Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden, groene schakel in de randstad

Vastgesteld 20 februari 2002

ruimtelijke ordening

Regionaal Structuurplan Haaglanden
Haaglanden, groene schakel in de randstad

Vastgesteld 20 februari 2002

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave
H1 Het formele kader
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Karakter en voorbereidingsprocedure De relatie met andere plannen Sturingsmogelijkheden en toetsingskader Soorten besluiten De afwijkings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden 6 8 9 10 10

H2

Haaglanden in ontwikkeling
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 Beleidsuitgangspunten Haaglanden op de kaart Ruimte voor werken Wonen, het aanbod afstemmen op de vraag Voorzieningen Het groene casco Het verkeers- en vervoernetwerk Duurzaamheid, leidraad voor de toekomst Ontwikkelingsopgave Waterbeheer 12 14 18 24 27 33 39 47 50 53 37

2.10 Doorkijk 2010-2020 2.10 Doorkijk 2010-2020

H3

Ontwikkelingen in specifieke gebieden
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 Herstructurering stedelijk gebied Het Westland De Harnaschpolder/Sion/’t Haantje De Vlietzone en A12 zone Omgeving Pijnacker De kleinere glastuinbouwgebieden De bufferzones en het Groene Hart 62 63 67 69 70 72 73

2/3

H4

Uitvoeringsprogramma
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 Inleiding Uitvoeringsafspraken ‘projectgebieden’ Woningbouw Kantorenlocaties, bedrijventerreinen en detailhandelvoorzieningen Infrastructuur Glastuinbouw Groenontwikkeling Financiële aspecten 76 76 77 77 79 81 82 84

H5

Concrete beleidsbeslissingen en uitwerkingsbevoegdheden
5.1 5.2 5.3 Inleiding Concrete beleidsbeslissingen Uitwerkingsbevoegdheden 88 88 88

Bijlagen
Bijlage A: Verklaring bij de legenda van de bijgevoegde plankaart Bijlage B: Tabellen Bijlage C: Procedures van afwijking, herziening en uitwerking 92 95 106

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Het formele kader

1.1 Karakter en voorbereidingsprocedure
1.1.1 Inleiding
In de regio Haaglanden spelen vele actuele en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Door verschillende overheden zijn er plannen in voorbereiding, die op regionale schaal in een kader moeten worden gebracht. Ook zijn er verschillende ruimtelijke thema’s in discussie, zoals in het verband van de voorbereiding van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het stadsgewest Haaglanden brengt in dit regionaal structuurplan (RSP) veel van de actuele plannen en beleidsvoornemens van rijk, provincie en gemeenten in onderlinge samenhang, maar kan daarbij niet compleet zijn, omdat ook bij andere overheden plannen voortdurend in ontwikkeling zijn. Het RSP doet uiteraard meer. Het geeft de opvattingen van het stadsgewest over de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen aan. De stedelijke ontwikkelingen worden in verband gebracht met het te behouden en te verbeteren groen en met de bereikbaarheid. Ook voor de langere termijn worden ontwikkelingsrichtingen aangegeven, omdat het nodig is om voor de korte en middellange termijn verantwoorde keuzes te kunnen maken en om te laten zien hoe de regio zich in de verdere toekomst zal gaan ontwikkelen. Dat gebeurt met de best beschikbare kennis van dit moment. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen over tien jaar en zelfs daaraan voorafgaand veranderen. Daarom moet het RSP worden gezien als een ontwikkelingsplan, dat inspeelt op plannen van andere overheden. De inhoud staat bij het RSP voorop, maar het RSP heeft ook een wettelijke grondslag. Op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is een regionaal openbaar lichaam, gebaseerd op de Kaderwet bestuur in verandering, verplicht een regionaal structuurplan vast te stellen. Dat geldt dus ook voor het stadsgewest Haaglanden. Een regionaal structuurplan beschrijft de toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Daarnaast zijn, overeenkomstig wettelijk is voorgeschreven, concrete beleidsbeslissingen opgenomen over de locatie van projecten of voorzieningen van regionaal belang. Dit RSP omvat: s een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling (de planbeschrijving) met toelichting en een uitvoeringsprogramma; s de plankaart. Bij dit RSP behoort tevens, separaat uitgegeven: s een rapportage van het overleg ex artikel 21a van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) over het ‘Voorontwerp RSP van december 1997’ vastgelegd in een ‘Nota van Beantwoording september 1998’ met aangepaste inleiding vanwege het ‘Voorlopig ontwerp RSP 23 mei 2001’; s een rapportage van de inspraak alsmede de adviezen van de stadsgewestelijke gemeenteraden over het ‘Voorlopig ontwerp RSP 23 mei 2001’ vastgelegd in een ‘Nota van Beantwoording 31 oktober 2001’; s een ‘Nota van reacties op de zienswijzen 23 januari 2002’, naar aanleiding van de ter visie legging van het ‘Ontwerp RSP 31 oktober 2001’. Voor het schaalniveau van de plankaart is gekozen 1:50.000 hetgeen aansluit op de schaal van het vigerende streekplan. De legenda van de plankaart maakt het niet nodig om de in het artikel 21 BRO aangegeven kaartschaal van 1:25.000 te hanteren.

1.1.2 Het plangebied
Het plangebied van het RSP omvat alle veertien gemeenten van het stadsgewest Haaglanden. Dat vloeit niet alleen voort uit het formele werkgebied van het stadsgewest Haaglanden, maar ook uit de inhoudelijke samenhangen.

1.1.3 Intrekking van het structuurplan Westland
Voor het Westland is op 30 januari 1995 door het toenmalige Samenwerkingsorgaan Westland een structuurplan vastgesteld. Dit structuurplan is op 29 november 1995 door het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden overgenomen. Toen is ook besloten dat dit structuurplan geldt totdat het door het algemeen bestuur wordt ingetrokken. Intrekking van het structuurplan Westland vindt plaats tegelijk met de vaststelling, respectievelijk goedkeuring van dit RSP.

6/7
1.1.4 De planperiode
Een regionaal structuurplan wordt, tenzij hiervoor vrijstelling van Gedeputeerde Staten is verkregen, tenminste eenmaal in de tien jaren herzien (artikel 36g. WRO). Het RSP vervalt niet per 2010, maar wordt tegen die tijd herzien. In dit RSP worden de in de regio Haaglanden gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode 2000 tot 2010 concreter vastgesteld, dan voor de periode daarna. De beschrijving van de ontwikkelingen na 2010 hebben meer het karakter van een doorkijk. Tijdens de looptijd van de planperiode 2000 - 2010 zou het noodzakelijk kunnen zijn dat het RSP op onderdelen moet worden bijgesteld of herzien op basis van nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Hiervoor kent het RSP procedures. Gedurende de planperiode kan de doorkijk na verdere uitwerking, overleg en besluitvorming worden verwerkt in het RSP. Hierbij geldt uiteraard de voor een RSP-herziening voorgeschreven procedure. De planperiode 2000 - 2010 valt - in relatie tot de ruimtelijke plannen van rijk en provincie - uiteen in twee onderdelen: s Bij de periode tot 2005 is er inhoudelijk een samenloop met het VINEXuitvoeringsconvenant Haaglanden (1995-2005) en met het streekplan ZuidHolland West. s Bij het in het RSP opgenomen ruimtelijk beleid voor de periode van 2005 tot 2010 is er inhoudelijk een samenloop met de Actualisering van de Planologische Kernbeslissing Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (VINAC), de Uitvoeringsafspraken Verstedelijkingsbeleid 2005-2010, en met de ‘doorkijk’ van het streekplan Zuid-Holland West. Bij de doorkijk voor de periode na 2010 is er een relatie met de in voorbereiding zijnde Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Bij het samenstellen van de doorkijk van het RSP is mede gebruik gemaakt van voorbereidende nota’s voor deze Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

1.1.5 Procedure van overleg, inspraak, vaststelling en goedkeuring
De voorbereiding van het RSP kent vijf fasen. 1. Gedurende de eerste fase is overleg gevoerd met de colleges van Burgemeester en Wethouders van de stadsgewestgemeenten en met diverse andere overheden en belanghebbenden. Deze fase is afgerond bij de ter visie legging van het voorlopig ontwerp. In eerste instantie is aan de hand van de discussienota overleg gevoerd met allerlei instanties hetgeen is vastgelegd in een nota van overleg. Op grond van een voorontwerp RSP hebben gemeenten en instanties gereageerd in het kader van artikel 21 BRO overleg. Deze reacties zijn vastgelegd in een Nota van Beantwoording die met een toelichting separaat ter inzage lag. Het een en ander is verwerkt in het voorlopig ontwerp RSP van 23 mei 2001. 2. Gedurende de tweede fase zijn de raden van de aan het stadsgewest deelnemende gemeenten geraadpleegd en zijn belanghebbenden in het kader van een inspraakprocedure in de gelegenheid geweest opmerkingen te maken. De gemaakte opmerkingen zijn zoveel mogelijk verwerkt in de Nota van Beantwoording van 31 oktober 2001. 3. De derde stap is het ter visie leggen van het ontwerp RSP, waarin de opmerkingen uit de overleg- en inspraakprocedure zijn verwerkt, ter inzage wordt gelegd. Deze openbare voorbereidingsprocedure houdt in dat een ieder gedurende de termijn dat het RSP ter inzage ligt schriftelijk zijn zienswijze over het ontwerp RSP naar voren kan brengen. 4. De vierde fase betreft de vaststelling van het RSP door het algemeen bestuur, gelet ook op de ingediende zienswijzen uit fase drie. 5. Tot slot wordt, als vijfde fase, het RSP na vaststelling ter goedkeuring voorgelegd aan Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland. Beroep is alleen mogelijk, na goedkeuring door Gedeputeerde Staten, tegen de in het RSP opgenomen concrete beleidsbeslissingen.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Het formele kader

1.2 De relatie met andere plannen
1.2.1 Relatie met andere stadsgewestelijke plannen en programma’s
De ruimtelijke consequenties van het vigerende stadsgewestelijke beleid, zoals vastgelegd in het Regionaal Verkeers- en Vervoerplan (RVVP), het Locatiebeleid kantoren en bedrijven en het Regionaal Milieubeleidsplan (RMP), zijn verwerkt in het RSP. Dat geldt, met inachtneming van de nadere standpunten over de Harnaschpolder en de Westlandse Zoom, ook voor het Integraal Ontwikkelingsplan Westland (IOPW). Het RSP is het ruimtelijk integratiekader voor de herziening van bestaande of van nieuwe stadsgewestelijke sectorale plannen en programma’s. Nieuw sectorbeleid wijzigt het RSP niet automatisch. Daarvoor zal een wijzigingsprocedure doorlopen moeten worden. Het RSP legt een bijzonder accent op het gebied van het groen. Hieraan is extra aandacht besteed, omdat een sectoraal plan op dit terrein in Haaglanden nog ontbreekt en omdat het stadsgewest een zekere nadruk wil leggen op de ruimtelijke kwaliteit, die met een veiligstelling en bevordering van het groene karakter van de regio, wordt verkregen.

1.2.2 Relatie met de Vierde en Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.
Het RSP sluit aan bij de Vierde Nota (Extra) over de Ruimtelijke Ordening (VINEX) en de beleidslijnen die op rijksniveau zijn getrokken in het kader van de VINAC, de actualisering van de VINEX. In het kader van de uitvoering van de VINEX is met het rijk en andere partijen overeengekomen dat het stadsgewest bepaalde coördinerende en plannende taken heeft bij de uitvoering van de VINEX. Deze taken zijn wettelijk ook in en door middel van de Kaderwet bestuur in verandering geregeld. In het verlengde hiervan is er een stadsgewestelijk grondkostenfonds ingesteld en zijn er bijvoorbeeld infrastructuurfondsen en stadsgewestelijke subsidieregelingen. Deze lijn wordt ook in de VINAC-periode voortgezet. Het RSP speelt in op nieuwe ruimtelijke thema’s en ontwikkelingen die in het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening aan de orde zijn, zoals het contourenbeleid, de stedelijke netwerken en de knooppunten. Zo geeft de Haaglandse invulling van het verstedelijkingsbeleid voor de periode tot 2010 en tot 2020 een indicatief beeld van de ‘rode contouren’ die in deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zijn voorgesteld. De aanwijzing van duurzame groengebieden in het RSP kan zijn vertaling krijgen naar de ‘groene contouren’ uit het rijksbeleid. In het vaststellingstraject van het RSP zal zoveel mogelijk afstemming plaatsvinden met de beleidsontwikkeling rond de contouren, die bij het rijk op weg naar deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening plaatsvindt. Ditzelfde kan aan de orde zijn bij de nadere definiëring van stedelijke knooppunten en stedelijke netwerken. Daarnaast vonden een drietal ‘Provinciale Verkenningen’ plaats omtrent ‘Glastuinbouw’, ‘Valkenburg/Bollenstreek’, en ‘Zuidplaspolder’. De resultaten van deze verkenningen waren eveneens van invloed op de standpuntbepaling van het stadsgewest Haaglanden en daarmee ook op de invulling van het RSP.

1.2.3 Relatie met het streekplan Zuid-Holland West
Voor de periode tot 2005 spoort het RSP, behoudens enkele reeds herziene gedeelten met het vigerende streekplan Zuid-Holland West. Voor de periode 20052010 treden enkele verschillen op, zoals met betrekking tot het IOPW, de Westlandse Zoom en de Harnaschpolder. Ook de programma’s voor de woningbouw en bedrijventerreinen gaan verder dan het formele streekplan. Het RSP vormt de bijdrage van het stadsgewest Haaglanden aan de herziening van het streekplan Zuid-Holland West.

1.2.4 Relatie met waterbeheersplannen waterbeheerders
De in de regio Haaglanden bevoegde waterbeheerders hebben hun waterbeheersplannen vastgesteld. In overleg met de gemeenten en de regio worden deze plannen uitgewerkt, via onder andere gebiedsgerichte aanpak, waterkansenkaarten, rioleringsplannen, stedelijke waterplannen en calamiteitenplannen, zoals bijvoorbeeld ABC-Delfland. Deze uitwerkingsplannen zijn te gedetailleerd om op te

8/9
nemen in het RSP. Een en ander zal daarom vooral in bestemmingsplannen zijn beslag moeten krijgen. Het duurzaam waterbeheer is wel een belangrijk thema in het RSP. Daarmee is het RSP wel mede kaderstellend voor de maatregelen die uit oogpunt van water kwantiteitsbeheer in de regio noodzakelijk zijn.

1.2.5 Relatie met de gemeentelijke plannen
Het RSP kent als basis de lopende en in voorbereiding zijnde gemeentelijke plannen. Met het oog op de voor de toekomst gewenste ruimtelijke ontwikkelingen zullen verschillende onderdelen van het RSP nog een vervolg moeten krijgen in gemeentelijke bestemmingsplannen en in uitvoeringsbesluiten en -maatregelen. Het RSP biedt voor gemeentelijke plannen een referentiekader om de verdere uitwerking in bestemmingsplannen en uitvoeringsplannen voort te zetten of ter hand te nemen.

1.3 Sturingsmogelijkheden en toetsingskader
1.3.1 Sturingsinstrumentarium
Voor de uitvoering van het RSP is het stadsgewest in belangrijke mate afhankelijk van de initiatieven van andere overheden, waaronder zeker ook de gemeenten, en van het particuliere initiatief. Het stadsgewest is slechts op een beperkt aantal onderdelen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van regionale railinfrastructuur, een daadwerkelijk uitvoerende organisatie. Uiteraard staat voorop dat uitvoering van het RSP door de aan het stadsgewest Haaglanden deelnemende gemeenten bij voorkeur op basis van draagvlak tot stand moet komen. Daarnaast zal het stadsgewest de uitvoering zoveel mogelijk stimuleren met behulp van de (financiële en sectorale) middelen, die het stadsgewest ter beschikking staan. Deze middelen zijn en komen onder meer in het kader van het VINEX-uitvoeringsconvenant, de nadere afspraken in aansluiting op de VINAC, het Mobiliteitsfonds stadsgewest Haaglanden 1999, het Regiofonds Bereikbaarheidsoffensief Haaglanden 2001, de wettelijke taken op het vlak van het openbaar vervoer, en dergelijke beschikbaar. Het stadsgewest gaat ervan uit dat, zoals in deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is opgenomen, het stadsgewest Haaglanden in de Randstad een taak zal blijven vervullen bij de regionale samenwerking, die nodig is bij de uitvoering van het rijksbeleid in dit deel van de Randstad, respectievelijk Deltametropool en dat ook voor de langere termijn op uitvoeringsmiddelen en instrumentarium kan worden gerekend. In formele zin zijn er ook nog andere sturingsmiddelen. Op basis van de Regeling stadsgewest Haaglanden 1995 zijn gemeenten gehouden om medewerking te verlenen aan de uitvoering van besluiten van het stadsgewest. Indien dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende gebeurt kan, nadat een gemeente eerst in de gelegenheid is gesteld alsnog medewerking te verlenen, het dagelijks bestuur het besluit ten laste van de gemeente zelf uitvoeren. Ook zou het stadsgewest gebruik kunnen maken van het grondbeleidinstrumentarium, zoals is vastgelegd in de Regeling stadsgewest Haaglanden 1995. Louter en alleen op basis van de WRO heeft het stadsgewest zelf geen formele bevoegdheden om op basis van het RSP interventies te kunnen plegen of weigerachtige gemeenten te dwingen. Dat is in de WRO voorbehouden aan de minister van VROM en aan Gedeputeerde Staten. Het dagelijks bestuur is wettelijk wel bevoegd Gedeputeerde Staten te verzoeken, gemeenten een aanwijzing op grond van het regionaal structuurplan te geven.

1.3.2 Toetsingskader
Gedeputeerde Staten zijn en blijven wettelijk het bevoegde gezag voor goedkeuringen van bestemmingsplannen en voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar ex. artikel 19 en artikel 46 van de WRO.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Het formele kader

10
De wetgever kent echter aan een goedgekeurd regionaal structuurplan een bijzondere positie toe. Ingevolge artikel 36l van de WRO dienen Gedeputeerde Staten bij goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen rekening te houden met het RSP. Indien er strijdigheid is met het regionale structuurplan moeten Gedeputeerde Staten aan het dagelijks bestuur van het stadsgewest advies vragen over: s of het RSP moet worden gewijzigd en het betreffende bestemmingsplan plan vooruitlopende daarop kan worden goedgekeurd; of dat s goedkeuring moet worden onthouden wegens strijd met het RSP. Hiermee is nog eens het belang weergegeven van een goede afstemming tussen het RSP en het gemeentelijke ruimtelijke beleid.

1.4 Soorten besluiten
Het RSP wordt in zijn geheel vastgesteld. Echter niet alle uitspraken die in het RSP gedaan worden, hebben een even hard karakter. Bovendien is het van belang, om in te kunnen spelen op de ontwikkelingen en nieuwe inzichten, aangezien het RSP een lange looptijd kent. Daarom worden er in het RSP drie soorten besluiten of hardheden onderscheiden:
Concrete beleidsbeslissingen

Het RSP kent een beperkt aantal concrete beleidsbeslissingen. Die beslissingen betreffen met name een aantal contouren die op de tuinbouw en de kernen in Midden-Delfland van toepassing zijn. Deze beslissingen zijn opgenomen gelet op de specifieke betekenis van de glastuinbouw in Haaglanden, zeker ook in het Westland en de betekenis van Midden-Delfland. De concrete beleidsbeslissingen zijn voor alle duidelijkheid apart vermeld in hoofdstuk 5 en opgenomen op de plankaart. De uitvoering van concrete beleidsbeslissingen door de gemeenten is wettelijk verplicht. Afwijking van deze beslissingen is niet toegestaan. Een noodzakelijk gebleken afwijking vereist een (partiële) wijziging van het RSP. Dit is ook gewenst vanuit het oogpunt van rechtsbescherming. Een eenmaal onherroepelijk geworden concrete beleidsbeslissing staat bij verdere procedures, zoals bestemmingsplannen, niet meer open voor bezwaar en beroep.
Kernpunten

Kernpunten van het RSP zijn in de tekst blauw aangegeven en op een lichtblauwe ondergrond geplaatst en behoren naast de concrete beleidsbeslissingen tot de formele planbeschrijving. De uitvoering van kernpunten is belangrijk. Het dagelijks bestuur kan van deze kernpunten afwijken (bijvoorbeeld bij de toetsing van bestemmingsplannen) met inachtneming van de in het RSP aangegeven spelregels.
Indicatieve elementen

Alle onderwerpen die niet zijn aangeduid als een concrete beleidsbeslissing of kernpunt zijn wel belangrijk, maar moeten worden opgevat als een aanbeveling. Het dagelijks bestuur kan (bijvoorbeeld in het kader van de bestemmingsplantoetsing) zelf beslissen of er redenen zijn om van het RSP af te wijken.

1.5 De afwijkings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden
Tijdens de periode 2000 - 2010 kunnen zich nieuwe ontwikkelingen aandienen of kunnen inzichten veranderen. Er wordt tenminste eens per twee jaar een RSPmonitor aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten gepresenteerd, waarin op de voortgang en de eventueel te treffen maatregelen wordt ingegaan. Tussentijdse afwijkingen van het RSP zijn mogelijk, met inachtneming van de te volgen procedure. Ook is voorzien in een uitwerkingsbevoegdheid. De gebieden waarvoor een uitwerkingsbevoegdheid geldt zijn opgenomen in hoofdstuk 5. De procedures, betreffende afwijkings-, en uitwerkingsmogelijkheden zijn vastgelegd in bijlage C. Deze procedures maken formeel onderdeel uit van het RSP.

Haaglanden

in ontwikkeling

2.1 Beleidsuitgangspunten
De ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden is de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Nieuwe grote woonwijken en bedrijventerreinen zijn in aanbouw, de vernieuwing van de binnensteden is volop gaande, de herstructurering van oudere woonwijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwbedrijven is van start gegaan. Het stadsgewest Haaglanden tracht in gelijke tred nieuwe raillijnen en wegen tot stand te brengen. Deze ontwikkelingen getuigen van het beleid dat het stadsgewest nu en de komende jaren voor ogen staat. Kort geformuleerd gaat het om de onderstaande punten. s Het vasthouden van de natuurlijke bevolkingsgroei in de regio met een gevarieerde samenstelling. Aan de uitstroom moet een halt worden toegeroepen, evenals aan de, door de selectieve migratie binnen Haaglanden veroorzaakte (ruimtelijke) segregatie van de bevolking. Dat betekent onder meer dat ook de koopkrachtige huishoudens binnen Haaglanden moeten kunnen blijven wonen en dat daarvoor passende woonmilieus moeten worden gerealiseerd. De komende jaren wordt met een verhoogde bouwproductie een forse inhaalslag gemaakt. Gelet op de actuele marktvraag doet zich nu de vraag voor of niet in ruimere mate in luxe woonmilieus moet worden gebouwd. s Het stadsgewest Haaglanden moet hoog in de ‘top drie’ van de meest aantrekkelijke regio’s van Nederland blijven. Dat betekent het versterken van de economische positie van Haaglanden, uitgaande van de kanskaarten van de regio: de nationale en internationale betekenis van Den Haag, de gevarieerde vestigingsmogelijkheden voor instellingen en bedrijven en het aantrekkelijke woonmilieu. De pijlers onder de regionale economie zijn op de eerste plaats ‘bestuur en kennis’ en voorts ‘agribusiness’ en ‘toerisme’. Gelet op de ruimtedruk in de regio zal in toenemende mate bedrijvigheid van arbeidsintensieve aard de voorkeur krijgen. Aansluiting bij een kwalitatieve differentiatie in het arbeidsaanbod blijft daarbij noodzakelijk, waardoor ook voor lager opgeleiden kansen op werk worden geboden. De internationale status van Den Haag vraagt om zeer representatieve omgevingen voor de vestiging van instellingen en instituten. Voor het representatieve klimaat van Haaglanden moet derhalve veel geïnvesteerd worden om het groen wat er nu nog is te behouden, te versterken en daar waar nodig aan te passen. Voor het Westlandse glastuinbouwgebied wordt met behoud van het typisch regionale gebiedskarakter, gestreefd naar meer ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid mede ten behoeve van het na te streven leefklimaat van de regio Haaglanden. s Het verbeteren en verzekeren van de bereikbaarheid van de economisch vitale gebieden in de regio. Naast uitbreiding van de infrastructuur zal steeds meer selectief en ‘intelligent’ gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande capaciteit. Dit betekent ook dat nieuwe stedelijke uitbreidingen zich moeten richten op de regionale openbaar vervoerlijnen, vooral waar de komende jaren grote investeringen in worden gedaan. s Het verbeteren van de leefkwaliteit van de regio op met name milieu-hygiënisch gebied. Dit houdt in: c het terugdringen van de geluidsoverlast, en de luchtemissies door wegverkeer of het nemen van sanerende maatregelen; c het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater; c het saneren van locaties met bodemvervuiling, en het nemen van afdoende maatregelen om de externe veiligheid te waarborgen. s Het uitbreiden en verbeteren van het groene netwerk met gebieden van ecologische cultuur-historische, recreatieve, landschappelijke en ruimtelijke betekenis. Het RSP geeft de te behouden en gewenste regionale groenstructuur aan. Dit vormt het kader voor ontwikkeling op de lange termijn. Behoud ervan is een belangrijke voorwaarde voor een duurzaam leefmilieu en vestigingsklimaat in de regio. s Het uitbreiden en verbeteren van het blauwe netwerk van water voor een veilig en kwalitatief beheer en voor natuur en recreatie. De waterproblematiek vraagt een grotere integratie met de ruimtelijke inrichting van de regio. s Het goed benutten van het bestaande cultuurgoed van steden, dorpen en

12 / 13
Haaglanden 2010

KAART MIJS+VAN DER WAL

RandstadRail Reservering Zuidtangent voorlopig tracé Spoorverdubbeling Provinciale/regionale wegen Ontwikkelingsgebieden Stedelijk centrum (Inter-)nationaal/randstedelijk/regionaal knooppunt Randstedelijk/regionaal knooppunt op termijn Internationaal knooppunt goederen Nieuwe groene woonmilieu’s Projectvestiging glastuinbouw Groene ruimte Groene schakels

Haaglanden

in ontwikkeling

landschappen, waarin reeds veel is geïnvesteerd. De verdere ruimtelijke ontwikkeling moet daarom uitgaan van: c een rijk geschakeerd netwerk van stedelijke centra (met voorzieningen, cultuur en bedrijvigheid). Het centrum van Den Haag moet daarin kunnen groeien in zijn nationale en internationale betekenis. De stedelijke voorzieningen, waarin veel wordt vernieuwd en uitgebreid, vormen de oriëntatiepunten voor de verstedelijking; c de cultuur-historische identiteit van de steden, de dorpen en de landschappen in al hun verscheidenheid. Het stadsgewest Haaglanden wil met dit beleid een krachtig en vitaal onderdeel vormen van de Randstad en daarmee kunnen wedijveren in Europees verband. De komende decennia zal de relatieve achterstand in de economische ontwikkeling van de regio moeten worden weggewerkt. De volgende paragrafen bevatten voor de verschillende beleidsterreinen een uitwerking en een ruimtelijk vertaling. Eerst komt de positie van het stadsgewest Haaglanden in groter verband aan de orde.

2.2 Haaglanden op de kaart
2.2.1 Haaglanden in de Randstad
De ontwikkeling van het stadsgewest Haaglanden moeten we plaatsen in het toekomstbeeld van de Randstad en Europa. Met de Europese eenwording en de snelle economische veranderingen zijn de stedelijke regio’s in een groeiende en gezonde onderlinge concurrentie terechtgekomen. Naast de geografische ligging in het internationale economisch netwerk, spelen factoren als de aanwezigheid van belangrijke instellingen en instituten, een adequate kennisinfrastructuur en de kwaliteit van het woon- en leefklimaat een grote rol bij het imago en de positie van stedelijke regio’s als het stadsgewest Haaglanden. Op de schaal van Europa en ook mondiaal kan slechts de Randstad als geheel een rol van betekenis spelen.

Randstad 2020

Hoofdtransportas Hoofdspoor Spoorverdubbeling HSL Zuid HST Zuid (inclusief spoorverdubbeling) HST Oost (inclusief spoorverdubbeling) Centra stedelijk netwerk (Inter-)nationaal knooppunt Internationaal knooppunt goederen Randstedelijk knooppunt Groene ruimte
KAART MIJS+VAN DER WAL

14 / 15
Daar moet dan wel in geïnvesteerd worden. Het concept van de Deltametropool, dat door de vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) is geïnitieerd en in deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening is opgenomen, biedt perspectief op een economisch krachtige regio op de wereldkaart. Het stadsgewest Haaglanden onderschrijft met name de volgende elementen uit dit concept. s De noodzaak van snelle onderlinge verbindingen tussen de steden op de ring rond het Groene Hart. Dat versterkt de samenhang. s De instandhouding van een groen/blauw hart met uitlopers tussen de stedelijke regio’s. s Een netwerk van steden, op het niveau van de Randstad en op het niveau van de regio’s. Deze ‘netwerksteden’ moeten door goede onderlinge verbindingen (dus ook op de schaal van de stadsregio) als een geheel kunnen functioneren. Er kan een ‘verdeling’ van functies over de stedelijke knooppunten ontstaan.

2.2.2 Haaglanden in de Zuidvleugel
Het stadsgewest onderhoudt nauwe relaties met de omringende regio’s. De invloedssferen van woning- en arbeidsmarkten overlappen elkaar, de groene buffers lopen over de regiogrenzen heen en nieuwe openbaar vervoersystemen worden interregionaal georganiseerd. De stadsregio Rotterdam heeft in zijn ‘Regiovisie Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening’ (december 2000) de gewenste verstedelijkingsrichtingen langs (nieuwe) vervoersassen uitgezet, zoals langs de ‘Hoekse lijn’, richting Oosterheemlijn, en langs de ‘Goudse lijn’ (in de Zuidplaspolder). De Rotterdamse opties ‘raken’ ook Haaglandse belangen. Aan de noordzijde van het stadsgewest kampt de Leidse regio met een gebrek aan verstedelijkingsruimte. Deze heeft het oog laten vallen op het vliegveld Valkenburg. Deze locatie en de Bollenstreek zijn onderwerp van studie en besluitvorming in het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het stadsgewest Haaglanden wil dat afwachten, maar stelt wel op voorhand dat tussen de Haagse agglomeratie en de Leidse regio de landschappelijke en ecologische waarden moeten worden behouden en ontzien. Voorts hecht het stadsgewest, vanuit het voortbestaan van het glastuinbouwcomplex, groot belang aan nieuw vestigingsgebied voor tuinbouwbedrijven in de directe omgeving van Haaglanden. Het stadsgewest onderschrijft het zogenaamde 0-scenario van de provincie Zuid-Holland, waarbij in principe het glasareaal in Zuid-Holland intact blijft. Dit uitgangspunt legt een claim op het (bestaande) tuinbouwgebied in de B-driehoek, direct ten oosten van de Haaglanden regio. Ook is uitbreiding nodig in de nog oostelijker gelegen Zuidplaspolder. Het stadsgewest Haaglanden ondersteunt daarmee de optie uit deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

2.2.3 Haaglanden als centrum van Bestuur en Kennis in de Europese dynamiek
Vanouds is Den Haag, met de regeringszetel als middelpunt, een stad van bestuur. De Kamer van Koophandel bepleit in het rapport ‘Haaglanden maakt zijn toekomst’ de regio verder te ontwikkelen tot centrum van Bestuur en Kennis. De Kamer daarover: “De stedelijke economie van Haaglanden zal door de combinatie van bestuurscentrum, (internationale) zakelijke dienstverlening, kennis en technologie als ‘Information and Communication Port’ van Nederland een belangrijke impuls kunnen leveren aan de geleidelijke verschuiving van de nationale economie naar kennisintensieve diensten en hoogwaardige technologie. Door een weloverwogen invulling van het Centrum van Bestuur en Kennis kan het stadsgewest Haaglanden daar zelf het voortouw bij nemen.” Het stadsgewest Haaglanden onderschrijft dit ten volle.

2.2.4 Een goede bereikbaarheid
Het functioneren van de Randstad als geheel en als onderdeel van het Europese netwerk is gebaat bij korte reistijden tussen de stedelijke regio’s. De aanleg van hoge snelheidslijnen tussen de stedelijke centra binnen de Randstad en tussen de Randstad en het buitenland dragen daartoe bij. Op (inter)regionaal niveau dient de introductie van lightrailsystemen de bereikbaarheid te vergroten. In Haaglanden gaat het om de invoering van RandstadRail en de aanleg van kwalitatief

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

hoogwaardige tramlijnen (AggloNet), o.a. ter ontsluiting van de VINEX- en VINAClocaties. Uitbreiding van het lightrailnet op de tot vier sporen uit te breiden NSlijnen Mariahoeve - Den Haag - Delft - Rotterdam en Den Haag - Zoetermeer Gouda is aantrekkelijk. De snelle, frequente en comfortabele openbaar vervoerdiensten moeten de concurrentie met de auto aan kunnen. Binnen de Randstad behoudt het hoofdwegennet een belangrijke regionale functie, ontvlechten is echter uiterst kostbaar en vraagt veel ruimte. De achterlandverbindingen buiten de Randstad dienen niet verstopt te raken door ‘corridorontwikkelingen’ met veel aansluitingen op het hoofdwegennet. Het stadsgewest Haaglanden acht het doortrekken van de A4 richting Brabant essentieel voor de bereikbaarheid. In Midden-Delfland dient de weg optimaal, bij voorkeur in verdiepte ligging te worden ingepast. In het algemeen wordt een groot effect verwacht van de informatie- en communicatietechnologie, dynamisch verkeersmanagement, vervoermanagement en prijsbeleid.

2.2.5 Knooppunten van het stedelijk netwerk
Knooppunten zijn zwaartepunten van de regionale werkgelegenheid en fungeren als concentratiepunten in het vervoersnetwerk waar verknoping plaatsvindt tussen de verschillende modaliteiten (verkeerssoorten), die verschillende richtingen uitgaan. In de verstedelijkingsstrategie staan een betere benutting van reeds bebouwd gebied en van de bestaande infrastructuur voorop. Centrumontwikkeling rond knooppunten van vervoerssystemen is essentieel in het concept van stedelijke netwerken. Van wezenlijk belang daarbij zijn het economische profiel van de centra enerzijds en de bereikbaarheid van de knooppunten anderzijds. Differentiatie in knooppunten geschiedt derhalve vooral aan de hand van hun economische en vervoerskundige kwaliteiten en betekenis. In economisch opzicht komt dit neer op een onderscheid in goederen-, personen- en informatie- c.q. kennisgerichte dienstverlening. Verkeerskundig relevant is de verknoping van verkeersstromen op regionaal, randstedelijk en internationaal niveau. Daarbij gaat het zowel om railgebonden vervoer als wegvervoer. Door de historisch gegroeide structuur en de hieraan gekoppelde differentiatie in werkmilieus kent Haaglanden thans een breed spectrum aan economisch aantrekkelijke knooppunten. Zo beschikt het stadsgewest zowel voor kantoren als bedrijven over locaties met een (inter)nationale, randstedelijke danwel regionale betekenis. Het stadsgewest Haaglanden hanteert een ruimere definitie van knooppunten dan de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Naast ‘centrummilieus’ worden ook ‘specifieke werkmilieus’ tot de knoopunten gerekend. Tot de centrummilieus behoren met name locaties die gekenmerkt worden door een hoge mate aan functiemenging, een goede bereikbaarheid door openbaar vervoer, een grote concentratie aan bestuursdiensten etc. Specifieke werkmilieus worden daarentegen getypeerd door een vergaande functionele specialisatie, zijn door openbaar vervoer geregeld minder ontsloten, kennen vaak een hoog ruimtebeslag maar hebben hoe dan ook een hoog werkgelegenheidseffect. Bij de ontwikkeling van knooppunten als bedoeld in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, ligt de prioriteit bij de internationale en Randstedelijke knooppunten die zijn opgenomen in de Vijfde Nota: Den Haag CS/HS, Ypenburg/Prins Clausplein (op termijn één zone), Delft Centrum/Spoorzone en Zoetermeer Stadsas. Een knooppunt van de internationale orde is op de eerste plaats het centrummilieu in de zone rond Den Haag-Centraal Station/Hollands-Spoor, waar talrijke (inter)nationale bestuursdiensten, instellingen en aanverwante diensten zijn gevestigd. In de toekomst zal deze zone worden uitgebreid tot en met het Prins Clausplein (1). Binnen deze zone is niet alleen sprake van een omvangrijke werkgelegenheid maar ook van een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en een sterke functie(1) Dit is ook voorzien in de Verkenning Randstad Centra in het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

16 / 17
menging (culturele voorzieningen, detailhandel en uiteenlopende woonmilieus). Een ander werkmilieu van de (inter)nationale orde is het Westland met zijn omvangrijke concentratie aan tuinbouwbedrijven en hieraan gelieerde instellingen en bedrijven. Het veilingscomplex Flora Holland is een internationaal knooppunt gericht op goederen. Tot de knooppunten met een randstedelijke betekenis behoren met name locaties, die geen primaire (inter)nationale verzorgingsfunctie hebben maar desondanks veel ruimte bieden aan bovenregionale bestuursdiensten, instellingen en bedrijven. De concentratie van onderwijsvoorzieningen, kenniscentra of (hoofd)kantoren van bedrijven genereert hier over het algemeen eveneens een intensief stedelijk programma en een omvangrijke werkgelegenheid. Een dergelijke betekenis moet vooral worden toegekend aan de locaties Delft-Centrum en de Zoetermeerse Stadsas. In beide gevallen gaat het immers om centrummilieus bij uitstek. Gezien hun werkgelegenheidseffecten en hun ligging ten opzichte van het (inter)nationale wegennet moeten echter ook de economische centra Station Rijswijk/Plaspoelpolder/Hoornwijck en op termijn Zoetermeer-Oost als knooppunten van een randstedelijke orde worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor Delft University Technopolis in Delft-Zuid die als landelijk kenniscentrum immers ook een bovenregionale betekenis heeft. Tot de knooppunten met een regionale betekenis kunnen tot slot vooral die kantorenlocaties en bedrijventerreinen worden gerekend, die weliswaar een significante bijdrage leveren aan de regionale werkgelegenheid, maar waarvan de functionele betekenis vergeleken met de overige milieus beperkt blijft. Dit geldt met name voor locaties als Overgoo (incl. de centrumas van Leidschenveen) en Pijnacker-Zuid indien daar aanvullende openbaar vervoer voorzieningen tot stand zijn gebracht. Specifieke werkmilieus van betekenis zijn daarnaast de omvangrijke bedrijventerreinen, zoals Kerketuinen-Zichtenburg en in de toekomst Harnaschpolder. De economische hoofdstructuur vormt samen met de infrastructuur de basis voor de verdere ontwikkeling van het stedelijke netwerk van Haaglanden. Het stadsgewest streeft daarbij naar een centrumontwikkeling rond knooppunten van vervoerssystemen enerzijds en naar een verbetering van de bereikbaarheid van bestaande knooppunten anderzijds. De locaties met een knooppuntstatus staan in het navolgende overzicht.

