BESTEMMINGSPLAN BEDRIJVENTERREIN RETSEL-NOORD, HEESWIJK-DINTHER

GEMEENTE BERNHEZE

Gemeente Bernheze Bestemmingsplan bedrijventerrein Retsel-Noord, Heeswijk-Dinther

Toelichting
bijlagen

Voorschriften
bijlagen

Plankaart schaal 1:1.000

projectgegevens: TOE01-BER00043-01A VOO01-BER00043-01A TEK01-BER00043-01A SVB01-BER00037-01A

Rosmalen, juni 2007

Vastgesteld: 28 juni 2007

Telefoon: 073 52 33 900 Telefax: 073 52 33 999

Hoff van Hollantlaan 7

Postbus 435

5240 AK

Rosmalen

E-mail: bureau@croonen.nl

INHOUDSOPGAVE
1 1.1 1.2 1.3 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3 3.1 3.2 3.3 3.4 INLEIDING Algemeen Het plangebied Opbouw van de toelichting BELEIDSUITGANGSPUNTEN Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijke beleid Onderbouwing behoefte Zuinig ruimtegebruik STEDENBOUWKUNDIG ONDERZOEK Landschappelijke structuur Bebouwingsstructuur Bereikbaarheid en ontsluiting Stedenbouwkundige en (cultuur)historische waarden binnen het plangebied MILIEUASPECTEN EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN Bedrijven in relatie met milieuzonering Stankhinder Intensieve Veehouderij Brandveiligheid Relatie met de Wet geluidhinder Bodemonderzoek Waterhuishouding Kabels en leidingen Flora en fauna Luchtkwaliteit Externe veiligheid HET STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP Ruimtelijke en functionele opbouw Duurzaamheid Relatie bestemmingsplan - welstandsnota FINANCIEEL-ECONOMISCHE HAALBAARHEID BESTEMMINGEN PROCEDURES Inspraak en vooroverleg Vaststelling 1 1 2 2 3 3 3 6 6 7 9 9 9 9 10 13 13 15 15 16 16 16 17 17 18 19 23 23 28 28 31 33 35 35 35

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 5 5.1 5.2 5.3 6 7 8 8.1 8.2

Bijlagen Bijlage 1: Geactualiseerd verkennend bodemonderzoek (separaat) Bijlage 2: Inventariserend veldonderzoek (Archol) (separaat) Bijlage 3: Waterparagraaf Bedrijventerrein Retsel Noord (Van Kleef) (separaat) Bijlage 4: Luchtkwaliteitsonderzoek Bestemmingsplan uitbreiding bedrijventerrein Retsel in de gemeente Bernheze (RMB) (separaat) Bijlage 5: Inrichtingsvoorstellen A en B Bijlage 6: Nota beantwoording inspraak en vooroverleg (separaat) Bijlage 7: Nota zienswijzen (separaat)

1

INLEIDING

1.1 Algemeen
In de voormalige gemeente Heeswijk-Dinther bestaat behoefte aan uitbreiding van bedrijventerrein. Het bestaande bedrijventerrein Retsel is vrijwel volledig benut. In de diverse beleidsdocumenten is aangegeven dat er mogelijkheden bestaan voor uitbreiding van dit terrein (zie hoofdstuk 2). Het voorliggende plan heeft als doel een adequaat planologisch kader te scheppen voor de ontwikkeling van een uitbreiding van het bedrijventerrein Retsel in noordelijke richting tot aan de Dodenhoeksestraat. Vanwege de noodzaak van een fasering wordt een gedeelte van het plangebied geregeld via een wijzigingsbevoegdheid, zodat er op dat terreingedeelte geen direct bouwrecht aanwezig is. Vanuit de wens een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein te realiseren, is aan dit bestemmingsplan een beeldkwaliteitsparagraaf toegevoegd. Deze paragraaf dient als een middel om ruimtelijke en beeldkwaliteitsbehoevende delen van het plan te bevorderen en eventueel af te dwingen. De beeldkwaliteitsparagraaf is een onderdeel van de toelichting van het plan (hoofdstuk 5.1). De belangrijkste punten uit deze paragraaf zijn eveneens opgenomen in de voorschriften behorend bij dit plan, met name in de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Gegadigden voor een bedrijfsperceel, die gelegen zijn in het daarvoor aangegeven gebied ‘zichtlocatie’, zullen aan deze eisen moeten voldoen. De ligging van het plangebied is in onderstaande afbeelding weergegeven.

Ligging plangebied

1

1.2 Het plangebied
Begrenzing van het plangebied Het gebied is gelegen aan de oostzijde van de kern Dinther. Het plangebied wordt begrensd door het bestaande bedrijventerrein aan de zuidzijde, door de achterperceelsgrenzen van de woningen aan de Eikenhoek aan de westzijde, door de Dodenhoeksestraat aan de noordzijde en tenslotte het agrarisch gebied aan de oostzijde. Vigerende bestemmingsplannen Voor de gronden binnen het plangebied vigeren de bestemmingsplannen ‘Buitengebied, 2e herziening’ en ‘Bedrijventerrein Dinther’. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 2e herziening’ is vastgesteld op 25 november 1982 en goedgekeurd door GS op 22 juni 1983 (nr. 105.370). Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Dinther’ is vastgesteld op 7 april 1993 en (gedeeltelijk) goedgekeurd door GS op 24 juni 1993 (nr. 104.628). Op de gronden gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied, 2e herziening’ ligt de bestemming ‘Agrarisch kernrandgebied’. Op de gronden gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Dinther’ ligt de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’. Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Retsel Heeswijk-Dinther’ bepaald de begrenzing (zie bijvoorbeeld de verkeersstructuur) en heeft als basis gediend voor de opzet/inhoud van het voorliggende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Retsel Heeswijk-Dinther’ is vastgesteld op 28 juni 2001 en gedeeltelijk goedgekeurd door GS op 29 januari 2002 (nr. 768405).

1.3 Opbouw van de toelichting
Na de inleiding en het aanduiden van het plangebied in hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 de beleidsuitgangspunten en –voornemens ten aanzien van het plangebied gegeven. In hoofdstuk 3 wordt het stedenbouwkundig onderzoek beschreven. Hierin komen ruimtelijk relevante zaken aan de orde. Hoofdstuk 4 gaat in op de milieuaspecten en planologische aspecten. In hoofdstuk 5 zijn de belangrijkste beleidsaspecten, landschappelijke, stedenbouwkundige, milieuaspecten en planologische aspecten uit de eerste hoofdstukken vertaald naar een stedenbouwkundig ontwerp. De economische uitvoerbaarheid wordt beschreven in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 gaat in op de bestemmingen en in hoofdstuk 8 tenslotte worden de procedures beschreven.

2

2

BELEIDSUITGANGSPUNTEN

2.1 Rijksbeleid
Nota Ruimte Het rijksbeleid op het gebied van de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Nota Ruimte. In de Nota Ruimte heeft het kabinet haar voornemen gepresenteerd voor nieuw nationaal ruimtelijk beleid voor de komende 20 jaar. De nota is 23 april 2004 als ontwerp verschenen en zal naar alle waarschijnlijkheid begin 2005 definitief worden vastgesteld. Het is aan provincies en gemeenten om te zorgen dat het geformuleerde beleid doorwerking vindt op regionaal en lokaal niveau. De voor dit bestemmingplan relevante onderdelen van het nationaal ruimtelijk beleid betreffen het streven naar concentratie van verstedelijking en zuinig ruimtegebruik, en het nieuwe locatiebeleid. Concentratie van verstedelijking en zuinig ruimtegebruik Het rijk streeft naar vitale en aantrekkelijke steden en een vitaal en aantrekkelijk landelijk gebied. Om dit te bereiken, zet het rijk in op bundeling en concentratie van bebouwing in alle steden en dorpen. Onder het motto ‘zuinig ruimtegebruik’ komt het bestaande bebouwde gebied het eerst in aanmerking om te voldoen aan de extra vraag van burgers, bedrijven en ook voor de realisatie van voorzieningen. Deze nieuwe bouwopgave dient zoveel mogelijk gebundeld te worden in de stedelijke netwerken. In het landelijke gebied is op beperkte schaal ruimte voor nieuwe ontwikkeling. Nieuw locatiebeleid Het locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen was tot voor kort vooral gericht op het terugdringen van het autogebruik. In de Nota Ruimte krijgt het locatiebeleid een bredere doelstelling, namelijk een zodanige locatie voor bedrijven en voorzieningen dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van het stedelijke netwerk en het landelijke gebied. Naast de bereikbaarheid gaat het dan om economische ontwikkelingsmogelijkheden, ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteit van de leefomgeving. In het nieuwe locatiebeleid is het voornamelijk een taak van provincies en gemeenten de afweging te maken tussen economie, bereikbaarheid en leefbaarheid. Voor dit bestemmingsplan zal dan ook vooral het provinciaal beleid bepalend zijn en in mindere mate het rijksbeleid.

