Enkelvoudig Programmeringsdocument Noord-Nederland 2000 – 2006

Mei 2001

Vooraf

Voor de periode 2000-2006 is aan een groot deel van Noord-Nederland (het Noorden) de Doelstelling 2-status, luik ‘Industrieel Verval’ toegekend. Voor de gebieden die in de periode 1994-1999 onder Doelstelling 2 of 5b vielen en die niet binnen het nieuwe Doelstelling 2gebied vallen zijn bovendien phasing out-middelen voor de periode 2000-2005 beschikbaar. Het Noorden heeft ervoor gekozen om ten behoeve van het Doelstelling 2-gebied en de phasing out-gebieden één Enkelvoudig Programmeringsdocument (EPD) Noord-Nederland op te stellen. Deze keuze sluit aan bij de visie van de Europese Commissie en past binnen de aanpak die is ontwikkeld in het Kompas voor het Noorden: één integrale ontwikkelingsvisie voor het Noorden met accentverschillen naar de verschillende deelregio’s. Het Kompas voor het Noorden is het ruimtelijk-economisch ontwikkelingsprogramma voor Noord-Nederland in de periode 2000-2006. Kompas vormt daarmee het kader voor het economisch structuurversterkend beleid dat de in het Samenwerkingsverband NoordNederland (SNN) verenigde provincies Groningen, Drenthe en Fryslân gezamenlijk ten uitvoer brengen. Ook de strategie van het EPD Noord-Nederland is hierop gebaseerd. De aanpak die binnen Kompas wordt voorgesteld betekent een belangrijke vernieuwing in de benadering van het ruimtelijk-economisch beleid in Noord-Nederland. Deze benadering maakt binnen Noord-Nederland onderscheid tussen drie gebiedscategorieën, waarvoor een driesporenbeleid is opgesteld: • Economische kerngebieden • Stedelijke centra • Landelijk gebied Voor ieder van deze drie gebieden is binnen Kompas een afzonderlijk deelprogramma ontwikkeld, dat recht doet aan de specifieke sterke en zwakke kanten en ontwikkelpotenties van dat gebied. Uiteraard zijn de drie deelprogramma’s gebaseerd op een geïntegreerde visie en zijn ze zorgvuldig op elkaar afgestemd. Hierdoor is sprake van een elkaar versterkend effect. Het Kompas - en daarmee ook het hierop gebaseerde EPD Noord-Nederland - is tot stand gekomen dankzij de denkkracht en inbreng van een groot aantal partijen. Na het akkoord dat Noord-Nederland in 1998 heeft afgesloten met het kabinet, is het Kompas-programma in overleg met een grote verscheidenheid aan organisaties en partijen opgesteld. Niet alleen de drie betrokken provincies, maar ook organisaties als de Sociaal-Economische Adviesraad Noord-Nederland (SEAN), de landbouworganisaties FLTO/NLTO, de RBA’s en de gemeenten hebben inspraak gehad. Voorts zijn ook de sociale partners alsmede de inwoners en het bedrijfsleven van Noord-Nederland verzocht hun licht over het programma te laten schijnen. Deze zeer gedifferentieerde inbreng garandeert dat zowel Kompas als het EPD Noord-Nederland een evenwichtige en breed gedragen invulling hebben gekregen.

Het voorliggende EPD bevat op de eerste plaats een beschrijving van het sociaal-economisch profiel en de milieusituatie. De conclusies hiervan zijn in een sterkte/zwakte-analyse samengevat. Deze onderdelen vormen samen met een beschrijving van effecten van gevoerd beleid (en de daaruit volgende lessen voor de toekomst) hoofdstuk 1. Het tweede hoofdstuk bevat, op basis van de informatie uit hoofdstuk 1, een beschrijving van de ontwikkelingsdoelstelling en strategie van het programma. Deze strategie wordt uitgewerkt in een raamwerk van prioriteiten en maatregelen. Daarnaast wordt de relatie tussen het EPD Noord-Nederland en andere beleidskaders gelegd, zowel op regionaal, nationaal als communautair niveau. Hoofdstuk 3 omvat het financiële kader van het EPD, met daarin de financiële consequenties van de prioriteiten. Het kader is uitgesplitst in een financiële tabel voor het deelprogramma Doelstelling 2 en een financiële tabel voor het deelprogramma phasing out. Verder worden de uitkomsten van de additionaliteitstoets in dit hoofdstuk beschreven. Het afsluitende hoofdstuk 4 gaat nader in op de organisatie van het programma en andere aspecten die met de uitvoering van het EPD Noord-Nederland te maken hebben. Gedacht moet worden aan onderwerpen als evaluatie en bijstelling, financiële afwikkeling en controle, voorlichting en publiciteit e.d. De structuur van het EPD Noord-Nederland, zoals hiervoor beschreven, is in het volgende stroomschema samen te vatten. Hierin zijn alleen de hoofdstukken 1 tot en met 3 opgenomen. Hoofdstuk 4 betreft algemene zaken aangaande de tenuitvoerlegging van het EPD en kan derhalve geen logische plaats binnen het schema worden gegeven.
Beschrijving sociaal-economisch profiel en milieusituatie

Par. 1.2 – 1.5

Par. 1.6 en 1.7

Sterkte-zwakte analyse

Effecten van gevoerd beleid

Par. 2.1 - 2.3

Visie en doelstelling van het programma

Par. 2.4 - 2.6

Uitwerking prioriteiten en maatregelen (strategie) en beleidsaccenten

Synergie met beleidskaders op regionaal, nationaal en Europees niveau

Hfst. 3

Financiële vertaling

Bij het EPD Noord-Nederland behoort ook een aanvullend document, te weten het programmacomplement. Dit programmacomplement bevat meer gedetailleerde informatie over bepaalde onderdelen van het EPD. Zo is in het complement een meer gedetailleerde beschrijving van de onderscheiden maatregelen opgenomen, niet alleen in inhoudelijke zin maar ook programmatechnisch. Verder worden de financiële tabellen uit het EPD in het programmacomplement uitgesplitst in jaartabellen, conform de eis die de Europese Commissie stelt.

Inhoudsopgave EPD Noord-Nederland

Vooraf

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1. Sociaal-economisch profiel, milieusituatie en effecten van gevoerd beleid 1.1 1.2 Inleiding Sociaal-economisch beeld voor het Noorden 1.2.1 Bedrijvigheid ( de vraag naar arbeid) 1.2.2 Arbeidsaanbod: een lage participatie Kernzones en het landelijk gebied: de mal en de contramal De steden De milieusituatie 1.5.1 Inleiding 1.5.2 Luchtkwaliteit 1.5.3 Bodemkwaliteit 1.5.4 Afvalverwijdering 1.5.5 Waterkwaliteit 1.5.6 Natuur en landschap Sterkte-zwakte analyse Effecten van gevoerd beleid 1.7.1 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1989-1993 1.7.2 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1994-1996 1.7.3 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1997-1999 1.7.4 Doelstelling 5b Groningen-Drenthe 1.7.5 Doelstelling 5b Fryslân 1.7.6 Lessen voor de toekomst 1 3 5 8 10 14 18 18 18 20 21 22 24 25 27 28 29 30 31 33 34

1.3 1.4 1.5

1.6 1.7

Hoofdstuk 2. De regionale ontwikkelingsstrategie: prioriteiten en maatregelen 2.1 2.2 2.3 Inleiding Ontwikkelingsvisie Ontwikkelingsdoelstelling 36 36 38 39 39 41 46 47 48 51 51 52 53 54 57

2.4 Ontwikkelingsstrategie: prioriteiten en maatregelen 2.4.1 Inleiding ontwikkelingsstrategie 2.4.2 Beschrijving van de prioriteiten en maatregelen 2.4.3 Accenten per maatregel 2.4.4 Programma-output op prioriteitsniveau 2.5 2.6 Beleidsaccenten Synergie met regionaal, nationaal en communautair beleid 2.6.1 Regionale beleidskaders 2.6.2 Nationale beleidskaders 2.6.3 Europese beleidskaders 2.6.4 Afstemming met andere Europese programma’s 2000-2006 2.6.5 Milieubeleid

Hoofdstuk 3. Financiering en additionaliteit 3.1 3.2 Financiële tabellen Additionaliteit 59 64

Hoofdstuk 4. Operationele aspecten 4.1 4.2 Inleiding Uitvoeringsstructuur 4.2.1 Beheers- en betaalautoriteit 4.2.2 Comité van toezicht 4.2.3 De Bestuurscommissies 4.2.4 De Projectbeoordelingscommissie 4.2.5 UO-SNN Evaluatie en bijstelling 4.3.1 Evaluatie 4.3.2 Bijstelling van het programma 67 68 68 70 72 72 73 73 73 75

4.3

4.4

Projectontwikkeling, -selectie en afwikkeling 4.4.1 Selectie van projecten 4.4.2 Selectiecriteria 4.4.3 Afwikkeling 4.4.4 Staatssteun Financiële afwikkeling en monitoring 4.5.1 Financiële afwikkeling 4.5.2 Monitoring en (elektronische) gegevensuitwisseling met de Europese Commissie Voorlichting en publiciteit Verenigbaarheid met het beleid van de Europese Unie

76 76 76 77 77 78 78 78 79 80

4.5

4.6 4.7

Bijlage A Bijlage B Bijlage C Bijlage D Bijlage E Bijlage F Bijlage G

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Sociaal-economische indicatoren Financiële jaartabellen Staatssteuntabel Kaartbeeld economische kernzones Prestatiereserve Decentralisatieconvenant

Hoofdstuk 1

SOCIAAL ECONOMISCH PROFIEL, MILIEUSITUATIE EN EFFECTEN VAN GEVOERD BELEID

1.1

Inleiding

Een groot deel van Noord-Nederland, het gebied dat bestaat uit de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân, is door de Europese Unie voor de periode 2000-2006 aangewezen als Doelstelling 2-gebied. Daarnaast zijn voor de periode 2000-2005 Europese phasing outmiddelen beschikbaar gesteld voor delen van het Noorden die tussen 1994 en 1999 wel een Doelstelling 2- of Doelstelling 5b status hadden, maar niet opgenomen zijn in het Doelstelling 2-gebied na 2000. Voorliggend document betreft het Enkelvoudig Programmeringsdocument (EPD) NoordNederland dat door de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân is ontwikkeld voor zowel het Doelstelling 2-gebied als de phasing out-gebieden. Het EPD Noord-Nederland heeft derhalve betrekking op het totale programmagebied Noord-Nederland dat bestaat uit de volgende vier deelgebieden: • • • • Doelstelling 2-gebied 2000-2006 Phasing out-gebied Doelstelling 2 Groningen/Drenthe 2000-2005 Phasing out-gebied Doelstelling 5b Groningen/Drenthe 2000-2005 Phasing out-gebied Doelstelling 5b Fryslân 2000-2005

Het EPD Noord-Nederland dat voor het programmagebied is opgesteld betreft een geïntegreerd document voor Doelstelling 2 en phasing out. Onderscheid wordt inhoudelijk alleen gemaakt waar dit nodig is, bijvoorbeeld bij de toepassingsgebieden voor de verschillende maatregelen. Daarnaast zijn voor het deelprogramma Doelstelling 2 en het deelprogramma phasing out twee afzonderlijke financiële tabellen opgezet. Het programmagebied Noord-Nederland is ingetekend op een kaart op de volgende pagina. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gemeenten in het Doelstelling 2-gebied en gemeenten in de phasing out-gebieden. In totaal zijn in het programmagebied 1.364.233 personen woonachtig, waarvan 1.088.625 in het Doelstelling 2-gebied en 275.608 in de phasing-out gebieden. Dit houdt in dat ongeveer 85 % van de bevolking in Noord-Nederland tot het programmagebied behoort. Het programmagebied betreft een aaneengesloten stuk dat delen van de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân overlapt. Het programmagebied bevat - naast een groot deel van het landelijk gebied - vrijwel alle grote en middelgrote steden van Noord-Nederland alsmede het overgrote deel van de economische kernzones. Dit maakt het gebied tot de economische kern van Noord-Nederland, waardoor het bij uitstek geschikt is om de doelstelling van economische stimulering en structuurversterking in Noord-Nederland te realiseren.

1

Deze pagina vervangen door kaart programmagebied Doelstelling 2/phasing out

2

In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de sociaal-economische situatie en de milieusituatie in Noord-Nederland. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de effecten van het structuurbeleid dat in de periode tot 1999 is (delen van) het Noorden is uitgevoerd. Deze informatie dient tezamen als basis voor de strategische ontwikkelingsvisie die in het kader van het EPD is opgesteld en in hoofdstuk 2 beschreven wordt. Op de eerste plaats is meer inzicht noodzakelijk in de sociaal-economische situatie. Hiervan worden verschillende aspecten in paragraaf 1.2 tot en met 1.4 beschreven. Het algemeen sociaal-economisch beeld in paragraaf 1.2 is daarbij opgesteld op het niveau van NoordNederland. In de paragrafen 1.3 en 1.4 vindt een verbijzondering plaats in relatie tot het ruimtelijk onderscheid dat binnen Noord-Nederland wordt gemaakt. Op de eerste plaats het onderscheid tussen economische kernzones en landelijk gebied in 1.3 en vervolgens een onderbouwing van de specifieke positie van de stedelijke centra in 1.4. Verder bevat paragraaf 1.5 een beschrijving van de situatie op milieugebied in Noord-Nederland. In de genoemde paragrafen worden de verschillende aspecten van het sociaal-economisch profiel en de milieusituatie waar mogelijk cijfermatig onderbouwd. In alle gevallen geldt dat gebruik is gemaakt van het meest recente cijfermateriaal dat beschikbaar is, hetgeen impliceert dat niet overal dezelfde jaartallen worden aangehouden. In paragraaf 1.6 worden de voorgaande paragrafen samengevat in een sterkte/zwakte analyse van Noord-Nederland. Deze wordt in tabelvorm weergegeven waarbij voor zowel verschillende onderdelen van het sociaal-economisch profiel als de milieusituatie sterke punten en kansen tegenover zwakke punten en bedreigingen worden geplaatst. Hoofdstuk 1 wordt afgesloten met een analyse van de effecten van het structuurversterkend beleid dat in Noord-Nederland in de voorgaande periode is uitgevoerd. 1.2 Sociaal-economisch beeld voor het Noorden

Bevolking Op 1 januari 1999 telt Noord-Nederland ruim 1,6 miljoen inwoners. Haar aandeel in de Nederlandse bevolking bedraagt hiermee ongeveer 10,5%. Hoewel ook in Noord-Nederland de bevolking gestaag groeit, is de relatieve stijging toch geringer dan landelijk gemiddeld. Gedurende de periode 1994-1998 kende Noord-Nederland een bevolkingsgroei van 2%, tegenover een landelijk groeipercentage van 2,7%. Ook voor de komende jaren wordt een voortzetting van deze tendens verwacht. CBSstatistieken (PRIMOS, 1997) laten zien dat in 2005 de bevolking in Noord-Nederland naar verwachting met 1,8% zal zijn toegenomen (sinds 1998). De voorziene groei voor Nederland bedraagt met 3,4% echter bijna het dubbele. Naast een lagere bevolkingsgroei kenmerkt het Noorden zich tevens door een relatief iets kleiner aandeel van de potentiële beroepsbevolking. Zo behoort in 1998 61,2% van de noordelijke bevolking tot de leeftijdscategorie 20 tot 64 jaar. Landelijk bedraagt dit aandeel 62,2%. Een positieve ontwikkeling is dat dit aandeel in Noord-Nederland steeds meer het landelijk aandeel benadert. Dit is zichtbaar in de volgende tabel:

3

Tabel 1. Aandeel 20-64 jarigen in de totale bevolking Noorden 1994 1998 2005 Bron:CBS, PRIMOS 61,1 61,2 61,4 Nederland 62,5 62,2 62,0 Verschil -1,4 -1,0 -0,6

Welvaart Welvaart vormt een kernaspect van het sociaal-economisch profiel. Verschillen in welvaart kunnen zichtbaar worden gemaakt aan de hand van het bruto regionaal product (BRP) per inwoner. Deze indicator toont feitelijk de verdiencapaciteit van het regionale bedrijfsleven. Figuur 1 toont aan dat het BRP per inwoner in Noord-Nederland, en daarmee de verdiencapaciteit van de noordelijke bedrijven, structureel lager is dan het gemiddelde in Nederland. Om het noordelijke cijfer te kunnen vergelijken met het Nederlandse is het gedeeld door het aantal inwoners. Omdat slechts een klein deel van de baten van de aardgaswinning neerslaan in Noord-Nederland, is het BRP exclusief aardgaswinning weergegeven.
Figuur 1 BRP pe r inwone r in gulde ns 50000 guldens 40000 30000 20000
Ne d e rla nd Noorden 1987 1988 1989 1990 1991 1993 1994 1995 1996 1997 23555 24288 26042 27458 28700 30946 32334 33121 34269 35976

Ne d e rla nd 29084 30318 31839 33631 34893 37122 39046 40427 41989 44329 Noord e n

Het noordelijk BRP stijgt duidelijk, maar onvoldoende om de in het verleden opgelopen achterstand in te lopen. Voor het gebrek aan verdiencapaciteit zijn twee oorzaken aan te wijzen: • aan de vraagzijde betreft het vooral de relatief eenzijdige samenstelling van de noordelijke bedrijfssectorstructuur; • aan de aanbodzijde gaat het om de relatief lage participatie op de arbeidsmarkt in het Noorden. Beide elementen worden in het hiernavolgende uitgewerkt. Enkele aanverwante aspecten die gerelateerd zijn aan de genoemde twee oorzaken en typerend zijn voor het Noorden, worden in de bijbehorende teksten onder afzonderlijke cursieve kopjes eveneens belicht.

4

1.2.1 Bedrijvigheid (de vraag naar arbeid) Een gunstige ontwikkeling qua bedrijfssectorstructuur De noordelijke bedrijfssectorstructuur is eenzijdig samengesteld in vergelijking tot Nederland en behoeft meer differentiatie. De noordelijke structuur ontwikkelt zich echter steeds meer richting het nationale gemiddelde. Veertig jaar geleden was de noordelijke economie relatief arbeidsintensief. Dat gold de traditionele sectoren als de confectie-industrie, de landbouw en de daarvan afhankelijke industrie (zuivel, aardappelmeel en strokarton). Bovendien domineerden enkele grote, arbeidsintensieve productielocaties van (multi)nationale bedrijven. De dienstensector was in deze periode niet sterk vertegenwoordigd. De recessie van de jaren tachtig had grote gevolgen voor de noordelijke bedrijven. Lage lonen-landen bleken een aantrekkelijk vestigingsalternatief voor arbeidsintensieve activiteiten. De confectie-industrie verdween bijvoorbeeld geheel uit Noord-Nederland. Een groot verlies aan werkgelegenheid was het gevolg. Nu, eind jaren negentig, wordt de noordelijke economie niet langer gedomineerd door grote arbeidsintensieve bedrijvigheid. Het belang van het midden- en kleinbedrijf is fors toegenomen.
Tabel 2. Verdeling bruto regionaal product per bedrijfsklasse en toegevoegde waarden per arbeidsjaar 1997 (exclusief delfstoffenwinning) Aandeel in BRP Nederland Landbouw Industrie Nutsbedrijven Bouwnijverheid Handel, horeca Vervoer, enz. Financiële dienstverlening Overheid Overige diensten Totaal (x ƒ miljoen) 3,0 % 19,0 % 2,1 % 5,4 % 14,7 % 7,3 % 28,2 % 10,0 % 10,3 % 654.810 Noorden 4,8 % 18,3 % 2,6 % 5,7 % 12,5 % 6,7 % 25,3 % 11,7 % 12,5 % 54.868 BRP per arbeidsjaar als index (totaal = 100) Nederland 179 118 259 74 77 107 144 75 68 100 Noorden 244 101 264 71 77 120 152 78 71 100

Bron: CBS, Regionaal Economische jaarcijfers

Tabel 2 toont de huidige noordelijke sectorstructuur in termen van bruto regionaal product en de arbeidsproductiviteit per bedrijfsklasse. De landbouw is nog iets oververtegenwoordigd en de arbeidsproductiviteit is hoger dan in Nederland als geheel. De agro-industrie is grotendeels gefuseerd en geografisch geconcentreerd. Deze sector heeft zich ontwikkeld tot een hoogtechnologische bedrijfstak die wereldwijd opereert. Het productiepakket is verschoven van bulkproducten naar producten met een hoge toegevoegde waarde. Het belang van de industrie is momenteel overeenkomstig het nationaal gemiddelde. Wel is de Noord-Nederlandse industrie gemiddeld minder kapitaalintensief. Handel is een sector die in het Noorden nog steeds ondervertegenwoordigd is. De werkgelegenheid in de dienstverlenende sector (bank-

5

en verzekeringswezen, transport, handel en distributie en toerisme en recreatie) is aanmerkelijk gegroeid. Nieuwe economische sectoren met grote groeiverwachtingen, zoals de informatica, de telecommunicatie, de medische technologie en de biotechnologie, zijn flink in opkomst in Noord-Nederland. De genoemde ontwikkelingen hebben ertoe bijgedragen dat de economische groei van NoordNederland sinds 1984 gemiddeld op het nationale niveau ligt (zie figuur 1). De sectorstructuur in Noord-Nederland is in deze periode steeds sterker gaan lijken op de landelijke structuur en de verwachting is dat deze ontwikkeling zich nog verder door zal zetten, zoals weergegeven in tabel 3.
Tabel 3. Sectorstructuur werkgelegenheid 1995 en 2015 Noorden (in %) Landbouw Industrie Bouw Tertiaire diensten Kwartaire diensten Bron: RuG 1995 8,9 18,5 7,6 35,8 28,5 2015 5,5 13,9 5,9 37,9 34,7 Nederland (in %) 1995 4,8 17,1 6,8 42,4 27,9 2015 3,2 13,4 5,5 43,3 33,7

Een groot deel van de werkgelegenheid in het bedrijfsleven in Noord-Nederland concentreert zich in de kleine en middelgrote bedrijven. Van het totale aantal banen bij bedrijven in de sectoren industrie, bouwnijverheid, handel, horeca, vervoer, opslag en communicatie en financiële en zakelijke dienstverlening (336.000 banen) neemt het klein- en middenbedrijf er bijna 245.000 - ofwel 72% - voor haar rekening (bron PWR, 1998). Daarbij zijn als klein- en middenbedrijf alle bedrijven met maximaal 100 werknemers meegenomen. Scholingsgraad werkende beroepsbevolking Noord-Nederland kent een groot aanbod van arbeidskrachten op alle niveau’s. Terwijl de werkzame beroepsbevolking in het Noorden in positieve zin bekend staat om haar goede arbeidsmotivatie en loyaliteit, wordt zij in negatieve zin gekenmerkt door een gemiddeld lager opleidingsniveau in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Dit blijkt uit het aandeel van HBO/WO-opleidingsniveau in de werkzame beroepsbevolking. Terwijl in Nederland 26,3% van de werkzame beroepsbevolking een dergelijke achtergrond heeft, is dit in het Noorden slechts 20,6% (CBS, Enquête Beroepsbevolking 1997). Eén van de oorzaken van het lage opleidingsniveau is dat er in Noord-Nederland relatief weinig vraag wordt uitgeoefend naar hooggeschoold personeel. De relatief eenzijdige sectorstructuur in het Noorden en het type economische activiteiten dat men hier kan aantreffen (productie, assemblage, weinig Nederlandse hoofdkantoren, etc.) liggen hieraan ten grondslag. Een consequentie hiervan is dat mensen met een HBO- of WO-opleiding na afronding van hun studie veelal hun emplooi zoeken buiten de regio. Migratiegegevens bevestigen dit beeld.

6

Innovativiteit De economie in het Noorden kenmerkt zich door relatief geringe inspanningen op het gebied van R&D. Terwijl in termen van werkgelegenheid, BRP en bevolking het noordelijk aandeel in het nationale totaal zo rond de 10% ligt, bedraagt dit voor R&D slechts 5 à 6%. Het relatief lage aandeel in R&D-uitgaven kan te maken hebben met de sectorstructuur in het Noorden. Gegevens die dit vermoeden bevestigen zijn echter niet voorhanden.
Tabel 4. Uitgaven R&D en personeel R&D Noord-Nederland 1996 Uitgaven R&D (x ƒ miljoen) Ondernemingen Researchinstellingen Totaal Bron: CBS 450 65 515 Aandeel in uitgaven NL 6,1% 2,5% 5,2% Personeel R&D (in arbeidsjaren) 2.910 485 3.395 Aandeel in personeel NL 7,4% 2,9% 6,0%

Stuwendheid bedrijfsleven: een sterke oriëntatie op de binnenlandse markt De mate van stuwendheid van het noordelijke bedrijfsleven laat zich aflezen door de mate waarin diensten en goederen buiten het eigen afzetgebied worden afgezet. Voor wat het internationale aspect betreft, kenmerkt het Noorden zich door een bovengemiddelde oriëntatie op de binnenlandse afzetmarkt. Daar waar gemiddeld 22,8% van de Nederlandse productie geëxporteerd wordt, bedraagt dit percentage voor Noord-Nederland 19,4% (excl. delfstoffen; CBS Regionaal-economische jaarcijfers 1995). Toch wil dit nog niet op voorhand zeggen dat de noordelijke economie bovengemiddeld op zichzelf gericht is. Immers, er kan sprake zijn van een bepaalde compensatie door middel van handelsrelaties met de rest van Nederland. Een onlangs gepubliceerde publicatie van de RUG bevestigt echter dat er wel degelijk sprake is van een sterke oriëntatie op de eigen regio. Van de geproduceerde goederen en diensten in het Noorden wordt iets meer dan 50% in de eigen regio afgezet en bijna 57% van de vraag naar goederen en diensten wordt door lokale bedrijven uit de regio verzorgd. Ter vergelijking: voor Amsterdam/Noordzeekanaal-gebied en Groot-Rijnmond liggen deze percentages in de buurt van 45% respectievelijk 40%. Gezien het grotere oppervlak van het Noorden en de afwezigheid van economische concentraties in de directe nabijheid van het Noorden is dit overigens een logisch beeld. Bedrijfsmigratie: het Noorden als instroomregio Al jarenlang kennen de provincies Noord- en Zuid-Holland per saldo een uitstroom van bedrijven. Hetzelfde geldt sinds korte tijd ook voor de provincie Utrecht. Het merendeel van deze bedrijven vertrekt richting Noord-Brabant, Gelderland en Flevoland (Bron: Pellenbarg & Kemper, ESB 1997). Langzaam maar zeker lijkt echter ook het Noorden voor een deel van deze activiteiten als ontvangstregio te functioneren, zoals weergegeven is in tabel 5. Dit geldt met name voor Friesland en Drenthe. Deze ontwikkeling is bijzonder positief, zeker vanwege het feit dat het Noorden al lange tijd (en nog steeds) kampt met een imagoprobleem richting bedrijven en personen.

7

Tabel 5. Migratiesaldo bedrijven Noorden (industrie, zakelijke diensten en groothandel; incl. intrastromen tussen Groningen, Friesland en Drenthe) Instroom bedrijven 1988/1989 1990/1991 1992/1993 1994/1995 305 274 373 476 Uitstroom bedrijven 322 256 325 431 Saldo -17 18 48 45

Veel gesubsidieerde arbeid in het Noorden De relatief geringe verdiencapaciteit kent een nauwe correlatie met de samenstelling van de bedrijfssectorstructuur. Deze sectorale samenstelling is reeds voldoende belicht. Een ander wezenlijk element van de noordelijke economie is de aanzienlijke aanwezigheid van gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Waar landelijk 2,2% van de werkzame beroepsbevolking actief is in de WSW of WIW, bedraagt dit percentage voor het Noorden 3,7%. Concreet betekent dit dat Noord-Nederland bijna 9.000 extra gesubsidieerde banen kent. Daarnaast kent Noord-Nederland ook nog eens substantieel meer mensen op de WSW-wachtlijst. Tot slot is het uitstroompercentage lager. De WIW kent in het Noorden slechts een uitstroom van 35% naar reguliere arbeid tegenover 60% landelijk. Stijgend aantal vacatures Het bedrijfsleven in Noord-Nederland heeft te maken met een relatief ontspannen arbeidsmarkt. Het aantal vacatures bij bedrijven in het Noorden bedroeg in 1997 4.200, hetgeen overeenkomt met een aandeel van 5% in het totale aantal vacatures in Nederland (82.000). Overigens is de laatste jaren wel sprake geweest van een sterke toename van het aantal vacatures. Daarnaast is ook het aantal moeilijk vervulbare vacatures, absoluut én als percentage van het totale aantal vacatures, over de periode 1993-1997 sterk toegenomen.
Tabel 6. Aantal (moeilijk vervulbare) vacatures bij bedrijven Noorden Aantal Waarvan moeilijk vacatures vervulbaar (%) 1.800 22% 1.900 21% 3.400 26% 3.800 18% 4.200 31% Nederland Aantal vacatures 33.500 39.400 55.200 61.100 82.000 Waarvan moeilijk vervulbaar (%) 18% 20% 27% 28% 34%

1993 1994 1995 1996 1997

Bron: Vacature-enquête CBS

1.2.2 Arbeidsaanbod: een lage participatie De werkgelegenheid in Noord-Nederland, in termen van het aantal werkzame personen met een baan van minimaal 15 uur, bedraagt in 1998 bijna 540.000 personen, waarvan ongeveer 360.000 mannen en 180.000 vrouwen (CBS, PWR). De netto participatiegraad in het Noorden, ofwel het aantal werkenden als percentage van de potentiële beroepsbevolking (iedereen tussen 15-64 jaar), bedraagt 58%. Hiermee blijft Noord-Nederland fors achter op het landelijk gemiddelde van 62%, waarmee voor een deel de achterstand van het Noorden 8

qua verdiencapaciteit wordt verklaard (zie inleiding paragraaf 1.2). Figuur 2 geeft een beeld van de ontwikkeling van de netto participatiegraad.
Figuur 2 Ne tto pa rtic ipa tie gra a d
65% 60% in % 55% 50% 45% 40% 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1994 1995 1996 1997 1998 52% 53% 54% 55% 56% 57% 56% 57% 58% 60% 62% 48% 48% 49% 50% 52% 53% 52% 53% 55% 56% 58% Ne d e rla nd Noord e n

Ne d e rla nd Noord e n

Een hogere werkloosheid De achterblijvende participatie komt allereerst tot uitdrukking in de werkloosheidscijfers. Figuur 3 toont het aantal werklozen volgens twee definities: • Geregistreerde werkloosheid (G.W.L.): personen in de leeftijdsgroep 16-64 jaar die niet of minder dan twaalf uur per week werken, die beschikbaar zijn voor werk van 12 uur of meer en die staan ingeschreven bij een arbeidsbureau. • Niet-werkzame beroepsbevolking (N.W.B.): personen in de leeftijdsgroep 15-64 jaar die niet of minder dan 12 uur per week werken, die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken, die beschikbaar zijn voor werk van 12 uur of meer en die actief zoeken naar werk van 12 uur of meer. Dit cijfer komt het meest overeen met de Europese werkloosheidsdefinitie.
Fig uur 3 Nie t we rkza m e b e ro e p sb e vo lking (NWB) e n g e re g istre e rd e we rklo o she id (G WL) a ls % va n d e b e ro e p sb e vo lking (C BS)
NWB NL 12,0% 10,0% 8,0% 6,0% 4,0% 2,0% 0,0% NWB NL G WL NL G WL no o rd 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 8,5% 8,4% 7,6% 6,9% 6,5% 6,5% 7,5% 8,5% 8,1% 7,4% 6,4% 5,0% 7,9% 7,7% 6,9% 5,9% 5,4% 5,3% 6,5% 7,5% 7,0% 6,6% 5,5% 4,1% 9,9% 10,3% 9,5% 8,4% 7,3% 7,4% 8,9% 9,9% 9,6% 9,2% 7,7% 6,4% NWB no o rd G WL NL G WL no o rd

NWB no o rd 10,3%10,7% 9,8% 8,9% 8,0% 8,8% 9,6% 10,2% 9,8% 9,9% 8,1% 7,0%

9

Zoals in de figuur en bijbehorende gegevenstabel zichtbaar is ligt de werkloosheid in NoordNederland - volgens beide definities – ruim boven het gemiddelde werkloosheidspercentage in Nederland. In de loop der jaren zijn de werkloosheidspercentages over het algemeen weliswaar gedaald, maar is het verschil tussen het Noorden en Nederland nog altijd groot. Een lage participatie van vrouwen en een groot aantal WAO-ers Het aantal niet-werkenden komt in Noord-Nederland nog verder boven het nationaal gemiddelde door de geringere arbeidsdeelname van vrouwen, het relatief grote aantal WAOers in het Noorden en het relatief grote aantal vroeg-gepensioneerden. Tabel 7 geeft de ontwikkeling van de netto participatiegraad van mannen en vrouwen weer.
Tabel 7. Netto participatiegraad mannen en vrouwen Noorden Participatie mannen 66,9% 67,5% 68,7% 70,3% 71,8% Participatie vrouwen 35,8% 38,3% 39,7% 41,9% 43,6% Nederland Participatie mannen 70,1% 71,1% 72,0% 73,3% 74,8% Participatie vrouwen 42,0% 43,3% 44,5% 46,9% 48,8%

1994 1995 1996 1997 1998

Bron: Vacature-enquête CBS

Zichtbaar is dat de netto participatiegraad van vrouwen weliswaar sterk is gestegen, maar in 1998 nog steeds ruim 5 procentpunten lager is dan het nationale gemiddelde. Daarnaast heeft 8,7% van de bevolking tussen 15-64 jaar in het Noorden een WAO-uitkering, tegenover 8,1% landelijk (1997). Geconcludeerd moet worden dat hoewel Noord-Nederland de laatste jaren groeit overeenkomstig het nationaal gemiddelde er nog steeds sprake is van een structureel faseverschil. De Commissie Langman heeft berekend dat er bovenop de normale groei van de werkgelegenheid nog eens 43.000 banen nodig zijn om in 2010 op het landelijk gemiddelde te komen. 1.3 Kernzones en het landelijk gebied: de mal en de contramal

Uit de beschrijving van het sociaal-economisch beeld blijkt dat het Noorden binnen Nederland op verschillende terreinen een specifieke positie inneemt. Niet alleen in sociaaleconomisch opzicht maar ook op ruimtelijk vlak is er sprake van een afwijkend beeld. Algemeen bekend is de indruk van een relatief dunbevolkte omgeving, die gekenmerkt wordt door ruimte, rust en groen. Ook binnen het Noorden zijn duidelijke verschillen waarneembaar. Een verschil dat zich onder andere ruimtelijk manifesteert en een basisprincipe vormt voor dit programma, is het onderscheid tussen de economische kernzones en het landelijk gebied. Economische activiteiten en voorzieningen zijn geconcentreerd in een vijftal stedelijke gebieden, de zogenaamde economische kernzones. Deze vijf stedelijke gebieden of kernzones omvatten tezamen alle steden in Noord-Nederland, zoals die worden genoemd in paragraaf 1.4. Het

10

omringende landelijk gebied kenmerkt zich door rust en groen. Tegelijkertijd vormt het een belangrijke drager voor activiteiten als landbouw, recreatie en toerisme. Ter oriëntatie De kernzones zijn in deze paragraaf om statistische redenen samengesteld uit samenvoegingen van gemeenten. De kernzones laten zich feitelijk echter niet afbakenen via gemeentegrenzen. Grote delen van gemeenten die hier gerekend worden tot de kernzones bestaan in werkelijkheid voor een groot deel uit platteland. Dit betekent dat de daadwerkelijke tegenstellingen (iets) scherper zijn dan in de tabellen naar voren komt. Om een indruk te geven hoe kernzones en landelijk gebied zich ten opzichte van elkaar verhouden zijn in de onderstaande tabel enkele verhoudingsgetallen opgenomen. De tabel illustreert duidelijk dat een groot deel van de economische activiteiten zich afspeelt op een relatief klein deel van de oppervlakte.
Tabel 8. Verdeling oppervlakte, bevolking, besteedbaar inkomen en werkgelegenheid over kernzones en landelijk gebied (Noord-Nederland = 100%) Kernzones Oppervlakte (1998) Potentiële beroepsbevolking (15-64, 1998) Besteedbaar inkomen (1996) Werkgelegenheid (1998) Bron: CBS, PWR 31,4% 61,6% 62,0% 71,6% Landelijk gebied 68,6% 38,4% 38,0% 28,4%

De kernzones kenmerken zich door een aantal wezenlijke verschillen ten opzichte van het landelijk gebied. Het betreft met name verschillen op het gebied van werk en inkomen, werkloosheid en ruimte. Industrie en dienstverlening vooral in kernzones Bijna 72% van de totale noordelijke werkgelegenheid is gevestigd in de kernzones. Voor de industrie, de tertiaire diensten en de kwartaire diensten ligt dit percentage nog hoger. Tabel 9 geeft dit weer.
Tabel 9. Aandeel kernzones in de werkgelegenheid per sector (Noord-Nederland = 100%) Sector Landbouw Industrie Bouw Tertiaire Diensten Kwartaire Diensten Totaal Bron: PWR, CBS Landbouwtelling Aandeel kernzones in het Noorden 41,3% 74,1% 62,2% 72,2% 78,6% 71,6%

11

Met uitzondering van de landbouw lijkt het beeld niet sterk uiteen te lopen per sector. Op een gedetailleerder sectoraal niveau komen wel degelijk sterkere concentraties naar voren. Zo nemen de kernzones ruim 80% van de werkgelegenheid in de ‘financiële en zakelijke diensten’ voor hun rekening. Voor ‘Openbaar bestuur en overheid’ bedraagt dit aandeel zelfs 84%. De landbouw als economische pijler in het landelijk gebied Daar waar de werkgelegenheid dus grotendeels geconcentreerd is in de kernzones, vormt de landbouw (incl. tuinbouw) een duidelijke uitzondering. Bijna 60% van de werkgelegenheid in deze sector bevindt zich in het landelijk gebied. De landbouw is dan ook een belangrijke sector voor het landelijk gebied, want ze neemt ruim 13% van de totale werkgelegenheid in dit gebied voor haar rekening. Ter vergelijking: in de kernzones is dit aandeel minder dan 4%. Minstens zo belangrijk is het feit dat de landbouw in het Noorden een hoge toegevoegde waarde kent. Deze toegevoegde waarde per arbeidsjaar ligt in het Noorden ruim 30% boven het nationaal gemiddelde. De basis en know-how voor een verdere versterking en verbreding van de sector is zonder meer aanwezig in de regio. De eerder weergegeven tabel 2 toont de sterke positie van de landbouw in het Noorden. Overigens is het aandeel van de biologische landbouw in Noord-Nederland groeiende. In 1991 waren ruim 100 bedrijven actief op het gebied van biologische landbouw, waarvoor zij in totaal 2.177 hectare landbouwgrond benutten. In 1996 was het aantal bedrijven toegenomen tot 130, terwijl het aantal hectare dat voor biologische landbouw wordt ingezet was gestegen tot 4.018 ha. Dit betekent dat in 1996 0,7% van het totale landbouwareaal in het Noorden werd gebruikt voor biologische landbouw, hetgeen overeenkomt met het Nederlands gemiddelde. Toerisme: andere belangrijke inkomstenbron in het landelijk gebied Naast de landbouw vormt het toerisme een belangrijke economische pijler in het landelijk gebied. Van de ruim 6.500 directe arbeidsplaatsen in deze sector is bijna 55% gevestigd in het landelijk gebied (Toerdata, 1998). Wat het aantal overnachtingen betreft ligt dit aandeel nog veel hoger (70%). Wel wordt opgemerkt dat het aandeel van de toeristische werkgelegenheid in de totale werkgelegenheid relatief gering is. Bedacht moet echter worden dat er in de indirecte sfeer aanzienlijke werkgelegenheid bij betrokken is. Ook de financiële component is omvangrijk. In 1997 bedroeg de omzet in de toeristische sector in het Noorden ruim ƒ 1,8 miljard (aandeel landelijk gebied onbekend). Het gebied kent bovendien goede mogelijkheden om de toeristisch-recreatieve activiteiten verder uit te bouwen, met name op het gebied van watersport. De paradox: een hoger besteedbaar inkomen maar ook meer economisch niet-actieven Het besteedbaar inkomen per inwoner bedraagt in de kernzones in 1996 ƒ 19.260 per inwoner. Het ligt daarmee bijna ƒ 1.000 boven het niveau in het landelijk gebied. Terwijl het inkomensniveau in de kernzones hoger ligt dan dat in het landelijk gebied is de categorie economisch niet-actieven hier hoger. In het landelijk gebied is 4,7% van de individuen met 52 weken inkomen werkloos, terwijl in de kernzones 7,2% tot deze categorie behoort (1994). Juist deze categorie mensen kent een inkomensniveau dat zeer fors beneden het gemiddelde ligt (bijna 40%).