Knooppunt

Centrummilieus

Werkmilieus

Internationaal

Kantoren Hoog Hage CS/HS(1) Kantoren Delft-Centrum/spoorzone Zoetermeer Stadsas

Bedrijven Westland (Flora Holland) Kantoren + bedrijven Rijswijk station/Plaspoelpolder/Hoornwijck Delft-Zuid Ypenburg/Prins Clausplein(1) Zoetermeer-Oost (op termijn) Kantoren Leidschenveen/Overgoo Pijnacker-Zuid

Randstedelijk

Regionaal

(1) De zone Den Haag CS/HS tot en met het Prins Clausplein kan in de toekomst uitgroeien tot internationale knoop, indien de interne verbindingen worden verbeterd.

Alle overige bedrijventerreinen in Haaglanden wordt geen knooppuntstatus toegekend; deze locaties zijn als specifiek werkmilieu te kenschetsen, waarvoor bereikbaarheid per fiets en (vracht)auto voorwaarde is en ontsluiting per openbaar vervoer maatoplossingen vereist, al dan niet samen met inspanningen in het kader van vervoermanagement.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

2.2.6 Haaglanden als centrum van de Glastuinbouw
In de Haaglandse glastuinbouwgebieden in West- en Oostland is sinds het einde van de negentiende eeuw een groot deel van de nationale cluster aan primaire productie en de afgeleide functies geconcentreerd. Deze tuinbouwcluster bepaalt de mondiale marktleiderspositie van Nederland, met name als het gaat om de sierteelt. Een groot deel van de wereldhandel in tuinbouwproducten wordt binnen de regio -Naaldwijk en De Lier- geveild. De aanduiding ‘greenport’ als derde ‘mainport’ van de Randstad naast Schiphol en Rotterdam is hier op zijn plaats. Voor het behoud van genoemde concurrentiepositie is het essentieel dat de beschikbare planologische ruimte voor de Haaglandse glastuinbouwgebieden evenwichtig worden afgewogen met andere ruimtelijke functies als wonen, werken, cultuur, recreatie en natuurlandschap.

2.2.7 Ruimtelijke kwaliteit in diversiteit
De Randstad ontleent zijn bijzondere kwaliteit aan de verschillen tussen de steden onderling, tussen de dorpen en tussen stad en platteland. Identiteiten, cultuurverschillen en contrasten zorgen voor een waaier aan woon- en werkmilieus. De kwaliteit van Haaglanden schuilt in zijn groene karakter (‘groene schakel in de Randstad’) en ligging aan de zee. Maar ook in zijn policentrische opbouw met stedelijke milieus die variëren van grootstedelijk in het centrum van Den Haag tot aan de historische en nieuwe centra in Delft, Zoetermeer en de Vlietlandgemeenten. De historische landgoederenzones geven de regio een extra dimensie. Het is deze kenmerkende diversiteit die in het stadsgewest uitgebuit moet worden.

2.2.8 Meer ruimte voor een schoon en veilig waterbeheer
In ons waterrijke en grotendeels beneden de zeespiegel gelegen deel van het land is een zorgvuldige waterhuishouding van groot belang. Het beheer daarvan in relatie tot aspecten van veiligheid, waterkwaliteit, recreatie, natuur en landschap, vragen om een integrale gebiedsgerichte benadering van water in de ruimtelijke ordening. De waterbeheerders worden daarom nauw bij de inrichting en ontwikkeling van dit gebied betrokken, waarbij hun waterbeheerplannen een belangrijk kader zullen zijn. Op de schaal van de Randstad dient ingespeeld te worden op veranderingen in de waterafvoer door de rivieren, hevige regenbuien en op maatregelen ter versterking van de kustverdediging. Op regionale en lokale schaal zijn aanpassingen aan de interne waterhuishouding van gebieden of binnen de afzonderlijke polders en boezemsystemen aan de orde. De waterbeheerders voeren onderzoek uit naar de benodigde maatregelen. Binnen het stadsgewest moet rekening worden gehouden met zeewaartse maatregelen ter bescherming van de zeewering en met meer ruimte voor natte en droge waterberging in stedelijke en glastuinbouwgebieden, maar ook in de grote groengebieden. Het waterbeheer is daarmee eerder sturend dan volgend voor de ruimtelijke inrichting, waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd in eerste instantie het water zolang mogelijk in de bodem vast te houden, daarna het water zoveel als mogelijk te bergen in het gebied van oorsprong en indien dat niet meer mogelijk is dan het water pas af te voeren. Dit betekent dat er meer ruimte gereserveerd zal worden voor water, hetgeen tevens bijdraagt aan de verbetering van de belevingswaarde van het stadsgewest Haaglanden.

2.3 Ruimte voor werken
Voor de vergroting van de werkgelegenheid zet het stadsgewest sterk in op zijn vier economische pijlers. De vier kansrijke sectoren zijn: bestuur & zakelijke dienstverlening, kennis, toerisme en agribusiness. Ook de verzorging van de bevolking, zeker met het groeiende aandeel (vermogende) ouderen, vormt een bron van werkgelegenheid. Een arbeidsmarktbeleid gericht op de laaggeschoolde werkzoekenden blijft in de toekomst hard nodig in de strijd tegen werkloosheid en segregatie van de (groot)stedelijke samenleving. Het ruimtelijk beleid moet daarop inspelen door naast de traditionele locaties voor kantoren en bedrijven meer mogelijkheden te bieden voor bedrijvigheid in het stedelijk weefsel. Den Haag doet dat reeds met zijn project ‘Stadseconomie’.

18 / 19
2.3.1 De vier pijlers
De ambitie van het stadsgewest is om tot de meest aantrekkelijke regio’s van Nederland te behoren. Daarvoor is een gunstig vestigingsklimaat een eerste vereiste, als ook een ruim aanbod van gekwalificeerd personeel. Maar eveneens bepalen aantrekkelijke woonmilieus en een breed voorzieningenniveau de kans van slagen van deze strategie. De regionale economie staat onder invloed van ‘globalisering’ en technologische ontwikkelingen. Er ontstaan internationale netwerken van productie, logistiek en management. Op de belangrijke knooppunten van vervoer, bestuur en kennis, zoals in de Randstad, bevinden zich de potenties voor internationale regie en management. In de discussienota ‘Nederland - 2030’ wordt Nederland als de ‘brainport’ in het Europa van morgen gepresenteerd. Hier ligt bij uitstek een kans voor het stadsgewest om zich met twee van zijn economische pijlers, ‘bestuur en kennis’, internationaal te profileren.
Overheid en internationale dienstverlening

De regionale economie drijft sterk op bedrijven en instellingen in de bestuurlijke sector en de zakelijke dienstverlening. Deze cluster is goed voor bijna 92.000 arbeidsplaatsen. Decentralisatie van rijkstaken betekent echter verlies van banen in de regio. Tegelijkertijd floreert het particuliere advieswezen en verwelkomt de regio regelmatig nieuwe internationale instellingen. Het stadsgewest wil nieuwe impulsen geven aan de nationale en internationale concurrentiekracht van de regio. Op de eerste plaats rond het internationale knooppunt Den Haag CS/HS, maar ook rond andere hoogwaardige knooppunten in de regio. Niet alleen met de bedoeling om nieuwe vestigingen aan te trekken, maar vooral om bestaande instellingen en bedrijven opnieuw goed te huisvesten. De bedrijvigheid van het bestuurscentrum levert naast hoogwaardige werkgelegenheid ook werk in de verzorgende sfeer op. Naast hoger gekwalificeerde werkplekken ontstaan als regel ook banen voor lager geschoolden.
Kennis en technologie

De kennissector, waarin circa 43.000 mensen werkzaam zijn, is een groeimarkt voor de toekomst. Kennis is ook een schone bedrijfstak en daarom aantrekkelijk om regionale potenties tot ontwikkeling te brengen. Om te beginnen zijn in het stadsgewest instellingen gevestigd, die het netwerk van kennis en technologie kunnen versterken. Bovendien beschikt de regio over een dicht net van hoogwaardige kabelinfrastructuur. Deze omstandigheden maken de regio aantrekkelijk voor andere kennisintensieve bedrijven en bieden uitstekende kansen voor de uitbouw tot brainport Haaglanden. Er zijn initiatieven gaande om dwarsverbindingen tussen kennisinstellingen, onderwijs en bedrijfsleven aan te leggen. Naast het stimuleren van deze uitwisselingscultuur is het zaak aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor kleinschalige bedrijvigheid te realiseren. De herinrichting en uitbreiding van de TU/TNO-wijk (Technopolis) in Delft kunnen hierin voorzien.
Agribusiness

De agribusiness is eveneens een belangrijke economische pijler van het stadsgewest Haaglanden en omvat de glastuinbouwgebieden in West- en Oostland. In deze sector zijn circa 24.000 mensen werkzaam. Daarnaast zijn er de kleinschalige (melk)veehouderijen in de open (veen)weidegebieden die voornamelijk geconcentreerd zijn in het Midden-Delfland (zie paragraaf 2.9) en in Leidschendam. De Haaglandse glastuinbouw bestrijkt netto, dat wil zeggen buitenwerksgemeten, ongeveer 3.900 hectare grond (Bron CBS, 1998). Daarvan ligt 3.150 hectare in het Westland, dat mondiaal geldt als het grootste aaneengesloten glastuinbouwgebied, en aansluitend 110 hectare in Den Haag en 40 hectare in Rijswijk. Van de resterende 600 hectare bevindt zich 2/3 deel rond Pijnacker en Nootdorp. De rest ligt verspreid in overig Haaglanden. De grenzen van genoemde Haaglandse glastuinbouwgebieden afzonderlijk zijn de afgelopen jaren vervaagd en steeds vaker wordt gesproken van het zogeheten Zuid-Hollands glasdistrict. De ligging van de Haaglandse glastuinbouw tussen de uitvoerhavens Schiphol en Rotterdam heeft in grote mate bijgedragen aan de (inter)nationale logistieke en technologische springplankfunctie van de sector. In dit verband wordt gesproken van de

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

‘Greenportfunctie’ van de glastuinbouw. Als derde mainport, dus naast de uitvoerhavens Schiphol en Rotterdam, vervult de Haaglandse of Zuid-Hollandse glastuinbouw met de centrale ligging van de veilingen, een belangrijke rol bij de concentratie van een groot deel van de mondiale vraag en aanbod van glastuinbouwproducten. De synergie tussen de Haaglandse glastuinbouw en de omliggende stedelijke agglomeraties is bovendien van belang vanwege de werkgelegenheid. Voorts dragen de technologische kennisrelaties met de steden Delft, Leiden en Rotterdam -naast het agrarische onderwijs en onderzoek in Naaldwijk- bij aan de voorsprong van de Haaglandse glastuinbouw. De relatie tussen de pijlers agribusiness en kennis zal in de toekomst sterker worden op het gebied van klimaaten productiebeheersing, vermeerdering en veredeling en, tenslotte, consumptieklare versproducten. Een nadeel van de ligging bij het stedelijke gebied is het gebrek aan uitbreidingsruimte. Het Integraal Ontwikkelingsplan Westland biedt een kader waarbinnen wordt voorzien in herstructurering ten behoeve van schaalvergroting van glastuinbouwbedrijven, maar ook ten behoeve van modernisering van bedrijven en het aanleggen van groen- en watervoorzieningen.
Toerisme

Het recreatief en zakelijk toerisme in de regio heeft groeipotenties. De cluster biedt werk aan bijna 23.000 mensen. Het stadsgewest wil naast het dagtoerisme vooral het verblijftoerisme stimuleren. In het ‘Toeristisch-recreatief marktontwikkelingsplan Haaglanden’ worden de toeristische potenties van de regio beschreven. Het gaat onder meer om de uitbouw van Scheveningen in de richting van Scheveningen-haven en een toeristische ontwikkeling langs de Westlandse kust. Dit in combinatie met het achterland en als onderdeel van de Westhoekontwikkeling, die zich langs de Nieuwe Waterweg voortzet. Langs de Haaglandse kust dient een verscheidenheid aan toeristisch en recreatief aanbod te ontstaan: ‘wervend en internationaal’ in Scheveningen, ‘ingetogen’ rond Kijkduin, ‘verblijfsrecreatie’ in het (groenere) Westland en ‘rust en natuur’ in Wassenaar. Tenslotte liggen er kansen voor uitbouw van het cultuurtoerisme in de historische binnensteden. Het streven is een samenhangend pakket van ‘attracties’ te creëren, bestaande uit vormen van kustrecreatie, de historische centra en het groene achterland. Het stadsgewest zal de ontwikkeling van deze potenties zoveel mogelijk stimuleren. De nadruk zal daarbij gelegd worden op bevordering van samenhang tussen initiatieven op deze terreinen en het komen tot integrale promotie van toeristische producten in Haaglanden. Versterking van het toeristisch product draagt bij aan de uitbreiding van met name laaggeschoolde arbeidsplaatsen.

2.3.2 Ruimte voor werk
De vestigingsfactoren voor bedrijven in de regio winnen de komende jaren aan betekenis. De voorgenomen uitbreiding van de infrastructuur, de nieuwe woongebieden en de versterking van de groenstructuur werken positief op het bedrijfsklimaat. Het stadsgewest ziet een aantal kansrijke gebieden en zones voor het uitvoeren van economische activiteiten. Deze vallen samen met de bestaande centra en de multimodale knooppunten van verkeer en vervoer. De ontwikkelingsbehoefte voor kantorenlocaties en bedrijventerreinen is vastgesteld in (de evaluaties van) het Locatiebeleid voor kantoren en bedrijven. Voor de detailhandel is de structuurvisie maatgevend. Voor leisurevoorzieningen (openbare, permanente voorzieningen ten behoeve van vrije-tijdsbesteding, overdag en/of ‘s avonds toegankelijk, tegen entreebetaling) worden concentratiegebieden aangegeven. Ruimte voor andere voorzieningen wordt per soort voorziening aangegeven dan wel wordt voor eventuele inpassing een aantal criteria genoemd. De visie dat het stadsgewest Haaglanden tot de ‘top drie’ van de meest aantrekkelijke regio’s van Nederland blijft behoren houdt een ‘maximale inspanning banengroei’ in. Dat betekent dat het aantal arbeidsplaatsen in het stadsgewest Haaglanden tot 2010 met circa 68.000 en in de periode 2010-2020 met minimaal 75.000 moet groeien om gelijke tred te houden met de beoogde bevolkings-

20 / 21
ontwikkeling en werkloosheidsvermindering. Deze groei correspondeert met het scenario European Coordination (EC) van het Centraal Planbureau (CPB). Van de groei kan 35% worden bereikt in de kantorensector oplopend tot meer dan 40% na 2010 en 25% op bedrijventerreinen teruglopend tot minder dan 24% na 2010. Op grond van een en ander wordt voor kantorenlocaties tot 2010 een behoefte geraamd van circa 1.450.000 m2. De behoefte aan bedrijventerreinen tot 2010 komt uit op 440 ha. Bijlage B geeft inzicht in behoefterekeningen. Voor kantoren is ruim voldoende te ontwikkelen aanbodcapaciteit aanwezig. Voor bedrijventerrein is aanbod voorhanden, of kan ontwikkeld worden tot in totaal bijna 440 ha. In de komende jaren is echter een versnelling in het ontwikkelen van bedrijventerreinen geboden. Zonder dat wordt in 2010 een situatie bereikt waarbij aanmerkelijk minder dan het gewenste niveau van ijzeren voorraad van drie à vier maal de jaaruitgifte beschikbaar zal zijn. Voor de behoefte aan kantorenareaal na 2010 zijn voldoende locaties met kwalitatieve potenties aanwezig. Wat het bedrijventerreinenaanbod vanaf 2010 betreft bedraagt de nu bekende restcapaciteit circa 85 à 145 ha en is in de periode 2010-2020 ca 250 ha netto nodig. De ramingen van het CPB onderstrepen de conclusie dat al spoedig na 2010 een knelpuntsituatie zal ontstaan.

2.3.3 Lokalisering van de werkgelegenheid
Het locatiebeleid voor kantoren en bedrijven beoogt: s voldoende ruimte te bieden aan de dynamiek op de kantorenmarkt en tijdig voldoende terreinaanbod voor uitbreidende en nieuwe bedrijven te ontwikkelen; s ontwikkelingspotenties van economische knooppunten optimaal te benutten; s te zorgen voor regionale afstemming van vraag naar en aanbod in plannen van gemeenten, zowel naar kwaliteit, door middel van segmentering, als fasering; s zorg te dragen voor adequate ontsluiting van de locaties. Wat het laatste betreft, uitgangspunt blijft lokalisering van arbeidsintensieve functies op (knoop)punten waar goede bereikbaarheid per openbaar vervoer, per fiets en waar nodig per auto, verzekerd is. Dit uitgangspunt wordt uitgewerkt door identificatie van knooppunten van verschillende schaal, aansluitend bij de concept Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Daarmee wordt een verstedelijkingsvisie gevolgd die gericht is op een zo goed mogelijk gebruik van bestaande vervoersvoorzieningen en -infrastructuur. Kort gezegd: er wordt op aangestuurd dat het juiste kantoor/ bedrijf op de juiste plaats komt, bijvoorbeeld vestigingen met veel werknemers en/of bezoekers zoveel mogelijk op O.V.-knooppunten situeren en niet op snelweglocaties zonder goede openbaar vervoerverbindingen. Zodoende worden onnodig autogebruik en onnodige uitholling van het draagvlak voor openbaar vervoer voorkomen. Met dit beleid wordt ook tegengegaan dat gemeenten en regio’s elkaar beconcurreren op het gebied van parkeernormen. Het grote aantal gebieden dat de komende jaren voor een bedrijfsmatige invulling in aanmerking komt maakt een heldere regionale locatiestrategie noodzakelijk. In het knooppuntenbeleid worden ruimere dimensies gehanteerd dan alleen de bereikbaarheidskenmerken. Dit betekent onder meer dat specifieke economische vestigingspotenties een rol spelen in de status van de knooppunten en dat voorts: s de parkeereis wordt gebiedsgewijs geformuleerd, gecompleteerd met een beheerregeling. In een dergelijke eis zou ruimte moeten zijn voor compenserende of mitigerende maatregelen in het gebied zelf of elders; s maatwerk moet mogelijk zijn waar onderscheid te maken is tussen parkeervoorzieningen die vervoer genereren in de spits, of uitsluitend in het dal (relevant bijvoorbeeld bij het detailhandelbeleid); s mobiliteitsmanagement moet onderdeel kunnen uitmaken van het knooppuntenbeleid; s het moet mogelijk zijn om vooruit te lopen op verbetering van het openbaar vervoer in een afzienbare toekomst.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Bedrijvenlocaties

Bestaand bedrijventerrein Bestaand bedrijventerrein (te herstructureren) Nieuw bedrijventerrein Ontwikkeling na 2010

De centrale zone in Den Haag en de A12 zone

Het Haagse centrum, het Congresgebouwgebied en Benoordenhout, het gebied rond Den Haag CS en het Beatrixkwartier vormen een zone waar de eerste economische pijler (bestuur en zakelijke dienstverlening) goed gedijt. De uitbreidingsruimte is vooral te vinden in het gebied rond Den Haag CS met uitstraling naar HS en upgrading van de Binckhorst. Dit ‘superknooppunt’ van infrastructuur is geschikt voor uitbreiding met nationaal en internationaal georiënteerde functies. De gemeente Den Haag werkt dit gebied uit in het plan ‘Hoog Hage’. Verder op deze lijn bevinden zich langs de A12 ontwikkelingspotenties in de Binckhorst, de Vlietzone, Ypenburg/Prins Clausplein en in Zoetermeer. De A12-zone ter hoogte van Ypenburg/Prins Clausplein moet worden beschouwd als een van de poorten van de Haagse agglomeratie. Indien dit knooppunt door een snelle OV-lijn wordt verbonden met Den Haag CS en een snelle magneettrein wordt aangelegd, dan kan dit gebied uitgroeien tot een knooppunt van (inter)nationale betekenis. Voor dit knooppunt is in samenhang met de Vlietzone (zie paragrafen 3.4 en 5.3) een uitwerkingsplan nodig.
kernpunt

Overige werklocaties in vogelvlucht

De kantoren- en bedrijvenlocaties tot 2010 in de randzones op rij van noord naar zuid: s Leidschenveen, met een halte op de Hofpleinlijn/RandstadRail; s Overgoo in de Vlietzone. Aanvullende kantorenontwikkeling na 2005; s Nootdorp, met een halte op de Hofpleinlijn/RandstadRail; s Zoetermeer/Bleiswijk: Hoefweg Noord, met mogelijkheden voor logistieke functies en inpassing van milieuhinderlijke bedrijven; s Bedrijvenpark Reesloot in Pijnacker; s Zoetermeer stadshart en Rokkeveen kantoren, goed bereikbare locaties in een randstedelijk knooppunt; s Pijnacker-Zuid, kantorenontwikkeling rond een nieuwe halte op de Hofpleinlijn/RandstadRail;

22 / 23
s

s

s

s

s

s

s

s s s

s s

s

Ypenburg, kantorenontwikkeling nabij een nieuw NS-station aan de lijn Den Haag-Gouda en vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in de oksels van het Prins Clausplein, rond de voormalige Fokkerlocatie en bij de Brasserskade; Hoornwijck met de nieuwe AggloNetlijn Den Haag-Ypenburg en de lijn naar Delft; Station Rijswijk en de Plaspoelpolder (herstructurering), met de nieuwe AggloNetlijn 17; Wateringse Veld/Zwethove, met de voorgestelde ‘Zuidtangent’ en twee nieuwe AggloNetlijnen; Harnaschpolder, met aansluitingen op de A4 en de ‘Zuidtangent’ en met de nieuwe AggloNetlijn Delft-Kijkduin. Mogelijkheden voor hoogwaardige bedrijvigheid met name rond de Harnaschknoop en langs de A4; Spoorzone Delft, subcentrum met sterke potenties van kantoorontwikkeling in transformatiezone met uitstekende bereikbaarheid per openbaar vervoer; TU-zuid, langs de A13 en met de ‘Zuidtangent’ liggen hier uitstekende kansen om de pijler ‘kennis’ verder gestalte te geven; Delfgauw/Ruyven, voor logistieke functies en andere bedrijfsactiviteiten; Bloemenveiling in Honselersdijk, uit te breiden met Trade Parc Westland; Westerlee, uitbreiding rond bestaande groenteveiling, deels na 2005 te realiseren; Coldenhove West/Honderdland in Naaldwijk, langs de A20; Agribusinesscentrum Westland, herstructurering van voormalig veilingterrein Poeldijk, te samen met uitbreiding; Vlotwatering, uitbreiding bedrijfsterrein.

Het spreekt voor zich dat op de nieuwe bedrijventerreinen in Haaglanden een compacte en duurzame inrichting wenselijk is, met voldoende aandacht voor waterberging en waterkwaliteit.

Kantorenlocaties

Bestaand Ontwikkeling

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Milieuhinderlijke bedrijvigheid

Ruimte voor de zwaardere categorieën van milieuhinderlijke bedrijvigheid is in het dichtbevolkte stadsgewest zeer beperkt beschikbaar. Inpassing daarvan moet met maatwerk plaatsvinden, met toepassing van hoge eisen aan veiligheid en emissies. Ook zullen bedrijven uit deze categorieën, die zich (opnieuw) willen vestigen, selectiever worden beoordeeld op basis van wederzijdse binding van het bedrijf en de regio. Locaties die voor milieuhinderlijke bedrijvigheid in aanmerking komen, zijn de Nootdorpse driehoek, Honderdland, Harnaschpolder, Ruijven, Wateringse Veld en Hoefweg- noord, zij het dat op alle locaties specifieke randvoorwaarden van toepassing zijn.
Herstructurering en verdichting

Veel oudere bedrijventerreinen komen in aanmerking voor herstructurering. Doel is behoud van de bedrijvenbestemming, kwaliteitsverhoging, compacte en duurzame inrichting. Door intensiever grondgebruik kan nieuwe vestigingsruimte beschikbaar komen. Parkmanagement waarborgt een goed beheer, werkt kostenbesparend en maakt milieuwinst mogelijk. Momenteel vindt er herstructering plaats in Laakhavens en Plaspoelpolder. Den Haag geeft met het Masterplan Stadseconomie verdere mogelijkheden aan. Delft staat eveneens voor een herstructureringsopgave in de werkgebieden langs de Schie en in Delft-Zuid. In Zoetermeer is een herstructureringsprogramma voor de noordelijke bedrijventerreinen in gang gezet. In andere gemeenten staan eveneens revitaliseringsprojecten gepland (Westland, Pijnacker/Nootdorp, Vlietrand). Het stadsgewest houdt een voortschrijdend programma voor geheel Haaglanden bij.
Uitbreiding toeristisch potentieel

Nieuwe verblijfsrecreatie en nieuwe attractiepunten langs de kust in Scheveningen en in het Westland zullen de toeristische en recreatieve potentie van de regio versterken. De voorstellen om de groenstructuur en de recreatieve verbindingen ingrijpend te verbeteren moeten de samenhang en daarmee de attractiviteit van het toeristische en recreatieve product van het stadsgewest verhogen. Het onderbrengen van toeristische attracties in groengebieden moet onder voorwaarden in leisureconcentratiegebieden mogelijk zijn.

2.4 Wonen, het aanbod afstemmen op de vraag
Het stadsgewest wil de veelzijdige kwaliteit van het wonen verder ontwikkelen door o.a. in te spelen op de gestegen kwaliteitsvraag. Dit geldt zowel voor de gewenste woonmilieus als de gewenste woningen. Het vergroten van de toekomstwaarde van de woningen door in te spelen op die kwaliteitsvraag, het toepassen van duurzame bouwtechniek en het meer consumentgericht ontwikkelen zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Daarnaast moet zorg voor het natuurlijk milieu, het groen en de energievoorziening de leefbaarheid in de regio op lange termijn waarborgen. Deze kwalitatieve elementen van het wonen komen, voor zover van invloed op het ruimtegebruik, in het Regionaal Structuurplan aan de orde. Het huisvestingsbeleid van het stadsgewest richt zich op het stoppen van de uitstroom van bewoners uit de regio en op het aantrekken van de beroepsbevolking die buiten de regio woont. Dit moet leiden tot versterking van het koopkrachtige deel van de bevolking en tot meer evenwicht in de pendelbalansen met het omringende gebied, zoals het Groene Hart en de Leidse regio. Dat heeft een gunstig effect op de verkeersbewegingen en op de diensteneconomie, bijvoorbeeld in de detailhandel en de dienstverlening.

2.4.1 Ontwikkeling woningbehoefte
De woonvoorkeuren van mensen zijn tijdgebonden. Hoe de samenstelling van de huishoudens en de woonwensen er op langere termijn uitzien is onzeker. De demografische en economische ontwikkelingen zijn een belangrijk gegeven voor de ontwikkeling van de woningbehoefte. Dit betekent dat de eisen die men aan de

24 / 25
woning en woonomgeving in de toekomst stelt in belangrijke mate door deze ontwikkelingen worden bepaald. Het stadsgewest wil daar met een flexibele woningbouwprogrammering tijdig op in spelen. In opdracht van het stadsgewest is door ABF Research op basis van een aantal scenario’s onderzoek verricht naar de ontwikkeling van de woningbehoefte tot 2010 en 2020. Het onderzoek hanteert woonmilieus conform de terminologie in de rijksnota ‘Wonen in de 21e eeuw’. Daarin worden de volgende typen woonmilieus onderscheiden: s centrum-stedelijk: (historische) binnensteden, nieuwe stedelijke centra, centra van nieuwe steden; s buiten-centrum: vooroorlogse etagewoningen, grondgebonden woningen, herenhuizen en tuindorpen, alsmede naoorlogse etagewoningen en grondgebonden woningen; s groen-stedelijk: uitbreiding van de stad, groeikernen, actuele uitleg; s centrum-dorps: historische kernen, nieuwe kernen; s landelijk wonen: villawijken, wonen in het landschap, landgoederen. De uitkomsten van het behoefteonderzoek laten een verdergaande verschuiving van de huur- naar de koopsector zien. Met name de huidige meergezinshuurwoningen in de steden (buiten-centrum) raken uit de gratie. De gewenste aanvullingen richten zich op de overige vier typen woonmilieus, in voorkeuren vrijwel gelijkelijk verdeeld. Dat betekent dat naast ‘centrum-stedelijk’ en ‘groen-stedelijk’ de dorpen en het landelijk wonen zich in een grote belangstelling kunnen verheugen. Voor de korte termijn heeft de vraag naar meer ruimte en groene omgevingen zeker gevolgen voor de inrichting van de VINEX-bouwlocaties. Daar wordt met een ‘kwaliteits-impuls’ in voorzien door onder andere een grotere differentiatie in dichtheden aan te brengen: bijvoorbeeld hoge dichtheden rond openbaar vervoerlijnen en lage dichtheden nabij de regionale groenstructuur. Maar ook de kwaliteitsverbetering van binnenstedelijke (naoorlogse) wijken is nadrukkelijk aan de orde. Deze wijken zullen ingrijpend moeten worden aangepast, teneinde aan de veranderende vraag naar kwalitatief hoogwaardig stedelijk wonen te kunnen voldoen. Bij stilstand dreigt verpaupering. In de komende jaren zal in elk geval de behoefte aan eengezinskoopwoningen in gevarieerde urbane en suburbane groenstedelijke woonmilieus sterk voelbaar zijn. Het stadsgewest kan in die behoefte voorzien door met zijn stedenbouwkundige plannen creatief aan te sluiten op de karakteristieken van de steden en dorpen. In het bijzonder moeten de plannen voor de Westlandse Zoom (zie ook paragraaf 2.4.4) voorzien in een specifiek woonmilieu dat mikt op het internationale luxe segment.

2.4.2 Woningbouwprogramma
Voor de periode 1995-2004 zijn de VINEX-afspraken van toepassing. De bouwlocaties en de aantallen woningen die daarop minimaal moeten worden gebouwd, zijn vastgelegd in het Uitvoeringsconvenant VINEX (1995) en in aanvullende besluiten, die het algemeen bestuur op 28 juni 1995 heeft genomen. De VINEX-taakstelling 1995-2004 bedraagt minimaal 42.500 woningen. Voor de periode 2005-2009 zijn en worden afspraken gemaakt in het kader van de Actualisering PKB-VINEX (de Uitvoeringsafspraken Verstedelijking 2005-2009). Deze zijn indicatief en betreffen een uitbreiding van de voorraad met circa 15.000 woningen. Dit betekent voor de periode 2000-2010, waaronder inmiddels tevens (concept)afspraken zijn gemaakt met het ministerie van VROM, in Haaglanden een netto toevoeging aan de woningvoorraad met circa 50.000 woningen. Deze uitbreiding van de woningvoorraad is inclusief het Westland en 2000 woningen tot 2010 in de locatie Westlandse Zoom (zie tevens de tabel in paragraaf 4.3). Na 2010 streeft het stadsgewest naar groei gelijk de eigen natuurlijke aanwas. Afgeleid van de Vijfde Nota-cijfers zou in 20102020 de woningvoorraad nog met 24.500 woningen (laag scenario) tot 40.500 woningen (hoog scenario) moeten toenemen. Uit het ABF onderzoek blijkt dat, uitgaande van een trendmatige bevolkingsgroei, het aantal huishoudens in de periode 2010 - 2020 met ca 30.000 zal toenemen. Op basis van dit gegeven is in het ruimtegebruik rekening gehouden met een voorraadtoename van 30.000 woningen. Het stadsgewest wil de afgesproken woningdifferentiatie voor de binnenstedelijke

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

bouw (minstens 50% markt) en voor de nieuwe uitleg (70% markt-30% sociaal) aanhouden. Uitgangspunt van het verstedelijkingsbeleid is en blijft dat de woningbouw zoveel mogelijk in en aan de steden wordt geconcentreerd. Vergelijken we de woningbouwtaakstellingen van VINEX en Actualisering VINEX (2005-2010) met de bouwruimte die nu bekend is, dan zijn tot 2010 geen nieuwe locaties nodig. De woningbouw in deze periode zal zich voltrekken in het bestaand stedelijk gebied, de VINEX-locaties (restcapaciteit 8.000 woningen), in het Westland, en in de Westlandse Zoom (zie ook paragraaf 4.3).

2.4.3 Westland
Voor het Westland is tot op heden voor de periode 1995 - 2004 op basis van het streekplan Zuid-Holland West en het structuurplan Westland uitgegaan van een woningbehoefte van 5.400 woningen (het Westlandse randtotaal). In de periode 1995 - 1999 gaat het om 3.600 woningen en in de periode 2000 - 2004 om 1.800 woningen. Uitgangspunt daarbij is het bouwen voor eigen behoefte bij een migratiesaldo nul. In het kader van het IOPW is voor het Westland een nieuw ontwikkelingsprogramma opgesteld voor de periode 2000 -2010. Dit ontwikkelingsprogramma sluit aan bij de uitkomsten van de (woningbehoefte)onderzoeken voor het Westland. Op basis van dit programma/scenario wordt de voorraad met 6.660 woningen uitgebreid: 3.260 woningen in 2000-2004; 3.400 woningen in 2005-2010. Hiervan zijn 500 woningen opgenomen in de Westlandse Zoom.

2.4.4 Westlandse Zoom
Voor het grensgebied Den Haag/Westland wordt een bijzonder woningbouwprogramma voorgestaan. Met het oog op de internationale status van Den Haag en omgeving zal in de Westlandse Zoom een exclusief woonmilieu worden gecreëerd. Voor de periode tot 2010 zullen 2.000 luxe woningen worden gebouwd en voor 20102020 nog eens 2.000. De voortgang van deze bouwplannen is echter afhankelijk gesteld van de actuele marktvraag in het internationale segment en van de herplaatsingsmogelijkheden van de glastuinbouw (zie ook paragraaf 3.2.6).

2.4.5 Herstructurering
Naast woningbouw op de nieuwe locaties is herstructurering van de bestaande woningvoorraad in een aantal naoorlogse wijken dringend nodig om de eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad te doorbreken en de kwaliteit te verhogen. Het is van belang om de sociaal-economische positie van de steden te versterken en de ruimtelijke tweedeling binnen de steden en tussen stad en rand tegen te gaan. De transformatieopgave speelt in op de bestaande mismatch; een tekort aan centrum-stedelijke woonmilieus en een te verwachten overschot aan woningen in het buiten-centrummilieu. Op dit moment is de druk op de woningmarkt inclusief de onderkant van die markt echter nog onveranderd hoog. Dit vereist een goede afstemming tussen de binnenstedelijke herstructurering en de 30% sociale nieuwbouw op de VINEX-locaties. Instrumenten van herstructurering zijn: verkoop, woningverbetering plus huurverhoging, harmonisatie-ineens, samenvoeging van woningen, sloop, nieuwbouw en aankoop en versoepeling van woonruimteverdelingsregels. Kwetsbare gebieden met een duidelijk risico voor een opeenstapeling van sociale problemen, liggen vooral in de Haagse agglomeratie en in Delft en Zoetermeer. Op basis van huidige ervaringen met de uitvoering van de tijdelijke regeling herstructurering goedkope woningvoorraad en de ontwikkelingsprogramma’s die een aantal gemeenten op basis van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) hebben opgesteld, dienen de betreffende wijken in het regionale herstructureringsprogramma te worden opgenomen. In een ontwikkelingsprogramma moet worden aangegeven welke toetsbare resultaten het gemeentebestuur in de periode 2000-2005 op het gebied van de fysieke leefomgeving wil bereiken. Stedelijke herstructurering is in principe marktconform. De herdifferentiatie heeft een betere afstemming van het woningaanbod op de huidige en toekomstige vraag

26 / 27
tot gevolg. Verwacht wordt dat dit proces in de aan te pakken wijken leidt tot een dichtheidsverlaging van ca 10%. Dit verlies wordt veroorzaakt door de vergroting van het aantal grondgebonden woningen, de versterking van groen- en waterstructuren en door de introductie (op beperkte schaal) van andere functies, zoals werkgelegenheid en voorzieningen. Tezamen met het werkgelegenheidsbeleid moet de stedelijke herstructurering een oplossing bieden voor de sociale problematiek.