2.2 Provinciaal beleid
Streekplan Noord-Brabant 2002 Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant staat beschreven in het Streekplan Noord-Brabant 2002 ‘Brabant in Balans’ dat door Provinciale Staten op 22 februari 2002 is vastgesteld. Dit beleid kent ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ als belangrijkste streven. Volgens de provincie moet dit gerealiseerd worden door sterk in te zetten op een concentratie van verstedelijking, waarbij het gros van de nieuwe woningen en bedrijventerreinen in de zogenaamde stedelijke regio’s terechtkomt. In landelijke regio’s, zoals de Maashorst waarin het plangebied is gelegen, is ruimte voor de opvang van de lokale vraag. Zuinig ruimtegebruik in de vorm van inbreiden, herstructureren en intensiveren heeft daarbij de prioriteit om nieuw ruimtebeslag te beperken.

3

Middels de beleidsbrief ‘Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen’ (vastgesteld 20 juni 2004) heeft de provincie onlangs haar locatiebeleid uitgesproken. Onderhavige beleidsbrief vervangt het provinciaal beleid bedrijventerreinen ‘Op Maat’ van 17 februari 1998 en geeft een handleiding hoe het Streekplan 2002, de binnenkort vast te stellen Partiële herziening van het Streekplan en de Uitwerkingsplannen, moeten worden vertaald in ruimtelijke plannen. Een belangrijk uitgangspunt in de beleidsbrief is het streven naar zuinig ruimtegebruik. Dit streven wordt vertaald door te stellen dat oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen moet worden voorkomen. Bepaalde activiteiten moeten op bedrijventerreinen worden geweerd, omdat deze goed inpasbaar zijn in een woonmilieu of gemengd milieu. Welke activiteiten dit zijn, verschilt tussen landelijke en stedelijke regio’s. Voor landelijke regio’s gaat het om: - bedrijven behorende tot milieucategorie 1; - bedrijfswoningen; - zelfstandige kantooractiviteiten; - voorzieningen (inclusief detailhandel), voor zover niet gerelateerd aan het bedrijventerrein. Naast het weren van bepaalde activiteiten op bedrijventerreinen stelt de provincie in het kader van zuinig ruimtegebruik voorts nog enkele algemeen geldende randvoorwaarden aan ruimtelijke plannen voor bedrijventerreinen. Dit zijn: - hanteren van een minimale kavelgrootte (> 1.000 m²); - hanteren van minimale bouwhoogtes; - hanteren van een minimaal bebouwingspercentage van 50% van de kavel. Bedrijven met een kavelgrootte groter dan 5.000 m² beschouwt de provincie als bedrijven die vanwege hun aard en schaal niet passen in een landelijke regio. Maatwerk is echter mogelijk bij uitbreiding van bestaande bedrijven. Indien na een uitbreiding groter dan 15% van de bedrijfsoppervlakte de bovengrens van 5.000 m² wordt overschreden, is in de landelijke regio’s een afweging van de ruimtelijke aspecten van de bedrijfsbelangen én regionale afstemming noodzakelijk. Van deze uitzonderingsregel zal in dit bestemmingsplan géén gebruik worden gemaakt. Naast randvoorwaarden ten aanzien van de ruimtelijk en functionele mogelijkheden op bedrijventerreinen, vraagt de provincie bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen tevens om een op het concrete gebied toegespitste (wettelijk vereiste) economische onderbouwing. Deze onderbouwing kan in algemene zin worden ontleend aan de prognoses uit het Uitwerkingsplan van het Streekplan, maar dient voor de locatie te worden geconcretiseerd. Wanneer de gemeente gebruik maakt van een gefaseerde uitgifte is het enkel noodzakelijk een onderbouwing te geven voor het oppervlak bedrijfsterrein dat in het bestemmingsplan een directe bouwtitel kent. Voor het overige deel kan een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen. De omvang van de eerste fase wordt bepaald door de mate waarin de vraag aannemelijk is gemaakt. Met name voor de landelijke regio’s gaat de provincie ervan uit dat gemeenten een opvang voor bedrijven hebben voor ten hoogste vijf jaar. De concretisering van beleidsuitspraken aangaande de situering van nieuwe bedrijventerreinen in Bernheze en de omliggende gemeenten maakt onderdeel uit van uitwerkingsopgave van het streekplanbeleid. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het Uitwerkingsplan Uden-Veghel en omstreken.

4

Uitwerkingsplan Uden-Veghel e.o. Het Uitwerkingsplan Uden-Veghel e.o., dat op 21 december 2004 door GS is vastgesteld, heeft voor de periode 2002-2015 voor de regio Maashorst een planningsopgave voorzien van in totaal 11hectare bruto. Deze opgave dient nog in zijn geheel te worden ingevuld. Deels zal dit gebeuren op bedrijventerrein de Retsel. De uitbreiding van bedrijventerrein Retsel is in het Uitwerkingsplan opgenomen met een bruto capaciteit van 7,3 ha.

Te ontwikkelen woongebied Te ontwikkelen bedrijventerrein Transformatie afweegbaar

Uitsnede kaart Uitwerkingsplan Uden-Veghel e.o.

Naast kwantitatieve uitspraken over de uitbreiding van de ruimte voor bedrijvigheid, doet het Uitwerkingsplan Uden-Veghel e.o. eveneens uitspraken over de kwalitatieve opgave bij verdere verstedelijking. Onder de noemer ‘rood-met-groen-koppeling’ verplicht het Uitwerkingsplan voor alle uitbreidingsplannen voor stedelijke ontwikkelingen, dus ook de Retsel, dat met ingang van 1 juli 2005 inzichtelijk wordt gemaakt hoe de realisering ervan gepaard gaat met kwaliteitsverbetering elders in het buitengebied. Het Uitwerkingsplan staat hierbij een eenvoudig systeem voor waarbij het uitgangspunt is dat in de grondprijs voor stedelijke uitbreidingsplannen een bedrag wordt opgenomen dat hiervoor bestemd wordt. De gemeente zal hiervoor gebruik maken van een groenfonds, waar vanuit landschapsprojecten worden gefinancierd.

5

2.3 Gemeentelijke beleid
StructuurvisiePlus ‘Bernheze op koers’ Het gemeentelijk ruimtelijk beleid is op 18 december 2003 door de gemeenteraad vastgesteld in de vorm van de StructuurvisiePlus ‘Bernheze op koers’. Binnen deze StructuurvisiePlus maakt uitbreiding van de bedrijvigheid bij de kern Heeswijk-Dinther onderdeel uit van de programmatische opgave tot 2015. Binnen de kaders van het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld is hiervoor ruimte gevonden aansluitend het bestaande bedrijventerrein de Retsel. Dit is als zodanig op de plankaart aangegeven.

Uitsnede kaart StructuurvisiePlus ‘Bernheze op koers’

Ontwerp-Verkeersstructuurplan 2007-2020 Voor bedrijventerrein Retsel is het volgende relevant. Er wordt voorzien in een ontsluiting van de LOG (landbouwontwikkelingsgebied) Hazelberg via de Vorstenbosseweg, Dodenhoeksestraat en Retselseweg naar de N279. Daarmee wil de gemeente voorkomen dat de kern Heeswijk-Dinther wordt belast met verkeer van en naar het LOG Hazelberg. In het verkeersstructuurplan, zoals op 2 april is besproken in de commissie, is deze route als meest logische ontsluiting voor het LOG Hazelberg opgenomen. Dit betekent dat de Dodenhoeksestraat en Retselseweg zodanig dienen te worden ingericht dat vrachtverkeer van en naar het LOG Hazelberg kan rijden. De Vorstenbosseweg wordt zodanig gestructureerd dat de hoofdstructuur overgaat van de Vorstenbosseweg naar de Dodenhoeksestraat en vervolgens het verkeer over de Retselseweg geleid wordt naar Laag Beugt.

