Freeridersproblematiek en oplossingen

Regionaal Platform voor Criminaliteitsbeheersing Oost-Brabant
In samenwerking met

Kamer van Koophandel Oost-Brabant

Politie Brabant Zuid-Oost

1

Freeridersproblematiek en oplossingen
Een onderzoek naar bestuurlijk-juridische mogelijkheden om de freeridersproblematiek op te lossen.

Dilemma: “vrijheid van het individu versus gebondenheid in het collectief”.

Opdrachtgever Regionaal Platform voor Criminaliteitsbeheersing Oost Brabant Auteur: Leon van der Heijden –Stagiair-

Eindhoven, 2006

2

Voorwoord In het kader van de afstudeerstage in het laatste jaar van de opleiding HBO Bestuurskunde heb ik een onderzoek uitgevoerd voor het Regionaal Pla tform Criminaliteits Beheersing Oost-Brabant. Deze rapportage is het resultaat van het onderzoek en zal worden voorgelegd aan de verschillende ketenpartners in de freeridersproblematiek. Deze rapportage heeft als titel “Freeridersproblematiek en oplossingen”. Doel is aan het RPC Oost-Brabant een advies te geven met betrekking tot de beste bestuurlijke/juridische mogelijkheden om het freeridersprobleem op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen in de regio OostBrabant in te perken (o.a. op het gebied van collectieve beveiligingsmaatregelen). Met deze rapportage hoop ik daaraan een bijdrage te kunnen leveren. Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om alle personen te bedanken voor de bijdrage die zij aan deze rapportage hebben geleverd. Zij hebben mij de benodigde informatie/input geleverd en toonden daarnaast hun betrokkenheid. Zonder deze personen was het niet mogelijk geweest om tot de rapportage die hier voor u ligt, te komen. Daarnaast wil ik graag in het bijzonder mijn stagementoren de heer F. Coppelmans en de heren P. van den Ende en Th. van Hattum bedanken voor hun coördinatie en ondersteuning. Zij hebben op een kritische wijze de totstandkoming van het plan gevolgd en hebben zo dit verslag verrijkt met hun inhoudelijke kennis en ervaring. Tot slot wens ik u veel leesplezier! De auteur, Leon van der Heijden Eindhoven 2006

3

Samenvatting Het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) heeft het Actieplan Veilig Ondernemen opgesteld, met als doel de criminaliteit gericht op het bedrijfsleven met 20% te reduceren in 2008. Een groot gedeelte van de bedrijven en winkels in Nederland heeft geregeld te kampen met criminaliteit. Dat heeft een negatief effect op het ondernemersklimaat en heeft daarnaast invloed op de omgeving waarin bedrijven gevestigd zijn. Om de veiligheidssituatie te verbeteren, is het noodzakelijk dat ondernemers, in samenwerking met gemeente, politie en brandweer, collectieve veiligheidsmaatregelen treffen. Echter, niet alle ondernemers dragen bij aan collectieve voorzieningen. Dat kan gaan van een sfeerverlichting in een winkelstraat tot aan beveiliging van een industrieterrein. Ondernemers die gratis meeliften met de voorzieningen die de verenigde ondernemers gemeenschappelijk hebben gerealiseerd worden aangeduid als Freeriders. Het is belangrijk hun aantal zo laag mogelijk te houden freeriders de gemeenschappelijke aanpak van o.a. veiligheid ondermijnen. Het bedrijfsleven heeft aangegeven dat er behoefte bestaat aan een aanpak die freeridergedrag tegengaat. Om de freeridersproblematiek aan te pakken is het (NPC) het project “Freeriders” gestart. Het project maakt onderdeel uit van het Actieplan Veilig Ondernemen. Daar het onderzoeksrapport “Freeriderproblematiek en-oplossingen” (in opdracht van het Ministerie van Justitie) de mogelijkheden tot verplichtten van deelname aan collectieve beveiliging onvoldoende heeft uitgewerkt, heeft het RPC Oost-Brabant opdracht gegeven om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden om deelname aan collectieve beveiliging te kunnen verplichten. Op nieuwe bedrijventerreinen en winkelcentra en op bestaande locaties waar alle panden in eigendom zijn bij één eigenaar zijn er goede mogelijkheden voor de aanpak van freeridersproblematiek. Zo kan op nieuwe bedrijventerreinen en winkelcentra deelname aan collectieve regelingen worden verplicht in de verkoop of huurovereenkomsten. Via kettingbedingen kan de verplichting bij volgende eigenaren worden gelegd. Op bestaande locaties waar alle panden in eigendom zijn bij één eigenaar kan de eigenaar nieuwe huurders via de huurovereenkomst een verplichting tot deelname aan collectieve beveiliging opleggen. Bij deze optie vergt het wel enige tijd voordat de locatie gevrijwaard is van freeriders, aangezien in veel gevallen gewacht zal moeten worden tot freeriders vertrekken en nieuwe huurders hun plaats innemen. Het freeridersprobleem profileert zich sterk op bestaande bedrijventerreinen en winkelgebieden met verschillende eigenaars. Door freeriders komen collectieve maatregelen niet tot stand en/of komen bestaande collectieve maatregelen onder druk te staan. Ondernemersverenigingen zien graag een verplichte deelname aan collectieve ondernemersbelangen zodat freeriders niet meer gratis kunnen meeliften met voorzieningen die de verenigde ondernemers gemeenschappelijk hebben gerealiseerd. Uitvoering van collectieve regelingen kan worden opgedragen aan een aparte rechtspersoon (vereniging, stichting of coöperatie) waarin de ondernemingen participeren en als deelnemer hun samenwerking bij de beveiliging van het gebied vorm geven en financieren. Om de mogelijkheden tot verplichte deelname aan collectieve beveiliging te kunnen beoordelen zijn deze getoetst aan criteria. Deze criteria zijn gedurende het onderzoek opgesteld. Uit de praktijk blijkt er behoefte te bestaan aan een heffing/belasting ten behoeve van financiering van collectieve ondernemersbelangen die gebiedsgericht en periodiek kunnen worden geheven. De opbrengsten uit een bepaald gebied moeten ook weer 1 op 1 in het gebied worden besteed. Er dient een eenduidige grondslag te zijn en het moet passen binnen de doelstelling van de werkelijke regeling. Van belang is ook dat de opbrengsten uit de heffing/belasting substantieel zijn. De oplossingsmogelijkheden en aan de praktijk ontleende criteria hiervoor zijn weergegeven in de matrix Criteria/Mogelijkheden. Het blijkt dat de huidige bestaande wettelijke regelingen in Nederland ontoereikend zijn. Er zal daarom moeten worden gekeken naar uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden. Een wettelijke aanpassing van de OZB kan een goede oplossing zijn. Ook het Business Improvement District lijkt daarvoor in aanmerking te komen. Hieronder een korte samenvatting van de mogelijkheden die voldoende perspectief bieden voor een gerichte aanpak van de freeridersproblematiek.

4

OZB-Model Leiden In Leiden heeft de Stichting Centrum Management Leiden een fonds voor collectieve ondernemersbelangen opgezet. Het fonds wordt gevoed door een lokale belastingverhoging van de OZB. De middelen uit dat fonds (Fondsvorming Collectieve O ndernemersbelangen) worden uitgekeerd aan de ondernemersverenigingen die deze gelden naar eigen inzicht mogen besteden. Uit mijn onderzoek blijkt dat het Leids model niet geschikt is om ongewijzigd landelijk in te voeren, situatie en omgevingsfactoren verschillen bijvoorbeeld te sterk met die van Eindhoven. Tevens is er omtrent de OZB politieke onduidelijkheid en onzekerheid. De huidige regelgeving van de OZB blijkt voor veel gemeenten onvoldoende ruimte te bieden voor bijvoorbeeld een Fondsvorming zoals in Leiden. Momenteel is minister Remkes aan het onderzoeken of een uitzondering op de wet OZB kan worden gemaakt om op deze wijze via een opslag OZB-heffing de freeridersproblematiek aan te pakken. Business Improvement District Naar mijn mening voldoet het Business Improvement District het beste aan de uit het werkveld gestelde eisen. Helaas is er nu nog geen bestaande wettelijke regeling voor het BID. Het BID kent men wel in Amerika en Engeland. Om het in Nederland tot uitvoer te kunnen brengen is een wetswijziging noodzakelijk. De heffing van BID kan gebiedsgericht en periodiek plaatsvinden. Tevens kan men de opgebrachte gelden gebiedsgericht terugsluizen. Het initiatief tot het initiëren van een BID ligt bij de ondernemers. In de BID regeling wordt bepaald dat indien de meerderheid van de ondernemers wil overgaan tot BID de BID ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Hiermee is draagvlak voldoende gewaarborgd. De financiering van het BID is hiermee gegarandeerd daar men wettelijk verplicht is financieel bij te dragen aan het BID. Het BID heeft een eenduidige grondslag en is passend binnen de doelstelling van de werkelijke regeling. Daarnaast zijn de opbrengsten uit de heffing substantieel. Het verdient de aanbeveling de mogelijkheden tot het invoeren van het BID verder te onderzoeken. Baatbelasting Een gemeente kan baatbelasting heffen op onroerende zaken die zijn ‘gebaat’ door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur. Het blijkt in de praktijk vaak lastig voor de gemeente om de ‘baten’ voor eigenaren aan te tonen en de baatbelasting is daarmee juridisch niet sterk. Baatbelasting kan in principe alleen worden geheven op eenmalige verbeteringen (veelal zeer concrete fysieke maatregelen). Tevens betreft het geen periodieke heffing, waar de collectieve diensten vaak wel continue zijn. Tevens is de baatbelasting juridisch en administratief zeer complex. Precariobelasting Precario is de vergoeding die aan de gemeente wordt betaald voor ‘bijzonder gebruik van de openbare ruimte’. Precario moet met name betaald worden voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. Precariobelasting kan men alleen inzetten op winkelcentragebieden, aangezien er op bedrijventerreinen veelal geen sprake is van opstallen, terrassen, uitstallingen en reclameborden. De werking van precariobelasting is selectief, niet elke ondernemer is verplicht precario af te dragen. Het is met deze belastingsvorm, in vergelijking tot de OZB, mogelijk gebiedsgericht toe te passen en met een per gebied te onderscheiden heffing naar tariefstelling. Het heffen van precariobelasting heeft een beperkte opbrengst. De precariobelasting is voor zeer concrete bestemmingen zoals kerstverlichting in de binnenstad zeer geschikt. Huuropslag van commerciële panden via Vereniging van Eigenaren Financiering van collectieve belangenbehartiging kan men verkrijgen via een opslag op de huur van commerciële panden. Een nadeel van deze vorm van fondsvorming via een huuropslag is dat niet alle partijen meedoen. Het eigendom van het zakelijk onroerend goed in de binnenstad is versnipperd over vele honderden eigenaren. Het verkrijgen van 100% organisatie en 100% meebetalen via de huur, moet in de binnenstad onmogelijk worden geacht. In perifere winkelcentra of bedrijfsterreinen heeft dit instrument meer kans van slagen. Het rapport kent als belangrijkste conclusie dat de wetgeving in ons land op dit moment onvoldoende mogelijkheden biedt om het probleem via bestuurlijk -juridische maatregelen op te lossen. Een verplichte bijdrage via de OZB is de meest geschikte mogelijkheid indien lokale bestedingsafspraken via een Business Improvement District gemaakt kunnen worden met de organisaties van het bedrijfsleven.

5

Leeswijzer De totstandkoming van het rapport is te verdelen in verschillende fasen. Allereerst heb ik me georiënteerd op de organisatie als geheel (oriëntatie -onderzoek). Daarna heb ik me verder verdiept in de freeridersproblematiek. Na de oriëntatiefase heeft er literatuuronderzoek plaatsgevonden. Om zodoende met voldoende voorkennis en gerichte vragen mijn veldonderzoek naar tevredenheid te kunnen uitvoeren. Voor mijn veldonderzoek heb ik met verschillende actoren uit het veld interviews gehouden, o.a. met de heren Maas SBBB, Hovius SBBD/VCBB, Galliard Burgemeester Son en Breugel, Schuttenbeld Voorzitter Stichting Centrummanagement Leiden, van Dijk Dir. KGParkmanagement en Parkmanager Waarderpolder Haarlem, van den Enden en Bardoel van Bureau Ruimtelijke Ontwikkeling BRO. Om tot een goed aansluitend maatwerk voor het RPC te komen heeft er een desk- en field research van de verschillende pilots en projecten (Heerlen, Leiden, Haarlem) plaatsgevonden. Voor het uitvoeren van de desken field research zijn onderzoeksvragen opgesteld. Door deze vragen stapsgewijs te beantwoorden en aanvullingen toe te passen is recht gedaan aan de vooraf gedefinieerde doelstelling. Voor het uitvoeren van het onderzoek is de zogenoemde beleidskundige Japanse/-Methode gehanteerd. In de laatste fase is gekomen tot de verslaglegging, wat heeft geresulteerd in de beleidsaanbevelingen die nu voor u liggen. Doel is aan het RPC Oost-Brabant een advies te geven met betrekking tot de beste bestuurlijke/juridische mogelijkheden om het freeridersprobleem, o.a. op het gebied van collectieve beveiligingsmaatregelen, op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen in de regio Oost-Brabant in te perken. Het onderzoeksverslag begint in hoofdstuk 1 met de aanleiding/probleemsignalering en doelstelling. In Hoofdstuk 2 wordt een be leidskundige analyse weergegeven. Allereerst aan de hand van een quickscan freeriders, daarna wordt de freeridersproblematiek in relatie tot beleidskader en actoren behandeld. Zo worden de taken van actoren en organisaties benoemd, worden de oorzaken, gevolgen, motieven en cijfers van freeridersproblematiek uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat de inventarisatie van mogelijkheden in relatie met freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen. Parkmanagement en Centrummanagement passeren hier de revue. In dit hoofdstuk wordt duidelijk dat er oplossingen voor freeridersproblematiek zijn op zowel nieuw uit te geven terreinen als bestaande. De mogelijkheden om de freeridersproblematiek bij de wortel aan te pakken zijn ruimer voorhanden voor nieuw uit te geven terreinen. Het freeridersprobleem spits zich toe op bestaande bedrijventerreinen. In hoofdstuk 4 worden de mogelijkheden tot aanpak van de freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen behandeld. Zo heeft de gemeente mogelijkheden om belasting te heffen om zodoende het freeridersprobleem aan te pakken. Denk aan OZB, precario en baatbelastingen. Tevens is het Leids OZB model behandeld, geanalyseerd en beoordeeld. Ook het Business Improvement District-concept komt aan de orde. Daarnaast zijn heffingen door KvK of product- en bedrijfschappen behandeld alsook de gebruiksvergunning en de wet gemeenschappelijke regelingen. Kortom in dit hoofdstuk worden maatregelen en aanpak behandeld, worden activiteiten en projecten belicht, en zijn mogelijkheden voor financiering onderzocht. Het geheel wordt afgesloten met een pakket van conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5). Doel is aan het RPC Oost-Brabant een advies te geven met betrekking tot de beste bestuurlijke/juridische mogelijkheden om het freeridersprobleem, o.a. op het gebied van collectieve beveiligingsmaatregelen, op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen in de regio Oost-Brabant in te perken. Deze beleidsaanbevelingen zullen dienen als basis waarmee het RPC en haar ketenpartners de freeridersproblematiek integraal kunnen aanpakken en inperken. De rapportage zal tevens dienen als verantwoording naar het werkveld over de ontwikkelingen van het RPC.

6

Inhoudsopgave -Titelpagina -Omslagpagina -Voorwoord -Samenvatting -Leeswijzer -Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 2. 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.3.11 2.3.12 2.3.13 2.3.14 2.3.15 3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 4. 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 Inleiding Aanleiding/probleemsignalering Doelstelling Onderzoeksmethode Informatieverzameling Vraagstelling Freeridersproblematiek in relatie tot beleidskader en actoren Quickscan Freeriders Freeridersproblematiek in relatie tot beleidskader Actieplan Veilig Ondernemen 1 en 2 Keurmerk Veilig Ondernemen Freeridersproblematiek in relatie tot actoren Individuele ondernemers Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Oost-Brabant Kamer van Koophandel Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid Gemeenten Vereniging Nederlandse Gemeenten Provincie Noord-Brabant Vereniging VNO-NCW De Koninklijke Vereniging Midden- en Klein Bedrijf-Nederland Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel Vereniging Collectieve Beveiliging Bedrijventerreinen Stichtingen Beveiliging Bedrijventerreinen Vereniging Bedrijvenparken Nederland Platform Binnenstadsmanagement Inventarisatie van mogelijkheden in relatie met freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen Parkmanagement Implementeren parkmanagement Binnenstadsmanagement/ Centrummanagement Implementeren binnenstadsmanagement/centrummanagement Mogelijkheden nieuwe winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen Mogelijkheden bestaande winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen Juridische status samenwerkingsverband; vereniging, stichting en coöperatie Mogelijkheden tot aanpak van freeridersproblematiek op winkelcentrumgebiede n en bedrijventerreinen Mogelijkheden gemeenten Onroerende-zaakbelasting Maximering van de OZB-tarieven voor bedrijfspanden en kantoren Onroerende zaakbelasting ten behoeve van Fondsvorming Collectieve Ondernemersbelangen Leiden 1 2 3 4 6 7 9 9 10 10 10 10 13 13 14 14 14 15 15 15 15 16 17 17 17 18 18 18 18 19 19 19 19 20 20 21 21 22 22 23 23

25 26 26 26 27

7

4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.2 4.3 4.3.1 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 5

Eindhoven en de OZB Voorwaarden voor implementatie fondsvorming collectieve ondernemersbelangen in de eigen regio Conclusie OZB Business Improvement District Precariobelasting Conclusie precariobelasting Baatbelasting Heffing door nieuw overheidsorgaan ’veiligheidsschap’ Heffing door de Kamers van Koophandel Huuropslag van commerciële panden via Vereniging van Eigenaren Heffing door product- en bedrijfsschappen Heffing door Hoofdbedrijfschap Detailhandel Wet Gemeenschappelijke Regelingen Gebruiksvergunning Subsidieregeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties Matrix Criteria/Mogelijkheden Conclusies en Aanbevelingen -Afkortingenlijst -Literatuurlijst -Bijlage 1 Doelstellingen RPC Oost-Brabant

29 30 30 31 31 32 33 33 34 34 34 34 35 35 36 38 41 42 44

8

1.