2.5 Voorzieningen
In dit RSP wordt ingegaan op grootschalige voorzieningen, die voor de ruimtelijke structuur, het grootschalige ruimtebeslag en de multipliereffecten van regionaal belang zijn. Het gaat om een verscheidenheid aan voorzieningen, zoals detailhandel, congresaccommodaties, grootschalige commerciële vrijetijdsvoorzieningen (leisure), e.d. Leisurevoorzieningen, waarbij gedacht kan worden aan megabioscopen, skibanen, kartbanen en kinderspeelhallen, kennen veelal een sterke verwevenheid met andere economische functies (bedrijven, kantoren en detailhandel). Voorts wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan een aantal regionaal belangrijke nuts- en overige voorzieningen.

2.5.1 Detailhandel
Voor de detailhandel is de ‘Structuurvisie Detailhandel’ van het stadsgewest Haaglanden, zoals door het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden vastgesteld op 27 juni 2001, maatgevend. De huidige Structuurvisie heeft een looptijd tot 2006 en zal in 2005 worden geactualiseerd. Regionaal beleid op het vlak van de detailhandelsstructuur in het stadsgewest is enerzijds van belang om een zo goed mogelijke spreiding van winkelvoorzieningen te behouden en te versterken en anderzijds overaanbod met de negatieve gevolgen van dien te voorkomen. Voor het RSP is vooral de hoofdstructuur van de detailhandelvoorzieningen in de regio van belang. Haaglanden kent de volgende winkelhiërarchie: 1. aan de top staat Den Haag centrum; 2. de vier nevencentra met een (beperkt) regionaal verzorgende functie zijn DelftCentrum, Zoetermeer Stadshart, In de Bogaard in Rijswijk en Leidschenhage in Leidschendam; 3. Naaldwijk heeft een regionaal verzorgende functie voor het westelijk deel van het Westland. In aanvulling op bovenstaande centra worden de volgende grootschalige en perifere detailhandelsvoorzieningen onderscheiden: 1. de regio Haaglanden kent één concentratie van grootschalige detailhandelvoorzieningen (GDV): het Laakhavengebied in Den Haag; 2. er zijn drie locaties voor perifere detailhandelvoorzieningen (PDV): Leeuwenstein in Delft, Zoetermeer CP-West en de Woerd in Naaldwijk. Een en ander ligt vast in de Structuurvisie Detailhandel. De vier kernopgaven voor de regionaal verzorgende winkelstructuur in deze visie zijn: a. versterken van de positie en het daarmee samenhangende onderscheidende vermogen van de Haagse binnenstad; b. het zoeken naar mogelijkheden voor verdere verbetering van de detailhandel in wonen, b.v. door middel van opvanglocaties en optimalisering van Haaglanden Megastores, Leeuwenstein Delft, Woonhart Zoetermeer en de PDV locatie Naaldwijk. De geconstateerde marktruimte van 20.000 m2 voor woninginrichting wordt verdeeld over de huidige vier PDV/GDV-locaties; c. verder opvangen van de marktbehoefte voor de overige volumineuze detailhandel (bouwmarkten/tuincentra). De geconstateerde extra marktruimte van 23.500 m2 voor tuincentra wordt verdeeld over Zoetermeer (8.000 m2), ‘s-Gravenzande (8.000 m2), Naaldwijk (4.500 m2) en Pijnacker (3.000 m2). De ruimte voor bouwmarkten te verdelen over Naaldwijk (1.250 m2), Monster (770 m2),

kernpunt

kernpunt

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

‘s-Gravenzande (700 m2) en De Lier (280 m2). Voor de agglomeratie Den Haag is 20.000 m2 ruimte voor bouwmarkten; d. inspelen op de toekomstige markttrends en beleidsontwikkelingen. (Hierbij wordt gedacht aan ontwikkelingen zoals grootschalige supermarkten, het PDV/GDV-beleid, en leisure-entertainment). Het in de visie opgenomen wensbeeld/programma is in tabel A, B en C van bijlage B weergegeven. Deze fungeert als plantoetsingskader. Daarbij geldt een ondergrens van 1.000 m2. Dat betekent dat gemeenten plannen vanaf 1.000 m2 bij het stadsgewest aanmelden om het te vergelijken met het wensbeeld.

2.5.2 Leisurevoorzieningen
De regio Haaglanden kent een ruim aanbod aan leisurevoorzieningen in cultuur, sport entertainment en attracties. Leisurevoorzieningen zijn openbare, permanente voorzieningen ten behoeve van vrije tijdbesteding waarvoor men entree moet betalen. De afgelopen jaren is een zekere concentratie van culturele voorzieningen in de verschillende centra/gebieden ontstaan. Aansluiting van leisurevoorzieningen daarbij is gewenst gelet op de positieve effecten hiervan op de culturele sfeer en uitstraling. Concentratie heeft bovendien positieve economische effecten op die centra. Voor het RSP is met name de ruimtelijke structuur van de grootschalige voorzieningen van belang. Evenals bij de detailhandelvoorzieningen het geval is, wordt uitgegaan van versterking van de bestaande structuur voordat wordt gedacht aan nieuwe locaties. Nieuwe opzichzelfstaande leisurevoorzieningen (stand alone) moeten in eerste instantie worden afgewezen. Toekomstige leisureontwikkelingen dient bij voorrang plaats te vinden in de volgende strategische leisuregebieden: Den Haag Binnenstad, Hoog Hage/CSkwadrant/Nieuw Centrum, Den Haag Nieuw Laakhaven, Scheveningen-Bad, Scheveningen-Haven, Delft Spoor-/Zuidpoortzone/Kanaalweg, Zoetermeer Amerikaas (tot Verlengde Australiëweg inclusief Van Tuylpark) en Den Haag Vliet/A12 zone. Een deel van deze gebieden is historisch ontstaan zoals de binnensteden van Den Haag en Delft, en een deel is afzonderlijk ontwikkeld zoals de in Uithof en in de Amerika-as in Zoetermeer. Per concentratiegebied is bepaald in hoeverre sprake is van een lokaal dan wel bovenlokaal karakter. Er zijn ca 90 bovenlokale leisurevoorzieningen in Haaglanden. Deze gebieden zijn benoemd en aangegeven is wat het huidige leisure-aanbod ter plaatse is. De locaties zijn gerangschikt op bereikbaarheid, beschikbaarheid en programmatisch profiel. Daarnaast zijn de bestaande plannen opgenomen. Een en ander is samengebracht in tabel 3 van bijlage B. Om leisurevoorzieningen in te passen gelden de volgende criteria: s milieu en ruimtelijke randvoorwaarden: de voorziening moet zo weinig bezwaarlijk zijn dat aan het eventueel wijzigen van de plaatselijke voorschriften, zoals het bestemmingsplan, medewerking kan worden verleend; s een versterkende werking op bestaande en per 31 december 2001 in procedure/ uitvoering zijnde leisure-voorzieningen in een concentratiegebied. De initiatiefnemer dient dit aan te tonen aan de hand van de ervaringen in een vergelijkbare situatie; s een versterkende en niet verstorende werking op andere functies (o.a. kantoorlocatie, bedrijventerrein, woonwijk) van het gebied. De initiatiefnemer dient dit aan te tonen aan de hand van de ervaringen in een vergelijkbare situatie; s bereikbaarheid met de auto (entree binnen één km van de aansluiting van een regionale weg met een onderliggend wegennet), het openbaar vervoer (halte max. 800 meter van entree) en de fiets; s parkeergelegenheid op eigen terrein en/of in combinatie met bestaande voorzieningen; bij voorkeur dubbel grondgebruik.
Culturele voorzieningen

De afgelopen jaren is een zekere concentratie van culturele voorzieningen in de verschillende centra/gebieden ontstaan. Aansluiting daarbij is gewenst gelet op de positieve effecten hiervan op de culturele sfeer en uitstraling. Concentratie heeft bovendien positieve economische effecten op die centra. De in acht te nemen

28 / 29
hiërarchie voor grootschalige culturele accommodaties luidt als volgt: 1. Den Haag centrum; 2. de centra van Delft en Zoetermeer; 3. Den Haag Scheveningen. Vestiging van kleinschaliger theaters, muziekcentra en bioscopen moet plaatsvinden in aansluiting op de stads- en dorpscentra en grote wijkcentra en aan een of meer lijnen van het openbaar vervoer.
Attractie- en themaparken

Als gezegd ontwikkelt de vraag naar recreatieve en toeristische voorzieningen zich deels in de richting van voorzieningen waar zogezegd het een en ander te beleven valt. Deze tendens uit zich ook in de media en de informatica. In het stadsgewest Haaglanden is deze tendens terug te vinden in onder meer de ontwikkeling van Scheveningen en de ontwikkeling van de verschillende centra, waar steeds meer aandacht wordt besteed aan het aspect recreatief winkelen en de aanwezigheid van terrassen. Reeds gewezen is op de noodzaak om bij deze ontwikkelingen aan te sluiten en verschillende voorzieningen in de stedelijke centra te concentreren. Anders ligt het voor attractieparken, die vanouds om redenen van onder meer bereikbaarheid en ruimtebeslag, perifeer zijn gelegen. Haaglanden kent drie grootschalige attractieparken: s Duinrell te Wassenaar; s Drievliet Rijswijk; s Madurodam te Den Haag. Uitbreiding van grootschalige attractieparken en nieuwe locaties hiervoor zijn gebonden aan de criteria voor leisurevoorzieningen. Een grootstedelijke regio is ook een aantrekkelijke vestigingsplaats voor (tijdelijke) themaparken. Deze hebben een toeristische, educatieve en recreatieve functie. Voor het RSP is met name het ruimtebeslag en het effect op de omgeving van belang. Een aantal spelregels is uit oogpunt van regionale coördinatie en beoordeling van initiatieven voor (tijdelijke) themaparken noodzakelijk. Themaparken met een grote publieksfunctie zijn uitsluitend toegestaan als: het een park is, waarbij gebruik van recreatietoestellen geen hoofdzaak is; s het landschappelijk verantwoord kan worden ingepast, dan wel positief aan een gewenste groenontwikkeling bijdraagt, conform het gestelde in paragraaf 2.6.7; s de bereikbaarheid, met name ook per openbaar vervoer verantwoord kan worden of is geregeld; s er, in het geval van een tijdelijk park, met het voor de toekomst beoogde gebruik nadrukkelijk rekening wordt gehouden.
s

Het leisurebeleid wordt over twee jaar geëvalueerd.

2.5.3 Congresaccommodaties en hotels
Het stadsgewest Haaglanden ontleent zijn betekenis mede aan het regeringscentrum en daaraan gelieerde instituten en instellingen en aan een aantal internationale instellingen. Dit betekent dat er behoefte is aan en een markt is voor congresaccommodaties. Congresaccommodaties kunnen, indien deze goed aansluiten op de voorzieningenstructuur, op zich zelf weer van betekenis zijn voor de economie. In 2000 is een marktanalyse voor toeristische en zakelijke verblijfsaccommodaties in het stadsgewest uitgevoerd. Hieruit blijkt dat tot 2005 in de regio ruimte is voor 800 à 1.600 extra hotelkamers. Om deze benodigde groei te stimuleren is één van de actiepunten dat gemeenten daadwerkelijk ruimte voor hotelaccommodaties in hun bestemmingsplannen aanwijzen. Het aantal extra hotelkamers is vooral gebaseerd op de goede toekomstverwachtingen uit de zakelijke markt. Deze jaarlijkse groei wordt op 2,5 tot 4,5% geschat. Ook wordt een toename van 3% in de congresmarkt verwacht.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Teneinde te bevorderen dat het stadsgewest ook als congresregio zijn profiel versterkt, is het gewenst om de volgende ordening aan te brengen in het accommodatiebeleid. Concentratie van grootschalige congresaccommodaties in: s omgeving Congrescentrum te Den Haag; s stadscentra Den Haag, Delft en Zoetermeer; s Scheveningen en Kijkduin. Voorts is in het kader van het IOPW een kleinschalig conferentiehotel op de grens van ‘s-Gravenzande en Monster in ontwikkeling.

2.5.4 Campings/vakantiebungalowparken
Het stadsgewest Haaglanden heeft ruim tien campings/vakantiebungalowparken. Hoewel dit segment geen groeisector is in de recreatiemarkt (zie ‘Veelzijdigheid Troef’, het toeristisch Marktontwikkelingsplan Haaglanden, oktober 1996), is met name met het oog op de toeristische versterking van de kustrecreatie uitbreiding in het Westlandse kustgebied gewenst. Daarnaast zijn er verspreid in de regio ook kleinere kampeerterreinen, of -voorzieningen, zoals kamperen bij de boer interessant. Deze voorzieningen kunnen de recreatieve betekenis van de grotere groengebieden en de (ook landelijke) fiets- en wandelroutes versterken. Het gewenste beleid luidt als volgt:
kernpunt

Als grootschalige (>dan 3 ha) campings/vakantiebungalowparken worden aangemerkt: s Delftsehout te Delft (bestaand); s Jagtveld, Vlugtenberg en Zeerust te ‘s-Gravenzande (bestaand); s Duinpark te ‘s-Gravenzande (in ontwikkeling); s Kijkduinpark te Den Haag (bestaand); s Molenslag te Monster (bestaand); s Polanen te Monster (bestaand); s Duinrell te Wassenaar (bestaand); s Duinhorst te Wassenaar (bestaand); s Maaldrift te Wassenaar (bestaand); Verplaatsing en uitbreiding van de bestaande camping aan de noordzijde van Monster en omzetting van deze camping in een all-season camping, een vakantiebungalowcomplex tussen de Slagerdijk en de Rijnweg/Haagweg te Monster (in ontwikkeling). Kleinschalige campings, die gekwalificeerd zijn als natuurcamping, zijn toegestaan in: Midden-Delfland; s de rijksbuffer Den Haag - Leiden - Zoetermeer (onder meer Vlietland); s de Groenblauwe Slinger.
s

2.5.5 Golfbanen
De afgelopen decennia heeft de golfsport een grote vlucht genomen, is de belangstelling sterk toegenomen en zijn er vele voorzieningen met een behoorlijk ruimtebeslag in de regio Haaglanden gerealiseerd. Of het voorzieningenaanbod voor deze vorm van sport/recreatie toereikend blijft, hangt mede samen met de trends in het gehele leisure-gebeuren, alsmede met het aanbod in aangrenzende regio’s en of het golftoerisme van en naar gebieden verder weg een rol speelt.
kernpunt

Naast de reeds bestaande golfvoorzieningen in Den Haag, Wassenaar, Zoetermeer, Rijswijk, Schipluiden en Leidschendam wordt alleen een nieuwe golfbaan voorzien bij de sportvelden van Groenendaal Noord in Wassenaar. Op deze en eventuele andere nieuwe ontwikkelingen is het gestelde in paragraaf 2.6.7 van toepassing.

2.5.6 Openluchtrecreatie en watersport
Als tegenhanger van de recreant en toerist, die de drukke centra opzoekt, is de behoefte aan mogelijkheden om rust op te zoeken, te fietsen, te varen of te wandelen sterk in ontwikkeling. In paragraaf 2.6. wordt uitgebreid ingegaan op de grote groengebieden en het groene netwerk. Dit netwerk, inclusief de hierbij behorende fietspaden, waterlopen

30 / 31
en plassen heeft een uitermate belangrijke functie voor de dagrecreatie. Dat geldt bij uitstek ook voor de kust. De watersport kan in het stadsgewest meer profiel krijgen, met name door aandacht te besteden aan betere recreatieve vaarroutes, die tevens de groene dooradering ondersteunen en door het creëren van verblijfsvoorzieningen c.q. kleine haventjes. De toegankelijkheid van en de onderlinge verbindingen tussen recreatief vaarwater is een aandachtspunt. Dat geldt ook voor het verbeteren van de faciliteiten voor en aanleg van nieuwe kleine recreatieve havens, zoals: s in Leidschendam bij de sluis in de Vliet; s in de Binckhorst aan de Trekvliet; s in de Kolk te Delft; s in het recreatiegebied Vlietland; s in Schipluiden; s in Maasland; s in Monster; s Bierkade en Laakhaven in Den Haag. Voor de watersport op zee biedt de haven van Scheveningen uitgelezen kansen om een marina van internationale betekenis te worden. Scheveningen ligt voor zeezeilers goed op de route. Een marina heeft een goede spin-off op toeristische en economische activiteiten, zoals de horeca, een toeristische vismarkt, kleine onderhoudsbedrijfjes, e.d. Om de aantrekkelijkheid te verhogen moeten de voorzieningen in (met name de Tweede Binnenhaven) worden uitgebreid. Uitbreiding van de jachthaven is aan de orde op de huidige locatie in aansluiting op een te ontwikkelen Internationaal Zeezeilcentrum. Op het Noordelijk Havenhoofd wordt een toeristisch-recreatieve ontwikkeling geëntameerd als voorpost van de haven. Het verdient aanbeveling om, zo dit technisch en financieel uitvoerbaar is, uiteindelijk de haven van Scheveningen ook vanaf het binnenwater te ontsluiten. Voor het RSP wordt tot uitgangspunt genomen: Scheveningen-haven wordt verder uitgebouwd tot nationale en internationale jachthaven.

kernpunt

2.5.7 Nuts- en andere voorzieningen
Waterzuiveringsinstallaties

Op het niveau van het RSP zijn met name de grotere installaties voor afvalwaterzuivering van belang. De voorzieningen (rioolgemalen en persleidingen) voor de aan en afvoer van effluent naar deze AWZI’s dienen in nauw overleg met de waterkwaliteitsbeheerders planologisch beschermd te worden. De twee grote locaties voor zuivering van afvalwater (AWZI) betreffen: s Houtrust te Den Haag (bestaand); s Harnaschpolder te Schipluiden (nieuw, zie plankaart).
Energiecentrales en windturbines
kernpunt

Er is geen planologische reservering opgenomen voor nieuwe energiecentrales. Als onderdeel van het overheidsstreven in 2010 10 % van de energieproductie op duurzame wijze te realiseren, waarbij de provincie Zuid-Holland in de Bestuursovereenkomst Windenergie heeft vastgelegd 150 MW aan windenergie te willen realiseren, zal het stadsgewest Haaglanden hieraan tot een maximum van 50 MW aan windenergiecapaciteit bij kunnen dragen. Het rapport ‘Ontwikkeling locaties voor windenergie in stadsgewest Haaglanden’ beveelt aan in de hinderzones van de autosnelwegen A4, A12, A13 en A20 rekening te houden met een mogelijke plaatsing van windturbines in kleine windparken, waarbij rekening dient te worden gehouden met nieuwe stedelijke ontwikkelingen, landschappelijke inpassing, geluid, trillingen, lichtreflecties, schaduwwerking, vogeltrekbewegingen, invloed op ecologische structuren, veiligheid en ongewenste uitstralingseffecten. Mede op basis van dit rapport worden de volgende, nader gespecificeerde, potentiële locaties genoemd:
kernpunt

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Gemeente

Onderzochte locatie

Mogelijk aantal

Capaciteit per turbine

Totaal MW Min Max

1a 1b 2 3 4a 4b 5 6 7

Delft Zuid Delft Zuid De Lier Leidschendam Maasland 1 Maasland 2 Pijnacker 2 Rijswijk 1 Rijswijk 2 Totaal

Schiekade langs de A13 bedrijfsterrein Leehove Prins Clausplein/A4 Zuidzijde A20 Noordzijde A20 bedrijfsterrein Ruyven verkeersknooppunt Hoornwijck bedrijfsterrein Ypenburg

4 4 in lijn 1 4 in lijn 5 in lijn 4 in lijn 3/4 1 2

1-1,5 MW 1-1,5 MW 0,6-1,0 MW 1-1,5 MW 0,6-1,5 MW 0,6-1,5 MW 0,6-1,0 MW 0,6-1,5 MW 0,6-1,5 MW

4,0 4,0 0,6 4,0 3,0 2,8 1,8 0,6 1,2 22,0

6,0 6,0 1,0 6,0 7,5 6,0 4,0 1,5 3,0 41

De opsomming is niet limitatief. Naast de hier genoemde locaties kunnen ook andere plekken in aanmerking komen indien zij aan de gestelde criteria voldoen. De exacte locatie van eventuele windturbines is met bovenstaande indicatieve aanduiding nog niet vastgelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat windturbines in de regio rendabel zijn vanaf een masthoogte van 80 meter en met een rotordiameter van minimaal 63 meter. Met het oog op de beleidstaakstelling om het broeikaseffect tegen te gaan, dient er verder rekening te worden gehouden met ruimtelijke claims voor kleinschalige pompstations voor aardwarmte, een CO2-en warmtenet voor de glastuinbouw e.d.

Zoeklocaties windturbines

Zoeklocaties

32 / 33
Afvalstortlocaties en locaties voor baggerslib

Stortlocaties voor afvalstoffen en vervuild baggerslib vragen veel ruimte. In de regio Haaglanden zijn in het verleden verschillende stortplaatsen tot stand gekomen. Het landelijke afvalstoffenbeleid is er in eerste instantie niet op gericht om afval te storten. Het RSP sluit hierop aan. Voor locaties voor onderhoudslib dienen door gemeenten ruimtes te worden gereserveerd in overleg met de waterbeheerder. In het RSP is geen ruimte voor nieuwe afvalstortplaatsen gereserveerd. Er zijn geen regionale locaties voor zwaar vervuild baggerslib en verontreinigde grond aangewezen. Klasse 1 baggerslib en licht verontreinigde grond dienen direct te worden hergebruikt.
Zeewering en waterwingebieden
kernpunt

De duinen hebben een belangrijke functie in het kader van de zeewering. Nader onderzoek door de kustbeheerders is gaande naar de toereikendheid van de zeewering, gezien de gevolgen van de opwarming van het klimaat. Verhoging en verzwaring van de zeewering is op enkele zwakke plekken binnen 50 jaar aan de orde, en op langere termijn over de gehele linie. De meest problematische gedeelten zijn de zwakke duinenkust van ‘s-Gravenzande en Monster, en de bebouwing die in Ter Heijde, Kijkduin en (vooral) Scheveningen aanwezig is op de zeewering zelf. In het gebied tussen Hoek van Holland en de haven van Scheveningen ligt het voor de hand om de toekomstige verzwaring van de zeewering zeewaarts uit te voeren, zoals ook in deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt voorgesteld. Voor de kustplaatsen, die bebouwing in de zeewering bezitten wordt op alle bestuursniveaus gezocht naar creatieve oplossingen. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de meest wenselijke zeeweringsvorm voor de toekomst, moet noodgedwongen rekening gehouden worden met de mogelijkheid van zowel landwaartse als zeewaartse versterking van de zeewering. In de bebouwde kommen is nadrukkelijk ‘maatwerk’ nodig om nieuwe bebouwing op een verantwoorde wijze in de ‘reserveringzone’ voor de zeewering in te passen. De economische en recreatieve betekenis van de badplaatsen mag hierbij niet in het gedrang komen. Ook dient de toegankelijkheid van de haven van Scheveningen vanuit zee afdoende gewaarborgd te worden. De reserveringszone voor landwaartse verzwaring van de zeewering, die veelal ongeveer 300 m breed is, vormt voor het stadsgewest een gegeven. Recreatie en andere vormen van ruimtegebruik zullen hier ondergeschikt moeten blijven aan de technische eisen van de zeewering. De functie van de duinen als waterwingebied blijft gehandhaafd.
kernpunt

2.6 Het groene casco
2.6.1 Een groen wensbeeld
De regio Haaglanden beschikt over een aantal grote, waardevolle groen- en natuurgebieden. Midden-Delfland, de kuststrook, het landschap rondom Wassenaar en de uitloper van het veenweidegebied van het Groene Hart langs Zoetermeer en Leidschendam zijn van eminent belang voor de leefbaarheid in de regio. Het regionale groene casco wordt gecompleteerd met een reeks kleinschalige, afzonderlijke, al dan niet binnenstedelijke parken. Op beide fronten zijn de laatste jaren initiatieven ontwikkeld om tot een integraal regionaal groen netwerk te komen. Een netwerk waarin een balans gevonden wordt tussen de verschillende functies van het open groene gebied: recreatie, natuur, water en landbouw. Bestaande natuur- en recreatiegebieden moeten hiervoor worden uitgebreid en/of heringericht. Nieuwe gebieden moeten aan het netwerk worden toegevoegd. Aanleg van de ecologische hoofdstructuur, recreatiegebieden gekoppeld aan de verstedelijking, ruimte zoeken voor waterberging en een duurzame oplossing voor de landbouw, zijn hier de belangrijkste opgaven. De verhouding tussen de verschillende ruimteclaims zal worden bepaald al naar gelang de lokale omstandigheden en bestaande en gewenste kwaliteiten. Daarbij is de cultuur-

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

historische en landschappelijke betekenis van het gebied een belangrijke factor. Voor de kwaliteit van het netwerk en een optimale benutting ervan is de aanleg van verbindende schakels tussen de open gebieden onderling en met het stedelijk gebied van groot belang. Een aantal specifieke gebieden en verbindingen in Haaglanden maken onderdeel uit van de Nationale of Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, dan wel zijn aan te duiden als ANL-gebied. Voor wat betreft deze aanduidingen en de groene en ecologische verbindingen onderschrijft het stadsgewest het beleid van de provincie Zuid-Holland zoals vastgelegd in het streekplan Zuid-Holland West en de Nota Planbeoordeling.

2.6.2 De grote groengebieden
De grootschalige groengebieden onderdeel uitmakend van het Haaglandse groene casco, zijn van randstedelijke en landelijke betekenis. Een goede aansluiting op het groenblauwe netwerk van de Deltametropool is nodig voor het functioneren van het regionaal ecologisch, landschappelijk en recreatief systeem. Op veel gebieden in de regio zijn reeds planologische beschermingconstructies van toepassing. De kuststrook valt onder de Habitatrichtlijn. De zones Den Haag-LeidenZoetermeer en Midden-Delfland vallen vooralsnog onder het bufferzonebeleid. En delen ervan zijn als cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid in de rijksnota Belvedere. Planologische bescherming van genoemde gebieden moet voor langere tijd verzekerd blijven. Bij aanpassing van het huidige bufferzonebeleid als gevolg van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening dient in ieder geval een gelijkwaardige planologische bescherming gevonden te worden in de vorm van groene contouren en/of de aanwijzing tot regionaal of provinciaal landschap. Daarbij is uitbreiding van het met planologische zekerheid te beschermen gebied gewenst. Het MiddenDelfland kan daarbij worden aangevuld met de Dijkpolder-West in Maasland en met het gebied ten oosten van rijksweg A13: de Ackerdijkse plassen en de omgeving van Oude Leede. Dit verstevigt de groene buffer tussen de twee grote stedelijke agglomeraties van het stadsgewest en de Rotterdamse regio. Aan de noordzijde van Haaglanden, rond Stompwijk, dringt het Groene Hart als een wig de regio binnen. Ook dit gebied, met erkende groen- en natuurkwaliteiten, vraagt om bescherming tegen de opmars van de verstedelijking. Landinrichtingsmaatregelen moeten deze gebieden in hun waarde versterken. De inrichting van de betreffende gebieden zijn onderdeel van planvorming in het kader van de Groenblauwe Slinger, de Gebiedsgerichte Aanpak Den Haag-Katwijk, Landinrichting Leidschendam, het IOPW en de Kustzone. Uitgangspunt hierbij is een gebalanceerde en integrale ontwikkeling van natuur (en ecologie), recreatie, water en landbouw met zorg voor de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. De projecten zijn, voor zover er in dit stadium overeenstemming is bereikt over de inrichting, in meer of minder gedetailleerde mate in het RSP opgenomen. Afhankelijk van de uitwerking van de plannen kunnen er verschuivingen in het type groenfunctie van gebieden plaatsvinden. Verder is aan de oostzijde van de regio het groenplan Bentwoud als onderdeel van Zoetermeer-Zuidplas in voorbereiding. Het HSL-tracé, dat tussen Zoetermeer en het nieuwe boscomplex loopt, dient in zijn uitvoering rekening te houden met recreatieve verbindingen.

34 / 35
Bovenregionale groenprojecten

2.6.3 De groene verbindingen
De groenkwaliteit van Haaglanden zal sterk verbeteren door de aanleg van een netwerk van groene verbindingen tussen bestaande en te herstructureren groengebieden als in de vorige paragraaf beschreven. Dit levert op meerdere terreinen voordelen op. De ecologische functie van het groen wint aan betekenis. Groene verbindingen bieden betere condities aan de flora en fauna, waardoor de biodiversiteit wordt verhoogd. Op het gebied van recreatie leiden groene netwerken tot meer en betere wandel- en fietspaden en verhogen ze het natuurlijk karakter van de omgeving. Binnen het groene casco moet ruimte worden gevonden om het waterbeheer te verbeteren. Bovendien zorgt een groene geleding voor een ruimtelijke afwisseling. Het voorkomt dat er één aaneengesloten bebouwd gebied in de regio ontstaat. Om als verbinding voor flora en fauna te kunnen functioneren zullen de ecologische verbindingen aan een aantal specifieke kwaliteitseisen moeten voldoen. De eisen zoals die reeds door de gemeente Den Haag en de provincie Zuid-Holland zijn geformuleerd dienen hiervoor als uitgangspunt. Op dit punt wordt dan ook verwezen naar de respectievelijke beleidsnota’s over ecologische verbindingszones. Afhankelijk van de te verbinden groengebieden, moeten deze groene verbindingen zodanig worden ingericht, dat belangrijke gidssoorten zich tussen de gebieden onderling kunnen verplaatsen. Daarvoor dienen tevens zo veel mogelijk barrières (infrastructuur, oevers met harde beschoeiingen en kale open plekken) in en tussen groengebieden te worden doorbroken dan wel weggenomen. Het is gewenst overal waar mogelijk het element water te integreren in de groengebieden en de onderlinge verbindingen. Dit geldt ook voor binnenstedelijk gebied.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling
kernpunt

Het groene netwerk bestaat naast de grote groengebieden uit de volgende groenverbindingen die onderling en met het stedelijk gebied relaties leggen: s de verbinding van het Wassenaarse duingebied met het Groene Hart en het Bentwoud, waarin de zwakke schakel van de Duivenvoorde Corridor in Leidschendam bij bestemmingsveranderingen versterkt moet worden; s de verbinding tussen het Wassenaarse duingebied en het park Zorgvliet; s Den Haag via verschillende parkgebieden. Deze verbinding dient, tezamen met de Haagse Beek, te worden versterkt als ecologische corridor tussen de duingebieden ten noorden en ten zuiden van Den Haag; s de zone langs Zweth en Vliet, die geheel Haaglanden doorsnijdt. De groene elementen in deze zone liggen nu als tamelijk geïsoleerde kralen aan de door de waterlopen gevormde ketting. Het doorgaande karakter van deze zone moet versterkt worden door uitbreiding van het groen, verbetering van de inrichting, en door meer continuïteit in de recreatieve routes, bijvoorbeeld voor fietsers. Hieronder vallen onder andere de Vlietzone, de parkzone, Rijswijk en de Zwethzone ten zuiden van het Wateringse Veld; s de Groenblauwe Slinger tussen het Groene Hart en Midden-Delfland. Daartoe behoren de deels of in zijn geheel op Haaglands grondgebied gelegen projecten: Het land van Wijk en Wouden, Driemanspolder, Bieslandse Bos, Balij, Groenzone Berkel-Pijnacker en Oude Leede. De Groenzone is in de Slinger een smalle kwetsbare verbinding waarvan naar aanleiding van de MER de definitieve inrichting bepaald zal worden. En in aanvulling hierop is een groene verbinding ten westen van de kern Pijnacker, tussen Bieslandse Bos en Oude Leede gewenst. Bij bestemmingsveranderingen dienen deze elementen gewaarborgd te worden. De Groenblauwe Slinger wordt daarmee een structuurdrager binnen het stedelijk netwerk; s de verbinding tussen het Haags/Monsterse duingebied en Midden-Delfland langs de zuidwestzijde van de Haagse agglomeratie (de ‘Westlandse Zoom’) vormt een groene buffer tussen de Haagse agglomeratie en het Westlandse glastuinbouwgebied. Bij bestemmingsveranderingen en bij de herstructurering van de glastuinbouw in dit gebied dienen de gewenste groene schakels in deze verbinding ingevuld te worden; s de kustzone van het Westland. Gecombineerd met zeewaartse versterking van de zeewering dient landinwaarts meer ruimte voor landschappelijke en recreatieve elementen gevonden te worden. s de groenblauwe dooradering van het Westland zoals benoemd in het Integraal Ontwikkelingsplan Westland ten behoeve van de verbetering van de ecologische kwaliteiten en gecombineerd met nieuwe en aantrekkelijke langzaamverkeersverbindingen. Lokaal worden de aders uitgebouwd met groene bouwstenen; s de verbinding van het duingebied van ‘s-Gravenzande/Hoek van Holland met Midden-Delfland langs de zuidzijde van het Westland (deels via Rotterdams gebied). Bij bestemmingsveranderingen dient deze verbinding versterkt te worden; s de verbinding van de Oranjepolder met Midden-Delfland ter hoogte van de Dijkpolder (deels via Rotterdams gebied). Bij bestemmingsveranderingen dient deze verbinding versterkt te worden. Een aantal van de genoemde verbindingen zijn samengebracht onder de noemer Groene Schakels Haaglanden. De Groene Schakels zijn groene verbindingen waarbij afhankelijk van de lokale situatie gezocht wordt naar een optimale combinatie van recreatieve route, landschappelijke verbindingszones en/- of ecologische verbinding. Het karakter van de Schakels is primair verbindend (routes en lijnen). Waar mogelijk en wenselijk kan dit versterkt worden met vlak groen. De Groene Schakels maken onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma groen. Bij deze projecten ligt in principe het initiatief bij het stadsgewest, maar op verschillende plaatsen kan, vaak naar aanleiding van externe planvorming, door gemeenten zelf het initiatief tot planontwikkeling genomen worden. De hiervoor beschreven groenstructuur in het Westland vormt een aanvulling op het vigerende streekplan.

36 / 37
Regionale en lokale groenprojecten

Groene schakels

Haaglanden

in ontwikkeling

2.6.4 Waterlopen
Diverse waterlopen functioneren op regionaal niveau, tezamen met aanliggende groene elementen, als dragers van het groenblauwe ecologische netwerk. Daarbij is de waarde van kleinere waterlopen voor de verspreiding van soorten aanmerkelijk groter is. De waterlopen hebben tevens een belangrijke functie in de afvoer van overtollig regenwater. In het plangebied zijn twee boezemgebieden gelegen, één van het Hoogheemraadschap Rijnland en één van het Hoogheemraadschap Delfland. De belangrijkste waterlopen zijn: s het Rijn-Schiekanaal (de Vliet); s de boezemkanalen van Rijnland; s de Schie; s de Zweth (in samenhang met aan te leggen verkeersinfrastructuur); s de Haagse Beek. De zone langs de Haagse Beek dient, tezamen met de parkenzone tussen Den Haag en Scheveningen, versterkt te worden als ecologische verbinding tussen de duingebieden ten zuiden en ten noorden van Den Haag. In het Westland dienen de volgende wateren met hun omgeving in het kader van de uitvoering van het Integraal Ontwikkelingsplan Westland te worden ontwikkeld als groene zones: s de Gantel; s Vlotwatering/Monstersevaart/Poelwatering/Nieuwe Water; s de Zweth; s Wennetjessloot/Holle Watering/Lange Watering. Bij de ontwikkeling van de Westlandse plannen dient rekening te worden gehouden met mogelijk nadere wensen ten aanzien van de waterafvoercapaciteit en het bergend vermogen.

2.6.5 Groen heeft voorrang op rood
kernpunt

Het instandhouden en versterken van het groene netwerk zoals omschreven in de paragrafen 2.6.1 tot en met 2.6.4, heeft prioriteit vóór verstedelijking van onderdelen van het netwerk, indien zich tussen beide een conflict mocht voordoen tussen bestemmingen waarin het RSP niet voorziet. Zo kan minimale ruimtelijke kwaliteit gegarandeerd worden. Dit betekent met name dat groene geledingen nodig blijven of zijn tussen: s Wassenaar en de Leidse agglomeratie; s Leidschenveen en Zoetermeer; s Pijnacker, Nootdorp en Zoetermeer; s Pijnacker en Berkel-Rodenrijs; s Pijnacker en Delfgauw/Delft; s Delft/Delfgauw en Schiedam/Vlaardingen; s de Haagse agglomeratie en het Westlandse complex van dorpen en glastuinbouw; s de landgoederenzone en het stadslandschap van Rijswijk; s de Vlietzone. In deze groene geledingen moet gestreefd worden naar passende maatvoering voor de drie functies: de recreatieve, de ecologische en de ruimtelijke geledingen.

2.6.6 Rood betaalt voor groen
Het beginsel ‘rood voor groen’ kan op twee verschillende wijzen worden toegepast. Ten eerste om de realisatie van enkele groenzones financieel mogelijk te maken. Uitgangspunt daarbij is het ontwikkelen van groen in combinatie met rode functies waarvoor de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking of publiek-publieke samenwerking open staan. Toepassing van het beginsel kan hier slechts plaatsvinden onder strikte voorwaarden en met als algemeen kenmerk dat de (private) ontwikkeling een aanzienlijke (kwaliteits-)bijdrage levert aan de ‘groene’ uitgangspunten van de groenstructuur en dat het netto bebouwd oppervlak binnen het plangebied afneemt (als gevolg van vervanging van bijvoorbeeld bestaande

38 / 39
versnipperde glastuinbouwcomplexen, dan wel bedrijfspanden). Deze strategie is (indien noodzakelijk) van toepassing in de volgende gebieden: s de Westlandse kustzone; s de geprojecteerde groenblauwe zones in en langs het Westlandse glastuinbouwgebied; s de Duivenvoorde-corridor in Leidschendam; s de Groenblauwe Slinger ten oosten en westen van Pijnacker, waaronder de Groenzone Berkel-Pijnacker en Buurtschap Oude Leede. De bebouwing mag geen afbreuk doen aan de functies van een groenzone als ecologische corridor en als recreatieve verbindingsroute. Het is noodzakelijk deze bebouwing goed in te passen in het beleid voor de woningbouwprogrammering. Voorkomen moet worden dat er in deze sectoren door een beleid van ‘rood betaalt voor groen’ een overaanbod ontstaat. Een tweede ‘rood voor groen’ strategie is de financiële en planmatige koppeling van groenontwikkeling aan nieuwe stedelijke ontwikkelingen in de regio. Stedelijke ontwikkeling veroorzaakt een grotere druk op de groene omgeving. Zowel op het gebied van recreatief gebruik door bewoners in de toekomst als milieutechnische overlast door bedrijvigheid. Een financiële en planmatige koppeling is daarom gewenst en moet waar mogelijk worden ingezet. Deze strategie is o.a. van toepassing op de Westlandse Zoom.

