MID-TERM EVALUATIE EPD ZUID-NEDERLAND

Eindrapport Uitgebracht in opdracht van de provincie Noord-Brabant Amersfoort, 30 oktober 2003

VOORWOORD In opdracht van de beheersautoriteit – de provincie Noord-Brabant – heeft een Mid-term evaluatie plaatsgevonden van het EPD Zuid-Nederland. Deze evaluatie is uitgevoerd door Bureau Bartels B.V. De relevantie, effectiviteit, efficiency, de organisatie en het beheer van dit Europese ontwikkelingsprogramma vormden daarbij de centrale thema’s. In dit rapport beschrijven we onze evaluatiebevindingen. Deze evaluatie had niet tot stand kunnen komen zonder de medewerking van een groot aantal organisaties en personen. We willen dan ook alle mensen bedanken die ons van de benodigde informatie voor deze evaluatie hebben voorzien. Dit zijn dan leden van het Comité van Toezicht en de Stuurgroepen, vertegenwoordigers van de programmasecretariaten en de projectindieners. We hopen dat deze evaluatie mag bijdragen aan het welslagen van de verdere uitvoering van het EPD Zuid-Nederland.

Bureau Bartels B.V. Amersfoort

INHOUD

VOORWOORD INHOUD SAMENVATTING SUMMARY 1. INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen 1.3 Opzet van de evaluatie 1.4 Leeswijzer PROGRAMMA SYNOPSIS 2.1 Inleiding 2.2 Doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland 2.3 Inhoud van het programma 2.4 Kosten en financiering RELEVANTIE 3.1 Inleiding 3.2 Beoordeling sociaal-economische relevantie 3.3 Beoordeling externe coherentie 3.4 Beoordeling horizontale relevantie 3.5 Conclusies relevantie EFFECTIVITEIT VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND 4.1 Inleiding 4.2 Beoordeling financiële voortgang 4.2.1 Committeringen en realisaties voor EPD Zuid 4.2.2 Committeringen naar prioriteit 4.2.3 Committeringen naar maatregelen 4.2.4 Realisatiegraden 4.2.5 N+2-regel 4.2.6 Financiële voortgang naar deelprogramma’s 4.2.7 Cofinanciering EPD Zuid 4.2.8 Cofinanciering naar deelprogramma 4.3 Beoordeling gecommitteerde en gerealiseerde outputs 4.3.1 Gecommitteerde en gerealiseerde outputs 4.3.2 Beoordeling outputindicatoren 4.3.3 Output- en resulteffecten bij projectuitvoerders 4.4 Beoordeling economische effecten 4.4.1 Gecommitteerde en gerealiseerde results 4.4.2 Beoordeling resultindicatoren 4.4.3 Belang van de EFRO-ondersteuning op projecten 4.5 Realisatie sociaal-economische doelstellingen 4.6 Conclusies effectiviteit EFFICIENCY VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND 5.1 Inleiding 5.2 Beoordeling kostenefficiency 5.3 Hefboomeffect richting private bijdragen 5.4 Efficiency van werkgelegenheidseffecten 5.5 Conclusies efficiency

i i 1 1 1 3 5 7 7 7 7 9 11 11 11 19 37 39 43 43 43 43 45 45 46 47 48 49 50 51 51 56 57 58 58 61 62 63 72 74 74 74 78 80 82

2.

3.

4.

5.

6.

UITVOERING VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND 6.1 Inleiding 6.2 Beoordeling organisatie- en beheersstructuur 6.3 Beoordeling regionaal partnerschap 6.4 Beoordeling projectselectie 6.5 Ervaringen projectindieners met de uitvoering van het project 6.6 Beoordeling communicatie 6.7 Beoordeling monitoring en financiële afhandeling 6.8 Beoordeling kosten programma-uitvoering 6.9 Beoordeling prestatiereserve 6.10 Conclusies uitvoering AANBEVELINGEN 7.1 Inleiding 7.2 Aanbevelingen

84 84 84 88 91 96 99 101 103 104 104 108 108 108 118

7.

LITERATUUR BIJLAGE 1 OVERZICHT GERAADPLEEGDE SLEUTELPERSONEN EN REGIONALE STAKEHOLDERS OVERZICHT GEËVALUEERDE PROJECTEN EN BIJBEHORENDE PROJECTUITVOERDERS ONDERZOEKSVRAGEN EFRO-COMMITTERINGEN PER DEELPROGRAMMA EFRO-REALISATIES PER DEELPROGRAMMA COFINANCIERINGSRATIO’S VAN DE DEELPROGRAMMA’S EFRO-COMMITTERINGEN EN -REALISATIES OP DEELPROGRAMMA- EN DEELREGIONIVEAU OUTPUT- EN RESULTINDICATOREN BIJ PROJECTINDIENERS

122

BIJLAGE 2

124 126 131 133 135

BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6 BIJLAGE 7

137 155

BIJLAGE 8

SAMENVATTING van het rapport MID-TERM EVALUATIE EPD ZUID-NEDERLAND

Aanleiding De Europese Unie voert reeds lange tijd beleid om tot harmonisatie van de sociaaleconomische ontwikkeling van Europese regio’s te komen. Via de Structuurfondsen en het Cohesiefonds worden financiële middelen voor regionale ontwikkeling ingezet. Ook Nederlandse regio’s komen in aanmerking voor ondersteuning door de Europese Unie. Eén van die regio’s is Zuid-Nederland, waar delen van de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland zijn aangewezen als zogenaamd Doelstellinggebied. In voorgaande programma’s bestonden er voor deze deelregio’s aparte ontwikkelingsprogramma’s, ook wel EPD’s (Enig Programmerings Documenten) genoemd. Voor de programmaperiode 2000-2006 zijn deze deelprogramma’s samengevoegd tot één EPD Zuid-Nederland. Voor het EPD Zuid-Nederland is een Europese bijdrage van bijna 140 miljoen euro voorzien. De Europese regelgeving schrijft voor dat ontwikkelingsprogramma’s – de EPD’s – periodiek geëvalueerd worden, namelijk vooraf (ex-ante), mid-term (on-going) en achteraf (ex-post). De provincie Noord-Brabant heeft als formele beheerautoriteit van het EPD aan Bureau Bartels de opdracht verstrekt voor een mid-term evaluatie van het EPD ZuidNederland. Doelstelling en aanpak van de evaluatie Voor de mid-term evaluatie van het EPD Zuid-Nederland is de volgende hoofddoelstelling geformuleerd: Het tussentijds beoordelen van de relevantie, de effectiviteit, de efficiency en de organisatie/het beheer van (de onderdelen van) het EPD Zuid-Nederland, zodanig dat daarmee wordt voldaan aan de vereisten vanuit de belangrijkste subsidiënten en tevens leereffecten voor de resterende programmaperiode worden verkregen. Via verschillende activiteiten en invalshoeken hebben we de voortgang en de uitvoering van het EPD Zuid belicht en geanalyseerd. Tot de onderzoeksactiviteiten behoorden onder meer deskresearch, gesprekken met sleutelpersonen, sociaal-economische analyses, raadplegen van regionale stakeholders en interviews met projectindieners. De evaluatie is opgebouwd rond vier hoofdthema’s met betrekking tot het EPD ZuidNederland. Deze thema’s zijn relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. De belangrijkste bevindingen vanuit de evaluatie voor deze thema’s zien er als volgt uit. Relevantie Aan de hand van verschillende analyses is gebleken dat in grote lijnen de sociaaleconomische ontwikkelingen binnen (de deelregio’s van) het EPD-Zuid sporen met het regionaal profiel zoals dat in het EPD Zuid is opgenomen. Mede op grond van deze bevindingen kan worden geconcludeerd dat het EPD Zuid in sociaal-economisch opzicht nog steeds relevant is. Wel is er sprake van een belangrijke ‘trendbreuk’ in die zin dat inmiddels (wereldwijd) een conjuncturele omslag heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat het EPD Zuid nu onder een minder gunstig economisch gesternte zal moeten worden uitgevoerd. Bezien we de beleidsrelevantie van het EPD Zuid dan komt uit de mid-term evaluatie naar voren dat de programmastrategie en de daarbij behorende prioriteiten en maatregelen nog steeds goed ingebed zijn in bredere (Europese, nationale en regionale) beleidskaders. Verder is gebleken dat ook in de uitvoering van het programma – via de ondersteuning van projectinitiatieven – deze aansluiting in de praktijk adequaat wordt geëffectueerd. Per saldo is daardoor ook bij de implementatie van het programma sprake van beleidsmatige relevantie. Voor de maatregelen 1.1 en 1.2 heeft een dusdanige ‘afstemming’ met andere

i

beleidsinitiatieven plaatsgevonden – zoals met het POP-beleid en het beleid voor de EHS – dat de ‘marges’ voor projectontwikkeling zeer klein zijn geworden. De invulling van deze maatregelen verloopt dan ook weinig voorspoedig. Andere oorzaken die hierbij een rol spelen hebben bijvoorbeeld betrekking op de gevolgen van de dierziekten die in de betreffende programmagebieden hebben gespeeld, het uiteenlopen van de fasering van het EPD Zuid en de reconstructie en onervarenheid met Europese programma’s in deze gebieden. Een tweede relevante (beleidsmatige) ontwikkeling heeft betrekking op maatregel 3.1 (Human resources). Ook bij deze maatregel verloopt de invulling vrij moeizaam. Hierbij speelt dat het EPD Zuid bij de uitvoering te maken heeft met het wegvallen van ‘partners’ waarmee invulling aan deze maatregel kan worden gegeven. Dit geldt dan voornamelijk voor het verdwijnen van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA’s). Hiermee samenhangend speelt ook het feit dat de uitvoering van ESF-3 gecentraliseerd is in Nederland. Dit heeft er in geresulteerd dat er tot nu toe in de uitvoering weinig of geen interactie tussen de regionale EFRO-initiatieven en de landelijke ESF Doelstelling-3 projecten plaatsvindt. Beschouwen we de relevantie van het EPD Zuid voor de horizontale EUdoelstellingen dan blijkt dat er op zich bij de projectselectie zowel aan het aspect van ‘gelijke kansen’ als aan (ecologische) ‘duurzaamheid’ aandacht wordt geschonken. Wel is het zo dat het in de praktijk vrij lastig is om daarbij het thema van gelijke kansen adequaat te verdisconteren. Enerzijds heeft dat te maken met de beperkte voortgang van maatregel 3.1 (Human resources). Anderzijds speelt daarbij mee dat het voor diverse projecten bij voorbaat nauwelijks te bepalen valt hoe zij uit zullen werken op het thema ‘gelijke kansen’. Voor (ecologische) duurzaamheid geldt dat het programmanagement en de Stuurgroepen bij de selectie van een belangrijk deel van de projecten tot een vrij eenduidige beoordeling kunnen komen. Dit is met name mogelijk bij projecten waar geen (ecologische) duurzaamheidsaspecten spelen of bij projecten die specifiek als doel hebben om tot een reductie van milieubelasting te komen. Lastiger is deze beoordeling indien projecten zowel positieve als negatieve milieueffecten genereren. Dat heeft dan te maken met het ontbreken van een min of meer uniforme duurzaamheidsmaatstaf – of ‘richtlijn’ – waarbij het belang van verschillende typen milieueffecten ook onderling afgewogen wordt. Effectiviteit De analyse van de effectiviteit van het EPD Zuid is bepaald aan de hand van verschillende aspecten, namelijk de financiële voortgang, de realisatie van de beoogde effecten en sociaal-economische ontwikkelingen in de programmagebieden. In hoofdlijnen kan daaruit worden geconcludeerd dat het EPD Zuid tot nu toe effectief wordt uitgevoerd maar dat er wel een aantal specifieke punten zijn waaraan (extra) aandacht zal moeten worden besteed. Zo is allereerst gebleken dat de financiële voortgang in de uitvoering van het EPD Zuid op basis van committeringen als ‘redelijk’ gekwalificeerd mag worden. Wel bestaan er grote committeringsverschillen tussen enerzijds maatregelen en anderzijds de verschillende deelprogramma’s die samen het EPD Zuid vormen. Met name de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1 blijven, zoals hierboven aangegeven, in de uitvoering van het programma sterk achter. De Doelstelling 2 en Doelstelling 5b Phasing Out programma’s blijken qua financiële invulling voorspoediger te verlopen dan de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s. De financiële realisatie van het EPD Zuid (op basis van gecertificeerde betalingen van projectindieners) is nog beperkt. Dit is voornamelijk het gevolg van een trage start van het programma en een achterblijvend committeringsverloop van een aantal (omvangrijke) maatregelen. De beperkte financiële realisatie ultimo 2002 zal naar verwachting nog niet direct tot knelpunten met de N+2-regel leiden. Dit heeft ook te maken met het feit dat het eerste financiële EFRO-voorschot van de EU aan het EPD Zuid meegeteld mag worden.

ii

Voor de jaren daarna vergt de N+2-regel voor het EPD Zuid echter alle aandacht. Ook de cofinanciering van het EPD Zuid ligt – op basis van de committeringen – goed op schema. Op prioriteitsniveau dragen – naast de EU – andere overheidspartijen namelijk (flink) meer bij dan in de financiële hoofdtabel in het programmacomplement is begroot. De financiële gegevens en indicatoren uit de monitoringsystemen (PBS) van de afzonderlijke deelprogramma’s zijn op centraal niveau (beheers- en betaalautoriteit) nog niet optimaal ontsloten. Dit geldt zowel voor de uniformiteit in de gegevens als voor het moment waarop cijfers beschikbaar komen. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat het PBS in 2002 nog niet volledig operationeel was. Nu het programma een tijdje loopt en verschillende typen projecten in uitvoering zijn (gebracht), kunnen we constateren dat in hoofdlijnen de juiste output- en resultindicatoren voor het programma zijn gekozen. Op enkele punten kan nog een verdere aanscherping van de output- en resultindicatorenset plaatsvinden. Datzelfde geldt voor de sociaal-economische indicatoren waarin een aantal aanpassingen wenselijk is. Bekijken we de tussentijdse realisatie van de output- en resultaatindicatoren dan verloopt dit voor de kernindicatoren – die ook geselecteerd zijn voor de prestatiereserve – over het algemeen volgens planning. De enige dissonantie is hier in feite het aantal bedrijven dat participeert in milieuprojecten. Daarnaast scoort het EPD Zuid ook op diverse andere output- en resultaatindicatoren al vrij goed. Er zijn echter ook een aantal indicatoren waar nog een duidelijke inhaalslag te maken valt. Dikwijls heeft dit overigens te maken met het ontbreken van (voldoende) projecten binnen bepaalde maatregelen. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor de (output)indicator ‘het aantal gefaciliteerde sterlocaties’. Deze indicator is gekoppeld aan maatregel 1.1 maar daar zijn tot nu toe geen projecten gecommitteerd. Ook ten aanzien van de (output)indicator ‘het aantal vierkante meters nieuwe of gerenoveerde bedrijfs-/kantooroppervlakte’ zal nog een inhaalslag gemaakt dienen te worden. In maatregel 1.3, waarbinnen deze indicator gerealiseerd zal moeten worden, zijn al wel projecten gecommitteerd maar geen van deze projecten heeft de genoemde indicator als outputeffect. Ten aanzien van de resultaatindicatoren is gebleken dat ten aanzien van de (gecommitteerde) bruto werkgelegenheid al veel voortgang is geboekt binnen het EPD Zuid. Dit geldt ook voor andere resultaatindicatoren zoals het aantal innovatieve producten en nieuwe productiemethoden, het aantal bezoekers en het aantal gevestigde bedrijven. Er zijn overigens ook enkele resultaatindicatoren die juist een wat tegenvallende realisatie laten zien ten opzichte van de streefwaarden, zoals de behouden werkgelegenheid, aantal deelnemende MKB-bedrijven aan samenwerkingsprojecten en het aantal startende ondernemingen. Ook in sociaal-economisch opzicht blijken de regio’s, die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid, zich over het algemeen in de beoogde richting te begeven. Daarbij is ook naar voren gekomen dat er vanuit het EPD Zuid wordt ingezet– via de onderscheiden maatregelen en bijbehorende projecten – op de aanpak van een belangrijk deel van de knelpunten in het regionaal investeringsklimaat. Efficiency Het thema efficiency is in de mid-term evaluatie vanuit meerdere invalshoeken benaderd. Zo is aandacht besteed aan kostenefficiency, multipliereffecten en de efficiency van werkgelegenheidseffecten. Op basis hiervan concluderen we dat de uitvoering van het programma op hoofdlijnen efficiënt verloopt. Meer op detailniveau is gebleken dat voor een aantal output- en resultindicatoren ‘extreem’ positieve waarden worden ‘gescoord’. Een nadere analyse van de achtergronden leert dat dit vooral te maken heeft met het feit dat binnen deze indicatoren in feite verschillende typen effecten meegenomen worden. Aanpassing van deze indica-

iii

toren en bijbehorende streefwaarden zou dan ook wenselijk zijn. Uitvoering Op zich functioneert de uitvoeringsstructuur, die binnen het EPD Zuid-Nederland wordt gehanteerd, over het algemeen adequaat. Bezien we bijvoorbeeld de samenstelling van zowel het Comité van Toezicht als van de Stuurgroepen dan voldoet deze aan de uitgangspunten zoals die in het EPD Zuid zijn geformuleerd. Per saldo is in deze gremia ook sprake van een vrij brede participatie van organisaties die ook relevant zijn voor de implementatie van het EPD Zuid. Tevens wordt hiermee invulling gegeven aan een breed gedragen partnerschap. Een aandachtspunt in deze samenstelling is nog wel de betrokkenheid van partners die actief zijn rondom het thema ‘arbeidsmarkt’. Met het wegvallen van de RBA’s is hier een leemte ontstaan die nog niet is ‘opgevuld’. Het principe van ‘partnerschap’ krijgt in het EPD Zuid ook vorm en inhoud doordat diverse typen partners projecten initiëren. Zo spelen gemeenten een belangrijke rol als initiator van meer ‘harde’ infrastructurele projecten. Intermediaire organisaties vervullen een rol als uitvoerder van bedrijfsgerichte regelingen. Werkgevers- en werknemersorganisaties zijn betrokken door het helpen initiëren van projecten en het bij elkaar brengen van partijen die een project kunnen uitvoeren. Landbouw- en milieuorganisaties zijn tot nu toe in mindere mate bij de projecten betrokken. Dat heeft vooral te maken met de knelpunten die zich voordoen bij het totstandkomen van projecten binnen de maatregelen rond landbouw- en natuurontwikkeling. Op zich kunnen het Comité en de Stuurgroepen voldoende invulling geven aan hun taken. Zo is de vergaderfrequentie voldoende en wordt aan de leden de juiste (management)informatie aangereikt om de taken te kunnen vervullen. Wel bestaat er bij een deel van de leden van het Comité en de Stuurgroepen behoefte aan meer inhoudelijke/strategische discussies. Een ander aandachtspunt wordt gevormd door de participatie in vergaderingen. Deze valt – zeker bij het Comité – soms vrij laag uit. Een belangrijke oorzaak daarvoor wordt gevormd door het feit dat het EPD Zuid bestaat uit een samenstelling van afzonderlijke deelprogramma’s. Hierdoor zijn leden van het Comité op een grotere afstand van de deelprogramma’s/-regio’s komen te staan. Over het algemeen functioneert ook het programmamanagement op een bevredigende wijze. Zo zijn de verschillende gremia die te maken hebben met het programmamanagement – zoals het Comité, de Stuurgroepen en de projectindieners – tevreden met het opereren van het programmamanagement. Leden van het Comité en de Stuurgroepen kunnen via het programmamanagement, zoals gezegd, ook over voldoende managementinformatie beschikken die benodigd is voor het vervullen van hun respectievelijke taken. De voorbereiding van de projectvoorstellen wordt door de leden van de Stuurgroepen als zorgvuldig beoordeeld. Ook de projectindieners waarderen de toegankelijkheid en de ondersteuning vanuit het programmamanagement veelal in positieve zin. Verder is uit de analyse ook gebleken dat de gerealiseerde ‘uitvoeringskosten’ in een evenwichtige verhouding staan tot de inmiddels verstreken looptijd van het programma en de gecommitteerde EFRO bijdragen. Het programmamanagement zelf ondervindt eveneens betrekkelijk weinig knelpunten bij de uitvoering van haar taken. Wel wordt gesignaleerd dat administratieve en procedurele taken steeds meer tijd en energie gaan vergen. Dit als gevolg van bijvoorbeeld de N+2regel. Het (potentiële) gevaar hiervan is dat de (ondersteuning bij) het ontwikkelen van nieuwe projectinitiatieven onder druk kan komen te staan. Ten aanzien van de selectieprocedure is gebleken dat hierin een aantal logische stappen worden onderscheiden die vrijwel uniform in de afzonderlijke deelregio’s worden toegepast. Deze procedure voldoet in de praktijk goed en kan dan ook in de komende periode worden gecontinueerd. Bij de uitvoering van hun projecten heeft een redelijk deel van de projectindieners te

iv

maken met vertragingen. Dit heeft echter niet of nauwelijks te maken met de wijze waarop het EPD Zuid wordt uitgevoerd. Veelal gaat het om externe factoren die buiten het programma liggen. Over het algemeen verwachten de projectindieners nog steeds dat zij hun oorspronkelijke (financiële en inhoudelijke) planning kunnen realiseren. In de afgelopen periode is op verschillende wijzen invulling gegeven aan de communicatie rondom het EPD Zuid. Daarbij wordt ook de nodige aandacht besteed aan de verplichtingen die de EU stelt op het gebied van communicatie. Van belang is wel dat ook in de komende periode nog de nodige initiatieven op het gebied van communicatie worden gepleegd. Dit geldt dan met name ook richting de doelgroepen die een rol kunnen spelen bij de invulling van de maatregelen 1.1 en 1.2 en 3.1. Tenslotte leert een analyse van de verschillende typen doelstellingen – effectiviteit, beheer en financiële uitvoering – voor de prestatiereserve dat het EPD Zuid voor elk van deze categorieën (ultimo 2002) al ‘flink op streek’ lag met het voldoen aan deze doelstellingen. Aanbevelingen Op grond van de evaluatiebevindingen is een aantal aanbevelingen geformuleerd die hieronder kort zijn samengevat. De onderbouwing daarvan kan in de hoofdtekst (hoofdstuk 7) worden aangetroffen:
I. 1. RELEVANTIE Schenk meer aandacht aan de maatschappelijke inbedding van maatregel 3.1 door het intensiveren van de contacten met regionale partijen die op het terrein van scholing en arbeidsmarkt actief zijn. Zorg voor meer afstemming en coördinatie met ESF-3. Zorg voor een periodieke monitoring van de sociaal-economische kernindicatoren. Streef naar meer eenheid en duidelijkheid in het hanteren van het begrip duurzaamheid via het samenstellen en/of uitdragen van een eenvoudige ‘duurzaamheidstoets’. Overweeg om voor het deelprogramma Zuidoost-Brabant (Stimulus) weer middelen voor maatregel 1.4 ter beschikking te stellen.

2. 3. 4. 5. II. 6.

EFFECTIVITEIT Kom – indien het verzoek i.h.k.v. ‘force majeure’ niet wordt doorgezet of geen succes heeft – tot overhevelingen vanuit de maatregelen 1.1 en 1.2. 7. Onderken dat ook met andere maatregelen dan 1.1 en 1.2 doelstellingen op het gebied van reconstructie en plattelandsvernieuwing kunnen worden gerealiseerd. 8. Realiseer bij maatregel 3.1 een overheveling naar maatregel 3.2. 9. Neem op korte termijn een besluit over eventuele overhevelingen vanuit prioriteit 2. 10. Kom tot de herformulering van een aantal output- en resultaatindicatoren en formuleer hiervoor (nieuwe) streefwaarden. 11. Voeg de resultaatindicator ‘behouden werkgelegenheid’ toe aan maatregel 1.3. 12. Voer een aantal wijzigingen door in de sociaal-economische indicatoren van het EPD Zuid. III. EFFICIENCY 13. Het is wenselijk om meer met operationele (financiële) ‘targets’ voor de afzonderlijke deelprogramma’s en prioriteiten/maatregelen te gaan werken. 14. Gebruik ervaringsgegevens over de voortgang in committeringen en betalingen als basis voor het vaststellen van de (financiële) targets. 15. Implementeer nu zo snel mogelijk het PBS en vul dit met de (monitoring)gegevens die op decentraal niveau beschikbaar zijn. IV. UITVOERING 16. Intensiveer de betrokkenheid van de leden van het Comité van Toezicht door het versterken van de inhoudelijke en aansturende rol en (daardoor) het ‘verlevendigen’ van vergaderingen. 17. Vanaf nu zou in elke vergadering van het Comité ook de voortgang van het EPD Zuid naar onderdeel – voortgang van de maatregelen/prioriteiten in de deelregio’s – aan bod dienen te komen. 18. Systematiseer het systeem van ‘verplichte’ en ‘gemandateerde’ vervanging.

v

19. Maak op hoofdlijnen afspraken over hoe de consequenties zullen worden verreken in het EPD Zuid indien op enig moment niet kan worden voldaan aan de N+2-regel. 20. Schenk ook in de komende periode nog aandacht aan publiciteit en PR voor het EPD Zuid leg daarbij extra accent op doelgroepen die een rol kunnen spelen bij de invulling van de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1. 21. Zet op alle fronten – dus ook voor andere maatregelen dan 1.1, 1.2 en 3.1 – maximaal in op projectontwikkeling. 22. Overweeg om een ‘fonds’ voor projectontwikkeling in te stellen. 23. Voor de interne monitoring van de N+2-regel is het wenselijk om het eerste Brusselse voorschot evenredig over de jaren te verdelen.

vi

SUMMARY of the report MID-TERM EVALUATION OF SOUTH NETHERLANDS SPD

Reason It has been a policy of the European Union for some time now to synchronise the social and economic development of European regions. In this framework, financial resources from the Structural Funds and the Cohesion Fund are used to promote regional development. Some regions of the Netherlands are also eligible for support from the European Union. One such region is the South of the Netherlands, in which parts of the provinces of North Brabant, Limburg and Zeeland have been designated as Objective 2 regions. Previous programmes used separate development programmes for these subregions, known as SPDs (Single Programming Documents). These sub-programmes have been combined into a single SPD for the South of the Netherlands for the programming period of 2000-2006. A European contribution of nearly 140 million euros has been provided to fund the South Netherlands SPD. European regulations dictate that development programmes – the SPDs – should be evaluated periodically: in advance (ex-ante), mid-term (on-going) and after completion (ex-post). As the formal Management Authority for the SPD, the province of North Brabant has commissioned Bureau Bartels to carry out a mid-term evaluation of the South Netherlands SPD. Aim and approach of the evaluation The following main aim has been formulated for the mid-term evaluation of the South Netherlands SPD: The interim evaluation of the relevance, effectiveness, efficiency and organization/ management of (parts of) the South Netherlands SPD, in such a way that the requirements set by the most important subsidisers are met and the experience gained can be applied to the rest of the programming period. We have discussed and analysed the progress and implementation of the South Netherlands SPD using various activities and approaches. The research methods included desk research, interviews with key figures, socio-economic analyses, consultations with regional stakeholders and interviews with project initiators. The evaluation was structured according to four main themes with respect to the South Netherlands SPD: relevance, effectiveness, efficiency and implementation. The most important findings from the evaluation of these themes are as follows. Relevance Various analyses have shown that, in general, the socio-economic developments within the South Netherlands SPD and the regions it comprises correspond to the regional profile detailed in the South Netherlands SPD. It can be concluded, in part based on these findings, that the South Netherlands SPD is still relevant in terms of socioeconomic factors. There is an important break with the previous trend, however, in the sense that an economic downturn has taken place, on both global and local scales. This means that the South Netherlands SPD will now need to be implemented under less favourable economic conditions. Looking at the policy relevance of the South Netherlands SPD, the mid-term evaluation shows that the programming strategy and the associated priorities and measures are still well grounded in broader (European, national and regional) policy frameworks. Moreover, the evaluation shows that this broader policy connection continues to be sufficiently maintained in the implementation of the programme, by means of support for project initiatives. On balance, therefore, the policy relevance also applies to the implementation of the programme. Measures 1.1 and 1.2 have been synchronised to match other policy initiatives – such as

i

the policy on persistent organic pollutants (POP) and the national ecological network policy – to such an extent that the margins for project development have been drastically reduced. Consequently, these measures are not progressing very well. Other contributing factors include the consequences of the veterinary diseases that spread through the relevant programme areas recently, the divergence of the phases of the South Netherlands SPD from reconstruction, and the fact that these regions lack experience with European programmes. A second relevant development in policy pertains to measure 3.1 (human resources). The practical application of this measure is also progressing with relative difficulty. This is due in part to the fact that some partners that might have helped in shaping this measure, particularly the Regional Employment Boards, are no longer participating, thus complicating the implementation of the South Netherlands SPD. A related issue is the fact that the implementation of ESF-3 is centralised in the Netherlands. As a result, there is in practice little to no interaction between the regional ERDF initiatives and the national ESF Objective 3 projects. If we consider the relevance of the South Netherlands SPD with respect to the horizontal EU objectives, we see that the project selection process pays attention both to the ‘equal opportunity’ aspect and to the issue of (ecological) ‘sustainability’. However, it is difficult in practice to adequately factor in the equal opportunity theme. On the one hand, this is due to the limited progress on measure 3.1 (human resources). On the other hand, it is nearly impossible to predict what effects some projects will have on the equal opportunity theme. With respect to (ecological) sustainability, the programme management and the Steering Groups have been able to arrive at a fairly unambiguous assessment in the selection of many projects. This is particularly true of projects that do not involve any aspects of (ecological) sustainability or projects that are specifically designed to reduce environmental impact. It is more difficult to assess projects that generate both positive and negative environmental effects. The difficulty here arises from the lack of a more or less uniform standard for sustainability – a ‘guideline’ – in which the significance of different types of environmental effects can be weighed against each other. Effectiveness The analysis of the effectiveness of the South Netherlands SPD has been determined on the basis of a range of aspects, specifically financial progress, realization of the intended effects and socio-economic developments in the programme regions. In general terms, it can be concluded from the analysis that the South Netherlands SPD has thus far been implemented effectively, but there are a number of specific items that will require (additional) attention. First, the financial progress in the implementation of the South Netherlands SPD based on aid commitments can be considered ‘reasonable’. There are major differences in aid commitments between the measures on the one hand and the different sub-programmes that together make up the South Netherlands SPD on the other. Measures 1.1, 1.2 and 3.1 in particular are lagging far behind in the implementation of the programme, as indicated above. The Objective 2 and Objective 5b Phasing Out programmes are progressing more smoothly in terms of financial development than the Objective 2 Rural Programmes. The financial realization of the South Netherlands SPD (based on certified payments by project initiators) has so far been limited. This is mainly due to a slow start of the programme and lagging aid commitments for a number of more extensive measures. The limited financial realization at the end of 2002 is not expected to immediately cause problems with the N+2 rule. This is also due to the fact that the first financial ERDF advance from the EU for the South Netherlands SPD can be counted toward that target as well. However, the N+2 rule for the South Netherlands SPD will require a great deal of attention in subsequent years. The co-financing of the South Netherlands SPD is also nicely on schedule, due to the

ii

aid commitments. This is due to the fact that other government bodies – besides the EU – have contributed significantly more on a priority level than was budgeted in the main financial table in the programme complement. Access to the financial data and indicators from the monitoring systems (PBS) of the individual sub-programmes is not yet optimised on a central level (management and payment authority). This applies to both the uniformity of the data and the time it takes for figures to be made available. One important contributing factor is the fact that the PBS was not yet fully operational in 2002. Now that the programme has been underway for some time and various types of projects have entered the implementation phase, it is possible to see that, generally, correct output and results indicators have been selected for the programme. Nevertheless, the set of output and results indicators could still be fine-tuned in a few areas. The same applies to the socio-economic indicators, where a number of changes would be advisable. If we look at the interim realization of the output and results indicators, then it is clear that the key indicators – which were also selected for the performance reserve – are in general progressing according to plan. Essentially, the only dissonant note here is the number of companies participating in environmental projects. The South Netherlands SPD also scores fairly well on various other output and results indicators. However, there are a number of indicators that clearly need improvement. This is generally due to the lack of (sufficient) projects within certain measures, for example the output indicator for ‘the number of facilitated star locations.’ This indicator is linked to measure 1.1, but no commitments have been made yet for projects as part of that measure. The output indicator for ‘the number of square meters of new or renovated business/office space’ will also need to be brought up to the required level. Commitments have already been made for projects in measure 1.3, which sets this indicator, but none of these projects recognises this indicator as its output effect. With respect to the results indicators, a great deal of progress has already been made in the South Netherlands SPD in the context of the (committed) gross employment opportunities. This is also the case for other results indicators, such as the number of innovative products and new production methods, the number of visitors and the number of companies based in the region. On the other hand, there are a few results indicators that show achievements somewhat under the target values, such as the preservation of existing employment opportunities, the number of SMEs participating in partnership projects, and the number of start-up companies. The regions in the South Netherlands SPD also appear to be moving generally in the intended direction in socio-economic terms. In this context, it has also come to light that within the South Netherlands SPD work is being done – via the individual measures and associated projects – to tackle many of the problems pertaining to the regional investment climate. Efficiency The theme of efficiency has been covered from a number of angles in the mid-term evaluation, focusing on cost efficiency, multiplier effects and the efficiency of effects on employment opportunity. We can conclude on this basis that the implementation of the programme is generally progressing efficiently. On a more detailed level, a number of output and results indicators scored extremely well. Further analysis of the background shows that this is primarily due to the fact that these indicators combine what are essentially different types of effects. It would be advisable to adjust these indicators and their targets.

iii

Implementation In principle, the implementation structure used in the South Netherlands SPD generally functions properly. For instance, if we look at the composition of the Supervisory Committee or the Steering Groups, they meet the criteria as formulated in the South Netherlands SPD. In general, organizations that are relevant to the implementation of the South Netherlands SPD also participate in these committees fairly often. This creates a broad support base for partnership. However, one area needing more attention in this context continues to be the involvement of partners that are active in the ‘employment market’ theme. The disappearance of the Regional Employment Boards has created a void here that has not yet been filled. The principle of ‘partnership’ also takes on form and content in the South Netherlands SPD due to the fact that various types of partners have initiated projects. For example, municipalities play an important part as the initiators of more ‘concrete’ infrastructure projects. Intermediary organizations play a part by implementing regulations that target businesses. Employer and employee organizations are involved by initiating projects and bringing together parties that can implement them. Agricultural and environmental organizations have thus far been less involved in the projects. This is due mainly to the problems involved in the creation of projects for the measures on the development of agriculture and nature reserves. In principle, the Committee and the Steering Groups are able to perform their tasks well enough. For example, their meetings are sufficiently frequent and the members are provided with the right information and management details that they need to perform their tasks. Some of the members of the Committee and the Steering Groups do feel a need for more detail-oriented/strategic discussions. Another area that needs attention is participation in meetings. Participation is sometimes rather low, particularly in the Committee meetings, due in part to the fact that the South Netherlands SPD consists of a combination of separate regional programmes. Consequently, members of the Committee have become farther removed from the individual sub-programmes/regions. In general, programme management is also functioning satisfactorily. The different committees involved in programme management – such as the Committee, the Steering Groups and the project initiators – are satisfied with how the programme management operates. As stated before, members of the Committee and the Steering Groups have access to sufficient management information to perform their respective tasks. The members of the Steering Groups feel that the project proposals are prepared with meticulous care. The project initiators generally appreciate the accessibility and the support they receive from the programme management. The analysis also shows that the realised ‘implementation costs’ are proportionate to the amount of time elapsed since the start of the programme and the committed ERDF contributions. The programme management itself has also encountered relatively few problems in the implementation of its tasks. The managers do indicate that administrative and procedural matters are occupying increasing amounts of time and energy. This is due to such factors as the N+2 rule. The potential danger of the increasing bureaucracy is that the support and development of new project initiatives may be put under pressure. The evaluation shows that the selection procedure is divided into a number of logical steps that are applied in a nearly uniform manner across the individual sub-regions. The procedure works well in practice and can be continued in the coming time. A reasonable percentage of the project initiators have been faced with delays in the implementation of their projects. However, this has little to no bearing on the way in which the South Netherlands SPD is implemented. The delays are due mainly to external factors that lie outside the scope of the programme. In general, the project initiators still

iv

expect to be able to meet their original deadlines, with respect to both finances and specific content. During the previous period, several different forms of communication have been implemented concerning the South Netherlands SPD, with due consideration of the requirements the EU sets for communication on this subject. Initiatives in the area of communications will continue to be necessary in the coming period. This primarily concerns communication with the target groups that could play a role in the practical application of measures 1.1, 1.2 and 3.1. Finally, an analysis of the different types of objectives – effectiveness, management and financial execution – for the performance reserve as of the end of 2002 shows that the South Netherlands SPD was already well on target for achieving the objectives set for each of these categories. Recommendations Based on the findings from the evaluation, a number of recommendations have been formulated that are summarised briefly below. The reasons behind the recommendations can be found in the main text in Chapter 7.
I. 1. 2. 3. 4. 5. II. 6. RELEVANCE Pay more attention to embedding measure 3.1 in society by intensifying contacts with regional parties active in education and on the employment market. Synchronise and coordinate more closely with ESF-3. Set up periodic monitoring of the socio-economic key indicators. Work to increase uniformity and clarity in applying the concept of sustainability by compiling and/or commissioning a simple ‘sustainability test’. Consider making resources available once again to the sub-programme Southeast Brabant (Stimulus) for measure 1.4.

EFFECTIVENESS If the request based on ‘force majeure’ is cancelled or unsuccessful, transfer funds from the allocations for measures 1.1 and 1.2. 7. Acknowledge that objectives concerning reconstruction and rural innovation can be realised with other measures than 1.1 and 1.2. 8. For measure 3.2, realise a transfer from measure 3.1. 9. Make a decision in the short term about possible transfers from priority 2. 10. Reformulate a number of output and results indicators and set (new) targets for those indicators. 11. Add the results indicator ‘preserve employment opportunity’ to measure 1.3. 12. Make a number of changes to the socio-economic indicators of the South Netherlands SPD. III. EFFICIENCY 13. It is advisable to increase the use of operational (financial) targets for the individual subprogrammes and priorities/measures. 14. Use data from practical experience from the progress in aid commitments and payments as a basis for setting the (financial) targets. 15. Implement the PBS as quickly as possible and fill it with the monitoring data currently available on a local level. IV. IMPLEMENTATION 16. Intensify the involvement of the members of the Supervisory Committee by strengthening their roles with respect to content and guidance and (thus) ‘enlivening’ meetings. 17. From now on, the progress of each part of the South Netherlands SPD – the progress of the measures/priorities in the separate regions – should also be discussed in every Committee meeting. 18. Set up an organised system of ‘required’ and ‘mandatory’ replacement. 19. Make outline agreements on how the consequences will be calculated into the South Netherlands SPD if the N+2 rule cannot be met at any point in time.

v

20. Continue to focus attention in the coming time on publicity and PR for the South Netherlands SPD, particularly emphasizing target groups that can play a role in implementing measures 1.1, 1.2 and 3.1. 21. Invest maximum effort in project development on all fronts – i.e. for all the measures, not just 1.1, 1.2 and 3.1. 22. Consider setting up a fund for project development. 23. In order to facilitate internal monitoring of the N+2 rule, it would be advisable to divide the first advance from Brussels evenly over the years.

vi

1.

INLEIDING

1.1

Achtergrond

De Europese Unie acht de (verdere) harmonisatie van de sociaal-economische ontwikkeling van de afzonderlijke Europese regio’s van groot belang. Om deze doelstelling te realiseren voert de Europese Unie daarom een actief regionaal stimuleringsbeleid, waarvoor 213 miljard euro voor de periode 2000-2006 is uitgetrokken. De inzet van financiële middelen gebeurt vanuit een viertal Europese Structuurfondsen en het Cohesiefonds. De structuurfondsen zijn het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). De middelen uit de Europese Structuurfondsen worden vooral toegewezen aan die regio’s waar nog een (sociaal-)economische inhaalslag en/of herstructurering noodzakelijk is. Daartoe worden verschillende typen zogenaamde Doelstellingregio’s onderscheiden. Ook Nederlandse regio’s ontvangen vanwege een dergelijke ‘doelstellingstatus’ ondersteuning vanuit de Europese Structuurfondsen. Dit geldt bijvoorbeeld voor regio’s in het Zuiden van Nederland (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg). Daar waar in de jaren negentig nog sprake was van afzonderlijke programma’s (Enig Programmeringsdocumenten) heeft er vanaf 2000 – mede op verzoek van de EU – een ‘bundeling’ van deze programma’s plaatsgevonden. Dit houdt in dat er voor het zuiden van Nederland één ‘Enkelvoudig Programmeringsdocument (EPD) Zuid-Nederland’ is vervaardigd. Dit integrale EPD bevat dan de Doelstelling 2 plattelandsregio NoordoostBrabant/Noord- en Midden-Limburg en de Phasing out regio’s: Doelstelling 5b regio Noord- en Midden-Limburg, Doelstelling 2 regio Zuid-Limburg, Doelstelling 2 regio Zuidoost-Brabant en de Doelstelling 5b regio Zeeuwsch-Vlaanderen. De Europese regelgeving schrijft voor dat de programma’s die vanuit de Europese Structuurfondsen worden ondersteund, periodiek aan een evaluatie moeten worden onderworpen. Periodiek betekent in dit geval: vooraf (ex-ante), tussentijds (on-going of mid-term) en achteraf (ex-post). In 2003 dient er een mid-term evaluatie te worden uitgevoerd van het EPD Zuid-Nederland. Bureau Bartels is gevraagd om deze evaluatie ter hand te nemen. In dit rapport beschrijven we onze evaluatiebevindingen. In de volgende paragraaf zullen we eerst de centrale doelstellingen en onderzoeksvragen presenteren die het uitgangspunt vormen voor de uitvoering van deze evaluatie. Vervolgens zal in paragraaf 1.3 de opzet van de evaluatie worden toegelicht. In paragraaf 1.4 wordt tenslotte de verdere opbouw van dit rapport (leeswijzer) weergegeven.

1.2

Doelstelling en onderzoeksvragen

De hoofddoelstelling van de mid-term evaluatie van het EPD Zuid-Nederland is als volgt geformuleerd: Het tussentijds beoordelen van de relevantie, de effectiviteit, de efficiency en de organisatie/het beheer van (de onderdelen van) het EPD Zuid-Nederland, zodanig dat daarmee wordt voldaan aan de vereisten vanuit de belangrijkste subsidiënten en tevens leereffecten voor de resterende programmaperiode worden verkregen. Deze hoofddoelstelling sluit aan bij de oorspronkelijke probleemstellende notitie van de opdrachtgever en het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006. Het in 2002 – in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken – ontwikkelde ‘Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006’ vormt een leidraad voor de evaluatie van Europese programma’s in Nederland. Met de aanpak en beantwoording van de onderzoeksvragen die in dit kader zijn beschreven, kan in feite worden voorzien in de evaluatiebehoeften die de verschillende partijen (subsidiënten) hebben. Bij de uitvoering van de evaluatie

1

hebben we dan ook aansluiting gezocht bij de richtlijnen uit het evaluatiekader. In schema 1.1 vatten we samen welke typen onderzoeksvragen in onze mid-term evaluatie aan de orde komen. Deze typologie sluit enerzijds nauw aan bij het zojuist genoemde evaluatiekader en anderzijds bij de inhoud en doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland.
Schema 1.1 Typologie van te beantwoorden onderzoeksvragen Thema A. Relevantie Deelsegment 1. Relevantie vanuit de sociaal-economische context 2. Relevantie vanuit de beleidscontext 3. Relevantie voor bereiken horizontale doelstellingen EU B. Effectiviteit 1. Realisatie financiële doelstellingen 2. Voortgang operationele doelstellingen (outputs) 3. Behalen (economische, sociale en milieu)effecten (resultaten) 4. Betekenis EPD Zuid-Nederland voor duurzame sociaal-economische ontwikkeling (impacts) 5. Behalen horizontale EU-doelstellingen C. Efficiency D. Uitvoering 1. Efficiency 1. Organisatie- en beheersstructuur 2. Uitvoering

De bovenstaande typologie van onderzoeksvragen hebben we uitgewerkt in een aantal concrete onderzoeksvragen. Deze zijn opgenomen in bijlage 3 van deze rapportage. In schema 2.1 vatten we deze vragen samen in de vorm van een aantal belangrijke aandachtspunten.

2

Schema 1.2 Belangrijke aandachtspunten voor on-going evaluatie EPD Zuid A. Relevantie

? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ?

Sociaal-economische ontwikkeling van de regio’s van het EPD Zuid-Nederland Huidige relevantie van de SWOT Aansluiting bij ander (Europees, nationaal en regionaal) beleid Aandacht voor horizontale doelstellingen van de EU

B. Effectiviteit Financiële voortgang in committeringen en realisatie voor het EPD Zuid en de deelprogramma’s Realisatie van cofinanciering Hanteerbaarheid van gebruikte output- en resultindicatoren Voortgang in committering en realisatie van output- en resultindicatoren Hanteerbaarheid sociaal-economische impactindicatoren Invloed programma op het regionaal investeringsklimaat

C. Efficiency Effecten in relatie tot inzet middelen (kostenefficiency) (Kosten)efficiency in gecreëerde arbeidsplaatsen Hefboomeffect op genereren private bijdragen

D. Uitvoering Functioneren van de organisatie- en beheersstructuur Invulling van het regionale partnerschap Projectselectiecriteria en -procedures Externe communicatie/publiciteit Monitoring(systemen)

We zullen nu in paragraaf 1.3 de gevolgde onderzoeksaanpak toelichten.

1.3

Opzet van de evaluatie

Voordat de verschillende onderzoeksactiviteiten worden besproken, willen we eerst enkele uitgangspunten van de evaluatie uiteenzetten. In de eerste plaats is het de bedoeling om een mid-term evaluatie – of on-going evaluatie – uit te voeren van het EPD Zuid-Nederland als geheel. In aanvulling daarop zal op hoofdlijnen ook aandacht worden geschonken aan de afzonderlijke onderdelen. Bij dit laatste gaat het dan om de deelprogramma’s voor de deelregio’s die binnen het EPD worden onderscheiden. Ter wille van de leesbaarheid zullen we in het onderstaande overigens ook wel kortweg spreken van het EPD Zuid-Nederland, het EPD of het programma. Daarmee bedoelen we dan zowel het integrale EPD als deze deelprogramma’s, tenzij anders vermeld. Voor de uitvoering van de mid-term evaluatie van het EPD Zuid-Nederland hebben we een aantal onderling samenhangende onderzoeksactiviteiten uitgevoerd. Door langs verschillende invalshoeken informatie te verzamelen, hebben we getracht om zo objectief en betrouwbaar mogelijke uitspraken te doen over de verschillende onderzoeksvragen. In schema 1.3 zijn de verschillende onderzoeksactiviteiten weergegeven. Onder het schema geven we een korte toelichting bij de afzonderlijke activiteiten.

3

Schema 1.3 Uitgevoerde onderzoeksactiviteiten a. Deskresearch b. Gesprekken met sleutelpersonen c. Sociaal-economische analyses d. Systematische screening van gegevens Programmasecretariaten e. Operationaliseren van het overige veldwerk f. Consultatie van regionale stakeholders

g. Interviews met projectuitvoerders h. Analyse en beoordeling van het programma i. j. Rapportage Overleg met opdrachtgever

De evaluatie is gestart met de deskresearch (onderdeel a.). In de deskresearch hebben we relevante schriftelijke en digitale informatie geraadpleegd en geanalyseerd. Dit is enerzijds schriftelijke kerninformatie over het programma, zoals het EPD Zuid-Nederland, het Programmacomplement, vergaderstukken en -verslagen van de Stuurgroepen en het Comité van Toezicht, jaarverslagen, financiële overzichten uit het monitoringsysteem enzovoort. Anderzijds betreft dit ‘bredere’ informatie uit bijvoorbeeld recente (beleids-) nota’s van de Europese Unie, het Rijk, de provincies, het Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006 en dergelijke. Het zwaartepunt van de deskresearch lag in de beginfase van de evaluatie. Gedurende de gehele uitvoering van de evaluatie kwam echter nieuwe schriftelijke of digitale informatie naar voren die we ook hebben verwerkt, zoals het jaarverslag 2002 en nieuwe financiële overzichten. Er zijn 28 ‘face-to-face’ gesprekken gevoerd met zogenaamde ‘sleutelpersonen’ (onderdeel b) en regionale stakeholders (onderdeel f). Sleutelpersonen zijn personen die betrokken zijn bij het ‘besturen’ van het EPD Zuid-Nederland. In de praktijk zijn dat dus vertegenwoordigers van het Comité van Toezicht (CvT) en leden van de (vijf) afzonderlijke Stuurgroepen. Regionale stakeholders zijn in feite vertegenwoordigers van organisaties die het ‘regionale partnerschap’ vormgeven. Verder hebben we ook de uitvoerders van 40 projecten in het onderzoek betrokken door hen een telefonisch interview af te nemen (onderdeel g). Bij de selectie/steekproeftrekking van de projectuitvoerders is uitgegaan van een spreiding over de prioriteiten en maatregelen, een spreiding over de deelprogramma's, een verdeling in grotere en kleinere projecten (met een nadruk op de wat grotere projecten) en speciale aandacht voor projecten die relatief al wat langer lopen (omdat daar meer ervaringen mogen worden verwacht dan bij projecten die meer recentelijk zijn gestart. Een overzicht van de geraadpleegde sleutelpersonen, regionale stakeholders en projectindieners is weergegeven in de bijlagen 1 en 2. Voor deze drie onderzoeksgroepen – sleutelpersonen, regionale stakeholders en projectuitvoerders – moesten we het veldwerk operationaliseren (onderdeel e). Hieronder viel het in overleg met de opdrachtgever selecteren van de gesprekspartners en de inhoud van de te hanteren vragenlijsten. Verder hebben we een sociaal-economische analyse (onderdeel c) van het programmagebied uitgevoerd. Een belangrijke doelstelling van deze analyse was om na te gaan in hoeverre (de regio’s van) het programmagebied er tot nu toe in slaagt (slagen) om zich te ontwikkelen in de richting die in het EPD Zuid-Nederland is uitgezet. Verder konden we vanuit deze analyse bepalen in hoeverre de sociaal-economische doelstellingen, die opgenomen zijn in het programmacomplement, (reeds) zijn gerealiseerd. We hebben tevens een systematische screening van de gegevens van de vier afzonderlijke programmasecretariaten (onderdeel d) uitgevoerd. Hierbij zijn ondermeer

4

de programmamanagers face-to-face geïnterviewd en hebben er on-site analyses plaatsgevonden van de gegevens uit de monitoringsystemen en andere relevante schriftelijke informatie. De informatie die we via de hierboven beschreven onderzoeksactiviteiten hebben verkregen, is geanalyseerd in relatie tot de onderzoeksvragen. Die analyse heeft geleid tot een zo evenwichtig mogelijke beoordeling van het EPD Zuid (onderdeel h). In eerste instantie heeft dit geresulteerd in een schriftelijke notitie ‘Voortgang Mid-Term Evaluatie EPD Zuid-Nederland’ voor de vergadering van het Comité van Toezicht op 11 juni 2003. Vervolgens is een conceptrapport vervaardigd dat is voorgelegd aan de begeleidingscommissie en het Comité van Toezicht. Na de verwerking van opmerkingen en aanvullingen is deze eindrapportage tot stand gekomen (onderdeel i). Gedurende de evaluatie heeft er regelmatig overleg plaatsgevonden met de opdrachtgever (onderdeel j) en is ook het Comité van Toezicht bij de (resultaten van) de evaluatie betrokken.

1.4

Leeswijzer

In schema 1.4 is de verdere opbouw van deze evaluatie weergegeven.
Schema 1.4 Opbouw rapportage Hoofdstuk 2 – Programma synopsis Hoofdstuk 3 – Relevantie van het EPD Zuid-Nederland Hoofdstuk 4 – Effectiviteit van het EPD Zuid-Nederland Hoofdstuk 5 – Efficiency van het EPD Zuid-Nederland Hoofdstuk 6 – Uitvoering van het EPD Zuid-Nederland Hoofdstuk 7 – Conclusies en aanbevelingen

Hoofdstuk 2 biedt inzicht in de hoofdlijnen van het EPD Zuid-Nederland, dat wil zeggen op de doelstellingen, de inhoud en de begroting van het programma. In hoofdstuk 3 komen vervolgens de belangrijkste relevantievragen aan de orde. Hoofdstuk 4 staat in de eerste plaats in het teken van de beoordeling van de financiële voortgang van het programma. Daarnaast bevat dit hoofdstuk ook een overzicht en een beoordeling van de tot nu toe gecommitteerde en gerealiseerde output- en resultindicatoren. Daarna volgt hoofdstuk 5 waarin efficiency-aspecten de hoofdrol spelen. In dat hoofdstuk wordt ondermeer beschreven hoe de gecommitteerde/gerealiseerde effecten zich verhouden tot het tot nu toe ingezette EFRO-budget. Hoofdstuk 6 behandelt de uitvoering van het programma. Onderwerpen die hierin naar voren komen zijn onder andere de organisatieen beheerstructuur, projectselectie en communicatie en de monitoring en financiële afhandeling van projecten. In hoofdstuk 7 tenslotte presenteren we onze aanbevelingen.

5

6

2.

PROGRAMMA SYNOPSIS

2.1

Inleiding

Dit korte hoofdstuk bevat een programma synopsis die is bedoeld om snel inzicht te krijgen in de hoofdlijnen van het EPD Zuid-Nederland. In paragraaf 2.2 gaan we daarom eerst in op de doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland. Vervolgens zullen we in paragraaf 2.3 een bondige beschrijving geven van de inhoud van het programma. We besluiten het hoofdstuk met paragraaf 2.4 waarin de kosten en financiering van het EPD Zuid-Nederland worden neergezet.

2.2

Doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland

De (uniforme) hoofddoelstelling die voor het EPD-programma van Zuid-Nederland – en daarmee ook voor de afzonderlijke deelprogramma’s – van toepassing is, luidt als volgt: Het realiseren van een duurzame en dynamische economische en een evenwichtige sociale ontwikkeling, in combinatie met behoud en versterking van natuurlijke, landschappelijke en milieuwaarden. Uit deze doelstelling blijkt dat Zuid-Nederland streeft naar een verdere economische ontwikkeling maar dat deze een duurzaam karakter dient te hebben. Daarbij zal ook gewerkt moeten worden aan sociale structuurversterking. Hiermee wordt met name het creëren van gelijke kansen voor verschillende segmenten van de bevolking bedoeld. Bovenstaande hoofddoelstelling kan nader worden vertaald in een aantal meer specifieke doelstellingen en wel de volgende: § Verbeteren van het sociaal-economisch vestigingsklimaat. § Versterken van de concurrentiepositie van het bestaande bedrijfsleven. § Het ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten. § Het vergroten van de landschappelijke aantrekkelijkheid. § Het verbeteren van de natuurlijke en milieusituatie. § Het bevorderen van de omschakeling van de agrarische sector. § Het genereren van structurele werkgelegenheid. § Het wegnemen van kwalitatieve fricties op de arbeidsmarkt.

2.3

Inhoud van het programma

Om bovenstaande doelstelling(en) te helpen realiseren, worden binnen het EPD ZuidNederland – naast Technische Bijstand – een drietal inhoudelijke prioriteiten onderscheiden. Deze prioriteiten zijn vervolgens nader uitgewerkt in een aantal maatregelen. In schema 2.1 vatten we de verschillende prioriteiten en de daarbij behorende maatregelen samen.