2.4 Onderbouwing behoefte
Er hebben zich 41 ondernemers gemeld voor een bedrijfskavel op Retsel. Er zijn twee lijsten opgesteld: één voor de zelfstandige vestigingen en een andere voor een bedrijfsverzamelgebouw. De door deze ondernemers ingediende Ruimteverkenners voor de zelfstandige vestigingen zijn gescreend. Voor de zelfstandige vestigingen hebben zich 28 ondernemers gemeld waarvan 5 bedrijven niet zijn opgenomen in het behoefteonderzoek.
6

Daarnaast zijn vooralsnog 3 bedrijven niet opgenomen, omdat de motivatie onvoldoende is. De overige 20 bedrijven kunnen een plek krijgen op het bedrijventerrein Retsel. Onderzocht is of hetgeen deze ondernemers willen reëel is. Waar nodig zijn de gegevens daarop aangepast. Het resultaat is opgenomen in het behoefteonderzoek. Bij het bepalen van het aantal m² is hoofdzakelijk uitgegaan van een bebouwingspercentage van 80% en ruimtereserves zijn niet opgenomen. De bedrijven zijn te verdelen in vier groepen: - Verplaatsing vanuit een woongebied in Bernheze: 9 bedrijven. - Verplaatsing vanuit het buitengebied: 7 bedrijven. - Verplaatsing binnen bedrijventerrein Retsel: 2 bedrijven. - Verplaatsing van een bedrijventerrein uit een andere gemeente: 2 bedrijven. De totale oppervlakte voor deze 20 zelfstandige vestigingen is 34.164 m². Zoals hiervoor geschreven wordt de ontwikkeling van bedrijfsverzamelgebouw(en) nog onderzocht. De oppervlakte in de eerste fase (rechtstreeks bestemde gedeelte) van het bedrijventerrein is 30.000 m². De behoefte voor de eerste fase is ruim voldoende. Het betreffen ook bedrijven die een plek kunnen krijgen op het bedrijventerrein Retsel. De provincie heeft aangegeven dat de ontwikkeling en realisatie van de eerste fase ter grootte van netto 3 ha voldoende zijn aangetoond. Nadat deze eerste fase is ingevuld, wordt bekeken of en hoe verder te gaan met de tweede fase. Deze tweede fase kan worden gerealiseerd door gebruik te maken van een wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen is in voorliggend bestemmingsplan. Ook daarbij geldt de voorwaarde dat de behoefte is aangetoond. Resterende bedrijven kunnen in deze tweede fase een plek krijgen.

2.5 Zuinig ruimtegebruik
In aanvulling op de algemeen geldende randvoorwaarden aan ruimtelijke plannen voor bedrijventerreinen uit de beleidsbrief ‘Bedrijventerreinen, zelfstandige kantoorvestigingen, detailhandel en voorzieningen’ (juni 2004) kiest de gemeente ervoor de volgende maatregelen ter stimulering van zuinig ruimtegebruik te hanteren: - meerlaags en ondergronds bouwen mogelijk maken; - mogelijk maken parkeren op het dak, ondergronds of halfverdiept; - centraal parkeerterrein mogelijk maken; - parkeren op eigen terrein; - toestaan van bedrijfsverzamelgebouwen; - bouwen c.q. schakelen op de achterperceelsgrens of minimaal op een van de zijperceelsgrenzen mogelijk maken; - flexibel verkavelen mogelijk maken; - snippergroen voorkomen.

7

8

3

STEDENBOUWKUNDIG ONDERZOEK

3.1 Landschappelijke structuur
Ten oosten van het plangebied bevinden zich de open akkercomplexen van het buitengebied van Heeswijk-Dinther. Het gebied ten noorden van het plangebied bevindt zich op de overgang van de hoger gelegen zandgronden naar het beekdal van de Leijgraaf (Dintherse Broek en Hazelbergse Broek). Dit is een open landschap. De zuidgrens wordt gevormd door het bestaande bedrijventerrein. In het noorden bevindt zich de Dodenhoeksestraat. Deze straat is een landelijke weg met een fraaie laanbeplanting.

3.2 Bebouwingsstructuur
Het gebied is een overgangsgebied tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Het plangebied is in gebruik als agrarisch gebied. Op het bedrijventerrein ten zuiden van de locatie komen bedrijven voor met een verscheidenheid aan maten en grootte. De aard van de bedrijven is daarbij divers. Vanuit het vigerende plan is het mogelijk om op elk bedrijfsperceel één bedrijfswoning te bouwen. Dit is echter maar op een enkele plaats gebeurd. Aansluitend aan de huidige, verharde Retselseweg loopt in noordelijke richting een onverharde weg die aansluit aan de Dodenhoeksestraat. Aan de noord- en oostrand van het gebied, maar buiten het plangebied gelegen, bevinden zich boerderijen met erfbeplanting.

3.3 Bereikbaarheid en ontsluiting
Het plangebied is gelegen aan één van de hoofdontsluitingswegen van de kern Heeswijk-Dinther: de Brouwersstraat/Laag Beugt. Deze weg heeft een verdeelfunctie voor het plaatselijk verkeer. Het bestaande bedrijventerrein heeft zijn enige aansluiting op deze weg. Deze weg is een historische doorgaande route op een zandrug, welke evenwijdig gelegen is aan het Aa-dal en de Leijgraaf (Den Bosch-Veghel). De Dodenhoeksestraat aan de noordzijde van het plangebied is een landelijke weg met een ontsluitingsfunctie voor de aanliggende bebouwing.

9

De westelijk van het plangebied gelegen straat Eikenhoek heeft de functie van woonstraat. Deze weg wordt tevens gebruikt als (sluip)route tussen de Brouwersstraat en de Nobisweg, welke de verbindingsweg is naar Vorstenbosch. Om het sluipverkeer zoveel mogelijk te weren zijn in de straat Eikenhoek een aantal verkeersmaatregelen getroffen. In het verlengde van de Retselseweg bevindt zich een zandpad, welke vanaf het bestaande bedrijventerrein naar de Dodenhoeksestraat loopt. Dit zandpad wordt incidenteel al gebruikt door gemotoriseerd verkeer vanaf het bedrijventerrein.

3.4 Stedenbouwkundige en (cultuur)historische waarden binnen het plangebied
Het plangebied is op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant aangemerkt als een gebied met een hoge indicatieve archeologische waarde. In november 2001 is door het bureau Vestigia een verkennend archeologisch onderzoek verricht op het plangebied (onderzoeksrapportage ‘Vijf archeologische quickscans te Bernheze: Locaties De Hoef II, Retsel, HeilarenNoord, Zwarte Molen, Bergakkers II, Vestigia, november 2001). Hierna volgen de bevindingen van dit onderzoek. Volgens de Historische landschapskaart (1840 - 1900), ligt het gebied in een zone die wordt aangeduid als intensief gebruikt cultuurland in de Middeleeuwen. De oudste kern van het cultuurlandschap is mogelijk deels vóór 1000 in gebruik genomen. De oudste vermelding van de nederzetting dateert uit 1196. In het ARCHIS staan uit de omgeving van Dinther slechts twee vondstmeldingen en een archeologisch monument geregistreerd. Uit het plangebied zelf zijn geen archeologische vondsten bekend. De twee bekende vondstmeldingen liggen respectievelijk 300 en 900 m van het onderzoeksterrein vandaan. De eerste vondstmelding omvat een stenen bijl uit het Neolithicum. Over deze vondst zijn geen aanvullende gegevens beschikbaar. De tweede vondstmelding betreft een Romeinse munt, waarover eveneens aanvullende gegevens ontbreken. Het archeologisch monument is een vindplaats uit de Middeleeuwen. Op deze locatie is een kuil met aardewerk uit de 8e of 9e eeuw aangetroffen. Op het ruim 5 ha grote plangebied Retsel is bijna één derde deel van het terrein niet onderzocht. De reden hiervoor is dat de percelen niet toegankelijk waren in verband met de aanwezigheid van gewassen (maïs). Zowel op basis van het bureauonderzoek als op basis van het booronderzoek is de kans aanzienlijk dat op deze locatie bewoningssporen aangetroffen zullen worden. Op basis van hoogteligging zijn ook de verwachtingen voor het deel van het plangebied waar voor deze fase van het onderzoek geen toetredingstoestemming is verkregen erg hoog. Vestigia adviseert dan ook om op deze locatie een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uit te laten voeren. Het is aan te bevelen om tijdens dit onderzoek in ieder geval ook proefsleuven aan te leggen op de hoog gelegen, nog niet onderzochte percelen.