2.6.7 Toeristische en recreatieve functies in groengebieden
Uitbreiding van bestaande en realisering van nieuwe toeristische en recreatieve functies in groengebieden is alleen toegestaan mits: s de locatie voldoet aan de criteria genoemd in paragraaf 2.5.2 Leisurevoorzieningen; s het groengebied niet valt onder de Habitat- en/of Vogelrichtlijn; s de recreatieve, ecologische, waterhuishoudkundige en de afgeleide functies van het groengebied niet worden belemmerd; s de maat en schaal van de functie passen binnen het karakter van het groengebied; s het een versterking van de totale omgevingskwaliteit bewerkstelligt; s de openbare toegankelijkheid van het regionale groene netwerk wordt gewaarborgd.

2.7 Het verkeers- en vervoernetwerk
2.7.1 Algemeen
Het verkeers- en vervoersbeleid van het stadsgewest is gericht op het versterken van de rol van het openbaar vervoer en de fiets en op beperking van de groei van het autoverkeer. In hoofdpunten kan het beleid als volgt worden gekarakteriseerd: s zo goed mogelijk benutten van de bestaande infrastructuur door verkeersmanagement en het strategisch gebruik van het prijsmechanisme; s het op beperkte schaal uitbreiden van de capaciteit, bijvoorbeeld met spitsstroken; s het aanleggen van ontbrekende schakels; s kwaliteitsverbetering van het regionale openbaar vervoer; s aanleg van fietsroutes tussen de belangrijke woon-, werk- en recreatielocaties; s het organiseren van transferpunten tussen de modaliteiten; s flankerend beleid/gedragsbeïnvloeding/vervoermanagement. Het verkeersbeleid stuurt en ondersteunt de verstedelijking en de economische streefbeelden van het stadsgewest. De plannen voor de verschillende verkeerssoorten komen in de volgende (sub)paragrafen aan bod.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

2.7.2 Openbaar Vervoer
De raillijnen vormen de ruggengraat van het (inter)nationale en regionale openbaar vervoersysteem. Het buslijnennet is van belang voor de minder zware verbindingen. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) completeert het openbaar vervoersysteem op deur- tot deurniveau en heeft vooral ook een functie voor gehandicapten en bejaarden.
HSL

De HSL rijdt door het groene hart langs het verstedelijkte gebied van Haaglanden. Ter hoogte van Zoetermeer Oost is er ruimte voor een halte ten behoeve van de HSLshuttle voor binnenlands vervoer. Den Haag CS wordt aangesloten op de HSL-Zuid (enkele ritten per dag). Het verdient aanbeveling de HSL-Oost vanaf Utrecht rechtstreeks door te trekken naar Den Haag CS.
Heavy rail
kernpunt

Voor de structurering van de inter(nationale) en boven regionale openbaarvervoer verbindingen ligt de prioriteit bij het verdubbelen van de bestaande spoorlijnen Den Haag - Zoetermeer - Gouda en Den Haag Mariahoeve - Rotterdam, inclusief een spoortunnel in Delft en geschikt maken voor hogere maximumsnelheden. Hiermee worden twee ontwikkelingen mogelijk: s hoogwaardige Randstedelijke openbaar vervoerdiensten die via een selectief aantal stations de regio’s Haaglanden, Rotterdam, Amsterdam/Schiphol en Utrecht onderling verbinden, en die tevens aansluiting bieden op het landelijk hogesnelheids spoornetwerk naar de overige landsdelen en het buitenland. Aan de ‘bovenkant’ moet een aantal (inter)nationale hoge snelheid verbindingen worden toegevoegd. De HSL-Zuid en Oost zullen door rijden naar Den Haag; s uitbouw van een deel van de regionale (light)railnetwerken om het gat dat op regionaal schaalniveau bestaat op te vullen. Ten behoeve van de ontsluiting van Ypenburg dient een station Ypenburg te worden gerealiseerd. Op de lijn LeidenRotterdam zijn nieuwe haltes Leidschendam/Antoniushove en Rijswijk/Delft/ ‘t Haantje in beeld.
RandstadRail

De introductie van lightrail RandstadRail moet dienen ter verbetering van de regionale verbindingen met de Rotterdamse en de Leidse regio en met Gouda. Dit systeem, waarin met snelle en comfortabele voertuigen met hoge frequentie zal worden gereden, is in het bijzonder geschikt voor afstanden van ca 10 - 30 km en verbindt de regionale lightrailnetten zonder overstap. RandstadRail zal rijden op de huidige Hofpleinlijn en Zoetermeerlijn en de aan te leggen aftakking naar de VINEXlocatie Zoetermeer-Oosterheem. In Den Haag zal RandstadRail doorrijden via de huidige tracés van de tramlijnen 3 en 6 naar Den Haag Zuid-West. Nieuwe haltes zijn geprojecteerd in Pijnacker-Zuid en Leidschenveen en in Nootdorp/Noukoop. De lightrailverbindingen richting Leiden, Gouda en Schiedam/Rotterdam zijn voorzien voor de periode na 2010, alle onder gebruikmaking van de te realiseren vier-sporigheid van de huidige NS-lijnen. Zo mogelijk zal hier eerder mee worden begonnen. Voorts wordt rekening gehouden met verbindingen van Zoetermeer richting Rotterdam en richting de Rijn-Gouwelijn. De aansluiting van Zoetermeer op de Rotterdamse metro kan worden onderverdeeld. Doortrekking van de ZoetermeerOosterheemtak tot de A12 en een verdere doortrekking naar Rotterdam. De voorkeur van het stadsgewest gaat daarbij uit naar een bundeling van het tracé met dat van de HSL, waarbij de ligging direct naast de HSL-lijn ter hoogte van de kruising met de A12 en de spoorlijn naar Gouda uitgangspunt dient te zijn. Overigens zal door de te realiseren goede overstapmogelijkheid in Leidschenveen van de Hofpleinlijntak op de Zoetermeerlijntak en andersom al een zeer goede RandstadRailverbinding ontstaan tussen Zoetermeer en Rotterdam.
AggloNet

AggloNet beoogt het aanleggen van een aantal tram- en buslijnen die aansluiten op het landelijke railnet, het RandstadRailnet en het bestaande ontsluitende net van

40 / 41
Openbaar vervoer

<2005 2005-2010 2010-2020 2005-2010 2010-2020

Haaglanden

in ontwikkeling

kernpunt

tram- en busverbindingen. De AggloNetlijnen die essentieel zijn voor de ontsluiting van de VINEX-locaties en nog te realiseren bouwlocaties zijn: s lijn 17 (naar Wateringseveld); s lijn 15 (naar Ypenburg/Nootdorp via Rijswijk Hoornwijck); s lijn 19 (Leidschendam-Leidschenveen-Ypenburg- Delft); s lijn 33 (Leidschenveen - Rijswijk In den Bogaard, via Ypenburg en Plaspoelpolder); s lijn 37 (Zuidtangent: Kijkduin-Delft-Pijnacker-Zoetermeer). Lijn 17 is in 1999 voltooid, lijn 33 rijdt sinds 2001 als bus, lijn 15 zal in 2002 en lijn 19 voor 2005 klaar zijn. Voor het tracé van lijn 19 in Delft is naast de Mekelweg ook de Schoenmakerstraat in beeld. De aanleg van lijn 37 is voorzien in de periode 2010 -2020, vooralsnog als hoogwaardige buslijn.

2.7.3 Wegverkeer
De afgelopen jaren is veel energie gestoken in het zorgen voor een betere benutting van bestaande weginfrastructuur, in het bijzonder de A12 (benuttingsproject A12 i.s.m. het rijk en de provincie). In het kader van het Bereikbaarheidsoffensief voor de Randstad (BOR) is een extra impuls gegeven aan de verbetering van de bereikbaarheid van Haaglanden en is de weg geopend voor betaald rijden. Het stadsgewest wil de mogelijkheden van prijsbeleid, vervoermanagement, informatie- en communicatietechnologie (ICT), beperkte uitbreidingen (van 2x 3 naar 2x 4) en dynamisch verkeersmanagement (DVM) als instrumenten om de infrastructuur beter te benutten, ten volle gebruiken. Voor de bereikbaarheid van Haaglanden over de weg is het doortrekken van de A4 richting Noord-Brabant van belang. In Midden-Delfland dient de weg optimaal, bij voorkeur in verdiepte ligging, te worden ingepast. In noordelijke richting is capaciteitsvergroting noodzakelijk, bij voorkeur door verbreding van 2x 3 naar 2x 4 rijstroken en een geavanceerd systeem van verkeersmanagement. Het aanbieden van gescheiden infrastructuur voor regionaal en langeafstandsverkeer tussen Den Haag en Schiphol is daarentegen uiterst inefficiënt qua geld en ruimte. Ter hoogte van Haaglanden heeft de A4 naast de (inter-) nationale functie een belangrijke functie voor het regionale verkeer. Er moet hier rekening worden gehouden met forse reconstructies om al die functies naar behoren te kunnen vervullen. Aan ontvlechting op de A4, tussen het Harnaschknooppunt en de afslag Leidschendam is om verkeersveiligheidsredenen wellicht dan ook niet te ontkomen. Voor de A12 en de A13 is ontvlechting van regionaal en langeafstandsverkeer niet aan de orde. Op de A12 wordt capaciteitsverruiming bereikt door benutting en een beperkte verbreding. De A13 blijft een belangrijke functie houden. Mede ter ontlasting van de breiwerken tussen het verkeersknooppunt Ypenburg en het Prins Clausplein dient die rechtstreeks op het Haagse wegennet te worden aangesloten via de aan te leggen Trekvliettunnel. Een eventuele reconstructie van de breiwerken kan zodoende worden voorkomen of beperkt. Ondanks het op benutting en gedragsverandering gerichte beleid is het onvermijdelijk een aantal ontbrekende schakels in het wegennet te realiseren en van een aantal andere verbindingen de capaciteit beperkt te verruimen.
kernpunt

A. Internationaal/nationaal 2005 - 2010
s s

A4 Midden-Delfland (aanleg en optimale, bij voorkeur verdiepte, inpassing). Capaciteitsvergroting A4 tussen Harnasknoop, Prins Clausplein en De Hoek (Schiphol) met een doorloop na 2010.

B. Regionaal < 2005
s

s s s

Benutting A12 Den Haag - Gouda, inclusief onderdoorgang Ypenburg Leidschenveen. Ongelijkvloerse kruising Norah - Noordsingel (verbetering doorstroming Norah). Aanpassing N44 (in uitvoering). N470 (2x 1).

42 / 43
Weginfraprojecten

<2005 2005-2010

Haaglanden

in ontwikkeling

2005 - 2010
s s

s

s s s s

Trekvliettracé. Verlenging Veilingroute, reconstructie Westerlee (3 in 1) en de 2e Wegverbinding Hoek van Holland. Verbeteren doorstroming Harnaschknoop (ter voorkoming van terugstuwing op A4). Zuidweg. Verbetering NW-hoofdroute Den Haag (kortsluiting Hoefijzer aan de kustzijde). N11 West (valt op de gemeentegrens van Wassenaar). Randweg Naaldwijk en rondweg ‘s-Gravenzande/Monster.
2010 - 2020

s

s s

Ontvlechting van regionaal en langeafstandsverkeer tussen Forepark en Harnaschknoop. N470, verbreding tot 2x2 rijstroken met ongelijkvloerse kruisingen. Verbreding Veilingroute.

C. Lokaal 2005-2010
s

Oost-west hoofdroute (Erasmusweg - Neherkade - Beatrixkwartier).

In samenhang met de ontwikkeling/invoering van het systeem van gedifferentieerde kilometerheffing (naar tijd en plaats) moeten goede multimodale overstapvoorzieningen worden gerealiseerd.

2.7.4 Fietsverbindingen
Om de bereikbaarheid en de leefbaarheid in Haaglanden in de nabije toekomst te kunnen garanderen, moet alles in het werk worden gesteld om het niet noodzakelijke autoverkeer terug te dringen. Op afstanden tot ca 7,5 km kan de fiets een belangrijke rol spelen. Zo wordt in Haaglanden voor ca 30% van de verplaatsingen in het woon-werkverkeer de fiets gebruikt. De compacte verstedelijking in de regio biedt hiervoor uitstekende kansen. Het stadsgewest streeft daarom naar de aanleg van een fijnmazig en kwalitatief hoogwaardig fietsroutenet van in totaal 400 km. De A-routes (vier stuks) en de B-routes (zes stuks) hebben de hoogste prioriteit. De B-routes dienen ter ontsluiting van VINEXbouwlocaties. Daarnaast zijn er nog achttien C-routes. Het regionale fietsroutenet moet de ruimte creëren voor een evenwichtig verkeersen vervoerssysteem en vormt zodoende een essentieel onderdeel van het beleid. Dit impliceert dat al in een vroeg stadium bij de inrichting van bouwlocaties een goede fietsinfrastructuur moet worden gerealiseerd. Het regionale fietsnet en het provinciale fietsnet vullen elkaar aan en worden op elkaar afgestemd. Fietsvoorzieningen zijn relatief goedkoop. Het rendement is dus hoog. Door het aanleggen van goede fietsvoorzieningen bij belangrijke openbaarvervoerhaltes en transferia (bijvoorbeeld goede, gemakkelijk toegankelijke en veilige stallingen bij stations) kan de belangrijke rol die de fiets speelt bij ketenmobiliteit nog worden versterkt. De fiets speelt ook een belangrijke rol in het recreatieverkeer.

44 / 45
Regionaal fietsnet

Route A Route B Route C Gecombineerd (A-B-C) Fietsknelpunten

2.7.5 Knooppunten
Zoals in paragraaf 2.2.5 uiteengezet, ontstaan op de snijpunten van verschillende vormen van vervoer knooppunten. Naar gelang het niveau van bereikbaarheid én het samenvallen met (gewenste) stedelijke centra komen deze knooppunten voor (verdere) stedelijke ontwikkelingen in aanmerking. Functionele differentiatie tussen en complementariteit van de knooppunten zijn daarbij uitgangspunten. Zo is voor (inter)nationale en randstedelijke knooppunten, naast een zeer goede bereikbaarheid, de aanwezigheid van of potentie voor een hoogwaardig en divers centrummilieu met menging van verschillende functies bepalend. Een nadere uitwerking, leidt tot een onderverdeling in de volgende drie schaalniveaus.
Internationaal knooppunt

Het internationaal knooppunt van het stadsgewest is de omgeving Den Haag Centraal/Hollands-Spoor. Hier is het predikaat ‘strategische interventie’ aan verbonden, zoals is opgenomen in de VINAC en in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het internationale knooppunt CS/HS heeft een uitstraling langs de vervoersas A12, via de Binckhorst tot en met het Prins Clausplein. Hierbij kunnen (nieuwe) interne verbindingen de status van het knooppunt Ypenburg/Prins Clausplein op een hoger niveau tillen.
Randstedelijk knooppunt

De Randstadknooppunten hebben een hoogwaardig bereik binnen de Randstad en organiseren een intensief stedelijk programma met een centrumprofiel met een divers pakket aan voorzieningen en een menging van functies. De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening laat een kaartbeeld zien, waarop Delft-Centrum, ZoetermeerStadsas en Ypenburg/Prins Clausplein als Randstadknooppunten in Haaglanden prijken. Zoetermeer-Oost kan op termijn, na aanleg van een shuttle-station en de aansluiting op de Oosterheemlijn een knooppunt van dit kaliber worden. Ook de zone Rijswijk Station/Plaspoelpolder/Hoornwijck zou gezien het voorzieningenniveau tot een Randstadknooppunt kunnen uitgroeien, evenals Delft-Zuid.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Regionaal knooppunt

Een regionaal knooppunt heeft een ontsluiting met minimaal twee hoogwaardige raillijnen van Agglonet, RandstadRail of NS, die tenminste een regionaal bereik hebben. Bovendien moeten zij een substantiële ontwikkeling van kantoren en voorzieningen (kunnen) herbergen. Hier is derhalve sprake van een regionaal subcentrum. Voorgestelde regionale knooppunten zijn: Hoornwijck, Leidschenveen, Delft-Zuid/TU-gebied, de Vlietrandknopen, en op den duur Pijnacker en de Vlietrandknoop Overgoo indien daar aanvullende openbaar vervoervoorzieningen tot stand zijn gebracht. De definitieve ligging van het knooppunt Pijnacker is afhankelijk van het nog vast te stellen tracé van de Zuidtangent. Het knooppuntenbeleid is een selectief beleid vanuit een duidelijke visie op de gewenste verstedelijking en gericht op het zo goed mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en voorzieningen. Dit betekent dat niet alle potentiële knooppunten perse hoeven te worden ontwikkeld. Niet elke concentratie van werkgelegenheid c.q. bedrijventerrein moet dan ook gezien worden als een knooppunt. In veel gevallen gaat het om specifieke werkmilieus, bijvoorbeeld in het geval van bedrijventerreinen als Zichtenburg, Plaspoelpolder en Lansinghage. Uiteraard kunnen daar wel ontwikkelingen plaatsvinden, maar die zijn vooral gericht op het vitaal en duurzaam maken/houden van die terreinen. Conform de indeling van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en naar aanleiding van het voorgaande worden de knooppunten in Haaglanden als volgt benoemd.
Internationaal
s

Den Haag C.S./Den Haag H.S. (2)

Internationaal gericht op goederen
s

Veilingcomplex Westland

Randstedelijk
s s s s s s

Ypenburg/Prins Clausplein (2) Delft Centrum Delft-Zuid Zoetermeer Stadsas Zoetermeer Oost (op termijn) Rijswijk Station/Plaspoelpolder/Hoornwijck

Regionaal
s s

Leidschenveen/Overgoo Pijnacker-Zuid

(2) De zone Den Haag CS/HS tot en met het Prins Clausplein kan in de toekomst uitgroeien tot internationale knoop, indien de interne verbindingen worden verbeterd.

46 / 47
2.8 Duurzaamheid, leidraad voor de toekomst
2.8.1 Milieustrategie
In een dichtbevolkte regio als Haaglanden is duurzame verstedelijking van levensbelang. Dit kan door intelligent om te gaan met ruimte, hergebruik van bestaande bebouwing, compacte verstedelijking en door maximale kansen voor openbaar vervoer en fiets te creëren. Daarnaast dienen de wettelijke milieunormen gehandhaafd te worden en geïntegreerd in het handelen en beleid van de verschillende sectoren zoals onder andere bij verkeer, stedenbouw of bedrijven. Bij diverse VINEX-plannen en de projecten voor intensief ruimtegebruik in de regio wordt hiertoe een eerste aanzet gedaan. Maar het gaat verder. In het Regionaal Milieubeleidsplan van het stadsgewest wordt uit gegaan van de vier hoofdthema’s: Duurzame Inrichting, Leefkwaliteit, Vergunningverlening en Handhaving, en Duurzame Bedrijventerreinen. De voor het RSP meest relevante speerpunten uit dit plan zijn: s sterk inzetten op duurzame herstructurering van verouderde delen van het stedelijk gebied, met daarbij aandacht voor integrale leefkwaliteit; s intensief ruimtegebruik, bijvoorbeeld door dubbel grondgebruik en functiemenging; s het koppelen van de waterhuishouding in (nieuw) stedelijk gebied met groengebieden; s het oprichten van windturbines voor de opwekking van schone energie. Het stadsgewest heeft in overleg met gemeenten zoeklocaties voor windturbinelocaties langs rijkswegen aangewezen, zie paragraaf 2.5.7; s veilig stellen en duurzaam inrichten van groengebieden en ecologische zones; s bevorderen van duurzame stedenbouw en het duurzaam bouwen; s herontwikkelen van de glastuinbouw, met koppelingen van het energiegebruik; s bevorderen van de toepassing van duurzame maatregelen bij de (her)inrichting van bedrijventerreinen. Om te bevorderen dat bovengenoemde aandachtspunten een duidelijke plaats krijgen bij de inrichting van gebieden en locatiekeuzes wordt door het stadsgewest het instrument ‘Milieu inzet in ruimtelijke plannen’ ontwikkeld. Met dit instrument worden voor alle gebieden globaal de meest kansrijke milieuambities geformuleerd. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet gebruik worden gemaakt van het ‘Regionaal Milieutoetskader’, dat op 8 maart 2000 door het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden is vastgesteld.

ABC-locaties

2.8.2 Externe veiligheid
Er dient met het oog op de externe veiligheid bij de planvorming van gebieden rekening gehouden te worden met routering gevaarlijke stoffen, hoogspanningsmasten, vliegvelden, hinder- en risicozones rond bedrijven, wegen en spoorlijnen, rioolpersleidingen, e.d. Het vaststellen van routes voor gevaarlijke stoffen over de weg is een taak van de afzonderlijke gemeenten binnen het stadsgewest. Bij de ontwikkeling van een routering voor dit vervoer heeft het stadsgewest een coördinerende taak. Langs deze routes dient, bij de planning van nieuwe functies of bij functiewijzigingen, rekening gehouden te worden met de risico’s die het huidige en te verwachten vervoer van gevaarlijke stoffen over deze routes met zich meebrengen. Naast het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is ook vervoer over spoor, water en door ondergrondse pijpleidingen van belang bij het toewijzen van nieuwe bestemmingen.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Route gevaarlijke stoffen stadsgewest Haaglanden

Route gevaarlijke stoffen Overig door rijk vrijgegeven route’s Indicatieve route Zoetermeer

Bij de ruimtelijke inrichting dient voorts rekening te worden gehouden met gevaren, risico’s en hinderaspecten van inrichtingen. Op het niveau van het bestemmingsplan is de ‘Staat van Inrichtingen’ of de zonering milieuhinderlijke bedrijven hiervoor een instrument. Op de schaal van het RSP gaat het met name om bijzondere inrichtingen, die een belangrijk effect op een groot gebied kunnen hebben. In vervolgstudies zal hier nog nadere aandacht aan worden besteed.

2.8.3 Milieubeschermings- en stiltegebieden
In het kader van de provinciale milieuverordening Zuid-Holland zijn soorten milieubeschermingsgebieden vastgesteld. Milieubeschermingsgebieden voor stilte, in het bijzonder ter voorkoming of ter beperking van geluidhinder in daartoe aangewezen gebieden, hiernaar wordt verwezen. Gebieden voor grondwater in het bijzonder ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Binnen de milieubeschermingsgebieden zijn bovendien boringsvrije zones, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden als zones aangewezen. Hiernaar wordt verwezen.

2.8.4 Milieuzones
De volgende milieuzoneringen dienen in de bestemmingsplannen te worden verwerkt. s Geluidshinderzones c.a. s Luchtemissiezones bij verkeerswegen binnen en buiten de bebouwde kom. s Risicozones in het kader van de externe veiligheid. De in acht te nemen zones in het kader van geluidhinder en emissies langs snelwegen zullen in de betreffende bestemmingsplannen moeten worden verwerkt. In het kader van de geluidhinder verdient ook de zonering van het vliegveld Valkenburg aandacht. De vastgestelde zonering valt overigens overwegend over het open te houden weide-/groengebied. Als specifieke risicozones worden genoemd de plofzones, zoals rond TNO Ypenburg en rond TNO Lange Kleiweg in Rijswijk-Zuid.

48 / 49
2.8.5 Toetsing plannen
Om daadwerkelijk tot een hogere milieukwaliteit van ruimtelijke plannen binnen de regio te komen zal naast de toetsing aan de provinciale Nota Planbeoordeling, in de gemeentelijke (bestemmings)plannen aangegeven dienen te worden op welke wijze invulling gegeven is aan en rekening gehouden is met: s een duurzaam waterbeheer, dat is afgestemd op (de nog te verschijnen) integrale (en grensoverschrijdende) waterplannen van de Haaglandse gemeenten en waarbij, afhankelijk van de ligging van een gemeente, de waterbeheerplannen binnen Delfland, Rijnland (3) of van Schieland wordt betrokken; s de in het ‘Toetskader milieu in ruimtelijke plannen’ genoemde elementen m.b.t. o.a. ruimtegebruik, woon- en leefmilieu, natuur en landschap bodem, water, energie, lucht. (4) s een EPL (energie prestatie op locatie) van minimaal zeven in het geval van nieuwbouwwoninglocaties; s wegen, die een gevaar zijn voor de externe veiligheid. (zie hiervoor de bij subparagraaf 2.8.2 genoemde kaart ‘Route gevaarlijke stoffen’); s veiligheidszones rond opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen. De Hulpverleningsregio voert een risicoinventarisatie uit naar de opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen (5). De uitkomsten daarvan kunnen mogelijk ruimtelijke effecten hebben op de bestemmingen in de omgeving. Het stadsgewest zal dat zodanig in kaart brengen; s hinder- en gevarenzones rond om inrichtingen; s de verplichte zoneringen in het kader van de wet verkeerslawaai en het besluit luchtkwaliteit. In zijn algemeenheid is een verantwoording van gemeenten vereist voor de verschillen in milieubelasting die in het plangebied ontstaan, waarbij eveneens dient te worden aangegeven op welke wijze verliezen van milieu- en natuurwaarden in of nabij het plangebied worden gecompenseerd. Het stadsgewest zal de gemeentelijke plannen hieraan toetsen en zonodig in kaart brengen.

kernpunt

2.8.6 Nieuwe ontwikkelingen
Kijkend naar de toekomst zijn de volgende ontwikkelingen waar te nemen. s Naar verwachting zal de technologie voor bodemreiniging in situ (op locatie) zich nog verder ontwikkelen waardoor verontreinigde stedelijke gebieden die momenteel niet geschikt zijn voor woningbouw, hiervoor in de toekomst wel beschikbaar komen. s Toename van het autoverkeer in combinatie met woningbouw langs wegen leidt er toe dat op steeds meer locaties binnen de regio de luchtkwaliteit tot een onaanvaardbaar niveau daalt. Naar verwachting zullen in de toekomst maatregelen genomen moeten worden, zoals het vastleggen dat op bepaalde hinderzones in de toekomst niet gebouwd mag worden, of zelfs in extreme gevallen, het slopen van woningen. s De nieuwe geluidswetgeving (Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid) biedt mogelijkheden om te variëren in toegestane grenswaarden voor geluid. Met het instrument ‘Milieu in de ruimtelijke plannen’, wordt een relatie worden gelegd tussen gebiedstypen en de toegestane geluidsniveaus, die als richtlijn zal gaan dienen voor toegestane grenswaarden voor alle locaties binnen de regio. s Met het oog op het broeikaseffect zal er meer regelgeving komen om door middel van de ruimtelijke maatregelen het energiegebruik te beperken en de plaatsing van duurzame energiebronnen te bevorderen. Landelijk zijn hier reeds diverse methodieken voor ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is de eerder genoemde EPL. Aanbevolen wordt om vooruitlopend op deze regelgeving deze methodieken bij regionale en gemeentelijke planvorming reeds toe te passen, waardoor nieuwe eisen en maatregelen met betrekking tot energie-efficiency
(3) Het waterbeheerplan binnen Rijnland is opgesteld tezamen met de waterschappen Wilck en Wiericke, De Oude Rijnstromen en Groot-Haarlemmermeer (4) Dit toetsingskader wordt te zijner tijd vervangen door het in paragraaf 2.8.1 genoemde instrument ‘Milieuinzet in ruimtelijke plannen’ (5) Zie document CPR (Commissie preventie rampen) 15

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

makkelijker ruimtelijk ingepast kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de infrastructuur van nieuwe vormen van groene energie. Te denken valt hierbij aan: geasfalteerde wegen welke tevens als watercollector fungeren, grootschalig toepassing van aardwarmte, grootschalige toepassing van zonnecellen, en een CO2 net en een warmtenet voor de glastuinbouw.

2.9 Ontwikkelingsopgave Waterbeheer
Op het gebied van de waterhuishouding zal de regio Haaglanden rekening moeten houden met forse ingrepen. Wateroverlast vanwege piekbelastingen bij hevige regenval in met name het Westland, watertekorten in natuurgebieden, risico’s door verzilting in de zomer en het toenemende belang dat wordt gehecht aan schoon multifunctioneel water laten zien dat het watersysteem onder druk staat en ingrijpende maatregelen nodig zijn. In het bijzonder zijn calamiteitenbergingen binnen Haaglanden van regionaal belang voor zowel het bevorderen van de veiligheid alsook het voorkomen van wateroverlast binnen de Haaglandse gemeenten. Hier wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de polders en het boezemgebied in eerste instantie zelf voor voldoende waterberging zorgen om calamiteiten te voorkomen. De zoekgebieden waar rekening gehouden moet worden met calamiteitenbergingen en die nog in overleg met de betrokkenen via inrichtings- en waterbeheersplannen nader uitgewerkt dienen te worden, zijn als kernpunt aangeduid op de plankaart en in de plantekst aangegeven. De aanleg van nieuwe woongebieden, bedrijventerreinen, kassengebieden, wegen, etc. heeft in het stadsgewest een aanzienlijke oppervlakteverharding tot gevolg. Hiermee gepaard gaat een afname van het waterbergend vermogen. Toenemende problemen bij de waterafvoer zijn dan het gevolg. Een vergelijkbare redenering geldt voor de weidegebieden, waar de drooglegging vanouds is aangepast aan de wensen voor de landbouw. Verondersteld moet worden dat de genoemde knelpunten verslechteren door fysieke processen als klimaatverandering, zeespiegelstijging en bodemdaling. Met het oog op het vorenstaande kan worden geconstateerd dat het waterbeheer in de regio Haaglanden nieuwe inspanningen vergt om kwaliteits- en kwantiteitsknelpunten ook in de toekomst het hoofd te kunnen bieden. De mogelijkheden hiervoor zijn afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden hetgeen in de regio de uitwerking van gebiedsgerichte beleidsstrategieën noodzakelijk maakt. Voldoende berging in de polders en het vergroten van de opnamecapaciteit van de bodem heeft de eerste prioriteit aangezien onder andere de boezemwateren van Delfland maar een beperkte bergingscapaciteit hebben. De ontwerpnormen voor nieuwe gebieden zijn derhalve verzwaard en als kernpunt opgenomen. Daarnaast kan water in verschillende vormen ook een belangrijke kwaliteitsimpuls betekenen voor te ontwikkelen of te herstructureren gebieden ten behoeve van woningbouw, bedrijven of glastuinbouw. Voornoemde beleidsstrategieën brengen vanzelfsprekend een aantal forse ruimteclaims met zich mee. De precieze omvang hiervan kan op dit moment nog niet worden aangegeven. Er zal rekening moeten worden gehouden met de uitkomsten van lopend onderzoek naar calamiteitenbergingen, seizoensbergingen en aanpassingen in de polder- en boezemsystemen binnen de beheersgebieden van de Hoogheemraadschappen van Delfland, Rijnland en Schieland. De ruimtelijke ontwikkelingen van het RSP staan de waterbeheersplannen niet in de weg. Er zijn kansen om bij de uitwerking van waterplannen dit te combineren met andere functies en nieuwe ontwikkelingen. Er ligt hiermee een duidelijke ontwikkelings- en onderzoeksopgave voor de regio.

50 / 51
Waterbeheer

Te verbreden watergangen en nieuwe waterverbindingen boezemwater Calamiteitenberging (uitwerkings) locaties Calamiteitenberging (uitwerkings) locaties lange termijn Aandachtsgebied (grond)waterbeheer binnenduinrand Wassenaar Gebied creëren meer oppervlakte water Gebied beheer gericht op tegengaan inklinking Studiegebied seizoensberging Mogelijk recreatief duinmeer Studiegebied calamiteitenberging zoeklocatie nabij Schie en Vliet Calamiteiten en seizoensbergingslocatie

Haaglanden

in ontwikkeling
kernpunt

Bij de technische uitwerkingen van calamiteitenberging wordt uitgegaan dat deze zelden (enkel bij calamiteiten) worden gebruikt, de financiële gevolgen niet ten laste komen van gemeenten en/of de regio en er een goede (plan)schade regeling met betrokkenen is. Alvorens tot uitvoering wordt overgegaan, zijn er tevens duidelijke afspraken met de hulpverleningsregio en de gemeenten, over een goede landschappelijke en beheerstechnische inpassing. Ook de effecten op de bedrijfsvoering en ecologie van verschillende gebieden dienen in beeld te zijn. Met de waterbeheerders binnen Haaglanden wordt gestreefd naar een veilig en duurzaam waterbeheer binnen het bestaand stedelijk gebied, de glastuinbouwgebieden, de weide- en recreatiegebieden en de nieuw te ontwikkelen gebieden. Samenwerking met de ruimtelijke uitwerking van de watergangen en waterbergingen, ook wat betreft de waterkwaliteit is noodzakelijk. Uitgangspunt van het stadsgewest is in nauwe samenwerking met waterbeheerders, onder andere via bijvoorbeeld een watertoets, gebiedsgericht het watersysteem te verbeteren. Veel van de criteria, die ook onderdeel uitmaken van een watertoets, zijn reeds in het plan opgenomen via de toetsing van plannen op milieukwaliteit. Het stadsgewest zal bij haar beoordeling van gemeentelijke plannen de resultaten van de door de waterschappen uitgevoerde watertoets betrekken.

kernpunt

Op de themakaart Waterbeheer en de plankaart is als kernpunt aangegeven wat de ontwikkelingsopgaven voor het waterbeheer met ruimtelijke implicaties zijn. s Op de themakaart zijn aangegeven de boezemkanalen in het Westland, die verbreed of nieuw aangelegd dienen te worden om de waterafvoer alhier te verzekeren. s Globaal aangeduid zijn de bestaande gestapelde calamiteitenberging in de Nieuwe Broekpolder en de nieuw te ontwikkelen gestapelde calamiteitenbergingen in de Hoekpolder, bij Rijswijk op het EZH-terrein in de Oud en Nieuw Wateringveldse polder, in de Woudsepolder, in het weidegebied van de Groeneveldse polder, in de bergboezem van de polder van Berkel, en de Driemanspolder bij Zoetermeer. In de Vlietpolder en de Westlandse Zoom ( in de Oud en Nieuw Wateringveldsepolder) is calamiteitenberging op langere termijn voorzien in samenhang met toekomstige ontwikkelingen aldaar. s Daarnaast zijn de zoek/studiegebieden voor calamiteitenbergingen langs de Schie en de Vliet aangeduid. s Voor de benodigde calamiteitenbergingen in de Woudse Polder en de Hoekpolder dient bij de op de plankaart aangeduide nader uit te werken gebieden een uitwerkingsplan van het RSP opgesteld te worden, als genoegzaam is gebleken dat door betrokken partijen niet tot overeenstemming wordt gekomen. s Bij de uitwerking van de calamiteitenbergingen dient rekening te worden gehouden met ecologische waarden, landschappelijke inpassing, de gevolgen voor het agrarisch en recreatief gebruik, de inpassing in het historische landschap en de archeologische waarden. s In de (veen)weidegebieden van Midden-Delfland en Akkerdijkse plassen, nabij Vlietland en de weidezone Den Haag- Katwijk zal beperktere drooglegging de mogelijkheden voor waterconservering moeten vergroten en inklinking moeten tegengaan, hetgeen voor agrarische functies beperkingen zal opleggen. s De diepere gebieden binnen Haaglanden zijn aangewezen op het creëren van meer oppervlaktewater ten behoeve van waterconservering in samenhang met herinrichtingsplannen voor deze gebieden. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de landschappelijke kwaliteit. s In het gebied ten noorden van Leidschenveen en ten westen van Zoetermeer zal tevens ruimte gezocht moeten worden voor mogelijkheden om seizoensberging in te passen, teneinde verzilting van de boezemkanalen in het Groene Hart in de zomer tegen te gaan. In eerste instantie is hiervoor de Driemanspolder als uitwerkingslocatie aangewezen, gecombineerd met een calamiteitenberging voor Delfland. s De binnenduinrand van Wassenaar vraagt nadere aandacht qua benutting van het schone duinwater, de grondwaterproblematiek en de interne afwatering. Ook elders in de regio is nadere aandacht vereist voor de grondwaterproblematiek in het bestaand stedelijk gebied.