7

Schema 2.1 Prioriteiten en maatregelen van het EPD Zuid Prioriteit I. Ruimtelijke ontwikkeling Maatregelen 1.1 Herschikking functies buitengebied 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen II. Economische ontwikkeling 2.1 Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven III. Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit IV. Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig

Uit bovenstaande indeling van prioriteiten en bijbehorende maatregelen komt duidelijk naar voren dat er in het EPD Zuid-Nederland – naast aandacht voor het bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling – ook nadrukkelijk wordt gestreefd naar het stimuleren van de sociale kwaliteit (cohesie), alsmede naar het bevorderen van natuurlijke en milieuwaarden van de regio(‘s). We zullen in het volgende hoofdstuk dat handelt over de relevantie van het EPD Zuid-Nederland overigens uitgebreider ingaan op de inhoud van de prioriteiten en maatregelen. Het EPD Zuid-Nederland is opgebouwd uit vijf deelprogramma’s, namelijk: ? Doelstelling 2 platteland – Noordoost Noord-Brabant/Noord- en Midden-Limburg. ? Phasing out Doelstelling 5b – Noord- en Midden-Limburg. ? Phasing out Doelstelling 5b – Zeeuwsch Vlaanderen. ? Phasing out Doelstelling 2 – Zuidoost Noord-Brabant. ? Phasing out Doelstelling 2 – Zuid-Limburg. Enkele van deze deelprogramma’s worden in de verschillende regio’s ook aangeduid met een specifieke ‘programmanaam’, namelijk Stimulus III en Ceres, waarbij de laatstgenoemde programmanaam ook nog eens regio-overschrijdend is. Ter verduidelijking is daarom schema 2.2 opgenomen waarin aangegeven is hoe deelprogramma’s, deelgebieden en specifieke programmanamen met elkaar samenhangen.
Schema 2.2 Deelprogramma’s, deelgebieden en programmanamen Doelstelling 2 platteland Zuidoost Noord-Brabant Zuid-Limburg Noordoost-Noord-Brabant CERES Brabant Noord- en Midden Limburg Zeeuwsch-Vlaanderen CERES Limburg CERES Limburg Doelstelling 5b Phasing out Doelstelling 2 Phasing out Stimulus III

8

2.4

Kosten en financiering

De kosten en financiering van het EPD Zuid-Nederland zijn weergegeven in tabel 2.1. Uit deze tabel blijkt dat de totale programmakosten van het EPD Zuid-Nederland ongeveer 396 miljoen euro bedragen. Daarbij is het streven dat de Europese Commissie vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) zo’n 140 miljoen voor haar rekening zal nemen. Het andere deel van het programma zal dan gedragen moeten worden door nationale publieke en semi-publieke partijen (185 miljoen euro) en de private sector (71 miljoen euro). Het EPD Zuid-Nederland bestaat uit een pakket van prioriteiten met onderliggende maatregelen. Binnen deze maatregelen worden projecten uitgevoerd. Bezien we de financiële omvang van de verschillende inhoudelijke prioriteiten dan blijkt prioriteit 1 ‘Ruimtelijke ontwikkeling’ het meest omvangrijk. Meer dan de helft van het totale EFRObudget voor het EPD is gereserveerd voor deze prioriteit. Prioriteit 2 ‘Economische stimulering’ volgt op enige afstand en aan prioriteit 3 ‘Sociale cohesie’ is een relatief klein deel van het budget toegewezen. Binnen de maatregelen zijn maatregel 1.3 ‘Ontwikkeling en revitalisering’ bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen en 2.1 ‘Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven’ veruit het grootst in financiële omvang.

9

Tabel 2.1

Financieringstabel van het EPD-Zuid Nederland 2000-2006, bij beschikking Europese Commissie van 6 augustus 2001 Totale kosten 194.103.000 36.110.000 36.510.000 69.348.000 17.995.000 34.140.000 149.893.000 119.776.380 30.116.620 41.495.000 22.480.000 19.015.000 10.400.000 7.644.800 2.755.200 395.891.000 Totale publ. uitgaven 180.563.000 36.110.000 36.510.000 66.088.000 15.950.000 25.905.000 97.633.000 75.571.380 22.061.620 36.490.000 19.960.000 16.530.000 10.400.000 7.644.800 2.755.200 325.086.000 E.U. EFRO Totaal Rijk Nationaal Regio Lokaal 44.397.000 4.095.000 4.095.000 27.110.000 2.050.000 7.047.000 15.673.750 11.982.000 3.691.750 10.920.000 6.935.000 3.985.000 280.000 191.879 88.121 71.270.750 Overig 11.515.900 1.392.300 1.392.300 1.992.400 4.347.000 2.391.900 3.531.250 2.988.000 543.250 3.110.600 1.791.900 1.318.700 0 0 0 18.157.750 Private Uitgaven 13.540.000 0 0 3.260.000 2.045.000 8.235.000 52.260.000 44.205.000 8.055.000 5.005.000 2.520.000 2.485.000 0 0 0 70.805.000

Epd Zuid (in euro) Prioriteit/Maatregel Prioriteit 1 Ruimtelijke ontwikkeling

74.023.000 106.540.000 16.370.000 16.570.000 24.585.000 6.120.000 10.378.000 45.662.000 36.545.000 9.117.000 15.510.000 8.190.000 7.320.000 4.675.000 3.297.400 1.377.600 19.740.000 19.940.000 41.503.000 9.830.000 15.527.000 51.971.000 39.026.380 12.944.620 20.980.000 11.770.000 9.210.000 5.725.000 4.347.400 1.377.600

35.018.000 15.609.100 11.550.000 11.550.000 8.133.000 580.000 3.205.000 2.702.700 2.902.700 4.267.600 2.853.000 2.883.100

1.1. Herschikking functies buitengebied 1.2. Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3. Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4. Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5. Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Prioriteit 2 Economische stimulering

17.845.000 14.921.000 13.215.000 10.841.380 4.630.000 0 0 0 1.780.000 1538826 241174 4.079.620 6.949.400 3.043.100 3.906.300 3.665.000 2.616.695 1.048.305

2.1. Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) 2.2. Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Prioriteit 3 Sociale cohesie

3.1. Human resources 3.2. Versterking sociale cohesie en culturele identiteit Prioriteit 4 Technische Bijstand

4.1. Technische Bijstand Beheer 4.2. Technische Bijstand Overig Totaal programma

139.870.000 185.216.000

54.643.000 41.144.500

10

3.

RELEVANTIE

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk staat de relevantie van het EPD Zuid programma centraal. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de vraag of de doelen en de gevolgde strategie van het programma (nog steeds) aansluiten bij de sociaal-economische kenmerken van het programmagebied. Ook in de ex-ante evaluatie is destijds al aandacht besteed aan deze vorm van relevantie van het EPD Zuid. In de mid-term zal daarom op hoofdlijnen nagegaan moeten worden of zich inmiddels belangrijke sociaal-economische wijzigingen hebben voorgedaan die van wezenlijke invloed zijn op de relevantie van de doelen en strategie van het programma. In paragraaf 3.2 schenken we dan ook aandacht aan de sociaal-economische relevantie van het EPD Zuid. Vervolgens zullen we in paragraaf 3.3 ingaan op de beleidsmatige relevantie van het programma. Ook dit is onderwerp van de ex-ante evaluatie geweest. Op een tweetal aspecten kan hier vanuit de mid-term evaluatie echter een aanvulling op worden gemaakt. In de eerste plaats kan worden nagegaan of zich tussentijds mogelijk belangrijke beleidswijzigingen bij de verschillende overheidsgeledingen hebben voorgedaan die van invloed zijn op de beleidsmatige relevantie van de strategie, prioriteiten of maatregelen van het programma. In de tweede plaats zijn inmiddels verschillende projecten gecommitteerd. Daarmee kan inzicht worden verkregen in de (wijze van) implementatie van de onderscheiden maatregelen. In paragraaf 3.4 zullen we ingaan op de relevantie van het programma daar waar het gaat om het realiseren van de (horizontale) EU-doelstellingen. Ten opzichte van de exante evaluatie zullen we daarbij men name ingaan op de vraag hoe bij de implementatie van het EPD Zuid aandacht wordt geschonken aan deze EU-doelstellingen. Tenslotte zullen we in paragraaf 3.5 de belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk de revue laten passeren.

3.2

Beoordeling sociaal-economische relevantie

In het voorgaande hoofdstuk hebben we al gezien dat de centrale ontwikkelingsdoelstelling van het EPD Zuid (zie voor de programma synopsis het vorige hoofdstuk) als volgt luidt: ‘Het realiseren van een duurzame en dynamische economische en een evenwichtige sociale ontwikkeling, in combinatie met behoud en versterking van natuurlijke, landschappelijke en milieuwaarden’. In het EPD Zuid is deze hoofddoelstelling nader geconcretiseerd in een vijftal specifieke doelstellingen. In de ex-ante evaluatie is vastgesteld dat de ontwikkelingsvisie/-doelstelling en bijbehorende specifieke doelstellingen goed aansluiten bij de SWOT die van het programmagebied is opgesteld. Ook werd daarin geconcludeerd dat de SWOT een adequate en complete beschrijving van het programmagebied bevat die onderbouwd wordt vanuit de beschrijving van het regionaal profiel zoals dat in het EPD Zuid is opgenomen. Verder is relevant om te constateren dat de betreffende SWOT vrij recentelijk is opgesteld. De definitieve versie is namelijk in het EPD van 19 mei 2001 opgenomen. Op grond van bovenstaande argumenten is het niet zinvol om nu weer een uitgebreide sociaal-economische analyse van het programmagebied te maken. We zullen ons dan ook concentreren op het presenteren van een aantal kwantitatieve gegevens over ‘kernvariabelen’ die ook in het EPD Zuid zijn opgenomen. Voor de meer kwalitatieve

11

aspecten die in de SWOT zijn opgenomen kan verwacht worden dat deze ook nu nog steeds actueel zijn. Enerzijds vanwege het feit dat de SWOT nog maar vrij kort geleden is opgesteld en toen adequaat bleek te zijn. Anderzijds omdat het bij deze kwalitatieve aspecten veelal gaat om ‘structuurvariabelen’ die op korte termijn geen drastische wijzigingen (kunnen) ondergaan. Om dit te illustreren geven we hier enkele voorbeelden van dergelijke kwalitatieve (structuur)aspecten die in het EPD zijn opgenomen: ? agrarische keten is onvoldoende ontwikkeld; ? landbouw staat onder druk; ? toenemend verkeer zorgt voor congestie en bereikbaarheidsproblemen; ? natuur en milieu onder druk door toenemende ruimteclaims. Om tot een (verdere) beoordeling van de relevantie van de SWOT – en daarmee van de sociaal-economische relevantie van het EPD Zuid – te komen zullen we nu een beknopte update van het sociaal-economisch profiel presenteren. Mede vanwege de beschikbaarheid van cijfermateriaal zullen we daarbij frequent gebruik (moeten) maken van cijfers op COROP-niveau. Daarbij geldt dat de COROP-regio’s wat ‘ruimer’ (groter) zijn dan de programmagebieden. Overigens zullen we bij de evaluatie van de voortgang in de realisatie van de sociaal-economische indicatoren (zie paragraaf 4.4) ook zoveel mogelijk trachten om berekeningen te maken voor het programmagebied/de programmagebieden. Verder merken we op dat we er naar gestreefd hebben om per variabele steeds de meest recente gegevens te presenteren. Daardoor kunnen de jaartallen bij de verschillende tabellen enige variatie vertonen. We beginnen onze exercitie nu met het in kaart brengen van enkele demografische en arbeidsmarkttrends. Demografie en arbeidsmarkt In tabel 3.1 presenteren we eerst de ontwikkeling van de bevolking in de diverse deelgebieden die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid. We hebben bij die tabel berekeningen gemaakt naar de gemeenten die onderdeel vormen van het EPD Zuid. Voor enkele gemeenten geldt daarbij dat zij maar deels tot het programmagebied behoren. Daar het niet mogelijk is om statistische gegevens voor alleen ‘delen’ van deze gemeenten te verzamelen, hebben we in de navolgende tabel de betreffende gemeenten als geheel meegenomen. Dat geldt ook voor de andere tabellen die we hieronder nog zullen presenteren en waarbij de gemeenten als insteek zijn genomen.

12

Tabel 3.1

Bevolkingsontwikkeling per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland (1999-2002); berekeningen op basis van gemeenten Bevolking 1999 410.197 704.562 63.702 390.937 3.847.582 15.760.225 Bevolking 2002 445.214 719.158 64.921 388.069 3.911.654 16.105.285 Ontwikkeling 1999-2002 (in %) 8,5%* 2,1% 1,9% -0,7% 1,7% 2,2%

Regio Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland *

Deze groei wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een gemeentelijke herindeling waarbij de gemeenten Belfeld en Tegelen bij de gemeente Venlo zijn gevoegd terwijl deze gemeenten niet in het programmagebied liggen. In 2000 (het laatste jaar dat deze gemeenten bestonden) betrof het inwonertal respectievelijk 5.408 en 19.326. Zonder deze gemeenten zou de bevolkingsgroei voor deze regio uitkomen op circa 2,5%. CBS Statline, Regionale Kerncijfers Nederland/bevolking per gemeente, bewerking Bureau Bartels

Bron:

Uit bovenstaande tabel kan een aantal conclusies worden getrokken. In de eerste plaats zien we dat in Zuid-Limburg sprake is van een afname van de bevolking. In de overige deelgebieden van het EPD Zuid is echter sprake van een groeiende bevolking. Per saldo komt de bevolkingsgroei in deze gebieden iets lager uit dan het gemiddelde voor Nederland als geheel. Alleen (het gecorrigeerde cijfer voor) Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg valt iets hoger uit dan dit gemiddelde. Per saldo sporen deze patronen vrijwel naadloos met het beeld zoals dat in het EPD Zuid – maar dan voor de periode 1995-1999 – is geschetst. In tabel 3.2 schetsen we een beeld van de leeftijdsopbouw van de deelgebieden en (Zuid-)Nederland als geheel.
Tabel 3.2 Leeftijdsopbouw bevolking per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland in 1999 en 2002; berekeningen op basis van gemeenten 0-24 1999 Noordoost-Brabant/Noorden Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland 31,2% 30,2% 26,2% 27,0% 29,7% 30,5% 2002 30,9% 30,1% 26,0% 26,9% 29,6% 30,5% 25-64 1999 56,8% 57,1% 55,5% 57,6% 57,1% 56,0% 2002 56,3% 56,6% 55,7% 57,0% 56,6% 55,9% 65+ 1999 11,9% 12,7% 18,3% 15,5% 13,2% 13,5% 2002 12,7% 13,4% 18,3% 16,2% 13,7% 13,7%

Regio

Bron:

CBS Statline, Regionale Kerncijfers Nederland/bevolking per gemeente, bewerking Bureau Bartels

Het blijkt dat de leeftijdsopbouw in de programmagebieden ‘Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg’ en ‘Zuidoost-Brabant’ vrij goed spoort met het Nederlandse gemiddelde. Voor de overige programmagebieden – ‘Zeeuwsch-Vlaanderen’ en ‘Zuid-Limburg’ – valt

13

op dat zij relatief wat sterker ‘vergrijsd’ zijn ten opzichte van Nederland als geheel. Deze bevindingen zijn in overeenstemming met het regionaal profiel zoals dat in het EPD Zuid – voor de situatie in 1999 – is opgenomen. Met de cijfers in onderstaande tabellen 3.3 en 3.4 kan inzicht worden verkregen in de ontwikkeling van de beroepsbevolking en de participatiegraad van de beroepsbevolking. Daarbij is een onderscheid gemaakt naar mannen en vrouwen. Vanwege de beschikbaarheid van gegevens hebben we in onderstaande tabellen de insteek van COROP-regio’s gevolgd.
Tabel 3.3 Ontwikkeling beroepsbevolking per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland; berekeningen op basis van COROP-regio’s Mannen Regio NoordoostBrabant/Noord- en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant ZeeuwschVlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland 1999 306.000 2001 309.000 Vrouwen 1999 194.000 2001 203.000 Totaal 1999 500.000 2001 512.000 Ontwikkeling totaal (in %) 2,4%

199.000 28.000 165.000 1.045.000 4.242.000

197.000 27.000 165.000 1.053.000 4.321.000

121.000 17.000 107.000 664.000 2.856.000

133.000 18.000 115.000 712.000 2.990.000

320.000 45.000 272.000 1.709.000 7.097.000

330.000 45000 280.000 1.765.000 7.311.000

3,1% 0,0% 2,9% 3,3% 3,0%

Bron:

CBS Statline, Beroepsbevolking naar regio/Enquête Beroepsbevolking, bewerking Bureau Bartels

Tabel 3.4

Ontwikkeling bruto participatiegraad per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland; berekeningen op basis van COROP-regio’s Mannen Vrouwen 2001 80% 79% 75% 75% 78% 79% 1999 53% 52% 51% 49% 52% 54% 2001 55% 56% 52% 53% 55% 56% Totaal 1999 66% 66% 65% 62% 65% 67% Ontwikkeling totaal 2001 (in %-punten 68% 68% 64% 64% 67% 68% 2 2 -1 2 2 1

Regio Noordoost-Brabant/Noorden Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland

1999 79% 80% 79% 74% 78% 79%

Bron:

CBS Statline, Beroepsbevolking naar regio/Enquête Beroepsbevolking, bewerking Bureau Bartels

We zien dat er – met uitzondering van Zeeuwsch-Vlaanderen – sprake is van een groei van de beroepsbevolking. Bezien we de participatiegraden dan is het in de eerste plaats zo dat – in alle afzonderlijke deelgebieden – de participatiegraad van mannen duidelijk hoger ligt dan van vrouwen. Verder zijn de resultaten voor de afzonderlijke gebieden redelijk in overeenstemming met het nationaal gemiddelde. Alleen in Zuid-Limburg blijven de participatiegraden van zowel mannen als vrouwen wat achter. Dit beeld kwam ook in het regionaal profiel in het EPD Zuid – voor de periode 1996-1998 – naar voren.

14

Gelet op het belang van kennisintensivering van de economie is het ook belangrijk om inzicht te verkrijgen in het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. In de volgende tabel hebben we daarover een aantal kerncijfers gepresenteerd.
Tabel 3.5 Opleidingsniveau van de werkende beroepsbevolking per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland 2000-2002; berekeningen op basis van COROP-gebieden basisonderwijs, MAVO, VBO Regio Noordoost-Brabant/Noorden Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland 2000 31,7% 29,3% 36,4% 31,0% 30,2% 28,4% 2002 29,6% 27,6% 39,5% 28,5% 28,9% 27,3% HAVO/VWO/MBO 2000 45,7% 42,7% 50,0% 42,1% 44,3% 43,4% 2002 45,3% 42,4% 41,9% 44,5% 44,5% 43,5% HBO/WO 2000 22,6% 28,0% 13,6% 26,8% 25,5% 28,2% 2002 25,1% 30,0% 18,6% 27,0% 26,6% 29,2%

Bron:

CBS Statline, Beroepsbevolking naar regio/Enquête Beroepsbevolking, bewerking Bureau Bartels

Duidelijk is dat het gemiddelde opleidingsniveau in de verschillende programmagebieden wat achterblijft bij het Nederlandse beeld. In ‘Noordoost-Brabant/Noord- en MiddenLimburg’, ‘Zeeuwsch-Vlaanderen’ en ‘Zuid-Limburg’ zijn hoger opgeleiden relatief minder sterk vertegenwoodigd dan in Nederland als geheel. De regio ‘Zuidoost-Brabant’ heeft wat dit aangaat wel aansluiting met het Nederlandse patroon. Het percentage hoger opgeleiden kwam in 2002 in Zuidoost-Brabant zelfs iets hoger uit dan het nationale cijfer. Deze uitkomsten zijn geheel in lijn met de resultaten van het regionaal profiel zoals die in het EPD Zuid zijn opgenomen. Werkgelegenheid en werkloosheid In tabel 3.6 is de ontwikkeling van het aantal banen weergegeven voor de deelgebieden van het EPD Zuid, Zuid-Nederland en Nederland.
Tabel 3.6 Ontwikkeling van het aantal banen van werknemers in de deelgebieden van het EPD Zuid, Zuid-Nederland en Nederland (1998-2001); berekeningen op basis van gemeenten 1998 159.200 288.420 16.350 147.210 1.478.800 6.261.800 2001 189.560 331.430 18.590 156.810 1.658.800 7.011.900 Ontwikkeling in % 19,1% 14,9% 13,7% 6,5% 11,7% 12,0%

Gebied Noordoost-Brabant/Noord- en MiddenLimburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland Bron:

CBS Statline, Banen van werknemers (cijfers op gemeenteniveau), bewerking Bureau Bartels

We zien dat binnen de afzonderlijke programmagebieden in de periode 1998-2001 sprake is geweest van een groei van het aantal banen. Vergelijken we de groeicijfers met Nederland als geheel dan blijkt dat bovenstaand patroon vrij goed overeenkomt met datgene wat in het EPD Zuid opgenomen is in het regionaal profiel, maar dan voor de

15

periode 1995-1998. Dit patroon komt er op neer dat de banengroei in ‘NoordoostBrabant/Noord- en Midden-Limburg’ en ‘Zuidoost-Brabant’ sterker is dan het Nederlandse gemiddelde terwijl deze groei in Zuid-Limburg relatief lager uitvalt. De enige ‘verschuiving’ heeft betrekking op Zeeuwsch-Vlaanderen. In het regionaal profiel van het EPD Zuid werd nog berekend dat de groei van het aantal banen lager uitviel dan het nationaal beeld terwijl dit over de jaren 1998-2001 hoger uitkomt. Tabel 3.7 geeft – op provincieniveau (net als in het EPD Zuid gedaan is) – inzicht in de ontwikkeling van het aantal vacatures en de mate van ‘vervulbaarheid’ daarvan.
Tabel 3.7 Vacatures in de zuidelijke provincies, Zuid-Nederland en Nederland Vacatures Regio 1998 2001 keling in % OntwikWaarvan moeilijk vervulbaar 1998 2001 keling in % OntwikAandeel moeilijk vervulbaar in totaal 1998 2001

Noord-Brabant Zeeland Limburg Zuid-Nederland Nederland

22.800 1.500 7.500 31.800 117.400

22.900 2.500 8.000 33.400 156.000

0,4% 66,7% 6,7% 5,0% 32,9%

9.600 700 3.500 13.800 52.600

10.200 1.500 3.500 15.200 78.800

6,3% 114,3% 0% 10,1% 49,8%

42% 47% 47% 43% 45%

45% 60% 43% 46% 51%

Bron:

CBS Statline, Vacatures, bewerking Bureau Bartels

Uit de resultaten kan een aantal conclusies worden getrokken. Allereerst blijkt – net als in het regionaal profiel van het EPD Zuid werd geconstateerd– dat er ook in de periode 1998-2001 sprake is geweest van een toename van het aantal vacatures. Wel valt de duidelijke ‘afvlakking’ in de groei van het aantal vacatures op. Was er in de periode 19951998 nog sprake van spectaculaire groeicijfers van rond of boven de 100% (voor die periode als geheel), in de driejaarlijkse periode 1998-2001 is veel meer sprake van een gematigde groei. Vooral in Noord-Brabant is de groei in het aantal vacatures vrijwel tot stilstand gekomen. Net als in het regionaal profiel van het EPD Zuid is geschetst, is ook in 2001 een aanzienlijk deel van de vacatures te kwalificeren als ‘moeilijk vervulbaar’. Een belangrijke beleidsindicator wordt gevormd door het werkloosheidspercentage. Gegevens hierover zijn opgenomen in tabel 3.8.

16

Tabel 3.8

Werkloze beroepsbevolking en werkloosheidspercentage per deelgebied, Zuid-Nederland en Nederland; berekeningen op basis van COROP-regio’s Werkloze beroepsbevolking Werkloosheidspercentage* 1999 2002 Ontwikkeling in %punten 0,2 -0,8 0 1,0 -0,1 0

Regio

1999

2002

Ontwikkeling in % 11% -17% 0% 25% -6% 3%

Noordoost-Brabant/Noorden Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland *

18.000 12.000 2.000 12.000 66.000 292.000

20.000 10.000 2.000 15.000 62.000 302.000

3,6 3,8 4,4 4,4 3,9 4,1

3,8 3,0 4,4 5,4 3,8 4,1

Aandeel werkloze beroepsbevolking in de totale beroepsbevolking. CBS Statline, Beroepsbevolking naar regio/Enquête Beroepsbevolking, bewerking Bureau Bartels

Bron:

In tegenstelling tot de werkloosheidsdaling die in het regionaal profiel van het EPD Zuid werd geconstateerd, is de werkloosheid in de periode 1999-2001 in twee van de vier deelregio’s gestegen. Zowel in absolute zin als procentueel is de werkloosheid vooral in Zuid-Limburg toegenomen. De deelregio Zuidoost-Brabant is de enige regio waar de werkloosheid nog daalde. Landelijk gezien is het absolute aantal werklozen toegenomen, maar bleef het werkloosheidspercentage in 2002 gelijk aan dat in 1999. Een belangrijke opmerking die we hier plaatsen is echter dat meer recentelijk sprake is van een sterke toename van de werkloosheid in Nederland als geheel maar ook van de afzonderlijke regio’s binnen het programma van het EPD Zuid. In het eerste kwartaal van 2003 is de Nederlandse werkloosheid opgelopen tot 377.000 personen. Daarmee is het werkloosheidspercentage toegenomen tot 5,1%. Volgens het LISA (2003) is de jaarlijkse Nederlandse werkgelegenheidsgroei in Nederland in de periode 1999-2002 gedaald van 4,0% tot 0,9%. Het CBS constateert daarnaast dat de werkgelegenheidsgroei in het eerste kwartaal van 2003 tot stilstand is gekomen. Bezien we het aantal banen naar sector, dan heeft zich in 2002 een daling van het aantal banen in een aantal commerciële sectoren voorgedaan, vooral in de industrie en de financiële en zakelijke diensten. Deze daling werd voornamelijk gecompenseerd door banengroei bij de overheid en zorginstellingen. Hoewel recent en betrouwbaar cijfermateriaal op deelregioniveau nog niet beschikbaar is, kan zonder meer worden verwacht dat er momenteel – ten opzichte van 2002 – sprake is van een toenemende werkloosheid in de deelregio’s die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid. Uit voorlopige CBS-cijfers blijkt bijvoorbeeld dat de werkloosheid in 2002 in de provincie Limburg, na Groningen, Drenthe en Flevoland het sterkst is gestegen. Overigens doen deze trends zich niet alleen in deze Nederlandse deelregio’s voor, maar ook in buitenlandse regio’s. Daarmee komen we ook tegelijkertijd op de belangrijkste externe wijziging die zich inmiddels heeft voorgedaan in het regionaal profiel van het EPD Zuid. Deze wijziging houdt in dat er ten tijde van het opstellen van het EPD Zuid nog sprake was van een hoogconjunctuur die gepaard ging met een hoge groei van het aantal banen en een daarmee gepaard gaande daling van het aantal werklozen. Inmiddels heeft er een conjuncturele omslag plaatsgevonden die er toe leidt dat er nu juist sprake is van een afvlakking van de groei van het aantal banen.

17

Ook Zuid-Nederland wordt getroffen worden door deze economische stagnatie. Te verwachten valt dat deze stagnatie en de gevolgen daarvan nog wel enige tijd zullen duren. Daarom is het reëel om te verwachten dat het EPD Zuid in de resterende programmaperiode onder een minder gunstig economisch gesternte uitgevoerd zal moeten worden dan in het eerste deel van de programmaperiode. Productiestructuur In tabel 3.9 is de ontwikkeling van het Bruto Regionaal Product (BRP) opgenomen. Het BRP is het totale inkomen dat door productie in een regio in een bepaald jaar is gerealiseerd en wordt berekend door de productiewaarden van alle bedrijfstakken op te tellen.
Tabel 3.9 Ontwikkeling van het Bruto Regionaal Product in de deelgebieden van EPD Zuid, ZuidNederland en Nederland (1997-2000, in miljoenen euro) 1997 19.585 13.296 2.358 11.097 63.020 307.406 2000 24.625 16.630 2.728 13.191 77.017 370.972 Ontwikkeling in % 25,7% 25,1% 15,7% 18,9% 22,2% 20,7%

Gebied COROP-gebieden Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg COROP-gebied Zuidoost-Brabant COROP-gebied Zeeuwsch-Vlaanderen COROP-gebied Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland Bron:

CBS, Regionale Economische totalen, Totaal toegevoegde waarde (basisprijzen), bewerking Bureau Bartels

We zien dat in de periode 1997-2000 – net als voor de periode 1995-1997 in het regionaal profiel van het EPD Zuid werd geconstateerd – voor de afzonderlijke deelgebieden sprake is van een stijging van het Bruto Regionaal Product. Daarbij laten in de periode 1997-2000 de regio’s ‘Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg’ en ‘Zuidoost-Brabant’ een sterkere groei zien dan ‘Zeeuwsch-Vlaanderen’ en ‘Zuid-Limburg’. Dit is conform het patroon zoals dat ook in het regionaal profiel van het EPD Zuid is geschetst. Tot slot van deze paragraaf schenken we aandacht aan de ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen. Deze ontwikkeling staat in tabel 3.10 weergegeven.
Tabel 3.10 Ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen in de deelgebieden van het EPD Zuid, ZuidNederland en Nederland (1994-1998-2001); berekeningen naar COROP-regio’s 1998 2001 Ontwikkeling in % in periode 1998-2001 -0,3% 4,0% 0,2% 1,4% 2,2% 2,5% Ontwikkeling in % in periode 1994-1998 9,5% 14,4% 4,7% 11,6% 11,2% 13,2%

Gebied

Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch Vlaanderen Zuid-Limburg Zuid-Nederland Nederland Bron:

42.315 33.715 6.510 25.440 185.500 759.845

42.175 35.075 6.525 25.805 189.655 778.630

CBS, Vestigingen naar activiteit, provincie en COROP, bewerking Bureau Bartels

18

We zien dat – met uitzondering van Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg – ook in de periode 1998-2001 het aantal bedrijfsvestigingen toegenomen is in de afzonderlijke deelregio’s. Vergelijken we de regio’s onderling dan laten in de periode 1998-2001 Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg de grootste bedrijvendynamiek zien. Dit was ook het beeld dat uit het regionaal profiel van het EPD Zuid naar voren kwam. Wel zien we – net als bij de vacature-ontwikkeling – dat er duidelijk sprake is van een afvlakking van de groei (in het aantal vestigingen). Aan de hand van bovenstaande analyses kan allereerst worden geconcludeerd dat over het algemeen voor de gekwantificeerde kernvariabelen geldt dat het regionaal profiel, zoals dat in het EPD Zuid is opgenomen, nog vrij goed spoort met meer recente ontwikkelingen. Op zich is dit overigens ook niet zo verwonderlijk gelet op het feit dat dit regionaal profiel vrij recentelijk is opgesteld. Ook voor de meer kwalitatieve aspecten van het regionaal profiel (en daarmee van de SWOT) is deze conclusie gerechtvaardigd. Dit komt ook door het feit dat het daarbij veelal gaat om structuurvariabelen waarvan niet verwacht kan worden dat zij op korte termijn ingrijpend zullen wijzigen. Een belangrijke externe wijziging is wel dat er recentelijk duidelijk sprake is van een conjuncturele omslag. Deze omslag uit zich echter – vanwege de vertraging in het beschikbaar komen van cijfermateriaal – nog maar in beperkte mate in sociaaleconomische trends. Overigens gaat het hier om een uniforme ‘mondiale’ trend waarmee niet alleen de deelregio’s van het EPD Zuid te maken hebben. Wel kan het natuurlijk zo zijn dat deze regio’s relatief in sterkere of juist in minder sterkere mate worden getroffen door de economische dip. Door het gebrek aan betrouwbaar en up-to-date cijfermateriaal kan hier echter nog geen definitief inzicht worden verkregen. Het is wat dit aangaat wel wenselijk om hier ‘een vinger aan de pols’ te houden. We komen daar in hoofdstuk 7 bij de aanbevelingen nog op terug. Per saldo concluderen we aan de hand van het bovenstaande dan ook dat het regionaal profiel – en daarmee de SWOT – ook nu nog een relevante en adequate onderbouwing vormen van het EPD Zuid. Verder is in de ex-ante evaluatie al reeds vastgesteld dat de programmastrategie met de daarbij behorende prioriteiten en maatregelen goed aansluiten bij de SWOT die van het programmagebied is opgesteld. Op grond van deze bevindingen kan gesteld worden dat het EPD Zuid in sociaaleconomische zin nog steeds relevant is . Wel zal er in de resterende programmaperiode rekening mee moeten worden gehouden dat zich door de conjuncturele dip wijzigingen hebben voorgedaan in de economische context waarbinnen het EPD Zuid uitgevoerd moet worden. Zo valt te verwachten dat het – (nog) meer dan voorheen – inspanningen zal vergen om private bijdragen te genereren. Ook kan worden overwogen om het werkgelegenheidsaspect (nog) centraler te stellen in de komende jaren. Dit zou bijvoorbeeld tot uitdrukking kunnen komen in de (weging van) criteria voor projectselectie.

3.3

Beoordeling externe coherentie

In deze paragraaf komt de beleidsmatige ‘inbedding’ van het EPD Zuid aan bod. Daarbij gaat het met name om de vraag in hoeverre er sprake is van complementariteit en synergie dan wel concurrentie met ander (nationaal en regionaal) beleid. Daarbij zullen we met name ingaan op de inhoudelijke prioriteiten en hebben we dus Technische bijstand buiten beschouwing gelaten. In de ex-ante evaluatie is deze vraagstelling ook al aan bod gekomen. Daarin werd geconcludeerd dat het EPD goed ‘gezwaluwstaart’ is met het overig beleid en dat zich ‘geen tegenstrijdigheden tussen de doelstellingen van het EPD en het overkoepelend beleid voordoen’. In het EPD Zuid zelf wordt overigens ook al expliciet aandacht geschonken aan de afstemming en inbedding in het overige (Europese, nationale en regionale) beleid. Gelet op het feit dat het EPD (en de ex-ante evaluatie daarvan) nog niet zo lang geleden zijn opgesteld, is het niet zinvol om nu wederom uitgebreid stil te staan bij het vraagstuk

19

van complementariteit en synergie met het overig beleid. Bovendien speelt hier mee dat in een deel van de afgelopen periode – zeker op nationaal niveau – de beleidsontwikkeling ‘gestagneerd’ is door het ontbreken van een ‘missionair kabinet’. In aanvulling op de eerdere stappen – die al reeds in het EPD Zuid zelf en de ex-ante evaluatie zijn genomen – zullen we in het onderstaande allereerst nagaan in hoeverre de prioriteiten (en maatregelen) nog steeds coherent zijn met het overig beleid. Daarbij komen ook – waar relevant – belangrijke recente beleidsontwikkelingen bij de nationale en/of regionale overheden aan bod. Een tweede aanvullende stap zal er uit bestaan dat we ook kort een beschrijving zullen geven van de typen projecten die inmiddels binnen de afzonderlijke prioriteiten (en maatregelen) zijn geïnitieerd. Daarmee wordt immers inzicht verkregen in de vraag of de daadwerkelijke implementatie van het programma ook past binnen de ‘bredere beleidskaders’. I. Ruimtelijke ontwikkeling Dit is de eerste prioriteit die binnen het EPD Zuid wordt onderscheiden. Met deze prioriteit willen de betrokken (deel)regio’s werken aan het creëren en uitbouwen van een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Per saldo gaat het daarbij dus om infrastructureel getinte typen activiteiten. Om deze ambitie te realiseren wordt er in het EPD Zuid een vijftal typen maatregelen onderscheiden (zie ook schema 2.1 uit het vorige hoofdstuk). Bij elk van de maatregelen gaan we in op de beleidsmatige inbedding en de implementatie.

1.1

Herschikking functies buitengebied

Beleidsmatige inbedding Bij maatregel 1.1 gaat het om ruimtelijke ingrepen die de economische ontwikkelingsmogelijkheden – in landbouwontwikkelingsgebieden – moeten ondersteunen. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn dan regio’s waar vanuit het RObeleid nog ruimte wordt geboden aan (her)vestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven. Bij de opzet – maar ook bij de invulling van deze maatregel – is en wordt nadrukkelijk aandacht geschonken aan de afstemming met ander beleid. Op Europees niveau is met name de afstemming met het Plattelandsontwikkelingsprogramma Nederland (POP) relevant. Zowel in het EDP Zuid als in het programmacomplement wordt expliciet ingegaan op deze afstemming waarbij ook aangegeven wordt waar de scheidslijn tussen POP en het EPD Zuid ligt. Ook op nationaal niveau is bij maatregel 1.1 sprake van beleidsafstemming. Zo worden in de beleidsnota ‘Kracht en Kwaliteit’ (Beleidsprogramma 1999-2002) van het Ministerie van LNV en in de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB 2000) in feite dezelfde uitgangspunten verwoord als in het EPD Zuid voor deze maatregel (en maatregel 1.2 hieronder). Dit komt er op neer dat het voor een sterk platteland noodzakelijk is dat er gewerkt wordt aan een sterkere verwevenheid van verschillende functies (landbouw, natuur en milieu, economie, toerisme, leefbaarheid). Ook in de recentere nota’s van LNV – zoals ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’, ‘Voedsel en groen’ en het ‘Structuurschema Groene Ruimte 2’ komt deze beleidslijn sterk terug. Op nationaal niveau is verder zeer relevant dat er afstemming met het zogenaamde reconstructiebeleid heeft plaatsgevonden. De oorspronkelijke ambitie was namelijk om met het EPD Zuid een extra impuls te geven aan de uitvoering van deze plannen in de betreffende programmagebieden. Inmiddels is het reconstructiebeleid verder uitgewerkt in die zin dat op 1 april 2002 de Reconstructiewet concentratiegebieden formeel in werking is getreden. Binnen ZuidNederland bestaan er zogenaamde reconstructiecommissies in de provincies NoordBrabant en Limburg. In oktober 2001 zijn in Noord-Brabant reeds zeven reconstructiecommissies voor zeven gebieden geïnstalleerd die bezig zijn met het opstellen van een Reconstructieplan. Als voorbereiding op deze reconstructieplannen is voor elk van de gebieden waar de reconstructiecommissies actief zijn een zogenaamd streefbeeld gemaakt. Een milieueffectrapportage (MER) vormt eveneens een onderdeel

20

in het productieproces naar de Reconstructieplannen. In Limburg volgt men een iets andere aanpak. Zo is er één reconstructiecommissie in het leven geroepen voor zes districten. Mede op basis van zes bouwstenen uit evenzovele districten uit het gebied Noord- en Midden-Limburg is oktober 2002 een visie op hoofdlijnen vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Een volgend tussenproduct naar het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg is ‘de koersbepaling’. Wanneer door Gedeputeerde Staten positief besloten is over de reconstructieplannen, worden ze ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministers van LNV en VROM. Naar verwachting zal dit begin 2004 zijn. Het planproces heeft daarmee inmiddels behoorlijke vertraging opgelopen ten opzichte van het geplande tijdspad. Maatregel 1.1 is ook ingebed in het (nationaal) beleid voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarbij is aangegeven welke typen projecten – vanuit het EPD Zuid – al dan niet ondersteund kunnen worden binnen en buiten het EHS-gebied. Implementatie In de daadwerkelijke implementatie van deze maatregel – maar ook van de maatregel 1.2 die we hieronder nog zullen beschrijven – wordt nadrukkelijk gestreefd naar afstemming van het EPD Zuid programma met het overig landelijk en regionaal beleid. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat bij de ontwikkeling van projectinitiatieven binnen deze maatregel steeds nauwe aansluiting wordt gezocht bij de betreffende departementen. Zo is in de afgelopen periode voor het D2 onderdeel platteland bijvoorbeeld een aparte werkgroep – of Taskforce – ingezet waarin ook het Ministerie van LNV zitting had. Deze werkgroep of Taskforce is nagegaan welke typen projecten – rekening houdend met het overig Europees, nationaal en regionaal beleid – vanuit het EPD Zuid gefinancierd zouden kunnen worden. Ook is relevant dat er deels een personele unie bestaat tussen enerzijds personen die zitting hebben in de streekcommissies die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van streefbeelden/reconstructieplannen en anderzijds personen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroepen en/of het Comité van Toezicht voor het EPD Zuid. Zoals we later in deze evaluatie nog zullen zien verloopt de daadwerkelijke invulling van de maatregel 1.1 per saldo nog weinig voorspoedig. Belangrijke oorzaken die hieraan ten grondslag liggen zijn: § Door de afstemming met andere beleidsinitiatieven (zie hierboven) zijn diverse typen projecten uitgesloten van ondersteuning vanuit het EPD Zuid. § De (interpretatie van de) afstemmingafspraken met andere beleidsinitiatieven wordt als complex ervaren. Dit werkt remmend op het ondernemen van initiatieven ‘vanuit het veld’ voor deze maatregel. § Het ontbreken van gedecentraliseerd cofinancieringsmiddelen vanuit het Ministerie van LNV. § Onervarenheid en onbekendheid met Europese programma’s en met projectontwikkeling bij partners die op het platteland actief zijn. § De agrarische sector heeft – vooral ook in de betreffende gebieden van het EPD Zuid – nog steeds en nog sterker dan voorheen te maken met externe knelpunten. Te denken valt daarbij aan de gevolgen van zowel de MKZ-crisis als die van de vogelpest. Daardoor staat ook het draagvlak voor investeringen vanuit de sector zelf in bijvoorbeeld agrarische bedrijvenparken onder druk. § Bij projecten die eventueel onder deze maatregel vallen spelen veelal procedures op het gebied van Ruimtelijke Ordening. Deze vergen een lange doorlooptijd waardoor de realisatie van projecten buiten de programmaperiode kan vallen. Dit knelpunt wordt des te nijpender nu een belangrijk deel van de committeringsperiode inmiddels verstreken is. § De uitwerking van de reconstructieplannen vergt veel tijd waardoor de fasering van deze plannen en het EPD Zuid steeds meer uiteen gaan lopen. Bovenstaande knelpunten hebben er per saldo in geresulteerd dat momenteel (medio 2003) nog geen enkel project binnen deze maatregel in het EPD Zuid is gecommitteerd.

21

1.2

Natuur-, water- en milieuontwikkeling

Beleidsmatige inbedding Het centrale doel van deze maatregel is gelegen in het vergroten van de attractiviteit van het landelijk gebied. Dit door acties te bevorderen die zich richten op het behouden en versterken van de kwaliteit van de natuurlijke omgeving, het verbeteren van de (ecologische) basis van de landbouw en andere economische activiteiten en het realiseren van duurzaam waterbeheer. Ook voor deze maatregel geldt dat – net als bij maatregel 1.1 – wat de additionaliteit met het Europees beleid betreft afstemming met het POP-beleid is gerealiseerd. In het EPD Zuid – en het programmacomplement – is bijvoorbeeld aangegeven dat maatregelen of actiecategorieën die vanuit POP Nederland ondersteund kunnen worden niet vanuit het EPD Zuid gefinancierd zullen worden. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor een drietal actiecategorieën of maatregelen die specifiek benoemd zijn. Verder is bij deze maatregel ook de afstemming met het nationale EHS-beleid relevant. In het programmacomplement voor het EPD Zuid is bijvoorbeeld aangegeven welke projecten al dan niet ondersteund kunnen worden binnen of buiten de EHS-zones. Een krachtige voorzetting en het uitbouwen van nationale EHS-beleid staat ook de nota ‘Natuur voor mensen, mensen voor natuur’ die in 2000 gezamenlijk is uitgebracht door de Ministeries van LNV, VROM, V&W en Ontwikkelingssamenwerking. Ditzelfde geldt voor het Structuurschema Groene Ruimte 2 (SGR-2) dat in 2002 van de hand van de Ministeries van LNV en VROM kwam. De ‘watervisie’ van de rijksoverheid voor het ‘nieuwe waterbeleid’ is in de eerste plaats e vastgelegd in de Startovereenkomst Waterbeleid 21 eeuw (WB-21). Deze is medeondertekend door het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). De basis voor deze e startovereenkomst was het rapport ‘Waterbeleid voor de 21 eeuw’. Dit rapport was een e advies van de Commissie Waterbeheer 21 eeuw. In de startovereenkomst werd tussen de betrokken partijen afgesproken dat een Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) gesloten zou worden. Dit is formeel nog niet gebeurd, maar in maart 2003 heeft het Kabinet wel ingestemd met de ondertekening van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Het akkoord heeft als doelstelling om de Nederlandse waterhuishouding voor de periode tot 2015 te regelen. Daarbij moeten problemen worden aangepakt als hoog water, watervervuiling, droogte en in ecologisch opzicht te ‘arm’ water. Maatregelen die daarbij worden getroffen zijn bijvoorbeeld de aanleg van retentiegebieden, het vergroten van de waterafvoercapaciteit en het vasthouden van water. Voor de uitvoering van het ‘nieuwe’ waterbeleid wordt een mix van ruimtelijke en technische maatregelen e voorgesteld. Het Kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 eeuw bestaat uit drie nota’s, waarvan er twee relevant zijn, namelijk ‘Anders omgaan met water. Waterbeleid in e de 21 eeuw’ en ‘Ruimte voor de Rivier’. Het waterbeleid zal tot positieve gevolgen leiden voor natuur en landschap. In principe is er daarmee ook op nationaal en regionaal niveau sprake van een goede beleidsmatige aansluiting tussen de nota en het doel van de maatregel 1.2. Veel van de doelstellingen voor ‘waterbeleid’ uit bovenstaande (beleids)nota’s sporen immers met de uitgangspunten zoals die voor dit thema in het EPD Zuid zijn geformuleerd. Implementatie Wat voor de implementatie van maatregel 1.1 geldt – zie hierboven – is deels ook van toepassing voor maatregel 1.2. Dat betekent dat ook voor deze maatregel de implementatie – als gevolg van bovenstaande oorzaken – vrij moeizaam verloopt. Toch zijn er inmiddels al wel enkele projecten van de grond gekomen. In het navolgende schema hebben we deze projecten kort samengevat.

22

Schema 3.1 Gecommitteerde projecten maatregel 1.2 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml1 Nml2 Nml2 Nob Nob Zv Projectindiener Doelstelling project De kwaliteit verbeteren van 130 hectare gebied (natuur- en landschap) op, rond en buiten erven Restauratie molen en wederopbouw stuw De kwaliteit verbeteren van 90 hectare gebied (natuur- en landschap) op, rond en buiten erven Natuur-, water- en milieuontwikkeling bij Moesbos en Natuurvijver (3 hectare) Natuurontwikkeling gebied Molenheide Verbetering kwaliteit natuur- en landschap op en rond erven in Zeeuws-Vlaanderen Opzetten ganzenopvanggebied/gedoogzones voor ganzen Wijzigen functie langs oevers van sloten ten behoeve van natuurbehoud (ongeveer 5 hectare)

Erven en Natuur 2002- Stichting het Limburgse 2003 Erf Stuw Friedesse Molen Stichting Friedesse Molen Erven en Natuur 2002- Stichting het Limburgse 2003 Erf Moesbos en Natuurvijver Zeeland Natuurontwikkeling Molenheide, Mill Streekeigen Erven Zeeuws-Vlaanderen Ganzenbeheer Oost Zeeuws-Vlaanderen Passageule, overige fasen Gemeente Landerd Vereniging Natuurmonumenten Stichting Landschapsbeheer Zeeland Dhr. Dekker Waterschap ZeeuwsVlaanderen

Zv Zv

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml1 = Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

In totaal was er ultimo 2002 binnen maatregel 1.2 dus een achttal projecten vastgelegd. Het gaat daarbij met name om natuurontwikkelingsprojecten die qua aard en inhoud (dus) passen binnen de uitgangspunten van maatregel 1.2.

1.3

Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen

Beleidsmatige inbedding Zoals uit de naamgeving al blijkt heeft deze maatregel als doel om ruimte voor bestaande en startende bedrijven te genereren. Deze ambitie past bij het nationale (en regionale) beleid om tot een revitalisering en uitbreiding te komen van de mogelijkheden tot bedrijfsvestiging. In verschillende analyses en documenten – van bijvoorbeeld het Ministerie van Economische Zaken (Convenant EZ-IPO-VNG-VROM-V&W Samenwerking in de regio, 1999/2002) en het CPB (de Bedrijfslocatiemonitor) – komt naar voren dat er (vooral) ook in het Zuiden gewerkt zal moeten worden aan uitbreiding (en herstructurering) van deze mogelijkheden. Dit gelet op het uitgiftepatroon in de jaren negentig en de nog vrij uitgeefbare hectaren bedrijfsterrein (en harde plannen daartoe) zoals die er nu liggen. Zonder extra inspanningen zullen naar verwachting vooral Limburg en Brabant binnen afzienbare tijd met tekorten geconfronteerd worden. Ook in een nota e van de Kamer van Koophandel voor Oost Brabant ‘Bedrijventerreinen in de 21 eeuw’ (2001) wordt dat nog eens bevestigd. Daarnaast is er in Nederland sprake van de veroudering van zo’n ruim 20.000 hectare bedrijventerrein (IBIS, Werklocaties 2002). Zuid-Nederland heeft daarin met bijna 7.000 een aandeel van circa 35%. De provincie Noord-Brabant heeft binnen Nederland de grootste oppervlakte verouderd bedrijventerrein. Het gaat hierbij om bijna 3.500 hectare. Vanuit de nationale overheid is er dan ook een appèl op de regionale en lokale overheden gedaan om tijdig stappen te zetten om tot revitalisering en uitbreiding van het bedrijfsareaal te komen. Dit is ook door de regionale partijen onderschreven in bovengenoemd convenant. Met de middelen die vanuit het EPD Zuid beschikbaar komen, wordt getracht om hier een extra inspanning te plegen.

23

Implementatie Nu het programma al enige tijd loopt zijn er inmiddels binnen maatregel 1.3 al een aantal initiatieven ondersteund vanuit het EPD Zuid. In schema 3.2 hieronder vatten we deze initiatieven samen.
Schema 3.2 Gecommitteerde projecten maatregel 1.3 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml2 Ontsluiting Businesspark de Hulst Ontsluiting Beekerveld Projectindiener Gemeente Venray Doelstelling project Ontsluiten van het Businesspark (27 ha) met als gevolg een bruto gecreëerde werkgelegenheid van 1.000 fte, en 100 (nieuw) gevestigde bedrijven Ontsluiten Beekerveld, waardoor 30 ha een verbeterde functie krijgt (bereikbaarheid) en 300 fte werkgelegenheid wordt geschapen 47 ha met gewijzigde of verbeterde functie en bruto gecreëerde werkgelegenheid van 10 fte 30 ha nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein, 5 gevestigde bedrijven extra, tijdelijke werkgelegenheid van 100 fte, bruto gecreëerde werkgelegenheid in project periode van 300 fte en bruto gecreëerde werkgelegenheid totaal van 500 fte 180 ha bedrijventerrein met verbeterde functie en 25 ondernemers die deelnemen aan milieuprojecten 30 ha met verbeterde functie (bereikbaarheid) en een bruto gecreëerde werkgelegenheid van 300 fte Ontwikkelen en revitaliseren van bedrijfslocaties en versterken van de fysieke infrastructuur Revitaliseren infrastuctuur Revitaliseren bedrijventerrein Duin I (47 ha) Revitaliseren bedrijventerrein Ekkersrijt-Oost (102 ha), vergroting werkgelegenheid met 500 fte en aantrekken van 60 bedrijven Revitaliseren bedrijventerrein Airpark Brabant (3,5 ha), tijdelijke werkgelegenheid 8 fte, en 2 bedrijven

Zl

Gemeente SittardGeleen-Born

Zl Zl Zl

PAB Ontwikkeling Crama Husken De Vrank Ontwikkeling Bedrijventerrein Holtum-Noord II

NV Industriebank LIOF 2 nieuw te vestigen bedrijven en 190 fte extra Gemeente Heerlen LIOF Bedrijventerreinen BV

Zl

Bedrijventerreinmanagement Kerkrade

Gemeente Kerkrade

Zl

Gemeente Kerkrade Revitalisering Bedrijventerrein Spekholzerheide fase II Avantis Revitalisering Wijngaardsweg Revitalisering Bedrijventerrein Duin I Revitalisering Bedrijventerrein Ekkersrijt-Oost Avantis, GOB NV Gemeente Heerlen Gemeente Schijndel Gemeente Son

Zl Zl Nob Zob

Zob

Revitalisering Gemeente Bedrijventerrein Airpark Cranendonck Brabant

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zob = Zuidoost-Brabant Phasing out D2 Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2

In totaal gaat het dus om twaalf projecten. Alleen in Zeeuwsch-Vlaanderen en in D2 platteland Noord- en Midden-Limburg zijn (nog) geen projecten van de grond gekomen. In Zeeuwsch-Vlaanderen zullen deze projecten er ook niet komen omdat er in deze regio voor maatregel 1.3 geen middelen voorzien zijn. Met de invulling van deze projecten wordt inderdaad tegemoet gekomen aan de geconstateerde behoeften aan extra bedrijfsruimte. Voorzover het gaat om de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsterreinen is dat natuurlijk logisch, maar ook bij (delen van) projecten die zich richten op revitalisering wordt hiernaar gestreefd. Dit door bij de revitaliseringsprojecten ook invulling te geven aan een meer duurzaam (efficiënt) ruimtegebruik. Sowieso blijkt – bijvoorbeeld uit analyses van discussies zoals die binnen de Stuurgroepen hebben plaatsgevonden – dat er binnen deze maatregel ook wordt getoetst op het thema ‘duurzaamheid’. Overigens blijkt het daarbij wel dikwijls lastig te zijn om dit begrip te operationaliseren. We komen daar in de aanbevelingen (hoofstuk 7) op terug.

24

Uiteraard is het verder zo dat de invulling van bovenstaande projecten plaats dient te vinden binnen de beleidsmatige (milieu- en RO-)kaders zoals die door de verschillende overheden voor de betreffende gebieden vastgesteld zijn. Hierop wordt in de projectvoorbereiding consequent getoetst. Wel is opvallend dat het binnen deze maatregel vooralsnog alleen gaat om initiatieven op het gebied van bedrijfsterreinen. Binnen de andere component van deze maatregel – bedrijfsverzamelgebouwen – zijn tot nu toe (eind 2002) nog geen projecten ondersteund. De ‘verklaring’ hiervoor is overigens dat verschillende programmagebieden hier in het verleden al de nodige initiatieven toe hebben ondernomen en er daar dus al bedrijvencentra ‘operationeel’ zijn. Samen met de economische dip – en de daarmee gepaard gaande terugloop in het aantal startende bedrijven – maakt dit dat de behoefte aan de ontwikkeling van nieuwe bedrijven momenteel vrij beperkt is.