12

Dit, gecombineerd met het feit dat de inwoners in de kernzones een besteedbaar inkomensniveau hebben dat hoger ligt dan dat in het landelijk gebied, betekent dus dat de salarisniveaus bij het actieve deel van de bevolking duidelijk hoger liggen. Dit kan mede verklaard worden door het feit dat sectoren die oververtegenwoordigd zijn (zoals zakelijke diensten en industrie) een relatief hoge toegevoegde waarde per arbeidsjaar kennen. Wat inkomensniveau betreft zijn de tegenstellingen dus groter binnen de kernzones dan binnen het landelijk gebied. Nog scherper wordt het beeld als we het toespitsen op de grote steden in het Noorden. Ruimte voor bedrijvigheid De totale oppervlakte uitgegeven bedrijventerrein in Noord-Nederland bedraagt zo’n 6.000 hectare, terwijl in 1998 nog ongeveer 1.600 hectare terstond uitgeefbaar was. Het uitgiftetempo van bedrijventerreinen is de afgelopen jaren erg versneld. In 1994 lag het uitgiftetempo nog op 122 hectare, terwijl dit in 1997 was toegenomen tot 277 hectare. In het voorgaande is toegelicht dat in het Noorden meer dan tweederde van de economische activiteiten gevestigd is in de kernzones. Men mag verwachten dat zich dit vertaalt in een soortgelijke ruimtevraag. Dit blijkt te kloppen, want van de 6.000 uitgegeven hectare bedrijventerreinen is 68% gesitueerd in de kernzones. De filosofie om in de toekomst een bundeling van de economische activiteiten in vijf economische kernzones tot stand te brengen vereist uiteraard een afdoende aanbod van goed uitgeruste kavels. Van het totale terstond uitgeefbare aanbod is slechts iets meer dan de helft (i.c. 872 hectare) gelegen in de kernzones. Dit zou betekenen dat, als het uitgiftetempo van 1997 zich voortzet, dit slechts toereikend zou zijn voor ongeveer 4 jaar. Uitgaande van het (lagere) gemiddelde uitgiftetempo van de jaren negentig zou dit altijd nog maar voor 6 jaar volstaan. Kernzones kennen hogere en meer langdurige werkloosheid Reeds eerder is geconstateerd dat het Noorden relatief veel niet-werkende werkzoekenden (NWW) kent. Binnen het Noorden is deze problematiek nog sterker waarneembaar in de kernzones. Van het aantal noordelijke werklozen woont ruim tweederde in de kernzones. Op zich zegt een dergelijke absolute waarde niet alles en is relatering aan een andere maatstaf noodzakelijk. Daarom worden de NWW-aantallen gerelateerd aan de omvang van de potentiële beroepsbevolking. Ook in dit geval komt de concentratie van de problematiek in de kernzones naar voren, want daar behoort 9,3% van de potentiële beroepsbevolking tot het NWW-bestand (1998). In het landelijk gebied bedraagt dit 7,3%. De kernzones bevatten met 67% een aanzienlijk deel van het noordelijk aantal werklozen. Voor de langdurige werkloosheid ligt dit aandeel met 70% een fractie hoger. Voor het totale aantal werklozen en de langdurige werklozen lijkt het beeld dus niet wezenlijk uiteen te lopen. De problematiek wordt echter enigszins versluierd doordat de kernzones ruimtelijk gezien ruimer zijn dan de steden. Binnen de grote steden zijn de concentraties van langdurige werkloosheid inderdaad groter (zie paragraaf 1.4).

13

1.4

De steden

In tegenstelling tot ‘kernzones’ en ‘landelijk gebied’ valt een alomvattende analyse voor het onderdeel ‘stad’ moeilijk te geven. Daarvoor hebben de steden een te heterogeen karakter, waarbij diverse (ook niet-economische aspecten) een essentiële rol spelen. De beschrijving zal dan ook enigszins een ad-hoc karakter kennen en enkele wezenlijke kenmerken van de steden belichten. Concreet komen de volgende aspecten aan de orde: • • • • • aanwezigheid (zakelijke) dienstverlening toeristisch aanbod aspecten van de woningmarkt werkloosheid aanwezigheid HBO/WO-instellingen

Voor sommige aspecten geldt dat een analyse op het niveau van de vier grote steden in Noord-Nederland (Groningen in combinatie met Assen, Leeuwarden en Emmen) gehanteerd wordt (omdat de problematiek of eigenschap zich vooral daar manifesteert). In andere gevallen wordt de analyse uitgebreid met de 12 andere relevante noordelijke steden, te weten Coevorden, Delfzijl/Appingedam, Drachten, Franeker, Harlingen, Heerenveen, Hoogeveen, Hoogezand-Sappemeer, Meppel, Sneek, Veendam en Winschoten. Inzicht in de omvang van deze steden wordt verstrekt door de inwonerscijfers van de betreffende gemeenten in de volgende tabel:
Tabel 10. Inwonerscijfers steden in Noord-Nederland (op gemeentelijk niveau) Aantal inwoners (per 1-1-2000) 58.445 173.139 105.972 88.887 34.821 41.322 - 29.015 - 12.307 20.173 15.426 40.437 52.790 33.053 29.652 52.437 31.836 28.218 18.596

Assen Groningen Emmen Leeuwarden Coevorden Delfzijl/Appingedam - Delfzijl - Appingedam Franekeradeel (Franeker) Harlingen Heerenveen Hoogeveen Hoogezand-Sappemeer Meppel Smallingerland (Drachten) Sneek Veendam Winschoten Bron: CBS

14

Sterke aanwezigheid zakelijke dienstverlening en dus vraag naar kantoorruimte Een kenmerkend feit voor de steden is de relatief zeer sterke vertegenwoordiging van de dienstverlenende sector. Van de noordelijke werkgelegenheid in de zakelijke en overige dienstverlening (excl. zorg en onderwijs) is 51% gevestigd in de vier grote steden. Tezamen met de 12 andere steden is het aandeel zelfs 72%. Met andere woorden: bijna 3 op de 4 arbeidsplaatsen in de dienstverlenende sector worden aangetroffen in de 16 geselecteerde steden. Voor de totale werkgelegenheid liggen deze aandelen beduidend lager (37% c.q. 64%). Het belang van de steden voor de dienstverlening in het Noorden is hiermee belicht. Wat deze activiteiten betekenen voor de steden zelf is weergeven in figuur 4 (bron: PWR 1998). In dit figuur wordt weergegeven welk aandeel de zakelijke dienstverlening (en overheid) levert in de totale werkgelegenheid in de desbetreffende categorie steden. In de grote steden blijkt dit bijna 1 op de 3 arbeidsplaatsen te bedragen. In de overige gemeenten is de verhouding 1 op de 6 arbeidsplaatsen, waarbij opvallend is dat de 12 overige steden en de resterende gemeenten gemiddeld nauwelijks uiteenlopen.
Figuur 4 Aandeel zakelijke en overige dienstverlening (excl zorg en onderwijs) in totale werkgelegenheid 35,0% 30,0% 25,0% 20,0% 15,0% 10,0% 5,0% 0,0% 4 grote steden Overige steden Niet-stad
17,1% 16,3% 29,7%

Gezien het belang van deze activiteiten voor de stedelijke economie en de groeiverwachtingen binnen deze sector moeten de bestaande werkgebieden kwalitatief op peil worden gehouden en waar mogelijk nieuwe impulsen krijgen. Hierbij wordt vooral gedacht aan de kantorenlocaties. Dit geldt in de eerste plaats voor de grote steden. Ook de aspecten bereikbaarheid en reductie woon-werkverkeer spelen hierbij een rol zodat met name stationslocaties belangrijke aanknopingspunten bieden. Uit gegevens van de RPD blijkt dat in het Noorden momenteel 94% van de in gebruik zijnde (formele) kantoorlocaties (van minimaal 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte) is geconcentreerd in de vier grote steden (qua oppervlakte). Het gaat hier om bijna 750.000 m2 bruto vloeroppervlakte van de in totaal 792.000 m2 die in Noord-Nederland aan kantoorruimte aanwezig is (1998).

15

Toeristische sector van substantieel belang voor de grote steden Niet alleen de zakelijke dienstverlening, maar ook het toerisme vormt een economische activiteit die voor de steden van eminent belang is. De werkgelegenheid is wellicht minder omvangrijk, maar het belang zit hem dan ook vooral in de bestedingen en de indirecte relaties met andere economische sectoren. Ook deze sector kent zijn specifieke ruimtelijke consequenties. Een volwaardig toeristisch aanbod van voorzieningen en een goede bereikbaarheid zijn essentiële vereisten. Het is niet eenvoudig het belang van de toeristische sector voor de steden te kwantificeren. Cijfers van de werkgelegenheid gekoppeld aan deze dagattracties is niet voorhanden. Het aantal dagattracties per gemeente is wel bekend, maar feitelijk zijn dit weinigzeggende gegevens. Een betere indicatie geeft het bezoek aan deze dagattracties (gemiddeld bezoekerscijfer over de jaren 1996, 1997 en 1998). De grootste attracties in de grote steden zijn achtereenvolgens: • Noorderdierenpark (Emmen) 1.700.000 bezoekers • Holland casino (Groningen) 310.000 bezoekers • Groninger museum: 275.000 bezoekers • Hortus (Haren): 260.000 bezoekers • Verkeerspark Assen: 150.000 bezoekers In tegenstelling tot deze attracties hebben de overige steden in de kernzones nauwelijks attracties met grote aantrekkingskracht. Dat het imago van het Noorden als toeristische regio vooral te danken is aan het landelijk gebied, komt ook in de bezoekersaantallen van dagattracties naar voren. Meer dan de helft van het bezoek aan dagattracties vindt plaats buiten de 16 genoemde steden. Woningmarkt: aanzienlijke opgave voor de steden Een aantrekkelijk woon- en leefklimaat is een belangrijke vestigingsfactor voor personen én bedrijven. Zeker daar waar het streven is om wonen en werken te concentreren, is het zaak om een kwalitatief volwaardige woningvoorraad te kunnen aanbieden. Juist in de (grotere) steden schort het hier soms nogal aan. Met name veel na-oorlogse wijken voldoen niet meer aan de kwaliteitsbehoefte van deze tijd. Tabel 11 geeft een overzicht van de leegstand, de sloopopgave en het aandeel huurwoningen in de diverse categorieën steden.
Tabel 11. Kwaliteit van de woningmarkt in de noordelijke steden1 Leegstand (1997/1998) Sloop (tot 2006) Huurwoningen (per 1-1-’98)

Groningen/Assen, 4,0% 4,8% 60% Leeuwarden, Emmen Overige steden in de 3,1% 2 5,1% 3 48% kernzones 2 Resterende gemeenten 2,6% 1,2% 34% 1. in alle gevallen is het absolute aantal leegstaande woningen, sloopwoningen en huurwoningen gerelateerd aan de omvang van de woningvoorraad in de betreffende steden (per 1-1-1998). 2. excl. Groningse gemeenten (cijfers niet voorhanden), stad Groningen wel verwerkt in de cijfers. 3. excl. Appingedam.

16

Het beeld is overduidelijk. De vier grote steden kennen de grootste problemen ten aanzien van de kwaliteit van de woningmarkt. De relatieve leegstand is met afstand de meest omvangrijke, bijna 2 op de 3 woningen zijn huurwoningen (tegen 1 op de 3 bij ‘niet-steden’) en er ligt een substantiële sloopopgave. Voor de overige steden in de kernzones geldt dat zij een gemiddelde positie innemen, zij het dat ook deze steden een forse omvang van de sloop tegemoet mogen zien. Omvangrijke (langdurige) werkloosheid in de grote steden In de voorgaande paragraaf is reeds geconstateerd dat de kernzones een hogere werkloosheid kennen. Binnen de grote steden zijn de concentraties van werkloosheid nog groter. Dit geldt niet alleen voor de totale werkloosheid, maar ook voor de langdurige werkloosheid. De volgende figuur illustreert dit beeld. Zowel voor Noord-Nederland als voor ieder van de 4 grote steden zijn de totale werkloosheidspercentages weergegeven alsmede de langdurige werkloosheidspercentages (1998).
Figuur 5 NWW en langdurige NWW als % van potentiële beroepsbevolking
14,0% 12,0% 10,0% 8,0% 6,0% 4,0% 2,0% 0,0%

NWW/potentiële beroepsbevolking Langdurige NWW/potentiële beroepsbevolking

en

en

n

n

w ar de

As se

ng

rd

N oo

ro

G

Het hoger onderwijs in het Noorden: de stand van zaken Zonder een uitgebreide analyse van het hogere onderwijs in het Noorden te verrichten, wordt hier een beknopt overzicht gegeven van de huidige stand van zaken. Het hoger onderwijs in Noord-Nederland bestaat uit een universiteit in Groningen en vijf zelfstandige HBOinstellingen. Gezamenlijk studeren ruim 45.000 personen aan deze instellingen. Dit betekent concreet dat 4,2% van de potentiële beroepsbevolking in Noord-Nederland gevormd wordt door studenten. Hiermee ligt het Noorden boven het nationaal gemiddelde dat 3,7% bedraagt. Het verschil in aandeel zit vooral in de deelname aan het HBO.

Le

eu

Em

ni

m

en

17

1.5

De milieusituatie

1.5.1 Inleiding De hoofddoelstelling van de provinciale plannen op milieugebied (zie ook paragraaf 2.6.5) is het streven naar voldoende werkgelegenheid en een voor mens en natuur leefbare regio, door middel van het bevorderen van een gezonde economische ontwikkeling, instandhouding en verbetering van het ecologisch draagvlak, versterking van de plattelandsstructuur en instandhouding en versterking van de eigen culturele en landschappelijke rijkdom. De provincies werken aan de realisering van deze doelstelling via het ruimtelijk, milieu- en waterhuishoudingsbeleid samen met het economische en het verkeer- en vervoersbeleid. Daarbij wordt de nadruk gelegd op een geïntegreerde aanpak. Om deze doelstelling te realiseren hanteren de provincies de uitgangspunten dat: • stoffen- en veiligheidsrisico's voor de gezondheid alsook hinder als gevolg van lawaai, stank en afvalberging binnen aanvaardbare grenzen blijven; • belangrijke ecosystemen of onderdelen daarvan vitaal blijven en waar mogelijk worden ontwikkeld; • zodanige bescherming van de bodem plaatsvindt dat zuiveringsmaatregelen bij drinkwaterbereiding uit de grondwatervoorraden tot een minimum kunnen worden beperkt. Daarnaast willen de provincies bijdragen aan de oplossing van milieuproblemen, die zich op een hogere dan regionale schaal voordoen, zoals verzuring, verspreiding en het broeikaseffect. De provincies gaan primair uit van een brongerichte aanpak met als sleutelbegrippen preventie en milieurendement. Uitgangspunt daarbij is de eigen verantwoordelijkheid van de doelgroepen voor de milieugevolgen van hun activiteiten. Voor de provincies zijn de industrie en de landbouw de belangrijkste doelgroepen van het milieubeleid. Het effectgerichte beleid van de provincies is gebaseerd op door het Rijk of de EU geformuleerde milieukwaliteitseisen. Het is erop gericht: • situaties waarbij grenswaarden worden overschreden op te lossen: grenswaarden zijn niveaus van verontreiniging waarboven een uit milieuhygiënisch oogpunt onaanvaardbare situatie ontstaat en sanering moet plaatsvinden; • streefwaarden te bereiken en handhaven: streefwaarden zijn het beoogde milieukwaliteitsniveau waarbij geen onaanvaardbaar nadelige effecten voor mensen, dieren, planten, ecosystemen en goederen zijn te verwachten; • bedreiging van kwetsbare functies of waarden van gebieden zoveel mogelijk tegen te gaan. 1.5.2 Luchtkwaliteit De provincies streven naar een verbetering van de luchtkwaliteit uitgaande van de landelijk vastgestelde Nederlandse Emissierichtlijnen. De lucht van het programmagebied NoordNederland is het schoonst van heel Nederland. Tussen 1995 en 1997 zijn de totale emissies echter toegenomen als gevolg van een toename van de emissie van kooldioxide (tabel 12). Deze toename is in strijd met de landelijke doelstelling om de kooldioxide emissie te verminderen.

18

Tabel 12. Stoffen Verzurende stoffen Metalen Organische verbindingen Kooldioxide Overige Totaal

Emissies naar lucht in ton per jaar 1995 31.280 10 75.790 Groningen 1996 30.460 9,9 75.231 1997 28.870 8,9 71.107 1995 33.680 10 106.427 Fryslân 1996 33.210 9,3 105.376 1997 31.928 8,9 99.655 1995 22.780 9,6 52.202 Drenthe 1996 22.390 9,0 51.866 1997 21.340 8,7 49.051

6.760.000 7.060.000 6.950.000 4.910.000 5.130.000 5.050.000 3.610.000 3.770.000 3.710.000 452 446 453 183 177 176 35.720 35.044 33.053

6.867.532 7.166.147 7.050.439 5.050.300 5.268.772 5.181.768 3.720.712 3.879.309 3.813.453

De belangrijkste regionale bronnen van luchtverontreiniging zijn landbouw, industrie, de energiesector, verkeer en vervoer en consumenten (figuur 6). De industrie-, energie- en consumentensectoren zijn vooral verantwoordelijk voor de emissie van kooldioxide. Verkeer en vervoer is verantwoordelijk voor de emissie van hoge hoeveelheden verzurende stoffen, metalen, organische verbindingen en kooldioxide. Het beleid van de provincies om luchtemissies te verminderen is vooral gericht op de sectoren industrie en landbouw. Ten aanzien van de sector industrie kan worden geconcludeerd dat de emissies zijn verhoogd, vooral als gevolg van de emissie van kooldioxide. In de landbouw zijn de emissies gedaald, vooral als gevolg van een daling van de emissie van de verzurende stof ammoniak (figuur 7). De emissies zijn echter nog steeds hoger dan de geformuleerde doelstellingen en leiden tot vermestings- en verzuringsverschijnselen op vooral de zandgronden.
Figuur 6 Relatief aandeel sectoren aan emissies naar lucht, 1997
100%

Figuur 7 Verandering in ammoniakemissies door de landbouw
Ammoniakemissie (tonnen) 50000 40000 30000 20000 10000 0 1988 Groningen 1994 Friesland 1996 Drenthe 1997

80% 60% 40% 20% 0% Groningen Landbouw Afvalverwijdering HDO Friesland Industrie Verkeer en vervoer Natuur/overige Drenthe Energiesector Consumenten

19

Geluid- en geurhinder De provincies proberen de mate van geluid- en geurhinder te minimaliseren door toepassing van het 'ALARA' (As Low As Reasonably Acceptable) beginsel bij de vergunningverlening. Gemiddeld 13% van de Groninger bevolking in het programmagebied Noord-Nederland heeft last van geluidshinder. De belangrijkste bronnen van geluidshinder zijn verkeer en buren. 5% van de mensen ondervindt ernstige geurhinder waarbij de industrie de belangrijkste bron is. Ook gemiddeld 13% van de Friese bevolking ervaart geluidshinder. Driekwart van deze mensen ervaart de geluidshinder als ernstig tot zeer ernstig. In het stedelijk gebied wordt de meeste hinder veroorzaakt door het verkeer en buren, in het landelijk gebied door defensie en verkeer. Voor geurhinder geldt ongeveer eenzelfde beeld. 10% van de Friese burgers heeft last van geur en driekwart daarvan ervaart de hinder als ernstig tot zeer ernstig. De industrie is de belangrijkste bron van geurhinder. In Drenthe heeft in het programmagebied gemiddeld 35% van de bevolking last van geluidhinder veroorzaakt door verkeer. 40% van de bevolking heeft last van geluidhinder veroorzaakt door straaljagers. Gemiddeld ondervindt 30% van de bevolking stankhinder. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de landbouw. 1.5.3 Bodemkwaliteit

Grondkwaliteit Door het Rijk zijn streef- en grenswaarden vastgesteld t.a.v. de kwaliteit van de bodem. De bodem voldoet aan deze streefwaarden in het grootste deel van het programma-gebied NoordNederland. In Groningen wordt op de zandgronden een lichte overschrijding van de streefwaarden voor zware metalen en Pak’s (Polycyclische aromatische koolwaterstoffen) aangetroffen. Dit komt doordat in het verleden veel huisvuil vanuit de steden in de sloten is gebracht dat daarna mogelijk vermengd is geraakt met de omliggende grond. De zandgronden zijn vermest en verzuurd als gevolg van stikstof en fosfaat concentraties die boven de streefwaarden liggen. In Fryslân wordt op de zandgronden op een klein aantal plaatsen de streefwaarde voor koper licht overschreden als gevolg van bemesting met varkensmest. Op enkele plekken op de kwelders en zeekleigronden worden verhoogde gehalten van met name koper, zink en lood gemeten door aanslibbing van zeeklei uit de Waddenzee. Bestrijdingsmiddelen en Pak’s zijn op respectievelijk 20% en 5% van de gemeten punten aangetroffen boven de streefwaarde. Deze zijn gelegen op de kwelders, bouwlanden en graslanden op zand en veengronden. De zandgronden zijn vermest en verzuurd als gevolg van stikstof en fosfaat concentraties boven de streefwaarden. In Drenthe zijn de gehalten aan zware metalen in de bovengrond laag. Op ongeveer een vierde van het aantal meetpunten zijn gehalten aangetroffen die net boven de streefwaarde liggen (koper, cadmium, lood en kwik). Met name de zandgronden zijn in Drenthe vermest en verzuurd.

20

Verontreinigde locaties De provincies en het Rijk hanteren als uitgangspunt herstel van de multifunctionaliteit van de bodem op specifieke locaties die verontreinigd zijn. Daarbij gaat het in het programmagebied Noord-Nederland vooral om voormalige bedrijfsterreinen, tankstations, olie- en gaswinningslocaties, defensieterreinen en gedempte wijken. In Groningen, Fryslân en Drenthe zijn respectievelijk 14%, 12% en 21% van de bekende verontreinigde locaties al gesaneerd (tabel 13).
Tabel 13. Bodemverontreinigingssituatie programmagebied Noord-Nederland Groningen 1.852 231 22 260 Fryslân 2.177 273 43 254 Drenthe 929 40 158 196

Classificatie bodemverontreinigingssituatie Aantal bekende verontreinigde locaties Aantal ernstig verontreinigde locaties Aantal lopende bodemsaneringen Aantal al gesaneerde locaties

1.5.4 Afvalverwijdering Het accent van het afvalbeleid ligt sinds enkele jaren op preventie, hergebruik en verbranden van afval in plaats van het storten van afval. Dit blijkt ook uit de hoeveelheid afval die in Noord Nederland wordt geproduceerd en verwerkt (figuur 8). Tussen 1996 is de hoeveelheid verwerkte afval gedaald van 2.500 kton naar 2.100 kton. Van het verwerkte afval werd in 1998 1.200 kton gestort, een daling van 25% ten opzichte van 1996. De hoeveelheid verbrand afval is daarentegen gestegen naar 410 kton.
Figuur 8. Hoeveelheid verwerkt afval, verwerkingswijze

3000 2500 2000 1500 1000 afval 500 (kton) 0

1996 Gestort Verbrand afval

1997 1998 Nuttig toegepast op stort Gecomposteerd/vergist GFT

21

1.5.5 Waterkwaliteit Oppervlaktewater De provincies hebben als doelstelling dat de kwaliteit van het oppervlaktewater in het jaar 2000 aan de grens- en streefwaarden van het Waterhuishoudingsplan moet voldoen. Sinds de jaren tachtig is de kwaliteit van het oppervlaktewater van het programmagebied NoordNederland verbeterd. Tussen de jaren 1995 tot en met 1997 is de kwaliteit gestabiliseerd (tabel 14).
Tabel 14. Stof Vermestende stoffen Metalen en metalloïden Organische verbindingen Overige Stoffen Totaal Emissies van stoffen naar het oppervlaktewater in ton per jaar Nederland 1995 90.100 1.230 16.577 1996 1997 Groningen 1995 3.311 52 453 4.295 8.111 1996 1997 1995 4.094 48 644 4.193 8.979 Fryslân 1996 4.002 48 483 4.078 8.611 1997 4.037 48 475 4.338 8.898 1995 2.240 31 323 3.760 6.354 Drenthe 1996 1997

87.800 88.800 1.226 1.227

3.239 3.270 52 339 52 333

2.632 2.230 31 242 31 238

12.315 12.116

581.536 563.109 599.609 689.443 664.450 701.752

4.141 4.405 7.771 8.060

3.659 3.890 6.564 6.389

De sectoren industrie en consumenten zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van de emissies (figuur 9). Verbeteringen in kwaliteit zijn vooral veroorzaakt door het verminderen van de uitstoot van verontreinigende stoffen door industrie en huishoudens.
Figuur 9. Aandeel sectoren aan emissies oppervlaktewater, 1997

100%

80% 60% 40% 20% 0% Groningen Landbouw Energiesector Consumenten Friesland Chemische Industrie Afvalverwijdering Drenthe Industrie Verkeer en vervoer

In Groningen zijn sinds de jaren tachtig de hoeveelheden vermestende stoffen in het oppervlaktewater bijna gehalveerd. Desondanks bevat het meeste oppervlaktewater nog te veel vermestende stoffen, zware metalen en bestrijdingsmiddelen. De kwaliteit van het oppervlaktewater met een natuurfunctie voldoet op de meeste plaatsen nog niet aan de streefwaarden.

22

Ook de kwaliteit van het oppervlaktewater in Fryslân voldoet niet aan de streefwaarden. Dit geldt vooral voor vermestende stoffen die het oppervlaktewater bereiken via de landbouw, inlaat van gebiedsvreemd water en via gezuiverd rioolwater en riooloverstorten. Door de vermesting treedt jaarlijks massale algengroei op. Vanaf begin jaren '90 is een geleidelijke verbetering van de vermestingstoestand waarneembaar. Regionaal is de verspreiding van zware metalen zoals koper en zink, gewasbeschermingsmiddelen zoals diuron en Pak's problematisch; de concentraties van deze stoffen overschrijven de grenswaarden. De kwaliteit van het oppervlaktewater in natuurgebieden voldoet niet aan de streefwaarden. Ook in Drenthe voldoet de kwaliteit van het oppervlaktewater niet aan de grenswaarden voor fosfaat en stikstof. Hetzelfde geldt voor de zware metalen kwik, koper en zink en enkele bestrijdingsmiddelen. Grondwater De provincies hebben als doelstelling dat de grondwaterkwaliteit moet voldoen aan de grenswaarden die in de Derde Nota Waterhuishouding staan geformuleerd. De kwaliteit van het grondwater in de provincie Groningen blijft de laatste jaren nagenoeg gelijk. Op veel plaatsen voldoet de kwaliteit van het diepe grondwater (25 meter beneden maaiveld) aan de grenswaarden. Op de zandgronden vallend binnen het programmagebied Noord-Nederland zijn invloeden van vermesting en verzuring merkbaar op ongeveer 10 meter beneden maaiveld. In het ondiepe grondwater op de zandgronden wordt de EU-richtlijn voor nitraat overschreden. In het ondiepe grondwater onder de graslanden en bospercelen op zandgronden in Fryslân komen de meeste zware metalen voor in concentraties net boven de streefwaarde. Hetzelfde geldt voor de fosfaat- en nitraatconcentratie onder de graslanden op zandgronden. In het ondiepe grondwater onder met name het agrarisch gebied van de zandgronden van Drenthe worden de streefwaarden voor nikkel, zink, chroom, koper en cadmium overschreden. Aluminium wordt frequent aangetroffen in concentraties boven de EUdrinkwaternorm. Deze overschrijdingen komen vooral voor bij een lage pH en aanvoer met (varkens)drijfmest of zuiveringsslib. De kalium- en nitraatgehalten in het ondiepe grondwater liggen in meer dan de helft van de gemeten locaties boven de EU-drinkwaternorm. Waterbodems Eind 1996 was er in Groningen in totaal ongeveer 9,5 miljoen m3 te baggeren slib aanwezig. Bijna 7,9 miljoen m3 daarvan (83%) is hoogstens matig verontreinigd. De resterende 1,6 miljoen m3 (17%) is sterk tot zeer sterk verontreinigd en zal elders moeten worden verwerkt of geborgen. In Fryslân komt circa 1,7 miljoen m3 slib voor. Vooral in stedelijke wateren is veel slib ernstig verontreinigd. Dit is het gevolg van vroegere bedrijfsactiviteiten in deze gebieden. Verdroging In 1998 vertoonde ongeveer 8.400 ha van de totale oppervlakte natuurgebieden in Groningen verdrogingsverschijnselen, oftewel ongeveer 65%. In Fryslân was in 1998 circa 34.000 ha, oftewel 55%, van de natuur verdroogd. In Drenthe is 28.000 ha van de gebieden met een natuurfunctie verdroogd.

23

1.5.6 Natuur en landschap Kwaliteit natuur en landschap Het programmagebied Noord-Nederland wordt gekenmerkt door een grote natuurlijke rijkdom. Het wad, beekdalen, heiden, bossen en open graslanden zijn daar voorbeelden van. Het aantal hectares natuur is de afgelopen jaren toegenomen als gevolg van realisering van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), (figuur 10).

Figuur 10 Realisatie van de EHS 1999
30000 Ha 25000 grond 20000 15000 10000 5000 0 Groningen In werking Friesland Begrensd Drenthe Doel 2020

De kwaliteit van natuur en landschap gaat echter achteruit. Dit komt onder andere tot uitdrukking in een achteruitgang in soortenrijkdom van flora en fauna als gevolg van verdroging, vermesting, verzuring en versnippering. In oudere natuurgebieden in de hele regio zijn positieve effecten van natuurbeheer wel duidelijk waarneembaar. Landschapswaarden gaan achteruit als gevolg van verstoring. Beeldbepalende kenmerken zoals oude dijken en wierden worden afgegraven en sloten worden gedempt. Nieuwbouw aan de rand van dorpen, de constructie van olie- en gaswinningslocaties en hoogspanningsleidingen en de aanleg van nieuwe infrastructuur gaan allen ten koste van de identiteit van het landschap. Habitat- en Vogelrichtlijn Om de natuurlijke habitats in stand te houden en de wilde flora en fauna te beschermen zijn binnen de Europese Unie de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn van kracht. In het kader van beide richtlijnen moeten beschermde gebieden worden aangewezen, hetgeen ook in NoordNederland is gebeurd. Kaartbeelden zijn opgenomen in bijlage A van het EPD. De Habitatrichtlijn richt zich op bescherming van natuurgebieden. Ze heeft onder meer tot doel een Europees ecologisch netwerk van speciale beschermingszones tot stand te brengen voor alle bedreigde habitats en soorten binnen de EU. In Noord-Nederland komen de volgende Habitat-richtlijngebieden voor: • • • • • Waddenzee Oude venen Friese IJsselmeerkust Rottige Meenthe Leekstermeer • • • • • Zuidlaardermeer Bakkeveen Drenthse Aa Fochteloerveen Witterveld • • • • Drents-Friese Woud Dwingelderveld Bargerveen Weerribben

24

De Vogelrichtlijn richt zich op de bescherming van voor vogels belangrijke gebieden. De keuze van gebieden is gebaseerd op het voorkomen van soorten of het belang voor trekvogels. In Noord-Nederland komen de volgende Vogelrichtlijn-gebieden voor: • • • • • • 1.6 Waddenzee Friese Ijsselmeerkust Lauwersmeer Rottige Meenthe Leekstermeer Groote Wielen • • • • • Van Oordt's Mersken Sneekermeer/Goingarijpsterpoelen Terkaplesterpoelen/Akmarijp Witte en Zwarte Brekken/Oudhof Oudegaasterbrekken • Fluessen/Vogelhoek/ Morra • Zuidlaardermeer • Drents-Friese Woud • Dwingelderveld

Sterkte-zwakte analyse

De vorige paragrafen bieden duidelijk houvast voor een sterkte-zwakte analyse. Zowel met betrekking tot aspecten als de bevolking/arbeidsmarkt en het bedrijfsleven als wat betreft de milieusituatie worden knelpunten gesignaleerd. Uiteraard kent het Noorden ook zijn positieve aspecten. Beide worden, tezamen met mogelijke kansen en bedreigingen, weergegeven in het navolgende sterkte-zwakte overzicht. Het betreft aspecten die voor het gehele Noorden van toepassing zijn. Daarnaast is gebleken dat er voor verschillende aspecten een duidelijk onderscheid bestaat tussen de kernzones en het landelijk gebied. Dit onderscheid, maar ook de samenhang tussen beide vormt een primair uitgangspunt van het programma. In het sterkte-zwakte overzicht is derhalve ook expliciet aandacht besteed aan deze twee-eenheid. Verder is gebleken dat de steden in de kernzones eveneens hun specifieke sterkten en zwakten kennen.
Tabel 15. Sterkte-zwakte analyse van Noord-Nederland Sterke punten en kansen Zwakke punten en bedreigingen

Bevolking en arbeidsmarkt
Sterk • grote arbeidsmotivatie en loyaliteit beroepsbevolking Kans • stijging aantal vacatures • relatief ontspannen arbeidsmarkt • stijging arbeidsparticipatie vrouwen Zwak • lage netto participatiegraad • relatief hoge werkloosheid • lage scholings-graad / geringe scholingsmogelijkheden vbo/mbo • wegtrekken van (hoog)geschoolden als gevolg van relatief geringe vraag Bedreiging • relatief sterke vergrijzing en ontgroening

25

Vervolg tabel 15.

Bedrijvigheid en inkomen
Sterk Kans • toenemende ruimtelijke • relatief sterke en congestieindustriële sector problemen elders in • bedrijfssectorNederland bieden structuur wordt perspectief voor het minder eenzijdig en Noorden als nadert nationaal beeld vestigingsregio • sterk MKB als motor van de economische • gunstige ligging ten opzichte van groei Noordoost-Europa Zwak • besteedbaar inkomen per inwoner onder nationaal gemiddelde • relatief veel gesubsidieerde arbeid • geringe innovativiteit • geringe bedrijvendichtheid • weinig aantrekkelijk imago Bedreiging • niet tijdig kunnen inspelen op groeimarkten in het buitenland als gevolg van de sterke oriëntatie op binnenlandse markt

Kernzones
Sterk Kans • overloop vanuit de • fors deel van Randstad werkgelegenheid geconcentreerd in kernzones • bovenstaande geldt in nog sterkere mate voor werk met hoge toegevoegde waarde • relatief goede ontsluiting via (inter)nationale transportassen • ruimte voor werken en wonen Zwak • dualiteit in kernzones (i.c. scheiding tussen economisch actieven en niet-actieven) • werkloosheid hoger dan in landelijk gebied Bedreiging

Landelijk gebied
Sterk • hoge toegevoegde waarde noordelijke landbouw • ruimtelijke kwaliteit: rust, groen en ruimte • sterk gevarieerd, aantrekkelijk landschap met grote natuur- en cultuurhistorische waarden Kans Zwak • afname van (draagvlak • uitplaatsing tuinbouw voor) voorzieningen in in het Westland kleine kernen • toenemend belang van de factoren vrije tijd en • ontsluiting via openbaar vervoer ontspanning • ruime mogelijkheden om recreatie en toerisme verder te ontwikkelen (m.n. watersport) Bedreiging • agrarische sector staat al geruime tijd onder druk (politiek, ruimteclaims, milieu) • verstedelijking

26

Vervolg tabel 15.