10

Op 11 maart 2005 is de onderzoeksrapportage ter beoordeling aangeboden aan de provincie. De provincie adviseert voor het hele plangebied een waarderend archeologisch onderzoek uit te laten voeren in de vorm van proefsleuven. Door Archol is in november 2005 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de gronden die betrekking hebben op de uitbreiding van het bedrijventerrein. Het zuidelijk deel van het plangebied is reeds bestaand bedrijventerrein en bebouwd en derhalve niet meegenomen bij het onderzoek. Archol adviseert een vervolgonderzoek uit te voeren voor bepaalde delen van terrein. Voorafgaand aan het bouwrijp maken van de grond wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd in die delen van het plangebied die archeologisch waardevol zijn, zoals opgenomen in de rapportage van november 2005 (zie separate bijlage). De eventuele archeologische vondsten zullen worden opgegraven (bescherming ‘ex situ’).

11

12

4

MILIEUASPECTEN EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

4.1 Bedrijven in relatie met milieuzonering
Vestiging bedrijven Indien een bedrijf bij de gemeente aangeeft dat het zich op het bedrijventerrein wil vestigen zal eerst naar grootte, schaal en aard van het bedrijf moeten worden gekeken. De lijst van bedrijfstypen uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (geheel herziene uitgave, 2001) vormt de basis voor de toe te laten bedrijven, zoals die zijn opgenomen in de aan de voorschriften toegevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. Een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ is een selectie uit deze lijst, die is afgestemd op de specifieke mogelijkheden en op het gewenste doel en de beoogde kwaliteit van een (deel van een) bedrijventerrein. Uitgesloten van vestiging op een bedrijventerrein zijn (op enkele uitzonderingen na) activiteiten als landbouw, grond- en delfstoffenwinning, energieproductie, detailhandel, kantoren, en sociaal-culturele en recreatieve voorzieningen. Voorts zijn fysiek op deze locatie ‘onmogelijke’ activiteiten uit de lijsten verwijderd. Tenslotte is er rekening mee gehouden dat vrijwel het gehele plangebied gelegen is in de stankcirkel van een agrarisch bedrijf. De Staat van bedrijfsactiviteiten sluit bedrijvigheid die naar aard niet past binnen zo’n stankcirkel uit. Milieuzonering in relatie met omgevingstype Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. In de methodiek van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ staat hinder in planologisch opzicht centraal. Daarbij dient de voorgenomen bedrijfsvestiging c.q. -uitbreiding grofmazig te worden getoetst. De fijnmazige toets dient te geschieden in het kader van de milieuwetgeving. In ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn bedrijven indicatief ingedeeld in milieucategorieën, met daaraan gekoppelde afstanden, die in acht moeten worden genomen ten opzichte van gevoelige functies. Daartoe is een lijst van bedrijven opgenomen met afstanden ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het gaat daarbij om de in afstanden uit te drukken aspecten geur, stof, geluid en gevaar, waarbij de grootste afstand maatgevend is. Naast ‘rustige woonwijk’ wordt een aantal andere ‘omgevingstypen’ onderscheiden. Deze omgevingstypen variëren in hun gevoeligheid voor diverse aspecten van hinder. Voor de overige omgevingstypen is in de publicatie een indicatieve typering van de gevoeligheid opgenomen, die zich vertaalt in correcties op de in acht te nemen indicatieve afstand. Bij het voorliggend plan gaat het uitsluitend om het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het betreft het gebied aan de noordzijde van het plan evenals het gebied aan de oostzijde van het plan. Hiervoor is gekozen vanwege het noordelijk gelegen woongebied en de ontwikkeling van een zorgboerderij (dag- en nachtopvang) aan de oostzijde. De ontwikkeling van de zorgboerderij is niet opgenomen in dit bestemmingsplan.

13

In bijlage 1 van de voorschriften is voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ te zien welke afstanden in acht moeten worden genomen tussen het gebiedstype en bepaalde bedrijvigheid. Op de bijgaande afbeelding staan de afstanden van 50 m en van 100 m vanuit het omgevingstype gezien weergegeven, voor zover deze binnen het plangebied gelegen zijn.

Rustige woonwijk

Rustige woonwijk

Overzicht omgevingstype

De Staat van bedrijfsactiviteiten zal bij de beoordeling of een bedrijf inpasbaar is in de omgeving, als toetsingskader dienen. Bedrijven in de categorieën 2 en 3 zijn rechtstreeks toelaatbaar in dit plangebied, voor zover deze voorkomen op de bijgevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het beleid met betrekking tot categorie-1-bedrijven is er op gericht om deze bedrijvigheid -die immers op dat aspect vaak goed inpasbaar is in gebieden met gemengde functies- niet op dit bedrijventerrein te honoreren. Deze zijn derhalve uitgesloten. Bedrijvigheid welke niet voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar die daarmee gelijk te stellen is, is slechts toelaatbaar middels vrijstelling. Tevens is er een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen voor de vestiging van bedrijven behorend tot categorie 4. Hiervoor is in de voorschriften verwezen naar de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Industrielawaai en risicovolle bedrijven Omdat inrichtingen in de zin van artikel 41 van de Wet Milieubeheer worden uitgesloten op het bedrijventerrein is geen zonering voor industrielawaai nodig. Daarnaast zijn risicovolle bedrijven zoals aangegeven in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen ook niet toegestaan binnen het plangebied.

14

Toegelaten detailhandel (niet in Staat van bedrijfsactiviteiten) De specifieke detailhandelsactiviteiten die op dit bedrijventerrein worden toegelaten betreft de detailhandel in auto’s, boten, caravans en tenten. Deze bedrijvigheid is, om bestemmingsplantechnische redenen, niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen. Voor deze activiteiten zijn in de basislijst wel afstanden in verband met de milieuzonering vermeld. De maximale afstand bedraagt 30 m, hetgeen overeenkomt met categorie 2. De detailhandel in auto’s, boten, caravans en tenten is slechts toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zichtlocatie’ (Dodenhoeksestraat) op de plankaart.

4.2 Stankhinder Intensieve Veehouderij
Ten noorden van de Dodenhoeksestraat is een agrarisch bedrijf met 820 mve's gelegen. De hindercontour is over het gehele plangebied gelegen. Binnen de hindercontour mogen geen (bedrijfs)woningen worden gerealiseerd en geen stankgevoelige bedrijven worden gevestigd. Deze stankcontour heeft dus gevolgen voor de bedrijvigheid die op het bedrijventerrein gevestigd kan worden. Op het terrein zijn alleen bedrijven toegestaan die naar hun aard niet geurgevoelig zijn. De geurgevoeligheid van een bedrijf wordt bepaald door de vervaardigde producten en/of het productieproces dan wel door de arbeids- en/of bezoekersintensiteit. Bedrijven die naar hun aard stankgevoelig zijn, zijn uit de bij de voorschriften gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage) geschrapt. Het gaat hierbij onder andere om bedrijven in de voedings- en genotmiddelenindustrie. Geurgevoelig vanwege het arbeids- en of bezoekersintensiteit zijn bedrijven waar gedurende 8 of meer uren per dag gemiddeld meer dan 50 personen verblijven in de bedrijfsgebouwen. Deze benadering is door Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS d.d.12 februari 2003, nr. 200200568/1, Lochem) aanvaard. In de voorschriften is de begripsbepaling ‘geurgevoelig bedrijf’ opgenomen. In de doeleindenomschrijving van de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ is de vestiging van geurgevoelige bedrijven uitgesloten. Slechts na (gedeeltelijke) opheffing van de milieubeperking is via toepassing van een bij de bestemming opgenomen wijzigingsbevoegdheid alsnog de vestiging van geurgevoelige bedrijven mogelijk. Op deze wijze zijn dus niet alle soorten bedrijven zonder meer toegelaten en is op een aanvaardbare wijze omgegaan met de vestigingsmogelijkheden van bedrijven binnen de stankcirkel.