1.4

Versterking fysieke kennisinfrastructuur

Beleidsmatige inbedding Zowel voor de Europese Unie als voor de Nederlandse overheid is het evident dat gewerkt dient te worden aan een kennisintensivering van de economie. De EU heeft zich dan ook tot doel gesteld dat Europa in 2010 wat dit aangaat toonaangevend zal moeten zijn. Ook voor de Nederlandse context is kennisintensivering van productie en dienstverlening een belangrijk item. Alleen door continu te werken aan het genereren van nieuwe producten en diensten – met hoge toegevoegde waarden – zal het Nederlandse bedrijfsleven in staat zijn om het internationaal gezien hoge (loon)kostenniveau te bekostigen. In tal van beleidsnota’s is dit uitgangspunt inmiddels verwoord. Het zou dan ook te ver voeren om al deze nota’s hier te bespreken. Om de beoogde kennisintensivering te realiseren zal in de eerste plaats het bedrijfsleven zelf in speur- en ontwikkelingsactiviteiten moeten investeren. Maatregelen binnen prioriteit 2 – zie ook hierna – zijn (deels) ook bedoeld om het bedrijfsleven daarbij te ondersteunen. In de tweede plaats zal ook getracht moeten worden om de kennisinfrastructuur in de externe omgeving van de bedrijven te optimaliseren. Enerzijds gaat het daarbij dan om de beschikbaarheid van externe kennisbronnen (kennisinstituten en onderwijsinstellingen). Anderzijds zal daarbij ook sprake moeten zijn van een adequate kennistransfer richting het regionale bedrijfsleven. Juist voor Zuid-Nederland zijn deze zaken van groot belang omdat – zoals ook in de SWOT wordt geconstateerd – in deze regio sprake is van kennisintensieve clusters van bedrijvigheid. Implementatie In de uitwerking in het programmacomplement is aangegeven dat voor deze maatregel geen middelen ter beschikking zullen worden gesteld in de deelprogramma’s ‘D2 phasing-out Zuidoost-Brabant’ en ‘5b phasing-out Zeeuwsch-Vlaanderen’. Voor ZuidoostBrabant heeft dat mede te maken met de middelen die reeds in de voorgaande programmaperiode (1994-1999) in deze maatregelen zijn geïnvesteerd. Gelet op het belang van dit thema – en het feit dat S&O-activiteiten van bedrijven onder druk staan – is overigens de vraag gerechtvaardigd of dit geen heroverweging verdient. Deze vraag is vooral voor Zuidoost-Brabant relevant omdat één van de belangrijkste kernkwaliteiten van dit gebied juist gelegen is in de kwantitatieve en kwalitatieve beschikbaarheid van kennisclusters. Daarbij zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden om middelen vooral in te zetten voor kennistransfer en ‘facility sharing’. Dit laatste zou overigens ook aansluiten bij een nieuwe beleidstrend zoals die door het Ministerie van Economische Zaken wordt ingezet. Deze trend houdt in dat gezocht wordt naar ‘slimme en efficiënte’ methoden om investeringen in publieke kennisinfrastructuur – bijvoorbeeld in de vorm van faciliteiten en voorzieningen – ook ten goede te laten komen aan het (regionale) bedrijfsleven.

25

In onderstaand schema geven we een overzicht van de projecten die eind 2002 vanuit het EPD Zuid gecommitteerd waren.
Schema 3.3 Gecommitteerde projecten maatregel 1.4 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml2 Zl Bouwcampus NoordLimburg Procesmonteur Onderhoud Projectindiener Stichting Beheer Bouw Opleidingscentrum SBIML Doelstelling project Realisatie van een opleidingscentrum voor de bouwsector en aanverwante sectoren en branches Versterking fysieke kennisinfrastructuur door opleiding pijpen bewerken (nieuwe scholingsvoorziening), 6 deelnemende bedrijven en 40 scholingsdeelnemers Opzetten kenniscluster en bruto gecreëerde werkgelegenheid van 2 fte. Creëeren van een kenniscluster en een bruto gecreëerde werkgelegenheid van 5 fte Opzetten 1 facilitaire voorziening (Technoplein) en realisatie van 3,2 fte werkgelegenheid

Zl Zl Zl

Kenniscluster inrichting Kenniscluster Elearning Plaza Technoplein en Campus Kerkrade

Expertisecentrum ICT Open Universiteit (OU) Gemeente Kerkrade

Legenda deelregio: Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2

Per saldo blijkt dat ook met de daadwerkelijke implementatie van deze maatregel aansluiting wordt gezocht met de bredere beleidskaders op het gebied van kennisontwikkeling en kennistransfer. Alle ondersteunde projecten binnen deze maatregelen richten zich namelijk op de uitbouw en/of vernieuwing van de regionale kennisinfrastructuur. Tevens is het zo dat bij de projectselectie aandacht is geschonken aan de betekenis van de ondersteunde projecten voor het regionale bedrijfsleven daar waar het gaat om het versterken van het innovatievermogen. Per saldo blijkt echter wel dat de daadwerkelijke invulling van deze maatregel nog vrij moeizaam verloopt. Dat speelt met name ook in de D2 plattelandsprogramma’s in Noordoost-Brabant en Noord- en Midden-Limburg. Hoewel er binnen deze deelprogramma’s ruim 2 miljoen euro aan middelen voor deze maatregel is gereserveerd, waren er ultimo 2002 nog geen projecten gecommitteerd.

1.5

Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen

Beleidsmatige inbedding In het nationaal beleid, maar ook in provinciaal en lokaal beleid van de regio’s die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid, worden kansen toegedicht aan de toeristischrecreatieve sector. Dit heeft enerzijds te maken met trends als toenemende vergrijzing – die gepaard gaat met meer vrije tijd bij een belangrijk deel van de bevolking – en anderzijds een toename van de welvaart die meer bestedingsmogelijkheden biedt voor toerisme en recreatie. Op regionaal niveau bieden de regio’s die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid goede kansen voor de toeristisch-recreatieve sector. Dit wordt bijvoorbeeld ook al geschetst in het regionaal profiel van het EPD Zuid en de daarmee samenhangende SWOT. Specifiek voor het D2 plattelandsonderdeel geldt dat zowel in het EPD Zuid – maar ook in het landelijk en provinciaal beleid – wordt onderkend dat toerisme en recreatie een goede basis kunnen bieden voor de noodzakelijke verbreding van economische activiteiten aldaar.

26

Implementatie Over het algemeen kan gesteld worden dat de invulling van de maatregel 1.5 zeer voorspoedig verloopt. Dat geldt voor het EPD Zuid als geheel maar ook voor bijna alle afzonderlijke deelprogramma’s. Met uitzondering van D2 platteland Noord- en MiddenLimburg is in deze programma’s het beschikbare budget al bijna of zelfs volledig gecommitteerd. Schema 3.4 bevat een overzicht van de tot nu toe gecommitteerde projecten.
Schema 3.4 Gecommitteerde projecten maatregel 1.5 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml1 Nml1 Leisurepark Helden Projectindiener Gemeente Helden Doelstelling project Versterking toeristische infrastructuur door opzetten leisurepark (19.000 m2) Vernieuwing van een bestaande toeristische voorziening Versterking toeristische infrastructuur door restauratie molen 1 nieuwe/verbeterde toeristische voorziening, waarbij een bruto gecreëerde werkgelegenheid wordt verwacht van 93 fte Versterking toeristische infrastructuur door 1.000 m2 openbare ruimte/landschapspark te vernieuwen (=1 toeristisch infrastructurele voorziening) en creatie van 8 fte Creatie van 1 toeristisch infrastructurele voorziening en het scheppen van een werkgelegenheid van 83 fte Onderzoek naar de realisatie van een toeristisch infrastructurele voorziening en het scheppen van een werkgelegenheid van 1 fte Ontwikkeling culturele voorziening in een groene omgeving

Ambachten/restauratie Stichting Limburgs depot Eynderhoof Oppenluchtmuseum Nederweert-Eind “Eynderhoof” Gebouw Friedesse Molen Aanvullende bijdrage Mondo Verde Landschapspark de Graven- Plinthos II Stichting Friedesse Molen Gemeente Landgraaf

Nml2 Zl

Zl

Gemeente SittardGeleen-Born

Zl

Gaia park

Gemeente Kerkrade

Zl

Onderzoek Cyberville

Industrion

Nob Nob

Cultuur in het Groen Uitbreiding KNHSCentrum Wanroij Conferentiecentrum Willibrordhaeghe Toeristische Infrastructuur ZuidoostBrabant Museum Nederlands Hippisch Erfgoed Facilitair Hippisch Centrum Ontwikkeling Opvangcentrum Papegaaien Aanpassing Kasteel Helmond Verbetering verkeersafwikkeling Hulst Fietspaden Waterschap

Gemeente Uden

Koninklijke Nederlandse Uitbouwen van een centrum voor de hippische sport (logiesmogelijkheden voor paarden) Hippische Sportfederatie Stichting Willibrord SRE Versterking toeristische infrastructuur door conferentiecentrum (9.619 m2) te vernieuwen Versterking toeristische infrastructuur ZuidoostBrabant, onder andere door routestructuren en het ontwikkelen van recreatieve projecten Ontwikkeling van een wandelroute op een hippisch themapark Versterking toeristische infrastructuur door vernieuwing van 736 m2 rijhal Bouw van een tropenhal (2.200 m2) voor de opvang van exotische vogels Bouwkundige aanpassingen aan een toeristische voorziening Verbetering infrastructurele ontsluiting Aanleg van een aantal fietspaden

Zob Zob

Zob Zob Zob Zob Zv Zv

Stichting Nederlands Hippisch Erfgoed NHB Deurne Stichting Nederlandse Opvang Papegaaien Gemeente Helmond Gemeente Hulst Waterschap ZeeuwsVlaanderen

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml1 = Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zob = Zuidoost-Brabant Phasing out D2 Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2 Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

27

Uit het bovenstaande schema en een nadere analyse van de onderliggende projectdossiers blijkt dat er – net als oorspronkelijk ook de bedoeling was met maatregel 1.5 – met bovenstaande projecten inderdaad ingezet wordt op het uitbouwen van voorzieningen voor dag- en verblijfsrecreatie. II. Economische Stimulering De tweede prioriteit hangt op zich logisch samen met de eerste prioriteit. In de eerste prioriteit wordt de nadruk gelegd op het realiseren van verbeteringen in de fysiekruimtelijke sfeer. Daarmee wordt getracht om de kwaliteiten van natuur en landschap te versterken maar ook om de randvoorwaarden waarbinnen (agrarische en niet-agrarische) bedrijven kunnen opereren te optimaliseren. Bedrijven zullen deze extra kansen echter ook daadwerkelijk moeten benutten. Alleen het optimaliseren van de externe productieomstandigheden is onvoldoende om de economische structuur te versterken. Met deze tweede prioriteit wordt in feite getracht om met name het midden- en kleinbedrijf te ondersteunen bij het benutten van deze kansen. Daarbij wordt nog een onderscheid gemaakt tussen ondersteuningsacties voor het bedrijfsleven in het algemeen – maatregel 2.1 – en voor het toeristisch bedrijfsleven (maatregel 2.2). De verklaring voor dit onderscheid laat zich deels ook terugvoeren op het feit dat in prioriteit 1 een separate maatregel (1.5) voor de toeristisch-recreatieve sector bestempeld is. Op deze wijze kan voor deze sector synergie worden nagestreefd waarbij simultaan gewerkt wordt aan enerzijds het versterken en uitbouwen van de fysieke infrastructurele voorzieningen voor deze sector en anderzijds door het versterken van (kwaliteit van) ondernemerschap binnen de toeristisch recreatieve sector. Voor het overige bedrijfsleven die met maatregel 2.1 wordt bediend is overigens eveneens sprake van een vergelijkbare synergetische samenhang maar dan met maatregel 1.3.

2.1

Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB)

Beleidsmatige inbedding Zoals uit de naamgeving blijkt, wordt binnen deze maatregel het accent gelegd op het versterken van de concurrentiepositie van het regionale bedrijfsleven. Daarbij worden nog een tweetal accenten gelegd. In de eerste plaats is het zo dat specifiek aandacht wordt geschonken aan het middenen kleinbedrijf (MKB). Dit is op zich een logische keuze en sluit ook aan bij veel stimuleringsbeleid van de EU, het Rijk en de betrokken regionale overheden. Het MKB is namelijk sterk regionaal ingebed zodat de effecten van stimuleringsactiviteiten veelal ook aan de eigen regio ten goede kunnen komen (en niet ‘wegvloeien’ naar andere productievestigingen). Bovendien komt uit diverse evaluatiestudies van stimuleringsregelingen naar voren dat dergelijke regelingen veelal het meest effectief zijn bij het midden- en kleinbedrijf. Ten tweede wordt er bij deze maatregel een thematisch accent gelegd. Dat houdt in dat vooral wordt ingezet op het stimuleren van vernieuwingen (innovaties) bij het MKB als middel om de concurrentiepositie uit te bouwen. Hierboven hebben we al aangegeven dat deze keuze past binnen de meer algemene beleidsuitgangspunten van zowel de Europese Unie als Nederlandse overheidsgeledingen. Deze houdt in dat het Nederlandse bedrijfsleven voor het handhaven en versterken van haar concurrentiepositie sterk aangewezen is op het verstevigen van haar innovatievermogen. Implementatie Schema 3.5 bevat de projecten die vanuit het EPD-Zuid gecommitteerd zijn binnen maatregel 2.1.

28

Schema 3.5 Gecommitteerde projecten maatregel 2.1 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml1 Clusterproject Communicatie Toolbox Energiewinning uit Biomassa RTP Investeringsregeling jonge Bedrijvenovergangsregeling RTP Adviesregeling MKB-overgangsregeling Projectindiener Stichting Communicatie Toolbox Comico VOF Gedeputeerde Staten Limburg Doelstelling project Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) door ontwikkeling nieuw product in cluster Het winnen van energie uit het vergistingsproces van biomassa Versterking van de concurrentie positie van het bedrijfsleven door 12 ondernemers te ondersteunen wat een bruto gecreëerde werkgelegenheid van 40 fte oplevert Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven door 25 ondernemers te ondersteunen, 10 innovatieve producten en productiemethoden te ontwikkelen, hetgeen een bruto gecreëerde werkgelegenheid oplevert van 40 fte 1 nieuw cluster vormen van 2 ondernemers voor het ontwikkelen van een nieuw product. Hiermee wordt een bruto werkgelegenheid geschapen van 4 fte Zl Clusterproject special effects Show Control Systems Tiger PTEE, Baat Consultants 1 nieuw cluster vormen van 2 ondernemers voor het ontwikkelen van een nieuw product. Hiermee wordt een bruto werkgelegenheid geschapen van 2 fte Zl Enervare BV 1 nieuw cluster vormen van 4 ondernemers voor het ontwikkelen van een nieuw product. Hiermee wordt een bruto werkgelegenheid geschapen van 2 fte Zl Acquisitie Clusterprojecten Syntens 8 nieuwe clusters vormen met 16 ondernemers voor het ontwikkelen van 8 nieuwe producten. Hiermee wordt een bruto werkgelegenheid geschapen van 2 fte

Nml2 Zl

Zl

Gedeputeerde Staten Limburg

Zl

Clusterproject Easy Polish

Machinefabriek Jansen BV

Zl Zl Zl Zl Zl Nob Nob Nob Zob Zob Zob Zob Zob Zob

Triple-In Stimuleringsfonds E-offensief ELC 2002-2003 Kenniscluster programmalijnen1-4 ISTI-D2 CERIN CERAD CEREX SIR SAR SER Additionele Acquistie Bedrijven 2001-2003 Clusterproject Verpakkingsmachine Clusterproject steksteker Clusterproject Bruxstop Clusterproject Zaagmachine

LIOF Bedrijventerreinen Stimuleren van 92 ondernemers (in drie tranches) BV tot het deelnemen aan ICT/R&D-projecten Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Versterking van de concurrentiepositie van het HogeSchool Zuyd bedrijfsleven (MKB) Syntens Syntens Syntens Kamer van Koophandel Oost Brabant NV REDE NV REDE NV REDE NV REDE GKS Packaging VOF Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Investeringen van MKB-bedrijven ondersteunen Bijdragen aan de advisering van MKB-bedrijven Stimuleren van exportactiviteiten bij MKB-bedrijven Bevorderen van investeringen door MKB-bedrijven Ondersteunen van de advisering aan MKBbedrijven Export bevorderen bij MKB-bedrijven Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Opzetten van cluster van 3 bedrijven om verpakkingsmachine (innovatief product) te ontwikkelen

Mechanical Parts Bladel Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) door ontwikkeling nieuw product in cluster Roto Systems Opzetten van innovatief cluster (2 ondernemingen) voor productontwikkeling

Zob Zob

Metaalindustrie Fransen Organiseren van een cluster van de bedrijven voor VOF de ontwikkeling van een nieuwe zaagmachine

29

Zob Zob Zob Zob Zob Zob Zob Zob Zob

Clusterproject Groene Steen Clusterproject Volumemeetsysteem Clusterproject Venturi Windturbines Clusterproject Eijksysteem Clusterproject AnySphere Stimulus Kenniswijk Regeling (SKR) Clusterproject ProFeet Clusterproject Virtuosity Stimulus Venture Capital Fund II Clusterproject Gecombineerde Hardingsoven Clusterproject Zonneboiler Luciole Clusterproject Modulaire Productconfigurator

A. Jansen BV Inadco Engineering BV Aerolift Patent BV M.T.E. Holding BV Sensite Solutions BV NV REDE Care 4 Feet BV Cebra BV NV REDE

Ontwikkeling van een nieuw product door een cluster van bedrijven Productontwikkeling door een cluster van een aantal bedrijven Ontwikkeling nieuwe Venturi-Windturbines door een cluster van bedrijven Een cluster van bedrijven dat een nieuw product ontwikkelt Ontwikkeling nieuw product door bedrijvencluster Versterking van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Productontwikkeling door een bedrijvencluster Ontwikkeling van een nieuw product door een aantal samenwerkende bedrijven Beschikbaar stellen van risicokapitaal aan MKBbedrijven om daarmee hun concurrentiepositie te versterken Realisatie van een nieuw product door een cluster van bedrijven. Ontwikkeling nieuwe zonneboiler door een samenwerkende groep bedrijven Productontwikkeling door cluster van bedrijven

Zob

Gemco Furnaces BV

Zob Zob

Yasmin Renewable Energy Willems Van den Brink Architecten

Zob Zv Zv

Clusterproject Rolvloer Piet Knapen Beheer BV Technopark Schoondijke Onderzoek Detailhandelsvisie Gemeente SluisAardenburg Kamer van Koophandel

Ontwikkeling van een nieuw product in cluster van bedrijven Opzetten technopark om 5 innovatieve ondernemers aan te trekken Ontwikkeling van een visie voor de detailhandelssector

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml1 = Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zob = Zuidoost-Brabant Phasing out D2 Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2 Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

Het blijkt dat ook bij de implementatie van deze maatregel sterk het accent wordt gelegd op het versterken van het vernieuwingsvermogen van het MKB. Per saldo hebben alle projecten die tot nu toe zijn gehonoreerd deze dimensie in zich. Daarbij wordt met name ingestoken op de volgende typen invalshoeken om dit te realiseren: § stimuleren van kennisintensief ondernemerschap; § bevorderen van kennistransfer van kennisinstellingen naar het regionale bedrijfsleven; § vormen en uitbouwen van innovatieclusters van bedrijven en/of kennisinstellingen; § beschikbaar stellen van risicokapitaal om innovatieve ontwikkelingen te kunnen financieren; § aanboren van nieuwe markten door bedrijven te ondersteunen bij hun exportactiviteiten; § stimuleren van zowel de ontwikkeling als de toepassing van nieuwe ICT binnen bedrijven; § ondersteunen van bedrijfsinvesteringen die nodig zijn om vernieuwingen te implementeren; § bevorderen van organisatorische vernieuwingen binnen bedrijven. De typen projecten die daarmee worden ondersteund bij de implementatie van het EPD Zuid passen goed bij de bredere analyses die van de Nederlandse economie en het Zuiden gemaakt zijn ten aanzien van de mogelijkheden die er zijn om invulling te geven

30

aan de versterking van het vernieuwingsvermogen. In het nationaal beleid, maar bijvoorbeeld ook in regionale beleidsdocumenten zoals de ‘Meerjarenbeleidsnota RISLIMBURG.nl: Innovatiebeleid 2002-2004’, de Brabantse nota ‘Dynamiek en Vernieuwing; Kadernota Sociaal-Economisch Beleid 2002-2006’ en de ‘Strategische Visie Provincie Zeeland’ wordt namelijk ook gewezen op het belang van zaken als het stimuleren van kennistransfer, genereren van kennisintensieve starters, technologische samenwerking en beschikbaarheid van risicokapitaal als ‘instrumenten’ om invulling te geven aan de uitbouw van het innovatievermogen. De algehele voortgang in de implementatie van deze maatregel verloopt vrij voorspoedig. Zo zullen we later nog zien dat ultimo 2002 ongeveer 27% van het beschikbare budget voor deze maatregel vastgelegd was. Een ‘verdiepingsslag’ naar de afzonderlijke deelregio’s brengt overigens wel grote verschillen aan het licht. Daaruit blijkt namelijk dat de ‘overall’ goede score op deze maatregel voor het EPD Zuid als geheel vooral te verklaren valt uit de voortgang van deze maatregel in het ‘phasing out’ onderdeel voor Zuidoost-Brabant (Stimulus 3). Zowel de committeringsgraad als de omvang van de beschikbare middelen zijn in deze regio namelijk relatief hoog. Veel minder florissant is het beeld echter in de D2 plattelandsregio’s Brabant en (vooral) Limburg alsmede voor het D2 phasing out programma voor Zuid-Limburg. De relatief lage committeringsgraad in de D2 plattelandsregio’s heeft ook te maken met de regio-afbakening. De aansluiting die destijds bij de reconstructiegebieden is gezocht heeft als gevolg dat het hier niet om gebieden gaat waar sprake is van grote concentraties van bedrijven. Dat maakt dat de doelgroep van bedrijven voor de bedrijfsgerichte maatregel 2.1 ook relatief klein is. Het is dan ook de vraag of voor deze maatregel de middelen uiteindelijk benut kunnen worden. Voor het D2 phasing out programma in Zuid-Limburg is een aantal hoofdoorzaken aan te wijzen voor de relatief lage committeringsgraad binnen deze maatregel. In de eerste plaats gaat het ook hier om een vrij afgebakende (kleine) regio. Bovendien speelt daarbij nog eens dat diverse bedrijven in de regio vanuit voorgaande programmaperioden al ‘bediend’ zijn vanuit bedrijfsgerichte projecten. In de derde plaats is het zo dat – mede door initiatieven als het Regionaal Technologie Plan (RTP) en de Regionale Innovatie Strategie (RIS, en later RIS+) – er bij veel bedrijfsgerichte initiatieven en intermediaire partijen inmiddels een ‘opschaling’ naar heel Limburg heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat inmiddels bepaalde bedrijfsgerichte initiatieven al vanuit het ‘reguliere beleid’ voor heel de provincie worden uitgevoerd (en bekostigd). Het gaat dan dus niet om additionele initiatieven voor de D2 phasing out regio Limburg die dus ook niet (geheel) vanuit het EPD Zuid gefinancierd kunnen worden.

2.2

Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven

Beleidsmatige inbedding Over deze maatregel kunnen we wat de beleidsmatige inbedding betreft vrij kort zijn. Veel wat hierboven voor het bedrijfsleven in het algemeen is gezegd, is namelijk ook van toepassing voor de toeristisch-recreatieve sector. Ook in deze sector is het noodzakelijk om te werken aan vernieuwingen in het toeristisch product en kwaliteitsverbeteringen daarin. Verder dient gewerkt te worden aan de promotie en marketing van specifieke gebieden. Dit wordt bijvoorbeeld uitgewerkt in het Toeristisch-Recreatief ActieProgramma (2002) van het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ook in verschillende sociaal-economische nota’s van de betrokken provincies wordt dit onderschreven. In het EPD Zuid is dan ook aansluiting gezocht bij deze beleidsuitgangspunten. Implementatie Schema 3.6 laat zien hoe de feitelijke implementatie van deze maatregel tot nu toe verloopt.

31

Schema 3.6 Gecommitteerde projecten maatregel 2.2 (ultimo 2002) Deelregio Nml1/ Nml2 Nml1/ Nml2 Nml1/ Nml2 Zl Naam project Toeristische Regiovisie Ontdek de geheimen van de Peel Positioneringscampa gne Peelregio Voorportaal IRT Projectindiener Stichting regio VVV Noord- en MiddenLimburg Stichting regio VVV Noord- en MiddenLimburg Stichting regio VVV Noord- en MiddenLimburg Kamer van Koophandel Doelstelling project Toeristische strategie- en visieontwikkeling voor de regio Peel en Maas Route-ontwikkeling ter versterking van het kleinschalige toeristische bedrijfsleven in de Peelregio Versterking concurrentiepositie van het toeristisch bedrijfsleven in de Peelregio Versterking concurrentiepositie van het toeristisch bedrijfsleven door 25 ondernemers te stimuleren te professionaliseren Stimuleren van investering bij toeristische ondernemingen Versterking concurrentiepositie van het toeristisch bedrijfsleven door 100 ondernemers te stimuleren om (verder) te professionaliseren Stimuleren van investeringen gericht op uitbreiding of kwaliteitsverbetering van regionale dag- en/of verblijfstoeristische voorzieningen Versterking concurrentiepositie van het toeristisch bedrijfsleven in Hulst

Zl Nob

Investeringsregeling Toerisme CERIT

Kamer van Koophandel Kamer van Koophandel Oost-Brabant Kamer van Koophandel Oost-Brabant Gemeente Hulst

Zob

SIT

Zv

Toeristisch ontwikkelingsplan Hulst, 2e fase

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml1 = Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zob = Zuidoost-Brabant Phasing out D2 Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2 Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

In totaal waren er eind 2002 11 projecten gecommitteerd vanuit het EPD Zuid. Nadere analyse van deze projecten leert dat enkele belangrijke (‘gemeenschappelijke’) doelstellingen van deze projecten inderdaad betrekking hebben op het stimuleren van vernieuwingen bij de toeristisch-recreatieve sector zelf en in hun productaanbod. Anderzijds zijn er ook enkele initiatieven die zich richten op het vergroten van de bekendheid en het imago van de deelregio’s die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid. Dit betekent dat ook de feitelijke uitvoering van deze maatregel in lijn is met de beleidsuitgangspunten zoals die in het EPD Zuid zijn uitgezet. In de uitvoering van deze maatregel wordt overigens ook afstemming met POP Nederland gerealiseerd, in die zin dat toeristisch-recreatieve projecten waarbij de agrarische ondernemers eindbegunstigden zijn niet vanuit het EPD Zuid worden gefinancierd (maar vanuit het POP). Overall gezien verloopt de invulling van deze maatregel vrij matig. Dat zal later nog duidelijk(er) worden indien we de committeringsgraad voor deze maatregel zullen vaststellen. Hiervoor valt een aantal oorzaken aan te geven. In de eerste plaats geldt dat deze maatregel specifiek bestemd is voor een bepaalde sector, namelijk de toeristischrecreatieve sector. Inherent aan deze afbakening is echter dat daarmee ook de totale omvang van de doelgroep wordt beperkt. In de tweede plaats is een meer algemene leerervaring uit de verschillende structuurversterkende programma’s zoals die in Nederland uitgevoerd zijn dat dit type maatregelen dikwijls lastig is in te vullen. Dat heeft met name ook te maken met de relatief beperkte investeringsmogelijkheden en -bereidheid die bij delen van deze sector wordt aangetroffen.

32

III. Sociale cohesie Deze prioriteit vormt in feite het ‘sluitstuk’ van het EPD Zuid. Richt prioriteit 1 zich primair op infrastructurele aspecten en prioriteit 2 op het bedrijfsleven, bij prioriteit 3 ligt het accent op sociale en Human Resource Management (HRM)-aspecten. In deze zin is dan ook sprake van een logische samenhang tussen deze prioriteit en de beide andere prioriteiten.

3.1

Human resources

Beleidsmatige inbedding Voor het adequaat kunnen functioneren van het regionale bedrijfsleven – maar ook voor het versterken van het innovatievermogen van dit bedrijfsleven – is de kwantitatieve en kwalitatieve beschikbaarheid van personeel van groot belang. Dit wordt zowel in het nationaal beleid – bijvoorbeeld het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid (NAP) 2000 en 2002 en het beleid op het gebied van ‘employability’ van het Ministerie van Economische Zaken – als in het regionaal beleid onderkend. Wat dit regionaal beleid betreft kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het Industrieel Arbeidsmarktplan Zuid-Nederland en het Vertrouwenspact Werkgelegenheid. In beide gevallen gaat het om regionale initiatieven waarbij de belangrijkste spelers op het gebied van scholing en arbeidsmarkt betrokken zijn. Met deze initiatieven wordt beoogd om tot een betere aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te komen. Ook vindt er afstemming plaats met het Europees scholings- en arbeidsmarktbeleid vanuit het feit dat projecten binnen deze maatregel nadrukkelijk een EFRO-karakter moeten hebben. Dit impliceert dat het moet gaan om projecten die gericht zijn op het versterken van het HRM-beleid binnen bedrijven. Anderzijds kunnen (bij)scholingsactiviteiten niet binnen deze prioriteit worden gefinancierd, maar wel vanuit ESF-3. Implementatie In de afgelopen jaren heeft het EPD Zuid te maken gehad met enkele belangrijke (externe) ontwikkelingen die van invloed zijn op implementatie van maatregel 3.1. In de eerste plaats kan genoemd worden dat de organisatiestructuur van de Regionale Besturen Arbeidsvoorziening verdwenen is. In voorgaande programmaperioden kon met de RBA’s nauw samengewerkt worden bij de ontwikkeling van projecten op het gebied van HRM. Diverse RBA’s (waaronder ook in het Zuiden) konden daarbij bovendien over ESF middelen beschikken die op regionaal niveau ingezet konden worden. Inmiddels zijn de Centra voor Werk en Inkomen (CWI) geïnitieerd maar deze gremia zijn nog volop in ontwikkeling en bovendien is het duidelijk dat de CWI’s niet over regionale ESF middelen zullen beschikken. Een tweede relevante ontwikkeling is dat de feitelijke uitvoering van de ESF (doelstelling3) middelen voor de periode 2000-2006 in Nederland gecentraliseerd is bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De consequentie hiervan is nu dat er op regionaal niveau – bij de partijen die betrokken zijn bij de implementatie van het EPD Zuid – nauwelijks meer inzicht bestaat in ESF initiatieven die voor het programmagebied worden geïnitieerd. De evaluatie heeft dan ook geleerd dat er in de praktijk niet of nauwelijks meer sprake is van interactie tussen het EPD Zuid en ESF-3. Toch zou dit op zich wel verwacht worden omdat een deel van de ESF-3 middelen – volgens afspraak met de EU – ‘neer moeten slaan’ in doelstellingsregio’s. Een derde hiermee samenhangende ontwikkeling is dat partijen die projecten op het gebied van HRM kunnen initiëren of hun achterbannen daartoe kunnen mobiliseren – zoals voorheen bijvoorbeeld de RBA’s – nu minder sterk vertegenwoordigd zijn in de afzonderlijke Stuurgroepen. Op de samenstelling van deze Stuurgroepen komen we overigens in de volgende hoofdstukken nog terug. Een vierde belangrijke trend is vooral extern van aard en heeft te maken met de eerder geconstateerde economische ‘omslag’. Deze omslag heeft nadrukkelijk ook gevolgen voor maatregel 3.1 in die zin dat de arbeidsmarkt nu snel omslaat van een tekort- naar

33

een overschotsituatie. Veel beoogde initiatieven op het gebied van HRM die er op gericht waren om tot een zo efficiënt mogelijke aanwending van het zittend personeel te komen en de arbeidsparticipatie van verschillende doelgroepen te vergroten – om te voorzien in de nijpende personeelstekorten – zijn daardoor minder relevant geworden dan ten tijde van het samenstellen van het EPD Zuid nog werd gedacht. Per saldo betekent het bovenstaande dat de implementatie van de maatregel 3.1 tot op heden vrij moeizaam verloopt. Schema 3.7 geeft de projecten weer die per eind 2002 wel gecommitteerd waren.
Schema 3.7 Gecommitteerde projecten maatregel 3.1 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Zl Zob Kate & Harry Loopbaancentrum E-netwerk Projectindiener MIK Stichting E-netwerk Doelstelling project 40 startende ondernemers in de kinderopvang genereren Oprichting van een loopbaancentrum gericht op de personeelsvoorziening bij de aangesloten E-bedrijven Stimuleren van professionalisering van personeelsmanagement bij 100 bedrijven Bedrijven ondersteunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van employability-plannen 5 ondernemersverenigingen vormen 2 nieuwe samenwerkingsverbanden, waarbij 20 medewerkers worden ingeschakeld Zie vorig

Zob Zob Zv

Stimulus Personeelsadvies regeling (SPR) Career to Work (C2W) ROC West ZeeuwsVlaanderen Serviceteam ROC West ZeeuwsVlaanderen Serviceteam, vervolgfase

Syntens SMEOB ROC Westerschelde

Zv

ROC Westerschelde

Legenda deelregio: Zob = Zuidoost-Brabant Phasing out D2 Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2 Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

Hoewel er tot nu toe maar een beperkt aantal projecten geïnitieerd is, kunnen we wel concluderen dat de wel gecommitteerde projecten passen binnen de uitgangspunten van maatregel 3.1 zoals die in het EPD Zuid beschreven zijn. Zo gaat het bij bovenstaande projecten nadrukkelijk niet om scholingsprojecten maar hebben zij als ‘gemeenschappelijke’ noemer dat zij (samenwerkingsverbanden van) bedrijven willen ondersteunen bij het professionaliseren van hun HRM-beleid. In deze zin is de implementatie van maatregel 3.1 dan ook consistent met het EPD Zuid.

3.2

Versterking sociale cohesie en culturele indentiteit

Beleidsmatige inbedding Binnen de Europese Unie wordt veel belang hecht aan het creëren en handhaven van sociale cohesie tussen de afzonderlijke regio’s. In feite vormt dit ook de basis voor het opzetten van de verschillende Europese Structuurfondsen. Ook in het Nederlandse beleid kunnen we in de afgelopen jaren een toenemende belangstelling voor het thema ‘sociale cohesie’ zien. Zo neemt dit thema bijvoorbeeld een belangrijke plaats in binnen het Grote Stedenbeleid. Wat dit aangaat sluit de maatregel 3.2 ‘Sociale cohesie’ in het EPD Zuid dus goed aan bij bredere beleidskaders. Met de projecten uit deze maatregel wordt beoogd om een positieve bijdrage te leveren aan het vestigingsklimaat in de deelregio’s die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid. Dit via het initiëren van projecten die bijvoorbeeld betrekking hebben op dorpsvernieuwing, verbeteren van ontsluiting van kernen en het vergroten van de leefbaarheid op het platteland.

34

Implementatie Over het algemeen verloopt de invulling van deze maatregel zeer voorspoedig. Alleen in het Phasing out programma voor Zuid-Limburg is nog maar een klein deel – van het overigens beperkte budget – vastgelegd in projecten. In schema 3.8 zijn de gecommitteerde projecten weergegeven.

35

Schema 3.8 Gecommitteerde projecten maatregel 3.2 (ultimo 2002) Deel- Naam project regio Nml1 Nml1 Gemeenschapshuis Leverona Multifunctioneel Centrum (MFC) Meterik Centrumplan Panningen Gemeenschapshuis Kronenberg Aanleg Randweg West Nederweert Ontdekhoek Techniek Limburg Technoplein en Campus Kerkrade Sociale cohesie Samen onder een dak Projectindiener Doelstelling project (op basis enquête en soms met een aanvulling met informatie uit stuurgroepverslagen) Renovatie sociaal-culturele voorziening (539m2), waarbij 0,5 fte werkgelegenheid wordt geschapen Opzetten van een multifunctioneel centrum

Stichting Gemeenschapshuis Leverona Stichting Gemeenschapshuis Meterik

Nml1 Nml1 Nml2 Zl

Gemeente Helden Gemeente Sevenum Gemeente Nederweert MIT-Limburg

Vernieuwen openbare ruimte in centrum Panningen Realisatie van een gemeenschapshuis Aanleg infrastructuur (randweg) Permanente speelplaats techniek voor jeugd als attractieve kennismaking met techniek en wetenschap Bouw van een multifunctionele voorziening voor kunst, cultuur, muziek, onderwijs, Technoplein en jeugd- en jongerenwerk

Zl

Gemeente Kerkrade

Nob

Stichting Verbetering van 4 sociaal-culturele voorzieningen, Gemeenschapshuis “De waarbij 465 m2 openbare ruimte wordt vernieuwd Stuik” en 0,5 fte wordt gecreëerd Gemeente Veghel Gemeente Uden Leefbaarheid vergroten en de eenheid vergroten door voorzieningen te verbeteren 1 nieuwe sociaal-culturele voorziening (taxihopper), waarbij 3 fte aan werkgelegenheid worden gecreëerd Vernieuwen openbare ruimte dorpskern Keldonk ter vergroting van de sociale cohesie en de culturele identiteit Opzetten sociaal-culturele voorziening (gemeenschapshuis) Upgrading van enkele dorpskernen Kwantitatieve en kwalitatieve verbetering winkelcentrum (1 verbeterde sociaal-culturele voorziening waarbij 20.000 m2 vernieuwde oppervlakte openbare ruimte en 9 fte worden geschapen) Zie 1e fase Opzetten huisartsenpost, waarin 400-450 m2 nieuwe ruimte wordt gecreëerd, en 1,7fte werkgelegenheid wordt geschapen. Vergroten sociale cohesie door opzetten van netwerk sport en vrije tijd Verbeteren cultuurhistorische voorziening Renovatie van een molen Vernieuwen van infrastructuur (Waalstraat)

Nob Nob

Multifunctioneel Dorpshuis Mariaheide Taxihopper in beeld

Nob

Heroprichting Dorpskern Keldonk Realisering Gemeenschapshuis Reek Valorisatie Kernen IJzend en Hoofdplaat Herinrichting winkelcentrum Sluis, rest 1e fase Herinrichting winkelcentrum Sluis, 2e fase Huisartsenpost ziekenhuis Oostburg Netwerk sport en vrije tijd Cadzand Upgrading Kaaiplein Aardenburg Restauratie molen Vogelzicht Reconstructie de Waalstraat te Lamswaarde

Gemeente Veghel

Nob Zv Zv

Gemeente Landerd Gemeente Sluis Gemeente Sluis

Zv Zv

Gemeente Sluis Provincie Zeeland

Zv Zv Zv Zv

Gemeente Sluis Gemeente Sluis D.A.A.M. Jole Gemeente Hulst

Legenda deelregio: Nob = Noordoost-Brabant D2 platteland Nml1 = Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Nml2 = Noord- en Midden-Limburg Phasing out D5b Zl = Zuid-Limburg Phasing out D2 Zv = Zeeuwsch-Vlaanderen Phasing out D5b

36

De voorspoedige invulling van deze maatregel uit zich ook in het aantal projecten dat inmiddels is vastgelegd. In totaal ging het eind 2002 om 20 projecten. Kijken we naar de aard van de projecten dan kan daarbij een aantal typen projecten worden onderscheiden. Allereerst kunnen we concluderen dat een belangrijk deel van de projecten zich richten op dorpsvernieuwing en de inrichting van dorpskernen. Verder zijn er inmiddels enkele projecten – zoals het ‘Multifunctioneel Centrum (MFC) Meterik’ en ‘Taxihopper in beeld’ – van de grond gekomen die als doel hebben om een bijdrage te leveren aan het instandhouden en uitbouwen van de leefbaarheid op het platteland. Ook zijn er enkele projecten geïnitieerd die betrekking hebben op het aanleggen van rondwegen waarmee een positieve bijdrage wordt beoogd aan de economische en toeristische ontwikkeling. Op zich zijn dit type projecten ook als zodanig benoemd in het EPD Zuid en het programmacomplement. Dit impliceert dat ook bij de uitvoering van deze maatregel nog steeds sprake is van afstemming met bredere beleidskaders en het beleid zoals dat in het EPD Zuid is uitgezet.

3.4

Beoordeling horizontale relevantie

Binnen de Europese Unie wordt groot belang gehecht aan een aantal zogenaamde horizontale thema’s. Het gaat hierbij om de volgende thema’s: I. Gelijke kansen voor verschillende doelgroepen op de arbeidsmarkt. II. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling. In de ex-ante evaluatie is ook al aandacht aan de afstemming van het EPD Zuid met deze horizontale thema’s geschonken. De belangrijkste conclusie daaruit was dat in het EPD Zuid voldoende aandacht wordt besteed aan het eerste genoemde horizontale thema. Bij het tweede horizontale thema pleitte de evaluator wel voor een nadere concretisering van het begrip duurzaamheid via een soort duurzaamheidstoets. Gelijke kansen Bezien we nu de feitelijke implementatie van het EPD Zuid dan kunnen rondom de horizontale thema’s de volgende constateringen worden gedaan. We beginnen daarbij met het thema dat betrekking heeft op gelijke kansen voor verschillende doelgroepen op de arbeidsmarkt. In principe zijn er in het programma enkele specifieke maatregelen te benoemen waarvan verwacht kan worden dat zij in positieve zin bijdragen aan het thema van gelijke kansen. Dat wil overigens niet zeggen dat binnen de andere maatregelen sprake zou zijn van een negatieve impact. Veel meer moet daarbij gedacht worden aan een ‘neutrale impact’. Dit omdat a priori niet aan te geven valt of bepaalde typen projecten die binnen deze andere maatregelen worden geïnitieerd een specifieke invloed op de arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen zullen hebben. Maatregelen die a priori positief uit kunnen werken op de participatiegraden van specifieke doelgroepen zijn de maatregelen 1.5 (Versterking toeristische infrastructuur), 2.2 (Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven) en 3.1 (Human resources). Voor de twee eerstgenoemde maatregelen geldt dat in de toeristische-recreatieve sector relatief veel vrouwen werken. In die zin kan verwacht worden dat projecten binnen deze maatregelen die gericht zijn op versterking van deze sector ook positief zullen bijdragen aan de participatiegraad van vrouwen. In de voorgaande paragraaf hebben we kunnen constateren dat de daadwerkelijke invulling van deze ‘toeristische maatregelen’ nog redelijk conform planning verloopt. Dit is echter in veel mindere mate het geval voor de ‘HRM-maatregel (3.1)’. Immers binnen deze maatregel zijn nog maar in beperkte mate projecten gecommitteerd. Daarom valt te verwachten dat tot nu toe deze maatregel minder dan verwacht en beoogd in positieve zin zal bijdragen aan het thema van gelijke kansen.

37

Aan het thema van gelijke kansen wordt – net als voor het thema duurzaamheid overigens (zie voorgaande paragraaf) – ook expliciet aandacht geschonken in de projectselectie. Uit de analyse van de wijze van beoordelen van projectvoorstellen blijkt namelijk dat het programmanagement let op het feit of van de ingediende projecten verwacht kan worden dat zij in positieve (of negatieve) zin uitwerken op de thema’s gelijke kansen en duurzaamheid. Het resultaat van deze ‘toets’ wordt – net als de ‘scores’ op andere selectiecriteria – dan ook voorgelegd aan de respectievelijke Stuurgroepen. Hierbij kan wel geconcludeerd worden dat het in de praktijk vaak lastig – of niet mogelijk – blijkt te zijn om daarvan een adequate inschatting te maken. Dat geldt in het bijzonder voor het thema gelijke kansen. De oorzaak hiervoor is dat het merendeel van de projecten zich niet specifiek richt op bepaalde doelgroepen op de arbeidsmarkt. Daarom valt het van te voren ook niet of nauwelijks aan te geven hoe een bepaald project uitwerkt naar deze doelgroepen. Bij het overgrote deel van de projectvoorstellen wordt er door het programmamanagement dan ook (terecht) de score ‘neutraal’ gegeven op het thema gelijke kansen. Overigens hebben we ook de door ons geraadpleegde projectindieners gevraagd naar de impact van hun project op het thema van gelijke kansen. We merken daarbij in de eerste plaats op dat de door ons ondervraagde projectindieners verdeeld zijn over verschillende maatregelen. De geselecteerde projecten bevinden zich dus niet alleen in de zojuist besproken maatregelen waarvan a priori een positieve impact op participatiegraden van doelgroepen kan worden verwacht. In de tweede plaats merken we op dat we in de gesprekken ook na zijn gegaan of de projectindieners hun stellingname ook ‘hard’ konden maken. Daaronder verstaan we dan het geven van argumenten waarom er sprake zou zijn van een positieve impact op gelijke kansen. Hetzelfde hebben we overigens ook gedaan voor het thema ‘duurzaamheid’. Tabel 3.10 bevat de resultaten van de vraagstelling voor de (te verwachten) impact op het horizontale thema van gelijke kansen.
Tabel 3.10 Bijdrage van het project aan (het stimuleren van) gelijke kansen voor verschillende groepen op de arbeidsmarkt (N=40) Aantal 13% 77% 10% 100%

Bijdrage Ja Nee Weet niet Totaal

Uit de tabel blijkt dat een beperkt deel van de projectindieners vindt bijdraagt aan (het stimuleren van) gelijke kansen voor verschillende arbeidsmarkt. Als motivatie hierbij werd genoemd dat men zich in projecten met name richtte op de zwakkere groepen op de arbeidsmarkt, vrouwen, alleenstaande moeders en WAO-ers.

dat hun project groepen op de de betreffende zoals allochtone

Duurzaamheid Naar aanleiding van de constatering in de ex-ante evaluatie dat het begrip duurzaamheid een nadere uitwerking verdient, is inmiddels bij de uitvoering van het EPD Zuid al een aantal stappen gezet. Zo is er binnen de Stuurgroep voor D2 platteland NoordoostBrabant een notitie samengesteld. Daarin wordt uitgewerkt hoe en op welke wijze het begrip duurzaamheid in relatie tot milieuaspecten ‘handen en voeten’ kan krijgen en dus ook in de projectbeoordeling meegenomen kan worden. De betreffende notitie is vervolgens ook binnen het Comité van Toezicht aan de orde gekomen waardoor ook de (voorzitters van de) andere Stuurgroepen geïnformeerd zijn over deze vorm van concretisering.

38

Verder wordt zoals hierboven aangegeven ook bij de projectselectie door het programmamanagement systematisch gelet op het feit of er bepaalde duurzaamheidsaspecten gemoeid zijn met projectinitiatieven. De praktijk leert daarbij dat er dikwijls a priori ook iets te zeggen valt over de verwachte impact op het thema duurzaamheid. Dit omdat diverse projecten ook één of enkele aan duurzaamheid gerelateerde doelen kennen. Ook uit de resultaten van de door ons gevoerde gesprekken met leden van het Comité van Toezicht, de Stuurgroepen en het programmamanagement is gebleken dat het belang van duurzaamheid bij de projectbeoordeling en -selectie steeds meer onderschreven wordt. Betrokken partijen zijn over het algemeen ook wel van mening dat men met dit criterium redelijk goed uit de voeten kan. Zo zijn er projecten waarvoor het direct duidelijk is dat zij een neutraal of positief milieueffect zullen hebben. De meer ‘lastige’ categorie zijn die projecten waarbij zowel positieve als negatieve effecten verwacht kunnen worden. De complexiteit zit hem dan daarin dat het niet duidelijk is hoe die positieve en negatieve effecten onderling precies gewogen moeten worden. Een afdoend meetinstrumentarium of richtlijn ontbreekt hier. Net als bij het horizontale thema van gelijke kansen hebben we ook voor het thema duurzaamheid aan de projectuitvoerders gevraagd wat naar hun inschatting de impact van hun projecten is. Tabel 3.11 bevat de uitkomsten van deze vraagstelling. Indien de projectindieners aangaven dat er sprake was van duurzaamheidseffecten hebben we gevraagd hoe deze duurzaamheid zich dan vooral uit binnen het project. Ook hier hebben we dus naar concretisering gevraagd. Enkele van deze projectindieners hebben daarbij meer dan één duurzaamheidseffect genoemd.
Tabel 3.11 Bijdrage Ja, namelijk: duurzame economische ontwikkeling behoud en versterking natuurlijk kapitaal sociale cohesie door toegang tot werkgelegenheid voor allen en hoge kwaliteit van leven 20% 3% 100% Bijdrage van het project aan (het stimuleren van) duurzaamheid (N=40) 77% 65% 24% 19% (N=31)

Nee Weet niet Totaal

Het gros van de projectindieners is van mening dat hun project een bijdrage heeft geleverd aan (het stimuleren van) duurzaamheid. Deze duurzaamheid uit zich vooral in de vorm van een duurzame economische ontwikkeling. Hierbij zijn onder meer een verlenging van de levensduur genoemd, het opzetten van parkmanagement en het gebruiken van nieuwere en efficiëntere productiemethodes. Hiernaast noemt een deel van de projectindieners ook op ecologische duurzaamheidseffecten en duurzaamheidseffecten in de zin van sociale cohesie.

3.5

Conclusies relevantie

In dit hoofdstuk is allereerst gebleken dat in grote lijnen de sociaal-economische ontwikkelingen binnen (de deelregio’s van) het EPD-Zuid nog sporen met het regionaal profiel zoals dat in het EPD Zuid is opgenomen. In het verlengde daarvan is ook de SWOT die destijds in het EPD Zuid is opgesteld nog steeds actueel. In de ex-ante evaluatie is al vastgesteld dat er sprake is van een consistente samenhang tussen

39

enerzijds de programmastrategie en de daarmee samenhangende prioriteiten en maatregelen en anderzijds de SWOT die in het EPD Zuid opgenomen is. Op grond hiervan kan per saldo worden geconcludeerd dat er ook nu nog steeds sprake is van een programma dat in sociaal-economisch opzicht relevant is. Een belangrijke recente trend – die zich nog niet zozeer uit in beschikbaar sociaaleconomisch cijfermateriaal – is wel dat er sprake is van een conjuncturele economische terugslag, die gepaard gaat met een oplopende werkloosheid. Dit is overigens een vrij uniforme trend die zich wereldwijd voordoet en dus niet alleen (de SWOT van) ZuidNederland raakt. Wel verdient het aanbeveling om in de komende periode – wanneer meer betrouwbare gegevens beschikbaar komen – goed zicht te krijgen op de vraag of (deelregio’s van) het programmagebied in Zuid-Nederland hier nu in relatief sterke mate door worden getroffen. Bezien we de beleidsrelevantie van het EPD Zuid dan komt uit voorgaande analyses naar voren dat de programmastrategie en de daarbij behorende prioriteiten en maatregelen nog steeds goed ingebed zijn in bredere (Europese, nationale en regionale) beleidskaders. Verder is gebleken dat ook in de uitvoering van het programma – via de ondersteuning van projectinitiatieven – deze aansluiting in de praktijk adequaat wordt geëffectueerd. Per saldo is daardoor ook bij de implementatie van het programma sprake van beleidsmatige relevantie. Wel spelen er rondom deze beleidsmatige inbedding een tweetal zaken of ontwikkelingen die relevant zijn voor specifieke maatregelen van het EPD Zuid. In de eerste plaats gaat het hier dan om de maatregelen 1.1 en 1.2. Voor deze maatregelen heeft een dusdanige ‘afstemming’ met andere beleidsinitiatieven plaatsgevonden – zoals met het POP-beleid en het beleid voor de EHS – dat veel typen projecten bij voorbaat uitgesloten zijn dan wel dat (potentiële) projectindieners deze afstemming als complex ervaren. Per saldo verloopt de invulling van deze maatregelen dan ook (zeer) moeizaam. Daarmee samenhangend speelt ook dat de fasering van het reconstructiebeleid – via het opzetten en uitvoeren van streefbeelden en reconstructieplannen – ‘uit de pas’ dreigt te (gaan) lopen met de uitvoering van het EPD Zuid. Voor het EPD Zuid zijn namelijk – bijvoorbeeld via de N+2-regel – harde ‘deadlines’ van toepassing die maken dat er (vooralsnog) geen rek in de planning zit. Deze deadlines maken dat – ook gelet op de feitelijke resultaten die tot nu toe geboekt zijn in relatie tot de omvang van de beschikbare budgetten – de druk op de maatregelen 1.1 en 1.2 inmiddels groot is. Daartoe zijn dan ook gerichte acties wenselijk. We komen daar in het afsluitende hoofdstuk – bij de aanbevelingen – nader op terug. Een tweede relevante (beleidsmatige) ontwikkeling heeft betrekking op maatregel 3.1 (Human resources). Hierbij speelt dat het EPD Zuid bij de uitvoering te maken heeft met het wegvallen van ‘partners’ waarmee invulling aan deze maatregel kan worden gegeven. Dit geldt dan voornamelijk voor het verdwijnen van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA’s) waarmee in het verleden veel werd samengewerkt bij het opzetten van dit type projecten. Hiermee samenhangend speelt ook het feit dat de uitvoering van ESF-3 gecentraliseerd is in Nederland. Dit heeft er in geresulteerd dat er tot nu toe in de uitvoering weinig of geen interactie tussen de regionale EFRO-initiatieven en de landelijke ESF Doelstelling-3 projecten plaatsvindt. Beschouwen we de relevantie van het EPD Zuid voor de horizontale EU-doelstellingen dan blijkt dat er op zich zowel aan het aspect van gelijke kansen als aan (ecologische) duurzaamheid aandacht wordt geschonken. Dit speelt ook in de selectie van projecten waarbij getracht wordt om aan te geven hoe projectvoorstellen uitwerken op deze horizontale thema’s. Wel is het zo dat het in de praktijk vrij lastig is om invulling te geven aan het thema van gelijke kansen. Enerzijds heeft dat te maken met de beperkte voortgang van maatregel 3.1 (Human resources). Anderzijds speelt daarbij mee dat van bepaalde projecten niet verwacht kan worden dat zij een bepaalde impact op het thema gelijke kansen zullen hebben of dat een dergelijke impact bij voorbaat adequaat ingeschat kan worden.

40

Voor (ecologische) duurzaamheid geldt ook dat dit thema nadrukkelijk meegenomen wordt in de projectbeoordeling. Meer dan voor het horizontale thema ‘gelijke kansen’ blijken het programmanagement en de Stuurgroepen in staat te zijn om – samen met de projectindieners – ‘duurzaamheidsaspecten’ in kaart te brengen. Voor een belangrijk deel van de projecten kan wat dit aangaat dan ook tot een vrij eenduidige beoordeling worden gekomen. Dit is met name mogelijk bij projecten waar geen (ecologische) duurzaamheidsaspecten spelen of bij projecten die specifiek als doel hebben om tot een reductie van milieubelasting te komen. Voor een bepaalde categorie projecten blijkt een eenduidige beoordeling op het (ecologische) duurzaamheidsaspect wel lastig(er) te zijn. Dat geldt dan met name voor projecten met zowel positieve als negatieve milieueffecten waardoor het lastig is om tot een ‘overall’ beoordeling te komen. Dat heeft dan dus te maken met het ontbreken van een min of meer uniforme duurzaamheidsmaatstaf – of ‘richtlijn’ – waarbij het belang van verschillende typen milieueffecten ook onderling wordt afgewogen. We merken overigens wel op dat dit een meer algemeen ‘knelpunt’ is dat ook in veel andere programma’s en regelingen speelt waarbij (ecologische) ‘duurzaamheid’ opgenomen is in de projectselectiecriteria.

41

42

4.

EFFECTIVITEIT VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND

4.1

Inleiding

Dit hoofdstuk behandelt een aantal aspecten rond de effectiviteit van het EPD ZuidNederland. Allereerst zullen we daartoe in paragraaf 4.2 de financiële voortgang tot en met 2002 weergeven en beoordelen. Daarna volgt paragraaf 4.3 met een beschouwing over de gecommitteerde en gerealiseerde outputeffecten, oftewel de ‘scores’ op de outputindicatoren. Vervolgens gaan we in paragraaf 4.4 over tot een beoordeling van de scores op de ‘resultaatindicatoren’ die tot en met december 2002 zijn gerealiseerd. De mate waarin de realisatie van de sociaal-economische programma-indicatoren op schema ligt, vormt het onderwerp van paragraaf 4.5. In die paragraaf schenken we tevens aandacht aan de (te verwachten) impact van het programma op het regionaal investeringsklimaat. In paragraaf 4.6 tenslotte presenteren we onze belangrijkste conclusies ten aanzien van de effectiviteit van het EPD Zuid.

4.2

Beoordeling financiële voortgang

Een belangrijk element in mid-term evaluaties is de beoordeling van de financiële voortgang van programma’s. In deze paragraaf gaan we daarop in, waarbij we beginnen met de EFRO-committeringen en -realisaties op het niveau van het EPD ZuidNederland. Daarna zullen we de financiële voortgang van de deelprogramma’s nader beschouwen. 4.2.1 Committeringen en realisaties voor EPD Zuid In tabel 4.1 is allereerst het gecommitteerd – ook wel ‘beschikt’ genoemd – EFRObudget weergegeven voor de afzonderlijke prioriteiten, maatregelen en het programma als totaal. We hanteren daarbij een tweetal meetmomenten, namelijk 31 december 2001 (toen het programma feitelijk nog maar kort van kracht was) en 31 december 2002. Deze laatste peildatum wordt overigens gebruikt in alle mid-term evaluaties die momenteel worden uitgevoerd. De committeringsgraad is het aandeel van het gecommitteerde EFRO-budget in het beschikbare EFRO-budget volgens het programmacomplement voor de betreffende prioriteit, maatregel of voor het totale programma, weergeven in procenten.