Stedelijke centra
Sterk • sterke centrumfuncties • aanwezigheid (zakelijke) diensten Kans • groeiperspectieven zakelijke dienstverlening • groeiperspectieven recreatie en toerisme • beschikbaarheid fysieke ruimte voor ontwikkeling kantorenmarkt • Zwak slechts enkele grootschalige toeristische trekpleisters kwaliteit van de woningmarkt (met name in specifieke wijken) substantiële omvang werkloosheid groter aandeel langdurig, moeilijk bemiddelbare werklozen Bedreiging • congestie bij enkele knooppunten (bijv. Groningen-Zuid) • relatief ontspannen woningmarkt

• •

Milieusituatie
Sterk Kans Zwak Bedreiging • lucht is het schoonst • hoeveelheid geproduceerd afval is van Nederland, gedaald emissie van meeste stoffen onder • kwaliteit grenswaarde oppervlaktewater is laatste jaren verbeterd • bodem en grondwater voldoen voor groot deel aan streefwaarden • grote natuurlijke rijkdom • emissie kooldioxide en • kwaliteit natuur en landschap gaat vermestende en achteruit verzurende stoffen boven grens • deel bevolking heeft last van geluid- of geurhinder • aanzienlijk aantal bekende verontreinigde locaties • groot deel natuurgebied is verdroogd

1.7

Effecten van gevoerd beleid

De uitkomsten en effecten van de Europese programma’s die in de periode tot 2000 in het Noorden zijn uitgevoerd zijn uiteraard van belang voor het opstellen van voorliggend EPD dat betrekking heeft op de periode 2000-2006. In (delen van) Noord-Nederland zijn of worden verschillende Europese Structuurfondsprogramma’s uitgevoerd die gericht zijn op versterking van de economische structuur en in 1999 ten einde lopen. De volgende programma’s hebben een sterke relatie met het EPD Noord-Nederland voor de periode 2000-2006 en worden derhalve in deze paragraaf toegelicht: • Doelstelling 2 Groningen-Drenthe 1989-1999 • Doelstelling 5b Groningen-Drenthe 1994-1999 • Doelstelling 5b Fryslân 1994-1999

27

Met betrekking tot Doelstelling 2 in de periode 1989-1999 moet worden opgemerkt dat het hier om verschillende Doelstelling 2-programma’s gaat die elkaar hebben opgevolgd. Het eerste Doelstelling 2-programma had in totaal een looptijd van 1989 tot en met 1993. Dit programma bestond feitelijk uit een deelprogramma voor de periode 1989-1991 en een identiek - deelprogramma voor de periode 1992-1993. Daarna is in 1994 het volgende Doelstelling 2-programma van start gegaan dat in 1996 ten einde liep. Deze werd op haar beurt opgevolgd door het Doelstelling 2-programma 1997-1999. Voor het EPD 2000-2006 zijn de ervaringen van alle drie genoemde Doelstelling 2-periodes van belang. In de paragrafen 1.7.1 tot en met 1.7.3 wordt dan ook een toelichting op de resultaten van iedere periode gegeven. De toelichting op de periode 1989-1993 en 1994-1996 beperkt zich daarbij tot de hoofdlijnen. De leereffecten van deze programma’s zijn immers al meegenomen bij het opstellen van het programma voor de periode 1997-1999. Het D2programma 1997-1999 wordt in deze paragraaf meer uitgebreid geanalyseerd, aangezien het qua tijdspad direct aansluit op het EPD Noord-Nederland in de periode 2000-2006. Het laatste geldt ook voor de Doelstelling 5b-programma’s Groningen-Drenthe en Fryslân in de periode 1994-1999. Deze programma’s komen in de paragrafen 1.7.4 en 1.7.5 aan bod, waarbij achtereenvolgens een omschrijving van de inhoud van het programma, de financiële resultaten en de inhoudelijke resultaten aan de orde komen. Paragraaf 1.7.6 bevat afsluitend een aantal lessen voor de toekomst die uit de programma’s tot en met 1999 kunnen worden getrokken en bij het opstellen van het EPD 2000-2006 zijn meegenomen. 1.7.1 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1989-1993 In de periode 1989-1993 is in het kader van Doelstelling 2 Groningen-Drenthe sprake geweest van twee deelprogramma’s, te weten ROP (Regionaal Ontwikkelingsplan) 1 (‘89-’91) en ROP 2 (‘92-’93). ROP 1 en 2 hebben betrekking op een gebied dat in grote lijnen het zuidoostelijke deel van de provincie Drenthe omvat en het zuidoostelijk deel van de provincie Groningen. In de programma’s werden vier subprogramma’s onderscheiden waarbinnen projecten zijn gefinancierd: • Ontwikkeling industrie en dienstensector MKB • Uitbouw toeristisch potentieel • Verbetering ondernemingshuisvesting • Ontwikkeling grensoverschrijdende initiatieven In totaal is in het kader van ROP 1 en ROP 2 ongeveer 104 miljoen gulden EFRO aan projecten toegekend en ruim 70 miljoen ESF. Met de ESF-middelen zijn in totaal meer dan 20.000 personen geschoold. Binnen ROP 1 lag het accent daarbij vooral op scholing van werklozen, terwijl binnen ROP 2 scholing van werkenden - met name bij het MKB - de nadruk had. Zowel ROP 1 als ROP 2 hebben zeker bijgedragen aan de gunstige ontwikkeling van de regio in de periode 1989-1993. In deze periode is de werkgelegenheid met 30.000 werkenden toegenomen, terwijl de werkloosheid is gedaald van 15,6% in 1988 tot 9,7% in 1992. De tendens van het programma 1989-1993 is dan ook doorgezet in de periode 1994-1996.

28

Daarbij leert het D2-programma 1989-1993 dat de nadruk bij het inzetten van middelen moet (blijven) liggen op voorwaardenscheppende voorzieningen. Met name het toeristisch potentieel en de verbetering van de ondernemershuisvesting verdienen daarbij aandacht. Voorts zal bij de inzet van ESF-middelen een accent moeten worden gelegd op het scholen van werkenden, vooral in het kleinere MKB. Hetzelfde geldt voor het ondersteunen van de middenkaderfuncties in het bedrijfsleven. Met name bij kleinere bedrijven ontbreekt daar dikwijls de kennis om adequaat in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen. 1.7.2 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1994-1996 De ervaringen uit de D2-periode 1989-1993 zijn meegenomen bij het opstellen van het Doelstelling 2-programma 1994-1996. Dit programma had als doelstelling het bevorderen van de sociaal-economische ontwikkeling van de regio, in het bijzonder het scheppen van additionele werkgelegenheid en het verhogen van het Bruto Regionaal Product. De kwaliteit van het leefmilieu mag daarbij niet worden aangetast. Om de doelstelling te halen richtte het programma zich met name op de positie van de industrie, de zakelijke dienstverlening en de toeristische sector, vanwege de invloed van deze sectoren op de regionale werkgelegenheid. Voor de uitvoering van het D2-programma was oorspronkelijk ruim 100 miljoen gulden EFRO en ongeveer 60 miljoen gulden ESF voorzien. Aangezien de committering van deze middelen, mede door de late goedkeuring van het programma, problemen opleverde is van het EFRO-budget 35% en van het ESF-budget 19% overgeheveld naar het Doelstelling 2programma 1997-1999. Wat betreft de effecten heeft het programma een groot deel van haar doelstellingen gerealiseerd. De realisatie van effecten als het aantal hectare gerevitaliseerd bedrijventerrein, gecreëerde of behouden werkgelegenheid, het aantal deelnemende bedrijven en het volume uitgelokte investeringen vertoont over het algemeen een bevredigend beeld. Alleen de effecten van de toeristische maatregelen blijven, evenals de financiële voortgang op dit onderdeel, enigszins achter op de doelstelling. Hoewel de activiteiten voor de toeristische sector derhalve een enigszins teleurstellend beeld vertonen, wordt op basis van het D2-programma 1994-1996 wel benadrukt dat de aandacht voor de toeristische sector gecontinueerd moet worden. Dit vanwege de kansen en mogelijkheden die deze sector biedt. Verder leert het programma dat aspecten als het versterken van de kennisinfrastructuur, het stimuleren van kennisoverdracht en het verbeteren van het vestigingsmilieu steeds belangrijker worden. Met betrekking tot het arbeidsmarktbeleid geldt als aanbeveling dat een groter accent moet worden gelegd op ondersteunende maatregelen.

29

1.7.3 Doelstelling 2 Groningen-Drenthe: periode 1997-1999 Omschrijving van het programma Het programma 1997-1999 bouwt voort op het Doelstelling 2-programma 1994-1996 en heeft eveneens als hoofddoel het bevorderen van de sociaal-economische ontwikkeling van de regio in termen van werkgelegenheid en Bruto Regionaal Product, in samenhang met een verhoging van de kwaliteit van het vestigingsmilieu. Om deze doelstelling te realiseren richt de strategie van het programma zich enerzijds op een aantal doelsectoren (industrie, zakelijke dienstverlening en toerisme) en anderzijds op het vergroten van de aantrekkingskracht van de regio. Deze strategie is uitgewerkt in twee prioriteiten (met daaronder een aantal maatregelen): Prioriteit I: Prioriteit II: Industrie, zakelijke dienstverlening en toerisme Vestigingsmilieu: toeristische omgeving & stedelijke economie

Ter uitvoering van de prioriteiten en maatregelen van het EPD Doelstelling 2 is bijna 245 miljoen gulden aan Europese middelen (EFRO en ESF; exclusief bedragen voor technische bijstand) beschikbaar gesteld. Financiële voortgang Tijdens het opstellen van het voorliggende EPD 2000-2006 is de committeringsperiode van het D2-programma 1997-1999 ten einde gelopen. Inmiddels is duidelijk dat de beschikbare budgetten, zowel voor EFRO als ESF, eind 1999 vrijwel volledig zijn gecommitteerd. Dit is met name te danken aan de versnelling in committering die het laatste jaar is opgetreden. Zo kende het EFRO-gedeelte eind 1998 nog een behoorlijke achterstand, die inmiddels als gevolg van extra inspanningen is ingelopen. Het ESF-gedeelte van het budget liep zelfs verder achter en was halverwege 1999 voor de helft gecommitteerd. Dit was echter sterk vertekend doordat het ESF-programma zwaar leunt op de ontwikkeling van netwerkprojecten, die meer tijd vergen. Het zwaartepunt van de uitputting lag hierdoor meer aan het einde van de periode. Inhoudelijke voortgang De inhoudelijke voortgang van het programma wordt geanalyseerd aan de hand van meerdere indicatoren die in het Programmeringsdocument zijn vastgelegd. Voor elke indicator is in het EPD een streefcijfer gesteld. De inhoudelijke voortgang van het programma wordt weergegeven door deze streefcijfers te relateren aan de beoogde effecten die in goedgekeurde projecten (gecommitteerd) zijn opgenomen. Over de daadwerkelijk gerealiseerde effecten kan op dit moment nog weinig worden gezegd. De realisering van effecten kan namelijk tot en met 2001 geschieden en zal vooral na afloop van de committeringsperiode (eind 1999) op gang komen. De inhoudelijke voortgang van het EFRO-deel en het ESF-deel van het programma worden in afzonderlijk toegelicht.

30

Inhoudelijke voortgang EFRO Met betrekking tot de inhoudelijke voortgang van het EFRO-deel van het programma is een wisselend maar over het algemeen bevredigend beeld zichtbaar. Een aantal indicatorwaarden is als gevolg van gecommitteerde projecten de doelwaarden zelfs ver overstegen. Hiertoe behoren belangrijke indicatoren als het aantal hectare nieuw ontwikkeld bedrijventerrein, het aantal nieuwe of verbeterde kennis- en opleidingscentra, het aantal deelnemende bedrijven aan kennisoverdracht- en onderzoeksprojecten en het aantal startersprojecten. Ook andere indicatorwaarden vertonen een bevredigend beeld, waaronder het aantal verstrekte adviezen aan bedrijven, de toename van het aantal bezoekers aan toeristische voorzieningen en het aantal deelnemers aan startersprojecten. De realisering van de beoogde werkgelegenheidseffecten verloopt daarentegen moeizamer. Indicatoren als tijdelijke werkgelegenheid en de potentiële werkgelegenheid op korte termijn zijn nog redelijk ver van hun doelwaarden verwijderd. De potentiële werkgelegenheid op lange termijn die als gevolg van het programma wordt gecreëerd ligt wel ver boven de streefwaarde. Inhoudelijke voortgang ESF Wat betreft de inhoudelijke voortgang van de ESF-projecten wordt gekeken naar het aantal deelnemers aan projecten. Het gaat daarbij om scholingsprojecten binnen prioriteit I en II waaraan zowel werkenden als werkzoekenden deelnemen. In totaal kent het programma streefwaarden van 10.700 werkende en 6.800 werkloze deelnemers. Bijna aan het einde van de committeringsperiode blijkt dat de beoogde deelnemerstallen voor prioriteit I grotendeels zijn gerealiseerd. Het aantal geschoolde werknemers ligt zelfs boven de doelstelling. Het aantal deelnemers aan scholingsprojecten binnen prioriteit II blijft daarentegen enigszins achter. 1.7.4 Doelstelling 5b Groningen-Drenthe Beschrijving van het programma Het D5b programma voor Groningen-Drenthe heeft als strategie het terugdringen van de regionale werkloosheid door versterking, diversificatie en groei van de regionaaleconomische structuur. Dit met het oog op een hoog en stabiel werkgelegenheidsniveau op (middel)lange termijn, een hoog leefbaarheidniveau en een versterkte natuur- en landschapsfunctie. Het programma loopt van 1994 tot en met 1999. Het gebied in Drenthe betreft het zuidwestelijke deel van de provincie. In de provincie Groningen valt ongeveer het hele westelijke deel van de provincie in het gebied. In het kader van het D5b-programma is een Europees budget van ongeveer 78 miljoen gulden (exclusief technische bijstand) beschikbaar gesteld, afkomstig uit EFRO, EOGFL en ESF. Financiële voortgang Het Doelstelling 5b-programma Groningen-Drenthe bestaat uit zes prioriteiten. Het ESFbudget is volledig geconcencentreerd in prioriteit D ‘Upgrading human resources’. De overige vijf prioriteiten worden gefinancierd uit EFRO en EOGFL. De financiële voortgang van het programma verloopt voorspoedig. Het EFRO/EOGFL-budget was rond september 1999 reeds volledig gecommitteerd. In de resterende periode tot en met eind 1999 zijn alleen middelen die als gevolg van vrijval beschikbaar komen nog aan projecten toegekend.

31

De uitputting van de ESF-middelen verliep in een minder hoog tempo. Halverwege 1999 was ongeveer de helft van het geld aan projecten toegekend. Als gevolg van extra inspanningen is in de tweede helft van 1999 een aanzienlijke versnelling opgetreden, waardoor het committeringspercentage in september reeds was opgelopen tot 84%. Eind 1999 is het budget dan ook vrijwel volledig uitgeput. Inhoudelijke voortgang Per prioriteit volgt een toelichting op de inhoudelijke voortgang, gemeten aan de hand van beoogde effecten in gecommitteerde projecten. A. Fysieke bedrijfsomgeving (EFRO) Binnen deze prioriteit zijn zoveel projecten gecommitteerd dat de indicatoren kilometers verbeterde vaarweg en hectare specifieke bedrijfslocaties hun doelwaarden hebben bereikt, terwijl het aantal hectare ontsloten terrein de doelstelling zelfs ver overstijgt. Alleen ten aanzien van de vestiging van bedrijven op nieuwe terreinen verloopt het programma teleurstellend. B. Bevordering land- en tuinbouw (EOGFL) De inhoudelijke voortgang wat betreft deze prioriteit is wisselend. De eerste maatregel binnen deze prioriteit (‘handhaving, versterking en kwaliteitsverbetering’) ligt vlak voor het einde van de committeringsperiode redelijk op schema, maar in het kader van de tweede maatregel (agrificatie) blijft het aantal deelnemers ver achter. Ten aanzien van de derde maatregel, het bevorderen van milieuvriendelijke landbouw, is aanzienlijke voortgang geboekt, waaronder diverse nieuwe voorbeeldbedrijven en een groot aantal voorlichtingsactiviteiten. C. Versterken bestaand bedrijfsleven/ontwikkelen MERA-cluster (EFRO) Over het algemeen ligt de voortgang van deze prioriteit op schema. Indicatoren als het aantal deelnemers aan versterking van bedrijfsfuncties, het aantal deelnemende bedrijven aan regelingen en het aantal deelnemende bedrijven aan implementatie van milieutechniek hebben vergeleken met de doelstellingen inmiddels hoge waarden bereikt. Alleen de ontwikkeling van MERA initiatieven, projecten met betrekking tot afvalverwerking, loopt achter. D. Upgrading human resources (ESF) Deze prioriteit bestaat geheel uit ESF-middelen. De inhoudelijke voortgang kan worden weergegeven aan de hand van het aantal deelnemers dat in gecommitteerde projecten is opgenomen. Wat betreft het aantal werkenden is de doelwaarde (van 1.950) ruim overschreden. Het scholen van werklozen is iets moeizamer verlopen, hoewel hiervoor in het EPD geen duidelijke doelwaarde is opgenomen. E. Bevordering toerisme (EFRO/EOGFL) Hierbij zijn een aantal indicatoren vastgesteld die ofwel een toename van het aantal bezoekers, dan wel uitbreiding van infrastructuur omvatten. De voortgang op dat terrein is bevredigend. De verwezenlijking van de doelstelling dat in totaal 1.100 arbeidsplaatsen behouden blijven verloopt daarentegen moeizaam. Daarnaast dienen in totaal 50 nieuwe arbeidsplaatsen te worden gecreëerd, waarvan in de laatste fase van de committeringsperiode nog slechts een gedeelte is gerealiseerd.

32

F. Ontwikkeling kwaliteit natuur, bos en landschap (EOGFL) Binnen deze prioriteit is er een maatregel die gericht is op functieveranderingen in de landbouw. Waar het gaat om het aantal ha natuurontwikkeling ligt het programma op koers. Het aantal tijdelijke arbeidsplaatsen is ook bevredigend, maar het aantal nieuwe en te behouden arbeidsplaatsen blijft achter. 1.7.5 Doelstelling 5b Fryslân Beschrijving van het programma Het Doelstelling 5b-programma Fryslân dat in de periode 1994-1999 wordt uitgevoerd beslaat het grootste deel van de provincie Fryslân. De ontwikkelingsstrategie die ten grondslag ligt aan het programma is gericht op het benutten en bevorderen van publieke en private ontwikkelingsmogelijkheden in Fryslân. Hierbij geldt als doelstelling het verminderen van de economische achterstand en het versterken van de basis en de opbouw van de economie in combinatie met het handhaven of verhogen van de kwaliteit van het natuurlijke milieu. Voor de implementatie van de strategie zijn twee subprogramma’s geformuleerd: I: Verbetering publieke vestigingscondities en directe stimulering in de marktsector. II: Bevorderen van de ontwikkelingsmogelijkheden van de toeristisch-recreatieve sector, uitvoering van het strategisch project de Blauwe Zone, bevorderen van natuur/recreatie in landinrichting alsmede de realisering van ecologische structuren. Voor de uitvoering van het D5b-programma is ongeveer 155 miljoen gulden aan Europese middelen beschikbaar gesteld, afkomstig uit zowel EFRO, EOGFL als ESF. Financiële voortgang De committeringen binnen het D5b-programma Fryslân liggen ruimschoots op schema. Halverwege juni ’99 was reeds 92% van het EFRO/EOGFL-budget aan projecten toegekend, dat aan het einde van het derde kwartaal was opgelopen tot 98%. Het EFRO/EOGFL-budget zal aan het einde van de committeringsperiode dan ook vrijwel volledig is uitgeput. Hetzelfde geldt voor het ESF-budget, dat volledig geconcentreerd is in het eerste subprogramma en halverwege 1999 reeds bijna geheel was toegekend. Inhoudelijke voortgang Voor het D5b-programma Fryslân zijn een aantal kwantificeerbare doelen opgesteld waarop het programma zich richt. Deze doelen zijn gegroepeerd rond een vijftal kernindicatoren: I. Toename werkgelegenheid (voor EFRO/EOGFL) De doelstelling is om een groot aantal structurele/potentiële arbeidsplaatsen te creëren en om een aantal arbeidsplaatsen te behouden. Een groot deel van de doelstelling is middels committering vastgelegd. Het aantal arbeidsplaatsen dat als gevolg van door het programma gesubsidieerde projecten behouden blijft overschrijdt de doelstelling zelfs driemaal. Het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen ligt op een redelijk peil, maar blijft achter op de doelwaarde.

33

II. Verbetering fysieke vestigingscondities (voor EFRO/EOGFL) De streefcijfers ten aanzien van dit thema betreffen met name de inrichting van bedrijventerreinen, de verbetering van bestaande terreinen en het aantal m2 bedrijfsverzamelgebouw en daarnaast indicatoren als het aantal hectare ingericht recreatieterrein en opgeloste knelpunten in wegen en vaarwegen. De doelen zijn middels committering grotendeels gehaald of worden overschreden. Alleen het aantal hectare verbeterde bedrijventerreinen blijft achter. III. Verbetering scholingsniveau Friese werknemer (ESF) De projecten die worden uitgevoerd binnen deze prioriteit worden geheel gefinancierd uit het ESF. Inmiddels zijn behoorlijke resultaten gehaald, gerekend in termen van geschoolde werknemers, geschoolde ondernemers en het aantal behouden arbeidsplaatsen. De nadruk binnen de ESF-projecten ligt sterk op het scholen van werkenden, hetgeen conform de intentie van het programma is. IV. Aanpassen nieuwe technologie en innovatie (voor EFRO/EOGFL) Het doel bij dit thema is om een vijftal kenniscentra uit te breiden en deelname van 750 bedrijven. Tegen het einde van de committeringsperiode is de uitbreiding van reeds negen kenniscentra in projecten vastgelegd en is een deelname van meer dan 1.300 bedrijven gerealiseerd. Dit onderdeel is derhalve zeer voorspoedig verlopen. V. Behoud/aanleg aantal hectares natuurterrein (EFRO/EOGFL) De realisatie van de doelen in het kader van dit thema is wisselend. Ten aanzien van het behoud van bestaande natuurterreinen loopt alles prima. Het programma is echter minder goed verlopen als het gaat om de aanleg van nieuwe natuurterreinen, waarvan in de laatste fase van de committeringsperiode slechts een beperkt deel van het beoogde aantal hectare in projecten is vastgelegd. 1.7.6 Lessen voor de toekomst Uit de uitvoering van de Europese programma’s in de periode 1989-1999 kan een aantal lessen getrokken worden voor de inhoud en uitvoering van het programma 2000-2006. Deels kunnen deze lessen afgeleid worden uit de analyse van de programma’s zoals die in de voorgaande paragrafen is beschreven. Daarnaast vormen de tussentijdse en eindevaluaties die van de programma’s zijn opgesteld een minstens zo belangrijke bron. De belangrijkste aandachtspunten worden hieronder aangestipt: • Het organiserend vermogen ofwel endogeen ontwikkelingspotentieel van de regio is onvoldoende ontwikkeld. Als gevolg van deze beperking komen met name kleinschalige (bedrijfsgerichte) projecten moeizaam van de grond. In het nieuwe programma zal de inbreng van de bedrijven vergroot worden door hen intensiever te betrekken bij de voorbereiding van (bedrijfsgerichte) projecten. De regio wordt gekenmerkt door een beperkte netwerkoriëntatie. Partijen werken te weinig samen en netwerken zijn onvoldoende met elkaar verknoopt. In het nieuwe programma zal de netwerkoriëntatie worden bevorderd door op projectbasis (bijvoorbeeld in clusterprojecten) netwerkvorming te stimuleren. Wat betreft het programmaniveau wordt de netwerkoriëntatie vergroot als gevolg van de samenwerking tussen de drie provincies in één programma (in plaats van drie programma’s).

34

• •

Grootschalige infrastructurele projecten lopen vaak vertraging op als gevolg van problemen in de cofinanciering en/of procedures. In het nieuwe programma zullen de eisen ten aanzien van de rijpheid van projecten aangescherpt worden. Dit mede ook vanuit de aangescherpte betalingssystematiek van de Europese Commissie. Op verzoek van de Europese Commissie is in de afgelopen jaren het accent verschoven van infrastructurele naar bedrijfsgerichte maatregelen. Het blijkt dat deze verschuiving niet geheel aansluit bij de kenmerken van de regio. Juist door de excentrische ligging van het Noorden is bereikbaarheid en dus infrastructuur van wezenlijk belang in de economische ontwikkeling. In het nieuwe programma zal daarom nog steeds ruim aandacht bestaan voor fysieke en infrastructurele maatregelen. Gebiedsgrenzen vormen vaak een belemmering bij de ontwikkeling en uitvoering van bedrijfsgerichte projecten. In het nieuwe programma wordt dit probleem grotendeels opgelost doordat één programmagebied is geselecteerd. Binnen de arbeidsmarktgerelateerde activiteiten in de voorgaande programma’s zijn scholingsacties voor werkenden over het algemeen voorspoedig verlopen, terwijl het scholen van werkzoekenden moeizamer ging. In het EPD 2000-2006 behoren scholingsacties voor zowel werkenden als werkzoekenden niet meer tot de mogelijkheden, aangezien het programma uitsluitend met EFRO-middelen wordt gefinancierd. Ondersteunende arbeidsmarktactiviteiten krijgen daarentegen wel een plaats binnen het EPD 2000-2006, onder meer op basis van de ervaringen die in voorgaande programma’s zijn opgedaan. In de huidige programma’s wordt weliswaar impliciet aandacht besteed aan het thema duurzaamheid maar komt het expliciet te weinig uit de verf. Enerzijds zou de milieutoets op projecten beter kunnen. Anderzijds zouden meer direct milieugerelateerde projecten ontwikkeld moeten worden. In het nieuwe programma worden milieu en duurzaamheid nog sterker aangezet. In de eerdere programma’s bestond relatief weinig aandacht voor het kwantificeren van effecten. Met name in de laatste periode (1997-1999) is deze situatie verbeterd. Als gevolg van eenduidige, goed te operationaliseren en meetbare indicatoren is de grip op het programma’s vergroot en bestaat de mogelijkheid om de programma’s beter te volgen en waar nodig bij te sturen. Verbeteringen zijn echter nog steeds noodzakelijk en gewenst, met name in de doorvertaling naar projectuitvoerders en het verkrijgen van hun commitment. Daarom zal in het nieuwe programma reeds vanaf de projectontwikkelfase aandacht worden besteed aan het aspect effectmeting.

35

Hoofdstuk 2

DE REGIONALE ONTWIKKELINGSSTRATEGIE: PRIORITEITEN EN MAATREGELEN

2.1

Inleiding

In het vorige hoofdstuk is op basis van de beschrijving van het sociaal-economisch profiel en de milieusituatie een sterkte-zwakte analyse opgesteld. Deze analyse vormt tezamen met de lessen die uit eerder uitgevoerde programma’s getrokken kunnen worden, het fundament voor de ontwikkelingsstrategie die hier wordt gepresenteerd. Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In de volgende paragraaf wordt de algemene ontwikkelingsvisie voor Noord-Nederland uiteen gezet. In paragraaf 2.2 wordt deze visie vertaald in een specifieke ontwikkelingsdoelstelling voor het Doelstelling 2- programma. Deze doelstelling wordt in paragraaf 2.3 en 2.4 uitgewerkt in een ontwikkelingsdoelstelling en -strategie die uitmondt in een aantal prioriteiten. Een tweetal accenten loopt als een rode draad door het hele programma. Het betreft de thema’s duurzaamheid en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Zij vormen de randvoorwaarden waaronder het programma en daarmee de projecten uitgevoerd worden. Deze twee thema’s worden in paragraaf 2.5 verder toegelicht. In de laatste paragraaf wordt aangegeven hoe het Doelstelling 2-beleid zich verhoudt tot andere regionale, nationale en Europese beleidskaders. 2.2 Ontwikkelingsvisie

De drie noordelijke provincies Friesland, Groningen en Drenthe hebben gezamenlijk een integrale ontwikkelingsstrategie voor de periode 2000-2010 opgesteld. Deze visie is neergelegd en uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma ‘Kompas voor het Noorden’ De uitgangspositie van Noord-Nederland rond het jaar 2000 wijkt af van die van andere delen van het land. De economie is minder robuust en door de sectorstructuur meer conjunctuurgevoelig. Het aandeel van productie (landbouw, industrie) is traditioneel groter dan van handel en diensten. Wel mag worden geconstateerd, dat er sprake is van een verschuiving naar producten met een hoge toegevoegde waarde. Opvallend zijn de hogere werkloosheid, de naar verhouding lage participatiegraad en het hoge aandeel gesubsidieerde arbeid. Ten opzichte van het verleden is de achterstand in het groeitempo inmiddels grotendeels ingelopen, mede als gevolg van stimuleringsmaatregelen. De ontwikkeling van de economie van Noord-Nederland houdt thans vrijwel gelijke tred met die van Nederland als geheel. Door de in het verleden opgelopen achterstand loopt Noord-Nederland echter wel twee passen achter.

36

Ruimtelijk gezien beschikt Noord-Nederland over kwaliteiten die veel andere regio’s moeten ontberen. Ruimte, rust en groen vormen de basis voor een goed woon- en werkklimaat en voor toeristische voorzieningen; ontwikkelingsmogelijkheden worden niet belemmerd door congestieverschijnselen; transportassen naar Noordoost-Europa vormen de ruggengraat van een sterk logistiek netwerk. De werkgelegenheid is niet gelijkmatig verdeeld, maar verdicht zich in een aantal duidelijk aan te wijzen economische kernzones. Keerzijde van deze omstandigheid is de geringe bevolkingsdichtheid en daardoor een gering draagvlak voor voorzieningen, zeker in het landelijk gebied maar ook in steden. Ondertussen ontwikkelt zich in de steden een onevenwichtigheid tussen het economisch actieve deel van de bevolking en (langdurig) werklozen. Tegen deze achtergrond: ruimtelijk, economisch en maatschappelijk, heeft Noord-Nederland duidelijk gekozen voor een driesporenbeleid, waarin duurzame economische groei (nodig om het verschil met de rest van het land in te lopen) gecombineerd wordt met behoud en versterking van natuurlijke, landschappelijke en milieuwaarden: • versterking van de marktsector en concentratie in economische kerngebieden; • vitale stedelijke centra; • een aantrekkelijk landelijk gebied als voorwaarde voor een evenwichtige ontwikkeling. Het motto luidt derhalve: een dynamische economie met sterke steden in een aantrekkelijke omgeving. Concentratie en selectiviteit zijn daarbij de sleutelbegrippen. Noord-Nederland zal er bij de ontwikkeling van initiatieven dan ook nadrukkelijk op toezien dat de beoogde concentratie van werkgelegenheid en bedrijvigheid daadwerkelijk plaatsvindt in de afgebakende economische kernzones. Deze kernzones zijn aangegeven in het kaartbeeld in bijlage E. De drie sporen zijn uitgewerkt in drie deelprogramma’s: “Economische kerngebieden / versterking marktsector”, “Stedelijke centra” en “Landelijk gebied”. De drie sporen versterken elkaar. Bundeling van wonen en werken in kernzones brengt agglomeratievoordelen met zich mee. Hierdoor wordt de diversiteit bevorderd en economische groei gestimuleerd. De vergroting van de kritische massa versterkt het draagvlak voor voorzieningen. Dit leidt vervolgens weer tot een aantrekkelijker vestigingsklimaat voor handel en diensten. Noord-Nederland kan hierdoor definitief afrekenen met het imago van een regio met “een ijle economische structuur”. Bovendien wordt door concentratie een schaaleffect bereikt waarmee transportassen, infrastructuur en logistiek netwerk optimaal benut worden. Juist in een regio met een kwetsbare economische structuur moet versnippering immers worden vermeden. Tegelijkertijd wordt de ruimtedruk op het landelijk gebied verminderd. De kwaliteiten van dit gebied kunnen hierdoor duurzaam benut worden, niet alleen als woonmilieu, maar ook voor de belangrijke economische sectoren landbouw en toerisme en recreatie. Tot slot beoogt Noord-Nederland met dit driesporenbeleid niet alleen een versterkte maar ook duurzame eigen groei te bereiken om het “faseverschil” met de rest van Nederland in te lopen. Tegelijkertijd levert de regio een bijdrage aan de oplossing van knelpunten elders, zoals de toenemende mobiliteit en de daardoor verslechterende bereikbaarheid, de toenemende krapte op de arbeidsmarkt en de aantasting van het woon- en leefklimaat. In die zin is er sprake van een “welbegrepen eigenbelang”. 37

2.3

Ontwikkelingsdoelstelling

Voor het Doelstelling 2-programma geldt dat de algemene ontwikkelingsstrategie voor het Noorden, zoals vastgelegd in Kompas, richting gevend is. Het programma concentreert zich daarbij op die elementen van Kompas die passen binnen de kaders van de Structuurfondsen, in het bijzonder in relatie tot EFRO. Rekeninghoudend met de ontwikkelingsstrategie uit Kompas en met de aard van de Structuurfondsen is de volgende doelstelling geformuleerd: Het inlopen van de economische achterstand van het Noorden ten opzichte van de rest van Nederland door het bevorderen van een dynamische en duurzame economie met sterke steden in een aantrekkelijke omgeving en gericht op het creëren van nieuwe en gelijke kansen voor de inwoners. Met dynamisch wordt gedoeld op een economie die ‘bestand’ is tegen trends en ontwikkelingen, die zich daar snel op kan aanpassen en daar zelfs een voorsprong mee kan behalen. Nieuwe bedrijvigheid, diversificatie en innovatie zijn daarbij sleutelbegrippen. Het begrip duurzaamheid houdt in dat zowel op milieu-, economisch als op sociaal gebied, acties een duurzaam karakter moeten hebben (zie ook paragraaf 2.5). Tot slot wordt in de doelstelling een accent gelegd op nieuwe en gelijke kansen voor de inwoners van de regio. Dit vanuit de optiek dat alle inwoners - en zoveel mogelijk in gelijke mate - uiteindelijk de vruchten moeten kunnen plukken van het gevoerde beleid. Doordat nieuwe banen gecreëerd worden of bestaande vacatures beter toegankelijk worden, doordat de omgeving waarin men woont en werkt aantrekkelijker wordt en doordat het regionaal inkomen wordt verhoogd. De hoofddoelstelling laat zich vertalen in de volgende subdoelstellingen: • • • • Het realiseren van kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod van vestigingslocaties voor nieuwe en bestaande bedrijven en de bereikbaarheid daarvan Het versterken van de concurrentiepositie van het bestaande bedrijfsleven en het aantrekken van nieuwe economische activiteiten onder meer door het stimuleren van investeringen, kennisontwikkeling en vernieuwingen Het bevorderen van een betere werking van de arbeidsmarkt met bijzondere aandacht voor het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie van groepen waarvan de participatiegraad laag is (gelijke kansen) Het vergroten van de aantrekkelijkheid van het leefklimaat van de regio (en daarmee van het vestigingsklimaat) door het optimaliseren van toeristisch recreatieve voorzieningen en de centrumpositie van de steden

De doelstelling en subdoelstellingen zijn uitgewerkt in een aantal sociaal-economische indicatoren waarvoor nul- en doelwaarden zijn bepaald. Deze zijn opgenomen in bijlage B.