52 / 53
s

In het bestaand stedelijk gebied, de huidige VINEX-locaties en nog nieuw te ontwikkelen gebieden zal voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd worden. Bij nieuwe plannen wordt minimaal uitgegaan van de volgende richtlijnen: in landelijke gebieden moet 17mm peilstijging mogelijk zijn en wordt 170 m3 waterberging per ha gerealiseerd. Voor glastuinbouw- en stedelijke gebieden geldt dat 32,5 mm peilstijging mogelijk is en 325 m3 waterberging per ha gerealiseerd wordt, dit als vervanging van de vroegere oppervlaktenorm van circa 6 %. Dit komt overeen met 8 tot 10 % wateroppervlakte per hectare

2.10 Doorkijk 2010-2020
De beleidslijnen die in de voorgaande paragrafen zijn uiteengezet, zullen ook hun doorwerking hebben in de periode na 2010. Wellicht zullen accenten verschuiven. Bij een voortgaande groei van de welvaart zal de druk op de ruimte, maar ook de vraag naar woon- en leefkwaliteit toenemen. Zeker bij de ambitie van het stadsgewest om zijn kansrijke en hoogwaardige woon- en werkmilieus (o.a. in Den Haag) goed op de nationale en internationale kaart te zetten, speelt omgevingskwaliteit een doorslaggevende rol. Omdat de ‘vrije ruimte’ in de Haaglandse regio schaarser wordt zal de noodzaak van herstructurering en intensivering van het stedelijk gebied groter worden. In de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt ook een beroep gedaan op de steden en de regio’s om een substantieel deel van de uitbreidingsbehoefte voor wonen, bedrijven en voorzieningen binnen de stedelijke grenzen te realiseren. Dat is geen geringe opgave. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven met welke ruimtevragers we in de doorkijkperiode rekening moeten houden: 24.500-40.500 woningen erbij, 1,2 à 1,5 miljoen m2 kantoren en 250 (netto) ha bedrijventerrein. Deze bouwprogramma’s leggen, voor zover zij niet kunnen worden ondergebracht binnen de steden en de dorpen, een grote claim op de ruimte daarbuiten. Vooral glastuinbouwgebieden en groenzones komen daarmee onder toenemende druk te staan. Het stadsgewest Haaglanden ziet zich voor de periode na 2010 voor moeilijke keuzes gesteld. s In hoeverre moet of kan de woningbehoefte en de vraag naar nieuw bedrijventerrein nog binnen Haaglanden worden geaccommodeerd? Moet het stadsgewest blijven vasthouden aan een 0-scenario voor wonen en werken, of is een ‘uitstroom’ toelaatbaar? s In hoeverre kan de ruimtebehoefte worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied? Welke verdichtingscapaciteit doet zich vanuit oogpunt van leefbaarheid en financiële haalbaarheid voor? s Waar kan meervoudig grondgebruik een bijdrage leveren aan de handhaving en versterking van de regionale groenstructuur enerzijds en de realisatie van nieuwe woon- en werkmilieus anderszijds? s Welk toekomstperspectief wordt de glastuinbouwsector in Haaglanden geboden? In hoeverre mogen of kunnen glastuinbouwgebieden worden gebruikt voor verstedelijking? s En tenslotte: welke betekenis en invulling geeft het stadsgewest in het licht van de verstedelijkingsdruk aan de nog resterende open en groene gebieden? Deze vragen komen in de Doorkijk 2010-2020 nadrukkelijk aan de orde. Het antwoord daarop bepaalt de richting van het verstedelijkingsbeleid van de toekomst. In de Doorkijk komen de ruimtelijke thema’s voor de toekomst van de regio aan bod, te beginnen met een belangrijke ‘onderlegger’ voor het beleid: de groen/blauwe structuur.

2.10.1 Investeren in groen en blauw
De natuurgebieden, bufferzones en groene schakels, zoals in paragraaf 2.6 omschreven zullen ook na 2010 moeten voortbestaan. Dit groene netwerk bepaalt in hoge mate de kwaliteit van het woon- en leefmilieu (en daarmee ook van het vestigingsklimaat) van de regio. De ecologische en recreatieve verbindingen zijn

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

daarbij van groot belang voor de kwalitatieve ontwikkeling van het netwerk in zijn geheel. Daarnaast vergroten de verbindingen met de stedelijke omgeving de gebruiksmogelijkheden van het groene netwerk voor de inwoners van Haaglanden. Bij aanpassing van het huidige bufferzonebeleid als gevolg van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening dient in ieder geval een gelijkwaardige planologische bescherming gevonden te worden in de vorm van groene contouren en/of de aanwijzing tot regionaal of provinciaal landschap of in het kader van de nota Belvedère. De in het RSP vastgelegde groengebieden (agrarische-, recreatieve- en natuurgebieden) kunnen derhalve worden beschouwd als behorend tot de ‘groene contourgebieden’ en/of regionale parken, die in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening worden aangekondigd. Dit areaal dient geheel gevrijwaard te blijven van bebouwing, voor zover deze geen verband houdt met de primaire functie van het gebied. Echter het behoud van de groen/blauwe systemen vergt grote investeringen. De landbouw zal in de toekomst niet meer de vanzelfsprekende economische drager van de open ruimte zijn. Sluipende processen van verstedelijking en verpaupering liggen dan op de loer. Een integrale benadering met beschermende planologische maatregelen, passende economische impulsen en herinrichting zal nodig zijn. Naar verwachting zullen de grote groengebieden, zoals het Midden-Delfland, Oude Leede en ten noorden van Leidschendam, tegelijk meer de gedaante gaan aannemen van regionale parken, omzoomd door stedelijk gebied. De landbouw zal daarbinnen met passende middelen een duurzaam perspectief moeten worden geboden. Maar ook het waterbeheer vraagt om maatregelen. De herinrichting van de groengebieden zal gepaard moeten gaan met het creëren van meer duurzaam oppervlaktewater: als buffer bij overvloedige regenval en als reserve tegen verdroging. Ook op grotere schaal staat het stadsgewest het behoud en de verdere ontwikkeling van groen/ blauwe zones voor, zoals in de ‘Deltametropool’ is bedoeld. De groenzone ten noorden van Wassenaar staat echter onder druk wanneer het vliegveld Valkenburg zou worden verplaatst en worden gebruikt voor stedelijke uitbreiding. Mocht zulks het geval zijn dan dienen aan de zuidzijde de visuele openheid en de ecologische waarden te worden behouden.

2.10.2 Stedelijke netwerken (intelligent) bereikbaar houden
Het goed functioneren van het stedelijk netwerk ‘Haaglanden’, als ook ‘Randstad’ is sterk afhankelijk van blijvend goede onderlinge verbindingen tussen de vitale gebieden. Naast uitbreiding van de infrastructuur zal in de toekomst meer selectief en ‘intelligent’ gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande capaciteit. De ICT-ontwikkeling helpt daarbij. Op Randstadniveau blijft het stadsgewest hechten aan snelle hart-op-hartverbindingen tussen de grote steden. Verdubbeling van de bestaande spoorlijnen biedt daartoe de beste mogelijkheid. Een extra ‘Rondje Randstad’, bijvoorbeeld uit te voeren als zweeftrein, moet gezien worden als een mogelijke toekomstige aanvulling op de spoorverdubbeling, die echter pas in een later stadium aan de orde kan zijn. Voorafgaand aan een definitief besluit over de wenselijkheid van dergelijke infrastructuur dienen eerst de ruimtelijke en economische effecten ervan te worden onderzocht. Op dit moment worden hieromtrent in het RSP geen ruimtelijke reserveringen gemaakt. Van eminent belang voor het economische functioneren van Haaglanden (denk ook aan de vervoersafhankelijke glastuinbouwsector) zijn de hoofdstructuurdragers: de A12 en de A4. Hier zal na 2010 verder aan gewerkt moeten worden. De HSL-Zuid wordt reeds als aparte lijn aangelegd tot Schiphol. Een aftakking vanaf Rotterdam moet Den Haag CS aandoen. Een shuttlestation ten oosten van Zoetermeer biedt op termijn mogelijkheden om aldaar een multimodaal knooppunt (van Randstadniveau) te realiseren. Het verdient aanbeveling om de HSL-Oost door te laten rijden naar Den Haag. Op regionale schaal zijn na 2010 in samenhang met de verstedelijking een aantal uitbreidingen van het openbaar vervoernet nodig: s De Zuidtangent (hoogwaardige openbaarvervoerlijn 37) tussen Kijkduin en Zoetermeer, die o.a. Wateringse Veld, Harnaschpolder, Delft/TU-wijk, Delfgauw en Pijnacker met elkaar verbindt.

54 / 55
s

s

s s

Introductie van RandstadRail op het verdubbelde spoorlijnnet tussen Den HaagDelft-Schiedam en Den Haag-Gouda en Den Haag-Leiden. Een koppeling van de bollentak van de Rijn-Gouwelijn aan de spoorlijn LeidenDen Haag en verder. Een reservering voor rail tussen de Rijn-Gouwelijn en Zoetermeer. De vermoedelijke realisering van rail tussen Zoetermeer-Oosterheem en de A12 (via kruising HSL/Goudse lijn) en doortrekking daarvan naar Rotterdam, bij voorkeur gebundeld met het HSL tracé.

2.10.3 Ontwikkeling van nieuwe knooppunten
Met de uitbreiding van de infrastructuur komen in en rond de regio meer ‘knooppunten’ in beeld voor een stedelijke ontwikkeling. Echter niet alles kan overal. Het stadsgewest geeft de hoogste prioriteit aan de verdere (kwalitatieve) ontwikkeling van de bestaande stedelijke centra, met name die in Den Haag. De ontwikkeling van nieuwe knooppunten, zoals de Vlietrandknopen en op termijn Zoetermeer-Oost zijn complementair van aard en kunnen een programma voeren van meer grootschalige functies die niet in de binnensteden passen. Het (ABC-)locatiebeleid wordt aangepast (zie paragraaf 2.3.3). De besluitvorming over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zou hiervoor nog meer aanwijzingen kunnen geven. De landelijke koers, maar ook de ontwikkelingskansen die zich voor Haaglandse locaties aandienen, kunnen aanleiding zijn om het regionale knooppunten- en locatiebeleid verder aan te passen. Dit kan zich voordoen voor o.a. de ‘Vlietrandknopen’, de Harnaschknoop en Zoetermeer-Oost.

2.10.4 Economisch verder profileren
Het stadsgewest zal zich verder profileren als regio van bestuur en kennis met in Den Haag een belangrijke cluster van internationaal recht, maar ook als regio met een innovatief glastuinbouwcomplex. Dat bevordert de herkenbaarheid van de regio binnen de Randstad en in internationaal verband. De ruimtelijke ontwikkeling na 2010 zal dan ook verder gericht moeten zijn op de versterking en groei van de regionale speerpunten van economisch beleid. Daarbij gaat het om bijzondere vestigingsplaatsen voor internationale organisaties en voorzieningen: in aanvulling op de Haagse ‘places of excellence’ zijn de Vlietzone en Den Haag/Wassenaar in beeld. Ook bijzondere woonkwaliteiten en een hoogwaardig cultuuraanbod behoren tot de vestigingsvoorwaarden. Wat het eerste betreft is de voorgenomen inrichting van de Westlandse Zoom van belang, maar ook kwalitatieve aanvullingen in de Haagse binnenstad, de Vlietrandknopen en in Scheveningen ondersteunen het internationale vestigingsklimaat. De behoefte aan nieuwe kantoorruimte (ook voor vervanging) zal op de in paragraaf 2.3.3 genoemde locaties verder kunnen worden ondergebracht. Binnenstedelijk zal vooral in een hoge bebouwingsdichtheid in combinatie met andere stedelijke functies moeten worden gebouwd. Door voortgezette differentiatie in kantorenmilieus en een combinatie van woon- en werkmilieus worden monofunctionele kantoorwijken voorkomen. De behoefte aan uitbreiding van het areaal bedrijventerrein in de periode 2010-2020 wordt geraamd op 250 ha netto. Een deel van deze behoefte moet worden ondergebracht op bestaande bedrijventerreinen, waar via herstructurering een intensiever gebruik moet worden bereikt. In de behoefteraming is daarmee voor circa 55 ha reeds rekening gehouden. Voor het realiseren van de 250 ha zijn plannen bekend en gewenst voor totaal circa 150 ha netto. Het gaat om: s Harnaschpolder (middengebied na 2010: 15 ha netto); s Sion en ‘t Haantje (55 à 60 ha netto); s Westlandse bedrijventerreinen Westerlee (19 ha netto) en Westerlee 2e fase (17 ha netto); s Zoetermeer/Bleiswijk (restant Hoefweg-noord: 25 ha netto). Tezamen bieden deze terreinen niet voldoende ruimte om de groei op te vangen.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Het tekort bedraagt ca 100 ha. Nieuwe capaciteit zal moeten worden gezocht. Indien deze onvoldoende beschikbaar komt zal in toenemende mate selectiviteit bij de vestiging van nieuwe bedrijven geboden zijn. Er zal dan gelet moeten worden op de arbeidsintensiteit en de binding aan de regio, zoals de bijdrage die het bedrijf levert aan de speerpunten van economisch beleid. Overloop van vraag naar aangrenzende regio’s is thans geen reële optie: er is al gerekend met aanbod op het (grootschalige) terrein Hoefweg-noord, gelegen in Bleiswijk. Voor het overige biedt de Rotterdamse regio geen soelaas (het CPB voorziet daar al grote tekorten rond 2010); ook de beperkte ruimtelijke capaciteit in de Leidse regio biedt geen uitwijkmogelijkheid. De komende jaren worden de ontwikkelingen op de bedrijfsterreinenmarkt nauwlettend worden gevolgd. Op grond daarvan zal over enkele jaren, doch ruim voor 2010, opnieuw een afweging tussen de dan geraamde behoefte en andere ruimtevragers moeten worden gemaakt.

2.10.5 Glastuinbouwcomplex intact houden
Het glastuinbouwcomplex, met het Westland als centrum, moet zich verder kunnen ontwikkelen. Het veilingwezen, de logistieke en technische ondersteuning horen daarbij. Het stadsgewest zal de glastuinbouw, die geldt als een van de vier economische pijlers van het stadsgewest, bijstaan door faciliterend overheidsbeleid te formuleren in het kader van de in voorbereiding zijnde Tuinbouwontwikkelingsstrategie (TOS). De in paragraaf 3.2.2. genoemde ‘duurzame glastuinbouwgebieden’ dienen ook in de periode 2010-2020 te worden gehandhaafd. Voor het behoud van een vitaal productiedraagvlak ondersteunt het stadsgewest het streven om het glasareaal op het niveau van het Zuid-Hollands glasdistrict per saldo intact te houden (het met de provincie overeengekomen 0-scenario). Vervangende tuinbouwgrond is nodig voor de reconstructie in het Westland (het IOPW) en de uitvoering van de Westlandse Zoom. In het kader van het IOPW is 265 ha vervangend glas afgesproken; voor de Westlandse Zoom komen daar nog 150 tot 200 ha bij. Tezamen genereren de Westlandse plannen een vervangingsbehoefte van 415 tot 465 ha in de periode tot 2020. Voorts is sprake van verspreide glastuinbouwlocaties, waarvoor plannen bestaan (o.a. Harnaschpolder ten dele, Sion/’t Haantje, Duivenvoordecorridor, Oostzijde kern Pijnacker (tussen bedrijventerrein de Boezem en Klapwijk), de Groenblauwe Slinger en Midden-Delfland). Deze tuinbouwlocaties, in totaal ca 200 ha, hebben veelal geen duurzaam perspectief. Over deze locaties zijn bij eerdere plannen en besluiten geen vervangingsafspraken gemaakt. In het voorgaande is de economische betekenis van het glastuinbouwcomplex reeds onderkend. De vraag is nu op welke wijze dit belang wordt vertaald in het benodigde oppervlak productieareaal. De provincie Zuid-Holland heeft in het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening een verkenning naar de glastuinbouwlocaties in de provincie uitgevoerd. Bestaande locaties zijn beoordeeld op toekomstperspectief, nieuwe vestigingslocaties zijn op potenties verkend. Een van de conclusies uit de verkenning is dat niet zozeer de exacte omvang van het glasareaal bepalend is voor de levensvatbaarheid van de sector, maar veeleer de (ruimtelijke) mogelijkheden voor dynamiek: verouderde glastuinbouwgebieden moeten kunnen worden gereconstrueerd of getransformeerd en tegelijk moeten nieuwe gebieden beschikbaar zijn voor verplaatsing. Daarbij is het voor het draagvlak van het complex nodig om voldoende productievolume in stand te houden. Het provinciaal bestuur van Zuid-Holland heeft in februari 2001 een besluit genomen over vervangende glastuinbouwgronden. In de B-driehoek (o.a. in de gemeente Bleiswijk) zou nog voor circa 500 ha ‘streekplancapaciteit’ voor glastuinbouw beschikbaar zijn. Deze gebieden worden ‘geactiveerd’ door een projectmatige aanpak. De provincie neemt daartoe de nodige initiatieven. Voorts heeft het provinciebestuur de vestiging van 200 ha (netto) nieuw glastuinbouwgebied in de Zuidplaspolder aangekondigd. Deze in totaal 700 ha geven lucht aan de reconstructie van het Westland (inclusief de Westlandse Zoom) en aan andere voorgenomen glastransformaties elders in Haaglanden en de provincie. Indien binnen de gewenste 60 km-straal vanuit het Westland alsnog andere locaties beschikbaar komen, dan behoeft uiteraard niet alle compensatie in de B-driehoek

56 / 57
en de Zuidplaspolder te worden gevonden. Of deze 700 ha voldoende is, zal de komende jaren moeten blijken uit de zich daadwerkelijk manifesterende marktvraag naar vervangend glas. Het stadsgewest ondersteunt de gebiedsaanwijzingen van de provincie. Het stadsgewest beschouwt de 700 ha als belangrijke invulling van de saldo-0benadering bij de huidige bekende (en door betrokken partijen geaccordeerde) transformatie- en reconstructieplannen in de regio. Omdat op den duur in de Randstad de verstedelijkingsbehoefte, de ruimtevraag van de glastuinbouw en de groene, open ruimte steeds meer met elkaar concurreren, zullen op lange termijn nieuwe afwegingen nodig zijn. Mocht na belangenafweging blijken dat gekozen wordt voor vervanging van glastuinbouwgebied, dan gaat de voorkeur uit naar het zoeken van compensatie die zo dicht mogelijk bij het te verlaten gebied ligt. Dan zal er echter ook open oog zijn voor vestigingslocaties buiten de provincie, die een relatie met het glastuinbouwcomplex in Haaglanden kunnen onderhouden. Het 0-scenario glastuinbouw is van grote betekenis voor het ruimtebeslag binnen Haaglanden en de provincie Zuid-Holland. In het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt een verkenning uitgevoerd naar de toekomst van de glastuinbouw in Zuid-Holland. Daarbij zullen onder meer uitspraken worden gedaan over de duurzaamheid van bestaande en potentieel nieuwe locaties. De resultaten van de verkenning zullen als leidraad voor het te formuleren beleid kunnen worden gebruikt.

2.10.6 Wonen op maat
De vraag naar woningen wordt steeds diverser. De specifieke bevolkingsgroepen zoeken een woning en woonomgeving die bij hun leefstijl passen. Het onderzoek van het researchbureau ABF naar de behoeften in de periode na 2010 laat zien dat in Haaglanden vooral aanvulling nodig is in de centrum-stedelijke en in de luxere groene/dorpse woonmilieus. Uit de analyses blijkt dat de categorie (huidige) meergezinshuurwoningen in de toekomst oververtegenwoordigd zal zijn. De oplossing van de woningbehoefte zal in de periode na 2010 dan ook vooral steunen op drie strategieën: s intensivering van de stedelijke centra met kwalitatief hoogwaardige appartementenbouw; s herstructurering van de vroeg naoorlogse wijken; en s nieuwe uitleg rond de kernen. De locatiekeuze, omvang en dichtheid zijn vooral afhankelijk van de gewenste identiteit van de te ontwikkelen woonwijken (hoogstedelijk, landelijk etc.), de contouren van de regionale groenstructuur, het regionale huisvestingsprogramma, de ontsluiting en de vraag van de woningmarkt. De benodigde groei van de woningvoorraad in 2010-2020 kan o.a. worden afgeleid van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het Rijk heeft voor Landsdeel West, uitgaande van een migratiesaldo 0 een ‘laag’ en een ‘hoog’ scenario berekend. Vertaald naar Haaglanden komt dit neer op een woningbehoefte van minimaal 24.500 en maximaal 40.500 woningen. De bepalende factoren voor de omvang van de woningbehoefte zijn het (buitenlands) migratiesaldo, de economische groei van de regio (de werkgelegenheidsontwikkeling!) en de welvaartsgroei. Dit laatste bepaalt ook de kwalitatieve vraag op de woningmarkt. Met name de regionale economische ontwikkeling is een door beleid te beïnvloeden factor; naarmate de ambitie hoger wordt gesteld zullen de woningbehoeftecijfers toenemen. Omgekeerd geldt hetzelfde: bij het streven om de bevolkingsgroei binnen Haaglanden vast te houden past een werkgelegenheidsbeleid dat daar gelijke tred mee houdt.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

in ontwikkeling

Het researchbureau ABF heeft voor Haaglanden berekend dat tussen 2010 en 2020 nog ca 30.000 woningen nodig zijn om de bevolkingsontwikkeling op peil te houden. Hoewel ook dit cijfer met allerlei onzekerheden is omgeven, wil het stadsgewest dit voorlopig als aanname te gebruiken. Uit regelmatige monitoring van de woningbehoefte-ontwikkeling zal blijken of de prognoses moeten worden bijgesteld. Dat kan in 2005 en in 2010 plaatsvinden.

Woondichtheden en openbaar vervoer

Sterk verstedelijkt gebied RandstadRail Rail Zuidtangent (tracé indicatief) NS-station RR-station Haltes OV VINEX locaties NS-knooppunten RandstadRail knooppunten Rail knooppunten

De verstedelijkingsdruk op het ‘buitengebied’ is mede afhankelijk van de opnamecapaciteit van woningen (en bedrijven) binnen de steden en de dorpen. De Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening heeft als streven opgenomen dat eenderde tot de helft van de woningbehoefte binnen het bestaand stedelijk gebied een plek moet kunnen vinden. Dit aantal berust overigens niet op een nauwkeurige verkenning van de bouwmogelijkheden, maar moet gezien worden als een taakstelling die aan de lagere overheden wordt meegegeven. Die taakstelling zou dan hoger uitvallen naarmate de woningbehoefte groter is. De (markt)druk op de steden en dorpen neemt dan ook toe. Het binnenstedelijke bouwen komt overigens tegemoet aan de groeiende behoefte aan (centrum)stedelijk wonen. Bij de (landelijke) discussie en normering aangaande het bouwen in bestaand stedelijk gebied, dient in het oog te worden gehouden dat Haaglanden reeds een dichtbebouwd gebied is. Het gebrek aan uitbreidingsruimte voor verschillende steden hebben gemeenten in de afgelopen decennia reeds gebracht tot verdichting van hun bebouwing. Dat maakt in deze regio verdere intensivering moeizaam. Voorts zijn de binnenstedelijke bouwmogelijkheden sterk afhankelijk van de druk van de markt, de milieuwetgeving (o.a. het beleid ten aanzien van vrijwaringzones) en de beschikbare middelen om de onrendabele top van dubbel grondgebruik en complexe (multifunctionele) bebouwing te financieren. Daar is de rijksinzet mede voor bepalend. De beleidsinzet kan hoog worden gesteld, bijvoorbeeld op 50% binnenstedelijk zoals landelijk wordt voorgesteld, doch onder de huidige omstandigheden is in Haaglanden een opgave van eenderde reeds een forse

58 / 59
inspanning. Dit aandeel dient voorlopig als uitgangspunt voor de verstedelijkingsopgave voor de langere termijn te worden genomen. Ook hier kan de monitoring in 2005 en in 2010 tot bijstelling leiden. Belangrijker dan deze aantallen is echter de vraagontwikkeling in de diverse woonmilieukwaliteiten. De eerste uitkomsten van de ABF-analyse geven daar een beeld van: aanvullingen in de Haaglandse woningvoorraad zijn vooral nodig in (gelijkelijk verdeeld) groen-stedelijke, dorpse en landelijke woonmilieu’s. Dit zijn overigens woonkwaliteiten, waarvoor het ruimtegebruik hoger ligt dan tot nu toe gebruikelijk.
Woningbouwlocaties en zoekgebieden 2010-2020

Vóór 2010 zullen de VINEX- en VINAC-locaties naar alle waarschijnlijkheid zijn volgebouwd, zij het dat enig doorschuiven van plannen over de grens van 2010 niet moet worden uitgesloten. Voor de periode na 2010 dienen derhalve nieuwe locaties te worden aangewezen. Uitgaande van een woningvoorraadtoename van 30.000 woningen en eenderde opvang in het stedelijk gebied, zou tot 2020 nog voor 20.000 woningen uitlegruimte nodig zijn. Een aantal uitlegmogelijkheden, die goed passen in het gewenste verstedelijkingspatroon en waarvoor reeds (indicatieve) plannen bekend zijn, komen in beeld: s Afrondingen stedelijk gebied: Harnaschpolder/Voordijkhoornsepolder, Dwarskade (na 2015, geïntegreerd met groen) bij Nootdorp. s Uitbreiding afzonderlijke kernen: Westlandse dorpen (volgens natuurlijke aanwas) en de kern Pijnacker (met name aan de oostzijde). s Groene, luxe woonmilieus in de Westlandse Zoom en verspreide ‘rood voor groen’-plannen (o.a. Dwarskade bij Nootdorp en Schakenbosch bij Leidschendam). Op de genoemde locaties kunnen verschillende typen woonmilieus worden gerealiseerd, afhankelijk van de behoefte-ontwikkeling en de specifieke kwaliteiten van de gebieden. De milieus kunnen variëren van groen/landelijk tot suburbaan/ stedelijk, met dichtheden tussen de 5-40 woningen per ha. Bijeen bieden deze locaties een capaciteit van 10.000 tot 12.000 woningen, in kwaliteiten die goed kunnen aansluiten bij de geraamde behoefte. De exacte invulling naar woontypologieën (en daarmee naar woningdichtheden en aantallen) zal te zijner tijd worden bepaald. Zoals eerder vermeld doet zich bij verdere verstedelijking de spanning met vooral bestaande glastuinbouwgebieden gelden. Dat spitst zich toe op de zone tussen Delft, Zoetermeer en Den Haag, waar de verstedelijkingsdruk als gevolg van de ligging tussen grote steden en de aanwezigheid van goede infrastructuur groot is. In dit gebied is ook verdere uitbreiding van het groen als versterking van de Groenblauwe Slinger gewenst. Voor de thans voorziene ruimtebehoefte voor woningbouw na 2010 (alsdan 8.000 à 10.000 woningen) zal in deze zone naar passende verstedelijkingsmogelijkheden worden gezocht. De ‘aanspraken’ op dit gebied moeten echter zoveel mogelijk worden beperkt door optimaal gebruik van de hiervoor genoemde bouwmogelijkheden. Ontwikkeling van de zone DelftZoetermeer-Den Haag na 2010 wordt in de toekomst overwogen afhankelijk van de ontwikkelingen van de woningbehoefte en de behoefte aan bedrijfsterreinen, de binnenstedelijke bouwmogelijkheden, de belangen van de verdere versterking van de groene hoofdstructuur, van de gevestigde agrarische ondernemingen en de ruimtebehoefte aan duurzaam glastuinbouwgebied. Een goede monitoring op deze terreinen is geboden. In 2005 zal op basis van deze monitoring een tussenbalans worden opgemaakt. Definitieve afweging zal uiterlijk in 2010 plaatsvinden. Besluiten over de ontwikkeling van de zone Delft-Zoetermeer-Den Haag na 2010 vinden in dat kader plaats. Besluiten over de ontwikkeling van deze zone kunnen een (partiële) herziening van het Regionaal Structuurplan betekenen.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Haaglanden

60
2.10.7 Haaglanden buiten zijn grenzen
De stedelijke invloedssferen van Haaglanden en de omringende regio’s overlappen elkaar ten dele. Dat geldt onder meer voor de woning- en arbeidsmarkt, de vestigingsplaatsen voor bedrijvigheid en glastuinbouw en de gezamenlijke groengebieden. Het stadsgewest is zich met nadruk bewust van ontwikkelingen buiten zijn grenzen die voor de eigen regio van direct en wezenlijk belang zijn. Een aantal daarvan zijn onderwerp van besluitvorming in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het stadsgewest zal lopende dit proces zijn standpunt inzake enkele ruimtelijke vraagstukken aan de rand van Haaglanden nader bepalen. s Vliegveld Valkenburg: Deze locatie staat op de agenda van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Als een eventuele ontwikkeling als bouwlocatie in beeld zou komen, zullen in ieder geval infrastructurele aanpassingen vereist zijn (onder andere de aanleg van de N11 West). Bovendien zullen de visuele en ecologische waarden aan de zuidzijde (als onderdeel van de bufferzone/ecologische verbindingszone) in acht moeten worden genomen. s Bollenstreek: eventuele nieuwe woonwijken in dit gebied zullen eveneens een oriëntatie op Haaglanden hebben. Met de door de provincie Zuid-Holland voorgenomen Rijn/Gouwelijn ontstaat via Leiden een goede openbaar vervoerverbinding met de Haaglandse regio. s Het Groene Hart: het stadsgewest sluit zich aan bij het beleid van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening: een duurzame inrichting met groene en blauwe functies. Ten oosten van Zoetermeer zou in het Bentwoud incidenteel ‘landgoedwonen’ kunnen worden opgenomen. s Omgeving Bleiswijk: het in het streekplan Rijnmond opgenomen en nog niet benutte glastuinbouwgebied dient mede voor de uitplaatsing van tuinbouwbedrijven uit het Westland. Dit betekent ook dat het glastuinbouwgebied in de B-driehoek minimaal tot 2020 zijn functie moet kunnen behouden. Deze opvatting staat verstedelijking in dit gebied in de weg. De mogelijkheid om in het gebied ten zuiden van Zoetermeer vanaf 2010 een bouwlocatie Rokkeveen 2 te realiseren wordt hiermede echter niet uitgesloten. s ZoRo-lijn: de spoedige realisering van deze hoogwaardige openbaar vervoersverbinding tussen Zoetermeer en Rotterdam, te starten met de verlenging van de Oosterheemlijn tot en met de A12/Goudselijn/HSL, direct aansluiten op de eerste fase RandstadRail wordt, als zijnde van belang voor de evenwichtige ontwikkeling van de regio, zoveel mogelijk bevorderd. s Zuidplaspolder: dit gebied komt conform de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening voor herinrichting in aanmerking, waarin glastuinbouw zou kunnen worden opgenomen, alsmede de mogelijkheden voor woongebied en landschapsbouw. Het stadsgewest vindt dat hier minimaal 200 ha netto glasareaal gereserveerd moet worden voor de verplaatsing van bedrijven uit het Westland. s Vliegveld Rotterdam-Airport: het stadsgewest onderschrijft het belang van dit vliegveld voor de economische ontwikkeling van zowel de Rotterdamse als de Haagse regio. s Midden-Delfland/Oude Leede: de groenzone, die ten dele op het grondgebied van de Rotterdamse regio is gelegen, draagt sterk bij aan de leefbaarheid van beide stadsregio’s. Ook naar de toekomst dient deze zone intact te worden gehouden, met beschermende maatregelen die in het RSP worden beschreven. Het initiatief voor de hiervoor genoemde ontwikkelingen buiten Haaglanden berust overwegend niet bij het stadsgewest Haaglanden. Wel wil het stadsgewest via de bovenregionale overlegverbanden, zoals het Platform Zuidvleugel en de Bestuurlijke Commissie Randstad, deze onderwerpen bespreken en het stadsgewestelijk belang inbrengen. Die betrokkenheid kan ook in bilaterale gemeentelijke en regionale verbanden aan de orde komen.

in ontwikkeling

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden

3.1 Herstructurering stedelijk gebied
3.1.1 Algemeen
Om de schaarse open ruimte binnen het stadsgewest te sparen, om een zo doelmatig mogelijk gebruik te kunnen maken van de beschikbare ruimte, infrastructuur en voorzieningen, en om een zo evenwichtig mogelijke sociale structuur te bevorderen, dienen plannen binnen de stedelijke gebieden bij te dragen aan: s intensivering van het grondgebruik met name rond stedelijke multi-modale knooppunten van verkeer en vervoer, waarbij zoveel mogelijk bestaande natuurlijke- en landschappelijke waarden worden benut; s de diversiteit van het stedelijk woon- en leefmilieu; s kleinschalige bedrijvigheid in de wijken; s ruimtelijke samenhang binnen het stedelijk gebied (het slechten van infrastructurele barrières); s verhoging van de ecologische kwaliteit; s verhoging van de woonkwaliteit door verbetering en toevoeging van groen; s vermindering van milieuhinder. Om dit te bereiken dienen de plannen een sterk integraal karakter te hebben; s verbetering van de waterkwaliteit; s het realiseren van ecologische zones. De ruimtelijke ingrepen dienen geflankeerd te worden met beleid op het gebied van volkshuisvesting, bedrijfsklimaat, werkgelegenheid, sociale voorzieningen, milieuhinder en natuur/groen ontwikkeling. Tezamen moet dat perspectief bieden voor een evenwichtiger opbouw van de bevolking in de grotere stadswijken en voor meer arbeidsplaatsen voor met name laaggeschoolden.

3.1.2 Majeure strategische interventies in het stedelijk gebied
Strategische interventies zijn projecten met nationale en internationale uitstraling op stedelijke knooppunten, waarvoor de steun van het rijk wordt gevraagd (o.a. in het kader van ICES).
kernpunt

Hoog Hage

Dit project betreft de herstructurering van het gebied tussen het Malieveld en de Maanweg in Den Haag. Doel van deze interventie is: het versterken van het centrum van Haaglanden als (inter)nationale aanbieder van toplocaties voor kantoren, het versterken van de economische centrumfunctie van Den Haag, grond sparen en ruimte winnen door dubbel grondgebruik, het opheffen van de scheidende functie van spoorwegemplacementen in de stad alsmede algehele kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte, en versterking en verbetering van de functie van het Centraal Station van Den Haag als belangrijkste openbaarvervoersknooppunt in de regio.
Vlietzone/A12 Zone

Doel van deze interventie is: een integrale ontwikkeling van een randstedelijk knooppunt gekoppeld aan station Ypenburg en het Prins Clausplein, gecombineerd met een herinrichting van de Vlietzone ter versterking van de landelijke structuur waarin ingepast een internationaal georiënteerd institutenmilieu. De stedelijke ontwikkeling van het gebied sluit aan bij Hoog Hage.
Spoorzone in Delft

Doel van deze interventie is: het opheffen van de scheidende en milieubelastende werking van het spoorviaduct in Delft, het opheffen van het tweesporige knelpunt in de elders viersporige lijn Amsterdam - Den Haag - Rotterdam en ruimte winnen door dubbel grondgebruik.
Ontwikkeling TU-Zuid in Delft.

Doel van deze interventie is: de door herstructurering van de TU en TNO vrijkomende ruimte te benutten voor vestigingsmogelijkheden voor kennisintensieve bedrijvigheid en voor wonen.

62 / 63
De reconstructie van het Westland.

Het ontwikkelingsplan ‘Het Nieuwe Westland’ zet lijnen uit voor de herstructurering van de glastuinbouw en voor een beter woon- en leefmilieu in het Westland. Zie verder paragraaf 3.2.

3.1.3 Woongebieden
Herstructurering van (oudere) woongebieden is nodig om de eenzijdige samenstelling van de woningvoorraad te doorbreken en de kwaliteit te verhogen. Deze kwalitatieve verbetering is van belang om de sociaal-economische positie van de steden te versterken. In regionaal verband zullen de lokale programma’s onderling moeten worden afgestemd. Zie verder paragraaf 2.5.3.

kernpunt

3.1.4 Bedrijventerreinen en kantorenlocaties
Herstructurering van verouderde bedrijventerreinen is gewenst: rationalisering, vernieuwing en waar mogelijk intensivering van het grondgebruik. In Den Haag gaat het onder meer om terreinen in: Binckhorst, Laakhaven, Petroleumhaven, Fruitweg, Scheveningen-Haven, de ‘Westlandas’, de zone ‘Lijn 11’ en de kuststrook Scheveningen en Kijkduin (zie Masterplan Stadseconomie Den Haag, oktober 1997). Verder onder meer: de Schie-oevers in Delft, Hoornerhage en Dwarstocht in Zoetermeer, Plaspoelpolder in Rijswijk, Vlietzone in Leidschendam, Kruisweg in Nootdorp en Boezem in Pijnacker, alsmede veilingterreinen in Monster en Naaldwijk. Herbestemming dan wel herstructurering van verouderde kantoorruimte wordt nagestreefd waar dit nodig blijkt en haalbaar is.

3.1.5 Binnenstedelijke groene- en blauwe netwerken
Bij de herstructurering van groengebieden gaat het om de volgende aspecten: s veiligstelling van natuurwaarden; s vergroting van de recreatieve opnamecapaciteit en toegankelijkheid van binnenstedelijke recreatiegebieden; s waar mogelijk grote groengebieden in de stedelijke omgeving door groene verbindingszones met elkaar en met de elementen van het ‘Groene Casco’ buiten de stad verbinden. Voorbeelden zijn de versterking van de ecologische en recreatieve zone van de Oostduinen naar de Westduinen in Den Haag, de landgoederenzone Rijswijk, de Vlietrand etc.