43

Tabel 4.1

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget volgens het EPD Zuid-Nederland Stand per 31-12-2001 Aandeel EFRO beschikt ((2/1)*100) 7,9% 0% 2,4% 7,7% Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 20,8% 0% 3,6% 19,5%

EPD Zuid-Nederland

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal EPD Zuid Bron:

EFRO beschikbaar (1) 74.023.000 16.370.000 16.570.000 24.585.000

EFRO beschikt (2) 5.842.795 0 398.707 1.894.628

EFRO beschikt (4) 15.376.721 0 590.836 4.785.106

6.120.000 10.378.000

45.501 3.503.959

0,7% 33,8%

1.203.754 8.797.025

19,7% 84,8%

45.662.000 36.545.000 9.117.000

4.582.774 4.046.311 536.463

10,0% 11,1% 5,9%

10.781.292 9.941.614 839.678

23,6% 27,2% 9,2%

15.510.000 8.190.000 7.320.000 4.675.000 3.297.400 1.377.600 139.870.000

797.606 256.928 540.678 4.322854 3.297.400 1.025454 15.546.029

5,1% 3,1% 7,4% 92,5% 100,0% 74,4% 11,1%

5.507.390 383.312 5.124.078 4.645.070 3.280.887 1.364.183 36.310.473

35,5% 4,7% 70,0% 99,4% 99,5% 99,0% 26,0%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Tabel 4.1 wijst uit dat ultimo 2002 ruim 26% van het beschikbare EFRO-budget in het EPD Zuid-Nederland is gecommitteerd. Dit komt overeen met een EFRO-bedrag van ruim 36 miljoen euro. Eind 2001 lag het committeringspercentage nog op 11%. Daarbij moeten we wel aantekenen dat de eerste projecten pas eind 2001 zijn goedgekeurd, omdat het programma relatief laat van start is gegaan. Duidelijk is wel dat zich ten opzichte van 2001 in 2002 een lichte versnelling in de committering van projecten heeft voorgedaan. We kunnen op grond van bovenstaande analyse concluderen dat het overall committeringspercentage – dus voor het gehele programma – redelijk is. Op basis van de verstreken en nog resterende looptijd van het programma, zou ongeveer 32% van het EFRO-budget gecommitteerd moeten zijn als we uitgaan van een gelijkmatige (lineaire) committering over de totale committeringsperiode van het programma. Het committeringspercentage ligt echter zoals gezegd op zo’n 26%. Op zich hebben structuurversterkende programma’s echter altijd te maken met een aanloop- en opstartperiode waarbij het gebruikelijk is dat de eerste committeringen met een zekere vertraging tot stand komen.

44

Over het algemeen zijn overigens ook de geraadpleegde leden van het Comité van Toezicht en de Stuurgroepen redelijk tot (zeer) tevreden over de voortgang van het EPD Zuid als geheel en haar onderdelen. 4.2.2 Committeringen naar prioriteit Er zijn echter wel duidelijke verschillen in committeringsgraad tussen de prioriteiten en vooral tussen maatregelen te constateren. Prioriteit 3 ‘Sociale cohesie’ laat van de prioriteiten (Technische Bijstand buiten beschouwing latend) met 35,5% het hoogste committeringspercentage zien. De prioriteiten 2 ‘Economische stimulering’ en 1 ‘Ruimtelijke ontwikkeling’ volgen op enige afstand, met respectievelijk 23,6% en 20,8%. 4.2.3 Committeringen naar maatregelen Binnen de prioriteit 1 ‘Ruimtelijke ontwikkeling’ is er een tweetal maatregelen die vooralsnog zeer weinig resultaat qua committeringen laten zien. Dit zijn de maatregelen 1.1 ‘Ruimtelijke herstructurering’ en 1.2 ‘Natuur-, water- en milieuontwikkeling. Binnen maatregel 1.1 is zelfs nog geen enkel project gecommitteerd. De bezorgheid over de voortgang in de maatregelen 1.1 en 1.2 wordt gedeeld door een meerderheid van de betrokken leden van de Stuurgroepen en het Comité van Toezicht. Bij beide maatregelen spelen – blijkens de resultaten van de gesprekken met deze personen – een aantal specifieke problemen waardoor er nog maar weinig projecten en projectideeën loskomen. Deze knelpunten hebben we op zich al in het vorige hoofdstuk (implementatie van maatregel 1.1 en 1.2) besproken, maar voor de volledigheid vatten we ze hier nog eens samen: ? Afstemming met beleidsinitiatieven leidt ertoe dat veel typen projecten niet vanuit het EPD Zuid mogen worden ondersteund. ? (Ervaren) complexiteit van regelgeving/afstemmingsafspraken bij (potentiële) projectindieners die remmend werkt op projectontwikkeling. ? Het ontbreken van (‘lump sum’) cofinancieringsmiddelen vanuit het Ministerie van LNV. ? Onervarenheid bij veel ‘plattelandspartijen’ met Europese programma’s en/of een projectmatige aanpak. ? Invloed van ontwikkelingsremmende externe factoren, zoals de MKZ- en de Vogelpestcrisis. ? Lange ontwikkelingstijd en doorlooptijd van (milieu- en RO) procedures bij projecten die potentieel in deze maatregelen kunnen vallen. ? Het steeds verder uiteen gaan lopen van de fasering van het reconstructieproces en het EPD Zuid. De meeste van voorgaande punten spreken voor zich. Het punt van het ontbreken van cofinancieringsmiddelen vanuit het Ministerie van LNV kunnen we nog als volgt toelichten. In tegenstelling tot het Ministerie van Economische Zaken heeft het Ministerie van LNV (tot nu toe) geen ‘gedecentraliseerde’ middelen ter beschikking gesteld voor de maatregelen – zoals 1.1 en 1.2 – die beleidsmatig bij dit ministerie passen. De oorspronkelijke gedachte was daarbij dat deze cofinanciering plaats zou kunnen vinden vanuit ‘reguliere landelijke’ LNV-regelingen en reconstructiemiddelen. Door allerlei oorzaken – zoals bijvoorbeeld het uitlopen van de reconstructieplannen – blijkt dit in de praktijk nu vrij lastig te zijn. Andersom is er – door de andere oorzaken die hierboven zijn genoemd– overigens sowieso een beperkt aanbod van passende projecten binnen deze maatregelen. Eén respondent pleitte voor een andere afbakening van het POP en het Doelstelling 2 plattelandsprogramma waardoor mogelijk meer (typen) initiatieven voor dit laatstgenoemde programma in aanmerking komen. Ook zou volgens de betreffende respondent maatregel 1.1 anders ingevuld kunnen worden door andere oplossingen en typen projecten te zoeken voor het aanpakken van de plattelandsproblematiek. De tekst in het EPD zou dan aangepast moeten worden. Verder onderzoekt het Ministerie van LNV (in de zomer van 2003) de mogelijkheden om een beroep te doen op de ‘Force Majeure’ bij de Europese Commissie. Dit houdt in dat de vertraging in de uitvoering van het programma door de MKZ- en Vogelpestcrisis mogelijk gecompenseerd zou kunnen worden met extra ‘uitvoeringstijd’. De maatregelen 1.3 ‘Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsver-

45

zamelgebouwen’ en 1.4. ‘Versterking fysieke kennisinfrastructuur’ lopen wat de committeringen betreft lichtelijk achter op het programmagemiddelde. De committeringsgraad in maatregel 1.5 ‘Versterking toeristische infrastructuur’ is met bijna 85% relatief hoog. Bezien we de maatregelen binnen prioriteit 2. ‘Economische stimulering’, dan is de voortgang in maatregel 2.2 ‘Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven’ nog beperkt. Tot en met december 2002 was slechts 9% van het beschikbare EFRO-budget voor deze maatregel gecommitteerd. Op de oorzaken daarvoor zijn we in de voorgaande paragraaf al ingegaan (beperkte omvang doelgroep, beschikbaarheid investeringsmiddelen bij sector zelf en daarmee bereidheid om te investeren). Maatregel 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) vertoont een grotere progressie in de committeringsgraad. Deze bedraagt ruim 27% en ligt daarmee iets boven het programmagemiddelde. Eerder hebben we al geconstateerd dat deze ‘score’ vooral door het Stimulus III programma is gerealiseerd. Daar heeft men – ook in de voorgaande programmaperioden – al met succes aan projecten gewerkt die passen binnen deze maatregel. Ook in de huidige programmaperiode worden in het Stimulusgebied nog steeds de ‘vruchten’ van deze succesvolle aanpak en structuur geplukt. In prioriteit 3 ‘Sociale cohesie’ is er een maatregel waarvan de voortgang in de committering nog duidelijk te wensen overlaat. Dit is maatregel 3.1 ‘Human resources’ waarin op het meetmoment ultimo 2002 een kleine 5% van het beschikbare EFRObudget voor deze maatregel beschikt is. Ook een groot deel van de geïnterviewde sleutelpersonen uit het CvT en de Stuurgroepen ziet – ook de toekomstige – invulling van deze maatregel als een knelpunt. Het wegvallen van de RBA’s en de centralisatie van de uitvoering van ESF-3 worden daarbij als belangrijke oorzaken voor de problemen met maatregel 3.1 genoemd (zie ook het voorgaande hoofdstuk). De voortgang in de committeringen binnen maatregel 3.2 is met 70% duidelijk bovengemiddeld. Hierbij blijken het met name gemeenten te zijn die ‘goed uit de voeten’ kunnen met deze maatregelen. De verklaring hiervoor is dat projecten op het gebied van versterking van sociale cohesie goed passen binnen het beleid van veel (plattelands)gemeenten. Dit beleid is er op gericht om de leefbaarheid en het voorzieningenniveau van de kernen ‘op peil’ te houden. Het beschikbare EFRO-budget voor prioriteit 4. Technische Bijstand – de prioriteit die is bedoeld voor ondersteuning in de uitvoering van het programma – is vrijwel volledig gecommitteerd. 4.2.4 Realisatiegraden De committeringsgraad van het EFRO-budget geeft een beeld van de Europese middelen die zijn toegekend ofwel beschikt aan projecten in het kader van het EPD ZuidNederland. Dit zegt iets over de potentiële realisatie en de voortgang van het programma. Ook belangrijk in deze context is echter de realisatiegraad. De realisatiegraad wordt bepaald door de werkelijk betaalde en gecertificeerde uitgaven door projectindieners of eindbegunstigden. De realisatiecijfers zijn vooral ook voor de EU een belangrijk gegeven. Dit omdat daaraan bijvoorbeeld de bevoorschotting van het programma is gekoppeld. Bovendien is de voortgang in de realisatie belangrijk voor de N+2-regel die we hieronder nog nader zullen toelichten. Eerst wordt in tabel 4.2 het gerealiseerde EFRO-budget naar het programma als geheel en naar prioriteiten en maatregelen weergegeven voor het EPD Zuid-Nederland.

46

Tabel 4.2

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget volgens het EPD Zuid-Nederland Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

EPD Zuid-Nederland

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal EPD Zuid Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) ((2/1)*100) (4) ((4/1)*100) 74.023.000 16.370.000 16.570.000 24.585.000 497.908 0 112.032 30.092 0,7% 0% 0,7% 0,1% 5.476.081 0 677.044 2.416.924 7,4% 0% 4,1% 9,8%

6.120.000 10.378.000

27.361 328.423

0,4% 3,2%

552.844 1.829.269

9,0% 17,6%

45.662.000 36.545.000 9.117.000

1.049.859 1.049.412 447

2,3% 2,9% 0%

4.099.642 3.917.733 181.909

9,0% 10,7% 2,0%

15.510.000 8.190.000 7.320.000 4.675.000 3.297.400 1.377.600 139.870.000

45.242 6.149 39.093 225.013 170.581 54.432 1.818.022

0,3% 0,1% 0,5% 4,8% 5,2% 4,0% 1,3%

1.933.769 73.096 1.860.673 722.807 485.842 236.965 12.232.299

12,5% 0,9% 25,4% 15,5% 14,7% 17,2% 8,7%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Het realisatiepercentage loopt in de voortgang van Europese programma’s altijd een fase achter op de committeringen. Dit is op zich logisch omdat projectuitvoerders (veelal) pas kosten gaan maken nadat de committering van hun projecten heeft plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit tabel 4.2 waarin de EFRO-realisatiegraad per 31-12-2002 op zo’n 9% ligt, terwijl de committeringsgraad op diezelfde datum uitkwam op 26%. Aan eind van het jaar 2001 was de realisatiegraad nog zeer laag. De verklaring hiervoor is dat de eerste projecten pas in het najaar van 2001 zijn gecommitteerd en projecten dus net gestart waren op de peildatum 31-12-2001. In de EFRO-realisatie binnen de verschillende prioriteiten wordt eenzelfde beeld als bij de committeringen zichtbaar. Van de inhoudelijke prioriteiten (dus exclusief Technische Bijstand) geeft prioriteit 3 ’Sociale cohesie’ het hoogste realisatiepercentage weer. De tweede prioriteit ‘Economische stimulering’ en de eerste prioriteit ‘Ruimtelijke ontwikkeling’ volgen daarna. Ook in de realisatiepercentages van de maatregelen herkennen we het patroon van de committeringen uit tabel 4.1. De maatregelen 1.1 Ruimtelijke herstructurering, 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling, 1.3 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven en 3.1 Human resources kennen namelijk (zeer) lage realisatiecijfers. 4.2.5 N+2-regel

47

Eind van dit jaar (2003) zal het EPD Zuid voor het eerst met de N+2 regel te maken krijgen. Kort gezegd komt deze regel er op neer dat het beschikbare EFRO-budget voor een bepaald jaar twee jaar later ook daadwerkelijk ‘gerealiseerd’ moet zijn. Dit laatste moet dan aangetoond worden op basis van gecertificeerde betalingen in de projecten. Is hieraan niet voldaan, dan zal een deel van de middelen terugvloeien naar Brussel. Deze regel impliceert dat in het EPD Zuid ultimo 2003 26 miljoen euro aan EFRO middelen ‘omgezet’ moet zijn in betalingen. Ten opzichte van de situatie per ultimo 2002 betekent dat dan een toename van 13,5 miljoen euro. Overigens mag het eerste voorschot van Brussel – zijnde 10 miljoen euro – opgeteld worden bij de betalingen. Doen we dat dan kunnen we constateren dat het EPD Zuid eind 2002 al flink ‘op streek’ was bij het voldoen aan de N+2 regel per eind 2003. Verschillende geraadpleegde sleutelpersonen (van het CvT en de Stuurgroepen) verwachten overigens wel dat het EPD Zuid na 2003 te maken zal krijgen met knelpunten met de N+2 regel. Dit zal zeker gelden indien er geen tijdige acties – zoals overhevelingen – worden ondernomen. We komen hier bij de aanbevelingen op terug. 4.2.6 Financiële voortgang naar deelprogramma’s We zullen nu dieper ingaan op de financiële voortgang in de deelprogramma’s van het EPD Zuid-Nederland, namelijk het deelprogramma Doelstelling 2 platteland, Phasing out Doelstelling 2 en Phasing out Doelstelling 5b. Deze drie deelprogramma’s worden ook weer in verschillende deelregio’s uitgevoerd, zoals ook beschreven en gevisualiseerd is in hoofdstuk 2 (schema 2.2). In bijlage 4 zijn de EFRO-budgetten per deelprogramma, deelregio, prioriteiten en maatregelen weergegeven. Daarnaast laat de tabel het aandeel van het EFRO-budget zien dat ultimo 2002 gecommitteerd/beschikt is. In bijlage 7 zijn overigens meer gedetailleerde gegevens over de EFRO-committeringen op deelprogrammaniveau opgenomen, zoals de absolute gecommitteerde bedragen op 31 december 2001 en 2002. Bijlage 4 laat zien dat er behoorlijke verschillen zijn in de financiële voortgang van de deelprogramma’s. Zo liggen de committeringspercentages van de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s Noord- en Midden-Limburg en Noordoost-Brabant respectievelijk op (slechts) 13,8% en 19,5%. Deze percentages geven reden tot bezorgdheid gezien de nog resterende uitvoeringsperiode, de grote financiële omvang van deze programma’s en de hiervoor geschetste problematiek van het beschikbaar komen van voldoende cofinanciering en voldoende, kwalitatief goede projecten in bepaalde ‘majeure’ maatregelen. De Doelstelling 2 Phasing out programma’s Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg doen het qua committering beter, maar ook hier blijft alertheid geboden en vereist een verdere succesvolle uitvoering van de programma’s een actieve op projectontwikkeling gerichte aanpak. We komen daar in de aanbevelingen nog op terug. De Doelstelling 5b Phasing out programma’s vertonen de meeste voortgang in de committering. Zo is het EFRO-budget van het programma in Zeeuwsch-Vlaanderen al bijna voor tweederde beschikt. Deze programma’s zijn echter maar relatief klein van omvang vergeleken met de andere deelprogramma’s. Indien we verder op prioriteitsniveau kijken naar de verschillen in committeringsgraad tussen de deelprogramma’s dan valt bij prioriteit 1 ‘Ruimtelijke ontwikkeling’ op , dat de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s hier (zeer) matig scoren. Dit komt vooral door de problemen met de maatregelen 1.1 ‘Ruimtelijke herstructurering’ en 1.2 ‘Natuur-, water- en milieuontwikkeling’. Overigens kan ook worden geconstateerd dat de invulling van de prioriteit 2 ‘Economische Stimulering’ in de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s minder voorspoedig verloopt dan in de Phasing out programma’s. Binnen de Phasing out programma’s blijft Zuid-Limburg relatief wat achter bij deze prioriteit. Prioriteit 3 Sociale Cohesie loopt in de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s en de

48

Doelstelling 5b Phasing out programma’s relatief goed. In de Doelstelling 2 Phasing out programma’s zijn naar verhouding nog slechts weinig EFRO-middelen gecommitteerd in deze prioriteit. In bijlage 5 zijn de EFRO-realisaties van de deelprogramma’s weergegeven. Globaal gezien volgen deze realisaties hetzelfde patroon als de committeringen in de deelprogramma’s die we hierboven besproken hebben. De uitkomsten spreken daarbij voor zich. 4.2.7 Cofinanciering EPD Zuid Naast de EFRO-committeringen en realisaties is het – ook voor de EU-financiering belangrijk om inzicht te hebben in de verhouding tussen de EFRO-bijdrage en de totale nationale publieke bijdrage (op prioriteitsniveau) die in de financiële tabel van het EPD Zuid-Nederland staat. Deze verhouding geldt voor de EU namelijk ook als uitgangspunt voor de eindafrekening van het programma. Het genereren van voldoende publieke cofinanciering is dus essentieel voor een succesvolle uitvoering en financiële afronding van het programma na 2007/2008. In tabel 4.3 hebben we allereerst voor het totale EPD-Zuid programma het geplande aandeel EFRO in de totale publieke kosten weergegeven. Datzelfde hebben we dan gedaan voor het gecommitteerde aandeel EFRO in de totale publieke kosten (aan de hand van de tot nu toe gehonoreerde projecten). Dit EFRO-aandeel in de totale publieke kosten wordt ook wel de publieke cofinancieringsratio genoemd. In ex-post evaluaties worden die cofinancieringsratio’s berekend op basis van de daadwerkelijke realisatie. In een mid-term evaluatie is dat echter niet zinvol, omdat de gerealiseerde cofinanciering gedurende het programma binnen de projecten fluctueert. Vandaar dat in midterm evaluaties wordt uitgegaan van de cofinancieringsratio’s aan de hand van de gecommitteerde bedragen voor de gehonoreerde projecten.

49

Tabel 4.3

Gepland (volgens het EPD Zuid-Nederland) en gecommitteerd aandeel EFRO in de totale publieke bijdrage (cofinancieringsratio’s) per prioriteit en maatregel en het programma als totaal Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO in totale publieke bijdrage gepland in EPD 41,0% 45,3% 45,4% 37,2% 38,4% 40,1% 46,8% 48,4% 41,3% 42,5% 41,0% 44,3% 45,0% 43,1% 50,0% 43,0% Aandeel EFRO in totale publieke bijdrage gecommitteerd 32,1% * 32,4% 31,0% 18,9% 36,2% 44,8% 45,8% 35,7% 28,5% 51,4% 27,6% 44,3% 42,3% 50,0% 35,7%

EPD Zuid-Nederland

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie van het bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal EPD Zuid * Nog geen projecten gecommitteerd.

Bron:

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Aan de hand van bovenstaande tabel kan de conclusie worden getrokken dat de (gecommitteerde) cofinanciering binnen het EPD Zuid tot nu toe goed op schema ligt. Het aandeel EFRO in de totale publieke bijdrage in de prioriteiten – en voor het programma als totaal – komt immers lager uit dan het aandeel dat oorspronkelijk begroot is in het EPD Zuid. Vooral in de prioriteiten 1. Ruimtelijke ontwikkeling en 3. Sociale Cohesie dragen de rijksoverheid, regionale en lokale overheden – op grond van de gecommitteerde projecten – flink meer bij dan het begrote aandeel. Op maatregelniveau is dit niet bij alle maatregelen het geval. In de maatregel 3.1 Human resources valt de cofinanciering tot nu toe namelijk lager uit dan oorspronkelijk geraamd. Het EFRO-aandeel in de totale gecommitteerde publieke bijdrage is dan ook omvangrijker dan gepland. Hoewel het programma niet op maatregelniveau wordt afgerekend, en de cofinancieringsratio in de prioriteit Sociale cohesie waarvan deze maatregel deel van uitmaakt tot nu toe gunstig is, ligt hier toch een aandachtspunt. 4.2.8 Cofinanciering naar deelprogramma Parallel aan de voorgaande analyse van de committeringen en realisaties zijn ook de cofinancieringsratio’s op deelprogrammaniveau naast elkaar gezet. Deze cijfers zijn opgenomen in bijlage 6. Hoewel deze ratio’s op zich niet bepalend zijn voor de eindafrekening van het programma door de Europese Commissie, is het toch belangrijk om inzicht te hebben in de cofinancieringsprestaties van de afzonderlijke deelprogramma’s. Hieraan kunnen we namelijk zien of publieke partijen in de verschillende deelregio’s/deelprogramma’s een verhoudingsgewijs gelijkmatig aandeel in het totale

50

cofinanciering van het EPD Zuid leveren. Het eerste wat de aandacht trekt in bijlage 6 is dat er opvallende verschillen in de geplande cofinanciering binnen dezelfde prioriteiten bestaan tussen de deelprogramma’s. Hierdoor hebben niet alle deelprogramma’s hetzelfde vertrekpunt. We moeten hierbij aantekenen dat een aantal maatregelen binnen de prioriteiten niet in alle deelprogramma’s worden uitgevoerd. Opmerkelijk is ook het geplande EFRO-percentage van 29,1% in de totale publieke bijdrage in de prioriteit Technische Bijstand in het Doelstelling 2 Phasing out programma Zuid-Limburg. In alle andere deelprogramma is dit percentage 50%. Nadere analyse van de cofinancieringsratio’s op deelregioniveau wijst uit dat het programma D2 platteland Noordoost Brabant precies ‘op schema ligt’ bij het genereren van cofinanciering. Dit geldt dan voor dit deelprogramma als geheel. Kijken we naar de afzonderlijke prioriteiten binnen dit deelprogramma dan wordt er binnen de prioriteiten Ruimtelijke ontwikkeling en Economische stimulering minder cofinancering gerealiseerd dan begroot, terwijl dit bij de prioriteit ‘Sociale cohesie’ hoger uitvalt. Bij de overige deelprogramma’s valt de cofinanciering hoger uit dan begroot. Wel is het ook bij enkele van deze deelprogramma’s zo dat voor één prioriteit de gecommitteerde cofinanciering lager uitvalt dan oorspronkelijk geprognotiseerd. Dit wordt dan echter gecompenseerd door beter dan verwachte cofinanciering in andere prioriteiten.

4.3

Beoordeling gecommitteerde en gerealiseerde outputs

4.3.1 Gecommitteerde en gerealiseerde outputs Ultimo 2002 waren er voor het EPD Zuid in totaal 123 projecten goedgekeurd (exclusief Technische Bijstand) door de respectievelijke Stuurgroepen. De verdeling van deze projecten over de prioriteiten en maatregelen is in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 4.4 Verdeling gehonoreerde projecten EPD Zuid over prioriteiten en maatregelen Aantal projecten 41 0 7 11 5 18 56 46 10 26 6 20 123 Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Prioriteiten/maatregelen Prioriteit 1 - Ruimtelijke ontwikkeling Maatregel 1.1 Ruimtelijke herstructurering Maatregel 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling Maatregel 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Maatregel 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur Maatregel 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Prioriteit 2 - Economische stimulering Maatregel 2.1 Versterking concurrentepositie van het bedrijfsleven (MKB) Maatregel 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Prioriteit 3 - Sociale cohesie Maatregel 3.1 Human resources Maatregel 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit Totaal Bron:

51

Tabel 4.4 laat verder zien dat in de maatregelen 1,5, 2.1 en 3.2 relatief veel projecten gehonoreerd zijn terwijl dit bij de maatregelen 1.1, 1.2, 1.4 en 3.1 achterblijft. Dit beeld strookt ook relatief goed met de geschetste financiële voortgang in de voorgaande paragrafen. Bovenstaande projecten dienen een bijdrage te leveren aan de realisatie van de inhoudelijke indicatoren. In het programmacomplement bij het EPD Zuid-Nederland zijn namelijk programma-indicatoren vastgesteld. Aan de hand daarvan moet inzicht worden verkregen in de inhoudelijke voortgang van het programma. In het navolgende zullen we dan ook nagaan hoe de ‘scores’ op deze indicatoren verlopen. Daarbij wordt – ook conform het programmacomplement – een drietal typen indicatoren onderscheiden, te weten outputindicatoren, resultaatindicatoren en sociaal-economische indicatoren. Projectindieners dienen daarbij aan te geven welke bijdrage hun project zal leveren aan het realiseren van deze indicatoren. Tijdens de uitvoering van hun projecten dienen de projectindieners dan periodiek aan te geven welke voortgang zij daarin geboekt hebben. In de monitoringsystemen van het programmamanagement van de deelprogramma’s worden de indicatoren bijgehouden aan de hand van de voortgangsrapportages van de projectindieners. We komen in paragraaf 6.7 meer uitgebreid terug op het onderwerp monitoring. Op deze plaats merken we wel op dat de monitoringgegevens voor het EPD Zuid als geheel nog niet continu (en actueel) beschikbaar zijn. Dat heeft ook te maken met het feit dat de implementatie van het PBS monitoringsysteem de nodige vertraging opgeleverd heeft. In 2002 was het PBS namelijk nog niet volledig operationeel. Hier valt dus nog een ‘verbeterslag’ te maken waar we in de aanbevelingen op terugkomen. Het bovenstaande impliceert ook dat tot op heden (medio 2003) de inhoudelijke monitoring van het EPD Zuid als totaal min of meer ‘handmatig’ plaats moet vinden. Daarbij moeten dan afzonderlijke (Excel-)bestanden – die betrekking hebben op de inhoudelijke voortgang in de afzonderlijke deelregio’s – geaggregeerd worden. We hebben daarbij verder kunnen constateren dat er in feite een tweetal separate ‘trajecten’ voor de monitoring lopen die elk dus de nodige energie kosten. In de eerste plaats dient er voor het Ministerie van Economische Zaken periodiek een rapportage te worden vervaardigd waarbij er (onder andere) inzicht dient te worden geboden in de inhoudelijke voortgang. Daarvoor dienen de scores op de indicatoren niet op maatregelniveau maar geaggregeerd – voor het programma als geheel – gepresenteerd te worden. Deze ‘geaggregeerde’ indicatoren staan in feite in tabel 4.5 weergegeven. Daarnaast is er dan de rapportage – via jaarrapportages – aan de Europese Unie. Daarvoor is het (wel) nodig dat de indicatoren op maatregelniveau – zoals in tabel 4.6 – gepresenteerd worden. In tabel 4.5 geven we, zoals gezegd, de geaggregeerde scores voor het EPD Zuid op de outputindicatoren weer. In tabel 4.5 zijn ook de streefwaarden aangegeven die eind 2003 en eind 2006 gecommitteerd moeten zijn. Deze streefwaarden zijn vastgelegd in het programmacomplement. Een deel van deze indicatoren is overigens ook relevant voor de zogenaamde ‘prestatiereserve’. Eén van de drie criteria waarop de Europese Commissie de uitvoering van programma’s namelijk beoordeelt, om in aanmerking te komen voor middelen uit de prestatiereserve, is ‘effectiviteit’. De andere twee criteria zijn ‘beheer’ en ‘financiële uitvoering’. Wanneer de programma’s goed scoren op deze drie criteria zal de Europese Commissie – in de vorm van een extra EFRO-budget – in 2004 een prestatiereserve toekennen. De cursief gedrukte indicatoren in de tabel zijn de (effectiviteits)indicatoren voor de prestatiereserve. Overigens zijn er ook resultaatindicatoren voor de prestatiereserve opgenomen. Deze komen in paragraaf 4.4 aan bod.

52

Tabel 4.5

Gecommitteerde en gerealiseerde outputindicatoren in het EPD Zuid-Nederland per 31-12-2002

Aandeel gecommitteerd (streefwaarde 2003)

Aandeel gerealiseerd (streefwaarde 2003)

Gecommiteerd

per 31-12-2002

per 31-12-2002

Streefwaarde*

Streefwaarde*

Gerealiseerd

Beoordeling voortgang

per 2003

per 2006

Outputindicatoren EPD ZuidNederland Hectare met gewijzigde of verbeterde functie Aantal gefaciliteerde sterlocaties Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accomodaties M2 nieuwe of gerenoveerde bedrijfs-/ kantooppervlakte Aantal facilitaire voorzieningen Nieuwe of verbeterde toeristische voorzieningen M2 nieuwe of verbeterde oppervlakte openbare ruimte Ondernemers met directe financiële bijstand Ondernemers in milieuproject Ondernemers dat deelneemt aan ICT/R&D projecten Aantal nieuwe clusters/samenwerkingsverbanden Aantal promotieactiviteiten Aantal promotiestrategieën Nieuwe verbeterde sociale/culturele voorzieningen *

542 890 90 8

3.157 43 34 66.785 29 159

493 0 3 0 6 23

245 0 3 0 7 17 69.289 306 12 118 45 12 0 6

91% -

37% -

+ 0 + 0 + + ++ + + ++ + + + ++

84% 16% 188%

34% 13% 75%

5.239 185.780 3.234 295 137 219 14 32 32 750 14 216 44 0 16 15

Deze streefwaarden komen uit het programmacomplement. Dit geldt ook voor de streefwaarden in de navolgende tabellen 4.6, 4.7 en 4.8. Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Bron:

Een belangrijke conclusie uit bovenstaande tabel is dat de ‘gecommitteerde’ outputindicatoren voor de prestatiereserve – behoudens ‘het aantal ondernemers in milieuprojecten’ – goed op schema liggen. Ook qua ‘scores’ op de outputindicatoren, die niet voor de prestatiereserve zijn opgenomen, treffen we een overwegend positief beeld aan. Wel zijn er enkele outputindicatoren die ultimo 2002 nog op ‘nul’ stonden, namelijk het aantal gefaciliteerde sterlocaties en het aantal vierkante meters nieuwe of gerenoveerde bedrijfs-/kantooroppervlakte. Voor de indicator ‘sterlocaties’ is dit ‘verklaarbaar’ omdat deze indicator gerealiseerd zou moeten worden vanuit maatregel 1.1. Hiervoor is echter al gebleken dat in deze maatregel nog geen enkel project gecommitteerd is. Voor de andere indicator waar nog geen effecten zijn gecommitteerd geldt deze verklaring niet. In maatregel 1.3, waaruit deze indicator gerealiseerd moet worden, is al wel een behoorlijk aantal projecten gecommitteerd, maar geen van deze projecten heeft de genoemde indicator als outputeffect. In de tot nu toe gecommitteerde projecten in maatregel 1.3 gaat het bijvoorbeeld veelal om de ontwikkeling of revitalisering van bedrijventerreinen en niet zozeer om de nieuwbouw of renovatie van bedrijfspanden.

53

In de laatste kolom van de tabel hebben we overigens een beoordeling in de voortgang van de outputindicatoren weergegeven. Een plus geeft daarbij aan dat er reeds op de betreffende indicator is gecommitteerd en een dubbele plus betekent dat de streefwaarde per 2006 qua committeringen reeds is behaald. Een nul tenslotte wil zeggen dat er nog geen projecten gecommitteerd zijn die scoren op de betreffende indicator. We zullen nu in tabel 4.6 de gecommitteerde en gerealiseerde outputindicatoren per maatregel beschouwen.

54

Tabel 4.6

Voortgang in de committeringen en realisatie van outputs per prioriteit/maatregel, absoluut en als aandeel van de streefwaarde in 2005/2006 volgens het EPD Zuid-Nederland (programmacomplement) per 31-12-2002

Streefwaarde 2005-2006

Gecommitteerd

Aandeel gecommitteerd

Gerealiseerd

Aandeel gerealiseerd

Outputindicatoren

Maatregel 1.1 - Herschikking functies buitengebied Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal gefaciliteerde sterlocaties Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.2 - Natuur-, water- en milieuontwikkeling Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.3 - Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal m2 nieuw of gerenoveerd bedrijfs- of kantoorvloeroppervlakte Maatregel 1.4 - Versterking fysieke kennisinfrastructuur Aantal facilitaire voorzieningen Maatregel 1.5 - Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Aantal nieuwe en/of verbeterde toeristische voorzieningen Aantal m nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Maatregel 2.1 - Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal ondernemers dat deelneemt aan ICT/R&D-projecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal promotie-activiteiten Maatregel 2.2 - Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal nieuwe promotiestrategieën Maatregel 3.1 - Human resources Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Maatregel 3.2 - Sociale cohesie en culturele identiteit Aantal m2 nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Aantal nieuwe of verbeterde sociaal-culturele of cultuurhistorische voorzieningen Bron: 3.259 32 86.231 15 2.645,9% 53.089 46,9% 6 1.629% 18,7% 587 25 70 1 11,9% 4,0% 20 2 3,4% 8% 429 111 36 32 60 0 12 16 14,0% 0% 33,3% 50,0% 79 0 2 0 18,4% 0% 5,6% 0% 2.218 184 137 158 14 620 14 216 31 0 27,9% 7,6% 157,7% 19,6% 0% 207 12 118 41 12 9,3% 6,5% 86,1% 25,9% 85,7%
2

1.306 43 12 1.667 22

0 0 0 53,5 3

0% 0% 0% 3,2% 13,6%

0 0 0 4 3

0% 0% 0% 0,2% 13,6%

184 66.785

439 0

238,6% 0%

197,5 0

107,3% 0%

29

6

20,7%

7

24,1%

159 1.980

23 99.549

14,5%

17

10,7% 818,2%

5.027,7% 16.200

Stimulus Programmamanagement (Jaarverslag 2002), bewerking Bureau Bartels

De committering van outputindicatoren op maatregelniveau is in feite een verdieping van de gegevens die we in tabel 4.5 presenteerden. Uit tabel 4.6 volgt dat de realisatie van de streefwaarden van indicatoren – die in meerdere maatregelen voorkomen – grote

55

verschillen vertonen. Als voorbeeld noemen we het ‘aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie’. Deze outputindicator wordt gehanteerd in de maatregelen 1.1, 1.2. en 1.3. In maatregel 1.1 wordt uiteraard nog niet ‘gescoord’ op de indicatoren omdat er nog geen projecten gecommitteerd zijn. In maatregel 1.2 is de realisatie voor deze indicator – op basis van de committeringen – ruim 3%, terwijl ditzelfde percentage in maatregel 1.3 op bijna 239% uitkomt. Vergelijkbare variaties treffen we ook aan bij andere indicatoren. Ook bestaan er grote verschillen in de committering van indicatoren binnen maatregelen. In maatregel 2.1 bijvoorbeeld varieert het committeringspercentage van vijf verschillende outputindicatoren van zo’n 6% tot 86%. Dit hangt vanzelfsprekend in belangrijke mate samen met het type projecten dat wordt goedgekeurd. Bij de beoordeling van de financiële voortgang stelden we dat, op basis van de reeds verstreken en nog resterende looptijd van het programma, eind 2002 zo’n 32% van het budget gecommitteerd zou moeten zijn (uitgaande van een lineaire inzet van het EFRObudget). Dit percentage kunnen we tevens als globaal ijkpunt aanhouden in het beoordelen van de voortgang in de committering van effecten. Dan blijkt dat ongeveer eenvijfde deel van de indicatoren boven dit percentage uitkomt. In het volgende hoofdstuk dat over efficiency gaat zullen we deze effecten overigens meer nauwgezet relateren aan het inmiddels ‘ingezette’ EFRO-budget. Immers, dit budget komt gemiddeld ook onder de 32% uit zodat logischerwijze ook verwacht kan worden dat de scores op de output- en resultaatindicatoren lager uitvallen. De daadwerkelijke realisatie van effecten (zie ook tabel 4.6) loopt logischerwijs achter bij de gecommitteerde effecten, parallel aan de gecommitteerde en reeds gerealiseerde EFRO-budgetten. Opvallend is wel dat enkele indicatoren in de realisatie toch hoger scoren dan in de committering. Dit is verklaarbaar doordat er binnen projecten in kwantitatieve zin toch nog meer effecten gerealiseerd zijn dan vooraf in het projectplan en de beschikking is vastgelegd. Deze bevinding wordt ook door enkele projectindieners verderop in deze paragraaf bevestigd. 4.3.2 Beoordeling outputindicatoren Over het algemeen blijken de in het programmacomplement gekozen output- en resultindicatoren goed toepasbaar en geschikt te zijn om (een deel van) de effectiviteit van het EPD Zuid te meten. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de gesprekken die we zowel met de programmamanagers als met de projectindieners hebben gevoerd. Overigens is dit ook wel ‘verklaarbaar’ omdat er destijds – bij het samenstellen van het programmacomplement – de nodige energie gestoken is in het formuleren van de outputen resultaatindicatoren. Ook heeft de ex-ante evaluatie een aantal suggesties opgeleverd die verwerkt zijn in de keuze van deze indicatoren. Overigens loopt de indicatorenset vrijwel parallel met de indicatoren in het EPD Oost. Niettemin hebben we enkele suggesties voor aanpassingen in de outputindicatoren. De achtergrond hiervan is dat – zoals we hiervoor zagen – enkele indicatoren extreme waarden noteerden. Enerzijds komt dit wellicht doordat er van bepaalde typen projecten een groter aantal is gecommitteerd dan vooraf ingeschat. Anderzijds worden er in bepaalde gevallen binnen dezelfde indicatoren verschillende typen effecten bij elkaar opgeteld. Voor deze laatste indicatoren is het aanbevelenswaardig om tot een nadere uitwerking te komen. Wij zullen hier een voorzet voor geven. Het ‘aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie’ (in maatregel 1.1, 1.2 en 1.3) zou opgesplitst kunnen worden in: ? ‘het aantal hectare gebied dat fysiek aangepast of verbeterd’ is; ? ‘het aantal hectare gebied dat beter ontsloten is’. In het eerste geval gaat het dus om fysieke ingrepen in het gebied zelf (bijvoorbeeld via de aanleg of revitalisering van een bedrijventerrein), terwijl de tweede outputindicator een soort afgeleid outputeffect oplevert (bijvoorbeeld dat een gebied beter ontsloten wordt door de aanleg van een ontsluitingsweg).

56

Een tweede outputindicator – het ‘aantal vierkante meters nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte’ in de maatregelen 1.5 en 3.2 – zou omgevormd kunnen worden naar drie nieuwe indicatoren. In maatregel 3.2 wordt bijvoorbeeld de renovatie van een dorpshuis, waarmee een beperkt aantal vierkante meters is gemoeid, opgeteld bij het aantal vierkante meters verbeterd gebied als gevolg van de aanleg van een rondweg. Dit leidt tot een vertekend beeld waarbij het laatstgenoemde project op voorhand veel efficiënter lijkt. Verder doet zich ook binnen deze indicator het effect voor dat feitelijke ‘gebiedsverbeteringen’ worden opgeteld bij het effect van ‘verbeterde ontsluiting’ van gebieden. We stellen daarom voor om vanuit de bestaande indicator te komen tot: ? ‘het aantal hectare nieuw of verbeterd gebied; ? ‘het aantal hectare beter ontsloten gebied; ? ‘het aantal vierkante meters nieuw of verbeterd openbaar gebouw’. Voor deze nieuwe indicatoren zouden dan tevens nieuwe streefwaarden geformuleerd moeten worden. 4.3.3 Output- en resulteffecten bij projectuitvoerders In hoofdstuk 1 hebben we de aanpak van deze evaluatie geschetst. Eén van de onderzoeksactiviteiten die daarin aan de orde kwam is het interviewen van een veertigtal projectuitvoerders. Deze projectindieners hebben we ook gevraagd naar de realisatie van output- en resultindicatoren. Van projecten wordt namelijk verwacht dat zij een bijdrage leveren aan vooraf vastgestelde indicatoren, zoals we in het voorgaande ook al aangaven. Per project worden de ‘streefwaarden’ vooraf vastgesteld (in de committeringsbrief). Wij hebben getoetst of de 41 onderzochte projecten (dit is ongeveer eenderde van het totale aantal goedgekeurde projecten) in de uitvoering nu nog steeds op schema liggen en of de projectuitvoerders nog steeds verwachten dat ze hun oorspronkelijke doelstellingen voor de output- en resultindicatoren uiteindelijk zullen realiseren. Daartoe hebben we de respondenten gevraagd welke output- en resulteffecten zij met hun project (nu al) gerealiseerd hebben en welke effecten men nog verwacht te realiseren. In bijlage 8 wordt hiervan op maatregelniveau een compleet overzicht gegeven. Dit overzicht sluit aan bij de indeling in het programmacomplement van het EPD en de monitoringsystemen van het programmamanagement. Uit de gegevens blijkt dat 73% van de respondenten (N=41) aangeeft dat ze nog steeds op schema liggen wat betreft de vooraf gestelde doelstellingen voor de output- en resultindicatoren. Daarnaast geeft 15% aan het beter te doen dan de vooraf gestelde doelen, 10% doet het slechter en 2% presteert op de ene variabele beter en op de andere slechter. Bij de respondenten die aangeven dat ze beter presteren dan verwacht gaat het met name om betere prestaties op de indicator van bruto gecreëerde werkgelegenheid. Dit is één van de resultindicatoren. Veelal gaat het daarbij overigens om kleine aantallen. Bij één project in de steekproef worden echter aanmerkelijk hogere bruto gecreëerde werkgelegenheidseffecten verwacht (1.000 fte’s waar er 750 fte’s werden verwacht). De ‘verklaring’ hiervoor is dat het grondgebruik intensiever uitvalt dan verwacht in een ontwikkelingsproject voor een bedrijventerrein. Bij één project is sprake van een hoger verwacht bezoekersaantal (outputindicator). In dit project gold een doelstelling van 3000 bezoekers, maar inmiddels worden er 5000 verwacht. In de 10% van de ondervraagde projecten waarin het resultaat naar verwachting slechter uit zal vallen dan oorspronkelijk verwacht, werd in drie gevallen aangegeven dat dit betrekking heeft op de indicator ‘het aantal ondernemers dat financiële bijstand ontvangt’. Als oorzaak hiervoor wordt met name gewezen op de economische dip van dit moment. Hierdoor zijn ondernemers minder bereid tot het doen van investeringen. Bij één project zal de bruto gecreëerde werkgelegenheid iets lager uitvallen dan in de doelstelling aangegeven is.

57

Op basis van de gesprekken met de projectindieners over het realiseren van de outputen resultindicatoren, kunnen we stellen dat de vooraf ingeschatte effecten – zoals die ook zijn opgenomen in de monitoringsystemen – over het algemeen nog steeds valide zijn. In de uitvoering van projecten ontstaan wel eens wat afwijkingen van de vooraf verwachte en vastgestelde effecten, maar die afwijkingen zijn meestal in positieve zin. Daar waar de realisaties toch achterblijven bij de verwachtingen zijn die beperkt van omvang. Dit overwegend positieve beeld vanuit onze steekproef van projectuitvoerders omtrent de realisatie van effecten komt ook overeen met de gegevens vanuit de monitoringsystemen. Over het algemeen geven de gegevens uit de monitoringsystemen daarmee een betrouwbaar beeld van de inhoudelijke voortgang van het EPD Zuid. In deze paragraaf zijn we al even kort ingegaan op de resultaatindicatoren bij de geïnterviewde projectindieners. We zullen nu in paragraaf 4.4 wat uitgebreider ingaan op deze indicatoren vanuit de gegevens uit de monitoringsystemen.

4.4

Beoordeling economische effecten

4.4.1 Gecommitteerde en gerealiseerde results Een volgende stap in de analyse van effecten is de beoordeling van de economische effecten aan de hand van de gecommitteerde en gerealiseerde resultaatindicatoren. In tabel 4.7 geven we hiervan een overzicht op EPD Zuid niveau. In deze tabel is één resultindicator cursief weergeven, namelijk de bruto gecreëerde werkgelegenheid1 . Dit is – net als in de tabel (4.5) met outputindicatoren in de vorige paragraaf – namelijk een indicator voor de prestatiereserve.
Tabel 4.7 Gecommitteerde en gerealiseerde resultaatindicatoren in het EPD Zuid-Nederland per 31-12-2002

Aandeel gecommitteerd (streefwaarde 2003)

Aandeel gerealiseerd (streefwaarde 2003)

Gecommiteerd

per 31-12-2002

per 31-12-2002

Streefwaarde

Streefwaarde

Gerealiseerd

Beoordeling voortgang

per 2003

per 2006

Result-indicatoren EPD ZuidNederland Bruto gecreëerde werkgelegenheid Behouden werkgelegenheid Aantal (nieuw) gevestigde bedrijven Aantal bezoekers Startende ondernemingen Deelnemende MKB-bedrijven aan samenwerkingsproject. Aantal innovatieve producten en nieuwe (productie)methoden Bron:

1.183 0 0 0 0 0

6.998 719 183 118.219 329 720 36

4.906 9 335 614.905 63 67 443

1.614 0 114 92.814 68 69 169

415%

136%

++ + ++ ++ + + ++

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Tabel 4.7 wijst uit dat de ultimo 2002 gecommitteerde bruto gecreëerde werkgelegenheid de streefwaarde van eind 2003 al ruimschoots overschreden heeft. De gecommitteerde bruto gecreëerde werkgelegenheid overtrof de streefwaarde van een jaar later bijna vijf
1

Bruto gecreëerde werkgelegenheid is de structurele nieuwe werkgelegenheid die in de regio ontstaat als zowel direct (bedrijfsgerichte maatregelen) gevolg als vanuit indirect (voorwaardescheppende infrastructurele maatregelen) gevolg van projecten die vanuit het programma worden medegefinancierd (bron: programmacomplement)

58

maal. Ook kunnen we becijferen dat met 24% van het gecommitteerde EFRO-budget reeds 83% van de streefwaarde van het programma voor deze indicator (per 2006) is behaald. Een aantal andere resultaatindicatoren heeft de streefwaarde per 2006 reeds gehaald, zoals het aantal innovatieve producten en nieuwe productiemethoden, het aantal bezoekers en het aantal gevestigde bedrijven. Er zijn overigens ook indicatoren die juist een wat tegenvallende realisatie laten zien ten opzichte van de streefwaarden, zoals de behouden werkgelegenheid, aantal deelnemende MKB-bedrijven aan samenwerkingsprojecten en het aantal startende ondernemingen. Conform de aanpak in de vorige paragraaf zullen we nu in tabel 4.8 de voortgang van de resultaatindicatoren per maatregel bespreken.

59

Tabel 4.8

Voortgang in de committering en realisatie van resultindicatoren per maatregel, absoluut en als aandeel van de streefwaarde in 2007/20082 volgens het EPD Zuid-Nederland (programmacomplement) per 31-12-2002

Resultindicatoren

Streefwaarde

Gecommitteerd

Aandeel gecommitteerd

Gerealiseerd

Aandeel gerealiseerd

Maatregel 1.1 - Herschikking functies buitengebied Bruto gecreëerde werkgelegenheid Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.2 – Natuur-, water- en milieuontwikkeling Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.3 – Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal (nieuw) gevestigde bedrijven Maatregel 1.4 – Versterking fysieke kennisinfrastructuur Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 1.5 – Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal bezoekers Maatregel 2.1 – Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal startende ondernemingen Aantal deelnemers aan samenwerkingsprojecten Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal innovatieve producten en nieuwe (productie)methoden Maatregel 2.2 – Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal startende ondernemingen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 3.1 – Human resources* Maatregel 3.2 – Sociale cohesie en culturele identiteit Bruto gecreëerde werkgelegenheid * 128 4,5 3,5% 0 0% 97 514 5 54 5,1% 10,5% 6 52 6,2% 10,1% 232 720 1.568 36 58 67 2.003 443 25,0% 9,3% 127,7% 1.230,6% 62 69 941 169 26,7% 9,6% 60,0% 469,4% 295 118.219 306 614.905 103,7% 520,1% 105 92.814 35,6% 78,5% 375 40 10,7% 19,4 5,2% 1.942 183 2.498 335 128,6% 183,1% 497 114 25,6% 62,3% 174 9 5,2% 9 5,2% 2.176 545 0 0 0% 0% 0 0 0% 0%

Voor deze maatregel is geen resultindicator in het programmacomplement opgenomen.

Uit tabel 4.7 bleek dat de resultaatindicator ‘Bruto gecreëerde werkgelegenheid’ de streefwaarde per eind 2003 nu al heeft behaald. Een nadere uitsplitsing van deze indicator naar de verschillende maatregelen in de bovenstaande tabel geeft aan dat dit niet geldt in alle maatregelen. In de maatregelen 1.1, 1.4, 2.2 en 3.2 laat het tot nu toe behaalde resultaat voor deze indicator te wensen over. Het sterke bruto werkgelegenheidseffect doet zich met name voor in de maatregelen 1.3, 1.5 en 2.1.
2

Voor het programma D2 Platteland Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg zijn dit streefwaarden voor eind 2008, voor de Phasing out programma’s 5b Zeeuwsch-Vlaanderen, Noord- en Midden-Limburg en D2 Zuid-Limburg en Zuidoost-Brabant gelden de streefwaarden voor eind 2007.

60

In het bovenstaande zijn de cijfers voor de gecommitteerde bruto werkgelegenheidseffecten gepresenteerd. Uiteraard valt te verwachten dat uiteindelijk de gerealiseerde netto werkgelegenheidseffecten 3 ruimschoots lager uit zullen vallen. Het punt is echter dat dergelijke netto-effecten pas op termijn geëffectueerd zullen worden. Mede daardoor valt op dit moment (2003) dan ook nauwelijks een betrouwbare inschatting van deze netto-effecten te maken. Ook het al reeds eerder gememoreerde evaluatiekader biedt wat dit aangaat weinig soelaas. Op zich is er in dit kader wel een aantal ‘toolkits’ opgenomen die handelen over de ‘vertaling’ van bruto naar netto werkgelegenheidseffecten. Nadere bestudering hiervan leert echter dat: § voor verschillende maatregelen van het EPD Zuid sowieso geen toolkits zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld voor de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.2); § de toolkits die wel opgenomen zijn veelal geen concrete uitwerking – maar meer ‘overwegingen’ of ‘beschouwingen’ – behelzen die nog alle ruimte voor eigen interpretaties en aannames mogelijk maken. Kortom, ook met (de toolkits van) het evaluatiekader kan geen eenduidige en betrouwbare inschatting van de netto werkgelegenheidseffecten worden gemaakt. Om deze reden is – in nauw overleg met de beheersautoriteit – besloten om af te zien van het maken van een (uiteindelijk toch vrij willekeurige) vertaalslag van bruto naar netto werkgelegenheidseffecten. Dit zou alleen maar ‘schijnexactheid’ suggereren terwijl het bovendien zo is dat er (mede daardoor) ook geen doelstellingen voor de indicator netto werkgelegenheid in het EPD Zuid en het bijbehorende programmacomplement zijn opgenomen. 4.4.2 Beoordeling resultindicatoren In subparagraaf 4.3. hebben we aangegeven dat zowel de gekozen output- als resultindicatoren globaal gezien goed toepasbaar en geschikt zijn voor het (ten dele) toetsen van de programma-effectiviteit. Wel deden we een aantal suggesties om de outputindicatorenset op enkele punten iets aan te passen, waarmee de toepasbaarheid en geschiktheid nog verder kan worden vergroot. Ook voor de toepassing van de resultindicatoren hebben we enkele aanbevelingen. De eerste resultindicator waarvoor we een aanpassing voorstellen is ‘het aantal bezoekers’ . De indicator is nu namelijk erg algemeen gesteld. Daardoor worden bezoekersaantallen van verschillende typen projecten bij elkaar genomen. Zo betekent het ‘aantal bezoekers’ aan een verbeterde, bestaande voorziening iets heel anders dan het ‘aantal bezoekers’ aan een geheel nieuwe toeristische voorziening. Bovendien is het wenselijk om te weten hoeveel ‘extra’ bezoekers een verbeterde bestaande voorziening weet te trekken. De resultindicator ‘aantal bezoekers’ zou daarom gesplitst kunnen worden in: ? het ‘aantal bezoekers aan nieuwe voorzieningen’; ? het ‘aantal extra bezoekers aan bestaande voorzieningen’. Eén van de resultindicatoren is ‘behouden werkgelegenheid’. Deze indicator wordt toegepast in de maatregelen 1.1 en 1.2. Naar ons idee zou ‘behouden werkgelegenheid’ zinvol toegevoegd kunnen worden aan maatregel 1.3 ‘Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen. Nu wordt er in deze maatregel alleen de indicator bruto gecreëerde werkgelegenheid gehanteerd, maar bijvoorbeeld het revitaliseren van een bedrijventerrein of een gedeelte daarvan, kan er toe leiden dat bedrijven ter plekke gevestigd blijven in plaats van te migreren. In dat geval is er sprake
3

Bij netto werkgelegenheid gaat het om de additionele werkgelegenheid voor het programmagebied. Zo wordt bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen bij bruto werkgelegenheid gekeken naar het aantal arbeidsplaatsen dat op deze terreinen gerealiseerd kan worden, los van de vraag waar de bedrijven vandaan zullen komen die zich daar zullen gaan vestigen. Bij netto werkgelegenheid worden alleen die arbeidsplaatsen meegeteld die voortvloeien uit bedrijfsvestiging van bedrijven die van buiten het programmagebied komen. Bovendien dient daarbij dan ook rekening te worden gehouden met zaken als substitutie-effecten: arbeidsplaatsen die bij gevestigde bedrijven in het programmagebied verdwijnen door de komst van externe bedrijven (dit i.v.m. toenemende concurrentie).