38

2.4

Ontwikkelingsstrategie: prioriteiten en maatregelen

2.4.1 Inleiding ontwikkelingsstrategie Noord-Nederland kiest voor een drie sporenbeleid in zijn ruimtelijke, economische en maatschappelijke ontwikkelingsstrategie gericht op ‘economische kernzones/versterking marktsector’, ‘stedelijke centra en het ‘landelijk gebied’. Uit de SWOT-analyse blijkt dat elk deelgebied zijn eigen sterke en zwakke punten kent. Elk deelgebied vraagt dan ook om specifieke maatregelen. De financiering van deze maatregelen komt uit een divers aantal regionale, nationale en Europese bronnen. De aard en het karakter van de financieringsbron bepalen welke (onderdelen van) deelprogramma’s er uit gefinancierd worden. Bijkomend criterium is dat overlap voorkomen dient te worden; wat binnen het ene programma ondersteund kan worden, wordt niet uit het andere gefinancierd. De financieringsbron van het Doelstelling 2-programma (EFRO) is traditioneel (sociaal-) economisch van aard en is bedoeld voor economische structuur versterkende projecten. Vanuit deze optiek is er voor gekozen om vanuit het Doelstelling 2-programma de middelen hoofdzakelijk in te zetten op de deelgebieden ‘economische kernzones/versterking marktsector’ en ‘stedelijke centra’. Wat betreft het landelijk gebied worden binnen het Doelstelling 2-programma alleen acties ondersteund die direct in het verlengde liggen van de acties die binnen de kernzones/marktsector worden ondersteund. Concreet betekent dit dat economisch getinte maatregelen die in principe op de kernzones gericht zijn maar een bredere werking hebben dan de kernzones en dus ook voor het platteland relevant zijn, ondersteund worden. Dit geldt ook voor de ondersteuning van toeristische projecten op het platteland. Dit vanwege het directe economische belang van deze sector. De overige, specifieke plattelandsgerichte maatregelen uit het deelprogramma ‘landelijk gebied’ (landschapsversterking, leefbaarheid kleine kernen, herstructurering agrarische sector, et cetera) vallen buiten het Doelstelling 2-programma en worden uit het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) gefinancierd. Doordat specifiek plattelandsgerichte maatregelen niet uit het Doelstelling 2-programma gefinancierd worden, blijft er te weinig over van het deelprogramma Landelijk gebied en verliest het – althans binnen het Doelstelling 2-programma - zijn onderscheidend vermogen. Het ligt dan ook niet voor de hand om dit deelprogramma als aparte prioriteit in het programma op te nemen. De deelprogramma’s ‘economische kernzones/versterking marktsector’ en ‘stedelijke centra’ hebben wel duidelijk een eigen identiteit en worden dan ook als twee afzonderlijke prioriteiten opgenomen. De meer horizontale maatregelen, gericht op bestaande bedrijven die ook op het platteland en/of de steden van toepassing zijn worden daarbij opgenomen onder de prioriteit ‘Kernzones/versterking marktsector’. Aangezien deze hierdoor voor bepaalde onderdelen niet alleen meer betrekking heeft op de kernzones is de titel veranderd in ‘Versterking marktsector’.

39

De belangrijkste thema’s die ten aanzien van deze twee deelprogramma’s uit de SWOTanalyse kwamen zijn als maatregel opgenomen onder deze twee prioriteiten. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een aantal thema’s of maatregelen binnen zowel de prioriteit ‘Versterking marktsector’ als binnen de prioriteit ‘Stedelijke centra’ een rol speelt. Vaak gaat het echter binnen beide prioriteiten om een andere invulling of benadering van het thema. Dit is bijvoorbeeld het geval voor ‘toerisme’. In de stedelijke centra gaat het hier meer om bijvoorbeeld musea en dergelijke en in het overige gebied meer om de grootschalige attracties en voorzieningen (bijv. watersportvoorzieningen). Ook het onderwerp bedrijventerreinen vraagt in de stedelijke centra om andere accenten dan in het overig gebied, omdat het in de steden met name gaat om kantorenlocaties en kennisgeoriënteerde bedrijven. Wat betreft het thema ‘stimulering marktsector’ kan gesteld worden dat de invulling voor het stedelijk gebied nauwelijks afwijkt van die van de kernzones en het landelijk gebied. Vandaar dat is besloten om geen aparte maatregel binnen de prioriteit ‘Stedelijke centra’ op te nemen. In plaats daarvan heeft de maatregel ‘stimulering marktsector’ binnen prioriteit I grotendeels een bredere werking, namelijk het gehele Doelstelling 2-gebied. Tot slot vraagt het thema arbeidsmarktbeleid om een aparte behandeling. Uit de sociaaleconomische analyse blijkt dat de Noord-Nederlandse beroepsbevolking gekenmerkt wordt door flexibiliteit en loyaliteit. Bovendien beschikt het Noorden over een ruim aanbod van werknemers in vergelijking met andere regio’s. Met deze combinatie van arbeidsmentaliteit en relatief voldoende aanbod heeft het Noorden een sterke troef in handen en vormt het voor potentiële investeerders een aantrekkelijke vestigingsplaats. Dit voordeel moet uitgebuit worden en elke ontwikkeling die afbreuk zou kunnen doen aan deze positie van het Noorden moet in een vroeg stadium worden afgebroken. Dat betekent dat continu geïnvesteerd moet worden in een goed functionerende arbeidsmarkt, met aandacht voor zowel de vraag- als aanbodzijde. Vanuit deze optiek is het van belang dat de participatiegraad vergroot wordt en dat blijvend aandacht wordt besteed aan de kwaliteit van de beroepsbevolking, zoals ook in evaluaties van voorgaande programma’s is terug te vinden. Wat betreft het verhogen van de participatiegraad geldt bovendien dat hiermee impliciet ook bijgedragen wordt aan het creëren van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Vanwege het belang van arbeidsmarktbeleid, blijkend uit de sociaal-economische analyse en uit de effecten van het gevoerde beleid, wordt hiervoor een behoorlijk budget gereserveerd binnen een afzonderlijke prioriteit. Sociale cohesie door garantie van toegang voor allen tot werkgelegenheid is een belangrijk onderdeel binnen het thema duurzame ontwikkeling. Uit de SWOT-analyse bleek reeds dat de arbeidsmarktparticipatie in het Noorden relatief laag ligt. Dit heeft invloed op de economische positie van de inwoners van het Noorden. Tegelijkertijd zijn een goede werking van de arbeidsmarkt en voldoende aanbod van gekwalificeerd personeel belangrijke factoren in het vestigingsklimaat van de regio. Arbeidsmarktbeleid is dus vanuit meerdere invalshoeken van essentieel belang. Bovendien overschrijdt dit thema elke gebiedsindeling en is het in alle deelgebieden van even groot belang. Vandaar dat er voor gekozen is om het thema ‘Werking arbeidsmarkt’ tot een aparte prioriteit te benoemen.

40

De geformuleerde doelstelling in combinatie met de gegeven toelichting op de ontwikkelingsstrategie leiden tot de volgende indeling in prioriteiten en maatregelen: Prioriteit I Maatregel I.a Maatregel I.b Maatregel I.c Prioriteit II Maatregel II.a Maatregel II.b Prioriteit III Maatregel III.a Prioriteit IV Maatregel IV.a Maatregel IV.b Versterking marktsector Verbetering vestigingsvoorwaarden nieuwe en bestaande bedrijven Stimulering marktsector Versterking toeristische infrastructuur Ontwikkeling stedelijke kernen Verbeteren bedrijfslocaties in stedelijke kernen Stedelijke voorzieningen en stedelijke economie Werking arbeidsmarkt Werking arbeidsmarkt Technische Bijstand Technische Bijstand Beheer Technische Bijstand Overig

2.4.2 Beschrijving van de prioriteiten en maatregelen De prioriteiten en maatregelen hangen zeer nauw samen met elkaar, versterken elkaar en geven gezamenlijk inhoud aan de doelstelling. De inhoud van de prioriteiten en de onderlinge samenhang worden in het navolgende aangegeven. De prioriteiten en maatregelen worden daarbij eerst meer algemeen en op hoofdlijnen beschreven. Aansluitend is – in paragraaf 2.4.3 – per maatregel nog een puntsgewijze opsomming opgenomen van de beoogde acties die met name binnen de maatregel worden voorzien. Een meer gedetailleerde beschrijving van de maatregelen vindt overigens plaats in het programmacomplement. Prioriteit I Versterking marktsector

Deze prioriteit heeft betrekking op het stimuleren van nieuwe economische activiteiten in de marktsector door het aantrekken van nieuwe bedrijven en het versterken van bestaande bedrijven. Versterking van de marktsector wordt in de eerste plaats gerealiseerd door het realiseren van fysieke vestigingsvoorwaarden. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om het aanbieden van kwalitatief en kwantitatief voldoende huisvestingsmogelijkheden (bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen) aan nieuwe en bestaande bedrijven en om het bevorderen van de bereikbaarheid van de economische kernzones. Deze fysieke component van het stimuleren van de marktsector staat binnen maatregel I.a centraal. Noord-Nederland kiest daarbij voor concentratie van economische activiteiten in vijf kernzones. In aansluiting op de ruimtelijk-economische ontwikkeling in de afgelopen decennia gaat het hierbij om: • de regio Groningen - Assen - Veendam - Winschoten • de regio Sneek - Heerenveen – Drachten (A7-zone) • de zone Meppel-Hoogeveen-Coevorden-Emmen • het gebied Leeuwarden - Harlingen (Westergo-zone) • het Eemsmondgebied 41

Door deze concentratie wordt niet alleen de werkgelegenheid in het algemeen bevorderd, maar wordt tevens het beeld van de geringe bedrijvendichtheid op termijn rechtgezet. Tijdens de uitvoering van het programma zal bij indiening van projectvoorstellen worden beoordeeld of het project daadwerkelijk van toepassing is op deze afgebakende economische kernzones. Deze economische kernzones zijn in beeld gebracht op de kaart zoals die is opgenomen in bijlage E. Voor veel typen bedrijvigheid biedt het Noorden hiermee een goede vestigingsplaats. Klassieke industrie, zoals metaal, elektro, kunststof en de grafische sector sluiten uitstekend aan bij de mogelijkheden van de regio. Maar ook dienstverlenende bedrijven, groothandel en financiële instellingen kunnen in de kernzones hun plaats vinden. Speciale aandacht verdienen ook de groeisectoren zoals bijvoorbeeld informatie- en communicatietechnologie, kunststof en medische technologie. Aansluitend bij de sterkten mag gesteld worden dat ook ruimteextensieve bedrijvigheid, die elders vaak moeilijk of tegen hoge kosten locaties kan vinden, in de kernzones van Noord-Nederland goed bereikbare en voldoende ruimte kan worden aangeboden. Specifieke terreinen voor kantoren zijn gelegen in de grote steden van de kernzones, met name Groningen en Leeuwarden. Deze terreinen vallen onder prioriteit II. Behalve het invullen van de fysieke randvoorwaarden is het beleid tevens gericht op het direct stimuleren van de marktsector. Daarbij gaat het om het verbeteren van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven door vernieuwende activiteiten in de bedrijven zelf te bevorderen. Activiteiten hebben in dit geval niet alleen betrekking op de kernzones, maar zijn in het gehele gebied van kracht. Waar bedrijven zich ook bevinden, zij moeten altijd omgaan met uitdagingen die voortkomen uit (technologische) vernieuwingen die gevolgen hebben voor het product of het productieproces, toenemende internationale concurrentie, toenemend belang van exportgerichtheid en clustervorming, een toenemend gebruik van informatie- en communicatietechnologie en hogere eisen op het gebied van milieu. Het EPD beoogt het bedrijfsleven hierbij te ondersteunen en te stimuleren. Ook andere ontwikkelingen voor het bedrijfsleven zijn daarbij relevant, zoals de veranderingen in het personeelsbeleid en de hogere eisen op het gebied van management. Met name in het midden- en kleinbedrijf (MKB), de afgelopen jaren de groeimotor bij uitstek, vormt de beperkte beschikbaarheid van hoger en midden kaderpersoneel vaak een belemmering in de concurrentiestrijd. Dit gebrek aan kaderpersoneel valt te beschouwen als een van de voornaamste belemmeringen in de ontwikkelingen van kleine en middelgrote ondernemingen. De vernieuwing van producten en productieprocessen is derhalve gebaat bij verhoging van de kennisintensiteit in het MKB. Specifieke maatregelen gericht op human resource en personeelsbeleid vallen onder prioriteit III. Alle andere innovatiegerichte maatregelen vallen onder maatregel I.b.

42

Met het oog op het stimuleren van het bedrijfsleven (inclusief de toeristische sector) wordt maatregel 1.b voor een belangrijk deel ingevuld met een aantal regelingen voor het bedrijfsleven. Op de eerste plaats zal een Investeringspremieregeling (IPR) worden opgezet, gericht op het bevorderen van investeringen door het bedrijfsleven, voornamelijk door het MKB. Hierbij is het onderscheid tussen kernzones en niet-kernzones wel weer van belang. Nieuwe investeringen van het bedrijfsleven zullen namelijk uitsluitend in de kernzones worden gestimuleerd. Verder wordt een Noordelijke InnovatieOndersteuningsFaciliteit (NIOF 2000) voorzien, die moet bijdragen aan de verhoging van het kennisniveau binnen het bedrijfsleven. Binnen deze regeling kan het bedrijfsleven specifieke strategische bedrijfsactiviteiten voordragen voor subsidiëring. Voor investeringen door de toeristische sector wordt een specifieke regeling voorzien in de vorm van de Subsidieregeling Kleine Investeringen in de Toeristische Sector (KITS 2000). Verder bestaan plannen om een financieringsfaciliteit voor bestaande en startende ondernemers te creëren, bijvoorbeeld in de vorm van een zogenaamd Venture Capital Fund. Een marktsector die voor Noord-Nederland - ook vanwege zijn groeipotentieel - van bijzondere betekenis is betreft de toeristische sector. In de eerste plaats levert deze sector direct werkgelegenheid op. In de tweede plaats draagt een aantrekkelijk toeristisch product bij aan het woon- en werkklimaat van de regio en daarmee aan de aantrekkelijkheid voor potentiële investeerders. Daar waar het beleid betrekking heeft op het bevorderen van het toeristische ondernemerschap en het professionaliseren van de sector, liggen er mogelijkheden binnen maatregel I.b. Wat betreft de fysieke aspecten vraagt de toeristische sector om een aparte behandeling. Hier kunnen we niet volstaan met ‘slechts’ het aanbieden van geschikte bedrijvenlocaties. Van de overheid wordt hier een belangrijke voorwaardenscheppende rol verwacht in het realiseren van de toeristische omgeving en kernelementen in het toeristisch product. In maatregel I.c staat de toeristische infrastructuur (voor zover niet gerelateerd aan de stedelijke kernen) centraal. Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen De steden hebben een specifieke functie in de economische ontwikkeling van het Noorden. Uit de sociaal-economische analyse blijkt dat de steden gekenmerkt worden door een zeer sterke oververtegenwoordiging van de (sterk groeiende) zakelijke dienstverlening. Bovendien bieden de steden huisvesting aan kennisinstellingen. Direct, maar ook indirect als spin-off binnen kennisgeoriënteerde bedrijven, ligt ook hier een belangrijke bron van werkgelegenheid. Het is van belang dat de banenmotors van de stedelijke economie fysiek de ruimte hebben om zich verder te ontwikkelen. Binnen maatregel II.a wordt daarom ruimte gecreëerd voor het verbeteren van bedrijfslocaties in stedelijke kernen. In tegenstelling tot maatregel I.a ligt het accent op revitalisering, kantorenlocaties, kleinschaligheid, intensief ruimtegebruik en concentratie in de stedelijke kernen. De functie van de steden binnen de noordelijke economie is echter meeromvattend dan alleen het genereren van directe werkgelegenheid. Binnen de steden zijn voorzieningen geconcentreerd die een aantrekkingskracht hebben op mensen (en daarmee bedrijven). Hier ligt een belangrijke link tussen de stedelijke ontwikkeling en de ontwikkeling van de marktsector in de kernzones. Het is van belang dat het voorzieningenniveau in de steden op peil blijft. Binnen de context van het Doelstelling 2-programma gaat het dan in het bijzonder om de toeristische en culturele voorzieningen. Deze voorzieningen leveren bovendien ook weer directe werkgelegenheid binnen de steden op.

43

De aantrekkelijkheid van de steden dreigt echter in gevaar te komen door een toenemende dreiging van sociale tweedeling en verpaupering van het stedelijk gebied. Het stimuleren van de stedelijke wijk- en buurteconomie is noodzakelijk om deze tendens te keren. Voorzieningen alleen bieden onvoldoende soelaas om de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de steden te behouden. Binnen maatregel II.b liggen dan ook mogelijkheden voor een combinatie van het versterken van stedelijke voorzieningen en stedelijke economie. Prioriteit III Werking arbeidsmarkt Binnen prioriteit I staat versterking van de marktsector centraal. Het accent ligt binnen deze prioriteit op het realiseren van de fysieke vestigingsvoorwaarden en de meer ‘zachte’ maatregelen gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven. Een derde belangrijk aspect binnen de versterking van de marktsector betreft de werking van de arbeidsmarkt. Ontwikkeling en groei van de marktsector staat of valt met de beschikbaarheid van kwalitatief en kwantitatief voldoende personeel. Dit geldt niet alleen voor het aanwezige bedrijfsleven, maar is ook van belang voor de aantrekkingskracht op nieuwe bedrijven. In het Noorden dreigen op dit vlak echter knelpunten te ontstaan. Enerzijds is sprake van groeiende tekorten aan adequaat gekwalificeerde werknemers. Dit vormt een rem op het vernieuwingsvermogen en daarmee de concurrentiekracht van het bedrijfsleven. Anderzijds wordt de groei van de marktsector in toenemende mate bedreigd door kwantitatieve personeelstekorten in bepaalde sectoren. Scholing van werkenden en werkzoekenden is één van de instrumenten om de (dreigende) problematiek op de arbeidsmarkt het hoofd te kunnen bieden. Ook in Noord-Nederland wordt hier het belang van onderkend, hoewel scholingsacties geen deel uit maken van het EPD 2000-2006. Andere programma’s, zoals het Doelstelling 3-programma, bieden immers reeds de mogelijkheid om scholingsacties te financieren. Het EPD voor Noord-Nederland richt zich daarentegen met prioriteit III op meer voorwaardenscheppende en experimentele maatregelen om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren. De arbeidsmarktproblematiek is complex en vraagt om een geïntegreerde aanpak van zowel de aanbod- als vraagzijde en om de matching van beide. Professionalisering van het kaderpersoneel speelt in dat opzicht een belangrijke rol, waarbij het specifiek gaat om het voeren van een goed human resourcebeleid. Dit laat met name bij het MKB te wensen over. Om die reden zal in het kader van het EPD onder meer een Human Resource Management regeling worden opgezet. Daarmee beoogt het EPD de professionalisering van het human resourcebeleid te bevorderen en bedrijven beter in staat te stellen tegemoet te komen aan hun kwalitatieve en kwantitatieve personeelsbehoefte. Het op peil houden van de inzetbaarheid en behoud en versterking van de arbeidsproductiviteit is in dat kader (mede vanuit het oogpunt van duurzaamheid) van essentieel belang. In toenemende mate moet daarbij rekening worden gehouden met de veranderende behoeften en wensen van de werknemers, bijvoorbeeld op het gebied van combinatie van arbeids- en zorgtaken.

44

Verder moet er ruimte zijn voor allerlei andere experimenten die bijdragen aan een betere werking van de arbeidsmarkt. Specifiek wordt het belang van het afstemmen van beroepsgericht onderwijs en bedrijfsleven belicht. Het beroepsgericht onderwijs is immers een belangrijke toeleverancier van (potentiële) arbeidskrachten en heeft bovendien een functie in het scholen van zittend personeel. Deze arbeidsmarktgerichte maatregelen zijn ondergebracht in maatregel III.a. Prioriteit IV Technische Bijstand De uitvoering van Europese programma’s vraagt een bijzondere inzet op het gebied van beheer en begeleiding. Bestuurlijk is een en ander geregeld via de diverse besluitvormende organen in de organisatiestructuur. De activiteiten van deze instellingen zullen echter ondersteund moeten worden door een deskundig apparaat verantwoordelijk voor alle uitvoerende programmabeheeractiviteiten. Deze activiteiten lopen vanaf project intake tot en met finale afronding van projecten. Binnen de programma’s dient hier in te worden voorzien via het onderdeel ‘Technische Bijstand’. De aan deze Technische Bijstand verbonden kosten kunnen gefinancierd worden uit de programmabudgetten mits ook hier cofinanciering door de lidstaat beschikbaar wordt gesteld (50%). De activiteiten binnen Technische Bijstand vallen uiteen in beheersmatige activiteiten alsmede overige activiteiten, onder meer op het gebied van onderzoek en publiciteit. Maatregel IV.a richt zich op de beheersmatige activiteiten die in het kader van het programmamanagement moeten worden uitgevoerd. Hieronder valt op de eerste plaats de begeleiding van het gehele traject dat projecten binnen het programma dienen te doorlopen. Het gaat in dat kader om alle activiteiten vanaf de projectintake tot en met de finale afronding van projecten. Verder worden onder meer de financiële administratie en het financieel beheer van het programma binnen maatregel IV.a uitgevoerd, terwijl ook de ondersteuning van de bestuurlijke structuur en andere secretariaatswerkzaamheden tot de mogelijke acties behoren. Overige activiteiten binnen Technische Bijstand kunnen worden ondergebracht bij maatregel IV.b. Daarbij wordt onder meer gedacht aan de activiteiten en informatievoorziening die in het kader van de promotie- en publiciteitsstrategie moeten plaatsvinden. Voorts behoren ook diverse activiteiten op het gebied van evaluatie en onderzoek tot maatregel IV.b. Ook kosten verbonden aan de aanschaf van computersystemen voor management, monitoring en evaluatie kunnen hier bijvoorbeeld worden ondergebracht.

45

2.4.3 Accenten per maatregel Per maatregel (exclusief Technische Bijstand) volgt een korte opsomming van de belangrijkste inhoudelijke accenten die worden gelegd. Uiteraard is deze opsomming niet uitputtend. Een meer uitgebreide toelichting op de inhoud van de maatregelen wordt opgenomen in het programmacomplement: Maatregel I.a Verbetering vestigingsvoorwaarden nieuwe en bestaande bedrijven • De aanleg van nieuwe bedrijventerreinen in de economische kernzones en enkele geselecteerde locaties daarbuiten, passend in het landschap, alsmede de ontwikkeling van logistieke voorzieningen in de vorm van publieke terminals. • De revitalisering van bestaande, goed gesitueerde bedrijventerreinen zodat deze voldoen aan de wensen van deze tijd en passen in de relatief groene omgeving van NoordNederland. • De ontwikkeling van flexibele huisvesting voor (jonge) ondernemers, waarbij in het bijzonder wordt ingezet op het bouwen en verbouwen van bedrijfsgebouwen. • Het verbeteren van de bereikbaarheid van de economische kernzones - en dan met name van de (binnen-)steden, kantoorlocaties en bedrijventerreinen – door investeringen in infrastructuur met een duidelijke link met economische ontwikkeling. Maatregel I.b Stimulering marktsector • Stimuleringsregelingen en financieringsinstrumenten gericht op het verhogen van het kennisniveau van het MKB, het aantrekken van MKB-bedrijven en het bevorderen van starters en ondernemerschap (voorbeelden van regelingen en financieringsinstrumenten zijn genoemd in de maatregelbeschrijving). • Het bevorderen en ondersteunen van de verspreiding van innovatieve kennis en nieuwe ontwikkelingen onder het bedrijfsleven door intermediaire en andere organisaties. • Het door middel van branchedoorlichtingen identificeren van perspectiefrijke ontwikkelingsmogelijkheden voor bepaalde sectoren en deze omzetten in sectorale structuurversterkende projecten. • Stimulering van kennisontwikkeling door versterking van het regionale (met name bestaande) kennisaanbod. Maatregel I.c Versterking toeristische infrastructuur • Versterking van de toeristische omgeving door verbetering, uitbreiding en vernieuwing van diverse routestructuren, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de aantrekkingskracht van het landschap en de aanwezige natuur. • Diversificatie en kwaliteitsverbetering van het aanbod van recreatief-toeristische voorzieningen en productontwikkeling in de toeristisch-recreatieve sector door met name fysieke investeringen. • Het verbeteren van de watersportmogelijkheden in Noord-Nederland, met name door het verruimen van de toer- en pleziervaartmogelijkheden en het verbeteren van aanlegvoorzieningen en watersportkernen.

46

Maatregel II.a Verbeteren bedrijfslocaties in stedelijke kernen • Het vernieuwen en herontwikkelen van stationsgebieden in de steden ten behoeve van met name kantoorfuncties, waarbij intensief ruimtegebruik, versterking van de stedelijke en economische functies en een goede verbinding met het stadscentrum wordt nagestreefd. • Herontwikkeling van kleine, niet goed gesitueerde bedrijventerreinen in binnensteden en bij stations alsmede de ontwikkeling en herinrichting van kleinschalige bedrijfslocaties en gebouwen voor bedrijfsactiviteiten. • Het ontwikkelen van bedrijfslocaties en bedrijfshuisvestingsmogelijkheden nabij kennisinstituten ten behoeve van kennisgeoriënteerde bedrijven. Maatregel II.b Stedelijke voorzieningen en stedelijke economie • Het versterken van het aanbod van stuwende recreatief-toeristische en culturele voorzieningen in de steden, waar mogelijk in combinatie met het behoud en beheer van het cultuurhistorisch erfgoed. • Het bevorderen van economische bedrijvigheid en vitaliteit op wijk- en buurtniveau, onder meer door lokale initiatieven waarbij nieuwe economische activiteiten worden opgezocht en begeleid alsmede acties die zich richten op het bevorderen van de leefbaarheid in de wijken en buurten. Maatregel III.a Werking arbeidsmarkt • Het bevorderen van een beter human resourcebeleid bij bedrijven en het optimaliseren van de kwaliteit van het management en ondernemerschap op het gebied van human resources (onder meer in de vorm van een Human Resource Management regeling). • Het stimuleren van experimentele, innovatieve initiatieven die bijdragen aan een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. • Het verbeteren van de toeleiding van schoolverlaters naar de arbeidsmarkt in kwalitatieve en kwantitatieve zin door de afstemming tussen het beroepsgericht onderwijs en het bedrijfsleven te verbeteren. 2.4.4 Programma-output op prioriteitsniveau In paragraaf 2.3 zijn reeds kwalitatieve doelstellingen beschreven, die via de sociaaleconomische indicatoren (impact) in bijlage B zijn vertaald in kwantitatieve doelstellingen. Het betreft indicatoren op gebiedsniveau. Daarnaast wenst de Europese Commissie conform artikel 19 lid 3a van verordening 1260/1999 inzicht in de specifieke doelstellingen van de gekozen strategie en prioriteiten. Deze dienen te worden gekwantificeerd indien de aard van de doelstellingen zich daarvoor leent. Het gaat daarbij om de zogenaamde programmaindicatoren. Deze zijn een logisch gevolg van de inzet van Europese middelen in de onderscheiden maatregelen van het programma en worden derhalve nader gedefinieerd in het later op te stellen programmacomplement. Toch kan in het EPD reeds een aantal indicatoren en beoogde effecten op prioriteitsniveau worden onderscheiden. In het navolgende is per prioriteit (excl. Technische Bijstand) een aantal indicatoren opgenomen met de streefwaarde voor het einde van de uitvoeringsperiode (eind 2008). Daarbij moet worden opgemerkt dat de streefwaarden een schatting betreffen en derhalve een indicatief karakter hebben.

47

Prioriteit I

Versterking marktsector Indicator

Type

Bruto gecreëerde werkgelegenheid (aantal fte) Resultaat Aantal (netto) hectare nieuw ontwikkeld of gerevitaliseerd bedrijventerrein Output Aantal MKB-bedrijven dat financiële bijstand ontvangt Output Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen Indicator Bruto gecreëerde werkgelegenheid (aantal fte) Aantal hectare gerevitaliseerd bedrijventerrein (bruto) Aantal m2 nieuw ontwikkeld of gerenoveerd kantoorvloeroppervlak Prioriteit III Werking arbeidsmarkt Indicator

Streefwaarde 2008 4.370 345 3.500

Type Resultaat Output Output

Streefwaarde 2008 1.860 150 175.000

Type

Bruto gecreëerde werkgelegenheid (aantal fte) Resultaat Aantal deelnemende MKB-bedrijven aan Human Resource-trajecten Resultaat * Met betrekking tot prioriteit III geldt dat de indicator ‘bruto gecreëerde werkgelegenheid’ niet is

Streefwaarde 2008 * 750

gekwantificeerd. Dit wil niet zeggen dat geen werkgelegenheidseffecten worden verwacht. Anders bij de overige prioriteiten gaat het hier om acties die een sterk innovatief karakter dragen en leiden tot structuurversterking bij bedrijven zelf of in het netwerk, waarvoor kengetallen niet voorhanden zijn. Er is derhalve geen kader dat een onderbouwde schatting van de verwachte effecten mogelijk maakt. Beoogd wordt om deze indicator binnen prioriteit III in het programmacomplement verder invulling te geven.

Een aantal van de hiervoor genoemde indicatoren worden ook gebruikt als prestatieindicatoren. Op basis van (onder meer) deze indicatoren zal tijdens de looptijd van het programma worden beoordeeld of het EPD Noord-Nederland in aanmerking komt voor de achtergehouden prestatiereserve. Meer informatie over toekenning en verdeling van de prestatiereserve is opgenomen in bijlage F van het EPD. 2.5 Beleidsaccenten

In de uitvoering van het programma loopt een tweetal beleidsaccenten als een rode draad door alle maatregelen. Het gaat hierbij om de thema’s ‘duurzaamheid’ en ‘gelijke kansen’. Duurzaamheid De Doelstelling 2-regio Groningen/Drenthe heeft gefungeerd als pilotregio voor het uittesten van de methodologie die in opdracht van de Europese Commissie ontwikkeld is ten behoeve van het onderzoek naar de relatie tussen Doelstelling 2-beleid en duurzame ontwikkeling. Geconcludeerd werd dat duurzaamheid binnen het programma 1997-1999 weliswaar impliciet wordt gestimuleerd, maar dat een verdere explicitering wenselijk en mogelijk zou zijn.

48

Duurzame ontwikkeling wordt maatschappelijk breed ondersteund. Dit komt onder meer tot uiting in de nieuwe bestuursprogramma's van provinciale staten en in de provinciale omgevingsplannen. Daarnaast vergen de Europese programma's een duidelijke toetsing van projecten op duurzame ontwikkeling. Het is mogelijk via dit criterium het Noorden een onderscheidend karakter te geven. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Het gaat daarbij niet alleen om milieu, maar ook om economische en sociale belangen (zoals welvaart, goede concurrentiepositie, voldoende werk, veiligheid, lagere lasten, gezondheid en zorg voor de leefomgeving). Essentieel is dat duurzame ontwikkeling geen eindstation kent, maar een maatschappelijk proces is, dat invulling krijgt in een continue afweging van belangen. Vanuit deze gedachte heeft het Noorden de intentie om in het programma 2000-2006 een sterker en explicieter accent op het thema duurzame ontwikkeling te leggen. Daarbij wordt duurzaamheid geïnterpreteerd in de breedste zin van het woord en wordt de volgende definitie gehanteerd: Het begrip duurzaam duidt op de samenhang die wordt nagestreefd tussen de volgende drie doelen voor zowel huidige als toekomstige generaties: • Duurzame niet-inflatoire economische ontwikkeling • Sociale cohesie door garantie van toegang voor allen tot werkgelegenheid en hoge kwaliteit van leven • Behoud en verbetering van het natuurlijk kapitaal waarvan alle leven afhankelijk is Om invulling te geven aan het begrip duurzaamheid wordt een aantal acties voorzien ten aanzien van de inhoud en het proces van het programma. Inhoud In de ontwikkelingsdoelstelling is het thema duurzaamheid opgenomen. Deze lijn wordt doorgetrokken naar de prioriteiten en maatregelen. Via nader op te stellen selectie- en prioriteitscriteria zal bevorderd worden dat projecten een duurzaam karakter hebben. Voor prioriteit I ‘Werking marktsector’ betekent dit bijvoorbeeld dat de volgende accenten gelegd worden: duurzame bedrijventerreinen, het stimuleren van innovaties op milieugebied, het stimuleren van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting, het bevorderen van duurzaam produceren, duurzaam toerisme, et cetera. Voor prioriteit II ‘Stedelijke centra’ betekent dit onder meer dat prioriteit wordt gegeven aan duurzame vitalisering, het bevorderen van een beter ruimtegebruik, het verbeteren van de milieusituatie in de steden, duurzame stedelijke economie, et cetera. Binnen prioriteit III ligt het accent op bewustmaken van (kader)personeel van het belang van duurzaamheid, het bevorderen van een duurzame inzet van werknemers en het bieden van kansen op duurzame inschakeling in het arbeidsproces voor iedereen.

49

Proces Het is van belang dat vanaf de eerste stap in de projectontwikkeling aan duurzaamheidsaspecten aandacht wordt besteed. In de vorige programma’s was het programmamanagement echter in vele gevallen pas gesprekspartner op het moment dat reeds diverse stappen in de projectontwikkeling hadden plaatsgevonden. Daarom wordt voor het nieuwe Doelstelling 2-programma gedacht aan het verzorgen van voorlichting aan potentiële projectindieners door middel van bijeenkomsten, het belichten van "good practices" en de uitgave van een folder of brochure. Tevens zal worden bekeken in hoeverre de vraagstelling op het subsidieaanvraagformulier meer gericht kan worden op het bevorderen van een actieve houding van de projectindiener om vroegtijdig aandacht te geven aan duurzaamheidsaspecten. Waar mogelijk zullen de bij het Doelstelling 2-programma betrokken provincies het initiatief nemen om reeds in het projectvoorbereidend stadium het thema duurzaamheid invulling te geven (zo zijn bijvoorbeeld al acties gericht op de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen in gang gezet). Verder wordt gezocht naar een (beperkt) aantal toepasbare indicatoren op programma- en maatregelniveau. Reeds in het lopende programma zijn in voorkomende gevallen enkele indicatoren op projectniveau onderscheiden die recht doen aan het duurzaamheidskarakter van die projecten. Gelijke kansen voor mannen en vrouwen Gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen is een democratisch basisbeginsel dat in het Verdrag van Amsterdam wordt benadrukt. Ook in Noord-Nederland geldt een geringe arbeidsdeelname van vrouwen. Het streven is om de participatiegraad te verhogen. In het verleden werd hiertoe doelgroepenbeleid gevoerd. Binnen dit programma wordt getracht om meer vanuit voorwaardenscheppende maatregelen de participatie van vrouwen te bevorderen. Dit komt met name tot uitdrukking in maatregel III.a ‘Werking arbeidsmarkt’. Binnen deze maatregel wordt aandacht besteed aan human resourcebeleid. Het aspect gelijke kansen vormt daarin uiteraard een belangrijk element. Ook biedt de maatregel ruimte aan experimenten om tot een betere matching van vraag en aanbod te komen. Hier worden expliciet maatregelen bedoeld die de inschakeling van vrouwen in het arbeidsproces vergemakkelijken, zoals telewerken en kinderopvang. In de andere maatregelen is impliciet aandacht voor gelijke kansen. Zo zal bij het stimuleren van starters en jong ondernemerschap nadrukkelijk aandacht worden besteed aan vrouwelijke ondernemers. En ook binnen de stedelijke en wijkeconomie wordt expliciet aandacht besteed aan gelijke kansen. Evenals voor het thema duurzaamheid geldt dat binnen de gehele procesgang waar mogelijk expliciet aandacht wordt besteed aan het thema gelijke kansen. Dit betekent onder meer dat het thema onder de aandacht wordt gebracht via brochures, voorlichtingsbijeenkomsten, het aanvraagformulier, et cetera.

50

2.6

Synergie met regionaal, nationaal en communautair beleid

Bij het opstellen van het EPD voor Noord-Nederland is rekening gehouden met beleidskaders van regionale, nationale en Europese overheden die relevant zijn voor het programmagebied. Derhalve heeft afstemming plaatsgevonden met diverse beleidsstukken van de drie noordelijke provincies (paragraaf 2.6.1), de Rijksoverheid (paragraaf 2.6.2) en de Europese Commissie (paragraaf 2.6.3) alsmede andere Europees gefinancierde programma’s die na 2000 voor Noord-Nederland van kracht zijn (paragraaf 2.6.4). Hiermee wordt beoogd het EPD Noord-Nederland zo optimaal mogelijk aan te laten sluiten bij andere beleidskaders en programma’s om op die wijze synergie tot stand te brengen. Vanwege de verwevenheid tussen de verschillende beleidsniveaus en de specifieke aandacht die het thema vraagt, is er voor gekozen om milieubeleid als aparte paragraaf (2.6.5) op te nemen. Derhalve blijft het onderdeel milieu in de andere paragrafen buiten beschouwing. 2.6.1 Regionale beleidskaders ‘Kompas voor het Noorden’ Bij het bepalen van het regionaal beleid in Noord-Nederland hebben de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân de handen ineengeslagen en samen één algemene ontwikkelingsstrategie opgesteld voor de periode vanaf 2000. Deze is uitgewerkt in de nota ‘Kompas voor het Noorden’ en vormt de leidraad voor de regionaal-economische ontwikkeling van geheel Noord-Nederland. Bij de beschrijving van de ontwikkelingsvisie (paragraaf 2.2) en ontwikkelingsdoelstelling (paragraaf 2.3) is reeds aangegeven dat Kompas richtinggevend is voor het EPD NoordNederland. Verder blijkt uit hoofdstuk 4 dat de uitvoeringsstructuur van het EPD deel uit maakt van de uitvoeringsstructuur van het gehele Kompas. Zowel bij het opstellen als het uitvoeren van het EPD is afstemming met de regionale beleidskaders van Noord-Nederland in de vorm van Kompas dan ook verzekerd. Regelingen Het economisch structuurversterkend beleid dat in Noord-Nederland wordt gevoerd wordt voor een deel vormgegeven door stimuleringsregelingen. In de periode tot en met 1999 zijn dat bijvoorbeeld regelingen als de Regeling Bedrijfsgerichte Stimulering (RBS), de Investeringspremieregeling (IPR), het Venture Capital Fund en de Kleinschalige Investeringsregeling Toeristische Sector (KITS). Zeker is dat ook in de periode na 2000 bepaalde regelingen in Noord-Nederland zullen worden voortgezet. De vorm waarin dat gebeurt is op het moment van opstellen van dit EPD echter nog niet bekend en is afhankelijk van de ervaringen die in het verleden zijn opgedaan en de gebleken effectiviteit van de regelingen. Ongeacht de aanpassingen die de regelingen voor de periode na 2000 zullen ondergaan, wordt in alle gevallen afstemming met het EPD Noord-Nederland gezocht.