3.2 Het Westland
3.2.1 ‘Het Nieuwe Westland’; plan voor reconstructie, een majeure interventie
Het begrip ‘Het Nieuwe Westland’ (IOPW) staat voor de transformatie die het Westland voor een langere periode wil doormaken. Van een sterk door de glastuinbouw gedomineerd gebied naar een omgeving waarin naast een krachtige duurzame glastuinbouwsector ook ruimte is voor andere bedrijvigheid, wonen, groen en water, recreatie en toerisme. In dit transformatieproces is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit één van de centrale issues. Het Westland bestaat uit een vrijwel geheel met kassen bebouwd gebied en het open weidegebied, dat deel uitmaakt van (het reconstructiegebied) Midden-Delfland. Het gebied bevat mogelijkheden voor het creëren van nieuwe landschapswaarden in het spanningsveld tussen stad en land. Immers, het Westland is een gebied dat ligt tussen de grote stedelijke agglomeraties Rotterdam en Den Haag. Beoogd wordt een win-win situatie te maken van productiegebieden en groene ruimten. Voor de ontwikkeling van het gebied zijn de volgende inhoudelijke doelstellingen van toepassing: s versterking van de huidige economische structuur en verbreding naar nietglastuinbouw gebonden bedrijvigheid;

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden

verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het creëren van een beter woon- en leefmilieu; s verbeteren van de fysieke infrastructuur, zowel de hoofdontsluiting als de lokale ontsluiting, en het verbeteren van het openbaar vervoer; s herstel van de ecologische infrastructuur, groene buffers en groene aankleding door de realisatie van de groenblauwe dooradering; s het omvormen van verouderde glastuinbouwgebieden in milieuverantwoorde, moderne robuuste gebieden ter verbetering van de rentabiliteit van de onderneming en ter behoud van de internationale concurrentiepositie; s versterking van toerisme en recreatie in het kustgebied en achterland door verbreding van de kuststrook; s in het grensgebied Den Haag/Westland (Westlandse Zoom): het creëren van een lux woonmilieu van internationale allure; s in aansluiting op het reconstructieplan Midden-Delfland het verbeteren van de kwaliteit van de inrichting en de bereikbaarheid van dit gebied; s het verbeteren van de waterhuishouding ter vermindering van kansen op wateroverlast en het verbeteren van de waterkwaliteit. De reconstructie van het Westland, zoals voorbereid in het Integraal Ontwikkelingsplan Westland, is qua ruimtelijk beleid neergelegd in dit Regionaal Structuurplan. Hier is sprake van enkele afwijkingen met het vigerende streekplan Zuid-Holland West.
s

kernpunt

3.2.2 Glastuinbouwgebieden
De in elk geval te handhaven, te ontwikkelen en/of te herstructureren glastuinbouwgebieden zijn op de plankaart als duurzaam glastuinbouwgebied en als concrete beleidsbeslissing aangegeven. Deze gebieden dienen gevrijwaard te blijven van stedelijke bestemmingen.

kernpunt

3.2.3 Kernen
De (dorps)kernen worden omgeven door de contourlijnen van duurzame glastuinbouwgebieden. Voor de inrichting van de stedelijke uitbreiding binnen de contouren zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: s De uitbreiding van woongebied dient aan te sluiten op de bestaande kern; s De fasering van de woningbouw dient te passen in het stadsgwestelijke woningbouwscenario (zie hoofdstuk 4), c.q. de Westlandse uitwerking daarvan; s De fasering van bedrijventerreinen dient te passen in het stadsgewestelijke c.q. het Westlandse programma. De terreinen behoren goed op het regionale wegennet te zijn ontsloten; s De regionale groenstructuur, inclusief fietspaden en waterwegen, dient te worden ingepast. De betreffende gemeenten zullen bij de eerstvolgende invulling van een deel van het ‘uitbreidingsgebied’ inzicht moeten geven in het beleid (de inrichting, de fasering en de uitvoerbaarheid) ten aanzien van het gehele gebied. De kernen Schipluiden en Maasland behouden een harde bebouwingscontour. Deze is op de plankaarten als een concrete beleidsbeslissing aangegeven.

kernpunt

3.2.4 Westlandse kustzone
Tussen het blijvende glastuinbouwgebied en de duinstrook is een zone aangewezen voor toeristische, recreatieve en natuurontwikkelingen, die in de plaats van de glastuinbouw kunnen treden. Bij recreatieve ontwikkeling moet gedacht worden aan verblijfsrecreatie en rustige vormen van strandgebonden recreatie. Ook is er - in beperkte mate - plaats voor wonen. In totaal is er ruimte voor de bouw van maximaal 650 woningen in de kustzone op nader aan te geven locaties, rekeninghoudend met de zeeweringseisen. Zie ook de pilotstudy Delfland en de kustvisie 2050. Nabij Monster wordt mede met het oog op de gewenste hoogwaardige woonmilieus in de omgeving een integrale ontwikkeling van bijzondere allure voorgestaan, waarin natuur, recreatie en specifieke vormen van toerisme dominante functies zijn.

64 / 65
Uitsnede van de plankaart van het Westland

Voor de legenda zie bijgevoegde Plankaart

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden
kernpunt

3.2.5 Groenblauwe dooradering
Een geleding en ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen het kassengebied dient te worden nagestreefd met als aanknopingspunt de bestaande krekenstructuur in het Westland. Deze wateren dienen geleidelijk te worden voorzien van een doorgaande landschappelijke en recreatieve begeleiding van minimaal vijftien meter breed, in aanvulling op de bestaande vaart. In bescheiden mate is (woon)bebouwing aanvaardbaar, mits dit in vormgeving en in financiële zin bijdraagt aan het groene karakter van de zones. Dit vertaalt zich in de praktijk door te voorzien in maximaal 450 woningen ter plaatse van Poelpolder, De Baak en Tuinveld, en langs de Verlengde Strijp, het Oranjekanaal, het Zwethkanaal en de nieuwe waterverbindingen tussen de BreeLee en het Zwethkanaal.

kernpunt

3.2.6 Westlandse zoom
Langs de noordoostzijde van het Westland en de zuidwestzijde van Den Haag dient gestreefd te worden naar een samenhangende groenblauwe en ecologische structuur met doorgaande recreatieve verbindingen. Op basis van een gezamenlijke visie om ‘rood voor groen’ te bouwen moeten door de partijen afspraken worden gemaakt voor te realiseren groenblauwe, infrastructurele en woningbouwprojecten. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een gelijktijdige ontwikkeling van een kwalitatief hoogwaardig groen milieu met ruimte voor natuur, recreatie en wonen. Binnen deze groenblauwe structuur worden luxe woonmilieus (met een dichtheid van ca tien woningen per ha) tot stand gebracht, in het bijzonder bedoeld voor en gericht op een hoog (internationaal) marktsegment. Ook deze woninggebieden dienen bij te dragen aan de gewenste groenblauwe structuur, waarvoor een substantieel deel groen en water een openbaar karakter dient te krijgen. In deze zone moet ook plaats zijn voor bij dit marktsegment passende voorzieningen. In beginsel wordt uitgegaan van de bouw van in totaal 4.000 luxe woningen, in de periode 2000 tot 2020. In de periode tot 2010 komen in ieder geval de gebieden Madestein en Uithofslaan (op het grondgebied van Den Haag) en de IOPW-locaties Madepolder-Noord en Kwintsheul aan snee. Een nadere studie moet uitwijzen hoe de groenblauwe structuur nader wordt vormgegeven en welke locaties voor de beoogde woonmilieus in aanmerking komen. Tussentijdse evaluaties naar de woningbehoefte in het gewenste segment en naar de herhuisvestingsmogelijkheden van de glastuinbouw bepalen de voortgang van de woningbouw. De ontwikkeling van de Westlandse Zoom wordt vastgelegd in een convenant tussen betrokken gemeenten, het bestuur van het IOPW, het stadsgewest en de provincie Zuid-Holland. De Westlandse Zoom is in het RSP opgenomen als ‘nader uit te werken gebied’. Daarop is het te sluiten convenant Westlandse Zoom van toepassing. Zie ook paragraaf 5.3 U2.

kernpunt

3.2.7 Bedrijventerreinen en veilingterreinen
De bestemming van de voormalige groenteveiling Poeldijk wordt omgezet in bedrijventerrein. De bloemenveiling in Naaldwijk wordt uitgebreid. De doelstelling van het IOPW voor bedrijventerreinen is om voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van aanvullende economische activiteiten ter vervanging van de inkrimpende (in)directe werkgelegenheid in de tuinbouwsector en ter verbreding van de economische structuur. Om dit doel te bereiken wordt tot 2010 215 ha bruto bedrijventerrein in het Westland ontwikkeld. De grootschalige bedrijventerreinen zijn gelokaliseerd rond het knooppunt Westerlee, aansluitend aan Coldenhove en in de Harnaschpolder. Met het oog op het regionale belang van de ontwikkelingen in de Harnaschpolder, wordt hiervoor verwezen naar de volgende paragraaf.

66 / 67
3.2.8 Verkeersinfrastructuur
Rekening dient te worden gehouden met een toekomstige doortrekking van de Veilingroute via de N213 naar het knooppunt Westerlee, als ook met het voltooien van de randweg Naaldwijk en de rondweg ‘s-Gravenzande/Monster, waarvan het zuidelijk deel in samenhang met het knooppunt Westerlee moet worden bezien. Voor de tweede ontsluitingsweg naar Hoek van Holland dient een tracé via Westerlee te worden gereserveerd. Het kruispunt Westerlee dient ingrijpend te worden gereconstrueerd.
kernpunt

3.2.9 Midden-Delfland
De aanpak vanuit het IOPW mikt op binnen het gebied passende functies te ontwikkelen die meer tegendruk kunnen bieden tegen de steeds verder oprukkende stad en glastuinbouw. In die optiek is het benutten van Midden-Delfland voor de berging van water een mogelijkheid. Laaggelegen polders aan de randen van het Westland kunnen worden ingericht voor de berging van regenwater bij zware stortbuien. Dit verdient nadere studie. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de groene kwaliteiten van Midden-Delfland zelf. Een belangrijk aspect daarbij is het uitplaatsen van het kleinschalige, versnipperde glas dat nu nog voor een forse aantasting van het open en groene karakter van het gebied zorgt. Ook de recreatieve verbindingen vanuit de omliggende stedelijke- en groengebieden met MiddenDelfland moeten worden uitgebreid. In ieder geval wordt een nieuwe verbinding gerealiseerd met de Westlandse Zoom, maar ook ter hoogte van het Kraaiennest, Maassluis/Maasland en Oude Leede. Zie ook paragraaf 3.7.1.

kernpunt

3.2.10 Waterbeheer
In het Westland zijn maatregelen noodzakelijk ter voorkoming van (extreme) wateroverlast in de toekomst. Hiervoor zijn mede naar aanleiding van voorstellen van het Hoogheemraadschap Delfland maatregelen in het IOPW opgenomen. De problemen doen zich vooral voor in de boezem. De belangrijkste maatregelen die genomen zullen worden zijn: het vergroten van de doorstroomcapaciteit van de boezemkanalen, het vergroten van de bergingscapaciteit en het uitbreiden van de capaciteit van gemalen. Daarnaast worden in het kader van ABC-Delfland een of meerdere calamiteitenbergingen nader uitgewerkt.

3.3 De Harnaschpolder/Sion/’t Haantje
De Harnaschpolder, thans goeddeels een glastuinbouwgebied, komt in aanmerking voor functiewijziging. Het streekplan Zuid-Holland West situeert in deze polder een nieuwe regionale afvalwaterzuiveringsinrichting (AWZI waarvan realisering urgent is), in samenhang met bedrijventerrein en woningbouw, een hoogwaardige railverbinding en verbetering van de wegontsluiting. De Rijswijkse gebieden Sion en ‘t Haantje, thans voornamelijk voor glastuinbouw benut, zullen bij herontwikkeling van de Harnaschpolder in een positie komen waarbij de huidige functie ter discussie kan worden gesteld. Voor de gebieden zijn de volgende uitgangspunten van toepassing.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden

Afspraken Harnaschpolder

Nieuw stads- en dorpsgebied na 2010 Voor de rest van de legenda zie bijgevoegde Plankaart

kernpunt

3.3.1 Harnaschpolder
Nieuwe functies dienen op een geïntegreerde wijze te worden gelokaliseerd en ontwikkeld. Voor de volgende functies dient een plaats te worden ingeruimd. s Een AWZI in de noordoostelijke hoek (ten zuidoosten van de Harnaschknoop) met een oppervlakte van ca 26 ha. De installatie dient aan zodanige milieuvoorwaarden te voldoen dat het wonen in de directe omgeving mogelijk blijft. s Een reserveterrein ten noorden van de A4 met een omvang van ca zes ha, ten behoeve van installaties van de AWZI bij aanscherping van de zuiveringseisen. Dit gebied wordt in samenhang met het bedrijventerrein ten westen van de A4 in een groene setting aangelegd. s Aansluiting van het gebied op het Harnaschknooppunt in de A4, ter ontsluiting van de Harnaschpolder, en met een mogelijke doorverbinding via Rijswijk-Zuid (Beatrixlaan) naar Ypenburg. s Aanleg van een railverbinding van AggloNet niveau, komende vanuit Den Haag Zuid-West en, via een tracé direct ten zuiden van de aansluiting van de N54 op de A4, gaande in de richting van Delft. Daarvoor dient een tracé (op de plankaart aangegeven) langs Den Hoorn en via de Reinier de Graafweg te worden gereserveerd. Tevens dient een verbinding tussen de Harnaschknoop en de Van Foreestweg niet onmogelijk te worden gemaakt. s Aanleg van circa 75 ha bedrijventerrein in het noordelijke en westelijk deel en in het middengebied van de Harnaschpolder. s Het profiel van de bedrijventerreinen is hoogwaardig langs de A4 en rond de Harnaschknoop en standaard bedrijventerrein aan de binnenzijde van de polder. Op een deel van het terrein kunnen Westlands-gerelateerde bedrijven worden gevestigd, passend binnen de beoogde profielen. s De inpassing van milieuhinderlijke bedrijvigheid (maximaal categorie 4) binnen het hiervoor genoemde areaal van 75 ha, met dien verstande dat de hinder- en veiligheidscontouren de buitengrenzen van de betreffende bedrijventerreinen niet overschrijden en dat de bedrijven passen in het kwaliteitsbeeld dat in deze zone wordt beoogd.

68 / 69
s

s

Circa 75 ha woongebied, te verdelen in: a. een beperkte dorpsontwikkeling in Look West; b. de Voordijkshoornse polder; c. een deel van het middengebied. Veiligstelling van een doorgaande groene zone met ecologische waarden ter weerszijde van de Zweth en ter hoogte van de Kerstanje Wetering/Woudselaan.

3.3.2 Sion en ‘t Haantje
De gebieden Sion en ‘t Haantje bezitten als gevolg van de doorlopende groenzone en de onderlinge nabijheid een ruimtelijke samenhang met de Harnasch. Het beleid ten aanzien van deze gebieden is als volgt: s Door dit gebied dient een tracé voor de ‘zuidelijke verbindingsweg’ tussen Harnaschpolder en de Vliet te worden gereserveerd. De exacte ligging van het tracé dient aan de hand van de toekomstige inrichting van het gebied, de verkeersfunctie van de weg en het eventueel ‘meeliften met het tracé van de aanvoerleiding naar de AWZI te worden bepaald. s In Sion en ‘t Haantje is in samenhang met de eventuele aanleg van de weg op termijn functiewijziging gewenst. Daarbij heeft een invulling met bedrijventerrein de voorkeur, waarbij nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met een gewenste versterking van de groen/ecologische zone tussen de bebouwde gebieden van Delft en Rijswijk. Voor de structuurplanperiode wordt de glastuinbouwfunctie gehandhaafd. s In ‘t Haantje moet rekening worden gehouden met het verbreden van de spoorlijn naar 4 sporen. Indien in of nabij dit gebied een halte wordt gerealiseerd, ontstaan hier potenties voor hoogwaardige bedrijvigheid en woon/werk functies, rekeninghoudend met de milieuzoneringen die de spoorlijn, de Zuidweg en de bestaande industrievestigingen met zich meebrengen.

3.4 De Vlietzone en A12 zone
Het gebied rond het kruispunt van de A4 en A12 (rond Prins Clausplein) beschikt over bijzondere ontwikkelingspotenties. Deze kunnen pas ten volle worden benut, indien de ontsluiting via aanvullende weginfrastructuur en openbaarvervoervoorzieningen worden uitgebreid. Er is een integraal (uitwerkings-)plan voor dit gebied nodig. Op grond daarvan kan worden beoordeeld welke middelen moeten worden ingezet en welke (gemeentelijke) samenwerkingsverbanden nodig zijn om de ontwikkeling tot stand te brengen. Geen enkele optie wordt op voorhand uitgesloten. Een open planproces zal worden gevolgd, waarin onder meer de betrokken gemeenten een rol zullen spelen. Nog in 2003 zal een uitwerkingsplan voor het gehele gebied of een deel daarvan worden vastgesteld door het dagelijks bestuur.

3.4.1 Vlietzone
De Vlietzone is het gebied tussen de Vliet en de A4, lopend van Rijswijk-Hoornwijck tot en met Overgoo in Leidschendam. Deze zone bezit grotendeels nog een groen karakter. Het ruimtelijk beleid gaat, bij eventuele ontwikkelingen, uit van het behoud van het groene, cultuurhistorische en open karakter van het gebied. De ligging langs de A4 lijkt economische potenties te hebben, doch de feitelijke bereikbaarheid is tamelijk beperkt. Daarom is het gebied vooral geschikt voor functies in een ruime groene omgeving. Gedacht kan worden aan nieuwe landgoederen met woon- en werkfuncties, in de oksels van het Prins Clausplein kan hoogwaardige bedrijvigheid worden gevestigd, indien de bereikbaarheid kan worden verhoogd en geconcentreerd bij de bestaande infrastructurele knooppunten.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden
kernpunt

Voor de Vlietzone dient, tezamen met de A12- zone (zie hierna) een uitwerkingsplan te worden opgesteld. Bijzondere uitgangspunten voor het uitwerkingsplan zijn: groen, water, de verkeersontsluiting, herstructurering van de bestaande bedrijventerreinen, inpassing van nieuwe bebouwing en inpassing van het Trekvliettracé. Uitgangspunt hierbij is dat groen in de Vlietzone zo veel mogelijk een doorgaand karakter krijgt (groene schakel).

3.4.2 A12-zone
Bijzondere aandacht is vereist voor de zogenaamde A12-zone, met name daar waar de VINEX-locaties Ypenburg/Nootdorp en Leidschenveen elkaar raken. Deze zone vormt in feite de ‘poort’ van de Haagse agglomeratie en heeft potenties voor een hoogwaardige ontwikkeling. Het stadsgewest heeft in nauwe samenwerking met de betrokken partijen een plan voor de infrastructuur in de gemeente Nootdorp ontwikkeld en vastgelegd in de ‘Overeenkomst inzake aansluiting A12/Veenweg’. Dit plan bestaat in feite uit vijf deelprojecten: de Nootdorpboog van NS, aansluiting A12-Nootdorp, station Ypenburg, fietstunnel Veenweg en auto-fiets-openbaarvervoertunnel A12. In de periode tot 2010 zal een groot aantal infrastructurele maatregelen in de A12-corridor worden gerealiseerd, die in onderlinge samenhang zorgen voor een verbeterde bereikbaarheid van de regio Haaglanden. Ter plaatse van station Ypenburg/Leidschenveen ontstaat een hoogwaardig openbaar vervoerknooppunt. Op dit station kan de reiziger kiezen tussen het regionale openbaar vervoer van AggloNet en het landelijke openbaar vervoer van de Nederlandse Spoorwegen.
kernpunt

Voor de A12-zone tussen de Vliet en Zoetermeer dient (samen met de Vlietzone) een uitwerkingsplan te worden opgesteld. De uitgangspunten daarvoor zijn: s de inpassing van de infrastructurele werken uit de ‘Overeenkomst aansluiting A12’ en uit de overeenkomst integrale benutting A12; s hoogwaardige bedrijvigheid (o.a. kantoren) en stedelijke voorzieningen rond het Prins Clausplein en rond het nieuwe NS station; s bijzonder aandacht voor de vormgeving van de bebouwing rond de A12 en de spoorlijn, die het ‘gezicht’ van de poort bepalen; s een integrale ontwikkeling van de infrastructurele en stedenbouwkundige werken welke mede leiden tot een versterking van het leefklimaat in het gebied met name ten aanzien van de geluidshinder; s de groenblauwe hoofdstructuur.

3.5 Omgeving Pijnacker
Het gebied tussen Delft en Zoetermeer is voortdurend onderwerp van studie, plannenmakerij en bestuurlijke discussie. Paragraaf 2.10 ‘Doorkijk 2010-2020’ bevat de uitgangspunten van het stadsgewest voor de ontwikkeling op lange termijn. Voor de planperiode van het RSP is het beleid als volgt.

3.5.1 Westelijk Pijnacker
De zone tussen Pijnacker en Delfgauw is van noord naar zuid globaal in drieën te delen: s het glastuinbouwgebied; s het tracé van de N470; s een weidegebied.

70 / 71
Pijnacker

Voor de legenda zie bijgevoegde Plankaart

Ontwikkelingen

in specifieke gebieden
kernpunt

Het ruimtelijke beleid voor dit gebied is als volgt. s Het glastuinbouwgebied wordt in de structuurplanperiode gehandhaafd, evenals het weidegebied. Het definitieve tracé van de N470 en de grens tussen het weideen kassengebied zijn op de plankaart aangegeven. De grens tussen deze twee gebieden is bepaald in het kader van de landinrichting Oude Leede en de grondtransacties rond de aanleg van de N470. Het duurzaam open en groene karakter van het weidegebied moet gewaarborgd blijven. s Tussen Delfgauw en Pijnacker wordt gestreefd naar een groene (recreatieve en ecologische) zone die het Bieslandse Bos en Zuidpolder/Ackerdijkse Plassen met elkaar verbindt. Op basis van een gezamenlijk opgesteld integraal plan dienen bestemmingswijzigingen in dit gebied de realisering van zulk een zone mogelijk te maken. s Er dient rekening te worden gehouden met een beperkte uitbreiding van Pijnacker aan de westzijde na 2010.

3.5.2 Oostelijk Pijnacker
Het ruimtelijk beleid ten aanzien van het gebied tussen Pijnacker en Zoetermeer is als volgt. De groenzone Berkel-Pijnacker, onderdeel van de Groenblauwe Slinger, is door het stadsgewest op de kaart gezet als aanzet en inzet voor de verdere planvorming in dit gebied, conform het ‘Cascoplan’. Met de groenzone Berkel-Pijnacker wordt gestreefd naar een groene dooradering van het gebied ter verbetering van de ruimtelijke en natuurlijke kwaliteit, recreatieve mogelijkheden en verhoging van de potenties voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Het door de provincie ZuidHolland genomen ‘Glastuinbouwbesluit’ wordt door het stadsgewest gerespecteerd. Aan de hand van nadere planontwikkeling zal worden bezien in hoeverre dit besluit aanpassing behoeft. Voorts dient in het gebied een tracé voor de openbaarvervoersverbinding tussen Zoetermeer-Rokkeveen en Pijnacker te worden gereserveerd. Vooralsnog wordt uitgegaan van het Katwijkerlaantracé, doch een ander verloop van deze lijn kan in relatie met de besluitvorming over toekomstige verstedelijking gewenst zijn. Het bedrijventerrein de Boezem wordt in oostelijke richting uitgebreid met het bedrijvenpark Reesloot en aan de noordzijde tot aan de Katwijkerlaan met bedrijventerrein Boezemvaart. Aan de oostzijde van Pijnacker dient rekening te worden gehouden met een beperkte uitbreiding van de dorpskern na 2010.

kernpunt

3.6 De kleinere glastuinbouwgebieden
Voor de overige kleinere glastuinbouwgebieden wordt uitgegaan van het volgende beleid:
kernpunt

A. Tot 2010 of later te handhaven glastuinbouwgebieden Dwarskadegebied (Nootdorp)

Hier wordt de glastuinbouw gehandhaafd zoals op de plankaart is voorzien.
Noukoop (Nootdorp)

Dit gebied komt ten dele in aanmerking voor herstructurering en ten dele voor uitbreiding van de glastuinbouw.
Meeslouwerpolder (Stompwijk Leidschendam)

Hier wordt de glastuinbouw gehandhaafd zoals op de plankaart is voorzien. Het streven is erop gericht om solitaire vestigingen te verplaatsen.
Sion en ‘t Haantje (Rijswijk)

Zie paragraaf 3.3.
B. Glastuinbouwgebieden waar tot 2010 veranderingen aan de orde kunnen zijn Midden-Delfland

Het uitplaatsen van verspreide glastuinbouwbedrijven ten gunste van het open en groene karakter van het gebied. Zie ook paragraaf 3.2.

72 / 73
Corridor Duivenvoorde (Leidschendam)

Dit gebied wordt beschouwd als een ontwikkelingszone voor natuur en landschap, waarin bij zich voordoende mogelijkheden de glastuinbouw wordt vervangen door groene en recreatieve functies. Hierbij moet rekening gehouden worden met de functie van ecologische verbindingszone tussen het duingebied en het Groene Hart.
Rond Oude Leede (Pijnacker)

Buiten een bebouwingscontour, die bepaald zal moeten worden in het kader van opneming van dit gebied in de verruiming van de bufferzone Midden-Delfland, dient uitbreiding van het glasareaal te worden uitgesloten. Een verbetering van de algehele ruimtelijke inrichting van dit gebied is gewenst. Hiervoor zal een plan voor instandhouding en beheer moeten worden opgesteld. Het gebied maakt onderdeel uit van de planvorming in het kader van de Groenblauwe Slinger.

3.7 De bufferzones en het Groene Hart
3.7.1 Midden-Delfland
Het beleid van het stadsgewest is gericht op behoud en versterking van het MiddenDelfland als bufferzone tussen het verstedelijkte deel van de Haagse en Rotterdamse regio. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van Midden-Delfland vormt het reconstructieprogramma en de uitwerkingen daarvan in de deelplannen Lickebaert, Gaag en Abtswoude. Het economisch draagvlak van de bufferzone dreigt te verzwakken door de ontwikkelingen in de veehouderij. Bezinning op nieuwe economische impulsen voor het gebied, in de vorm van extensieve recreatie dan wel gekoppeld aan natuurontwikkeling is nodig om het gebied duurzaam in stand te houden. Structurele financiële middelen voor beheer en inrichting blijven ook op lange termijn noodzakelijk. De reconstructiewet Midden-Delfland expireert in 2005. Met de planologische kernbeslissing (PKB Actualisering VINEX) en de vigerende gemeentelijke en regionale plannen is het gebied planologisch slechts beperkt beschermd. Planologische bescherming moet echter voor langere tijd verzekerd blijven. Bij aanpassing van het huidige bufferzonebeleid als gevolg van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening dient in ieder geval een gelijkwaardige planologische bescherming gevonden te worden in de vorm van groene contouren en/of de aanwijzing tot regionaal of provinciaal landschap of in het kader van de nota Belvedère. Het te beschermen gebied van Midden-Delfland dient uitgebreid te worden met het gebied rond Oude Leede en de Dijkpolder te Maasland. Daarnaast is een heroriëntatie nodig voor de meest geëigende bestuurlijke organisaties om het beleid en het beheer ten aanzien van Midden-Delfland te continueren. Zie ook paragrafen 3.2.9 en 2.6.3.

3.7.2 Den Haag-Leiden-Zoetermeer
Het stadsgewest Haaglanden houdt overeenkomstig het standpunt ten aanzien van Midden-Delfland onverkort vast aan de bescherming van de bufferzone Den HaagLeiden-Zoetermeer. Bij aanpassing van het huidige bufferzonebeleid als gevolg van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening dient eveneens een gelijkwaardige planologische bescherming te worden gevonden. In het gebied worden in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Den Haag, Katwijk, Landinrichting Leidschendam en de Groenblauwe Slinger plannen ontwikkeld voor de realisatie van nieuwe natuur-, bos- en recreatiegebieden en (ecologische-) verbindingen. De exacte inrichting van gebieden is nog onderwerp van planvorming. Rondom de Wassenaarse kernen zijn bebouwingscontouren en voorwaarden van het streekplan Zuid-Holland West van toepassing.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Ontwikkelingen

74
Omgeving Zoetermeer/Wassenaar

in specifieke gebieden

Voor de legenda zie bijgevoegde Plankaart

3.7.3 Het Groene Hart
Het Groene Hart valt deels samen met de bufferzone Den Haag-Leiden-Zoetermeer, zoals deze met de Actualisering PKB-VINEX is vastgesteld. Dit gebied, grotendeels in de gemeente Leidschendam gelegen, behoeft een specifiek hierop toegesneden beleid. In dit grotendeels agrarische gebied is een recreatieve infrastructuur voor het langzaam verkeer gewenst om de uitloop uit het stedelijke gebied richting Groene Hart te vergemakkelijken, gecombineerd met uitbreiding van het ecologisch netwerk. De toeristisch-recreatieve sector dient ook te worden benut als economische mededrager van het agrarische grondgebruik, dat gewenst is voor het behoud van het karakter van het gebied. Het is gewenst de fiets- en voetverbindingen van dit gebied met het stedelijk gebied van Leidschendam en Den Haag te verbeteren. Rondom de kern Stompwijk is een bebouwingscontour van toepassing.

Uitvoeringsprogramma

4.1 Inleiding
Het ruimtelijk beleid uit het RSP wordt in dit hoofdstuk aangevuld met een uitvoeringsprogramma voor de structuurplanperiode. Het RSP is daarmee niet alleen richtinggevend voor de ruimtelijke indeling van de regio, maar ook basis voor de volgorde en fasering in de uitvoering. Dit programma wordt mede bij de beoordeling van gemeentelijke plannen betrokken. Het uitvoeringsprogramma is voor een deel indicatief en zal regelmatig bijstelling behoeven. Het stadsgewest geeft daar uitvoering aan met evaluaties van het Locatiebeleid kantoren en bedrijven, vervolgnota’s van het RVVP, het Regionaal Milieubeleidsplan en de vervolgacties uit het Beleidsdocument Volkshuisvesting en het Woningbouwscenario. Het uitvoeringsprogramma begint eerst met een overzicht van de uitvoeringsverantwoordelijkheden van de belangrijke intergemeentelijke/ stadsgewestelijke ‘projectgebieden’.

4.2 Uitvoeringsafspraken ‘projectgebieden’
In de afgelopen jaren zijn tussen gemeenten en met het stadsgewest afspraken gemaakt over de uitvoering en financiering van grootschalige plannen. Ook thans zijn dergelijke afspraken in voorbereiding, dan wel ingevolge de voorgenomen planontwikkelingen gewenst. Hier volgt een overzicht van bestaande en gewenste samenwerkingsverbanden. s VINEX-locaties: in 1995 zijn via het Uitvoeringsconvenant VINEX Haaglanden afspraken gemaakt over de ontwikkeling van een zevental bouwlocaties: Wateringse Veld, Ypenburg, Stuno (Nootdorp-Zuidoost), Leidschenveen, Pijnacker-Delfgauw, Pijnacker-Zuid en Zoetermeer-Oosterheem. Het financiële verkeer tussen het rijk en de (bouw)gemeenten loopt via het stadsgewestelijke grondkostenfonds. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering; het stadsgewest heeft regisserende taken. Het uitvoeringsconvenant bestrijkt de periode 1995 tot en met 2004. In die periode moeten op de genoemde bouwlocaties (en binnenstedelijk) bijeen 42.500 woningen worden opgeleverd. Daarmee zijn de locaties nog niet volgebouwd. Er resteert een capaciteit van ca 8.000 woningen. In de periode 2005 tot 2010 zal de woningbouwproductie, conform de Intentieovereenkomst VINAC, worden voortgezet. Deze overeenkomst, waaraan ook financiële afspraken zijn verbonden, wordt in 2001 herijkt. s Integraal Ontwikkelingsplan Westland: veertien samenwerkende partijen uit overheid en bedrijfsleven hebben in 1998 een intentieovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied gezamenlijk ter hand genomen zou worden. Eind 1999 is hierop het ‘Ontwikkelingsplan Het Nieuwe Westland’ gepresenteerd. Dit plan voorziet in een functieverandering van in totaal circa 1.300 ha. tot 2010. Hiervan zal circa 750 hectare aan bedrijventerreinen, groenblauwe aders, als Westlandse Zoom en kustzone worden ontwikkeld. In 2001 wordt een regionaal ontwikkelingsbedrijf opgericht. Hierin zullen overheid (verenigd in een op te richten gemeenschappelijke regeling of een Holding NV) en bedrijfsleven risicodragend samenwerken. s Harnaschpolder: voor de uitvoering van het bedrijventerrein en woongebied Harnaschpolder/Voordijkhoornsepolder hebben de gemeenten Delft, Den Haag, en Schipluiden een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De gemeente Delft ontwikkelt de woningbouw in de Voordijkhoornsepolder en in een deel van de Harnaschpolder; de gemeente Schipluiden ontwikkelt de woningbouw in LookWest en eveneens in een deel van de Harnaschpolder; de drie gemeenten samen ontwikkelen het bedrijventerreingedeelte van de Harnaschpolder. De gemeenten voeren de plannen voor eigen rekening en risico uit. s Bedrijventerreinen: binnen Haaglanden worden op verschillende locaties nieuwe bedrijventerreinen ontwikkeld. Enkele organisaties zijn daarin actief. Het industrieschap Plaspoelpolder, een samenwerkingsverband van de gemeenten Den Haag en Rijswijk, exploiteert en beheert een aantal grote (ook nieuwe)

76 / 77
bedrijventerreinen rond de A4: Plaspoelpolder, Wateringse Veld, Hoornwijck en terreinen op Ypenburg. Het IOPW doet dat in het Westland: Zwethove en Honderdland. Het stadsgewest overlegt met deze organisaties, inclusief met die voor de Harnaschpolder, over de afstemming van vraag en aanbod op de bedrijventerreinenmarkt. Groenprojecten: zie paragraaf 4.7. Grootschalige verkeersprojecten: zie paragraaf 4.5.

s s

4.3 Woningbouw
Het meerjaren woningbouwprogramma is vastgelegd in het Woningbouwscenario Haaglanden, dat het algemeen bestuur op 30 juni 1999 heeft vastgesteld. Het woningbouwscenario wordt jaarlijks geactualiseerd.
Woningbouwprogramma Haaglanden 1995 - 2010

Voor de periode 1995-2005 is het VINEX-woningbouwscenario (exclusief Westland) van toepassing. Voor de periode 2005 - 2010 wordt het VINAC-IOPW-scenario gevolgd. De cijfers zijn op basis van het Woningbouwscenario Haaglanden (1999) als volgt:

Locaties

Taakstelling 1995 VINEX convenant

VINEX 1995-2000 gerealiseerd

VINEX 2000-2005

VINAC 2005-2010

Wateringse Veld Ypenburg Stuno Leidschenveen Zoetermeer-Oosterheem Pijnacker-Zuid Pijnacker-Delfgauw Subtotaal nieuwe uitleg Binnenstedelijk (netto) Subtotaal VINEX Westland Westlandse Zoom Totaal

6.500 9.000 1.500 6.800 6.000 1.700 2.000 33.500 9.000 42.500

1.824 1.866 326 920 0 0 764 5.700 15.800 21.500 3.600

4.676 7.134 1.174 5.880 6.000 1.700 1.236 27.800 5.144 32.944 3.010 (1) 1.000 36.954

1.500 2.300 0 0 2.500 1.700 0 8.000 3.000 11.000 3.150 (1) 1.000 15.150

42.500

25.100

(1) 500 woningen uit programma Westland opgenomen in Westlandse Zoom

De woningproductie laat in 2000-2005 een grote piek zien; daarna valt deze op een veel lager niveau terug. De piek is het gevolg van (te) optimistische planningen. Verwacht mag worden dat als gevolg van procedurele tegenslagen en vertragingen in het bouwproces, de piek zal uitvlakken naar de periode 2005-2010.

4.4 Kantorenlocaties, bedrijventerreinen en detailhandelvoorzieningen
4.4.1 Behoefteberekeningen
De behoefteontwikkeling van kantorenlocaties en bedrijventerreinen wordt vastgesteld bij de evaluaties van het Locatiebeleid voor kantoren en bedrijven. De behoefteramingen worden, naar componenten onderscheiden, aan het slot van bijlage B verantwoord. Aan de ramingen ligt een (taakstellende) groei van de werkgelegenheid ten grondslag van 68.000 tot 2010 en van 75.000 tussen 2010 en 2020, zie paragraaf 2.3.2.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Uitvoeringsprogramma

4.4.2 Kantoren
Uitgangspunt is een groei van de werkgelegenheid in kantoren van 146.000 (35% van ruim 417.000) in 2000 tot 189.000 (bijna 40% van 485.000) in 2010 en verder tot 233.000 (ruim 40% van 563.000) in 2020. Corresponderend daarmee is voor kantoren in eerder genoemde evaluatie de behoefte tot 2005 op ruim 760.000 m2 gerekend, voor de periode daarna tot 2010 op 675.000 m2. In de Uitvoeringsafspraken Verstedelijkingsbeleid (Actualisering PKB-VINEX) is voor de periode 20062010 een taakstelling van ruim 0,5 miljoen kantoorvloeroppervlakte opgenomen. Vanaf 2010 lopen de stadsgewestelijke ramingen uiteen van 120.000 tot 150.000 m2 per jaar. Het rijk rekent met een lagere prognose/taakstelling. Tabel 1 in bijlage B geeft het aanbod van plancapaciteit weer, onderverdeeld naar de verschillende kantoormilieus, de ontwikkelingstermijnen en voorzien van een knooppuntaanduiding. Bij de tabel kunnen de volgende twee opmerkingen worden gemaakt:
I. Fasering en prioritering

Het totale planaanbod in overstijgt de behoefte tot 2010, berekend op 1.450.000 m2. De praktijk van uitvoering laat zien dat een deel van het huidige planaanbod uitschuift, ondermeer ten gevolge van de bewegingen op de kantorenmarkt. Voor die periode na 2005 doen zich nieuwe plannen zoals voor Hoog Hage, Binckhorst, Delft-centrum en Ypenburg-station. Het in ontwikkeling nemen van deze nieuwe locaties zal mede moeten worden afgewogen ten opzichte van de bewegingen in de bestaande voorraad kantoren. De gefaseerde aanpak moet overaanbod in de periode tot 2010 voorkomen. In geval van prioriteiten in kantoorontwikkeling genieten binnenstedelijke locaties (Den Haag, Hoog Hage en Delft, Spoorzone) en (andere) randstedelijke locaties met knooppuntpotenties de voorkeur. Voorts dient bij nieuwe kantoorvestigingen zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de onderscheiden kantoormilieus: daaruit spreekt een zekere geleding en hiërarchie. Een op een en ander afgestemd bindend uitvoeringsprogramma zal afzonderlijk worden vastgesteld.
II. Bereikbaarheid/Knooppunten

Voor elke locatie is aangegeven of deze een knooppuntstatus heeft en welke. Voor (inter)nationale knooppunten en randstadknooppunten is naast een zeer goede bereikbaarheid, de aanwezigheid of potentie voor een hoogwaardig en divers centrummilieu met menging van verschillende functies bepalend. Voor regionale knooppunten zijn de eisen minder zwaar, zij dienen minimaal te worden ontsloten door twee hoogwaardige raillijnen en een substantiële ontwikkeling van kantoren en voorzieningen te kunnen herbergen. Voor enkele locaties kunnen de ontwikkelingspotenties eerst worden benut wanneer ter plaatse hoogwaardige openbaar vervoervoorzieningen zijn gerealiseerd. Dat geldt onder meer voor Leidschenveen (centrum), Pijnacker-Zuid, Hoornwijck, Nieuwe Veen (Nootdorp) en Ypenburg (bij station). Gelet op de uitvoeringsplanning van deze voorzieningen is het planaanbod op deze locaties (met uitzondering van Hoornwijck) in de tijd naar achteren geschoven. De eerdere opgave van de plancapaciteit in Leidschenveen, 120.000 m2, is vanwege de recente planontwikkeling op 85.000 m2 gesteld.