61

van een behoud van werkgelegenheid, die nu dus niet wordt meegeteld. Voor de ‘nieuwe’ indicatoren en de bestaande indicator ‘behouden werkgelegenheid’ die aan maatregel 3.1 zou kunnen worden toegevoegd zouden – evenals voor de ‘nieuwe’ outputindicatoren – streefwaarden geformuleerd dienen te worden. 4.4.3 Belang van de EFRO-ondersteuning op projecten Om aanvullend inzicht te verkrijgen in de betekenis (en daarmee effectiviteit) van de ingezette EFRO-ondersteuning hebben we de door ons geraadpleegde projectuitvoerders ook gevraagd om het relatieve belang van deze ondersteuning op een aantal aspecten aan te geven. De uitkomsten hiervan presenteren we in figuur 4.1.
Figuur 4.1 Gemidde lde betekenis van de subsidie voor verschillende aspecten van de ondersteunde projecten volgens de geraadpleegde projectindieners (N=39)

Doorgaan van het project Omvang van het project Kwaliteit van het project Snelheid start project Doorlooptijd 1 1,5 2 2,5 3 3,5 4 4,5 5

Legenda: 1= geen betekenis 2= geringe betekenis 3= redelijke betekenis 4= grote betekenis 5= doorslaggevende betekenis

De figuur laat zien dat de financiële ondersteuning vooral van groot belang is geweest voor het sowieso doorgaan van het project. Het overgrote deel van de projectindieners geeft dan ook aan dat het project zonder deze ondersteuning niet van de grond zou zijn gekomen. Ook voor de omvang en de kwaliteit van het project is de betekenis van de ondersteuning (redelijk) groot geweest. Daarmee wordt bedoeld dat projectindieners door de EFRO-ondersteuning in staat zijn geweest om hun projecten grootschaliger en/of op een kwalitatief hoogwaardiger wijze uit te voeren. De betekenis voor de snelheid en de doorlooptijd van de projecten daarentegen is beperkt geweest. Vervolgens hebben we de projectindieners ook gevraagd naar de betekenis van het ondersteunde project voor de eigen organisatie. Dit geeft een indicatie van het strategisch belang van de ondersteunde projecten voor de projectindieners. In tabel 4.9 presenteren we de resultaten.

62

Tabel 4.9

De betekenis van het ondersteunde project voor de projectindienende organisatie volgens de projectindieners (N=40) Aandeel projecten 5% 33% 42% 15% 5% 100%

Invloed op organisatie Zeer grote invloed Grote invloed Redelijk grote invloed Geringe invloed Zeer geringe invloed Totaal

Het blijkt dat voor veel projectuitvoerders de ondersteunde projecten van (redelijk) grote betekenis zijn. Dit geldt namelijk voor ongeveer 80% van de ondervraagde projectuitvoerders. Slecht één op de vijf spreekt van een geringe of zeer geringe betekenis.

4.5

Realisatie sociaal-economische doelstellingen

De uitvoering van structuurversterkende programma’s zoals het EPD Zuid kan een bijdrage leveren aan het realiseren van de sociaal-economische doelstellingen zoals die voor het programmagebied zijn geformuleerd. Daarbij dient wel onderkend te worden dat zeker voor de Nederlandse context – waar de omvang van de programma’s in relatie tot bijvoorbeeld de totale omvang van het investeringsvolume vrij bescheiden is – sociaaleconomische trends ook en met name door veel andere (externe) factoren beïnvloed worden. In het evaluatiekader wordt dan ook gesteld dat de kwantitatieve impact van dergelijke programma’s voor de Nederlandse context niet of nauwelijks vast te stellen is. Wel wordt daarin aangegeven dat het zinvol is om in de (on-going) evaluatie na te gaan of de programmagebieden zich in sociaal-economisch opzicht in de richting begeven zoals in de EPD’s wordt geambieerd. Dit zal dan ook het thema vormen van deze paragraaf. Ook in het EPD Zuid zijn namelijk – voor de verschillende programmagebieden – sociaal-economische doelstellingen geformuleerd. In het onderstaande zal nagegaan worden in hoeverre het programma ‘op schema’ ligt bij het realiseren van dit type doelstellingen. Voor een aantal sociaaleconomische variabelen zijn namelijk doelstellingen/streefwaarden opgenomen die halverwege de looptijd van het programma (ultimo 2003) gerealiseerd moeten zijn. We zullen nu successievelijk deze sociaal-economische doelstellingen, de bijbehorende indicatoren en de daarvoor geformuleerde (kwantitatieve) doelstellingen de revue laten passeren. Voor de betreffende sociaal-economische indicatoren presenteren we de resultaten uit de nulmeting en de meest recente beschikbare cijfers. Voor enkele indicatoren hebben we ten opzichte van de oorspronkelijke nulmetingen – voor de vergelijkbaarheid en de consistentie – wat aanpassingen moeten doen. We konden in die gevallen met de huidige beschikbare cijfers geen aansluiting vinden bij de nulmeting die in het programmacomplement staat. In sommige gevallen heeft het CBS zelf (met terugwerkende kracht) wijzigingen in het cijfermateriaal aangebracht en ook kwam het voor dat cijfermateriaal niet op het gewenste gemeentelijk schaalniveau beschikbaar bleek. In die gevallen moesten we het met COROP-cijfers doen. We zullen per indicator melding maken van eventuele wijzigingen. In de ex-ante evaluatie werd destijds geconstateerd dat voor de sociaal-economische indicatoren in het complement niet altijd de publicaties en jaartallen van de informatiebronnen werden vermeld. Dit bemoeilijkt volgens de ex-ante evaluator de informatieverzameling in de on-going en ex-post evaluatie. Wij kunnen dat uit ondervinding bevestigen. Om nu de toekomstige ex-post evaluatie te vergemakkelijken hebben we bij de tabellen een meer uitgebreide bronvermelding opgenomen, dat wil

63

zeggen, de bronhouder, publicatie en jaartal. Verder hebben we een extra rij ‘totaal EPDZuid’ in de tabellen opgenomen om niet alleen de ontwikkeling naar deelgebieden te schetsen, maar ook voor het gehele programmagebied. Ook dit is volgens ons wenselijk voor een adequate (ex-post) evaluatie. We beginnen met de eerste sociaal-economische doelstelling.
Sociaal economische doelstelling:

?

Het verbeteren van het economische en sociale vestigingsklimaat voor bedrijven en personen.

Indicator:

? ?

Aantal bedrijfsvestigingen (bronhouder: CBS).

Streven: Procentuele toename van het aantal gevestigde bedrijven conform het landelijk gemiddelde.

Tabel 4.10

Ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1998-2001) Nulmeting 1998 42.315 33.715 6.510 25.440 107.980 759.845 2001 42.175 35.075 6.525 25.805 109.580 778.630 Ontwikkeling in % -0,3% 4,0% 0,2% 1,4% 1,5% 2,5%

Gebied COROP-gebieden Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg COROP-gebied Zuidoost-Brabant COROP-gebied Zeeuwsch-Vlaanderen COROP-gebied Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland Bron:

CBS, Vestigingen naar activiteit, provincie en COROP, bewerking Bureau Bartels

Het aantal bedrijfsvestigingen in het EPD Zuid gebied heeft zich minder sterk ontwikkeld dan in Nederland als geheel. Binnen het programmagebied is het alleen COROP-gebied Zuidoost-Brabant die op dit punt positief scoort. De groei van het aantal vestigingen was hier zelfs groter dan de nationale groei. Per saldo gold in ieder geval voor de periode 1998-2001 dat de nagestreefde ontwikkeling voor deze indicator niet is gehaald.
Sociaal-economische doelstelling:

?

Het versterken van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven en het ontwikkelen van nieuwe economische activiteiten.

Indicator:

?

Bruto Regionaal Product (in miljoenen guldens/euro (bronhouder: CBS)). Het Bruto Regionaal Product (BRP) is de som van alle toegevoegde waarde die gevormd is in bedrijfstakken van een provincie of regio.

Streven:

?

Procentuele toename van het Bruto Regionaal Product conform het landelijk gemiddelde.

Tabel 4.11

Ontwikkeling van de Bruto Regionaal Product in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1997-2000, in miljoenen euro)

64

Gebied COROP-gebieden Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg COROP-gebied Zuidoost-Brabant COROP-gebied Zeeuwsch-Vlaanderen COROP-gebied Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland *

Nulmeting 1997* 19.585 13.296 2.358 11.097 63.020 307.406

2000 24.625 16.630 2.728 13.191 77.017 370.972

Ontwikkeling in % 25,7% 25,1% 15,7% 18,9% 22,2% 20,7%

De voorlopige CBS-cijfers van 1997 (die in het programmacomplement stonden), vervangen door de definitieve cijfers. CBS, Regionale Economische totalen, Totaal toegevoegde waarde (basisprijzen), bewerking Bureau Bartels

Bron:

Een eerste opmerking de we bij tabel 4.11 plaatsen is dat het CBS de cijfers heeft gewijzigd voor 1997. De cijfers die in het programmacomplement waren opgenomen betroffen voorlopige cijfers. Verder hebben we de bedragen nu in miljoenen euro weergegeven. De cijfermatige ontwikkeling van deze indicator ligt voor het programmagebied als totaal op schema. Op het niveau van deelgebieden blijven ZuidLimburg en Zeeuwsch-Vlaanderen achter bij de doelstelling.
Sociaal economische doelstelling:

?

Het bevorderen van de omschakeling van de agrarische sector naar andere economische activiteiten binnen en buiten de landbouw.

Indicator:

? ? ? ?

Aantal agrarische bedrijven (bronhouder: CBS). Aandeel landbouw (%) in de totale werkgelegenheid (bronhouder: CBS).

Streven: Procentuele afname van het aantal agrarische bedrijven niet groter dan het landelijk gemiddelde. Procentuele afname van het aandeel van de landbouw in de totale werkgelegenheid niet groter dan het landelijk gemiddelde.

Tabel 4.12

Ontwikkeling van het aantal agrarische bedrijven in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1999-2002) Nulmeting 1999 *6.520 4.975 1.317 *544 13.356 101.545 2002 5.805 4.419 1.185 478 11.887 89.580 Ontwikkeling in % -11,0% -11,2% -10,0% -12,1% -11,0% -11,8%

Gebied Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland * Dit getal is gecorrigeerd.

Bron:

CBS, Landbouwtelling (cijfers op gemeenteniveau), bewerking Bureau Bartels

De doelstelling dat het aantal agrarische bedrijven in het programmagebied van het EPD niet sneller daalt dan landelijk, is voor de periode 1999-2002 behaald. Ook alle

65

afzonderlijke deelgebieden, met uitzondering van Zuid-Limburg, wisten deze doelstelling te realiseren.
Tabel 4.13 Ontwikkeling van het aandeel landbouw in de totale werkgelegenheid in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1998-2001) Nulmeting 1998 2001 Ontwikkeling in %-punten Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland Bron: 8,5% 3,1% 10,2% 0,6% 4,1% 3,1% 6,8% 2,5% 8,2% 0,5% 3,4% 2,6% -1,7 -0,6 -2,0 -0,1 -0,7 -0,5

Gebied

CBS, Banen van werknemers regionaal/CBS, Landbouwtelling (cijfers op gemeenteniveau), bewerking Bureau Bartels

Bij de indicator die de werkgelegenheid in de landbouw relateert aan de totale werkgelegenheid willen we een tweetal opmerkingen plaatsen. Allereerst is onduidelijk hoe de cijfers voor deze indicator in het programmacomplement van het EPD zijn gekwantificeerd. Vanuit verschillende statistieken hebben we dan ook geen aansluiting bij deze cijfers kunnen vinden. Daarnaast achten we deze indicator sowieso minder geschikt, omdat er geen ‘totale statistiek’ is die op betrouwbare wijze zowel de landbouwwerkgelegenheid als het aantal banen in andere sectoren weergeeft. De CBSstatistiek ‘Banen van werknemers’ telt weliswaar ook agrarische banen, maar het resulterende cijfer geeft niet het werkelijke aantal agrarische banen. Dit omdat de betreffende statistiek gebaseerd is op gegevens van de Kamers van Koophandel. De meeste agrarische bedrijven zijn echter niet ingeschreven bij deze organisatie. Bovendien is in deze statistiek niet voor alle gemeenten de landbouwwerkgelegenheid opgenomen vanwege de beperkte aantallen. Het aantal agrarische banen wordt daarom meestal afgeleid van de Landbouwtelling (of Meitelling) die elk jaar onder agrarische bedrijven in Nederland wordt gehouden (en die tevens de cijfers van alle gemeenten bevat). Wij stellen daarom nu als ‘tussenoplossing’ voor om de agrarische werkgelegenheid uit de Landbouwtelling op gemeenteniveau als uitgangspunt te nemen (en daaruit het aantal regelmatige arbeidskrachten dat meer dan 20 uur per week werkt). Vervolgens trekken we de agrarische banen af van het totale aantal banen uit de statistiek ‘Banen van werknemers’ (eveneens op gemeenteniveau) en tellen daar de agrarische werkgelegenheid uit de Landbouwtelling bij op. Hiermee hebben we een totaal werkgelegenheidscijfer waaraan we de agrarische werkgelegenheid kunnen relateren. Deze methode hebben we toegepast in tabel 4.13. Uit die tabel blijkt dat de landbouwwerkgelegenheid als aandeel van de totale werkgelegenheid in het programmagebied van EPD-Zuid iets sneller is gedaald dan landelijk. Hiermee wordt (tussentijds) de doelstelling – zoals hierboven geformuleerd – nog niet behaald. Van de deelgebieden ligt alleen het deelgebied Zuid-Limburg wel op schema bij het realiseren van de doelstelling, maar in deze regio was het aandeel landbouw in de totale werkgelegenheid sowieso al erg laag. Met name de regio’s waar de landbouw van oudsher sterk vertegenwoordigd is zoals Noordoost Noord-Brabant, Noorden Midden-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen hebben een stevige teruggang te verwerken gekregen.
Sociaal economische doelstelling:

?

Het vergroten van de aantrekkelijkheid van het gebied en het verbeteren van de

66

natuurlijke en milieusituatie. Indicator:

? ?

Totale zure depositie (zuurequivalenten per hectare per jaar (bronhouder: RIVM)).

Streven: Afname van de zuurdeposito.

Tabel 4.14

Ontwikkeling van het aantal zuurequivalenten per hectare in de provincies van EPD Zuid en Nederland (1998-2001) Nulmeting 1998 3.820 5.160 4.690 2001 2.670 3.920 3.480 Ontwikkeling in % -30,1% -24,0% -25,8%

Gebied Provincie Zeeland Provincie Noord-Brabant Provincie Limburg Bron:

Programmacomplement EPD-Zuid en RIVM Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2001

Tabel 4.15

Ontwikkeling van het aantal zuurequivalenten per hectare in de ‘verzuringsgebieden’ van EPD Zuid en Nederland (1998-2001) 1998 3.720 4.330 4.780 5.120 5.320 4.870 4.270 3.820 RIVM Jaaroverzicht luchtkwaliteit (1998/1999 en 2001) 2001 2.670 3.330 3.730 4.290 4.230 3.950 3.260 2.850 Ontwikkeling in % -28,2% -23,1% -22,0% -16,2% -20,5% -18,9% -23,7% -25,4%

Gebied Zeeland West Noord-Brabant Midden Noord-Brabant Noordoost Noord-Brabant Zuidoost Noord-Brabant Noord-Limburg Zuid/Midden-Limburg Nederland Bron:

De doelstelling voor de totale zure depositie is een afname van het aantal zuurequivalenten tijdens de programmaperiode. Die doelstelling is voor de periode 19982001 behaald. Het aantal zuurequivalenten in het programmagebied is namelijk met ongeveer een kwart gedaald. Dit is ongeveer vergelijkbaar met de Nederlandse ontwikkeling. In de provincie Zeeland deed zich de sterkste daling voor. Op deelgebiedniveau – de bronhouder RIVM hanteert ‘verzuringgebieden’ – is het Zeeland, Zuid-/Midden-Limburg en West-Noord Brabant waar de afname van de zure depositie het sterkst is. In Noord-Limburg en Noordoost en Zuidoost-Noord-Brabant is deze ontwikkeling minder sterk. Dit zijn de gebieden waar de intensieve veehouderij geconcentreerd is.
Sociaal economische doelstelling:

?

Het creëren van duurzame werkgelegenheid en het wegnemen van kwalitatieve fricties op de arbeidsmarkt.

Indicator:

? ?

Aantal banen van werknemers (bronhouder: CBS). Aantal geregistreerde werklozen (bronhouder: CBS).

67

Streven:

? ?

Procentuele groei van de werkgelegenheid sneller dan het landelijk gemiddelde. Procentuele daling van het aantal geregistreerde werklozen conform het landelijk gemiddelde.

Tabel 4.16

Ontwikkeling van het aantal banen van werknemers in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1998-2001) Nulmeting 1998* 159.200 288.420 16.350 147.210 611.180 6.261.800 2001 189.560 331.430 18.590 156.810 696.390 7.011.900 Ontwikkeling in % 19,1% 14,9% 13,7% 6,5% 13,9% 12,0%

Gebied Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg Zuidoost-Brabant Zeeuwsch-Vlaanderen Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland *

De getallen uit het programmacomplement zijn gecorrigeerd. CBS, Banen van werknemers (cijfers op gemeenteniveau), bewerking Bureau Bartels

Bron:

Ten aanzien van de ontwikkeling van het aantal banen geldt dat deze doelstelling voor het programmagebied van EPD Zuid als geheel in de periode 1998-2001 goed op schema ligt. Op deelgebiedniveau blijft alleen Zuid-Limburg (duidelijk) achter. De ex-ante evaluator heeft aanbevolen om in plaats van de geregistreerde werkloosheid de werkloze beroepsbevolking als indicator voor het onbenut arbeidsaanbod te nemen. Wij sluiten ons bij die aanbeveling aan. Enerzijds omdat de gewenste geregistreerde werkloosheidscijfers op regionaal niveau niet (meer) bij het CBS beschikbaar zijn, en anderzijds omdat dit cijfer ook wordt gebruikt om het werkloosheidspercentage te berekenen dat eens per kwartaal wordt gepubliceerd. Het werkloosheidspercentage is dan het aandeel van de werkloze beroepsbevolking in de totale beroepsbevolking. Wij zullen daarom nu in tabel 4.17 de ontwikkeling van de cijfers over de werkloze beroepsbevolking presenteren.
Tabel 4.17 Ontwikkeling van het aantal werklozen in de beroepsbevolking in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1999-2002) Nulmeting 1999 18.000 12.000 2.000 12.000 44.000 292.000 CBS, Beroepsbevolking naar regio, bewerking Bureau Bartels 2002 20.000 10.000 2.000 15.000 47.000 302.000 Ontwikkeling in % 11% -17% 0% 25% 7% 3%

Gebied COROP-gebieden Noordoost-Noord-Brabant, Noord-Limburg en Midden-Limburg COROP-gebied Zuidoost-Brabant COROP-gebied Zeeuwsch-Vlaanderen COROP-gebied Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland Bron:

Als ‘doelstelling’ voor de indicator die in de bovenstaande tabel opgenomen is, zou – analoog aan het ‘streven’ voor de indicator geregistreerde werkloosheid in het programmacomplement – geformuleerd kunnen worden: Procentuele daling van de

68

werkloze beroepsbevolking conform het landelijk gemiddelde. De bevindingen geven echter aan dat in de periode 1999-2002 de werkloze beroepsbevolking in het programmagebied is gestegen. Deze stijging is dan ook sterker dan het landelijke gemiddelde. De doelstelling voor de zojuist genoemde periode is dan ook niet gerealiseerd. De sterkste stijging van de werkloze beroepsbevolking deed zich overigens voor in Zuid-Limburg. Voor een adequate monitoring van de arbeidsmarkt, lijkt het ons ook toekomst de ontwikkeling van het werkloosheidspercentage op werkloosheidspercentage zet namelijk de werkloze beroepsbevolking in het te relateren aan de totale beroepsbevolking. Zie daarvoor ook tabel 3.
Sociaal economische doelstelling:

zinvol om in de te nemen. Het perspectief door 3.7 in hoofdstuk

? ?

Bevorderen van gelijkheid van kansen.

Indicator: Bruto participatiegraad mannen en vrouwen, driejaarsgemiddelde (bronhouder: CBS, RBA).

Streven:

?

Afname van het verschil in participatiegraad tussen mannen en vrouwen.

Tabel 4.18

Ontwikkeling van de bruto participatiegraad van mannen en vrouwen in de deelgebieden van EPD Zuid en Nederland (1999-2001) Mannen Vrouwen Verschil tussen mannen en vrouwen 2001 55 1999 26 2001 25

Gebied COROP-gebieden Noordoost-NoordBrabant, Noord-Limburg en MiddenLimburg COROP-gebied Zuidoost-Brabant COROP-gebied Zeeuwsch-Vlaanderen COROP-gebied Zuid-Limburg Totaal EPD-Zuid Nederland

1999 79

2001 80

1999 53

80 79 74 78 79

79 75 75 78 79

52 51 49 52 54

56 52 53 55 56

28 28 25 26 25

23 23 22 23 23

Bron:

CBS, Beroepsbevolking naar regio, bewerking Bureau Bartels

Uit tabel 4.18 blijkt dat het verschil in bruto participatiegraad tussen mannen en vrouwen inderdaad is afgenomen in het programmagebied. De afname is met drie procentpunten zelfs iets sterker in vergelijking tot Nederland (twee procentpunten). De sterkste afname van het verschil in de bruto participatiegraad tussen mannen en vrouwen heeft zich in Zuidoost-Brabant en Zeeuwsch-Vlaanderen voorgedaan. In onderstaande tabel vatten we bovenstaande bevindingen samen. Daaruit blijkt dat voor het merendeel van de sociaal-economische indicatoren het EPD Zuid goed op schema ligt bij het realiseren van haar ambities. Sociaal-economische ambities die (nog) minder goed verlopen hebben betrekking op de ontwikkeling van het aantal bedrijfsvestigingen, de ontwikkeling van het aandeel van de landbouw in de totale werkgelegenheid en de ontwikkeling van de werkloosheid.

69

Tabel 4.19

Voortgang in het realiseren van de sociaal-economische doelstellingen Periode 1998-2001 1997-2000 1999-2002 1998-2001 1998-2001 EPD Zuid 1,5% 22,2% -11,0% -0,7 –16,2% tot –28,2%* Nederland Doelstelling bereikt? 2,5% 20,7% -11,8% -0,5 -25,4% nee ja ja nee ja

Indicator en doelstelling Toename aantal bedrijven conform landelijk gemiddelde Toename Bruto Regionaal Product conform landelijk gemiddelde Afname van aantal agrarische bedrijven niet groter dan landelijk gemiddelde Afname van aandeel landbouw in totale werkgelegenheid niet groter dan landelijk gemiddelde Afname van zuurdeposito

Groei werkgelegenheid sneller dan landelijk gemiddelde Daling van geregistreerde werklozen conform landelijk gemiddelde Afname verschil in participatiegraad tussen mannen en vrouwen *

1998-2001 1999-2002 1999-2001

13,9% 7% 26 (1999) 23 (2001)

12,0% 3% 25 (1999) 23 (2001)

ja nee ja

In verschillende verzuringsgebieden (zie ook tabel 4.14).

Tot slot willen we – zoals ook in hoofdstuk 3 gesignaleerd – aantekenen dat de werkloosheid het afgelopen jaar vrij sterk is gestegen. Vanuit het CBS verschijnen hierover regelmatig gegevens. Deze ontwikkeling is nog niet terug te vinden in de hiervoor gepresenteerde cijfers. Dit omdat de cijfers op deelregioniveau over 2002 nog niet beschikbaar zijn bij het CBS. De ‘regionale neerslag’ van de werkloosheid op EPD Zuid-niveau is echter wel een punt dat in de komende periode aandacht verdient. Regionaal investeringsklimaat Een laatste stap in de beoordeling van de effectiviteit van het EPD Zuid bestaat uit het bepalen van de bijdrage aan het wegnemen van knelpunten uit het regionaal investeringsklimaat/de SWOT. Het evaluatiekader schrijft hierbij de toepassing van de toolkit regionaal investeringsklimaat voor. Dit ‘analysekader regionaal investeringsklimaat’ is in het evaluatiekader voorgestructureerd. De evaluator dient daarbij aan te geven in hoeverre een bepaald element van het regionaal investeringsklimaat een knelpunt vormt in het programmagebied, of het betreffende element onderdeel is van de strategie van het EPD, en hoe het is gesteld met de voortgang in het aanpakken van dat knelpunt (door middel van het uitvoeren van projecten in het programma). In het evaluatiekader zelf is al aangegeven welke elementen in principe beïnvloedbaar zijn met structuurfondsenbeleid in Nederland. De mate van beïnvloedbaarheid is echter soms beperkt. In tabel 4.20 hebben we onze invulling van het analysekader regionaal investeringsklimaat voor het EPD Zuid-Nederland weergegeven. We hebben in aanvulling op het analysekader zoals dat in het evaluatiekader is opgenomen ook nog een kolom ‘maatregel’ opgenomen. Daarin is aangegeven met welke maatregelen het betreffende knelpunt in het regionaal investeringsklimaat wordt aangepakt. De voortgang in de mate waarin de knelpunten middels projecten in deze maatregel worden aangepakt hebben we weergegeven in de laatste kolom. De beoordeling is gemaakt op basis van de algehele voortgang en in de maatregelen. Daarbij is gekeken naar de financiële voortgang, de outputindicatoren en (vooral) het type projecten dat wordt uitgevoerd. Daar waar knelpunten worden aangepakt via projecten in meerdere maatregelen, wordt de beoordeling gescheiden door een komma per maatregel gegeven.

70

Tabel 4.20

Analysekader Regionaal Investeringsklimaat EPD Zuid-Nederland

Element regionaal investeringsklimaat

Knelpunt in programmagebied

Beïnvloedbaarheid door Structuurfondsen in Nederland

Aanpak met maatregel in EPD

Element van strategie in EPD u

Voortgang via projecten in maatregelen

Marktrelaties

zakelijke diensten afzetmarkt, koopkracht samenwerking tussen bedrijven ondernemerschap en innovativiteit toeleveranciers concurrenten (x) x x x

ü üü üü x (x) ü ü x x (x) x (x) (x) x üü ü ü ü 0 x x x ü ü x x x x x ü üü ü/x -

2.1 2.1, 2.2

+ +, +, +, -

u uu

2.1, 2.2 2.1, 2.2

Arbeidsmarkt

houding van werknemers beschikbaarheid van personeel* opleidingsniveau loonniveau

u u

3.1 3.1

-

Vestigingssituatie

beschikbaarheid van bedrijventerreinen kwaliteit van bedrijventerreinen prijs bedrijventerreinen beschikbaarheid van kantoorruimte** prijs kantoorruimte

uu uu

1.1, 1.3 1.3

--, + +

uu

1.3, 3.2

-, -

Infrastructuur

bereikbaarheid over de weg openbaar vervoer vervoer door de lucht goederenvervoer over het spoor vervoer over het water

u/0

1.1, 1.3

--, +

Kennisinfrastructuur

telecom-infrastructuur onderwijsfaciliteiten kenniscentra

uu uu

1.4, 3.2 1.4

+, + +

Leefomgeving

woningaanbod recreatieve voorzieningen criminaliteit in de leefomgeving natuurlijke omgeving stedelijke omgeving

uu

1.5, 2.2

++, +

uu 0

1.1, 1.2

--, -

Regionale overheid

houding van overheden belastingklimaat subsidies en premies

* In het bijzonder (hoger) technisch personeel. ** Bedrijfs- en kantoorruimte (kwantitatief en kwalitatief).

71

Legenda:

- = geen knelpunt ü/- = beperkt knelpunt ü = knelpunt üü = sterk knelpunt

0 u/0 u uu -+ ++

= geen element van EPD-strategie = beperkt element van EPD-strategie = element van EPD-strategie = sterk element van EPD-strategie = geen bijdrage aan oplossen knelpunt = beperkte bijdrage aan oplossen knelpunt = bijdrage aan oplossen knelpunt = sterke bijdrage aan oplossen knelpunt

Uit tabel 4.20 blijkt dat het oplossen van een groot deel van de knelpunten in het regionaal investeringsklimaat onderdeel vormt van het EPD. Er wordt financieel ingezet op maatregelen om deze knelpunten aan te pakken. Aan het begin van dit hoofdstuk hebben we reeds gezien dat de voortgang en het succes van deze maatregelen tot nu toe wisselend is. Ter illustratie noemen we hier het knelpunt in de vestigingssituatie van bedrijven, ofwel het tekort aan bedrijventerreinen. In maatregel 1.1 loopt de ontwikkeling van (agrarische) bedrijventerreinen – om verschillende redenen – helemaal niet, terwijl de ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen in maatregel 1.3 redelijk succesvol is. Over het algemeen mogen we echter stellen dat de uitvoering van het EPD ZuidNederland een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van het regionaal investeringsklimaat. Effectiviteit horizontale doelstellingen In paragraaf 3.4 zijn we uitgebreid ingegaan op de incorporatie van de horizontale EUdoelstellingen bij de selectie van projecten. Kijken we naar de hierboven gepresenteerde effecten en resultaten dan kunnen we concluderen dat het EPD Zuid/de projecten op verschillende wijzen een bijdragen leveren aan deze doelstellingen. Zo hebben we kunnen zien dat: § er bedrijven zijn die participeren in milieuprojecten; § er sprake is van afname van het zuurdeposito; § het verschil in participatiegraden van mannen en vrouwen afneemt.

4.6

Conclusies effectiviteit

In dit hoofdstuk is de analyse van de effectiviteit van het EPD Zuid gerelateerd aan verschillende aspecten, namelijk de financiële voortgang, de realisatie van indicatoren, de sociaal-economische ontwikkeling, oplossing van knelpunten in het regionaal investeringsklimaat en het effect op de horizontale doelstellingen. In hoofdlijnen concluderen we dat het EPD Zuid tot nu toe effectief wordt uitgevoerd, maar er zijn wel een aantal specifieke punten waaraan aandacht moet worden besteed. Zo is allereerst gebleken dat de financiële voortgang in de uitvoering van het EPD Zuid op basis van committeringen als ‘redelijk’ gekwalificeerd mag worden. Wel bestaan er grote committeringsverschillen tussen enerzijds maatregelen en anderzijds de verschillende deelprogramma’s die samen het EPD Zuid vormen. Met name de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1 blijven in de uitvoering van het programma sterk achter. Door verschillende oorzaken lijken de maatregelen 1.1 en 1.2 min of meer ‘op slot’ te zitten, waardoor ook de financiële voortgang van het totale programma negatief wordt beïnvloed. De Doelstelling-2 en Doelstelling 5b Phasing out programma’s verlopen voorspoediger dan de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s. De financiële realisatie van het EPD Zuid (op basis van gecertificeerde betalingen van projectindieners) is nog beperkt. Dit is voornamelijk het gevolg van een trage c.q. late start van het programma en een teleurstellend committeringsverloop van een aantal (omvangrijke) maatregelen. De beperkte financiële realisatie ultimo 2002 zal naar verwachting nog niet direct tot knelpunten met de N+2-regel leiden. Dit heeft ook te maken met het feit dat het eerste financiële EFRO-voorschot van de EU aan het EPD Zuid meegeteld mag worden. Voor de jaren daarna vergt de N+2-regel voor het EPD Zuid echter alle aandacht. Ook de cofinanciering van het EPD Zuid ligt – op basis van de committeringen – goed

72

op schema. Op prioriteitsniveau dragen – naast de EU – andere overheidspartijen namelijk (flink) meer bij dan in de financiële hoofdtabel in het programmacomplement is begroot. Op deelprogrammaniveau lopen de cofinancieringspercentages nogal uiteen, hoewel dit niet van invloed is op de uiteindelijke afrekening aan het eind van de programmaperiode. De financiële gegevens en indicatoren uit de monitoringsystemen (PBS) van de afzonderlijke deelprogramma’s zijn op centraal niveau (beheers- en betaalautoriteit) nog niet optimaal ontsloten. Dit geldt zowel voor de uniformiteit in de gegevens als voor het moment waarop cijfers beschikbaar komen. Een belangrijke oorzaak hiervan is dat het PBS in 2002 nog niet volledig operationeel was. Nu het programma een tijdje loopt en verschillende typen projecten in uitvoering zijn (gebracht), kunnen we constateren dat in hoofdlijnen de juiste output- en resultindicatoren voor het programma zijn gekozen. Op enkele punten kan nog een verdere aanscherping van de output- en resultindicatorenset plaatsvinden. Datzelfde geldt voor de sociaal-economische indicatoren waarin een aantal aanpassingen wenselijk is. Bekijken we de tussentijdse realisatie van de output- en resultaatindicatoren dan verloopt dit voor de kernindicatoren – die ook geselecteerd zijn voor de prestatiereserve – over het algemeen volgens planning. De enige dissonantie is hier in feite het aantal bedrijven dat participeert in milieuprojecten. Daarnaast scoort het EPD Zuid ook op diverse andere output- en resultaatindicatoren al vrij goed. Er zijn echter ook een aantal indicatoren waar nog een duidelijke inhaalslag te maken valt. Dikwijls heeft dit overigens te maken met het ontbreken van (voldoende) projecten binnen bepaalde maatregelen. Ook in sociaal-economisch opzicht kunnen we aan de hand van verschillende analyses concluderen dat de regio’s, die onderdeel uitmaken van het EPD Zuid, zich over het algemeen in de beoogde richting begeven.

73

5.

EFFICIENCY VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND

5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk zullen we efficiency-aspecten rondom de uitvoering van het EPD-ZuidNederland behandelen. Op zich kan er vanuit verschillende invalshoeken naar efficiency gekeken worden. We volgen daarbij een drietal ‘sporen’. In paragraaf 5.2 staat daartoe in de eerste plaats de kostenefficiency centraal, waarbij we de tot eind 2002 gecommitteerde EFRO-budgetten afzetten tegen de gecommitteerde output- en resultaatindicatoren. Vervolgens wordt in paragraaf 5.3 een tweede spoor gevolgd. Dat spoor houdt in dat we zullen nagaan in hoeverre ook private partijen worden aangezet om een bijdrage aan het EPD-Zuid te leveren. Hiermee wordt inzicht verkregen in het financiële hefboomeffect van het EPD Zuid. Daarna zal in paragraaf 5.4 het derde spoor worden uitgewerkt. In die paragraaf zal het aantal arbeidsplaatsen gerelateerd worden aan het EFRO-budget en de totale publieke kosten. In paragraaf 5.5 tenslotte presenteren we onze conclusies ten aanzien van het thema efficiency. Overigens zullen we in hoofdstuk 6 kort ingaan op de uitvoeringskosten van het EPD Zuid.

5.2

Beoordeling kostenefficiency

In de beoordeling van een efficiënte uitvoering van een programma, spelen zoals we in de vorige paragraaf aangaven, verschillende aspecten een rol. Volgens het evaluatiekader zal er in de eerste plaats op de kostenefficiency van het programma ingegaan moeten worden. Door in kaart te brengen met welk deel van het EFRO-budget een bepaald aandeel van de geplande effecten wordt gerealiseerd, kan inzicht in deze vorm van efficiency worden verkregen. De streefwaarden voor deze effecten zijn vastgelegd in het programmacomplement, die samen met het EPD voor de Europese Commissie de basis voor de uitvoering van het programma vormt. Aldus hebben we per maatregel de tot ultimo 2002 gecommitteerde effecten aan het gecommitteerde EFRO-budget gerelateerd. In tabel 5.1 is deze analyse voor de outputeffecten weergegeven. In de tabelkolommen staan per maatregel de streefwaarden van de outputindicatoren, de absolute kwantiteit die van de betreffende indicator is gecommitteerd, welk aandeel dat uitmaakt van de streefwaarde, en het aandeel EFRO dat van het totale beschikbare EFRO-budget in de betreffende maatregel gecommitteerd is. De laatste kolom geeft de verschillen aan tussen het gecommitteerde aandeel effecten en het gecommitteerde aandeel EFRO in de maatregelen. Een ‘nul’ geeft daarbij aan dat er nog geen EFRO-budget is gecommitteerd en daarbij dientengevolge ook nog geen effecten. De kwalificatie ‘min’ wil zeggen dat de gecommitteerde effecten achterblijven bij het gecommitteerde EFRO-budget binnen een bepaalde maatregel. Dit geeft een bepaalde mate van inefficiency aan. Eén of meerdere ‘plussen’ geven aan dat de gecommitteerde effecten voorlopen op de gecommitteerde EFRO-budgetten. Hieruit wordt dan een positief efficiencybeeld verkregen. Het aantal plussen (of minnen) geeft een efficiencygraad aan. Hoe meer plussen hoe groter de efficiency, hoe meer minnen hoe groter de inefficiency.

74

Tabel 5.1

Kostenefficiency van outputindicatoren, per maatregel

Streefwaarde

Aantal van indicator gecommitteerd

Aandeel van indicator gecommitteerd (1)

Aandeel EFRO-budget in maatregel gecommitteerd (2)

Mate van kostenefficiency (1-2)

Outputindicatoren

Maatregel 1.1 – Herschikking functies buitengebied Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal gefaciliteerde sterlocaties Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.2 – Natuur-, water- en milieuontwikkeling Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.3 – Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal m nieuw of gerenoveerd bedrijfs- of kantoorvloeroppervlakte Maatregel 1.4 – Versterking fysieke kennisinfrastructuur Aantal facilitaire voorzieningen Maatregel 1.5 – Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Aantal nieuwe en/of verbeterde toeristische voorzieningen Aantal m2 nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Maatregel 2.1 – Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal ondernemers dat deelneemt aan ICT/R&D-projecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal promotie-activiteiten Maatregel 2.2 – Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal nieuwe promotiestrategieën Maatregel 3.1 – Human resources Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Maatregel 3.2 – Sociale cohesie en culturele identiteit Aantal m2 nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Aantal nieuwe of verbeterde sociaal-culturele of cultuurhistorische voorzieningen Bron: 3.259 86.231 32 15 2.645,9% 46,9% 587 25 70 1 11,9% 4,0% 429 111 36 32 60 0 12 16 14,0% 0% 33,3% 50,0% 2.218 184 137 158 14 620 14 216 31 0 27,9% 7,6% 157,7% 19,6% 0% 159 23 14,5% 5.027,7% 1.980 99.549 29 6 20,7%
2

0% 1.306 43 12 1.667 22 0 0 0 53,5 3 0% 0% 0% 3,2% 13,6% 0% 0% 0% 3,6% 3,6% 3,6% 21,5% 184 66.785 439 0 238,6% 0% 21,5% 21,5% 19,7% 19,7% 84,8% 84,8% 84,8% 27,2% 27,2% 27,2% 27,2% 27,2% 27,2% 9,2% 9,2% 9,2% 9,2% 9,2% 4,7% 4,7% 4,7% 70,0% 70,0% 70,0% +++ ++ + + + + + ++ +++ + ++ + 0 0 0

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

75

Het algemene beeld dat uit tabel 5.1 naar voren komt is overwegend positief. Wel varieert het beeld voor de afzonderlijke prioriteiten en maatregelen. Binnen prioriteit 1 zijn het vooral de maatregelen 1.3 en 1.5 die (zeer) goed scoren voor wat betreft de verwachte realisatie van bepaalde outputs. Dit zijn dan in het bijzonder het aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie en aantal vierkante meters nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte. Met respectievelijk 22% en 85% van het EFRO-budget, zal naar verwachting 239% en 5.028% van de streefwaarden voor deze indicatoren worden gerealiseerd. Deze waarden worden wellicht veroorzaakt doordat er binnen deze maatregelen gemiddeld (meer) andersoortige projecten zijn gecommitteerd dan bij het opstellen van het EPD werd verwacht. Verder is er een aantal indicatoren waarbinnen feitelijk verschillende typen effecten bij elkaar worden genomen, zoals we ook al in het vorige hoofdstuk hebben toegelicht. De maatregelen 1.2 en 1.4 presteren qua kostenefficiency ‘gemiddeld’ positief. In maatregel 1.1 zijn nog geen projecten en effecten gecommitteerd, zodat er voor deze maatregel nog niet over een al dan niet kostenefficiënte uitvoering gesproken kan worden. De maatregelen van prioriteit 2 ontlopen elkaar niet veel op het gebied van de kostenefficiency. Evenals in prioriteit 1 is de verhouding tussen gecommitteerde effecten en EFRO-budget overwegend goed te noemen. De enige uitschieter in deze prioriteit vinden we terug in maatregel 2.1, namelijk het aantal ondernemers dat deelneemt aan ICT-/R&D-projecten. Met 27% van het beschikbare EFRO-budget voor deze maatregel is 158% van de uiteindelijke streefwaarde voor deze indicator gecommitteerd. Binnen prioriteit 3 is de kostenefficiency in maatregel 3.1 naar verhouding als redelijk te bestempelen, terwijl maatregel 3.2 buitengewoon goede outputeffecten laat zien vergeleken met de streefwaarden en afgezet tegen het gecommitteerde EFRO-budget. Wat verder blijkt uit tabel 5.1 is dat dezelfde outputindicatoren die in meerdere maatregelen voorkomen in kostenefficiency relatief sterk verschillen, zoals bijvoorbeeld het ‘aantal hectare gebied met een gewijzigde of verbeterde functie’. Dit is op zich geen reden om dan ook meer financiële middelen te gaan concentreren in de meest efficiënte maatregelen. We moeten goed bedenken dat het binnen het Europese programma gaat om een samenhangend geheel van maatregelen, waarbij afhankelijk van het type maatregel en project, bepaalde effecten zich sterker dan wel minder sterk zullen openbaren. Bovenstaande exercitie hebben we eveneens uitgevoerd voor de resultaatindicatoren. De bevindingen daarvan treffen we in tabel 5.2 aan.

76

Tabel 5.2

Kostenefficiency van resultaatindicatoren, per maatregel

Streefwaarde

Aantal van indicator gecommitteerd

Aandeel van indicator gecommitteerd (1)

Aandeel EFRO-budget in maatregel gecommitteerd (2)

Mate van kostenefficiency (1-2)

Resultindicatoren

Maatregel 1.1 - Herschikking functies buitengebied Bruto gecreëerde werkgelegenheid Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.2 - Natuur-, water- en milieuontwikkeling Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.3 - Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal (nieuw) gevestigde bedrijven Maatregel 1.4 - Versterking fysieke kennisinfrastructuur Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 1.5 - Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal bezoekers Maatregel 2.1 - Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal startende ondernemingen Aantal deelnemers aan samenwerkingsprojecten Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal innovatieve producten en nieuwe (productie)methoden Maatregel 2.2 - Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal startende ondernemingen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 3.1 - Human resources* Maatregel 3.2 - Sociale cohesie en culturele identiteit Bruto gecreëerde werkgelegenheid * Voor deze maatregel is geen resultindicator gedefinieerd. Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels 128 4,5 3,5% 97 514 5 54 5,1% 10,5% 232 720 1.568 36 58 67 2.003 443 25,0% 9,3% 127,7% 1.230,6% 295 118.219 306 614.905 103,7% 520,1% 375 40 10,7% 1.942 183 2.498 335 128,6% 183,1% 174 9 5,2% 2.176 545 0 0 0% 0%

0% 0% 0% 3,6% 3,6% 21,5% 21,5% 21,5% 19,7% 19,7% 84,8% 84,8% 84,8% 27,2% 27,2% 27,2% 27,2% 27,2% 9,2% 9,2% 9,2% 4,7% 70,0% 70,0% + ++ +++ + ++ ++ ++ + 0 0

Bron:

De analyse van de kostenefficiency van de resultaatindicatoren levert een min of meer vergelijkbaar beeld op als voor de outputindicatoren. Over het algemeen kan namelijk worden geconcludeerd dat ook de kostenefficiency voor de resultaatindicatoren als vrij positief te bestempelen valt. Dit geldt namelijk voor het merendeel van de indicatoren, waarbij er wel verschillen voorkomen tussen – en ook binnen – maatregelen. Een aantal resultaatindicatoren blijft wel wat achter. Dit zijn de indicatoren ‘bruto gecreëerde werkgelegenheid’ in de maatregelen 1.4 en 3.2, het ‘aantal startende ondernemingen’ in de maatregelen 2.1 en 2.2, en het ‘aantal deelnemers aan samenwerkingsprojecten’ in maatregel 2.1. Overigens verloopt de indicator bruto gecreëerde werkgelegenheid in de andere maatregelen voorspoedig voor wat betreft de kostenefficiency. Zoals eerder naar

77

voren kwam, zijn er binnen maatregel 1.1 nog geen projecten goedgekeurd, zodat voor deze maatregel feitelijk nog niets over efficiency gezegd kan worden. Voorts is in maatregel 3.1 geen resultindicator gedefinieerd, zodat we ook voor deze maatregel geen analyse kunnen maken van de kostenefficiency op basis van dit type indicator.

5.3

Hefboomeffect richting private bijdragen

De financiële participatie van private partijen in projecten die in het kader van het EPD worden uitgevoerd geeft ook een indicatie van de efficiency van het programma. Immers, daarmee zorgen niet-publieke partners voor de financiering van een deel van het programma. We zullen daarom op prioriteit- en maatregelniveau het EFROmultipliereffect op de private bijdrage berekenen. Daarbij zetten we planning – vanuit het programmacomplement – en realisatie op basis van de gecommitteerde projecten tegen elkaar af. De berekening van deze financiële multiplier geeft aan hoeveel euro aan private investeringen met een EFRO-euro naar verwachting binnen het programma gerealiseerd zal worden. In tabel 5.3 is dit multipliereffect weergegeven. Dit zijn overigens nog geen ‘uitgelokte’ private investeringen die bijvoorbeeld gedaan worden op het moment dat bedrijven zich, na afronding van bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, vestigen. Over deze ‘uitgelokte’ investeringen is op dit moment ook geen cijfermateriaal beschikbaar.

78

Tabel 5.3

Multipliereffect van EFRO op private bijdragen volgens complement en in gecommitteerde projecten tot en met 31-12-2002, per prioriteit en maatregel Volgens complement EFRO Private multiplier bijdrage in euro 13.540.000 0 0 3.260.000 Gecommitteerd t/m 31-12-2002 EFRO Private bijdrage 4.146.141 0 116.144 66.943 Multiplier in euro 0,27 0,20 0,01

Prioriteiten/maatregelen 1. Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal EPD Zuid Bron: 74.023.000 16.370.000 16.570.000 24.585.000

0,18 15.376.721 0,00 0,00 0,13 0 590.836 4.785.106

6.120.000 10.378.000

2.045.000 8.235.000

0,33 0,79

1.203.754 8.797.025

94.625 3.868.429

0,08 0,44

45.662.000 36.545.000 9.117.000

52.260.000 44.205.000 8.055.000

1,14 10.781.292 29.992.649 1,21 0,88 9.941.614 27.481.344 839.678 2.511.305

2,78 2,76 2,99

15.510.000 8.190.000 7.320.000 4.675.000 3.297.400 1.377.600 139.870.000

5.005.000 2.520.000 2.485.000 0 0 0 70.805.000

0,32 0,31 0,34 0,00 0,00 0,00

5.507.390 383.312 5.124.078 4.645.070 3.280.887 1.364.183

2.439.552 615.914 1.823.638 0 0 0

0,44 1,61 0,36 0 0 0 1,01

0,51 36.310.473 36.578.342

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Op EPD-niveau valt te constateren dat private partijen – op basis van de gecommitteerde projecten – naar verwachting meer zullen bijdragen dan in het programmacomplement is begroot. Volgens het complement zal namelijk elke EFRO-euro in projecten 0,51 euro aan private cofinanciering genereren, terwijl dat in gecommitteerde projecten nu toe het dubbele (1,01 euro) bedraagt. Het EFRO-multipliereffect op de private bijdragen is daarmee overall gezien groter dan gepland. Eerder kwam al naar voren (paragraaf 4.2) dat ook de publieke cofinanciering in vrijwel alle maatregelen goed op schema ligt. Het programma wordt uiteindelijk door de EU ook afgerekend op de realisatie van deze publieke cofinanciering. De private cofinanciering wordt dus niet meegewogen. Maar per saldo betekent dit wel dat met de EFRO middelen zowel meer private als meer publieke middelen worden gemobiliseerd dan geprognotiseerd. Vooral alle (inhoudelijke) prioriteiten dragen private partijen meer bij dan in de begroting van het programmacomplement is vastgelegd. Daarbij valt binnen prioriteit 1 op dat in de maatregelen 1.3 tot en met 1.5 het multipliereffect lager is dan gepland, terwijl in maatregel 1.2 wel private cofinanciering wordt gerealiseerd maar die niet in de programmabegroting was opgenomen. Het sterkste multipliereffect op de private bijdrage doet zich voor in prioriteit 2 en daarbinnen in maatregel 2.2 ‘Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven’. Elke EFRO-euro in deze maatregel levert bijna drie euro aan private investeringen op in de projecten die tot nu toe gecommitteerd zijn. In prioriteit

79

3 is het multipliereffect binnen maatregel 3.1 sterker dan verwacht.

5.4

Efficiency van werkgelegenheidseffecten

Het derde spoor dat we volgen in de evaluatie van de programma-efficiency is een analyse van geplande en gecommitteerde EFRO en publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats. Dat gebeurt in de tabellen 5.4 en 5.5 voor de afzonderlijke maatregelen, de prioriteiten en het totale programma.
Tabel 5.4 EFRO-kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats, volgens EPD/programmacomplement en in gecommitteerde projecten t/m 31-12-2002

EFRO kosten per arbeidsplaats (euro) Begroot In gecommitteerde projecten

Publieke kosten per arbeidsplaats (euro) Begroot In gecommitteerde projecten

1. Ruimtelijke ontwikkeling* 1.1 Herschikking functies buitengebied 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. Sociale cohesie* 3.2 Sociale cohesie en culturele identiteit Totaal EPD Zuid*** *

15.460 7.523 12.660

5.407 ** 1.916

37.712 16.595 34.031

16.850 6.174

16.320 35.180

30.094 28.748

42.533 87.814

159.410 79.408

21.932 23.307

5.241 4.963

46.894 48.196

11.700 10.840

17.737

15.550

42.921

43.602

121.172 57.188 19.319

1.223.864 1.138.684 6.455

285.078 129.141 44.968

4.294.692 4.129.065 18.615

Niet alle maatregelen hebben een streefwaarde voor de te creëren bruto werkgelegenheid. Deze zijn dan ook niet in de tabel opgenomen. ** In maatregel 1.1 zijn nog geen projecten gecommitteerd. *** Technische Bijstand buiten beschouwing gelaten. Bron: Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

Uit tabel 5.4 volgt dat de EFRO-kosten en de totale publieke kosten per arbeidsplaats – gebaseerd op de gecommitteerde projecten tot ultimo 2002 en bezien op het niveau van het totale EPD – flink lager zullen uitvallen dan begroot in het programmacomplement. Dit wijst er op dat Europese middelen efficiënt worden ingezet voor het realiseren van (bruto) werkgelegenheidseffecten.

80

Op het niveau van prioriteiten steekt prioriteit 2 er flink bovenuit. De gecommitteerde EFRO-middelen per arbeidsplaats zijn vier maal lager dan op basis van de financiële tabel in het programmacomplement mocht worden verwacht. Binnen prioriteit 2 komt dit vooral voor rekening van maatregel 2.1 ‘Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Prioriteit 3 is de enige prioriteit waar de EFRO-bijdrage per bruto gecreëerde arbeidsplaats in gecommitteerde projecten hoger uitkomt dan begroot. De afwijking van de begroting is fors. Dit is voornamelijk terug te voeren op het type projecten dat tot nu toe is goedgekeurd in maatregel 3.2, zoals het verbeteren van dorps-/ gemeenschaphuizen, het renoveren van openbare ruimte en dergelijke. Dit type projecten leidt in de regel niet tot substantiële werkgelegenheidseffecten. Binnen prioriteit 1 tenslotte wijkt maatregel 1.4 ‘Versterking fysieke kennisinfrastructuur’ in deze ‘mid-term tussenstand’ af van het positieve beeld. De EFRO-kosten per arbeidsplaats zullen in deze maatregel bijna twee maal hoger uitkomen wanneer de tot nog toe gecommitteerde projecten volgens plan worden uitgevoerd. Vanuit de Mid-Term Review (MTR) Kompas voor het Noorden is ook per maatregel bekend hoeveel bruto gecreëerde arbeidsplaatsen er zijn gecommitteerd, evenals de hoeveelheid EFRO-budget en de totale publieke kosten. We kunnen daaruit ook de gecommitteerde EFRO en totale publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaatsen berekenen. De maatregelen in het Kompas die betrekking hebben op werklocaties (dit betreft de aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen en bedrijfshuisvesting (M.1.1.a, M.1.1.b, M.1.2.c) kunnen we vergelijken met maatregel 1.3 ‘Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen‘ uit EPD Zuid. In het Kompas komen we dan uit op 1.444 euro EFRO en 12.187 euro totale publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats (zie tabel 5.5). De EFRO bijdrage is redelijk vergelijkbaar met het bedrag van 1.914 euro dat we voor EPD Zuid hebben becijferd. De totale publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats in gecommitteerde projecten liggen in beide programma’s verder uiteen. In het EPD Zuid zijn de totale publieke kosten per arbeidsplaats bijna de helft van het bedrag in het Kompas voor het Noorden.
Tabel 5.5 Vergelijking kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats in gecommitteerde projecten, in EPD Zuid en MTR Kompas voor het Noorden (bedrijventerreinen- en bedrijfshuisvestingsmaatregelen) EPD Zuid-Nederland 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Bruto gecreëerde arbeidsplaatsen gecommittteerd EFRO-budget gecommitteerd (euro) Totale publieke kosten gecommitteerd (euro) EFRO-kosten per arbeidsplaats (euro) Totale publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats (euro) Bron: 2.498 Kompas voor het Noorden EPD Oost-Nederland M.1.1.a. Aanleg 1.3 Ontwikkelen en bedrijventerreinen, M.1.1.b. revitaliseren bedrijfsRevitalisering locaties en versterken bedrijventerreinen, M.1.2.c. fysieke kennisinfraBedrijfs-huisvesting structuur 11.721 6.381

4.785.106 15.423.637 1.916 6.174

16.929.691 142.848.525 1.444 12.187

7.771.473 30.347.737 1.216 4.756

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels/MTR Kompas voor het Noorden, bewerking Bureau Bartels//Mid-term evaluatie Oost-Nederland

81

In de mid-term evaluatie van het EPD Oost-Nederland zijn voor de maatregel 1.3 (en alle andere maatregelen) ook de EFRO en totale publieke kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats berekend. In maatregel 1.3 vallen zowel de EFRO als totale publieke kosten per arbeidsplaats in het EPD Zuid iets hoger uit dan in EPD Oost, zoals blijkt uit tabel 5.5. In tabel 5.6 hebben we voor EPD Zuid en EPD Oost de kosten per arbeidsplaats over het totale programma gepresenteerd. Hieruit blijkt dat net als binnen maatregel 1.3 de EFRO en totale publieke kosten per gecommitteerde arbeidsplaats in het EPD Zuid wat hoger uitvallen. Volgens de begrotingen van beide programma’s was te verwachten dat dit andersom zou zijn. Overigens kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat ‘dus’ het EPD Oost qua generatie van (bruto) werkgelegenheid efficiënter zou opereren dan het EPD Zuid. Zo dient bijvoorbeeld bedacht te worden dat het bij de hier gepresenteerde cijfers gaat om inschattingen zoals die door de projectindieners zijn gedaan. Daarnaast dient ook rekening te worden gehouden met verschillen in typen projecten die gecommitteerd zijn. Zoals eerder geconstateerd zijn er projecten waar niet of nauwelijks werkgelegenheidseffecten spelen – maar die toch van belang worden geacht voor de sociaal-economische structuurversterking van regio’s – terwijl er anderzijds projecten zijn die juist een sterk accent op werkgelegenheidscreatie kennen.
Tabel 5.6 EFRO-kosten per bruto gecreëerde arbeidsplaats, volgens EPD/programmacomplement en in gecommitteerde projecten t/m 31-12-2002 EFRO-kosten per arbeidsplaats (euro) Begroot In gecommitteerde projecten Publieke kosten per arbeidsplaats (euro) Begroot In gecommitteerde projecten

Totaal EPD Zuid* Totaal EPD Oost* * Exclusief Technische Bijstand.

