeven het doel? Dit is het onderwerp van de volgende paragraaf.

3.3 Beoordeling relevantie maatregelen
3.3.1 Belang versus urgentie In onderstaande beoordeling van de relevantie van het Kompasbeleid maken we een onderscheid tussen het belang en de urgentie van een maatregel. • Het belang betreft de inhoud van de maatregel. Een maatregel is van groter belang naarmate deze een grotere en meer structurele bijdrage levert aan het oplossen van wezenlijke knelpunten in het regionaal investeringsklimaat. Het gaat hier met name om de lange termijn bijdrage van de maatregelen aan de economische structuurversterking van Noord-Nederland. • Naast de inhoud van de maatregelen wordt de relevantie van de maatregel ook beïnvloedt door het moment waarop deze wordt uitgevoerd. We kijken daarom ook naar de urgentie van de maatregelen. Door met de timing van de verschillende onderdelen van het programma te schuiven kan wellicht beter worden ingespeeld op de huidige conjuncturele situatie en daarmee binnen de programmaperiode een maximale bijdrage worden geleverd aan het bereiken van de Kompas-doelstellingen. 3.3.2 Werklocaties De meest recente data voor bedrijventerreinen laten zien dat er voor de komende jaren (ca. 4 jaar) voldoende aanbod is om de vraag te kunnen accommoderen5 . Dat neemt niet weg dat zich lokaal wellicht knelpunten kunnen voordoen, met name lokaal binnen de kernzones Groningen-Assen, Zuid-Friese Stedenzone en Zuid-Drentse Stedenband waar de vraag naar terreinen de afgelopen jaren het grootst was. Het algemene beeld voor de bedrijventerreinen is echter: een belangrijk element van de Kompas-strategie, maar gezien de conjunctuur geen urgent knelpunt in het regionaal investeringsklimaat, zeker niet wat betreft de aanleg van nieuwe terreinen.

5

ECORYS-NEI, Koers op het Noorden, 2003

50

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Revitalisering van terreinen is met name van belang waar zich knelpunten voordoen voor bestaande bedrijven op verouderde terreinen. Dergelijke knelpunten leveren een negatieve bijdrage aan de economische ontwikkeling als de prestaties van gevestigde bedrijven onder de slechte huisvestingssituatie lijden en alternatieve locaties niet voorhanden zijn. De relevantie van revitalisering van terreinen voor het behalen van de economische Kompas-doelstellingen hangt daarom sterk af van de concrete projecten die worden uitgevoerd. Ook de mate waarin er nieuwe bedrijfsruimte vrijkomt op de gerevitaliseerde terreinen is hierop van invloed. Daarnaast levert dit type projecten een bijdrage aan duurzame ontwikkelingsdoelstellingen en doelstellingen op het gebied van ruimtegebruik en leefbaarheid. Deze zijn voor het behalen van de economische doelstellingen (inlopen van het faseverschil) van het Kompas minder direct relevant. De situatie op de kantorenmarkt wordt op korte termijn sterk beïnvloed door de tegenvallende conjuncturele ontwikkelingen. In het Kompas-programma wordt flink geïnvesteerd in stationslocaties, waarbij de Kompas-investeringen zich met name richten op investeringen in de openbare ruimte. Deze investeringen zijn voorwaardenscheppend voor kantoorontwikkelin g door marktpartijen. De relevantie van deze investeringen op korte termijn wordt vooral beïnvloed door de mate waarin er gegeven de afnemende druk vanuit de markt nog interesse bestaat bij marktpartijen om op dit moment nieuwe locaties te ontwikkelen. Daar waar dit niet het geval is neemt de korte termijn relevantie af. Op langere termijn is toename van het kantorenareaal relevant voor het accommoderen van groei in de zakelijke dienstverlening. In het algemeen zijn publieke investeringen daarbij relevanter naarmate ze marktpartijen ook daadwerkelijk over de streep trekken om in kantoorlocaties te investeren. De relevantie van publieke investeringen in de openbare ruimte dient uiteindelijk per project te worden bekeken. We komen hier in het hoofdstuk effectiviteit op terug. Als algemene conclusie voor de publieke investeringen in stationslocaties geldt hetzelfde als voor de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen: een belangrijk, maar tijdelijk minder urgent onderdeel van het Kompas-programma. 3.3.3 Bedrijfsgeric hte maatregelen De knelpuntenanalyse laat zien dat het meest wezenlijke knelpunt van het regionaal investeringsklimaat in Noord-Nederland ligt op het gebied van de marktrelaties – de “ijle economische structuur”. Het gaat dan vooral om de beperkte omvang van de lokale afzetmarkt, een (in ieder geval kwantitatief) gebrek aan ondernemerschap en innovativiteit en een beperkte beschikbaarheid van lokale toeleveranciers. Meer focus op het bestaande bedrijfsleven nodig Binnen de beleidsmix van het Kompas / EPD richten de bedrijfsgerichte maatregelen zich het meest direct op het knelpunt van de marktrelaties. We onderscheiden drie typen maatregelen: • Investeringspremieregelingen: subsidieregelingen voor investeringen in (fysieke) huisvesting en bedrijfsuitrusting van bestaande en nieuwe bedrijvigheid; • Diverse maatregelen en regelingen om de concurrentiekracht van het bestaande bedrijfsleven te versterken;

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

51

Stimuleringsmaatregelen voor bedrijven in de landbouwsector.

Gezien het belang van het oplossen van dit knelpunt voor de toekomstige economische ontwikkeling blijft dit type maatregelen onverminderd relevant. Gegeven de neergaande conjunctuur is met dit type maatregelen ook op korte termijn het meest te winnen in termen van bijdrage aan de structurele werkgelegenheidsdoelstellingen van het Kompasprogramma. In het huidige economische tij zijn maatregelen die direct ingrijpen op enerzijds de kostenkant en anderzijds de opbrengstenkant van het bestaand bedrijfsleven in onze visie het meest urgent in relatie tot de doelbereiking in 2006. Hierbij moet uitdrukkelijk worden aantekenen dat het om subsidies moet gaan die een bijdrage leveren aan het structureel verbeteren van de positie van het bedrijfsleven in termen van lagere kosten en hogere opbrengsten, door middel van verbeteringen in de bedrijfsvoering, het vinden van nieuwe markten en het ontwikkelen van nieuwe producten en productievere processen. Het gaat dus bijvoorbeeld niet om korte termijn loonkostensubsidies om de loonkosten van bedrijven naar beneden te brengen. Structurele maatregelen zijn maatregelen die via (bedrijfs)investeringen leiden tot blijvend lagere kosten dan wel hogere opbrengsten. Overigens is dit bedrijfseconomisch gezien het doel van het gros der investeringen door bedrijven. Lagere loonkosten? Recentelijk is een pleidooi gehouden om de loonkosten in Noord-Nederland onder het nationaal niveau te houden. 6 Economisch-theoretisch is dit een zinvolle suggestie: structureel lagere loonkosten voor vergelijkbare economische activiteiten geeft een concurrentievoordeel, zowel voor de zittende bedrijven als voor de regionale concurrentiepositie. En daar waar de arbeidsmarkt ruimer is dan elders, zou in een volledig vrije markteconomie het loon ook lager moeten zijn. Naarmate de arbeidsmarkt aantrekt bewegen de lonen zich dan overigens weer naar het gemiddeld niveau, hetgeen voor Noord-Nederland ook de bedoeling is. Echter: Nederland kent geen volledig vrijemarkteconomie. De CAO-lonen worden op nationaal niveau afgesproken tussen werkgevers en werknemers, regionale verbijzondering is niet aan de orde en valt bovendien buiten de directe invloedssfeer van regionale overheden. Een tweede opmerking in dat verband is de vraag voor welk type bedrijven het zinvol is om op langere termijn de loonkosten te drukken. De verplaatsing van grootschalige productieactiviteiten waarvoor een laag opleidingsniveau volstaat verplaatsen zich naar Oost-Europa of Zuidoost-Azië. Op langere termijn zal het Noordelijk bedrijfsleven nooit kunnen concurreren op loonkosten met deze landen en dit ondermijnt de effectiviteit van een dergelijke strategie. Bij laagconjunctuur juist structureel kosten en opbrengsten beïnvloeden De laagconjunctuur, die zich vertaalt in geringe productiegroei en verslechterde winstgevendheid, heeft een drukkend effect op de investeringsbereidheid van het bedrijfsleven. Teruglopende aanwascijfers van het aantal bedrijven en startersaandelen illustreren dit ook. De omzetten van veel bedrijven hebben sterk te lijden onder de teruglopende conjunctuur. Ook de mobiliteit van bedrijven (de bereidheid om te verhuizen) is op dit moment lager.
6

Jouke van Dijk, RuG, in de regionale pers

52

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

IPR extra relevant ondanks mogelijk verminderde vraag Verminderde investeringsbereidheid onder het bedrijfsleven werkt direct door in het gebruik van de investeringspremieregelingen. Zowel de IPR-uitbreiding als de IPRvestiging hebben direct te lijden onder de economische neergang. Vooral beïnvloeding van de locatiekeuze van bedrijven van buiten de regio (IPR-vestiging) wordt in de huidige context lastiger, door de afgenomen bereidheid onder bedrijven om te verhuizen. Ook bij het bestaand bedrijfsleven loopt de investeringsbereidheid terug. Hoewel dit gevolgen zal hebben voor het gebruik dat wordt gemaakt van de regelingen neemt de relevantie ervan in principe alleen maar toe. Regelingen als de IPR zijn relevanter naarmate de premie meer invloed heeft op de investeringsbeslissing van bedrijven. In de huidige periode van lage investeringsbereidheid hebben additionele, bedrijfsexterne investeringsprikkels meer invloed op investerin gsbeslissingen dan in een periode van hoge investeringsbereidheid. De mate waarin de uitputting van de IPR en andere regelingen uiteindelijk onder de gewijzigde economische situatie zal gaan lijden, hangt er vooral vanaf hoelang de neergaande conjunctuur aanhoudt. In de eerste jaren van uitvoering van de IPR was het aantal aanvragen overigens nog een stuk hoger dan verwacht. Selectieve LPR nuttige toevoeging aan bedrijfsgerichte regelingen In 2002 is de Loonkostenpremieregeling (LPR) ingevoerd. De regeling subsidieert loonkosten bij deelnemende bedrijven. Het kan gaan om zowel nieuwvestigers als bestaand bedrijfsleven. Een dergelijke maatregel is alleen relevant – mede in het licht van bovenstaande discussie over lagere loonkosten in Noord-Nederland – als hij selectief is. Deze selectiviteit komt deels naar voren uit de eis dat minimaal 20 arbeidsplaatsen dienen te worden gecreëerd. Belangrijker is evenwel het type bedrijven dat wordt ondersteund. De regeling richt zich op bedrijven die niet zozeer investeren in fysiek kapitaal als wel in menselijk kapitaal. Het gaat daarom vooral om bedrijven in de hoogwaardige industrie of zakelijke dienstverlening. Bevorderen van de groei van dergelijke bedrijven past goed binnen de Kompas doelstellingen, gericht op werkgelegenheidsbevordering, versterking van de sectorstructuur en bevorderen van stuwende bedrijvigheid. De LPR is daarmee een nuttige toevoeging aan de mix van bedrijfsgerichte maatregelen binnen Kompas. Bedrijfsgerichte maatregelen extra relevant in huidig e economische context Vooral de concurrentiekracht versterkende maatregelen gericht op het bestaande bedrijfsleven beoordelen we in de huidige economische context als extra relevant (onder meer M2.2 Generieke stimulering vernieuwing MKB en M2.3.e Tenderprocedure). Het meest relevant zijn maatregelen en projecten die ofwel bijdragen aan het verlagen van de kosten van bedrijven ofwel bijdragen aan het verhogen van de opbrengsten: • Aan de kostenkant gaat het met name om lagere personeelskosten (per eenheid product, dus feitelijk gaat het hier om de arbeidsproductiviteit) en lagere productiekosten; • Aan de opbrengstenkant gaat het met name om het aanboren van nieuwe markten en het ontwikkelen van nieuwe producten.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

53

Aan lagere personeelskosten (door minder personeel, of door efficiënter om te gaan met bestaand en nieuw personeel) wordt ook bijgedragen door de arbeidsmarktmaatregelen in het Kompas-programma (o.a. professionalisering human resourcebeleid in het MKB). Zie pararaaf 3.3.6. Mogelijkheden om met overheids ingrijpen bij te dragen aan lagere productiekosten liggen op het terrein van ondersteuning bieden bij technologische vernieuwing, het invoeren van kwaliteitszorg, vernieuwing van productiemethoden, het gebruik van ICT en het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven, sectorsgewijs maar ook bijvoorbeeld door samenwerking van bedrijven die op hetzelfde bedrijventerrein zijn gevestigd (parkmanagement). Dit zijn tevens belangrijke voorwaarden om te komen tot vernieuwende activiteiten. Zeker (proces)innovatie , waarmee arbeidsproductiviteitsstijgingen en loonkostenbeheersing te realiseren zijn, verdienen bijzondere aandacht in een tijd waarin een sterker accent ligt op kostenbeheersing. Binnen het programma wordt aan deze aspecten aandacht besteed middels verschillende regelingen (NIOF) en maatregelen (in het bijzonder M2.2. Generieke stimulering MKB, en de activiteiten onder maatregel 2.3). Het aanboren van nieuwe markten leidt tot hogere opbrengsten en minder kwetsbaarheid van het bestaand bedrijfsleven. In deze zin winnen binnen de huidige economische context acties die gericht zijn op het stimuleren van export, naar de rest van Nederland en naar het buitenland, aan relevantie. Dergelijke activiteiten zijn met name ondergebracht onder M2.2. Generieke stimulering MKB (onder meer initiatieven van de Kamer van Koophandel, Stichting DAGIN en MKB-Noord). Daarnaast kunnen ook nieuwe markten worden aangeboord door de ontwikkeling van nieuwe producten. Uit alle analyses blijkt dat de innovatiegraad binnen het noordelijk bedrijfsleven in nationaal opzicht laag is. En deze achterstand wordt ook niet ingelopen. Dit is een punt van zorg. Maatregelen gericht op het stimuleren van productvernieuwing blijven daarom onverminderd relevant. Juist in dit kader zijn ook de veelgenoemde, maar weinig gevonden vraaggestuurde, vanuit de markt / het bedrijfsleven afkomstige initiatieven van belang en in de huidige context extra relevant. Het zijn immers vooral de bedrijven zelf die zouden moeten inspelen op de kansen die de markt biedt. Daarnaast zijn ook de maatregelen die zijn gericht op bevorderen van de kenniseconomie in Noord-Nederland van belang. Een vraag daarbij is in hoeverre de kennisinstituten in het Noorden (kunnen) voorzien in de vraag vanuit het regionale bedrijfsleven. Bedrijven zelf geven in het algemeen aan de kennis te halen daar waar de kennis én de organisatie voorhanden is. Dit is zeker niet noodzakelijkerwijs aan de regio (lees Noord-Nederland) gebonden. Zo bezien kan de vraag gesteld worden in hoeverre zwaar moet worden ingezet op het steunen van noordelijke kennisinstituten, dan wel dat moet worden ingezet op het ondersteunen van bedrijven om de relevante ondersteuning te halen daar waar die het beste is. Een tweede punt van overweging is om als overheid in de rol van opdrachtgever innovatie te stimuleren, iets wat de overheid in relatie tot bijvoorbeeld beleidsonderzoek

54

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

al doet. Dit verdient evenwel nadere analyse en uitwerking (zie ook de paragraaf over kennisinfrastructuur). Een derde punt in dat verband betreft de toegang van het MKB tot hoogopgeleid personeel. Mede uit de sectordoorlichtingen die in de vorige programmaperiode zijn uitgevoerd komt naar voren dat dit in veel sectoren een aandachtspunt is (onder meer chemie- en kunststoffenindustrie, metale ctro, ICT, MERA). Eén van de manieren om hier aan tegemoet te komen is het gebruik maken van kennisdragers (studenten, afstudeerders, recent-afgestudeerden, postdocs en promovendi). Uit de sectordoorlichtingen komt het beeld naar voren dat er op dit punt winst te boeken is. Naast activiteiten op het gebied van het inzichtelijk maken van het aanbod aan typen kennisdragers in de regio en afstemming tussen provincies en relevante kennisinstellingen7 , kan in dat verband ook worden gedacht aan een Noordelijke KIM regeling. Deze zou er op gericht moeten zijn de innovativiteit van het Noordelijk bedrijfsleven te versterken door het subsidiëren van het tijdelijk inschakelen van ‘kennisdragers’ voor het gericht doorvoeren van innovaties in het MKB.8 Toegevoegde waarde M2.3.e Tenderprocedure beperkt De bedrijfsgerichte projecten onder maatregel M2.2 Generieke stimulering MKB zijn vooral afkomstig van de intermediaire en semi-publieke organisaties (KvK, Syntens etc.). Maatregel 2.3.e De Tenderprocedure is in het leven geroepen om de zogenaamde ‘restvraag’ naar bedrijfsgerichte projecten te accommoderen, onder meer vanuit het bedrijfsleven. De Tenderprocedure is hierin slechts beperkt succesvol. Inhoudelijk verschillen de projecten onder maatregel M2.3.e Tenderprocedure en die onder maatregel M2.2 Generieke stimulering MKB niet fundamenteel van elkaar. Inhoudelijk is de toegevoegde waarde van de Tenderprocedure dan ook beperkt en hadden de projecten ook onder M2.2 kunnen vallen. Van de op het moment van evalueren goedgekeurde projecten zijn er slechts een aantal direct afkomstig vanuit het bedrijfsleven (Conoinnovator, Noordelijk Alliantie Verfindustrie, Samenwerking Industriële Productontwikkelaars Noord-Nederland). Het belangrijkste verschil ten opzicht van de overige bedrijfsgerichte maatregelen is de wijze waarop de maatregel wordt uitgevoerd - via een tenderprocedure. Een tenderprocedure in algemene zin is een procedures die een opdrachtgever kan hanteren om opdrachtnemers voor een bepaalde opdracht te selecteren. De opdrachtnemer die het best aan de eisen van de opdrachtgever voldoet, gemeten naar vooraf geformuleerde criteria zoals prijs en kwaliteit, wint de tender. Op deze manier worden de principes van marktwerking in acht genomen bij de aanbesteding van overheidsopdrachten. De tenderprocedure beoogt om op een soortgelijke manier te werken zoals hierboven beschreven. Belangrijk verschil is dat de verschillende indieners onder de tender nauwelijks concurreren om dezelfde opdracht. De opdracht (“Gerichte stimulering van het bedrijfsleven”) is zodanig breed, dat de ingediende projectvoorstellen zich onderling lastig laten vergelijken en prioriteren. Bovendien gaat een tenderprocedure uit van een zodanig groot aantal potentiële opdrachtnemers dat er per tenderronde wat te kiezen valt.
7 8

Bureau Bartels, Sectordoorlichting MERA- bedrijven in Noord-Nederland, januari 1999 Bureau Bartels, Evaluatie van de KIM regeling, februari 2000

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

55

Dit is voor M2.3.e tot nu toe maar beperkt het geval. De tenderprocedure wordt hierdoor in feite een ‘gewone’ maatregel, zij het met een beperkt aantal momenten waarop projecten kunnen worden ingediend. Een ander verschil ten slotte is dat M2.3.e. Tenderprocedure wordt uitgevoerd door SNN UO in plaats van door de provincies. Projectindieners dienen hun project direct in bij de SNN UO. Daar is slechts zeer beperkte capaciteit aanwezig om projectindieners te ondersteunen bij de totstandkoming van hun projectvoorstel. Omdat de Tenderprocedure beoogt om de restvraag naar projecten, en met name die vanuit het bedrijfsleven, te accommoderen is de beperkte begeleiding van projectindieners een zwak punt. Een geconstateerd knelpunt bij de totstandkoming van vraaggestuurde projecten vanuit het bedrijfsleven is immers het gebrek aan ervaring en vaardigheden binnen bedrijven om een projectvoorstel te schrijven en de behoefte aan meer betrokkenheid van projectverwervers op dit vlak (zie Hoofdstuk 6 Uitvoering). De tenderprocedure voegt hierdoor weinig toe aan de projectmogelijkheden binnen M2.2 Generieke stimulering MKB en vervult nauwelijks de beoogde vangnetfunctie voor de restvraag, vooral niet als het gaat om samenwerkingsprojecten vanuit het bedr ijfsleven. Bedrijfsgerichte maatregelen in de landbouwsector Een sterke land- en tuinbouw is een van de deeldoelstellingen van het Deelprogramnma landelijk gebied. De bedrijfsgerichte landbouwmaatregelen L.1.1 en L.1.3 leveren hier binnen Kompas de belangrijkste bijdrage aan. Verbreding en versterking/vernieuwing zijn de hoofdelementen van de strategie. In het kader van de Kompashoofddoelstelling nemen de landbouwmaatregelen een wat afwijkende plaats in. Waar het voor het overgrote deel van het Kompas programma gaat om het creëren van nieuwe werkgelegenheid en bedrijvigheid, zijn de landbouwmaatregelen vooral gericht op behoud van bedrijvigheid en, voor zover mogelijk, van werkgelegenheid. Vanwege de verwevenheid van de landbouw met de rest van de Noord-Nederlandse economie, in het bijzonder de agrobusiness (toeleverende en verwerkende industrie), is behoud van bedrijvigheid in de landbouw wel van belang voor de werkgelegenheidsperspectieven en de groeimogelijkheden in deze aanpalende sectoren. Voorwaarde is dan wel dat de landbouwsector levensvatbaar is en voldoende marktgericht. Hier richt de maatregel gericht op versterking/vernieuwing van de landbouw zich op. Deze doelstelling is en blijft relevant, mede in het licht van de verdergaande hervormingen van het EU landbouwbeleid, gericht op liberalisatie en concurrentiekracht. In het bijzonder relevant zijn maatregelen die zich richten op integratie binnen de productieketen, en versterking van de relatie tussen de primaire sector en de verwerkende industrie (onder meer zuivel , suiker- en aardappelzetmeelindustrie), maatregelen die bijdragen aan een efficiëntere verwerking van landbouwproducten en een efficiënter grondgebruik. Dergelijke initiatieven kunnen bijdragen aan kostenverlagingen en daarmee aan behoud van werkgelegenheid in de landbouwsector. In dat kader blijven ook initiatieven die zich richten op het verhogen van de voedselveiligheid van belang. Daarnaast blijft het van belang om in te zetten op enerzijds versterking van de positie van Noord-Nederland ten aanzien van vrije markt producten (zoals snijbloemen, bollenteelt)

56

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

en anderzijds de Brusselse ondersteuningsproducten zo efficiënt en veilig mogelijk te produceren. Ook verbreding door verdere groei van de glastuinbouw past binnen deze strategie en blijft relevant. In het kader van de verbreding van de landbouw wordt binnen Kompas ingezet op diversificatie bij agrarische ondernemingen in de niet-agrarische sfeer. Initiatieven gericht op bijvoorbeeld het stimuleren van agrotoerisme, verkoop van streekeigen producten aan huis en combinatie van landbouw en zorg zijn in dat verband relevant. 3.3.4 Toeristische maatregelen Een flink deel van EZ/Kompas is gericht op verdere ontwikkeling van de toeristische sector. De toeristische sector maakt op dit moment 5% uit van de werkgelegenheid in Noord-Nederland9 . De gemiddelde werkgelegenheidsgroei in het toerisme bleef in de periode na 1996 met 3,4% iets voor bij het gemiddelde groeicijfer van 3,1% voor de Noord-Nederlandse economie als geheel. Daarmee behoort toerisme tot de snelst groeiende sectoren in Noord-Nederland. Tegelijkertijd moet ook worden geconstateerd dat de groei en het aandeel van de sector in de totale werkgelegenheid in Noord-Nederland achterblijft bij die van Nederland als geheel. Het feit dat de Noord-Nederlandse werkgelegenheid juist harder zou moeten groeien dan die van Nederland, gecombineerd met het relatief kleine werkgelegenheidsaandeel van 5%, relativeert het belang van de toeristische sector voor het behalen van de Kompashoofddoelstelling. Niettemin blijft toerisme een groeisector en gaat het in absolute termen om flink wat banen. Daarom blijft het relevant om met Kompas-middelen in het toerisme te investeren. Verdere ontwikkeling van het toerisme draagt tevens bij aan diversificatie van de economische structuur, wat vooral van belang is voor de opvang van het verlies aan arbeidsplaatsen in de landbouwsector. Ook op basis hiervan zijn maatregelen gericht op verdere ontwikkeling van het toerisme nog steeds relevant. Zowel de KITS-regeling als de overige toeristische bedrijfsgerichte maatregelen leggen een sterk accent op kwaliteitsverbetering. Een belangrijk deel van deze middelen gaat naar verbetering van accommodaties. Groei in de toeristische sector moet uiteindelijk vooral komen van meer en/of langer verblijvende bezoekers. Genoeg accommodaties van goede kwaliteit zijn hiervoor een belangrijke noodzakelijke voorwaarde maar niet voldoende. Daarvoor zijn ook investeringen in het toeristisch product (attracties in brede zin) van belang. Naarmate maatregelen meer bijdragen aan uitbreiding en diversificatie van het toeristisch product, beoordelen we ze daarom als relevanter. Een groot deel van de middelen binnen deelprogramma Land gaat naar verbetering van de toeristisch-recreatieve infrastructuur. Toeristisch-recreatieve infrastructuur is een breed begrip waar veel verschillende typen initiatieven kunnen worden ondergebracht. De maatregelen winnen aan relevantie naarmate het plausibeler is dat de investeringen direct of indirect leiden tot meer en/of langer blijvende bezoekers. Onder meer bij investeringen
9

Op basis van definities zoals gebruikt door Toerdata Noord

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

57

in openbare ruimte, culturele voorzieningen en verbetering van de watersportmogelijkheden, maar ook bijvoorbeeld fietspaden, moet hier goed naar worden gekeken. Watergebonden toerisme maakt een belangrijk onderdeel uit van het toeristisch product van Noord-Nederland. Wat betreft de aanwezige vaarinfrastructuur kunnen drie systemen worden onderscheiden: • het Friese Merengebied met zijn uitlopers; • het Drents-Friese toervaarnet (Turfroute e.d.); • het Drents-Groningse toervaarnet (Veenkoloniën en omgeving). In termen van vaarbewegingen is het Friese Merengebied verreweg het belangrijkste. Met name het Drents-Groningse toervaarnet is nog sterk onderontwikkeld. Vanuit de ontwikkeling van de regionale economie is het het meest zinvol daar te investeren waar de meeste extra vaarbewegingen door bezoekers van buiten de regio te realiseren zijn. Het Kompas richt zich vooral op het Friese Merengebied. Het betreft hier voor het grootste deel investeringen die van belang zijn voor het behoud van de concurrentiepositie van het Friese Merengebied, en voor extra werkgelegenheid zullen zorgen10 in een orde van grootte van 580 – 700 fte’s. Daarmee is een totaal investeringsvolume gemoeid van 260 miljoen euro. Kosten per netto arbeidsplaats bedragen ca. 370.000 – 450.000 euro, hetgeen in dezelfde orde van grootte ligt als de overige toeristische projecten binnen Kompas (zie hoofdstuk 5 Efficiency). In aanvulling hierop zou in het kader van Kompas kunnen worden bekeken of investeringen in het Groningen / Drentse Toervaartnet kunnen worden gefinancierd. De toervaart is een groeimarkt onder invloed van onder meer de vergrijzingstrend en kan mede uit oogpunt van de relatief hoge bestedingen per bezoeker interessant zijn voor de economische en toeristische ontwikkeling van Noord-Nederland. Dat zou nader kunnen worden onderzocht in het kader van een landsdelige visie op de toeristisch infrastructuur en beter inzicht in de bijdrage van investeringen in vaarinfrastructuur aan de economische structuur van de regio en de te verwachten werkgelegenheidseffecten op langere termijn. 3.3.5 Kennisinfrastructuur Marktgerichte innovatie is een activiteit waarbij het Noorden achterblijft. Dat is een punt van zorg, zeker bij een teruglopende conjunctuur. Succesvolle marktgerichte innovaties worden gerealiseerd door de juiste combinatie van ondernemerschap en kennis. Het verder ontwikkelen van de kennisinfrastructuur in Noord-Nederland is één van de aspecten die in dit verband van belang zijn. De beperkte aanwezigheid van kennisinstituten in het Noorden wordt door de Noordelijke ondernemers als zwak punt aangemerkt. Tegelijkertijd wordt evenwel door bedrijven (niet specifiek overigens in Noord-Nederland) aangegeven dat de directe nabijhei van kennisinstituten in het d algemeen geen zwaarwegende locatiefactor is. Je ‘haalt’ kennis niet iedere dag, zodat de kwaliteit en de marktgerichtheid van kennisinstituten belangrijker is dan de nabijheid. Maatregelen ter versterking van de kennisinfrastructuur zijn op zich heel belangrijk, en ook urgent in relatie tot het doel, maar wel onder de voorwaarde dat ze aansluiten bij de
10

TERP Advies, Effecten Friese Merenproject, Amersfoort, Maart 2002

58

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

behoefte van het bedrijfsleven. De maatregelen dienen vraaggestuurd te zijn, niet aanbodgestuurd. Dit betekent vooral een insteek via de bedrijven, hetgeen niet in eerste instantie via de kennisinstituten hoeft te lopen. Dus geen (fysieke) investeringen in campus ontwikkeling, onderzoeksinfrastructuur etc., maar het accent leggen op bedrijfsgerichte maatregelen. Een probleem hie rbij voor het Noorden in vergelijking met bijvoorbeeld de ‘erkende’ kennisregio Eindhoven is het ontbreken van (een) specifieke cluster(s) met enige massa. Wel zijn er aanknopingspunten in activiteiten op het gebied van agrobusiness, ICT, biomedische ontwikkelingen en chemie. In aanvulling op de huidige beleidsmix van Kompas kan daarom worden gedacht aan: • “Kennisinstituutgerichte maatregelen” (als tegenhanger van de bedrijfsgerichte maatregelen): hierbij gaat het er om kennisinstituten aan te moedigen en te begeleiden bij het vergroten van de toepassingsgerichtheid van hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, bijvoorbeeld door te werken met het afsluiten van prestatiecontracten (ook met kennisinstituten buiten Noord-Nederland) ten aanzien van het aantal diensten dat wordt verleend aan Noordelijke bedrijven. Daarbij moet wel worden gekeken in hoeverre dit kan binnen met Europese aanbestedingsregels. • Investeringen in Technocenters à la soortgelijke initiatieven in Nordrhein Westfalen: R&D centra waarin (commerciële) onderzoeksinstellingen en de universiteit samenwerken. De overheid kan hier in faciliterende zin een rol spelen, door het beschikbaar stellen van grond, bij te dragen aan eventuele noodzakelijke aanleg van infrastructuur etc. • Nadere uitwerking van de aanbeveling om als overheid de rol van “launching customer” op te pakken. Een eerste stap is het identificeren van thema’s waarop de overheid deze rol op zich zou kunnen nemen. Selectiecriteria hiervoor zijn [1] diensten en producten die de overheid zelf kan gebruiken en [2] producten en diensten die de overheid helpen om beleidsdoelstellingen te verwezenlijken (bijvoorbeeld onderzoek naar de mogelijkheden om de veiligheid in de voedselketen, te verbeteren, bijvoorbeeld via gewasontwikkeling). Een tweede stap is het bepalen van de doelgroep en het opstellen van een shortlist met Noordelijke bedrijven. Onderdeel hiervan is in kaart brengen hoe zich dit verhoudt tot de Europese aanbestedingsregels. 3.3.6 Arbeidsmarkt Een deel van de arbeidsmarktmaatregelen valt onder het Kompasbrede programma, een deel valt onder het EZ/Kompas programma. Kompas-breed De arbeidsmarktmaatregelen binnen het Kompasbrede programma richten zich met name op de sociale kant van de arbeidsmarktproblematiek: sluitende aanpak, sociale activering en reïntegratie, uitstroombevordering vanuit gesubisidieerde arbeid en het creëren van extra ID-banen. Vanuit de vooral sociale doelen die deze maatregelen dienen, winnen deze maatregelen de komende periode aan relevantie, gegeven de huidige sociaaleconomische context van toenemende werkloosheid.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

59

EZ/Kompas Binnen EZ/Kompas vallen de volgende drie maatregelen: • M.3.1.a. Vraaggerichte scholing; • M.3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt; • M.3.2.d. Scheppen nieuwe werkgelegenheid. De projecten in het kader van de vraaggerichte scholing van werknemers moeten voor een belangrijk deel worden gefinancierd uit de nationale ESF doelstelling 3 middelen en worden via de sectorale opleidings- en ontwikkelingsfondsen verdeeld. De voortgang van deze maatregel is slecht, met name als gevolg van uitvoeringstechnische problemen (zie Hoofdstuk Uitvoering). Zeker gezien de teruglopende conjunctuur staat de relevantie ervan echter niet ter discussie. Vraaggerichte scholing is belangrijk en urgent, want ook nu nog is er sprake van moeilijk vervulbare vacatures. Daarnaast is ook verhoging van het kwalificatieniveau van werkenden belangrijk vanwege de bijdrage aan het vergroten van de regionale concurrentiekracht. Echter, indien de uitvoering niet op korte termijn verbeterd wordt, verdient het aanbeveling om de arbeidsmarktmaatregelen binnen het EZ/Kompas eveneens op korte termijn te heroverwegen. Gedacht kan worden aan het combineren van arbeidsmarktmaatregelen met bedrijfsgerichte maatregelen, bijvoorbeeld innovatie en opleiding. Het aspect ‘opleiding’ is in Kompas (ten onrechte) onderbelicht, zo werd tijdens de Strategiedag ook enkele malen geconstateerd. Met name de uitvoeringsgerelateerde problemen in deze maatregel dienen te worden opgelost, doorgaan op de huidige voet is zinloos. Onder verbetering werking arbeidsmarkt vallen projecten die zich richten op het professionaliseren van het human resource beleid, het ondersteunen van experimenten gericht op matching van vraag en aanbod en afstemming van beroepsgericht onderwijs en bedrijfsleven. Deze maatregel maakt het mogelijk om met EFRO- en EZ-geld bij te dragen aan de regionale arbeidsmarktproblematiek. Een belangrijk onderdeel van de maatregel is de HRM regeling, die zich met name richt op professionalisering van het HRM beleid in het MKB. De inhoud van de maatregel is op zich relevant. Wel kan worden opgemerkt dat deze maatregel de kern van de regionale arbeidsmarktproblematiek niet raakt. De maatregel is vooral relevant als flankerend beleid bij scholings- en opleidingsprojecten. De acties op het gebied van scheppen van nieuwe werkgelegenheid hebben tot doel om het aantal langdurig werklozen te verminderen door het ontwikkelen van nieuwe werkgelegenheidsinitiatieven, zowel reguliere als gesubsidieerde arbeid. De acties binnen deze maatregel zijn met name relevant voor de werkgelegenheid van mensen met een lang afstand tot de arbeidsmarkt. Deze acties blijven relevant, en winnen gezien de sociaal-economische context aan urgentie. 3.3.7 Infrastructuur De bereikbaarheid van Noord-Nederland vanuit de economische kerngebieden gegeven de relatief grote fysieke afstanden blijft een van de zwakke elementen van het regionaal investeringsklimaat. Dit element is slechts in beperkte mate op te lossen door verbeteringen in de weginfrastructuur. Op regionale schaal is de afwezigheid van congestie één van de positieve aspecten van het regionaal investeringsklimaat van Noord-

60

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Nederland. Juist vanwege de matige bereikbaarheid van buiten de regio, is het van belang om knelpunten in de weginfrastructuur binnen de regio tijdig weg te nemen, zodat dit comparatieve voordeel ten opzichte van andere regio’s behouden blijft. Het moet dan wel gaan om delen in het wegennet die vanuit de economisch ontwikkelingsperspectief van belang zijn Dit betreft met name de (internationale) hoofdtransportassen en de verbindingen tussen de economische kernzones, die overigens in belangrijke mate samenvallen. Knelpunten doen zich voor op de A7, op de A28 ten noorden van Zwolle (niet in Noord-Nederland gelegen, maar voor de bereikbaarheid wel van belang) en in het wegennet rond Groningen en Leeuwarden. De voorgenomen investeringen in deze weginfrastructuur blijven relevant. Kompasbreed verdient het daarom aanbeveling er zwaarder op in te zetten dat in het kader van de Langmanafspraken en de prioritering in het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) in de A28 wordt geïnvesteerd. 3.3.8 ICT infrastructuur Het gebruik van ICT toepassingen door het regionaal bedrijfsleven is relatief beperkt in het Noorden, terwijl dit voor een structurele groei van het regionaal bedrijfsleven wel van belang is. Het is en blijft daarom van belang om de vraagzijde – het gebruik van ICT – door het regionaal bedrijfsleven te stimuleren. Kompas en EPD bieden hier voldoende mogelijkheden toe binnen de bedrijfsgerichte maatregelen. Op langere termijn is het uit oogpunt van gebruik ook van belang dat de ICT infrastructuur op peil blijft. Op dit moment wordt de aansluiting van Noord-Nederland op ICT infrastructuur niet slecht beoordeeld door het regionaal bedrijfsleven. Als de bedrijfsgerichte maatregelen en autonome ontwikkelingen in het bedrijfsleven inderdaad leiden tot toenemend gebruik van ICT door het Noordelijk bedrijfsleven, dan zijn op langere termijn verdere investeringen in de Noordelijke ICT infrastructuur evenwel noodzakelijk. Door de sterke teruggang van de ICT markt en door de economische laagconjunctuur zijn de marktvooruitzichten voor kabelaanbieders op de ICT-markt slecht. Noodzakelijke investeringen ICT infrastructuur kunnen daardoor onder druk komen te staan. Het gaat dan bijvoorbeeld om verdere uitbreiding van het glasvezelnetwerk, het geschikt maken van de telefooncentrales voor ADSL (dit speelt m.n. in het landelijk gebied) en het aanleg van coaxkabel. De aanleg van ICT-infrastructuur is primair voorbehouden aan marktpartijen. Onder voorwaarden is het echter mogelijk, dat de overheid de aanleg van ICT-infrastructuur subsidieert. Het verdient aanbeveling om daar waar nodig binnen deze marges uit EZ-Kompas- en EPD-middelen investeringen in de ICT-infrastructuur te ondersteunen op basis van een toekomstvisie ICT-infrastructuur Noord-Nederland. Vanuit de hoofddoelstelling van het Kompas zijn investeringen in de kernzones het meest van belang, omdat ze bijdragen aan een verdichting van de ijle economische structuur in Noord-Nederland. ICT-ontsluiting van bedrijventerreinen, kantoorlocaties en kennisinstellingen zijn concrete voorbeelden van investeringen die in het kader van Kompas en EPD zouden kunnen worden ondersteund.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

61

3.3.9

Stedelijk leefklimaat Stedelijk leefklimaat EZ/Kompas We besteden in deze paragraaf apart aandacht aan de relevantie van investeringen binnen EZ/Kompas in het stedelijk leefklimaat voor het inlopen van het economisch faseverschil. N.B. Het gaat hier niet over het Deelprogramma Stad als geheel, dat immers veel breder is dan alleen investeringen in het stedelijk leefklimaat. Het gaat hier specifiek over de relevantie van projecten op het gebied van centrumplannen, investeringen in openbare ruimte, upgrading van winkelcentra e.d. We gaan apart in op dit type projecten omdat uit de gevoerde gesprekken het beeld naar voren komt dat er voor de resterende periode de nodige projectideeën op dit vlak te verwachten zijn. Het aantal projecten dat zich tot het moment van evalueren heeft aangediend is nog zeer beperkt. Investeringen in het stedelijk leefklimaat binnen EZ/Kompas zoals hierboven beschreven worden vanuit twee invalshoeken gemotiveerd: • Het belang van een aangenaam stedelijk leefklimaat en goede kwaliteit van openbare ruimte en stedelijke voorzieningen als vestigingsplaatsfactor voor bedrijven; • Het belang van goede kwaliteit van de stedelijke leefomgeving voor de verdere ontwikkeling van het toerisme. Stedelijk leefklimaat als vestigingsplaatsfactor In de hiërarchie van vestigingsfactoren of factoren die de investeringsgeneigdheid van bedrijven beïnvloeden staat de kwaliteit van de stedelijke omgeving niet bovenaan. Zoals reeds werd geconstateerd in paragraaf 3.1 wegen andere knelpunten in het Noorden zwaarder: • Marktrelaties: Omvang afzetmarkt, weinig ondernemerschap en innovativiteit, beperkte beschikbaarheid lokale toeleveranciers. • Arbeidsmarkt: Gebrek aan beschikbaarheid goed opgeleid personeel; • Kennis: Zwakke relatie bedrijfsleven met de aanwezige kennisinfrastructuur, zowel private als publieke kennisinfrastructuur; Ook een aantal positieve punten van het regionaal investeringsklimaat weegt zwaarder dan de kwaliteit van de (stedelijke) leefomgeving: • (Goedkope) ruimte voor economische activiteiten • Aantrekkelijke (landelijke) leefomgeving, rust, ruimte en groen In relatie tot het doel, het wegwerken van het faseverschil, zijn investeringen in het stedelijk leefklimaat relevant als daardoor de ontwikkeling van c.q. de aantrekkingskracht op de stuwende zakelijke dienstverlening versterkt wordt. Echter, de ontwikkeling en vestiging van stuwende zakelijke diensten staat in directe relatie met de omvang van de markt voor deze diensten. De kwaliteit van de stedelijke omgeving is alleen relevant bij een locatiebeslissing binnen het relevante marktgebied, dus binnen het Noorden. Slechts voor de nationaal opererende zakelijke diensten met één vestiging concurreert het Noorden met andere delen van het land, met name de Randstad. Het betreft hier een zeer kleine populatie, waarvoor de autonome concurrentiepositie van Noord-Nederland vanwege de ligging ten opzichte van het zwaartepunt van de markt zwak is en zal blijven.