51

2.6.2 Nationale beleidskaders Het EPD voor Noord-Nederland probeert zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij nationale beleidskaders. In dat verband wordt rekening gehouden met een aantal uitgangspunten van de Rijksoverheid, die in de volgende beleidsnota’s zijn verwoord: ‘Ruimtelijk-economisch beleid: dynamiek in netwerken’ In deze nota benadrukt de Rijksoverheid het belang van werkgelegenheidsgroei om de grote inactiviteit in Nederland tegen te gaan. Deze werkgelegenheidsgroei moet worden waargemaakt in een turbulente, internationale omgeving met scherpe internationale concurrentie en sterke dynamiek. Ook de Europese eenwording draagt daar sterk aan bij. Om als Nederland in deze ontwikkeling mee te kunnen is een excellent vestigingsklimaat een vereiste, waarbij de Rijksoverheid met name regionale overheden een belangrijke rol toebedeelt. Zorg moet worden gedragen voor voldoende en kwalitatief goede ruimte voor bedrijvigheid, een uitstekende bereikbaarheid, een goed functionerende arbeidsmarkt, een sterk kennisnetwerk en een aantrekkelijk leefklimaat. Het Noorden en de grote steden verdienen daarbij volgens het Rijk extra aandacht. In de uitwerking van het EPD voor NoordNederland komen alle genoemde onderdelen van het vestigingsklimaat aan bod, waarbij ook de grote steden een belangrijke plaats hebben. ‘De ondernemende samenleving: meer kansen, minder belemmeringen voor ondernemerschap’ In de nota ‘De ondernemende samenleving’ spreekt het Rijk haar zorg uit over de stagnatie van de groei van het aantal starters en het achterblijven van ondernemerschap. Dit baart zorgen omdat ondernemerschap fungeert als banenmotor van de economie, flexibiliteit en vernieuwing inbrengt en individuele ontplooiing, emancipatie en integratie bevordert. Bovendien kan het bedrijfsleven een bijdrage leveren aan maatschappelijke knelpunten en vraagstukken. Het stimuleren en ondersteunen van (startende) ondernemers is om deze redenen een belangrijke doelstelling, hetgeen ook in het EPD Noord-Nederland wordt onderkend. ‘Ruimte voor industriële vernieuwing’ In dit rapport geldt als centrale vraag of onze economie voldoende ruimte voor succesvol ondernemerschap en industriële vernieuwing biedt. Geconstateerd wordt dat een aantal nijpende knelpunten bestaat, die een bedreiging vormen voor het industrieel ondernemerschap in Nederland. Deze knelpunten dienen via een actief industrie- en dienstenbeleid te worden aangepakt, waarbij bijvoorbeeld gedacht wordt aan maatregelen als mobilisatie van het publieke kennispotentieel, versterking van het innovatieve clusterbeleid en bestrijding van de knelpunten ten aanzien van gekwalificeerd personeel. Noord-Nederland deelt deze gedachte en probeert met haar EPD hier zoveel mogelijk op aan te sluiten. ‘De Digitale Delta’ Een goede ICT-basis is voor Nederland noodzakelijk om de concurrentie aan te kunnen. In haar nota ‘De Digitale Delta’ geeft de overheid aan hoe zij bedrijven, burgers en overheden wil aanzetten om beter gebruik te maken van de mogelijkheden die ICT biedt. Ook door Noord-Nederland wordt ICT als onmisbare schakel voor economische structuurversterking beschouwd. De aandacht richt zich binnen het EPD daarbij enerzijds op ondersteuning en ontwikkeling van de ICT-sector, anderzijds ligt het accent op het stimuleren van het gebruik van ICT-toepassingen.

52

‘Nationaal Actieplan Werkgelegenheid’ Een belangrijke peiler voor het nationaal beleid vormt de Europese werkgelegenheidsstrategie. Deze is op nationaal niveau vertaald in het Nationaal Actieplan voor de werkgelegenheid. Dit actieplan vormt een algemeen kader voor arbeidsmarktgerichte maatregelen via de Structuurfondsen is derhalve ook relevant voor het EPD Noord-Nederland. Grote Stedenbeleid Het Grote Stedenbeleid (GSB) dat in Nederland vanuit meerdere ministeries wordt gevoerd is gebaseerd op een tweetal overwegingen. Ten eerste geldt de relatieve achterstand die de steden op tal van terreinen ten opzichte van de landelijke ontwikkeling hebben als argument. Op de tweede plaats vormt de groeiende complexiteit en verwevenheid van de maatschappij een aanleiding. Het GSB vormt een beleidsprogramma dat de grootstedelijke problematiek op vele fronten tegelijk en in onderlinge samenhang moet oppakken. Binnen deze integrale aanpak worden verschillende GSB-doelstellingen nagestreefd, zoals onder meer het terugdringen van (structurele) werkloosheid en het bevorderen van arbeidsplaatsen, versterking van de economische concurrentiepositie van de stad, verbeteren van leefomgeving en leefbaarheid, duurzaam herstel van kwetsbare wijken e.d. De uitwerking van deze doelstellingen vindt plaats in de stadsontwikkelingsprogramma’s die de grote steden in Nederland afzonderlijk hebben opgesteld. Ook de noordelijke steden Groningen, Leeuwarden Assen en Emmen hebben in dat kader een programma geschreven. Bij de uitvoering van het EPD Noord-Nederland wordt, met name wat betreft prioriteit II ‘Ontwikkeling stedelijke kernen’, dan ook afstemming gezocht bij de activiteiten binnen deze programma’s. 2.6.3 Europese beleidskaders Het structuurbeleid en het cohesiebeleid van de Europese Unie richten zich hoofdzakelijk op het verkleinen van de economische en sociale verschillen. Beide beleidsvormen ondersteunen het nationale en regionale beleid ten aanzien van de zwakste regio’s en de nationale en regionale arbeidsmarkten. Daaraan gekoppeld moeten de programma’s die door de Europese Unie medegefinancierd worden, waaronder het EPD Noord-Nederland, rekening houden met een aantal communautaire prioriteiten, die samengevat zijn in het document ‘De Structuurfondsen, het Cohesiefonds en de coördinatie ervan; richtlijnen voor programma’s in de periode 2000-2006’. De Europese Unie benadrukt dat het scheppen van banen nog steeds als één van de grootste uitdagingen voor de Europese Unie wordt gezien. Hiermee moet worden bijgedragen aan het verkleinen van de verschillen tussen regio’s, terwijl daarnaast voorwaarden moeten worden geschapen waarmee de ontwikkeling van de regio’s op lange termijn gewaarborgd is. Deze doelstelling is in lijn met hetgeen het programma in Noord-Nederland wil bereiken. Naast het creëren van werkgelegenheid moeten volgens de richtlijnen van de Europese Unie twee algemene beginselen prioriteit krijgen, te weten duurzame ontwikkeling en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Duurzame ontwikkeling is daarbij een samenvattend begrip voor economische groei, sociale cohesie en milieubescherming. Beide beginselen zijn expliciet als beleidsaccenten in het EPD opgenomen en vormen prioritaire aandachtspunten voor zowel de ontwikkeling als de uitvoering van het EPD.

53

Tot slot doet het EPD recht aan een andere voorwaarde die de Europese Unie in haar richtsnoeren stelt, namelijk dat sprake moet zijn van een geïntegreerde ontwikkelings- en omschakelingsstrategie. Deze moet zich richten op: • verbetering van het concurrentievermogen van de regio’s; • vergroting van de sociale cohesie en de werkgelegenheid; • ontwikkeling van de steden en het platteland. Om deze strategie te laten slagen is een gedecentraliseerd, doelmatig en breed opgezet partnerschap noodzakelijk ofwel betrokkenheid van lokale en regionale autoriteiten en organisaties. 2.6.4 Afstemming met andere Europese programma’s 2000-2006 Om de middelen in het kader van het EPD Noord-Nederland zo optimaal mogelijk in te zetten is het van belang dat afstemming plaatsvindt met andere Europees gefinancierde programma’s die voor Noord-Nederland van toepassing zijn. Europese middelen worden immers via meerdere programma’s en plannen geregeld, waarbij tussen de middelen en programma’s veel geografische en inhoudelijke verwantschap bestaat. Doelstelling is dat de programma’s elkaar aanvullen en versterken en dat inhoudelijke overlap zoveel mogelijk wordt voorkomen. De relatie met de belangrijkste programma’s wordt in het navolgende toegelicht. Doelstelling 3 ‘Activerend arbeidsmarktbeleid en een leven lang leren’ Met het oog op een geïntegreerde aanpak van economische ontwikkeling en arbeidsmarktbeleid is de relatie tussen het EPD Noord-Nederland en het Doelstelling 3programma van bijzonder belang. Het Doelstelling 3-programma is een nationaal georiënteerd programma, waarvoor in de periode 2000-2006 een budget van 1.686 miljoen euro aan ESFmiddelen (prijspeil 1999 en inclusief prestatiereserve) beschikbaar is. Het richt zich met haar prioriteiten op een verdere intensivering van het activerend arbeidsmarktbeleid en het stimuleren van ‘leven lang leren’. Concreet betekent dit dat activiteiten worden ondersteund op het gebied van de sluitende aanpak (gericht op het voorkomen en terugdringen van langdurige werkloosheid), het bevorderen van ‘leven lang leren’ door het bestrijden van voortijdig schoolverlaten (vsv), het versterken van de beroepsbegeleidende leerweg/BBL en het verbeteren van de aansluiting met praktijkonderwijs met name gericht op het Voortgezet speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen (vso-mlk, bestaande uit vso-lom en ex ivbo) en scholing van werkenden. Het scholen van werkenden wordt beschouwd als het sluitstuk van een activerend arbeidsmarktbeleid. Beleid op dit onderdeel is met name gericht op werkenden zonder startkwalificaties, op opscholing van werkenden met secundaire beroepsopleiding en op sectoroverstijgende scholing met name gericht op employability. In het EPD Doelstelling 3 is vastgelegd dat een meer dan evenredig deel van deze middelen zal neerslaan in de Doelstelling 2-gebieden. Ook de phasing out-gebieden zullen gebruik maken van de Doelstelling 3-middelen.

54

Als uitgangspunt bij de ontwikkeling van het EPD voor het Noorden is meegenomen dat activiteiten die binnen Doelstelling 3 worden ondersteund geen deel uitmaken van het EPD Noord-Nederland. Om die reden is ervoor gekozen voor het programma in Noord-Nederland geen ESF-middelen in te zetten en scholingsacties buiten het programma te laten. Scholing van werkzoekenden en werkenden is voor Noord-Nederland niettemin wel een essentieel instrument met het oog op de gewenste sociaal-economische ontwikkeling. Uitgangspunt is echter dat acties op dit terrein – van lager opleidingsniveau tot en met HBO - vanuit Doelstelling 3-ESF ondersteund zullen worden, evenals bijvoorbeeld acties op het gebied van de sluitende aanpak. Binnen het EPD Noord-Nederland worden in principe alleen die acties gefinancierd waarvoor geen andere (Europese) middelen beschikbaar zijn. Voorts staat de behoefte van nieuwe en bestaande bedrijven in het Noorden steeds centraal. Op die wijze moet worden bijgedragen aan het behoud van bestaande werkgelegenheid en het stimuleren van nieuwe werkgelegenheid. Gestreefd wordt om de EFRO-middelen uit het EPD Noord-Nederland complementair in te zetten ten opzichte van de ESF-middelen uit het Doelstelling 3-programma, hetgeen moet leiden tot maximale synergie. Binnen de maatregel ‘Werking arbeidsmarkt’ van het EPD voor het Noorden staat de vraagkant van de arbeidsmarkt centraal, zowel in de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt als in de relatie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De maatregel wordt gefinancierd uit het EFRO. In aanvulling hierop kunnen projecten gericht op scholing van individuen door het ESF worden gefinancierd. Afstemming met het Doelstelling 3-programma zal met name van belang zijn in het kader van maatregel III.a ‘Werking arbeidsmarkt’ en zal gerealiseerd worden door voor de beoordeling van voorstellen voor arbeidsmarktprojecten relevante partijen te consulteren. Daarbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten op bestaande overlegstructuren op het terrein van de arbeidsmarkt, zoals het Overlegplatform Arbeidsmarkt. In dit platform zijn werkgevers, werknemers, gemeenten, provincies en de districtsbureaus voor de Centra voor Werk en Inkomen (CWI) vertegenwoordigd. Met het oog op de afstemming met het Doelstelling 3programma zal het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bovendien worden uitgenodigd om plaats te nemen in het Comité van Toezicht (uitgaande van kruisvertegenwoordiging). Plattelandsontwikkelingsplan Evenals het Doelstelling 3-programma is ook het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) een nationaal georiënteerd programma waarvoor in de periode 2000-2006 Europese middelen beschikbaar zijn. Het POP heeft als doelstelling het bevorderen van de economische ontwikkeling van het platteland. Hiervoor zijn een aantal prioriteiten geformuleerd: • Ontwikkeling van een duurzame landbouw • Verhogen van de kwaliteit van natuur en landschap • Omschakeling naar een duurzaam waterbeheer • Bevorderen diversificatie economische dragers • Bevorderen van recreatie en toerisme • Bevorderen van leefbaarheid

55

Een aantal prioriteiten van het POP heeft een duidelijk raakvlak met activiteiten die het EPD Noord-Nederland voorziet. Bij het opstellen van het EPD Noord-Nederland is dan ook nadrukkelijk rekening gehouden met de inhoudelijke afstemming met het POP, iets dat ook tijdens de uitvoeringsperiode de aandacht zal hebben. Daarbij is er voor gekozen om wat betreft het platteland de meer algemeen geldende economische maatregelen uit het Doelstelling 2-programma te financieren, terwijl de maatregelen voor de ontwikkeling van het platteland vallende onder Verordening 1257/1999 en de maatregelen vallende onder het Communautaire Initiatief LEADER+ niet door het Doelstelling 2-programma gefinancierd worden. Dit betekent dat de maatregelen in het Plattelandsontwikkelingsplan Nederland en in het regionale programma LEADER+ Noord via deze genoemde programma’s ondersteund worden en niet via het EPD Noord-Nederland. Ook tijdens de uitvoering van de verschillende programma’s is coördinatie en afstemming van groot belang. In Nederland zullen daarvoor op verschillende niveaus overlegstructuren worden ingericht. Aan deze overlegstructuren zullen alle betrokken partijen deel gaan nemen. Deze overlegstructuren dienen ertoe om strategische beslissingen te nemen met betrekking tot de uitvoering van de programma’s en om te voorkomen dat er sprake is van dubbelfinanciering vanuit de verschillende Europese fondsen. Zo zal op departementaal niveau afstemming plaatsvinden tussen de bij de diverse onderscheiden programma’s betrokken ministeries. Binnen het SNN en de provinciale organisaties zal regelmatig overleg plaatsvinden tussen de bij de diverse programma’s betrokken ambtenaren. En ook bestuurlijk zal binnen het SNN in het kader van de realisatie van het Kompas voor het Noorden permanent aandacht worden geschonken aan de afstemming van de diverse programma’s. De programma’s EPD Noord-Nederland, LEADER+ en POP worden bovendien bestuurlijk gecoördineerd door het SNN. Communautaire Initiatieven In de Structuurfondsenperiode 2000-2006 zijn vier Communautaire Initiatieven van kracht, te weten: • INTERREG, gericht op het bevorderen van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking; • LEADER+, met als doel het stimuleren van rurale regionale strategieën op basis van lokale samenwerking, ontwikkeling en experimenten; • EQUAL, een nationaal georiënteerd programma dat zich richt op bevordering van nieuwe benaderingen voor de bestrijding van discriminaties en ongelijkheden van welke aard dan ook, inclusief de asielzoekersproblematiek; • URBAN, dat zich concentreert op economische en sociale revitalisering van steden en probleembuurten ter bevordering van duurzame stadsontwikkeling. Nederland is geld toegezegd voor alle vier Communautaire Initiatieven. Noord-Nederland zal alleen een beroep kunnen doen op middelen in het kader van INTERREG, EQUAL en LEADER+. Met betrekking tot INTERREG geldt dat meerdere programma’s worden uitgevoerd die voor Noord-Nederland relevantie hebben. Waar nodig zal de relatie met het EPD Noord-Nederland daarbij de aandacht hebben. Hetzelfde geldt voor het EQUAL-programma, dat op nationaal niveau ontwikkeld is maar door regionale partnerschappen invulling moet worden gegeven. EQUAL richt zich specifiek op het bevorderen van gelijkheid van kansen, een aspect dat ook binnen het EPD Noord-Nederland prioritaire aandacht krijgt.

56

Verder zal Noord-Nederland met Europese middelen een LEADER+-programma uitvoeren, dat zich richt op een lokale en innovatieve ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen Noord-Nederland zal slechts een beperkt aantal gebieden voor LEADER+ in aanmerking komen. Deze zijn op het moment van opstellen van het EPD nog niet vastgesteld, zodat geen kaart kan worden opgenomen. Afstemming tussen het EPD en LEADER+ zal – evenals met betrekking tot het POP – plaatsvinden via overlegstructuren op verschillende niveaus. Daarin zullen alle betrokken partijen participeren. Via de overlegstructuren kunnen strategische beslissingen worden genomen inzake de uitvoering van de programma’s en kan dubbelfinanciering vanuit de verschillende Europese fondsen worden voorkomen. 2.6.5 Milieubeleid In het programmagebied Noord-Nederland wordt het milieubeleid mede bepaald door ontwikkelingen op Europees, rijks- en provinciaal niveau. Europa vormt voor Nederland en dus ook voor de regio Noord Nederland het eerste kader voor afstemming van het milieubeleid. De meer dan honderd EU-milieurichtlijnen worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Het Vijfde Milieu Actieprogramma wordt beschouwd als leidraad voor nationale activiteiten. De EU thema's die in dit Actieprogramma worden genoemd komen nauw overeen met de thema's van het Nederlandse beleid. In het Nationaal Milieubeleidsplan 2 wordt aangegeven dat nationale en internationale aspecten van het milieubeleid sterk met elkaar zijn verweven en dat EU-milieurichtlijnen versneld worden geïmplementeerd. In relatie tot het EPD Noord-Nederland zijn op Communautair niveau specifiek de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn van belang. Op basis van deze richtlijnen zijn binnen Noord-Nederland een aantal gebieden aangewezen (zie paragraaf 1.5.6) die een beschermde status hebben. Bij de tenuitvoerlegging van het EPD Noord-Nederland zal rekening gehouden worden met de regelgeving die op deze beschermde gebieden van toepassing is. Het rijksbeleid ten aanzien van het milieu staat primair geformuleerd in de Nationaal Milieubeleidsplannen 1 tot en met 3. De hoofddoelstelling van het milieubeleid is het instandhouden van het draagvermogen van het milieu ten behoeve van een duurzame ontwikkeling. De rijksoverheid heeft een sterk coördinerende en voorbereidende rol bij de ontwikkeling van het algemene milieubeleid en wetgeving en het actueel houden van de algemene milieuregelgeving die vooral in de Wet milieubeheer wordt geregeld. In het Nationaal Milieubeleidsplan 2 is aangegeven dat de rol van de decentrale overheden, waaronder de provincies, essentieel is bij de uitvoering van het milieubeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor het oplossen van de milieuthema's die zich op regionaal niveau voordoen, zoals verzuring, verstoring, verdroging, verontreiniging van de bodem, verwijdering en vermesting. Verder zijn ze in het bijzonder verantwoordelijk voor het bevorderen van integrale planvorming en voor de coördinatie van het gebiedenbeleid.

57

Op basis van de Wet Milieubeheer zijn de provincies verplicht eens per vier jaar een Provinciaal Milieubeleidsplan op te stellen dat richting geeft aan de uitvoering van het milieubeleid op provinciaal niveau. Verder wordt aandacht aan realisering van het milieubeleid besteed in het Provinciaal Waterhuishoudingsplan en het Streekplan. De operationalisering van het beleid dat in deze plannen staat geformuleerd vindt plaats via milieuprogramma's die jaarlijks verschijnen. De provincies hebben de doorwerking van hun milieubeleid naar gemeenten en doelgroepen geregeld door middel van een Provinciale Milieuvergunning. Het huidige milieubeleid van de provincie Groningen is gebaseerd op het Provinciaal Milieubeleidsplan, het Streekplan en het Waterhuishoudingsplan die allen in 1994 zijn vastgesteld. Momenteel werkt Groningen aan een Provinciaal Omgevingsplan, dat deze plannen vanaf het jaar 2001 zal vervangen. Het huidige milieubeleid van de provincie Fryslân is ook gebaseerd op de bovengenoemde provinciale plannen. Het milieubeleid van de provincie Drenthe staat geformuleerd in een Provinciaal Omgevingsplan dat in 1998 is vastgesteld.

58

Hoofdstuk 3

FINANCIERING EN ADDITIONALITEIT

Hoofdstuk 3 gaat nader in op de financiële aspecten behorend bij het EPD Noord-Nederland. Op de eerste plaats wordt in paragraaf 3.1 de financiële vertaling van het EPD weergegeven, waarbij de budgettaire verdeling van middelen over prioriteiten in tabelvorm is weergegeven (de verdere financiële verdeling over de maatregelen maakt deel uit van het programmacomplement). Hiervoor zijn drie financiële tabellen opgesteld, één financiële totaaltabel, één financiële tabel voor het deelprogramma Doelstelling 2 2000-2006 en één financiële tabel voor het deelprogramma phasing out 2000-2005 (de onderliggende jaartabellen zijn opgenomen in bijlage C van het EPD). Verder wordt in paragraaf 3.2 een beschrijving van de uitkomsten van de additionaliteitstoets gegeven. 3.1 Financiële tabellen

De budgettaire verdeling van middelen over prioriteiten wordt toegelicht in de financiële tabellen op de volgende pagina’s. Daarbij is op de eerste plaats een financiële totaaltabel opgenomen met daarin de financiële middelen voor het programma als geheel. Hierin zijn de beschikbare middelen voor Doelstelling 2 én phasing out samen opgenomen. Een uitsplitsing van de bedragen in deze tabel over de verschillende committeringsjaren van het programma is opgenomen in de jaartabellen in bijlage C van het EPD. Verder zijn ook afzonderlijke financiële tabellen opgenomen voor het deelprogramma Doelstelling 2 en het deelprogramma phasing out. Deze deeltabellen liggen ten grondslag aan de totaaltabel van het programma. De financiële scheiding tussen de beide deelprogramma’s is noodzakelijkerwijs opgenomen, omdat de Europese middelen voor het Doelstelling 2gebied en het phasing out-gebied gescheiden zijn toegekend. Ook tijdens de uitvoering van het programma moet deze financiële scheiding tussen Doelstelling 2 en phasing out worden gehandhaafd en is het niet toegestaan dat middelen uit het deelprogramma Doelstelling 2 worden ingezet in het phasing out-gebied en vice versa. Hoewel sprake is van een geïntegreerd programmeringsdocument voor zowel het Doelstelling 2-gebied als de phasing out-gebieden wordt in financieel opzicht derhalve een uitsplitsing naar beide deelprogramma’s gemaakt. Deze financiële scheiding zal worden bewaakt door bij de beoordeling en controle van projecten na te gaan in welk gebied een project van kracht is (zie ook paragraaf 4.4.2). Verder zal de financiële scheiding bewaakt worden door voor zowel het deelprogramma Doelstelling 2 als het deelprogramma phasing out een afzonderlijke administratie te voeren (zie ook paragraaf 4.5.2). In bijlage C zijn de middelen voor Doelstelling 2 en phasing out afzonderlijk verdeeld in bedragen per jaar (naast de verdeling van de geïntegreerde totaaltabel in bedragen per jaar). Daarbij moet rekening gehouden worden met het verschil in looptijd tussen Doelstelling 2 en phasing out. Het deelprogramma Doelstelling 2 kent immers een committeringsperiode van zeven jaar (2000-2006), terwijl het deelprogramma phasing out zich beperkt tot een committeringsperiode van zes jaar (2000-2005).

59

Overigens geldt voor zowel de geïntegreerde totaaltabel als voor de beide deeltabellen dat deze exclusief de prestatiereserve zijn. De prestatiereserve bedraagt 4% van de middelen en bedraagt voor dit EPD (in lopende prijzen) 14,69 miljoen Euro (13,98 miljoen Euro voor Doelstelling 2 en 0,71 miljoen Euro voor phasing out). Halverwege de programmalooptijd wordt, als onderdeel van de tussentijdse evaluatie, vastgesteld of de prestaties van het programma inderdaad voldoende zijn om deze prestatiereserve in te mogen zetten. De beoordeling van de prestaties van het programma vindt daarbij plaats aan de hand van indicatoren op het gebied van de doeltreffendheid, het beheer en de financiële uitvoering. Het voorstel van de Lidstaat Nederland voor de toewijzing en verdeling van de prestatiereserve is opgenomen in bijlage F van het EPD. Indicatief stelt Nederland voor de prestatiereserve te verdelen tussen de goedpresterende EPD’s in verhouding tot het oorspronkelijke toegerekende budget van die EPD’s. De financiële tabel vormt de basis voor de eindafrekening die de Europese Commissie voor het EPD Noord-Nederland op zal stellen. Als uitgangspunt geldt dat deze eindafrekening plaatsvindt op grond van de verhouding tussen de EFRO-bijdrage en de totale kosten die in de tabel is opgenomen.

60

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"
Publiek Totaal publiek Nationaal publiek Totaal Rijk Prov. Lokaal Totaal EFRO Overige Communautaire bijdrage
(*)

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Privaat

Totale kosten

Prioriteit 2=3+8
201.045.000 201.045.000 345.900.000 188.681.000 4.173.000 148.873.000

1=2+13

3

4 8=9à12

9

10

11

12
4.173.000

13
363.340.000

Prioriteit I Versterking marktsector 81.500.000 81.500.000 99.615.000 42.880.000 1.507.000

910.285.000 546.945.000

Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen 54.680.000 54.680.000 82.020.000 22.962.000 1.568.000

181.115.000 181.115.000

53.721.000

1.507.000

0

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt 9.350.000 341.900.000 341.900.000 341.900.000 341.900.000 0 0 0 0 0 0 341.900.000 341.900.000 4.675.000 4.675.000 4.675.000 4.675.000

136.700.000 136.700.000

55.922.000

1.568.000

0

Prioriteit IV Technische Bijstand

9.350.000

0

0 7.248.000 258.516.000 7.248.000 258.516.000 0 0 0 0 0 0 7.248.000 258.516.000

0 7.248.000 7.248.000 0 0 0 7.248.000

0 363.340.000 363.340.000 0 0 0 363.340.000

TOTAAL Totaal EFRO related Totaal ESF related Totaal EOGFL related Totaal FIOV related

1.237.450.000 874.110.000 1.237.450.000 874.110.000 0 0 0 0 0 0

532.210.000 259.198.000 532.210.000 259.198.000 0 0 0 0 0 0 532.210.000 259.198.000

TOTAAL

1.237.450.000 874.110.000

61

‘’DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006”
Publiek Totaal publiek Nationaal publiek Totaal Rijk Prov. Lokaal Totaal EFRO Overige Communautaire bijdrage
(*)

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Privaat

Totale kosten

Prioriteit 2=3+8
188.900.000 188.900.000 327.065.000 177.234.000 3.977.000 141.877.000

1=2+13

3

4 8=9à12

9

10

11

12
3.977.000

13
360.870.000

Prioriteit I Versterking marktsector 81.500.000 81.500.000 99.615.000 42.880.000 1.507.000

876.835.000 515.965.000

Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen 52.880.000 4.300.000 327.580.000 327.580.000 327.580.000 327.580.000 0 0 0 0 0 0 327.580.000 327.580.000 4.300.000 4.300.000 4.300.000 52.880.000 79.320.000 22.207.000 1.516.000 0

181.115.000 181.115.000

53.721.000

1.507.000

0

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt 8.600.000

132.200.000 132.200.000

54.081.000 0

1.516.000 0

0 0

Prioriteit IV Technische Bijstand

8.600.000

TOTAAL Totaal EFRO related Totaal ESF related Totaal EOGFL related Totaal FIOV related

1.198.750.000 837.880.000 1.198.750.000 837.880.000 0 0 0 0 0 0

510.300.000 246.621.000 510.300.000 246.621.000 0 0 0 0 0 0 510.300.000 246.621.000

7.000.000 249.679.000 7.000.000 249.679.000 0 0 0 0 0 0 7.000.000 249.679.000

7.000.000 7.000.000 0 0 0 7.000.000

360.870.000 360.870.000 0 0 0 360.870.000

TOTAAL

1.198.750.000 837.880.000

62

‘’DEELPROGRAMMA PHASING OUT 2000-2005”
Publiek Totaal publiek Nationaal publiek Totaal Rijk Prov. Lokaal Overige Totaal EFRO Communautaire bijdrage
(*)

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Privaat

Totale kosten

Prioriteit 2=3+8
30.980.000 12.145.000 12.145.000 18.835.000 11.447.000 196.000 6.996.000

1=2+13

3

4 8=9à12

9

10

11

12
196.000

13
2.470.000

Prioriteit I Versterking marktsector 4.500.000 1.800.000 1.800.000 2.700.000 755.000 52.000 1.841.000

33.450.000

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt 750.000 36.230.000 36.230.000 0 0 0 36.230.000 14.320.000 14.320.000 21.910.000 14.320.000 14.320.000 0 0 0 14.320.000 21.910.000 14.320.000 21.910.000 0 0 0 0 0 0 12.577.000 12.577.000 0 0 0 12.577.000 375.000 375.000 375.000 375.000 0 248.000 248.000 0 0 0 248.000

4.500.000

52.000

0

Prioriteit IV Technische Bijstand

750.000

0 8.837.000 8.837.000 0 0 0 8.837.000

0 248.000 248.000 0 0 0 248.000

0 2.470.000 2.470.000 0 0 0 2.470.000

TOTAAL Totaal EFRO related Totaal ESF related Totaal EOGFL related Totaal FIOV related

38.700.000 38.700.000 0 0 0

TOTAAL

38.700.000

(*)

Onder nationale publieke uitgaven vallen (semi-)overheidsuitgaven door het Rijk, provincies, gewesten, gemeenten, CBA/RBA’s, Kamers van Koophandel, brancheorganisaties, O&O-fondsen, ontwikkelingsmaatschappijen, universiteiten, hogescholen, R&D-instellingen en vergelijkbare organisaties.

63

3.2

Additionaliteit

Additionaliteit dient op drie momenten te worden geverifieerd: ex ante, tussentijds en aan het einde van de periode. Ex ante-verificatie Zoals wordt aangegeven in de navolgende tabel hebben de diensten van de Commissie en de Nederlandse autoriteiten op basis van door de Nederlandse autoriteiten verschafte informatie bepaald dat het jaarlijkse gemiddelde van nationale voor bijstand in aanmerking komende overheidsuitgaven in de periode 2000-2006 dient te worden gehandhaafd op € 4864.6 miljoen (prijsniveau 1999). Dit betekent een toename van 1,5% vergeleken met de gemiddelde uitgaven voor de periode 1994-1999. Het niveau van de jaarlijkse gemiddelde uitgaven in de periode 2000-2006 is gebaseerd op de aanname van een jaarlijkse gemiddelde groei van de totale lopende ontvangsten van de overheid van 2% in reële bedragen, hetgeen strookt met de veronderstellingen die zijn opgenomen in het geactualiseerde convergentieprogramma dat de Commissie en de Raad aan het begin van het jaar 2000 beoordeeld hebben. De Nederlandse autoriteiten zullen de Commissie van de juiste informatie voorzien en haar op ieder willekeurig moment gedurende de programmeringsperiode informeren over ontwikkelingen die het waarschijnlijk maken dat het vermogen om dit uitgavenniveau te handhaven in twijfel wordt getrokken. Tussentijdse verificatie Drie jaar na goedkeuring van het programmeringsdocument, doch als algemene regel niet later dan 31 december 2003, zou de Commissie een oordeel moeten kunnen geven over de overeenstemming met additionaliteitseisen zoals deze ex ante zijn bepaald. Additionaliteit wordt geacht te zijn geverifieerd als het jaarlijkse gemiddelde van de nationale voor bijstand in aanmerking komende overheidsuitgaven in de jaren 2000 tot en met 2002 ten minste het ex ante overeengekomen uitgavenniveau heeft bereikt. Indien er geen of methodologisch onvoldoende informatie wordt ingediend, wordt dit beschouwd als zijnde niet in overeenstemming met de eisen. De Nederlandse autoriteiten zullen dan ook informatie presenteren in overeenstemming met het volgende tijdsschema: • • • 31 juli 2003: presentatie van cumulatieve en jaarlijkse tabellen met definitieve gegevens over de jaren 2000 en 2001, alsmede voorlopige gegevens voor 2002; 31 oktober 2003: indien nodig, methodologische verbeteringen op basis van het oordeel van de Commissie; 31 december 2003: uiterste datum voor de indiening van eventuele aanvullende informatie.

64

Als e.e.a. niet op bevredigende wijze heeft plaatsgevonden, zal de Commissie ten aanzien van de tussentijdse evaluatie geen besluit nemen. In uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen en teneinde vertraging in het programmeringsproces te voorkomen, voegt de Commissie een bepaling toe aan het besluit over de tussentijdse evaluatie, waardoor nieuwe verplichtingen worden opgeschort totdat alle informatie over de tussentijdse verificatie van additionaliteit is aangeleverd. De Nederlandse autoriteiten zullen het Comité van Toezicht op de hoogte stellen van de resultaten van de verificatie. Na de tussentijdse verificatie en op basis van deze resultaten kunnen de Nederlandse autoriteiten en de Commissie een herziening van het voor de rest van de periode nagestreefde uitgavenniveau overeenkomen, als de economische situatie heeft geresulteerd in ontwikkelingen in de totale lopende ontvangsten van de overheid die aanzienlijk afwijken van de ex ante verwachte ontvangsten. In dat geval kan het noodzakelijk zijn de tabel over 1994-1999, die op het moment van de ex ante-verificatie enkele voorlopige of geraamde gegevens bevatte, te actualiseren. Het verzoek tot een herziening kan ofwel op initiatief van de lidstaat, ofwel op initiatief van de Commissie worden gedaan. Verificatie aan het eind van de periode Verificatie dient plaats te vinden voor 31 december 2005. Additionaliteit wordt geacht te zijn geverifieerd als het jaarlijkse gemiddelde van de voor bijstand in aanmerking komende nationale overheidsuitgaven in de jaren 2000 tot en met 2004 ten minste het ex ante overeengekomen of tussentijds herziene uitgavenniveau heeft bereikt. Indien er geen of methodologisch onvoldoende informatie wordt ingediend, wordt dit beschouwd als zijnde niet in overeenstemming met de eisen. De Nederlandse autoriteiten zullen dan ook informatie presenteren in overeenstemming met het volgende tijdsschema: • • • 31 juli 2005: presentatie van cumulatieve en jaarlijkse tabellen met definitieve gegevens over de jaren 2000 tot en met 2003, alsmede voorlopige gegevens voor 2004; 31 oktober 2005: indien nodig, methodologische verbeteringen op basis van het oordeel van de Commissie; 31 december 2005: uiterste datum voor de indiening van eventuele aanvullende informatie.

De Nederlandse autoriteiten zullen het Comité van Toezicht op de hoogte stellen van de resultaten van de verificatie, waarmee bij de voorbereidingen van de daaropvolgende programmeringsperiode rekening zal worden gehouden.

65

Additionaliteitstabel doelstelling 2 en 3 voor Nederland 2000-2006, in mln euro, in reële bedragen 1999

Ex ante-verificatie van additionaliteit voor doelstelling 2 en 3 Overheidsuitgaven aan actief arbeidsmarktbeleid (in miljoen euro, prijsniveau 1999)
Jaarlijks gemiddelde 1994-1999* Jaarlijks gemiddelde 2000-2006 Totaal SPD/CSF Zonder Totaal Totaal SPD/CSF Zonder Totaal EUEUmedefinanmedefinanciering ciering Nat. + EU EU Nat. Nat. Nat. Nat. + EU EU Nat. Nat. Nat. 2 3 4 5 6= 7 8 9 10 11= 4+5= 9+10= 2-3 7-8 1229.7 1129.9 694.3 267.7 1692.6 0 5014.3 71 149 0 0 0 0 87 186 0 0 0 0 1071.7 794.9 694.3 267.7 1692.6 0 1158.7 980.9 694.3 267.7 1692.6 0 1254.3 1152.5 708.2 273.1 1726.5 0 125 125 0 0 0 0 125 125 0 0 0 0 1004.3 902.5 708.2 273.1 1726.5 0 1129.3 1027.5 708.2 273.1 1726.5 0 4864.6

1 Actief arbeidsmarktbeleid - Publieke arbeidsvoorziening - Arbeidsmarkttraining - Gesubsidieerde werkgelegenheid - Maatregelen voor jongeren - Maatregelen voor gehandicapten - Overige Totaal

220 273 4521.3

4794.2 5114.6

250 250 4614.6

* waaronder begrepen doelstelling 2, 3, 4 en 5b

66

Hoofdstuk 4

OPERATIONELE ASPECTEN

4.1

Inleiding

Het hoofdstuk Operationele aspecten bevat de hoofdlijnen van de voor elk EPD geldende eis voor een Administratieve Organisatie (AO), die bij de start van het programma door het Comité van Toezicht wordt vastgesteld. In de loop van de uitvoering van de EPD’s in de periode 1994-1999 is gezamenlijk door de provincies Groningen en Drenthe en apart door de provincie Fryslân een organisatiestructuur ontwikkeld, die in AO's zijn beschreven. Op 16 april 1998 hebben het SNN (Samenwerkingsverband Noord-Nederland) en het kabinet een bestuurlijk akkoord bereikt, waarbij is afgesproken dat het beleid voor de jaren 2000-2006 op programmatische wijze zal worden vormgegeven. Dit houdt in dat er één enkel beleidskader is geschapen (Kompas voor het Noorden) waarin de inspanningen van het SNN (de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen), de Rijksoverheid en de Europese Unie zoveel mogelijk tezamen zijn ondergebracht en zodanig ingericht, dat het SNN daarbinnen de doelstellingen van de verschillende programma’s kan realiseren. Het in een enkel programmatisch verband samenbrengen van de (gedecentraliseerde) uitvoering van activiteiten die worden gefinancierd met middelen van de rijksoverheid, de Europese Unie en regionale overheden is beheersmatig een ambitieuze taakstelling. Elk van de financieringsbronnen kent in principe eigen spelregels en voorschriften. Vanuit de Haagse en Europese kaders worden randvoorwaarden aangereikt waarbinnen het handelen van het SNN ten aanzien van de inzet van financiële middelen zich dient af te spelen. De verschillende soorten geldmiddelen worden in samenhang ingezet, maar blijven per geldbron apart “gelabeld” en worden apart verantwoord. Daarbij zijn de regels en voorschriften van de Europese Unie in diverse opzichten het meest specifiek geformuleerd. Hieraan liggen meerdere Brusselse verordeningen ten grondslag, die overwegend voor een ruime categorie van of alle lidstaten gelijkelijk gelden en dus als zodanig niet ten behoeve van Noord-Nederland voor nader overleg vatbaar zijn. Tot de verdere uitgangspunten behoren duidelijke functiescheidingen, sturingskaders, en inschakeling van de marktsector. Met het oog op de hierboven geschetste, gewijzigde situatie in Noord-Nederland is voor de Europese programmaperiode 2000-2006 dan ook een nieuwe organisatiestructuur ontstaan. In dit hoofdstuk zal alleen in worden gegaan op de nieuwe structuur en procedures in zoverre deze relevant zijn in het kader van het EPD. In de toelichting op de verordening voor de Europese Structuurfondsen (2000-2006) stelt de Europese Commissie dat het partnerschapsbeginsel moet worden hervormd op basis van een duidelijkere verdeling van de verantwoordelijkheden over de Lidstaten en Commissie en binnen de Lidstaten. Zo zullen een sterke decentralisatie en eenvoudigere procedures gepaard gaan met de eis van een doeltreffender, doorzichtiger en strikter beheer dat wordt gekenmerkt door een grondige evaluatie van de resultaten en scherpe controles.

