Stadsmonitor 2006

Gemeente Groningen, mei 2006 De stadsmonitor 2006 is een coproductie van Bestuursdienst en DIA (Bureau Statistiek en Onderzoek) met medewerking van de HVD, Milieudienst, OCSW, RO/EZ en SOZAWE. Bronnen: ABCG, Bestuursdienst, CBS, CWI, DIA, Dialogic Innovatie & Interactie, DOOR, Ecorys, Goudappel Coffeng, Hanzehogeschool, HBO Raad, HVD, IN, Meldpunt Overlast, Milieudienst, Nijestee, OCSW, Opvanginstellingen, Provincie Groningen, Regiopolitie Groningen, RO/EZ, Rijksuniversiteit Groningen, Rijkswaterstaat, Stichting TVO, VSNU, Woningnet

ii

SAMENVATTING STADSMONITOR 2006* Economisch zien we voorzichtige tekenen van herstel. Ondanks een (voor een deel administratieve) afname van het aantal arbeidsplaatsen in de stad, daalde de werkloosheid. Vooral de daling van de werkloosheid onder jongeren zet scherp door. In lijn met het voorgaande zien we dat het aantal mensen in de bijstand in 2005 niet is toegenomen. Opvallend is wel dat het aantal mensen dat langer dan 3 jaar in de bijstand zit afneemt. De door ons geselecteerde kanrijke sectoren deden het beter dan de gemiddelde ontwikkeling van de stad. De kantorensector had een minder jaar en de leegstand groeit. Ook de verkoop van bedrijfsterrein lag in 2005 opnieuw lager dan in 2004. Een van de redenen kan zijn dat we een gebrek beginnen te krijgen aan bedrijfsterreinen. In de binnenstad echter nam zowel het aantal bezoekers als de omzet toe, na een terugval in 2004. De autobereikbaarheid - gemeten als IC-verhouding op de ringwegen - bleef stabiel. Opmerkelijk is dat het aantal eerstejaars studenten aan de RUG dit collegejaar achterblijft. Zoals vorig jaar al beschreven, zijn de stadjers behoorlijk tevreden over het onderhoud. Ook vergeleken met andere grotere steden doen we het goed. Desondanks bleek uit de laatste Omnibusenquete (2004) dat onderhoud en beheer het belangrijkste is dat de stadjers aangepakt willen zien. Op het terrein van veiligheid maken we onze titel als Veiligste Stad nog steeds waar. Met name het aantal inbraken en de meldingen van drugsoverlast blijven dalen. Aandachtspunt is het aantal jeugdige verdachten. Ook het aantal geweldsdelicten neemt niet af. Hoewel de bouwproductie opnieuw achterbleef, groeide de stad ook in 2005, zij het licht. Ook het aantal gezinnen met kinderen blijft groeien - terwijl tegelijkertijd ook het aantal gezinnen met kinderen dat naar de regio verdween toenam. Positief is dat het afgelopen jaar voor het eerst sinds jaren de kans op het vinden van een huurwoning in de sociale sector groter is geworden, met name voor ouderen, gezinnen en alleenstaanden > 23 jaar. Qua inkomensverdeling lijkt de stad langzaam maar gestaag haar achterstand op de rest van Nederland in te lopen. Wat betreft het leefmilieu van de stad is positief dat de luchtkwaliteit is verbeterd. Ook het gebruik van de fiets blijft op peil. Het OV-gebruik stabiliseerde. Het gebruik van de citybus steeg licht, maar minder dan voorheen. De inkoop van groene stroom is in 2005 zoals afgesproken gegroeid naar 50%. Op onderwijsgebied valt op dat het aantal voortijdig schoolverlaters dit jaar opnieuw is gedaald, terwijl het aantal jongeren dat daarna op een vervolgtraject terecht komt weer is gestegen. Vorig jaar constateerden we al dat VMBO-leerlingen minder bewegen, minder vaak lid zijn van een sportclub, meer roken en meer drinken dan HAVO/VWO scholieren. Algemene conclusie was dat dergelijk risicogedrag met betrekking tot gezondheid zich concentreert in groepen en wijken met sociaal-economische achterstanden. Volgend jaar komen er nieuwe cijfers. Op cultureel en sportief gebied was ook 2005 een bruisend jaar met een groot aantal evenementen die door veel mensen werden bezocht: van Noorderzon tot het Diaghilev-festival en van het Jonge Harten Festival tot Noorderzon/Eurosonic. Maar het aantal bezoekers van het Groninger Museum daalde opnieuw licht. Een veel sterkere daling zien we bij het bioscoopbezoek - overigens een landelijke trend. Hoewel Groningen procentueel minder allochtonen kent dan de meeste andere grote steden, wordt ook Groningen langzaam maar zeker steeds internationaler. Tweederde van de groei van het inwonertal van de stad in de laatste jaren komt op het conto van allochtonen. Inmiddels is bijna 20% van de stadjers van allochtone herkomst. Een groep die overigens zeer divers is samengesteld.