62

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Belangrijker is derhalve om de omvang van de markt te vergroten: de economische massa te versterken. Hie rvoor zijn andere maatregelen relevanter, zeker in de huidige economische context. Stedelijk leefklimaat en toerisme Investeren in de kwaliteit van het stedelijk leefklimaat is alleen van belang voor de verdere ontwikkeling van het toerisme in die steden waar nu al een bepaalde massa aan toerisme en toeristische potentie is. De kwaliteit van de openbare ruimte en stedelijke voorzieningen maakt immers deel uit van het toeristisch totaalproduct. In steden met een zekere massa aan toerisme kunnen investeringen in openbare ruimte en stedelijke voorzieningen relevant zijn. Andersom werkt het echter niet. In gebieden zonder toeristische attracties of potenties leiden investeringen in het stedelijk leefklimaat niet tot extra bezoekers. Grote projecten en andere dan economische doelen Tot slot kan nog worden opgemerkt dat bij grootschalige projecten waarbij een bepaald deelgebied vanuit de ernst van de sociaal-economische problematiek als het ware wordt ‘omgedacht’, investeringen in de openbare ruimte en (stedelijke) leefomgeving wel effectief kunnen zijn, zij het weer in combinatie met andere investeringen, bijvoorbeeld in toeristische infrastructuur. Dergelijke projecten zijn echter uitzonderingen en dus schaars. Als voorbeeld kan worden genoemd het project de Blauwe Stad in Oost-Groningen. Stedelijk leefklimaat Kompas-breed Investeringen in het stedelijk leefklimaat kunnen vanuit andere dan economische doelstellingen wel relevant zijn. We hebben het dan Kompas-breed onder andere over de inzet van ISV-middelen op het gebied van verbeteren van woonvoorzieningen. In dat verband kunnen investeringen in stedelijk leefklimaat wel relevant zijn. Dergelijke investeringen vallen buiten het EZ/Kompas programma.

3.4 Relevantie Kernzonebeleid
Op zich onderschrijven we het bele id van Noord-Nederland om de economische activiteiten te concentreren in kernzones vanuit de gedachte dat overheidsinvesteringen in de verschillende elementen van het productiemilieu het meeste rendement opleveren als ze worden gepleegd in gebieden waar de meeste economische ontwikkelingspotenties zijn. In het Noorden zijn dit met name de kernzones. De ruimtelijke concentratie strategie is daarom feitelijk niet meer en niet minder dan het faciliteren van economische groei in die delen van het Noorden waar de groei qua volume toch al het meest kansrijk is. Analyse van de ruimtelijk-economische ontwikkelingen in Nederland van de afgelopen jaren11 toont aan dat de sterkste groei zich voordoet aan de (inter)nationale transportassen en de daaraan gelegen steden c.q. knooppunten. Tijdens de strategiedag die in het kader van de Kompasevaluatie is georganiseerd, is ook duidelijk naar voren gekomen dat daar de prioriteiten gelegd moeten worden: de kans om meer economische massa te realiseren
11

Ministerie van Economische Zaken, Naar Gebiedsgerichte Economische Perspectieven, Den Haag, binnenkort te verschijnen; Elsevier, Toplocaties, 2002

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

63

is daar het grootst. Met name zijn genoemd (en dit wordt door de bronnen als genoemd in de voetnoot onderschreven) de A28-zone Meppel-Hoogeveen-Assen-Groningen en de A7-zone Heerenveen-Drachten-Groningen (met een aftakking naar Leeuwarden). Bij de vraag of alle vijf kernzones in relatie tot de economische ontwikkeling even relevant zijn kunnen daarom wel een paar kritische kanttekeningen worden gemaakt. Met name geldt dit voor het Eemsmond gebied. Hierin wordt al ruim 10 jaar flink geïnvesteerd door de overheid hetgeen zich tot op heden nauwelijks vertaalt in duidelijke economische groei in deze zone. Wel geldt voor de Eemsmond dat Delfzijl een van de weinige plaatsen in Nederland is waar planologisch plaats is voor chemische industrie. Dit geeft een argument voor een soort ‘status aparte’. De Westergozone (met name buiten Leeuwarden) is naar onze mening geen gebied waarin een dusdanige economische massa is, alsmede een dermate gunstige ligging dat dit vanuit economische ontwikkelingsperspectief een speciale status verdient12 . Op zich is dus vanuit het oogpunt van het efficiënt inzetten van overheidsmiddelen ter versterking van het investeringsklimaat en (daarmee) vergroten van de economische massa het inzetten op kernzones een begrijpelijke en verdedigbare keuze. Naar onze mening is vanuit de economische component de keuze voor de Westergozone buiten Leeuwarden niet onderbouwd, en is de keuze voor de Eemsmond sterk gerelateerd aan de planologische ruimte voor de chemie.

3.5 Conclusies Relevantie
Het stimuleren van stuwende bedrijvigheid loopt als een rode draad door alle maatregelen van Kompas heen, meer dan in vorige periodes van regionaal beleid in Noord-Nederland. Dit aspect van de strategie blijft onverminderd relevant. De achterblijvende economische ontwikkeling in Noord-Nederland wordt voor een belangrijk deel verklaard door het relatief lage aandeel stuwende bedrijven. Op zich is voldoende aanbod van verzorgende bedrijvigheid (lokale financiële dienstverlening, detailhandel, gezondheidszorg) een belangrijke vestigingsplaatsfactor voor stuwende bedrijvigheid en daarmee ook van belang voor de economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Echter, voor verzorgende bedrijvigheid is de omvang van de lokale afzetmarkt de dominante groeifactor terwijl voor stuwende bedrijvigheid veel meer factoren een rol spelen. Verzorgende bedrijvigheid volgt uiteindelijk vooral de ontwikkelingen in stuwende sectoren. Stimuleren van stuwende bedrijvigheid blijft daarom een effectieve en efficiënte strategie. In de huidige sociaal-economische context gaat het er daarbij vooral om het bestaande bedrijfsleven stuwender te maken. Ook de keuze voor een ruimtelijke concentratiestrategie (het kernzone-beleid) blijft relevant. Gegeven de ijle economische structuur van Noord-Nederland leveren investeringen het meeste rendement op in gebieden met de meeste economische ontwikkelingspotenties en waar agglomeratievoordelen kunnen worden gerealiseerd. Er

12

Idem

64

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

bestaan in dat opzicht wel verschillen tussen de vijf kernzones. De Eemsmond dankt de status van kernzone vooral aan het feit dat Delfzijl één van de weinige gebieden is in Nederland waar planologisch plaats is voor de chemische industrie. Een deel van de Westergozone (het deel buiten Leeuwarden) is geen gebied met een dusdanige economische massa en een dermate gunstige ligging dat hier vanuit economisch ontwikkelingsperspectief speciale kansen liggen.
Tabel 3.3 Samenvatting Beoordeling Relevantie maatregelen Kompas Relevantie Belang Werklocaties Nieuwe terreinen Revitalisering terreinen Stationslocaties Bedrijfsgericht IPR vestiging IPR uitbreiding NIOF Bedrijfsgericht overig Landbouw Arbeidsmarkt HRM regeling Vraaggest. scholing Kennisinfrastructuur Toerisme Bedrijfsgericht Infrastructuur Stedelijk leefklimaat Kompas totaal Groot Groot Matig Groot Redelijk Redelijk Laag Hoog Matig Groot Groot Laag Hoog Hoog Groot Groot Groot Groot Groot Hoog Hoog Hoog Hoog Hoog Groot Groot Groot Laag Laag Laag Urgentie

Ten aanzie n van de concrete maatregelen in de EZ/Kompas beleidsmix blijft het grootste deel ook in de resterende programmaperiode relevant voor de structurele economische ontwikkeling van Noord-Nederland. Binnen de beleidsmix van EZ/Kompas zijn alleen investeringen in het stedelijk leefklimaat minder relevant. Het gaat dan om investeringen in centrumplannen, openbare ruimte, winkelcentra en cultuur-historisch erfgoed zonder toeristische potenties. In de hiërarchie van vestigingsfactoren of factoren die de investeringsgeneigdheid van bedrijven beïnvloeden wegen de eerder genoemde knelpunten in het Noorden zwaarder. Stedelijke investeringen in werklocaties en investeringen die voor de ontwikkeling van het toerisme blijven wel van belang. De sociaal-economische context waarbinnen het Kompas wordt uitgevoerd maakt een aantal maatregelen urgenter dan bij de aanvang van het programma. De omslag van hoogconjunctuur naar laagconjunctuur heeft negatieve invloed op de investeringsbereidheid van het bedrijfsleven, binnen Noord-Nederland en daarbuiten. De verhuisgeneigdheid van bedrijven neemt af. Economische groei zal de komende periode

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

65

daarom vooral van het bestaande bedrijfsleven in Noord-Nederland moeten komen. De maatregelen die zich op het bestaande bedrijfsleven richten worden daarom urgenter. Het gaat dan vooral om de IPR uitbreiding en om bedrijfsgerichte projecten die bedrijven ondersteunen bij het vinden van nieuwe markten, innovatie van producten en processen en verbetering van de bedrijfsvoering. De acties dienen gericht te zijn op structurele verlagingen van de kosten dan wel verhoging van de opbrengsten. Investeringen in kennisinfrastructuur en het gebruik daarvan door het MKB en investeringen in bedrijfshuisvesting voor kennisintensieve bedrijven worden ook urgenter, evenals arbeidsmarktmaatregelen op het gebied van vraaggerichte scholing en opleiding. Daarnaast is binnen de sociaal-economische context een aantal maatregelen minder urgent. Het gaat dan vooral om aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen en ontwikkeling van kantoorlocaties. Het belang van dergelijke investeringen staat niet ter discussie, wel de urgentie in de komende periode. Een goede fasering is nu belangrijk en de sociaal-economische context biedt mogelijkheden om investeringen in terreinen en locaties te temporiseren. De doelstellingen Kompas breed zijn breder dan economische doelstellingen alleen. Indien sterke steden en een leefbaar platteland zelfstandige doelstellingen zijn en niet in dienst hoeven te staan van het wegwerken van het economisch faseverschil kunnen investeringen in het stedelijk leefklimaat voor de Kompas brede doelstellingen wel relevant zijn. Ze vallen dan buiten het EZ/Kompas programma. Daarnaast bevat het Kompas brede programma een aantal maatregelen die niet onder EZ/Kompas vallen, maar voor de economische doelstellingen van het programma wel belangrijk zijn. Dit betreft vooral de investeringen in weginfrastructuur. Van belang voor de economische ontwikkeling van Noord-Nederland zijn met name de A28/A37 en A6/A7.

66

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

4 Effectiviteit

4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk staat de effectiviteit van het programma centraal. De vraag die hier wordt beantwoord, is of met de behaalde effecten de doelstellingen van het programma worden bereikt. Onderstaande figuur geeft dit weer.
Figuur 4.1 Evaluatie van de effectiviteit

Impact SWOT UITVOERING Resultaten

Doelen

Inputs

Projecten

Outputs

EFFICIENCY

RELEVANTIE

EFFECTIVITEIT

We beoordelen in deze evaluatie de effectiviteit op twee niveaus: • Effectiviteit op het EZ/Kompas-niveau De evaluatie op EZ/Kompas-niveau geeft aan welke bijdrage EZ/Kompas levert aan de hoofddoelstelling van het inlopen van het economisch faseverschil, gekwantificeerd als 13.000 – 23.000 additionele werkgelegenheid als gevolg van het Kompas; • Effectiviteit op maatregelniveau De effectiviteit op EZ/Kompas-niveau bouwen we op vanuit de effecten van de verschillende typen maatregelen, zoals deze worden onderscheiden in het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006. Hiermee verschaffen we inzicht in de effectiviteit van de verschillende typen maatregelen en de mate waarin verschillende maatregelen bijdragen aan het bereiken van de Kompas-doelen. Waar nuttig en nodig staan we binnen de verschillende typen (bijvoorbeeld bedrijfsgerichte maatregelen) stil bij de specifieke maatregelen (bijvoorbeeld M.1.2.b IPR, M.2.2 generieke vernieuwing MKB, etc.).

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

67

Per type maatregel bevat dit hoofdstuk de volgende informatie: • Financiële voortgang: Geen effecten zonder projecten. Daarom beginnen we elke paragraaf met een analyse van de financiële voortgang; • Outputs: De uitgevoerde projecten resulteren in concrete outputs, datgene dat met de projecten is gerealiseerd (een bedrijventerrein, een deelnemend bedrijf, etc.); • Effectiviteit: De outputs leiden direct of indirect tot de gewenste effecten. We besteden kwantitatief aandacht aan de werkgelegenheidseffecten en kwalitatief aan overige economische effecten. Een aantal opmerkingen vooraf:

Focus op werkgelegenheidseffecten. Het succes van het Kompas programma wordt afgemeten aan de gerealiseerde werkgelegenheidseffecten. Het inlopen van het economisch faseverschil met de rest van Nederland is in de eerste plaats in werkgelegenheid uitgedrukt. Ook in de prestatieafspraken met het Ministerie van EZ en de Europese Commissie spelen de werkgelegenheidseffecten een belangrijke rol. Belangrijk is evenwel op te merken dat werkgelegenheid in vrijwel alle gevallen een resultante is van andere economische effecten, in het bijzonder van toegenomen vraag naar producten en diensten, die leidt tot meer omzet en productie, waarbij in veel gevallen (maar niet altijd) meer mensen nodig zijn om deze te realiseren. Bijdrage aan economische structuurversterking. Om een te eenzijdige focus op werkgelegenheidseffecten te voorkomen besteden we per type project ook aandacht aan de bijdrage die wordt geleverd aan economische structuurversterking. Hierbij komen aspecten aan bod als de mate waarin wordt bijgedragen aan het versterken van de stuwendheid van de Noord-Nederlandse economie en hoe blijvend de verwachte effecten zijn. Termijn waarop de effecten zich manifesteren: verwachte effecten versus gerealiseerde effecten. Op het moment van evalueren zijn nog nauwelijks effecten gerealiseerd. Daarom is het beter om te spreken van verwachte effecten. Ook als projecten en programma zijn afgerond dient echter nog geruime tijd te worden gesproken van verwachte effecten. Lang niet alle 13.000 - 23.000 additionele banen uit de Kompas doelstelling zullen in 2006 (of in 2008, als de projecten zijn afgerond) zijn gerealiseerd. Feitelijk zijn dan de voorwaarden geschapen voor het realiseren deze banen. Een deel zal al voor 2006 zijn gerealiseerd, een deel pas (lang) daarna. Additionaliteit: effecten Kompas bovenop autonome ontwikkeling. Hierbij besteden we in kwalitatieve zin aandacht aan: • Deadweight: de mate waarin de effecten zich ook zonder Kompas hadden voorgedaan; • Displacement: de mate waarin projecteffecten ten koste gaan van andere geografische gebieden binnen Noord-Nederland of daarbuiten; • Substitutie, de mate waarin projecteffecten ten koste gaan van andere bedrijven en sectoren binnen Noord-Nederland. Geen effecten zonder projecten: financiële voortgangsgegevens. De gepresenteerde financiële voortgangscijfers zijn gebaseerd op de financiële tabel in het Kompas programma. Omdat de publieke cofinanciering van onder meer regiona le en lokale

68

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

overheden met het nodige voorbehoud in het Kompas programma is opgenomen, baseren we de financiële voortgang op de voortgang van de EZ-middelen in EZ/Kompas.

Rekenmethoden en stappen in Bijlage 2. Uit oogpunt van leesbaarheid hebben we ervoor gekozen om in de hoofdtekst de beschrijvingen van rekenmethodes en stappen voor het bepalen van de economische effecten zoveel mogelijk te beperken. Bijlage 2 bevat een beschrijving van de wijze waarop we tot de verwachte netto werkgelegenheidseffecten zijn gekomen. De stappen uit het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006 vormen hierbij de leidraad. Gebruikte gegevens uit het monitoringsysteem: nadruk op output-gegevens. Het monitoringsysteem van de SNN UO bevat naast financiële data en gegevens over verwachte outputs ook verwachte bruto werkgelegenheidseffecten per project. De gegevens zijn afkomstig van de projectaanvragers. De outputgegevens zijn over het algemeen betrouwbaar en goed bruikbaar. Met name het inschatten van werkgelegenheidscijfers is voor projectaanvragers echter vaak lastig en de betrouwbaarheid van deze cijfers is daardoor meestal relatief beperkt. Bij het bepalen van de netto werkgelegenheidseffecten zijn we daarom zoveel mogelijk uitgegaan van de gegevens over te realiseren outputs, en NIET van de bruto werkgelegenheidseffecten zoals ingeschat door de projectaanvragers. Op basis van aanvullende gegevens uit projectdossiers, telefonische interviews met projectuitvoerders, kengetallen en aannames en stappen uit het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006 zijn op basis van de te realiseren outputs de netto werkgelegenheidseffecten berekend. Omdat de bruto gegevens wel worden gerapporteerd in onder meer de jaarverslagen presenteren we deze wel steeds aan het begin van elke paragraaf. “Monitoringgegevens versus evaluatiegegevens: wie heeft er gelijk?” In een ideale wereld gebruikte iedereen dezelfde begrippen, definities, rekenmethodes en aannames bij het bepalen van de economische effecten van regionaal beleid. Er zou dan geen verschil bestaan tussen uitspraken over de verwachte effecten of deze nou worden gedaan door beleidsmakers, programma uitvoerders of evaluatoren. Dit is helaas niet het geval. Belangrijk is om te benadrukken dat de gegevens die SNN presenteert in haar voortgangsrapportages monitoringgegevens zijn. Monitoringgegevens geven op hoofdlijnen een beeld van de voortgang van het programma. Eigenschappen van monitoringgegevens zijn dat ze snel beschikbaar zijn en makkelijk meetbaar. Het gaat daarom bijvoorbeeld om bruto gegevens afkomstig van projectuitvoerders. De cijfers die we in dit rapport presenteren zijn evaluatiegegevens. Deze zijn minder snel beschikbaar, er ligt meer onderzoek aan ten grondslag en ze geven uiteindelijk een beter onderbouwd beeld van de daadwerkelijk te verwachten effecten. Monitoringgegevens wijken per definitie af van evaluatiegegevens. Er is dus geen sprake van foutieve informatie als monitoringgegevens afwijken. Belangrijk is wel om altijd helder voor ogen te hebben welke gegevens worden gehanteerd. Begrippenkader: bruto, netto, additionele, directe en indirecte effecten. In het licht van het hierboven genoemde punt en om Babylonische spraakverwarringen over bruto, netto, additionele, directe en indirecte effecten te voorkomen bevat Bijlage 1 een begrippenkader met definities en uitleg over de gehanteerde begrippen.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

69

Mid term evaluatie: het betreft een tussenstand. Om toch een beeld te krijgen van de mogelijke eindstand wordt aan het eind van dit hoofdstuk de tussenstand doorgetrokken tot een mogelijke eindstand door de effecten tot nu toe te vermenigvuldigen met de nog te committeren middelen op het moment van evalueren.

4.2 Werklocaties
4.2.1
Tabel 4.1

Financiële voortgang
Financiële voortgang werklocatie maatregelen # projecten Totaal committering Totaal committering EZ/Kompas M.1.1.a. Aanleg bedrijventerreinen M.1.1.b. Revitalisering bedrijventerreinen M.1.2.c. Bedrijfshuisvesting S.3.1. Vernieuwing stationsgebieden 10 3 1 5 19 Bron: SNN UO • 57.657.630 17.624.999 11.596.353 59.411.717 146.290.699 13.039.790 1.423.709 2.507.930 2.686.374 19.657.803 29% 7% 84% 17% 23% % uitputting EZ/Kompas

De maatregelen op het gebied van werklocaties laten in totaal een achterblijvende financiële voortgang zie n. Dit geldt met name voor M1.1.a en M1.1.b met respectievelijk 29 en 7% van het beschikbare EZ-budget gecommitteerd. Het gaat in totaal om 13 projecten. Werklocatieprojecten onder S.3.1 hadden in principe ook onder M1.1.a of b. kunnen worden ondergebracht. Deze maatregel laat dientengevolge een voorspoedige financiële voortgang zien.

4.2.2

Outputs Onderstaande tabel geeft de verwachte outputs van de tot nu toe gecommitteerde werklocatieprojecten weer.

Tabel 4.2

Verwachte outputs werklocatieprojecten Doel 2000-06 M.1.1.a M.1.1.b M.1.2.c M.1.2.c S.3.1 S.3.1 Aantal ha nieuw aangelegd netto uitgeefbaar bedrijventerrein Aantal ha bruto gerevitaliseerd bedrijventerrein Aantal ge-/verbouwde bedrijfsgebouwen Aantal m2 gerealiseerde starterscentra Aantal m2 a.g.v. project nieuw ontwikkeld bruto kantooroppervlak Aantal m2 a.g.v. project gerenoveerd bruto kantooroppervlak 1.000 1.100 10 200.000 200.000 106 176 7.220 216.500 5.800 11% 16% 0% n.v.t. 108% 3% Invulling Realisatie

Bron: Monitoringsysteem SNN UO

70

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Het aantal nieuw en gerevitaliseerd hectaren bedrijventerrein is in lijn met het gecommitteerde bedrag (zie vorige paragraaf) en loopt als geheel achter bij het doel. De bedrijventerreinprojecten bestaan uit onder meer nieuw gemengd bovenregionaal bedrijventerrein (Kie, Emmtec, Fivelpark), nieuwe nat bedrijventerrein (onder meer bulkopslaghaven in de Eemshaven, aanlegsteigers en kade in Harlingen) en revitalisering van gemengde terreinen in Leeuwarden, Opsterland en nat terrein in de Eemshaven en Schipsloot. Bij het hoge aantal hectare bruto gerevitaliseerd bedrijventerrein dient de kanttekening te worden gemaakt dat voor het realiseren van additionele werkgelegenheid vooral de extra ruimte als gevolg van de revitalisering van belang is. Dit betreft een relatief klein deel van het totaal aantal ha bruto gerevitaliseerd bedrijventerrein. De achterblijvende voortgang van revitaliseringsprojecten wordt deels verklaard door de lange voorbereidingstijd van dergelijke projecten, onder meer vanwege de betrokkenheid van private partijen. De indruk op basis van de gevoerde gesprekken met onder meer de betrokken gemeenten is dat een aantal revitaliseringsprojecten inmiddels in ver gevorderd stadium verkeert en dat daarmee de verwachte voortgang voor de resterende programmaperiode goed is. Het geplande aantal nieuw ontwikkelde bruto kantooroppervlakte is inmiddels al gehaald als de goedgekeurde projecten volgens plan worden uitgevoerd. Het bela ngrijkste kantorenproject is de ontwikkeling van Europapark, een bovenregionaal kantorenpark in het zuidoosten van de stad Groningen. Andere projecten betreffen onder meer ontwikkeling van kantoor-/ stationslocaties in Leeuwarden, Heerenveen en Hoogeveen. Met Kompas worden overigens geen directe investeringen in de kantoren zelf gedaan, deze komen voor rekening van de private sector. De publieke bijdrage wordt gebruikt voor het scheppen van de noodzakelijke voorwaarden voor ontwikkeling van locaties door pr ivate ontwikkelaars. De Kompas-investeringen hebben betrekking op onder meer het bouwrijp maken en aanleggen van ontsluitende infrastructuur. Daarnaast worden binnen M.1.1.a een onderzoek naar superbreedbandverbinding en een aantal meer algemeen infrastructuurachtige projecten uitgevoerd, onder meer ontsluiting van een bedrijventerrein en de aanleg van een verkeersbrug.

4.2.3

Effectiviteit Omvang van de effecten Onderstaande tabel bevat de bruto economische effecten van de werklocatieprojecten op basis van de gegevens in het monitoringsysteem.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

71

Tabel 4.3

Verwachte bruto economische effecten werklocaties Doel 20002006 Bruto gecreëerde werkgelegenheid (fte’s) Behouden werkgelegenheid (fte’s) Tijdelijke werkgelegenheid (arbeidsjaren) Omvang uitgelokte investeringen (mln euro) Totale investeringen (mln euro) Bron: SNN UO 36.650 25.000 9.200 150 777 Stand per december ‘02 11.721 4.225 5.117 263 262 32% 17% 56% 176% 34% Realisatie%

Gebaseerd op de gegevens in het monitoringsysteem dragen de werklocatieprojecten bij aan 11.721 fte bruto gecreëerde werkgelegenheid en 4.225 fte behouden werkgelegenheid. Deze aantallen zijn in lijn met het gecommitteerde bedrag. Naast structurele werkgelegenheid dragen de projecten bij aan tijdelijke werkgelegenheid, tot nu toe meer dan voorzien. Uit hoofde van de hoofddoelstellingen van Kompas zijn de tijdelijke werkgelegenheidseffecten overigens minder interessant. Daarnaast wordt ingeschat dat de werklocatieprojecten bijdragen aan het uitlokken van 236 mln euro uitgelokte investeringen. Van bruto naar netto werkgelegenheidseffecten De bruto cijfers hebben betrekking op alle werkgelegenheid die is gevestigd op de betreffende locaties. Het betreft voor een belangrijk deel bedrijvigheid die reeds in Noord-Nederland is gevestigd. Voor de beoordeling van de effectiviteit in relatie tot het kwantitatieve doel van EZ/Kompas is alleen de nieuwe werkgelegenheid interessant. Dit betreft werkgelegenheid bij bedrijven die zich van buiten Noord-Nederland op de ondersteunde terreinen vestigen en werkgelegenheid als gevolg van locatievoordele n. Dit zijn effecten die het gevolg zijn van factoren als verbeterde bereikbaarheid, grotere bedrijfsruimte of een beter imago van de nieuwe locatie. Waar deze factoren leiden tot kostenverlagingen en / of omzetstijgingen gaan hier positieve werkgelegenheidseffecten aan gepaard. Houden we hier rekening mee dan komen we op een totaal netto werkgelegenheidseffect voor de tot nu toe gecommitteerde werklocatieprojecten van 1.610 fte netto gecreëerde werkgelegenheid.
Tabel 4.4 Verwachte netto werkgelegenheidseffecten werklocaties Totaal netto werkgelegenheid Bedrijventerrein (nieuw) Bedrijventerrein (gerevitaliseerd) Bedrijfsverzamelgebouwen Kantoorlocaties Werklocaties totaal 560 160 40 850 1.610 % Totaal netto werkgelegenheid 12% 4% 1% 19% 36% Aandeel budget EZ Kompas (publiek) 23% 5% 1% 5% 34%

Opmerking bij de kwantitatieve werkgelegenheidseffecten van werklocaties: werklocaties creëren op zich geen nieuwe werkgelegenheid, maar accommoderen deze.

72

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Binnen de systematiek van monitoring en effectmeting zoals die in Kompas wordt gehanteerd leveren ze weliswaar een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de werkgelegenheidsdoelstellingen, maar daar gaan altijd investeringen bij bedrijven aan vooraf. De werkgelegenheidseffecten van bedrijventerreinenprojecten mogen daarom niet los worden gezien van andere maatregelen binnen het programma. Op de gerevitaliseerde terreinen gaat het naast nieuwe banen ook om behouden werkgelegenheid. Dit betreft werkgelegenheid bij bedrijven die zonder revitalisering het Noorden zouden hebben verlaten of zodanig sterk gehinderd zouden zijn in hun bedrijfsvoering dat dit op termijn klanten, omzet en uiteindelijk werkgelegenheid zou kosten. Hoewel op schaal van individuele terreinen aanzienlijk (doel van 25.000 betreft de optelsom van alle werkgelegenheid op te revitaliseren terreinen) zijn de werkgelegenheidseffecten op regionale schaal beperkt. Bijdrage aan economische structuurversterking Werklocaties dragen bij aan economische structuurversterking als er zich stuwende bedrijven vestigen, die zich zonder de terreinen niet in Noord-Nederland hadden gevestigd, onvoldoende fysieke ruimte hadden gehad om verder te groeien, of met andere knelpunten te kampen hadden gehad zoals slechte bereikbaarheid, slecht imago etc. De bijdrage aan economische structuurversterking van werklocatieprojecten is groter naarmate ze daadwerkelijk een knelpunt oplossen voor bedrijven. In kwantitatieve zin is het ruimteprobleem op regionale schaal in Noord-Nederland beperkt 13 . Lokaal is er nog wel sprake van knelpunten. De meeste goedgekeurde Kompas projecten zijn gericht op het oplossen van deze lokale knelpunten. De bijdrage van deze projecten aan economische structuurversterking wordt daarom positief beoordeeld. Ook de ligging van de terreinen in de kernzones draagt hier aan bij. Termijn waarop de effecten zich manifesteren Het grootste deel (orde van grootte van 80-90%) van de verwachte werkgelegenheidseffecten zal zich pas (ver) na de Kompasperiode 2000-2006 manifesteren, afhankelijk van de termijn waarop de locaties op de markt komen. De uitgifteperiode van bedrijventerreinen beslaat al gauw 10 – 15 jaar. Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de kantoorlocaties. Of en wanneer de beoogde aantallen meters kantooroppervlakte worden gerealiseerd is sterk afhankelijk van de marktsituatie. Op korte termijn is deze niet gunstig. Dit leidt er toe dat ook de economische effecten die samenhangen met de nieuwe kantoorlocaties zich pas later in de tijd zullen manifesteren, voor een belangrijk deel na de Kompasperiode.

13

Bron: Kompas op het Noorden 2003, Figurenboek

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

73

4.3 Bedrijfsgerichte maatregelen
4.3.1
Tabel 4.5

Financiële voortgang
Financiële voortgang bedrijfsgerichte maatregelen # projecten Totaal committering Totaal committering EZ/Kompas M.1.2.a. Acquisitie ondersteunende promotie M.1.2.b.1. IPR vestiging centraal M.1.2.b.2. IPR vestiging decentraal M.2.1.a. IPR uitbreiding decentraal M.2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB M.2.3.a. VKF M.2.3.b. NIOF M.2.3.c. AMa en Taskforces M.2.3.e. Tenderprocedure L.1.1. Versterking agrarische sector L.1.3. Vernieuwing agrarische sector Totaal
1)

% uitputting EZ/Kompas

1 1 2 4 16 1 2 5 16 4 2

2.346.972 884.147.302 240.868.000 372.466.046 43.006.907 12.252.066 55.056.889 1.840.649 9.090.706 2.079.838 1.972.007 1.625.127.382

2.346.972 79.074.922 28.189.888 36.495.172 15.094.018 3.037.492 14.882.547 1.444.013 2.842.822 896.419 747.864 185.052.129

78% 55% 46% 57% 95% 56% 64% 41% 27% 8% n.v.t.1) 54%

Geen budget in Kompas

Bron: SNN UO

De bedrijfsgerichte maatregelen laten over het algemeen een goede financië le voortgang zien. M1.2.a Acquisitie ondersteunende promotie en M.2.3.a VKF zijn aan het begin van de programmaperiode direct volledig gecommitteerd aan de NOM. De regelingen IPR en NIOF worden in jaarschijven gecommitteerd aan SNN en liggen wat dat betreft op schema. Onderstaande tabel geeft de financiële voortgang van de tot nu toe gecommitteerde jaarschijven van IPR en NIOF weer. Het betreft de som van de verleende subsidies, een beperkt deel hiervan is reeds vastgesteld. De tabel laat zien dat financiële voortgang van IPR en NIOF goed is. Het budget t/m 2003 voor de IPR uitbreiding is eind 2002 al uitgeput en ook NIOF en IPR vestiging lopen goed op schema.
Tabel 4.6 Financiële voortgang decentrale IPR en NIOF Verleend + Vastgesteld Stand november 2002 IPR vestiging IPR uitbreiding NIOF Bron: SNN 24.533.933 44.838.063 16.506.912 48.173.600 44.911.800 24.749.600 51% 100% 67% Doel t/m 2003 Realisatie

Ook M2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB laat een voorspoedige financiële voortgang zien. Veel projecten binnen deze maatregelen zijn goedgekeurd met een evaluatiemoment halverwege de programmaperiode mede op basis waarvan wordt

74

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

besloten over een mogelijke voortzetting. Bij voortzetting van deze projecten zal het budget van deze maatregel niet toereikend zijn. Achterblijvende financiële voortgang laten met name zien L.1.1. Vernieuwing agrarische sector en M2.3.e Tenderprocedure. Tenderprocedure. In aantallen projecten doet M2.3.e overigens niet onder voor M2.2, met beide 16 projecten. De tenderprojecten zijn wel van beduidend minder grote omvang. Gezichtsbepalend zijn – naast de regelingen – een aantal grote projecten op het gebied van exportbevordering, kennis en innovatie en startersbegeleiding die tezamen 52% van het gecommitteerde budget voor hun rekening nemen.
Tabel 4.7 Gezichtsbepalende projecten bedrijfsgerichte maatregelen M.2.2 Projectnaam Projectuitvoerder Totaal publiek budget World Wide Commerce Kenniscluster TCN E-business in N-NL Ondernemerskompas Totaal Bron: SNN UO Kamer van Koophandel Technologie Centrum N-NL Syntens Kamer van Koophandel 5.434.774 5.343.200 2.817.608 1.748.765 15.344.347 % Publiek budget M2.2 18% 18% 10% 6% 52%

4.3.2

Outputs Onderstaande tabel geeft de verwachte outputs van de tot nu toe gecommitteerde bedrijfsgerichte projecten weer. Kernindicator is het aantal ondersteunde / deelnemende bedrijven.