19.319 25.971

6.455 3.572

44.968 66.598

18.615 11.845

Bron:

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels/Mid-term evaluatie Oost-Nederland

5.5

Conclusies efficiency

In dit hoofdstuk zijn verschillende efficiency-aspecten aan de orde gekomen. Zo zijn we ingegaan op de kostenefficiency, multipliereffecten en efficiency van werkgelegenheidseffecten. Op basis van de analyse van de efficiency langs deze drie sporen concluderen we dat de uitvoering van het programma op hoofdlijnen efficiënt verloopt. Dit geldt zowel voor de kostenefficiency, het multipliereffect van EFRO op de private bijdragen aan het EPD en de efficiency in de gecommitteerde bruto gecreëerde arbeidsplaatsen. Meer op detailniveau blijkt dat er behoorlijke efficiencyverschillen tussen prioriteiten en maatregelen bestaan. Maar per saldo zijn er geen prioriteiten of maatregelen te identificeren die nu heel ‘inefficiënt’ scoren op de verschillende efficiencymaatstaven. Wel is het zo dat voor enkele maatregelen nog weinig valt te zeggen over de verschillende vormen van efficiency. Dit vanwege de beperkte generatie van projecten binnen deze maatregelen. Ook bleek uit de analyse van de kostenefficiency dat een aantal output- en resultaatindicatoren ‘extreem’ positieve waarden noteerde. Dit heeft vooral te maken met het feit dat binnen deze indicatoren in feite verschillende typen effecten – zie ook

82

hoofdstuk 4 – worden meegenomen.

83

6.

UITVOERING VAN HET EPD ZUID-NEDERLAND

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk staat de uitvoering van het EPD Zuid-Nederland centraal. We beginnen in paragraaf 6.2 met de beoordeling van de organisatie- en beheersstructuur. In paragraaf 6.3 gaan we in op de beoordeling van het partnerschap binnen het programma. De selectie van de projecten behandelen we in paragraaf 6.4. We zullen een onderscheid maken in de indieningsprocedure en de gehanteerde criteria. Vervolgens komen in paragraaf 6.5 de ervaringen van de projectindieners met de uitvoering van de projecten aan bod. Daarna presenteren we in paragraaf 6.6 de bevindingen rondom de publiciteit en de communicatie van het programma. We besteden hierbij aandacht aan de communicatie vanuit de gremia die bij het programma betrokken zijn. In paragraaf 6.7 staat de monitoring en financiële afhandeling centraal, terwijl in paragraaf 6.8 de kosten van de programma-uitvoering aan bod komen. De beoordeling van de indicatoren voor de prestatiereserve wordt behandeld in paragraaf 6.9. Tot slot worden de hoofdconclusies uit dit hoofdstuk gepresenteerd in paragraaf 6.10.

6.2

Beoordeling organisatie- en beheersstructuur

In deze paragraaf gaan we in op de organisatie- en beheerstructuur van het EPD ZuidNederland. We zullen hiertoe eerst een schematisch overzicht geven van deze structuur. Vervolgens gaan we in op het functioneren van de verschillende gremia die in de structuur te onderscheiden zijn. In schema 6.1 geven we de organisatie- en beheersstructuur schematisch weer.
Schema 6.1 Organisatie- en beheersstructuur EPD Zuid

Comité van Toezicht

Stuurgroep D2 Phasing Out ZuidoostBrabant (Stimulus III) Stuurgroep D2 platteland NoordoostBrabant (Ceres) Stuurgroep D2 platteland/D5b Phasing Out Noord- en Midden Limburg (Ceres) Stuurgroep D2 Phasing Out Zuid-Limburg (Ceres) Stuurgroep D5b Phasing Out Zeeland

Programmasecretariaat Zeeland Programmasecretariaat Zuid-Limburg (Maecon N.V.) Programmasecretariaat Noord- en MiddenLimburg Programmamanagement Stimulus

In de organisatiestructuur kunnen we gremia op centraal niveau en op decentraal niveau

84

(de deelregio´s) onderscheiden. Deze gremia komen hieronder aan bod. Op centraal niveau zullen we met name ingaan op het Comité van Toezicht en op deelregio niveau zal het accent liggen op de stuurgroepen en het programmamanagement. Centraal niveau Als beheers- en betaalautoriteit van het EPD Zuid-Nederland, dus voor alle drie betrokken provincies, fungeert de provincie Noord-Brabant. In een convenant tussen de Nederlandse staat en de provincie Noord-Brabant is dit op 11 april 2001 formeel bekrachtigd. Het Ministerie van Economische Zaken functioneert voor het EPD ZuidNederland als coördinerend departement. De provincie Noord-Brabant is als beheersautoriteit verantwoordelijk voor het beheer, de controle en het toezicht op de voortgang en uitvoering van het programma. Als betaalautoriteit is de provincie Noord-Brabant ondermeer verantwoordelijk voor de betalingsstromen tussen de Europese Commissie en de deelregio’s en de eindbegunstigden. Om aan deze verantwoordelijkheden op centraal niveau invulling te kunnen geven is in een convenant tussen de drie betrokken provincies een aantal afspraken vastgelegd. Conform de Europese eisen is er binnen de provincie NoordBrabant een scheiding aangebracht tussen de functies die moeten worden uitgevoerd als beheersautoriteit en als betaalautoriteit. Naast de bovengenoemd rollen is ook het centrale programmasecretariaat (Stimulus) van het EPD Zuid-Nederland ondergebracht bij de provincie Noord-Brabant. Dit secretariaat ondersteunt de activiteiten van het Comité van Toezicht. De provinciale accountant van de provincie Noord-Brabant werkt als onafhankelijke instantie in opdracht van de beheersautoriteit en draagt zorg voor de controle op de uitvoering van het programma. Voor het EPD-Zuid Nederland is er een Comité van Toezicht (CvT) ingesteld, zoals ook door de Europese Commissie wordt vereist. Dit Comité is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van het EPD. Het Comité van Toezicht wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de beheersautoriteit (de Commissaris van de Koningin van de provincie Noord-Brabant). Het Comité van Toezicht is samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken provincies, de Ministeries van Economische Zaken en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kennisinstellingen, landbouworganisaties, sociale partners, Kamer van Koophandel, milieuorganisaties en gemeenten. Daarnaast maakt een vertegenwoordiger van de Europese Commissie als raadgevend lid deel uit van het CvT. Uit de evaluatie blijkt dat door de geraadpleegde betrokkenen de samenstelling van het Comité van Toezicht als adequaat wordt beschouwd. Er is geen behoefte om wijzigingen in de samenstelling aan te brengen. Ook inhoudelijk is daar geen aanleiding voor omdat er met bovenstaande samenstelling sprake is van een adequate afspiegeling van verschillende typen partijen die relevant zijn voor de implementatie van het EPD Zuid. Tot nu toe hebben er vier bijeenkomsten van het Comité van Toezicht plaatsgevonden. Daarnaast is één vergadering schriftelijk afgewikkeld. Gemiddeld voldoet men hiermee aan de ‘eis’ die aan het aantal vergaderingen in het evaluatiekader structuurfondsen 2000-2006 is gesteld. Hierin wordt namelijk een gemiddelde van minimaal twee bijeenkomsten per jaar genoemd. Ook in het Reglement van Orde wordt gesproken van minimaal twee bijeenkomsten per jaar. In tabel 6.1 geven we een overzicht van het opkomstpercentage tijdens de vergadering. We hebben dit percentage gebaseerd op het aantal stemhebbende leden. Dit houdt in dat we de secretaris, de vertegenwoordiger van de Europese Commissie en de ambtelijke vertegenwoordigers niet hebben meegeteld.

85

Tabel 6.1

Opkomst stemhebbende leden van het Comité van Toezicht per vergadering (in procenten) Aantal stemhebbende leden 19 19 19 19 Opkomstpercentage 63% 74% 42% 53%

Datum vergadering

7 september 2001 14 maart 2002 19 juni 2002 20 november 2002

Het opkomstpercentage in het Comité van Toezicht blijkt in de meeste vergaderingen te voldoen aan het vereiste quorum 4 van 50% + één stemhebbende. Dit quorum is vastgelegd in het Reglement van Orde van het Comité van Toezicht. Op 19 juni 2002 was het aantal stemhebbende leden niet voldoende om het noodzakelijke quorum te halen. Tijdens de gesprekken met leden van het Comité van Toezicht werd als belangrijkste verklaring voor de lage opkomst aangevoerd dat de ‘schaalvergroting’ van het programma ertoe heeft geleid dat individuele leden zich moeilijker in het totale EPD Zuid kunnen terugvinden. De achtergrond hiervan is dat het Comité van Toezicht verantwoordelijk is voor het toezicht op vijf deelregio’s verdeeld over drie provincies. De afstand van het Comité van Toezicht ten opzichte van de uitvoering van het programma is hierdoor toegenomen in vergelijking met programma’s uit het verleden. Door de hiermee gepaard gaande grotere complexiteit van het programma wordt het voor individuele vertegenwoordigers moeilijk om hun rol in het Comité van Toezicht in te vullen. Hierdoor neemt de betrokkenheid van vertegenwoordigers van deelregio’s met het geheel af, met als gevolg dat er eerder voor wordt gekozen om één of meerdere vergaderingen niet bij te wonen. De rol van het Comité van Toezicht kan worden onderverdeeld in een meer procedurele rol, zoals het vaststellen van onder andere het programmacomplement, toetsingskader en de jaarverslagen, en een meer inhoudelijke rol, zoals strategische sturing aan het programma. Uit de gesprekken met de leden van het Comité van Toezicht en de bestudeerde documenten (zoals notulen en jaarverslagen) blijkt dat aan de meer procedurele taak gestructureerd invulling wordt gegeven. Wat de inhoudelijke rol betreft, hebben er een aantal activiteiten plaatsgevonden die hiertoe behoren. Voorbeelden hiervan zijn presentaties van deelregio´s over de voortgang van hun deelprogramma’s en aandacht voor de horizontale criteria. Door de geraadpleegde leden van het Comité van Toezicht wordt verder aangegeven dat de inhoudelijke rol nu gaandeweg het programma aan belang zal winnen. Dit mede door het beschikbaar komen van voortgangsrapportages en de mid-term evaluatie. Over de wijze van invulling van de meer inhoudelijke rol tot nu toe lopen de meningen van de leden van het Comité van Toezicht wat uiteen. Een belangrijk deel is hierover tevreden en heeft geen behoefte aan een andere invulling van deze rol. Enkele geraadpleegde leden brengen echter wel de wens naar voren om vergaderingen van het Comité wat te ‘verlevendigen’, met name door het voeren van meer inhoudelijke en strategische discussies. Hierdoor zou ook de inhoudelijke betrokkenheid – en daarmee de participatie in vergaderingen – vergroot kunnen worden. Over de samenwerking en afstemming met de stuurgroepen en het (centrale) programmanagement zijn de geraadpleegde leden van het Comité van Toezicht tevreden. Per saldo worden hier dan ook geen verbeterpunten gesignaleerd. Verder bestaat er ook tevredenheid over de monitoringgegevens over de voortgang van het programma die aan het Comité worden voorgelegd.
4

Aantal leden dat aanwezig moet zijn in een vergadering om geldige besluiten te kunnen nemen.

86

Decentraal niveau Op decentraal niveau onderscheiden we de Stuurgroepen en het programmamanagement. Het functioneren van deze twee gremia beschrijven we hieronder. Binnen het EPD Zuid-Nederland zijn vijf Stuurgroepen actief. De taken en verantwoordelijkheden van de stuurgroepen zijn onder andere de inhoudelijke beoordeling van individuele EFRO-aanvragen en de besluitvorming over de goedkeuring van projecten, het toezicht houden op het dagelijks beheer van het programma en het adviseren en rapporteren aan het Comité van Toezicht over eventuele wijzigingen in het (beheer van het) programma. De Stuurgroepen zijn geïnstalleerd door het Comité van Toezicht. De samenstelling van de Stuurgroepen is tot stand gekomen op voordracht van Gedeputeerde Staten van de betrokken provincies. In de Stuurgroepen zijn vier typen leden te onderscheiden. Dit zijn de vertegenwoordigers van de provincies, ministeries, gemeenten en regionale organisaties. Daarnaast vervult het programmamanagement een adviserende rol. De voorzitters van de stuurgroepen zijn in drie gevallen gedeputeerden van de provincie en in twee gevallen vertegenwoordigers van (samenwerkende) gemeenten. Het aantal vergaderingen van de Stuurgroepen dat tot nu toe (van 2001 tot en met ultimo 2002) heeft plaatsgevonden, varieert van vier tot vijftien. Hierbij zijn ook vergaderingen meegeteld die schriftelijk zijn afgehandeld. Gemiddeld betekent dit twee (in Stuurgroep Doelstelling 5b Phasing out Zeeuwsch-Vlaanderen) tot zeven (in de Stuurgroep Doelstelling 2 Phasing out Zuidoost-Brabant (Stimulus-III)) per jaar. In het evaluatiekader wordt als richtlijn twee tot zes keer per jaar als voldoende genoemd. Hieraan wordt dus in de deelprogramma’s van het EPD Zuid voldaan. Ook bij de geraadpleegde leden van de verschillende Stuurgroepen bestaat veelal geen behoefte tot een verdere intensivering van het aantal vergaderingen. Over het algemeen wordt het aantal vergaderingen als adequaat bestempeld. De opkomst van de Stuurgroepvergaderingen is over het algemeen redelijk tot goed te noemen. Opvallend is wel dat niet alle Stuurgroepen in hun Reglement van Orde een quorum (van 50% of 50% plus één) hebben opgenomen. In dit opzicht is er geen sprake van uniformiteit tussen de Stuurgroepen. Het is toch aanbevelenswaardig dat alle Stuurgroepen een quorum in het Reglement opnemen, zeker omdat uit onze analyses van de Stuurgroepverslagen is gebleken dat bij enkele Stuurgroepvergaderingen minder dan de helft van de stemhebbende leden aanwezig was. De rol van de Stuurgroepen is onder te verdelen in een strategisch inhoudelijk rol en een rol in het selectie- en beoordelingsproces van projecten. Ten aanzien van de strategisch inhoudelijke rol wordt aangegeven dat hieraan in toenemende mate invulling wordt gegeven. Evenals voor het Comité van Toezicht wordt hiervoor als verklaring aangevoerd dat er steeds meer gegevens beschikbaar komen die de basis vormen voor strategische beslissingen. Een voorbeeld hiervan zijn de discussies rond de wenselijkheid en richting van overhevelingen. Toch geldt ook voor de Stuurgroepen dat bij een deel van de geraadpleegde betrokkenen behoefte bestaat aan een intensievere inhoudelijke betrokkenheid bij het (deel)programma. Dit heeft er reeds in geresulteerd dat er meer aandacht is voor het bezoeken van projecten en presentaties van projectindieners en andere betrokkenen. Over de rol van de Stuurgroepen in het selectieproces zijn de geraadpleegde personen over het algemeen tevreden. Met als kanttekening dat ook op dit punt een (beperkt) aantal betrokken de wens uitspreekt van meer discussies over de te beoordelen projecten. Het functioneren van het (betreffende) programmamanagement wordt door de leden van de Stuurgroepen vrijwel unaniem positief beoordeeld. De Stuurgroepleden kunnen goed uit de voeten met het voorbereidende werk dat door het programmamanagement wordt gepleegd. Aanvragen worden immers door het programmamanagement voorzien van een preadvies en vervolgens aan de Stuurgroep voorgelegd. In verreweg de meeste gevallen volgen de betrokken Stuurgroepen het preadvies van het programmamanagement dan ook op.

87

Evenals het Comité van Toezicht zijn ook de geraadpleegde leden van de Stuurgroepen overwegend positief over de samenwerking en afstemming met andere gremia. Tot slot van deze paragraaf behandelen we het functioneren van het programmamanagement. Voor het EPD Zuid-Nederland bestaan er vier verschillende organisaties – zie ook schema 6.1 – die het programmamanagement verzorgen. Eén organisatie, namelijk Stimulus, voert het management voor twee deelprogramma’s namelijk voor Stimulus III (D2 Phasing out Zuidoost-Brabant) en Ceres (D2 platteland NoordoostBrabant). Het programmamanagement voor Ceres Noord- en Midden-Limburg (D2 platteland en D5b) wordt verzorgd door de provincie Limburg. Voor het Doelsteling 5b programma Zeeuwsch-Vlaanderen is de provincie Zeeland met het programmamanagement belast. Het management Doelstelling 2 Phasing out programma ZuidLimburg vindt plaats bij Maecon N.V. In totaal zijn er dus drie deelprogramma’s waar een externe partner het programmamanagement op zich heeft genomen. Overigens heeft Stimulus ook een rol in het ‘overall’-programmamanagement. Zo verzorgt Stimulus de stukken voor het Comité van Toezicht, de jaarverslagen van het EPD Zuid enzovoort. Het programmanagement ervaart in het algemeen geen grote problemen bij het uitvoeren van haar taken. De beschikbare menskracht en middelen worden als voldoende beschouwd. Wel wordt vanuit het programmanagement – waar al langer ervaring bestaat met het uitvoeren van Europese programma’s – aangegeven dat de administratieve zaken steeds meer inspanning vergen. Dit wordt veroorzaakt door toegenomen regels vanuit Brussel, zoals de N+2-regel. Hierdoor wordt ervaren dat er minder tijd beschikbaar is voor het ontwikkelen (makelen en schakelen) van projecten. Het gevaar hiervan is dat er onvoldoende ‘uitvoeringsgerede projecten’ worden gegenereerd. In het onderstaande zullen we bij het bespreken van de verschillende aspecten van de uitvoering van het programma nog terugkomen op de invulling van enkele specifieke uitvoeringstaken door het programmamanagement.

6.3

Beoordeling regionaal partnerschap

In deze paragraaf staat de beoordeling van de betrokkenheid van de relevante regionale partijen bij de uitvoering van het programma centraal. We hebben geconstateerd dat de regionale partijen in essentie op een tweetal manieren bij het programma zijn betrokken. In de eerste plaats participeren regionale organisaties in de formele organisatie van het EPD. Dit uit zich in betrokkenheid van deze partners met name in de verschillende Stuurgroepen en in het Comité van Toezicht. In de tweede plaats zijn regionale partijen betrokken bij projecten die binnen het EPD worden uitgevoerd. We zullen deze twee manieren van betrokkenheid hieronder verder analyseren. Betrokkenheid in de formele organisatie In de vorige paragraaf hebben we aangegeven dat er in de verschillende Stuurgroepen regionale partijen zijn vertegenwoordigd. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt in de lokale overheid en andere typen organisaties. In schema 6.2 geven we een overzicht van de betrokken regionale organisaties in de Stuurgroepen. Provincies en ministeries zijn in het overzicht niet meegenomen.

88

Schema 6.2 Betrokken regionale partijen in de verschillende Stuurgroepen Stimulus Zuidoost- Ceres NoordoostBrabant (D2 Brabant (D2 Phasing Out) platteland) Gemeente Eindhoven Noord- en Midden Limburg (D2 platteland en D5b Phasing Out) Zuid-Limburg (D2 Phasing Out) Zeeland (D5b Phasing Out)

Cluster Peel & Maas Gewesten Noord(gemeente Mill en en Midden-Limburg St. Hubert) Cluster Maas & Meijerij (gemeente Bernheze Kamer van Koophandel Noord- en Midden Limburg

Streekgewest Westelijke Mijnstreek Regio Parkstad Limburg

Gemeente Axel

Gemeente Helmond

FNV Regio Zuidwest Nederland

Samenwerkingsverband Regio Eindhoven FNV Regiowerk Zuidoost-Nederland

Stedelijk kerngebied Limburgse Land- en (gemeente Veghel) Tuinbouwbond Brabants Bureau voor Toerisme Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers (namens Vertrouwenspact Werkgelegenheid Limburg) Stichting Milieufederatie Limburg

Gemeente Schinnen Kamer van Koophandel Gemeente Heerlen Kring van Werkgevers in de kanaalzone ZeeuwschVlaanderen

Brabant-Zeeuwse Werkgeversvereniging Kamer van Koophandel OostBrabant

Brabantse Milieufederatie Brabant-Zeeuwse Werkgeversvereniging FNV Regiowerk Zuidoost-Nederland

Gemeente Kerkrade

Waterschap Zeeuws-Vlaanderen Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie Zeeuwse Milieufederatie

FNV Vertrouwenspact Werkgelegenheid Kamer van Koophandel

NV REDE

Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie Kennisinstellingen (HAS Den Bosch) Kamer van Koophandel OostBrabant Syntens

De lokale overheid is in de Stuurgroepen veelal vertegenwoordigd door een bestuurder namens één of meerdere gemeenten bijvoorbeeld in een samenwerkingsverband. Voor de gemeenten in de Stuurgroepen kan een financiële en/of een inhoudelijk rol worden onderscheiden. Een financiële rol op deelprogrammaniveau doet zich bijvoorbeeld voor in het Stimulus programma waarbij een groot deel van de cofinanciering door het Samenwerkingverband Regio Eindhoven wordt opgebracht. Een meer inhoudelijke rol doet zich voor in Stuurgroepvergaderingen waarbij ondermeer projectvoorstellen worden beoordeeld. De gemeenten fungeren ook als ‘doorgeefluik’ van de informatie over ondersteuningsmogelijkheden naar hun eigen organisatie en de andere gemeenten die zij vertegenwoordigen. Als we inzoomen op de overige regionale partijen dan zien we dat partijen als de Kamer van Koophandel, werkgevers- en werknemersorganisaties, milieuorganisaties, landbouworganisaties, kennisinstellingen en intermediaire organisaties (zoals Syntens en NV REDE) goed vertegenwoordigd zijn. Hiermee is ook invulling gegeven aan de uitgangspunten voor deze samenstelling zoals die in het EPD Zuid is opgenomen. Uit de samenstelling van de Stuurgroepen, zoals hierboven in schema 6.2 gepresenteerd, blijkt ook dat belangrijke regionale partijen daadwerkelijk in het programma zijn ingebed.

89

De betrokkenen zelf beoordelen de samenstelling van de Stuurgroepen in verreweg de meeste gevallen als goed. Wel wordt een aantal malen de suggestie gedaan om meer organisaties te betrekken die de ‘leemte’ op kunnen vullen die ontstaan is door het verdwijnen van de RBA’s. Deze wens hangt ook samen met de knelpunten die ondervonden worden met het invullen van bepaalde maatregelen zoals ‘Human resources’ (maatregel 3.1). De rol van de overige regionale partijen in de Stuurgroep is voornamelijk inhoudelijk van aard. Zij beoordelen projectvoorstellen en evenals gemeenten geven zij informatie over de ondersteuningsmogelijkheden door aan hun achterban. Deze laatstgenoemde rol maakt de regionale organisatie ook een partij bij het tot stand laten komen van projecten. Betrokkenheid in de projecten Naast de betrokkenheid in de formele organisatiestructuur van het EPD Zuid komt het partnerschap van regionale partijen ook op projectniveau naar voren (zie ook de projectoverzichten in paragraaf 3.3). We zien de betrokkenheid van gemeenten vooral terugkomen in de meer ‘hardere projecten’, zoals bijvoorbeeld de aanleg en revitalisering van bedrijventerreinen en infrastructuur, het opzetten van multifunctionele dorpshuizen, en de aanleg van toeristische voorzieningen. Bij deze projecten fungeert de gemeente veelal als projectindiener en/of als cofinancier. De betrokkenheid van de overige regionale partijen is over het algemeen veel diverser van aard. Intermediaire partijen zoals Syntens, Kamer van Koophandel en NV REDE spelen met een name een rol als uitvoerder van regelingen. De werkgevers- en werknemersorganisaties zijn overigens veel meer op de achtergrond van projecten betrokken. Bijvoorbeeld door het op de kaart zetten en stimuleren van potentiële projecten en het eventueel bij elkaar brengen van partijen die een project zouden kunnen uitvoeren. De landbouw- en milieuorganisaties zijn tot nu toe overigens nog nauwelijks bij projecten betrokken. De achtergrond hiervan is gelegen in de moeilijkheden bij het totstandkomen van projecten binnen de maatregelen rond landbouw- en natuurontwikkeling (zie knelpunten rond maatregelen 1.1 en 1.2 in de paragrafen 3.3 en 4.2). Uit de gesprekken met de leden van de Stuurgroepen en het programmanagement blijkt dat de betrokkenheid van de verschillende partijen in het algemeen positief wordt gewaardeerd. We hebben hierbij wel kunnen constateren dat in regio’s waar al langere tijd een Europese programma loopt (de Doelstelling 2 en 5b Phasing out programma’s) de regionale inbedding van het programma beter is uitgekristaliseerd dan in regio’s waar het programma nog vrij nieuw is (de Doelstelling 2 plattelandsprogramma’s). Dit is ook vrij logisch omdat het programma juist mede als opstappunt dient om dergelijke netwerken van de grond te krijgen. Op dit moment zijn in de ‘nieuwe regio’s’ al wel de eerste contouren van deze netwerken zichtbaar. De verwachting bestaat dat ook in deze regio’s het regionaal organiserend vermogen al doende verder zal worden uitgebouwd. Zowel de leden van de Stuurgroepen als het programmamanagement in deze nieuwe regio’s ervaren op zich voldoende draagvlak voor hun (deel)programma bij de regionale partners. Wel is duidelijk dat partijen nog de nodige ervaring op zullen moeten doen met zaken als projectontwikkeling en -uitvoering. De verwachting in de ‘nieuwe’ doelstellingregio’s is dat de samenwerking tussen partijen ook na afloop van het programma stand zal houden. Dat heeft deels ook te maken met het feite er voor deze gebieden reconstructieplannen ontwikeld worden waar voor een belangrijk deel dezelfde organisaties weer bij betrokken zijn. Hoewel we hebben kunnen vaststellen dat het regionale partnerschap goed van de grond is gekomen kunnen we toch nog een aantal aandachtspunten naar voren brengen. In de eerste plaats moet het gevaar ondervangen worden dat de belangstelling van de partners voor het programma in de nog resterende periode van het programma afneemt. Dit kan leiden tot onvoldoende nieuwe projecten. Ook een aantal vertegenwoordigers van het programmamanagement en de Stuurgroepen brengen dit als aandachtspunt naar voren.

90

Dit punt zou met name (kunnen gaan) spelen in één of enkele phasing out onderdelen – omdat het programma daar afloopt – en bij partners die een rol kunnen spelen bij de invulling van de maatregelen 1.1 en 1.2. Dit laatste dan omdat zij er tot op heden maar in beperkte mate in zijn geslaagd om projecten te initiëren die passen binnen deze maatregelen. Het blijft ook naar de komende periode van groot belang dat partijen hun achterban (blijven) informeren over de mogelijkheden die het programma biedt. In sommige regio´s is dat al een expliciet aandachtspunt. Aandacht hiervoor in de komende periode is echter van essentieel belang om tot nieuwe projecten te komen. Voor maatregel 3.1 ‘Human resources’ doet zich het gegeven voor dat er feitelijk te weinig organisaties betrokken zijn bij het EPD Zuid voor wie ‘human resources’ een ‘coreactiviteit’ is. Dit zou in de komende periode verder versterkt dienen te worden.

6.4

Beoordeling projectselectie

De werkwijze rond de projectselectie is weergegeven in de Administratieve Organisatie (AO). Hiermee bedoelen we in feite de basis-AO voor de afzonderlijke deelprogramma’s. In deze AO (ook wel werkdocument genoemd) is de indieningsprocedure opgenomen, evenals de EFRO-uitvoeringsbepalingen. Tevens zijn hierin de projectselectiecriteria uitgewerkt. We zullen in deze paragraaf allereerst ingaan op elementen die van belang zijn voor een adequate projectselectie. Hiertoe behandelen we eerst de indieningsprocedure en vervolgens de beoordelingscriteria. We baseren ons in de analyse op schriftelijke documenten, de gesprekken met de betrokkenen (Comité van Toezicht, Stuurgroepen en Programmamanagement) en de interviews met de projectindieners. I. Indieningsprocedure Voor de subsidieaanvragen kunnen in grote lijnen de volgende procedurestappen worden onderscheiden: 1. 2. 3. 4. Mogelijkheid tot indienen vooraankondiging5 . Onvangst (concept)aanvraag en eerste toets op volledigheid. Verzenden ontvangstbevestiging met startdatum subsidiabele kosten. Formele toets complete aanvraag op (selectie en financiële criteria), ontvankelijk verklaren, opstellen advies door programmamanagement aan stuurgroep en voorleggen aanvraag en advies aan stuurgroep. Besluit stuurgroep over projectaanvraag. Formele beschikking. Accordering beschikking. Mogelijkheid tot indienen bezwaar.

5. 6. 7. 8.

We hebben geconstateerd dat deze procedure, met kleine afwijkingen, in alle deelregio’s wordt toegepast. Het belangrijkste verschil doet zich voor bij de vooraankondiging. In afwijking van hetgeen hiervoor beschreven heeft de deelregio Zeeuwsch-Vlaanderen hier een iets andere invulling aangegeven. De indieningprocedure wordt door de geraadpleegde Stuurgroepleden en het programmamanagement als helder ervaren. Over de rol van het programmanagement binnen deze procedure bestaat er een unanieme tevredenheid. Er zijn geen wensen naar voren gebracht om de indieningsprocedure te wijzigen. Ook door programmamanagement zelf wordt aangegeven dat men met de indieningsprocedure goed uit de voeten kan.

5

Vanaf dit moment zijn de kosten in het kader van een subsidieaanvraag subsidiabel.

91

Binnen de gehele indieningsprocedure speelt het preadvies van het programmamanagement aan de Stuurgroep een cruciale rol. Dit preadvies wordt door de geraadpleegde stuurgroepleden als duidelijk en helder ervaren. Dit blijkt ook wel uit het feit dat het preadvies van het programmanagement vrijwel altijd door de Stuurgroep wordt overgenomen. Om zicht te krijgen hoe de gebruikers van het programma de indieningsprocedure ervaren, hebben we de geraadpleegde projectindieners een aantal vragen over dit onderwerp voorgelegd. Hieronder geven we deze uitkomsten weer. Van de geraadpleegde projectindieners gaf 90% (N=40) aan dat zij zelf het initiatief tot het project hadden genomen. Het ontwikkelen van het projectvoorstel gebeurde in de meeste gevallen (80%, N=40) met meerdere partijen. Meestal betrof dit een partij die ook bij de verdere uitvoering van het project is betrokken. Als andere partijen die bij de uitwerking van het projectvoorstel betrokken waren, werden voornamelijk adviesbureaus genoemd. De geraadpleegde projectindieners die gebruik konden maken van een vooraankondiging (dus exclusief Zeeuwsch-Vlaanderen waar deze mogelijkheid niet bestaat) hebben we gevraagd of zij hiervan ook daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt. Van deze projectindieners (N=34) gaf 50% aan deze mogelijkheid ook daadwerkelijk benut te hebben. Van de overige respondenten had 29% hiervan geen gebruik gemaakt terwijl 21% zich niet meer wist te herinneren of dat destijds al dan niet was gebeurd. De belangrijkste redenen om geen vooraankondiging te doen (N=10) waren ‘onbekendheid met de mogelijkheid’ (60%) en ‘het vrij snel kunnen opstellen van een definitieve aanvraag’ (20%). De projectindieners zijn ook gevraagd naar de rol van het programmamanagement bij de verdere ontwikkeling van het projectvoorstel. In tabel 6.3 zijn de resultaten hiervan weergegeven.
Tabel 6.3 Rol van het programmamanagement bij de verdere ontwikkeling van het projectidee volgens projectindieners (N=39) Aandeel respondenten 41% 23% 5% 31% 100%

Rol projectmanagement (Globale) adviezen verstrekt Beperkte begeleiding Intensieve begeleiding Geen begeleiding Totaal

Uit de tabel blijkt dat bij ruim tweederde van de projectindieners het programmamanagement een rol heeft gespeeld bij de verdere ontwikkeling van het projectidee. Eenderde deel van de projectindieners was in staat om volledig zonder hulp van het programmamanagement de aanvraag op te stellen. Veelal gaat het daarbij om grotere organisaties terwijl ‘kleinere’ aanvragers zoals stichtingen wel gebruik hebben gemaakt van advisering en begeleiding door het programmamanagement. Voor vrijwel alle projectindieners (97%, N=39) was het duidelijk welke bescheiden (een aanvraagbrief, een aanvraagformulier, onderbouwing van de cofinanciering en een inhoudelijk en financieel onderbouwd projectplan) deel moeten uitmaken van een aanvraag. Ondanks de duidelijkheid over de bescheiden die deel moeten uitmaken van de subsidieaanvraag heeft een groot deel van de respondenten (44%, N=39) na deze aanvraag, op verzoek van het programmamanagement, nog onderdelen moeten aanvullen en toelichten. De overige respondenten (46%) hebben geen aanvullingen hoeven plegen of kon (10%) deze vraag niet beantwoorden. De meest aanvullingen

92

hadden betrekking op de begroting (vijf keer genoemd), de uitwerking van een bepaald deelaspect van het project (drie keer genoemd), het verduidelijken (minder technisch maken) van de subsidieaanvraag (drie keer genoemd), het concretiseren van de beoogde effecten (twee keer genoemd) en het schrappen van een aantal zaken die niet subsidiabel bleken (twee keer genoemd). Aan de respondenten is tevens een beoordeling gevraagd over de duidelijkheid van het aanvraagformulier en de snelheid van de honorering van het project. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in figuur 6.1.
Figuur 6.1 Gemiddelde oordelen projectindieners over duidelijkheid aanvraagformulier en snelheid van honorering van het project

Duidelijkheid aanvraagformulier (N=35)

Snelheid honorering (N=38)

1

1,5

2

2,5

3

3,5

4

4,5

5

Legenda: 1 = zeer slecht 2 = slecht 3 = niet goed, niet slecht 4 = goed 5 = zeer goed

Uit de bovenstaande figuur blijkt dat het aanvraagformulier en de snelheid van beoordeling van het project in zijn algemeenheid positief worden gewaardeerd. De enige negatieve klanken met betrekking tot de duidelijkheid van het aanvraagformulier waren de ‘moeilijke taal’ waarin dit was opgesteld (drie keer genoemd) en de uitgebreidheid van het aanvraagformulier (één keer genoemd). Het merendeel van de geraadpleegde projectindieners (74%, N=38) heeft geen problemen ervaren als gevolg van de tijdsspanne tussen het indienen van het projectvoorstel en de formele toekenning. Bij 26% van hen was dit wel het geval. Dit had volgens de betreffende projectindieners gevolgen voor: § een latere start van het project (vier keer genoemd); § de liquiditeit van de (project)organisatie (twee keer genoemd); § onzekerheid (wel al begonnen en zelf voorfinanciering gedaan) (twee keer genoemd). Als afsluiting van de vragen over de indieningsprocedure hebben we de geraadpleegde projectindieners de mogelijkheid geboden om verbeterpunten voor de aanvraagprocedure naar voren te brengen. De volgende punten werden hierbij genoemd: § hogere frequentie stuurgroepvergadering waarin projecten worden beoordeeld (twee keer genoemd); § meer uitleg en duidelijkheid over criteria (twee keer genoemd); § invoeren mogelijkheid tot vooraankondiging in Zeeland (één keer genoemd); § meer dan twee keer per jaar de mogelijkheid hebben een aanvraag te kunnen indienen (één keer genoemd); § meer mogelijkheden voor cofinanciering bij aanvragen van individuele bedrijven (één keer genoemd). Hieruit blijkt dat er geen majeure verbeterpunten zijn die bij een belangrijk deel van de

93

projectindieners op ‘draagvlak’ kunnen rekenen. II. Beoordelingscriteria Er zijn drie typen criteria waarop projecten worden beoordeeld en geselecteerd. Dit zijn selectiecriteria, financiële criteria en prioriteitscriteria. Deze criteria zijn in het programmacomplement van het EPD Zuid opgenomen en worden in de afzonderlijke deelprogramma’s op (vrij) uniforme wijze gehanteerd. Bij de selectiecriteria gaat het om de meer ‘technische’ criteria waaraan projecten volgens de geldende regelgeving moeten voldoen, bijvoorbeeld dat een project moet passen in de EFRO en Structuurfondsenverordeningen. De financiële criteria hebben bijvoorbeeld betrekking op de bepaling van de subsiabele kosten, de maximale hoogte van de subsidie en de benodigde cofinanciering. In de prioriteitscriteria wordt tenslotte aangegeven aan welke projecten de voorkeur wordt gegeven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen meer ‘algemene’ prioriteitscriteria en specifieke criteria voor bepaalde typen projecten namelijk voor infrastructurele, bedrijfsgerichte en sociaal-maatschappelijke projecten. Volgens de algemene prioriteitscriteria wordt de voorkeur gegeven aan projecten die: § zoveel mogelijk structurele arbeidsplaatsen genereren; § zich richten op het MKB; § gelijke kansen bieden voor mannen en vrouwen; § zorgen voor de inzet van langdurig werklozen; § gericht zijn op duurzame en milieuvriendelijke ontwikkeling; § een bovenregionaal of transnationaal belang dienen; § een relatie tussen prioriteiten en maatregelen leggen; § leiden tot innovatief beleid en innovatieve uitvoering; § een integrale en structuurversterkende aanpak toepassen. De horizontale EU-doelstellingen zijn verweven in deze beoordelingscriteria. De beoordelingscriteria voor het EPD Zuid-Nederland worden over het algemeen als helder en duidelijk beschouwd. Zowel het programmanagement als de Stuurgroepen kunnen goed werken met deze criteria. Wel blijkt het soms lastig te zijn om tot een overall beoordeling te komen van (ecologische) duurzaamheid. Dit speelt met name waar zich zowel positieve als negatieve milieueffecten voordoen die moeilijk onderling af te wegen zijn. Daarnaast kan voor de horizontale EU-doelstelling van ‘gelijke kansen’ bij veel projecten niet bij voorbaat een onderbouwde inschatting van de impact van projecten worden gemaakt. Deze zaken hebben we al eerder in deze evaluatie aan de orde gesteld. Overigens is het wel zo dat in de Stuurgroepen nog niet op uniforme wijze wordt omgegaan met ‘duurzaamheid’. Zo is er rond het thema Duurzaamheid binnen de Stuurgroep Ceres Noordoost-Brabant een notitie opgesteld met aanknopingspunten voor de wijze waarop duurzaamheid in de selectie van projecten meegenomen kan worden. Dit heeft bijvoorbeeld geresulteerd in een werkdefinitie van het begrip duurzaamheid. Vervolgens heeft er vanuit dit deelprogramma ook in het Comité van Toezicht een toelichting plaatsgevonden rond het thema duurzaamheid. Er is echter nog niet besloten om in alle Stuurgroepen op eenzelfde wijze om te gaan met het thema duurzaamheid en daarbij wellicht het ‘voorwerk’ vanuit de Stuurgroep Ceres Noordoost-Brabant als vertrekpunt te nemen. We komen hier in hoofdstuk 7 bij de aanbevelingen nog op terug. Zoals we in het eerste deel van deze paragraaf al hebben geconstateerd voert het programmamanagement een eerste beoordeling uit van de projectaanvraag. Vervolgens wordt de Stuurgroep geadviseerd om projecten goed of af te keuren. De projecten die geselecteerd zijn voldoen in de optiek van de geraadpleegde Stuurgroepleden en het programmamanagement in voldoende mate aan de doelstellingen van het EPD. Dit wordt overigens ondersteund door de resultaten over de effectiviteit (en efficiency) zoals die in de voorgaande hoofdstukken zijn gepresenteerd. Overigens is het aantal ingediende projecten veelal nog niet dusdanig groot dat tot een onderlinge afweging van de projecten moet worden gekomen. De praktijk is nu dat per project wordt getoetst of wordt voldaan aan de beoordelingscriteria.

94

We hebben ook bij de projectindieners de beoordeling van de beoordelingscriteria getoetst. Van de respondenten die hierover een oordeel konden geven (N=40) gaf 65% aan deze criteria als (zeer) goed te ervaren, 18% vond deze criteria matig en 5% beoordeelde ze als (zeer) slecht. Het overige deel (12%) kan hier geen oordeel over geven. De respondenten die ‘zwakke’ punten in de selectiecriteria naar voren brachten noemen met name dat het lastig is om effecten te kwantificeren (en daar dan op te beoordelen) en het feit dat de eisen soms ruimte overlaten voor eigen interpretaties (vijf keer genoemd). Deels heeft dat dan weer betrekking op het inschatten van de effecten van projecten. Vooral respondenten met een beperkte ervaring met EFRO-aanvragen brachten deze punten naar voren. De mate waarin er verschil van inzicht tussen projectindieners en programmamanagement (of Stuurgroep) bestaat over hetgeen wel of niet beschouwd kan worden als subsidiabele kosten voor EFRO geeft een nader inzicht in de duidelijkheid van de financiële criteria. Globaal leverde het inzicht in de subsidiabiliteit van kostensoorten geen grote problemen op. Bijna eenzesde van de projectindieners (16%, N=38) gaf aan dat er wel een verschil van inzicht met het programmamanagement over de subsidieerbaarheid van kosten is geweest. Bij de overige respondenten (84%) speelde dit dus niet. Voorzover zich wel verschillen hebben voorgedaan hadden deze betrekking op: § fysieke onderdelen van het project, zoals kosten van grondverwerving (drie keer genoemd); § loonkosten (drie keer genoemd); § fiscale kosten (BTW ook subsidiabel) (één keer genoemd). Een essentiële voorwaarde voor de goedkeuring van een project is dat naast de EFRObijdrage ook cofinanciering vanuit andere bronnen wordt verkregen. We zijn dan ook nagegaan of de projectindieners moeite hebben ondervonden bij het genereren van de benodigde cofinanciering. De resultaten hiervan zijn weergegeven in tabel 6.4.
Tabel 6.4 Beoordeling proje ctindieners over het rondkrijgen van de publieke en eventueel private cofinanciering (N=40) Publieke cofinanciering 72% 18% 10% 100% Private cofinanciering 40% 5% 3% 42% 10% 100%

Beoordeling Niet moeilijk Redelijk moeilijk Zeer moeilijk Niet van toepassing Weet niet/geen mening Totaal

Uit de tabel blijkt dat de meeste projectindieners geen grote problemen hebben ondervonden bij hun speurtocht naar publieke (en private) cofinanciering. Dit duidt er op dat ook andere partijen de betreffende projecten blijkbaar zinvol vonden en (daarom) bereid waren tot financiële ondersteuning. Uit de tabel komt ook naar voren dat cofinanciering met private middelen veel minder vaak aan de orde was dan cofinanciering met publieke middelen. Een mogelijke consequentie van cofinanciering is dat deze financiers naast de Europese criteria aanvullende voorwaarden stellen. Een grote meerderheid van de respondenten (92%, N=38) heeft hierbij echter geen specifieke knelpunten ervaren. De resterende projectindieners (8%) hebben wel met aanvullende voorwaarden te maken gehad.

95

6.5

Ervaringen projectindieners met de uitvoering van het project

In deze paragraaf staan de ervaringen van de projectindieners met de uitvoering van de ondersteunde projecten centraal. We gaan achtereenvolgens in op de samenwerking binnen het project, de rol van het programmamanagement, de planning en de overige knelpunten. Samenwerking binnen het project Projecten worden in de meeste gevallen (87%, N=40) samen met andere partijen uitgevoerd. Dit zijn partijen – bijvoorbeeld bedrijven – die een onderdeel van het project uitvoeren. In 13% van de gevallen waren er geen andere partijen bij het project betrokken. Volgens een groot deel van de respondenten (N=40) verloopt de samenwerking met deze partners goed (74%) tot zeer goed (14%). Een beperkt deel van de projectindieners waardeert deze samenwerking als matig (9%) of heeft geen mening (3%). De respondenten met een matige beoordeling geven hiervoor geen oorzaken aan die te maken hebben met de (wijze van) programma-uitvoering. Ook is nagegaan of de samenwerking een positieve of negatieve invloed heeft (gehad) op het verloop van het project. Een meerderheid (57%, N=35) kon hier geen zaken noemen. Ongeveer eenderde deel (34%) gaf echter aan dat de samenwerking vooral positieve gevolgen heeft gehad. Daarbij werd dan gewezen op het bewerkstelligen van synergie-effecten en het creëren van extra draagvlak voor het project doordat meerdere partijen eenzelfde doel nastreven. Slechts één respondent (3%) gaf aan dat hij door samenwerking negatieve gevolgen heeft ondervonden. Als gevolg van een rechtszaak met een samenwerkingspartner liep het project vertraging op. Een klein deel van de respondenten (6%) kon zich over deze vraag geen mening vormen. Rol van het programmamanagement Om inzicht te krijgen op de rol van het programmamanagement bij de uitvoering van projecten, hebben we de projectindieners gevraagd een oordeel te geven over de toegankelijkheid en klantgerichtheid van het programmamanagement. In tabel 6.5 presenteren we hiervan de resultaten.
Tabel 6.5 Oordeel projectindieners over de toegankelijkheid/klantgerichtheid van het Programmamanagement tijdens de uitvoering van het project (N=40) Aandeel respondenten 30% 60% 5% 5% 100%

Oordeel Zeer goed Goed Matig Slecht Zeer slecht Weet niet/geen mening Totaal

De resultaten spreken voor zich. De toegankelijkheid en klantgerichtheid van het programmanagement wordt door vrijwel alle projectindieners positief gewaardeerd. Slechts een enkeling kende de kwalificatie ‘matig’ aan deze aspecten van het programmamanagement toe. Vervolgens is de projectindieners ook gevraagd of ze gedurende de uitvoering van het project ondersteuning nodig hebben gehad van het programmamanagement. Van de respondenten heeft 40% (N=40) dit inderdaad nodig gehad (en de andere 60% dus niet).

96

Van de respondenten (N=16) die ondersteuning nodig hadden, gaf 94% aan deze ondersteuning ook daadwerkelijk te hebben gekregen. Deze ondersteuning was gewenst, omdat het project niet liep zoals verwacht en/of omdat er behoefte aan advies was betreffende de administratieve handelingen. Naast het verstrekken van zowel inhoudelijke als financiële adviezen heeft het programmamanagement in dergelijke gevallen ook als klankbord gefungeerd. Eén persoon wist zich niet te herinneren of de destijds gewenste ondersteuning ook geboden is. De projectindieners (N=15) die ondersteuning bij de uitvoering hebben gehad, beoordeelden de geboden ondersteuning in het algemeen als (zeer) goed (83%). Eén respondent beoordeelde de ondersteuning als slecht, omdat gedurende het project andere eisen werden gesteld (door een andere persoon) aan het opstellen van de voortgangsrapportage, hetgeen volgens hem veel tijd kostte. Planning van het project Wat betreft de planning van de projecten gaan we achtereenvolgens in op de tijdsplanning, de financiële planning en het betalingsritme. Ten eerste beschouwen we de tijdsplanning van het project. Tabel 6.6 geeft inzicht in het verloop van het project tot nu toe in relatie tot de oorspronkelijke tijdsplanning.
Tabel 6.6 Verloop van het project in vergelijking met de opgestelde tijdsplanning volgens projectindieners (N=39) Aandeel 44% 7% 44% 5% 100%

Verloop Ja, het project ligt op schema Ja, het project is volledig volgens de planning uitgevoerd (project is afgerond) Nee, de uitvoering van het project is vertraagd Nee, het project is later gerealiseerd dan gepland Totaal

Ongeveer de helft van de projecten blijkt volgens de tijdsplanning te verlopen en de andere helft niet. Meestal gaat het bij de projecten die achter op schema liggen om projecten die zich nog in de uitvoeringsfase bevinden. Slechts een beperkt deel van de projecten is op dit moment immers afgerond. De oorzaak van de tijdsvertragingen kunnen in drie groepen worden onderverdeeld: § oorzaak bij de projectindiener (negen keer genoemd); - (onder andere uit de hand lopende kosten, te weinig personeel en een te ambitieus project); § externe factoren (tien keer genoemd); - (weersafhankelijkheid, faillissement van een van de aanjagers van het project, lange tijd voordat wijzigingen in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd, weinig aanvragen (in regeling) door economische situatie en bezwaren tegen vergunningen); § oorzaak bij de subsidieverstrekker (één keer genoemd); - (de late toekenning en betaling van de subsidie). Opvallend is dat bijna de helft (47%) van de respondenten die knelpunten aangaven (N=19), vond dat de vertragingen voorkomen hadden kunnen worden, terwijl 37% aangaf dat dit niet mogelijk was en 16% kon zich hierover geen mening vormen. De meeste respondenten (84%, N=19) vonden echter niet dat de voorwaarden en/of de uitvoeringspraktijk van het EPD Zuid-Nederland debet was aan de opgelopen vertragingen. Slechts twee respondenten gaven aan dat dit (in beperkte mate) een medeoorzaak van de vertraging was. Daarbij werd bijvoorbeeld gewezen op een – in de ogen van de projectindiener – verlate betaling van de subsidie die tot dreigende liquiditeits-

97

problemen leidde. Ten tweede gaan we in op de vraag of het project financieel qua omvang gezien op schema ligt. De uitkomsten hiervan zijn in tabel 6.7 opgenomen.
Tabel 6.7 Verloop van het project in vergelijking met het opgestelde financiële schema volgens projectindieners (N=39) Aandeel 71% 8% 13% 8% 100%

Verloop Ja, het project ligt financieel op schema (project loopt nog) Ja, het project is financieel volledig volgens de planning uitgevoerd (project is afgerond) Nee, de uitvoering van het project wordt duurder/is duurder geworden Nee, het project is later gerealiseerd wordt goedkoper/is goedkoper geworden Totaal

Verreweg het grootste deel van de projecten verloopt volgens schema. Bij slechts een klein deel van de projecten verloopt het project financieel niet volgens planning. De oorzaken hiervan zijn onvoorziene kosten (zoals dure bouwkundige aanpassingen gericht op veiligheid), te grote ambities en tegenvallende inkomsten. De tegenvallende inkomsten werden in één geval veroorzaakt doordat een deel van het geïnvesteerde bedrag niet kon worden terugverdiend, waardoor het project deels niet is uitgevoerd. In een ander geval vielen de bedrijfsinkomsten tegen, hetgeen doorwerkte op de subsidiestromen, waardoor er in de grotere onderdelen van het project moest worden gesneden. Tenslotte gaan we in op de mate waarin het project financieel gezien qua voortgang in de betalingen op schema ligt (zie figuur 6.8).
Tabel 6.8 Verloop van het project in vergelijking met het opgestelde betalingsschema (in het goedgekeurde projectvoorstel) volgens projectindieners (N=39) Aandeel 85% 10% 5% 100%

Verloop Ja, het betalingsritme van de projectkosten verloopt volgens planning Nee, we lopen in de planning achter met de betalingen van de projectkosten Nee, we lopen in de planning voor met de betalingen van de projectkosten Weet niet Totaal

Bij het grootste deel van de projecten loopt het betalingsritme van de projectkosten volgens planning. Bij een beperkt deel van de projecten bestaat een achterstand in de gemaakte en betaalde projectkosten. De oorzaken van deze achterstand zijn de late goedkeuring van het projectvoorstel, onbekende kosten (van beplanting) en een liquiditeitsprobleem. Degenen die nu achter lopen met het betalingsritme verwachten dat deze achterstand in de loop van het project is weggewerkt. De projectindieners (N=35) die al op schema liggen, verwachten vrijwel unaniem (97%) dit te kunnen continueren tot de afronding van het project.

98

Overige knelpunten bij uitvoering Aan de respondenten (N=39) is ook gevraagd of ze nog overige knelpunten tijdens de uitvoering hebben ervaren. Een overgrote meerderheid (82%) van hen heeft geen knelpunten benoemd. 18% van de respondenten bracht wel knelpunten naar voren. De genoemde knelpunten hadden betrekking op: ? het gering aantal aanvragen door de slechte economische situatie (twee keer genoemd voor bedrijfsgerichte regelingen); ? de externe bezwaren en procedures tegen het project(plan) (één keer genoemd); ? het bestaan van vier inkomende geldstromen, waardoor het onduidelijk is wie wat financiert (één keer genoemd); ? de bijdrage van de ondernemers die lager is dan begroot (één keer genoemd).

6.6

Beoordeling communicatie

In deze paragraaf gaan we in op de communicatie rondom het programma. We onderscheiden hiertoe de activiteiten die door de gremia van de uitvoeringsstructuur van het EPD worden ondernomen en de activiteiten die door de projectindieners moeten worden verricht vanwege de Europese voorschriften omtrent de communicatie rond projecten. I. Communicatie door gremia De activiteiten die op het gebied van communicatie worden ondernomen kunnen worden onderverdeeld in activiteiten op centraal niveau en activiteiten op decentraal niveau (dus in de deelregio’s). In het programmacomplement behorende bij het EPD Zuid-Nederland is een communicatieplan op hoofdlijnen opgesteld. Met het communicatieplan en de hierin gevolgde indeling wordt voldaan aan de Europese eis om een communicatieplan op te stellen. In het communicatieplan is een verdeling gemaakt tussen de activiteiten die op EPDniveau en deelregio niveau zullen worden uitgevoerd. Het uitgangspunt hierbij is dat op centraal niveau alleen de noodzakelijke communicatie en PR-activiteiten plaatsvinden (volgens voorschriften Europese Commissie) en de activiteiten die in gezamenlijkheid meerwaarde bieden voor de uitvoering van de activiteiten op regioniveau. De provincie Noord-Brabant is als beheersautoriteit verantwoordelijk voor de uitvoering van het communicatieplan. Vanuit Stuurgroepen kunnen voorstellen worden gedaan voor de inzet van de EPD-middelen voor promotie en publiciteit. De deelregio’s nemen hoofdzakelijk de inhoudelijke communicatie voor hun rekening. In de praktijk blijkt deze taakverdeling goed te functioneren. Zowel uit onze analyses van de schriftelijke documenten als uit de gesprekken met de diverse typen gesprekspartners komen wat dit aangaat geen belangrijke knelpunten naar voren. Overigens is in de afgelopen jaren op verschillende wijzen invulling gegeven aan communicatie. Voorbeelden daarvan zijn het organiseren van voorlichtingbijeenkomsten over de mogelijkheden van het programma, het verspreiden van nieuwsbrieven, het aanbieden van informatie op internet, persoonlijke informatie-overdracht, enzovoort. Wel spreken met name enkele geraadpleegde Stuurgroepleden de zorg uit dat de publiciteit rondom het programma geleidelijk op een ‘lager pitje’ terecht dreigt te komen. De vrees bestaat dat hierdoor de bekendheid met de ondersteuningmogelijkheden van EPD bij potentiële projectindieners wat aan het wegzakken is. Met name voor de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1 zou dat een ongewenste situatie zijn. Om verder inzicht te krijgen in publiciteit rondom de projecten hebben we projectindieners gevraagd hoe zij destijds op de hoogte zijn geraakt van mogelijk financiële ondersteuning vanuit het EPD Zuid (zie tabel 6.9).

99

Tabel 6.9

Wijze waarop projectindieners op de hoogte zijn geraakt van financiële ondersteuningsmogelijkheden vanuit EFRO (N=40) Aandeel respondenten6 33% 25% 23% 21% 18% 8% 5% 5% 3% 5%

Informatiebron Al eerder een project uitgevoerd met EFRO-middelen Door het Programmamanagement op attent gemaakt Door de provincie op attent gemaakt Via bestaande contacten bij de gemeente op de hoogte geraakt Via partners binnen het project Via brochure over de mogelijkheden Via het Ministerie van Economische Zaken Via een subsidie-adviseur Organisatie is betrokken in de stuurgroep Op een andere wijze

Uit de tabel blijkt dat ongeveer eenderde van de projectindienende organisaties al eerder een project heeft uitgevoerd binnen het (huidige of vorige) EFRO-programma(‘s) en zodoende op de hoogte is van de financiële ondersteuningsmogelijkheden. De belangrijkste bron van informatie bleken echter de partners (provincies, programmamanagement en gemeenten) in het EPD Zuid te zijn. Dit duidt er op dat deze partners een belangrijke en effectieve rol hebben als ‘doorgeefluik’ richting de eigen organisatie en andere partijen die tot de eigen achterban behoren. II. Communicatie door projectindieners De Europese eisen voor de publiciteit rond gehonoreerde projecten worden samen met de beschikking aan de projectindieners toegezonden. Grofweg bestaan deze eisen uit drie onderdelen. In de eerste plaats moet in externe communicatie melding worden gemaakt van de Europese bijdrage. In de tweede plaats moet bij financieel omvangrijke projecten een bord geplaatst worden waarop is vermeld dat het project met financiële steun van de Europese Unie tot stand is gebracht. In de derde plaats dient bij projecten die voor een groot publiek toegankelijk zijn permanent een bord geplaatst te zijn met de tekst zoals hiervoor vermeld. Projectindieners moeten bij de indiening van de eindafrekening bewijzen overleggen (zoals foto’s) waaruit blijkt dat aan bovenstaande voorwaarden is voldaan. Bij onze bezoeken van het programmamanagement hebben we kunnen constateren dat ‘bewijsmateriaal’ ten aanzien van communicatie en publiciteit over projecten voor een belangrijk deel al in de projectmappen was opgenomen of dat hiervoor door middel van een tabblad al specifieke ruimte was gereserveerd. Aangezien een belangrijk deel van de projecten nog niet is afgerond, was dit op dit moment nog niet allemaal compleet. Door het programmamanagement werd aangegeven dat het een belangrijk aandachtspunt is en blijft om projectindieners te wijzen op de verplichtingen rond publiciteit. Ook tijdens locatiebezoeken verzamelt het programmamanagement – indien nodig – zelf het bewijsmateriaal, bijvoorbeeld door het nemen van foto’s. In het vervolg van deze paragraaf presenteren we de bevindingen over het thema publiciteit uit de gesprekken met de projectindieners. In tabel 6.10 geven we aan in welke mate volgens de projectindieners aan hen is gemeld aan welke verplichtingen zij moeten voldoen op het gebied van communicatie en publiciteit.