Inleiding

1.1 Aanleiding/Probleemsignalering Om de nadelige aspecten van freeridersgedrag te beheersen of in te dammen is er vanuit het RPC Oost-Brabant de vraag naar een op maat gesneden beleid. De vraag wordt gesterkt door de eindrapportage ‘Free-riders problematiek en oplossingen. ´Naar structurele collectieve beveiligingsmaatregelen voor bedrijven en winkels’ (november 2004). De rapportage is opgesteld in opdracht van het Ministerie van Justitie, namens het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Het onderzoek is uitgevoerd door Decisio, een economisch onderzoek- en beleidsadviesbureau d zich richt op ruimtelijke ontwikkeling, mobiliteit en marktwerking. Deze rapportage at geeft de directe aanleiding tot het formuleren van de afstudeeropdracht. Het moge duidelijk zijn dat het freeridersprobleem niet alleen een probleem is in de regio Oost-Brabant maar dat het een landelijk probleem betreft. Bij collectieve beveiliging in winkelgebieden en op bedrijventerreinen vormen freeriders een groot probleem. Een freerider is een onderneming die gebruik maakt van collectieve maatregelen zonder daarvoor een bijdrage te leveren. In de rapportage van Decisio zijn mogelijkheden tot aanpak van freeriders beschreven, het gaat om het aansluiten van vraag en aanbod, een rechtvaardige kostenverdeling en overtuigen van de voordelen van collectieve initiatieven. De open vraag bestaat uit welke juridische mogelijkheden er zijn tot het uitsluiten en toepassen van dwang en/of verplichten tot deelname aan collectieve initiatieven via evt. belasting. Het RPC Oost-Brabant wil op basis van dit rapport specifiek beleid ontwikkelen voor de regio Oost-Brabant om de problematiek van freeriders aan te pakken. De KvK en het RPC constateren dat freeriderschap op bedrijventerreinen en winkelcentra nadelige effecten heeft. Het beleidsprobleem wordt onder andere gestaafd door recente onderzoeken in de regio, die het RPC heeft uitgevoerd. Vanuit economisch perspectief heeft collectieve beveiliging belangrijke kenmerken van een ‘publiek goed’. Wanneer het aanbod van ‘publieke/collectieve goederen’ aan de markt wordt overgelaten en d eelname niet verplicht is, is freeridergedrag bijna een economische wetmatigheid. Collectieve beveiliging zonder deelnameverplichting is hiervan een goed voorbeeld. Het RPC wil het percentage freeriders proberen omlaag te krijgen door onder andere bestuurskundige maatregelen. Met een gedegen aanpak en de nodige inspanning kan de deelname worden vergroot. Door het freeridergedrag wordt voor de overige bedrijven die wel in de kosten dragen, de kosten onevenredig hoog. Vele initiatieven worden niet uitgevoerd door de negatieve impact van freeriders. Vanuit het bedrijfsleven is dan ook de wens dat hier door de overheid tegen wordt opgetreden c.q. de overheid stimulerend aanwezig moet zijn. Vanuit ondernemers en winkeliersverenigingen in de regio OostBrabant is de vraag gesteld aan het RPC Oost Brabant om voor de freeridersproblematiek oplossingen te bedenken. De doelgroep dient beter te worden geïnformeerd en geadviseerd over de verschillende aspecten van de aanpak: aansluiten van het aanbod op de vraag, kostenverdeling, overtuigen, uitsluiten en verplichten. De overheid moet hier meer als sturende, coördinerende en faciliterende partij functioneren. Publiekprivate samenwerking kan hierbij eveneens een nuttig instrument zijn. Indien freeridersgedrag bestreden wordt kan dit een positief effect hebben op de organisatiegraad en samenwerkingsverbanden en het verbeteren van het imago van het midden en kleinbedrijf (MKB). Belangrijk hierbij is om een actievere communicatie tot stand te brengen tussen de verschillende actoren zoals MKB, KvK, Politie, gemeenten en collectieve beveiligingspartners. Definitie freeriders Ondernemers die gratis meeliften met de voorzieningen die de verenigde ondernemers gemeenschappelijk hebben gerealiseerd. 1.2 Doelstelling Doel is aan het RPC Oost-Brabant een advies te geven met betrekking tot de beste bestuurlijke/juridische mogelijkheden om het freeridersprobleem, o.a. op het gebied van collectieve beveiligingsmaatregelen, op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen in de regio Oost-Brabant in te perken. Doelgroep De beleidsaanbevelingen worden in opdracht van de KvK Oost-Brabant en het RPC Oost-Brabant geformuleerd. De doelgroep bestaat uit enerzijds bedrijven en instanties die te maken hebben met negatieve

9

gevolgen van het freeridersgedrag en anderzijds de bedrijven die deze negatieve gevolgen veroorzaken, de freeriders. 1.3 Onderzoeksmethode

Om tot beleidsaanbevelingen voor het RPC Regio Oost Brabant te komen, zal er onder andere gebruik gemaakt worden van beleidsnavolging met de n oodzakelijke aanvullingen en verbeteringen. Zo is er gekeken naar vergelijkbaar beleid bij andere gemeenten. Deze verschillende beleidsmodellen en nota’s zijn onderzocht en geanalyseerd. Zodoende kun je de “best practises” samenvoegen en gebruiken voor de eigen beleidsontwikkeling. De Japanse methode 1 (navolging van beleid) zal in dit onderzoek niet centraal staan maar juist de ideeën die voortkomen uit andere beleidsstukken. Een voordeel van deze vorm van beleidsontwikkeling is dat verschillende opties worden bekeken en dat zodoende goede beleidsaanbevelingen geformuleerd kunnen worden. 1.4 Informatieverzameling

Bij de beantwoording van de onderzoeksvragen zal van verschillende informatiebronnen gebruik worden gemaakt. Een bron van informatie is natuurlijk literatuuronderzoek. De belangrijkste reden om literatuuronderzoek te doen is om na te gaan of anderen al een vergelijkbaar onderzoek hebben gedaan, alsook geeft zij suggesties op het gebied van het definiëren en operationaliseren van de begrippen, en geeft het relevante theorieën op het onderzoeksterrein. Er zal van diverse bestaande informatie en literatuur gebruik gemaakt worden om zodoende achtergrondinformatie te verkrijgen. Zoals rapportages van onderzoeksbureau’s, beleidsnota’s en convenanten. De literatuurstudie zal mede aan de hand van een zoekplan met daarin de relevante zoektermen en selectiecriteria geschieden. Naast een verkenning van de achtergronden van het freeriderschap en deskresearch gericht op specifieke informatie over collectieve beveiligingsinitiatieven zullen er ook diverse gesprekken en interviews plaatsvinden met actoren uit het werkveld. 1.5 Vraagstelling

Oriëntatie en analyse van het beleidsprobleem 1. Wat verstaan we onder freeridersproblematiek in winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? 2. Wat zijn de problemen die freeriders veroorzaken? 3. Wat zijn de oorzaken van freeridersgedrag van ondernemers in winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? 4. Op welke wijze is het beleidskader in relatie tot de freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen vormgegeven? 5. Welke actoren spelen een rol bij de freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? Deze vragen kunnen beantwoord worden door gegevens en ervaringen die binnen de organisatie beschikbaar zijn. Daarnaast zal er worden gekeken of er bij andere organen/instantie/organisaties informatie beschikbaar is. Tevens zal er een literatuuronderzoek aan vooraf gaan oftewel ‘desk research’. De problemen zijn vermeld in onderzoeken en rapportages zoals het onderzoeksrapport van Decisio ‘Freeridersproblematiek en –oplossingen. Ook dataverzamelingsinstanties bieden hier uitkomst. In gesprekken met diverse betrokken actoren zullen deze vragen ook worden voorgelegd. Tevens zullen internetpagina’s zoals www.npc.nl, www.kvk.nl, www.om.nl, www.HetCCV.nl, www.researchvoorbeleid.nl, www.wodc.nl hier een bron van informatie zijn. Opsporing en inventarisatie van beleidsmogelijkheden binnen het bestaande wettelijk instrumentarium m.b.t. de freeridersproblematiek 6. Op welke wijze dragen parkmanagement en centrummanagement bij aan een oplossing voor de freeridersproblematiek? 7. Op welke wijze kunnen parkmanagement en centrummanagement worden geïmplementeerd?
1

Geul, A. Beleidsconstructie, coproductie en communicatie zes beproefde methodieken van beleidsontwikkeling. Utrecht: Lemma 2005.

10

8. Op welke wijze worden parkmanagement en centrummanagement georganiseerd? 9. Welke mogelijkheden zijn er om de freeridersproblematiek aan te pakken op nieuwe en bestaande winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? 10. Welke maatregelen worden elders genomen om freeridersproblematiek in te dammen? 11. Welke mogelijkheden zijn er binnen het huidige wettelijk instrumentarium (publiek/privaat) om deelname aan collectieve initiatieven te bevorderen en/of af te dwingen en welke partijen (overheid, NPC, RPC, KVK etc) kunnen er onder welke condities gebruik van maken? Deze vragen kunnen worden beantwoord na inventarisatie van hetgeen er binnen de organisatie aan informatie betreffende freeridersbeleid en beheersing freeridersproblematiek aanwezig is. Denk hierbij aan informatie over projecten, projectverslagen, artikelen en rapportages. Er wordt in bestaande literatuur gezocht naar bestaande en mogelijk beproefde methoden voor beheersing van freeridersproblematiek. Dit vindt plaats door middel van literatuurstudie en deskresearch, met trefwoorden als ‘freeridersproblematiek’ en diverse Internetpagina’s. Bij het opsporen van succesvolle beleidsoplossingen zoekt men op hetzelfde of vergelijkbare bestuurlijke niveaus, bij instellingen met dezelfde of vergelijkbare (financiële) mogelijkheden, in een omgeving met dezelfde en of vergelijkbare patronen. Men vindt dergelijke voorbeelden via de eigen formele of informele netwerken. Anderzijds zijn er de databanken en archieven van professioneel monitorende organisaties zoals die van de vakpers, koepelorganisaties en dergelijke. Denk aan de verschillende RPC’s het NPC en de diverse KvK’s. In het onderzoeksrapport van Decisio wordt aandacht besteed aan mogelijke maatregelen om freeridersproblematiek in te dammen. Doel is het verkrijgen van meerdere operationele beleidsmodellen, liefst met een indicatie van hun reputatie in de betreffende ‘beleidstak’. Analyse van beleidsmogelijkheden binnen het bestaande wettelijk instrumentarium m.b.t. de freeridersproblematiek 12. Welke opgespoorde beleidsmogelijkheden binnen het huidige wettelijk instrumentarium bieden veel perspectief voor een effectieve aanpak van de freeridersproblematiek? 13. Leidt de inventarisatie of een combinatie van gevonden, (binnen het bestaande wettelijk instrumentarium), beleidsmogelijkheden zaken tot een sluitende aanpak? Er zal een inventarisatie en analyse van verschillende beleidsnota’s/projecten betreffende freeridersproblematiek volgen. De analyse is erop gericht de opgespoorde beleidsmogelijkheden die tot het bestaande wettelijk instrumentarium behoren in hun werking te doorgronden. A Door bestudering van beleidsnota’s en evaluatiestudies. B Door interviews met lokale beleidsvoerders, uitvoerders en externe experts. C Vergelijkbare beschrijving, met aandacht voor lokale maatschappelijke achtergronden, lokale probleemdefinitie en lokale beleidsdoelstellingen. De ervaringen van elders worden betrokken op de eigen omstandigheden. Onder andere het schatten van de uitvoerbaarheid en de effectiviteit van het voorbeeld beleidsprogramma in de eigen omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het bestaande wettelijk instrumentarium (publiek/privaat) niet leidt tot een sluitende aanpak voor de freeridersproblematiek. Daarom wordt er onderzocht welke aanpassingen aan het wettelijk instrumentarium een oplossing voor het freeridersbeleid kunnen bieden. De bestaande en mogelijk nieuw te ontwikkelen oplossingen worden getoetst aan de opgestelde criteria. Opsporing en inventarisatie van mogelijkheden buiten het bestaande wettelijk instrumentarium m.b.t. de freeridersproblematiek 14. Welke mogelijkheden buiten het huidige wettelijke instrumentarium (publiek/privaat) bieden perspectief tot een sluitende aanpak van de freeridersproblematiek bij collectieve initiatieven op o.a. het gebied van beveiliging? 15. Is een aanpassing van de huidige wet en regelgeving nodig om deelname aan collectieve initiatieven te bevorderen en/of af te dwingen en welke partijen (overheid, NPC, RPC, KVK etc) kunnen er onder welke condities gebruik van maken? 16. Welke andere mogelijkheden zijn er om het freeridersprobleem in te perken?

11

Voor het verkrijgen van antwoorden op deze vragen zullen deze vragen tijdens gesprekken/interviews worden voorgelegd aan gesprekspartners. Tevens zal er literatuuronderzoek plaatsvinden en zullen diverse beleidsstukken geanalyseerd worden. Contactpersonen die binnen KvK Oost-Brabant en RPC Oost-Brabant beschikbaar zijn kunnen hier uitkomst bieden. Ook het gebruik van andere middelen zoals Internet zal worden ingezet. Een eigen inventarisatie van de mogelijkheden buiten het huidige wettelijk kader dient beleidsaanbevelingen voor de aanpak van freeridersproblematiek op te leveren. Analyse van mogelijkheden buiten het bestaande wettelijk instrumentarium m.b.t. de freeridersproblematiek (innovatie) De analyse van de innovatiemogelijkheden is een belangrijk onderdeel van de Japanse methode. Door innovatief te zijn kan men daarmee het best beschikbare beproefde beleid in de ‘beleidstak’ overtreffen. Innovatief op basis van instrumentenmix en uitvoeringsmodaliteit. Hier worden tekortkomingen van de huidige mogelijkheden ingevuld, niet ingevulde beleidselementen toegevoegd en maatwerk gerealiseerd. 17. Welke van de mogelijkheden buiten het bestaande wettelijk instrumentarium biedt het meeste perspectief om tot een sluitende aanpak van de freeridersproblematiek bij collectieve initiatieven op o.a. het gebied van beveiliging te komen? Rapportage Door bovenstaande vragen te beantwoorden zal er stapsgewijs worden gewerkt naar de op te stellen beleidsaanbevelingen dat voor het RPC Oost-Brabant verbeteringspunten aandraagt en maatwerk levert. Het RPC Oost-Brabant kan met deze beleidsaanbevelingen als intermediair andere actoren adviseren. Tevens kan het RPC door een sterke lobby de beleidsvoerders ertoe bewegen bepaalde wettelijke aanpassingen te creëren met als doel de freeridersproblematiek in te perken.

12

2.

Freeride rsproblematiek in relatie tot beleidskader en actoren

Inleiding In dit hoofdstuk worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord. 1. Wat verstaan we onder freeridersproblematiek in winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? 2. Wat zijn de problemen die freeriders veroorzaken? 3. Wat zijn de oorzaken van freeridersgedrag van ondernemers in winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? 4. Op welke wijze is het beleidskader in relatie tot de freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen vormgegeven? 5. Welke actoren spelen een rol bij de freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? Het hoofdstuk geeft allereerst een quickscan van de freeriders om zo een duidelijker beeld te verkrijgen van de problematiek. Aan de hand van de detectie c.q. verkenningfase van het onderzoek wordt een beschrijving gegeven van het beleidskader en de betrokken actoren. Om een indruk van het beleidskader te geven worden het Actieplan Veilig Ondernemen 1 en 2, het Integraal Veiligheidsprogramma, en het project Keurmerk Veilig Ondernemen behandeld. Tevens wordt de relatie van de verschillende actoren met de freeridersproblematiek verduidelijkt. De belangrijkste actoren die een relatie met de freeridersproblematiek hebben zijn het Min isterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ministerie van Justitie, Politie, Ministerie van Economische Zaken, Kamer van Koophandel, Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing, ondernemersverenigingen/winkeliersverenigingen, Midden- en Kleinbedrijf Nederland, Hoofdbedrijfschap Detailhandel, Horeca Nederland, VNO/NCW, Gemeente, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. 2.1 Quickscan Freeriders

Freeriders zijn ondernemers die gratis meeliften met de voorzieningen die de verenigde ondernemers gemeenschappelijk hebben gerealiseerd. Bij collectieve beveiliging in winkelgebieden en op bedrijventerreinen vormen freeriders een groot probleem. Vanuit economisch perspectief heeft collectieve beveiliging belangrijke kenmerken van een ‘publiek goed’ : uitsluiting van individuele bedrijven is niet geheel mogelijk, evenals het voor de bedrijven onmogelijk is om de diensten te weigeren. Wanneer het aanbod van ‘publieke/collectieve goederen’ aan de markt wordt overgelaten en deelname niet verplicht is, is freeridergedrag bijna een economische wetmatigheid. Collectieve beveiliging zonder deelnameverplichting is hiervan een goed voorbeeld. Freeriders hebben hun redenen om niet bij te dragen aan collectieve voorzieningen. Er zijn verschillende oorzaken en achtergronden voor freeridersgedrag. Freeriders geven vaak aan dat het aanbod niet goed aansluit op de vraag/behoeften van de onderneming, of de onderneming is van mening dat zij een te hoog aandeel in de kosten moet dragen. De eerste stap moet daarom ook zijn: het ontwikkelen van een aanbod dat optimaal past bij de vraag, met een zo rechtvaardig mogelijk (en breed gedragen) kostenverdeling. De achtergrond van de ondernemer en de achtergrond van het bedrijventerrein en of omgeving kan van grote invloed zijn om wel of niet bij te dragen aan initiatieven voor collectieve ondernemersbelangen. De ondernemer kan als huurder in een pand gevestigd zijn of zelf eigenaar van het pand zijn. Een vastgoedeigenaar heeft andere belangen dan een onderneming die voor korte tijd een pand huurt. Tevens heeft de economische conjunctuur ook een invloed op het freeriderspercentage. Daarnaast hebben vele winkelgebieden en bedrijventerreinen altijd te maken met een verloop van ondernemingen. Het begrip vrijwilligheid staat maatschappelijk gezien onder druk. Niet elke ondernemer voelt zich maatschappelijk verplicht bij te dragen aan collectieve belangen. Tevens zijn door de toenemende filialisering steeds minder ondernemers actief met een lokale binding, voor wie het vanzelfsprekend is om te investeren in hun bedrijfsomgeving. Om een beter beeld bij de freeridersproblematiek te verkrijgen worden de nadelen van freeridersgedrag belicht. Freeridersgedrag heeft als nadeel dat de onderlinge relaties in het gebied verslechteren en het draagvlak voor collectieve ondernemersbelangen afneemt. De collectieve initiatieven die wel tot stand zijn gekomen staan onder druk en vergen door het freeridersgedrag hogere kosten per deelnemer. Een belangrijk negatief effect van freeridersgedrag is dat maatregelen per deelnemer duurder zijn dan wanneer iedereen zou bijdragen. Een hogere organisatiegraad en deelname bij collectieve ondernemersbelangen verlaagt de gemiddelde kosten per gebruiker.

13

Collectiviteit in dit soort projecten verhoogt verhoudingsgewijs de resultaten en drukt de kosten. Dit zou een stimulans moeten zijn voor iedere onderneming. 2.2 Freeridersproblematiek in relatie tot beleidskader

Overheid en bedrijfsleven willen de criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven tegengaan.Echter kunnen overheid en bedrijfsleven door het bestaan van freeriders niet altijd de door hen gewenste resultaten bereiken. In de aanpak van de criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven blijkt dat freeriders een extra hindernis vormen. Het Actieplan Veilig Ondernemen 1 en 2 en het Keurmerk Veilig Ondernemen zijn een systematische aanpak van de criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven en vormen een belangrijk onderdeel van het beleidskader. Het is van belang dat diverse partijen (publiek en privaat) samenwerken. Het KVO is een instrument om met de diverse partijen samen te werken, daardoor is het een instrument om freeridersgedrag tegen te gaan. 2.2.1 Actieplan Veilig Ondernemen1 en 2

In januari 2004 vond de ondertekening plaats van het Actieplan Veilig Ondernemen 1 (opgesteld door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing). Hiermee startte een systematische aanpak van de criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven en de overheid willen samen de criminaliteit tegen het bedrijfsleven terugdringen met minimaal 20% in 2008. Om dit te bereiken hebben VNO-NCW, MKBNederland, het Verbond van Verzekeraars, en de ministeries van Justitie, Economische Zaken en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Actieplan Veilig Ondernemen ondertekent. Met dit doel wordt aansluiting gezocht bij het Integraal Veiligheidsprogramma “Naar een veiliger samenleving” en het Beleidsplan Nederlandse Politie en de daaruit voortvloeiende afspraken met de Politie, het OM en de grote steden. Dit doel impliceert tevens de intentie om al in 2006 een reductie van de criminaliteit met 10% te hebben bereikt. Overheid en bedrijfsleven werken samen aan een veiliger Nederland. Criminaliteit is slecht voor de ondernemers, slecht voor de economie en slecht voor de samenleving. Een veilig ondernemingsklimaat leidt tot minder schade in de samenleving, minder verpaupering, sterkere sociale samenhang, meer ondernemerschap en meer banen. De realisatie van het doel is afhankelijk van de actieve betrokkenheid, het verantwoordelijkheidsgevoel en bovenal de concrete inzet van alle betrokken partijen (bedrijven, Kamers van Koophandel, gemeenten, politie, regionale platforms criminaliteitsbeheersing) op het lokale en regionale niveau. Daar wordt de problematiek immers het duidelijkst ervaren en daar vindt de ontwikkeling en invoering van maatwerk-oplossingen plaats. Door samen te werken kan het effect van de afzonderlijke inspanningen worden vergroot. Van groot belang daarbij is dat de afspraken ook op regionaal en lokaal niveau worden opgepakt. Een goede samenwerking tussen politie, ondernemers, Kamers van Koophandel en gemeenten is onmisbaar. Vooral de Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing (RPC’s), met daarin de meest betrokken regionale partijen, zullen bij de uitvoering van dit actieplan een belangrijke rol spelen, met name bij de implementatie van het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan (KVU). Overheid en bedrijfsleven streven dan ook via het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing naar een landelijke dekking van de RPC’s per 2006. Het Actieplan Veilig Ondernemen 1 en 22 zijn belangrijke input voor het RPC en krijgt mede vorm door de uitvoering van het Keurmerk Veilig Ondernemen. 2.2.2 Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO)

De freeridersproblematiek heeft voor meer actoren nadelige effecten. De diverse actoren kunnen als partners instrumenten ontwikkelen. Overheid en bedrijfsleven spannen zich in voor het breed invoeren van het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO). Het KVO is een instrument om partijen samen te laten werken aan een veilig ondernemersklimaat. Er bestaan twee verschillende keurmerken KVO. Het KVO-winkelcentra en-gebieden en het KVO-bedrijventerreinen. Het KVO is een instrument om effectief tegen bijvoorbeeld diefstal, inbraak en vernielingen op te treden. Het Ministerie van BZK is projectleider van het project Keurmerk Veilig Ondernemen. Het KVO beoogt allereerst de totstandkoming van een krachtig lokaal samenwerkingsverband tussen publieke en private partijen. De betrokken partijen zoals ondernemers/winkeliersverenigingen, gemeente en politie stellen vervolgens met
2

Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. (2004). Actieplan Veilig Ondernemen 1. Den Haag januari 2004. Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. (2005). Actieplan Veilig Ondernemen 2. Den Haag mei 2005.