Tabel 4.8

Overzicht verwachte outputs bedrijfsgerichte maatregelen Doel 20002006 Stand per december ‘02 M.1.2.b.1 Aantal bedrijven dat financiële bijstand ontvangt M.1.2.b.2 Aantal bedrijven dat financiële bijstand ontvangt M.2.1.a M.2.2 M.2.3.a M.2.3.b M.2.3.e Aantal bedrijven dat financiële bijstand ontvangt Aantal deelnemende MKB-bedrijven Aantal nieuwe gevestigde ondernemingen Aantal bedrijven dat financiële bijstand ontvangt Aantal deelnemende MKB-bedrijven Totaal Bron: SNN UO M.1.2.b.1 M.1.2.b.2 M.2.1.a M.2.2 = = = = IPR vestiging centraal IPR vestiging decentraal IPR uitbreiding decentraal Generieke stimulering vernieuwing MKB M.2.3.a M.2.3.b M.2.3.e = = = VKF NIOF Tenderprocedure 70 350 650 35 2.500 3.535 18 79 198 3.276 893 1.057 5.521 26% 20% 29% n.v.t. 0% 36% n.v.t. 156% Realisatie

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

75

Op basis van de gegevens uit het monitoringsysteem worden met de tot nu toe goedgekeurde bedrijfsgerichte projecten ruim 5.500 bedrijven in Noord-Nederland ondersteund, ruim hoger dan het aantal dat van tevoren was ingeschat. In relatie tot het gecommitteerde bedrag per december 2002, ligt het programma op hoofdlijnen op schema. Hierbij is geen rekening gehouden met dubbeltellingen van bedrijven die aan meer dan één project deelnemen. Het grootste deel komt voor rekening van de bedrijfsgerichte maatregelen M2.2 Generieke stimulering vernieuwing MKB en M.2.3.e Tenderprocedure. Op basis van gegevens afkomstig van projectuitvoerders zullen ca. 4.300 bedrijven deelnemen aan de tot nu toe goedgekeurde projecten binnen deze twee maatregelen. Voor beide maatregelen zijn vooraf geen inschattingen gemaakt van het aantal deelnemende bedrijven. Het feit dat op programmaniveau de doelstellingen met betrekking tot het aantal ondersteunde bedrijven worden gehaald is in belangrijke mate hier aan te danken. Waren hier wel van tevoren inschattingen van gedaan, dan had de voortgang er aanzienlijk minder rooskleurig uitgezien. In financiële zin wordt de meeste bedrijfsgerichte ondersteuning gegeven via de regelingen. Hieronder besteden we aandacht aan de outputs van de bedrijfsgerichte regelingen IPR en NIOF. Outputs IPR Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal bedrijven dat is ondersteund door de decentrale IPR (vestiging, uitbreiding en herstructurering) per november 2002.
Tabel 4.9 Aanvragen IPR decentraal (vestiging, uitbreiding en herstructurering) per november 2002 Aantal verleend Aantal vastgesteld Aantal ingetrokken Aantal in behandeling Aantal afgewezen Totaal aanvragen Bron: SNN 254 23 60 58 35 430 59% 5% 14% 14% 8% 100%

De tabel laat zien dat het grootste deel van de IPR-aanvragen wordt gehonoreerd. Op het moment van evalueren is daarnaast nog een flink aantal aanvragen in behandeling. Ten opzichte van het verleden is het aantal bedrijven dat deelneemt aan de IPR afgenomen. In de periode 1993-1997 ontvingen 1.100 projecten IPR14 . De tot nu toe verstreken Kompas periode beslaat meer dan de helft van deze periode, terwijl het aantal gehonoreerde aanvragen ongeveer een kwart bedraagt. Hier is overigens al in de doelstellingen rekening mee gehouden: 1.000 deelnemende bedrijven zijn voorzien in de periode 2000-2006 15 , hetgeen lager ligt dan in de (kortere) periode ’93-97.

14 15

NIB Consult, Evaluatie Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR 1993-1997), 18 november 1998 Exclusief de centrale IPR, die overigens betrekking heeft op een relatief gering aantal bedrijven; naar verwachtingen enkele tientallen over de periode 2000-2006 (18 bedrijven per december 2000).

76

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Onderstaande tabel laat zien hoe de deelnemende bedrijven zijn verdeeld over de IPR vestiging, uitbreiding en herstructurering. Het grootste aantal deelnemende bedrijven komt voor rekening van de IPR uitbreiding. De tabel geeft ook inzicht in de verdeling van deelnemende bedrijven over de kernzones. IPR vestiging is alleen beschikbaar voor bedrijven in de kernzones en dus volledig in de kernzones geconcentreerd. Daarnaast laat de tabel zien dat ruim 80% van de IPR uitbreiding ook in de kernzones terechtkomt. Dit bevestigt dat de grootste investeringskracht in het Noorden zit bij het bedrijven in de kernzones en de IPR ondersteunt daarmee het kernzonebeleid.
Tabel 4.10 Voortgangsgegevens IPR decentraal (vestiging, uitbreiding en herstructurering) per november 2002 IPR vestiging (decentraal) Aantal aanvragen verleend + vastgesteld1) In kernzone gemeente 74 70 24 21 25 198 152 55 42 55 IPR uitbreiding IPR herstructurering 5 4 1 2 1

• • •

in Groningen in Fryslân in Drenthe

Bron: SNN

Op grond van de voortgangsgegevens kan worden geconcludeerd dat de IPR in termen van aantallen deelnemende bedrijven de eerste 3 jaar van de uitvoering succesvol is geweest. De positieve economische groei in het begin van de programmaperiode en de daarmee samenhangende hoge investeringsbereidheid van het bedrijfsleven heeft hier aan bijgedragen. De deelnamecijfers mogen daarom niet zonder meer worden doorgetrokken voor de resterende programmaperiode. Op basis van het aantal aanvragen in de afgelopen maanden en de verwachte economische ontwikkeling voor de komende periode is een daling van het aantal deelnemende bedrijven te verwachten. Outputs NIOF Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal bedrijven dat is ondersteund door de NIOF regeling per november 2002.
Tabel 4.11 Aanvragen NIOF (clusterprojecten, extern advies en internationaal) per december 2002 Aantal verleend Aantal vastgesteld Aantal ingetrokken Aantal in behandeling Aantal afgewezen Totaal aanvragen Bron: SNN 696 194 38 115 67 1.110 63% 17% 3% 10% 6% 100%

De tabel laat zien dat het aantal deelnemende bedrijven aan de NIOF de IPR in ruime mate overtreft. NIOF is daarmee een relatief laagdrempelig instrument, wat mede kan worden verklaard uit de aard van de regeling, gericht op m.n. adviestrajecten in plaats van investeringstrajecten.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

77

Onderstaande tabel laat zien hoe de deelnemende bedrijven aan NIOF zijn verdeeld over de drie categorieën: clusterprojecten, extern adviesprojecten en internationale projecten. Het grootste aantal deelnemende bedrijven komt voor rekening van externe adviestrajecten.
Tabel 4.12 Voortgangsgegevens NIOF (cluster, extern advies en internationaal) per december 2002 NIOF clusterprojecten Aantal aanvragen verleend + vastgesteld Bron: SNN 14 NIOF extern advies 701 NIOF internationaal 179

Outputs overige bedrijfsgerichte maatregelen • M.2.3.c. betreft het budget van de AMa en de Taskforces. Op dit moment heeft de AMa 14 Taskforces ingesteld op uiteenlopende terreinen; • M.2.3.a VKF. Op basis van gegevens van de betreffende projectleider krijgen tot nu toe 21 bedrijven een lening in het kader van VKF. • L.1.1 en L.1.3. laten geen tot sterk achterblijvende voortgang zien. We laten deze maatregelen in de rest van de paragraaf buiten beschouwing. Samenvattend Met name de bedrijfsgerichte maatregelen M.2.2 Generieke vernieuwing MKB en M.2.3.e Tenderprocedure zijn in termen van bereik van Kompas onder het Noordelijk MKB van groot belang. Ook M.2.3.b NIOF is een regeling met een relatief groot bereik onder het Noordelijk bedrijfsleven. In termen van aantallen bedrijven die er gebruik van maken zijn de M.1.2.b. IPR vestiging en M.2.1.a. IPR uitbreiding bescheiden regelingen.

4.3.3

Effectiviteit Omvang van de effecten Onderstaande tabel bevat de bruto economische effecten van de bedrijfsgerichte maatregelen op basis van de gegevens uit het monitoringsysteem.

78

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 4.13

Verwachte bruto economische effecten bedrijfsgerichte maatregelen Doel 20002006 Bruto gecreëerde werkgelegenheid (fte’s) • • • • • • • • • • • • • • IPR vestiging centraal IPR vestiging decentraal IPR herstructurering IPR uitbreiding NIOF Bedrijfsgerichte maatregelen M.2.2 Bedrijfsgerichte maatregelen M.2.3.e 6.750 2.900 3.850 1.244,7 mln 451,5 mln 740,1 mln 24,5 mln 28,6 mln Stand per december ‘02 9.892 1.397 1.875 99 2.239 387 3.307 588 1.424,0 mln 751,2 mln 125,8 mln 17,2 mln 403,4 mln 47,2 mln 53,6 mln 25,6 mln 219% 90% 55% 28% 114% 58% 65% 147% Realisatie%

Totale investeringen IPR vestiging centraal IPR vestiging decentraal IPR herstructurering IPR uitbreiding NIOF Bedrijfsgerichte maatregelen M.2.2 Bedrijfsgerichte maatregelen M.2.3.e

Bron: SNN UO

De tabel laat zien dat de bedrijfsgerichte maatregelen bijdragen aan het realiseren van bijna 9.900 banen bruto gecreëerde werkgelegenheid, waarvan het grootste deel voor rekening komt van de regelingen. De vooraf geformuleerde doelen voor de gehele periode worden nu al ruimschoots gehaald, echter vooral omdat voor de meeste maatregelen geen doelen zijn gesteld. Alleen voor de IPR zijn vooraf doelen geformuleerd over te verwachten werkgelegenheidseffecten. Hieraan afgemeten en ook afgezet tegen de financiële voortgang liggen de IPR vestiging en uitbreiding goed op schema in het bereiken van de geformuleerde werkgelegenheidsdoelstellingen. Met de financiële voortgang rond de 50%, de voortgang van het aantal deelnemende bedrijven rond de 25% en de voortgang van aantallen bruto gecreëerde werkgelegenheid rond de 60% wordt enerzijds de toegenomen omvang van de gemiddelde IPR aanvraag en de daaraan gerelateerde verwachte werkgelegenheidseffecten geïllustreerd, anderzijds illustreren deze cijfers dat het lastig is om bruto werkgelegenheidsdoelstellingen vooraf in te schatten. De programma opstellers zitten aan de voorzichtige kant, terwijl de deelnemende bedrijven meer neigen naar een positieve inschatting van de werkgelegenheidseffecten. Het totaal investeringsvolume dat is gemoeid met de bedrijfsgerichte maatregelen is bijna 1,4 miljard euro. Het grootste deel daarvan voor rekening van de IPR met een totaal investeringsvolume van 1,30 miljard euro (91%). Ter vergelijking: het gezamenlijk investeringsvolume van de IPR in de periode 1993-1997 bedroeg 2,14 miljard euro16 . In 3 jaar tijd is 60% van het investeringsvolume over de vijfjarige periode 1993-1997 behaald. Gecombineerd met het kleinere aantal deelnemende bedrijven laat deze vergelijking zien
16

NIB Consult, Evaluatie Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR 1993-1997), 18 november 1998

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

79

dat het gemiddelde investeringsomvang onder de IPR is toegenomen, hetgeen de wijzigingen in de IPR ten opzichte van de voorgaande periode illustreert. Van bruto naar netto De bruto economische effecten zoals hierboven beschreven houden geen rekening met deadweight, substitutie en displacement en ‘dubbeltellingen’ tussen verschillende regelingen en de overige bedrijfsgerichte maatregelen als gevolg van het feit dat bedrijven aan verschillende projecten en regelingen deelnemen. Houden we hier wel rekening mee dan levert dit de netto werkgelegenheidseffecten op die lager uitkomen dan de bruto werkgelegenheidseffecten. De netto effecten zijn ingeschat op basis van de volgende gegevens: • Inschattingen van de bruto werkgelegenheidseffecten door de projectuitvoerders zelf; • Eerdere evaluatieresultaten van de IPR17 en ISP 518 , en in het bijzonder daarin opgenomen gegevens over deadweight (dat deel van de investeringen dat ook zonder het programma was gepleegd); • Aanvullende aannames over de wijze waarop de herzieningen in de IPR ten opzicht van de vorige periode (op het gebied van selectiviteit en premiëring) hebben doorgewerkt op in het bijzonder de deadweight; • Aannames ten aanzien van correctie voor dubbeltellingen; Op basis hiervan komen we uit op een netto additionele werkgelegenheid van de bedrijfsgerichte maatregelen van 2.540 fte netto gecreëerde werkgelegenheid , hetgeen fors lager (ca. 74% lager) uitkomt dan de bruto werkgelegenheidseffecten zoals opgenomen in het monitoringsysteem.
Tabel 4.14 Verwachte netto werkgelegenheid bedrijfsgerichte maatregelen Totaal netto werkgelegenheid IPR Vestiging (Centraal) IPR Vestiging (Decentraal) IPR Uitbreiding (Decentraal) NIOF Generieke stimulering vernieuwing MKB Tenderprocedure VKF Bedrijfsgericht totaal 490 720 400 90 650 170 20 2.540 % Totaal netto werkgelegenheid 11% 16% 9% 2% 14% 4% 0% 56% Aandeel budget EZ Kompas (publiek) 8% 5% 5% 3% 2% 1% 1% 24%

Bijdrage aan economische structuurversterking De bijdrage aan economische structuurversterking van bedrijfsgerichte maatregelen wordt vooral beïnvloed door: • het type bedrijven dat wordt ondersteund;
17 18

NIB Consult, Evaluatie Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR 1993-1997), 18 november 1998 KPMG BEA, Evaluatie ISP 5, eindrapportage, 4 december 1998

80

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

• •

het type ondersteuning dat wordt geboden; de mate van vraaggestuurdheid van de ondersteunde initiatieven.

Het type bedrijven dat wordt ondersteund We staan hier stil bij: • de mate van stuwendheid van ondersteunde bedrijven; • eventuele vergeten doelgroepen c.q. risico’s bij bestaande doelgroepen Stuwendheid is een eis waaraan alle bedrijven die in het kader van Kompas worden ondersteund moeten voldoen. Wij beoordelen dit in het licht van de bijdrage van Kompas aan economische structuurversterking als positief. Een belangrijke verklarende factor voor het achterblijven van de economische ontwikkeling in Noord-Nederland in termen van werkgelegenheid en inkomen betreft immers het relatief lage aandeel stuwende sectoren (sectoren die exporteren naar gebieden buiten Noord-Nederland). De mate van stuwendheid van de economische structuur is dan ook een van de sociaal-economische hoofdindicatoren van het Kompas programma. Tijdens de interviews is verschillende malen gesteld dat ook verzorgende bedrijvigheid (lokale financiële dienstverlening, detailhandel, gezondheidszorg) bijdraagt aan economische structuurversterking. Voor stuwende bedrijven is een voldoende aanbod aan verzorgende bedrijvigheid immers een belangrijke vestigingsplaatsfactor. Dit is op zich juist, echter voor verzorgende bedrijvigheid is de omvang van de lokale afzetmarkt de dominante vestigingsplaatsfactor terwijl voor stuwende bedrijvigheid veel meer factoren een rol spelen. Verzorgende bedrijvigheid volgt daarom uiteindelijk vooral de ontwikkelingen in stuwende sectoren. Stimuleren van stuwende sectoren levert daarom de grootste bijdrage aan economische structuurversterking. De meeste exportprojecten in Kompas richten zich op bedrijven die al exporteren of op het punt staan om dat te gaan doen. Projecten leveren een op zich nuttige bijdrage aan het vinden van nieuwe markten of het geven van het laatste duwtje in de rug. Het gaat echter om een relatief kleine groep bedrijven. Daarachter zit een grotere groep bedrijven waar (veel) meer moet gebeuren alvorens zij exportrijp zijn. Het gaat dan om zaken als bedrijfsvoering, product en productie. Hier valt op termijn wellicht meer winst te behalen in termen van economische effecten en werkgelegenheid. Deze groep is echter minder goed definieerbaar en vergt meer inspanningen om te bereiken. Aanbeveling is om te onderzoeken hoe groot deze groep is en bij gebleken vraag in samenwerking met aanbieders van exportprojecten nader te bekijken welke ondersteuning nuttig is. Een punt bij startersprojecten is dat succesvolle deelnemers het mogelijk ook zonder ondersteuning hadden gered, terwijl daarnaast met ondersteuning ook bedrijven worden opgestart die op langere termijn geen bestaansrecht blijken te hebben. In de komende evaluatie van het project Ondernemerskompas zou aandacht kunnen worden besteed aan de vraag of en hoe hier de effectiviteit kan worden vergroot.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

81

Het type ondersteuning dat wordt geboden In financiële zin is de IPR het belangrijkste bedrijfsgerichte instrument binnen Kompas. Eerdere evaluaties van de IPR19 laten zien dat investeringspremies effectiever zijn: • naarmate ze selectiever zijn in het type bedrijven dat wordt gestimuleerd; • als de investering van voldoende grote omvang is, en • als het subsidiepercentage voldoende hoog is om investeringsbeslissingen te beïnvloeden. De hieruit voortvloeiende aanbevelingen zijn in de IPR onder Kompas overgenomen. De IPR heeft hierdoor aan effectiviteit gewonnen. De nationale IPR evaluatie die in principe in 2003 zal worden uitgevoerd dient hier meer inzicht in te verschaffen. Voor de overige bedrijfsgerichte maatregelen zijn de projecten geanalyseerd naar doel en middel om dat doel te bereiken. Op deze manier wordt meer inzicht verkregen in het type ondersteuning dat wordt geboden. De projecten zijn ingedeeld naar de volgende doelen: • nieuwe markten: projecten die bedrijven helpen bij het vinden van nieuwe markten; • innovatie: projecten die bedrijven ondersteunen bij het invoeren van proces- of productinnovaties; • bedrijfsvoering: projecten die bedrijven adviseren op het gebied van management; • duurzaam ondernemen: projecten die bedrijven aanzetten tot en begeleiden bij duurzaam ondernemen.
Tabel 4.15 Analyse doelen bedrijfsgerichte projecten M.2.2 en M.2.3.a. #projecten # MKB BGW Totaal Budget nieuwe markten innovatie bedrijfsvoering duurzaam ondernemen niet bekend totaal 8 7 10 4 3 32 1.600 1.198 913 375 172 4.258 1.149 606 1.424 37 91 3.307 20.648.626 16.146.983 9.945.763 4.187.286 1.168.955 52.097.613 Budget publiek 12.479.747 9.029.407 5.963.543 2.124.732 878.199 30.475.628

# MKB = aantal deelnemende bedrijven; BGW = Bruto additionele werkgelegenheid Bron: SNN UO, bewerking ECORYS-NEI

Het grootste aantal bedrijven neemt deel aan projecten gericht op het vinden van nieuwe markten. Hier is ook het grootste budget mee gemoeid. De meeste (bruto) werkgelegenheid komt echter voor rekening van projecten die bijdragen aan het verbeteren van de bedrijfsvoering. Uiteindelijk moeten vooral het succesvol betreden van nieuwe markten met nieuwe producten en de daarmee samenhangende toegenomen vraag, productie en omzet tot extra werkgelegenheid leiden. Een goede bedrijfsvoering gaat hieraan vooraf. De hoge scores komen vooral voor rekening van de projecten Ondernemerskompas en Verbetering bedrijfsvoering MKB. De verklaring ligt dan ook

19

NIB Consult, Evaluatie Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR 1993-1997), 18 november 1998

82

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

deels in het feit dat het hier banen bij starters betreft die volledig worden toegeschreven aan ondersteunde (starters-)projecten. De mate van vraaggestuurdheid van de ondersteunde initiatieven. Voor de effectivitei van bedrijfsgerichte projecten is het van belang dat de juiste type t ondersteuning aan de juiste bedrijven wordt geboden. Zoals aangegeven in het hoofdstuk Relevantie worden in dat verband vaak vraaggestuurde en aanbodgestuurde projecten onderscheiden. Vraaggestuurd zijn dan de projecten afkomstig van (clusters) van bedrijven, aanbodgestuurde zijn de projecten afkomstig van intermediaire en semipublieke organisaties als Kamers van Koophandel en Syntens. Wie projecten uitvoert doet echter niet ter zake. Waar het om gaat bij het onderscheid vraaggestuurd versus aanbodgestuurd is of projecten zich richten op die zaken die echt nuttig en nodig zijn voor bedrijven. Een veel genoemd kritiekpunt is dat de ‘aanbodgestuurde’ projecten van intermediaire en semi-publieke organisaties dat te weinig doen. Onze indruk is echter dat de meeste “aanbodgestuurde” initiatieven in de praktijk al behoorlijk vraaggestuurd zijn. De initiatieven van Kamers van Koophandel, Syntens, NOM, TCN, Hanzehogeschool, allerlei stichtingen en andere organisaties worden over het algemeen gedegen voorbereid met de nodige input vanuit de marktsector. Daarnaast bieden ook de regelingen (IPR, NIOF, HRM) volop mogelijkheden om aan vragen direct vanuit de markt tegemoet te komen. De mate van vraaggestuurdheid van de ondersteunde initiatieven beoordelen wij daarom positief. Als zich een probleem voordoet op het gebied van vraaggestuurde projecten dan gaat het met name om de zogenaamde ‘clusterprojecten’, samenwerkingsprojecten tussen bedrijven. We komen hier in het hoofdstuk Uitvoering, paragraaf over projectverwerving nader over te spreken. Termijn waarop de economische effecten zich manifesteren De effecten van bedrijfsgerichte projecten manifesteren zich over het algemeen op relatief korte termijn na afronding van het project en daarmee voor een belangrijk deel binnen de programmaperiode. Dit is mede afhankelijk van de aard van de geboden ondersteuning. De regelingen, in het bijzonder de IPR, grijpen het meest direct in in ondernemingen, door fysieke investeringen te ondersteunen. Afhankelijk van de duur van het investeringstraject manifesteren de effecten zich op korte termijn. De overige bedrijfsgerichte maatregelen ondersteunen de bedrijven op verschillende manieren, d.m.v.: • advies: advies aan individuele bedrijven; • netwerkvorming: bij elkaar brengen van bedrijven, meestal om concrete samenwerking van de grond te krijgen; • studie: vergelijkbaar met advies maar niet toegespitst op een individueel bedrijf; • parkmanagement: vorm van samenwerking van bedr ijven.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

83

Tabel 4.16

Analyse middelen bedrijfsgerichte projecten M.2.2 en M.2.3.a #projecten # MKB BGW Totaal budget advies netwerkvorming studie parkmanagement niet bekend totaal 18 6 2 3 3 32 3.235 658 18 175 172 4.258 2.862 330 15 9 91 3.307 44.849.243 3.970.524 1.594.141 514.750 1.168.955 52.097.613 Budget publiek 25.445.770 2.776.016 1.113.143 262.500 878.199 30.475.628

Bron: SNN UO, bewerking ECORYS-NEI

De tabel laat zien dat: • Het grootste deel van de bedrijven deelneemt aan adviesprojecten; • In absolute zin de adviesprojecten het meest van belang zijn voor het creëren van bruto werkgelegenheid; • De werkgelegenheidseffecten van studies en projecten op het gebied van parkmanagement beperkt zijn. Binnen de bedrijfsgerichte projecten in de maatregelen M.2.2. Generieke vernieuwing stimulering MKB en M.2.3.e. Tenderprocedure wordt het grootste deel van de bedrijven ondersteund door middel van adviestrajecten. Voorwaarde voor het realiseren van economische effecten is dan bijna vanzelfsprekend wel dat de adviezen worden opgevolgd. Daarom beoordelen we het als positief dat in veel Kompasprojecten aandacht wordt besteed aan implementatie van de verstrekte adviezen. Het implementatietraject maakt vaak integraal deel uit van projecten of is een voorwaarde voor deelname van bedrijven aan een adviestraject. Systemen met mentoren en verschillende follow-up trajecten dragen positief bij aan de effectiviteit van de bedrijfsgerichte maatregelen. Mate van additionaliteit: effecten boven op de autonome ontwikkeling Deadweight betreft de vraag in hoeverre de ondersteunde bedrijven ook zonder de Kompasbijdrage hadden geïnvesteerd, geïnnoveerd, nieuwe markten hadden ontdekt, de bedrijfsvoering hadden verbeterd, duurzaam waren gaan ondernemen etc. Een eerste vraag in dat verband is of de ondersteunde bedrijfsgerichte projecten ook zonder Kompasbijdrage waren doorgegaan of niet. In het geval van de maatregelen onder M2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB en M2.3.e Tenderprocedure geven zes van de acht bevraagde projectuitvoerders aan dat het project helemaal niet door zou zijn gegaan zonder Kompasbijdrage. De overige twee geven aan dat hetzelfde proje ct dan met minder geld zou worden uitgevoerd, waardoor minder bedrijven zouden kunnen worden bereikt c.q. minder / andere ondersteuning zou zijn geboden. Vervolgvraag is of de geboden ondersteuning heeft geleid tot ander gedrag bij de ondersteunde bedrijven dan bij afwezigheid van ondersteuning. In het kader van de MTR zijn geen gesprekken gevoerd met individuele deelnemende bedrijven. We baseren ons op gesprekken met projectuitvoerders en eerder evaluatiemateriaal. Mede naar aanleiding van de NIB-evaluatie van de IPR 1993-1997 zijn de eisen om in aanmerking te komen voor een IPR-bijdrage flink aangescherpt. Dit heeft geleid tot onder meer het instellen van een minimaal investeringsbedrag, de eis van stuwendheid,
84 Mid Term Review Kompas voor het Noorden

concentratie in de kernzones en een minima le toename van omzet en/of werkgelegenheid. Als gevolg hiervan is onze inschatting dat de deadweight een stuk minder is geworden en daarmee de effectiviteit van de IPR is toegenomen. De IPR-evaluatie, die voor 2003 op stapel staat, zal hier meer over moeten zeggen. Naarmate dezelfde bedrijven deelnemen aan verschillende projecten neemt de deadweight toe en de effectiviteit af. Een willekeurig voorbeeld is een bedrijf dat een exportmanager inhuurt via NIOF, vervolgens deelneemt aan een internationale beurs via WWCOM en zich daarna laat adviseren door BIC in het kader van Nieuwe internationale bedrijvigheid Noord. Het effect (toegenomen omzet uit export) telt maar een keer mee. Dergelijke vormen van ‘stapelen’ (overigens binnen de ‘de minimis’ grenzen) lijken op grond van de gesprekken met projectuitvoerders regelmatig voor te komen. Vanuit oogpunt van het individuele bedrijf is hier niets mis mee (het bedrijf maakt gebruik van de mogelijkheden die er zijn). Het kan er wel aan bijdragen dat een relatief kleine groep bedrijven de weg naar het Kompas weet te vinden, terwijl bedrijven die de weg naar Kompasprojecten niet weten te vinden niet worden ondersteund. Bedrijfsgerichte maatregelen beïnvloeden niet alleen de economische ontwikkeling bij deelnemende bedrijven maar indirect ook bij concurrenten, toeleveranciers en uitbesteders. Daar waar positieve projecteffecten bij een deelnemend bedrijf ten koste gaan van een concurrent in Noord-Nederland wordt een deel van de positieve ontwikkelingen boven op de autonome ontwikkeling als gevolg van het project weer tenietgedaan. Er is dan sprake van substitutie . De mate waarin hiervan sprake is hangt onder meer af van de mate van concurrentie binnen de betreffende sector en regio en van de vraag of de concurrentie ook deelneemt aan de projecten. Als we er echter van uitgaan dat de deelnemende bedrijven mede als gevolg van deelname aan project of regeling betere groeiperspectieven hebben dan hun niet deelnemende concurrenten zal het structuurversterkend effect per saldo pos itief zijn. Displacement betreft verplaatsingseffecten: de mate waarin projecteffecten ten koste gaan van andere gebieden binnen Noord-Nederland of daarbuiten. Verplaatsingseffecten van bedrijfsgerichte maatregelen doen zich alleen voor op (inter-)nationa le schaal naar aanleiding van de IPR-vestiging als zich in Noord-Nederland een bedrijf vestigt uit een ander deel van het land of daarbuiten. Op de schaal van Noord-Nederland doet zich geen displacement voor als gevolg van bedrijfsgerichte maatregelen.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

85

4.4 Toeristische maatregelen
4.4.1
Tabel 4.17

Financiële voortgang
Financiële voortgang toeristische maatregelen # projecten Totaal committering Totaal committering EZ/Kompas M.2.1.b. KITS-regeling M.2.3.d. Kwaliteit toeristische sector S.4.1. Aantrekkelijkheid openbaar gebied S.4.2. Versterken aanbod voorzieningen L.4.1. Toeristisch-recreatieve infrastructuur L.4.2. Verbetering watersportmogelijkheden 1 14 3 4 7 5 34 Bron: SNN UO 63.318.542 7.909.716 15.198.712 20.333.892 14.802.825 36.078.776 157.642.463 6.213.531 2.746.292 501.698 2.327.722 2.591.579 3.491.994 17.872.816 37% 58% 11% 32% 22% 18% 28% % uitputting EZ/Kompas

De toeristische maatregelen laten over het algemeen een goede financiële voortgang zien. Met name geldt dit voor de twee bedrijfsgerichte maatregelen M.2.1.b (KITS-regeling) en M.2.3.d. Kwaliteitsverbetering toeristische sector alsmede L.4.2. Verbetering Watersportmogelijkheden. 4.4.2 Outputs Onderstaande tabel geeft de verwachte outputs van de tot nu toe gecommitteerde toeristische projecten weer op basis van de gegevens in het monitoringsysteem.
Tabel 4.18 Verwachte outputs toeristische projecten Doel 20002006 Stand per december ‘02 M.2.1.b M.3.2.d S.4.1 S.4.2 S.4.2 S.4.2 L.4.1 L.4.2
1)

Realisatie

KITS-regeling Aantal scholings- en samenwerkingsprojecten Aantal in stedelijke centra gerealiseerde (grootschalige) toeristische voorzieningen Aantal in stedelijke centra gerealiseerde (nieuwe en verbeterde) grootschalige toeristische voorzieningen Aantal nieuwe evenementen Aantal nieuwe themaparken Aantal km opgewaardeerde vaarroutes t.b.v. recreatievaart

630 PM PM PM PM PM -

1771) 5 13 4 63

28% n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Bron: SNN UO In het SNN UO Monitoringsysteem staan 306 deelnemende bedrijven aan de KITS-regeling tot nu toe. Dit is op basis van interne rekenregels zoals SNN UO die hanteert t.b.v. het monitoringsysteem. De 177 in de tabel heeft betrekking op het daadwerkelijk aantal vastgestelde en verleende aanvragen per december 2002.

86

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Onderstaande tabel bevat meer informatie over de voortgang van de KITS-regeling.
Tabel 4.19 Aantal en status aanvragen KITS regeling, december 2002 Aantal aanvragen Verleend
wv. Vestiging wv. Kwaliteitsverbetering

% aanvragen 57%
16% 84%

140
22 118

Vastgesteld
wv. Vestiging wv. Kwaliteitsverbetering

37
2 35

15%
5% 95%

Ingetrokken In behandeling Afgewezen Totaal Bron: SNN

15 39 15 246

6% 16% 6% 100%

De tabellen laten zien dat voor de meeste maatregelen vooraf op maatregelniveau geen doelen zijn gesteld over te bereiken outputs. Daar waar dit wel is gedaan geven de gekozen indicatoren slechts beperkt inzicht in de tot nu toe behaalde outputs. Om meer inzicht te verkrijgen in de outputs die met Kompas worden gerealiseerd hebben we de tot nu toe goedgekeurde projecten gerangschikt naar verschillende typen.
Tabel 4.20 Overzicht verschillende typen toeristische projecten in Kompas Type project Watersportinfrastructuur Openbare ruimte Attracties Overige infrastructuur Bedrijfsgericht Evenementen Cultuur Promotie Totaal Bron: SNN UO, bewerking ECORYS-NEI # projecten 5 1 2 5 7 4 8 2 34 Gecommitteerd 35.953.776 3.372.700 3.612.683 13.525.713 12.670.704 1.336.896 10.903.604 827.424 82.203.500 Aandeel 44% 4% 4% 16% 15% 1,6% 13% 1% 100%

Het grootste deel van de tot nu toe gecommitteerde middelen voor toerisme wordt besteed aan investeringen in toeristische infrastructuur, in het bijzonder verbetering van de watersportmogelijkheden en investeringen in overige infrastructuur en openbare ruimte. De grootste investeringen betreffen: • De Middelseerûte, een project dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuw vaargebied in de Friese kleiweidestreek, met een directe aansluiting op de Friese Meren. In het kader hiervan wordt onder andere flink geïnvesteerd in de aanleg van een aquaduct en ophoging van een brug (Fryslân); • Leeuwarden, Stad van Water en Cultuur, een pakket aan investeringen in het openbaar gebied van de stad Leeuwarden, met name gericht op het verbeteren van de watersportmogelijkheden in de stad (Fryslân);

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

87

Het Fiets Totaal Plan Drenthe, een project dat voorziet in het aanleggen, c.q. verbeteren van fietspaden en het realiseren van aanvullende voorzieningen langs deze fietspaden (Drenthe).

Daarnaast wordt ca. 13% van het tot nu toe gecommitteerde budget voor toerisme besteed aan investeringen in het cultuurtoeristisch product. Het betreft een aantal relatief grootschalige projecten rondom musea en het cultuur-historisch erfgoed (Veenkoloniaal Museum in Veendam, Keramiekmuseum in Leeuwarden, Douwe Egberts Museum in Joure en een bezoekerscentrum voor grafcultuur en kerkhoven in Groningen). Ook een deel van de evenementen kan onder de noemer cultuur worden geschaard (Blue Moon, Manifestatie ViaDorkwerd). Een klein deel binnen de cultuurtoeristische projecten betreft daarnaast bedrijfsgerichte initiatieven door NNBT met als doel onder meer betere profilering van het regionaal cultuurtoeristisch product en het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven op dat terrein. Ca. 15% van de toeristische middelen is direct gericht op het regionaal bedrijfsleven. Het grootste project betreft de KITS-regeling (11%). Andere bedrijfsgerichte toeristische projecten betreffen ondersteuning van recreatieondernemingen bij de invoering van integrale kwaliteitszorg, bedrijfsadvies door toeristische consulenten en clusterprojecten gericht op samenwerking, kwaliteits- en rendementsverbetering en intensivering van promotie-inspanningen door hotels in Fryslân en Groningen. 4.4.3 Effectiviteit Typen effecten Bij toeristisch-recreatieve projecten zijn werkgelegenheidseffecten de resultante van: • Exploitatie -effecten bij nieuwe of vernieuwde attracties (entreegelden, logies, liggelden, werknemers bij attracties); • Bestedingseffecten als gevolg van directe consumptieve bestedingen door bezoekers bij onder meer detailhandel en horeca; • Indirecte effecten bij de toeleveranciers aan attracties, detailhandel en horeca; • Overige economische effecten, zoals de effecten die samenhangen met een verbetering van het regionaal woon- en leefklimaat. De economische effecten die voor Noord-Nederland en het behalen van de Kompasdoelstellingen van belang zijn, zijn vooral de effecten die samenhangen met de komst van nieuwe bezoekers van buiten de regio of het behoud daarvan. Economische effecten op projectniveau die samenhangen met de bestedingen van bewoners van Noord-Nederland tellen niet mee bij het berekenen van de netto effecten omdat het hier op de schaal van Noord-Nederland om verplaatsing van economische effecten of om substitutie van bestaande bestedingen gaat. Onderstaande tabel verschaft meer inzicht in de wijze waarop de verschillende typen projecten in principe bijdragen aan het realiseren van economische effecten.