iii

Onder de voortijdig schoolverlaters in het voortgezet onderwijs is het aandeel allochtonen relatief groot. Ook bij jongeren met ten hoogste een VMBO-diploma is de groep allochtonen oververtegenwoordigd. En bij de NWW-ers is vooral het aandeel niet-westerse allochtone stadjers relatief groter dan het aandeel autochtonen. In de wijkvernieuwingswijken is op veel terreinen sprake van positieve ontwikkelingen. Het meest in die gebieden waar de wijkvernieuwing al gaande is. In de wijken waar wijkvernieuwing nog min of meer in de startblokken staat, zien we ook een groot vertrouwen in de toekomst. Soms is er echter ook sprake van stagnatie. En ondanks de positieve ontwikkelingen blijven deze wijken/buurten op veel fronten nog steeds achter bij het stedelijk gemiddelde. Dat betekent een forse opgave voor de komende jaren. Waarbij het niet alleen gaat om het boeken van vooruitgang. Die vooruitgang moet ook vastgehouden worden.

* Er zijn dit jaar geen nieuwer cijfers over het oordeel van stadjers over onderhoud en veiligheid. Dat komt omdat de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete maar eens per twee jaar wordt afgenomen. Daarom zijn er ook geen nieuwe cijfers over de stand van zaken in de wijkvernieuwing. En ook over gezondheid en leefstijl zijn de cijfers hetzelfde als vorig jaar.

iv

Inleiding
Ook dit jaar is in de Stadsmonitor weer in één oogopslag te zien hoe Groningen er op verschillende gebieden voor staat. Natuurlijk gaat het daarbij alleen om hoofdlijnen en vertellen de cijfers maar een deel van het verhaal. We hopen echter dat de monitor aanleiding kan zijn voor discussie. Conform de wens van de raad bevat de monitor alleen de 'kale' cijfers, voorzien van korte toelichtingen, maar over het algemeen zonder conclusies over beleidsconsequenties. Over het algemeen hebben de cijfers in de Stadsmonitor geen directe relatie met de begroting. Technisch gezegd: het gaat in de monitor doorgaans niet om cijfers op output-niveau, maar om cijfers op het niveau van nagestreefde maatschappelijke effecten. In de monitor zult u bijvoorbeeld niet vinden hoeveel meter fietspaden we dit jaar hebben aangelegd. Maar wel (bij benadering) hoeveel er gefietst wordt in de stad. Of hoe tevreden de stadjers zijn over het onderhoud van de fietspaden. Cijfers op output-niveau zijn vooral te vinden in de Rekening. Net als vorig jaar volgt de monitor de doelen van de Stadsvisie 2003, die ook de basis zijn van de programmabegroting. Op een aantal plaatsen zijn - voor zover dat op deze korte termijn mogelijk was - de ambities van dit nieuwe college al verwerkt in de tekst van de monitor. Dit najaar zullen we als college de monitor tegen het licht houden om te bezien in hoeverre op meer plaatsen aanpassingen nodig zijn. Waar mogelijk streven we daarbij overigens naar continuïteit. Want juist in het meerjarige perspectief schuilt het nut en de zin van een monitor. In de monitor zijn voor zover van toepassing ook de nieuwe afspraken met het Rijk verwerkt voor de derde periode van het Grote Stedenbeleid (2005-2009). Omdat de wijkvernieuwing ook een bijzondere prioriteit is van dit nieuwe college, kunt u in de laatste serie grafieken van deze stadsmonitor zien hoe het er voor staat in een aantal van de wijken en buurten die in de Stadsvisie 2003 zijn aangewezen als wijkvernieuwingsgebied. Tot slot. Een deel van de gegevens in deze monitor is hetzelfde als vorig jaar. De reden daarvoor is dat niet alle gegevens jaarlijks verzameld worden. Zo nemen wij zelf de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete een keer per twee jaar af in het najaar van de even jaren. De resultaten zijn dan beschikbaar in het voorjaar daarna, in de oneven jaren. In de monitor 2005 presenteerden we de resultaten van de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete 2004. Dit najaar nemen we de L&V-enquete 2006 af. In de volgende monitor zult u de resultaten daarvan kunnen vinden. Dat betekent dat we dit jaar geen nieuwe cijfers hebben van de oordelen van stadjers over bijvoorbeeld onderhoud, veiligheid en over de actuele ontwikkelingen in de wijkvernieuwingswijken. Hetzelfde geldt voor gegevens over gezondheid en leeftsijl.