14

behulp van een risicobeoordelingssysteem een actieplan op met daarin vrijwillige maar niet vrijblijvende doelen en inspanningsverplichtingen. Als deze zijn behaald, wordt het KVO-certificaat (voor bedrijventerreinen) of de Keurmerkster (voor winkelgebieden) uitgereikt. Ter ondersteuning zijn twee handboeken beschikbaar: het KVO voor winkelgebieden en het KVO voor bedrijventerreinen. Er zijn handboeken ontwikkeld voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw. Collectieve uitgaven moeten ook collectief worden opgebracht door een lokaal samenwerkingsverband. Freeriders vormen hierbij een probleem. Het KVO is een instrument om met de diverse partijen samen te werken, daardoor is het een instrument om freeridersgedrag tegen te gaan. Het KVO kan bijdragen aan een verbetering van de situatie omdat het KVO de volgende voordelen heeft: • een verbeterd ondernemingsklimaat • een vergroting van de veiligheid in het gebied • maatwerk voor iedere locatie • verlaging servicekosten door collectieve inkoop, schoonmaak en surveillance • minder schade en inkomstenderving • reductie van verzekeringspremies • subsidiemogelijkheden. 2.3 Freeridersproblematiek in relatie tot actoren

D e freeridersproblematiek heeft voor veel actoren negatieve gevolgen. Veel van onderstaande genoemde actoren proberen (zelfstandig of in samenwerking met andere actoren) tot een oplossing voor de freeridersproblematiek te komen. Het is van belang om te weten welke instanties op welke wijze een bijdrage leveren aan de oplossing van het freeridersprobleem. Onderstaand zullen de diverse actoren worden beschreven. 2.3.1 Individuele ondernemers

Individuele ondernemers die mee betalen aan collectieve ondernemersvoorzieningen worden ernstig benadeeld door freeriders. Door freeriders worden de kosten voor wel betalende ondernemers onrechtvaardig hoger. Ondernemers vinden het maatschappelijk en sociaal niet verantwoord dat freeriders profiteren van maatregelen die door ondernemers collectief zijn opgebracht. Echter kunnen ondernemers hun collega’s niet verplichten tot deelname. Op bedrijventerreinen en winkelcentrumgebieden met een hoog percentage freeriders kloppen verenigde ondernemers dan ook bij diverse overkoepelende organen en diverse instanties aan met de vraag of hier een oplossing voor te creëren is. 2.3.2 Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC)

De ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrela ties en Economische Zaken zien veel nut in het investeren in publiekprivate samenwerking c.q. netwerken ter bevordering van de samenwerking op het gebied van criminaliteitsbeheersing. Voor een effectieve preventieve en repressieve bestrijding van de tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit is nauwe samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven vereist. Het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) is een in 1992 opgericht samenwerkingsverband tussen overheid en bedrijfsleven. Het NPC focust zich op het aanpakken van criminaliteit gericht tegen het bedrijfsleven. Een landelijk dekkend netwerk waarvan de regio Oost Brabant deel uitmaakt, is hiervoor een stap in de goede richting. Het NPC is samengesteld uit een ongeveer gelijk aantal vertegenwoordigers van overheid en bedrijfsleven. De Minister van Justitie is voorzitter van het platform, de voorzitter van de VNO-NCW is de vice-voorzitter. Alle relevante departementen zijn in het platform vertegenwoordigd, en natuurlijk ook de politie, het openbaar ministerie en de gemeenten. Namens het bedrijfsleven maken organisaties van werkgevers en werknemers deel uit van het platform en is een groot aantal branches vertegenwoordigd. In navolging van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing is in de regio Oost Brabant een Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing opgericht. 2.3.3 Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Oost-Brabant In het kader van het Integraal Veiligheidsbeleid werken publieke en private partners sinds enkele jaren steeds vaker op lokaal niveau samen aan veiligheidsvraagstukken. Deze maatschappelijke ontwikkeling krijgt steeds

15

meer een nadrukkelijke rol in het politieke, bestuurlijke, commerciële en politioneel debat. Daarom heeft de beheersdriehoek van Politie Brabant Zuidoost op 19 december 2003 besloten het Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing, afgekort RPC, op te richten3 . Inmiddels is ervoor gekozen voor de gehele regio Oost Brabant één Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing op te richten omdat het RPC partners aan tafel brengt om de criminaliteitsproblematiek concreet aan te pakken. Een uitbreiding van het aantal RPC’s brengt een betere aansluiting met het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) tot stand. Tevens zijn de partners ervan overtuigd dat het RPC lokale samenwerkingsverbanden op het gebied van veiligheid stimuleert. Tevens levert het RPC een bijdrage aan de uitvoering van bepaalde actiepunten uit het Integraal Veiligheid Programma. De activiteiten van het RPC zijn gericht op het terugdringen van de criminaliteit waarvan het bedrijfsleven slachtoffer wordt. Het gaat om de aanpak in de bedr ijven en de bedrijfsomgeving (bedrijventerreinen en winkelgebieden). Het RPC doet dit door het ondersteunen van overheid en bedrijfsleven bij het streven naar een veiliger samenleving. Dit gebeurt door het geven van voorlichting, het aanbieden van expertise en het adviseren, ondersteunen en faciliteren bij het opzetten en financieren, implementeren en uitvoeren van veiligheidsprojecten. Vanuit de private sector worden vragen, eisen en wensen kenbaar gemaakt. Deze zijn veelal de insteek voor onderzoeken, pr ojectplannen, overlegvormen en samenwerkingsverbanden. Noodzaak voor succesvolle realisatie van deze plannen, overlegvormen en samenwerkingsverbanden zijn dan ook een integrale benadering waar diverse partijen in een ketenaanpak verscheidene veiligheidsaspecten beter kunnen gaan beheersen. Dit wil het RPC bereiken door een projectmatige aanpak op lokaal niveau, waarbij de publieke en de private partijen gezamenlijk optrekken. Het RPC is een duidelijk voorbeeld van krachtenbundeling. Het RPC coördineert en stimuleert publiekprivate samenwerkingsverbanden. Voor een completer beeld van de organisatiestructuur en doelstellingen zie bijlage 1 Organisatiestructuur en doelstellingen Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Oost-Brabant. Vanuit de visie van integrale veiligheidszorg wordt bij de opzet van deze projecten steeds gezocht naar partners om mee samen te werken. Collectiviteit is dus het sleutelwoord voor het slagen van een project. Ondernemers, gemeenten en politie nemen samen maatregelen om veilighei sproblemen aan te pakken. Door het ontwikkelen d van publiekprivate samenwerking (PPS) dat gericht is op voorkoming van criminaliteit wordt een stevige vuist gemaakt. Publieke noch private partijen kunnen op eigen kracht het gewenste niveau van veiligheid bereiken, niet in het private, niet in het publieke domein. Dat betekent dat samenwerking tussen publieke en private partijen noodzakelijk is. Het gaat met name om het kunnen creëren van maximale participatie en betrokkenheid van de ondernemers bij beveilig ing op bedrijventerreinen of winkelgebieden. De Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing (RPC’s) zouden hier mogelijk een meer beïnvloedende functie kunnen hebben. RPC´s kunnen functioneren als een loket voor ondernemersverenigingen bijvoorbeeld voor het aangeven van samenwerkingskansen, subsidiemogelijkheden en voor het stimuleren van projecten als Keurmerk Veilig Ondernemen. Bekendheid geven aan de positieve resultaten van publiekprivate samenwerking kan freeriders doen besluiten deel te nemen aan collectieve ondernemersbelangen. Om freeriders te bewegen tot deelname aan collectieve ondernemersbelangen zijn netwerken en sociale contacten uitstekend te benutten. Het verdient aanbeveling ondernemers via overkoepelende organisaties en instanties te informeren, adviseren en te overtuigen van het belang van collectieve samenwerkingsverbanden als collectieve beveiliging. Zorg ervoor dat betrokkenen worden geïnformeerd over de wettelijke mogelijkheden en procedurele aanpak van freeriders. Het RPC Oost-Brabant dient hier een belangrijke bijdrage aan te leveren. 2.3.4 Kamer van Koophandel (KvK)

De Kamer van Koophandel heeft drie hoofdtaken namelijk Regiostimulering, Wetsuitvoering en Voorlichting. De sector Regiostimulering zet zich actief in voor een voorspoedige economische ontwikkeling van de regio Oost-Brabant. Tevens geeft de KvK beleidsadvisering aan de overheid vanuit de belangen van bestaande en toekomstige bedrijven. Het gaat dan met name om gemeenten en provincie. Daarnaast is zij actief deelnemer in
3

RPC Zuidoost Brabant. (2004). Ondernemingsplan Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Zuidoost Brabant. Eindhoven november 2004.

16

samenwerkingsverbanden met als doel economische ontwikkelingen te stimuleren. Het RPC Oost Brabant vloeit voort uit deze overwegingen. De overheid en het bedrijfsleven hebben elk hun eigen verantwoordelijkheid voor het tegengaan van de criminaliteit. Er is nauwe samenwerking vereist tussen de overheid en het bedrijfsleven voor een effectieve preventieve en repressieve bestrijding van tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit. 2.3.5 Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV)

Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid is een initiatief van de ministeries van Justitie en BZK, het Verbond van Verzekeraars, werkgeversorganisatie VNO-NCW, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Raad van Hoofdcommissarissen. Het Centrum richt zich op organisaties die actief zijn op het gebied van criminaliteitspreventie en veiligheid. Verder werkt zij nauw samen met organisaties zoals Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing en de Kamers van Koophandel. Freeridersproblematiek op bedrijventerreinen en winkelcentra heeft dan ook de aandacht van het CCV. Andere belangrijke partners voor het Centrum zijn lokale, regionale en nationale overheden, bijvoorbeeld gemeenten en politie, publiekpublieke en publiekprivate samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld rond Keurmerk Veilig Ondernemen en koepel en brancheorganisaties uit het bedrijfsleven, bijvoorbeeld Horeca Nederland en Platform Detailhandel. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid stimuleert en ondersteunt private en publieke partners bij de realisatie van criminaliteitspreventie en veiligheid. Hoofddoel hierbij is om een krachtige impuls te geven om samenwerking tussen partners te vergroten. Het bevorderen van de toepassing van bewezen effectieve preventieve maatregelen en instrumenten in de Nederlandse samenleving is een ander hoofddoel. Op het gebied van criminaliteitspreventie en veiligheid heeft het Centrum de volgende taken: informatievergaring, -verrijking en -deling, signalering van trends, ontwikkelingen, knelpunten in de praktijk, ondersteuning en facilitering van bestaande netwerken, ontwikkeling van instrumenten en bewaking van de kwaliteit daarvan. Tevens houdt het CCV zich o.a. bezig met Advisering over en stimulering van het Keurmerk Veilig Ondernemen, Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan, Veiligheidseffectrapportage, toepassing van lokaal veiligheidsbeleid, urgente aanpak etc. 2.3.6 Gemeenten

Voor gemeenten is het van belang het economisch functioneren van de gemeenten op peil te houden of te verbeteren. Zo is er in veel grote stedelijke gemeenten een vorm van centrummanagement. Gemeenten zijn gebaat bij een sterk binnenstadsmanagement/centrummanagement. Tevens zijn er de Stichtingen Beveiliging Bedrijventerreinen en ondernemersverenigingen die binnen de gemeentegrenzen actief zijn. Zo werken gemeente in samenwerking met ondernemersverenigingen, politie en brandweer bijvoorbeeld aan het invoeren van het Keurmerk Veilig Ondernemen. In een aantal gemeenten worden de gemeentelijke belastingen gebruikt voor financiering van collectieve ondernemersbelangen. Op diverse wijze kan een gemeente deelname aan een samenwerkingsverband verplichten. Het freeridersprobleem kan echter niet helemaal worden opgelost. Vrijwel elke gemeente wordt geconfronteerd met freeridersproblematiek. De noodzaak tot het oplossen van de freeridersproblematiek is door vele gemeenten bij het VNG aangekaart. 2.3.7 Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG) is verantwoordelijk voor de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden. De Tweede Kamer, Kabinet en ministeries en maatschappelijke organisaties zijn belangrijke gesprekspartners. Management en medewerkers van de VNG overleggen regelmatig met besluitvoorbereiders van departementen en provincies. Zo vindt in een vroeg stadium beïnvloeding, in voor gemeenten gunstige zin, van wet- en regelgeving plaats. Deze belangenbehartiging zet zich voort in het gehele proces van besluitvorming bij de rijksoverheid en provincies. De VNG initieert bestuurlijk overleg waarbij een delegatie van VNG-bestuurders en directieleden onderhandelt namens de gemeenten met ministers en staatssecretarissen. De VNG-belangenbehartiging richt zich ook op Tweede en Eerste Kamer en belangrijke maatschappelijke organisaties. Tevens is de VNG verantwoordelijk voor de dienstverlening van alle gemeenten. De dienstverlening bestaat uit advisering aan alle leden over actuele ontwikkelingen (pro-actief) en advisering aan individuele leden (op verzoek). Daarnaast fungeren zij als platform. De platformfunctie wordt uitgeoefend via de VNG-commissies, Provinciale Afdelingen, congressen, studiedagen en ledenraadplegingen.

17

2.3.8

Provincie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant onderschrijft het belang van een goed ondernemersklimaat. Een onderdeel daarvan is veiligheid. De provincie faciliteert en stimuleert dan ook initiatieven om deze veiligheid te waarborgen. Momenteel besteedt men veel aandacht en middelen aan de inrichting, veiligheid en herstructurering van bedrijventerreinen en winkelcentra. Uitwisseling van ervaringen tussen de verschillende Brabantse regio’s´s is waardevol. Tevens wordt het belang van de RPC’s door de Provincie Noord-Brabant onderkend. 2.3.9 Vereniging VNO-NCW

VNO-NCW Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) is de grootste ondernemingsorganisatie van Nederland. VNO-NCW behartigt zowel op regionaal, nationaal als op internationaal niveau de gemeenschappelijke belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. Het gaat om onderwerpen als belastingwetgeving, infrastructuur, arbeidswetgeving en gezondheidszorg. Daarnaast verleent VNO-NCW verschillende diensten aan haar leden. De bij VNO-NCW aangesloten bedrijven en (bedrijfstak)organisaties vertegenwoordigen een groot deel van de werkgelegenheid in de Nederlandse marktsector. Het VNO-NCW zet zich in voor het in stand houden en verder verbeteren van een gunstig sociaal-economisch klimaat voor Nederlandse ondernemingen. Freeriders dragen niet bij aan de verbetering van het ondernemersklimaat. Op deze wijze is het VNO-NCW als actor betrokken bij de freeridersproblematiek. In een gunstig sociaal-economisch klimaat kunnen ondernemingen optimaal bijdragen aan de groei van welvaart en werkgelegenheid. 2.3.10 De Koninklijke Vereniging Midden- en Klein Bedrijf-Nederland (MKB) MKB-Nederland is een organisatie van ondernemers die per branche of per regionale/lokale vereniging zijn aangesloten en die met de overheid overlegt, onderhandelt en samenwerkt teneinde wetgeving en regels zo gunstig mogelijk af te stemmen op de wensen en belangen van het midden- en kleinbedrijf. Bij MKBNederland zijn 135 brancheorganisaties en 250 regionale en lokale ondernemersverenigingen aangesloten, die gezamenlijk ruim 186.000 ondernemers en instellingen vertegenwoordigen. MKB-Nederland werkt aan een ondernemersvriendelijk klimaat door op alle niveaus contacten te onderhouden. De regionale organisatie is een belangrijke gesprekspartner op lokaal en regionaal terrein. Daarnaast heeft het MKB toegang tot de belangrijkste regionale spelers op beleidsthema's zoals Veiligheid en Ruimte. Het MKB vindt een veilig ondernemersklimaat erg belangrijk. Het MKB stimuleert collectieve samenwerkingsverbanden om het ondernemersklimaat te verbeteren. Vanuit de achterban is het freeridersprobleem als een van de belangrijkste ergernissen genoemd. Als belangenbehartiger van het midden en klein bedrijf heeft het MKB een project ‘Aanpak Freeriders’ in het leven geroepen, om zodoende de problematiek te beheersen, te beperken of op te lossen. Het MKB-Nederland is projectleider van het project. Als we over freeriders spreken hebben we het vaak over de ondernemingen die niet (actief) deelnemen aan collectieve initiatieven. Echter ook gemeenten/politie en andere actoren kunnen, als zij niet participeren als freerider worden aangemerkt. Er zal door diverse partijen goed moeten worden samengewerkt om gemotiveerd te blijven. 2.3.11 Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) is in 1956 ingesteld als een publiekrechtelijk samenwerkingsverband van ondernemers- en werknemersorganisaties in de detailhandel. Het HBD vervult een functie als kenniscentrum. Als kenniscentrum maakt het HBD maatschappelijke ontwikkelingen en overheidsbeleid helder en hanteerbaar en stimuleert de professionaliteit in de detailhandel. Het HBD draagt zorg voor de opbouw en het onderhoud van een gemeenschappelijke kennisinfrastructuur voor de detailhandel. Voor een aantal branches onderneemt het HBD, op verzoek van de ondernemers en de werknemers uit de betreffende branches, extra activiteiten. Over het algemeen zijn deze activiteiten gericht op de versterking van de marktpositie van de branche zoals specifiek onderzoek, professionaliseringsprojecten of imagoversterkende campagnes. Zo werkt het HBD samen met ondernemingen, gemeenten en politie aan het invoeren van het Keurmerk Veilig Ondernemen. Ook het HBD merkt dat freeridersgedrag veel negatieve effecten heeft op het ondernemersklimaat.