6

Antwoorden tellen op tot meer 100% omdat er meerdere antwoorden per respondent mogelijk zijn.

100

Tabel 6.10

Mate waaraan aan projectindieners verplichtingen zijn gemeld op het gebied van communicatie en publiciteit rond het project, en type verplichting Aandeel (N=39) 97% 69% 46% 28% 10% 8% 5% 10% 3% 100% Aandeel (N=38)

Mate van vermelding verplichting en type verplichting Ja, namelijk: - vermelding in publicaties - plaatsen van borden - vermelding EU-bijdrage bij communicatie - EU-logo’s - plaatsen gedenkteken - vermelding op internetsite - overig Nee Totaal

Van de respondenten was bijna iedereen bekend met de EU-verplichtingen op het gebied van communicatie en publiciteit. Eén respondent was hier niet mee bekend. De respondenten die op de hoogte waren van de verplichtingen hebben dit allen in de beschikking gelezen. Daarnaast gaf 13% aan hier ook nog eens mondeling van op de hoogte te zijn gebracht. Verder bleken de respondenten erg goed op de hoogte te zijn hoe deze verplichtingen zich naar hun projecten vertalen. Over het algemeen meldden de respondenten dat ze op dit moment al aan de verplichtingen voldaan hebben. In een enkel geval was dit nog niet gebeurd, vooral omdat er nog geen uitingen van externe publiciteit zijn geweest. De projectindieners zijn ook verplicht om bewijsmateriaal rond de communicatie en publiciteit aan het programmamanagement te overleggen. Van de respondenten (N=39) had 61% dat (deels) al gedaan. Bij het overige deel (31%) is dit nog niet gebeurd. Bij veel van deze laatste projecten speelt dat zij zich nog in een pril stadium bevinden en dat het bewijsmateriaal later alsnog zal worden verstrekt. Op basis van het voorgaande blijkt er over het algemeen bij de projectindieners voldoende aandacht te bestaan aan de EU-eisen die aan de publiciteit rondom projecten worden gesteld.

6.7

Beoordeling monitoring en financiële afhandeling

De monitoring van de uitvoering van het programma is vastgelegd in het document waarin de Administratieve Organisatie is beschreven. Hierin is ook vastgelegd hoe de financiële afhandeling van projecten verloopt. Om hieraan op een uniforme en systematische wijze invulling te geven, is hiervoor het Programma Beheer Systeem (PBS) ontwikkeld. Op deze wijze kan elektronische uitwisseling van gegevens door betrokkenen plaatsvinden en kan de monitoring efficiënter verlopen. Het PBS waarborgt dat er een identieke set aan financiële en inhoudelijk gegevens per deelregio wordt bijgehouden. Hiermee wordt voldaan aan de Europese eisen rond uniformiteit. Met de beschikbare gegevens ontstaat bovendien voldoende informatie voor een adequate monitoring en het eventueel bijsturen van het programma. Op dit moment (medio 2003) wordt binnen het EPD Zuid-Nederland met het PBS gewerkt. In de afgelopen periode hebben daarbij de nodige aanloopproblemen gespeeld. Dit problemen hadden bijvoorbeeld betrekking op het incorpereren van PBS in de netwerken van de provincies. In de komende periode zal nu dus een inhaalslag moeten worden gemaakt met het vullen van dit systeem met de nodige monitoringgegevens. In

101

hoofdstuk 4 hebben we namelijk al gewezen op een aantal knelpunten in de ontsluiting van dergelijke gegevens. De vruchten van het systeem zullen dus vooral in de komende jaren geplukt moeten worden. De gegevens in het PBS – of van de afzonderlijke (Excel-)bestanden die tot voor kort werden gebruikt – vormen de basis voor de voortgangsrapportages die driemaal per jaar naar de Europese Commissie worden toegestuurd. In deze rapportage wordt de inhoudelijke en de financiële voortgang vermeld. Jaarlijks wordt er ook een jaarverslag opgesteld van het centrale programmamanagement dat bij Stimulus ligt. Vanuit het EPDZuid Nederland zijn tot nu toe dan ook twee jaarverslagen aan de Europese Commissie toegezonden (2001 en 2002). Projectindieners zijn verplicht om periodiek (drie maal per jaar) inzicht te verschaffen in de inhoudelijke en financiële voortgang van de projecten. Het programmamanagement stuurt hiertoe voortgangsrapportformulieren naar de projectindiener. Door gebruik te maken van het PBS kan voor de indicatoren die voor het project relevant zijn op de formulieren vooraf al worden aangegeven wat de streefwaarde is. Aan de projectindieners wordt gevraagd om aan te geven wat op dit moment de stand van zaken is. Door deze werkwijze wordt de klantgerichtheid rond de administratieve verplichtingen vergroot. In de praktijk blijkt dat een ruime meerderheid van de projectindieners tijdig aan hun rapportageverplichtingen voldoet. Het nog resterende deel volgt dan vrijwel geheel na een schriftelijk rappel. Door het programmamanagement wordt overigens ook ondersteuning geboden in de gevallen dat de projectindieners moeite hebben om het formulier volledig in te vullen. Uit een scan van de projectdossiers bij het programmamanagers blijkt dat de vereiste financiële gegevens in het projectdossier zijn opgenomen. De belangrijkste financiële gegevens worden tevens opgenomen in het PBS. De indiening van voortgangsrapportages vormt voor de projectindieners tegelijkertijd het moment waarop een bevoorschottingsaanvraag kan worden gedaan. Tevens bestaat de mogelijkheid om bij omvangrijke kosten tussentijds een voorschotverzoek in te dienen. Op de ervaringen van projectindieners met de bevoorschotting en de eindafrekening van de EFRO-subsidie komen we hierna nog terug. In tabel 6.11 geven we de oordelen van de geraadpleegde projectindieners over de administratieve lasten tijdens de uitvoering van het project. De administratieve belasting bestaat onder andere uit het indienen van de periodieke voortgangsrapportages en het op een deugdelijke en inzichtelijk wijze voeren van een projectadministratie.
Tabel 6.11 Oordeel projectindieners over de administratieve last tijdens de uitvoering van het project (N=40) Aandeel respondenten 25% 30% 40% 3% 3% 100%

Oordeel administratieve lasten Zeer licht Licht Neutraal Zwaar Zeer zwaar Niet van toepassing Totaal

Een aanzienlijk deel van de projectindieners gaf aan de administratieve lasten als (zeer) zwaar te ervaren. Hierbij wordt met name het extra administratief werk genoemd dat

102

voortkomt uit het opstellen van de tussenrapportages en het invullen van de formulieren (acht keer genoemd). Andere genoemde aspecten die volgens de respondenten een zware belasting vormen zijn: § het onderscheiden van de kostenposten (twee keer genoemd); § de lastige procedures (één keer genoemd); § het opzetten van een goed declaratiesysteem (één keer genoemd); § de plotseling veranderde eisen aan de opzet van de tussenrapportage als gevolg van een andere persoonlijke interpretatie (één keer genoemd). In de gesprekken met de projectindieners zijn we ook nagegaan of er al financiële voorschotten zijn verstrekt. Bij 74% van de projecten bleek dit het geval te zijn. Bij circa een kwart (23%) van de projecten waren (nog) geen financiële voorschotten verstrekt. In de overige gevallen kon de respondent deze vraag niet beantwoorden. In tabel 6.12 staat de beoordeling van de geraadpleegde projectindieners over de snelheid waarmee de aangevraagde voorschotten zijn verstrekt.
Tabel 6.12 Oordeel projectindieners over de snelheid waarmee de voorschotten werden verstrekt (N=29) Aandeel projecten 18% 69% 3% 7% 3% 100%

Oordeel Zeer goed Goed Matig Slecht Zeer slecht Totaal

Over het algemeen blijken de projectindieners tevreden te zijn over de snelheid waarmee de voorschotten worden verstrekt. Het gros van de projectindieners bestempelde de snelheid als goed tot zeer goed. Slechts een enkeling beoordeelde de snelheid als matig tot (zeer) slecht. Ten tijde van de evaluatie waren zes projecten – die in de steekproef meegenomen waren – op het moment van het onderzoek afgerond. Bij 4 van deze projecten had er ook al een eindafrekening plaatsgevonden. Daarbij hebben zich geen knelpunten voorgedaan.

6.8

Beoordeling kosten programma-uitvoering

Een deel van de kosten van de programma-uitvoering wordt bekostigd vanuit de middelen die in prioriteit 4 Technische Bijstand beschikbaar zijn. In hoofdstuk 4 is de financiële voortgang van het programma – waaronder prioriteit 4 – uitgebreid beschreven. Inmiddels zijn bijna alle EFRO middelen in prioriteit Technische Bijstand gecommitteerd en is 15,5% daadwerkelijk gerealiseerd. Vooralsnog wordt verwacht dat de beschikbare middelen voor de Technische Bijstand voldoende zullen zijn om de kosten voor de uitvoering van het EPD Zuid te dragen. Het gerealiseerde percentage van circa 16% voor Technische Bijstand (ultimo 2002) staat ook in een goede verhouding tot de voortgang van het programma. Zo hebben we kunnen zien dat het EPD Zuid qua committeringen ultimo 2002 op circa een kwart uitkwam. Dat is dus ruimschoots hoger dan het percentage voor de uitvoeringskosten. Anderzijds dient bedacht te worden dat er ook na 2006 nog de nodige uitvoeringskosten gemaakt zullen moeten worden. Dit omdat de uitvoering van projecten ook in 2007 en 2008 door kan lopen. In die zin is het dan ook logisch – en wenselijk – dat het percentage

103

voor de uitvoeringskosten wat achterblijft bij het committeringspercentage.

6.9

Beoordeling prestatiereserve

De beoordeling van de prestatiereserve door de EU vindt plaats op basis van drie criteria, namelijk: ? effectiviteit; ? beheer; ? financiële uitvoering. Het effectiviteitscriterium wordt beoordeeld aan de hand van de committering van bepaalde indicatoren. In paragraaf 4.3 en 4.4 is de committering en realisatie van outputen resultaatindicatoren besproken. Daarbij is tevens vermeld dat een aantal van die indicatoren meetellen voor de doelstellingen in het kader van het verkrijgen van de prestatiereserve. Uit die indicatorenanalyse kwam naar voren dat de committeringen voor de prestatiereserve-indicatoren grotendeels goed op schema liggen. De enige uitzondering wordt gevormd door het aantal ondernemers in milieuprojecten. Ook voor de beoordeling van het beheer gelden criteria voor de kwaliteit van het toezichtsysteem, de financiële controle op het programma en de evaluatie. Voor de kwaliteit van het toezichtsysteem geldt dat er twee voldoende gekwalificeerde zogenaamde ’30 juni-rapportages’ ingediend moeten zijn. Dit is inderdaad gebeurd. Deze rapportages zijn integraal opgenomen in de EPD Zuid jaarverslagen 2001 en 2002. De kwaliteit van de financiële controle moet mede worden bewerkstelligd door 5% van de totale voor bijstand in aanmerking komende uitgaven van goedgekeurde projecten over 2001 en 2002 te controleren door middel van een representatieve steekproef. In het jaarverslag 2002 van het EPD Zuid wordt vermeld (in het kader van de 438-rapportage 2002) dat in het kader van de 5%-controle één project is gecontroleerd. Als laatste wordt een onafhankelijke mid-term evaluatie vereist die voldoet aan de geldende kwaliteitsnormen. Deze evaluatie wil daarin voorzien. De beoordeling van de financiële uitvoering van het programma vindt plaats langs twee lijnen. Ten eerste wordt gekeken naar de absorptie van de door EFRO beschikbaar gestelde middelen. Per 31 augustus 2003 dient minimaal 65% van de in 2001 gecommitteerde totale kosten gedekt te zijn door gecertificeerde EFRO-bestedingen bij projectindieners (bron: Jaarverslag 2002 EPD Zuid, bewerkt). De in 2002 gecommitteerde totale kosten bedroegen € 26.090.000. Het EFRO-aandeel in de gerealiseerde, gecertificeerde totale kosten van projectindieners € 12.232.299. Het percentage zoals hierboven bedoeld, komt dan uit op 46,9%. Dit betekent dat projecten in 2003 tenminste 4,7 miljoen euro aan gecertificeerde EFRO-bestedingen moeten opleveren. De verwachting is dat dit ruimschoots gaat lukken. De tweede lijn houdt in dat de geplande bijdrage van de private sector aan de projecten – die tot 31 augustus 2003 gecommitteerd zijn – tenminste 17,9% van de totale kosten dient te zijn. Eind 2002 was er € 138.378.335 aan totale kosten vastgelegd in projecten met daarin voorzien een private bijdrage van € 36.578.342. Het aandeel private medefinanciering in gecommitteerde projecten was eind 2002 dus 46,4% en komt daarmee op dat moment ruim uit boven de ondergrens voor deze indicator.

6.10

Conclusies uitvoering

Als algemene conclusie kan worden geformuleerd dat de uitvoeringsstructuur, die binnen het EPD Zuid-Nederland wordt gehanteerd, als adequaat kan worden gekwalificeerd. Deze algemene conclusie kan nader worden onderbouwd vanuit een aantal belangrijke onderdelen van deze uitvoeringsstructuur.

104

Bezien we bijvoorbeeld de samenstelling van zowel het Comité van Toezicht als van de Stuurgroepen dan voldoet deze aan de uitgangspunten zoals die in het EPD Zuid zijn geformuleerd. Per saldo is in deze gremia ook sprake van een vrij brede participatie van organisaties die ook relevant zijn voor de implementatie van het EPD Zuid. Tevens wordt hiermee invulling gegeven aan een breed gedragen partnerschap. Een aandachtspunt in deze samenstelling is nog wel de betrokkenheid van partners die actief zijn rondom het thema ‘arbeidsmarkt’. Met het wegvallen van de RBA’s is hier een leemte ontstaan die nog niet is ‘opgevuld’. Mede daardoor verloopt de invulling van maatregel 3.1 (Human resources) vrij moeizaam. Het principe van ‘partnerschap’ krijgt in het EPD Zuid ook vorm en inhoud doordat diverse typen partners projecten initiëren. Zo spelen gemeenten een belangrijke rol als initiator van meer ‘harde’ infrastructurele projecten. Intermediaire organisaties vervullen een rol als uitvoerder van bedrijfsgerichte regelingen. Werkgevers- en werknemers-organisaties zijn betrokken door het helpen initiëren van projecten en het bij elkaar brengen van partijen die een project kunnen uitvoeren. Landbouw- en milieuorganisaties zijn tot nu toe in mindere mate bij de projecten betrokken. Dat heeft vooral te maken met de knelpunten die zich voordoen bij het totstandkomen van projecten binnen de maatregelen rond landbouw- en natuurontwikkeling. Op zich kunnen het Comité en de Stuurgroepen voldoende invulling geven aan hun taken. Zo is de vergaderfrequentie voldoende en wordt aan de leden de juiste (management)informatie aangereikt om de taken te kunnen vervullen. Wel bestaat er bij een deel van de leden van het Comité en de Stuurgroepen behoefte aan meer inhoudelijke/strategische discussies. Tegelijkertijd wordt daarbij onderkend dat de mogelijkheden daartoe nu ook gaan ontstaan – en toenemen – door het beschikbaar komen van materiaal waaruit de inhoudelijke voortgang van het EPD Zuid en haar onderdelen blijkt. Een ander aandachtspunt wordt gevormd door de participatie in vergaderingen. Deze valt – zeker bij het Comité – soms vrij laag uit. Een belangrijke oorzaak daarvoor wordt gevormd door het feit dat het EPD Zuid bestaat uit een samenstelling van afzonderlijke deelprogramma’s. Hierdoor komen leden van het Comité op een grotere afstand van de deelprogramma’s/-regio’s te staan. Over het algemeen functioneert ook het programmamanagement haar taken op een bevredigende wijze. Zo zijn de verschillende gremia die te maken hebben met het programmamanagement – zoals het Comité, de Stuurgroepen en de projectindieners – tevredenheid met het opereren van het programmamanagement. Leden van het Comité en de Stuurgroepen kunnen via het programmamanagement, zoals gezegd, ook over voldoende managementinformatie beschikken die benodigd is voor het vervullen van hun respectievelijke taken. Ook de voorbereiding van de projectvoorstellen wordt door de leden van de Stuurgroepen als zorgvuldig beoordeeld. Dit leidt er dan ook toe dat de preadviezen van het programmamanagement veelal overgenomen worden. Ook de projectindieners waarderen de toegankelijkheid en de ondersteuning vanuit het programmamanagement veelal in positieve zin. Dit geldt ook voor andere zaken waarin het programmamanagement een belangrijke rol heeft. Te denken valt daarbij aan zaken als de duidelijkheid van de aanvraagprocedure, de gehanteerde formulieren en de financiële bevoorschotting en eindafrekening. Wel wordt de administratieve ballast door een aanzienlijk deel van de projectindieners als (redelijk) zwaar ervaren. Dit heeft echter niet zozeer te maken met de wijze van uitvoering vanuit het programmamanagement maar meer met de eisen die vanuit het EPD worden gesteld. Verder is uit de analyse ook gebleken dat de gerealiseerde ‘uitvoeringskosten’ in een evenwichtige verhouding staan tot de inmiddels verstreken looptijd van het programma en de gecommitteerde EFRO bijdragen. Het programmamanagement zelf ondervindt eveneens betrekkelijk weinig knelpunten bij de uitvoering van haar taken. Wel wordt gesignaleerd dat administratieve en procedurele taken steeds meer tijd en energie gaan vergen. Dit als gevolg van bijvoorbeeld de N+2-

105

regel. Het (potentiële) gevaar hiervan is dat de (ondersteuning bij) het ontwikkelen van nieuwe projectinitiatieven onder druk kan komen te staan. Ten aanzien van de selectieprocedure is gebleken dat hierin een aantal logische stappen worden onderscheiden die vrijwel uniform in de afzonderlijke deelregio’s worden toegepast. Deze procedure voldoet in de praktijk goed en kan dan ook in de komende periode gecontinueerd worden. Bij de projectselectie worden verschillende criteria gehanteerd. Deze criteria vormen een nadere uitwerking van de uitgangspunten zoals die in het EPD zijn geformuleerd. Aan de hand van deze criteria wordt ook gekeken naar de te verwachten sociaal-economische en milieu-impact van de projectvoorstellen. Daarbij komen ook de horizontale EUdoelstellingen aan bod. Over het algemeen voldoen deze criteria in de praktijk goed. Zowel de Stuurgroepen als het programmamanagement kunnen hier goed mee uit de voeten, terwijl deze criteria op zich veelal helder en duidelijk zijn voor de projectindieners. Alleen met (de beoordeling op) de kwantificering van de verwachte effecten heeft een minderheid van de projectindieners moeite. Dit wordt vooral veroorzaakt door het feit dat deze groep het lastig vindt om deze effecten op een betrouwbare wijze in te schatten. Verder speelt dat het bij het hanteren van de selectiecriteria bij een aantal projecten lastig is om tot een overall beoordeling van (ecologische) duurzaamheid te komen. Dat heeft vooral te maken met het ontbreken van een afwegingskader of -toets waarmee positieve en negatieve effecten onderling gewaardeerd kunnen worden. Een consequentie hiervan is ook dat er nu in de verschillende projecten nog niet op een uniforme wijze wordt omgegaan met het begrip duurzaamheid (bij de beoordeling van projecten). Een ander punt is dat het in de praktijk bij veel projecten moeilijk dan wel onmogelijk blijkt te zijn om van te voren een adequate inschatting te maken van de impact op het thema ‘gelijke kansen’. Bij de uitvoering van hun projecten heeft een redelijk deel van de projectindieners te maken met vertragingen. Dit heeft echter niet of nauwelijks te maken met de wijze waarop het EPD Zuid wordt uitgevoerd. Veelal gaat het om externe factoren die buiten het programma liggen. Over het algemeen verwachten de projectindieners nog steeds dat zij hun oorspronkelijke (financiële en inhoudelijke) planning kunnen realiseren. In de afgelopen periode is op verschillende wijzen invulling gegeven aan de communicatie rondom het EPD Zuid. Daartoe is bijvoorbeeld een communicatieplan opgesteld en worden er – in het verlengde daarvan – verschillende communicatiekanalen (zoals nieuwsbrieven, internet, voorlichtingsbijeenkomsten) ingezet. Per saldo blijken deze inspanningen tot nu toe toereikend te zijn geweest. Van belang is echter wel dat ook in de komende periode nog de nodige initiatieven op het gebied van communicatie worden gepleegd. Daarbij zou een extra accent kunnen worden gelegd op doelgroepen die een rol kunnen spelen bij de invulling van de maatregelen 1.1 en 1.2 en 3.1. Verder wordt er in het EPD Zuid veel aandacht besteed aan de verplichtingen die de EU stelt op het gebied van communicatie. Dit wordt bijvoorbeeld ‘geborgd’ door in de committeringsbrieven met bijlagen op deze verplichtingen te wijzen. Maar ook bij tussentijdse projectbezoeken vanuit het programmamanagement en bij de eindafrekening zijn dit vaste aandachtspunten. Tenslotte leert een analyse van de verschillende typen doelstellingen – effectiviteit, beheer en financiële uitvoering – voor de prestatiereserve dat het EPD Zuid voor elk van deze categorieën (ultimo 2002) al ‘flink op streek’ lag met het voldoen aan deze doelstellingen.

106

107

7.

AANBEVELINGEN

7.1

Inleiding

Op basis van de analyses die verricht zijn in het kader van deze mid-term evaluatie van het EPD Zuid-Nederland en de daaruit voortvloeiende conclusies, zal in dit hoofdstuk een aantal aanbevelingen worden gepresenteerd. Deze aanbevelingen zullen, conform de opbouw van deze rapportage gerangschikt worden in vier thema’s, namelijk relevantie, effectiviteit, efficiency en uitvoering. De aanpak zal daarbij steeds zijn dat eerst de betreffende aanbeveling wordt gepresenteerd waarna dan een toelichting volgt.

7.2

Aanbevelingen

Zoals in de inleiding aangegeven zullen we nu eerst enkele aanbevelingen presenteren die betrekking hebben op de relevantie van het EPD Zuid. I. RELEVANTIE

1. Schenk meer aandacht aan de maatschappelijke inbedding van maatregel 3.1 door het intensiveren van de contacten met regionale partijen die op het terrein van scholing en arbeidsmarkt actief zijn. Toelichting: Gedurende de eerste jaren van de uitvoering van het EPD Zuid zijn de consequenties van het wegvallen van de RBA’s duidelijk merkbaar. Enerzijds is daarmee een partner weggevallen die in inhoudelijke zin als ‘sparring partner’ kon fungeren bij het initiëren van projecten binnen maatregel 3.1. Anderzijds is daarmee ook in financiële zin een partner verloren die voorheen – zowel eigen als ESF – middelen in de regio in kon zetten voor projecten op het gebied van scholing en arbeidsmarkt. Dit verlies is tot nu toe niet gecompenseerd door het betrekken van andere partners op ditzelfde terrein. Nu inmiddels partijen zoals de Centra voor Werk en Inkomen (CWI’s) en de Regionale Platforms voor de Arbeidsmarkt in de steigers staan, zou het goed zijn om nu deze stap te zetten.

2. Zorg voor meer afstemming en coördinatie met ESF-3. Toelichting: Deze aanbeveling hangt samen met de voorgaande aanbeveling. Met ingang van de programmaperiode 2000-2006 vindt de aanwending van ESF middelen – voor scholing van werkenden en werkzoekenden – niet meer op regionaal maar op centraal niveau plaats. De ervaring met de uitvoering van het EPD Zuid in de afgelopen jaren leert dat er (mede daardoor) nauwelijks of geen interactie meer plaatsvindt tussen enerzijds het EPD Zuid en anderzijds ESF-3. Dit terwijl er op nationaal niveau met de Europese Unie afgesproken is dat een aanzienlijk deel van de ESF-3 middelen neer moet slaan in de doelstellingregio’s. Op zich is het realiseren van deze taakstelling natuurlijk primair een verantwoordelijkheid van de uitvoerders van ESF-3. Aan de andere kant kan echter ook het EPD Zuid er zelf baat bij hebben om hier meer zicht en invloed op te krijgen. Bijvoorbeeld omdat hiermee mogelijkheden worden gecreëerd om vanuit de maatregel 3.1 ‘aanpalende initiatieven’ te ontplooien (net als voorheen met de ESF middelen van de RBA’s dikwijls plaatsvond).

108

3. Zorg voor een periodieke monitoring van de sociaal-economische kernindicatoren. Toelichting: In het hoofdstuk over de relevantie van het EPD-Zuid werd geconcludeerd dat het programma in sociaal-economisch opzicht op hoofdlijnen nog steeds relevant is. Mede gezien de huidige conjuncturele terugval is het echter wenselijk om een ‘vinger aan de pols’ te houden ten aanzien van de sociaal-economische ontwikkelingen die zich in de programmagebieden voordoen. Daarbij is het met name van belang om na te gaan of deze gebieden – vanwege een hoge conjuncturele gevoeligheid – in relatief sterke mate geconfronteerd worden met de gevolgen van de economische dip. Mocht dit het geval zijn dan kan dit aanleiding vormen voor eventuele tijdige bijstellingen in het programma zoals overhevelingen of de weging van selectiecriteria. Zo zou een relatief sterke groei van de werkloosheid in de programmagebieden bijvoorbeeld aanleiding kunnen zijn om bij de projectselectie een extra accent te gaan leggen op projecten waarvan een sterk positief werkgelegenheidseffect kan worden verwacht.

4. Streef naar meer eenheid en duidelijkheid in het hanteren van het begrip duurzaamheid via het samenstellen en/of uitdragen van een eenvoudige ‘duurzaamheidstoets’. Toelichting: Het thema duurzaamheid is zowel in de hoofddoelstelling van het EPD Zuid als voor de Europese Unie een belangrijk (horizontaal) thema. Gebleken is dat de Stuurgroepen (en het programmamanagement) in de praktijk ook rekening houden met dit thema bij de selectie van projecten. Op dit moment gebeurt dit echter nog niet op een uniforme wijze. Daarnaast blijkt het soms ook lastig te zijn om tot een vrij eenduidige conclusie ten aanzien van (ecologische) duurzaamheid te komen. Dit speelt met name indien er sprake is van zowel positieve als negatieve milieueffecten. Daarbij komt de vraag naar voren hoe deze onderling afgewogen dienen te worden. Om tot een meer uniforme beoordeling van dit type projecten te komen kan het Comité initiatieven ontplooien om hier meer richting en sturing aan te geven. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het (laten) vervaardigen van een (eenvoudige) duurzaamheidstoets die dan vervolgens ook wordt uitgedragen naar de diverse Stuurgroepen. In het CERES Noordoost-Brabant is hiervoor al het nodige voorwerk verricht. Ook in de ex-ante evaluatie is overigens al geconstateerd dat het wenselijk is om tot een dergelijke toets te komen.

5. Overweeg om voor het deelprogramma Zuidoost Brabant (Stimulus) weer middelen voor maatregel 1.4 ter beschikking te stellen. Toelichting: In de voorgaande programmaperiode vormde maatregel 1.4 (versterking fysieke kennisinfrastructuur) nog een integraal onderdeel van het Stimulus II programma. Destijds zijn binnen die maatregel ook de nodige projecten geïnitieerd. Mede daardoor is besloten om voor de huidige programmaperiode voor Stimulus III geen middelen voor maatregel 1.4 te reserveren. Inmiddels zien we echter dat zich een belangrijke conjuncturele omslag heeft voorgedaan. Dit resulteert er in dat investeringen van bedrijven in kennisontwikkeling (R&D) onder druk komen te staan. Juist voor ZuidoostBrabant is dit een zorgwekkende ontwikkeling. Enerzijds omdat zich daar een concentratie van R&D-intensieve bedrijven bevindt. Anderzijds omdat (daardoor) de kwantitatieve en kwalitatieve beschikbaarheid van kennisclusters algemeen als een ‘kernkwaliteit’ van deze regio wordt gezien. Nu de R&D-investeringen – zeker ook wat het private deel betreft – onder druk staan, is de vraag dan ook legitiem of het – als een soort vorm van ‘anti-cyclisch’ beleid – niet wenselijk is om hier vanuit het EPD Zuid alsnog inspanningen te gaan plegen.

109

II. EFFECTIVITEIT

6. Kom – indien het verzoek i.h.k.v. ‘force majeure’ niet wordt doorgezet of geen succes heeft – tot overhevelingen vanuit de maatregelen 1.1 en 1.2. Toelichting: Uit de voorgaande analyses is gebleken dat de invulling van de maatregelen 1.1 en 1.2 – door een constellatie van oorzaken – tot nu toe weinig voorspoedig verloopt. Daar het hier om financieel omvangrijke maatregelen gaat – vanwege de N+2-regel – vormt dit een serieuze ‘bedreiging’ voor de implementatie van het EPD Zuid. Daarom is het wenselijk om op korte termijn tot actie over te gaan. Inmiddels worden wat dit aangaat (in de zomer van 2003) de mogelijkheden onderzocht om eventueel een beroep op de ‘force majeure’ te doen. Als argumentatie daarvoor worden de dierziekten aangedragen die zich in de betreffende programmagebieden voorgedaan hebben. Eerder hebben we gezien dat dit één van de oorzaken van de moeizame invulling van de maatregelen 1.1 en 1.2 is. Mocht dit verzoek niet worden doorgezet of geen succes hebben dan is het wenselijk om direct daarna tot overhevelingen over te gaan. De achterstand in de implementatie is inmiddels dusdanig groot dat langer uitstel niet wenselijk is. Overhevelingen zouden dan plaats kunnen vinden binnen dezelfde prioriteit, en dan met name de maatregelen 1.3 en 1.5. Gebleken is dat hier de implementatie voorspoediger verloopt terwijl zich daar ook nog diverse projecten in de pijplijn bevinden.

7. Onderken dat ook met andere maatregelen dan 1.1 en 1.2 doelstellingen op het gebied van reconstructie en plattelandsvernieuwing kunnen worden gerealiseerd. Toelichting: Indien er – zie de voorgaande aanbeveling – overgegaan wordt tot overhevelingen vanuit de maatregelen 1.1 en 1.2 dan betekent dit nog niet dat daarmee de bodem van het EPD Zuid qua doelstellingen op het gebied van reconstructie en plattelandsvernieuwing wordt weggeslagen. In de eerste plaats is het zo dat ook na overhevelingen nog aanzienlijke middelen in 1.1 en 1.2 zullen resteren. Er zal dan nog steeds een flinke inspanning moeten worden gepleegd om deze resterende middelen alsnog aan te wenden. Gelet op de gesignaleerde (structurele) knelpunten bij de invulling van deze maatregelen gaat het dus zelfs na eventuele overhevelingen nog steeds om ambitieuze projecten. In de tweede plaats is het zo dat de doelstellingen op het gebied van reconstructie en plattelandsvernieuwing niet uniek zijn gekoppeld aan de maatregelen 1.1 en 1.2. Op zich spelen infrastructurele en fysieke ingrepen – zoals ook met de maatregelen 1.1 en 1.2 wordt beoogd – hierin uiteraard een zeer belangrijke rol. Daarnaast zal echter ook nadrukkelijk moeten worden gewerkt aan economische en sociale aspecten in de reconstructiegebieden/het platteland. Mede gelet op de ‘sanering’ die binnen de primaire sector plaatsvindt zullen (nog meer) nieuwe economische dragers op het platteland geïnitieerd moeten worden en dienen bestaande economische dragers (buiten de landbouw) te worden versterkt. Maatregelen 1.3, 1.4 en 1.5 bieden daartoe goede mogelijkheden. Ook via deze maatregelen kan dus een bijdrage worden geleverd aan het realiseren van de reconstructiedoelen en doelen op het gebied van plattelandsvernieuwing.

8. Realiseer bij maatregel 3.1 een overheveling naar maatregel 3.2. Toelichting: Net als voor maatregelen 1.1 en 1.2 geldt dat ook de implementatie van maatregel 3.1 nog maar weinig succesvol is. Anderzijds geldt dat de andere maatregel (3.2 ‘sociale cohesie’) wel zeer voorspoedig verloopt. De beschikbare middelen voor deze laatste

110

maatregel zullen wat dit aangaat waarschijnlijk tekortschieten. Vooral ook omdat het om maatregelen gaat die binnen dezelfde prioriteit vallen – en daarmee min of meer vergelijkbare doelstellingen kennen – liggen overhevelingen hierbij voor de hand. Om te voorkomen dat in de toekomst wederom overhevelingen van 3.1 naar 3.2 noodzakelijk zullen zijn, zou daarnaast ook gewerkt dienen te worden aan het wegnemen van knelpunten die zich bij de implementatie van maatregel 3.1 voordoen. Deze knelpunten hebben met name ook betrekking op de ‘maatschappelijke inbedding’ van maatregel 3.1 (zie ook aanbeveling 1).

9. Neem op korte termijn een besluit over eventuele overhevelingen vanuit prioriteit 2. Toelichting: Op zich spelen er – zie ook de voorgaande aanbevelingen – een aantal duidelijke overhevelingsvraagstukken bij enkele maatregelen. Daarom is het wenselijk om tegelijkertijd te bezien of mogelijk andere overhevelingen ook voor de hand liggen. Op deze wijze kan namelijk een integraal pakket van wijzigingsvoorstellen aan de EU worden voorgelegd. Op de wenselijke verschuivingen binnen de prioriteiten 1 en 3 zijn we hierboven al ingegaan. Bezien we prioriteit 2 dan geven de committeringspercentages niet direct aanleiding tot overhevelingen. Toch denken we dat het in ieder geval zinvol is om hier een bewuste keuze in te maken, vooral ook vanuit het argument om eventuele overhevelingen zoveel mogelijk te bundelen. Daarbij speelt bovendien nog dat het bij overhevelingen vanuit prioriteit 2 waarschijnlijk om verschuivingen tussen prioriteiten zou gaan. Hiervoor is expliciete toestemming van de EU nodig wat waarschijnlijk ook gepaard zal gaan met extra besluitvormingstijd. Naast deze meer procedurele argumenten valt er echter ook een aantal meer inhoudelijke argumenten te geven om hier in ieder geval zorgvuldig naar te kijken. In de eerste plaats leert een nadere ‘verdieping’ dat de invulling van prioriteit 2 wel redelijk voorspoedig verloopt, maar dat er daarbij sprake is van aanzienlijke verschillen tussen de onderdelen van het EPD Zuid. De ‘bevredigende’ score tot nu blijkt namelijk vooral veroorzaakt te worden door het Stimulus-onderdeel. De vraag is dan ook of de andere deelregio’s er wel in zullen slagen om deze middelen in te zetten. Daarbij speelt bijvoorbeeld dat er in de Doelstelling 2 plattelandsregio’s sprake is van een beperkte ‘dichtheid’ in het aantal bedrijven. De doelgroep voor deze bedrijfsgerichte prioriteit is daarmee vrij smal in deze regio’s. Ook is het zo dat de resultaten die tot nu toe binnen prioriteit II zijn geboekt vooral ook te maken hebben met ‘doorlopende projecten’. Deze projecten of regelingen liepen al in de programma’s 1994-1999 en zijn nu (enigszins gemodificeerd) gecontinueerd en verbreed (naar andere programmagebieden) binnen het EPD Zuid. Op zich is daar niets mis mee maar het betekent wel dat er sprake is van relatief beperkte nieuwe initiatieven binnen de bedrijfsgerichte maatregelen. En van die nieuwe initiatieven zal het EPD Zuid het in de komende periode juist moeten hebben (omdat de ‘doorlopers’ inmiddels al wel geïmplementeerd zijn). Een laatste punt is dat het initiëren van dergelijke nieuwe initiatieven binnen deze prioriteit juist nu ook onder druk kan komen te staan door de economische malaise. Doordat de bedrijfsrendementen teruglopen, bestaat het risico dat bedrijven minder geneigd zullen zijn om nu te investeren in vernieuwende initiatieven die voor de verdere invulling van prioriteit 2 benodigd zijn. Hoewel de ervaringen van de projectuitvoerders wat dit aangaat wisselend zijn, hebben we wel kunnen zien dat enkele projectuitvoerders hier (al) wel mee te maken hebben.

111

10. Kom tot de herformulering van een aantal output- en resultaatindicatoren en formuleer hiervoor (nieuwe) streefwaarden. Toelichting: Uit de analyses van zowel effectiviteit als (kosten)efficiency is gebleken dat het EPD Zuid op een aantal output- en resultaatindicatoren extreem positieve waarden scoorde. Dit wordt met name veroorzaakt doordat verschillende typen effecten bij elkaar opgeteld worden. Voor deze output- en resultaatindicatoren bevelen we daarom een herformulering met bijbehorende nieuwe streefwaarden aan. Het gaat daarbij om de herformulering van: Het ‘aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie’ (outputindicator) in: ? ‘het aantal hectare gebied dat fysiek aangepast of verbeterd’ is; ? ‘het aantal hectare gebied dat beter ontsloten is’. Het ‘aantal vierkante meters nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte’ (outputindicator) in: ? ‘het aantal hectare nieuw of verbeterd gebied; ? ‘het aantal hectare beter ontsloten gebied; ? ‘het aantal vierkante meters nieuw of verbeterd openbaar gebouw’. Het ‘aantal bezoekers’ (resultindicator) in: ? het ‘aantal bezoekers aan nieuwe voorzieningen’; ? het ‘aantal extra bezoekers aan bestaande voorzieningen’.

11. Voeg de resultaatindicator ‘behouden werkgelegenheid’ toe aan maatregel 1.3. Toelichting: We bevelen ook aan om de resultaatindicator ‘behouden werkgelegenheid’ toe te voegen aan maatregel 1.3. Dit omdat deze werkgelegenheidsindicator mede relevant is voor revitaliseringsprojecten van bedrijventerreinen. Zo is deze indicator bijvoorbeeld ook opgenomen in de revitaliseringsmaatregel voor bedrijventerreinen in het Kompas voor het Noorden.

12. Voer een aantal wijzigingen door in de sociaal-economische indicatoren van het EPD Zuid. Toelichting: Uit de analyse van de sociaal-economische relevantie hebben we geconstateerd dat een aantal sociaal-economische indicatoren – die in het EPD Zuid zijn opgenomen – minder goed voldoen. Concreet gaat het daarbij om de volgende indicatoren: aandeel landbouw in de totale werkgelegenheid en geregistreerde werkeloosheid. We hebben daarbij ook suggesties tot verbetering gedaan. We zullen deze hier niet allemaal herhalen maar verwijzen wat dit aangaat naar hoofdstuk 4 . III. EFFICIENCY

13. Het is wenselijk om meer met operationele (financiële) ‘targets’ voor de afzonderlijke deelprogramma’s en prioriteiten/maatregelen te gaan werken. Toelichting: Nu het EPD Zuid enige tijd loopt wordt het ook steeds relevanter om naar de voortgang van het programma als geheel en naar de afzonderlijke onderdelen te kijken. Uit de analyses zoals die in deze evaluatie zijn uitgevoerd, is bijvoorbeeld gebleken dat zich in de voortgang van de afzonderlijke onderdelen (deelregio’s, maatregelen/prioriteiten) aanzienlijke verschillen voordoen. Daardoor is er duidelijk verschil in de mate waarin de

112

voortgang van het EPD Zuid ‘gedragen’ wordt door deze afzonderlijke onderdelen. Hierbij dient bedacht te worden dat het ‘draagvermogen’ van de onderdelen die voorspoedig verlopen ook eindig is (zodra de middelen voor die onderdelen gecommitteerd zijn). Om te voorkomen dat het programma dan in een ‘gat’ valt, zouden er nu al concrete taakstellingen voor de afzonderlijke onderdelen (regio’s en prioriteiten/maatregelen) gespecificeerd dienen te worden. Deze taakstellingen zouden in ieder geval ook betrekking dienen te hebben op de voortgang in de committeringen en betalingen. Uiteraard zouden deze taakstellingen afgeleid moeten worden van de eisen zoals die voor het programma gelden (bijvoorbeeld vanuit de N+2-regel). Het Comité van Toezicht zou daarbij deze (financiële) targets vast dienen te stellen. Vervolgens kan dan in elke vergadering van het Comité nagegaan worden in hoeverre de programma-onderdelen ‘op schema’ liggen dan wel dat bijstelling noodzakelijk is. Met deze aanpak wordt enerzijds duidelijkheid – bijvoorbeeld richting de Stuurgroepen – gecreeërd waar hun deelprogramma op enig moment zou moeten staan. Ditzelfde geldt dan – voor het programma als geheel – voor partijen die een belangrijke rol kunnen spelen bij de implementatie van de meer ‘problematische’ maatregelen. Per saldo kan het systeem van (financiële) targets er ook toe leiden dat snel(ler) beslissingen kunnen worden genomen over zaken als overhevelingen.

14. Gebruik ervaringsgegevens over de voortgang in committeringen en betalingen als basis voor het vaststellen van de (financiële) targets. Toelichting: Deze aanbeveling hangt samen met de voorgaande aanbeveling. Doordat het programma nu enige tijd loopt – maar ook vanuit ervaringen met voorgaande programmaperioden (voor de phasing-out onderdelen) – zijn er inmiddels diverse ervaringsgegevens beschikbaar. Relevante informatie – voor de N+2-regel – is daarbij bijvoorbeeld de snelheid en omvang waarmee committeringen/subsidiabele kosten in de praktijk ‘omgezet’ worden in betalingen. Deze ervaringsgegevens kunnen op zich dus benut worden om een inschatting te maken van de vraag waar het EPD Zuid op enig moment qua committeringen moet staan. Of, anders geformuleerd, welke committeringen in de komende perioden van een jaar – of half jaar – noodzakelijk zijn om voldoende ‘massa’ te genereren om op schema te blijven bij het voldoen aan de N+2-regel. Deze ervaringsgegevens kunnen daarmee dus een gefundeerd ‘houvast’ bieden voor de formulering van de (financiële) targets zoals bedoeld in de voorgaande aanbeveling.

15. Implementeer nu zo snel mogelijk het PBS en vul dit met de (monitoring)gegevens die op decentraal niveau beschikbaar zijn. Toelichting: In de eerste jaren van de uitvoering van het EPD Zuid is het Programma Beheers Systeem (PBS) nog niet operationeel geweest. Hierdoor kost het relatief veel tijd en energie om – op EPD Zuid (en deelregio)niveau – inzicht te krijgen in zowel de inhoudelijke als de financiële voortgang van het programma. Daartoe moeten namelijk steeds – min of meer ‘handmatig’ – beschikbare gegevens op decentraal niveau (bij de deelregio’s) verzameld en geaggregeerd worden. Naast de tijd en energie die dit kost, gaat dit ook gepaard met een zekere vertraging in het inzicht in de voortgang van het programma als geheel en van haar onderdelen. Daarom is het wenselijk om in de afzonderlijke deelprogramma’s het PBS op korte termijn te implementeren. In het verlengde daarvan zullen dan de (op decentraal niveau) beschikbare gegevens ingevoerd dienen te worden.

113

IV. UITVOERING

16. Intensiveer de betrokkenheid van de leden van het Comité van Toezicht door het versterken van de inhoudelijke en aansturende rol en (daardoor) het ‘verlevendigen’ van vergaderingen. Toelichting: Uit de mid-term evaluatie komt naar voren dat er bij verschillende leden van het Comité van Toezicht behoefte bestaat aan het versterken van de inhoudelijke betrokkenheid (aansturing) en het ‘verlevendigen’ van vergaderingen. Een belangrijke achterliggende oorzaak hiervoor is dat het Comité – ten opzichte van voorgaande programmaperioden – meer ‘op afstand’ is komen te staan. Voorheen was het Comité van Toezicht in feite verantwoordelijk voor één regioprogramma terwijl er nu sprake is van diverse afzonderlijke deelprogramma’s. Versterking van de inhoudelijke betrokkenheid en ‘verlevendiging’ zou onder andere via de volgende invalshoeken gerealiseerd kunnen worden. Allereerst kunnen bijeenkomsten van het Comité meer ‘op locatie’ bij de ondersteunde projecten gehouden worden. Daarmee wordt ook concreet inzicht geboden in de vraag welke (typen) projecten precies vanuit het EPD Zuid worden geïnitieerd. In de tweede plaats kan de aansturende rol van het Comité (nog) meer benadrukt worden. Een voorbeeld waarvoor dit zou kunnen is rondom het thema duurzaamheid zoals dat bij aanbeveling 4 aan bod is gekomen. Ook zal het Comité deze rol nu moeten gaan vervullen daar waar het gaat om het nemen van besluiten over overhevelingen. In de derde plaats zou in komende vergaderingen van het Comité steeds inzicht kunnen worden geboden in de voortgang van de implementatie van het EPD Zuid in de afzonderlijke deelprogramma’s. Dit is overigens ook wenselijk voor de monitoring van de voortgang in de realisatie van de (financiële) targets (zie aanbeveling 13). Daarmee wordt het EPD Zuid voor de leden van het CvT ook ‘concreter’ omdat dan informatie over specifieke en herkenbare regio’s wordt gepresenteerd terwijl het EPD Zuid een ‘optelsom’ van deze regio’s vormt en als zodanig geen herkenbare regio vormt en daarmee geen eigen ‘gezicht’ heeft. De volgende aanbeveling gaat nog eens specifiek in op dit punt.

17. Vanaf nu zou in elke vergadering van het Comité ook de voortgang van het EPD Zuid naar onderdeel – voortgang van de maatregelen/prioriteiten in de deelregio’s – aan bod dienen te komen. Toelichting: Uit de analyses is naar voren gekomen dat er sprake is van aanzienlijke fluctuaties in de voortgang van de afzonderlijke onderdelen van het EPD Zuid (naar deelregio’s maar ook naar prioriteiten en maatregelen). Op ‘EPD Zuid niveau’ worden veel van deze verschillen ‘geëgaliseerd’. Uiteraard is de presentatie van gegevens op dit niveau zeer zinvol omdat de afrekening met Brussel op EPD Zuid niveau plaatsvindt. Anderzijds vervalt met de presentatie van gegevens op EPD Zuid niveau ook veel bruikbare (stuur)informatie voor het Comité van Toezicht. Een meer gedesaggregeerde presentatie van gegevens kan – voor het Comité maar ook voor de Stuurgroepen – veel inzicht bieden voor de vraag waar zich eventueel knelpunten voordoen. Dit inzicht kan er vervolgens ook toe bijdragen dat het Comité (nog) meer invulling kan geven aan haar aansturende rol. Dit door bijvoorbeeld tijdig additionele acties te ondernemen voor die onderdelen van het programma die extra aandacht verdienen. In deze zin kan het bieden van dergelijke inzichten dus ook in positieve zin bijdragen aan de betrokkenheid van het Comité van Toezicht.

114

18. Systematiseer het systeem van ‘verplichte’ en ‘gemandateerde’ vervanging. Toelichting: Nu het EPD Zuid enkele jaren loopt blijkt dat de opkomstpercentages van zowel het Comité als van de Stuurgroepen nu en dan vrij laag uitvallen. Hierdoor kan het voldoen aan het vereiste quorum onder druk komen te staan. Afgezien daarvan is het sowieso zinvol dat besluiten binnen het Comité en de Stuurgroepen op een zo breed mogelijk draagvlak kunnen rekenen. Daarom kan overwogen worden om – (nog) meer dan nu gedaan wordt – te gaan werken met het systeem van ‘verplichte’ en ‘gemandateerde’ vervanging. Enkele organisaties werken overigens nu al wel met vaste ‘vervangers’ maar dit wordt in de praktijk nog niet uniform toegepast. Bovendien is het wenselijk om deze vervanging en mandatering ook schriftelijk vanuit de betreffende organisaties vast te leggen.

19. Maak op hoofdlijnen afspraken over hoe de consequenties zullen worden verrekenend in het EPD Zuid indien op enig moment niet kan worden voldaan aan de N+2-regel. Toelichting: Op dit moment lijken zich op korte termijn nog geen knelpunten voor te doen met de N+2 regel. Het is echter – zeker ook gelet op de vertragingen waarmee betalingen zich voordoen – niet uitgesloten dat dit op termijn toch gaat spelen. Daarom is het zinvol om nu op hoofdlijnen vast te stellen hoe de ‘pijn dan verrekend’ zal worden. Daarvoor bestaan namelijk tal van opties variërend tot ‘wie faalt betaalt’ tot een ‘evenredige afslag’ over alle programma-onderdelen. Het creëren van duidelijkheid in deze opties kan ook de afzonderlijke Stuurgroepen en het Comité een handvat bieden voor de typen acties die op enig moment genomen moeten worden. Hierdoor kan ook bevorderd worden dat dergelijke acties tijdig gepleegd worden.

20. Schenk ook in de komende periode nog aandacht aan publiciteit en PR voor het EPD Zuid en leg daarbij extra accent op doelgroepen die een rol kunnen spelen bij de invulling van de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1. Toelichting: In de afgelopen periode is er het nodige gebeurd op het gebied van publiciteit en PR. Dit mag er echter niet toe leiden dat dergelijke inspanningen in de komende tijd ‘verslappen’. Vooral richting de doelgroepen die een rol kunnen spelen bij de implementatie van de meer problematische maatregelen blijven dergelijke inspanningen wenselijk. Daarbij dient wel bedacht te worden dat inspanningen op het gebied van PR en publiciteit vooral ‘ondersteunend’ kunnen werken aan meer persoonlijke vormen van kennisoverdracht en ‘activering’ via participanten in het CvT, de Stuurgroepen en het programmamanagement.

21. Zet op alle fronten – dus ook voor andere maatregelen dan 1.1, 1.2 en 3.1 – maximaal in op projectontwikkeling. Toelichting: In het algemeen zal er in de komende periode – ook buiten de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.2 – veel aandacht moeten worden geschonken aan projectontwikkeling. Enerzijds heeft dat dan te maken met de eventuele overhevelingen uit de maatregelen 1.1, 1.2 en 3.1. Dat betekent dat in andere maatregelen extra middelen beschikbaar komen waarvoor dan meer projecten geïnitieerd zullen moeten worden. Anderzijds dienen er voor verschillende van deze andere maatregelen sowieso – dus los van overhevelingen – nog de nodige inspanningen op het gebied van projectontwikkeling te worden gepleegd. Aandacht voor projectontwikkeling zou dan in de eerste plaats vanuit het programma-

115

management plaats dienen te vinden. Een aandachtspunt is daarbij echter wel of daarvoor voldoende ‘ruimte’ bestaat. Dit gelet op het feit dat administratieve en procedurele zaken veel (meer) tijd gaan vergen. Dit zal in de komende periode duidelijk moeten worden. Daarnaast kunnen ook de verschillende partners die betrokken zijn bij het EPD Zuid hier nadrukkelijk een rol in spelen. Verder zou ook gedacht kunnen worden over het instellen van een ‘fonds’ voor projectontwikkeling. De navolgende aanbeveling handelt daarover.

22. Overweeg om een ‘fonds’ voor projectontwikkeling in te stellen. Toelichting: Uit de voorgaande analyses is duidelijk geworden dat een aantal maatregelen qua invulling minder voorspoedig verloopt. Een deel van de oorzaak hiervoor is gelegen in het feit dat er nog betrekkelijk weinig projectinitiatieven ontplooid worden. Dit heeft allereerst te maken met de onbekendheid met EFRO-projecten in met name de nieuwe deelregio’s. Ook het gedeeltelijk wegvallen van de netwerken rondom het thema scholing en arbeidsmarkt (de RBA’s) vormt daarbij een factor van betekenis. Verder speelt bij een deel van de potentiële projectindieners het punt van de (vermeende) bureaucratie en complexiteit van de regelgeving rondom het EPD Zuid een belangrijke rol. Bovenstaande oorzaken leiden er toe dat een deel van de (potentiële) projectindieners het niet aandurft – of daartoe de middelen niet heeft – om kosten te maken voor de verdere ontwikkeling van hun projectideeën. Zij achten het ‘afbreukrisico’ daarvoor te groot. Om deze drempel te slechten zou daarom kunnen worden gedacht aan het instellen van een fonds om deze kosten te dekken. Dit kan met name relevant zijn voor de meer ‘problematische’ maatregelen binnen het EPD Zuid. Het bovenstaande zou dan verder vorm en inhoud kunnen krijgen door voor kansrijke projectideeën – dit aan de hand van een beoordeling door de Stuurgroepen – een bepaald budget voor de verdere uitwerking tot volwaardige projecten ter beschikking te stellen. Ook kan daarbij worden gedacht aan het instellen van specifieke Taskforces voor deze maatregelen die dan over een ontwikkelingsbudget – uit dit fonds – met bijbehorende doelstellingen (op het gebied van projectgeneratie) kunnen beschikken.

23. Voor de interne monitoring van de N+2-regel is het wenselijk om het eerste Brusselse voorschot evenredig over de jaren te verdelen. Toelichting: Kern van de N+2-regel is dat er een bepaalde voortgang geboekt dient te worden in de betalingen van projectuitvoerders. Een ‘meevaller’ is dat het eerste voorschot van Brussel – circa 10 miljoen euro voor het EPD Zuid – opgeteld mag worden bij deze uitgaven. Uiteraard zal dit bedrag eind 2003 dan ook meegenomen worden in het overzicht van de financiële realisaties binnen het EPD Zuid zoals dat naar de EU zal gaan. Los van de ‘afrekening’ richting Brussel zou er echter veel voor gezegd kunnen worden om voor de interne monitoring het genoemde voorschot van 10 miljoen euro evenredig te verdelen over de jaren. Door intern nu al direct die 10 miljoen volledig mee te tellen bij de financiële realisatiecijfers voor ultimo 2003 kan namelijk een te florissante indruk ontstaan. Dit omdat er voorlopig geen enkel knelpunt met de N+2-regel lijkt te spelen. Maar voor een (belangrijk) deel wordt dit beeld dan veroorzaakt door de ‘meevaller’ van die 10 miljoen euro die direct al is verdisconteerd. En een dergelijke meevaller speelt in de navolgende jaren niet meer.