88

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 4.21

Economische effecten toeristische projecten - kwalitatief Direct Type project Exploitatieeffect Watersport Openbare ruimte Attracties Overige infrastructuur Bedrijfsgericht Evenementen Cultuur Promotie + + ++ + ++ + + + Bestedingseffect ++ + ++ ++ + 0 0 + Indirect Toeleveranciers + + + + + 0 0 0 Woon- en leefklimaat + + + + 0 + + 0

Omvang economische effecten Onderstaande tabel bevat de bruto economische effecten van de toeristische projecten op basis van de gegevens in het monitoringsysteem.
Tabel 4.22 Verwachte bruto economische effecten toeristische projecten Doel 20002006 Bruto gecreëerde werkgelegenheid (fte’s): Omvang uitgelokte investeringen (mln Euro) Tijdelijke werkgelegenheid (mensjaren): Totale investeringen (mln Euro): 725 233 3.900 447 Stand per december ‘02 720 124 1.492 213 99% 53% 38% 48% Realisatie%

Gebaseerd op de gegevens in het monitoringsysteem dragen de toeristische projecten bij aan 720 fte bruto gecreëerde werkgelegenheid. Bruto werkgelegenheidsdoe lstellingen zijn geformuleerd voor de KITS regeling (425) en voor de maatregelen L.4.1 Toeristischrecreatieve infrastructuur, L.4.2. Watersportmogelijkheden, S.4.2 Toeristische, culturele en sportvoorzieningen en M.2.3.d Kwaliteitsverbetering toeristische sector gezamenlijk (300 of 5% werkgelegenheidsgroei). Daarnaast worden deze maatregelen verwacht bij te dragen aan een groei van het aantal toeristische overnachtingen in Noord-Nederland met minimaal 10% in de periode 2000-2006. In absolute termen gaat dat om een groei met ca. 2 miljoen toeristische overnachtingen. De verwachte economische effecten van S.4.1 Openbaar gebied zijn niet gekwantificeerd. Van bruto naar netto Voor alle tot nu toe goedgekeurde projecten is op basis van de gegevens uit het monitoringsysteem, aanvullende gegevens uit de projectdossiers over onder meer bezoekersaantallen en enkele aanvullende aannames (Zie Bijlage 2) een inschatting gemaakt van de netto werkgelegenheidseffecten. Op basis hiervan komen we op een netto verwacht werkgelegenheidseffect van de tot nu toe goedgekeurde toeristisch-recreatieve Kompasprojecten van 300 fte netto gecreëerde werkgelegenheid . Deze effecten zijn als volgt opgebouwd: • Exploitatie-effecten komen vooral voor rekening van projecten waarbij direct in nieuwe of bestaande attracties wordt geïnvesteerd met extra bezoekers als gevolg. Dit

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

89

• •

geldt ook voor kwaliteitsverbeteringen in accommodaties (bedrijfsgericht). Voor de overige typen projecten zijn de exploitatie -effecten van minder belang of minder omvangrijk; Bestedingseffecten komen vooral voor rekening van investeringen in watersportinfrastructuur en overige toeristische infrastructuur waar deze leiden tot extra bezoekers van buiten de regio. Ook additionele bezoekers aan nieuwe of vernieuwde attractie s dragen bij aan bestedingseffecten. De bestedingseffecten van bezoekers van buiten de regio hangen sterk samen met de mate waarin evenementen en cultuurattracties er ook daadwerkelijk in slagen om bezoekers van buiten de regio te trekken / langer in de regio te laten verblijven. Voor de meeste evenementen (Blue Moon, Via Dokwerd, Delfsail, Sailtrack) worden deze als gering ingeschat; Indirecte effecten bij toeleveranciers komen vooral voor rekening van projecten die ook veel exploitatie - en bestedingseffecten weten te realiseren; Overige economische effecten die worden gerealiseerd via onder meer het woon- en leefklimaat komen vooral voor rekening van projecten op het gebied van openbare ruimte / infrastructuur en cultuur en evenementen. Deze zijn overigens beperkt qua omvang en worden hier niet gekwantificeerd.

Tabel 4.23

Verwachte economische effecten toeristische projecten - kwantitatief Type project1) Exploitatie effect Bestedingseffect Totaal netto werkgelegenheid Attracties Bedrijfsgericht Cultuur Evenementen2) Infrastructuur Openbare ruimte Promotie Watersport
1) 2)

Gecommitteerd publiek 3.612.683 3.625.198 10.903.604 1.336.896 13.525.713 3.372.700 827.424 35.953.776 73.157.994

%

18 29 29 11 16 1 5 108

29 62 12 3 22 8 16 36 188

46 91 41 5 38 8 17 41 287

4% 4% 13% 2% 16% 4% 1% 44% 89%

Exclusief KITS regeling Delfsail, Sailtrack, Blue Moon, Manifestatie ViaDokwerd

Kanttekeningen bij de tabel: • de economische effecten van individuele projecten verdienen soms een studie op zich, zoals de projectdossiers in enkele gevallen hebben laten zien. We gaan in onze berekeningen uit van bezoekersaantallen zoals vermeld in de projectaanvragen; • het is soms eigenlijk niet mogelijk om de effecten van individuele projecten te isoleren van hun context en van hun relatie met andere projecten. De verschillende elementen van het regionaal-toeristisch product zijn immers vaak onderling sterk verweven. Zo zijn investeringen in watersport- en overige toeristisch-recreatieve infrastructuur minder effectief zonder kwalitatief goede accommodaties, maar worden in deze accommodaties geen overnachtingen geboekt zonder kwalitatief goede toeristisch-recreatieve infrastructuur. Investeringen in openbare ruimte zijn minder effectief als er in de buurt geen infrastructuur of attracties zijn. Promotie is zinloos bij afwezigheid van attracties, maar naar attracties zonder promotie komen minder bezoekers, etc.
90 Mid Term Review Kompas voor het Noorden

De tabel geeft niettemin een onderbouwde indicatie van de effectiviteit van verschillende typen toeristische projecten en van de wijze waarop de effecten worden bereikt. Daarbij wordt duidelijk dat: • de bedrijfsgerichte toeristische maatregelen voor de meeste economische effecten zorgen, zowel vanwege exploitatie -effecten als vanwege hun bijdrage aan extra bestedingen in de regio; • cultuurprojecten vooral exploitatie -effecten genereren. Het gaat dan vooral om werknemers bij ondersteunde musea; • investeringen in (watersport-)infrastructuur en openbare ruimte hun bijdrage aan de economische effecten met name leveren via toename van bestedingen van bezoekers van buiten de regio. Bijdrage aan economische structuurversterking Een valkuil voor toeristische-recreatieve projecten is de potentiële breedte van het beleidsterrein. Net als met een begrip als “regionaal investeringsklimaat” kan van veel projecten altijd wel worden verdedigd dat ze op de een of andere manier bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van het regionaal toeristisch product en daarmee aan exploitatie - en bestedingseffecten en werkgelegenheid. Voor Kompas zijn vooral projecten met structurele werkgelegenheidseffecten van belang en daarom moet de economische spin-off plausibel te beargumenteren zijn. De omvang hiervan moet bovendien worden afgewogen ten opzichte van mogelijke alternatieven met meer of snellere economische effecten. Op grond van de effectiviteitanalyse van goedgekeurde projecten geldt deze valkuil in het bijzonder twee typen projecten: cultuurprojecten en investeringen in openbare ruimte en infrastructuur.

Cultuurprojecten kunnen effectief zijn als ze daadwerkelijk iets toevoegen aan het toeristisch product van de regio, in de zin van het aantrekken of langer vasthouden van bezoekers van buiten de regio. De veelgenoemde Repin expositie in het Groninger Museum is in dat verband tamelijk uniek en moeilijk te programmeren. Daar waar het verband met toerisme (bezoekers van buiten de regio) en met andere bestaande attracties en accommodaties zwak is en de continuïteit ontbreekt zijn dergelijke projecten minder effectief. Projecten als Blue Moon en Via Dokwerd zijn hiervan voorbeelden. Investeringen in musea en het cultuur-historisch erfgoed zijn effectief als plausibel is dat ze bijdragen aan de kwaliteit van het toeristisch product, bijvoorbeeld doordat ze voorzien in “slechtweervoorzieningen” of door hun bijdrage aan verlenging van het toeristisch verblijf in de regio. De doelgroep dient dan ook een zekere massa te hebben. Ook inzicht in de herkomst van de verwachte bezoekers is bij de beoordeling van dit soort projecten van belang. Hetzelfde geldt voor initiatieven gericht op het vinden van gemeenschappelijke cultuur-toeristische thema’s om het regionaal toeristisch product te vermarkten. Hierbij is het belangrijk om thema’s te vinden die bijdragen aan het aantrekken van bezoekers van buiten de regio en dus tot de verbeelding dienen te spreken van een voldoende groot publiek. Investeringen in openbare ruimte en infrastructuur zijn ook effectiever naarmate er een duidelijk aantoonbaar verband is met toeristische activiteiten. Effectief zijn met name investeringen in de fysieke nabijheid van attracties en knooppunten van bezoekers. Binnen het Friese Meren Project (FMP) bijvoorbeeld beoordelen we

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

91

projecten die bijdragen aan de toeristische ontsluiting van stadscentra en attracties (investeringen in de zogenaamde “haarvaten”) als het meest effectief. Daar waar het vooral gaat om reguliere onderhoudswerkzaamheden, die op zich nuttig en nodig kunnen zijn, dient wat ons betreft kritisch te worden gekeken naar de economische meerwaarde hiervan en naar hun bijdrage aan de Kompasdoelstellingen. Ook bij investeringen in stadscentra dient kritisch te worden gekeken naar de relatie met bestaande attracties en bezoekersstromen. Een aantrekkelijk stadscentrum op zich zelf is geen voldoende voorwaarde voor economische spin off. Zoals hierboven reeds aangegeven onderkennen we bij het bepalen van de economische effecten van toeristische projecten dat het soms lastig is om de effecten van individuele projecten te isoleren van hun context en van hun relatie met andere projecten. De verschillende elementen van het regionaal-toeristisch product zijn immers vaak onderling sterk verweven. Veel economische effecten komen tot stand door de synergie tussen verschillende projecten en de verbetering van het toeristisch product als geheel die daar het gevolg van is. Dit kan er soms toe leiden dat projecten met een op het eerste gezicht lage “value for money” toch Kompaswaardig zijn in combinatie met andere projecten. Het is dan wel van belang dat dit expliciet in een projectaanvraag wordt aangegeven en dat ook bij de uitvoering van het project daadwerkelijk vormgegeven wordt aan de synergie met andere projecten. Termijn waarop de effecten zich manifesteren De toeristische maatregelen binnen Kompas zijn een mix van bedrijfsgerichte maatregelen en werklocatiemaatregelen. De effecten van bedrijfsgerichte maatregelen zullen zich op relatief korte termijn en voor een belangrijk deel binnen de programmaperiode manifesteren. De termijn waarop de effecten van investeringen in infrastructuur zich manifesteren hangt sterk af van de omvang en het karakter van de investering. De effecten van investeringen in cultuur-historisch erfgoed en musea kunnen zich relatief snel manifesteren, terwijl de effecten van investeringen in waterinfrastructuur en openbare ruimte zich over het algemeen op langere termijn zullen manifesteren.

4.5 Kennisinfrastructuur
4.5.1
Tabel 4.24

Financiële voortgang
Financiële voortgang maatregelen Kennisinfrastructuur # projecten Totaal committering Totaal committering EZ/Kompas S.5.1 Oprichting top-kennisinstituten en aanbiedingen nieuwe opleidingen S.5.2 Vestigingslocaties kennisgeoriënteerde bedrijvigheid Bron: SNN UO Kompas monitoringsysteem 3 29.673.566 3.009.202 44% 1 13.667.000 3.449.215 51% % uitputting EZ/Kompas

92

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

De maatregelen gericht op het verbeteren van de kennisinfrastructuur, beide in deelprogramma Stad, laten een wisselende financiële voortgang zien met committeringspercentages van de totaal begrootte publieke middelen van 12 en 65%. In totaal zijn 4 projecten goedgekeurd. 4.5.2
Tabel 4.25

Outputs
Verwachte outputs maatregelen Kennisinfrastructuur Doel 20002006 S.5.1 S.5.1 S.5.2 S.5.2 S.5.2 Aantal nieuwe kennisinstituten Aantal uitgebreide kennisinstituten Aantal m2 a.g.v project nieuw ontwikkeld bruto kantooroppervlak Aantal m2 a.g.v. project gerenoveerd bruto kantooroppervlak Aantal ha nieuw aangelegd netto uitgeefbaar bedrijventerrein 3 20.000 PM 20 Stand per december ‘02 1 11.300 0% n.v.t. 57% n.v.t. 0% Realisatie

Bron: SNN UO Kompas monitoringsysteem

De tabel laat zien dat: • Nog geen projecten zijn goedgekeurd die bijdragen aan het realiseren van nieuwe kennisinstituten; • Er op basis van de gegevens uit het monitoringsysteem tot nu toe één project is dat bijdraagt aan uitbreiding van bestaande kennisinstituten. Dit project betreft LOFAR II, een project dat bijdraagt aan de mogelijke realisatie van een kennisinstituut op het gebied van radiotelescopen; • Daarnaast draagt maatregel S.5.2 bij aan de huisvesting van de kennisinstelling BioMade, alsmede aan een Incubator centrum voor startende ondernemingen op het terrein van de life sciences. • De twee andere projecten die binnen deze maatregel tot nu toe zijn goedgekeurd betreffen een bedrijfsverzamelgebouw voor startende nieuwe mediabedrijven en een bijdrage aan de Drentse aansluiting op SURFnet. Naast genoemde projecten draagt ook het onder M1.1. goedgekeurde onderzoek naar de superbreedbandverbinding voor het traject Amsterdam - Groningen bij aan verbeteren van de kennisinfrastructuur in Noord-Nederland. 4.5.3 Effectiviteit Omvang van de effecten De voortgangs- en outputgegevens laten zien dat het om een klein aantal projecten gaat. Dat feit op zich illustreert al de beperkte omvang van de te verwachten economische effecten. Wij schatten deze in op ca. 45 fte netto gecreëerde werkgelegenheid . Dit betreft directe werkgelegenheid bij de ondersteunde kennisinstellingen zelf en indirecte werkgelegenheid bij (m.n. verzorgende) toeleveranciers. De belangrijkste economische effecten van initiatieven op het gebied van kennisinfrastructuur en –instellingen zitten echter niet bij de infrastructuur en inste llingen zelf. Het gaat uiteindelijk om de economische effecten bij de bedrijven die profiteren van
Mid Term Review Kompas voor het Noorden 93

de beschikbare kennis in termen van marktvergroting, product- en procesvernieuwing en de omzetstijgingen, kostendalingen en eventuele werkgelegenheidseffecte n die daarvan het gevolg zijn. De bijdrage hieraan verschilt per project en wordt wisselend beoordeeld. De kansen op economische spin off van LOFAR II lijken beperkter dan die van de projecten onder S.5.2 Vestigingslocaties kennisgeoriënteerde bedrijvigheid. Deze zijn meer direct op het bedrijfsleven gericht, via de beschikbaarheid van voor het bedrijfsleven relevante kennis c.q. het bieden van bedrijfsruimte. Van de omvang van de economische effecten van deze projecten zijn geen onderbouwde kwantitatieve inschattingen te maken. Wel kan worden opgemerkt dat de realisatie van deze effecten van een groot aantal externe ontwikkelingen afhankelijk is, waaronder: • ontwikkelingen bij concurrentie (zowel in de biomedische sector als de ICT sector is de (inter)nationale concurrentie groot); • de vraag vanuit de markt; • kwaliteit van het regionaal ondernemerschap / succesvolle starters; • sociaal-economische context. Wat betreft de verwachte omvang van de economische effecten dient daarnaast te worden opgemerkt dat de tot nu toe ondersteunde initiatieven op relatief grote afstand staan van het overgrote deel van het MKB in Noord-Nederland. Ze zijn van belang voor een relatief beperkte groep van (vooral startende) bedrijven in kennisintensieve sectoren als nieuwe media en life sciences. De verwachte effecten in termen van werkgelegenheid, nieuwe markten en nieuwe producten zijn ook daarom beperkt in omvang. Bijdrage aan economische structuurversterking Ondanks de relatief beperkte omvang van de te verwachten effecten beoordelen we de kennisinfrastructuurprojecten wel positief in termen van hun (potentiële) bijdrage aan economische structuurversterking. De sectoren waarvoor de tot nu toe goedgekeurde projecten van belang zijn, zijn sectoren waarvan de groeipotenties over het algemeen positief worden ingeschat (biomedische sector, ICT-sector). De aanwezigheid van ondersteunende infrastructuur is voor deze bedrijven waardevol als vestigingsplaatsfactor vanwege: • Relatief laagdrempelige toegang tot kennis vanwege fysieke nabijhe id (in het tijdperk van elektronische informatieoverdracht is dit voordeel overigens relatief, vandaar dat in het hoofdstuk relevantie al is gewezen op het belang van de beschikbaarheid van kennis ook uit andere delen van het land c.q. de rest van de wereld); • Bijdrage aan het imago van Noord-Nederland als kennisregio; • Indirecte bijdrage aan netwerkvorming tussen bedrijven. Om bij te dragen aan economische structuurversterking is de aanwezigheid van kennisinfrastructuur alleen echter geen voldoende voorwaarde. De aanwezigheid van de infrastructuur vertaald zich pas in economische effecten als de onderzoeksresultaten van de kennisinstellingen hun weg naar het regionaal bedrijfsleven vinden en als de aanwezige kennisinfrastructuur ook daadwerkelijk wordt gebruikt door het regionaal bedrijfsleven. Bedrijfsgerichte maatregelen spelen hierbij een rol en projecten binnen deze maatregelen voorzien hier al voor een deel in (onder meer de projecten Infosearch, E-Business in Noord-Nederland, Kennisclusterproject Technologie Centrum Noord-

94

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Nederland, ICT Incubation Groningen, Innovation plus Quality). De sectordoorlichtingen (over o.a. Biomedische bedrijven, ICT sector, Metalectro, Chemie en Kunststoffen) bevatten verdere aanwijzingen voor mogelijke aanvullende initiatieven, op het gebied van: • Financiële ondersteuning voor het uitvoeren van innovatieprojecten; • Bevorderen van samenwerking en netwerkvorming tussen bedrijven, ondersteuning bij het vinden van samenwerkingspartners), onder meer door het verschaffen van informatie over de aanwezigheid van andere bedrijven die actief zijn in kennisintensieve sectoren; • Waar nodig het verbeteren van toegang van bedrijven in de sectoren tot kennis en kennisdragers. Bij succesvolle ontwikkelingen en groei in de sectoren waarvoor de kennisinfrastructuur van belang is, krijgt de bijdrage aan economische structuurversterking verder vorm via de relaties van deze bedrijven met hun toeleveranciers en afnemers, zowel in de stuwende als verzorgende sectoren. Naarmate deze T&U relaties zich meer in Noord-Nederland bevinden neemt de bijdrage aan economische structuurversterking onder meer via clustervorming toe. Termijn waarop de effecten zich manifesteren De aanwezigheid van kennisinfrastructuur draagt indien relevant voor en gebruikt door het regionaal bedrijfsleven zoals hierboven geschetst bij aan het realiseren van economische effecten. Deze zullen zich voor het grootste deel na 2006 manifesteren vooral vanwege het innovatieve karakter en de beperkte omvang van de sectoren waarvoor de kennisinfrastructuur van belang is. Mate van additionaliteit: effecten bovenop de autonome ontwikkeling Kennisinfrastructuur is bij uitstek een terrein waarop de inzet van overheidsmiddelen ontwikkelingen in gang kan zetten en autonome processen kan versnellen. Op basis van de steekproef onder projectuitvoerders wordt de additionaliteit van de ondersteunde projecten positief beoordeeld. De ondervraagde projectuitvoerders geven aan dat hun project helemaal niet zou zijn uitgevoerd zonder de Kompasbijdrage of minder innovatief, minder snel en van beperktere omvang zou zijn geweest. De Kompasbijdrage heeft de ondersteunde initiatieven dus zowel versneld als er een kwaliteitsimpuls aangegeven. Daar waar de projecten er in slagen om bij te dragen aan positieve ontwikkelingen in het regionaal bedrijfsleven mag daarom ook de economische groei die daar het gevolg van is in belangrijke mate als additioneel worden beschouwd.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

95

4.6 Arbeidsmarkt
4.6.1 Financiële voortgang De financiële voortgang van de arbeidsmarktmaatregelen binnen EZ/Kompas is slecht. Maatregel 3.1.b Verbetering werking arbeidsmarkt doet het relatief goed, de overige twee maatregelen komen niet of nauwelijks van de grond.
Tabel 4.26 Financiële voortgang maatregelen Kennisinfrastructuur # projecten Totaal committering Totaal committering EZ/Kompas M.3.1.a. Vraaggerichte scholing M.3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt M.3.2.d. Nieuwe werkgelegenheid Bron: SNN UO Kompas monitoringsysteem 0 15 1 0 15.950.562 198.384 0 5.267.602 80.000 0 28% 3% % uitputting EZ/Kompas

4.6.2

Outputs Gegeven de achterblijvende financiële voortgang zijn nog slechts in beperkte mate outputs gerealiseerd. Per december 2002 worden 155 bedrijven ondersteund in het kader van de HRM-regeling, daarnaast is een aantal acties gericht op verschillende terreinen opgestart.

Tabel 4.27

Verwachte outputs maatregelen Kennisinfrastructuur Doel 20002006 Aantal MKB-bedrijven dat financiële bijstand ontvangt (ihkv HRM) Aantal acties gericht op verdeling arbeid en zorg Aantal acties gericht op aansluiting (beroeps)onderwijs en bedrijfsleven Aantal acties gericht op v erbetering kinderopvang Aantal werkgelegenheidsinitiatieven Aantal projecten gericht op acquisitie bij bedrijven PM PM PM 1 1 0 PM PM 2 5 Stand per december ‘02 155 % realisatie

In aanvulling op de outputs zoals opgenomen in het monitoringsysteem draagt maatregel 3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt bij aan vernieuwde of verbeterde opleidingen op het gebied van radio-frequentie -technologische en draadloze systemen, horeca & voeding, welzijn, scheepsbouw, e-commerce en logistiek in de procesindustrie. Daarnaast wordt een aantal zaken gerealiseerd op het gebied van IT, in het bijzonder een IT loket voor personeel in de IT-sector en een ICT platform dat zich richt op het vergroten van het aanbod van ICT-ers in Noord-Nederland. Daarnaast wordt een aantal initiatieven ondersteund dat zich richt op specifieke probleemgroepen de arbeidsmarkt, in het bijzonder asielzoekers en langdurig werklozen.

96

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 4.28

Aantal en status aanvragen HRM regeling, december 2002 Aantal aanvragen Verleend
wv. functieprofiel wv. erkenningscertificaat wv. strategische beleidsplan

% aanvragen 59%
61% 27% 71%

123
75 33 87

Vastgesteld
wv. functieprofiel wv. erkenningscertificaat wv. strategische beleidsplan

32
28 0 4

15%
88% 0% 13%

Ingetrokken In behandeling Afgewezen Totaal

8 21 23 207

4% 10% 11% 100%

4.6.3

Effectiviteit Omvang van de effecten “Geen effecten zonder projecten” geldt in het bijzonder voor de arbeidsmarktmaatregelen. De verwachte effectiviteit van de arbeidsmarktmaatregelen als geheel is daarom beperkt, vooral omdat de meest concrete effecten in principe zouden moeten komen van de maatregel die het slechtst loopt, de vraaggerichte scholing. De te verwachten economische effecten van de HRM regeling liggen onder meer op het terrein van het beter vervullen van bestaande vacatures bij deelnemende bedrijven. Als gevolg hiervan kunnen de economische nadelen van onderbenutting van beschikbare productiecapaciteit teniet worden gedaan. De mate waarin dergelijke economische effecten daadwerkelijk worden gerealiseerd wordt mede beïnvloedt door de conjuncturele situatie (is er behoefte aan het gebruik van de onderbenutte productiecapaciteit) en zullen de komende periode relatief beperkt qua omvang zijn. De projecten binnen maatregel 3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt hebben vooral betrekking op het verbeteren van het aanbod van vraaggerichte scholings- en opleidingstrajecten. De omvang van de effecten van deze initiatieven is direct gekoppeld aan de mate waarin er daadwerkelijk sprake is van scholing van werknemers en zullen zich pas na succesvolle scholingstrajecten manifesteren. Bijdrage aan economische structuurversterking De grootste bijdrage aan economische structuurversterking van de tot nu toe goedgekeurde initiatieven op het gebeid van arbeidsmarkt wordt geleverd door de nieuwe of verbeterde opleidingstrajecten, onder de voorwaarde dat het inderdaad gaat om opleidingen waaraan vanuit het bedrijfsleven behoefte bestaat. Ook de toekomstperspectieven van de sectoren waar deze opleidingen zic h op richten dient hierbij in beschouwing te worden genomen. Deze lijkt over het algemeen goed te zijn.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

97

De initiatieven die zich richten op de onderkant van de arbeidsmarkt leveren een beperkte bijdrage aan economische structuurversterking. Deze projecten hebben dan ook vooral een sociale doelstelling. Termijn waarop de effecten zich manifesteren De effecten van de HRM regeling manifesteren zich op relatief korte termijn. De effecten van de acties onder M.3.1.b op manifesteren zich langere termijn, gegeven het voorwaardenscheppende karakter van de opleidingsgerichte initiatieven en afhankelijk van hoe snel de projecten leiden tot concrete scholing van werknemers.

4.7 Conclusies Effectiviteit
Financiële voortgang De financiële voortgang van EZ/Kompas bedraagt per december 2002 44% van de beschikbare EZ/Kompas middelen, inclusief IPR centraal. Er is tot nu toe voor 1,2 miljard euro aan projecten goedgekeurd, waarvan 515 miljoen euro afkomstig is van Europese, nationale, regionale en lokale overheden en 680 miljoen euro vanuit het bedrijfsleven. Gegeven dat op het moment van evalueren 40% van de Kompasperiode is verstreken, ligt de financiële voortgang op hoofdlijnen goed op schema.
Tabel 4.29 Financiële voortgang EZ/Kompas per december 2002 Totaal gecommitteerd publiek M.1 Vestigingsvoorwaarden economische kernzones M.2 Versterking marktsector in Noord-Nederland M.3 Versterking arbeidsaanbod in Noord-Nederland M.4.1. Optimalisering internationale transportassen S.3 Bestaande werkgebieden S.4 Kwaliteitsimpuls binnensteden S.5 Versterking hoger onderwijs L.1 Versterking marktgerichte land- en tuinbouw L.2 Vernieuwing Landelijk gebied L.4 Toerisme en recreatie Uitv.Kosten Totaal
1 1

Totaal gecommitteerd privaat 210.219.189 429.621.157 6.126.007 2.893.112 9.366.694 15.829.906 2.084.119 3.514.206 679.654.390

% Uitputting EZ/Kompas 46% 57% 25% 0% 17% 24% 47% 15% 0% 20% 40% 44%

198.949.687 135.320.364 10.022.939 56.518.605 26.165.910 27.510.660 1.967.726 47.367.395 12.137.105 515.960.391

Inclusief IPR centraal; Bron: SNN UO, Ministerie van EZ; zie bijlage totaaloverzicht projecten

Omvang van de effecten De verwachte omvang van de economische effecten van de tot nu toe goedgekeurde projecten uitgedrukt in werkgelegenheid schatten we in op 4.510 fte netto gecreëerde werkgelegenheid. Het betreft netto effecten. Dit houdt in dat er is gecorrigeerd voor dubbeltellingen en dat verplaatsing van werkgelegenheid binnen Noord-Nederland niet is meegeteld. Effecten die ook zonder Kompas zouden zijn gerealiseerd zijn ook buiten beschouwing gelaten, evenals projecteffecten die ten koste gaan van ontwikkelingen elders in de regio. Indirecte effecten bij toeleveranciers en afnemers zijn wel meegenomen. Overige indirecte effecten als gevolg van indirect uitgelokte investeringen
98 Mid Term Review Kompas voor het Noorden

en daarmee verbonden werkgelegenheid zijn niet meegenomen. Tot slot zijn ook tijdelijke werkgelegenheid en eventueel behouden werkgelegenheid buiten beschouwing gelaten.
Tabel 4.30 Overzichtstabel netto werkgelegenheidseffecten EZ/Kompas per december 2002 Totaal netto werkgelegen-heid (inclusief indirect Bedrijventerrein (nieuw) Bedrijventerrein (gerevitaliseerd) Bedrijfsverzamelgebouwen Kantoorlocaties Werklocaties totaal 560 160 40 850 1.610 % Totaal netto werkgelegenheid 12% 4% 1% 19% 36%

Kennisinfrastructuur

40

1%

Toeristische Infrastructuur Kwaliteitsverbetering Toeristische Sector KITS Toerisme totaal

230 70 50 350

5% 2% 1% 8%

IPR Vestiging (Centraal) IPR Vestiging (Decentraal) IPR Uitbreiding (Decentraal) NIOF Generieke stimulering vernieuwing MKB Tenderprocedure VKF Bedrijfsgericht totaal

490 720 400 90 650 170 20 2.540

11% 16% 9% 2% 14% 4% 0% 56%

HRM-regeling Arbeidsmarkt totaal

10 10

0% 0%

Totaal

4.510

100%

De werkgelegenheidseffecten zijn op het moment van evalueren nog niet gerealiseerd. Het gaat om verwachte effecten. Een voorwaarde voor het realiseren van deze effecten is daarom dat de goedgekeurde projecten volgens plan worden uitgevoerd. Om een beter beeld te krijgen van de mate waarin de programmadoelstellingen zullen worden gehaald bij de huidige gang van zaken, zijn de verwachte werkgelegenheidseffecten per december 2002 geëxtrapoleerd naar een committeringspercentage van 100%. Onderstaande tabel geeft hiervan de resultaten weer, waarbij elke maatregel is geëxtrapoleerd op basis van het committeringspercentage van die maatregel.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

99

Tabel 4.31

Overzichtstabel netto werkgelegenheidseffecten EZ/Kompas per december 2002, geëxtrapoleerd naar 100% Totaal netto werkgelegen-heid (inclusief indirect Bedrijventerrein Bedrijventerrein (gerevitaliseerd) Bedrijfsverzamelgebouw Kantoorlocaties Werklocaties totaal 6.000 880 80 1.360 8.320 % Totaal netto werkgelegenheid 41% 6% 1% 9% 56%

Kennisinfrastructuur

70

0%

Kwaliteitsverbetering Toeristische Sector KITS Toeristische Infrastructuur Toerisme totaal

550 170 90 810

4% 1% 1% 5%

IPR Vestiging (Centraal) IPR Vestiging (Decentraal) IPR Uitbreiding (Decentraal) NIOF Generieke stimulering vernieuwing MKB Tenderprocedure VKF Bedrijfsgericht totaal

880 2.310 630 240 750 670 20 5.500

6% 16% 4% 2% 5% 5% 0% 37%

HRM-regeling Arbeidsmarkt totaal

30 30

0% 0%

Totaal

14.730

100%

Geëxtrapoleerd komen de totale netto werkgelegenheidseffecten uit op een klei e 14.700 n fte netto gecreëerde werkgelegenheid. Dit ligt binnen de bandbreedte van verwachte effecten van EZ/Kompas van 9.500 – 17.700 zoals opgenomen in Bijlage B.4 van het Kompasprogramma. Belangrijke kanttekening is evenwel dat de verwachte effecten bij de huidige stand van uitvoering niet zonder meer mogen worden geëxtrapoleerd naar een situatie van 100% gecommitteerde middelen. De onzekere economische context waarbinnen het programma wordt uitgevoerd maakt het onzeker of alle delen van het programma volgens plan kunnen worden uitgevoerd. De laagconjunctuur werkt direct door in een verminderde investeringsbereidheid van het bestaande bedrijfsleven en van potentiële nieuwkomers. Dit heeft negatieve invloed op het gebruik van de bedrijfsgerichte maatregelen, in het bijzonder de IPR, en op de vraag naar nieuwe werklocaties. Dit zet de mate waarin de kwantitatieve doelen worden bereikt onder druk. De werkgelegenheidsgroei neemt immers af en de mogelijkheden van het programma om dit tegen te gaan ook. De

100

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

inschatting op dit moment is daarom dat het uiteindelijk aantal te realiseren extra banen laag binnen de geformuleerde bandbreedte uitkomt. Bijdrage aan economische structuurversterking Kompas levert een positieve bijdrage aan een structurele versterking van de economische structuur in Noord-Nederland. De bedrijfsgerichte en voorwaardenscheppende elementen van de beleidsmix dragen hier elk op hun eigen manier aan bij. De bijdrage van de bedrijfsgerichte maatregelen manifesteert zich vooral door de positieve invloed op het knelpunt marktrelaties. De Kompasprojecten leveren een positieve bijdrage aan het versterken van het ondernemerschap in Noord-Nederland, door startersbegeleiding en door het bestaand bedrijfsleven te ondersteunen bij onder meer het verbeteren van de bedrijfsvoering, het vinden van nieuwe markten en het bevorderen van innovatie van producten en processen. De voorwaardenscheppende maatregelen dragen positief bij aan het scheppen van de randvoorwaarden waarbinnen de effecten van de bedrijfsgerichte maatregelen zich kunnen manifesteren. Met name geldt dit voor investeringen in kennisinfrastructuur die relevant zijn voor het regionaal bedrijfsleven, investeringen in versterking van het toeristisch product en investeringen in werklocaties. Termijn waarop de effecten zich manifesteren, De termijn waarop de werkgelegenheidseffecten zich manifesteren, zal voor een belangrijk deel pas ruim na afloop van de programmaperiode zijn. Dit geldt met name voor voorwaardenscheppende investeringen in werklocaties, toeristische infrastructuur en kennisinfrastructuur. Additionaliteit Een aspect van effectiviteit betreft de mate van additionaliteit van de gerealiseerde effecten. Welke ontwikkelingen zouden zonder Kompas niet in gang zijn gezet? Additioneel is Kompas vooral bij het in gang zetten van op zich belangrijke ontwikkelingen, die echter niet worden opgepakt wanneer urgentere, maar minder belangrijke, zaken voorrang krijgen binnen de regionale budgettaire randvoorwaarden. Additioneel in de voorwaardenscheppende sfeer zijn vooral investeringen in kennisinfrastructuur en IT infrastructuur en investeringen in de vanuit economische ontwikkeling interessante onderdelen van grootschalige projecten als het Friese Merenproject en de Blauwe Stad. Additioneel in de bedrijfsgerichte sfeer zijn vooral de IPR vestiging en projecten op het gebied van het bevorderen van economische samenwerking en het versterken van het innoverend vermogen van bestaande bedrijven.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

101

5 Efficiency

5.1 Inleiding
Efficiency heeft betrekking op de verhouding tussen inputs en de daarmee behaalde outputs en resultaten / effecten. Meer outputs, resultaten en effecten met minder inputs leidt tot een efficiënter programma. Onderstaande figuur illustreert dit.
Figuur 1.1 Evaluatie van de efficiency