18

2.3.12 Vereniging Collectieve Beveiliging Bedrijventerreinen (VCBB) De Vereniging Collectieve Beveiliging Bedrijventerreinen (VCBB) is in 1997 opgericht. De VCBB stelt zich ten doel de belangen van de aangesloten stichtingen in overleg met overheden en verzekeraars te behartigen. Tevens ondersteunt en begeleidt het VCBB de afzonderlijke stichtingen (SBB's) bij het opzetten en instandhouden van een adequaat beveiligingsplan. De doelstellingen van het VCBB zijn o.a. de samenwerking met publieke partijen (gemeente, brandweer, politie) te verbeteren. Het verlenen van hulp bij certificering, het opstellen en indienen van subsidieaanvragen. Tevens heeft het VCBB een adviserende functie bij het werven van nieuwe deelnemers en het bestrijden van meelifters. De commissie Kennisuitwisseling & Technologie fungeert binnen de VCBB als het kenniscentrum. Daar vinden SBB's alle informatie over de opstart van een collectief beveiligingsprogramma, daar leer je hoe je beveiligers selecteert en welke contracten je sluit, hoe je meelifters aanpakt, welke rechtsvorm te verkiezen is en hoe de geldstroom binnen een SBB op gang kan komen. Ook het VCBB werkt nauw samen met de Stuurgroep KVO bij de ontwikkeling en uitvoering van het gecertificeerd Keurmerk Veilig Ondernemen. Het VCBB wordt gefinancierd uit lidmaatschappen van Stichtingen Beveiliging Bedrijventerreinen zoa ls SBBDordrecht, SBBBreda etc. Daarnaast ontvang men een bijdrage van elk e onderneming die lid is van een SBB. 2.3.13 Stichtingen Beveiliging Bedrijventerreinen (SBB) Een van de vele voorbeelden is de Stichting Beveiliging Bedrijventerreinen Dordrecht. De SBBD is een Publiek Private Samenwerking en is ontstaan op initiatief van de Dordrechtse Ondernemersvereniging, gemeente, politie en Kamer van Koophandel. Het doel van deze stichting is om de criminaliteit op de bedrijventerreinen tegen te gaan. Dit wordt gerealiseerd door fysieke middelen zoals hekken, slagbomen, camera´s en veelal door een permanente surveillance van het gebied. De stichting streeft er naar om samen met de partners de kwaliteit van de terreinen hoog te houden en heeft daar bindende afspraken over gemaakt. Het verkregen certificaat Keurmerk Veilig Ondernemen is daar een belangrijk onderdeel van. Dergelijke stichtingen bestaan ook in Oost-Brabant o.a. in Son, Eindhoven, Veghel, Uden en ’s-Hertogenbosch. 2.3.14 Vereniging Bedrijvenparken Nederland (VB N) De Vereniging Bedrijvenparken Nederland is een recent initiatief. VBN biedt een platform aan bedrijven, overheden, ondernemingsverenigingen, intermediairs en leveranciers voor uitwisseling van kennis en expertise bij de ontwikkeling, de exploitatie en het beheer van bedrijvenparken in Nederland. De vereniging zal vanuit een onafhankelijke positie een bijdrage leveren aan de kwaliteit, de kwantiteit en de economische duurzaamheid van bedrijventerreinen in Nederland. Ook op het gebied van de freeridersproblematiek zal het VBN haar aandacht vestigen. 2.3.15 Platform Binnenstadsmanagement Het Platform Binnenstadsmanagement is een netwerk van steden in Nederland en Vlaanderen, gericht op het bevorderen van het centrummanagement of binnenstadsmanagement en het uitwisselen van informatie en ervaringen tussen de aangesloten steden. Samenwerking tussen de verschillende binnenstadspartijen wordt als onontbeerlijk gezien. Uiteindelijk zal binnenstadsmanagement moeten leiden tot stijgende omzetten bij ondernemers, waardestijging van onroerend goed en tevreden klanten. Ervaringen in het land laten zien dat, mits professioneel aangepakt, de betrokken partijen de meerwaarde van binnenstadsmanagement ook daadwerkelijk ondervinden. De overtuiging heerst dat de binnenstadspartijen elkaar nodig hebben en dat samenwerking via binnenstadsmanagement tot succes leidt.

19

3.

Inventarisatie van mogelijkheden in winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen.

relatie

met

freeridersproblematiek

op

Inleiding In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvragen: 6. Op welke wijze kan publiekprivate samenwerking bijdragen aan het oplossen van freeridersproblematiek 7. Op welke wijze dragen parkmanagement en centrummanagement bij aan een oplossing voor de freeridersproblematiek? 8. Op welke wijze kunnen parkmanagement en centrummanagement worden geïmplementeerd? 9. Op welke wijze worden parkmanagement en centrummanagement georganiseerd? 10. Welke mogelijkheden zijn er om de freeridersproblematiek aan te pakken op nieuwe en bestaande winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen? In dit hoofdstuk wordt beschreven waarom publiekprivate samenwerking van belang is voor een effectieve preventieve en repressieve bestijding van de tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit. Tevens wordt beschreven welke relatie parkmanagement en centrummanagement hebben met freeridersproblematiek. Er wordt aandacht besteedt aan de implementatie van zowel parkmanagement als binnenstadsmanagement. Daarnaast wordt aandacht besteedt aan de wijze waarop centrummanagement en parkmanagement zijn georganiseerd; namelijk de vereniging of stichting of coöperatie. Het oprichten van een vereniging, stichting of coöperatie kan freeridersgedrag tegengaan of zelfs opheffen. Daarnaast worden de mogelijkheden op zowel bestaande als nieuwe winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen beschreven. PubliekPrivate Samenwerking Op bedrijventerreinen en winkelcentragebieden zijn vormen van PubliekPrivate Samenwerking (PPS) zoals het keurmerk Veilig Ondernemen een veel voor komend verschijnsel. Voor een effectieve preventieve en repressieve bestrijding van de tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit is nauwe samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven vereist. Door publiekprivate samenwerking ontstaan nieuwe betrekkingen tussen de publieke en de private sector. Met publiekprivate samenwerking wordt een vorm van samenwerking tussen overheid (publiek) en bedrijfsleven (privaat) bedoeld. Door het hanteren van een PPS-constructie kan er meerwaarde en een grotere efficiëntie bereikt worden door beide partijen. Een PPS-constructie heeft veelal als doel om infrastructuur te financieren, te bouwen, te renoveren, te beheren of te onderhouden en anderzijds om diensten te verlenen. Publiekprivate samenwerking is te vinden op terreinen als veiligheid, vervoer, afvalbeheer en water- en energiedistributie, volksgezondheid, en onderwijs. Het verdient aanbeveling de publiek/private samenwerking te stimuleren omdat publieke en private partijen beiden belang hebben bij een goed onderneme rsklimaat. 3.1 Parkmanagement

Parkmanagement is een middel om samenwerking te organiseren teneinde de kwaliteit van een locatie af te stemmen op de wensen van de betrokken bedrijven, ontwikkelaars en overheden in termen van uitstraling, diensten en ondernemersklimaat. Parkmanagement is tevens een middel om de kwaliteit op lange termijn te continueren, door blijvend gezamenlijk te werken aan vernieuwing, verbetering, kostenbeheersing en ondernemersgemak. Parkmanagement beoogt efficiënter (kosten) en effectiever (kwaliteit) te werken in vergelijking tot elke ondernemer individueel. De kern van parkmanagement is dat ondernemers zich collectief gaan organiseren. Om een structurele opzet van parkmanagement te garanderen wordt vaak een vereniging of stichting opgericht zoals de Stichting Parkmanagement Ekkersrijt. In een stichting parkmanagement hebben bedrijven direct invloed op het beheer en de exploitatie en kan het management doelmatiger, flexibeler en efficiënter worden uitgevoerd. Door het collectief inkopen van diensten kunnen aanzienlijke kostenbesparingen worden bereikt. De doelstelling is het creëren van een ondernemersklimaat waarbij ondernemers zich kunnen richten op hun kernactiviteiten en toch gebruik kunnen maken van kwalitatief hoogwaardige diensten tegen zeer concurrerende prijzen. Hierdoor zal het bedrijventerrein een onderscheidend karakter krijgen, waar ondernemers zich graag willen vestigen.

20

Parkmanagement draagt zorg voor de initiatie, implementatie en uitvoering van parkmanagement op zowel nieuw te ontwikkelen terreinen als op bestaande terreinen die gerevitaliseerd worden. Parkmanagement is niet enkel voorbehouden aan hoogwaardige en nieuwe (kantoren)terreinen. Elk type terrein kan door samenwerking via parkmanagement aan kwaliteit winnen. Parkmanagement streeft geen (per definitie) hoge kwaliteit na, maar de gewenste kwaliteit. Het wensbeeld wordt door de samenwerkende partijen bepaald. Parkmanagement kan maatwerk leveren voor iedere locatie. Parkmanagement is een bekend verschijnsel en wordt beschouwd als een beproefde werkwijze. Parkmanagement leidt veelal tot een verbetering van de objectieve en subjectieve veiligheid. Tevens zorgt parkmanagement door haar integrale werkwijze tot meer samenhang in maatregelen. 3.2 Implementeren parkmanagement

De meest logische en kansrijke start om parkmanagement te implementeren lijkt het vormen van inkoopcombinaties, bijvoorbeeld op het gebied van afvalinzameling, energie -inkoop en kantoorbenodigdheden. Het zijn ‘contractdiensten’ waar geen vaste kosten aan zijn verbonden (kosten naar rato van gebruik, geen fysieke investeringen nodig). Er is geen vereiste voor een minimum aantal deelnemers. De aanbieder (afvalinzamelaar etc.) kan zelf worden ingezet om andere ondernemers (zijn klanten!) erbij te betrekken. Hoe meer ondernemers meedoen, hoe lager de kosten. Het verdient de aanbeveling klein te beginnen, indien succesvol kunnen de activiteiten worden uitgebreid. Ook diensten als beveiliging worden veelal genoemd in bijvoorbeeld ondernemersenquêtes. Dit gaat echter een stap verder qua organisatie: deze diensten worden pas mogelijk bij een minimum aantal deelnemers en hebben vaste kosten die gezamenlijk opgebracht moeten worden. De ondernemers zullen moeten bewijzen dat zij voldoende organisatiekracht in zich hebben om deze wensen van de grond te krijgen. Het project moet natuurlijk wel voldoende draagvlak hebben. Een krachtig draagvlak waarborgt de continuïteit. De kwaliteit in de exploitatie is erg belangrijk. Doordat publieke en private partijen beiden belang hebben bij een goed ondernemersklimaat is een PPS-constructie aan te bevelen. Het wordt hierdoor gekoppeld aan diverse instanties en heeft een integraal karakter. Belangrijk hierbij is dat de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen goed worden gedefinieerd. Het is van belang dat de ontwikkelingen goed worden gevolgd. Er dient een goede evaluatie te zijn van de ontwikkelingen in de samenwerking om zodoende hierin verbetering aan te brengen. 3.3 Binnenstadsmanagement/ Centrummanagement

Binnenstadsmanagement/Centrummanagement is een structureel samenwerkingsverband van publieke en private partijen in een binnenstad, dat als doel heeft de kwaliteit, aantrekkingskracht en daarmee het economisch functioneren van een binnenstad te beheren, verbeteren en versterken. Deze samenwerking vindt plaats op basis van gelijkwaardigheid, met een gezamenlijke inzet van middelen. In veel grote stedelijke gemeenten is er een vorm van binnenstadsmanagement/centrummanagement. Veelal zijn ze georganiseerd in een stichting (47%), zoals stichting centrummanagement Heerlen en Leiden anderzijds door een convenant (23%) en door regulier overleg (30%). In de beginfase zie je vaak dat gemeenten fors subsidiëren om het proces in gang te zetten. Centrummanagement wordt veelal geïnitieerd door gemeente en in meer of mindere mate in stand gehouden door subsidieverlening. Een voorbeeld hiervan is de gemeente Heerlen. Zo werd in Heerlen in 2003 door de gemeente een bijdrage van 50% in de kosten van de Stichting Centrummanagement Heerlen-centrum gegeven, zijnde € 56.722,27. De ondernemers droegen 25% van de begroting door een directe bijdrage, zijnde € 28.361,26. Eveneens werd 25% indirect door de ondernemers opgebracht door een verhoging van het precariorecht, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan het centrummanagement. Om de freeriders te verplichten bij te dragen werd voor het verhogen van het precariorecht gekozen. Dit werd vervolgens doorgegeven naar de Stichting Centrummanagement, zodat de financiering door de private partijen in totaal op 50% van de begroting uit zou komen. Het Stichtingsbestuur beschikt daarmee over een jaarbudget van € 113.444,00. De inkomsten van het CM Heerlen blijven gebaseerd op de verdeelsleutel 50% gemeente, 50% bedrijfsleven. Een ander voorbeeld is het Centrum Management Leiden (CML). Het Centrum Management Leiden (CML) probeert samenwerking van alle partijen in de binnenstad te bevorderen. Zij doet dit concreet door een netwerk op te bouwen van betrokken partijen en stelt zich daarbij ten doel het economisch functioneren van de binnenstad te stimuleren en te verbeteren. Het stichtingsbestuur heeft daartoe een centrummanager aangesteld.

21

De centrummanager heeft een stimulerende, initiërende en coördinerende functie. Ook in Uden, Veghel, Oss en Helmond zijn er actieve centrummanagers. Veelal heeft centrummanagement te maken met freeridersproblematiek. Zo profiteren freeriders van de inspanningen die anderen hebben opgebracht, denk aan kerstverlichting of sinterklaasintocht, promotie etc. 3.4 Implementeren binnenstadsmanagement/ce ntrummanagement

Het uitgangspunt bij binnenstadsmanagement moet altijd professionaliteit zijn. Hoewel het altijd gaat om maatwerk, kunnen we zes kenmerken centraal stellen die van belang zijn bij een professionele aanpak en implementatie van binnenstadsmanagement. 1. Gelijkwaardig samenwerken. Aan de basis van alle activiteiten staat de samenwerking tussen de partners op basis van gelijkwaardigheid. Deze samenwerking is niet vrijblijvend: het betekent afspraken maken en ze ook nakomen. Vaak moet het vertrouwen, en daarmee de samenwerking, groeien. 2. Onafhankelijke organisatie. Bij binnenstadsmanagement kan het nooit gaan om belangenbehartiging. Dit is voorbehouden aan de afzonderlijke belangenorganisaties. Het gaat om een onafhankelijke organisatie die tussen en boven de partners staat en werkt op basis van consensus. 3. Structurele aanpak. Het gaat om een procesaanpak die zich richt op de middellange of lange termijn. 4. Integraal werken. De binnenstad wordt integraal benaderd, waarbij alle facetten van de binnenstad in hun onderlinge samenhang worden aangepakt. 5. Beleid en uitvoering. In binnenstadsmanagement zijn beleid en uitvoering onlosmakelijk met elkaar verbonden. 6. Economisch functioneren en leefbaarheid. Binnenstadsmanagement richt zich op de aantrekkingskracht van de binnenstad. De primaire insteek is hierbij in veel gevallen het versterken van het economisch functioneren. Na enkele jaren treedt vaak een verschuiving op en worden ook leefbaarheidaspecten steeds meer meegenomen. Een goede balans is cruciaal. Daarbij dient de organisatie tevens daadkrachtig en werkbaar te blijven. Het verdient aanbeveling dat de gemeente en bedrijven een werkgroep parkmanagement en centrummanagement oprichten. Deze werkgroepen moeten gaan bekijken welke mogelijkheden er voor parkmanagement en of centrummanagement zijn op bestaande en nieuwe gebieden en hoe deze te benutten. 3.5 Mogelijkheden nieuwe winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen

Bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein of winkelgebied kan het freeriderprobleem zo goed als geheel worden uitgebannen. Op nieuwe bedrijventerreinen en winkelcentrumgebieden ligt er de kans om vanaf het eerste begin een en ander collectief te regelen. Zo kan op alle toekomstig te ontwikkelen bedrijventerreinen en winkelcentrumgebie den in de vestigingsvoorwaarden van een bedrijf een verplichte deelname worden opgenomen. De afname van collectieve diensten kan juridisch worden verplicht middels overeenkomsten bij transacties (grondcontracten, verkoopcontracten of pachtcontracten) waar de vestigingsvoorwaarden onderdeel van uitmaken. De originele verkoper van de grond (veelal de gemeente) kan op deze wijze deelname aan een samenwerkingsverband verplichten. Door middel van een kettingbeding kan de verplichting op volgende eigenaren worden opgelegd. Op nieuwe bedrijventerreinen wordt inmiddels vrijwel zonder uitzondering een verplichte vorm van parkmanagement ingevoerd. Daarmee wordt meteen een compleet opgetuigde organisatie neergelegd met regels voor samenwerking, juridisch kader, financiële huishouding en dienstenpakket. Hierdoor kan nagenoeg 100% deelname worden gegarandeerd Het dienstenpakket kan o.a. bestaan uit collectieve beveiliging. De bedrijven/winkeliers zijn ‘gebruiker’ van collectieve beveiliging. Zij zijn eigenaar of huurder van het bedrijfspand in het gebied. Verplichtingen worden aan eigenaren opgelegd. Wanneer zij verhuren, berekenen zij extra kosten voor collectieve diensten door aan de huurder. Nieuwbouwwinkelcentra kennen een beheerstructuur waarbij in het huurcontract de verplichting is opgenomen een bijdrage te betalen voor beheer en promotie. Alle winkeliers in een dergelijk centrum dragen op deze wijze bij aan een vorm van collectieve belangenbehartiging. Dit is bijvoorbeeld gerealiseerd in City Centre Veldhoven.

22

3.6

Mogelijkheden bestaande winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen

Op bestaande locaties waar alle panden in eigendom zijn bij één eigenaar kan de eigenaar nieuwe huurders via de huurovereenkomst een verplichting tot deelname aan collectieve beveiliging opleggen. Bij deze optie vergt het wel enige tijd voordat de locatie gevrijwaard is van freeriders, aangezien in veel gevallen gewacht zal moeten worden tot freeriders vertrekken en nieuwe huurders hun plaats innemen. Het probleem dat collectieve afspraken n tot stand komen, of door freeridersgedrag onvoldoende steun iet vinden, spitst zich toe op bestaande bedrijventerreinen en winkelgebieden met verschillende eigenaars. Bij een bestaand bedrijventerrein en winkelgebieden met verschillende eigenaars zijn de te nemen maatregelen veelal gebonden aan vrijwilligheid. Op bestaande terreinen zal parkmanagement van onderop moeten worden opgetuigd op basis van vrijwilligheid. Echter niet elke onderneming draagt vrijwillig bij in de kosten voor collectieve voorzieningen. Freeriders gebruiken de tot stand gekomen collectieve voorzieningen zonder daarvoor een financiële bijdrage te leveren. Op bestaande terreinen kan men deze ondernemers niet juridisch verplichten tot deelname. Het negatieve effect van freeriders is duidelijk merkbaar. Verschillende initiatieven zoals collectieve beveiligingsmaatregelen komen door het freeriderschap niet tot uitvoering. In bestaande winkelcentrumgebieden kunnen winkeliersverenigingen geen gebruik maken van een verplichte financieringsstructuur. Winkeliers in een dergelijk gebied betalen uitsluitend een bijdrage aan gemeenschappelijke voorzieningen en activiteiten voor zover zij lid zijn van een ondernemersvereniging. Het lidmaatschap kan niet verplicht worden gesteld. In die gevallen is een collectieve regeling slechts mogelijk indien een financiële bijdrage verplicht kan worden gesteld. De extra verhoging van de OZB belasting ten behoeve van collectieve fondsvorming ondernemersbelangen in Leiden is hier een goed voorbeeld van. De extra verhoging van de OZB belasting in Leiden en andere oplossingsmogelijkheden worden in hoofdstuk 4 “Mogelijkheden tot aanpak van freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen” behandelt. 3.7 Juridische status samenwerkingsverband; vereniging, stichting en coöperatie