4.3 Brandveiligheid
Het aspect brandveiligheid stelt voorwaarden aan de afstand tussen gebouwen op een bedrijventerrein. Wat betreft brandgevaar voor de omgeving kan gezegd worden dat hiermee bij de indeling in hindercategorieën en de daarbij horende minimale afstanden tot andere functies (‘Bedrijven en milieuzonering’) onder meer rekening is gehouden. In geval van calamiteiten is het van groot belang dat de bereikbaarheid en de ontsluiting op het bedrijventerrein goed zijn. Hiervoor wordt gezorgd door op het niveau van de individuele bebouwing de randvoorwaarde op te nemen dat gebouwen op 3 m uit één van de zijdelingse perceelsgrenzen dienen te liggen.
15

Zo blijft een strook over die de brandweer in noodgevallen een benaderingsmogelijkheid geeft. Tevens dienen er 2 ontsluitingsroutes aanwezig te zijn. In dit plan is dat het geval.

4.4 Relatie met de Wet geluidhinder
Binnen het plangebied Retsel-Noord worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder opgenomen. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden uitgevoerd.

4.5 Bodemonderzoek
In mei 1999 is een indicatief bodemonderzoek verricht door het Regionaal milieubedrijf te Oss met het nummer 3134B97.RAP01. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat, gelet op de resultaten van de uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken, een positief bodemadvies kan worden gegeven ten aanzien van het toekomstig gebruik als bedrijfsterrein met de mogelijkheid tot het oprichten van bedrijfsgebouwen. Ten aanzien van de geconstateerde sterke verontreiniging van PAK in de bovengrond ter plaatse van boring 96 (deellocatie C) dient bij het oprichten van een bouwwerk op deze plaats er rekening mee te worden gehouden dat het bouwwerk een eventueel noodzakelijk uit te voeren sanering van de PAK-verontreiniging niet zal belemmeren. Gezien het tijdsbestek is het bodemonderzoek geactualiseerd. Uit de resultaten blijkt dat de PAK-verontreiniging, die in het verkennend onderzoek in 1999 is aangetroffen, bij het aanvullend onderzoek niet meer is aangetroffen. Alle resultaten bevinden zich beneden de streefwaarde. De aangetroffen verontreiniging uit 1999 betreft naar alle waarschijnlijkheid een (zeer) kleine spotverontreiniging. In het veld was deze zowel zintuiglijk als analytisch niet meer terug te vinden. Dit onderzoek is als separate bijlage toegevoegd aan dit plan.

4.6 Waterhuishouding
Door ingenieursbureau Van Kleef is in december 2005 een waterhuishoudkundig onderzoek verricht. Naar aanleiding van het advies van het waterschap d.d. 7 juli 2006 heeft een aantal wijzigingen plaatsgevonden. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de ‘Waterparagraaf Bedrijventerrein Retsel Noord’ d.d. augustus 2006, dat als separate bijlage aan deze toelichting is gevoegd. Het bedrijventerrein wordt in 2 fasen ontwikkeld. Wat betreft de mogelijkheden voor waterberging is in het bedoelde rapport slechts het noordelijke gedeelte van het plangebied beschouwd. Voor het zuidelijke gedeelte is de planologische invulling en daarbij de benodigde ruimte voor waterberging nog niet bekend. In overleg met de gemeente Bernheze zijn diverse alternatieven voor waterberging van het noordelijke gedeelte beoordeeld en afgewogen. In de waterparagraaf wordt de voorkeursvariant gepresenteerd.

16

Het bedrijventerrein zal trapsgewijs worden aangelegd vanaf de hoger gelegen percelen van het bestaande bedrijventerrein aan de westzijde tot het lager gelegen maaiveld aan de Dodenhoeksestraat. De ashoogte van de Retselseweg zal hierbij aflopen van circa 9,4 m + N.A.P. (bestaand bedrijventerrein) tot circa 8,5 m + N.A.P. (Dodenhoeksestraat). De ashoogte van de weg Morgenstond zal vanaf de bestaande aansluiting op circa 8,75 m + N.A.P. oplopen tot circa 9,2 + N.A.P. Deze hoogte voldoet aan het minimale aanlegniveau. De hoogte van het bouwpeil en de groenvoorzieningen is gerelateerd aan het te realiseren wegpeil en voldoen daarom ook. De ashoogte van de wegen is maatgevend voor het aanlegpeil van woningen en gebouwen. Het bouwpeil van aansluitende kavels zal minimaal 0,2 m hoger liggen dan de ashoogte van de aanliggende weg. Een en ander is mede afhankelijk van de afstand tot de weg en aan te leggen afschot van terreinverhardingen, wat noodzakelijk is voor de terreinafwatering. Groenvoorzieningen die gelegen zijn tussen de weg en de gebouwen (bermen, plantsoenen en tuinen) zullen doorgaans circa 0,1 m hoger worden aangelegd dan de ashoogte van de wegen. Een en ander zal op de plaatselijke situatie worden afgestemd. Algemeen bezien is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied voldoende hoog gelegen om uitgaande van het huidige maaiveldniveau zonder aanvullende ontwaterende voorzieningen (bijvoorbeeld drainage) voldoende ontwateringsdiepte voor aanleg van de noodzakelijke voorzieningen te realiseren. Voorzieningen voor berging/infiltratie zijn voorzien aan de oostzijde van het plangebied aan de Dodenhoeksestraat.

4.7 Kabels en leidingen
Uit een klicmelding is gebleken dat er geen kabels en leidingen in het plangebied liggen.

4.8 Flora en fauna
Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein zal het gebied ten noorden van het huidige terrein gebruikt worden. Dit is op het moment in gebruik als akker, waar ieder jaar maïs wordt geteeld. Aan de noordzijde wordt het begrensd door de Dodenhoeksestraat waarlangs een laanbeplanting van eiken staat. In september 2005 is een quickscan natuurtoets uitgevoerd door Van der Molen groenconsult. In en rond het plangebied zijn enkele dier- en plantsoorten waargenomen, die opgenomen zijn in de Flora- en faunawet en de Vogelrichtlijn. Het betreft hier enkele vogelsoorten en een aantal zoogdieren. Eveneens kunnen na realisatie van het project vleermuizen beïnvloed worden door strooilicht. Overige beschermde dieren die invloed kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden zijn niet te verwachten. Gezien de inwerkingtreding van de AmvB inzake artikel 75 en de aard van de werkzaamheden te omschrijven zijn als ruimtelijke ingrepen, zijn ontheffingen in het kader van de natuurwetgeving voor de aangetroffen en te verwachten soorten niet noodzakelijk.

17

De Europese Vogelrichtlijn biedt geen mogelijkheden voor ontheffing voor vogels. Hierdoor zal zoveel mogelijk met zorg gehandeld moeten worden om verstoring, verontrusting en doden van vogels zo goed mogelijk te voorkomen. Er zijn waarschijnlijk geen broedende vogels te verwachten. Om helemaal op zeker te spelen kan met de uitvoering van de werkzaamheden de broedperiode (tussen 15 maart en 15 juli) uitgesloten worden. Omdat er voor vleermuizen geen negatieve effecten te verwachten zijn, behoeft er voor deze diergroep geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel dient er nadrukkelijk rekening mee gehouden te worden dat negatieve beïnvloeding van strooilicht naar de groenstructuren zoveel mogelijk wordt voorkomen. De uitkomsten van deze quickscan geven voldoende inzicht in de aanwezige en te verwachten beschermde soorten. Het is daarom niet noodzakelijk een aanvullend flora- en fauna-inventarisatie voor alle soortgroepen uit te voeren.