Impact SWOT UITVOERING Resultaten

Doelen

Inputs

Projecten

Outputs

EFFICIENCY

RELEVANTIE

EFFECTIVITEIT

In dit hoofdstuk komen 3 aspecten van efficiency aan bod: • Efficiency op output-niveau. Het gaat hierom de vraag of dezelfde outputs tegen lagere kosten hadden kunnen worden bereikt; • Private hefboomwerking. Het gaat hier om de vraag of het programma er in slaagt investeringen bij private partijen los te maken. Hoe beter het programma hier in slaagt, hoe efficiënter publieke middelen worden ingezet; • Efficiency in termen van werkgelegenheid. Het gaat hierom de vraag of dezelfde werkgelegenheidseffecten tegen lagere kosten hadden kunnen worden bereikt. Het gehanteerde efficiency begrip in termen van werkgelegenheid komt in belangrijke mate overeen met het begrip ‘value for money’ zoals dat wordt gehanteerd bij de projectbeoordeling in het kader van Kompas. Bij de projectbeoordeling wordt ‘value for money’ gedefinieerd als de directe en indirecte werkgelegenheid van een project afgezet tegen het benodigde subsidiebedrag. Een verschil is evenwel dat we hier alleen stil staan bij de verwachte netto effecten. Beoordelingsgrond voor de efficiency van de outputs vormen de kengetallen uit het Referentiekader Indicatoren. Dit kader geeft per type maatregel een indicatie van de outputs die mogen worden verwacht bij de inzet van een bepaalde hoeveelheid financiële

102

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

middelen. Daar waar de kosten per output overeenkomen met de kengetallen uit het referentiekader beoordelen we deze als efficiënt. Een aantal inleidende opmerkingen vooraf:

Benchmarking: historische en regionale vergelijkbaarheid De gepresenteerde cijfers winnen aan zeggingskracht als ze worden bezien in relatie tot cijfers in andere regio’s of over eerdere periodes. Wat betreft vergelijking met andere regio’s kunnen de hier gepresenteerde cijfers na afloop van de evaluaties van andere EPDs over de periode 2000-2006 onderling worden vergeleken. Deze gegevens zijn op het moment van evalueren niet beschikbaar. Voor de vergelijking met eerdere periodes in het zelfde gebied vormen de cijfers uit het Referentiekader Indicatoren de basis. Deze zijn gebaseerd op behaalde outputs in eerdere periodes. Historische vergelijkbaarheid van behaalde netto effecten is niet mogelijk omdat dit de eerste keer is dat de werkgelegenheidseffecten volgens de stappen in het Evaluatiekader zijn berekend. Efficiency niet geïsoleerd bekijken Het nut van een bepaalde maatregel kan niet alleen worden afgemeten aan de efficiency in termen van kosten per arbeidsplaats. Naast efficiency dienen ook belang, urgentie, effectiviteit en uitvoerbaarheid te worden meegenomen. Voorzichtig zijn met vergelijkingen tussen de verschillende typen maatregelen De cijfers zoals gepresenteerd in dit hoofdstuk nodigen uit tot vergelijkingen tussen verschillende typen maatregelen. Lage kosten per arbeidsplaats bij bedrijfsgerichte maatregelen versus hoge kosten per arbeidsplaats in het geval van investeringen in kennisinfrastructuur betekent niet alle middelen dan maar naar bedrijfsgerichte maatregelen zouden moeten worden overgeheveld. We komen hier in de betreffende paragraaf op terug. Beoordeling: stand van zaken op dit moment De basis bij de beoordeling van de efficiency in dit hoofdstuk vormen de verwachte effecten van toekenning van de projecten tot nu toe. De berekeningen geven dan ook een tussenstand weer. Hoe de uiteindelijke verhouding tussen inputs en outputs (en resultaten) eruit komst te zien, is iets dat pas na afloop van de programmaperiode nadat de projecten financieel zijn afgerond vastgesteld kan worden. De kostenefficiency van de diverse maatregelen kan dan uiteindelijk ook hoger of lager uitvallen dan was voorzien en zoals in dit hoofdstuk weergegeven. Bij de interpretatie van de resultaten dient hier rekening mee gehouden te worden.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

103

5.2 Kostenefficiency outputs
Referentiemateriaal voor de beoordeling van de efficiency op outputniveau is slechts in beperkte mate aanwezig. We gebruiken het Referentiekader Indicatoren als het belangrijkste ijkpunt. Deze indicatoren zijn gebaseerd op ervaringen met eerdere programma’s in Noord-Nederland en geven daarmee een indicatie van efficiency in vergelijking met eerdere periodes. Een methodologische beperking bij het beoordelen van de kostenefficiency van outputs op programmaniveau is dat bijna per definitie appels met peren worden vergeleken. Elk individueel project heeft specifieke kenmerken en daarom goede redenen om af te wijken van een kengetal of gemiddelde. Desondanks weerstaan we de verleiding om dan maar helemaal geen cijfers te noemen. Voor die (beperkte set van) maatregelen waarvan de indicatieve kosten per eenheid output zijn opgenomen in het Referentiekader Indicatoren hebben we de daadwerkelijk gemaakte kosten vergeleken met de kengetallen uit het Referentiekader. Zie onderstaande tabellen.
Tabel 5.1 Kosten per eenheid output Kompas 2000-2006 Eenheid Publieke kosten per eenheid M.1.1.a. Aanleg bedrijventerreinen M.1.1.b. Revitalisering bedrijventerreinen S.3.1. Vernieuwing stationsgebieden M.1.2.b.1. IPR vestiging centraal M.1.2.b.2. IPR vestiging decentraal M.2.1.a. IPR uitbreiding decentraal M.2.3.a. VKF M.2.3.b. NIOF S.4.2. Versterken aanbod voorzieningen M.2.3.d. Kwaliteit toeristische sector Hectare Hectare 1.000 m2 bvo Deelnemer Deelnemer Deelnemer Deelnemer Deelnemer Toer. Voorz. Project 438.378 91.114 261.056 3.836.227 305.799 240.182 407.187 23.273 2.826.883 965.908 Totale kosten per eenheid 544.968 100.256 274.419 39.541.838 1.751.306 2.130.168 583.432 69.298 5.083.473 1.581.943 Hefboom private bijdrage 0,2 0,1 0,1 9,3 4,7 7,9 0,4 2,0 0,8 0,6

104

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 5.2

Referentiegegevens kosten per eenheid output Kompas 2000-2006 M.1.1a. M.1.1.b. S.3.1. S.3.1. M.1.2.b.1. M.1.2.b.2. M.2.1.a. M.2.3.a. M.2.3.b. S.4.2. M.2.3.d. M.2.1.b. Investeringskosten 450.000 euro per ha nieuw aangelegd bedrijventerrein; investeringskosten 82.000 euro per ha gerevitaliseerd bedrijventerrein; investeringskosten 100.000 euro per ha (terrein); investeringskosten 1 miljoen euro per 1.000 m2 nieuw bruto vloeroppervlakte. 2,4 miljoen euro subsidie per beschikking 240.000 euro subsidie per beschikking; 120.000 euro subsidie per beschikking; 605.000 overheidsbijdrage per bedrijf; 13.400 euro subsidie per beschikking; investeringskosten 20 – 30 miljoen euro per grootschalige voorziening investeringskosten 227.500 euro per project 25.000 euro subsidie per project

Bron: TERP, Referentiekader Indicatoren •

Werklocaties De kosten per hectare van aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen komen in grote lijnen overeen met de kengetallen uit het Referentiekader. Aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen kosten in de huidige periode ongeveer evenveel als in het verleden. Dit geeft een indicatie dat bedrijventerreinen efficiënt worden aangelegd, althans niet meer of minder efficiënt dan in het verleden. Regelingen Relevante vraag bij de beoordeling van de efficiency van de regelingen is of met minder premie hetzelfde volume investeringen had kunnen worden uitgelokt. Voor de beoordeling van de efficiency van de IPR grijpen we terug op de evaluatie van de IPR in de vorige periode. Hieruit bleek dat bij een te laag premiebedrag de IPR niet in staat is om ondernemingen tot investeringen te bewegen. Mede op basis van die bevindingen zijn de huidige premiepercentages vastgesteld. We beoordelen de efficiency van de IPR daarom als positief. Beoordeling van de output-efficiency van NIOF en VKF kan alleen op basis van gesprekken met deelnemende bedrijven. Deze zijn in het kader van de MTR niet gevoerd. Wel kan worden opgemerkt dat de efficiency van VKF positief wordt beïnvloed door het feit dat het hier een revolving fund betreft. Met dezelfde euro worden dus verschille nde bedrijven ondersteund. Toerisme De investeringskosten van de toeristische voorzieningen liggen tot een factor 10 lager dan in het Referentiekader. Dit duidt niet zozeer op efficiency, als wel op het feit dat de tot nu toe gefinancierde toeristische voorzieningen minder grootschalig zijn dan soortgelijke projecten in het verleden. Voor de bedrijfsgerichte investeringen in kwaliteit van de toeristische sector geldt het omgekeerde. De investeringskosten per project liggen beduidend hoger dan voorzien. Dit zegt weinig over de efficiency. Bovendien is het aantal projecten als indicator van beperkte waarde.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

105

Kennisinfrastructuur Uitspraken op maatregelniveau over de output-efficiency van projecten op het gebied van kennisinfrastructuur zijn niet mogelijk. Hier laten de methodologische beperkingen vanwege het uiteenlopende karakter van de projecten zich het meest gelden. De MTR doet geen uitspraken over de efficiency van individuele projecten.

5.3 Private hefboomwerking
De efficiency van het programma wordt positief beïnvloed naarmate het programma er beter in slaagt om nieuwe ontwikkelingen in gang te zetten. Door het programma uitgelokte investeringen zijn hiervan een graadmeter. Interessant is vooral de mate waarin publieke middelen er in slagen private investeringen uit te lokken. Een indicatie hiervan geeft het aandeel private cofinanciering per maatregel. Onderstaande tabel geeft hiervan het overzicht.
Tabel 5.3 Factor private cofinanciering t.o.v. van publieke middelen per maatregel

Factor private cofinanciering Kompas 2000-2006 M.1.1.a. Aanleg bedrijventerreinen M.1.1.b. Revitalisering bedrijventerreinen M.1.2.c. Bedrijfshuisvesting S.3.1. Vernieuwing stationsgebieden M.1.2.a. Acquisitie ondersteunende promotie M.1.2.b.1. IPR vestiging centraal M.1.2.b.2. IPR vestiging decentraal M.2.1.a. IPR uitbreiding decentraal M.2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB M.2.3.a. VKF M.2.3.b. NIOF M.2.3.c. AMa en Taskforces M.2.3.e. Tenderprocedure L.1.1. Versterking agrarische sector L.1.3. Vernieuwing agrarische sector S.4.1. Aantrekkelijkheid openbaar gebied S.4.2. Versterken aanbod voorzieningen L.4.1. Toeristisch-recreatieve infrastructuur L.4.2. Verbetering watersportmogelijkheden M.2.3.d. Kwaliteit toeristische sector M.2.1.b. KITS-regeling S.5.1. Oprichting top-kennisinstituten S.5.2. Vestigingslocaties M.3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt M.3.2.d. Nieuwe werkgelegenheid
1

0,2 0,1 0,7 0,1 0,0 9,3 4,7 7,9 0,7 0,4 2,0 0,0 0,8 0 1,6 0,0 0,8 0,0 0,6 8,4 1,0 0,4 1,4 0,1 0,4

M.3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt2

106

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 5.3 laat zien dat het aandeel private cofinanciering het hoogst is bij bedrijfsgerichte projecten en regelingen. Bij fysieke voorwaardenscheppende investeringen in toeristische infrastructuur, openbare ruimte en werklocaties is de private bijdrage het laagst. Naast private bijdrage aan de uitvoering van projecten is vooral interessant welke additionele investeringen bij bedrijven het programma weet uit te lokken. Dit is de private hefboom. Gegevens voor een kwantitatieve inschatting van de private hefboom ontbreken. Arbeidsmarkt maatregelen laten we als gevolg van de beperkte of afwezige financiële voortgang buiten beschouwing.

Werklocaties Bij werklocaties zijn met name de niet project gerelateerde private investeringen interessant uit oogpunt van private hefboomwerking. Evenals bij effectiviteit moet worden opgemerkt dat werklocatieprojecten op zich geen investeringen uitlokken. Dit is pas het geval als bedrijven naar aanleiding van een herlocatie uitbreidingsinvesteringen plegen. De private hefboom die aan de werklocatieprojecten kan worden toegeschreven is daarom relatief laag. Regelingen en bedrijfsgerichte maatregelen Tot de uitgelokte private investeringen wordt vaak alle private cofinanciering binnen een regeling gerekend. Dit leidt tot een vertekend beeld als er sprake is van deadweight. De private hefboomwerking van IPR en NIOF ligt in feite al opgesloten in de financiële condities die aan deelname worden gesteld. Gemiddeld dragen de deelnemende bedrijven aan de IPR 80 tot 90% van de investeringskosten. Voor de NIOF ligt dit percentage op 66%. Daadwerkelijk uitgelokt zijn die investeringen die zonder de premie niet zouden zijn doorgegaan. In dat verband wordt nogmaals gewezen op de aangescherpte subsidievoorwaarden van de IPR. Die maken het aannemelijk dat een groter deel van de private financiering onder de IPR als daadwerkelijk uitgelokt mag worden beschouwd. De overige bedrijfsgerichte maatregelen zijn vooral adviestrajecten. Private bijdragen van deelnemers aan deze adviestrajecten zijn niet opgenomen in bovenstaande tabel. Naast deze bijdrage mag met name van de projecten op het gebied van innovatie en nieuwe markten worden verwacht dat zij, indien succesvol, vroeg of laat leiden tot private investeringen. Gegeven het feit dat adviesprojecten relatief goedkoop zijn per bedrijf kan dan op bedrijfsniveau een aanzienlijke privaat hefboomeffect worden verwacht. Op maatregelniveau is dat effect afhankelijk van het aantal bedrijven dat daadwerkelijk succesvol innoveert of nieuwe markten openbreekt. Naast de direct als gevolg van deelname aan projecten en regelingen uitgelokte investeringen leiden de regelingen tot indirecte effecten bij toeleveranciers en afnemers. Hierdoor neemt de private hefboomwerking van de bedrijfsgerichte projecten en regelingen verder toe.

Toerisme Het private hefboomeffect van investeringen in toeristische infrastructuur is hoger naarmate de publieke investeringen in voorzieningen en attracties directer bijdragen aan het genereren van extra bezoekers van buiten naar de regio. Zoals aangegeven in

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

107

het hoofdstuk Effectiviteit is hier op een aantal punten ruimte voor verbetering. Ook de efficiency van de gepleegde publieke investerin gen in toeristische infrastructuur kan via meer uitgelokte private investeringen omhoog. De toeristische bedrijfsgerichte maatregelen laten over het algemeen hetzelfde beeld zien als de reguliere bedrijfsgerichte maatregelen. Hoge private cofinancieringsbijdrage bij de KITS-regeling en bijgevolg hoge direct uitgelokte private investeringen. Op langere termijn een relatief hoge private hefboom bij succesvolle toeristische adviestrajecten.

Kennisinfrastructuur De private hefboom zal vooral afhangen van de mate waarin de investeringen in kennisinfrastructuur aansluiten bij de vraag van het regionaal bedrijfsleven. Zoals aangegeven in het hoofdstuk Effectiviteit wordt middels een aantal bedrijfsgerichte projecten bijgedragen aan de verwezenlijking hiervan. Leiden deze projecten tot successen bij individuele bedrijven dan kan de private hefboom aanzienlijk zijn.

5.4 Efficiency verwachte werkgelegenheidseffecten
In deze paragraaf gaan we in op de efficiency van het programma in termen van de te verwachten werkgelegenheidseffecten. Focus is de relatie tussen de behaalde werkgelegenheidseffecten en de ingezette financiële middelen. Voor elk type maatregel is uitgerekend hoeveel publieke middelen moeten worden ingezet om een netto arbeidsplaats te creëren. Een waarschuwing vooraf: dit is tot op zekere hoogte niet meer en niet minder dan een rekenkundige exercitie. Hoewel de gepresenteerde cijfers uitnodigen tot snelle conclusies over welke maatregel efficiënt is en welke maatregel geldverspilling, is dit niet de bedoeling. De cijfers bieden vooral additionele informatie over hoe direct verschillende maatregelen bijdragen aan het bereiken van de hoofddoelstellingen van Kompas. De tabel verschaft ook additioneel inzicht in de causale relaties tussen verschillende typen maatregelen. Daarnaast is de tabel nuttig als vergelijkingsmateriaal ten opzichte van programma’s in andere regio’s en in de tijd, indien soortgelijke berekeningen ook in volgende evaluaties worden gemaakt.

108

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 5.4

Overzicht publieke kosten per netto arbeidsplaats Kompas 2000-2006 Publieke investering per netto verwachte arbeidsplaats (fte) Bedrijventerrein (nieuw) Bedrijventerrein (gerevitaliseerd) Bedrijfsverzamelgebouwen Kantoorlocaties Werklocaties totaal 83.035 99.607 175.221 66.700 78.356

Kennisinfrastructuur

466.058

Toeristische infrastructuur Kwaliteitsverbetering Toeristische Sector KITS Toerisme totaal

320.420 68.959 194.739 250.235

IPR Vestiging (Centraal) IPR Vestiging (Decentraal) IPR Uitbreiding (Decentraal) NIOF Generieke stimulering vernieuwing MKB Tenderprocedure VKF Bedrijfsgericht totaal

171.260 30.932 109.452 182.555 39.322 30.731 505.822 79.555

HRM-regeling Arbeidsmarkt totaal

161.083 161.083

Totaal

96.399

De tabel laat zien dat de kosten van een netto arbeidsplaats het laagst zijn bij bedrijfsgerichte maatregelen en werklocaties en het hoogst bij voorwaardenscheppende investeringen in kennisinfrastructuur en toeristische infrastructuur. Hieruit dient niet direct de conclusie te worden getrokken dat alle middelen dan maar meteen op bedrijfsgerichte maatregelen en nieuwe werklocatie s moeten worden ingezet. De mate van kostenefficiency zit immers deels al opgesloten in het type project en het doel waarmee bepaalde typen projecten worden uitgevoerd. Een kernonderscheid is dat tussen regelingen, overige bedrijfsgerichte maatregelen en voorwaardenscheppende maatregelen. De causale relatie tuseen deze typen maatregelen begint bij de voorwaardenscheppende maatregelen, die bijdragen aan het creëren van een aantrekkelijk productiemilieu en investeringsklimaat. Vervolgens kunnen bedrijven via de overige bedrijfsgerichte maatregelen worden aangezet tot het vernieuwen van producten, processen en markten. Zijn ze daarin succesvol, dan zal dit leiden tot investeringen

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

109

waarbij de IPR en andere regelingen een rol kunnen spelen. Onderstaande voorbeelden illustreren dat het uiteindelijk gaat om de juist mix van maatregelen.

Zoals eerder opgemerkt in het hoofdstuk Effectiviteit creëren werklocaties geen werkgelegenheid. Structurele werkgelegenheidsgroei is altijd het gevolg van investeringen door ondernemers. De werkgelegenheid manifesteert zich fysiek wel op een werklocatie. Binnen de gehanteerde rekensystematiek worden deze werkgelegenheidseffecten toegeschreven aan het programma. Ze zijn echter vooral het gevolg van investeringen die zijn uitgelokt door een combinatie van IPR vestiging, acquisitie ondersteunende promotie en autonome vestigingsplaatskeuzes door nieuwvestigers. De effecten kunnen dus niet los worden gezien van andere maatregelen in de Kompas beleidsmix. Er is sprake van onderlinge verwevenheid tussen de verschillende typen maatregelen. Zo zijn bedrijfsgerichte maatregelen op het gebied van bijvoorbeeld innovatie efficiënter als er voldoende kennisinstellingen bestaan die bedrijven op dit punt van dienst kunnen zijn. De gesubsidieerde investeringen in kennisinfrastructuur hebben een sterk voorwaardenscheppend karakter. De vergeleken met kennisinfrastructuur lage kosten per arbeidsplaats van bijvoorbeeld de NIOF, ontstaan deels bij de gratie van een voldoende ontwikkelde regionale kennisinfrastructuur die de ontwikkeling van succesvolle innovaties ondersteunt. Voor toerisme geldt dat investeren in de kwaliteit van accommodaties en het bevorderen van samenwerking tussen toeristische ondernemers alleen vruchten afwerpt als de toeristisch-recreatieve infrastructuur inclusief attracties kwalitatief en kwantitatief op peil is.

Bij het beoordelen van de efficiency dient ook rekening te worden gehouden met de volgtijdelijkheid van de effecten van verschillende typen maatregelen. Het feit dat de bedrijfsgerichte maatregelen in de periode 2000-2006 relatief efficiënt zijn in termen van werkgelegenheidscreatie wordt mede beïnvloed door de voorwaardenscheppende investeringen die zijn gepleegd in de voorafgaande periodes. Het overzicht van kosten per arbeidsplaats kan daarom worden gebruikt om de timing van de inzet van verschillende beleidsinstrumenten te beargumenteren. In het licht van de hoofddoelstelling leveren de bedrijfsgerichte maatregelen in principe de hoogste bijdrage per eenheid input. Dit is echter alleen het geval onder de voorwaarde dat zich geen knelpunten voordoen op het gebied van werklocaties, toeristische infrastructuur en kennisinfrastructuur. Op het gebied van werklocaties zijn deze knelpunten er op dit moment op regionaal niveau niet, mede door projecten op dit terrein in het verleden. Het temporiseren van de werklocaties hoeft dus geen gevolgen te hebben voor de werkgelegenheidseffecten van bedrijfsgerichte maatregelen in de komende jaren.

110

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

5.5 Conclusies Efficiency
Op basis van vergelijking met gegevens over eerdere periodes en op basis van gesprekken met het programma management, de SNN UO en individuele projectuitvoerders lijken de outputs over het algemeen efficiënt te worden gerealiseerd. Ook tijdens de verschillende stadia van projectverwerving en projectbeoordeling krijgt de efficiency waarmee de outputs worden gerealiseerd voldoende aandacht. Het programma is efficiënter naarmate het er beter in slaagt nieuwe ontwikkelingen in gang te zetten. Door het programma uitgelokte private investeringen zijn hiervan een graadmeter. De grootste private hefboomwerking komt voor rekening van de bedrijfsgerichte maatregelen, hetgeen deels ligt opgesloten in de vereiste private cofinanciering van deelnemende bedrijven. Door de lagere deadweight van de IPR in vergelijking met eerdere periodes, neemt het volume uitgelokte investeringen toe en daarmee de efficiency van de regeling. De private hefboomwerking van investeringen in werklocaties, toeristische infrastructuur en kennisinfrastructuur is relatief laag, overeenkomstig hun voorwaardenscheppende karakter. Zij dragen echter indirect en op langere termijn ook bij aan private investeringen. In het licht van efficiency is ook gekeken naar de kosten van een netto gecreëerde structurele arbeid splaats. Deze zijn het laagst voor de bedrijfsgerichte maatregelen en werklocaties en het hoogst voor voorwaardenscheppende investeringen in kennisinfrastructuur en toeristische infrastructuur. Dit betekent niet dat het accent van het programma per definit ie moet worden verschoven naar maatregelen waar de kosten per arbeidsplaats het laagst zijn. Bedrijfsgerichte maatregelen zijn bijvoorbeeld efficiënt mede dankzij hetgeen met maatregelen op het gebied van kennisinfrastructuur of toeristische infrastructuur wordt bereikt. Het gaat uiteindelijk om een efficiënte mix van maatregelen in het programma als geheel. Voor de beoordeling hiervan is vergelijkingsmateriaal nodig uit andere regio’s. De mid term evaluaties van andere (Europese) regionale beleidsprogramma’s in Nederland, die in de loop van 2003 zullen verschijnen, kunnen hier meer inzicht in verschaffen.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

111

6 Uitvoering

6.1 Inleiding
In dit hoofdstuk staat de uitvoering van Kompas centraal. Daarbij maken we een onderscheid tussen Kompas-breed en EZ/Kompas. SNN is verantwoordelijk voor dat deel van het programma dat decentraal wordt uitgevoerd, het EZ/Kompasprogramma. Het grootste deel van dit hoofdstuk gaat hierover. In een aparte paragraaf gaan we in op de uitvoering van het Kompas-brede programma (dit betreft met name de betrokkenheid van enkele ministeries). We evalueren de uitvoering aan de hand van de beleidscyclus, geïllustreerd in onderstaande figuur en kader.
Figuur 6.1 Beleidscyclus Programma uitvoering

Programmering

Programma marketing

Probleemanalyse

Projectverwerving

Evaluatie

Projectselectie

Monitoring Financiële afhandeling

Projectuitvoering

Kader 6.1

Toelichting beleidscyclus • • • • Probleemanalyse: Knelpuntenanalyse regionaal investeringsklimaat, SWOT-analyse van de regio, identificatie van strategisch belangrijke sectoren; Programmering: Vertaling van de knelpunten en SWOT in doelen en concrete beleidsmaatregelen. Programma marketing: Bekendmaken van de mogelijkheden die het programma biedt onder de doelgroepen van het programma (potentiële projectindieners); Projectverwerving: Aanjagen van projectideeën en het bieden van ondersteuning aan (potentiële) projectindieners bij de vertaling van ideeën naar concrete, subsidiabele projecten projectvoorstellen en –aanvragen; • • Projectselectie: Selectie en goedkeuring van projecten middels toetsing aan inhoudelijke en uitvoeringstechnische criteria; Projectuitvoering: Feitelijke uitvoering van de goedgekeurde projecten door de projectuitvoerders

112

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

• • •

Financiële afhandeling: Financieel-administratieve zaken op project- en programmaniveau (onder meer betalingen); Monitoring: Zowel financieel als inhoudelijk wordt bijgehouden of de gestelde doelen op project- en programmaniveau worden gehaald; Evaluatie: Externe evaluatie van relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering van programma en projecten.

Gegeven het mid-term karakter van de evaluatie leggen we in dit hoofdstuk het accent op de stappen in de beleidscyclus die te maken hebben met de uitvoering van het programma.

6.2 Uitvoering Kompas-breed
Het Kompasprogramma is het resultaat van afspraken tussen het SNN en het kabinet over de wijze waarop en met hoeveel geld de nationale overheid in partnerschap met regionale en lokale partijen wil bijdragen aan de economische ontwikkeling van Noord-Nederland gedurende de periode 2000-2006. De belangrijkste betrokken ministeries zijn de ministeries van Economische Zaken (EZ), Landbouw Natuurbeheer en Visserij (LNV), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Verkeer en Waterstaat (V&W) en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). De ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laten we hier buiten beschouwing vanwege de zeer beperkte bijdrage aan het programma. De ministeries van EZ en van LNV komen in paragraaf 6.4 aan de orde. Eén van de kernpunten in de afspraken met het toenmalige kabinet was de programmatische aanpak: de bijdragen van het Rijk zouden zoveel mogelijk beschikbaar worden gesteld voor de uitvoering van het programma als geheel en niet worden geoormerkt voor afzonderlijke projecten of maatregelen. Inmiddels blijkt dat niet alle ministeries concreet aan deze afspraak invulling hebben gegeven.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid De inbreng van het Ministerie van SZW is van belang voor de uitvoering van verschillende maatregelen binnen het Thema M3 Versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland. De belangrijkste financieringsstromen betreffen de nationale SZW middelen, ESF D3 middelen en de O&O fondsen. De gemeenten zijn belangrijkste uitvoerende partijen van het SZW en ESF beleid. De nationale ondernemersorganisaties beheren de O&O fondsen. De invloed van Noordelijke provincies op de besteding van deze middelen is beperkt, evenals de mogelijkheden voor inhoudelijke afstemming tussen het arbeidsmarktbeleid in het kader van Kompas en het overig arbeidsmarktbeleid. Een Brusselse eis is daarnaast dat 20% van de landelijk beschikbare ESF middelen de Doelstelling 2 gebieden terecht komt. Cijfers hierover ontbreken op het moment van evalueren. Omdat de voortgang van het nationale ESF-Doelstelling 3 programma als geheel sterk achterblijft, komt in ieder geval in absolute termen naar verwachting veel minder in Noord-Nederland terecht dan van tevoren voorzien. De uitvoering van het Kompas arbeidsmarktbeleid komt mede hierdoor nauwelijks van de grond.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

113

Ministerie van Verkeer en Waterstaat De inbreng van het Ministerie van V&W is van belang voor de uitvoering van de maatregelen M4.1 Optimalisering internationale transportassen en M4.2 Verbetering bereikbaarheid economische kernzones. Met het Ministerie van V&W zijn concrete afspraken gemaakt over een serie projecten. Daarnaast dienen voor een aantal projecten nog nadere afspraken te worden gemaakt in het kader van de MITprocedure. Het algemene beeld over dit deel van Kompas is positief. Ministerie van VROM De inbreng van het Ministerie van VROM is van belang voor de uitvoering van verschillende maatregelen binnen het Deelprogramma Stad, in het bijzonder vanwege de bijdrage aan de herstructurering van de woningvoorraad en investeringen in het openbaar gebied. Op basis van de gevoerde gesprekken komt een positief beeld naar voren als het gaat om de wijze waarop VROM invulling geeft aan de programmatische aanpak en de invloed van de provincies op de besteding van de middelen. Een punt van aandacht is wel of ook de afspraken die in financiële zin zijn gemaakt in voldoende mate worden nagekomen.

Op basis hiervan oordelen we tamelijk kritisch over de wijze waarop de nietEZ/Kompasdelen van het Kompasprogramma worden uitgevoerd. Met name geldt dit voor de bijdrage van het Ministerie van SZW. Een algemeen knelpunt en verklarende factor is dat de meeste ministeries geen regionale beleidsdoelstellingen kennen en daarom weinig ervaringen hebben met de regionale inzet van rijksmiddelen. Dit maakt het in de praktijk lastig om de gemaakte afspraken na te komen. Tijdens een aantal gesprekken is in dat verband opgemerkt dat SNN zich bij de totstandkoming van het Kompas teveel zou hebben gericht op het Ministerie van EZ als coördinerend ministerie voor regionaal beleid en te weinig in contact zou zijn getreden met andere relevante ministeries om de Langman-afspraken te concretiseren. Tijdens de gevoerde gesprekken met verantwoordelijke bestuurders zijn deze geluiden weerlegt. De bestuurders gaven aan dat er veelvuld ig ambtelijk en bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met de verschillende ministeries.

6.3 Organisatie- en beheersstructuur EZ/Kompas
We richten ons bij de beoordeling van de organisatie - en beheersstructuur op de vraag of de taken en verantwoordelijkheden duidelijk zijn, zowel op papier als in de praktijk. De Administratieve Organisatie (AO) van het Kompas20 bevat een uitgebreide omschrijving van de taken en bevoegdheden van de verschillende betrokken partijen. Onderstaand organogram is hier aan ontleend.

20

SNN, Administratieve Organisatie KOMPAS, december 2001

114

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Figuur 6.2

Organogram Kompas
Algemeen Bestuur SNN PS-en van de drie provincies Commissie van advies Bezwaarsch.

UO SNN

IPSC

CvT Dagelijks Bestuur SNN Projectbeoordelings commissie

Taskforces

Adviescollege voor de Markt

Projectgroep SNN

Adviesraad Agrobusiness

Projectgroep Uitvoering Kompas

BC Economische Zaken

BC Stedelijke Ontwikkeling

BC Landelijk Gebied

Permanent orgaan binnen de Kompas AO Tijdelijk in te stellen orgaan Hiërarchische lijn Adviserende lijn

Bron: Administratieve Organisatie Kompas

Het organogram illustreert dat een groot aantal partijen betrokken is bij de uitvoering van het programma. Voor een toelichting bij de taken en verantwoordelijkheden van al deze partijen wordt verwezen naar de Kompas AO. We concentreren ons in dit hoofdstuk vooral op de partijen die direct en vrijwel dagelijks bij de uitvoering van het programma betrokken zijn. Dit zijn tevens de partijen die in de resterende paragrafen van dit hoofdstuk nader aan de orde komen. N.B. Het niet noemen van een bepaalde partij in onderstaande tabel is geen impliciet waardeoordeel over het belang of functioneren ervan.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

115

Tabel 6.1

Belangrijkste betrokken partijen Uitvoering EZ/Kompas Partij Provincies Toelichting Belangrijkste taken en verantwoordelijkheden uitvoering • • Ministeries EZ, LNV • • SNN UO Uitvoeringsorganisatie SNN • PBC Projectbeoordelingscommissie Bestuurscommissies • • • DB SNN, CvT EPD D2 AMa BC EZ/Markt BC Stad BC Land besluitvorming op programma- en SNN-niveau (bestuurlijk) besluitvorming over projecten op landsdelig / SNN-niveau (bestuurlijk: SNN) • projectverwerving (ambtelijk) besluitvorming projecten op provinciaal niveau (bestuurlijk: GS); cofinancier lid van de PBC (ambtelijk) beoordelen van en adviseren over projectaanvragen als secretariaat van de PBC (ambtelijk) overige uitvoeringswerkzaamheden (ambtelijk)

beoordelen van en adviseren over projectaanvragen (ambtelijk)

Dagelijks bestuur, Comité van Toezicht Adviescollege voor de Markt

strategisch advies aan de BC EZ/Markt, aanjaagfunctie projecten in de marktsector (autonoom) verwerven van clusterprojecten in landbouw en agrobusiness (autonoom)

ArA

Adviesraad Agrobusiness

Onderstaand schema geeft schematisch en op hoofdlijnen weer op welke wijze en op welke momenten in de procesgang bovenstaande partijen betrokken zijn bij de uitvoering van het EZ/Kompas programma.
Figuur 6.3 Schematische weergave procesgang projecten
Aanvrager

Aanvrager Aanvrager Aanvrager Aanvrager Aanvrager Aanvrager Aanvrager

communicatie

Provincie (ambtelijk)

Uitwerking idee tot concreet voorstel

communicatie

GS Provincie (bestuurljik)

Besluitvorming provincie over toeleiden naar SNN UO Aanvrager Tenderprocedure)

SNN UO Ambtelijke voorbereiding Kompas

PBC Aanvrager
communicatie

advies

ArA AMa

BC Markt communicatie Aanvrager

BC Stad

BC Land

Eventueel DB SNN

116

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

aanvraag

idee

Het schema illustreert dat in principe elke partij op zijn eigen moment een plek heeft in het projectselectieproces en dat de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen in principe duidelijk zijn. Inherent aan deze opzet is wel dat de projectselectie over veel schijven loopt en dat de doorlooptijd van een projectaanvraag over het algemeen vrij lang is gemeten vanaf het moment van eerste contact met provincies tot de finale goedkeuring op bestuurlijk niveau. In de paragraaf over projectbeoordeling komen we hierop terug.

6.4 Partnerschap
Het Brusselse principe van partnerschap gaat er van uit dat regionaal-economisch ontwikkelingsbeleid het meest effectie f is als hiervoor een breed draagvlak bestaat onder de verschillende relevante stakeholders. Op die manier worden alle betrokkenen gestimuleerd om zoveel mogelijk bij te dragen aan het bereiken van de programmadoelen. Partnerschap is een kwestie van meepraten en meedenken over de inhoud en uitvoering van het programma en waar mogelijk ook van meebetalen, op programma- dan wel op projectniveau. We maken onderscheid tussen partnerschap op nationaal niveau (de voor EZ/Kompas relevante ministeries EZ en LNV) en op regionaal niveau. Nationaal partnerschap Ministerie van EZ Het Ministerie van EZ is het eerstverantwoordelijke departement voor regionaaleconomisch beleid. Daarmee is dit ministerie het eerste aanspreekpunt voor SNN aangaande het Kompasprogramma. Het partnerschap van het Ministerie van EZ uit zich in financiële zin in cofinanciering van een substantieel deel van het Kompasprogramma. Daarnaast is het Ministerie van EZ lid van de PBC. In die hoedanigheid denkt het ministerie actief en constructief mee over inhoud en uitvoering van het programma. Mede op basis van de gevoerde gesprekken met zowel EZ als verschillende Noordelijke partijen oordelen we positief over de wijze waarop EZ zijn rol als partner van NoordNederland invult. Dit betekent niet dat er nooit punten van discussie zouden zijn. Deze liggen hoofdzakelijk op het terrein van de invulling van het programma met concrete projecten. Hierop komen we terug in de paragraaf over projectbeoordeling. Ministerie van LNV Het Ministerie van LNV is een belangrijke partner voor het deelprogramma Land. In het begin van de programmaperiode waren er de nodige problemen met het verkrijgen van cofinanciering van het ministerie. Evenals bij de meeste andere ministeries (zie paragraaf 6.2) is het ontbreken van een regionale focus in de reguliere beleidsdoelen en het beleidsinstrumentarium van LNV hier in belangrijke mate debet aan. Dit heeft gezorgd voor een vertraagde start van de door LNV medegefinancierde activiteiten in het deelprogramma Land. Deels kon dit worden opgevangen door voorfinanciering van het Ministerie van EZ. Inmiddels is de situatie duidelijk verbeterd met de komst van het UIL NN fonds waarmee een belangrijk deel van de landbouwgerichte activiteiten onder

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

117

deelprogramma Land op programmatische wijze kan worden gefinancierd met inzet van LNV-middelen. Regionaal partnerschap Afgaand op overzichten van projectindieners is een groot aantal regionale partijen bij de uitvoering van het Kompasprogramma betrokken. De betrokkenheid kent twee vormen: • betrokkenheid op projectniveau, veelal in de rol van uitvoerder. Hierop komen we terug in de paragraaf over het projectverwerving en programma marketing • betrokkenheid op programmaniveau. Dit betreft het “georganiseerd” regionaal partnerschap. Partnerschap tussen regionale en lokale overheden Het partnerschap tussen de drie provincies is georganiseerd in het SNN. Voor de uitvoering van het Kompas programma is met name het DB SNN relevant. Het DB geeft het bestuurlijk fiat aan de uitvoering van het Kompas. Het partnerschap tussen de drie provincies is in de opzet en op hoofdlijnen zonder meer positief te beoordelen. Het lokale partnerschap met de gemeenten kent geen formele structuur. Gemeenten zijn niet vertegenwoordigd in het DB SNN of het CvT. In de praktijk lijken provincies en gemeenten dit niet als een gemis te ervaren. De contacten tussen de provincies en de gemeenten zijn over het algemeen goed en er is regelmatig overleg, veelal in het kader van concrete projecten en projectaanvragen alsmede in regulier overleg buiten Kompasverband. Wel klinkt vanuit de gemeenten het geluid dat het Kompas teveel en te ingewikkelde procedures kent en dat het moeilijk is om gemeentelijke projecten goedgekeurd te krijgen. We komen hier nader op terug in de paragraaf over projectverwerving. Partnerschap met de marktsector Gegeven het sociaal-economische karakter van het Kompas is betrokkenheid en deelname van het bedrijfsleven aan het Kompas van groot belang voor het halen van de programmadoelen. Vanuit dat oogpunt verdient het partnerschap tussen de overheden en regionaal bedrijfsleven bijzondere aandacht. De vertegenwoordiging van de werkgeversorganisaties MKB Noord en VNO NCW in het CvT voor het EPD draagt hier positief aan bij. De vertegenwoordigers van de marktsector kijken kritisch naar de uitvoering van het Kompas-programma. Kritiek betreft met name de wijze waarop de subsidiemogelijkheden naar bedrijven worden gecommuniceerd en de wijze waarop de mogelijkheid voor bedrijven om zelf projecten in te dienen is georganiseerd. In dat verband wordt onder meer de rol van het Adviescollege voor de Markt (AMa) bekritiseerd. Deze punten komen uitgebreider aan bod in paragraaf 6.5 programmamarketing en paragraaf 6.6 projectverwerving.