Belangrijk onderdeel van de juridisch-organisatorische opzet van binnenstadsmanagement/parkmanagement is het orgaan waarin de actoren vertegenwoordigd zijn. Er zijn verschillende vormen van samenwerking met een juridische status zoals de vereniging, stichting en coöperatie. Uitvoering van collectieve regelingen kan worden opgedragen aan een aparte rechtspersoon waarin de actoren participeren en als deelnemer hun samenwerking bij de beveiliging van het gebied vorm geven en financieren. Er van uitgaande dat de ondernemers die organisatiekracht hebben en dat er zaken gezamenlijk georganiseerd gaan worden, zal er (naar verwachting) een moment komen waarop de samenwerking een omvang krijgt (aantal diensten, aantal deelnemers, omvang geldstromen) die vraagt om een meer gestructureerde opzet van parkmanagement of binnenstadsmanagement/centrummanagement. Hier wordt mee bedoeld dat er bijvoorbeeld een vereniging, stichting of coöperatie wordt opgericht. Dit biedt vervolgens weer mogelijkheden om geldstromen te structureren, bepaalde organisatorische zaken uit te besteden aan een parkmanager en/of centrummanager en met één gezicht naar buiten (gemeente, belangenvertegenwoordigers etc.) te treden. Voor de gemeente is het wenselijk om een g estructureerde vorm van samenwerking tussen ondernemers te hebben alvorens aspecten rond onderhoud en beheer van de openbare ruimte aan parkmanagement of binnenstadsmanagement/centrummanagement worden gerelateerd. Oprichten Coöperatieve vereniging van eigenaren c.q. coöperatief parkmanagement BW 2 art 53 v. (www.wetboek-online.nl). Lid 1. De coöperatie is een bij notariële akte als coöperatieve opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten. De coöperatie is een veelgebruikte en geschikte vorm voor parkmanagement. De doelstellingen en basis vindt men in de statuten. Het model biedt uitstekende mogelijkheden op nieuw uit te geven bedrijventerreinen. In Apeldoorn heeft men op een nieuw bedrijfsterrein gekozen voor coöperatief parkmanagement. Degene die de grond uitgeeft, veelal de gemeente, kan de eigendom overdragen aan een coöperatie. De coöperatie geeft de grond in erfpacht. Alle eigenaars van het pandrecht, evenals de gebruikers ervan, zijn lid van de coöperatie. Via dit orgaan kunnen zij als gezamenlijk opdrachtgever optreden en worden zij verplicht financieel bij te dragen aan collectieve diensten. In Apeldoorn betalen de eigenaren per m2 een bijdrage aan het parkmanagement. De

23

eigenaren worden door ondertekening van het koopcontract lid van de vereniging. De leden van de vereniging (eigenaren) betalen contributie voor de collectieve diensten en berekenen de kosten door aan gebruikers (huurders). Een vereniging is democratisch van opzet. De eigenaren hebben zeggenschap. Tijdens de ledenvergadering kunnen de eigenaren (en vaak ook de gebruikers die geen eigenaar zijn) hun belangen en wensen naar voren brengen en invloed uitoefenen op het dienstenaanbod. Het dagelijks bestuur heeft afgevaardigden uit het bedrijfsleven en gemeente. De besluiten worden door het dagelijks bestuur genomen, na de leden te hebben gehoord. De leden van de coöperatie zijn in principe verplicht de besluiten van de coöperatie uit te voeren. Deze verplichting en het verplichte lidmaatschap worden via een kettingbeding in de koopovereenkomst overgedragen op eventuele rechtsopvolgers. Op deze wijze ligt deelname en medeverantwoordelijkheid wettelijk vast en wordt een freeridersprobleem voorkomen. Dergelijke verplichte deelname aan een samenwerkingsverband bestaat al geruime tijd. Oprichten Vereniging BW 2 art 26 v. (www.wetboek-online.nl). Lid 1. De vereniging is een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel. Lid 2. Een vereniging wordt bij meerzijdige rechtshandeling opgericht. Lid 3. Een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen. De vele ondernemersverenigingen zijn hier een goed voorbeeld van. De leden van de ondernemersverenigingen leveren een financiële bijdrage van waaruit collectieve ondernemersbelangen worden gefinancierd. Te denken valt aan meer concrete zaken als kerstverlichting, sinterklaasoptocht, promotie etc. Voor meer omvangrijke en overkoepelende zaken is het mogelijk om een stichting op te richten. Oprichten Stichting BW 2 art 285 v. (www.wetboek-online.nl). Lid 1. Een stichting is een door een rechtshandeling in het leven geroepen rechtspersoon, welke geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. In de praktijk ziet men vele stichtingen zoals Stichtingen Parkmanagement, Stichtingen Centrummanagement en Stichtingen Binnenstadsmanagement. De gemeente en de ondernemersvereniging richten meestal samen een stichting op. Deze stichting kan het parkmanagement/centrummanagement uitvoeren. De financiering voor de uitgaven van een stichting vindt men bijvoorbeeld via een financieringsomslag per m2 zoals in Apeldoorn of een extra verhoging van de OZB zoals in Leiden. Het een en ander kan resulteren in een beheersovereenkomst met de gemeente. Zo wordt in de gemeente Apeldoorn 1 euro per m2 gereserveerd voor Parkmanagement. De gemeente participeert of is medeoprichter van een Stichting Parkmanagement. Het bestuur van het parkmanagement komt met een voorstel en begroting, de gemeente toetst en stelt geld beschikbaar. Voor de gemeente is het van belang om een gestructureerde vorm van samenwerking tussen ondernemers te hebben alvorens aspecten rond onderhoud en beheer van de openbare ruimte aan parkmanagement of centrummanagement te relateren. Het is aan te bevelen uitvoering van collectieve regelingen op te dragen aan een aparte rechtspersoon (vereniging, stichting of coöperatie).

24

4.

Mogelijkheden tot aanpak van freerider sproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen.

Inleiding In dit hoofdstuk worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 10. Welke maatregelen worden elders genomen om freeridersproblematiek in te dammen? 11. Welke mogelijkheden zijn er binnen het huidige wettelijk instrumentarium (publiek/privaat) om deelname aan collectieve initiatieven te bevorderen en/of af te dwingen en welke partijen (overheid, NPC, RPC, KVK etc) kunnen er onder welke condities gebruik van maken? 12. Welke opgespoorde beleidsmogelijkheden binnen het huidige wettelijk instrumentarium bieden veel perspectief voor een effectieve aanpak van de freeridersproblematiek? 13. Leidt de inventarisatie of een combinatie van gevonden, (binnen het bestaande wettelijk instrumentarium), beleidsmogelijkheden zaken tot een sluitende aanpak? 14. Welke mogelijkheden buiten het huidige wettelijke instrumentarium (publiek/privaat) bieden perspectief tot een sluitende aanpak van de freeridersproblematiek bij collectieve initiatieven op o.a. het gebied van beveiliging? 15. Is een aanpassing van de huidige wet en regelgeving nodig om deelname aan collectieve initiatieven te bevorderen en/of af te dwingen en welke partijen (overheid, NPC, RPC, KVK etc) kunnen er onder welke condities gebruik van maken? 16. Welke andere mogelijkheden zijn er om het freeridersprobleem in te perken? 17. Welke van de mogelijkheden buiten het bestaande wettelijk instrumentarium biedt het meeste perspectief om tot een sluitende aanpak van de freeridersproblematiek bij collectieve initiatieven op o.a. het gebied van beveiliging te komen? In dit hoofdstuk worden de mogelijkheden tot aanpak van freeridersproblematiek op winkelcentrumgebieden en bedrijventerreinen behandeld. Op basis van het onderzoeksrapport “Freeriderproblematiek en –oplossingen” 4 , zijn samen met het bedrijfsleven vier oplossingsrichtingen uitgewerkt, namelijk: 1. Optimaliseren aansluiting van het aanbod van beveiligingsmaatregelen op de vraag. 2. Optimaliseren rechtvaardige kostenverdeling. 3. Overtuigen van bela ng van collectieve beveiliging/sociale druk. 4. Deelname aan collectieve beveiliging verplichten. Uit analyse van het onderzoeksrapport “Freeriderproblematiek en –oplossingen” blijkt dat er enkel een aantal mogelijke opties worden genoemd tot verplichte deelname aan collectieve beveiliging. De mogelijkheden tot verplichte deelname zullen in dit hoofdstuk nader worden onderzocht en beschreven. Verplichte deelname c.q. bijdrage kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld algemene of met een specifiek doel ingestelde belasting of heffing zoals baatbelasting, precariobelasting, OZB-belasting, heffing KvK en heffing door bedrijfschappen. Daarnaast kan men door aanpassing van de wetgeving denken aan Business Improvement District. Er wordt dan een compleet nieuwe BID belasting/heffing in het leven geroepen. Om de verschillende mogelijkheden tot aanpak van freeridersproblematiek op hun waarde te kunnen beoordelen, zijn er gedurende het onderzoek bepaalde criteria opgesteld. Na inventarisatie en analyse van de verschillende methoden van de aanpak van freeridersproblematiek is een duidelijk beeld ontstaan waaraan het instrumentarium moet voldoen om tot een succesvolle aanpak van de freeridersproblematiek te kunnen komen. Indien men aan alle criteria voldoet heeft men een ideale oplossing voor het freeridersprobleem. Echter is gebleken dat vele van de voorgestelde oplossingsmogelijkheden niet aan alle criteria voldoen. Uit het onderzoek blijkt dat er behoefte is aan een heffingsinstrument met de volgende kenmerken/criteria: • Gebiedsgewijs aan bedrijven afzonderlijk extra belasting kunnen heffen. • Gebiedsgewijs besteden, waarbij de bedrijven in dat gebied kunnen meebeslissen over de uitgaven. • Voor meerdere jaren vastgelegde periodieke heffing. • Passend binnen doelstelling wettelijke regelingen. • Rechtvaardige maar eenvoudige en eenduidige heffingsgrondslag.
4

Decisio. (2004). Freeridersproblematiek en –oplossingen. Naar structurele collectieve beveiligingsmaatregelen voor bedrijven en winkels. Den Haag november 2004.

25

Opbrengsten uit heffing/belasting zijn substantieel.

Aan het einde van dit hoofdstuk worden de beschreven mogelijkheden overzichtelijk in een matrix weergegeven. De mogelijkheden zijn getoetst aan de opgestelde criteria, hieruit zijn conclusies opgesteld. Onderstaand zullen de verschillende mogelijkheden worden beschreven. 4.1 Mogelijkheden gemeente

De gemeentelijke belastingen staan vermeld in de Gemeentewet art. 216 en verder. De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Belangrijk uitgangspunt is dat gemeentelijke heffingen/belastingen uitsluitend mogen worden ingezet op de wijze zoa ls is voorgeschreven en ten behoeve van het voorgeschreven doel. Aanrommelen op basis van een doelredenering past de wereld van de verplichte heffingen niet. De mogelijk inzetbare gemeentelijke belastingen voor de aanpak van het freeridersprobleem in winkelgebieden en industriegebieden zijn: • OZB-belasting • Precariobelasting • Baatbelasting. Door het verplichtende karakter kunnen deze belastingen ertoe bijdragen dat het freeridersprobleem wordt opgelost. De gemeentelijke belastingen kunnen bijvoorbeeld worden ingezet ter financiering van een fonds voor collectieve ondernemersbelangen. 4.1.1 Onroerende -zaakbelasting (OZB) Onroerende zaakbelasting: Gemeentewet art. 220. (www.wetboek-online.nl). “Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kunnen onder de naam onroerendezaakbelastingen worden geheven: A. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken; B. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht”. Afgelopen periode is er het een en ander veranderd betreffende de OZB-belasting. In de Wijzigingswet Gemeentewet van 22 december 2005 is de gemeentewet gewijzigd in verband met het afschaffen van het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting (OZB) op woningen en het maximeren van de resterende OZBtarieven. De nieuwe regeling (Stb. 2005, 725) is van kracht sinds 1 januari 2006. De onroerende-zaakbelasting (OZB) is een algemene door de gemeenten geheven belasting. Deze belasting is één van de belangrijkste inkomstenbronnen van een gemeente. In de wet zijn richtlijnen opgesteld voor de hoogte van de OZB in een gemeente. De onroerende-zaakbelasting wordt geheven aan alle eigenaren van onroerende zaken. In het algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen woningen en niet-woningen. Hiervoor gelden verschillende tarieven. De mogelijkheid bestaat om op grond van deze belastingvorm bedrijven beperkt hoger aan te slaan dan bewoners. Eigenaren van bedrijfsonroerend goed rekenen de OZB door aan hun huurders (bedrijven). De basis van de tarieven is de "waarde in het economisch verkeer" van de onroerende zaken in een gemeente. Deze worden om de vier jaar vastgesteld en zijn ook de grondslag voor de belastingheffing door rijk (Inkomstenbelasting) en waterschappen (Heffing gebouwd). De regels voor deze waardebepaling zijn opgenomen in de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ). Veelal gaat de opbrengst van de OZB eerst naar de ‘algemene middelen’, waarna jaarlijks democratisch door de gemeente wordt besloten over de bestemmingen van het geld. 4.1.2 Maximering van de OZB -tarieven voor bedrijfspanden en kantoren

De regering heeft besloten het OZB-tarief zakelijke gebruikers aan een bepaald wettelijk maximum percentage te gaan binden. De VNG is van mening dat de nieuwe wetgeving de gemeentelijke autonomie en het eigen belastinggebied aantast. De VNG benadrukt dat een stevig eigen belastinggebied essentieel is voor het gemeentelijk bestuur. Om maatwerk oplossingen te leveren is een bepaalde lokale autonomie wenselijk. Daaruit volgt dat op lokaal niveau een democratisch gelegitimeerde afweging gemaakt moet kunnen worden over de uitvoering van taken en lokaal noodzakelijk geachte investeringen. VBN en VNG vrezen dat de maximering van

26

de OZB-tarieven voor bedrijfspanden en kantoren o.a. een succesvol initiatief van de gemeente Leiden in gevaar brengt. VBN, VNG en MKB adviseren een uitzondering op de wet Afschaffing van het gebruikersdeel van de onroerende-zaakbelastingen op woningen en maximering en limitering van de resterende OZB-tarieven te realiseren. Dit heeft geleidt tot het indienen van een motie die direct door Minister Remkes van BZK is geaccepteerd. De Minister gaat nu uitzoeken hoe de ‘uitzondering’ kan worden omgezet in wet. Indien de bedoelde uitzondering er komt kan een gemeenteraad met een extra tarifering een fonds voeden, waaruit collectieve belangen van ondernemers gefinancierd worden. Leiden is de lobby gestart om uitzonderingen toe te staan aan de voorgestelde maximering indien locale ondernemersverenigingen dit aangeven. Er is landelijk veel belangstelling voor de wijze waarop Leiden door middel van een verhoging van de OZBbelasting een fondsvorming collectieve ondernemersbelangen heeft gerealiseerd. 4.1.3 Onroerende zaakbelasting ten behoeve van Fondsvorming Collectieve Ondernemersbelangen Leiden

De Onroerend Zaak Belasting is met het oog op fondsvorming een interessante belasting, omdat het OZB-tarief voor zakelijk onroerend goed mag afwijken van het OZB-tarief voor woningen. De gedachte is dat de gemeenteraad voor het zakelijk onroerend goed een hoger tarief vaststelt, waarvan de opbrengst vervolgens in een fonds voor collectieve belangenbehartiging wordt gestort. Het verhogen van het tarief voor gebruikers van niet-woningen zou dicht bij het principe ‘voor en door ondernemers’ kunnen komen5 . Er is landelijk veel interesse voor een instrument waarmee collectieve beveiliging op bestaande bedrijventerreinen en in winkelgebieden verplicht kan worden opgelegd via een gebiedsgerichte periodieke heffing. Deze heffing moet gericht zijn op bedrijven (wellicht via de eigenaren van de desbetreffende bedrijfspanden), waarbij een rechtvaardige en duidelijke heffingsgrondslag wordt gehanteerd. De besteding van de middelen dient net als de heffing gebiedsgericht te zijn. Het is mogelijk een deel van de OZB-opbrengsten van bedrijfspanden (voor een aantal jaar) te bestemmen voor bepaalde bedrijfsgerelateerde doelen in bepaalde gebieden. In Leiden wordt een deel van de OZB-opbrengsten uit specifieke gebieden ook bestemd voor o.a. collectieve beveiligingsmaatregelen in die gebieden. In Leiden is gekozen voor territoriale decentralisatie, in de zin dat elk terrein trekkingsrechten heeft op het fonds ter grootte van de bijdrage die het zelf opbrengt. De gemeente kan contractueel vastleggen dat de bedrijven in dat gebied (of die gebieden) een sterke mate van zeggenschap over het geld krijgen. Vooralsnog lijkt het erop dat de OZB-heffing als toepasselijke kostenverdeling wordt beschouwd. Extra opbrengsten kunnen deels ten goede komen aan winkelconcentraties, deels aan bedrijventerreinen en wellicht ook deels gericht zijn op het belang van solitaire ondernemingen. In Leiden heeft men binnen de wettelijke beperkingen door middel van een opslag op de OZB een Fondsvorming Collectieve Ondernemersbelangen geconstrueerd6 . Leiden dient als voorbeeldgemeente betreffende verplichte deelname aan collectieve ondernemersbelangen. In Leiden heeft men geconstateerd dat de vrijwillige methode niet voldoet. Daarom heeft Leiden gekozen voor een verhoging van de OZB. Deze verplichte methode draagt er toe bij dat iedereen een bijdrage levert aan het fonds. De Stichting Ondernemersfonds Leiden wordt bestuurd door ondernemers en is een voorbeeld van directe zeggenschap van belastingbetalers over de belastingopbrengst. De gelden worden besteed aan de behartiging van collectieve belangen van ondernemers. Er is een organisatiestructuur ontwikkeld waarin alle belastingplichtigen participeren. Door de verhoging van het OZB tarief is een substantieel bedrag vrijgekomen waarmee gebiedsgerichte initiatieven worden gefinancierd. In Leiden heeft de gemeenteraad de OZB-tarieven voor de categorie nietwoningen boventrendmatig met 5.3% verhoogd. De opbrengsten van deze extra heffing worden teruggesluisd naar een stimuleringsfonds voor ondernemers en besteed aan collectieve voorzieningen als beveiliging van bedrijventerreinen en winkelcentra. De Fondsvorming Collectieve Ondernemersbelangen is op verzoek van de georganiseerde ondernemers tot stand gekomen. Uiteindelijk bleek de OZB voor niet-woningen de meest passende oplossing om een einde te maken aan de jarenlang voortslepende problematiek van de freeriders. De
5 6

Kamer van Koophandel Rijnland. (2004). Notitie baten fondsvorming. Leiden september 2004. Centrum Management Leiden. (2004). Rapportage Fondsvorming collectieve ondernemersbelangen Leiden. Leiden januari 2004.

27

opbrengst van de tariefsverhoging- ongeveer 800.000 euro- wordt integraal afgestort aan de Stichting Ondernemersfonds Leiden. Daarmee lijkt een aanpak via de OZB perspectief vol: het gaat om zinvolle bedragen, die voor de belastingplichtige toch geen schokkende tariefsverhogingen betekenen. Het stimuleringsfonds wordt door de ondernemers zelf beheerd. Leiden heeft langs deze weg niet alleen het probleem van ‘funding’ opgelost, maar heeft ook een sterke organisatiestructuur gecreëerd, waarin alle partijen samenwerken7 . Tevens heeft de Stichting Ondernemersfonds Leiden haar zetel in de gemeente Leiden. De stichting heeft als doel te fungeren als contractpartner voor de gemeente Leiden en ondernemersorganisaties in verband met de bekostiging van collectieve belangenbehartiging van ondernemers in de gemeente Leiden. Het vermogen van de stichting wordt gevormd door de gelden die bij de gemeente Leiden beschikbaar zijn gekomen uit een verhoging van de gemeentelijke belastingen, welke gelden op grond van een overeenkomst tussen de gemeente Leiden en de stichting. Om de continuïteit te waarborgen dient er een modus gevestigd te worden die ook op lange termijn houdbaar is en ook met een andere samenstelling van College en Raad behouden blijft. Daarom is het belangrijk dat Gemeente en ondernemers hun onderlinge verhouding regelen in een samenwerkingsovereenkomst, met de status van een contract. In Leiden is er voldoende draagvlak voor de verhoging van de OZB-tarieven teneinde de fondsvorming collectieve ondernemersbelangen te financieren. Het initiatief komt van de ondernemers zelf. Tevens is het centrummanagement in Leiden zeer sterk. Verschillende actoren zijn goede kartrekkers en er is een goed functionerende centrummanager en ondersteunende organisatie. In Leiden zijn het academisch ziekenhuis en de universiteit belangrijke actoren. Deze zogenoemde non-profit organisaties hebben veel onroerend goed in hun bezit en zijn daarmee grote inkomstenbronnen t.a.v. de OZB. Samen brengen zij 300.000 van de 800.000 euro op. Zij zijn daarom ook goed vertegenwoordigd in het bestuur. Daarnaast heeft Leiden als groot voordeel dat het een sterk geconcentreerd centrum heeft. Er kan gesteld worden dat Leiden vrijwel geen buitengebieden kent en daarmee ook weinig perifere ondernemingen/bedrijventerreinen heeft. Dit maakt de organisatie van de opbrengsten en uitgaven veel makkelijker en meer gebiedsgebonden, zoals het BID concept. Samenvattend kunnen we de volgende voordelen van het Leids OZB-model noemen: • uit eigen initiatief ondernemers • heeft voldoende draagvlak/kracht onder ondernemers • integraal door samenwerking actoren • flexibel en creatief geïmplementeerd • veel inspraak voor ondernemers over budget en uitvoering • de opbrengst van de extra tariefsverhoging komt via een convenant rechtstreeks bij de ondernemers terecht • het gaat om zinvolle bedragen en zijn geen schokkende tariefsverhogingen • door het hanteren van de OZB-belasting is er een eerlijke en rechtvaardige kostenverdeling. • groot voordeel voor de keuze voor de OZB boven de baatbelasting en precario is dat er geen extra inningskosten mee zijn gemoeid • wetgevingsproof. Het nadeel van de OZB-methode in Leiden is dat een geografische differentiatie van de OZB-belasting/tarieven niet mogelijk is. Dat houdt in dat de tarieven voor de gehele gemeente hetzelfde zijn. Alle niet-woningen in Leiden zullen aan een verhoging meebetalen. Het tarief voor alle -niet woningen is gelijk. Daarmee worden de non-profit en de zakelijke belastingplichtigen buiten de binnenstad ook getaxd voor voorzieningen die niet bij hen van toepassing zijn. Denk aan perifere gebieden met vele solitaire gevestigde ondernemingen. Voor deze ondernemingen heeft parkmanagement of centrummanagement geen enkele meerwaarde. Om een eerlijke en rechtvaardige kostenverdeling te creëren dient er de mogelijkheid te zijn om bepaalde gebieden (bedrijventerreinen en winkelcentra) anders te taksen. Voor veel steden is de onmogelijkheid tot geografische differentiatie van de OZB tarieven een reden om niet voor het Leids model te kiezen.