67

4.2

Uitvoeringsstructuur

De provincies Fryslan, Groningen en Drenthe vormen gezamenlijk het samenwerkingsverband Noord-Nederland. Dit samenwerkingsverband heeft juridisch de vorm van een gemeenschappelijke regeling naar Nederlands recht. Het EPD Noord-Nederland wordt uitgevoerd door en onder verantwoordelijkheid van het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN). Het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN) vertegenwoordigt het SNN in rechte. Het DB SNN is bevoegd tot het nemen van alle besluiten over de uitvoering van het EPD. Het DB heeft de besluitvorming voor de toekenning van bijdragen gemandateerd aan drie bestuurscommissies. Een projectbeoordelingscommissie staat de bestuurscommissies hierbij bij. Het Comité van Toezicht is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van het programma. Hieronder wordt nader ingegaan op de taak en samenstelling van de hierboven genoemde organen. Tenslotte wordt nader beschreven welke werkzaamheden de ambtelijke organisatie van het SNN, de uitvoeringsorganisatie SNN (UO-SNN), verricht. De verschillende betrokken organen hebben allen eigen taken en verantwoordelijkheden die ten opzichte van elkaar niet mogen overlappen en derhalve scherp moeten worden afgebakend. Om die reden wordt in de Administratieve Organisatie per orgaan een duidelijke taakomschrijving opgenomen die in de praktijk wordt toegepast. 4.2.1 Beheers- en betaalautoriteit

Het SNN treedt op als beheers- en betaalautoriteit en is verantwoordelijk voor de doeltreffendheid en deugdelijkheid van het beheer en de uitvoering van het programma en alle betalingsstromen. Samenstelling van het DB SNN: • • Commissarissen der Koningin (CdK’s) van de drie provincies 2 gedeputeerden per provincie

Als beheers- en betaalautoriteit wordt SNN vertegenwoordigd door de fungerende voorzitter. Dit is om de twee jaar roulerend één der Commissarissen der Koningin van de drie provincies.

68

Taken en verantwoordelijkheden: • • • • • • • Coördineren, regisseren en bewaken van de voorbereiding en uitvoering van het programma Aanspreekpunt voor het Rijk en de Europese Commissie Invulling van jaarprogramma’s Toezicht houden op het dagelijks beheer van het programma Aansturing en coördinatie van een aantal vooraf benoemde strategische projecten Besluitvorming over projecten die niet in de Bestuurscommissies (kunnen) worden afgehandeld Verantwoordelijkheid voor onderhoud en functioneren van de Administratieve Organisatie

In de Administratieve Organisatie worden de functies van de beheersautoriteit en betaalautoriteit nadrukkelijk gescheiden. Aan de uitwerking hiervan wordt nader aandacht besteed in de rapportage zoals die wordt opgesteld in het kader van Verordening 438/2001. Beheersautoriteit Het Ministerie van Economische Zaken is binnen de Lid-Staat Nederland het coördinerende departement voor het EPD Noord-Nederland. Het SNN wordt door de Lid-Staat aangewezen als beheersautoriteit en is in die rol verantwoordelijk voor de controle en het toezicht op de voortgang en de uitvoering van het EPD alsmede de doeltreffendheid en deugdelijkheid van het beheer van het programma. Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) Postadres: Postbus 779 9700 AT Groningen Bezoekersadres: Laan Corpus den Hoorn 200 9728 JS Groningen Rekeningnummer: 446045691 (ABN AMRO te Groningen) De betrekkingen tussen de Lid-Staat en het SNN zijn in een aparte overeenkomst (decentralisatieconvenant, ondertekend op 28 september 2000) vastgelegd. In deze overeenkomst is beschreven hoe de taken en verantwoordelijkheden die samenhangen met het programma en de relevante Verordeningen inzake Structuurfondsen, verdeeld zijn over het Ministerie van Economische Zaken en het SNN. Ter informatie is deze overeenkomst als bijlage G bijgevoegd. In het kader van haar controle taak zal de beheersautoriteit conform Verordening 438/2001 een controleprotocol opstellen en versturen naar de Europese Commissie. Daarin worden de diverse controle procedures vastgelegd en wordt de naleving van de bepalingen van de Europese Commissie gegarandeerd. Onder meer wordt rekening gehouden met de bepalingen in Verordening 1260/99 alsmede de verplichte 5%-controle volgens artikel 3 van de Verordening 2064/97 die door een externe accountant zal worden uitgevoerd. Ook in het decentralisatieconvenant wordt op dit onderwerp nader ingegaan.

69

Betaalautoriteit Naast haar rol als beheersautoriteit treedt het SNN ook op als betaalautoriteit van het EPD Noord-Nederland. Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) Postadres: Postbus 779 9700 AT Groningen Bezoekersadres: Laan Corpus den Hoorn 200 9728 JS Groningen Rekeningnummer: 446045691 (ABN AMRO te Groningen) Als betaalautoriteit van het programma is het SNN verantwoordelijk voor alle betalingsstromen tussen de Europese Commissie, het programma en de eindbegunstigden. Zij draagt derhalve zorg voor het opstellen en toezenden van de betalingsaanvragen naar de Commissie en voor het ontvangen van de betalingen van de Commissie. Voor nadere informatie over de betalingsaanvragen en betalingsramingen wordt verwezen naar bijlage G, de decentralisatieovereenkomst (artikel 5). Vervolgens regelt het SNN de doorbetaling naar de eindbegunstigden, op basis van (gecertificeerde) betalingsaanvragen. De Dienst Middelen van de Provincie Groningen fungeert als kassier voor de middelen die het SNN ter beschikking staan. Binnen de Dienst Middelen is een heldere scheiding aangebracht tussen het opdracht verlenen voor betalingen en het administreren ervan. Het SNN autoriseert de betalingen. Op deze wijze is een heldere scheiding tussen de drie betaalfuncties aangebracht. 4.2.2 Comité van Toezicht

Het Comité van Toezicht is verantwoordelijk voor de algemene strategie, de beleidsbeslissingen, de ontwikkeling van nieuwe beleidsinitiatieven en voor het toezicht op een rechtmatige en doelmatige tenuitvoerlegging van het programma, waaronder het opstellen van het jaarverslag. Samenstelling • • • • • • • Leden van het DB SNN Vertegenwoordiger vanuit het ministerie van Economische Zaken Vertegenwoordiger vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Vertegenwoordiger van de Europese Commissie onder leiding van DG REGIO (toehoorder) Vertegenwoordigers vanuit andere ministeries (afhankelijk van het al dan niet beschikbaar stellen van middelen vanuit deze ministeries) Vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties Vertegenwoordigers van werknemersorganisaties

70

Organisatie van de werkzaamheden Het enkelvoudig programmeringdocument wordt door een Comité van Toezicht begeleid. Het Comité van Toezicht wordt door de lidstaat ingesteld in overleg met de beheersautoriteit en na raadpleging van de partners. De partners zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen. Verder ziet het Comité door middel van goedkeuring van de Administratieve Organisatie en reglementen van orde toe op het in voldoende mate toepassen van het partnerschapsbeginsel bij de uitvoering van het EPD. De vertegenwoordiger van het ministerie van Economische Zaken zal zorgdragen voor afstemming met overige ministeries, meer in het bijzonder ook voor de programma’s POP en LEADER+. De partners besteden ook specifieke beleidsmatige aandacht aan het aspect duurzaamheid. Over het algemeen hebben zij hierover in hun eigen beleid reeds uitgesproken opvattingen. In het Comité van Toezicht zullen zij zich ervan vergewissen dat het duurzaamheidsaspect bij de projectontwikkeling en –beoordeling de vereiste aandacht krijgt (zie ook paragraaf 4.4.2). Het Comité van Toezicht wordt samengesteld binnen een termijn van ten hoogste drie maanden nadat de beschikking tot vaststelling van de bijdragen van de fondsen is gegeven. Het Comité van Toezicht valt onder de bevoegdheid en de jurisdictie van de lidstaat. Een vertegenwoordiger van de Commissie en, in voorkomend geval, van de EIB neemt met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het Comité van Toezicht deel. Het Comité van Toezicht stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast binnen het institutionele, wettelijke en financiële kader van de betrokken lidstaat en in overleg met de beheersautoriteit. Het Comité van Toezicht wordt in beginsel voorgezeten door een vertegenwoordiger van de beheersautoriteit. Taken en verantwoordelijkheden • • • • • • • Controleren van het beheer Controleren van de naleving van de voor uitvoering geldende richtlijnen Onderzoeken van de uitgevoerde evaluaties Behandelen van majeure projecten en andere projecten waarover het Dagelijks Bestuur haar oordeel vraagt Opstellen van het jaarverslag met daarin de informatie zoals opgenomen in artikel 36 en 37 van Verordening 1260/99 Vaststellen van voortgangsrapportages, jaarverslagen, evaluatierapporten Goedkeuren van de aanpassingen in de financiële tabellen

71

4.2.3

De Bestuurscommissies

Voor elk van de drie deelprogramma’s in Kompas wordt een Bestuurscommissie ingesteld. Deze commissies besluiten over de toekenning van de subsidie en zullen zich daarbij overwegend baseren op het oordeel van de onafhankelijke Projectbeoordelingscommissie (zie paragraaf 4.2.4) en het technisch advies van de UO-SNN (paragraaf 4.2.5). Vanwege de geplaatste accenten zullen projecten die een bijdrage uit het Doelstelling 2-programma ontvangen met name terecht komen bij de Bestuurscommissies ‘markt en zone’ en ‘stedelijke centra’. Samenstelling • Twee gedeputeerden per provincie

Taken en verantwoordelijkheden • • • • • • Ontwikkelen van ruimtelijk-economisch beleid per deelprogramma Besluitvorming omtrent toekenning van middelen aan projecten op basis van adviezen van de Projectbeoordelingscommissie (PBC). Wanneer het marktsector-projecten betreft kan advies worden ingewonnen bij het Expert Panel/Taskforces. Voorbereiden van jaarprogramma’s en jaarverslaggeving die ter verdere besluitvorming/vaststelling worden doorgeleid naar het Dagelijks Bestuur. Rapporteren omtrent de invulling van de deelprogramma’s aan het Dagelijks Bestuur Adviseren van Dagelijks Bestuur en Comité van Toezicht inzake eventuele programmawijzigingen of wijzigingen in de opzet van het programmabeheer Het Dagelijks Bestuur adviseren omtrent strategische projecten De Projectbeoordelingscommissie (PBC)

4.2.4

De Projectbeoordelingscommissie (PBC) heeft als taak om als onafhankelijk orgaan, vóór de definitieve beoordeling door de Bestuurscommissies, een oordeel te vellen over projectvoorstellen. Dit oordeel wordt vervolgens als advies gecommuniceerd naar de Bestuurscommissies. De vertegenwoordigers van het PBC beoordelen projecten op basis van hun kennis van de prioriteiten en maatregelen van het EPD, alsmede hun kennis van de Kompas-deelprogramma’s. Om de onafhankelijkheid van de Projectbeoordelingscommissie te garanderen en de noodzakelijke scheiding van functies te bewerkstelligen worden personen opgenomen die geen rol hebben in de ontwikkeling van projecten. Samenstelling • • • • • Projectdirecteur Kompas (voorzitter) Secretariaat (te verzorgen door UO-SNN) Een ambtelijk deskundige op het gebied van projectbeoordeling vanuit één van de provincies Drie ambtelijke vertegenwoordigers verdeeld over de Kompasthema’s Stad, Land en Markt Ambtelijke vertegenwoordiging vanuit het ministerie van Economische Zaken

72

Taken en verantwoordelijkheden • • • • Beoordelen of projecten voldoen aan de technische voorwaarden die vanuit de verschillende financiële bronnen en het programma worden gesteld Toetsen of de projecten passen binnen het programma Formuleren van een advies inzake een beoordeeld project aan de Bestuurscommissie Ontwikkelen van een uniforme beleids- en gedragslijn in het omgaan met bepaalde typen projecten UO-SNN

4.2.5

De UO-SNN biedt op de verantwoordelijke onderdelen ondersteuning aan het DB SNN, het Comité van Toezicht, de Bestuurscommissies en aan de Projectbeoordelingscommissie. Het is tevens verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en uitvoering van het EPD, in het bijzonder de bewaking, begeleiding en controle op de uitvoering van projecten, de financiële en inhoudelijke administratie en het opstellen van de vereiste rapportages. Taken en verantwoordelijkheden • • • • • • • • • • • • • • 4.3 4.3.1 Voeren van het financieel beheer van het programma Gedragslijnen op schrift stellen ten aanzien van de interpretatie van regels Verzorgen van rapportages (inhoudelijk en financieel) Uitvoeren van de subsidieregelingen van het programma Voeren van financieel en inhoudelijk beheer van de projectuitvoering Voorbereiden van het committeren, bevoorschotten en afrekenen van projecten Aanvragen van voorschotten bij de betrokken financiers Erop toezien dat eindbegunstigden aan hun rapportageverplichting voldoen Voeren van het secretariaat van het Comité van Toezicht en het PBC Beoordelen of projecten voldoen aan de technische voorwaarden die vanuit de verschillende financiële bronnen en programma’s worden gesteld Toetsen of de projecten passen binnen de deelprogramma’s en voldoende bijdragen aan het realiseren van de programmadoelstellingen Formuleren van het advies inzake een beoordeeld project aan de Bestuurscommissies (de UO-SNN adviseert tevens in welke Bestuurscommissie het project ter goedkeuring zal worden ingebracht; in principe wordt een project in één Bestuurscommissie besproken) Het monitoren van de effecten van het gevoerde beleid Ontwikkelen van een uniforme beleids- en gedragslijn ten aanzien van projecten Evaluatie en bijstelling Evaluatie (artikel 40 t/m 44 van Verordening (EG) nr. 1260/1999)

Ter beoordeling van de doeltreffendheid van de structurele bijstandsverlening wordt toezicht uitgeoefend op het EPD. Het toezicht omvat de organisatie en de coördinatie van het verzamelen van de gegevens in verband met de financiële, materiële en effectindicatoren en de kwalitatieve aspecten van de uitvoering (met name sociaal-economische, operationele en juridische en zelfs procedurele aspecten).

73

Voor de Structuurfondsenperiode 2000-2006 wordt in dit toezicht voorzien middels drie momenten van evaluatie: vooraf, halverwege de looptijd en achteraf. Daarnaast wordt ook voorzien in een zogenaamde prestatiereserve. • De evaluatie vooraf (ex ante) valt onder verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit en betreft de beoordeling van het (concept-) programma. In de evaluatie vooraf wordt ingegaan op de sterke en zwakke punten van het betrokken gebied en zal geanalyseerd worden in hoeverre de gekozen strategie en doelstellingen stroken met de kenmerken van het gebied. Daarnaast worden de verwachte effecten van de beoogde prioriteiten bepaald, zo mogelijk aan de hand van gekwantificeerde doelstellingen, vooral op het gebied van werkgelegenheid, milieu en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. De evaluatie halverwege de looptijd (ongoing) van het programma valt onder verantwoording van de beheersautoriteit die hierin samenwerkt met de Europese Commissie. Bij deze evaluatie wordt aandacht besteed aan: • de eerste resultaten van het programma; • de coherentie met de evaluatie vooraf; • de relevantie van de vermelde doelstellingen; • het financieel beheer; en • de kwaliteit van het toezicht op de uitvoering van het programma. De evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijke beoordelaar en voorgelegd aan het Comité van Toezicht. Uiterlijk op 31 december 2003 moet deze evaluatie zijn ingediend bij de Europese Commissie. Van deze evaluatie wordt gebruik gemaakt bij de herziening van het programma halverwege de looptijd en bij de toewijzing van de prestatiereserve. • De evaluatie achteraf (ex post) valt onder de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie die hierin samenwerkt met het Ministerie van Economische Zaken en de beheersautoriteit (SNN). Bij deze evaluatie wordt ingegaan op: • de wijze waarop de middelen zijn besteed; • de effecten van het uitgevoerde programma; • de doeltreffendheid en doelmatigheid; en • de coherentie met de evaluatie vooraf. De evaluatie wordt verricht door een onafhankelijk beoordelaar en moet uiterlijk drie jaar na het einde van de programmaperiode zijn afgerond • De prestatiereserve is onlosmakelijk verbonden met de tussentijdse evaluatie van de programma’s. In totaal wordt door de Commissie 4% van de beschikbare middelen uit de Structuurfondsen gereserveerd. Uiterlijk op 31 maart 2004 wordt deze reserve verdeeld over de programma’s op basis van de mate waarin prestaties zijn geleverd bij de uitvoering van het programma. De beoordeling door de Commissie vindt plaats aan de hand van een beperkt aantal toezichtsindicatoren die een beeld geven van de doeltreffendheid, het beheer en de financiële uitvoering van de halverwege bereikte resultaten.

74

4.3.2

Bijstelling van het programma

Het Comité van Toezicht vergewist zich van de doeltreffendheid en de kwaliteit van de uitvoering van het bijstandspakket en kan daartoe in overeenstemming met de beheersautoriteit beslissen over zowel inhoudelijke als financiële wijzigingen van het EPD alsmede het programmacomplement: 1. Elke wijziging moet te rijmen zijn met de beschikbare financiële middelen en de begrotingsvoorschriften van de Commissie. De totale voor het EPD toegekende communautaire bijstand1 mag niet worden gewijzigd. Eventuele voorstellen tot wijziging van de inhoud van de beschikking van de Commissie betreffende de bijdrage van de fondsen worden door het Comité van Toezicht onderzocht en goedgekeurd; De beheersautoriteit past, op verzoek van het Comité van Toezicht of op eigen initiatief, het programmacomplement aan, zonder het totale bedrag van de bijdrage van de fondsen voor het betrokken prioritaire zwaartepunt of de specifieke doelstellingen ervan te wijzigen. Na goedkeuring door het Comité van Toezicht brengt zij de Commissie binnen één maand op de hoogte van deze aanpassing. Het programmacomplement, met inbegrip van de materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op het programma, wordt door het Comité bevestigd of aangepast overeenkomstig artikel 15; Voor andere wijzigingen is een herziening van het EPD volgens de bij de vaststelling ervan toegepaste regeling nodig. Deze regeling voorziet onder meer in raadpleging van de Comités als bedoeld in de artikelen 34 en 35 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

2.

3.

4.

5.

6. Het Comité van Toezicht kan in elk geval aan de beheersautoriteit alle aanpassingen of herzieningen van het bijstandspakket voorstellen die ertoe bijdragen dat de in artikel 1 bedoelde doelstellingen worden bereikt of die het beheer van het bijstandspakket verbeteren, ook wat het financieel beheer betreft. Het bijstandspakket kan worden aangepast overeenkomstig artikel 34, lid 3. 7. Eventuele wijzigingen die betrekking hebben op de elementen van de beschikking tot vaststelling van de bijdragen van de fondsen, worden door de Commissie in overleg met de betrokken Lidstaat vastgesteld binnen vier maanden nadat het Comité van Toezicht advies heeft uitgebracht.

1

Het gaat om het bedrag aan communautaire bijstand dat, uitgedrukt in constante prijzen, is vermeld in de beschikking van de Commissie tot goedkeuring van het EPD 75

4.4 4.4.1

Projectontwikkeling, -selectie en afwikkeling Selectie van projecten

Projecten worden ingediend bij één van de drie provincies of bij de Bestuurscommissie Marktsector. De projecten worden op passende wijze door het SNN beoordeeld. De Bestuurscommissies zijn verantwoordelijk voor de beoordeling en goedkeuring van projecten. Daarbij worden zij echter in belangrijke mate geadviseerd door de Projectbeoordelingscommissie en ondersteund door de UO-SNN dat onder meer de aanvragen voorziet van een pré-advies. In voorkomend geval worden de resultaten van de beoordeling door de Bestuurscommissies ter beschikking van het Comité van Toezicht gesteld. Indien de Bestuurscommissies geen consensus bereiken over een subsidieaanvraag wordt de aanvraag voor besluitvorming aan het Comité van Toezicht voorgelegd. Wat betreft de marktgerichte projecten worden task forces en expert panels voorzien waarin vertegenwoordigers uit de markt zijn vertegenwoordigd. 4.4.2 Selectiecriteria Subsidieaanvragen die worden ingediend binnen het EPD, dienen in overeenstemming te zijn met de strategie, de gestelde prioriteiten en maatregelen zoals verwoord in dit document. Er wordt aan een aanvrager subsidie verleend ten laste van het EFRO-budget indien de subsidieaanvraag voldoet aan formele criteria. Daaronder vallen de vigerende Europese en nationale regelgeving, de daarop gebaseerde beschikkingen van de Europese Commissie ten aanzien van het EFRO en de bindende aanwijzingen op grond van die regelgeving gegeven door het Comité van Toezicht. In het op te stellen toetsingskader voor de selectie en evaluatie van projecten worden nadere selectie- en prioriteitscriteria voor de beoordeling van projecten vastgelegd. Daarbij wordt ook rekening gehouden met het onderscheid tussen economische kernzones en overig gebied, dat bij een aantal maatregelen van het EPD relevant is. Een belangrijk punt van aandacht bij de selectie van projecten is het geïntegreerde karakter van het EPD, waarin onderscheid bestaat tussen het deelprogramma Doelstelling 2 en het deelprogramma Phasing out. Voor beide deelprogramma’s zijn afzonderlijk financiële middelen beschikbaar gesteld (zie de financiële deeltabellen in paragraaf 3.1). Voorkomen zal worden dat middelen uit het deelprogramma Doelstelling 2 worden ingezet in het Phasing out-gebied en andersom. Bij de selectie en beoordeling van projecten wordt het onderscheid tussen Doelstelling 2-gebied en Phasing out-gebied dan ook nadrukkelijk toegepast, door na te gaan op welk gebied een project van toepassing is. Hierop zal ook tijdens en na de uitvoering van het project worden gecontroleerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de geografische afbakening van beide deelgebieden, zoals die zichtbaar is in de kaart van het programmagebied in paragraaf 1.1.

76

Vanaf de eerste stappen van de projectontwikkeling zal aandacht worden besteed aan het aspect duurzaamheid. Voordat een projectvoorstel wordt voorgelegd aan de UO-SNN en de Projectbeoordelingscommissie, wordt het op alle elementen van duurzaamheid getoetst door een in elke provincie daartoe aangewezen duurzaamheidscoördinator. Deze deskundige geeft waar mogelijk adviezen ter verbetering van een projectvoorstel en geeft een oordeel over het aspect duurzaamheid bij elk projectvoorstel. Dit oordeel weegt nadrukkelijk mee bij de verdere projectbeoordeling. 4.4.3 Afwikkeling

Indien een subsidieaanvraag aan alle vereiste voorwaarden en criteria is getoetst, kan worden bepaald of het verzoek om bijstand wordt gehonoreerd. Het besluit tot subsidieverlening wordt door de Bestuurscommissies genomen. Aan de projectaanvrager wordt gevraagd het besluit binnen een vastgestelde termijn ondertekend te retourneren, waarmee de projectuitvoerder aansprakelijkheid aanvaardt voor een doelmatig beheer van de middelen en zich garant verklaart voor de juiste besteding van de gelden. Daarmee verplicht de projectaanvrager zich aan de EFRO-uitvoeringsbepalingen zoals die in het Handboek Administratieve Organisatie zijn vermeld te voldoen. 4.4.4 Staatssteun

De beheersautoriteit van het programma is verantwoordelijk voor het naleven van de Staatssteunregels. Zij laat zich hierbij ondersteunen door de diverse organen uit de organisatiestructuur van het programma. Samen zien zij er op toe dat bij de toekenning van middelen en uitvoering van projecten de mededingingsregels, zoals neergelegd in de diverse besluiten en verordeningen van de Commissie, in acht genomen worden. Dit geldt ook voor mogelijke staatssteun in het kader van de ontwikkeling en herstructurering van bedrijfsterreinen en bedrijfshuisvesting alsmede de kosten van bedrijfshuisvesting voor afzonderlijke bedrijven. In het EPD is een staatssteuntabel opgenomen (bijlage D) met mogelijke steunregelingen die in het kader van het programma worden verwacht. Het betreft regelingen die binnen en buiten de ‘deminimis grenzen’ vallen. Bij de beoordeling van een project zal door de UO-SNN onderzoek worden gedaan naar de ‘deminimis’ en cumulatie van steun. Het resultaat van deze beoordeling zal in het projectdossier worden opgenomen. Teneinde dit te kunnen toetsen is een aantal maatregelen opgesteld om dergelijke zaken te signaleren en dientengevolge te kunnen vermijden dat overheidsbijdragen stijgen boven de deminimis-grens of niet passen binnen de cumulatiebepalingen. Deze toets wordt als volgt aangepakt: • De aanvrager dient in het aanvraagformulier aan te geven of hij van andere overheden financiële steun ontvangt; • In de samenwerkingsovereenkomst met de eindbegunstigde is vastgelegd dat het achterhouden van informatie over steun van andere overheden basis is om de overeenkomst te ontbinden; • In de accountantsverklaring, die moet worden overgelegd bij de afrekening van een project, dient de accountant te verklaren dat de eindbegunstigde de voorgaande drie jaren geen overheidsbijdragen heeft ontvangen die uitstijgen boven de deminimisgrens;

77

In het monitoringsysteem wordt geregistreerd wanneer meerdere projecten door dezelfde eindbegunstigde worden uitgevoerd. In geval van staatssteun toont het systeem de totale publieke bijdrage (zowel Europese als nationale) per begunstigde onderneming, waarbij rekening wordt gehouden met alle projecten in het programma, waarin deze onderneming betrokken is. Alvorens een project wordt goedgekeurd, toetst het programmamanagement dat een te verstrekken bijdrage past binnen de deminimus-regeling en de cumulatiebepalingen. Financiële afwikkeling en monitoring Financiële afwikkeling

4.5 4.5.1

De financiële toetsing, afwikkeling en controle op projectniveau zullen door het Comité van Toezicht nader worden vastgesteld en uitgewerkt in het toetsingskader en het handboek Administratieve Organisatie. Daarbij zullen de door de Europese Commissie vastgelegde regels betreffende de uitgaven die in aanmerking komen voor financiering van de Structuurfondsen (Verordening nr. 1685/2000 van de Commissie van 28 juli 2000) het uitgangspunt vormen voor de toetsing. De financiële afwikkeling op programmaniveau zal conform de Verordeningen (EG) nr. 1260/1999 en (EG) nr. 2064/1997 plaatsvinden. Ook dit zal nader worden uitgewerkt in het handboek Administratieve Organisatie. 4.5.2 Monitoring en (elektronische) gegevensuitwisseling met de Europese Commissie

Voor de informatieverstrekking aan de Europese Commissie worden de bepalingen van Verordening 1260/99 in acht genomen. Daarin is de eis neergelegd om gegevens over de uitvoering van het programma elektronisch uit te wisselen met de Commissie. De Commissie heeft aangegeven welke gegevens op elektronische wijze moeten worden overgedragen en technische gegevens verstrekt met betrekking tot het format van de te leveren gegevens. Het systeem wordt benut voor: • de bewaking van prioriteits- en maatregelbudgetten; • de voortgangsbewaking van projecten; • de registratie van projectkosten (raming en werkelijk); • de registratie van effecten, die met de projecten worden bereikt. Om het onderscheid tussen het deelprogramma Doelstelling 2 en het deelprogramma Phasing out te bewaken zal voor beide deelprogramma’s een gescheiden administratie worden gevoerd. Daarbij wordt rekening gehouden bij de ontwikkeling van het monitoringsysteem, waar voor zowel Doelstelling 2 als phasing out gescheiden systemen zullen worden opgenomen. Met betrekking tot de gewenste elektronische uitwisseling van gegevens zal voor het in het eerste jaar van de uitvoering van het programma te ontwikkelen monitoringsysteem een zodanige interface worden gecreëerd dat de informatieverstrekking aan de Europese Commissie geen problemen zal opleveren. In het programmacomplement zal de beschrijving met betrekking tot uit te wisselen gegevens en de benodigde interface nader uitgewerkt worden.

78

Voorts zullen in het programmacomplement de verschillende maatregelen ingedeeld worden op basis van de categorieën en subcategorieën die in bijlage 1 van het Vademecum voor de bijstandsverlening van de Structuurfondsen is opgenomen. De beheersautoriteit zal er tevens op toezien dat bij de gegevensoverdracht naar de Commissie gebruik zal worden gemaakt van deze actiecategorieën uit het Vademecum. 4.6 Voorlichting en publiciteit

De Europese Commissie stelt afzonderlijke bepalingen voor promotie en publiciteit. Voor de Structuurfondsenperiode 2000-2006 zijn deze vastgelegd in artikel 46 van Verordening (EG) 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999. Verder is door de Europese Commissie een afzonderlijke verordening (nr. 1159/2000 van 30 mei 2000) opgesteld ten aanzien van voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de Structuurfondsen en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij. Om de uitgangspunten van het communicatiebeleid vast te leggen wordt door het SNN een communicatieplan opgesteld ten behoeve van het EPD Noord-Nederland, waarbij de bepalingen in de verordeningen van de Europese Commissie worden nageleefd. Dit communicatieplan richt zich op het verschaffen van informatie over het programma om de doelgroepen (zowel intern als extern) zo snel mogelijk bekend te maken met de mogelijkheden van het programma en een positieve grondhouding ten aanzien van inhoud en uitvoering van het programma bij doelgroepen te genereren. Daarnaast is de communicatie over het programma van belang om bij te dragen aan een groter publiek bewustzijn van de (doorzichtigheid van de) activiteiten en financiële bijdragen van de Europese Unie in de Lidstaten. Van belang zijn een gestroomlijnde communicatie en een (pro)actieve, doeltreffende en doelmatige aanpak. Hoofddoelstellingen van het communicatieplan zijn: • Informeren en communiceren over het programma naar de betreffende externe doelgroepen (wat houdt het programma in en voor wie is het bedoeld) en hierdoor het vergroten van het draagvlak, de betrokkenheid en de medewerking. • Communiceren over de uitvoering van het programma. Hieronder valt onder meer de informatieverstrekking over mogelijke projecten en criteria, maar ook het zichtbaar maken van de inspanningen en de resultaten rond het programma. • Bevorderen van een goede interne communicatie. Waar overlap is in de doelstellingen en activiteiten wordt gezocht naar samenwerking. • Bijdragen aan de bevordering en versterking van een netwerk van relaties die relevant zijn voor het programma. Te denken valt aan relaties met de overige Structuurfondsprogramma’s in Nederland, samenwerkingsverbanden in het MKB, kennisen technologiecentra, werkgevers- en werknemersorganisaties, brancheorganisaties, etc. • Zorgdragen voor de naleving van de richtlijnen voor publiciteit, opgesteld door de Europese Commissie.

79

Beoogde activiteiten om de communicatie- en publiciteitsdoelstellingen te realiseren zijn bijvoorbeeld het ontwikkelen van programmabrochures, website en andere nieuwe media, nieuwsbrieven, promotie- en presentatiemateriaal e.d., het organiseren van diverse pers- en media-activiteiten alsmede bijeenkomsten, netwerkactiviteiten en werkbezoeken, et cetera. De beoogde activiteiten worden in het communicatieplan verder uitgewerkt. Bij de uitvoering van het communicatieplan worden de communicatievoorwaarden van de Europese Commissie waar nodig doorvertaald naar de projectuitvoerders en middels de standaardvoorwaarden in de projectbeschikking opgelegd. Op de naleving van deze verplichtingen vindt controle plaats. De beheersautoriteit, in zijn functie als beschreven in artikel 9 sub n) van de Verordening 1260/99, is in het bijzonder verantwoordelijk voor de coördinatie van het beheer van, en de controle het toezicht op de uitvoering van maatregelen inzake voorlichting en publiciteit conform de EU wet- en regelgeving. De kern van het communicatieplan wordt ook uitgewerkt in het programmacomplement. Voor de kosten van de communicatie zal een gespecificeerde begroting worden opgesteld. De kosten worden gefinancierd vanuit Technische Bijstand. 4.7 Verenigbaarheid met het beleid van de Europese Unie

Krachtens artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1260/1999, moeten verrichtingen die door de Structuurfondsen (of de EIB) worden gefinancierd, in overeenstemming zijn met het Verdrag en de op grond van het Verdrag vastgestelde besluiten, alsmede met het communautaire beleid, met inbegrip van de mededingingsregels, het beleid inzake de plaatsing van overheidsopdrachten, het beleid inzake milieubescherming en –verbetering en het beleid inzake het wegnemen van discriminatie, en de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Of aan deze eis is voldaan, wordt nagegaan bij het onderzoek van de financieringsaanvragen en tijdens de uitvoering van de acties. De Commissie beoordeelt de programma’s overeenkomstig artikel 15, lid 3 van Verordening 1260/1999 in het licht van de vraag of zij stroken met de doelstellingen van deze verordening, rekening houdend met het in artikel 9 van deze verordening bedoelde referentiekader van Doelstelling 3 en het overige communautaire beleid. Mededingingsregels a) De Gemeenschap kan staatssteun voor ondernemingen slechts co-financieren als de Commissie de desbetreffende regeling vooraf heeft goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 87 en 88 van het Verdrag. b) De Lid-Staten melden de Commissie op grond van artikel 88, lid 3, elk voornemen tot invoering, wijziging of verlenging van steunmaatregelen van de staten ten gunste van ondernemingen2.

2

Als steunmaatregelen niet zijn gemeld en niet door de Commissie zijn goedgekeurd, wordt aan de beschikking tot goedkeuring van het programmeringsdocument een opschortende clausule toegevoegd betreffende de betalingsverplichting ten aanzien van die steunmaatregelen. 80

c)

Steunmaatregelen die voldoen aan de voorwaarden die de Commissie heeft vastgesteld in Verordening (EG) nr. 69/2001 inzake ‘deminimis’-steun, Verordening (EG) nr. 70/2001 inzake staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en Verordening (EG) nr. 68/2001 inzake opleidingssteun, hoeven evenwel niet te worden gemeld3. Bijgevolg is daarvoor geen voorafgaande goedkeuring vereist. Deze steunmaatregelen moeten wel in overeenstemming zijn met de toepassingsbepalingen die de Commissie in haar brief aan de Lid-Staten van 23 maart 1993 heeft uiteengezet.

d) Bovendien gelden voor steunmaatregelen voor bepaalde sectoren specifieke meldingsvoorschriften op grond van de volgende communautaire bepalingen: - landbouw en visserij: “Community guidelines for state aid in the agriculture sector” (OJ C 28, 1.2.2000) - staalindustrie: Commission Decision No 2496/96/ECSC of 18 December 1996 establishing Community rules for state aid to the steel industry (OJ L 218, 18.7.1997) and the Framework for certain steel sectors not covered by the ECSC Treaty (OJ C 320, 13.12.1988) - kolenindustrie: Commission Decision No 3632/93/ECSC of 28 December 1993 establishing Community rules for state aid to the coal industry (OJ L 329, 30.12.1993) and Commission Decision No 341/94/ECSC of 8 February 1994 implementing Decision No 3632/93/ECSC establishing Community rules for state aid to the coal industry (OJ L 49, 19.2.1994) - scheepsbouw en –reparatie: Council Regulation (EC) No 1540/98 of 29 June 1998 establishing new rules on aid to shipbuilding (OJ L 202, 18.7.1998) - synthetische vezels: Code on aid to the synthetic fibres industry (96/C 94/07), and the notice on its extension (OJ C 24, 29.1.1999) - automobielindustrie: Community framework for state aid to the motor vehicle industry (OJ C 279, 15.9.1997) Dit punt moet worden begrepen als zijnde van toepassing op alle eventuele besluiten die de bovengenoemde vervangen. e) Bijstandsaanvragen voor grote projecten als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 1260/1999 moeten voor verkrijgen van goedkeuring aan de Europese Commissie gegevens aanleveren op basis waarvan de Commissie zich een oordeel kan vormen of de mededingingsregels, onder andere de bepalingen inzake overheidssteun, in acht worden genomen. Gunning van opdrachten a) Bij de uitvoering van acties of maatregelen die door de Structuurfondsen worden gecofinancierd mag niet in strijd met het communautaire beleid en de communautaire richtlijnen inzake de gunning van opdrachten worden gehandeld.