118

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

6.5 Programmamarketing
Naast algemene publiciteit rond het programma in onder meer de pers en eigen Kompaspublicaties zoals de Kompaskrant, is voor de programma-uitvoering de specifieke communicatie of programmamarketing richting potentiële projectindieners van belang. Programmamarketing betreft het geheel aan communicatie -uitingen rond het programma door de programma uitvoerders richting potentiële projectindieners. Vooral het onder de aandacht brengen van de subsidiemogelijkheden voor projecten die de programmadoelen dienen is belangrijk. De verschille nde doelgroepen vragen daarbij soms om verschillende benaderingen. We maken een onderscheid tussen publieke sector en de marktsector. Programma marketing richting de publieke sector Met name onder gemeenten, semi-overheidsorganisaties als Syntens, KvK en kennisinstellingen in de regio is de bekendheid met Kompas hoog. Dit blijkt ook uit de resultaten van de telefonische enquête onder projectuitvoerders.
Hoe bent u in aanraking gekomen met het Kompas-programma? Reeds lang bekend Via provincie Via collega Via SNN Via media Via Adviescollege voor de Markt (AmA) Via Adviesraad Agrobusiness (ArA) Anders, nl. 22 5 2 5 0 0 0 0 71% 16% 6% 16% 0% 0% 0% 0%

Veel projectindieners uit gemeenten, semi-overheidsorganisaties en kennisinstellingen hebben al eerder (en soms vele malen) gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het Kompas / EPD D2 en de ISP-, Doelstelling 2- en Doelstelling 5b-voorgangers.
Is dit de eerste keer dat uw organisatie een project uitvoert met een subsidie in het kader van het Kompas / ISP / D2? Ja Nee Weet ik niet 3 28 0 10% 90% 0%

Door de frequente contacten met onder meer de provincies, zijn deze partijen over het algemeen goed op de hoogte van de mogelijkheden die het programma biedt. Voor deze doelgroepen is de Kompas programmamarketing dan ook voldoende. Programmamarketing richting de marktsector Bij programmamarketing richting het bedrijfsleven onderscheiden we: 1. Marketing van bedrijfsgerichte projecten die door semi-overheidsinstellingen en kennis- en onderwijsinstellingen worden uitgevoerd, de zogenaamde “aanbodgestuurde” projecten; 2. Marketing van de door SNN uitgevoerde regelingen (IPR, NIOF, KITS, HRM, LPR); 3. Marketing van de overige mogelijkheden van het Kompas voor projecten direct vanuit het bedrijfsleven, de zogenaamde “vraaggestuurde” projecten.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

119

Ad 1 en 2. Marketing aanbodgestuurde projecten en regelingen De marketing van de aanbodgestuurde bedrijfsgerichte projecten is in de eerste plaats een taak van de organisaties die deze projecten uitvoeren. Op basis van de telefonische enquête onder projectuitvoerders blijkt dat hier over het algemeen het nodige aan wordt gedaan. Niettemin komt uit gesprekken met de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven naar voren dat deze projecten, evenals nieuwe regelingen als NIOF en de HRM-regeling, met name onder kleine ondernemingen nog onvoldoende bekend zouden zijn. Onbekendheid wordt ook veroorzaakt door het algemene probleem van het slechte imago van subsidieregelingen bij ondernemers. “Onbemind maakt onbekend”. Het beeld dat subsidies oproept van bureaucratie, stapels papier en ambtelijke molens, weerhoudt nog altijd veel bedrijven ervan om de subsidiemogelijkheden serieus te onderzoeken. De ervaring leert echter dat met name directe contacten met bedrijven helpen om de serieuze interesse te wekken bij bedrijven om de mogelijkheden van projecten en regelingen te benutten. Aanbeveling: • Hoewel al het nodige wordt gedaan op het gebied van “tell & sell” marketing door middel van beursbezoek en bedrijfsevenementen verdient het aanbeveling om de inspanningen op dit terrein te vergroten, in samenwerking met de ondernemersorganisaties. Het gaat dan niet zozeer om de grote algemeen op het MKB georiënteerde beurzen maar ook om kleinschaliger op specifieke branches gerichte beurzen en evenementen. Ad 3. Marketing vraaggestuurde projecten Vraaggestuurde bedrijfsgerichte projecten zijn projecten die vanuit het bedrijfsleven zelf worden geïnitieerd. De les uit eerdere programmaperiodes en uit de ervaringen met Kompas tot nu toe is dat dergelijke projecten niet “vanzelf” van de grond komen. In eerdere programmaperiodes verzorgden de zogenaamde ISP-Marktsectorcommissies het grootste deel van de programmamarketing en projectverwerving op dit terrein. Deze commissies hadden naast de taak projecten te ontwikkelen ook een zware stem in het beschikbaar stellen van ISP-middelen voor die projecten. Naar aanleiding van de ISP-5 evaluatie is besloten om de ontwikkelfunctie en de advies- respectievelijk besluitvormingsfunctie bij het beschikbaar stellen van financiële middelen te scheiden. De wijze waarop de marktsector bij het Kompas is betrokken is nu anders georganiseerd dan in het verleden. Voor de marktsector is er een Adviescollege voor de Markt (AMa) ingesteld. Dit Adviescollege heeft de mogelijkheid voor specifieke thema’s of sectoren Taskforces in het leven te roepen, met als kerntaak het ontwikkelen van projecten in de marktsector (zie paragraaf 6.6). In de besluitvormingsprocedure over deze projecten speelt het AMa in principe geen rol. In de praktijk heeft het AMa vooral een functie op strategisch niveau en geeft het advies aan de BC EZ en het DB SNN over ontwikkelingen die voor het Noordelijk bedrijfsleven van belang zijn. Op de taken van de Taskforces komen we terug in de paragraaf over proje ctverwerving. Op het gebied van programmamarketing is onder meer de voorzitter van het AMa actief geweest middels het

120

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

uitdragen van de mogelijkheden van het Kompas voor bedrijven tijdens ondernemersbijeenkomsten in de regio. Voor de agrarische sector is daarnaast de Adviesraad Agrobusiness (ArA) ingesteld. Deze functioneert in grote lijnen zoals de betreffende ISP marktsectorcommissie in het verleden. Ook hier is de ontwikkelfunctie en de adviesfunctie bij het beschikbaar stellen van financiële middelen gescheiden.

6.6 Projectverwerving
Projectverwerving in de publieke sector Het Kompas wordt actief aan de man gebracht. Dit is geen luxe maar noodzaak. De ervaring leert dat actief moet worden geworven om voldoende subsidiabele projecten van de grond te krijgen. Alle drie de provincies hebben projectverwervers in dienst. Zij zijn intermediair tussen potentiële projectindieners en het Kompas. Hun taak is om projecten te genereren en projectaanvragers te begeleiden bij het opstellen van de aanvraag, hen te adviseren omtrent de Kompaswaardigheid van projectideeën en tekst en uitleg te geven bij de subsidievoorwaarden. Ze spelen bovendien een belangrijke rol in de programmamarketing. Een verschil met eerdere perioden is dat de projectverwervers actiever en soms zelfs fulltime werven en niet of veel minder dan in het verleden betrokken zijn bij de beleidsvoorbereiding. Dit illustreert het specialistische karakter van hun werkzaamheden en tegelijkertijd hoe lastig het voor projectindieners is om succesvol een project in te dienen. De enquête illustreert het belang van de projectverwervers voor de uitvoering van het Kompas. Alle projectaanvragers zijn geholpen door een projectverwerver en het overgrote deel is tevreden over de geboden ondersteuning.
Bent u geholpen bij de totstandkoming van uw projectaanvraag? Ja Nee 31 0 100% 0%

Indien Ja: door wie Projectverwerver provincie Adviescollege voor de Markt (AmA) Adviesraad Agrobusiness (ArA) Collega SNN Beleidsambtenaar provinc ie Anders, nl.: 24 0 0 1 6 3 4 77% 0% 0% 3% 19% 10% 13%

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

121

Hoe beoordeelt u de deskundigheid van de geboden ondersteuning? Goed Matig Slecht Geen mening 26 3 0 2 84% 10% 0% 6%

Is meer / minder begeleiding wenselijk? Meer Even veel Minder Niet Geen mening 2 25 0 1 3 6% 81% 0% 3% 10%

Een van de redenen waarom de projectverwervers noodzakelijk zijn is het feit dat Kompas programmatisch wordt uitgevoerd. Programmatisch werken houdt in keuzes maken op basis van argumenten en niet per definitie op basis van strikte subsidievoorwaarden. Kompas is met andere woorden geen regeling. Er is altijd ruimte voor interpretatieverschillen en verschil van mening over subsidiabele kosten, interventiepercentages, value for money, etc. Op de buitenwacht maakt dit soms een nogal arbitraire indruk. Een punt dat in dat verband door de projectverwervers zelf werd genoemd is dat het beleidsdocument Kompas (het “paarse boekwerk”) nooit eenduidig is vertaald naar een subsidieprogramma. Het Kompas schept daardoor soms onterechte verwachtingen, die soms bij het grotere publiek een eigen leven zijn gaan leiden. Ook het in de beeldvorming niet altijd heldere onderscheid tussen Kompas breed en EZ/Kompas heeft aan dit soort verwachtingen bijgedragen. Wat wel en wat niet subsidiabel is binnen EZ/Kompas is voor niet-ingewijden (potentiële projectindieners) vaak niet duidelijk en leidt dan tot teleurstelling bij projectindieners. Een punt van aandacht is de positie van de projectverwervers binnen de provincies. Projectverwervers werven projecten in het kader van Kompas maar vertegenwoordigen ook een provinciaal belang. Doelen en belangen van enerzijds de provincies en anderzijds het Kompas lopen niet altijd gelijk op. De provincies, in het bijzonder op bestuurlijk niveau, hebben wel eens redenen om de “randen van het programma” op te zoeken om een bepaald project gefinancierd te krijgen. De meeste van deze projecten belanden via GS op het bureau van de SNN UO. Er is dan in feite op provinciaal niveau een bestuurlijke belofte gedaan over cofinanciering aan lokale partijen. Indien het projecten betreft die niet aan de Kompasvoorwaarden voldoen, en dus een negatief PBC advies krijgen en niet wordt goedgekeurd door de BC, ontstaat er een probleem. De mate waarin dit gebeurt verschilt overigens per provincie. Dit punt wordt nu deels bij de projectverwervers neergelegd, zij dienen immers de Kompasregels in eerste instantie te interpreteren. Projectverwerving in de marktsector – Adviescollege voor de Markt De projectverwerving van projecten die zich richten op de marktsector verloopt in grote lijnen gelijk aan de wijze waarop dit is georganiseerd voor projecten vanuit de publieke

122

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

sector. Over het algemeen, in het bijzonder als het gaat om de grote marktsectorgerichte projecten onder M2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB, werkt dit naar tevredenheid. Een punt van aandacht is vooral de totstandkoming van projecten vanuit het bedrijfsleven zelf. In de vorige paragraaf alsmede in het hoofdstuk Effectiviteit werd reeds aangegeven dat de totstandkoming van vooral cluster- en samenwerkingsprojecten vanuit het bedrijfsleven lastig blijft. Zo mogelijk nog sterker dan bij publieke projecten geldt dat initiatieven vanuit het bedrijfsleven niet ‘vanzelf’ totstandkomen, in het bijzonder als het gaat om samenwerkingsproje cten. Factoren die hierbij een rol spelen zijn onder meer het relatieve gebrek aan samenwerking in het algemeen binnen het Noordelijk MKB en het gebrek aan organiserend vermogen (inclusief financiën) bij de ondernemersorganisaties. Om de totstandkoming van projecten vanuit de marktsector te organiseren is het Adviescollege voor de Markt (AMa) ingesteld. Het takenpakket van het AMa wordt hieronder weergegeven.
Kader 6.2 Takenpakket Adviescollege voor de Markt Het takenpakket van het Adviescollege voor de Markt is drieledig: • • • Het geven van (on-)gevraagd strategisch beleidsadvies aan de bestuurscommissie economische zaken van het SNN over kansen in de markt. Het informeren van het bedrijfsleven over deze kansen en verwijzen naar de mogelijkheden die het Kompas biedt. Het stimuleren van bedrijven om projecten te ontwikkelen die leiden tot nieuwe investeringen en daarmee behoud en groei van de werkgelegenheid tot gevolg hebben. De bestuurscommissie Economische Zaken beoordeelt projecten en kent financiering toe. Het Adviescollege voor de Markt kan Task forces instellen. Deze hebben als doel om, samen met marktpartijen, kansen in de markt te signaleren en te vertalen in concrete, uitvoerbare projecten voor clusters van bedrijven.

De verwachtingen over de rol van het AMa bij de totstandkoming van concrete projecten lopen nogal uiteen. De breedte van het takenpakket van het AMa (adviesfunctie, informatiefunctie, signaleringsfunctie, aanjaagfunctie, projectverwervingsfunctie) speelt bij deze uiteenlopende verwachtingen een rol. Sommige partijen leggen nadruk op de adviesfunctie, waar andere partijen de projectverwervingsfunctie als belangrijkste zien. Op basis van de ervaringen tot nu toe kan worden geconstateerd dat het grootste accent binnen de activiteiten van het AMa ligt op de advies- en informatiefunctie richting de Bestuurscommissie EZ. De communicatie over de inhoud van deze adviezen naar de marktsector is beperkt, hetgeen de aanjaag- en signaleringsfunctie niet ten goede komt. De Taskforces spelen een belangrijker rol bij de totstandkoming van concrete projecten. Ook op dit punt lopen de verwachtingen van verschillende partijen uiteen. Het gaat dan met name hoe concreet de resultaten van de Taskforces moeten zijn in termen van concrete, uitvoerbare projecten. De Taskforces geven over het algemeen goed inhoud aan het signaleren van kansen in de markt. Het vertalen van deze kansen in concrete, uitvoerbare projecten is echter niet altijd het directe resultaat van de Taskforces zelf. De Taskforces leiden soms wel indirect tot concrete projecten. Kompasprojectaanvragen waarbij de Taskforces direct of indirect een rol hebben gespeeld, zijn projecten op het gebied van ontsluiting van IT-infrastructuur, inrichten van een logistiek noordelijk
Mid Term Review Kompas voor het Noorden

123

informatiepunt, een tenderproject gezamenlijke inkoop grondstoffen in de verfindustrie, een kennis voucherproject voor het ontwerpen van nieuwe producten in het MKB en om projectvoorstellen op het gebied van ‘E-health’. Op basis van de gevoerde gesprekken komen wij tot de conclusie dat er ruimte voor verbetering is op het gebied van:

Versterken van de samenwerking en communicatie tussen verschillende partijen die betrokken zijn bij ontwikkelingen in de marktsector. AMa, provincies, werkgeversorganisaties, brancheverenigingen en organisaties als NOM, KvK, Syntens etc. hebben in principe parallel lopende belangen als het gaat om het stimuleren van de marktsector. Startpunt van samenwerking is communicatie. De verschillende partijen blijken echter niet altijd goed op de hoogte van de verschillende initiatieven die er binnen de regio worden ondernomen. Zo blijken de ondernemersorganisaties niet of nauwelijks op de hoogte van de werkzaamheden van het AMa en van de resultaten van de tot nu toe uitgevoerde Taskforces. Hierdoor herkennen zij zich niet in het AMa en zoeken wegen om er omheen te gaan. Dit staat samenwerking en het succes van de gekozen opzet in de weg. Faciliteren van totstandkoming van initiatieven door het georganiseerd bedrijfsleven. Hiermee is een begin gemaakt in november 2002. De werkgeversorganisaties hebben toen naar aanleiding van de CvT-bijeenkomst middelen gekregen uit de technische bijstand om het proces van projectverwerving vanuit het bedrijfsleven te organiseren en faciliteren. Daarnaast is het SNN in samenwerking met MKB Noord, VNO NCW en de KvK’s een traject begonnen om tot concrete projecten te komen in een aantal sectoren (food, metaal). Ondersteuning bij het schrijven / indienen van projectvoorstellen. Voor veel bedrijven blijft dit een lastig punt, met name voor kleine bedrijven die zelf niet voldoende of geschikt personeel in huis hebben om dit te doen. Een punt dat daar aan raakt is dat de mogelijkheden voor individuele bedrijven om buiten de regelingen een projectvoorstel in te dienen zeer beperkt zijn, niet zozeer vanwege mogelijke ingewikkelde procedures en afwezigheid van lenige pennen, maar vooral ook vanwege wet- en regelgeving over staatssteun e.d. Meer hulp van provinciale projectverwervers zou op dit punt uitkomst kunnen bieden.

Aanbevelingen: • Onderzoek de mogelijkheden om de communicatie en samenwerking tussen de verschillende partijen die zich met het ontwikkelen van de marktsector bezighouden te versterken. Het organiseren van structureler en frequenter overleg en afstemming tussen provincies, ondernemersorganisaties, het AMa en organisaties als NOM, Syntens en KvK, is een concrete suggestie in dat verband.

Besteed meer en structureler aandacht aan de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten door het regionaal bedrijfsleven. De kennis en kunde van provinciale projectverwervers, het georganiseerd bedrijfsleven (brancheorganisaties, VNO NCW, MKB Noord), individuele bedrijven, organisaties als KvK, Syntens, etc. (afhankelijk van het onderwerp) en het AMa dienen hiertoe te worden gebundeld in “Taskforces nieuwe stijl” met een expliciete projectverwervende opdracht.

124

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Het georganiseerd bedrijfsleven (werkgeversorganisaties, brancheverenigingen), dient zelf beter en concreter vorm te geven aan zijn eigen verantwoordelijkheid bij de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten door het bedrijfsleven. Maak meer gebruik van bestaande inzichten en kennis, zoals de sectordoorlichtingen uit de vorige programmaperiode en de resultaten van de tot nu toe uitgevoerde Taskforces. De resultaten hiervan dienen breder te worden gecommuniceerd richting ondernemersorganisaties en individuele bedrijven dan tot op heden is gedaan, bijvoorbeeld door middel van publieksvriendelijke versies van de sectordoorlichtingen.

Projectverwerving – Adviesraad Agrobusiness De Adviesraad Agrobusiness (ArA) speelt een positieve rol bij de projectverwerving van concrete bedrijfsgerichte projecten in de landbouwsector. Het speelveld waarbinnen de ArA opereert, is een stuk overzichtelijker dan dat van het AMa zoals hierboven beschreven. De lijnen tussen de bedrijven, de kennisinstellingen en de publieke sector in de landbouwhoek zijn een stuk korter, waardoor het makkelijker is om tot de formulering van concrete projecten te komen.

6.7 Projectbeoordeling
Projectbeoordelingsproces Bij de selectie van Kompasprojecten wordt terecht niet over één nacht ijs gegaan. De selectie van projecten begint feitelijk al in de programmeringsfase bij het bepalen van de doelen en doelgroepen van het programma. Ook tijdens de programmamarketing en projectverwerving wordt impliciet en expliciet geselecteerd. De formele Kompas projectbeoordeling vormt het sluitstuk van het projectselectieproces en begint als een project wordt ingediend bij het SNN. Hieraan voorafgaand doorlopen projecten echter ook binnen de provinciale organisaties een beoordelingstraject. Het projectverwervingstraject is in dat verband van belang. Daarnaast bestaan er ook provinciale toetsgroepen die hun licht laten schijnen over de projecten alvorens ze aan GS worden voorgelegd. Dit is binnen de drie provincies verschillend georganiseerd. De ambtelijke voorbereiding van de Kompas besluitvorming ligt bij SNN UO en de PBC (zie ook figuur 6.3): • SNN UO: administratieve toetsing en voorbereiden van het PBC-advies; • PBC: inhoudelijke toetsing en advies aan BC. Vergezeld van een positief of negatief PBC-advies worden projecten vervolgens voorgelegd aan de relevante Bestuurscommissie. Elke Bestuurscommissie is verwantwoordelijk voor een deelprogramma (EZ, Land en Stad). Elke BC bestaat uit twee gedeputeerden per provincie, een secretaris en ambtelijke vertegenwoordigers van elke provincie en de SNN UO (in een adviserende rol).

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

125

Naast het advies van de PBC kunnen de Bestuurscommissies ook gevraagd en ongevraagd advies krijgen van AMa (adviezen aan de BC EZ / Markt) en de ArA ( adviezen aan BC Land). We beoordelen de volgende aspecten van het projectbeoordelingsproces: • provinciale besluitvorming versus SNN-besluitvorming; • ambtelijke voorbereiding op SNN-niveau; • duur van het projectbeoordelingsproces; • helderheid projectbeoordelingscriteria. Provinciale besluitvorming versus SNN besluitvorming We constateren op basis van de gevoerde gesprekken dat er soms spanning bestaat tussen het provinciale besluitvormingstraject enerzijds en het SNN besluitvormingstraject anderzijds. Dit lijkt vooral te spelen binnen de provincie Fryslân. Punt is vooral dat goedkeuring van een project door GS binnen het provinciehuis vaak wordt gezien als finale goedkeuring. Alles wat daarna gebeurt op SNN-niveau wordt dan in feite overbodig, en – vooral als dit leidt tot een andere besluitvorming – vervelend. Een PBC advies dat afwijkt van een besluit van GS, roept bij sommigen de vraag op vanuit welk mandaat de provinciale ambtenaren in de PBC een GS-besluit in twijfel kunnen trekken. Bestuurders geven aan dat dit vervolgens de kwaliteit van de besluitvorming over Kompasprojecten in de BC niet ten goede komt. Verschillen in de uitkomst van de besluitvorming op provinciaal niveau en op SNN niveau heeft een aantal onwenselijke situaties tot gevolg: • “Zwabberen” in de besluitvorming / het oordeel tussen GS, SNN UO / PBC en BC; • In sommige gevallen politieke druk op provinciale projectverwervers en provinciale leden van de PBC om projecten van een positief advies te voorzien; • Onduidelijkheid en tegenstrijdige geluiden bij projectaanvragers over de status en goedkeuring van projectaanvragen, in het bijzonder door de communicatie over positieve GS-besluiten richting projectaanvragers. Een relativering van het bovenstaande is dat over het merendeel van de projecten weinig tot geen discussie ontstaat. Het gaat dus eigenlijk om uitzonderingen, die echter te vaak lijken voor te komen om niet storend te zijn. Als er discussies zijn gaat het altijd om projecten waarvan het Kompas-karakter op inhoudelijke gronden ter discussie staat. Provincies en projectindieners zoeken soms de “randen van het programma” op om projecten te gefinancierd te krijgen. Het projectbeoordelingstraject op Kompasniveau is er onder meer op gericht om de besluitvorming over projecten te objectiveren. SNN UO, PBC spelen hierbij een belangrijke rol. Tijdens de gevoerde gesprekken is verschillende malen ter sprake gekomen dat de spanning tussen provinciale besluitvorming en SNN besluitvorming in ieder geval voor een deel zou kunnen worden weggenomen door de volgorde te wijzigingen waarin de verschillende partijen in het beoordelingstraject zitten. Onderstaande tabel bevat een overzicht van mogelijke volgorden zoals die uit de gevoerde gesprekken naar voren komen, alsmede de belangrijkste voor- en nadelen.

126

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Tabel 6.2

Mogelijke volgordes projectbeoordelingstraject Volgorde 1. provinciaal ambtelijk à GS à SNN UO / PBC à BC (huidige volgorde) 2. provinciaal ambtelijk à GS à SNN UO à BC (afschaffen PBC); 3. provinciaal ambtelijk à SNN UO / PBC à BC (projecten niet meer expliciet voorleggen aan GS); 4. provinciaal ambtelijk à SNN UO / PBC à GS à BC (GS pas na PBC); 5. provinciaal ambtelijk à GS à SNN UO / PBC (afschaffen BC, min of meer het oude ISP-model). Voordelen Scheiding tussen provinciale en SNN / Kompas besluitvorming Minder kans op afwijkend ambtelijk advies t.o.v. GS Nadelen Spanning tussen provinciale en SNN / Kompas besluitvorming Geen rol EZ en geen programmatisch denken in partnerschap Geen spanning tussen provinciale en Kompas besluitvorming Geen vermenging ambtelijke en bestuurlijke trajecten Te ambtelijk BC besluitvorming voegt weinig meer toe Geen provinciale rol in besluitvorming

De tabel illustreert dat elke volgorde voor- en nadelen heeft. Tijdens de gesprekken hebben verschillende gesprekspartners aangegeven dat op dit punt geen ‘Ei van Columbus’ hoeft te worden verwacht. Aanbeveling: • Verander de huidige volgorde “provinciaal ambtelijk à GS à SNN UO / PBC à BC” niet. Over de verschillende mogelijke volgordes is al veel en eerder discussie geweest en de keuze voor het huidige model is nu eenmaal gemaakt. Om de geconstateerde spanning tussen het provinciale en landsdelige traject zoveel mogelijk weg te nemen verdient het aanbeveling om in voorkomende gevallen: • positieve GS-besluiten niet communiceren als positief besluit over project, maar alleen als besluit over provinciale cofinanciering • eerder contact tussen projectverwervers en EZ / SNN bij twijfel over Kompaswaardigheid van projecten. Ambtelijke voorbereiding op SNN niveau Belangrijkste spelers in de ambtelijke voorbereiding op SNN niveau zijn SNN UO en PBC. Binnen de PBC speelt het Ministerie van EZ een rol. Hier besteden we apart aandacht aan. De SNN UO beoordeelt of de projecten voldoen aan de technische voorwaarden die vanuit de verschillende financiële bronnen worden gesteld en toetst of de projecten passen binnen de deelprogramma’s en voldoende bijdragen aan het realiseren van de programmadoelstellingen. Het toetsen aan de technische voorwaarden van het programma gebeurt op basis van objectieve criteria vastgelegd in een toetsingskader. Onderdeel van de technische voorwaarden waaraan projecten worden getoetst is beoordeling van de value for money voor projectvoorstellen. Dit is een lastig onderdeel van de technische toets. Value for money is gedefinieerd als het aantal gecreëerde directe
Mid Term Review Kompas voor het Noorden 127

en indirecte arbeidsplaatsen per geïnvesteerde euro. Als hulpmiddel dient het Referentiekader indicatoren21 , met hierin kengetallen en ervaringscijfers op maatregelniveau. Dit is een nuttig instrument, dat de medewerkers van SNN UO helpt bij het bepalen van het realiteitsgehalte van door projectaanvragers ingeschatte werkgelegenheidseffecten. Niettemin blijkt in de praktijk dat het voor veel projecten lastig blijft om de werkgelegenheidseffecten in te schatten. Projecten laten zich niet altijd vangen in de typen projecten van het referentiekader en het ontbreekt de medewerkers van SNN UO soms aan de kennis om met een realistischer inschatting van effecten te komen dan de projectaanvragers. Mede op basis van een analyse van projectdossiers hebben wij de indruk dat nogal eens zonder voldoende controle op het realiteitsgehalte gebruik wordt gemaakt van door projectaanvragers opgegeven werkgelegenheidseffecten voor het bepalen van de value for money. Dit leidt tot grote verschillen in value for money tussen goedgekeurde projecten, waardoor het begrip value for money nogal eens te kort schiet als ‘objectief’ selectiecriterium. Het is daarom goed dat in de projectbeoordeling meestal verder wordt gekeken dan naar de value for money alleen. Zie ook hoofdstuk 5 Efficiency waarin de ‘value for money’ op maatregeln iveau aan de orde is geweest. Projecten gaan voorzien van het resultaat van de technische toetsing door SNN UO naar de PBC. De PBC heeft vervolgens als taak het beoordelen van ingediende projecten en deze voorzien van een advies richting de van toepassing zijnde BC. Zitting in de PBC hebben de directeur SNN, provinciale ambtenaren en ambtenaren van EZ en LNV. De provinciale ambtenaren in de PBC zijn niet betrokken bij de projectverwerving. De PBC vormt de laatste stap in de ambtelijk-technische voorbereid ing van de besluitvorming op bestuurlijk niveau in de BC. Het waardevolle van de PBC is in onze visie vooral dat de vertegenwoordigers van verschillende voor het programma belangrijke partijen hierin van gedachten wisselen over de concrete uitvoerig van het programma door discussie over individuele projecten. Programmatisch denken en partnerschap krijgen het meest concreet vorm in de PBC. Rol van het Ministerie van EZ Het Ministerie van EZ is de belangrijkste financier van het EZ/Kompas programma. Door zijn positie in de PBC zit EZ dicht op de concrete uitvoering van het Kompas en kan het ministerie tot op projectniveau zijn invloed doen gelden. Over het algemeen constateren we wel een bepaalde spanning tussen enerzijds de decentralisatie -afspraken en anderzijds de verantwoordelijkheid / toezichthoudende rol van het Ministerie van EZ voor de besteding van EZ-geld. Over het algemeen heeft EZ naar onze mening voldoende invloed op de besluitvorming rond projecten via zijn rol in de PBC. Een BC-besluit kan echter afwijken van het PBC-advies, en een PBC advies kan anders zijn dan de opvatting van het EZ-lid daarbinnen. Naarmate de provincies vaker de inhoudelijke randen van het programma opzoeken wordt de kans groter dat er projecten worden goedgekeurd waarin EZ zich niet kan vinden. EZ heeft dan op dit moment alleen de mogelijkheid om een project uit de eindafrekening te halen. Dit wordt echter als een bestuurlijk paardenmiddel beschouwd dat in de praktijk niet snel zal worden toegepast.
21

TERP, Referentiekader Indicatoren doelstelling-2/ Phasing Out en Kompas, 2001.