7

Bodewes, J. & KvK Rijnland. (2004). Versterken van winkeliersverenigingen in Rijnland “100 % deelname”. Leiden januari 2004.

28

4.1.4

Eindhoven en de OZB

Om te kijken of het Leids OZB-model oplossingen kan bieden voor het RPC Oost-Brabant wordt voor een vergelijking de gemeente Eindhoven genomen. Het RPC Oost-Brabant bestrijkt een groter gebied, maar voor de vergelijking beperk ik het mogelijke toepassingsgebied tot de gemeente Eindhoven. Indien men het Leids model wil implementeren in Eindhoven en regio zal men moeten nagaan hoeveel financiële ruimte er is om het OZB tarief zakelijk onroerend goed te verhogen teneinde fondsvorming te creëren voor collectieve belangenbehartiging. Gemeenten stellen zelf het OZB-tarief vast en zijn hier zelf verantwoordelijk voor. Gemeenten stellen de onroerende-zaakbelastingen vast door de waarde van de onroerende zaak die op de WOZ-beschikking staat te delen door een wettelijk vastgesteld vast bedrag van € 2268,-. Dit getal (het aantal eenheden) wordt vermenigvuldigd met het betreffende tarief voor gebruik of eigendom van een woning of niet-woning. Tegen het tarief kan geen bezwaar worden aangetekend. Natuurlijk zijn er door de wetgever wel bepaalde regelingen opgesteld. De tarieven eigendom/gebruik en de tarieven woningen/niet-woningen mogen niet onbeperkt van elkaar afwijken. Het tarief voor eigenaren mag niet meer dan 125% van het gebruikerstarief bedragen. De tarieven van de niet-woningen mogen in het geval van Eindhoven niet meer dan 202% van de tarieven voor de woningen bedragen. Deze regels van tariefdifferentiatie beperken de ruimte om het niet-woningen tarief te verhogen. De waarden van de onroerende zaken in Eindhoven zijn de laatste jaren aanmerkelijk gestegen. In Eindhoven heeft de herwaardering ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) grote impact op de tariefstelling van de onroerende zaakbelasting. De aanslagen OZB over de periode 2005 en 2006 worden gebaseerd op de WOZ-waarde per 1 januari 2003. De aanslagen OZB over de periode 2001 t/m 2004 werden gebaseerd op de WOZ-waarde per 1 januari 1999. Een analyse van die uitkomsten laat zien, dat er sprake is van een gemiddelde waardestijging tussen 1 januari 1999 en 1 januari 2003 van 53,49% bij de woningen en van 28,67% bij de niet-woningen. Het doorberekenen van deze waardestijging zou een aanzienlijke meeropbrengst van de gemeentelijke onroerende zaakbelasting (OZB) betekenen. In vergelijking krijgt de categorie woningen een groter aandeel in de OZB opbrengst. Als gevolg van een uiteenlopende waarde-ontwikkeling tussen woningen en niet-woningen kunnen er lastendrukverschuivingen optreden van niet-woningen naar woningen, en andersom. Doordat woningen in Eindhoven sterker in waarde zijn gestegen dan de niet-woningen, zullen de woningen verhoudingsgewijs meer aan de OZB-opbrengst bijdragen dan voor de herwaardering het geval was. Om deze lastendrukverschuivingen te beperken heeft de wetgever de mogelijkheid van tariefdifferentiatie in het leven geroepen. Artikel 220f van de Gemeentewet biedt daartoe de mogelijkheid een differentiatie aan te brengen tussen de tarieven voor woningen en niet-woningen. De wet gaat uit van een regeling waarbij de grens van de tariefdifferentiatie per gemeente wordt bepaald. In de Gemeentewet is daarvoor een rekenregel opgenomen, waarbij iedere gemeente het plafond (tijdvakpercentage) in de tariefdifferentiatie kan berekenen. Aan de gemeente is de bevoegdheid gegeven om het berekende tijdvakpercentage te verhogen met maximaal 10 procentpunten. Uit de feitelijke waarde -ontwikkeling in Eindhoven volgt een tijdvakpercentage van 192%. Een verhoging van het tijdvakpercentage met 10 procentpunten levert een tijdvakpercentage op van 202% voor 2005 en 2006. Dit percentage betreft het wettelijk maximum voor Eindhoven. Onderstaande tabel geeft de vastgestelde tarieven voor 2004 en 2005 weer.
Gemeentelijke tarieven per 1 januari 2005 Tarief 2004 ONROERENDE-ZAAKBELASTING EINDHOVEN Woningen gebruiker eigenaar Niet-woningen: gebruiker eigenaar € 3,52 € 4,39 € 2,94 € 3,67 € 2,19 € 2,73 € 1,46 € 1,82 Tarief 2005

29

Burgemeester en wethouders wilden een flinke lastenverzwaring voor de burgers voorkomen. De stijging van de waarde heeft men gecompenseerd door een verlaging van de tarieven OZB. De toename van de totale opbrengst van de OZB in Eindhoven in 2005 blijft daarmee beperkt tot twee procent. Dit percentage is het vastgestelde prijsindexcijfer voor 2005. De herwaardering beoogt immers op zichzelf niet het genereren van meer belastinginkomsten. Dat stond te lezen in het Raadsvoorstel 'tot het vaststellen van de verordening op de heffing en invordering van de onroerende zaakbelasting in 2005'. Uit deze informatie en na contact met de afdeling belastingen van de gemeente Eindhoven blijkt dat er weinig tot geen ruimte is voor een extra opslag OZB zakelijk onroerend goed ten behoeve van een fondsvorming collectieve ondernemersbelangen. Om in navolging van Leiden een extra opslag op de OZB te kunnen heffen dient de huidige belastingverordening te worden gewijzigd. 4.1.5 Voorwaarden voor implementatie fondsvorming collectieve ondernemersbelangen in de eigen regio

• Commitment De belangrijkste voorwaarde is een goed doordacht commitment van zowel ondernemers als lokale overheid. Ondernemers moeten er op kunnen vertrouwen dat de gemeente hun bereidheid om mee te betalen aan collectieve belangenbehartiging niet misbruikt voor bezuinigingen. Omgekeerd moeten ondernemers bij voortduring laten blijken dat zij hun verantwoordelijkheid voor het leef- en verblijfsklimaat in de stad willen nemen. Commitment van beide partijen kan tot uitdrukking komen in een uitvoeringsovereenkomst/contract met daarin bepaalde tijdslimieten. Dit zal ook bijdragen aan het vertrouwen en de continuïteit van het project. • Draagvlak Wanneer locale overheid en georganiseerd bedrijfsleven met elkaar van mening zijn dat meer dan trendmatige verhogingen in de locale situatie leiden tot een verbeterd ondernemersklimaat dan is daarmee bij de betrokkenen sprake van draagvlak voor de initiatieven. Indien er draagvlak is bij zowel ondernemers als gemeente kan de gemeenteraad d.m.v. een raadsbesluit de OZB verhogen (tot een bepaald wettelijk maximum). Voor het draagvlak is het belangrijk dat het initiatief voor collectieve fondsvorming uit eigen initiatief van de ondernemers komt. Om het draagvlak te vergroten moet er zeker een kernclub van verschillende actoren zijn die als trekker van het project fungeren. • Sterke organisatiestructuur Een sterk centrummanagement, parkmanagement en een sterke organisatiestructuur zijn hier van belang. Op deze wijze moet voldoende draagvlak gecreëerd worden bij de ondernemingen, gemeenteraad en andere actoren over het verhogen van de OZB voor collectieve fondsvorming. Hiervoor moet voldoende tijd in acht worden genomen. Zet een werkgroep op met deskundige personen met veel ambtelijke capaciteiten en houdt rekening met weerstand. • Goede beheersvorm voor fondsvorming Een andere belangrijke voorwaarde is dat er een beheersvorm wordt gekozen voor het fonds die voldoet aan eisen van deugdelijkheid en democratisch gehalte. Als er bijvoorbeeld langs de weg van de OZB geld binnen komt en dus ook het zakelijk onroerend goed buiten de binnenstad meebetaalt, moet er een waarborg zijn dat de opbrengst ook aan de ‘perifere’ bedrijvencomplexen ten goede komt. • Ondernemers dienen inspraak te hebben over het budget en de uitvoering Indien goede en controleerbare afspraken gemaakt worden over de besteding van de extra middelen wordt voldaan aan de noodzakelijke democratische legitimatie. 4.1.6 Conclusie OZB

In termen van opbrengsten en bewegingsruimte is de OZB-systematiek geschikt voor fondsvorming. Er is echter een fors politiek commitment nodig om de complicaties die ermee gepaard gaan, te overwinnen. De maximering van de OZB-tarieven voor bedrijfspanden en kantoren brengt een succesvol initiatief van de gemeente Leiden (Fondsvorming Collectieve Ondernemersbelangen gefinancierd uit verhoging OZB-belasting) in gevaar. Door uitzonderingen toe te staan aan de voorgestelde maximering ontstaat er voor de gemeenten meer financiële ruimte om in navolging van het Leids model een extra verhoging van de OZB-belasting te realiseren. Uit onderzoek blijkt dat er in Eindhoven weinig tot geen financiële ruimte is voor een extra opslag OZB zakelijke gebruikers ten behoeve van een fondsvorming collectieve ondernemersbelangen.

30

In tegenstelling tot Leiden kent de gemeente Eindhoven en regio veel meer perifere gebieden met vele solitair gevestigde ondernemingen. Dit maakt de organisatie van de opbrengsten en uitgaven veel moeilijker en minder effectief. Indien men het Leids model in Eindhoven en regio wil implementeren dient er voldoende draagvlak te zijn voor de initiatieven. De huidige OZB heffing raakt alle bedrijven in een gemeente. Een gebiedsgerichte verhoging is op dit moment juridisch niet mogelijk. Een wetswijziging ten aanzien van de OZB waarbij het mogelijk wordt om de OZBbelasting gebiedsgericht in te zetten kan uitkomst bieden. Hoewel de Minister van Justit ie het project in Leiden met belangstelling volgt, acht de Minister van Justitie het niet geschikt om dit model ongewijzigd landelijk in te voeren, met name vanwege het gebruik van de OZB. De Minister van Justitie zal echter wel onderzoeken of een variant op deze constructie ook in andere steden kan worden gebruikt. Met deze variant wordt het Business Improvement District bedoeld. Het Platform Binnenstadsmanagement werkt inmiddels samen met een aantal steden in een pilotgroep, inclusief Leiden, om uit te vinden of het mogelijk is om tot een gebiedsgebonden heffing te komen. Dit naar voorbeeld van de ‘Business Improvement District’. Hiervoor is dan wel aanpassing van de huidige wet- en regelgeving nodig. Indien men het BID zal gaan invoeren zal het gaan om een geheel nieuwe belasting/heffing. De heer B. Schuttenbeld (KvK Leiden) vindt dat het mogelijk moet zijn verschillende gebieden gedifferentieerd te taxeren. Leiden en ook andere gemeenten hebben hun ogen laten vallen op de Business Improvement District. 4.2 Business Improvement District (BID)

Door middel van BID wordt een extra belasting geheven die ten goede komt aan verbetering van het bepaalde gebied. In Amerika en Engeland heeft men het BID geïmplementeerd en is door de overheid wettelijk geregeld. Deze regeling houdt in dat men het recht tot het initiëren van een BID heeft. In deze regeling is ook bepaald dat men overgaat tot het invoeren van een BID indien de meerderheid van de belanghebbenden binnen een bepaald district/gebied wil overgaan tot BID. De financiering van het BID is hiermee gegarandeerd daar men wettelijk verplicht is financieel bij te dragen aan het BID. De organisatie van een BID bestaat uit een Bestuur met afgevaardigden van de verschillende actoren (veelal eigenaren van onroerend goed en ondernemers). Op initiatief van ondernemers uit een bepaald gebied worden gezamenlijke initiatieven vastgesteld. Wanneer minimaal 51% van de ondernemers van het betreffende centrum-/bedrijfsgebied instemt met deze initiatieven kunnen, bijvoorbeeld middels een verhoging op de onroerende zaakbelasting, extra inkomsten worden gegenereerd die door de gemeente volledig ten gunste worden gesteld van de BID (Bottum-Up). Iedereen is dan verplicht om deel te nemen. Hiermee is draagvlak en betrokkenheid gegarandeerd. De ondernemers hebben ook direct invloed op het eigen budget. Tevens bepalen de ondernemers zelf het criterium voor heffing. Het BID kan men kenmerken als een Publiek/Private Samenwerking. Nederland heeft een heel andere cultuur ten aanzien van de overheid als Amerika. Veiligheid en openbare orde worden tot de kerntaken van onze overheid gerekend. Veel (in onze ogen) overheidstaken worden in Amerika toevertrouwd aan PPS constructies of geheel aan de private markt. Of BID in Nederland kans van slagen heeft kan getest worden in experimenteergebieden. De VNG zou kunnen pleiten voor een experimenteergebied waarin het BID wordt uitgevoerd. De overheid kan besluiten door middel van experimenteerwetgeving om BID in te voeren in een experimenteergebied. Indien de resultaten goed zijn kan men BID op grotere schaal gaan implementeren. Er dient dan een verandering van de huidige wetgeving te komen om BID wettelijk mogelijk te maken. De nieuw te ontwikkelen wettelijke BID regeling bepaalt dat wanneer een zeker percentage ondernemers bijdraagt aan een gemeenschappelijk initiatief, de overige deelnemers verplicht bij dienen te dragen. 4.3 Precariobelasting

Gemeentewet art 228: (www.wetboek-online.nl). “Ter zaken van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, kan een precariobelasting worden geheven”. Precariobelasting is de vergoeding die aan de gemeente wordt betaald voor ‘bijzonder gebruik van de openbare ruimte’. Precariobelasting moet met name betaald worden voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. De precariobelasting is voor eventuele fondsvorming interessant, omdat het om commerciële uitingen gaat die direct samenhangen met het functioneren van de binnenstad. Bovendien kun je precariobelasting zeer lo kaal

31

opleggen, bijvoorbeeld op postcodeniveau. De precariobelasting is in vergelijking tot de OZB, mogelijk gebiedsgericht toe te passen en met een per gebied te onderscheiden tariefstelling. Als praktijkvoorbeelden mogen de steden Haarlem, Heerlen en Leiden dienen. In deze steden komt de extra verhoging van de precariobelasting ten goede aan een Stichting Centrummanagement. Er is sprake van fondsvorming waarbij bedrijven een sterke invloed krijgen op de uitgaven. In Haarlem is geïnspireerd op het Leids model en op verzoek van Stichting Centrummanagement Haarlem een verhoging van het precario ingevoerd. Met de opbrengst wordt een fonds gevoed, van waaruit sfeerverlichting in de binnenstad betaald wordt. De precariobelasting lijkt voor dergelijke zeer concrete bestemmingen zeer geschikt. Het betreft een kleine bijdrage voor een zeer concreet omschreven doel. Er is landelijk veel belangstelling voor deze bijzondere en pragmatische constructie. Het werkt, maar daarbij dienen de volgende kanttekeningen te worden geplaatst: • Er dient sprake te zijn van een winkelconcentratie met aansluitend winkelfront en in omvang vergelijkbare reclame-uitingen. Het gaat er immers om bedrijven zoveel mogelijk gelijk te laten bijdragen. Deze situatie doet zich vooral voor in de kernwinkelgebieden van grotere gemeenten; de inzet van deze constructie is op verzoek van het georganiseerd bedrijfsleven tot stand gekomen. Dat zou een voorwaarde moeten zijn voor een inzet in andere gemeenten; • Er dienen afspraken te worden gemaakt over het “zekeren” van de constructie. De termijn waarop heffingen en uitgaven op deze wijze zijn verenigd. In Leiden worden precario-opbrengsten o.a. bestemd voor uitgaven aan beveiliging, met name in centrumwinkelgebieden. Ook hierbij geldt dat het geld in een fonds wordt gestort, waarbij ondernemers een sterke invloed krijgen op de uitgaven. In Leiden wordt het fonds voornamelijk gevoed door de OZBopbrengsten. De precariobelastingen zijn maar verantwoordelijk voor 10% van de totale inkomsten voor de fondsvorming collectieve ondernemersbelangen in Leiden. De collectieve beveiliging zou niet alleen uit de opbrengsten van een precarioverhoging kunnen worden opgebracht. Tevens verschillen de meningen over de relatie tussen ‘het bijzondere gebruik van de openbare ruimte’ en het profijt dat bedrijven hebben van collectieve beveiligingsmaatregelen. Waarschijnlijk is de juridische basis voor de kostenverdeling middels precario zwak, maar zolang alle betrokkenen het eens zijn over de gekozen constructie werkt het. Het risico is waarschijnlijk wel dat wanneer een bedrijf de heffing aanvecht, de constructie onderuit gaat. In tegenstelling tot de OZB-belasting zijn met de precariobelasting extra inningskosten gemoeid. 4.3.1 Conclusie precariobelasting

Een belangrijk voordeel i dat de precariotarieven kunnen worden gedifferentieerd per categorie en gebied. s Precariobelasting kan men alleen inzetten op winkelcentragebieden, aangezien er op bedrijventerreinen veelal geen sprake is van opstallen, terrassen, uitstallingen en reclameborden. De precariobelasting wordt weliswaar opgebracht door belastingplichtigen die alle belang hebben bij een goede collectieve belangenbehartiging, maar er worden ook veel belanghebbenden vrijgesteld. Er zijn allerlei binnenstadsgebruikers - kantoren, culturele instellingen - die alle belang hebben bij een betere organisatie van de collectieve belangenbehartiging in het geval van een museum of concertzaal zelfs een veel groter belang dan een individuele winkel - maar geen precario afdragen. De werking is dus nogal selectief. Het komt voor dat opbrengsten uit precariobelasting (deel van bestaand en/of een opslag) worden bestemd voor uitgaven aan beveiliging in met name centrumwinkelgebieden. Hiermee wordt een link naar beveiliging openbare ruimte gelegd. Deze is echter juridisch niet al te sterk. Precariobelasting is geen doelbelasting. Dit betekent dat de belastinggelden terechtkomen in de algemene politieke middelen en niet rechtstreeks kunnen worden toegedeeld aan projecten. Precariobelasting is bruikbaar, maar er zijn ook nadelen aan verbonden zoals de politieke afhankelijkheid. Zo kunnen bestuurswisselingen leiden tot verandering van de besteding van de gelden. Een fondsconstructie is vanuit dit oogpunt het meest wenselijke. Er kan gesteld worden dat precariobelasting een vrij beperkte opbrengst heeft, waardoor alleen zeer concrete zaken als sinterklaasoptocht, kerstverlichting en promotie kunnen worden gerealiseerd. Continue diensten als collectieve beveiligingsmaatregelen vergen een groter financie el kapitaal. Daarmee is de precariobelasting niet uit beeld, maar de reikwijdte moet niet overschat worden. Naar mijn mening voldoet de precariobelasting onvoldoende aan de opgestelde criteria.