116

117

LITERATUUR

Buck Consultants International, 2000 Ex ante evaluatie EPD Zuid-Nederland. Buck Consultants International, Nijmegen. Buck Consultants International, 2000 Ex ante evaluatie Doelstelling 2 plattelandsontwikkeling en enkele Phasing out programma’s. Buck Consultants International, Nijmegen. Centraal Bureau voor de Statistiek, 2003 Sociaal-economische maandstatistiek, jaargang 20 – mei 2003, CBS, Voorburg/ Heerlen. Centraal Bureau voor de Statistiek, 2003 CBS Statline (internet), diverse statistieken, CBS, Voorburg/Heerlen. Centraal Planbureau, 1999 Bedrijfslocatiemonitor; regionale verkenningen 2010-2020, in gesprek met de regio’s, CPB, Den Haag. Commissie Regionale Kansen, 2002 Programma Horizon Zuidoost-Nederland, SRE, Eindhoven. Directoraat Generaal Ruimte/ETIN Adviseurs, 2003 Rapportage bedrijventerreinen en kantoorlocaties; Werklocaties 2002, Hoofdrapport en Tabellenboek. ETIN Adviseurs, Tilburg. ECORYS-NEI, 2003 Audit economisch beleid Provincie Limburg 1999-2002. ECORYS-NEI, Rotterdam. ECORYS-NEI, 2002 Evaluatiekader Structuurfondsen 2000-2006; Doelstelling 1 en 2 programma’s in Nederland. ECORYS-NEI, Rotterdam. ECORYS-NEI, 2003 Mid Term Review Kompas voor het Noorden. ECORYS-NEI, Rotterdam. ETIN Adviseurs, 2003 Herstructureringsopgave in de G30-gemeenten. ETIN Adviseurs, Tilburg. Europese Unie, 1999 Verordening (EG) Nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, Brussel. LISA, 2003 Lisa nieuws, mei 2003; werkgelegenheidsgroei in 2002 vertraagd. LISA, Tilburg. Ministerie van Economische Zaken, 2002 Convenant Samenwerking in de regio. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, 2002 Kwaliteit wint terrein; Actieplan herstructurering bedrijventerreinen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, 2002 Naar gebiedsgerichte economische perspectieven; hoofdrapport. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

118

Ministerie van Economische Zaken, 2002 Naar gebiedsgerichte economische groei; Landsdelige rapportage Zuid. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Programma horizon Ministerie van Economische Zaken, 2002 Toeristisch-Recreatief ActieProgramma. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000 Nationaal Actieplan Werkgelegenheid (NAP). Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2002 Nationaal Actieplan Werkgelegenheid 2002. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag. Provincie Limburg, 2002 Meerjarenbeleidsnota RIS-LIMBURG.nl: Innovatiebeleid 2002-2004. Limburg, Maastricht.

Provincie

Provincie Limburg, 2002 Voortgangsrapportage uitvoering bedrijventerreinenbeleid POL; analyses en consequenties van uitgifte- en voorraadontwikkeling 1997-2001 voor het te voeren beleid. Provincie Limburg, Maastricht. Provincie Noord-Brabant, 2002 Dynamiek en vernieuwing, de kracht van Brabant; Kadernota sociaal-economisch beleid 2002-2006. Provincie Noord-Brabant, ‘s-Hertogenbosch. Provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland, 2001 Enkelvoudig Programmeringsdocument Zuid-Nederland; Doelstelling 2 platteland Noordoost-Brabant/Noord- en Midden-Limburg, Phasing out Doelstelling 5b Noorden Midden-Limburg, Phasing out Doelstellng 2 Zuid-Limburg, Phasing out Doelstelling 2 Zuidoost-Brabant, Phasing out Doelstelling 5b ZeeuwschVlaanderen. Provincie Noord-Brabant, ‘s-Hertogenbosch. Provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland, 2001 Programmacomplement; behorende bij het integrale Enkelvoudig programmeringsdocument (EPD) Zuid-Nederland 2000-2006. Provincie Noord-Brabant, ‘s-Hertogenbosch. Provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland, 2001 Programmacomplement; behorende bij het integrale Enkelvoudig programmeringsdocument (EPD) Zuid-Nederland 2000-2006. Provincie Noord-Brabant, ‘s-Hertogenbosch. Provincie Noord-Brabant, 2002 Jaarverslag 2001 EPD Zuid; Enkelvoudig Programmerings Document ZuidNederland. Provincie Noord-Brabant, ‘s-Hertogenbosch. Provincie Zeeland, 2003 Strategischie Visie Provincie Zeeland, nadere uitwerking. Provincie Zeeland, Middelburg. Research voor Beleid International, 2002 Ex Post Evaluation 1994-1999 Objective 2 programmes of The Netherlands. RvBI, Den Haag.

119

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2002 Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2001. RIVM, www.rivm.nl , Bilthoven. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2001 Jaaroverzicht luchtkwaliteit 1998 en 1999. RIVM, www.rivm.nl, Bilthoven.

120

121

BIJLAGE 1

OVERZICHT GERAADPLEEGDE SLEUTELPERSONEN EN REGIONALE STAKEHOLDERS

Naam Dhr. F.J.M. Houben Dhr. O. Hoes Dhr. ir. J.C.H. Overbeek Dhr. H.J.M. Naaijkens Dhr. mr. H.J.J.M. Oderkerk Dhr. F. van Oorschot Dhr. J.A.M. Vos Dhr. ir. W.G.J. Claassen Dhr. P.P. Mertens Dhr. C.J.P. van den Ham /mevr. Van Os Dhr. ir. J.A.P.M. Smeekens Dhr. ir. A.M.J. Schurgers Dhr. Ir. G.W.A. Keurentjes Mevr. E.G.M. Bos Dhr. drs. J.F. H.A.B. Waals Dhr. ir. H.K. Vijverberg Dhr. drs. P.P.W.I. Dormans Dhr. ir. C.H.C. van Rooij Dhr. Kielenstijn Dhr. W. Sluyters Dhr. D.J.P. Bruinooge Dhr. A.M.G. van Waes Dhr. ir. P.J. Stouten Dhr. J.J.M. Som Dhr. P.E.M.A. Haane Dhr. J. Vollebrecht Dhr. H.F.M. Evers

Organisatie Provincie Noord-Brabant, Commissaris van de Koningin Provincie Noord-Brabant, Gedeputeerde Provincie Noord-Brabant HAS Den Bosch Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging ZLTO Brabantse gemeenten Gemeente Eindhoven Ministerie LNV directie Zuid Ministerie van Economische Zaken Regio Zuid NV Rede Syntens Ministerie LNV directie Zuid FNV regio Zuidoost-Nederland Gemeenten Noord- en MiddenLimburg Milieufederatie Limburg Kamer van Koophandel Noord- en Midden-Limburg

Gremium Comité van Toezicht Comité van Toezicht, Stuurgroep Noordoost-Brabant Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht, Stuurgroep Zuidoost-Brabant Stuurgroep Noordoost-Brabant Stuurgroepen Zuidoost-Brabant, Noordoost-Brabant en Noord- en Midden-Limburg Stuurgroep Zuidoost-Brabant Stuurgroep Noordoost-Brabant Stuurgroep Noord- en Midden Limburg Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht

Limburgse Land- en Tuinbouwbond Stuurgroep Noord- en MiddenLimburg Samenwerkingsverband Regio Eindhoven Europese Commissie/DG regionaal beleid Provincie Zeeland, ged. Zeeuws-Vlaamse gemeenten Waterschap Zeeuws-Vlaanderen gemeente Kerkrade Kamer van Koophandel Regio Parkstad Limburg Provincie Limburg, ged. Comité van Toezicht Comité van Toezicht Comité van Toezicht, Stuurgroep Zeeuws Vlaanderen Comité van Toezicht Stuurgroep Zeeuws-Vlaanderen Stuurgroep Zuid Limburg Stuurgroep Zuid Limburg Stuurgroep Zuid Limburg Comité van Toezicht, Stuurgroep Noord- en Midden-Limburg

122

123

BIJLAGE 2

OVERZICHT GEËVALUEERDE PROJECTEN EN BIJBEHORENDE PROJECTUITVOERDERS

Prioriteit/naam project I. Ruimtelijke ontwikkeling Leisure park Helden Stuw Friedesse Molen Erven en Natuur (2/5b) Conferentiecentrum Willibrordhaeghe Moesbos en natuurvijver Zeeland Bouwcampus Noord Limburg Revitalisering bedrijventerrein Airpark Brabant Ontsluiting Beekerveld

Organisatie

Contactpersoon

B&W gemeente Helden Stichting Friedesse Molen Stichting het Limburgs Erf Stichting Willibrord Gemeente Landerd Stichting Beheer Bouw Opleidingscentrum Gemeente Cranendonck Gemeente Sittard-Geleen-Born

Dhr. Van de Munckhof Dhr. Reuters Mevr. Jansen Dhr. Jansink Dhr. Bruinewoud Dhr. Bijvoets Mevr. Claes Dhr. De Pruyssenaere de la Woestijne Dhr. Broekema Dhr. De Keuninck Dhr. Koppens Dhr. Koppens Dhr. Geurts Dhr. Hammer Dhr. Uitterhoeve Dhr. Aalders Dhr. Wachelder Dhr. Vervoort

Revitalisering bedrijventerrein Ekkersrijt-Oost Gemeente Son Passageule (overige fasen) Museum Nederlands Hippisch Erfgoed Facilitair hippisch Centrum Landschapspark de Graven - Plinthos II Waterschap Zeeuws-Vlaanderen Stichting Nederlands Hippisch erfgoed NHP Deurne Gemeente Sittard-Geleen-Born

Ontwikkeling Bedrijventerrein Holtum Noord II LIOF Bedrijventerreinen BV Kenniscluster Inrichting Revitalisering bedrijventerrein Duin I Procesmonteur Onderhoud Ontsluiting businesspark De Hulst II. Economische Ontwikkeling CERIT Voorportaal Investeringsregeling Toerisme (IRT) CERIN Positioneringscampagne peelregio (D2) KvK Oost-Brabant KvK Zuid-Limburg Syntens Stichting regio VVV NML Expertisecentrum ICT Gemeente Schijndel Stichting SBIML Gemeente Venray

Dhr. Vetter Dhr. Elshout Dhr. Van Herpt Dhr. Schepman Dhr. De Schepper Mevr. Janssen Dhr. Van Moorsel Dhr. Geukes Dhr. Van den Hemel Dhr. Zilverschoon Dhr. Burks Dhr. Elshout Dhr. Smeekens

Toeristisch ontwikkelingsplan Hulst (2e fase) Gemeente Hulst Ontdek de geheimen van de Peel CEREX Clusterproject Verpakkingsmachine Technopark Schoondijke Clusterproject Bruxstop Triple-In Stimuleringsfonds Investeringsregeling toerisme SIR (Stimulus InvesteringsRegeling) III. Sociale cohesie Gemeenschapshuis Leverona Stimulus Personeelsadvies Regeling (SPR) Stichting Gemeenschapshuis Leverona Syntens Stichting regio VVV NML KvK Oost Brabant GKS Packaging vof Gemeente Sluis Roto Systems/Solid Semecs BV LIOF Bedrijventerreinen BV KvK Zuid-Limburg N.V. Rede

Dhr. Hermans Dhr. Van Herpt

124

Taxihopper in beeld Loopbaancentrum E-netwerk Realisatie Multifunctioneel dorpshuis Mariaheide Kate & Harry Herinrichting winkelcentrum Sluis Huisartsenpost ziekenhuis Oostburg Samen onder één dak

Gemeente Uden Stichting E-netwerk Gemeente Veghel MIK (Maatwerk in Kinderopvang) Gemeente Sluis Provincie Zeeland Stichting Gemeenschapshuis De Stuik

Dhr. Verwegen/ Mevr. Juurlink Mevr. Otten Dhr. Keunings Mevr. Geelen Dhr. Verhoofsel Dhr. Francke Dhr. Cornelissen Dhr. Van den Kieboom

ROC West-Zeeuws-Vlaanderen Serviceteam ROC Westerschelde (inclusief vervolgfase)

125

BIJLAGE 3

ONDERZOEKSVRAGEN

A1. Relevantie vanuit de sociaal-economische context § Hoe hebben de regio’s, die deel uitmaken van het EPD Zuid-Nederland, zich in sociaaleconomisch opzicht ontwikkeld sinds de start van het EPD? Begeven de regio’s zich daarmee in de richting die in het EPD Zuid-Nederland is geformuleerd? § Voor welke sociaal-economische variabelen is (bij deze regio’s) sprake van een relatief gunstige ontwikkeling die spoort met de doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland? Welke sociaaleconomische variabelen blijven qua ontwikkeling eventueel achter bij de doelstellingen en om welke deelregio’s gaat het dan met name? In hoeverre is, gelet op deze ontwikkelingen, de SWOT uit het EPD Zuid-Nederland nog actueel? Gelden de genoemde sterke en zwakke punten, alsmede de kansen en bedreigingen nog steeds? Welke aspecten van de SWOT moeten eventueel herzien en aangevuld worden en waarom? In hoeverre ‘sporen’ de sociaal-economische ontwikkelingen met de prioriteiten (en maatregelen) zoals die zijn beschreven in het EPD Zuid-Nederland? Zijn deze prioriteiten en maatregelen nog steeds relevant voor het programmagebied of zijn aanpassingen wenselijk en, zo ja, welke dan? Geven de uitkomsten op de voorgaande vragen nog aanleiding tot tussentijdse bijstellingen in de doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland? Zo ja, welke wijzigingen zouden dan wenselijk zijn en waarom?

§

§

§

A2. Relevantie vanuit de beleidscontext § Zijn er belangrijke nieuwe ontwikkelingen en/of veranderingen in het Europees, nationaal en regionaal beleid te identificeren die relevant zijn voor het EPD Zuid-Nederland als geheel dan wel voor de afzonderlijke deelregio’s? § In hoeverre zijn de tot dusver genomen initiatieven vanuit het EPD Zuid-Nederland aanvullend op – of ‘concurrerend’ met – relevante (nieuwe en bestaande) Europese, nationale en regionale beleidsmaatregelen? Hoe moet in dit opzicht de complementariteit van het programma worden beoordeeld? Zijn de initiatieven uit het programma in voldoende mate afgestemd met relevant nationaal en regionaal beleid? Waar is sprake van een adequate afstemming en waar is meer synergie mogelijk? Op welke wijze zou deze synergie dan moeten worden bewerkstelligd? In hoeverre geven de antwoorden op bovenstaande vragen aanleiding tot een wenselijke bijstelling van de doelstellingen en de strategie van het programma voor de resterende programmaperiode?

§

§

A3. Relevantie voor bereiken horizontale doelstellingen EU § Welke maatregelen van het EPD Zuid-Nederland kunnen bijdragen aan het helpen realiseren van de horizontale EU-doelstellingen van gelijke kansen voor vrouwen en mannen, alsmede aan een duurzame ontwikkeling van het programmagebied (de deelregio’s)? § Hoeveel middelen zijn toegedeeld aan maatregelen die bijdragen aan het bereiken van de voornoemde horizontale doelstellingen? Hoe verhoudt zich dit tot het totale financiële volume van het programma? Hoe moet de relatieve omvang van de beschikbare middelen voor het behalen van de horizontale doelstellingen worden beoordeeld? Geeft dit eventueel nog aanleiding tot tussentijdse bijstellingen van het programma? Welke doelstellingen van het Europees regionaal beleid zouden zonder het EPD-programma niet of in mindere mate worden gerealiseerd in het programmagebied (de deelregio’s)?

§

§

B1. Realisatie financiële doelstellingen § Verloopt de (financiële) uitvoering van het EPD Zuid-Nederland (en haar afzonderlijke deelprogramma’s) tot nu toe conform het oorspronkelijke plan? Waar doen zich eventueel significante afwijkingen voor en wat zijn de achtergronden daarvan? Hoe verloopt de geplande cofinanciering vanuit andere partijen (Rijk, regio, bedrijfsleven) aan het

§

126

EPD Zuid-Nederland? Waar doen zich eventueel fricties voor en wat zijn daarbij mogelijke oplossingsrichtingen? § Hoe ziet de tussentijdse financiële voortgang (committeringen en betalingen) op programmaprioriteits- en maatregelniveau er op dit moment voor het EPD Zuid-Nederland (en de deelprogramma’s) uit? Wat zijn wat dit aangaat de verwachtingen voor de nabije toekomst? In welke mate zijn er nu al indicaties te geven van onder- dan wel overbesteding binnen de afzonderlijke prioriteiten/maatregelen? Indien zich hier(in) knelpunten voordoen: welke verklaringen kunnen daarvoor dan worden gegeven? Zijn er voor de nabije toekomst nog aanpassingen en/of bijstellingen wenselijk – bijvoorbeeld overheveling van middelen tussen maatregelen – die er aan kunnen bijdragen dat de doelstellingen (alsnog) behaald gaan worden? Zo ja, welke bijstellingen of overhevelingen zijn dan met name aan te bevelen en waarom? Voortgang operationele doelstellingen (outputs) Welke outputindicatoren worden gehanteerd voor het vaststellen van de operationele doelstellingen van het EPD Zuid-Nederland (en haar deelprogramma’s)? Zijn deze indicatoren in de praktijk voldoende hanteerbaar en bruikbaar gebleken voor het monitoren van deze vorm van effectiviteit van het programma? Welke aanpassingen zijn eventueel wenselijk en waarom? Wat is – op basis van de door de programmasecretariaten en de beheersautoriteit gehanteerde monitoringsystemen – de voortgang in de realisatie van de outputdoelstellingen van het EPD Zuid-Nederland? Welke resultaten kunnen in de komende periode nog worden verwacht? In welke mate ligt de regio daarmee ‘op schema’ bij het realiseren van de door haar beoogde ‘outputs’ met het programma? Waar doen zich eventueel in positieve of negatieve zin afwijkingen voor en hoe kunnen deze worden verklaard? In hoeverre komt de door (een selectie van) projectuitvoerders aangegeven (gerealiseerde en verwachte) output overeen met de geregistreerde output in het monitoringsysteem (de monitoringsystemen)? Op welke punten doen zich eventueel afwijkingen voor en welke verklaringen kunnen hiervoor worden gegeven? Bij welk deel van de projecten zijn (of zullen) de operationele doelstellingen (naar verwachting) niet of slechts ten dele gerealiseerd (worden)? Wat zijn belangrijke verklaringen hiervoor? Doen zich in de uitkomsten op de voorgaande vragen nog verschillen voor naar deelregio, prioriteit en/of maatregel? Wat zijn de belangrijkste leerervaringen ten aanzien van het behalen van de operationele outputdoelstellingen van het programma?

§

§

B2. § §

§

§

§

§ § §

B3. Behalen (economische, sociale en milieu)effecten (resultaten) § Welke resultaatindicatoren worden gehanteerd voor het vaststellen van de (economische, sociale en milieu)effecten van het EPD Zuid-Nederland? Wat is de bruikbaarheid en hanteerbaarheid van deze indicatoren in de praktijk? Welke tussentijdse leerervaringen kunnen er worden geformuleerd ten aanzien van de keuze en de definiëring van deze indicatoren? In hoeverre hebben de ondersteunde projecten inmiddels al geleid tot (economische, sociale en milieu)effecten bij de partijen die direct profiteren van – of deelnemen aan – de projectactiviteiten? In hoeverre zijn deze gerealiseerde directe effecten nader te kwantificeren en (dus) opgenomen in de gehanteerde monitoringsystemen? Welke directe (economische, sociale en milieu)effecten kunnen in de nabije toekomst nog worden verwacht? Zijn er inmiddels ook al indirecte (economische, sociale en milieu)effecten van de goedgekeurde projecten waar te nemen? Zo ja, om welke indirecte effecten gaat het dan en in hoeverre is het mogelijk (gebleken) om deze effecten ook te kwantificeren? Welke indirecte effecten kunnen in de nabije toekomst verder nog worden verwacht? Hoe beoordelen de eindbegunstigden de (tussentijds) behaalde (economische, sociale en milieu)effecten van hun deelname aan de ondersteunde projecten? Verlopen de projecten in hun optiek naar wens? Komen de tot dusver behaalde effecten overeen met de verwachtingen die de eindbe-

§

§ §

§ §

§

127

gunstigden voorafgaande aan hun deelname hadden? Zo nee, waarin wijken deze tussentijdse effecten dan af? § Welke suggesties hebben partners zoals het regionale bedrijfsleven, kennisinstellingen en intermediaire organisaties om de effectiviteit van de projecten die vanuit het EPD ZuidNederland geïnitieerd worden nog verder te vergroten? Hoe presteert het EPD Zuid-Nederland tot nu toe op de ‘prestatie-indicatoren’ die in het kader van de prestatiereserve aangedragen zijn? Wat zijn per saldo de belangrijkste leerervaringen ten aanzien van het behalen van de verschillende beoogde (economische, sociale en milieu)effecten van het EPD Zuid-Nederland?

§ §

B4. Betekenis programma voor sociaal-economische ontwikkeling (impacts) § Welke indicatoren worden gehanteerd voor het vaststellen van de (duurzame) sociaaleconomische impact van het EPD Zuid-Nederland? Voldoen deze indicatoren ook in de praktijk? In welke mate zijn eventueel nog aanpassingen en/of aanvullingen wenselijk? Hoe verhouden de tot dusver gepleegde investeringen vanuit het EPD Zuid-Nederland zich tot de totale publieke investeringen in het programmagebied (deelregio’s) in de afgelopen periode? Hoe verhoudt de omvang van de tussentijdse investeringen vanuit het programma zich tot het totale BRP van het gebied in de afgelopen periode? Wat kan uit de voorgaande verhoudingsgetallen voorlopig geconcludeerd worden over het (relatieve) belang van het programma voor de economie van het programmagebied? In hoeverre kan al een positief effect van het EPD Zuid-Nederland op het regionaal investeringsklimaat worden vastgesteld? Voor welke elementen van dit regionaal investeringsklimaat geldt dit dan met name? Wat kan er worden gezegd over de bijdrage van het EPD Zuid-Nederland aan de sociaaleconomische trends die zich tot nu toe hebben voorgedaan? Wat kan er wat dit aangaat voor de nabije toekomst nog worden verwacht? Heeft het EPD Zuid-Nederland inmiddels (ook) al geleid tot milieu- en/of landschappelijke en/of natuureffecten? Zo ja, welke effecten betreft het dan en wat zijn de verwachtingen voor de komende periode? Wat kan er tot dusver geconcludeerd worden over de mate van doelbereiking en doeltreffendheid van (de prioriteiten en maatregelen van) het programma? Is hierin voor de resterende programmaperiode nog het nodige te verbeteren en, zo ja, op welke wijze dan?

§ § § §

§

§

§

B5. Behalen horizontale EU-doelstellingen § § § § § Welke van de goedgekeurde projecten hebben inmiddels in positieve zin bijgedragen aan de realisatie van de horizontale EU-doelstellingen? Waar blijkt dit uit? Zijn er ook projecten in uitvoering genomen die een negatieve bijdrage leveren aan de horizontale EU-doelstellingen? Zo ja, om welke projecten gaat het dan? Hoeveel middelen zijn met beide typen projecten gemoeid? In welke mate ervaren de eindbegunstigden dat de projecten waaraan zij deelnemen een bijdrage leveren aan het helpen realiseren van de horizontale EU-doelstellingen? Welke leerervaringen kunnen er voor de resterende programmaperiode uit de antwoorden op voorgaande vragen worden afgeleid ten aanzien van het realiseren van de horizontale EUdoelstellingen? Efficiency Valt aan te geven hoeveel arbeidsplaatsen tot nu toe per prioriteit (en maatregel) gerealiseerd zijn? Welke kosten per arbeidsplaats zijn daarmee dan gemoeid? Hoe valt dit te beoordelen ten opzichte van de oorspronkelijke planning en/of resultaten van andere evaluaties? Welke impact van de gehonoreerde projecten op het aantal te realiseren arbeidsplaatsen wordt er in de komende periode nog verwacht? Hoe verhouden de kosten van de goedgekeurde projecten zich tot de verschillende andere typen output en resultaten die tot nu toe zijn gerealiseerd?

C. §

§ §

128

§ § § §

Hoe valt dit te beoordelen ten opzichte van de oorspronkelijke planning en/of de resultaten van voorgaande of andere evaluaties? Welk deel van de totale programmakosten is tot nu toe besteed aan uitvoeringskosten? Voor welke zaken worden vooral uitvoeringskosten gemaakt? Zijn de middelen voor Technische Bijstand toereikend gebleken? Wat kan per saldo worden geconcludeerd uit de (kosten)efficiency van het EPD ZuidNederland? Welke leerervaringen kunnen hieruit voor de toekomst worden afgeleid? Organisatie- en beheersstructuur Hoe functioneert de organisatie- en beheersstructuur van het EPD Zuid-Nederland in de praktijk? Is er sprake van een adequate verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de organisatorische geledingen van het programma? Doen zich hierbij in de praktijk nog specifieke knelpunten voor en, zo ja, hoe kan dat naar de toekomst worden voorkomen? In hoeverre zijn de verschillende onderscheiden geledingen in de praktijk in staat om hun rol adequaat te vervullen? In welke mate is sprake van een actieve deelname van de verschillende partijen in de onderscheiden gremia? Hoe en op welke wijze wordt in het programma invulling gegeven aan het concept van partnerschap? In hoeverre worden verschillende typen regionale stakeholders betrokken bij het programma en welke verbeterpunten kunnen daarbij eventueel worden gesignaleerd? Welke ervaringen hebben direct betrokken partijen – zoals het Comité van Toezicht, de beheers- en betaalautoriteit, de Stuurgroepen en de programmasecretariaten met de huidige organisatie- en beheersstructuur? Hebben zij nog specifieke knelpunten ervaren? Welke verbeterpunten brengen zij eventueel naar voren en waarom? Wat zijn de ervaringen van de projectuitvoerders/-aanvragers met de organisatie en uitvoering van het programma (intake, selectie, committering/afwijzing, uitvoering, monitoring, administratieve verplichtingen, eindafrekening enzovoort)? Zijn hieruit nog leereffecten voor de toekomst te destilleren? Hoe beoordeelt de markt/het bedrijfsleven de toegankelijkheid en meerwaarde van het programma? Welke verbeterpunten signaleren zij eventueel? Is het per saldo wenselijk om in de resterende programmaperiode de organisatie- en beheersstructuur (enigszins) aan te passen en, zo ja, waar en hoe dan? Uitvoering Hoe moet de (inhoudelijke en financiële) betrokkenheid van relevante regionale actoren bij het EPD Zuid-Nederland worden beoordeeld? Is er sprake van een duurzaam partnerschap dat mogelijk ook na afloop van het programma blijft bestaan? Welke criteria worden gehanteerd voor de selectie van projecten? In hoeverre bieden deze criteria voldoende handvatten voor de selectie van projecten die het beste voldoen aan de doelstellingen van het programma? Zijn de selectiecriteria en de selectieprocedure(s) helder en inzichtelijk voor alle betrokkenen? Hebben zich bij de selectie van projecten nog specifieke problemen voorgedaan en, zo ja, welke dan? Hoe is tot nu toe invulling gegeven aan publicitaire acties? Welke middelen zijn daarbij ingezet? Hoe valt wat dit aangaat het bereik van het programma te beoordelen? Is bij de externe communicatie/publiciteit aan de formele eisen van ‘Brussel’ voldaan? Welke (management-)informatie kan uit de gehanteerde monitoringsystemen worden ontleend? Hoe functioneren deze systemen in de praktijk? In welke mate leveren projectuitvoerders bruikbare en actuele gegevens aan voor het kunnen monitoren van de voortgang van projecten? Waar zijn eventueel nog verbeteringen mogelijk? Worden de gegevens over de voortgang tijdig en accuraat vastgelegd in de monitoringsystemen? Vindt de financiële afhandeling van projecten op een adequate wijze plaats? Verlopen de betalingen ‘op schema’? Waar doen zich eventuele vertragingen voor en hoe kunnen deze worden verklaard?

D1. § §

§

§

§

§

§ §

D2. §

§

§

§ § § §

§

129

§ § §

Is het financiële dossier volledig bijgehouden en voldoende ‘up-to-date’? Werken de financiële controlemechanismen adequaat? Wat zijn de ervaringen van projectuitvoerders met de aanvraag-, beoordelings-, rapportage- en betalingsprocedures? Wat zijn de leereffecten ten aanzien van de uitvoering van het EPD Zuid-Nederland voor de resterende programmaperiode? Is het wenselijk om tussentijds verbeteringen of aanpassingen door te voeren? Zo ja, waar en hoe dan?

130

BIJLAGE 4

EFRO-COMMITTERINGEN PER DEELPROGRAMMA

Gecommitteerd EFRO-budget per deelprogramma en deelregio, prioriteit en maatregel, als aandeel van het beschikbare EFRO-budget volgens het EPD Zuid-Nederland D2 platteland D2 platteland Noord- en MiddenLimburg Prioriteiten/maatregelen Aandeel EFRO beschikt Aandeel EFRO beschikt Aandeel EFRO beschikt Aandeel EFRO beschikt Aandeel EFRO beschikt EFRObudget EFRObudget EFRObudget EFRObudget EFRObudget D2 platteland Noordoost-Brabant D2 Phasing out D2 Phasing out Zuidoost-Brabant D2 Phasing out Zuid-Limburg D5b Phasing out D5b Phasing out Noord- en MiddenLimburg D5b Phasing out Zeeuwsch-Vlaanderen EFRO beschikbaa

Aandeel EFRO beschikt

1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

14.956.679 4.637.122 4.637.122 3.368.229

4,4% 36.553.321 0% 11.332.878 1,7% 11.332.878 0% 8.231.771

14,2% 0% 0,5% 23,0%

9.363.000 6.875.000

37,3% 11.120.000 13,3% 5.760.000

47,6% 39,3%

1.380.000 400.000 400.000 350.000

44,5% 0% 63,6% 60,1%

650.000 200.000 -

97,5% 100,0% -

871.094 1.443.112

20,2% 27,4%

2.128.906 3.526.888

0% 91,8%

2.488.000

103,7%

3.040.000 2.320.000

33,8% 86,2%

80.000 150.000

0% 100,1%

450.000

96,4%

4.814.245 3.368.229 1.446.016

1,9% 11.765.755 1,0% 8.231.771 3,9% 3.533.984

13,6% 20.342.000 17,3% 17.855.000 5,1% 2.487.000

37,9% 41,1% 14,3%

6.760.000 5.460.000 1.300.000

13,4% 14,5% 8,5%

500.000 350.000 150.000

24,6% 24,5% 24,9%

1.480.000 1.280.000 200.000

24,4% 20,4% 50,0%

2.607.474 952.396 1.655.078 813.021 557.147 255.874 23.191.419

63,5% 0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0%

6.372.526 2.327.604 4.044.922 1.986.979 1.361.638 625.341

35,6% 0% 56,2% 100,0% 100,0% 100,0%

3.160.000 3.160.000 1.015.000 785.559 229.441

9,0% 9,0% 100,0% 100,0% 100,0%

1.860.000 1.500.000 360.000 730.000 488.826 241.174

1,3% 0% 6,5% 101,6% 104,8% 95,0% 34,0%

360.000 150.000 210.000 80.000 55.680 24.320 2.320.000

58,3% 0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 44,3%

1.150.000 100.000 1.050.000 50.000 48.550 1.450 3.330.000

92,5% 99,7% 91,8% 16,7% 17,2% 0% 62,1%

13,8% 56.678.581

19,5% 33.880.000

36,9% 20.470.000

Stimulus Programmamanagement en afzonderlijke Programmasecretariaten, bewerking Bureau Bartels

131

132

BIJLAGE 5

EFRO-REALISATIES PER DEELPROGRAMMA

Gerealiseerd EFRO-budget per deelprogramma en deelregio, prioriteit en maatregel, als aandeel van het beschikbare EFRO-budget volgens het EPD Zuid-Nederland D2 platteland D2 platteland Noord- en MiddenLimburg Prioriteiten/maatregelen EFRO-budget Aandeel EFRO gerealiseerd D2 platteland Noordoost-Brabant EFRO-budget D2 Phasing out D2 Phasing out Zuidoost-Brabant EFRO-budget D2 Phasing out Zuid-Limburg EFRO-budget D5b Phasing out D5b Phasing out Noord- en MiddenLimburg EFRO-budget Aandeel EFRO gerealiseerd D5b Phasing out Zeeuwsch-Vlaanderen

Aandeel EFRO gerealiseerd

Aandeel EFRO gerealiseerd

Aandeel EFRO gerealiseerd

EFRO beschikbaar

Aandeel EFRO gerealiseerd

1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke infrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3. - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4. - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

14.956.679 4.637.122 4.637.122 3.368.229

2,1% 36.553.321 0% 11.332.878 0,6% 11.332.878 0% 8.231.771

3,9% 0% 0,5% 12,4%

9.363.000 6.875.000

9,5% 11.120.000 4,7% 5.760.000

15,9% 18,4%

1.380.000 400.000 400.000 350.000

29,7% 0% 69,8% 3,1%

650.000

200.000 -

101,7% 157,4% -

871.094 1.443.112

29,0% 2,7%

2.128.906 3.526.888

0% 10,0%

2.488.000

22,6%

3.040.000 2.320.000

9,9% 17,7%

80.000 150.000

0% 79,4%

450.000

76,9%

4.814.245 3.368.229 1.446.016

1,2% 11.765.755 1,2% 8.231.771 1,2% 3.533.984

3,2% 20.342.000 3,8% 17.855.000 1,7% 2.487.000

15,0% 16,5% 3,7%

6.760.000 5.460.000 1.300.000

5,6% 7,0% 0%

500.000 350.000 150.000

2,2% 0% 7,5%

1.480.000 1.280.000 200.000

15,5% 17,9% 0,0%

2.607.474 952.396 1.655.078 813.021 557.147 255.874 23.191.419

24,7% 0% 38,9% 13,1% 15,6% 7,9%

6.372.526 2.327.604 4.044.922 1.986.979 1.361.638 625.341

9,2% 0% 14,5% 13,1% 11,7% 16,3%

3.160.000 3.160.000 1.015.000 785.559 229.441

0,9% 0,9% 14,5% 12,1% 22,7%

1.860.000 1.500.000 360.000 730.000 488.826 241.174

0,2% 0% 0,9% 26,4% 26,9% 25,2% 11,5%

360.000 150.000 210.000 80.000 55.680 24.320 2.320.000

47,4% 0% 81,3% 13,1% 15,3% 8,1% 25,9%

1.150.000 100.000 1.050.000 50.000 48.550 1.450 3.330.000

43,5% 43,7% 43,5% 8,4% 8,6% 0,0% 41,9%

4,9% 56.678.581

4,7% 33.880.000

12,1% 20.470.000

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

133

134

BIJLAGE 6

COFINANCIERINGSRATIO’S VAN DE DEELPROGRAMMA’S

Gepland (volgens het EPD Zuid-Nederland) en gecommitteerd aandeel EFRO in de totale publieke bijdrage (cofinancieringsratio’s) per prioriteit en maatregel en totaal in de deelprogramma’s van het EPD Zuid-Nederland. Prioriteiten 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 2. - Economische stimulering Deelprogramma’s D2 platteland Noord- en Midden-Limburg D2 platteland Noordoost-Brabant D2 Phasing out Zuidoost-Brabant D2 Phasing out Zuid-Limburg D5b Phasing out Noord- en Midden-Limburg D5b Phasing out Zeeuwsch-Vlaanderen 1 = aandeel EFRO in totale publieke bijdrage gepland in EPD 2 = aandeel EFRO in totale publieke bijdrage gecommitteerd Bron: Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels 46,8% 34,3% 50,0% 18,0% 45,8% 23,2% 50,0% 66,7% 47,8% 24,4% 42,1% 31,3% 43,7% 47,2% 42,9% 25,0% 50,0% 50,0% 42,8% 31,9% 33,3% 19,4% 50,0% 35,2% 41,1% 22,8% 29,1% 27,6% 37,9% 21,3% 40,0% 31,4% 48,5% 48,6% 39,8% 50,0% 50,0% 50,0% 45,0% 42,3% 43,3% 45,7% 43,5% 49,9% 43,4% 33,8% 50,0% 50,0% 43,5% 43,7% 1 43,3% 2 40,4% 1 43,5% 2 47,8% 3.- Sociale cohesie 1 43,4% 2 25,5% 4.- Technische Bijstand 1 50,0% 2 50,0% 1 43,5% Totaal 2 32,3%

135

136

BIJLAGE 7

EFRO-COMMITTERINGEN EN -REALISATIES OP DEELPROGRAMMAEN DEELREGIONIVEAU

Tabel 1

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noord- en MiddenLimburg

D2 platteland Noord- en Midden-Limburg Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 4,4% 0,0% 1,7% 0,0%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 14.956.679 4.637.122 4.637.122 3.368.229

EFRO beschikt (4) 651.800 0 80.275 0

871.094 1.443.112

175.554 395.971

20,2% 27,4%

4.814.245 3.368.229 1.446.016

89.963 34.034 55.929

1,9% 1,0% 3,9%

2.607.474 952.396 1.655.078 813.021 557.147 255.874 23.191.419

1655078 0 1655078 813.021 557.147 255.874 3.209.862

63,5% 0,0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 13,8%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

137

Tabel 2

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noordoost-Brabant

D2 platteland Noordoost-Brabant Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 14,2% 0% 0,5% 23,0%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 36.553.321 11.332.878 11.332.878 8.231.771

EFRO beschikt (4) 5.188.276 0 56.279 1.894.628

2.128.906 3.526.888

0 3.237.369

0% 91,8%

11.765.755 8.231.771 3.533.984

1.600.674 1.420.336 180.338

13,6% 17,3% 5,1%

6.372.526 2.327.604 4.044.922 1.986.979 1.361.638 625.341 56.678.581

2.271.801 0 2.271.801 1.986.979 1.361.638 625.341 11.047.730

35,6% 0% 56,2% 100,0% 100,0% 100,0% 19,5%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

138

Tabel 3

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noord- en MiddenLimburg en Noordoost-Brabant

D2 platteland Noord- en Midden-Limburg en Noordoost-Brabant

Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 11,3% 0% 0,9% 16,3%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 51.510.000 15.970.000 15.970.000 11.600.000

EFRO beschikt (4) 5.840.076 0 136.554 1.894.628

3.000.000 4.970.000

175.554 3.633.340

5,9% 73,1%

16.580.000 11.600.000 4.980.000

1.690.637 1.454.370 236.267

10,2% 12,5% 4,7%

8.980.000 3.280.000 5.700.000 2.800.000 1.918.785 881.215 79.870.000

3.926.879 0 3.926.879 2.800.000 1.918.785 881.215 14.257.592

43,7% 0% 68,9% 100,0% 100,0% 100,0% 17,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

139

Tabel 4

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noord- en MiddenLimburg

D2 platteland Noord- en Midden-Limburg Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) (4) ((2/1)*100) ((4/1)*100) 14.956.679 4.637.122 4.637.122 3.368.229 0 0 0 0 0% 0% 0% 0% 319.124 0 26.869 0 2,1% 0% 0,6% 0%

871.094 1.443.112

0 0

0% 0%

252.891 39.364

29,0% 2,7%

4.814.245 3.368.229 1.446.016

0 0 0

0% 0% 0%

57.224 40.456 16.768

1,2% 1,2% 1,2%

2.607.474 952.396 1.655.078 813.021 557.147 255.874 23.191.419

0 0 0 51.241 37.009 14.232 51.241

0% 0% 0% 6,3% 6,6% 5,6% 0,2%

644.375 0 644.375 106.888 86.779 20.109 1.127.611

24,7% 0% 38,9% 13,1% 15,6% 7,9% 4,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

140

Tabel 5

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noordoost-Brabant

D2 platteland Noordoost-Brabant Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerdgerealiseerd(( gerealiseerd(4 gerealiseerd(( beschikbaar (1) (2) 2/1)*100) ) 4/1)*100) 36.553.321 11.332.878 11.332.878 8.231.771 30.092 0 0 30.092 0,1% 0% 0% 0,4% 1.427.095 0 56.279 1.019.231 3,9% 0% 0,5% 12,4%

2.128.906 3.526.888

0 0

0% 0%

0 351.585

0% 10,0%

11.765.755 8.231.771 3.533.984

0 0 0

0% 0% 0%

377.298 315.659 61.639

3,2% 3,8% 1,7%

6.372.526 2.327.604 4.044.922 1.986.979 1.361.638 625.341 56.678.581

0 0 0 29.975 29.975 0 60.067

0% 0% 0% 1,5% 2,2% 0% 0,1%

585.829 0 585.829 261.178 159.262 101.916 2.651.400

9,2% 0% 14,5% 13,1% 11,7% 16,3% 4,7%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

141

Tabel 6

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 platteland Noord- en MiddenLimburg en Noordoost-Brabant

D2 platteland en Noord- en Midden-Limburg en Noordoost-Brabant

Stand per 31-12-2001

Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerdt beschikbaar (1) (2) (4) ((2/1)*100) ((4/1)*100) 51.510.000 15.970.000 15.970.000 11.600.000 30.092 0 0 30.092 0,1% 0% 0% 0,3% 1.746.219 0 83.148 1.019.231 3,4% 0% 0,5% 8,8%

3.000.000 4.970.000

0 0

0% 0%

252.891 390.949

8,4% 7,9%

16.580.000 11.600.000 4.980.000

0 0 0

0% 0% 0%

434.522 356.115 78.407

2,6% 3,1% 1,6%

8.980.000 3.280.000 5.700.000 2.800.000 1.918.785 881.215 79.870.000

0 0 0 81.216 66.984 14.232 111.308

0% 0% 0% 2,9% 3,5% 1,6% 0,1%

1.230.204 0 1.230.204 368.066 246.041 122.025 3.779.011

13,7% 0% 21,6% 13,1% 12,8% 13,8% 4,7%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

142

Tabel 7

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuidoost-Brabant

D2 Phasing out Zuidoost-Brabant Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 37,3% 13,3%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. – Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 9.363.000 6.875.000

EFRO beschikt (4) 3.495.051 915.992

2.488.000

2.579.059

103,7%

20.342.000 17.855.000 2.487.000

7.703.190 7.347.065 356.125

37,9% 41,1% 14,3%

3.160.000 3.160.000 1.015.000 785.559 229.441 33.880.000

283.577 283.577 1.015.000 785.559 229.441 12.496.818

9,0% 9,0% 100,0% 100,0% 100,0% 36,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

143

Tabel 8

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuid-Limburg

D2 Phasing out Zuid-Limburg Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 47,6% 39,3%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 11.120.000 5.760.000

EFRO beschikt (4) 5.292.288 2.263.422

3.040.000 2.320.000

1.028.200 2.000.666

33,8% 86,2%

6.760.000 5.460.000 1.300.000

903.486 793.486 110.000

13,4% 14,5% 8,5%

1.860.000 1.500.000 360.000 730.000 488.826 241.174 20.470.000

23.500 0 23.500 741.706 512.499 229.207 6.960.980

1,3% 0,0% 6,5% 101,6% 104,8% 95,0% 34,0%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

144

Tabel 9

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg

D2 Phasing out Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 42,9% 25,2%

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 20.483.000 12.635.000

EFRO beschikt (4) 8.787.339 3.179.414

3.040.000 4.808.000

1.028.200 4.579.725

33,8% 95,3%

27.102.000 23.315.000 3.787.000

8.606.676 8.140.551 466.125

31,8% 34,9% 12,3%

5.020.000 4.660.000 360.000 1.745.000 1.274.385 470.615 54.350.000

307.077 283.577 23.500 1.756.706 1.298.058 458.648 19.457.798

6,1% 6,1% 6,5% 100,7% 101,9% 97,5% 35,8%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

145

Tabel 10

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuidoost-Brabant

D2 Phasing out Zuidoost-Brabant Prioriteiten/maatregelen

Stand per 31-12-2001

Stand per 31-12-2002

EFRO EFRO Aandeel EFRO Aandeel beschikbaar (1) gerealiseerd EFRO gerealiseerd EFRO (2) gerealiseerd (4) gerealiseerd ((2/1)*100) ((4/1)*100) 9.363.000 6.875.000 61.072 0 0,7% 0,0% 886.902 324.788 9,5% 4,7%

1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. – Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 – Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

2.488.000

61.072

2,5%

562.114

22,6%

20.342.000 17.855.000 2.487.000

919.591 919.144 447

4,5% 5,1% 0,0%

3.042.485 2.950.162 92.323

15,0% 16,5% 3,7%

3.160.000 3.160.000 1.015.000 785.559 229.441 33.880.000

6.149 6.149 26.176 26.176 0 1.012.988

0,2% 0,2% 2,6% 3,3% 0% 3,0%

29.360 29.360 0 147.630 95.437 52.193 4.106.377

0,9% 0,9% 14,5% 12,1% 22,7% 12,1%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

146

Tabel 11

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuid-Limburg

D2 Phasing out Zuid-Limburg Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 – Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) ((2/1)*100) (4) ((4/1)*100) 11.120.000 5.760.000 262.469 0 2,4% 0% 1.772.751 1.061.950 15,9% 18,4%

3.040.000 2.320.000

27.361 235.108

0,9% 10,1%

299.953 410.848

9,9% 17,7%

6.760.000 5.460.000 1.300.000

17.957 17.957 0

0,3% 0,3% 0%

381.927 381.927 0

5,6% 7,0% 0%

1.860.000 1.500.000 360.000 730.000 488.826 241.174 20.470.000

0 0 0 112.578 73.779 38.799 393.003

0% 0% 0% 15,4% 15,1% 16,1% 1,9%

3.370 0 3.370 192.412 131.644 60.768 2.350.459

0,2% 0% 0,9% 26,4% 26,9% 25,2% 11,5%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

147

Tabel 12

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 2 Phasing Out Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg

D2 Phasing out Zuidoost-Brabant en Zuid-Limburg Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 – Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) (4) ((2/1)*100) ((4/1)*100) 20.483.000 12.635.000 323.541 0 1,6% 0% 2.659.653 1.386.738 13,0% 11,0%

3.040.000 4.808.000

27.361 296.180

0,9% 6,2%

299.953 972.962

9,9% 20,2%

27.102.000 23.315.000 3.787.000

937.548 937.101 447

3,5% 4,0% 0%

3.424.412 3.332.089 92.323

12,6% 14,3% 2,4%

5.020.000 4.660.000 360.000 1.745.000 1.274.385 470.615 54.350.000

6.149 6.149 0 138.754 99.955 38.799 1.405.991

0,1% 0,1% 0% 8,0% 7,8% 8,2% 2,6%

32.730 29.360 3.370 340.042 227.081 112.961 6.456.837

0,7% 0,6% 0,9% 19,5% 17,8% 24,0% 11,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

148

Tabel 13

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing Out Noord- en Midden-Limburg

D5b Phasing out Noord- en Midden-Limburg Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 44,5% 0% 63,6% 60,1%

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 1.380.000 400.000 400.000 350.000

EFRO beschikt (4) 614.651 0 254.282 210.222

80.000 150.000

0 150.147

0% 100,1%

500.000 350.000 150.000

123.055 85.769 37.286

24,6% 24,5% 24,9%

360.000 150.000 210.000 80.000 55.680 24.320 2.320.000

210.000 0 210.000 80.000 55.680 24.320 1.027.706

58,3% 0% 100,0% 100,0% 100,0% 100,0% 44,3%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

149

Tabel 14

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing Out Zeeuwsch Vlaanderen Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 97,5% 100,0% -

D5b Phasing out Zeeuwsch-Vlaanderen

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 650.000 200.000 -

EFRO beschikt (4) 633.813 200.000 -

450.000

433.813

96,4%

1.480.000 1.280.000 200.000

360.924 260.924 100.000

24,4% 20,4% 50,0%

1.150.000 100.000 1.050.000 50.000 48.550 1.450 3.330.000

1.063.434 99.735 963.699 8.364 8.364 0 2.066.535

92,5% 99,7% 91,8% 16,7% 17,2% 0% 62,1%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

150

Tabel 15

Gecommitteerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing Out Noord- en Midden-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen

D5b Phasing out Noord- en Midden-Limburg en Zeeuwsch-Vlaanderen

Stand per 31-12-2002 Aandeel EFRO beschikt ((4/1)*100) 61,5% 0% 75,7% 60,1%

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastruc tuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

EFRO beschikbaar (1) 2.030.000 400.000 600.000 350.000

EFRO beschikt (4) 1.248.464 0 454.282 210.222

80.000 600.000

0 583.960

0% 97,3%

1.980.000 1.630.000 350.000

483.979 346.693 137.286

24,4% 21,3% 39,2%

1.510.000 250.000 1.260.000 130.000 104.230 25.770 5.650.000

1.273.434 99.735 1.173.699 88.364 64.044 24.320 3.094.241

84,3% 39,9% 93,2% 68,0% 61,4% 94,4% 54,8%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

151

Tabel 16

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing out Noord- en Midden-Limburg

D5b Phasing out Noord- en Midden-Limburg Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. - Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische Bijstand Beheer 4.2 Technische Bijstand Overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) (4) ((2/1)*100) ((4/1)*100) 1.380.000 400.000 400.000 350.000 112.147 0 112.032 0 8,1% 0% 28,0% 0% 409.287 0 279.196 10.955 29,7% 0% 69,8% 3,1%

80.000 150.000

0 115

0% 0,1%

0 119.136

0% 79,4%

500.000 350.000 150.000

0 0 0

0,0% 0% 0%

11.179 0 11.179

2,2% 0% 7,5%

360.000 150.000 210.000 80.000 55.680 24.320 2.320.000

0 0 0 5.043 3.642 1.401 117.190

0% 0% 0% 6,3% 6,5% 5,8% 5,1%

170.811 0 170.811 10.517 8.538 1.979 601.794

47,4% 0% 81,3% 13,1% 15,3% 8,1% 25,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

152

Tabel 17

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing Out Zeeuwsch Vlaanderen Stand per 31-12-2001 Stand per 31-12-2002

D5b Phasing Out Zeeuwsch Vlaanderen

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische bijstand beheer 4.2 Technische bijstand overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerdgerealiseerd(( gerealiseerd gerealiseerd beschikbaar (1) (2) 2/1)*100) (4) ((4/1)*100) 650.000 200.000 32.128 0 0% 4,9% 660.922 314.700 101,7% 157,4% -

450.000

32.128

7,1%

346.222

76,9%

1.480.000 1.280.000 200.000

112.311 112.311 0

7,6% 8,8% 0%

229.529 229.529 0

15,5% 17,9% 0,0%

1.150.000 100.000 1.050.000 50.000 48.550 1.450 3.330.000

39.093 0 39.093 0 0 0 183.532

3,4% 0% 3,7% 0% 0% 0% 5,5%

500.024 43.736 456.288 4.182 4.182 0 1.394.657

43,5% 43,7% 43,5% 8,4% 8,6% 0,0% 41,9%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

153

Tabel 18

Gerealiseerd EFRO-budget per prioriteit en maatregel, absoluut en als aandeel van het beschikbare budget voor het deelprogramma Doelstelling 5b Phasing Out Noord- en Midden-Limburg en Zeeuwsch Vlaanderen

D5b Phasing Out Noord- en Midden-Limburg en Zeeuwsch Vlaanderen

Stand per 31-12-2001

Stand per 31-12-2002

Prioriteiten/maatregelen 1. – Ruimtelijke ontwikkeling 1.1 Ruimtelijke herstructurering 1.2 Natuur-, water- en milieuontwikkeling 1.3 Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen 1.4 Versterking fysieke kennisinfrastructuur 1.5 Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen 2. - Economische stimulering 2.1 Versterking concurrentiepositie bedrijfsleven (MKB) 2.2 Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven 3 - Sociale cohesie 3.1 Human resources 3.2 Versterking sociale cohesie en culturele identiteit 4 - Technische Bijstand 4.1 Technische bijstand beheer 4.2 Technische bijstand overig Totaal Bron:

Aandeel Aandeel EFRO EFRO EFRO EFRO EFRO gerealiseerdgerealiseerd(( gerealiseerd gerealiseerd(( beschikbaar (1) (2) (4) 2/1)*100) 4/1)*100) 2.030.000 400.000 600.000 350.000 144.275 112.032 7,1% 18,7% 1.070.209 593.896 52,7% 99,0% -

80.000 600.000

32.243

5,4%

465.358

77,6%

1.980.000 1.630.000 350.000

112.311 112.311 0

5,7% 6,9% 0%

240.708 229.529 11.179

12,2% 14,1% 3,2%

1.510.000 250.000 1.260.000 130.000 104.230 25.770 5.650.000

39.093 0 39.093 5.043 3.642 1.401 300.722

2,6% 0% 3,1% 3,9% 3,5% 5,4% 5,3%

670.835 43.736 627.099 14.699 12.720 1.979 1.996.451

44,4% 17,5% 49,8% 11,3% 12,2% 7,7% 35,3%

Stimulus Programmamanagement, bewerking Bureau Bartels

154

BIJLAGE 8
Tabel 1

OUTPUT- EN RESULTINDICATOREN BIJ PROJECTINDIENERS

Cumulatief overzicht van de outputindicatoren van de 41 geëvalueerde projecten Gepland Gerealiseerd Nog verwacht

Output-indicatoren Maatregel 1.1 – Herschikking functies buitengebied Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal gefaciliteerde sterlocaties Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.2 – Natuur-, water- en milieuontwikkeling Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal nieuwe of verbeterde voorzieningen/accommodaties Maatregel 1.3 – Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Aantal hectare gebied met gewijzigde of verbeterde functie Aantal m nieuw of gerenoveerd bedrijfs- of kantoorvloeroppervlakte Maatregel 1.4 – Versterking fysieke infrastructuur Aantal facilitaire voorzieningen Maatregel 1.5 – Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Aantal nieuwe en/of verbeterde toeristische voorzieningen Aantal m nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Maatregel 2.1 – Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal ondernemers dat deelneemt aan ICT/R&D-projecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal promotie-activiteiten * Kwalitatief goed bedrijventerrein (ha.) * Lezingen * Nieuwsbrieven Maatregel 2.2 – Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal ondernemingen dat deelneemt aan milieuprojecten Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Aantal nieuwe promotiestrategieën Maatregel 3.1 – Human resources Aantal ondernemers dat directe financiële bijstand ontvangt Aantal nieuwe clusters-/samenwerkingsverbanden Maatregel 3.2 – Sociale cohesie en culturele identiteit Aantal m2 nieuwe of vernieuwde oppervlakte openbare ruimte Aantal nieuwe of verbeterde sociaal-culturele of cultuurhistorische voorzieningen * Extra outputindicator.
2 2

228 2

101 2

127 0

239,5 30.000

57 0

182,5 30.000

6

6

0

3 30.355

1 1.000

2 29.355

647 3 108 3 27 2,4 25 30

601 3 100 3 24 2,4 25 20

44 1 9 0 3 0 5 10

180 4 4

62 1 1

118 5 3

100 2

28 2

40+? 0

21.429 6

14.964 2

6.465 4

155

Tabel 2

Cumulatief overzicht van de resultindicatoren van de 41 geëvalueerde projecten Gepland Gerealiseerd Nog verwacht

Result-indicatoren Maatregel 1.1 – Herschikking functies buitengebied Bruto gecreëerde werkgelegenheid Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.2 – Natuur-, water- en milieuontwikkeling Behouden werkgelegenheid Maatregel 1.3 – Ontwikkelen en revitaliseren bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal (nieuw) gevestigde bedrijven Maatregel 1.4 – Versterking fysieke infrastructuur Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 1.5 – Versterking toeristische infrastructuur en bestaande voorzieningen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal bezoekers Maatregel 2.1 – Versterking concurrentiepositie van het bedrijfsleven (MKB) Aantal startende ondernemingen Aantal deelnemers aan samenwerkingsprojecten Bruto gecreëerde werkgelegenheid Aantal innovatieve producten en nieuwe (productie)methoden Maatregel 2.2 – Versterking concurrentiepositie toeristisch bedrijfsleven Aantal startende ondernemingen Bruto gecreëerde werkgelegenheid Maatregel 3.1 – Human resources * Aantal mensen in project Maatregel 3.2 – Sociale cohesie en culturele identiteit Bruto gecreëerde werkgelegenheid * Extra resultindicator.

9

9

1

2.558 172

332 5

2.476 167

31

17,9

15

70,8 54.500

5,3 37.500

63,5 18.800

23 12 1.002 118

14 12 1.734 52

12 7 306 49

6 51,5

0 0,5

6 51

20

22

0

14,7

14,3

1,5

156