4.4.3 Bedrijventerreinen
De uitbreidingsbehoefte aan bedrijventerrein betreft ruim 12.500 werkers tot 2010 en circa 7.500 daarna tot 2020, zie bijlage B, resulterend in een behoefte van 440 ha tot 2010 en ruim 250 ha voor de periode daarna tot 2020. Per 1 januari 2000 beschikt Haaglanden over een voorraad uitgeefbaar terrein van 62 ha. Dit is minder dan 50% van de gewenste (ijzeren) voorraad van vier maal de jaaruitgifte. Wordt het gehele geplande aanbod tot 2005 (zie bijlage B, tabel 2) daadwerkelijk gerealiseerd en ook de tot taak gestelde uitgifte tot dat jaar gehaald, dan groeit de voorraad tot 110 ha. Gelet op de actuele vraag is versnelling van de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de komende jaren gewenst. Zonder dat loopt bij het geraamde nieuwe aanbod na

78 / 79
2005 en een uitgifte volgens programma de voorraad in 2010 terug tot 18 ha, ver beneden het dan gewenste voorraadniveau. De planning en profilering van de bedrijventerreinen vindt plaats aan de hand van: s het streven naar een taakstellende voorraad uitgeefbaar terrein per segment; s de aanwezigheid van of het vooruitzicht op weg- en openbaarvervoerontsluiting; s een inspanningsverplichting om bedrijven waar laaggeschoolden werk kunnen vinden ruimte te bieden; s de inzet om voldoende opvangmogelijkheid voor milieuhinderlijke bedrijvigheid te bieden, zie hierna; s de mate waarin de terreinen elkaar met betrekking tot duurzaamheid ondersteunen, c.q. aanvullen. s het merendeel van de bedrijventerreinen zijn specifieke werkmilieus; de locaties met een knooppuntstatus zijn in het overzicht in paragraaf 4.4.2 mede opgenomen.
Milieuhinderlijke bedrijven

De ruimte voor milieuhinderlijke bedrijven (categorie 4 en 5 bedrijven overeenkomstig de VNG-indeling en/of vallend onder artikel 41 van de Wet geluidhinder) is in Haaglanden beperkt. Voor categorie 5 bedrijven is nauwelijks ruimte aanwezig. Van de behoefte tot 2005 is alleen vijf ha op Hoefweg-noord Bleiswijk/Zoetermeer nog niet ingevuld. Het bestemmingsplan voor dit nieuwe terrein biedt mogelijkheden voor categorie 4 bedrijven. Categorie 5 bedrijven zijn via vrijstelling mogelijk. De ontwikkeling van het terrein zal naar verwachting vanaf 2002 plaatsvinden. Voor de periode tot 2010 wordt met de vaststelling van de Rapportage Milieuhinderlijke bedrijvigheid in de regio Haaglanden en de strategienotitie milieuhinderlijke bedrijvigheid in 2000 nog tien ha terrein gereserveerd voor met name categorie 5 bedrijven. Deze tien ha zal vooral moeten worden gevonden op de te ontwikkelen bedrijventerreinen de Driehoek in Nootdorp en Honderdland in Naaldwijk. Aan elk van deze locaties kleven echter specifieke beperkingen. Ook de mogelijkheden van hervestiging op te herstructureren terreinen moeten, indien aanwezig, worden benut. Om de beperkte ruimte in Haaglanden optimaal te benutten zal zoveel mogelijk met behulp van milieutechnisch en stedebouwkundig maatwerk vestiging van milieuhinderlijke bedrijven worden gerealiseerd. Specifieke aandacht zal uitgaan naar watergebonden bedrijven in deze categorie. Via monitoring wordt de behoefte aan en de uitgifte van terrein voor milieuhinderlijke bedrijven gevolgd. Op basis van deze gegevens kan zonodig bijstelling van de ruimtebehoefte plaatsvinden. Uitgangspunt is dat de (her)vestiging van milieuhinderlijke bedrijven binnen de regio geschiedt, op basis van wederzijdse binding van het bedrijf en de regio.

4.4.4 Detailhandelvoorzieningen
In de vastgestelde Structuurvisie Detailhandel is een programma opgenomen waarin de plancapaciteit tot 2010 voor de onderscheiden locaties is aangegeven. Op basis daarvan, tezamen met mutaties in de bestaande voorraad, is een wensbeeld/ uitvoeringsprogramma opgesteld dat in tabel C van bijlage B wordt weergegeven.

4.5 Infrastructuur
Het verkeers- en vervoerbeleid op nationaal niveau is verwoord in het Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer (SVV-2). De nieuwe versie, het Nationaal Verkeers- en Vervoerplan (NVVP) wordt in 2001 vastgesteld. Via het voortschrijdend Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) zijn de investeringen voor de komende vijf jaren aangegeven. Het betreft zowel de uitgaven voor aanleg en verbetering van de nationale infrastructuur (spoorwegen, rijkswegen, enz.) als bijdragen van het Rijk aan regionale en lokale infrastructuur. Op stadsgewestelijk niveau is het beleid weergegeven in het Tweede Regionaal Verkeers- en Vervoerplan (RVVP-2) van 1996; dit heeft het jaar 2010 als planhorizon. Na het verschijnen van het NVVP (en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening) zal een RVVP-3 worden opgesteld. Als uitwerking van het RVVP is een meerjaren-uitvoeringsprogramma

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Uitvoeringsprogramma

opgesteld, waarin zijn opgenomen de aanleg en verbetering van regionale en lokale infrastructuur, welke voor stadsgewestelijke subsidie in aanmerking komt. Om de realisering van voor de regio met name genoemde belangrijke projecten mogelijk te maken en de financiering daarvan veilig te stellen, is door het stadsgewest Haaglanden in 1999 het Mobiliteitsfonds ingesteld. Dit fonds wordt gevoed uit een deel van de door het stadsgewest te ontvangen rijkssubsidie (gebundelde doeluitkering: GDU) en bijdragen van de stadsgewestgemeenten (vast bedrag per inwoner). Het overblijvende deel van de GDU-gelden wordt benut voor subsidiëring van daarvoor in aanmerking komende overige verkeers- en vervoerprojecten binnen de regio. In het kader van het BOR zijn extra financiële middelen beschikbaar gesteld door het rijk, het stadsgewest Haaglanden en de provincie. Voor een deel zijn deze opgenomen in een daarvoor ingesteld regionaal BOR-fonds.

4.5.1 Openbaar vervoer
Zoals vermeld in paragraaf 3.3 wordt veel belang gehecht aan de totstandkoming op korte termijn van volledige viersporigheid op de zogenaamde ‘Oude Lijn’; met name de aanleg van de viersporige spoortunnel in Delft heeft een hoge prioriteit. Zodra aan de oostzijde van Zoetermeer, op de kruising van de HSL en de Goudselijn, ontwikkelingen gaan plaatsvinden (kruisstation, transferium, enz.) zal ook viersporigheid op het traject Den Haag-Gouda aan bod komen. Een en ander zal aan het eind van de planperiode zeker aan de orde zijn. Wat betreft de verdere uitvoeringsplannen is de situatie als volgt:

Randstadrail

Projectverantwoordelijke

< 2005
s s

2005-2010

>2010

Koppeling tunnel Grotemarktstraat met Hofpleinlijn/Zoetermeerlijn Tak naar Zoetermeer-Oosterheem Verlenging tak Oosterheemlijn tot A12 Traject Grotemarktstraat - Loosduinen/Uithof

stadsgewest Haaglanden stadsgewest Haaglanden stadsgewest Haaglanden stadsgewest Haaglanden

s s

s

In het kader van AggloNet worden op diverse plaatsen nieuwe tramtrajecten gerealiseerd. De belangrijkste zullen omstreeks 2005 gereed zijn. Het betreft met name: s de verbinding naar Ypenburg en Nootdorp via de Hoornbrug; s de route van Leidschendam via Leidschenveen naar Delft; s de route door Wateringse Veld in de richting van de Erasmusweg. In het stedelijk gebied worden de aansluitende trajecten waar mogelijk aangepast aan de eisen voor een soepele doorstroming. Na 2010 zal het wellicht mogelijk zijn op belangrijke delen van de verbinding Kijkduin-Delft-Zoetermeer een railverbinding te realiseren. Tot die tijd is een busvoorziening hier meer op zijn plaats. Het lijnennet dat op de beschikbare infrastructuur wordt geëxploiteerd wordt jaarlijks vastgesteld.

80 / 81
4.5.2 Autoverkeer
In eerste instantie wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk optimaliseren van het gebruik van het bestaande wegennet via benuttingsmaatregelen. Om de bereikbaarheid en leefbaarheid op een goed peil te houden of te brengen moet niettemin een flink aantal infrastructurele wegprojecten worden uitgevoerd. In het bijzonder gaat het hierbij om de verbetering van wegaansluitingen en de aanleg van ontbrekende schakels in het wegennet.

Megaprojecten

Projectverantwoordelijke

< 2005

2005-2010
s

> 2010

A4 - Midden-Delfland A12 - aansluiting Nootdorp A12 - aansluiting Bleiswijk A13 - aansluiting Ypenburg Trekvliettracé N470 N469 Verlengde Veilingroute - Westerlee - naar Hoek van Holland Randwegen Naaldwijk en ‘s-Gravenzande/Monster Zuidelijke verbindingsweg Rijswijk Ontsluitingsweg Ypenburg Randweg Nootdorp Verlengde Australiëweg Haagse Cityring

Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat BOY (Ypenburg) Den Haag/Voorburg/Rijswijk Provincie Provincie Provincie Gemeenten Haaglanden/Rijswijk/Delft BOY (Ypenburg) Nootdorp Zoetermeer Den Haag

s s s s

(2 x1) s
s s s s s s s s

(2 x2) s

4.5.3 Langzaam verkeer
Het stadsgewestelijke fietsroutenet zal geheel vóór 2010 zijn gerealiseerd. Bij stations dienen goede fietsvoorzieningen te worden aangelegd, onder andere ter bevordering van ketenmobiliteit.

4.6 Glastuinbouw
Het centrale deel van de glastuinbouw binnen Haaglanden wordt gevormd door het Westlandse glastuinbouwgebied. Voorts is er glastuinbouwvestiging in de gemeenten Pijnacker en Nootdorp (Noukoop) en is er nog een aantal wat meer verspreid liggende locaties in de gemeenten Den Haag, Rijswijk, Nootdorp en Leidschendam. In verband met de in het begin van de jaren negentig optredende terugslag in de glastuinbouw in Nederland is gekozen voor een grootschalige aanpak van de problematiek, omdat alleen langs die weg gekomen kan worden tot een vitale en duurzame glastuinbouw. Op het punt van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling zijn integrale ontwikkelingsplannen opgesteld, waarin wordt aangegeven welke deelgebieden voor herstructurering of functieverandering in aanmerking komen of beschikbaar zijn voor nieuwvestiging. Voor Haaglanden zijn van belang: het Integraal Ontwikkelingsplan Westland en het Integraal Ontwikkelingsplan Glastuinbouw Midden Zuid-Holland. Deze plannen hebben 2010 als planhorizon. De in de plannen voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen zijn in globale zin in het RSP neergelegd. Momenteel zijn de projecten herstructurering glastuinbouw nog gelijkmatig over de tijd verspreid, aangezien er nog geen besluitvorming over de fasering heeft plaatsgevonden. Een nadere uitwerking voor de glastuinbouw in het Westland vormt een integraal onderdeel van het IOPW. De fasering en financiering zal daar onderdeel van uitmaken. Voor wat betreft het ‘Oostland’ zal in het Dwarskadegebied de herstructurering beperkt worden tot de directe omgeving van een ontsluitingsweg voor Ypenburg. Deze herstructurering zal in 2001 starten. In verband met de ontwikkeling van de VINEX-wijk Ypenburg zal verplaatsing van de glastuinbouw rond

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Uitvoeringsprogramma

de Veenweg naar het gebied ten zuiden van de A12 (Noukoop) tot uiterlijk 2003 plaatsvinden. Noukoop biedt echter onvoldoende mogelijkheden om in de verplaatsingsbehoefte te voorzien. Door de VINEX-locaties en de Groenblauwe Slinger is de verplaatsingsbehoefte in Pijnacker groot. Binnen de gemeente Pijnacker is er bijna geen ruimte meer om in de verplaatsingsbehoefte te voorzien. Er zijn alleen nog enkele open plekken in bestaande duurzame glastuinbouwgebieden ten oosten en westen van de kern Pijnacker die nader ingevuld kunnen worden met glastuinbouw. Herstructurering in deze gebieden is gewenst, zowel ten behoeve van de glastuinbouw als ten behoeve van de ontwikkeling van groene aders door de gebieden. De overige glastuinbouwgebieden in Pijnacker en Leidschendam worden gehandhaafd. Hier vindt geen herstructurering plaats. De snelheid van de beoogde functieverandering van bestaand Haaglands glastuinbouwgebied is afhankelijk van het vestigingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Haaglandse beleid zal conform de Intentieverklaring Westlandse Zoom aansturen op de door de provincie Zuid-Holland ingezette beleidslijn om het huidige areaal glas in Zuid-Holland in huidige omvang te handhaven voor de langere termijn. Dit heeft tot consequentie dat de provincie in geval van functieverandering van bestaande glastuinbouwgebieden actief meewerkt aan het vinden van alternatieve locaties op Zuid-Hollands grondgebied voor de te hervestigen tuinders.

4.7 Groenontwikkeling
De groenontwikkelingsopgave van het stadsgewest bestaat uit lokale projecten met een regionaal belang, regionale projecten (b.v. de Schakels) en provinciale projecten (b.v. de Groenblauwe Slinger). Onderstaande tabel geeft een overzicht van deze projecten voor de periode tot 2020. De financiële en procedurele rol van het stadsgewest bij individuele projecten zal nader worden vormgegeven mede aan de hand van de ontwikkeling van een regionaal groenfonds. Hierbij kan het Vlietranden - Nieuwe Waterweg project als pilot gaan dienen. Ten behoeve van een voorspoedige realisatie van de groenambities is een tijdige vertaling van het groene casco in gemeentelijke bestemmingsplannen gewenst.

82 / 83
4.7.1 Projecten

Project

Verantwoordelijke (1)

Planning 2010
s

Planning 2020

Overig projectkader

GBS Midden-Delfland GBS Oude Leede GBS Groenzone Berkel-Pijnacker GBS Balij GBS Wijk en Wouden GBS Driemanspolder GGA Den Haag Katwijk Kustzone Groenblauwe aders IOPW Landinrichting Leidschendam Schakel Vlietrand - Nieuwe Waterweg (3) Schakel Bieslandse Bos - Zuidpolder Delfgauw Schakel Kust - Midden-Delfland Schakel Midden-Delfland - Nieuwe Waterweg Schakel Groenzone - Rottewig Schakel Oude Leede - Rottewig Schakel Duivenvoorde Corridor

PZH (2) PZH PZH PZH PZH PZH PZH PZH IOPW (2) PZH SGH (2) SGH SGH SGH/SRR SRR (2) SRR

s s s s s s

?
s s s s

Recreatie 2000 + IOPW Midden-Delfland Landinrichting Randstadgroenstructuur Randstadgroenstructuur Eco-/Groene aders Streekplan PZH Landinrichting Leidschendam Strategisch Groenproject landgoederenzone Haaglanden IOPW/Westhoek van Zuid-Holland IOPW Groene Schakels Haaglanden Randstadgroenstructuur IOPW (deeltraject) Randstadgroenstructuur/ Convenant Westlandse Zoom/IOPW IOPW GBS Oude Leede (Intermediaire zone) RPRotterdam 2010 Landinrichting Leidschendam GGA Den Haag Katwijk

s s s

s s s s

Schakel Stad-land verbindingen Landgoederenzone Rijswijk Erasmus-/Laakzone Den Haag bevaarbaar Haagse Beek Haagse Bos Groenzone Voorburg Eco-/Groene aders (Streekplan PZH)

Gem. Leidschendam Gem. Wassenaar Gem. Voorschoten SGH Gem. Rijswijk Gem. Den Haag Gem. Den Haag Gem. Den Haag Gem. Den Haag Gem. Voorburg Gem. Den Haag Div. gemeenten

s

s s s s

s

s s

?
s s

? ? ?

(1) Betreft project- en afstemmingsverantwoordelijkheid; de uitvoeringsverantwoordelijkheid ligt veelal bij gemeenten en het IOPW (2) PZH: Prov. Zuid-Holland, IOPW: Integraal OntwikkelingsPlan Westland, SGH: stadsgewest Haaglanden, SRR: Stadsregio Rotterdam (3) Pilotproject groenontwikkeling

4.7.2 Beschikbare middelen
Groenfonds

Naast de inzet van de hierna genoemde rijksmiddelen wordt de mogelijkheid van een regionaal groenfonds verkend. Een fonds biedt onder meer de mogelijkheid om de toekenning en besteding van (rijks)middelen te coördineren. Omdat niet alle onderdelen bij bestaande financiële kaders kunnen worden ondergebracht en de rijksbijdrage niet altijd honderd procent is, kan de uitvoering en ook de samenhang van het netwerk onder druk komen te staan. Een fonds kan aanvullend op andere financieringsregelingen zijn en mogelijk worden ingezet waar voorfinanciering nodig is. Nadere verkenning naar de financiële en projectmatige opbouw en inzet van een regionaal groenfonds is nog noodzakelijk.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Uitvoeringsprogramma

Afspraken

Voor de periode tot 2004 is het ‘Strategisch Groenproject Landgoederenzone Haaglanden’ maatgevend voor de hoeveelheid hectares groenontwikkeling die gerealiseerd kan worden. Voor de periode 2005-2010 worden afspraken gemaakt in het kader van de Actualisering PKB-VINEX. Het rijk zal conform de aanpak van strategische groenprojecten en volgens de geldende normbedragen tussen 2004 en 2010 middelen beschikbaar stellen voor de financiering van 790 ha vlakgroen en een bijdrage leveren van 50 % aan de financiering van 99 ha groene verbindingen. Het merendeel van de beschikbare middelen zal worden aangewend in het kader van de Groenblauwe Slinger en de Gebiedsgerichte Aanpak Den Haag - Katwijk. In het ontwikkelingsperspectief van de Groenblauwe Slinger, ‘Stad en land in balans’, is 100 km verbindingen opgenomen. Daarvan is 40 tot 60 km concreet ingevuld. Het stadsgewest Haaglanden heeft in een reactie op het ontwikkelingsperspectief ruimte gevraagd voor de invulling van de overige kilometers. Ten behoeve van de Groene Hart-impuls stelt het rijk voor de periode 1998 t/m 2010 30 miljoen gulden per jaar ter beschikking. De wijze waarop en waaraan dit bedrag besteed kan worden is nog niet duidelijk. Het platform ‘Groene hart’ zal worden gevraagd voorstellen te doen voor de besteding van dit geld. Deze subsidiepot is mogelijk interessant voor het oplossen van knelpunten en/of barrières in de verbinding tussen het Groene Hart en de Balij/Groenblauwe Slinger en tussen het Groene Hart en de kust/landgoederenzone.
Stimuleringskader relatie stad - land

Het stimuleringskader betreft een regeling van het ministerie van LNV in het kader ‘vernieuwing landelijk gebied’ en biedt subsidiemogelijkheden voor (innovatieve) voorstellen ten aanzien van stad - land aspecten. In het kader van het grotestedenbeleid stelt het ministerie van LNV middelen beschikbaar voor groen in en om de stad. De middelen worden op basis van projecten beschikbaar gesteld en zijn mede afhankelijk van de toekenning van ICES 3 gelden aan het GIOS-project (Groen in en om de stad). Voor het stadsgewest zijn de Groene Schakels Haaglanden en verder alleen projecten van Den Haag aangemeld. Bezien wordt in hoeverre het ministerie van LNV bereid is hiervoor middelen ter beschikking te stellen.

4.8 Financiële aspecten
In de voorgaande paragrafen van het uitvoeringsprogramma staat, voor zover bekend, de financiële dekking van de planonderdelen aangegeven. Voor de korte termijn, tot 2005, zijn de plannen financieel haalbaar door onder meer het VINEXuitvoeringsconvenant, het Grondkostenfonds, Beleid voor stadsvernieuwing in de toekomst (BELSTATO) en de bijdrage van het ministerie V&W uit het MIT. Voor dit laatste resteert nog de eigen bijdrage van vijf procent voor de grote openbaar vervoerprojecten en de onzekerheid van tijdige financiering. De groenprojecten zijn nog onvoldoende verzekerd van financiering. Naast de volgende regionale dekkingsmiddelen beschikken gemeenten ook over middelen, zoals in het kader van het ISV/GSB en de verschillende planexploitaties.

4.8.1 VINAC-periode: 2005-2010
Voor de periode 2005-2010 zijn, zoals bekend, afspraken met het rijk in voorbereiding. Het financiële beeld voor die periode ziet er in grote lijnen als volgt uit: s Woningbouw: 50% BLS-bijdrage van het rijk. s Bodemsanering: normbijdrage per woning. s Bedrijventerreinen: bijdragen voor herstructurering en (duurzame) ontwikkeling op basis van regionaal/provinciaal programma; apart budget voor stadseconomie gekoppeld aan Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). s Groenvoorzieningen: normbijdrage per oppervlakte-eenheid. s Openbaar vervoer (zuidtangent): studieproject.

84 / 85
s

s

s

Weginfrastructuur (Westland, Zuidelijke randweg): nog geen financiering geregeld. Strategische interventies: opname in Actualisering PKB-VINEX (voor Hoog Hagebetrokkenheid Rijk aangeboden). Herstructurering verouderde woonwijken: BELSTATO en herstructureringsgelden in het kader van de rijksnota ‘Stedelijke vernieuwing’ (ter bevordering van bijdragen gemeenten en corporaties).

In het vervolg van de verstedelijkingsafspraken 2005-2010 (in het kader van de Actualisering PKB-VINEX) zal de financieringsbehoefte verder worden onderzocht en wel via twee lijnen: via harde toezeggingen van het rijk en via regionale en gemeentelijke bijdragen. Deze paragraaf zal hierop alsnog worden geactualiseerd.

4.8.2 Financiering IOPW
Voor de realisatie van ‘Het Nieuwe Westland IOPW’ in de periode 2000-2010 wordt onderscheid gemaakt tussen plannen die binnen en plannen die buiten de bestaande reguliere financieringsstromen worden gerealiseerd. Zo worden de plannen voor de regionale verkeersmaatregelen onder andere in het kader van het MIT en het Mobiliteitsfonds gefinancierd en moeten de plannen voor de verbetering van de infrastructuur in glastuinbouwgebieden gefinancierd worden op basis van bijdragen van LNV en de gemeenten. Voor de financiering van de overige projecten wordt op basis van de volgende uitgangspunten een financieringsstructuur uitgewerkt: s het instellen van een financieringsfonds voor onder andere de verevening van de exploitatieresultaten van de projecten; s met provincie en rijk vindt overleg plaats over het inzetten van het landinrichtingsinstrumentarium, met bijbehorende financiering; s met provincie en rijk vindt overleg plaats over aanvullende financiering voor regionaal en bovenregionaal groen, toeristische voorzieningen, bedrijventerreinen, sanering waterbodems, verbeteren van de waterstructuur en ontwikkeling bedrijventerreinen; s eigen bijdragen van de direct betrokken partijen; s integrale optimalisatie door gezamenlijke, centrale programmering en fasering (beperken risico’s, fiscale voordelen, beperken renteverliezen, e.d.); s het realiseren van extra kostendragers (onder andere ‘wonen in het groen’).

4.8.3 Harnaschpolder e.o.
Voor het plangebied Harnaschpolder (zie paragraaf 3.3) is een afzonderlijk integrale grondexploitatie van toepassing, uitgaande van verevening tussen de onderdelen van het plangebied en een bijdrage aan de groenontwikkeling in de directe omgeving (Midden-Delfland). De gemeenten Schipluiden, Delft en Den Haag zijn daarvoor in 2001 een overeenkomst aangegaan.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

86

Concrete beleidsbeslissingen en

uitwerkingsbevoegdheden

5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk zijn de concrete beleidsbeslissingen en uitwerkingsbevoegdheden samenvattend opgenomen. De selectie van concrete beleidsbeslissingen vloeit voort uit de essentiële wijzigingen die het RSP op het vigerende streekplan Zuid-Holland West aanbrengt. Voor de omschrijving van deze beslispunten wordt verwezen naar de hoofdstukken 2, 3 en 4 van de planbeschrijving en naar de plankaart. In hoofdstuk 1 en bijlage C is de status van de verschillende soorten beslissingen aangegeven.

5.2 Concrete beleidsbeslissingen
kernpunt

In het RSP is slechts een beperkt aantal elementen aan te merken als concrete beleidsbeslissing. Een van de achtergronden hiervoor is, dat in het vigerende streekplan Zuid-Holland West reeds een aantal concrete beleidsbeslissingen is opgenomen, zoals de bebouwingscontour van Stompwijk, de Harnaschpolder en het VINEX-programma voor de Haagse regio. De in dit RSP als concrete beleidsbeslissing aan te merken elementen zijn aangegeven op de plankaart en zijn: s De bebouwingscontour van de kernen Maasland en Schipluiden. s De duurzame, dat wil zeggen in ieder geval te handhaven, glastuinbouwgebieden in het Westland en in Pijnacker-Nootdorp.

5.3 Uitwerkingsbevoegdheden
Voor onderstaande gebieden is het dagelijks bestuur bevoegd om, met in achtneming van de in hoofdstuk 1 genoemde procedure, te komen tot nadere uitwerking van het RSP. De gebieden staan aangegeven op de plankaart. De op de plankaart aangegeven functies zijn vooralsnog de basis voor de uitwerking maar ook de hierna per uitwerkingsgebied te noemen functies zijn in deze gebieden mogelijk.
U.1 De A12/Vlietzone

Deze zone komt in aanmerking voor een of meer van de volgende functies: s verkeersdoeleinden (fiets, voetganger, OV, gemotoriseerd); s kantoorlocaties binnen het bereik van de nieuwe openbaar vervoersknooppunten en NS-station Ypenburg/Leidschenveen; s bedrijven; s grootschalige voorzieningen; s water en waterberging; s sport, recreatie en groenvoorzieningen; s attractieparken; s wonen; s detailhandel; s NS voorzieningen. Nog in 2003 zal een uitwerkingsplan voor het gehele gebied of een deel daarvan worden vastgesteld door het dagelijks bestuur van het stadsgewest Haaglanden.

88 / 89
U.2 Westlandse Zoom

Op de Westlandse Zoom is het te sluiten convenant Westlandse Zoom van toepassing (zie paragraaf 3.2.6). Deze uitwerkingsbevoegdheid is bedoeld om de relevante resultaten van het te sluiten convenant in het RSP te verwerken. Deze zone komt in aanmerking voor nadere uitwerking van de volgende functies: s sport-, recreatie- en groenvoorzieningen; s kantoren, bedrijven en detailhandel; s recreatiewoningen en camping; s bijzondere doeleinden; s wonen; s wonen in groene woonmilieus circa tien woningen per ha; s natuurdoeleinden; s waterwinning; s zeewering; s water en calamiteitenberging; s verkeersdoeleinden (fiets, voetgangers, OV en gemotoriseerd); s detailhandel; s glastuinbouw. Nog in 2002 zal een uitwerkingsplan voor het gehele gebied of een deel daarvan worden vastgesteld door het dagelijks bestuur van het stadsgewest Haaglanden.
U.3 Woudse polder en Hoekpolder

De waterbergingscapaciteit voor calamiteiten, die voorzien is in de Woudse polder en de Hoekpolder, dient te worden ingepast in een planologisch kader. In de Woudse polder komen de volgende functies in aanmerking voor nadere uitwerking: s agrarisch; s natuurdoeleinden; s water en calamiteitenbergingen; s recreatie- en groenvoorzieningen; s verkeersdoeleinden (fiets, voetgangers, OV en gemotoriseerd); s wonen; s glastuinbouw. In de Hoekpolder komen de volgende functies in aanmerking voor nadere uitwerking: s recreatie- en groenvoorzieningen; s natuurdoeleinden; s verkeersdoeleinden (fiets, voetgangers, OV en gemotoriseerd); s water en calamiteitenbergingen; s bijzondere doeleinden.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Bijlage A: Verklaring bij de legenda van de bijgevoegde plankaart
Bij het plan behoort een kaart schaal 1: 50.000. De plankaart illustreert het besluit van het stadsgewest over het Regionaal Structuurplan Haaglanden.
Bestaand bedrijventerrein te herstructureren

Bestaand bedrijventerrein, waarvoor herstructureringsopgave aan de orde is.
Nieuw bedrijventerrein

Algemeen
Plangrens

De grens van het Regionaal Structuurplan Haaglanden en het stadsgewest Haaglanden.
Nader uit te werken gebied

Vanaf circa 1996 te ontwikkelen bedrijventerrein zoals voorzien in een bestaand of in voorbereiding zijnd plan en passend in het bedrijfsprofiel zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 4).
AWZI

Locatie voor een afvalwaterzuiveringsinstallatie.
AWZI reservelocatie

Gebied, waarvoor het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft om nader uit te werken. De uitwerkingsbevoegdheid beperkt zich tot in de tekst met name genoemde en op de plankaart aangegeven gebieden.

Reservelocatie voor mogelijke uitbreiding van een afvalwaterzuiveringsinstallatie.
Strategische interventies

Stads- en Dorpsgebied
Bestaand stads- en dorpsgebied

Bestaand of in aanleg zijnde (ca 1996) aaneengesloten bebouwd gebied, waarin voornamelijk woningbouw voorkomt; tevens ook zones met veel verspreide bebouwing (zoals bebouwingslinten en villaparken). De aanwezige potenties voor verdichting, vernieuwing en herstructurering dienen zoveel mogelijk te worden benut, onder handhaving van karakter- en structuurbepalende niet-bebouwde ruimten en met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Landgoed wonen

Aanduidingen van de grote binnenstedelijke majeure strategische interventieprojecten Hoog Hage in Den Haag, Vlietzone/A12 zone, Spoorzone Delft en TU/TNO-gebied in Delft. Alhoewel het gehele Westland wordt beschouwd in het kader van het IOPW als strategisch interventiegebied kan vanwege de grootte van dit gebied slechts een klein deel indicatief aangeduid worden.
Stadscentrum/nevencentrum detailhandel

Indicatie van de ligging van de belangrijkste stads- en nevencentra in het stadsgewest Haaglanden.
Locatie voor grootschalige detailhandel

Te handhaven bestaand luxe woonmilieu in lage dichtheid in groen/recreatiegebieden, nabij natuurgebieden of op landgoederen en buitenplaatsen met mogelijk agrarisch en/of recreatief medegebruik.
Nieuw stads- en dorpsgebied

Laakhaven Megastores in Den Haag.
Locatie voor perifere detailhandel

Locaties in Zoetermeer, Delft en Naaldwijk.
Bebouwingscontour

Uitbreiding van bestaand aaneengesloten bebouwd gebied voornamelijk ten behoeve van woningbouw en bijpassende functies vanaf circa 1996 te realiseren.
Nieuw groen woonmilieu (ca tien woningen per ha)

Begrenzing van de ruimte voor de kernen Maasland, Schipluiden en Stompwijk in een rijksbufferzone waarbinnen verstedelijking maximaal mag plaatsvinden.

Luxe groene woonmilieus (met een dichtheid van ca tien won/ha) in de Westlandse Zoom, in het bijzonder bedoeld voor en gericht op een hoog (internationaal) marktsegment met als hoofdfunctie wonen in groen, waarbij eventueel agrarisch en/of recreatief medegebruik mogelijk is.
Bestaand bedrijventerrein

Landelijk Gebied
Duurzaam glastuinbouwgebied

Bestaand, te reconstrueren en nieuw te ontwikkelen aaneengesloten glastuinbouwgebied van langdurige aard, met inbegrip van daaraan gelieerde bestaande en nieuwe woonen bedrijfsgebouwen, voor ontsluitingswegen en waterlopen.
Overig glastuinbouwgebied

Bestaand of in aanleg zijnde (ca 1996) aaneengesloten bedrijventerrein, waaronder ook begrepen: veilingen, technologische centra en dergelijke, alsmede nutsvoorzieningen en/of nutsbedrijven, afvalwaterzuiveringsinstallaties van enige omvang en afzonderlijk gelegen belangrijke militaire complexen.

Bestaande glastuinbouwgebieden, waarvan de bestemming binnen of na de planperiode kan komen te vervallen ten behoeve van verstedelijking (rond de kernen) of groen (in de bufferzones).

92 / 93

Agrarisch gebied

Groenblauwe ader door het Westland

Gebied met als hoofdfunctie landbouw, voornamelijk veehouderij; ook kunnen verspreide natuur- en landschapswaarden voorkomen.
Natuurgebied en landgoederen

Natuurgebied, landgoed of buitenplaats met hoofdfunctie natuur- en landschapsbehoud met mogelijk agrarisch en/of recreatief medegebruik.
Bestaand recreatiegebied

Na te streven ontwikkeling van bestaande waterlopen met aanliggende gronden tot een recreatief element met doorgaand karakter. Op bescheiden schaal is in dit groen passende agrarische woonbebouwing aanvaardbaar. Tevens kunnen watergangen hier verbreed worden en ecologische oevers aangebracht.
Recreatieve route door Midden-Delfland

Na te streven of te verbeteren recreatieve verbinding, in aansluiting op het bestaande net.
Groene schakel indicatief

Bestaand of in uitvoering zijnde binnen- of buitenstedelijk aaneengesloten gebied ten behoeve van dag- en/of verblijfsrecreatie.
Nieuw recreatiegebied/groen

Binnen de planperiode nieuw te ontwikkelen openluchtrecreatiegebied voor zover voorzien in bestaande en in voorbereiding zijnde plannen mede gericht op natuur-en landschapsbouw.
Kustzone Westland

Aanduiding van buiten de structuurplanperiode in stand te houden, uit te bouwen of nieuw te ontwikkelen belangrijke recreatieve routes, landschappelijke verbindingszones en/of ecologische verbindingen.

Verbindingen
NS-lijnen

Gebied waarbinnen de toekomstige ontwikkeling gericht dient te zijn op integrale (her)inrichting ten behoeve van recreatie(woningen), nieuw groen woon woonmilieu, natuuren landschapsbouw, met in achtneming van de eisen van de zeewering.
Zeewaartse kustversterking

Bestaand of binnen de planperiode te verbreden hoofdtransportas of spoorlijn welke onderdeel uitmaakt van het nationale en internationale spoorwegnet. Medegebruik door regionaal openbaar vervoer is op onderdelen in principe mogelijk.
HSL

In het kader van toekomstige maatregelen voor versterking van de zeewering indicatief aangegeven gebied waar maatregelen kunnen plaats gaan vinden voor de zeewaartse versterking van de zeewering.
Cascoplan groenzone Pijnacker

Tracé van de binnen de planperiode aan te leggen hogesnelheidslijn Zuid.
(Tram)rail

Gebied waarbinnen gestreefd wordt naar een groene (recreatieve en ecologische) zone, het een en ander nog nader uit te werken binnen de kaders van het Cascoplan.
Groene Schakel

Een bestaande of in de planperiode te verbeteren of te realiseren railverbinding op agglomeratieniveau. Een tram of ander railmateriaal kan hier rijden.
RR-rail

Aanduiding van binnen de structuurplanperiode in stand te houden, uit te bouwen of nieuw te ontwikkelen belangrijke recreatieve routes, landschappelijke verbindingszones en/of ecologische verbindingszones.
Natuurgebied, duin

Binnen de structuurplanperiode in het kader van Randstadrail om te bouwen of nieuw te realiseren raillijn met een overwegend regionale functie.
Reservering rail richting Rijn-Gouwelijn

Een mogelijk te realiseren nieuwe rail, waarvan de haalbaarheid en/of het tracé nog onderwerp van studie is, maar reservering binnen de planperiode gewenst blijft.
Zuidtangent (voorlopig tracé)

Aaneengesloten duingebied met natuurbehoud als hoofdfunctie. Waar inpasbaar, recreatief medegebruik geënt op de natuur- en landschapswaarden als nevenfunctie. Op enkele plaatsen komen militaire of communicatiefuncties voor.