3

PB L 10, 13.1.2001, pag. 30 PB L 10, 13.1.2001, pag. 33 PB L 10, 13.1.2001, pag. 20 81

b) Overeenkomstig artikel 34, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1260/1999 moeten in de berichten die voor bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bestemd, de referenties worden vermeld van de projecten waarvoor een bijdrage van de fondsen is aangevraagd of vastgesteld. Milieubescherming Door de Structuurfondsen ge-cofinancierde acties en maatregelen moeten stroken met de beginselen en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling die zijn uiteengezet in het “Beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en duurzame ontwikkeling” opgenomen in de resolutie van de Raad van 1 februari 19934. Zij moeten ook in overeenstemming zijn met de communautaire milieuwetgeving. Daarbij moet voorrang worden gegeven aan de doelstellingen die in de milieuwetgeving zijn vastgesteld, voor zover er een verband is tussen de verwezenlijking daarvan en de beoogde regionale ontwikkeling. Bijstandsaanvragen voor grote projecten als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EEG) nr. 1260/1999 moeten voor verkrijgen van goedkeuring aan de Europese Commissie gegevens aanleveren op basis waarvan de Commissie zich een oordeel kan vormen over de gevolgen voor het milieu en over de toepassing van het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden aangepakt en het beginsel dat de vervuiler betaalt, alsmede over de toepassing van de communautaire milieuvoorschriften. Gelijke kansen voor mannen en vrouwen Door de Structuurfondsen ge-cofinancierde acties en maatregelen moeten verenigbaar zijn met het beleid en de wetgeving van de Gemeenschap inzake gelijke kansen voor mannen en vrouwen, en eventueel bevorderlijk zijn voor het bereiken van deze doelstelling. Het is in dit verband vooral wenselijk dat rekening wordt gehouden met aanvragen inzake investeringen en opleidingsacties die de herinschakeling van mensen met kinderen in het arbeidsproces ten goede komen. Communautair beleid op andere terreinen Door de Structuurfondsen of het FIOV medegefinancierde acties en maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het communautaire beleid op andere terreinen waarin is voorzien bij de Verdragen, met name de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen, het gemeenschappelijk landbouwbeleid in al zijn onderdelen, het gemeenschappelijk visserijbeleid in al zijn onderdelen, het sociaal beleid, met inbegrip van gelijke kansen voor personen met een handicap, het industriebeleid, het beleid ten behoeve van het MKB en de ambachtelijke bedrijven, en het beleid inzake energie, vervoer, telecommunicatie en informatietechnieken, Trans-Europese netwerken en Onderzoek en Ontwikkeling. Dit punt moet worden begrepen als zijnde van toepassing op alle eventuele besluiten die de bovengenoemde vervangen.

4

PB nr. C138 van 17.5.1993 82

BIJLAGE A

HABITAT- EN VOGELRICHTLIJNGEBIEDEN

De volgende pagina’s bevatten kaarten van de Habitat- en Vogelrichtlijngebieden die in Noord-Nederland zijn aangewezen.

83

Deze pagina vervangen door kaart Habitatrichtlijngebieden.

84

Deze pagina vervangen door kaart Vogelrichtlijngebieden.

85

BIJLAGE B

SOCIAAL-ECONOMISCHE INDICATOREN

In paragraaf 2.3 van het EPD is de hoofddoelstelling van het programma uitgewerkt in een aantal subdoelstellingen. Deze hoofd- en subdoelstellingen geven de gewenste ontwikkelingen van de sociaal-economische situatie in Noord-Nederland weer waaraan het EPD beoogt bij te dragen. Conform de eisen van de Europese Commissie zijn de hoofd- en subdoelstellingen van het EPD Noord-Nederland vertaald in een aantal sociaal-economische indicatoren, die zijn opgenomen in de tabel op de volgende pagina. Aan de hand van de ontwikkeling van deze indicatoren is het mogelijk de sociaal-economische ontwikkeling van Noord-Nederland te volgen en af te lezen in welke mate de in het EPD geformuleerde doelstellingen worden gerealiseerd. Daartoe heeft voor iedere indicator een kwantificering plaatsgevonden van de nulwaarden voor de start van de programmaperiode en de streefwaarden voor het einde van de programmaperiode. Met betrekking tot de streefwaarden moet worden opgemerkt dat het hier om beoogde ‘nettoeffecten’ gaat. Op basis van ervaringen uit het verleden en bepaalde aannames zijn doelwaarden berekend die zoveel mogelijk aan de inzet van Noord-Nederland kunnen worden toegerekend. Onder meer ten gevolge van het programma kan Noord-Nederland daarnaast beter inspelen op ontwikkelingen elders waardoor de effecten per saldo gunstiger kunnen uitvallen (zonder dat dit vooraf kwantificeerbaar is). Overigens moet ten aanzien van de indicatoren en bijbehorende doelwaarden nadrukkelijk worden opgemerkt dat de mate van realisatie niet alleen afhankelijk is van het slagen van het EPD Noord-Nederland. Diverse andere factoren – buiten de invloedssfeer van het EPD – bepalen immers voor een groot deel de ontwikkeling van deze indicatoren op regionaal niveau.

86

Sociaal-economische indicatoren

Doelstelling
Hoofddoelstelling: Inlopen economische achterstand

Indicator
BRP/inwoner, achterstand ten opzichte van Nederland in % van het Nederlandse bedrag Terstond uitgeefbaar bedrijventerein b)

Stand 1999
–18% a)

Prognose 2008
–17%

Subdoelstelling: Voldoende aanbod van Vestigingslocaties, alsmede hunbereikbaarheid Subdoelstelling: Versterking van de concurrentiepositie van het bestaande bedrijfsleven en het aantrekken van nieuwe economische activiteiten Subdoelstelling: Het bevorderen van een betere werking van de arbeidsmarkt met bijzondere aandacht voor verhoging van de participatie voor groepen waarvan deze laag is Aspect van hoofddoelstelling: bevorderen duurzame economie

950ha

800 à 1.000ha

Saldo bedrijfsvestigingen van elders, op jaarbasis c) Bedrijfsinvesteringen, als % van Nederland d) Participatiegraad (regionale component) Werkloosheid e) (regionale component) Participatiegraad vrouwen t.o.v. Nederland Natuurgebieden f) Geproduceerde en verwerkte afval Waterverontreiniging g)

20 – 25 10,7%

25 – 35 10,9%

-4%pt +4,3%pt -5%pt 44.000 ha 2.1 Mton/jr 23.4 kton/jr 540.000 81.700

-3,5%pt +3,5%pt -4%pt ≥ 44.000 ha < 1.8 Mton/jr < 23.0 kton/jr 611.000 88.400

Overige sociaal-economische indicatoren

Werkgelegenheid (personen) h) Aantal gevestigde bedrijven i)

a) b) c) d) e) f) g) h) i)

meest recent cijfer: 1997; exclusief natte terreinen, netto gemiddeld over de periode 1988-1995 gebaseerd op waarde 1995 (CBS, regionaal-economische jaarcijfers, geïndexeerd met nationale trend) NWW (Niet Werkende Werkzoekenden) volgens CBS-definitie “natuurlijk terrein”, stand 1996 (meest recent) emissies van stoffen naar het oppervlaktewater in banen van 12 uur of meer; bron: 3 provincies (is BRON van LISA), stand 1998 bron: Jaarboek voor het Noorden, stand 1998

87

BIJLAGE C

FINANCIELE JAARTABELLEN

De financiële tabellen die in paragraaf 3.1 van het EPD zijn opgenomen betreffen de totale committeringsperiodes voor Doelstelling 2 en phasing out. Daarbij is zowel een financiële totaaltabel opgenomen waarin de bedragen voor Doelstelling 2 en phasing out zijn geïntegreerd, als afzonderlijke financiële deeltabellen voor Doelstelling 2 en phasing out. Conform de eis van de Europese Commissie is het noodzakelijk dat een financiële tabel in het EPD wordt opgesplitst in afzonderlijke tabellen met een verdeling van de bedragen over alle committeringsjaren. In deze bijlage is de geïntegreerde financiële totaaltabel dan ook opgedeeld in bedragen per committeringsjaar. Hetzelfde is gebeurd voor de afzonderlijke deeltabellen van Doelstelling 2 en phasing out. Dit betekent dat voor Doelstelling 2 jaarbedragen zijn opgenomen voor de jaren 2000 tot en met 2006 en voor phasing out voor de jaren 2000 tot en met 2005. Overigens is in de deeltabellen voor phasing out zichtbaar dat de in te zetten EFRO-bijdrage (en daarmee ook de andere bedragen) ieder jaar lager zal zijn. Dit degressief patroon is geheel in lijn met het ‘afbouwkarakter’ van Europese steun dat de phasing out’programma’s kenmerkt. De tabellen zijn uitgewerkt tot op prioriteitsniveau.

88

Financiële totaaltabel EPD Noord-Nederland 2000-2006 Doelstelling 2 + Phasing out - Bedragen per jaar -

89

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Totaal 3 Rijk 9
188.681.000

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit
546.945.000 201.045.000 201.045.000 345.900.000

1=2+13

2=3+8

EFRO 4 Prov. 10

Totaal 8=9+10+11+1 2
4.173.000

Lokaal 11
148.873.000

Overige 12

13
4.173.000 363.340.000

Prioriteit I Versterking marktsector

910.285.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 135.305.973 135.305.973 161.315.702 161.315.702 160.868.549 160.868.549 149.896.626 149.896.626 151.985.526 151.985.526 150.912.624 150.912.624

0 0 82.348.981 82.348.981 98.013.093 98.013.093 97.174.092 97.174.092 89.968.341 89.968.341 90.637.432 90.637.432 88.803.061 88.803.061

0 0 30.342.795 30.342.795 36.103.094 36.103.094 35.754.997 35.754.997 33.063.632 33.063.632 33.268.784 33.268.784 32.511.698 32.511.698

0 0 30.342.795 30.342.795 36.103.094 36.103.094 35.754.997 35.754.997 33.063.632 33.063.632 33.268.784 33.268.784 32.511.698 32.511.698

0 0 52.006.186 52.006.186 61.909.999 61.909.999 61.419.095 61.419.095 56.904.709 56.904.709 57.368.648 57.368.648 56.291.363 56.291.363

0 0 28.481.473 28.481.473 33.887.684 33.887.684 33.558.432 33.558.432 31.029.827 31.029.827 31.219.729 31.219.729 30.503.855 30.503.855

0 0 624.396 624.396 743.776 743.776 739.490 739.490 686.788 686.788 694.066 694.066 684.484 684.484

0 0 22.275.921 22.275.921 26.534.763 26.534.763 26.381.683 26.381.683 24.501.306 24.501.306 24.760.787 24.760.787 24.418.540 24.418.540

0 0 624.396 624.396 743.776 743.776 739.490 739.490 686.788 686.788 694.066 694.066 684.484 684.484

0 0 52.956.992 52.956.992 63.302.609 63.302.609 63.694.457 63.694.457 59.928.285 59.928.285 61.348.094 61.348.094 62.109.563 62.109.563

90

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Totale kosten Totaal Publiek Totaal 3 Rijk 9
42.880.000

Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit
181.115.000 81.500.000 81.500.000 99.615.000

1=2+13

2=3+8

EFRO 4 Prov. 10

Totaal 8=9+10+11+1 2
1.507.000

Lokaal 11
53.721.000

Overige 12
1.507.000

13
0

Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen

181.115.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 26.278.756 26.278.756 31.431.674 31.431.674 31.691.532 31.691.532 29.883.588 29.883.588 30.657.632 30.657.632 31.171.818 31.171.818

0 0 26.278.756 26.278.756 31.431.674 31.431.674 31.691.532 31.691.532 29.883.588 29.883.588 30.657.632 30.657.632 31.171.818 31.171.818

0 0 11.825.188 11.825.188 14.143.949 14.143.949 14.260.883 14.260.883 13.447.326 13.447.326 13.795.638 13.795.638 14.027.016 14.027.016

0 0 11.825.188 11.825.188 14.143.949 14.143.949 14.260.883 14.260.883 13.447.326 13.447.326 13.795.638 13.795.638 14.027.016 14.027.016

0 0 14.453.568 14.453.568 17.287.725 17.287.725 17.430.649 17.430.649 16.436.262 16.436.262 16.861.994 16.861.994 17.144.802 17.144.802

0 0 6.221.645 6.221.645 7.441.627 7.441.627 7.503.149 7.503.149 7.075.108 7.075.108 7.258.367 7.258.367 7.380.104 7.380.104

0 0 218.656 218.656 261.533 261.533 263.695 263.695 248.652 248.652 255.093 255.093 259.371 259.371

0 0 7.794.611 7.794.611 9.323.032 9.323.032 9.400.110 9.400.110 8.863.850 8.863.850 9.093.441 9.093.441 9.245.956 9.245.956

0 0 218.656 218.656 261.533 261.533 263.695 263.695 248.652 248.652 255.093 255.093 259.371 259.371

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

91

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Totaal 3 Rijk 9
22.962.000

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit
136.700.000 54.680.000 54.680.000 82.020.000

1=2+13

2=3+8

EFRO 4 Prov. 10

Totaal 8=9+10+11+1 2
1.568.000

Lokaal 11
55.922.000

Overige 12
1.568.000

13
0

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt

136.700.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 20.268.759 20.268.759 24.172.972 24.172.972 24.133.250 24.133.250 22.515.058 22.515.058 22.856.935 22.856.935 22.753.026 22.753.026

0 0 20.268.759 20.268.759 24.172.972 24.172.972 24.133.250 24.133.250 22.515.058 22.515.058 22.856.935 22.856.935 22.753.026 22.753.026

0 0 8.107.504 8.107.504 9.669.189 9.669.189 9.653.300 9.653.300 9.006.023 9.006.023 9.142.774 9.142.774 9.101.210 9.101.210

0 0 8.107.504 8.107.504 9.669.189 9.669.189 9.653.300 9.653.300 9.006.023 9.006.023 9.142.774 9.142.774 9.101.210 9.101.210

0 0 12.161.255 12.161.255 14.503.783 14.503.783 14.479.950 14.479.950 13.509.035 13.509.035 13.714.161 13.714.161 13.651.816 13.651.816

0 0 3.404.533 3.404.533 4.060.335 4.060.335 4.053.708 4.053.708 3.781.945 3.781.945 3.839.418 3.839.418 3.822.061 3.822.061

0 0 232.526 232.526 277.311 277.311 276.836 276.836 258.253 258.253 262.154 262.154 260.920 260.920

0 0 8.291.670 8.291.670 9.888.826 9.888.826 9.872.570 9.872.570 9.210.584 9.210.584 9.350.435 9.350.435 9.307.915 9.307.915

0 0 232.526 232.526 277.311 277.311 276.836 276.836 258.253 258.253 262.154 262.154 260.920 260.920

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

92

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

Prioriteit
9.350.000 9.350.000 4.675.000 4.675.000 4.675.000 4.675.000

1=2+13

2=3+8

Totaal 3
0

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
0

Overige 12
0

13
0

Prioriteit IV Technische Bijstand

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 1.429.026 1.429.026 1.697.536 1.697.536 1.671.640 1.671.640 1.536.038 1.536.038 1.535.608 1.535.608 1.480.152 1.480.152

0 0 1.429.026 1.429.026 1.697.536 1.697.536 1.671.640 1.671.640 1.536.038 1.536.038 1.535.608 1.535.608 1.480.152 1.480.152

0 0 714.513 714.513 848.768 848.768 835.820 835.820 768.019 768.019 767.804 767.804 740.076 740.076

0 0 714.513 714.513 848.768 848.768 835.820 835.820 768.019 768.019 767.804 767.804 740.076 740.076

0 0 714.513 714.513 848.768 848.768 835.820 835.820 768.019 768.019 767.804 767.804 740.076 740.076

0 0 714.513 714.513 848.768 848.768 835.820 835.820 768.019 768.019 767.804 767.804 740.076 740.076

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

93

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

1=2+13
874.110.000 341.900.000 341.900.000 532.210.000 259.198.000

2=3+8

Totaal 3
7.248.000

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
258.516.000

Overige 12
7.248.000

13
363.340.000

TOTAAL

1.237.450.000

Totaal EFRO

1.237.450.000

874.110.000

341.900.000

341.900.000

532.210.000

259.198.000

7.248.000

258.516.000

7.248.000

363.340.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 183.282.514 183.282.514 218.617.884 218.617.884 218.364.971 218.364.971 203.831.310 203.831.310 207.035.701 207.035.701 206.317.620 206.317.620

0 0 130.325.522 130.325.522 155.315.275 155.315.275 154.670.514 154.670.514 143.903.025 143.903.025 145.687.607 145.687.607 144.208.057 144.208.057

0 0 50.990.000 50.990.000 60.765.000 60.765.000 60.505.000 60.505.000 56.285.000 56.285.000 56.975.000 56.975.000 56.380.000 56.380.000

0 0 50.990.000 50.990.000 60.765.000 60.765.000 60.505.000 60.505.000 56.285.000 56.285.000 56.975.000 56.975.000 56.380.000 56.380.000

0 0 79.335.522 79.335.522 94.550.275 94.550.275 94.165.514 94.165.514 87.618.025 87.618.025 88.712.607 88.712.607 87.828.057 87.828.057

0 0 38.822.164 38.822.164 46.238.414 46.238.414 45.951.109 45.951.109 42.654.899 42.654.899 43.085.318 43.085.318 42.446.096 42.446.096

0 0 1.075.578 1.075.578 1.282.620 1.282.620 1.280.021 1.280.021 1.193.693 1.193.693 1.211.313 1.211.313 1.204.775 1.204.775

0 0 38.362.202 38.362.202 45.746.621 45.746.621 45.654.363 45.654.363 42.575.740 42.575.740 43.204.663 43.204.663 42.972.411 42.972.411

0 0 1.075.578 1.075.578 1.282.620 1.282.620 1.280.021 1.280.021 1.193.693 1.193.693 1.211.313 1.211.313 1.204.775 1.204.775

0 0 52.956.992 52.956.992 63.302.609 63.302.609 63.694.457 63.694.457 59.928.285 59.928.285 61.348.094 61.348.094 62.109.563 62.109.563

94

''EPD NOORD-NEDERLAND TOTAAL 2000-2006 (DOELSTELLING 2 + PHASING OUT)"
Totale kosten Totaal Publiek 1=2+13
874.110.000 837.880.000 36.230.000 0 0 0 130.325.522 121.571.627 8.753.895 155.315.275 145.410.217 9.905.058 154.670.514 146.612.375 8.058.139 143.903.025 138.248.411 5.654.614 145.687.607 141.829.313 3.858.294 144.208.057 144.208.057 0 55.450.000 1.525.000 56.380.000 56.380.000 0 56.975.000 2.235.000 54.050.000 56.285.000 3.185.000 57.320.000 57.320.000 3.185.000 56.285.000 54.050.000 2.235.000 56.975.000 55.450.000 1.525.000 56.380.000 56.380.000 0 60.505.000 60.505.000 3.915.000 3.915.000 56.850.000 56.850.000 60.765.000 60.765.000 3.460.000 3.460.000 5.293.895 94.550.275 88.560.217 5.990.058 94.165.514 89.292.375 4.873.139 87.618.025 84.198.411 3.419.614 88.712.607 86.379.313 2.333.294 87.828.057 87.828.057 0 47.530.000 47.530.000 74.041.627 50.990.000 50.990.000 79.335.522 0 0 0 0 0 0 0 0 38.822.164 35.783.307 3.038.857 46.238.414 42.799.940 3.438.474 45.951.109 43.153.781 2.797.328 42.654.899 40.691.938 1.962.961 43.085.318 41.745.938 1.339.380 42.446.096 42.446.096 0 0 0 0 0 14.320.000 14.320.000 21.910.000 12.577.000 327.580.000 327.580.000 510.300.000 246.621.000 7.000.000 248.000 0 0 0 1.075.578 1.015.657 59.921 1.282.620 1.214.819 67.801 1.280.021 1.224.861 55.160 1.193.693 1.154.986 38.707 1.211.313 1.184.902 26.411 1.204.775 1.204.775 0 341.900.000 341.900.000 532.210.000 259.198.000 7.248.000

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

2=3+8

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
258.516.000 249.679.000 8.837.000 0 0 0 38.362.202 36.227.006 2.135.196 45.746.621 43.330.639 2.415.982 45.654.363 43.688.872 1.965.491 42.575.740 41.196.501 1.379.239 43.204.663 42.263.571 941.092 42.972.411 42.972.411 0

Overige 12

13
7.248.000 363.340.000 7.000.000 360.870.000 248.000 0 0 0 1.075.578 1.015.657 59.921 1.282.620 1.214.819 67.801 1.280.021 1.224.861 55.160 1.193.693 1.154.986 38.707 1.211.313 1.184.902 26.411 1.204.775 1.204.775 0 2.470.000 0 0 0 52.956.992 52.360.190 596.802 63.302.609 62.627.326 675.283 63.694.457 63.145.089 549.368 59.928.285 59.542.779 385.506 61.348.094 61.085.053 263.041 62.109.563 62.109.563 0

TOTAAL

1.237.450.000

Regions not receiving transitional support 38.700.000 0 0 0

1.198.750.000

Regions receiving transitional support

2000

Regions not receiving transitional support

Regions receiving transitional support

2001 9.350.697

183.282.514

Regions not receiving transitional support

173.931.817

Regions receiving transitional support

2002 10.580.341

218.617.884

Regions not receiving transitional support

208.037.543

Regions receiving transitional support

2003 8.607.507

218.364.971

Regions not receiving transitional support

209.757.464

Regions receiving transitional support

2004 6.040.120

203.831.310

Regions not receiving transitional support

197.791.190

Regions receiving transitional support

2005 4.121.335

207.035.701

Regions not receiving transitional support

202.914.366

Regions receiving transitional support

2006 0

206.317.620

Regions not receiving transitional support

206.317.620

Regions receiving transitional support

95

Financiële deeltabel Doelstelling 2 Noord-Nederland 2000-2006 - Bedragen per jaar -

96

''DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

Prioriteit
515.965.000 188.900.000 188.900.000 327.065.000 177.234.000

1=2+13

2=3+8

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11

Overige 12
3.977.000

13
360.870.000

Prioriteit I Versterking marktsector

876.835.000

3.977.000 141.877.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 127.223.783 127.223.783 152.170.676 152.170.676 153.428.727 153.428.727 144.675.902 144.675.902 148.423.288 148.423.288 150.912.624 150.912.624

0 0 74.863.593 74.863.593 89.543.350 89.543.350 90.283.638 90.283.638 85.133.123 85.133.123 87.338.235 87.338.235 88.803.061 88.803.061

0 0 27.408.319 27.408.319 32.782.725 32.782.725 33.053.752 33.053.752 31.168.096 31.168.096 31.975.410 31.975.410 32.511.698 32.511.698

0 0 27.408.319 27.408.319 32.782.725 32.782.725 33.053.752 33.053.752 31.168.096 31.168.096 31.975.410 31.975.410 32.511.698 32.511.698

0 0 47.455.274 47.455.274 56.760.625 56.760.625 57.229.886 57.229.886 53.965.027 53.965.027 55.362.825 55.362.825 56.291.363 56.291.363

0 0 25.715.648 25.715.648 30.758.144 30.758.144 31.012.434 31.012.434 29.243.231 29.243.231 30.000.688 30.000.688 30.503.855 30.503.855

0 0 577.039 577.039 690.191 690.191 695.896 695.896 656.197 656.197 673.193 673.193 684.484 684.484

0 0 20.585.548 20.585.548 24.622.099 24.622.099 24.825.660 24.825.660 23.409.402 23.409.402 24.015.751 24.015.751 24.418.540 24.418.540

0 0 577.039 577.039 690.191 690.191 695.896 695.896 656.197 656.197 673.193 673.193 684.484 684.484

0 0 52.360.190 52.360.190 62.627.326 62.627.326 63.145.089 63.145.089 59.542.779 59.542.779 61.085.053 61.085.053 62.109.563 62.109.563

97

''DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

Prioriteit
181.115.000 81.500.000 81.500.000 99.615.000 42.880.000 1.507.000

1=2+13

2=3+8

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
53.721.000

Overige 12
1.507.000

13
0

Prioriteit II Ontwikkeling stedelijke kernen

181.115.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 26.278.756 26.278.756 31.431.674 31.431.674 31.691.532 31.691.532 29.883.588 29.883.588 30.657.632 30.657.632 31.171.818 31.171.818

0 0 26.278.756 26.278.756 31.431.674 31.431.674 31.691.532 31.691.532 29.883.588 29.883.588 30.657.632 30.657.632 31.171.818 31.171.818

0 0 11.825.188 11.825.188 14.143.949 14.143.949 14.260.883 14.260.883 13.447.326 13.447.326 13.795.638 13.795.638 14.027.016 14.027.016

0 0 11.825.188 11.825.188 14.143.949 14.143.949 14.260.883 14.260.883 13.447.326 13.447.326 13.795.638 13.795.638 14.027.016 14.027.016

0 0 14.453.568 14.453.568 17.287.725 17.287.725 17.430.649 17.430.649 16.436.262 16.436.262 16.861.994 16.861.994 17.144.802 17.144.802

0 0 6.221.645 6.221.645 7.441.627 7.441.627 7.503.149 7.503.149 7.075.108 7.075.108 7.258.367 7.258.367 7.380.104 7.380.104

0 0 218.656 218.656 261.533 261.533 263.695 263.695 248.652 248.652 255.093 255.093 259.371 259.371

0 0 7.794.611 7.794.611 9.323.032 9.323.032 9.400.110 9.400.110 8.863.850 8.863.850 9.093.441 9.093.441 9.245.956 9.245.956

0 0 218.656 218.656 261.533 261.533 263.695 263.695 248.652 248.652 255.093 255.093 259.371 259.371

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

98

''DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

Prioriteit
132.200.000 52.880.000 52.880.000 79.320.000 22.207.000 1.516.000

1=2+13

2=3+8

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
54.081.000

Overige 12
1.516.000

13
0

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt

132.200.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 19.181.468 19.181.468 22.942.701 22.942.701 23.132.377 23.132.377 21.812.718 21.812.718 22.377.710 22.377.710 22.753.026 22.753.026

0 0 19.181.468 19.181.468 22.942.701 22.942.701 23.132.377 23.132.377 21.812.718 21.812.718 22.377.710 22.377.710 22.753.026 22.753.026

0 0 7.672.588 7.672.588 9.177.080 9.177.080 9.252.951 9.252.951 8.725.087 8.725.087 8.951.084 8.951.084 9.101.210 9.101.210

0 0 7.672.588 7.672.588 9.177.080 9.177.080 9.252.951 9.252.951 8.725.087 8.725.087 8.951.084 8.951.084 9.101.210 9.101.210

0 0 11.508.880 11.508.880 13.765.621 13.765.621 13.879.426 13.879.426 13.087.631 13.087.631 13.426.626 13.426.626 13.651.816 13.651.816

0 0 3.222.109 3.222.109 3.853.923 3.853.923 3.885.784 3.885.784 3.664.108 3.664.108 3.759.015 3.759.015 3.822.061 3.822.061

0 0 219.962 219.962 263.095 263.095 265.270 265.270 250.137 250.137 256.616 256.616 260.920 260.920

0 0 7.846.847 7.846.847 9.385.508 9.385.508 9.463.102 9.463.102 8.923.249 8.923.249 9.154.379 9.154.379 9.307.915 9.307.915

0 0 219.962 219.962 263.095 263.095 265.270 265.270 250.137 250.137 256.616 256.616 260.920 260.920

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

99

''DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

Prioriteit
8.600.000 4.300.000 4.300.000 4.300.000 4.300.000 0

1=2+13

2=3+8

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
0

Overige 12
0

13
0

Prioriteit IV Technische Bijstand

8.600.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 1.247.810 1.247.810 1.492.492 1.492.492 1.504.828 1.504.828 1.418.982 1.418.982 1.455.736 1.455.736 1.480.152 1.480.152

0 0 1.247.810 1.247.810 1.492.492 1.492.492 1.504.828 1.504.828 1.418.982 1.418.982 1.455.736 1.455.736 1.480.152 1.480.152

0 0 623.905 623.905 746.246 746.246 752.414 752.414 709.491 709.491 727.868 727.868 740.076 740.076

0 0 623.905 623.905 746.246 746.246 752.414 752.414 709.491 709.491 727.868 727.868 740.076 740.076

0 0 623.905 623.905 746.246 746.246 752.414 752.414 709.491 709.491 727.868 727.868 740.076 740.076

0 0 623.905 623.905 746.246 746.246 752.414 752.414 709.491 709.491 727.868 727.868 740.076 740.076

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

100

''DEELPROGRAMMA DOELSTELLING 2 2000-2006"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek Communautaire bijdrage Nationaal publiek Privaat

Totale kosten

1=2+13
837.880.000 327.580.000 327.580.000 510.300.000 246.621.000

2=3+8

Totaal 3
7.000.000

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
249.679.000

Overige 12

13
7.000.000 360.870.000

TOTAAL

1.198.750.000

Totaal EFRO

1.198.750.000

837.880.000

327.580.000

327.580.000

510.300.000 246.621.000

7.000.000

249.679.000

7.000.000 360.870.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

2006

Totaal EFRO

0 0 173.931.817 173.931.817 208.037.543 208.037.543 209.757.464 209.757.464 197.791.190 197.791.190 202.914.366 202.914.366 206.317.620 206.317.620

0 0 121.571.627 121.571.627 145.410.217 145.410.217 146.612.375 146.612.375 138.248.411 138.248.411 141.829.313 141.829.313 144.208.057 144.208.057

0 0 47.530.000 47.530.000 56.850.000 56.850.000 57.320.000 57.320.000 54.050.000 54.050.000 55.450.000 55.450.000 56.380.000 56.380.000

0 0 47.530.000 47.530.000 56.850.000 56.850.000 57.320.000 57.320.000 54.050.000 54.050.000 55.450.000 55.450.000 56.380.000 56.380.000

0 0 74.041.627 74.041.627 88.560.217 88.560.217 89.292.375 89.292.375 84.198.411 84.198.411 86.379.313 86.379.313 87.828.057 87.828.057

0 0 35.783.307 35.783.307 42.799.940 42.799.940 43.153.781 43.153.781 40.691.938 40.691.938 41.745.938 41.745.938 42.446.096 42.446.096

0 0 1.015.657 1.015.657 1.214.819 1.214.819 1.224.861 1.224.861 1.154.986 1.154.986 1.184.902 1.184.902 1.204.775 1.204.775

0 0 36.227.006 36.227.006 43.330.639 43.330.639 43.688.872 43.688.872 41.196.501 41.196.501 42.263.571 42.263.571 42.972.411 42.972.411

0 0 1.015.657 1.015.657 1.214.819 1.214.819 1.224.861 1.224.861 1.154.986 1.154.986 1.184.902 1.184.902 1.204.775 1.204.775

0 0 52.360.190 52.360.190 62.627.326 62.627.326 63.145.089 63.145.089 59.542.779 59.542.779 61.085.053 61.085.053 62.109.563 62.109.563

101

Financiële deeltabel Phasing out Noord-Nederland 2000-2005 - Bedragen per jaar -

102

''DEELPROGRAMMA PHASING OUT 2000-2005"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek 2=3+8
30.980.000 12.145.000 12.145.000 18.835.000 11.447.000 196.000

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit

1=2+13

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
6.996.000

Overige 12
196.000

13
2.470.000

Prioriteit I Versterking marktsector

33.450.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

0 0 8.082.190 8.082.190 9.145.026 9.145.026 7.439.822 7.439.822 5.220.724 5.220.724 3.562.238 3.562.238

0 0 7.485.388 7.485.388 8.469.743 8.469.743 6.890.454 6.890.454 4.835.218 4.835.218 3.299.197 3.299.197

0 0 2.934.476 2.934.476 3.320.369 3.320.369 2.701.245 2.701.245 1.895.536 1.895.536 1.293.374 1.293.374

0 0 2.934.476 2.934.476 3.320.369 3.320.369 2.701.245 2.701.245 1.895.536 1.895.536 1.293.374 1.293.374

0 0 4.550.912 4.550.912 5.149.374 5.149.374 4.189.209 4.189.209 2.939.682 2.939.682 2.005.823 2.005.823

0 0 2.765.825 2.765.825 3.129.540 3.129.540 2.545.998 2.545.998 1.786.596 1.786.596 1.219.041 1.219.041

0 0 47.357 47.357 53.585 53.585 43.594 43.594 30.591 30.591 20.873 20.873

0 0 1.690.373 1.690.373 1.912.664 1.912.664 1.556.023 1.556.023 1.091.904 1.091.904 745.036 745.036

0 0 47.357 47.357 53.585 53.585 43.594 43.594 30.591 30.591 20.873 20.873

0 0 596.802 596.802 675.283 675.283 549.368 549.368 385.506 385.506 263.041 263.041

103

''DEELPROGRAMMA PHASING OUT 2000-2005"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek 2=3+8
4.500.000 1.800.000 1.800.000 2.700.000 755.000 52.000

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit

1=2+13

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
1.841.000

Overige 12
52.000

13
0

Prioriteit III Werking arbeidsmarkt

4.500.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

0 0 1.087.291 1.087.291 1.230.271 1.230.271 1.000.873 1.000.873 702.340 702.340 479.225

0 0 1.087.291 1.087.291 1.230.271 1.230.271 1.000.873 1.000.873 702.340 702.340 479.225

0 0 434.916 434.916 492.109 492.109 400.349 400.349 280.936 280.936 191.690

0 0 434.916 434.916 492.109 492.109 400.349 400.349 280.936 280.936 191.690

0 0 652.375 652.375 738.162 738.162 600.524 600.524 421.404 421.404 287.535

0 0 182.424 182.424 206.412 206.412 167.924 167.924 117.837 117.837 80.403

0 0 12.564 12.564 14.216 14.216 11.566 11.566 8.116 8.116 5.538

0 0 444.823 444.823 503.318 503.318 409.468 409.468 287.335 287.335 196.056

0 0 12.564 12.564 14.216 14.216 11.566 11.566 8.116 8.116 5.538

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

104

''DEELPROGRAMMA PHASING OUT 2000-2005"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek 2=3+8
750.000 375.000 375.000 375.000 375.000 0

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

Prioriteit

1=2+13

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
0

Overige 12
0

13
0

Prioriteit IV Technische Bijstand

750.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

0 0 181.216 181.216 205.044 205.044 166.812 166.812 117.056 117.056 79.872

0 0 181.216 181.216 205.044 205.044 166.812 166.812 117.056 117.056 79.872

0 0 90.608 90.608 102.522 102.522 83.406 83.406 58.528 58.528 39.936

0 0 90.608 90.608 102.522 102.522 83.406 83.406 58.528 58.528 39.936

0 0 90.608 90.608 102.522 102.522 83.406 83.406 58.528 58.528 39.936

0 0 90.608 90.608 102.522 102.522 83.406 83.406 58.528 58.528 39.936

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

105

''DEELPROGRAMMA PHASING OUT 2000-2005"

In Euro, geïndexeerd prijspeil
Publiek Totaal Publiek 2=3+8
36.230.000 14.320.000 14.320.000 21.910.000 12.577.000 248.000

Totale kosten Communautaire bijdrage Nationaal publiek

Privaat

1=2+13

Totaal 3

EFRO 4

Totaal 8=9+10+11+12

Rijk 9

Prov. 10

Lokaal 11
8.837.000

Overige 12
248.000

13
2.470.000

TOTAAL

38.700.000

Totaal EFRO

38.700.000

36.230.000

14.320.000

14.320.000

21.910.000

12.577.000

248.000

8.837.000

248.000

2.470.000

2000

Totaal EFRO

2001

Totaal EFRO

2002

Totaal EFRO

2003

Totaal EFRO

2004

Totaal EFRO

2005

Totaal EFRO

0 0 9.350.697 9.350.697 10.580.341 10.580.341 8.607.507 8.607.507 6.040.120 6.040.120 4.121.335 4.121.335

0 0 8.753.895 8.753.895 9.905.058 9.905.058 8.058.139 8.058.139 5.654.614 5.654.614 3.858.294 3.858.294

0 0 3.460.000 3.460.000 3.915.000 3.915.000 3.185.000 3.185.000 2.235.000 2.235.000 1.525.000 1.525.000

0 0 3.460.000 3.460.000 3.915.000 3.915.000 3.185.000 3.185.000 2.235.000 2.235.000 1.525.000 1.525.000

0 0 5.293.895 5.293.895 5.990.058 5.990.058 4.873.139 4.873.139 3.419.614 3.419.614 2.333.294 2.333.294

0 0 3.038.857 3.038.857 3.438.474 3.438.474 2.797.328 2.797.328 1.962.961 1.962.961 1.339.380 1.339.380

0 0 59.921 59.921 67.801 67.801 55.160 55.160 38.707 38.707 26.411 26.411

0 0 2.135.196 2.135.196 2.415.982 2.415.982 1.965.491 1.965.491 1.379.239 1.379.239 941.092 941.092

0 0 59.921 59.921 67.801 67.801 55.160 55.160 38.707 38.707 26.411 26.411

0 0 596.802 596.802 675.283 675.283 549.368 549.368 385.506 385.506 263.041 263.041

106

BIJLAGE D

STAATSSTEUNTABEL

Maatregel Naam steunregeling

I.a

Nummer Referentie Duur regeling goedkeuring regeling n.v.t. n.v.t. n.v.t.