32

4.4

Baatbelasting

Gemeentewet artikel 222. lid 1: (www.wetboek-online.nl). “Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen”. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven”. Een gemeente kan baatbelasting heffen op onroerende zaken die zijn ‘gebaat’ door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur. Hierbij moet er sprake zijn van een verbetering van bestaande collectieve voorzieningen. Onder voorzieningen worden veelal materiële fysieke werken verstaan. Verduidelijking vindt men in concrete zaken. Zo zouden de middelen voor bijvoorbeeld het inzetten van camera’s of het verbeteren van de toegangscontrole door technische ingrepen (slagboom, hek, pasjessysteem) middels een eenmalige baatbelasting gegenereerd kunnen worden. Structurele ondersteuning van organisaties en activiteiten behoren niet tot het werkgebied van de baatbelasting. De baatbelasting is een instrument dat vooral gericht is op de eigenaren van panden. Het blijkt in de praktijk vaak lastig voor de gemeente om de ‘baten’ voor eigenaren aan te tonen. Hierover ontstaan vaak meningsverschillen met de burger. De baatbelasting is te omschrijven als een meer ‘zachte’ belasting. Doordat er juridische procedures zoals incasso worden gestart brengen deze extra inningskosten met zich mee. Baatbelasting kan in principe alleen worden geheven op eenmalige verbeteringen. Collectieve beveiligingsmaatregelen bestaan echter grotendeels uit continue diensten die periodiek betaald moeten worden. De wetgever laat baatbelasting alleen toe als tijdelijke heffing voor een zeer nauwkeurig omschreven object (straatwerk, garage, of iets dergelijks) en dus niet voor een algemener doel, tevens is de heffing buitengewoon complex en duurt het jaren om er enige routine in te ontwikkelen. Om deze redenen is het niet mogelijk een baatbelasting in het kader van fondsvorming in te zetten. Bovendien is de toepassing van baatbelasting juridisch en administratief zeer complex. Er is een ingewikkelde administratieve procedure verbonden aan baatbelasting (bekostigingsbesluit). Het vergt een zeer gedetailleerde uitwerking waarbij kleine fouten de rechtsgeldigheid van de gehele constructie onderuit kunnen halen. Er zitten behoorlijke juridische haken en ogen aan het heffen van een baatbelasting, wat in veel steden reeds heeft gele id tot onverbindendheid van de verordening. Baatbelasting is naar mijn mening niet het juiste instrument doordat: • Baten voor eigenaren moeilijk aantoonbaar c.q. juridisch zwak • Baatbelasting in principe alleen kan worden geheven op eenmalige verbeteringen • Baatbelasting geen periodieke heffing is • Baatbelasting juridisch en administratief zeer complex is. 4.5 Heffing door nieuw overheidsorgaan ’veiligheidsschap’

De mogelijkheden zijn bestudeerd voor oprichting van een nieuw overheidsorgaan bijvoorbeeld lokale veiligheidsschappen die gebiedsgewijs de nodige financiële bijdragen kunnen heffen en de middelen gezamenlijk met het bedrijfsleven kunnen besteden aan o.a. collectieve beveiligingsmaatregelen. Een veiligheidsschap is een publiekprivaat samenwerkingsverband, waarbij de desbetreffende gemeente en alle ondernemers op een bepaalde locatie verplicht zijn aangesloten, die als doel heeft door middel van collectieve beveiligingsmaatregelen de veiligheid op die locatie te vergroten. De introductie van lokale veiligheidsschappen is echter zonder ingrijpende wetswijzigingen niet realiseerbaar, daar het niet mogelijk is om belastingen te heffen of financiële lasten op te leggen aan ondernemers in een beperkt gedeelte van een gemeente. De ontwikkeling van een nieuwe belasting wordt niet als reële optie beschouwd. Verandering van het belastingstelsel is zeer complex. Tevens duurt de besluitvorming erg lang en is een zeer complex traject. Bovendien brengt de oprichting van een apart publiek orgaan een enorme bureaucratische rompslomp met zich mee. Een mogelijkheid zou zijn bestaande publieke organen zoals de Kamers van Koophandel hiervoor in te zetten. Voor winkelgebieden zou het Hoofd Bedrijfsschap Detailhandel deze rol op zich kunnen nemen. Naast de vraag of de betrokkenen dit de aangewezen instantie(s) hiervoor vinden, is er de vraag of de heffing en besteding van middelen gebiedsgewijs ingezet kan worden.

33

4.6

Heffing door de Kamers van Koophandel (KvK)

Net als bij gemeenten zijn de heffingsmogelijkheden van de Kamers van Koophandel strikt gelimiteerd. Men heeft de bevoegdheid om heffingen aan ondernemers op te leggen. Echter een gebiedsgerichte heffing behoort niet tot de mogelijkheden en een dergelijke inhoudelijke inbreng wordt ook niet tot de taken van de Kamer van Koophandel gerekend. Maar de Kamers van Koophandel heffen net als gemeenten onder alle ondernemers. Zij zijn technisch zeer goed in staat om dat ook gebiedsgericht te doen. Om de Kamer van Koophandel een verplichte gebiedsgerichte bijdrage voor collectieve ondernemersbelangen als collectieve beveiliging te laten heffen, dient er een wetswijziging plaats te vinden. Inhoudelijk zijn de Kamers, meer dan gemeenten, toegerust om het functioneren van winkel-, bedrijven- en kantorenconcentraties te beoordelen. Tenslotte is een Kamer van Koophandel minder politiek ingesteld dan een gemeente. De blijvende ondersteuning van ondernemersorganisaties kan beter worden “gezekerd” om zodoende continuïteit en vertrouwen te creëren. De mogelijke heffing door de Kamer van Koophandel raakt niet alleen een wijziging van regelgeving, maar ook de doelstelling van deze organisatie. De zorg dragen voor financiering van collectieve ondernemersbelangen als collectieve beveiliging past niet in haar huidige takenpakket en doelstellingen. 4.7 Huuropslag van commerciële panden via Vereniging van Eigenaren (VvE)

Financiering van collectieve belangenbehartiging kan men verkrijgen via een opslag op de huur van commerciële panden. Een nadeel van deze vorm van fondsvorming via een huuropslag is dat niet alle partijen meedoen. Het eigendom van het zakelijk onroerend goed in de binnenstad is versnipperd over vele honderden eigenaren. Het verkrijgen van 100% organisatie en 100% meebetalen via de huur, moet in de binnenstad onmogelijk worden geacht. In p erifere winkelcentra of bedrijfsterreinen heeft dit instrument meer kans van slagen. De gedachte is om aan de hand van kadastrale gegevens in elk geval de grotere eigenaren van onroerend goed op te sporen en uit te nodigen voor toetreding tot een Verenigin g van Eigenaren. In tal van steden bestaat een dergelijke vereniging al – in de praktijk dus enkele tientallen leden groot; de verenigingen zijn gesprekspartner voor de gemeente, de politie, ondernemers en andere partijen die invloed hebben op de waarde van hun eigendom op de langere termijn. Na verloop van tijd kunnen afspraken over fondsvorming via een huuropslag op de agenda komen. 4.8 Heffing door product- en bedrijfsschappen

Productschappen zijn georganiseerd voor bedrijven die zich bezighouden met een bepaald product. Zo zijn er bijvoorbeeld productschappen voor zuivel vis- en tuinbouwproducten. Bedrijfschappen zijn georganiseerd voor , bedrijven die dezelfde economische functie hebben. Zo zijn er bijvoorbeeld bedrijfschappen voor detailhandel, horeca, ambacht en afbouw. De bevoegdheid voor bedrijfslichamen om heffingen op te leggen is gebaseerd op art. 126 lid 1 van de Wet op bedrijfsorganisatie. De taken die de bedrijf- en productschappen moeten uitvoeren staan in de WBO art. 66 v. beschreven. De activiteiten kunnen zonder collectieve financiering niet op een zinvolle schaal tot stand worden gebracht. Op basis van deze artikelen in de wet kunnen ondernemers worden verplicht heffingen te betalen aan bedrijf- en productschappen. Een groot nadeel is dat een heffingsmogelijkheid op deze wijze terechtkomt bij de bedrijfsschappen die niet gebiedsgericht georganiseerd zijn. Dat is anders dan bij gemeenten en Kamers van Koophandel. Een gebiedsgerichte heffing door product- of bedrijfsschappen behoort niet tot de mogelijkheden en een dergelijke inhoudelijke inbreng wordt ook niet tot de taken van de product- of bedrijfschappen gerekend. 4.9 Heffing door Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)

Het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) is in 1956 ingesteld als een publiekrechtelijk samenwerkingsverband van ondernemers- en werknemersorganisaties in de detailhandel. De publiekrechtelijke organisaties (zoals het Hoofdbedrijfschap Detailhandel) kennen geen leden. Doordat men een bedrijf uitoefent in een sector waarvoor een publiekrechtelijk orgaan bestaat, valt men automatisch onder de regels van die instelling. Overigens niet zonder zeggenschap; de werkgevers- en werknemersorganisaties benoemen de bestuursleden. Als sectorinstituut ondersteunt het HBD de gehele detailhandel. De activiteiten van het HBD

34

worden betaald door alle ondernemingen in de detailhandel. Dat is een wettelijke verplichting. De heffing van het HBD wordt opgelegd op grond van de ‘Heffingsverordening HBD 2005’. Conclusie Net als bij gemeenten zijn de heffingsmogelijkheden van de bedrijfschappen strikt gelimiteerd. Een gebiedsgerichte heffing behoort niet tot de mogelijkheden en een dergelijke inhoudelijke inbreng wordt ook niet tot de taken van de bedrijfschappen gerekend. Men heeft al eerder voorgesteld om het HBD een bepaalde heffing onder ondernemers te laten heffen. Er was destijds dermate veel weerstand onder ondernemers dat is besloten om hier voorlopig verder van af te zien. Het HBD is tevens geen overkoepelende organisatie voor alle ondernemingen. Daarmee raakt een heffing van het HBD niet alle ondernemers. 4.10 Wet Gemeenschappelijke Regelingen (WGR)

De Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) biedt voorbeelden van gemeenschappelijke regelingen tussen gemeenten, provincies, waterschappen. Daarin kunnen naast overheden ook andere rechtspersonen participeren. De mogelijkheid om derden te binden aan collectieve afspraken is in het recht niet onbekend. Bijvoorbeeld de mogelijkheid CAO’s algemeen verbindend te verklaren, of de mogelijkheid om appartementseigenaars te binden aan de besluitvorming over gezamenlijke investeringen. De mogelijkheid om derden te binden aan collectieve afspraken is niet onbekend in het recht, maar de Minister van Justitie is van mening dat de toepassing van die mogelijkheid voor freeriders ingrijpende wetswijzigingen vergt. Gegeven het belang van de veiligheid op bedrijventerreinen en in winkelgebieden is de Minister van Justitie bereid twee varianten daarvoor nader te onderzoeken, namelijk; • verruiming van het bestaande wettelijk instrumentarium voor gemeenschappelijke regelingen. • de mogelijkheid van wetgeving naar analogie van de verplichting van appartementseigenaars zich te conformeren aan de besluitvorming over gezamenlijke investeringen. 4.11 Gebruiksvergunning

De burgemeester van Eindhoven heeft geopperd freeriders via het vergunningenstelsel aan te pakken. Hij doelde met name op de gebruiksvergunning. De gebruiksvergunning geeft met name voorschriften voor het beperken van de kans op brand, het beperken van de gevolgen van brand en het vluchten uit een gebouw bij brand. Deze voorschriften worden vertaald naar bouwkundige tekeningen en als voorwaarden in de vergunning opgenomen. De voorschriften worden bepaald door de gemeente op advies van de brandweer. De brandweer controleert de naleving van de gebruiksvergunning. Een gebruiksvergunning is nodig als er sprake is van grotere risico’s. Bijvoorbeeld wanneer er grote groepen mensen gelijktijdig gebruikmaken van een pand of bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. De verantwoordelijkheid voor het veilig gebruik van een bouwwerk of inrichting ligt bij de gebruiker van het pand. Dit is dus ook degene die de gebruiksvergunning bij de gemeente moet aanvragen. De gebruiker is de persoon of de organisatie die een bepaald gebouw voor een bepaald doel gebruikt of exploiteert. De gebruiker kan dus de eigenaar zijn maar ook de huurder. De vergunningsplicht geldt voor nieuwbouw, voor bestaande bouw en voor tijdelijke bouwwerken. Soms kan de vergunningsplicht ontstaan bij wijziging van het gebruik. Voor nieuwbouw of bij wijziging van het gebruik van een bestaand pand moet de vergunning worden aangevraagd vóór de ingebruikname van het pand. Voor bestaande bouwwerken zal de gemeente de eigenaren of huurders van vergunningplichtige gebouwen aanschrijven en bezoeken. Via de gebruiksvergunning mogen gemeenten ambtshalve aanvullende eisen/voorwaarden/voorschriften opleggen. Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning weigeren of verlenen onder voorwaarden. Tegen het besluit of de voorwaarden, kan een bezwaarschrift worden ingediend. Conclusie gebruiksvergunning De gebruiksvergunning als oplossingsmogelijkheid voor freeridersproblematiek is naar mijn mening minder geschikt. Er zijn een aantal beperkingen. Een gebruiksvergunning is niet op alle bouwwerken of inrichtingen vereist en wordt niet periodiek/jaarlijks uitgegeven. Indien men hier een belasting c.q. heffing aan wil koppelen zal deze zeer selectief werken. Met de gebruiksvergunning worden namelijk niet alle ondernemingen bereikt. Men kan via de gebruiksvergunning niet alle ondernemers verplichten tot deelname of bijdrage aan collectieve voorzieningen. Op deze wijze blijft de freeridersproblematiek bestaan.

35

Voor de gebruiksvergunning betaalt men leges voor de geleverde dienst. Het zal een ingrijpende wetsverandering vereisen om aan de gebruiksvergunning een verplichte belasting te koppelen. Volgens de afdeling belastingen van de gemeente Eindhoven zijn er de nodige juridische beperkingen om aan de gebruiksvergunning een belasting te koppelen teneinde collectieve ondernemersinitiatieven tot stand te brengen. Het niet verlenen van de gebruiksvergunning heeft grote gevolgen voor de ondernemer. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemende lijkt het me niet rechtvaardig om aan bestaande bedrijven die aan alle eisen en voorwaarden voldoen, ineens aanvullend een extra verplichte belasting te laten betalen. Belangrijk uitgangspunt is dat gemeentelijke heffingen/belastingen uitsluitend mogen worden ingezet op de wijze zoals is voorgeschreven en ten behoeve van het voorgeschreven doel. De gebruiksvergunning heeft een individueel karakter en dient controlerend te zijn op individueel bedrijfsmatig niveau. Het past dan ook niet binnen deze vergunning om verplicht een belasting te heffen voor collectieve voorzieningen. Er zal rekening gehouden moeten worden met de gevoeligheid en wantrouwen van ondernemers ten opzichte van heffingen en belastingen. Gezien de huidige werking en doelstelling van de gebruiksvergunning lijkt het draagvlak voor deze oplossingsmogelijkheid onder ondernemers niet voldoende. Het is te betwijfelen of er een sterke juridische basis is voor koppeling van een belasting ten behoeve voor collectieve voorzieningen aan de gebruiksvergunning. 4.12 Subsidieregeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties (AUB)

De regeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties vloeit voort uit het Actieplan Veilig Ondernemen, een gezamenlijk project van de ministeries van EZ, Justitie en Binnenlandse Zaken en van VNO-NCW, MKBNederland en het Verbond van Verzekeraars. De subsidieregeling AUB richt zich op bedrijventerreinen en winkelgebieden waar de onveiligheid een acute bedreiging vormt voor betrokkenen. Gemeenten kunnen samen met minimaal twee ondernemers en andere lokale partners subsidie aanvragen voor projecten. Het doel is de ernstige criminaliteit op een bedrijfslocatie met minimaal 25% in drie jaar terug te dringen. Daarmee geeft EZ tevens invulling aan de in het Actieplan Bedrijventerreinen aangekondigde pilot preventie criminaliteit. Vier winkelgebieden en vijf bedrijventerreinen krijgen als eerste subsidie via de regeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties. Met de subsidies is een bedrag van € 1,5 miljoen gemoeid. De subsidie bedraagt per project een derde van de subsidiabele kosten met een maximum van € 225.000. In Eindhoven heeft het Winkelcentrum Haagdijk met 48 bedrijven een subsidie van circa € 195.000,ontvangen. Het probleem is hier dat men overlast heeft van verslaafden, diefstal, tasjesroof, inbraak en bedreigingen. Mede door de subsidie kunnen maatregelen als stadswachten, inzet professionele hulpverleners, fysieke maatregelen zoals verlichtin g, meer groen en camera’s worden gerealiseerd. In Son en Breugel heeft het bedrijventerrein Ekkersrijt met 301 bedrijven een subsidie van € 188.593,ontvangen. De problemen zijn diefstallen uit bedrijven, uit auto’s en vernieling. Met behulp van de subsidie kunnen maatregelen worden genomen. Op het gebied van sociale veiligheid en security awareness zorgt men voor meer verlichting en groen. Op organisatorisch niveau kan de communicatie worden verhoogd, denk aan een gebiedsmanager en verbetering van alarm opvolging. Tevens kan een permanente of tijdelijke/ flexibele afsluiting van de toegangswegen worden gerealiseerd. Daarnaast kan door middel van het aanbrengen van camera’s een 24 uurs camera observatie worden bereikt. Conclusie Subsidieregeling Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties (AUB) Subsidieverstrekking is geen structurele oplossing voor het freeridersprobleem. Echter kan wel de veiligheidssituatie op bedrijventerreinen en winkelgebieden worden verbeterd door maatregelen die wellicht zonder subsidie niet tot stand zouden zijn gekomen. De subsidie bedraagt een derde van de totale kosten. Dit houdt in dat de overige kosten gezamenlijk door de overige actoren wordt opgebracht. Daarmee kan de subsidie een steun in de rug zijn en een stimulans voor verdere samenwerking.

36

4.13 Matrix Criteria/Mogelijkheden In onderstaande matrix zijn de mogelijkheden tot aanpak van de freeridersproblematiek beoordeeld aan de hand van de criteria. Het blijkt dat binnen de huidige regelgeving de OZB het meest voldoet aan de criteria. Buiten de huidige regelgeving geeft de Business Improvement District voldoende perspectief om tot een goede aanpak van de freeridersproblematiek te komen.