1

DOEL 1

EEN STAD MET MEER WERK, MINDER WERKLOOSHEID
Werkgelegenheid; Het aantal arbeidsplaatsen neemt tot 2010 toe tot minimaal 135.000
20000

NWW'ers: De ontwikkeling van het aantal niet werkende werkzoekenden is gunstiger dan landelijk, doel is dat het aantal NWW'ers afneemt tot minder dan 8.500 in 2010
200
totaal index landelijk trend (totaal) ambitie index gemeente

140000 120000 100000
uitzendkrachten

18000 16000 14000 12000 10000 8000 6000 4000 2000

180 160 140 120 100 80 60 40 20 0

80000 60000 40000
1 6 99 1 7 99 1 8 99 1 9 99 2 0 00 2 1 00 2 2 00 2 3 00 2 4 00 2

vaste arbeidsplaatsen ambitie trend (totaal)

0
19 19 20 20 20 20 20 20 20 20
5 00 2 6 00 2 0 01

98

99

01

00

02

03

Ontwikkelingen: De afname van het aantal werkzoekenden (NWW'ers) en de groei van het aantal arbeidsplaatsen in de gemeente Groningen is gunstiger dan de regionale en landelijke cijfers
25%

115 percentage NWW-ers
aantal arbeidsplaatsen (index, 1999=100)

20%

110

15%

105
10%

100
5%

0% 1 jan. 1999 1 jan. 2000 1 jan. 2001 1 jan. 2002 1 jan. 2003 regio 1 jan. 2004 1 jan. 2005 Nederland 1 jan. 2006

95 1 mei 1999 1 apr. 2000 1 apr. 2001 1 apr. 2002
regio

06

05

1 apr. 2003

1 apr. 2004
Nederland

gem. Groningen

gem. Groningen

Langdurige werloosheid: Het aantal langdurig werklozen neemt niet toe
120 aantal NWW'ers, (index, 1999=100) 100

totaal NWW'ers (11.957) < 1 jaar (4.904)

80

1-3 jaar (3.860)
60

> 3 jaar (3.193)
40

1 jan. 1999

1 jan. 2000

1 jan. 2001

1 jan. 2002

1 jan. 2003

1 jan. 2004

1 jan. 2005

1 jan. 2006

Jeugdwerkloosheid: De werkloosheid onder jongeren t/m 22 jaar neemt niet toe
120 110 100
Handel en Horeca Industrie en Bouw

Vacatures: Het aantal vacatures per 1 april
2005 2004 2003
> 3 maand open < dan 3 maand open

index >22 jr (11.237) index jeugd (720)

2005 2004 2003

90 80 70 60 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006
Niet comm. Dienstverlening Comm. Dienstverlening

2005 2004 2003

2005 2004 2003

Bron: CWI, DIA (werkgelegenheidsonderzoek)