4.9 Luchtkwaliteit
Ruimtelijke plannen of projecten, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen en aanvragen voor een milieuvergunning, dienen getoetst te worden aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. In dit besluit zijn grenswaarden opgenomen voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. De luchtkwaliteit in Nederland is dusdanig dat nu en in de toekomst geen overschrijding verwacht wordt van de grenswaarden voor zwaveldioxide, lood, benzeen en koolmonoxide. De achtergrondconcentratie van deze stoffen is zo laag, dat alleen in uitzonderlijke gevallen de normen voor deze stoffen overschreden zullen worden. Van zo’n geval is in deze situatie geen sprake. Derhalve worden berekeningen voor deze stoffen achterwege gelaten en wordt gesteld dat ten aanzien van zwaveldioxide, lood, benzeen en koolmonoxide wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Voor stikstofdioxide en fijn stof is de situatie in Nederland minder gunstig. De concentratie van stikstofdioxide is vaak te hoog bij drukke wegen en de achtergrondconcentratie van fijn stof is vaak al hoger dan de normen toelaten. Voor de stoffen stikstofdioxide en fijn stof is een nader onderzoek voor de specifieke lokale situatie dan ook noodzakelijk. Dit onderzoek is in augustus 2006 uitgevoerd door het RMB (zie separate bijlage). Uit de berekeningsresultaten volgt dat de uitbreiding van het bedrijventerrein Retsel voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Uit berekeningen met KEMA Stacks blijkt, dat de bedrijven in fase 1 en 2 van de uitbreiding van het bedrijventerrein Retsel wel invloed hebben op de concentratie fijn stof, maar dat de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 niet worden overschreden. Uit berekeningen met Geoair blijkt dat de berekende concentratie fijn stof grotendeels veroorzaakt wordt door de achtergrondconcentratie. Daarnaast geven de wegen een verslechtering van de luchtkwaliteit in de autonome situatie. Tenslotte zorgt het extra verkeer van en naar de uitbreiding van het bedrijventerrein voor een (beperkte) verslechtering van de luchtkwaliteit. Tenslotte blijkt, dat ook wanneer rekening gehouden wordt met de cumulatie van de effecten van de bedrijven en het verkeer op de concentratie fijn stof, er ruimschoots voldaan kan worden aan de normen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005.

18

Op de concentratie van stikstofdioxide heeft de uitbreiding van het bedrijventerrein niet of nauwelijks invloed. Ook de concentraties van de andere stoffen uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 zullen ruimschoots aan de normen voldoen.

4.10

Externe veiligheid

Het beleid inzake externe veiligheid is gericht op de beheersing van risico’s voor de omgeving met betrekking tot: - het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); - het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, waterwegen, wegen en spoorwegen); - het gebruik van luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Dit besluit heeft tot doel de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaarbaar minimum te beperken. Inrichtingen De externe veiligheid van inrichtingen heeft betrekking op de kans die bestaat om te overlijden buiten een inrichting als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Bij het bepalen van dit risico speelt de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen een belangrijke rol. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die vanwege de opslag van gevaarlijke stoffen vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Transport In 2003 is de Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen verschenen. De risicoatlas wegtransport levert informatie voor de evaluatie van het externe veiligheidsbeleid en bevat een inventarisatie van de omvang van de risico’s veroorzaakt door het vervoer over de weg van gevaarlijke stoffen. De risicoatlas kan worden gebruikt om na te gaan waar er aandachtspunten voor de externe veiligheid zijn, die bij lokale planontwikkeling gedetailleerd dienen te worden beoordeeld. Voor het plangebied zijn het wegtransport en een luchthaven van belang, de onderdelen buisleidingen, spoorwegen en hoofdvaarwegen zijn niet aanwezig. Wegtransport Op basis van de gegevens uit de Risicoatlas voor wegvervoer van het Ministerie van Verkeer en Waterstraat is getoetst of het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N279 en A50 een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied Retsel. Hiervoor is gekeken naar het plaatsgevonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgevonden risico heeft betrekking op de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die zich een jaar lang op die plaats bevindt. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen (10 6/jaar) onacceptabel wordt geacht.

19

20

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten mogen niet binnen de zogenaamde 10-6-contour worden gerealiseerd. Het groepsrisico wordt berekend tot aan de 10-8-risicocontour (de contour waarop de theoretische kans op overlijden 1 op de honderd miljoen is). Het groepsrisico is afhankelijk van het aantal personen dat zich op een bepaalde plaats bevindt: naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, dient de kans op zo’n ongeval kleiner te zijn. De berekende groepsrisicowaarde geven overigens geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Het bevoegd bezag kan hier gemotiveerd van afwijken. Uit de kaarten behorende bij de Risicoatlas voor wegvervoer blijkt dat voor het relevante deel van de N279 en A50 de contour voor het plaatsgevonden risico acceptabel is. Er zijn op dit punt voor het plangebied geen belemmeringen. Voor het kilometervak van de N279 en A50 nabij Heeswijk-Dinther is geen overschrijding van de oriëntatiewaarde gegeven. Daarmee is er geen sprake van een relevant (aandachtspunt voor) groepsrisico. De gemeente Bernheze kent op haar eigen wegennet verder geen aangewezen routes gevaarlijke stoffen. Geconcludeerd kan worden dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van transport van gevaarlijke stoffen voer de weg. Luchthaven Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. Dit houdt in dat, teneinde het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis te waarborgen, er rond de vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (= 27,8) geldt, gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied dient voor ieder obstakel, hoger dan 45 m, te worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Dit zorgt niet voor belemmeringen in het plangebied.

21

22

5

HET STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP

5.1 Ruimtelijke en functionele opbouw
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het bedrijventerrein Retsel aan de oostzijde van de kern Heeswijk-Dinther. In deze paragraaf wordt een uitleg gegeven van de ruimtelijke en functionele opzet van het plan. In dit bestemmingsplan is ervoor gekozen de wegen buiten de plangrenzen te laten vallen, omdat deze reeds mogelijk zijn gemaakt binnen het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Retsel Heeswijk-Dinther’. Omdat de inrichting van de openbare ruimte mede de sfeer bepaald van het bedrijventerrein, is hier toch een (globale) beschrijving van opgenomen. Een tweetal inrichtingsvoorstellen is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 5.1.1 Ontsluitingsstructuur Door de gemeente Bernheze is een Verkeers(veiligheids)plan opgesteld (november 1999). In het verkeersveiligheidsplan wordt de Brouwersstraat aangewezen als gebiedsontsluitingsweg. De wegen op het bestaande bedrijventerrein, de Dodenhoeksestraat en de Vorstenbosscheweg worden aangewezen als erftoegangswegen, wegen van een lagere orde. Deze categorisering van wegen is in overeenstemming met de ontsluiting van het gebied Retsel. Extern (vracht)verkeer dient naar de regionale verkeersstructuur geleid te worden. Dat is in dit geval de A50 ten oosten van Heeswijk-Dinther via de N266. In het gemeentelijk Verkeersveiligheidsplan is tevens opgenomen onderzoek te doen naar een goede directe ontsluiting vanaf Retsel naar de N266 (zie figuur 6.1: Wegencategorisering). Het opnemen van deze ontsluiting aan de oostzijde van Heeswijk-Dinther heeft verschillende voordelen. Een belangrijk argument is daarbij de ontlasting van de woonkern. Met name het weren van het doorgaande vrachtverkeer uit de kern zal een positieve bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid en aan de leefbaarheid van de kern Heeswijk-Dinther. De uitgangspunten voor de ontsluiting van het bedrijventerrein zijn derhalve: - Het bedrijventerrein zal zich met name oriënteren en ontsluiten op de Brouwersstraat/Laag Beugt. - De noordelijke ontsluiting via de Retselseweg en de Dodenhoeksestraat is van ondergeschikt belang. Dit komt ook tot uitdrukking in de straatprofielen. - Ontsluiting van de bedrijven dient zo direct mogelijk op de hoofdwegenstructuur plaats te vinden. 5.1.2 Verkavelingsopzet Gezien de omvang en programma is het zinvol om het plan voor de uitbreiding te faseren. Daartoe is het gebied ten westen van de (verlengde) Retselseweg, en ten noorden van de Morgenstond tot aan de Dodenhoeksestraat, inclusief de groenzone aan de Dodenhoeksestraat ten oosten van de (verlengde) Retselseweg aangewezen als 1e fase. Het gebied ten oosten van de (verlengde) Retselseweg is bedoeld als 2e fase. Deze fase is via een wijzigingsbevoegdheid te realiseren. In principe is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de gefaseerde oplevering van het bedrijventerrein te verzekeren. De eerste fase van de uitbreiding van het bedrijventerrein heeft een totale omvang van circa 3 ha. Voor de tweede fase is de omvang circa 1,8 ha.