Criteria Opbrengsten uit heffing/belasting zijn substantieel Passend binnen doelstelling van de werkelijke regeling Gebiedsgericht heffen Gebiedsgericht terugsluizen

Eenduidige grondslag

Periodiek/ meerjarig

Precariobelasting Baatbelasting OZB-Belasting BID-Belasting Heffing door KvK Heffing door bedrijfsschap Gebruiksvergunning Positief Negatief Twijfelachtig

Mogelijkheden

+ + + -

+ + + + + + -

+/+/+/+ +/+/-

+ + + + + + +/-

+/+/+ +/+ +/-

+ + +/+/-

+ + -

+ +/-

Conclusie

37

5

Conclusies en aanbevelingen

Aan de hand van de voorgaande hoofdstukken uit deze rapportage zijn onderstaande conclusies en aanbevelingen opgesteld. Verplichte deelname aan collectieve regelingen op nieuwe bedrijventerreinen en winkelcentra Op nieuwe bedrijventerreinen en winkelcentra kan deelname aan collectieve regelingen juridisch worden verplicht in de verkoop of huurovereenkomsten. Hierdoor wordt deelname gegarandeerd en is freeridersgedrag niet mogelijk. Op nieuwe bedrijventerreinen wordt inmiddels vrijwel zonder uitzondering een verplichte vorm van parkmanagement ingevoerd. Nieuwbouwwinkelcentra kennen een beheerstructuur waarbij in het huurcontract de verplichting is opgenomen een bijdrage te betalen voor beheer en promotie. Het verdient aanbeveling dat de gemeente reeds bij de ruimtelijke planvorming aandacht besteedt aan de mogelijkheden voor verplichte deelname aan collectieve samenwerking zoals parkmanagement en centrummanagement. Bij de uitgave van terreinen is het aan te bevelen dat de gemeente in de vestigingsvoorwaarden deelname aan een collectief samenwerkingsverband verplicht. Verplichte deelname aan collectieve regelingen op bestaande bedrijventerreinen en winkelcentra (panden in eigendom één of enkele eigenaren) Op bestaande locaties waar alle panden in eigendom zijn bij één of enkele eigenaren kan de eigenaar nieuwe huurders via de huurovereenkomst een verplichting tot deelname aan collectieve beveiliging opleggen. Bij deze optie vergt het wel enige tijd voordat de locatie gevrijwaard is van freeriders, aangezien in veel gevallen gewacht zal moeten worden tot freeriders vertrekken en nieuwe huurders hun plaats innemen. Het verdient de aanbeveling de eigenaren van panden te verenigen in een Vereniging van Eigenaren. Deze vereniging van eigenaren kan dan besluiten door een huuropslag van commerciële panden de gebruikers te verplichten bij te dragen aan financiering van collectieve ondernemersbelangen. Verplichte deelname aan collectieve regelingen op bestaande bedrijventerreinen en winkelcentra (panden in eigendom verschillende eigenaren). Het freeridersprobleem profileert zich sterk op bestaande bedrijventerreinen en winkelgebieden met verschillende eigenaren. Om deze freeriders verplicht te laten bijdragen aan financiering van collectieve ondernemersbelangen is een verplichte maatregel nodig. De gemeente lijkt de meest aangewezen organisatie te zijn om een verplichte heffing/belasting op te leggen aan ondernemers om collectieve ondernemersbelangen als collectieve beveiliging te financieren. Zo kunnen binnen de huidige wet- en regelgeving de OZB, precario en baatbelasting worden ingezet ter financiering van een fonds voor collectieve ondernemersbelangen. Door het verplichtende karakter dragen deze belastingen bij aan de oplossingen voor de freeridersproblematiek. Buiten de huidige wet- en regelgeving lijkt het Business Improvement District de meest kansrijke methode om tot een sluitende oplossing te komen in de toekomst. Onroerend Zaak Belasting In termen van opbrengsten en bewegingsruimte is de OZB-systematiek geschikt voor fondsvorming. De huidige wet- en regelgeving van de OZB blijkt voor veel gemeenten onvoldoende ruimte te bieden voor bijvoorbeeld een Fondsvorming zoals in Leiden. De beperking van de tariefstijging OZB belasting voor niet-woningen tot de inflatie maakt initiatieven als dat in Leiden formeel niet, maar feitelijk wel onmogelijk. Veel gemeenten alsook Eindhoven hebben onvoldoende financiële ruimte om een extra opslag op de OZB te heffen teneinde collectieve maatregelen te financieren. Leiden is de lobby gestart om uitzonderingen toe te staan aan de voorgestelde maximering indien locale ondernemersverenigingen dit aangeven. Een stevig eigen belastinggebied is essentieel voor het gemeentelijk bestuur. Om maatwerk oplossingen te leveren is een bepaalde lokale autonomie wenselijk. Daaruit volgt dat op lokaal niveau een democratisch gelegitimeerde afweging gemaakt moet kunnen worden over de uitvoering van taken en lokaal noodzakelijk geachte investeringen. De regering laat die ruimte niet en kiest voor een Top-Down benadering. Het verdient de aanbeveling ruimte te laten aan het locale overleg tussen ondernemers en gemeente om langs democratische spelregels middelen beschikbaar te blijven stellen voor de gewenste collectieve investeringen.

38

Door uitzonderingen toe te staan aan de voorgestelde maximering kan een gemeenteraad met een extra opslag op de OZB een fonds voeden, waaruit collectieve belangen van ondernemers gefinancierd worden. Er is landelijk veel belangstelling voor de wijze waarop Leiden door middel van een verhoging van de OZB-belasting een fondsvorming collectieve ondernemersbelangen heeft gerealiseerd. Minister Remkes onderzoekt of een uitzondering op de wet OZB kan worden gemaakt om op deze wijze via een extra opslag op de OZB heffing collectieve ondernemersbelangen te financieren en de freeridersproblematiek aan te pakken. Er zal daarom moeten worden gekeken naar uitbreiding van de wettelijke mogelijkheden. De insteek Bottum-Up zou hierbij leidend moeten zijn. Een uitstekend praktijkvoorbeeld in deze is Leiden. Op voorspraak van de locale ondernemers heeft de gemeente in Leiden een extra verhoging van de OZB ten behoeve van de financiering van het fonds collectieve ondernemersbelangen gerealiseerd. Voorwaarde is dat de baten ten goede komen aan door de ondernemers zelf gedefinieerde doelen van collectief belang. Tevens die nt het beheer uitsluitend onder de ondernemers zelf te zijn. Laat een verplichte heffing bij voorkeur op verzoek van een vereniging tot stand komen. Het is aan te bevelen in de wet een uitzondering mogelijk te maken op de maximering van de tariefstijging tot de inflatie per individuele gemeente. Binnen het huidig wettelijk kader voldoet het Leids OZB-model het meest aan de opgestelde criteria maar is niet geschikt om ongewijzigd landelijk in te voeren, situatie en omgevingsfactoren in Leiden verschillen bijvoorbeeld te sterk met die van Eindhoven. In tegenstelling tot Leiden kent de gemeente Eindhoven en regio veel meer perifere gebieden met veel solitair gevestigde ondernemingen. Dit maakt de organisatie van de opbrengsten en uitgaven veel moeilijker en minder effectief. Er is behoefte aan een gebiedsgewijs in te zetten heffingsinstrument ter financiering van gebiedsgerichte collectieve voorzieningen die alle ondernemers in dat gebied verplicht bij te dragen. Het is echter binnen de huidige OZB wetgeving niet mogelijk een extra verhoging van de OZB voor bepaalde gebieden in te stellen. Het verdient de aanbeveling de OZB-belasting zodanig wettelijk aan te passen zodat het mogelijk wordt een extra verhoging van de OZB voor bepaalde gebieden in te stellen. Hie rvoor dient een actieve lobby door verschillende actoren zoals het RPC, NPC, VNG, G8, KvK, MKB, HBD gevoerd te worden. Precariobelasting Het is mogelijk een extra verhoging van de precariobelasting voor bepaalde gebieden in te stellen. Precariobelasting kan de gemeente echter alleen inzetten op winkelcentrumgebieden en niet elke belanghebbende is verplicht precariobelasting af te dragen. Tevens heeft precariobelasting een vrij beperkte opbrengst. Echter meer continue zaken als collectieve beveiliging vergen een groter financieel kapitaal. Om precariobelasting te heffen voor beveiliging van openbare ruimte dient voldoende draagvlak onder ondernemers te zijn, omdat de link van precario met beveiliging van openbare ruimte juridisch zwak is. Het is aan te bevelen precariobelasting alleen te heffen op winkelcentrumgebieden voor financiering van concrete zaken als sinterklaasoptocht, kerstverlichting en promotie. Baatbelasting Het is mogelijk een extra verhoging van de baatbelasting voor bepaalde gebieden in te stellen. De baatbelasting is een instrument dat vooral gericht is op de eigenaren van panden. Bovendien wordt elke ondernemer die baat heeft bij een voorziening die door of met medewerking van de gemeente tot stand is gekomen door baatbelasting verplicht hieraan financieel bij te dragen. Deze heffing kan in de huidige vorm echter niet structureel en evenmin voor activiteiten worden ingezet. Structurele ondersteuning van organisaties en activiteiten behoren niet tot het werkgebied van de baatbelasting. De baatbelasting is tevens juridisch en administratief complex daar het in de praktijk vaak lastig is voor de gemeente om de baten voor ondernemers aan te tonen. Het verdient aan te bevelen de baatbelasting enkel in te zetten voor fysieke collectieve maatregelen, waarvan duidelijk de baten voor ondernemers aantoonbaar zijn. Business Improvement District Buiten het huidige wettelijk kader voldoet het Business Improvement District aan vrijwel elk criterium en lijkt daarmee de meest ideale oplossing voor de freeridersproblematiek. Op initiatief van ondernemers uit een bepaald gebied worden gezamenlijke initiatieven vastgesteld. Wanneer minimaal 51% van de ondernemers van het betreffende centrum-/bedrijfsgebied instemt met deze initiatieven kunnen, bijvoorbeeld middels een

39

verhoging op de onroerende zaakbelasting, extra inkomsten worden gegenereerd die door de gemeente volledig ten gunste worden gesteld van de BID (Bottum-Up). Iedereen is dan verplicht om deel te nemen. Om BID tot uitvoer te kunnen brengen dient er een totaal nieuwe belasting te worden geheven en is wetswijziging noodzakelijk. De belasting zal dus wettelijk moeten worden vastgelegd. Het is aan te bevelen een experimenteerartikel in de wet te creëren waardoor men bepaalde initiatieven (Leids OZB model en het BID-concept) kan uitvoeren, monitoren en evalueren. Na vier jaar kan bekeken worden of het Leids OZB-model of het BID-concept ook op andere plaatsen tot een bottom-up versterking van het locale ondernemingsklimaat leidt. Om het BID wettelijk mogelijk te maken dient er een stevige lobby door verschillende overkoepelende actoren zoals KvK, VNG, G8, MKB, VNO/NCW etc. plaats te vinden. Bij ondernemers kan een bepaald wantrouwen ten opzichte van verplichte belastingen en heffingen worden geconstateerd. Ondernemers zijn zeer gevoelig voor veranderingen en wijzingen in het belasting/ heffingenstelsel. Voor een invoering en of verandering van bepaalde belastingen/heffingen is voldoende draagvlak onder individuele ondernemers en kaderorganisaties van groot belang. Indien diverse partijen een samenwerkingsverband aangaan is het van belang dat de diverse actoren hun onderlinge verhouding regelen in een samenwerkingsovereenkomst, met de status van een contract. Het is belangrijk duidelijke uitvoeringsafspraken en outputverplichtingen vast te leggen. In het samenwerkingsovereenkomst/contract wordt aangegeven welke middelen door de diverse partijen beschikbaar worden gesteld en voor welke doeleinden. Daarnaast dient de duur van een heffing te worden vastgelegd waardoor de continuïteit wordt gewaarborgd. Een goed functionerend en georganiseerd samenwerkingsverband vergroot de betrokkenheid, ontwikkelt vertrouwen en creëert draagvlak onder de samenwerkende partijen. Beperk een verplichte heffing tot die uitgaven met een onweersproken algemeen belang om voldoende draagvlak te realiseren en te behouden en draag zorg voor een goed georganiseerd en functionerend samenwerkingsverband. Eindconclusie Het rapport kent als belangrijkste conclusie dat de wetgeving in ons land op dit moment onvoldoende mogelijkheden biedt om het freeridersprobleem via bestuurlijk -juridische maatregelen op te lossen. Een verplichte bijdrage via de OZB is de meest geschikte mogelijkheid indien lokale bestedingsafspraken via een Business Improvement District gemaakt kunnen worden met de organisaties van het bedrijfsleven.

40

Lijst van gebruikte afkortingen APV Art. AUB BID BW CCV CML COT Gem. wet HBD IVA KvK KVO KVU Min. BZK Min. V. EZ Min. v. J. MKB NPC NPI O.M. OZB PPS RND RPC SBBB SBBD TUE VBN VCBB VNG VNO NCW VvE WBO WGR WOZ W.O.D.C. WvSr. = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = Algemene Plaatselijke Verordening Artikel Aanpak Urgente Bedrijvenlocaties Business Improvement Districts Burgerlijk Wetboek Centrum voor Criminaliteitsbeheersing en Veiligheid Centrum Management Leiden Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement Gemeente wet Hoofd Bedrijfschap Detailhandel. Instituut voor sociaal-wetenschappelijk beleidsonderzoek en advies met nauwe banden aan de Universiteit van Tilburg Kamer van Koophandel Keurmerk Veilig Ondernemen Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ministerie van Economische Zaken Ministerie van Justitie Midden en Klein Bedrijf Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing Nederlands Politie Instituut Openbaar Ministerie Onroerend Zaak Belasting PubliekPrivate Samenwerking Raad Nederlandse Detaillisten Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Stichting Beveiliging Bedrijventerreinen Breda Stichting Beveiliging Bedrijventerreinen Dordrecht Technische Universiteit Eindhoven Vereniging Bedrijvenparken Nederland Vereniging Collectieve Beveiliging Bedrijventerreinen Vereniging Nederlandse Gemeenten Verbond van Nederlandse Ondernemingen Nederlands Christelijk Werkgeversbond Vereniging van Eigenaren Wet op de Bedrijfs Organisatie Wet Gemeenschappelijke Regelingen Waardering Onroerende Zaken Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum Wetboek van Strafrecht

41

Literatuurlijst Boek Baarda & de Goede.( 2001). Onderzoeksmethodieken. Groningen: Wolters-Noordhoff. Geul, A. (2005). Beleidsconstructie, coproductie en communicatie zes beproefde methodieken van beleidsontwikkeling.Utrecht: Lemma. Artikel Schapers, M.( 2005). Wel profiteren, niet meebetalen. Freeridersgedrag zorgt voor ergernis. RetailTrends. augustus 2005. Schuurmans, A.G.M. (2005). Ondernemers willen extra heffing. Business Park magazine. februari 2005. Seebus, J. (2005). Ondernemers pleiten voor verhoging OZB. Financieel Dagblad. 23 juni 2005. Seebus, J. (2005). Nooit vertoond: bedrijf wil meer belasting. Financieel Dagblad. 23 juni 2005. Visee, F. (2005). Geef de gemeenteraad de ruimte. Business Park magazine. juli 2005. Rapportage Bodewes, J. & KvK Rijnland. (2004). Versterken van winkeliersverenigingen in Rijnland “100 % deelname”. Leiden januari 2004. Centum Management Leiden. ( 2004). Rapportage Fondsvorming collectieve ondernemersbelangen Leiden. Leiden januari 2004. Centrum Management Leiden. ( 2004). Memo fondsvorming centrummanagement. Leiden december 2004. Decisio. (2004). Freeridersproblematiek en –oplossingen. Naar structurele collectieve beveiligingsmaatregelen voor bedrijven en winkels. Den Haag november 2004. Kamer van Koophandel Rijnland. (2004). Notitie baten fondsvorming. Leiden september 2004. Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. (2004). Actieplan Veilig Ondernemen 1. Den Haag januari 2004. Nationaal Pla tform Criminaliteitsbeheersing. (2005). Actieplan Veilig Ondernemen 2. Den Haag mei 2005. Projectgroep Freeriders Ministerie van Justitie. (2005). Plan van aanpak Freeriders. Den Haag februari 2005. RPC Zuidoost Brabant.( 2004). Convenant Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Zuidoost Brabant. Eindhoven mei 2004. RPC Zuidoost Brabant.( 2004). Ondernemingsplan Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Zuidoost Brabant. Eindhoven november 2004. Van Hattum, S.( 2005). Verslag Congres Veilig Ondernemen in Noord Brabant. Eindhoven juni 2005. Internet www.binnenstadsmanagement.nl www.brabant.nl www.ccv.nu www.dsp-groep.nl www.decisio.nl www.eu.nl www.ilv.nl ondernemen www.intraval.nl www.IVA.nl nauw www.justitie.nl www.kvk.nl www.minbzk.nl www.mkb.nl www.npc.nl www.overheid.nl Platform Binnenstadsmanagement Provincie Noord-Brabant sectie werkenàbedrijventerreinen Centrum voor Criminaliteitsbeheersing en Veiligheid Onafhankelijk onderzoeks, advies en managementbureau Economisch beleidsonderzoek en advies Site Vertegenwoordiging van de Europese Commissie in Nederland Rubriek subsidies Informatiepunt Lokale Veiligheid veiligheidsthema’s, veilig Bureau voor Onderzoek en advies Wetenschappelijk instituut voor beleidsonderzoek en advies dat gelieerd is aan de Universiteit van Tilburg Sectie veiligheid Kamer van Koophandel Sectie Veiligheid Midden en Klein Bedrijf Nederland Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing

42

www.openbaarministerie.nl www.politie.nl www.researchvoorbeleid.nl www.sbbd.nl www.sbbb.nl www.tilburg.kvk.nl en www.breda.kvk.nl www.vcbb.nl www.veiligondernemen.nl www.VNO-NCW.nl www.wetboek-online.nl www.wodc.nl

o.a. secties Beleidsregels, Publicaties en Persberichten Sectie Preventie Onafhankelijk allroundbureau voor beleidsonderzoek Stichting Bedrijventerreinen Dordrecht Stichting Bedrijventerreinen Breda Rubriek veilig ondernemen Vereniging Collectieve Beveiliging Bedrijventerreinen Samen Veilig Ondernemen Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum

43

Bijlage 1 Organisatiestructuur en doelstellingen Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing Oost-Brabant Organisatiestructuur Het platform RPC bestaat uit de voorzitter, de algemeen directeur van de Kamer van Koophandel, de korpsbeheerder, de fungerend hoofdofficier, de korpschef van de politie, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven alsmede een van de directeuren van het Eindhovens Dagblad. Ter ondersteuning en beleidsmatige uitwerking bedient het RPC zich van een uitvoeringsorganisatie. Deze organisatie wordt aangestuurd door de accountmanager veiligheid, afkomstig van Politie Brabant Zuid-Oost, de heer P.J.H.G. (Peter) van den Ende MPA ba. De KvK Oost-Brabant zorgt voor huisvesting en facilitaire ondersteuning van de uitvoeringsorganisatie en een ambtelijk secretaris, de heer mr. W.M.M. (Theo) van Hattum. Het Regionaal Platform Criminaliteitsbeheersing is een relatief kleine projectorganisatie. De werkzaamheden worden verricht door twee personen c.q. anderhalf FTE. De organisatie heeft wel een groot omspanningsvermogen in de markt c.q. publiek domein. De organisatie zoekt nauwe samenwerking met haar betrokken partners, actoren en haar doelgroep. Verantwoordelijk voor de coördinatie van het geheel is de heer P. van den Ende. Hij is gedetacheerd vanuit politieregio Brabant Zuid-Oost om het RPC op te zetten en te coördineren. De organisatie bevindt zich op de scheidslijn van privaat en publiek domein. Het is een publiek/private organisatie met o.a. banden aan het ministerie van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Economische Zaken. Doelstellingen • • • • • • • Het bestuderen en analyseren van criminaliteitsproblemen, die de Nederlandse samenleving en in het bijzonder het bedrijfsleven en instellingen in Nederland bedreigen. Het in de breedste zin versterken van de beveiligingsfunctie van bedrijven en instellingen. Het bijdragen aan een effectieve preventie en rechtshandhaving met betrekking tot tegen het bedrijfsleven gerichte criminaliteit, onder meer door pilot-projecten. Het bevorderen van de onderlinge samenhang tussen de beveiligings en -rechtshandhavinginspanningen van de overheid ter vergroting van hun doelmatigheid en effectiviteit. Het bevorderen van onderlinge samenhang tussen de beveiligingsinspanningen van het bedrijfsleven en van de overheid. Dit gebeurt ter verhoging van de doelmatigheid en effectiviteit door onder andere prioriteitsstelling, advisering, voorlichting en initiëren van publiekprivate samenwerkingsprojecten. Het versterken van de beveiligingsfunctie van bedrijven en instellingen door onder meer advisering, deskundigheidsbevordering en voorlichting. Het mede ontwikkelen, vormgeven en implementeren van initiatieven op het gebied van integrale veiligheid ten behoeve van het bedrijfsleven.

44