I.b N 764/99 n.v.t.

Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Noordelijke InnovatieOndersteuningsFaciliteit (NIOF 2000) (˚)

Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (IPR decentraal)

Subsidieregeling Kleine Investeringen in de Toeristische Sector (KITS 2000) Staatssteun die onder deze regeling zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Venture Capital Fund (˚)

SG (2000) D/106268 van 3.8.2000 n.v.t.

20002006 n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

I.c

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

II.a

Staatssteun die verder onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

107

II.b

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

III.a n.v.t. n.v.t.

Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Human Resource Management regeling (˚) n.v.t.

IV.a

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

IV.b

Staatssteun die verder onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) Staatssteun die onder deze maatregel zal worden verstrekt zal in overeenstemming zijn met de bepalingen neergelegd in de Verordeningen van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun, op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en op opleidingssteun (*) n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

(*)

(˚)

Verordening (EG) Nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op de minimis-steun (PB L 10, 13.1.2001, blz. 30) Verordening (EG) Nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 10, 13.1.2001, blz. 33) Verordening (EG) Nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG Verdrag op opleidingssteun (PB L 10, 13.1.2001, blz. 20) De regeling zal worden voorgelegd aan de Europese Commissie voor goedkeuring in het kader van mededingingsrichtlijnen.

Noot: In overeenstemming met de bepalingen van Artikel 34(1)(g) van de Verordening van de Raad No. 1260/1999, zal de Beheersautoriteit zich houden aan de in bovenstaande tabel aangegeven staatssteun. De Beheersautoriteit zal de tabel up-to-date houden en zal de Commissie informeren over elke aanpassing van de tabel. Voor elke nieuwe steunmaatregel of ad-hoc steun is aanpassing van de steun vereist door een formeel besluit van de Commissie. Artikel 4 van het Commissie-besluit inzake dit programma (opschortende bepaling m.b.t. staatssteun) betreft regelingen die staatssteun zullen bevatten als onderwerp van de betreffende maatregelen of regelingen die (nog) niet zijn goedgekeurd. Op dit moment betreft dit maatregel 1.b en 3.a.

108

BIJLAGE E

KAARTBEELD ECONOMISCHE KERNZONES

De economische kernzones spelen binnen de visie van Noord-Nederland, en daarmee ook in het EPD, een belangrijke rol. Het is de bedoeling dat in deze zones de werkgelegenheid en bedrijvigheid worden geconcentreerd. Dit heeft tot gevolg dat het EPD zich gedeeltelijk toespitst op deze economische kernzones. Bepaalde initiatieven die in het kader van maatregel I.a en (een deel van) maatregel I.b ontwikkeld worden, zullen alleen binnen deze economische kernzones mogen worden uitgevoerd. Op de naleving van deze geografische restrictie zal bij de ontwikkeling en beoordeling van projectvoorstellen dan ook worden toegezien. De onderscheiden economische kernzones in Noord-Nederland betreffen de meer verstedelijkte gebieden. Het gaat om de volgende vijf gebieden: • • • • • de regio Groningen - Assen - Veendam - Winschoten de regio Sneek - Heerenveen – Drachten (A7-zone) de zone Meppel-Hoogeveen-Coevorden-Emmen het gebied Leeuwarden - Harlingen (Westergo-zone) het Eemsmondgebied

Deze economische kernzones zijn aangegeven in het kaartbeeld op de volgende pagina.

109

Deze pagina vervangen door kaart van economische kernzones.

110

BIJLAGE F

PRESTATIERESERVE

Nederlands voorstel m.b.t. implementatie van de prestatiereserve in de D2-gebieden Inleiding De Europese Commissie heeft Nederland verzocht om aan te geven op welke wijze de prestatiereserve in Nederland geïmplementeerd zal worden. Er is inmiddels met de betrokken departementen en regio’s/steden overeenstemming bereikt over de implementatie van de prestatiereserve. In deze notitie wordt nu nader vastgelegd hoe in Nederland, door de departementen van EZ, LNV en BZK, de prestatiereserve zal worden geïmplementeerd voor Doelstelling 2. Voor Doelstelling 1 zal een iets andere invulling worden gekozen, omdat er in Nederland slechts één D1-programma loopt. Wat is de prestatiereserve? In de EPD’s voor de periode 2000 t/m 2006 heeft ieder programma 4% van de toegekende middelen nog niet mogen inplannen. Deze 4% wordt achtergehouden door de Commissie en uiterlijk 31 maart 2004 toegekend aan die programma’s die op een aantal vooraf overeengekomen indicatoren voldoende presteren c.q. voortgang tonen. De middelen van de prestatiereserve zullen worden verdeeld naar evenredigheid met de oorspronkelijke programmabudgetten, aan die programma’s die zoals gezegd voldoende scoren. Welke programma’s? Nederland heeft voor de periode 2000 t/m 2006 de volgende D1 en D2-programma’s ingediend. D1 Flevoland uitfasering D1; D2 Noord-Nederland combinatie van nieuw D2 en uitfasering D2 en D5b; D2 Oost-Nederland combinatie van nieuw D2 en uitfasering D2 en D5b; D2 Zuid-Nederland combinatie van nieuw D2 en uitfasering D2 en D5b; D2 Steden nieuw D2. De beschikbare middelen voor de prestatiereserve zijn verdeeld over twee budgetten. Eén budget voor het D1-gebied Flevoland en één budget voor de D2-gebieden (inclusief de uitfaseringsgebieden van D2 en D5b) in Noord-Nederland, Oost-Nederland, Zuid-Nederland en de Steden. Mocht één van de EPD’s van Doelstelling 2 niet in aanmerking komen voor de prestatiereserve, dan kan het vrijkomende budget verdeeld worden over die EPD’s van Doelstelling 2 die wel voor de prestatiereserve in aanmerking komen. Voor het EPD Stedelijke gebieden Nederland geldt dat de verdeling binnen dit EPD zal worden uitgevoerd conform afspraken in het uitvoeringsconvenant. Welke indicatoren? Om eind 2003 de verdeling over de in aanmerking komende regio’s en steden van de middelen voor de prestatiereserve te kunnen bepalen, moet een aantal criteria worden vastgesteld. De criteria moeten een beeld geven van de ontwikkelingen rond: I. effectiviteit II. beheer III. financiële uitvoering

111

In Verordening 1260/1999 is aangegeven dat in ieder jaarverslag expliciet wordt ingegaan op de indicatoren voor de prestatiereserve. Dat betekent dat ieder programma in de jaarverslagen over 2000, 2001 en 2002 dient aan te geven hoe er gescoord wordt op de criteria van de prestatiereserve. Op deze wijze kan tussentijds worden gemonitord of ieder programma redelijke kans maakt om eind 2003 voldoende te scoren. Wat gaan we meten? Voor ieder van de drie hierboven genoemde criteria zijn indicatoren vastgesteld. Deze paragraaf geeft aan welke indicatoren dat zijn, hoe we ze gaan meten en hoe dit gecontroleerd zal worden. Tevens is per indicator aangegeven wat de ondergrens is om voldoende te scoren op het betreffende criterium. I. Effectiviteit De indicatoren voor effectiviteit verschillen deels per regio, want ze zijn gerelateerd aan de inhoud van het programma. Ze moeten betrekking hebben op een aanzienlijk aandeel (d.w.z. meer dan 50%) in de totale kosten van het programma. De indicatoren en de streefwaarden moeten worden opgenomen in het programmacomplement. Onderstaand volgt een overzicht van de overeengekomen indicatoren voor Noord-Nederland:
G G G

bruto gecreëerde werkgelegenheid aantal hectare nieuw ontwikkeld of gerevitaliseerd bedrijventerrein aantal deelnemende (MKB-)bedrijven (aan projecten en regelingen)

Meting: voor wat betreft de effectiviteitsindicatoren worden de indicatorwaarden gemeten op basis van dat wat er per 31-12-2003 gecommitteerd is aan projecten. Dit is te bepalen via het programmabeheersysteem van de diverse programmabureaus. Controle: via bestaande accountantstructuren die aangeven dat de waarden die de beheersautoriteit opgeeft, correct en in overeenstemming met het programmabeheersysteem zijn. Ondergrens: voor ieder effectiviteitscriterium dient 75% van de per ultimo 2003 opgegeven streefwaarde gecommitteerd te zijn. II. Beheer De indicatoren voor beheer zijn voor alle Nederlandse regio’s en steden identiek. Ze worden opgenomen in de EPD’s. Hieronder volgt een overzicht van de vier gekozen indicatoren en hun streefwaarden. • Kwaliteit van het toezichtsysteem Indicator: een als voldoende gekwalificeerde 30 juni-rapportage. Streefwaarde: drie 30 juni-rapportages die aan de eisen voldoen, nl. over 2000, 2001 en 2002. Meting: via de reviews door de Departementale Accountantsdiensten (DAD’s) gaan we na of de 30-juni-rapportages die iedere beheersautoriteit heeft ingediend over de jaren 2000, 2001 en 2002, van voldoende kwaliteit zijn. Controle: via verslaglegging door de DAD’s. Ondergrens: 2 van de 3 rapportages dienen voldoende te zijn.
G

112

Indicator: tijdige indiening van de 30-juni-rapportage. Streefwaarde: drie 30-juni-rapportages die voor 30 september van het opvolgende kalenderjaar zijn ingediend. Meting: via correspondentie van beheersautoriteit aan de Commissie. Controle: via Commissie. Ondergrens: 3 van de 3 rapportages dienen tijdig te zijn ingediend.
G

• Kwaliteit financiële controle Indicator: Percentage van de uitgaven waarop jaarlijkse financiële en beheersaudits betrekking hebben. Streefwaarde: 5% in de jaren 2001 en 2002. Meting: nagegaan wordt of in de 30-juni-rapportages over 2001 en 2002 door de accountant verklaard is dat bij minimaal 5% van de uitgaven een financiële of beheersaudit heeft plaatsgevonden. Controle: via 30-juni-rapportage. Ondergrens: in alle jaren dient aan deze eis te zijn voldaan. • Kwaliteit evaluatie Indicator: Aanwezigheid van een onafhankelijke tussentijdse evaluatie die voldoet aan de kwaliteitsnormen zoals opgenomen in het in opdracht van EZ gemaakte “Evaluatiekader voor de programma’s van de Europese Structuurfondsen”. Meting: nagegaan wordt of er een tussentijdse evaluatie heeft plaatsgevonden die voldoet aan de kwaliteitsnormen zoals opgenomen in het “Evaluatiekader”. Controle: het evaluatierapport moet beschikbaar zijn. Ondergrens: het evaluatieproces is middels een aanbesteding aantoonbaar in gang gezet op 31-12-2003. III. Financiële uitvoering De indicatoren voor financiële uitvoering zijn voor alle Nederlandse regio’s en steden identiek. Ze worden opgenomen in de EPD’s. Hieronder volgt een overzicht van de twee gekozen indicatoren en hun streefwaarden. • Absorptie van de door de fondsen beschikbaar gestelde middelen Indicator: Totale reeds vergoede of voor vergoeding in aanmerking komende bestedingen door eindbegunstigden in procenten van de cumulatieve jaarlijkse vastleggingen. Streefwaarde per 31-12-2003: minimaal 80% van het door de EU gecommitteerde bedrag in 2001. Meting: gemeten wordt de absorptie op basis van de omvang van bestedingen die per 31-122003 gecertificeerd bij de Europese Commissie zijn ingediend en/of vergoed. Dit is te bepalen via het programmabeheersysteem van de diverse programmabureaus. Controle: via begeleidende accountantsverklaring die aangeeft dat de waarden die de beheersautoriteit opgeeft, correct en in overeenstemming met het programmabeheersysteem zijn. Ondergrens: De absorptie dient minimaal 80% te zijn.

113

• Hefboomwerking Indicator: Daadwerkelijk door de private sector betaalde bedrag, vergeleken met het totale bedrag van bijdragen aan het programma. De streefwaarde hiervan verschilt per EPD, omdat de hefboomwerking varieert met het karakter van het EPD. In onderstaande tabel is de streefwaarde voor het EPD NoordNederland opgenomen. Indicator
Hefboomwerking

Noorden 29,4%

Meting: gemeten wordt de geplande bijdrage door de private sector voor díe projecten die per 31-12-2003 gecommitteerd zijn. Dit is te bepalen via het programmabeheersysteem van de diverse programmabureaus. Controle: via begeleidende accountantsverklaring die aangeeft dat de waarden die de beheersautoriteit opgeeft, correct en in overeenstemming met het programmabeheersysteem zijn. Ondergrens: 70% van de per ultimo 2003 opgegeven streefwaarde. Wanneer komt een regio in aanmerking voor de middelen uit de prestatiereserve? Hiervoor is al aangegeven wanneer een EPD voldoende scoort op een individuele indicator. Voor het toekennen van de prestatiereserve zal het geheel aan indicatoren in ogenschouw worden genomen. Een EPD komt in aanmerking voor de middelen uit de prestatiereserve als voldaan is aan de volgende twee eisen: • Binnen de effectiviteitscriteria dient een EPD op 60% van de voor dat EPD gekozen criteria een voldoende te scoren. • Binnen de criteria voor beheer en financiële uitvoering dient een EPD op 4 van de 6 criteria een voldoende te scoren. Er wordt dus voor gekozen om per indicator een duidelijk zwart-wit resultaat te identificeren: een EPD haalt wel of geen voldoende op een bepaalde indicator; bijna voldoende bestaat niet. Daarna wordt een aantal indicatoren samengenomen en wordt het overall resultaat bekeken. Op grond daarvan wordt bepaald of een EPD voldoende scoort en dus wel of niet voor de middelen van de prestatiereserve in aanmerking komt. Procedure De regio’s en steden rapporteren uiterlijk 10 januari 2004 de indicatorwaarden die uit het programmabeheersysteem kunnen worden afgeleid, aan de betrokken departementen EZ, LNV en BZK. Deze bepalen vervolgens gezamenlijk welke EPD’s voldoen aan de hierboven gestelde eisen, waarna zij een voorstel voor de verdeling van de middelen van de prestatiereserve formuleren. Dit voorstel zal uiterlijk 15 februari 2004 worden ingediend bij de Europese Commissie. De Commissie zal uiterlijk 31-3-2004 een besluit nemen over de verdeling van de middelen. In het geval dat een bepaalde D2-regio onvoldoende scoort, mogen de middelen van dit EPD (d.w.z. de nog niet ingeplande 4%) verdeeld worden over die EPD’s die wel voldoende scoren. Indicatief stelt Nederland voor de prestatiereserve te verdelen tussen de goedpresterende EPD’s in verhouding tot het oorspronkelijke toegekende budget van die EPD’s.

114

Voor het EPD Stedelijke gebieden Nederland geldt dat, gelet op de bijzondere positie van de gemeente Enschede waarbij het “rampgebied Enschede” onderdeel vormt van dit EPD en de wens van de Europese Commissie om zo mogelijk Europese middelen voor herstel van dit gebied in te zetten, er nadere afspraken zijn gemaakt tussen de beheersautoriteit en de steden over de inzet van de prestatiereserve binnen dit EPD. Indien het EPD Stedelijke gebieden Nederland recht heeft op een groter deel aan prestatiereserve-middelen dan de oorspronkelijk begrote 4%, heeft de beheersautoriteit van het EPD Stedelijke gebieden Nederland met de steden afgesproken om deze extra middelen in zijn geheel in te zetten binnen het doelstelling 2-gebied in de gemeente Enschede. In paragraaf 2.4 van het EPD Stedelijke gebieden Nederland wordt per prioriteit aangegeven op welke wijze de gemeente Enschede de Europese middelen voor het rampgebied wil inzetten. Den Haag, november 2000 2000-130.5

115

BIJLAGE G

DECENTRALISATIECONVENANT

Convenant tussen de Staat der Nederlanden en het Samenwerkingsverband Noord-Nederland inzake Structuurfondsen 2000-2006 (ondertekend op 28 september 2000)
Partijen: 1. 2. De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Economische Zaken, De Staatssecretaris voornoemd,

verder te noemen: “de Staat”; en 3. De Commissaris van de Koning van de provincie Drenthe, handelend namens het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN);

verder te noemen: “ het SNN”. Overwegende: In verband met de nieuwe beleidsperiode voor de Structuurfondsen (2000 t/m 2006) willen de Staat en het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de Staat en het SNN op het gebied van beheer, controle en toezicht, vastleggen. Uitgangspunt bij de uitvoering van de Structuurfondsen is samenwerking in partnerschap. De lidstaat is vanuit zijn staatkundige positie en op grond van Europese wet- en regelgeving subsidiair verantwoordelijk voor een rechtmatig en doelmatig beheer van en controle en toezicht op de Structuurfondsen. In het kader van de uitvoering van de onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van EZ vallende programma’s inzake Doelstelling 1 en 2 heeft de lidstaat, i.c. de Staatssecretaris van EZ, het SNN aangewezen conform artikel 9 lid n en o van Verordening (EG) nr. 1260/1999 als beheers- en betaalautoriteit voor het EPD Noord-Nederland. De Staatssecretaris van EZ en het SNN geven via dit convenant vorm aan de verantwoordelijkheden die dit partnerschap met zich meebrengt. Komen overeen als volgt: Artikel 1. Verantwoordelijkheidsverdeling EZ – SNN Het SNN is de aangewezen beheers- en betaalautoriteit in de zin van artikel 9, onder n en o, van Verordening (EG) nr. 1260/1999. Het SNN is derhalve verantwoordelijk voor de nakoming van het in de artikelen 32 en 34 van de Verordening bepaalde voor zover het de beheers- en betaalautoriteit betreft.

116

In geval de Staat aansprakelijk wordt gesteld door een instelling van de Europese Gemeenschappen voor het verzuim van het SNN in de nakoming van de door de EU in Verordening (EG) nr. 1260/1999 opgelegde verplichtingen ten aanzien van de rechtmatige en doelmatige aanwending van de EU-subsidie of de controle en het toezicht daarop en verplicht wordt tot een in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 bedoelde financiële correctie, kunnen, onverminderd het anders bij wet bepaalde, deze bedragen door de Staatssecretaris van EZ worden verhaald op het SNN, voorzover het verzuim van de Staat kan worden toegerekend aan het SNN. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat het SNN aansprakelijk zal zijn bij aan het SNN toerekenbare onrechtmatige of ondoelmatige besteding van middelen. De Staatssecretaris van EZ zal aansprakelijk zijn bij aan de Staat der Nederlanden toerekenbare onrechtmatige of ondoelmatige besteding van middelen. In die gevallen waar geen sprake is van duidelijke toerekenbaarheid aan het SNN dan wel de Staat der Nederlanden, zullen het SNN en de Staatssecretaris van EZ in gezamenlijk overleg besluiten of en in hoeverre de financiële correctie verhaald zal worden op het SNN. In het geval dat zich onverhoopt problemen mochten voordoen in het financiële verkeer met de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zal de Staatssecretaris van EZ, gezien het feit dat hij als aanspreekpunt geldt voor de Commissie, zich in overleg met het SNN inspannen om de belangen van het SNN actief en adequaat te behartigen en tot een voor alle partijen redelijke en billijke oplossing te komen. In het geval van terugvorderingsbesluiten die naar het oordeel van het SNN en de Staatssecretaris van EZ ten onrechte door de Commissie zijn genomen, zal de Staatssecretaris van EZ in overleg met het SNN alles in het werk stellen om zich daartegen te verweren, waaronder is begrepen het voorleggen van het besluit van de Commissie aan het Hof van Justitie te Luxemburg. Artikel 2. Algemeen De Staat en het SNN zullen bij het gebruik van de middelen de ingevolge het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de Staat geldende verplichtingen in acht nemen en zullen door het stellen van voorschriften ervoor zorgen dat andere subsidie-ontvangers diezelfde verplichtingen in acht nemen. In het bijzonder zal het SNN voldoen aan alle van toepassing zijnde communautaire bepalingen. Het gaat hierbij o.a. om Verordening (EG) nr. 1260/1999 (Algemene bepalingen inzake Structuurfondsen), 1783/99 (EFRO-Verordening), 2064/97 (beheers- en controlesysteem), 1681/94 (onregelmatigheidsmeldingen), 1685/2000 (subsidiabiliteit van uitgaven) en 1159/2000 (publiciteitsverordening), dan wel eventuele updates van de hier genoemde Verordeningen. Ook zal het SNN voldoen aan andere Verordeningen en Richtlijnen die van belang zijn, zoals de Habitat- en Vogelrichtlijn en de EU regelgeving op het gebied van gelijke behandeling, mededinging, milieu en Europese aanbesteding. Waar hierna wordt gerefereerd aan artikelen van de Verordening, wordt bedoeld Verordening (EG) nr. 1260/1999.

117

Artikel 3. Comité van Toezicht en Projectadviescommissie Het SNN stelt het Comité van Toezicht (CvT) in. In het CvT zal een medewerker van de directie Ruimtelijk Economisch Beleid (REB) plaats nemen. Het SNN levert de voorzitter van het CvT. Het SNN zorgt ervoor dat het CvT de taken zoals vermeld in artikel 35 en artikel 36, lid 1 van de Verordening, uitvoert. Het CvT stelt een Projectadviescommissie in die zich bezighoudt met de aansturing van het programma en daarover rapporteert aan het CvT. In de Projectadviescommissie zal eveneens een medewerker van de directie REB plaatsnemen. Artikel 4. Programmacomplement Het Programmacomplement wordt opgesteld door het SNN en bevat de gegevens vermeld in artikel 18, lid 3 van de Verordening. Het programmacomplement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het Comité van Toezicht. Daarna stelt het SNN het Programmacomplement vast en zendt dit door aan de directie REB van het ministerie van Economische Zaken, voor doorgeleiding naar de Europese Commissie. Wijzigingen in het Programmacomplement worden doorgevoerd op de wijze zoals beschreven in artikel 34, lid 3 van de Verordening. Tevens stuurt het SNN een afschrift van het gewijzigde Programmacomplement naar de directie REB van het ministerie van EZ. Artikel 5. Betalingsaanvragen en betalingsramingen Het SNN dient maximaal drie keer per jaar (bij voorkeur uiterlijk 28 februari, 30 juni en uiterlijk 31 oktober) een betalingsaanvraag in bij de Europese Commissie. De directie REB van EZ ontvangt een afschrift van de ingediende betalingsaanvragen. De aanvraag wordt opgesteld conform de eisen van artikel 32, lid 3 van de Verordening. De in artikel 38, lid 1d gevraagde verklaring, dat de aangiften van de uitgaven die bij de Commissie worden ingediend, juist zijn, wordt gegeven door het SNN. Het SNN ziet er op toe dat de aangiften van uitgaven afkomstig zijn van op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudsystemen. Om te kunnen voldoen aan artikel 32, lid 7 van de Verordening dient het SNN uiterlijk 15 april de raming van betalingsaanvragen voor het lopende en volgende begrotingsjaar in bij de directie REB van EZ. De directie REB van EZ zal de gebundelde betalingsramingen uiterlijk 30 april indienen bij de Europese Commissie. De directie REB van EZ informeert het ministerie van Financiën. Het SNN voldoet aan het gestelde in artikel 32, lid 1, vijfde alinea van de Verordening omtrent het verrichten van betalingen aan eindbegunstigden en aan artikel 32, lid 2 van de Verordening inzake het gebruik van het voorschot. Het SNN dient, conform het gestelde in artikel 32, lid 4a van de Verordening, binnen zes maanden na de uiterste datum voor de betaling die is vermeld in de beschikking inzake het EPD, een gecertificeerde verklaring betreffende de daadwerkelijk verrichte uitgaven bij de Commissie in, alsmede conform artikel 32, lid 4c van de Verordening, een door een onafhankelijke accountant opgestelde verklaring zoals bedoeld in artikel 38, lid 1f van de Verordening. Het SNN stuurt een afschrift van de einddeclaratie met de accountantsverklaring aan de directie REB van het ministerie van EZ.

118

Artikel 6. Monitoring van de voortgang Het SNN zal conform artikel 36, lid 1 van de Verordening voor het toezicht gebruik maken van materiële en financiële indicatoren. Het SNN zal om de voortgang van het programma inzichtelijk te maken binnen 8 weken na afloop van ieder kwartaal de directie REB van het ministerie van EZ informeren omtrent de stand van zaken m.b.t. de in lid 2 van artikel 36 van de Verordening genoemde indicatoren. De directie REB van het ministerie van EZ zal desgewenst een aansluiting kunnen krijgen op de elektronische uitwisseling van gegevens tussen provincie en Commissie, zoals voorzien in artikel 18, lid 3, onder e van de Verordening. Om inzicht te verkrijgen in de efficiency van de uitvoering en de uitvoeringskosten van het programma, zal het SNN in het jaarverslag van het EPD een beeld geven van de uitvoeringskosten van het programma, zowel in absolute zin als relatief t.o.v. het totale programmabudget. Dit moet betrekking hebben op zowel de kosten die men maakt voor het uitbesteden van werkzaamheden, als op de kosten die binnen de eigen organisatie worden gemaakt. De Staatssecretaris van EZ zal zonodig met deze gegevens het Parlement informeren over de voortgang van het programma. Artikel 7. Controle-aspecten Het SNN beschrijft de Administratieve Organisatie en zet een controle-systeem op, dat voldoet aan het controle-protocol d.d. februari 1999 dat per brief van 12 mei 1999, kenmerk ES/REB/RTS/99025123.b02 en 99025118.b02 door de Staatssecretaris van EZ is toegezonden aan respectievelijk de provincie Groningen en de provincie Drenthe. De beschrijving van de Administratieve Organisatie en het controle-systeem wordt binnen 2 maanden na de door de Commissie afgegeven beschikking inzake het EPD, voor commentaar voorgelegd aan de directie REB van het ministerie van EZ. Het SNN past na overleg met de directie REB naar aanleiding van dit commentaar zonodig de beschrijving van de Administratieve Organisatie en het controle-systeem aan. De directie REB zal er voor zorgen dat deze beschrijving wordt doorgeleid naar de Europese Commissie. Het SNN verstrekt, conform Verordening 2064/97, artikel 9 van de Verordening, aanvullingen op of bijwerkingen van de beschrijving van de Administratieve Organisatie inclusief het controlesysteem aan de Europese Commissie met een afschrift aan de directie REB van het ministerie van EZ. Het SNN stelt een controle-protocol op dat aan alle eindbegunstigden t.b.v. hun accountants voor de afwikkeling van hun project wordt verstrekt. Het controle-protocol wordt binnen 2 maanden na de door de Commissie afgegeven beschikking inzake het EPD, voor advies voorgelegd aan de directie REB van het ministerie van EZ. Het SNN bewaart conform het gestelde in artikel 38, lid 6 van de Verordening gedurende drie jaar na de betaling door de Commissie van het eindsaldo voor een bijstandspakket alle bewijsstukken inzake financiële transacties.

119

Het SNN draagt zorg voor de opstelling van de 30-juni-rapportage die uit hoofde van Verordening 2064/97, artikel 9 moet worden opgesteld en gaat daarbij expliciet in op de toepassing van artikel 2, 3, 4 en 7 van deze Verordening. De directie REB van het ministerie van EZ ontvangt een afschrift van deze rapportage. Desgewenst kan de 30-juni-rapportage worden opgenomen in het jaarverslag van het EPD. In het belang van een goed toezicht op de werking van de controle- en beheerssystemen en de administratieve organisatie door de Staatssecretaris van EZ dient het SNN en de onder haar verantwoordelijkheid opererende uitvoeringsorganisaties altijd aan door de Minister van EZ aangewezen personen alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van de bevoegdheden die in Hoofdstuk 5, Afdeling 5.2., van de Algemene wet bestuursrecht aan toezichthouders zijn toegekend, daaronder niet begrepen de bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 van die wet. Dit geldt evenzeer voor andere ministeries die betrokken zijn bij de financiering van het programma, alsmede voor vertegenwoordigers van de Europese Commissie, de Algemene Rekenkamer en de Europese Rekenkamer. Het SNN stelt binnen één maand een concept-reactie op m.b.t. de controlerapporten van de Commissie of Europese Rekenkamer, welke in overleg met de directie REB van het Ministerie van EZ wordt gefinaliseerd. De directie REB zorgt voor doorgeleiding hiervan naar de Europese Commissie of Europese Rekenkamer. Het SNN stelt het onderwerp controlebevindingen van de externe accountant van SNN minimaal één keer per jaar aan de orde in het CvT, bij de behandeling van het jaarverslag. Artikel 8. Onregelmatigheden Zoals gesteld in artikel 34, lid 1f van de Verordening is het SNN verantwoordelijk voor de regelmatigheid van de gefinancierde verrichtingen. Tevens is het SNN belast met het in artikel 39, lid 1 van de Verordening bedoelde onderzoek naar onregelmatigheden. Het SNN zal zodra een onregelmatigheid wordt geconstateerd, maatregelen nemen. Het SNN verricht de in artikel 39, lid 1 van de Verordening bedoelde financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheden geboden zijn. Bij onregelmatigheden die op korte termijn onherstelbaar zijn, zal het SNN onmiddellijk de directie REB van het ministerie van EZ schriftelijk informeren. Andere geconstateerde onregelmatigheden, die door het SNN zijn of zullen worden geredresseerd, zullen aan het eind van ieder kwartaal, conform Verordening (EG) nr. 1260/1999, 2064/1997 en 1681/1994, door het SNN schriftelijk worden gemeld aan de directie REB van het ministerie van EZ. De directie REB van EZ zal zorgdragen voor doorgeleiding van de onregelmatigheidsmeldingen naar de relevante instanties van de Europese Commissie. Het SNN zal bij de onregelmatigheidsmeldingen de instructies volgen van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (Office européen de lutte anti-fraude (OLAF ))(o.a. brieven van de Staatssecretaris van EZ dd. 8 en 16 november 1999). Op aanwijzing van EZ zal het SNN, als daartoe aanleiding bestaat als gevolg van geconstateerde ernstige onregelmatigheden in enig project, controle(s) ter plekke uitvoeren met betrekking tot het betreffende project of met betrekking tot andere projecten van de betreffende projectuitvoerder c.q. aanvrager in het programma.

120

Op uitnodiging van de directie REB van het ministerie van EZ zal het SNN ten minste éénmaal per jaar overleg voeren met medewerkers van het ministerie van EZ over de toepassing van EU regelgeving en de instructies van de OLAF in relatie tot het constateren van onregelmatigheden. Het SNN en het ministerie zullen elkaar hiertoe inzage verlenen in ter zake gevoerde correspondentie met de Commissie. De directies FEZ en REB van het ministerie van EZ zullen zorgdragen voor het ontwikkelen van een centrale registratie van relevante besluiten en beschikkingen ten aanzien van de interpretatie van EU regelgeving en zullen het SNN ter zake regelmatig informeren. Artikel 9. Jaarverslag en eindverslag Het SNN is verantwoordelijk voor het opstellen van een jaarverslag en eindverslag dat voldoet aan artikel 37 van de Verordening. Het SNN zorgt ervoor dat in het jaarverslag specifieke aandacht wordt besteed aan de indicatoren van de prestatiereserve, conform het gestelde in artikel 44. Het SNN stuurt het jaarverslag en het eindverslag rechtstreeks naar de Europese Commissie. Het SNN stuurt tevens een exemplaar van het jaarverslag en het eindverslag aan de directie REB van het ministerie van EZ. Artikel 10. Voortgangsonderzoek Conform artikel 34, lid 2 van de Verordening vindt een jaarlijks voortgangsonderzoek plaats waarin de Europese Commissie met de beheersautoriteit, n.a.v. het jaarverslag, de geboekte resultaten bespreekt. Het SNN informeert de directie REB van het ministerie van EZ vooraf over de datum van het jaarlijkse voortgangsonderzoek van de Commissie en verleent aan medewerkers van het ministerie van EZ desgewenst toegang tot de besprekingen. De directie REB van het ministerie van EZ en het SNN bepalen in gezamenlijk overleg welke follow up zal worden gegeven aan de door de Commissie ingebrachte punten en hoe de Commissie hierover zal worden geïnformeerd. Artikel 11. Publiciteit Het SNN voldoet aan artikel 46, lid 2 van de Verordening inzake het bekendheid geven aan het programma. Het SNN voldoet voorts aan de in Verordening 1159/2000 gestelde regels m.b.t. publicitaire maatregelen omtrent het programma. Bij projecten die worden meegefinancierd uit door de Staatssecretaris van EZ verschafte middelen wordt bij publicitaire acties door het SNN en projectuitvoerder de naam van dit departement vermeld. Dit geldt evenzeer voor publicitaire acties die het programma betreffen. Artikel 12. Evaluaties Conform artikel 41 van de Verordening is het SNN verantwoordelijk voor het laten verrichten van de ex ante evaluatie. Het SNN is verantwoordelijk voor het laten verrichten van de evaluatie halverwege de looptijd. Het SNN doet dit conform artikel 42 van de Verordening en in overleg met de Commissie en met medewerkers van de directie REB van het ministerie van EZ. Conform artikel 44, lid 1 zal in deze evaluatie specifieke aandacht worden geschonken aan de kwantificering van de indicatoren m.b.t. de prestatiereserve.

121

In het geval dat de Commissie de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de ex-post evaluatie neerlegt bij de lidstaat, zal het SNN de uitvoering op zich nemen. Het SNN maakt bij de evaluaties gebruik van het “Evaluatiekader” dat de directie REB van het ministerie van EZ heeft laten opstellen. Het SNN stuurt een exemplaar van het eindrapport van de evaluaties naar de directie REB van het ministerie van EZ. Artikel 13. Duur en beëindiging Dit convenant treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2000 en eindigt van rechtswege op de datum waarop de eindafrekening en eindverantwoording van het EPD door de Europese Commissie wordt goedgekeurd. Verplichtingen welke naar hun aard bestemd zijn om ook na beëindiging van dit Convenant voort te duren, zoals – maar niet uitsluitend – verplichtingen op grond van artikel 1, blijven na beëindiging van dit Convenant bestaan. Artikel 14. Afdwingbaarheid en geschilbeslechting 14.1 Dit Convenant is in rechte afdwingbaar. 14.2 Alle geschillen in verband met dit Convenant worden beslecht door de bevoegde burgerlijke rechter te Den Haag. Een partij kan zich echter pas op andere wijze dan in kort geding tot de rechter wenden, indien het geschil niet volgens de procedure van de leden 3 tot en met 8 van dit artikel binnen 60 werkdagen is opgelost. Een partij die meent dat een geschil in verband met dit Convenant bestaat, deelt dat schriftelijk aan de andere partijen mee. De mededeling bevat een aanduiding van het geschil en een toelichting bij het geschil. Binnen 20 werkdagen na dagtekening van de in lid 3 van dit artikel bedoelde mededeling zendt elke partij zijn zienswijze omtrent het geschil, alsmede een voorstel voor een oplossing daarvan, aan de andere partijen. Binnen 10 werkdagen na afloop van de in lid 4 van dit artikel genoemde termijn overleggen partijen over een oplossing van het geschil. Elke partij kan zich door deskundigen doen bijstaan. Indien één van de partijen binnen 20 werkdagen na dagtekening van de in lid 3 van dit artikel bedoelde mededeling de wens daartoe kenbaar maakt, wordt het overleg voorgezeten door een door partijen gezamenlijk, of bij gebreke van overeenstemming daarover door de Staatssecretaris van EZ, te benoemen voorzitter. Elke partij draagt de eigen kosten, voortvloeiend uit de procedure als bedoeld in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel. De kosten van de in lid 5 van dit artikel bedoelde voorzitter worden door elke partij voor een gelijk deel gedragen.

14.3

14.4

14.5

14.6

122

14.7

Indien het geschil niet volgens de procedure als bedoeld in de leden 4 tot en met 6 van dit artikel binnen 40 werkdagen na dagtekening van de in lid 3 van dit artikel bedoelde mededeling is opgelost, zullen partijen trachten binnen de dan nog resterende termijn van de 60 werkdagen genoemd in lid 2 van dit artikel tot een oplossing over het geschil te komen aan de hand van een (niet bindend, maar wel zwaarwegend) advies, te geven door een uit drie leden bestaande commissie van adviseurs. De benoeming van de in lid 7 van dit artikel bedoelde commissie vindt plaats doordat de Staat enerzijds en het SNN anderzijds ieder één lid benoemen, waarna aldus benoemde leden gezamenlijk een derde lid, tevens voorzitter van de commissie zullen benoemen.

14.8

Artikel 15. Wijziging van het Convenant Dit convenant kan uitsluitend schriftelijk worden gewijzigd. De wijziging wordt door beide partijen ondertekend en bevat een ingangsdatum. De wijziging wordt als aanhangsel aan het convenant gehecht. Indien dit Convenant ten gevolge van politieke ontwikkelingen of ontwikkelingen in het overheidsbeleid naar oordeel van de Staatssecretaris van EZ niet ongewijzigd in stand kan worden gehouden, zullen partijen in overleg treden teneinde dit Convenant zodanig te wijzigen, dat het Convenant in overeenstemming wordt gebracht met bedoelde ontwikkelingen en dat het doel dat met dit Convenant wordt beoogd zoveel mogelijk wordt bereikt. De uit dit Convenant voortvloeiende rechten en verplichtingen zijn niet voor overdracht vatbaar.

Aldus opgemaakt en in tweevoud ondertekend te: ’s Gravenhage ……-……-2000 ………………… ……-……-2000

Drs. G. Ybema Staatssecretaris van Economische Zaken

A.L. ter Beek Voorzitter Samenwerkingsverband NoordNederland

123