128

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Aanbeveling: • Onderzoek welke andere manieren er zijn om de rol van EZ te verstevigen als het gaat om de besteding van EZ-geld zonder dat dit in strijd is met decentralisatie afspraken. EZ kan nu bijvoorbeeld projecten die rechtstreeks bij SNN worden ingediend voorleggen aan de staatssecretaris. Overwogen zou kunnen worden om deze mogelijkheid toe te passen op alle Kompas projecten die met EZ-geld worden medegefinancierd. Verdeeldheid binnen de PBC. Is er sprake van verdeeldheid binnen de PBC dan worden de adviezen met meerderheid van stemmen gegeven. Dit komt met enige regelmaat voor. Zolang het niet altijd dezelfde partijen zijn die het onderspit delven is er in principe niets aan de hand. Zijn het wel vaak dezelfde partijen dan kunnen de Kompascriteria blijkbaar te verschillend worden uitgelegd. Voor verschillende maatregelen zijn de criteria al aangescherpt: • M1.1.a Kompas-bijdragen voor nieuwe bedrijventerreinen; • M1.1.b Kompas-bijdragen voor de revitalisering van bedrijventerreinen; • S4.1 Kompas-bijdragen voor het aantrekkelijk houden / maken van het openbaar gebied van de noordelijke stadscentra met behoud van of versterking van de cultuurhistorische waarden; • S5.1 Kompas-bijdragen voor het oprichten van (top)kennisinstituten en het aanbieden van nieuwe opleidingen Aanbeveling: • Verscherp of verduidelijk waar nodig de criteria, zoals dat voor verschillende typen maatregelen al is gebeurd. Op basis van de gevoerde gesprekken hebben wij de indruk dat dit nu met name nog speelt bij projecten op het gebied van: • Leefomgeving / openbare ruimte (ondanks de aanscherping die al heeft plaats gevonden is hier nog steeds veel discussie over) • Sport, kunst en cultuur; • Waterinfrastructuur. Te strenge beoordeling PBC? Tijdens verschillende gevoerde gesprekken is gesuggereerd dat de PBC te vaak zou streven naar ‘opperste schoonheid’ en dat er meer ‘preciezen’ dan ‘rekkelijken’ in de PBC zitting hebben. Dit zou leiden tot een strengere beoordeling van projecten in de PBC dan noodzakelijk. Wij vinden het op zich goed dat er binnen de PBC met een strikte Kompasblik naar de projectaanvragen wordt gekeken. Doelstellingen, selectiecriteria, regelgeving etc. zijn er immers niet voor niets en dragen bij aan een effectief programma. Uit de PBC-adviezen die wij hebben bestudeerd spreekt een positief kritische houding ten opzichte van ingediende voorstellen, waardoor het in de praktijk wel meevalt met die strenge beoordeling.. Uiteindelijk is het doel van het ambtelijke voortraject dat de bestuurders op basis van zo volledig mogelijke informatie een besluit kunnen nemen over projecten. Dit komt in onze optiek de kwaliteit van de besluitvorming uiteindelijk alleen maar ten goede. Uiteindelijk handelt de BC vanuit haar eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid en kan dan afwijken van het PBC advies. Dit gebeurt met enige regelmaat. Op die manier kan een eventueel ‘te streng’ oordeel van de PBC bestuurlijk nog worden ‘rechtgetrokken’.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

129

Samenstelling PBC Punt van aandacht is de samenstelling van de PBC in het licht van de geconstateerde spanning tussen provinciale besluitvorming versus SNN / Kompas besluitvorming. De provinciale PBC leden vertegenwoordigen in principe niet de individuele provincies maar de 3 deelprogramma’s van Kompas. Feitelijk zijn het echter nog steeds provincie ambtenaren. Dit lokt het risico uit van politieke beïnvloeding vanuit de provincie op provinciale PBC-leden bij hun beoordeling van projecten. Aanbeveling: • Om de onafhankelijkheid van de PBC te versterken verdient het aanbeveling te overwegen om de PBC aan te vullen met 1 of 2 externe en onafhankelijke vertegenwoordigers. Een mogelijke concrete invulling van deze aanbeveling is dat de vertegenwoordiger van LNV zijn inbreng in de PBC niet alleen beperkt tot projecten waar LNV-geld aan te pas komt. Duur van het projectbeoordelingsproces Een nadeel van de huidige projectbeoordeling is de lengte van het proces. Na indiening bij SNN UO is het streven om projecten binnen acht weken te voorzien van een BCbesluit. Het provinciale verwervings- en toetsingstraject gaat hieraan vooraf. Aan projectuitvoerders is gevraagd hoe lang heeft gezeten tussen formele indiening van het project. De enquête resultaten geven aan dat de acht weken in de meeste gevallen niet worden gehaald. Slechts een vijfde van de voorstellen wordt binnen drie maanden goedgekeurd. Factoren die daarbij worden genoemd zijn onder meer de datum van indiening, vakantieperiodes en de noodzaak van het verschaffen van aanvullende informatie door de projectaanvrager aan SNN UO of PBC. Daarnaast moet worden opgemerkt dat uit de enquête blijkt dat voor projectaanvragers niet altijd duidelijk is op welk moment een project formeel naar SNN UO is doorgeleid. Soms wordt (worden delen van) het projectverwervingstraject binnen de provincie meegeteld als onderdeel van het formele projectbeoordelingsproces. De helft van de bevraagde projectuitvoerders geeft aan tevreden zijn over de snelheid van honorering van het projectvoorstel.
Hoe beoordeelt u de snelheid van honorering van uw projectvoorstel? Goed Matig Slecht Geen mening 17 6 5 3 55% 19% 16% 10%

Hoe lang zat er ongeveer tussen indienen en goedkeuren van uw project? 0 – 3 maanden 3 – 6 maanden 6 – 9 maanden 9 – 12 maanden Langer Niet bekend 5 13 5 2 3 2 16% 42% 16% 6% 10% 6%

130

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Helderheid van de projectbeoordelingscriteria Hierboven is al aangegeven dat het projectbeoordelingscriterium ‘value for money’ nooit ‘stand alone’ kan worden gebruikt, maar altijd moet worden bezien binnen de context en doelstellingen van het betreffende project. De projectindieners is gevraagd op grond van welke overwegingen zij zelf denken dat hun projectvoorstel is goedgekeurd. “Werkgelegenheid”, “stuwende karakter” en “economische structuurversterking” werden het meest genoemd. Deze antwoorden geven aan dat de Kompas-kernwoorden goed zijn doorgedrongen tot de projectindienende partijen. Andere redenen die werden genoemd waren de bijdrage aan het toeristischrecreatief product (bij toeristische projecten), de nadruk op implementatie en praktische toepasbaarheid van adviezen (bij bedrijfsgerichte projecten), duidelijke vraag vanuit de markt (bij arbeidsmarktprojecten), aandacht voor duurzaamheidsaspecten (bij infrastructuur en werklocaties). Een ruime meerderheid van de projectindieners vond de selectiecriteria voldoende duidelijk.
Vond u de beoordelingscriteria voldoende duidelijk? Voldoende Matig Onvoldoende Geen mening 21 4 4 2 68% 13% 13% 6%

Een aantal projectindieners wees daarnaast op de ondoorzichtigheid van het projectbeoordelingsproces. Met name de rol van de verschillende betrokken partijen is voor veel indieners niet duidelijk. Verschillende indieners gaven aan graag meer te weten over de inhoudelijke discussies die zich afspelen bij de verschillende partijen. Dit is niet alleen nuttig bij het indienen van een mogelijke volgende aanvraag, maar ook om meer inzicht te verkrijgen in het grotere geheel waarbinnen het eigen project wordt uitgevoerd. Aanbeveling: • Verschaf meer duidelijkheid aan de projectuitvoerders op grond van welke overwegingen hun projectvoorstel is goedgekeurd, zodat projectuitvoerders een beter idee krijgen van het grotere geheel waarbinnen hun project kadert. Onder meer de Kompaskrant zou voor dit doel kunnen worden gebruikt.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

131

6.8 Programma- en projectuitvoering
We gaan in deze paragraaf in op de belangrijkste aspecten ten aanzien van de concrete uitvoering van het programma vanaf het moment dat projecten zijn goedgekeurd. We maken daarbij een onderscheid tussen programma uitvoering en projectuitvoering. Programma uitvoering Op programmaniveau komen de volgende onderwerpen aan bod: • N+2 regel; • Jaarprogramma’s; • Structuur van het programma. N+2 regel De N+2 regel is een uitvoeringsbepaling afkomstig van de Europese Commissie en heeft betrekking op alle projecten die met EFRO-geld worden gecofinancierd. De regel zegt dat het geplande jaarbudget op programmaniveau voor jaar n twee jaar later, in jaar n+2, moet zijn besteed. Concreet betekent dit dat projecten een uitvoeringstermijn hebben van 2 jaar. Twee jaar na de start van een project moeten alle middelen zijn besteed en betaald aan concrete projectactiviteiten. De regel is nieuw ingevoerd voor de programmaperiode 2000-2006. Doel van de regel is er voor te zorgen dat de financiële voortgang van de programma’s wordt bespoedigd in termen van betalingen. Dit moet zorgen voor een betere spreiding van de programma- en projectuitvoering over de programmaperiode. In het verleden werden de meeste betalingen pas aan het eind van de programmaperiode gedaan. Dit leidde onder meer tot onnodige vrijval aan Europese middelen. De N+2 regel veronderstelt een lineair verloop van de uitvoering van de individuele projecten. Dit is over het algemeen niet het geval. Het accent in de zin van financiële uitgaven ligt bij de meeste projecten immers pas in de eindfase van de projectuitvoering. Daarom is het vooral in de beginfase van een programmaperiode niet eenvoudig om aan de eisen van de N+2 regel te voldoen. Desondanks lijkt de N+2 regel, op basis van de realisatiecijfers van het programma tot nu toe, het gewenste resultaat op te leveren. Ook de direct bij de programma uitvoering betrokken partijen geven aan dat de N+2 regel het gewenste resultaat oplevert en zijn tevreden over het functioneren van de regel in dat opzicht. Wel moet worden opgemerkt dat de N+2 regeling in administratieve vrij verstrekkende gevolgen heeft en dat de regeling veel extra werk met zich mee brengt. Grote projecten, met name fysieke investeringen met een langere looptijd dienen soms te worden opgeknipt. Er gaat ook substantieel meer tijd zitten in het bespoedigen van betalingen en het indienen van declaraties door projectuitvoerders. Jaarprogramma’s Nieuw ten opzichte van eerdere programma’s is het Jaarprogramma. Aan het begin van elk kalenderjaar wordt dit door het SNN opgesteld. Het heeft als doel om richting te geven aan de programmering en projectverwerving voor het komende jaar. Ook informeert het de nationale cofinanciers, in het bijzonder het Ministerie van EZ, over de te verwachten voortgang. Op basis van de gevoerde gesprekken alsmede bestudering van de tot nu toe verschenen Jaarprogramma’s zetten wij vraagtekens bij het nut van dit

132

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

instrument in de huidige vorm. De Jaarprogramma’s vertonen qua inhoud grote overlap met het Kompasprogramma zelf en de nieuwe informatie over te verwachten voortgang en projecten die op stapel staan is beperkt en bovendien snel verouderd. De programma uitvoerders geven aan dat onevenredig veel tijd wordt besteed aan het in elkaar draaien van de Jaarprogramma’s in verhouding tot het gebruik ervan in de praktijk. Aanbevelingen: • Jaarprogramma’s in de huidige vorm heroverwegen. Beperken tot essentiële financiële en inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke programma; • Energie in plaats daarvan steken in het omschrijven van het Kompas beleidsprogramma naar een EZ/Kompas subsidieprogramma zodat meer duidelijkheid wordt verschaft over wat er met binnen EZ/Kompas wel en niet kan worden medegefinancierd. Structuur van het programma Het Kompas wordt gekenmerkt door een grote hoeveelheid maatregelen. Het aantal maatregelen is Kompas breed 48 en bedraagt voor EZ/Kompas 26. Een aantal opmerkingen hierover: • De les uit eerdere Europese programma’s is dat minder maatregelen de uitvoering van het programma bespoedigen door de grotere mate van flexibiliteit van inzet van middelen. Het grote aantal maatregelen creëert soms belangen en tegenstellingen die er feitelijk niet zijn. • Het grote aantal maatregelen vergroot de administratieve lasten rond de programma uitvoering. Er dienen bijvoorbeeld in voorkomende gevallen additionele procedures te worden doorlopen en ambtelijke en bestuurlijke discussies te worden gevoerd over de overheveling van geld tussen maatregelen. • Het grote aantal maatregelen leidt soms tot een vertekend beeld ten aanzien van de financiële voortgang van verschillende typen maatregelen. Op het moment van evalueren bijvoorbeeld loopt de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen op het eerste gezicht achter omdat dit onder maatregel M1.1 van het deelprogramma Markt valt. Op het tweede gezicht echter blijkt een groot terrein binnen het project Europapark te zijn goedgekeurd onder maatregel S.3.1 in het deelprogramma Stad. • Maatregelen zouden in principe inhoudelijk duidelijk van elkaar moeten verschillen, evenals het type projecten dat er onder valt. Bovenstaand voorbeeld illustreert dat er nogal wat inhoudelijke overlap tussen verschillende maatregelen bestaat. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat projectaanvragen meestal niet worden ingediend onder een bepaalde maatregel maar dat projectverwervers de juiste maatregel er bij zoeken. • Het grote aantal maatregelen komt tot slot ook voort uit het feit dat bij de totstandkoming van het programma bepaalde projecten en regelingen als (sub-) maatregel zijn gepresenteerd maar dat feitelijk niet zijn. Dit geldt voor onder meer de projecten Acquisitie Ondersteunende Promotie en Venture Kapitaal Fund van de NOM, voor de regelingen IPR, NIOF en KITS.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

133

Projectuitvoering We gaan hier kort in op een aantal aspecten van projectuitvoering op basis van de enquête onder projectuitvoerders.
Hoe beoordeelt u de administratieve lasten tijdens de uitvoering van het project? Te veel Redelijk Weinig Geen mening 6 23 0 2 19% 74% 0% 6%

Hoe beoordeelt u de werkzaamheden van de SNN UO (UO = uitvoeringsorganisatie) m.b.t. de administratieve afhandeling van uw project? Goed Matig Slecht Geen mening 24 2 1 4 77% 6% 3% 13%

6.9 Monitoring en evaluatie
De volgende onderwerpen komen aan bod: • Financiële monitoring • Inhoudelijke monitoring • Evaluaties Financiële monitoring De financiële monitoring van het programma betreft het bijhouden van de stand van zaken op programmaniveau ten aanzien van committeringen en betalingen. Het monitoringsysteem dat SNN UO hierbij hanteert functioneert goed en is in staat de gewenste overzichten op elk willekeur ig moment in de programma uitvoering te genereren. Belangrijkste bron voor de financiële monitoring vormen de financiële voortgangsgegevens van de projectuitvoerders. Het systeem van voortgangsrapportages door de projectuitvoerders functioneert goed. SNN UO streeft er naar daarnaast naar om ieder project tijdens de looptijd van het project minimaal eenmaal te bezoeken om de stand van de projectuitvoering met eigen ogen vast te stellen. Inhoudelijke monitoring programmavoortgang Met ingang van de nieuwe programmaperiode is mede op basis van ervaringen in het verleden, nieuwe eisen en suggesties vanuit de Europese Commissie en in overleg met andere Doelstelling 2 regio’s in Nederland een flinke slag geslagen in het verbeteren van de monitoring van de inhoudelijke voortgang van het programma. De Europese systematiek waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen output, resultaat en impact indicatoren is in grote lijnen overgenomen waarbij voor de dagelijkse monitoring van het programma vooral wordt gekeken naar output en resultaat niveau. De belangrijkste resultaat indicatoren die worden gemonitord zijn bruto gecreëerde werkgelegenheid, uitgelokte investeringen, totale investeringen en tijdelijke werkgelegenheid. Een aantal opmerkingen:

134

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

De gegevens in het monitoringsysteem zijn rechtstreeks afkomstig van de projectuitvoerders. Er vindt slechts een beperkte check plaats op de kwaliteit en plausibiliteit van de gegevens die projectaanvragers verstrekken;

Op welke wijze heeft u de werkgelegenheidseffecten van uw project vooraf ingeschat / laten inschatten? (evt. meerdere antwoorden mogelijk) Met behulp van kengetallen Op basis van eigen ervaring met soortgelijke initiatieven in het verleden Economische effectrapportage laten uitvoeren (door extern bureau) Op basis van evaluaties van soortgelijke projecten in het verleden Anders, nl. … Weet ik niet 11 14 3 4 1 6 35% 45% 10% 13% 3% 19%

De cijfers in het monitoringsysteem betreffen bruto gegevens. Dit maakt de cijfers goed bruikbaar voor het op hoofdlijnen monitoren van bruto geformuleerde doelstellingen binnen de gehanteerde systematiek van het programma. Voor informatie over daadwerkelijke effecten en doelbereiking van het programma zijn de cijfers evenwel minder geschikt in verband met dubbeltellingen, deadweight, displacement en substitutie. De gepresenteerde cijfers in het hoofdstuk Effectiviteit van deze MTR geven een realistischer inschatting van de daadwerkelijk bereikte werkgelegenheidseffecten; Het geautomatiseerde monitoringsysteem bevat in principe alleen die gegevens waar door de belangrijkste donoren van het programma om wordt gevraagd. Nadeel hiervan is dat een aantal gegevens die voor het bepalen van de economische effecten wel degelijk van belang zijn niet in het systeem zijn opgenomen. Daarbij gaat het met name om inschattingen van bezoekersaantallen in het geval van toeristische maatregelen.

Evaluaties De MTR is een verplichting die is opgenomen in de EZ-basisbeschikking voor Kompas en in de beschikking van de Europese Commissie voor het EPD D2. Naast dit formele evaluatiemoment en de ex ante evaluatie worden ook op eigen initiatief van SNN evaluaties van projecten uitgevoerd. Het gaat daarbij om een aantal grote en gezichtsbepalende bedrijfsgerichte projecten waaronder World Wide Commerce (reeds geëvalueerd), Ondernemerskompas en Venture Kapitaal Fund. Bij de goedkeuring van deze projecten is een evaluatiemoment afgesproken ca. 3 jaar na de start van het project. De meeste evaluaties staan voor 2003 op het programma. Zij vormen de basis voor de besluitvorming over voortzetting van de projecten in de resterende programmaperiode. Dergelijk gebruik van evaluaties is een goed initiatief en komt in principe de effectiviteit van de bedrijfsgerichte maatregelen ten goede. Naast het gebruik van de evaluaties als ondersteuning bij eventuele voortzetting van de projecten bieden deze evaluaties ook de mogelijkheid om de effecten van de projecten beter in kaart te brengen. Van belang is dat er dan in deze evaluaties enquêtes worden gehouden onder deelnemende bedrijven, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan werkgelegenheidseffecten. Aanbevelingen: • Maak gebruik van de tussentijdse evaluaties van grote bedrijfsgerichte projecten voor het in kaart brengen van de economische effecten van bedrijfsgeric hte maatregelen en

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

135

• •

voor het formuleren van kengetallen en ervaringscijfers waarvan SNN UO en de provincies gebruik kunnen maken bij de ontwikkeling, beoordeling en monitoring van toekomstige projecten. Aan het SNN geven we ter overweging mee om mee te betalen aan de betreffende evaluaties en in ruil daarvoor een standaard methodiek aan de verschillende evaluatoren mee te geven zodat op uniforme en daardoor vergelijkbare wijze de economische effecten van verschillende typen bedrijfsgerichte projecten in kaart worden gebracht. In ieder geval de volgende gegevens zouden moeten worden verzameld: werkgelegenheid bij deelnemende bedrijven voor en na het project (dus niet alleen de toename van werkgelegenheid); bij voorkeur ook gegevens over omzet van deelnemende bedrijven voor en na het project.

6.10

Conclusies Uitvoering
De programmatische aanpak is een wisselend succes. Het EZ/Kompas deel van het programma wordt succesvol op programmatische wijze uitgevoerd. Dit geldt niet voor alle onderdelen van het Kompas-brede programma. Een belangrijk deel van de Rijksbijdrage is niet programmatisch beschikbaar gesteld. Het belangrijkste knelpunt doet zich voor met het Ministerie van SZW en de inzet van ESF Doelstelling 3 middelen. De belangrijkste verklarende factor is dat de meeste ministeries geen regionale beleidsdoelstellingen kennen. Als gevolg daarvan ontbreekt het aan ervaring met de regionale inzet van rijksmiddelen en wordt de noodzaak ertoe niet ingezien en onderzocht. Dit maakt het in de praktijk lastig om de gemaakte afspraken over programmatische inzet van middelen na te komen. Door de frequente contacten met onder meer de provincie zijn gemeenten en semipublieke organisaties over het algemeen goed op de hoogte van de mogelijkheden die Kompas biedt. Voor deze doelgroepen is de programmamarketing dan ook voldoende. De bekendheid met de mogelijkheden van Kompas onder het regionaal bedrijfsleven is daarentegen nog altijd voor verbetering vatbaar. Het gevaar dreigt dat vooral een relatief kleine groep van goed georganiseerde en over het algemeen wat grotere bedrijven de weg naar Kompas weet te vinden. Onbekendheid met Kompas wordt deels veroorzaakt door het algemene probleem van het slechte imago van subsidieregelingen bij ondernemers (veel procedures, slechte toegankelijkheid). “Onbemind maakt onbekend”. De ervaring, ook met Kompas, leert dat veel van deze barrières kunnen worden weggenomen middels directe contacten met bedrijven. De projectverwerving van publieke projecten is goed georganiseerd. Provinciale projectverwervers genereren projecten en begeleiden projectaanvragers bij het opstellen van de aanvraag. Zij worden soms gehinderd in de uitvoering van hun taken door onduidelijkheid in het beleidsdocument Kompas, dat nooit eenduidig is vertaald naar een subsidieprogramma en daardoor soms onterechte verwachtingen schept. Een punt van aandacht is de positie van de projectverwervers binnen de provinciale organisatie in het licht van de soms niet gelijkopgaande belangen van enerzijds de provincie om een project

136

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

gefinanc ierd krijgen en anderzijds van Kompas om alleen Kompaswaardige projecten goed te keuren. De projectverwerving van marktsectorprojecten is een punt van aandacht. Het gaat dan vooral om de totstandkoming van vraaggestuurde samenwerkingsprojecten vanuit het bedrijfsleven. Het gebrek aan samenwerking tussen bedrijven, een gebrek aan samenwerking en communicatie tussen verschillende partijen die betrokken zijn bij ontwikkelingen in de marktsector en een gebrek aan organiserend vermogen bij de ondernemersorganisaties zijn belangrijke knelpunten. De Taskforces die het Adviescollege voor de Markt in het leven kan roepen dragen naar vermogen maar beperkt bij aan projectverwerving van genoemde projecten. Op basis van onder meer de sectordoorlichtingen lijken er daardoor ontwikkelingskansen te blijven liggen. De SNN Uitvoeringsorganisatie (SNN UO) en Projectbeoordelingscommissie (PBC) verzorgen de ambtelijke voorbereiding van de projectbeoordeling door de Bestuurscommissies. De PBC vormt de laatste stap in de ambtelijk-technische voorbereiding van de besluitvorming op bestuurlijk niveau in de BC. Het waardevolle van de PBC is dat de vertegenwoordigers van verschillende voor het programma belangrijke partijen hierin van gedachten wisselen over de concrete uitvoerig van het programma door discussie over individuele projecten. Programmatisch denken en partnerschap krijgen het meest concreet vorm in de PBC. Tijdens het projectbeoordelingsproces bestaat er soms spanning tussen het provinciale besluitvormingstraject enerzijds en het SNN besluitvormingstraject anderzijds. Punt van aandacht is vooral dat goedkeuring van een project door GS binnen het provinciehuis vaak wordt gezien als finale goedkeuring. Alles wat daarna gebeurt op SNN-niveau wordt dan in feite overbodig, en als vervelend ervaren als dit leidt tot een andere besluitvorming. Als een PBC advies afwijkt van een besluit in GS roept dit bij sommigen de vraag op vanuit welk mandaat de provinciale ambtenaren in de PBC een GS-besluit in twijfel kunnen trekken. Irritatie bij bestuurders hierover zet de kwaliteit van besluitvorming over projecten in de Bestuurscommissies soms onder druk.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

137

Bijlage 1: Begrippenkader

Additionaliteit

De mate waarin ondersteuning vanuit de EC voor economische en sociale ontwikkeling niet in de plaats komt van ondersteuning vanuit de nationale overheid. De mate waarin het financieringsvolume door de nationale overheid gelijk is aan een situatie zonder bijdrage uit de Structuurfondsen Werkgelegenheidsgroei bij direct begunstigden zonder rekening te houden met aspecten van displacement, deadweight, substitutie, alsmede indirecte werkgelegenheidsgroei (indirecte multipliereffecten) De sociaal-economische en beleidsmatige omgeving waarbinnen een interventie wordt geïmplementeerd Bereikt effect bij direct begunstigden van de interventie die ook zonder de interventie zou hebben plaatsgevonden Bereikt effect in de programma-regio ten kosten van een ander gebied binnen de programma-regio Duidelijk, expliciet en voorafgaand statement over de effecten die bereikt moeten worden met de interventie De mate waarin de doelen van het programma zijn behaald De mate waarin het feit dat de doelen van een interventie zijn gehaald is terug te voeren op de uitvoering van de interventie De mate waarin de verwachte effecten zijn gerealiseerd en de doelstellingen zijn behaald De mate waarin de outputs, resultaten en effecten zijn verkregen tegen redelijke kosten Een consequentie die zich voordoet bij een direct begunstigde na het eind van de deelname in een maatregel of project, of na het gereed komen van een publieke voorziening of een indirecte consequentie die invloed heeft op anderen, die hierbij winnaars of verliezers kunnen zijn. Impacts kunnen positief of negatief zijn en kunnen verwacht of onverwacht zijn

Bruto gecreëerde werkgelegenheid

Context

Deadweight

Displacement / Verplaatsingseffecten Doel

Doelbereiking Doeltreffendheid

Effectiviteit

Efficiency

Impact / Effect

138

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Input

Financiële, personele, organisatorische en regulerende middelen die worden ingezet voor de implementatie van een interventie Vermenigvuldigingsfactor die de mate van doorwerking of uitstraling weergeeft. Een multiplier van bijvoorbeeld 1,5 geeft aan dat er behalve het oorspronkelijke directe effect ter grootte van 1, nog een additioneel indirect effect van 0,5 optreedt. Effecten bij personen of organisaties die via voorwaartse (afnemers) of achterwaartse (toeleveranciers) verbindingen in relatie staan met direct begunstigden Werkgelegenheidgroei ten gevolge van het programma waarbij wel rekening wordt gehouden met aspecten van displacement, deadweight en substitutie, alsmede de indirecte werkgelegenheid bij toeleveranciers en afnemers (indirecte multipliereffecten) Hetgeen gefinancierd en bereikt is met het geld bestemd voor een interventie De marktwaarde van de afgezette goederen en diensten, vermeerderd met de waarde van de goederen die aan de voorraad zijn toegevoegd. Toepasselijkheid van de doelen van een interventie met het oog op de socio-economische problemen waar de interventie zich op richt Het voordeel (of nadeel) dat een direct begunstigde heeft verkregen aan het eind van de deelname aan het programma of op het moment dat een publieke voorziening gereed gekomen is Selectie van prioritaire acties aan de hand van de behoeften, het belang van de problemen die opgelost moeten worden en de inschatting van de kans dat acties succesvol zullen zijn Bereikt effect bij een begunstigde ten koste van een persoon of organisatie die buiten de interventie valt

Multiplier

Multipliereffecten

Netto gecreëerde werkgelegenheid

Output

Productiewaarde

Relevantie

Resultaat

Strategie

Substitutie / Verdringingseffecten

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

139

Bijlage 2: Toelichting bij bepaling economische effecten

Hoe de economische effecten van beleid in kaart kunnen worden gebracht is, recent onderwerp geweest van het Onderzoeksprogramma Economische Effecten van Infrastructuur (OEEI). Dit onderzoeksprogramma richtte zich specifiek op het in kaart brengen van de economische effecten van grootschalige (transport-) infrastructuur. De basisprincipes van de OEEI-systematiek kunnen echter ook worden toegepast bij het berekenen van de economische effecten van andersoortige beleidsmaatregelen. Uitgangspunt van de OEEI-systematiek is dat regionaal-economische ontwikkeling uiteindelijk altijd wordt bepaald door ontwikkeling van het regionaal bedrijfsleven. Economische effecten van beleidsprogramma’s leiden bij bedrijven tot onder meer kostenvoordelen, additionele uitbreidings- en vervangingsinvesteringen, vergroting van het marktgebied, een beter imago e.d. die op hun beurt (kunnen) leiden tot een vergroting van de omzet, het bedrijfsresultaat en uiteindelijk de werkgelegenheid. In eerdere programmaperiodes beperkte de inschatting van de economische effecten in evaluaties zich vaak tot de bruto gecreëerde werkgelegenheid op basis van gegevens uit het monitoringsysteem. Deze gegevens werden in evaluaties slechts in beperkte mate op hun juistheid getoetst en de stap van bruto naar netto gecreëerde werkgelegenheid werd meestal niet gemaakt. Het doel van de Toolkit Economische effecten uit het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006 (ECORYS-NEI, 2002) is om tot een meer onderbouwde en meer uniforme en systematische wijze van effectmeting van beleidsprogramma’s te komen. Het doel van deze bijlage is inzicht te verschaffen in de wijze waarop de effectschatting in het kader van de mid-term evaluatie van het Kompas voor het Noorden heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting bij de gehanteerde begrippen en definities kan teruggevallen worden op bijlage I. De bijlage is opgebouwd langs de volgende thema-indeling (zie ook hoofdrapport): • Werklocaties • Bedrijfsgerichte maatregelen • Toeristische maatregelen • Kennisinfrastructuur • Arbeidsmarkt “Monitoringgegevens versus evaluatiegegevens: wie heeft er gelijk?” Er is een verschil in diepgang tussen monitoring- en evaluatiegegevens. De gegevens die SNN presenteert in haar voortgangsrapportages zijn monitoringegevens, deze geven op hoofdlijnen een beeld van de voortgang van het programma. Eigenschappen van monitoringgegevens zijn dat ze snel beschikbaar zijn en makkelijk meetbaar. Het gaat

140

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

daarom bijvoorbeeld om bruto gegevens afkomstig van projectuitvoerders. De cijfers die we in dit rapport presenteren zijn evaluatiegegevens. Deze zijn minder snel beschikbaar, er ligt meer onderzoek aan ten grondslag en ze geven uiteindelijk een beter onderbouwd beeld van de daadwerkelijk te verwachten effecten. Monitoringgegevens wijken daarom per definitie af van evaluatiegegevens.

Werklocaties
De directe economische effecten van de aanleg, revitalisering, renovatie et cetera van bedrijfslocaties worden in eerste instantie bepaald door het verhuismotief van bedrijven die zich vestigen op de nieuwe locatie. Belangrijke verhuismotieven zijn meer ruimte, een betere bereikbaarheid of een beter imago op de nieuw locatie. De economische (locatie)voordelen kunnen zich vertalen in lagere kosten, of bieden mogelijkheid tot uitbreiding van de productiecapaciteit. Deze kunnen zich vertalen in omzetstijgingen, een toename van de toegevoegde waarde en (als gevolg daarvan) een toename van de werkgelegenheid. Voor het bepalen van de directe economische effecten zijn de volgende stappen doorlopen:
1. Bepalen aantal arbeidsplaatsen op ondersteunde bedrijfslocaties

2. Bepalen aantal arbeidsplaatsen bij bedrijven afkomstig van buiten de regio

3. Bepalen totale productie van bedrijven op ondersteunde bedrijfslocaties

4. Bepalen toename productie a.g.v. herlocatie bedrijven

5. Bepalen toename werkgelegenheid a.g.v. herlocatie bedrijven

6. Van bruto naar netto

Startpunt voor het bepalen van de economische effecten van de werklocatie maatregelen vormen de dossiers van de individuele projecten en de outputgegevens uit het monitoringsysteem SNN. Deze geven een eerste indicatie van het totaal aantal mogelijke arbeidsplaatsen bij volledige uitgifte van het terrein en het type bedrijfsactiviteiten dat gemoeid is met de nieuwe of gerevitaliseerde bedrijfslocatie. Dit zegt echter nog niets over de daadwerkelijke impact van het programma. Alleen werknemers die afkomstig zijn van buiten de regio of als starter aangemerkt worden, vormen direct additionele werkgelegenheid voor het gebied. Door uitbreidingsinvesteringen, beter imago, lagere

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

141

transportkosten et cetera kan de productie van bedrijven op de bedrijfslocatie verder toenemen. Dit geldt zowel voor de bedrijven van buiten het gebied als bedrijven die zich vanuit de regio op de ondersteunde locatie gevestigd hebben. In beide gevallen kan de extra werkgelegenheid als gevolg van de toename van de productie als additionele werkgelegenheid voor het gebied worden aangemerkt. Bij de doorberekening van de directe economische effecten zijn bepaalde veronderstellingen gedaan ten aanzien van bijvoorbeeld de herkomst van bedrijvigheid en de effecten van herlocatie. De belangrijkste veronderstellingen per stap worden hieronder toegelicht. • Bepaling van het (potentiële) aantal arbeidsplaatsen op ondersteunde bedrijfslocaties: het totale aantal mogelijke werknemers op de ondersteunde bedrijfslocaties is afgeleid uit de gemiddelde ruimtebehoefte per werknemer. Daarbij is gebruik gemaakt van regio- en sectorspecifieke terreincoëfficiënten uit de Bedrijfslocatiemonitor (BLM) van het Centraal Planbureau (CPB). Het gemiddelde ruimtegebruik per sector per werknemer verschilt sterk. Bij de industrie en handel bedraagt het ruimtegebruik in het Noordoosten van Nederland 257 m2 en 340m2. Transportbedrijven gebruiken daarentegen aanzienlijk meer ruimte per werknemer. Als uitgangspunt voor de berekeningen zijn de outputgegevens gehanteerd en niet de werkgelegenheidsgegevens zoals opgegeven door de projectuitvoerder. Bepaling van het aantal arbeidsplaatsen bij bedrijven afkomstig van buiten het gebied: een inschatting van het aantal verwachte arbeidsplaatsen van buiten de regio berust op algemene ervaringscijfers en regio-specifieke informatie over de uitgifte van bedrijventerreinen. Uit onderzoek van de Provincie Drenthe over de herkomst van bedrijven kan onder meer afgeleid worden dat 12% van de bedrijven die zich in de afgelopen 10 jaar op een bedrijventerrein in de provincie gevestigd hebben van buiten de regio komt. Bij de doorberekening van de werkgelegenheidseffecten is ten aanzien van de aanleg van nieuwe en revitalisering van bestaande bedrijventerreinen is daarom uitgegaan van 10% ‘nieuwvestiging’. Dit is lager dan de 30% die als nationaal geldend kengetal is opgenomen in het Evaluatiekader, maar geeft een beter beeld van de situatie zoals die geldt in Noord-Nederland. De herkomst van de overkomende kantoorgebruikers zijn gebaseerd op ervaringsgegevens. Uit de studie Euralille (European Urban and Regional Studies, 2001) wordt onder meer aangegeven, dat 85% van de bedrijvigheid op nieuwe kantoorlocaties afkomstig is uit de stad of de regio zelf. Voor sterk stedelijke gebieden kan – zo blijkt uit onderzoek – uitgegaan worden van 15% vestiging van buiten de regio. Voor een gebied met de omvang van Noord-Nederland is dit vermoedelijk aanzienlijk minder. Derhalve is bij de effectmeting voor nieuwe kantoorgebruikers een percentage van 5% gehanteerd. Ten slotte wordt het gemiddelde ruimtegebruik van starters op de nieuwe terreinen op 5% verondersteld. Ook dit betreft een regiospecifiek cijfer, dat onder andere is gebaseerd op het eerder aangehaalde onderzoek van de Provincie Drenthe. Ten aanzien van de effectiviteit van huisvestingsprojecten gericht op starters is daarnaast onderzoek van Schutjes (1996) onder 255 over Nederland verspreide starters gebruikt. Daaruit komt onder andere naar voren dat 74% van de starters aan huis begint. Het ligt in de lijn der verwachting dat bedrijfsruimte zoekende starters grotendeels als regionale spin-off getypeerd kan worden.

142

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Bepaling van de omvang van het werkgelegenheidseffect van herlocatie: de afgeleide werkgelegenheidseffecten als gevolg van herlocatie van de categorie ‘nieuwvestigers’ en bedrijven afkomstig vanuit de regio is enerzijds gebaseerd op gegevens uit de Nationale Rekeningen over de productie per sector en anderzijds op onderzoek naar de effecten van de ontwikkeling van bedrijventerreinen op de werkgelegenheid (ETIN). Verondersteld is dat voor driekwart van de bedrijven de locatievoordelen aanleiding geven tot een uitbreiding van de productie(capaciteit). In de berekening wordt conform het Evaluatiekader uitgegaan van gemiddeld 10% productiestijging. Van bruto naar netto werkgelegenheidseffect: om de slag te kunnen maken van bruto naar netto dient bij de doorberekening van de verwachte netto werkgelegenheidseffecten van het programma daarnaast rekening te worden gehouden met de begrippen deadweight, displacement en substitutie. Doordat in de berekeningen al rekening gehouden is met displacement effecten (werknemers bij bedrijven die reeds binnen het gebied gevestigd waren zijn niet als extra werkgelegenheid aangemerkt) is de stap van bruto naar netto voor een belangrijk deel gemaakt. De inspanningen om deadweight en substitutie effecten in kaart te brengen staan niet in verhouding tot de extra informatie die zij opleveren, en zijn om die reden verder buiten beschouwing gelaten.

Onderstaande kader bevat op hoofdlijn de achterliggende veronderstellingen bij de rekenmethodiek:
Handvatten effectschatting werklocaties Projectoutput: • • • monitoringsysteem SNN telefonische enquête projectuitvoerders projectdossiers

Ruimtebehoefte per werknemer: terreincoëfficiënten Bedrijfslocatiemonitor CPB Herkomst bedrijvigheid: • • • nieuwvestiging bedrijventerreinen: 10% nieuwkomers kantoorgebruikers: 5% ruimtegebruik starters: 5%

Toename productiecapaciteit a.g.v. herlocatie: 10% Correctie bruto ? netto: nihil

Bedrijfsgerichte maatregelen
Bij de evaluatie van de economische effecten van de bedrijfsgerichte maatregelen gaat het onder meer om adviesregelingen en -projecten gericht op het MKB en maatregelen en projecten op het gebied van exportbevordering, investerings- en financieringssteun. Tot de bedrijfsgerichte maatregelen waarvoor een effectinschatting gemaakt is worden naast de IPR, NIOF, VKF bijvoorbeeld ook de KITS- en HRM-regeling gerekend. De kwantitatieve berekening van de effecten richten zich op het in kaart brengen van de effecten op de economische prestaties bij bedrijven, in termen van toegenomen productie en omzet en extra werkgelegenheid. Dit zijn de positieven effecten die te verwachten zijn

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

143

van bijvoorbeeld uitbreidingsinvesteringen en de toegenomen innovatiegerichtheid, exportoriëntatie en dergelijke bij het bedrijfsleven. Bij het in kaart brengen van deze effecten, en in het bijzonder de werkgelegenheidseffecten, wordt het onderstaande stappenschema gevolgd:
1. Bepalen aantal ondersteunde bedrijven

2. Bepalen aantal werknemers bij ondersteunde bedrijven

3. Bepalen totale productie bij ondersteunde bedrijven

4. Bepalen toename werkgelegenheid a.g.v. geleverde ondersteuning

5. Van bruto naar netto

Voor de verschillende typen bedrijfsgerichte maatregelen kan in principe dezelfde systematiek toegepast worden. Per type maatregel kunnen wel verschillen zitten in de beschikbaarheid van benodigde gegevens. Bij het komen tot een indicatieve inschatting van de werkgelegenheidseffecten van de bedrijfsgerichte maatregelen zijn de volgende punten in acht genomen.

Bepalen van het aantal ondersteunde bedrijven (output): het monitoringsysteem bevat een overzicht van de verwachte output per project. Voor de regelingen IPR vestiging (decentraal), IPR uitbreiding, NIOF, HRM en KITS zijn de realisatiecijfers van het SNN beschikbaar. Ten aanzien van de centrale IPR is gebruik gemaakt van de voortgangsgegevens van het Ministerie van Economische Zaken over de eerste drie jaar dat het Kompas loopt. Bepalen toename werkgelegenheid bij ondersteunde bedrijven: bij de bepaling van de additionele werkgelegenheid die ontstaat als rechtstreeks gevolg van de realisatie van de projecten is zoveel mogelijk uitgegaan van feitelijke voortgangs- en realisatiecijfers. In het kader van de IPR, NIOF, HRM en KITS is op basis van de vanuit het SNN en Ministerie van Economische Zaken beschikbaar gekomen informatie een analyse van het gemiddelde investeringsvolume, de premiebijdrage en de verwachte toename van de werkgelegenheid per bedrijf. Voor de projecten waar dergelijke informatie niet voor handen was, is onder meer op basis van de gegevens uit het monitoringsysteem, uit de projectdossiers en via een telefonische enquête onder bedrijven een overzicht van de verwachte productietoename en werkgelegenheidseffecten opgesteld.