Een mogelijk deels binnen de planperiode te realiseren Openbaar Vervoer-verbinding, waarvan de haalbaarheid van een railverbinding en/of het tracé nog onderwerp van studie is, maar reservering binnen de planperiode gewenst blijft.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Bestaand station nationale railverbindingen

Water

Bestaand of te vernieuwen station, dan wel halte aan een nationale raillijn. Hierbij is Den Haag Centraal aangewezen als eindhalte van de HSL Zuid en HSL Oost.
Nieuw station nationale railverbindingen

Het zeegebied met havens, alsmede de belangrijkste aanwezige of te realiseren oppervlaktewateren in het algemeen belang voor de waterhuishouding en met vaak een functie voor de recreatie en/of scheepvaart; aanwezige natuurwaarden dienen veiliggesteld te worden.
Bestaande calamiteitenberging

Indicatieve aanduiding van een tijdens de planperiode open te stellen station aan een nationale raillijn dan wel halte voor een shuttle op de HSL-lijn.
Bestaand station regionale railverbindingen

Bestaande locatie voor het bergen van water in tijden van noodsituaties bij wateroverlast.
Nieuwe calamiteiten- en seizoensberginglocatie

Bestaand, te vernieuwen of om te bouwen station, dan wel halte aan RandstadRail.
Nieuw station regionale railverbindingen

Indicatieve aanduiding van een tijdens de planperiode open te stellen station dan wel halte aan RandstadRail of Zuidtangent.

Als kernpunt aangewezen zoekgebied voor de nadere uitwerking onder voorwaarden van een waterbergingslocatie die voldoende water kan bergen in tijden van noodsituaties bij wateroverlast en voor de berging van water voor tijden van watertekorten.
Studiegebied nieuwe seizoensbergingslocatie

Wegen
Rijksweg

Bestaande of binnen de planperiode te verbreden weg, die functioneert als achterlandverbinding, hoofdtransportas of als onderdeel van het nationale hoofdwegennet.
Rijksweg indicatief geprojecteerd

Als kernpunt aangewezen studiegebied voor nader onderzoek naar de noodzaak en mogelijke inpassing van een nader uit te werken seizoensbergingslocatie voor de berging van water voor tijden van watertekorten.
Zoekgebied nieuwe calamiteitenberging

Binnen de planperiode nieuw aan te leggen weg, die functioneert als achterlandverbinding, hoofdtransportas of als onderdeel van het nationale hoofdwegennet, waarvan het tracé indicatief is aangegeven.
Regionale weg

Als kernpunt aangewezen zoekgebied voor een op korte termijn noodzakelijke nadere uitwerking onder voorwaarden van een waterbergingslocatie die voldoende water kan bergen in tijden van noodsituaties bij wateroverlast.
Zoekgebied nieuwe calamiteitenberging op termijn

Bestaande weg of binnen de planperiode te verbreden wegverbinding met een overwegend regionale verkeersfunctie. Wie de beheerder van deze wegen is, is hierbij niet aan de orde.
Regionale weg in uitvoering

Als kernpunt aangewezen zoekgebied voor een op langere termijn noodzakelijke nadere uitwerking onder voorwaarden van een waterbergingslocatie die voldoende water kan bergen in tijden van noodsituaties bij wateroverlast.
Studiegebied calamiteitenberging nabij Schie en Vliet

Wegverbinding die reeds in aanbouw is en gereedkomt binnen de planperiode en een onderdeel gaat vormen van het wegennet met een overwegend regionale verkeersfunctie. Wie de beheerder van deze wegen is, is hierbij niet aan de orde.
Regionale weg geprojecteerd

Als kernpunt aangewezen studiegebied voor nader onderzoek naar de noodzaak en mogelijke inpassing van een nader uit te werken calamiteitenberging die voldoende water kan bergen in tijden van noodsituaties bij wateroverlast.
Aandachtsgebied (grond)waterbeheer

Binnen de planperiode nieuw aan te leggen onderdeel van het wegennet met een overwegend regionale functie, waarvan het tracé in hoofdlijnen bekend is. Wie de beheerder van deze wegen is, is hierbij niet aan de orde.
Regionale weg indicatief geprojecteerd

Als kernpunt aangewezen gebied waar een opgave speelt voor de verschillende betrokkenen en verantwoordelijken voor een integrale aanpak met betrekking tot grondwater, drainage, ontwatering en afwatering.

Binnen de planperiode nieuw aan te leggen onderdeel van het wegennet met een overwegend regionale functie, waarvan het tracé indicatief is aangegeven. Wie de beheerder van deze wegen is, is hierbij niet aan de orde.

94 / 95 Bijlage B: Tabellen
Tabel 1: Kantorenlocaties Haaglanden
[1.000 m2 b.v.o.]

Gemeente

Vestigingsmilieu

Knoop 2005 voorraad

per 1-1-2001 aanbod in ontw. plannen

Delft
Station C./Spoorzone Station Zuid Delftse Poort West Brassersplein Tanthof West Overige locaties Delft Totaal klassiek mod.gediff. functioneel functioneel functioneel functioneel R R 20,0 43,4 40,0 11,0 13,0 174,7 302,1 0,0 0,0 1,0 0,0 6,5 31,3 38,8 81,5 37,5 10,0 2,7 12,0 143,7

13,0 13,0

Den Haag
Nieuw Centrum Hoog Hage/CS Utrechtsebaan Beatrixkwartier Binnenstad Archipelbuurt Congresgebouw Laakhaven/HS Schenk, Laan van NOI Schenk, Mariahoeve Binckhorst Zuid-Oost Binckhorst Carrefour Binckhorst Overig Forepark Leidschenveen Centrum Ypenburg A12 Overige locaties Den Haag Totaal grootsted. grootsted. grootsted. grootsted. grootsted. klassiek mod.groot mod.groot mod.groot mod.groot mod.groot mod.groot mod.groot functioneel mod.gediff. mod.gediff. klassiek functioneel I I I I I 344,0 92,7 138,7 312,7 1,178,8 215,0 257,7 40,4 73,9 70,3 176,4 37,5 115,0 23,5 0,0 0,0 552,8 275,0 3,904,4 0,0 0,0 7,6 0,0 9,9 1,8 0,0 11,2 0,0 0,0 0,0 0,0 1,2 5,2 0,0 0,0 34,2 16,4 87,5 72,8 9,1 57,4 3,2 3,6 110,0 110,0 47,0 182,0 6,7 7,7 145,5 19,8 17,0 270,0 118,2 57,6 85,0 100,0 7,7 1,284,2

I

21,0 9,5 5,7 13,3 18,9

I

Re R

2,5 217,0

Leidschendam-Voorburg
Voorburg Station Voorburg Centrum Sijtwende Leidsenhage e.o. Klein Plaspoelpolder Overgoo Overige locaties Leidschendam-Voorburg Totaal mod.gediff. mod.gediff. functioneel functioneel functioneel functioneel functioneel 9,0 25,6 19,0 120,0 50,0 12,0 211,3 446,9 0,0 0,0 5,6 3,6 0,0 3,6 2,6 15,4

1,3

9,0 3,5 20,0

Re

1,3

32,5

Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker Centrum Pijnacker Zuid Nieuwe Veen Overige locaties Pijnacker-Nootdorp Totaal functioneel mod.gediff. functioneel functioneel Re 12.1 0,0 0,0 3,0 15,1 1,0 0,0 0,0 0,0 1,0 15,0 50,0 10,0 0,0 75,0

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Tabel 1: Vervolg kantorenlocaties Haaglanden
[1.000 m2 b.v.o.]

Gemeente

Vestigingsmilieu

Knoop 2005 voorraad

per 1-1-2001 aanbod in ontw. plannen

Rijswijk
In de Bogaard OV-knooppunt/station Hoornwijck Plaspoelpolder Broekpolder Overige locaties Rijswijk Totaal Wassenaar Totaal mod.groot mod.gediff. mod.gediff. functioneel functioneel functioneel R R R R 80,0 13,3 18,9 358,7 43,4 198,7 713,0 73,2 27,2 0,0 3,2 43,4 0,0 7,1 80,9 0,1 30,3 18,9 4,0 13,0 66,2 46,5 162,5 74,0

283,0

functioneel

Zoetermeer
Rokkeveen Kantoren Stadscentrum Afrikaweg Voorweg/Amerikaweg Overige locaties Zoetermeer Totaal Westland Totaal Haaglanden Totaal mod.gediff. mod.gediff. mod.gediff. functioneel functioneel R R R 86,9 193,1 122,0 0,0 93,2 495,2 108,4 6.058,3 6,5 0,6 3,1 0,0 1,5 11,7 0,0 235,4 34,3 3,1 109,0 34,3 160,0 25,0 1,5 329,8 p.m. (1) 2.148,2

37,4 0,0 334,9

functioneel

Haaglanden [naar Vestigingsmilieu]
grootsted. mod.groot klassiek mod.gediff. functioneel Totaal 2.066,9 851,2 787,8 512,2 1.840,2 6.058,3 17,5 39,6 36,0 13,4 128,9 235,4 142,5 49,5 6,1 86,6 50,2 334,9 455,7 570,5 96,9 784,8 240,3 2.148,2

Haaglanden [naar Knoop 2005]
I R Re Totaal
I/R/Re: Internationaal/Randstedelijk/Regionaal knooppunt (1) betreft Naaldwijk

2.144,8 936,3 74,3 2.902,9 6.058,3

28,7 84,0 6,8 115,9 235,4

142,5 90,6 18,9 82,9 334,9

871,2 805,3 355,0 116,7 2.148,2

96 / 97
Tabel 2: Uitvoeringsprogramma bedrijventerreinen Haaglanden
[netto ha]

Gemeente

Vestigings milieu

Knoop 2005

Programma 2001-2005 totaal uitgeefbaar in ontw.

Programma 2006-2010

Gepland na 2010

Delft
Ypenburgse poort Tanthof West Delft University Technopolis (1) Delftechpark I Delft Totaal Den Haag Scheveningen haven (2) Zichtenburg Binckhorst (2) Laakhaven (2) Forepark Leidschenveen/Middenweg Ypenburg Rijswijkse poort Ypenburg nabij Fokker Ypenburg A12 Ypenburg Prins Claus Kwartier (3) Hoornwijck Den Haag Totaal Leidschendam-Voorburg Totaal gemengd m.gemengd hoogwaardig hoogwaardig S S R R 1,0 1,1 10,0 1,0 13,1 1,0 1,1 10,0 1,0 3,1 10,0 15,0 15,0 25,0 25,0

zeehaven m.gemengd m.gemengd gemengd hoogwaardig m.gemengd gemengd hoogwaardig m.gemengd hoogwaardig m.gemengd hoogwaardig

S I I S S S S S R R R

1,0 1,0 2,5 2,0 2,3 2,2 5,2 5,7 0,0 17,2 18,0 2,0 59,1 0,0

1,0 1,0 2,5 2,0 2,3 2,2 5,2 5,7 1,9 2,0 19,6 0,0 15,3 18,0 39,5 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Pijnacker-Nootdorp
Boezem(vaart) (1) / Reesloot Ruyven Oostambacht (1) Nieuwe Veen Driehoek Pijnacker-Nootdorp Totaal gemengd gemengd (5) gemengd hoogwaardig hoogwaardig gemengd (5) S S S S S S 14,1 10,8 6,6 4,8 4,0 9,0 49,3 0,3 5,2 4,8 4,0 9,0 39,0 13,8 5,6 6,6

10,3

0,0

0,0

Rijswijk
Plaspoelpolder (1) Rijswijk Totaal Wassenaar Totaal hoogwaardig R 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 p.m. 0,0 0,0 0,0 0,0

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Tabel 2: Vervolg uitvoeringsprogramma bedrijventerreinen Haaglanden
[netto ha]

Gemeente

Vestigings milieu

Knoop 2005

Programma 2001-2005 totaal uitgeefbaar in ontw.

Programma 2006-2010

Gepland na 2010

Zoetermeer
Hoefweg Noord logistiek gemengd (5) hoogwaardig hoogwaardig m.gemengd gemengd gemengd hoogwaardig m.gemengd hoogwaardig hoogwaardig m.gemengd gemengd S S S S S S S S S S S S S 20,0 25,0 0,0 10,0 5,2 0,2 0,1 4,0 6,0 1,0 5,0 5,0 0,7 82,2 20,0 25,0 10,0 5,2 0,2 0,1 4,0 6,0 1,0 5,0 5,0 0,7 11,9 70,3 20,0 25,0 10,0 10,0 15,0 10,0

Oosterheem Dwarstocht (2) Hoornerhage (1) Rokkehage (2) Lansinghage Rokkeveen Oost Oostweg/Australiëweg Zoeterhage Zoetermeer Totaal

Westland
‘s-Gravenzande Teylingen De Lier Leehove Maasland Monster Mercurius Monster Vlotwatering Monster/Poeldijk ABC Westland (1) Naaldwijk De Woerd Naaldwijk Flora Holland (1) Naaldwijk Coldenhove/Honderdland (4) Naaldwijk Westerlee/Honderdland Naaldwijk Westerlee/Honderdland 2e fase Naaldwijk Maasdijk Wateringen Zwethove Wateringen Wateringse Veld Schipluiden Hooipolder Schipluiden Harnaschpolder (noord) Schipluiden Harnaschpolder (midden) Schipluiden Harnaschpolder (west) Westland Totaal Haaglanden Totaal gemengd m.gemengd gemengd gemengd gemengd m. gemengd logistiek gemengd (5) m.gemengd m.gemengd m.gemengd gemengd m.gemengd gemengd (5) gemengd hoogwaardig gemengd m.gemengd S S S S S S I (6) S S S S S S S S S S S 1,4 2,5 0,0 1,0 3,9 9,0 10,1 18,0 20,0 0,0 1,5 2,0 4,7 6,0 15,0 0,0 0,0 95,1 298,8 1,5 2,0 4,7 6,0 15,0 5,0 12,0 54,0 89,0 1,4 2,5 0,0 2,0 2,8 0,6 1,0 1,9 6,2 9,5 18,0 20,0

12,0 p.m. 10,0 15,0

18,0 12,5 12,5

17,5 62,4

77,6 236,4

7,0 15,0 65,0 115,0

Haaglanden [naar Vestigingsmilieu]
zeehaven logistiek m.gemengd gemengd hoogwaardig Totaal
m.: modern I/R: Internationaal/Randstedelijk knooppunt S: Specifiek werkmilieu (1) deels herstructurering (2) herstructurering (3) vestigingsmilieu nader vast te stellen in het uitwerkingsplan Vlietzone en A12-zone

1,0 38,0 75,6 102,2 82,0 298,8

1,0 0,0 16,9 21,8 22,7 62,4

0,0 38,0 58,7 80,4 59,3 236,4

0,0 22,0 25,0 12,0 30,0 89,0

0,0 15,0 58,0 7,0 35,0 115,0

(4) vestigingsmilieu voor geplande deel na 2010 nog nader vast te stellen (5) t/m milieucategorie 5 (6) gericht op goederen

98 / 99
Behoefteberekeningen voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties
De economische strategie van het stadsgewest is erop gericht tot de top drie van de meest aantrekkelijke regio’s van Nederland te behoren. Deze ambitie vertaalt zich in een inzet op groei van economie en werkgelegenheid van respectievelijk 2 en 1,5% per jaar. Daarmee wordt bereikt dat de groei van de (beroeps)bevolking binnen de regio wordt opgevangen: het surplus aan beroepspersonen (+ 41.000) moet binnen de regio werk vinden en de werkloosheid dient nog substantieel te verminderen (- 27.000). Voor de komende tien jaar houdt dat in dat het aantal arbeidsplaatsen in Haaglanden zal moeten groeien met 68.000 van 417.000 tot 485.000. Deze groei volgt het EC-scenario van het CPB. De huidige werkgelegenheid in Haaglanden is voor ruim 25% gelokaliseerd in bedrijven, en voor 35% in kantoren. De bedrijfslocatiemonitor van het CPB voorziet voor Haaglanden een toename van het percentage voor kantoren en enige afname van dat voor bedrijven. Op basis daarvan wordt voor 2010 geraamd dat bijna 40% van de werkgelegenheid op kantorenlocaties is gesitueerd en 24% op bedrijventerreinen. Ten opzichte van 2000 betekent dat een groei van 43.000 arbeidsplaatsen op kantorenlocaties en 12.500 op bedrijventerreinen. Het huidige ruimtegebruik per werkende berekent het CPB op 200 tot 550 m2 per persoon op gemengde respectievelijk distributieterreinen; de mix in Haaglanden komt uit op 275 m2. Voor kantoren wordt uitgegaan van gemiddeld ruim 30 m2 bruto vloeroppervlak per persoon. Het ruimtegebruik in kantoren wordt constant verondersteld, op bedrijventerreinen wordt rekening gehouden met nieuwe technieken en arbeidsproductiviteitsstijgingen resulterend in een toename van het ruimtegebruik per werkende van 0,75 tot 1%. Voor Haaglanden betekent dit, dat met een terreincoëfficiënt van gemiddeld 300m2 bedrijventerrein per werkende gerekend wordt. De ramingen worden verhoogd met compensatie voor onttrekkingen: voor kantoren gemiddeld 0,25% en voor bedrijventerreinen 0,4% van de voorraad per jaar. Op de schaal van Haaglanden komt dit neer op 15.000 à 16.000 m2 en 6 à 7 ha per jaar. Tezamen levert dit een ruimtebehoefte voor kantoren en bedrijven tot en met 2010 op van circa 1.450.000m2 kantoorvloeroppervlak en 440 ha bedrijventerrein (zie onderstaande tabel).

Bedrijventerrein in ha

Kantorenlocaties in m2

Groei werkgelegenheid tot 2010 Ruimtevraag daaruit Groei ruimtegebruik per werkende Onttrekkingen Totaal tot 2010

12.500 345 30 65 440

43.000 1.300.000 150.000 1.450.000

Doortrekking van de ontwikkelingen volgens genoemde uitgangspunten leidt tot een werkgelegenheidsaandeel in 2020 van 22% op bedrijventerreinen en ruim 40% in kantoren. Door in te zetten op duurzame ontwikkeling wordt haalbaar

geacht dat het ruimtegebruik stabiliseert en de onttrekkingen aan bedrijventerrein halveren. Te samen levert dit voor de periode 2010-2020 het volgende beeld op.

Bedrijventerrein in ha

Kantorenlocaties in m2

Groei werkgelegenheid 2010-2020 Ruimtevraag daaruit Groei ruimtegebruik per werkende Onttrekkingen Totaal 2010-2020 Totaal tot 2020

7.500 225 p.m. 35 260 700

45.000 1.320.000 180.000 1.500.000 2.950.000

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Tabel A: Wensbeeld detailhandelsstructuur agglomeratie Den Haag
[in m2 v.v.o.]

Bestaand

Plannen

Totaal

Visie

Eindtotaal

Commentaar

Den Haag
Centrum Leyweg Frederik Hendriklaan Fahrenheitstraat Apeld.-/Dierenselaan Theresiastraat Loosduinse Hoofdstraat Wateringse Veld Ypenburg Leidschenveen wijkcentrum Leidschenveen bouwmarkt Haaglanden Megastores Verspreid volumineus Overige detailhandel 69.400 55.000 240.100 2.200 1.000 160.800 14.300 12.600 10.700 7.000 9.200 8.700 6.000 4.600 9.000 8.500 22.000 13.600 182.800 27.900 12.600 10.700 7.000 9.200 8.700 6.000 4.600 9.000 8.500 69.400 57.200 241.100 17.000 -18.000 -10.000 10.000 192.800 27.900 12.600 10.700 7.000 9.200 8.700 6.000 4.600 9.000 8.500 86.400 39.200 231.100 planflexibiliteit t.b.v. kwaliteitsimpuls, alleen indien regiofunctie toeneemt na planontwikkeling marktconform bijzondere functie behouden functie op stadsdeelniveau, geen uitbreiding nodig functie op stadsdeelniveau, geen uitbreiding nodig blijven richten op kantoorwerknemers stadsdeelfunctie buurtfunctie, combineren met sociaalmaatschappelijke buurtvoorzieningen buurtfunctie wijkfunctie verplaatsing met uitbreiding van bestaande bouwmarkt uit Leidschendam leegstand, marktsegmentatie, leisure als trekpaard, bereikbaarheid(simago) concentratiebeleid voortzetten voor met name de woonsector sanering aantal buurtwinkelcentra (vb. Zuidwest), ruimte voor gemakslocatie

Rijswijk
In de Bogaard Herenstraat Verspreid volumineus Overige detailhandel 48.200 12.100 4.000 12.100 48.200 12.100 4.000 12.100 -1.000 -2.000 48.200 12.100 3.000 10.100 na modernisering marktconform bijzondere aanvullende functie bestendigen

Leidschendam-Voorburg
Leidsenhage Damlaan Julianalaan Herenstraat Verspreid volumineus Overige detailhandel 50.000 6.500 13.200 7.300 13.800 14.400 400 1.000 50.000 6.900 13.200 8.300 13.800 14.400 50.000 6.900 13.200 8.300 10.300 11.400 na modernisering marktconform bijzondere functie bestendigen bijzondere functie blijven vervullen reductie verspreide winkels t.b.v. concentratie

-3.500 -3.000

100 / 101
Tabel A: Vervolg wensbeeld detailhandelsstructuur agglomeratie Den Haag
[in m2 v.v.o.]

Bestaand

Plannen

Totaal

Visie

Eindtotaal

Commentaar

Wassenaar
Centrum Verspreid volumineus Overige detailhandel 12.900 2.300 6.900 12.900 2.300 6.900 12.900 2.300 5.700 inzetten op kwaliteitsverbetering en beperkt regionaal reductie verspreide winkels t.b.v. concentratie

-1.200

Wateringen
Nieuwe bouwmarkt Nieuwe bouwmarkt agglomeratie Den Haag Overige detailhandel 13.400 13.000 13.000 14.000 13.000 14.000 komst megabouwmarkt ruimte voor 2 megabouwmarkten, bijvoorbeeld bij VINEX-locaties en uitbreiding van bestaande bouwmarkten reductie verspreide winkels t.b.v. concentratie

1.600

15.000

-2.000

13.000

Totaal

804.900

74.400

887.800

300

888.100

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Tabel B: Wensbeeld detailhandelsstructuur Westland
[in m2 v.v.o.]

Bestaand

Plannen

Totaal

Visie

Eindtotaal

Commentaar

Naaldwijk
Centrum Woonthemacentrum Verspreid volumineus Bouwmarkt (uitbreiding) Overige detailhandel Tuincentra 32.000 11.100 5.400 10.000 1.000 5.000 500 1.250 1.000 33.000 16.100 5.900 1.250 11.000 -1.000 33.000 16.100 4.900 1.250 11.000 4.500 bovenlokale functie voor Westland eventuele uitbreiding alleen mogelijk door relocatie lokaalverzorgende bouwmarkt bovenlokale functie voor Westland, afname verspreid gelegen winkels uitbreiding bestaande tuincentra

4.500

‘s-Gravenzande
Centrum Tuincentra 25.400 2.800 28.200 -4.300 8.000 19.100 3.300 22.400 -1.500 23.900 8.000 20.900 (boven)lokale functie centrum, afname verspreid gelegen winkels uitbreiding bestaande tuincentra (boven)lokale functie centrum, afname verspreid gelegen winkels lokale functie, afname verspreid gelegen winkels en kleinere kernen lokale functie, afname verspreid gelegen winkels en kleinere kernen lokale functie lokaalverzorgende bouwmarkten ’s-Gravenzande/Monster/De Lier

Monster

De Lier

13.000

200

13.200

-1.500

11.700

Schipluiden

7.700

2.600

10.300

-1.000

9.300

Maasland Nieuwe bouwmarkten Westland
Totaal

1.600

900

2.500 1.750

2.500 1.750

125.300

18.550

143.850

4.950

148.800

102 / 103
Tabel C: Wensbeeld detailhandelsstructuur Haaglanden Oost
[in m2 v.v.o.]

Bestaand

Plannen

Totaal

Visie

Eindtotaal

Opmerking

Delft
Centrum In de hoven Ikea Leeuwenstein 48.100 18.200 18.900 19.900 3.000 15.000 63.100 18.200 21.900 19.900 3.000 63.100 21.200 21.900 19.900 gebruiken historisch/toeristische functie, combinatie met leisure schaalvergroting, modernisering en routing uitbreiding vloeroppervlak voor verkoop van meubels brancheverruiming toestaan, b.v. vrije tijd, bruin- en witgoed, opvang leegstand concentratiebeleid voortzetten beperken aantal en versterken buurten wijkcentra in circa vijf clusters, afname verspreid gelegen winkels

Verspreid volumineus Overig

15.500 20.000

15.500 20.000

-6.000 -5.000

9.500 15.000

Zoetermeer
Stadshart Dorpsstraat Woonhart VINEX-Oosterheem 36.000 10.000 19.400 20.800 4.000 56.800 14.000 19.400 6.500 56.800 14.000 39.400 6.500 na planontwikkeling marktconform maximum bereikt accommoderen marktbehoefte Haaglanden Oost inzetten op wijkverzorgende functie voor dagelijks en ‘alledaags niet-dagelijks’ wegwerken achterstandssituatie sanering bouwmarkten, beperken verspreide volumineuze detailhandel beperken verspreid gelegen winkels en versterken buurt- en wijkcentra uitbreiding bestaande tuincentra

20.000

6.500

Nieuwe bouwmarkten Verspreid volumineus Overige detailhandel Tuincentra

32.300 31.500

14.000 7.500 3.200

14.000 39.800 34.700

-5.000 -3.200 8.000

14.000 34.800 31.500 8.000

Pijnacker-Nootdorp
Pijnacker Centrum 6.900 8.000 12.600 14.900 centrumfunctie voor dagelijks en ‘alledaags niet-dagelijks’, maximale grens bereikt buurtsteunpunt buurtsteunpunt bouwmarkt bij Delft zoeken naar herstructureringsoplossing voor relocatie bepaalde branches reductie verspreide winkels t.g.v. PDV-locatie Zoetermeer, Delft en nieuw woonthemacentrum rekening houden met reductie verspreide winkels en kleine centra uitbreiding bestaande tuincentra

Delfgauw Tolhek Lokaalverzorgende nieuwe bouwmarkt Nootdorp Verspreid volumineus

2.000 2.700 3.500 3.500 7.900 7.300

2.000 2.700 3.500 10.800 7.900 -1.200

2.000 2.700 3.500 10.800 6.700

Overig

2.900

2.900

-900

2.000

Tuincentra Totaal 291.000 97.500 388.500

3.000 12.700

3.000 401.200

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Tabel 3: Programma van leisurelocaties in Haaglanden

Concentratiegebied / plangebied

Type bestaande leisurevoorzieningen (2) 1a

Criteria (1) 1b 2 3

Bestaande plannen

Type nieuwe leisurevoorziening(en) (2)

Sl (3)

Binnenstad Den Haag (cultuur-historisch gebied, winkelgebied)

meerkeuze; 3e generatie (Spuiplein e.o.); veel cultuur en entertainment beperkt cultuur en entertainment (bioscoop)

o/+

o/+

o

ja

multiplex; attractie; meer entertainment en multifunctionaliteit; diverse leisure hoogwaardig woonen werkmilieu; leisure waaronder entertainment verdergaande upgrading gebied; beperkte leisure; outdoor & naturecentrum; Masterplan Scheveningenkuststrook; uitgaansgebied en badplaats; opwaardering en intensivering

cultuur, attracties entertainment

ja

Hoog Hage/CSKwadrant en NieuwCentrum

o/+

+

+

ja

3e generatie; entertainment

ja

Nieuw Laakhaven

kinderattractie

o/+

+

o

nee

entertainment en sport

ja

Scheveningen-Bad

meerkeuze; specialties (Circustheater); 3e generatie (Palace Promenade e.o.); cultuur, entertainment, attracties, wellness

-/o

o

o

ja

3e generatie leisure; attracties, entertainment, wellness

ja

Scheveningen-Haven

meerkeuze; enige cultuur en sport

-/o

o

o

ja

Masterplan Scheveningen- kuststrook; versterking woon- en leisurefunctie; maritieme en museale leisure beach resort; groene attractie

3e generatie leisure; cultuur, sport

ja

Kijkduin e.o.

meerkeuze; (3e generatie); enige sport en entertainment

-/o

o

o

ja

attractie, wellness

nee

Uithof, Den Haag

specialty; nadruk op sport en wellness zie hierboven

-/+

o

o

ja

-

uitbreiding sport

nee

Strook Kijkduin <-> Madestein <-> Uithof ‘NCC-strook’, Den Haag

-/+

o

o

ja

-

sport, wellness; attracties cultuur

nee

specialties (Madurodam, Omniversum); cultuur, attractie

-/o

o/+

o

ja

internationaal bezoekerscentrum; onzekerheid positie congresgebouw op langere termijn (> 5 jaar)

nee

104 / 105
Tabel 3: Vervolg programma van leisurelocaties in Haaglanden

Concentratiegebied / plangebied

Type bestaande leisurevoorzieningen (2) 1a

Criteria (1) 1b 2 3

Bestaande plannen

Type nieuwe leisurevoorziening(en) (2)

Sl (3)

Zuiderpark, Den Haag

meerkeuze; sport en entertainment sport meerkeuze; veel cultuur en in mindere mate entertainment en attracties cultuur, entertainment, attractie (Serpo)

-/o

-/o

o

ja

-

sport; attractie

nee

Duindigt, Wassenaar Binnenstad Delft

-/o o

-/o o

o o

ja ja

nog onbekend (zie Zuidpoort- en Spoorwegzone)

sport; entertainment cultuur, attracties

nee ja

Spoorwegzone/Zuidpoortzone/Kanaalweg, Delft

o/+

o

o

ja

nieuwe woon- en werkvoorzieningen; diverse leisure: museaal themacentrum, multiplex, uitgaanscentrum evenementenhal, ijsbaan attractiepark/ themapark

3e generatie; cultuur, entertainment

ja

v. Tuyllpark, Zoetermeer

sport, entertainment

0

0

+

ja

multi-leisure centrum; entertainment, sport 3e generatie; attractie, sport, wellness

nee

Amerikaweg-as tot specialty (Snowworld); Verlengde Australiëweg, 3e generatie; cultuur, Zoetermeer sport en entertainment

-/+

+

o/+

ja

ja

Plaspoelpolder, Rijswijk

sport, entertainment

o

+

o

ja

uitbreiding Darling Market

multi-leisure centra; entertainment en sport entertainment, wellness

nee

Centrale Zone Leidschenveen, Leidschendam

-

+

+

o

nee

retail, bedrijven en wonen; multiplex, fitness, uitgaanscentrum

nee

Snelwegzone: Vlietzone <-> Gavikavel <-> Ypenburg

-

-/+

+

o/+

nee

retail, bedrijven, 3e generatie; attracties, wonen; wisselende entertainment, sport leisureplannen (stadion, evenementenen congrescomplex, etcetera)

ja

(1) criteria beoordeeld op 3-puntsschaal: - = matig; 0 = redelijk; + = goed ; bij criterium 3 alleen ja of nee. (2) voor verklaring termen, zie paragraaf 2.5 (3) Sl; Strategische locatie? 1a = huidige bereikbaarheid 1b = toekomstige bereikbaarheid 2 = beschikbaarheid 3 = versterking bestaande leisurestructuur 3e generatie leisure wordt, op veelal stedelijke locaties, geïntegreerd ontwikkeld met en in relatie tot wonen, werken en detailhandel

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Bijlagen

Bijlage C: Procedures van afwijking, herziening en uitwerking
In deze bijlage zijn de desbetreffende procedures vastgelegd. Deze procedures maken formeel onderdeel uit van het RSP. Afwijking van de concrete beleidsbeslissingen zijn niet toegestaan. Een afwijkingsbevoegdheid geldt niet voor de concrete beleidsbeslissingen van het RSP. Mocht zich toch de noodzaak van wijziging van een concrete beleidsbeslissing voordoen, dan kan dit slechts door een (partiële) herziening van het RSP.

1. RSP-monitor
Bij deze procedures van afwijking, herziening en uitwerking speelt de RSP-monitor een rol. Tenminste eens in de twee jaar wordt door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten een RSP-monitor gepresenteerd. In deze monitor wordt: s verslag gedaan van de voortgang van de uitvoering van het RSP; s rapport gedaan van de eventuele knelpunten en de noodzaak om hiervoor oplossingen in procedure te brengen; s melding gedaan van het eventuele gebruik door het dagelijks bestuur van de afwijkingsbevoegdheid; s verslag gedaan van de voortgang van de uitvoeringsbevoegdheden; s bezien of er eventueel aanleiding is voor het starten van een procedure voor een al dan niet partiële herziening van het RSP.

3. Partiële herziening
Een partiële herziening van het RSP is noodzakelijk indien een wijziging van één concrete beleidsbeslissing noodzakelijk en gewenst is. Het dagelijks bestuur hoort de commissie van advies voor RGVM, alsmede de colleges van Burgemeester en Wethouders van de stadsgewestgemeenten en de in artikel 21a van het BRO bedoelde instanties, alsmede Gedeputeerde Staten over de wenselijkheid en noodzaak van de herziening. De partiële herziening wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. De bij wet en gemeenschappelijke regeling voorgeschreven procedure zal hierbij moeten worden gevolgd. Een partiële herziening moet worden goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.

4. Vooruitlopen op een (partiële) herziening 2. Afwijkingsmogelijkheden
Van een afwijking van het RSP is sprake als in een incidenteel geval van het RSP moet worden afgeweken. Dit betekent, dat het RSP van kracht blijft, maar dat voor één bepaald en specifiek geval een uitzondering van de algemene RSPbepalingen wordt gemaakt. De procedurele bepalingen zijn in volgorde van licht naar zwaar:
Afwijking van de indicatieve elementen

Het dagelijks bestuur mag indien noodzakelijk in incidentele gevallen afwijken van de indicatieve elementen. Deze afwijkingen worden periodiek gerapporteerd in een RSPmonitorrapport.
Afwijking van de kernpunten

Het dagelijks bestuur is bevoegd in incidentele gevallen af te wijken van de kernpunten van het RSP, respectievelijk de betreffende gemeente(n) toe te staan hiervan af te wijken. De afwijkingen worden periodiek gerapporteerd in een RSPmonitorrapport. Alvorens tot een afwijking van een kernpunten van het RSP te besluiten moet het dagelijks bestuur de stadsgewestelijke commissie van advies voor Ruimtelijke Ordening, Grondbeleid, Volkshuisvesting en Milieu (RGVM), alsmede de colleges van Burgemeester en Wethouders van de stadsgewestgemeenten en de in artikel 21a van het BRO bedoelde instanties hebben gehoord.

In spoedeisende gevallen is het dagelijks bestuur bevoegd om vooruitlopend op een (partiële) herziening van het RSP een beslissing te nemen die afwijkt van een concrete beleidsbeslissing. Daarmee anticipeert het dagelijks bestuur op een (partiële) herziening. Omdat het gaat om een afwijking van een zwaarwegend onderdeel, is een verhoudingsgewijs zware procedure van toepassing. Er is gekozen voor een procedure, die analoog is aan het anticiperen op een wijziging van een bestemmingsplan. Over de beoogde anticipatie op de (partiële) herziening hoort het dagelijks bestuur de commissie van advies voor RGVM, de colleges van Burgemeester en Wethouders van de stadsgewestgemeenten en de in artikel 21a van het BRO bedoelde instanties. Van de bevoegdheid om te anticiperen op een (partiële) herziening kan het dagelijks bestuur pas gebruik maken nadat het algemeen bestuur bij wijze van voorbereidingsbesluit met een dergelijk voornemen heeft ingestemd en nadat Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar voor de anticipatie hebben geven. Beide laatste stappen zijn noodzakelijk omdat het algemeen bestuur de partiële herziening uiteindelijk zal moeten vaststellen en Gedeputeerde Staten de partiële herziening moeten goedkeuren.

106 / 107

5. Uitwerkingsbevoegdheden
Het RSP biedt de mogelijkheid tot nadere uitwerking. Dit is nodig, omdat bij het opstellen van het plan nog niet over voldoende informatie kon worden beschikt om voor de uitwerkingsgebieden tot een afgewogen regionaal ruimtelijke invulling te kunnen komen. De uitwerking is, binnen de aangegeven gebruiksmogelijkheden, een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De uitwerkingsbevoegdheid beperkt zich tot met name genoemde en op de plankaart aangegeven gebieden. Indien bij een uitwerking niet kan worden voldaan aan de aangegeven gebruiksmogelijkheden en/of het aangegeven gebied, dan is een herziening van het RSP nodig. Het ontwerp van de uitwerking zal na overleg en inspraak voor advies worden voorgelegd aan de commissie van advies RGVM, alsmede aan de colleges van Burgemeester en Wethouders van de stadsgewestgemeenten. Een door het dagelijks bestuur vastgesteld uitwerkingsplan behoeft goedkeuring door Gedeputeerde Staten van ZuidHolland. Voorafgaand aan het besluit tot voorbereiding van een uitwerkingsplan zal een plan van aanpak voor het betreffende plan aan de commissie RGVM van het stadsgewest en aan de colleges van Burgemeester en Wethouders van de in het plangebied gelegen gemeenten voor advies worden voorgelegd.

Regionaal Structuurplan Haaglanden

Dit is een uitgave van het stadsgewest Haaglanden
Koninginnegracht 8 Postbus 66 2501 CB Den Haag Telefoon: 070 312 9111 Telefax: 070 312 9011 E-mail: informatie@haaglanden.nl Internet: www.haaglanden.nl

Kaartmateriaal
Mijs + van der Wal Provincie Zuid-Holland stadsgewest Haaglanden

Vormgeving
Zwart op Wit, Delft

Druk
Nivo, Delft

Oplage
1.000 exemplaren

Maart 2002