23

Op het moment dat blijkt dat er onder de plaatselijke ondernemers concrete en duidelijke behoefte bestaat aan bedrijventerrein zal gebruik gemaakt worden van de wijzigingsbevoegdheid. Het nieuwe terreingedeelte wordt ontsloten vanaf de huidige straten Retselseweg en De Morgenstond. Hierbij ontstaat een lusvormige ontsluiting. In het noorden krijgt het bedrijventerrein een aansluiting aan de Dodenhoeksestraat. Deze aansluiting is van ondergeschikt belang en dient derhalve gezien te worden als een secundaire aansluiting. Het gaat hierbij meer om de beschikbaarheid van een tweede route dan het gebruik van een echt ontsluitingspunt. Wel kan deze ontsluiting dienen als ontlasting van de woonstraat Eikenhoek. Als afscherming van de bedrijfspercelen naar het landelijke gebied is een circa 15 m brede groensingel geprojecteerd. Op het bestaande bedrijventerrein heeft geen groepering naar bedrijfssfeer plaatsgevonden, immers alles moest een plaats kunnen hebben. Nu er meer een verschuiving plaatsvindt naar een meer representatief karakter van zowel de bedrijven als het bedrijventerrein, is hier gekozen om in het nieuwe gedeelte een andere kavelindeling voor te stellen. Om voor dat gedeelte een zeker kwaliteitsaspect te bereiken wordt voorgesteld om de bedrijven in onderling verband te zien en eventueel te schikken. Voor de indeling van de kavels geldt dat er in een zone van 12 m achter de bebouwingsgrens I geen bedrijfsbebouwing mag worden opgericht. Wel kan deze zone worden gebruikt voor representatieve bebouwing of voor parkeren, tuin. De voorruimte dient niet als opslagruimte te worden gebruikt. Daarmee kan de beoogde kwaliteit bereikt worden. Het verdient aanbeveling om te streven naar een rustig ruimtelijk beeld. Voorwaarden voor een rustig ruimtelijk beeld zijn: - De voorgevel van de bebouwing moet in bebouwingsgrens 1 dan wel op een afstand van niet meer dan 3 m daarachter worden gebouwd. - Er dient een onderscheid in hoogte te zijn tussen de bebouwing direct aan de openbare ruimte en de bebouwing die daarachter ligt. De hoogte van de bebouwing tussen bebouwingsgrens 1 en 2 mag niet minder dan 3,5 m en niet meer dan 8 m bedragen. De hoogte van bebouwing achter bebouwingsgrens 2 mag niet minder dan 6,5 m en niet meer dan 13 m bedragen. - De bebouwing dient georiënteerd te zijn op de openbare weg, waarbij gebouwen op hoekpercelen aan beide zijden georiënteerd dienen te zijn op de openbare weg. 5.1.3 Inrichting van de openbare ruimte Voor het nieuwe bedrijventerrein wordt een profiel voorgesteld die vergelijkbaar is met De Morgenstond en de Retselseweg. Het gaat daarbij om een rijbaan met aan beide zijden een groene berm, waarbij op een enkele gerichte plaats een verharding wordt aangebracht ten behoeve van parkeren. In de groene berm, bestaande uit gras en lage of halfhoge beplanting, komen als begeleiding van de straat bomen met een maat en schaal die past bij het profiel. Deze bomen zullen de dragers van de openbare ruimte zijn. Daardoor ontstaat een aantrekkelijkheid en een herkenbaarheid van het bedrijventerrein. Ook de bermen spelen een belangrijke rol in het straatbeeld. Zij geven een mogelijkheid om een zekere samenhang te ondersteunen. Noodzaak is dan:een sterke eenheid, door toepassing van één of slechts enkele beplantingstypen, één type hagen en één boomsoort. De bermen schermen de bedrijfsvestigingen af van het openbare gebied. Vanwege het zicht op de achterliggende bebouwing is een enigszins transparant boomtype in de berm in een niet te dichte plaatsing van belang. Verharding van bermen dient zoveel mogelijk te worden vermeden.

24

Getracht moet worden om tot een afstemming te komen tussen het gebruikte beplantingsmateriaal in de bermen en in de achterliggende voorruimten. De Dodenhoeksestraat en Retselseweg dienen zodanig te worden ingericht dat vrachtverkeer van en naar het LOG Hazelberg kan rijden. De Vorstenbosseweg wordt zodanig gestructureerd dat de hoofdstructuur overgaat van de Vorstenbosseweg naar de Dodenhoeksestraat en vervolgens het verkeer over de Retselseweg geleid wordt naar Laag Beugt 5.1.4 Richtlijnen voor de zichtlocaties De zichtlocatie is een strook die direct aansluit aan het landschap ten noorden van het plangebied en die georiënteerd is op de Dodenhoeksestraat. Doordat deze strook de overgang betreft tussen het bedrijventerrein en het landschap, wordt speciale aandacht gevraagd voor de invulling van de terreinen en de architectonische uitstraling van de bebouwing. Om een geleidelijke overgang naar het landschap te verkrijgen en er geen abrupte scheiding tussen landschap en bedrijfsbebouwing ontstaat, is ten zuiden van de Dodenhoeksestraat allereerst een ruime groenstrook of berm gedacht van circa 12 m diep, welke wordt ingericht met laag groen. Achter deze groenstrook begint de voortuin met een diepte van 12 m. Vervolgens bevindt zich een bebouwingsstrook van 12 m diep waarin representatieve bebouwing zoals kantoorruimte, entree of showroom verplicht zijn (in één laag). Achter deze representatieve strook is dan ruimte voor bedrijfshal, opslag.

Bedrijven met een representatieve uitstraling, bijvoorbeeld kantoorruimte

25

Er moet worden gelet op de onderlinge samenhang in bebouwing, naar overeenkomsten in plaatsing en vorm. Daarbij dient de individuele presentatie zich te houden aan enkele algemene regels. Deze komen hierna aan de orde. * Aard van het bedrijf Bij de bedrijven voor een ‘zichtlocatie’ wordt gedacht aan bedrijven met een representatieve uitstraling. Dit betekent niet alleen een bedrijfshal, maar ook een kantoorruimte, een entree of een showroom. Uit de vraag en de interesse voor een kavel is af te leiden of er ook werkelijk interesse is naar representatie, en dat men daarmee bij de vestiging ook rekening wil houden. Dit werkt door in de kavelindeling en het architectuurbeeld. Dat betekent, dat de zich vestigende bedrijven zich zullen moeten presenteren met een verzorgd publieksgedeelte, en zodoende hun dienstverlening benadrukken. Bij de op een hoek gelegen kavel dienen nadere eisen te worden gesteld. Het gaat daarbij om het vermijden van een zicht op eventuele opslag, en op een ‘uitsluitend bedrijfshal’ aan de zijkanten. Een aparte opmerking moet worden gemaakt over de autobranche. Een bedrijf met een benzineverkooppunt stelt dermate afwijkende eisen voor onder andere bereikbaarheid en verkeersaantrekkende functie, dat deze hier niet worden toegestaan. Indien er zich evenwel een garagebedrijf wil vestigen zonder benzineverkooppunt wordt als eis gesteld dat ze een showroom moeten aanleggen en dat de voorruimte niet als een parkeerplaats of uitstallingsruimte voor auto's gebruikt mag worden.

26

* Kavelindeling Het verdient aanbeveling om qua kavelindeling gelijke bedrijven bij elkaar te plaatsen. Dit is een eerste voorwaarde voor het ontstaan van een rustig ruimtelijk beeld. Daarnaast is het mogelijk om strikte eisen te stellen aan de kavelindeling. Het gaat hierbij om de plaatsing van de bebouwing. Aan de hand van onderstaande schetsjes wordt dit uitgelegd. Voor de zichtlocaties geldt als eis: - De voorste bebouwingsgrens van de bedrijfsbebouwing ligt op 12 m achter de bebouwingsgrens 1. - Het hoofdgebouw (hoger dan 3,5 m) moet in deze lijn worden geplaatst. - Lage uitbouwen zoals kantoorruimte, entree of showroom (tot 6,5 m hoog) zijn in de 12 m zone tussen bebouwingsgrens 1 en 2 toegestaan over 60% van de perceelsbreedte. - Bij de voorbouw is de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens 3 m. Met behulp van deze regels is het mogelijk een beeld van een tamelijk ‘open’ ruimte te geven. De ligging op één lijn van de hogere massa's van de bedrijfshallen is het samenbindende element. * Gebruik en inrichting van de voorruimten De voorgeschreven diepte van de voorruimte van 12 m achter de bebouwingslijn I geeft een ruime aanblik en geeft de gelegenheid om de benodigde parkeerplaatsen aan de voorzijde ruim, doelmatig en fraai aan te leggen. Deze voorruimten mogen niet voor opslag gebruikt worden. Met de gedeeltelijke ‘naar voren plaatsing’ van de publieksruimte kan een gedeelte van de strook benut worden voor het bedrijf. Hierin ontstaat dan de beoogde architectonische en ruimtelijke afwisseling.