144

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Van bruto naar netto werkgelegenheidseffect: Voor het bepalen van de netto werkgelegenheids-effecten is een tussenslag gemaakt waarbij met name voor ‘deadweight’ (toename omzet en werkgelegenheid die toch wel plaatsgevonden had) een correctie is gemaakt. Voor het bepalen van de omvang van dit effect is een beroep gedaan op eerdere evaluaties van het ISP-programma en van de evaluatie van het Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten (IPR 1993 – 1997). Aan de hand van in deze evaluaties beschikbare gegevens over het belang van subsidieverstrekking voor het doorgang vinden van de investeringsbeslissing van individuele bedrijven is vervolgens een aanname gedaan omtrent het maximale effect van de maatregel dat aan het Kompasprogramma is toe te schrijven. Op basis van de IPR evaluatie van NIB Consult is voor de IPR vestiging verondersteld dat voor ongeveer 50% van de projecten een financiële bijdrage als absoluut noodzakelijk beschouwd kan worden. Voor de overige maatregelen wordt verondersteld dat dit effect minder sterk aan-wezig is, en wordt uitgegaan van een correctiepercentage van 35%. Dit is gebaseerd op de deadweight voor IPR uitbreiding zoals opgenomen in de IPR evaluatie van NIB Consult. Aangenomen is dat dit cijfer ook geldt voor de overige bedrijfsgerichte maatregelen. De deadweight exercitie zoals gehanteerd voor Kompas is uitgebreider dan die in het Evaluatiekader, waar geen nadere aanduiding is gegeven van het te volgen traject van bruto naar netto, als gevolg van het ontbreken van de benodigde nationale kengetallen. Interactie tussen maatregelen: in het Kompas wordt terecht gewezen op het feit dat de verwachte effecten per maatregel niet zondermeer afzonderlijk van elkaar kunnen worden opgeteld. Dit leidt tot dubbeltellingen en levert dus een overschatting van de effecten op. Om rekening te houden met overlap tussen maatregelen is door de opstellers van het programma een aanname gedaan met betrekking tot de minimale en maximale effecten van interactie tussen thema M.1. en M.2 (bijlage 2, pag. 155). Daarmee wordt een correctie toegepast als gevolg van de onderlinge verwevenheid van maatregelen met een voorwaardenscheppend karakter zoals bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en de maatregelen zoals de IPR die een bijdrage leveren om deze potentiële banen in werkelijke banen om te zetten. Bij de berekeningen van de netto effecten is uitgegaan van een minimaal interactie -effect van 70%. Ook deze stap zit niet in het Evaluatiekader maar wordt wel terecht door SNN gehanteerd.

Onderstaande kader bevat op hoofdlijn de achterliggende veronderstellingen bij de rekenmethodiek:
Handvatten effectschatting bedrijfsgerichte maatregelen Project output/ resultaten: • • • • • • realisatiecijfers SNN/ EZ (IPR, NIOF, KITS, HRM) monitoringsysteem SNN telefonische enquête projectuitvoerders projectdossiers vestiging bedrijvigheid: minus 50% (NIB Consult) uitbreidings- en overige investeringen: minus 65% (bewerking NIB Consult)

Correctie bruto ? netto (deadweight):

Interactie tussen maatregelen M.1 en M.2: 70%

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

145

Toeristische infrastructuur
Investeringen in toeristische infrastructuur dragen via de gerealiseerde outputs en resultaten bij tot instandhouding en verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het toeristisch-recreatief product in het gebied. Dit draagt onder meer bij aan verbetering / instandhouding van het toeristisch-recreatief imago. Het gevolg hiervan is een toename van het aantal bezoekers en/of toename van de bestedingen per bezoeker. Toename van het aantal bezoekers en hun bestedingen leiden tot directe economische effecten in termen van omzet- en winststijgingen en extra werkgelegenheid bij toeristische bedrijven en bij allerlei niet-toeristische bedrijven (o.a. detailhandel, tankstations, bezoekerscentra e.d.) waar de extra bezoekers hun geld besteden. Voor het bepalen van de directe economische effecten zijn de volgende stappen te worden doorlopen:
1. Bepalen toename aantal bezoekers bij ondersteunde toeristische infrastructuur en attracties

2. Bepalen toename van bestedingen van bezoekers

3. Bepalen toename werkgelegenheid a.g.v. toename bestedingen

4. Van bruto naar netto

De belangrijkste overwegingen ten aanzien van de uitwerking van de effectschatting met betrekking tot de toeristische infrastructuurprojecten zijn hieronder uitgewerkt.

Bepalen toename aantal bezoekers bij nieuwe toeristische infrastructuur en attracties: het vertrekpunt voor het bepalen van de economische effecten vormt het aantal bezoekers bij ondersteunde nieuwe toeristische infrastructuur en attracties op het moment van indienen van de projectaanvraag. Een belangrijke bron voor regionale gegevens over de meest recente ontwikkelingen op toeristisch-recreatief gebied is Toerdata-Noord. Deze gegevens dienen vooral als referentiekader waartegen de impact van de toeristische infrastructuurprojecten bekeken wordt. Op basis van een analyse van de gegevens uit de projectdossiers (o.a. marktverkenningen, projectaanvragen en -beschikkingen) is vervolgens een inschatting gemaakt van dan de verwachte toename van het aantal dag- en verblijfstoeristen. In situaties waarin in de aanvraag reeds een schatting van het aantal bezoekers was gegeven, is de plausibiliteit daarvan bekeken. In een aantal gevallen heeft dit geleid tot aanpassingen. Bepalen van de toename van de bestedingen van bezoekers: maatgevend voor de afgeleide economische impact van de projecten is de omvang van de bestedingsimpuls die met de uitvoering van de projecten te weeg wordt gebracht. Op

146

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

basis van gemiddelde bestedingen per bezoeker kan de toename in de bestedingen als gevolg van het additionele bezoek aan de voorzieningen en/of de regio bepaald worden. Bepalend voor de gemiddelde uitgaven per dag zijn onder andere de verblijfsduur van de toerist (een- of meerdaags), het type dagtocht (museumbezoek, recreatief winkelen et cetera) en het gebied waarop het bezoek zich richt. Bij de berekeningen van de bestedingsimpuls is met deze diversiteit zoveel mogelijk rekening gehouden. De gehanteerde kengetallen voor de bestedingen per bezoeker of per overnachting zijn gebaseerd op gegevens van het CBS (Continu Vakantie Onderzoek (CVO), Dagrecreatie 1995/’96), Toerdata Noord.

Bepalen van de toename werkgelegenheid a.g.v. toename bestedingen: voor het omrekenen van de extra bestedingen naar gecreëerde werkgelegenheid is gebruik gemaakt van CBS-gegevens uit de Nationale Rekeningen over de gemiddelde productie per werkzame persoon in de relevante sectoren (horeca, detailhandel, cultuur, sport & recreatie). In aanvulling op deze (afgeleide) werkgelegenheidseffecten is de directe werkgelegenheid bij de (publieke en/of commerciële) exploitant samenhangend met toezicht, onderhoud en beheer bepaald. Van bruto naar netto-effecten: de omvang van het effect dat daadwerkelijk aan de projecten is toe te schrijven hangt (mede) af van de mate waarin een uniek element aan het toeristisch-recreatief product wordt toegevoegd, dat in staat is om extra bezoekers naar het gebied te trekken. Met dit aspect zal over het algemeen met name rekening moeten worden gehouden bij dagtochten. Om de additionele bestedingen uit de totale bestedingsimpuls te filteren is een inschatting gemaakt van het % dagbezoek dat niet vanuit de eigen regio afkomstig is. Hiervoor is 30%, 50% of 100% gebruikt waarbij per project een inschatting is gemaakt van het % bezoekers van buiten de regio. Daarbij is rekening gehouden met bezoekmotief (o.a. museumbezoek, fietsen, watersport) en schaalomvang (Noorderdierenpark meer bezoekers dan buiten de regio dan Vestigingsmuseum Oudeschans). Ten aanzien van de bestedingen tijdens meerdaags bezoek is verondersteld dat deze voor 100% door bezoekers van buiten de regio worden gedaan. De gehanteerde percentages per project zijn aannames die niet als zodanig in het Evaluatiekader zitten.

Onderstaande kader bevat op hoofdlijn de achterliggende veronderstellingen bij de rekenmethodiek:
Handvatten effectschatting toeristische infrastructuur Autonome ontwikkeling: regionale gegevens toerisme (Toerdata Noord) • • • • Projectoutput (bezoekersaantallen): monitoringsysteem SNN telefonische enquête projectuitvoerders projectdossiers

Bestedingen dag- en verblijfsbezoekers: o.a. CBS (CVO, Dagrecreatie 1995/’96), Toerdata Noord Correctie bruto ? netto: • • dagbezoek: variabel (30% - 50% additioneel) overnachtingen: 100% additioneel

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

147

Kennisinfrastructuur
De projecten onder dit thema richten zich op de ontwikkeling van bedrijfslocaties en bedrijfshuisvestingsmogelijkheden in de directe nabijheid van kennisinstellingen en onderwijsinstellingen ten behoeve van het scheppen van groeimogelijkheden voor kennisintensieve bedrijvigheid in Noord-Nederland. Daartoe wordt geïnvesteerd in kennisinfrastructuur die moet leiden tot het aantrekken of uitbreiden van bestaande kenniscentra. Voor de berekening van de kwantitatieve effecten kan de uitwerking van het stappenplan zoals hierboven opgenomen onder “Werklocaties” worden gevolgd.

Arbeidsmarkt
Voor een effectschatting van de projecten gericht op versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland is gebruik gemaakt van het stappenplan “Bedrijfsgerichte maatregelen” zoals beschreven in de Toolkit Economische effecten uit het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006. De gehanteerde aanpak en veronderstellingen zijn hierboven beschreven bij de bedrijfsgerichte maatregelen.

Indirecte effecten
De indirecte effecten betreffen de effecten bij toeleveranciers. Deze zijn op hoofdlijnen berekend volgens de aanwijzingen van het Evaluatiekader, waarbij echter in plaats van de regionale productiemultipliers de regionale werkgelegenheidsmultipliers zijn gebruikt. Op basis van gegevens uit de biregionale input - output tabellen van de Noordelijke provincies is een gemiddelde multiplier voor Noord-Nederland bepaald van 1,15. Alle directe netto werkgelegenheidseffecten van de verschillende maatregelen zijn met deze factor 1,15 vermenigvuldigd. Onderstaand kader vat de belangrijkste aannames die aan de berekening van de netto werkgelegenheidseffecten ten grondslag liggen nog een maal samen:
[1] 10% van de vestigingen op bedrijventerreinen van buiten de regio (i.t.t. 30 uit het Evaluatiekader) Bron: provincie Drenthe, regiospecifieke cijfers

[2] 5% werkgelegenheid bij starters (i.t.t. 25% in Evaluatiekader dat betrekking heeft op aantallen bedrijven en niet op werkgelegenheid bij bedrijven. Starters zijn kleiner dan bestaande bedrijven, vandaar 5%) Bron: Provincie Drenthe, regiospecifieke cijfers [3] deadweight bij IPR vestiging: 50% D.w.z. dat de helft van de bruto werkgelegenheid bij bedrijven die IPR vestiging krijgen niet is meegerekend. M.a.w. de extra werkgelegenheid bij de helft van de bedrijven komt volledig voor rekening van de IPR Bron: NIB evaluatie IPR 93-97 [4] deadweight bij IPR uitbreiding en alle bedrijfsgerichte maatregelen: 65% M.a.w.: 1 op de 3 extra banen bij bedrijven die door Kompas zijn ondersteund komt volledig voor rekening van Kompas. Bron: NIB evaluatie IPR.

148

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

N.B. We hebben de NIB resultaten toegepast op alle bedrijfsgerichte maatregelen bij gebrek aan projectspecifieke cijfers. Daarom: extra accent op onze aanbeveling om bij de projectevaluaties van regelingen en grote bedrijfsgerichte projecten expliciet en volgens de richtlijnen van het Evaluatiekader (met behulp van enquêtes e.d.) de effecten te bepalen. [5] We hebben gecorrigeerd voor dubbeltellingen: Uit interviews kwam naar voren dat bedrijven meedoen aan verschillende projecten (IPR, NIOF, exportprojecten e.d.). Aanname: 80%

[6] Correcties voor het verschil tussen verleende en vastgestelde IPR en andere regelingen: 10% [7] Toerisme: berekeningen gebaseerd op bezoekersaantallen per project. Aannames zijn gemaakt bij dagtochten per project over het aantal bezoekers afkomstig van binnen de regio (100% - 50% - 30%). Regiospecifieke bronnen zijn beperkt voorhanden maar waar mogelijk gebruikt.

[8] Daarnaast conform de rekenmethode uit Kompas document (Bijlage effecten) correctie voor interactie tussen maatregelen (70%), dit is m.n. relevant voor bedrijfsgericht en werklocaties

[9] Indirecte effecten: er is gewerkt met een gemiddelde multiplier voor indirecte effecten van 1,15 gebaseerd op biregionale input output tabellen Noordelijke provincies.

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

149

Bijlage 3: Strategiedag

Programma Strategiedag
Datum: Locatie: Woensdag 13 november 2002 Provinciehuis Fryslân Tweebaksmarkt 52 Leeuwarden Ontvangst met koffie/thee Opening Presentatie van de evaluatiebevindingen tot nu toe Introductie bij de Deelsessies Deelsessie 1: Discussie over de Kompas-strategie op hoofdlijnen Plenaire lunchpresentatie van de uitkomsten van Deelsessie 1 Deelsessie 2: Discussie over de strategie van de 3 Kompas-deelprogramma’s Markt, Stad en Land en het thema toerisme Plenaire presentatie van de uitkomsten van Deelsessie 2 Einde en afsluitende borrel

10.30 10.45 10.50 11.30 11.50 13.00 13.30 14.30 15.00

Deelnemers
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 De heer D.P. Keizer, Oud directeur Frieslandbank De heer A.C. Glebbeek, Arbeidssocioloog Rijksuniversiteit Groningen De heer A. van der Hek, Lid Adviescollege voor de Markt De heer W.M van Beek, Oud voorzitter CvB hogeschool Drenthe De heer H. Schollema, ROC Noorderpoort college De heer G. Beukema, Directeur IPO De heer E.M. Jansen, Kamer van Koophandel Leeuwarden De heer J.P.B.M de Vries De heer E. Moolhuijzen, Syntens De heer L.F.H.C. Broos, ERAC De heer J. Vos, Provincie Groningen De heer H. Postma, Provincie Fryslân De heer R. Stoffelsma, Bestuurscommissie Economische Zaken De heer L. van Galen Last, Bestuurscommissie Landelijk gebied De heer B. Scheper, Bestuurscommissie Stedelijk gebied Mevrouw K. Kalverboer, secretaris Adviescollege voor de Markt De heer D. Koolman, Provincie Drenthe De heer J. Kalter, Provincie Groningen

150

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

19 20 21 22

De heer P. Lap, Provincie Fryslân De heer G. Cremers, Ministerie van Economische Zaken De heer R. Bonnier, Ministerie van Economische Zaken De heer H. Cock, Samenwerkingsverband Noord-Nederland UO

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

151

Bijlage 4: Overzicht geïnterviewde personen

Face to face interviews sleutelpersonen
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 M. Calon, Provincie Groningen (T1)) G. Van Klaveren, Provincie Fryslân (T) H. Weggemans, Provincie Drenthe (T) H. Bloupot, Provincie Groningen J. Kalter, Provincie Groningen D.Gerlach, Provincie Groningen J. Wiarda, Provincie Groningen H. Postma, Provincie Fryslân D. Koolman, Provincie Drenthe R. Stoffelsma, Provincie Drenthe (T) A. Gielen, TechnologieCentrum Noord-Nederland B.Potjer, Provincie Drenthe W.de Roo, Provincie Drenthe R.Engelsman, Samenwerkingsverband Noord-Nederland G.van Drecht, SNN Uitvoeringsorganisatie H. Cock, SNN Uitvoeringsorganisatie J. Geveke, SNN Uitvoeringsorganisatie G. Cremers, Ministerie van Economische Zaken T. Breimer, Ministerie van Economische Zaken J. Geelhoed, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid J. van der Veen, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij H. Haerkens, VNO Noord F. Alfrink, MKB Noord H. Gerber, Metaalunie district Noord (metaalsector) T. Bos, FOSAG (schildersbranche) J. Hulshof, UNETO/VNI (installatiebranche en technische detailhandel) H.A. Peters, NOVAA (accountantsbranche) E. Wind, Kamer van Koophandel Fryslân K.Kalverboer, Adviescollege voor de Markt C. Baan, Adviescollege voor de Markt (T) E.J. Luitjens, Adviesraad Agrobusiness (T) W. Sluyters, Europese Commissie, DG Regio A.J. Peterson, Gemeente Groningen F. Mennega, Gemeente Groningen A. Huizinga, Gemeente Emmen G. Feringa, Gemeente Emmen

152

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

37 A. Algera, Gemeente Leeuwarden 38 R.J.B. Hofstede, Gemeente Heerenveen 39 H.J. Jorritsma, Gemeente Heerenveen 1) T = telefonisch

Telefonische interviews projectuitvoerders
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 WIN WIN, R. Popping (ROC Drenthe) Experiment pro-actieve aansluiting vraag en aanbod op arbeidsmarkt, H. Besselse (Gemeente Leeuwarden) VKF II, J. Barkhof (NOM) World Wide Commerce, E. Slagt (Kamer van Koophandel Drenthe) E-Business in Noord-Nederland, J. Hemmes (Syntens Meppel) Ondernemerskompas, N. van Rijn (Kamer van Koophandel Fryslân) TxU 4, F. van der Meulen (NOM) Verbetering bedrijfsvoering MKB, M. Terpstra (Hanzehogeschool Groningen) Nieuwe Internationale Bedrijvigheid Noord, L. Drogendijk (BIC NoordNederland) Stichting DAGIN, A.Jacobs (DAGIN) Cultuurtoerisme Fryslân (fase 1), H. Joustra (NNBT) Cultuurtoerisme I, H. Wolters (NNBT) Logiesverstrekkende bedrijven in Fryslân, H.A.J. van Nuland (Stichting Hotelkring Friesland) Logiesverstrekkende bedrijven in Groningen, H.A.J. van Nuland (KHN Regio Groningen) Huisvesting BioMade/Incubator, De Jong (RuG) Aquaduct stadsrondweg Sneek, Luiks (Gemeente Sneek) Onderzoek verbetering superbreedbandverbinding, E. Bergman (SIG TeIinvest) Fiets Totaalplan Drenthe, A. Merts (Recreatieschap Drenthe) Toeristische Jachhaven Reitdiep, M. Nijhoff (Gemeente Groningen) Stadshart Sneek, Luiks (Gemeente Sneek) Uitbreiding en technische revitalisering Thialf, J. van Bekkum (Sport en Recreatiecentrum Thialf) DrentsGoed streekproducten, Jacques van den Bosch (NNBT) DrentsGoed streekproducten, Goense (DrentsGoed streekproducten) Cultuurontwikkelingsproject Joure, F.Kuil (Gemeente Skarsterlân) Cultuurtoeristische infohal Groninger Museum, E. de Jonge (Groninger Museum) Touch Screen Informatiezuilen, Y. Offringa (NNBT) Kantoor Ontwikkeling Europapark, J. Dijkstra (Gemeente Groningen) Regionaal Overslagcentrum Coevorden (ROC), Wijnia (Gemeente Coevorden) Stationsgebied-zuid Hoogeveen Fase 1a, mevrouw M. Schaafsma (Gemeente Hoogeveen) Ontwikkeling Metal Park, W. Bonenschansker (Groningen Seaports) Romein 2000, A. Wijkhuijs (Gemeente Leeuwarden) Economische ontwikkeling stationsgebied Heerenveen, H. Jorritsma (Gemeente Heerenveen)

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

153

Leden van de Begeleidingscommissie MTR
1 2 3 4 5 6 7 8 Piet Lap, Provincie Fryslân (voorzitter) Diderik Koolman, Provincie Drenthe Jan Kalter, Provincie Groningen Siek Postma, Provincie Fryslân Tibbe Breimer, Ministerie van Economische Zaken Remi Bonnier, Ministerie van Economische Zaken Guy Cremers, Ministerie van Economische Zaken Marcel Roelofsma, Ministerie van Economische Zaken

154

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Bijlage 5: Overzicht van de in de evaluatie betrokken EZ/Kompas projecten

Deelprogramma/maatregel/project Deelprogramma "Economische kernzones/ versterking marktsector M.1 Verbetering vestigingsvoorwaarden economische kernzones M.1.1.a. Aanleg bedrijventerreinen • Regionaal overslagcentrum Coevorden • Uitbreiding Emmtec Industry & Business Park • Optimaal situeren en bundelen van verschillende leidingpakketten te Harlingen • Aanlegsteigers, wachtplaatsen en uibreiding openbare kade te Harlingen • Revitalisering Oost en de Hemrik • Bedrijventerrein Kie • Onderzoek verbetering superbreedbandverbinding • Ontwikkeling Metal Park • Ontwikkeling en aanleg duurzaam bedrijventerrein Fivelpoort • Phoenixbrug Veendam M.1.1.b. Revitalisering bedrijventerreinen • Revitalisering en uitbreiding bedrijventerrein Overtoom Gorredijk • Revitalisering bedrijventerrein Schipsloot • Revitalisering kade D en E te Delfzijl M.1.2.a. Acquisitie ondersteunende promotie • AOP M.1.2.b.2. IPR vestiging decentraal • IPR vestiging 2000 • (Decentrale) IPR Noord-Nederland (vestigingsvariant), jaarschijven 2002/2003 M.1.2.c. Bedrijfshuisvesting • Bedrijfshuisvesting v oor MKB-ondernemingen in Noord-Ned. M.2 Versterking van de marktsector in Noord-Nederland M.2.1.a. IPR uitbreiding decentraal

EZ/Kompas 135.611.778 47.508.289 13.039.790 3.675.861 181.512 244.662 603.528 213.005 976.426 148.000 946.625 5.980.438 69.733 1.423.709 220.200 1.153.509 50.000 2.346.972 2.346.972 28.189.888 15.184.260 13.005.628 2.507.930 2.507.930 82.755.887 36.495.172

EFRO 83.314.296 36.913.403 10.694.853 3.271.005 1.633.609 611.653 603.527 1.135.244 1.932.521 222.000 946.625 338.669 3.726.909 1.981.800 1.153.509 591.600 19.983.712 10.771.740 9.211.972 2.507.929 2.507.929 43.807.224 19.307.349

Overige publiek 46.291.994 35.453.073 22.645.790 6.137.157 4.133.395 680.670 2.526.528 3.532.791 339.000 4.349.975 946.274 10.867.146 6.928.444 3.510.969 427.733 1.940.137 1.940.137 8.757.253 -

Bedrijven/privaat 645.966.353 210.219.189 11.277.197 1.590.298 1.561.003 31.000 8.094.896 1.607.235 314.000 285.162 1.008.073 192.694.400 103.824.000 88.870.400 4.640.357 4.640.357 429.621.157 316.663.525

Totaal 911.184.421 330.093.954 57.657.630 13.084.023 5.948.516 2.446.613 3.448.728 3.874.777 6.441.738 740.000 6.243.225 14.075.334 1.354.676 17.624.999 9.444.444 6.103.149 2.077.406 2.346.972 2.346.972 240.868.000 129.780.000 111.088.000 11.596.353 11.596.353 564.941.521 372.466.046

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Deelprogramma/maatregel/project • • • • IPR Uitbreiding 2000 INS 2000 (Decentrale) IPR Noord-Nederland (uitbreidingsvariant), jaars. 2002/2003 Loonkostenpremieregeling Noord-Nederland 2002-2003

EZ/Kompas 12.807.048 1.815.121 15.973.863 5.899.140 6.213.531 2.673.221 3.540.310 15.094.018 252.680 2.154.737 688.458 1.040.515 3.473.080 740.216 290.420 210.327 979.600 120.097 137.700 627.432 60.750 351.645 596.800 3.369.561 3.037.492 3.037.492 14.882.547 6.615.600 8.266.947 1.444.013 163.363 214.790 281.344 418.716 365.800 2.746.292

EFRO 7.203.952 8.926.937 3.176.460 2.831.975 1.229.289 1.602.686 8.222.411 662.871 421.958 708.250 1.870.120 453.680 626.400 525.919 182.250 278.550 427.200 2.065.213 2.067.535 2.067.535 9.893.053 4.410.400 5.482.653 396.636 172.436 224.200 106.322

Overige publiek 2.067.996 212.783 623.660 129.327 104.370 96.000 116.367 46.440 179.244 162.000 297.805 100.000 3.445.894 3.445.894 1.976.925

Bedrijven/privaat 120.066.000 10.890.725 149.404.400 36.302.400 54.273.036 23.415.060 30.857.976 17.622.482 39.897 992.000 620.022 649.481 5.083.800 1.255.156 176.974 149.294 1.386.000 136.633 287.520 1.539.940 202.500 500 1.100.000 4.002.765 3.701.145 3.701.145 30.281.289 13.476.222 16.805.067 3.080.177

Totaal 140.077.000 12.705.846 174.305.200 45.378.000 63.318.542 27.317.570 36.000.972 43.006.907 505.360 3.809.608 2.354.098 2.398.246 10.427.000 2.578.379 467.394 463.991 3.088.000 373.097 471.660 2.872.535 607.500 928.500 2.224.000 9.437.539 12.252.066 12.252.066 55.056.889 24.502.222 30.554.667 1.840.649 163.363 214.790 453.780 418.716 590.000 7.909.716

M.2.1.b. Stimulering toeristische investeringen • KITS 2000 • Subsidieregeling KITS, jaarschijven 2002 en 2003 M.2.2. Generieke stimulering vernieuwing MKB • Infosearch • E-Business in Noord-Nederland • TxU 4 • Ondernemerskompas • Kennisclusterproject Technologie Centrum Noord-Nederland • Verbetering bedrijfsvoering MKB • Compensatieorders • Duurzaam ondernemen MKB-Drenthe 2001 • ACTION B • E-commerce in bedrijf Friesland • Ketenbeheer (deelproject van Duurzaam Groningen) • Duurzaam Groningen • ICT Incubation Groningen • Innovation plus Quality • HanzeBusiness • World Wide Commerce M.2.3.a. Financieringsfaciliteiten • VKF II M.2.3.b. Financiële stimulering strategische bedrijfsactiviteiten • NIOF 2000 • Noordelijke Innovatie OndersteuningsFaciliteit 2000, jaarschijven 2002 en 2003 M.2.3.c. Branchedoorlichtingen en -acties • Transport & Logistiek, sectordoorlichting Noordelijk Technologiebeleid • Apparaatskosten Adviescollege voor de Markt (AMa) • Task Forces Noord-Nederland • Apparaatskosten AMa 2002/2003 • Task Forces Noord Nederland 2002 M.2.3.d. Kwaliteitsverbetering toeristische sector

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Deelprogramma/maatregel/project • • • • • • • • • • • • • • Consulenten kwaliteit toeristisch-recreatieve marktsector Invoering integrale zorg bij recreatieondernemingen Cultuurtoerisme I Touch Screen Informatiezuilen Cultuurtoerisme Fryslân (fase 1) Logiesverstrekkende bedrijven in Fryslân SailTrack Cultuurtoeristische infohal Groninger Museum Manifestatie ViaDorkwerd Delfsail 2003 Blue Moon Logiesverstrekkende bedrijven in Groningen Bewerking nieuwe markten:Congresbureau Groningen Toeristische Promotie Groningen 2002

EZ/Kompas 569.858 260.306 246.335 79.321 306.690 181.729 62.400 50.000 107.779 136.134 250.000 170.605 120.935 204.200 2.842.822 123.000 173.257 412.397 90.756 60.000 87.000 195.455 43.439 35.956 41.826 439.740 291.599 295.316 419.311 76.270 57.500 5.347.602 5.267.602 50.000 50.000 52.820

EFRO 106.322 981.943 173.256 168.443 269.518 256.996 113.730 2.593.669 2.593.669 120.168 176.890 -

Overige publiek 155.736 188.384 159.479 77.338 30.000 40.000 240.504 68.067 442.012 73.116 139.265 363.024 1.266.438 533.000 60.504 15.000 28.000 27.500 12.820 471.314 103.300 15.000 2.081.668 2.021.668 170.168 226.890 52.820

Bedrijven/privaat 88.488 874.408 57.953 79.320 147.209 256.522 538.067 38.193 78.732 252.101 138.403 235.580 193.100 102.101 3.999.503 164.000 346.514 626.216 90.756 83.500 99.750 229.545 36.000 31.320 96.750 937.962 291.599 134.484 676.307 85.800 69.000 6.126.007 6.067.623 -

Totaal 814.082 1.241.036 492.672 158.641 613.378 515.589 630.467 128.193 427.015 456.302 830.415 479.301 453.300 669.325 9.090.706 820.000 693.027 1.207.056 242.016 158.500 214.750 425.000 106.939 80.096 138.576 1.647.220 583.198 901.114 1.352.614 379.100 141.500 16.148.946 15.950.562 340.336 453.780 105.640

M.2.3.e. Tenderprocedure • EU-Referaat • CONO- Innovator • Stichting DAGIN • Metalpark Delfzijl • Parkmanagement Industrieterreinen Oevers Meppel • Parkmanagement Industrieterreinen Coevorden • Bedrijvenplatform ROI • Steek kennis (op) in de streek • Samenwerking Industriele Productontwikkelaars Noord-Nederland • Noordelijke Alliantie Verfindustrie • Nieuwe Internationale Bedrijvigheid noord • Management Development Noord-Nederland • Koppelverbanden • Pool Exportmanagers internationalisering Noord-Nederland • Creëren Duurzame Kwaliteit (Bahco) • Parkmanagement Industrieterreinen Noord Meppel M.3 Versterking van het arbeidsaanbod in Noord-Nederland M.3.1.b. Verbetering werking arbeidsmarkt • Draadloze systemen • IT-loket werk en scholing • Assistent Opleiding Nieuwe Stijl (a)

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Deelprogramma/maatregel/project • • • • • • • • • • • Experiment pro-actieve aansluiting vraag en aanbod op arbeidsmarkt Ontwikkeling ICT en Arbeidsmarkt Platform Noord-Nederland WIN WIN KANS De Leerrekening Telewerken Try-Out Ontwikkeling opleidingen Transport en logistiek Praktische scheepsbouwkunde Ontwikkeling praktijkopleidingen chemie en kunststoffen Toeleiding schoolverlaters naar procesindustrie HRM 2001

EZ/Kompas 249.579 187.809 655.413 178.560 141.591 73.500 102.256 140.000 50.000 68.856 3.267.218 80.000 80.000 11.974.211 2.686.374 2.686.374 50.000 249.579 101.193 52.269 2.233.333 2.829.420 501.698 110.000 199.622 192.076 2.327.722 589.914 984.120 194.400 559.288 6.458.417 3.449.215 3.449.215 3.009.202 2.347.000

EFRO 118.467 2.178.144 34.250.817 17.215.953 17.215.953 182.078 2.246.212 910.737 360.259 13.516.667 7.216.412 4.515.286 990.000 1.796.602 1.728.684 2.701.126 589.914 810.000 1.301.212 9.818.452 3.449.215 3.449.215 6.369.237 750.000

Overige publiek 249.579 187.809 438.619 178.560 158.000 43.500 102.256 45.000 168.467 60.000 60.000 63.970.147 36.616.278 36.616.278 431.002 5.422.321 2.377.810 440.590 27.944.555 16.120.078 9.841.393 2.272.700 4.687.551 2.881.142 6.278.685 1.448.735 1.485.600 3.344.350 11.233.791 11.233.791 -

Bedrijven/privaat 69.704 239.483 27.409 30.000 95.000 160.665 5.445.362 58.384 58.384 28.089.712 2.893.112 2.893.112 794.115 390.250 347.747 1.361.000 9.366.694 340.335 340.335 9.026.359 2.223.524 5.281.410 750.000 771.425 15.829.906 6.768.570 6.768.570 9.061.336 2.135.376

Totaal 499.158 445.322 1.333.515 357.120 327.000 147.000 204.512 280.000 336.934 229.521 10.890.724 198.384 198.384 138.284.887 59.411.717 59.411.717 663.080 8.712.227 3.779.990 1.200.865 45.055.555 35.532.604 15.198.712 3.372.700 7.024.110 4.801.902 20.333.892 3.403.352 7.714.265 3.240.000 5.976.275 43.340.566 13.667.000 13.667.000 29.673.566 5.232.376

M.3.2.d. Nieuwe werkgelegenheid • Loodskotter Eems 2002-2003 Deelprogramma "Stedelijke centra" S.3 Bestaande werkgebieden op peil houden/nieuwe impulsen geven S.3.1. Vernieuwing stationsgebieden • Ontwikkeling locatie Vondellaan Assen • Stationsgebied-zuid Hoogeveen Fase 1a • Romein 2000 • Economische ontwikkeling stationsgebied Heerenveen • Kantoor Ontwikkeling Europapark S.4 Kwaliteitsimpuls binnensteden/versterking stedelijke voorzieningen S.4.1. Aantrekkelijk maken/houden openbaar gebied • Stadshart Sneek • Leeuwarden Stad van Water en Cultuur • De Oude Ae S.4.2. Versterken aanbod toeristische, culturele en sportvoorzieningen • Milieuvoorziening Noorderdierenpark • Uitbreiding en technische revitalisering Thialf • Renaissance Princessehof • Stripmuseum S.5 Versterking hoger onderwijs en aanwezige kennis productief maken S.5.1. Oprichting top-kennisinstituten en aanbiedingen nieuwe opleidingen • LOFAR Fase II S.5.2. Vestigingslocaties kennisgeoriënteerde bedrijvigheid • Drentse aansluiting op SURFnet

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

Deelprogramma/maatregel/project • • Huisvesting BioMade/Incubator Bedrijfsverzamelgebouw voor (startende) Nieuwe Media bedrijven

EZ/Kompas 612.202 50.000 7.727.856 1.644.283 896.419 461.757 291.662 68.000 75.000 747.864 43.109 704.755 6.083.573 2.591.579 17.016 916.403 991.953 100.000 50.000 109.553 406.654 3.491.994 50.000 2.901.654 341.340 115.000 84.000 6.055.096 2.131.860 945.478 222.150 2.755.608 161.368.941

EFRO 5.509.826 109.411 10.983.699 10.983.699 3.046.981 1.786.097 353.780 352.500 147.950 406.654 7.936.718 151.500 3.678.158 3.072.060 1.035.000 732.401 732.401 129.281.213

Overige publiek 11.233.791 30.623.566 323.443 317.000 317.000 6.443 6.443 30.300.123 5.775.059 21.101 2.680.000 1.038.235 771.426 939.500 47.000 277.797 24.525.064 302.944 7.306.045 12.831.932 3.950.143 134.000 5.349.608 642.858 2.544.115 666.450 1.496.185 146.235.315

Bedrijven/privaat 6.256.382 669.578 5.598.325 2.084.119 866.419 461.757 291.662 113.000 1.217.700 43.109 1.174.591 3.514.206 3.389.206 16.337 22.500 2.221.823 203.719 287.291 637.536 125.000 125.000 679.654.390

Totaal 23.612.201 828.989 54.933.446 4.051.845 2.079.838 923.514 583.324 385.000 188.000 1.972.007 92.661 1.879.346 50.881.601 14.802.825 54.454 5.405.000 4.252.011 1.428.925 1.342.000 591.794 1.728.641 36.078.776 504.444 13.885.857 16.245.332 5.225.143 218.000 12.137.105 3.507.119 3.489.593 888.600 4.251.793 1.116.539.859

Deelprogramma "Landelijk gebied" L.1 Versterking marktgerichte land- en tuinbouw L.1.1. Versterking agrarische sector • Reductie bewaarziekten in pootaardappelen • Monitoring Mycotoxinen • Proces en uitvoeringskosten UILNN • TCN Life Sciences en Agri Food L.1.3. Vernieuwing agrarische sector • BIOM Noordelijke Zeeklei • Meerlaags barrière folie L.4 Toerisme en recreatie L.4.1. Verbetering toeristisch-recreatieve infrastructuur • Abel Tasmantrek; LWA/streekroute • Fiets Totaalplan Drenthe • DrentsGoed streekproducten • Cultuurontwikkelingsproject Joure • Sloten de ideale stad • Vestingmuseum en Kunsthuis Oudeschans • Heveskes Kurokawa Pavilion L.4.2. Verbetering watersportmogelijkheden • Middelseerûte, Sneek • Middelseerûte, 2e fase • Aquaduct stadsrondweg Sneek • Toeristische Jachhaven Reitdiep • Verbetering toeristische vaarinfrastructuur Groningen Uitvoeringskosten • • • • Uitvoeringskosten Kompas Programmamanagement INTERREG III A Informatie en publiciteit INTERREG III A Uitvoeringskosten Kompas (jaarschijf 2001)

Totaal EZ/Kompas

Mid Term Review Kompas voor het Noorden

160

Mid Term Review Kompas voor het Noorden