Bij de tuininrichting kan worden aangesloten bij de gemeentelijke bermen. Dat betekent een rustig en architectonisch beeld, met een beperkt assortiment aan plant- en verhardingsmaterialen. In dat beeld passen geschoren hagen. De ruime voorruimte strookt niet geheel met de gedachte van zuinig ruimtegebruik. Gezien de gewenste beeldkwaliteit en de overgang van stedelijk naar landelijk gebied, prevaleert hier de ruime voorruimte voor het zuinig ruimtegebruik.

27

Hekwerken zijn bij de zichtlocaties niet wenselijk. Indien ze toch nodig zijn en in het zicht komen, zullen de hekwerken voldoende duurzaam moeten zijn en moeten passen in het architectonische totaalbeeld. De hekwerken dienen altijd op of achter de bebouwingsgrens I geplaatst te worden. * Architectuur en materiaalgebruik De vorm van de hoofdgebouwen is veelal een blok, dus is er sprake van een plat dak. Voor de lagere, naar voren springende publieksdelen geldt een grotere architectonische vrijheid, maar deze delen worden bij voorkeur ook eenvoudig van vorm met een plat dak. Veel aandacht moet worden besteed aan de in het zicht liggende gevels. Gestreefd moet worden naar een samenhang in niet alleen terreinindeling en de plaatsing van de gebouwen, maar ook van materiaalgebruik en bouwstijl. Voor de hogere en naar achter gelegen hoofdmassa's zijn plaatmaterialen (metaal/kunststof) toegestaan. Voor de naar voren geplaatste publieksruimte en de in het zicht liggende gevels gaat de voorkeur uit naar de toepassing van duurzaam ogende natuur- en baksteen en eventueel betonsteen.

5.2 Duurzaamheid
Uitgangspunt bij het ontwikkelen van het bedrijventerrein Retsel-Noord is duurzame ontwikkeling. Dit is een ontwikkeling die tegemoet komt aan de noden van het heden zonder de behoeftevoorziening van komende generaties in het gedrang te brengen. Voor bedrijventerrein Retsel-Noord is de duurzame ruimtelijke ontwikkeling als volgt vertaald: Behoud en uitbreiding van ecologische structuren en groenelementen. Bewust omgaan met water, bijvoorbeeld door de aanleg van een verbeterd gescheiden rioolstelsel. Hierdoor wordt het schone water gescheiden van het vuile water en kan het schone water vervolgens worden vastgehouden. Hierdoor kan het hergebruikt of ingezet worden voor het behouden, herstellen of ontwikkelen van natuurwaarden. Toepassen van duurzame bouwmaterialen.

5.3 Relatie bestemmingsplan - welstandsnota
In het bestemmingsplan voor ‘bedrijventerrein Retsel-Noord’ worden de functie en het gebruik van de gronden en de maatvoering van de bebouwing geregeld. Het bestemmingsplan vormt de basis voor de stedenbouwkundige opzet van het dorp. De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen. In de welstandsnota die voor het gemeente Bernheze is opgesteld, zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische kenmerken opgenomen. In de gebiedsuitwerking voor de gemeente Bernheze zijn de welstandsaspecten van de verschillende kernen en het buitengebied van de gemeente beschreven. Voor elke kern is, naast een globale beschrijving, een kaart met bebouwingstypen opgenomen.
28

De huidige karakteristiek en architectuur van de bebouwing vormt hierbij het uitgangspunt. Elk bouwplan moet voldoen aan de eisen die gelden voor het bebouwingstype waarbinnen het bouwwerk valt.

29

30

6

FINANCIEEL-ECONOMISCHE HAALBAARHEID

Uit de exploitatieberekening blijkt dat het plan kostendekkend is.

31

32

7

BESTEMMINGEN

Bedrijfsdoeleinden De bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ maakt de realisatie van de eerste fase van het bedrijventerrein Retsel-Noord mogelijk. Bedrijven zijn toegestaan voor zover ze vermeld staan in categorie 2 en 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Op de plankaart is aangegeven op welke gronden welke bedrijven zijn toegestaan, dit is namelijk afhankelijk van de zonering van het terrein ten opzichte van de omliggende woonbebouwing. In verband met de aanwezigheid van een stankcontour over het bedrijventerrein zijn aanvullende bepalingen opgenomen. De vestiging van geurgevoelige bedrijven is niet toegestaan. Onder een geurgevoelig bedrijf wordt volgens de in artikel 1 opgenomen begripsbepaling verstaan: een bedrijf dat vanwege zijn arbeids- en/of bezoekersintensiteit gevoelig is voor stankhinder van agrarische bedrijven. Hiervan is sprake, indien gedurende 8 of meer uren per dag gemiddeld meer dan 50 personen verblijven in de bedrijfsgebouwen. Daarnaast zijn in de Staat van bedrijfsactiviteiten alle soorten bedrijven die naar hun aard geurgevoelig zijn, uitgesloten. Op deze wijze zijn niet alle soorten bedrijven zonder meer toegelaten en is op een aanvaardbare wijze omgegaan met de vestigingsmogelijkheden binnen de stankcontour. Een bedrijf dat niet in één van deze categorieën valt, is ook toegestaan wanneer het college van burgemeester en wethouders van mening is dat zijn aard onder één van de toegestane categorieën te scharen valt. Tenslotte is een bedrijf toelaatbaar als het niet aan te merken valt als een inrichting zoals bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder of een risicovolle inrichtingen zoals bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen. Daarnaast is detailhandel in auto’s, boten, caravans en tenten toegestaan, dit is echter uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zichtlocatie’ op de plankaart. Agrarisch gebied Voor deze gronden is de bestaande situatie als zodanig bestemd. In verband met de gefaseerde invulling van het bedrijventerrein mag de bestemming worden gewijzigd in de bestemming bedrijfsdoeleinden. De bestemming kan gewijzigd worden indien het terrein met de bestemming Bedrijfsdoeleinden geen plaats meer biedt voor nieuwe vestigingen. Wijziging is ook mogelijk indien dit noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke inpassing van het plan. Alvorens medewerking kan worden verleend aan de wijziging, dient de behoefte te worden aangetoond. Bij de wijziging dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Deze wordt verzekerd door de bepaling dat een strook van minimaal 15 m uit de Dodenhoeksestraat de bestemming ‘openbaar groen’ dient te krijgen. In deze toelichting zijn twee verkavelingschetsen opgenomen om een indicatie te geven van de toekomstige verkaveling.

33

Groenvoorzieningen/Openbaar groen Alle groenvoorzieningen met een structureel karakter zijn hierin opgenomen. De bestemming ‘groenvoorzieningen’ voorziet in afschermend groen, de bestemming ‘Openbaar groen’ heeft een meer open karakter. Ter plaatse van de aanduiding ‘waterhuishoudkundige voorzieningen’ op de plankaart zijn waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals wateropvang en waterinfiltratie toegestaan.

34

8

PROCEDURES

8.1 Inspraak en vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Retsel-Noord’ is conform artikel 10 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Verder heeft het plan overeenkomstig de inspraakprocedure van 27 juni 2005 tot 25 juli 2005 ter inzage gelegen waarbij de mogelijkheid is geboden om reacties in te dienen. De binnengekomen reacties uit het vooroverleg en de inspraak zijn beantwoord in de ‘Nota beantwoording inspraak en vooroverleg’ (zie separate bijlage). Het plan is naar aanleiding hiervan op enkele punten gewijzigd.

8.2 Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Retsel-Noord’ heeft conform artikel 23 en verder van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vanaf 5 maart 2007 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er is een drietal zienswijzen ingediend. Deze zijn weergegeven en beantwoord in de ‘Nota zienswijzen’ (zie separate bijlage). Het plan is op enkele punten gewijzigd en tijdens de raadsvergadering van 28 juni 2007 vastgesteld.

Rosmalen, juni 2007 Croonen Adviseurs b.v.

Vastgesteld: 28 juni 2007

35