0

200

400

600

800

1000

10

04

1 apr. 2005

1200

Doel 1: EEN STAD MET MEER WERK EN MINDER WERKLOOSHEID De stad heeft op het gebied van werk en werkloosheid het afgelopen jaar redelijk tot goed gepresteerd. Hoewel het beeld nog niet helemaal eenduidig is, zijn er voorzichtige tekenen van herstel. Het aantal arbeidsplaatsen in de stad is tussen 1 april 2004 en 1 april 2005 met 3.184 afgenomen, van 124.849 naar 121.665. Dat lijkt op het eerste gezicht een flinke daling. Bij nadere beschouwing blijkt het bij een groot deel daarvan (2.500 plaatsen) echter om een administratieve mutatie te gaan. Dat wil zeggen dat het personeel wordt geregistreerd op een andere (hoofd)vestiging, maar dat het personeel in feite op dezelfde plek blijft werken. Dat is een effect dat jaarlijks optreedt, maar in de regel slechts circa 1% van het aantal werkzame personen betreft. Dit jaar is dit effect echter aanzienlijk groter, met mutaties in de schoonmaak, de beveiliging en de gezondheidszorg. Dat zorgt voor een wat vertekend beeld, zeker vergeleken met de ontwikkelingen in de regio of de rest van Nederland. Het bovenstaande is waarschijnlijk een belangrijke verklaring voor het gegeven dat ondanks de formele daling van het aantal arbeidsplaatsen het aantal werkzoekenden dit jaar opnieuw is gedaald. Uit de vergelijking met de regio en Nederland blijkt dat we wat dit betreft de landelijke lijn volgen. Overigens blijkt uit de vergelijkende grafiek ook dat we sinds 1998 een flink stuk van onze eerdere achterstand op de rest van Nederland hebben ingelopen. In 1998 was het percentage NWW-ers in Groningen ruim 25% en in de rest van Nederland 11%; per 1 januari 2006 is dat verschil fors kleiner: 13,6% voor de stad en 8,9% voor Nederland. Opvallend is vooral de forse daling van de jeugdwerkloosheid. Ongetwijfeld is dit mede een gevolg van het project Groningen@Work. Hoopvol is ook dat de langdurige werkloosheid (langer dan 1 jaar en langer dan 3 jaar) niet meer toeneemt. En ten slotte zien we dat in een aantal sectoren - met name de voor de stad zo belangrijke commerciële dienstverlening - de vacatures weer toenemen. Op wat langere termijn gezien is het onzeker of de in 2003 gestelde doelen voor 2010 (stijging van het aantal arbeidsplaatsen tot 135.000, daling van het aantal NWW-ers tot 8.500 ) gehaald kunnen worden. Die onzekerheid komt niet alleen voort uit de daling van de afgelopen jaren - die samenhing met de landelijke recessie - maar vooral ook uit veranderende trends en ontwikkelingen, waarbij we met name de internationale concurrentie en de trend richting kenniseconomie noemen. Veel zal afhangen van de vraag of we er als stad en regio in zullen slagen onze concurrentiepositie te verbeteren. Daarbij gaat het niet alleen om ‘harde’ vestigingsfactoren (beschikbaarheid voldoende bedrijfsterreinen en kantoorlocaties, bereikbaarheid, voldoende ‘kritische massa’ in belangrijke sectoren, en kwantitatief en kwalitatief voldoende arbeidspotentieel) maar ook om ‘zachte’ vestigingsvoorwaarden zoals een aantrekkelijk woningaanbod voor verschillende doelgroepen, een bruisend cultureel klimaat, veiligheid, een breed en kwalitatief goed onderwijs-, zorg- en sportaanbod.

3

DOEL 2

EEN STAD MET EEN UITSTEKEND VESTIGINGSKLIMAAT
groei (abs) 1999-2005 1.626 8.023 960 625 303 - 118

De werkgelegenheid in de kansrijke clusters groeit sneller dan de totale Groningse werkgelegenheid, indexcijfers 170 160 150 140 130 120 110 100 90 80 70
1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Energie en Milieu Life Sciences Toerisme ICT Werkgelegenheid in 4 kansrijke clusters Werkgelegenheid totaal

Aantal nieuwe vestigingen in het vestigingenregister sinds voorgaand jaar
1500

ha.
35 30 25

Aantal nieuw uitgegeven hectaren bedrijventerrein en opname kantoren (m2 en in getal het aantal transacties)

m2 opp.
70.000 60.000

1200

99

150 81

82
50.000 40.000

900

20

82
600
15 10

82
54

30.000 20.000

300
5

aantal uitgegeven hectaren opname kantoren (m2)
10.000 0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

0

per week (x1000)
900 800 700 600 500 400 300

Het aantal binnenstadsbezoekers neemt jaarlijks met 1% toe
20000 18000 16000 14000 12000 10000 8000 6000 vanuit buiten de gemeente 4000 2000 0

De omzetcijfers van de binnenstad en het aandeel van de regio daarin

omzet dagelijkse goederen per m2 vvo (vloerproductiviteit)

32% 34% 37% 38%

31% 36% 34%

omzet niet-dagelijkse goederen per m2 vvo door bezoekers uit de regio

200 100 0

vanuit de gemeente Groningen trend ambitie 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2010

omzet niet-dagelijkse goederen per m2 vvo door bezoekers uit de gemeente

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

De intensiteit/capaciteitsverhouding van de ringwegen mag niet boven de 1,15 uit komen
1,30 1,20 1,10 1,00 0,90 0,80 0,70 0,60 0,50 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2010 I/C verhouding congestiegevoelige gedeelten ringweg ambitie trend

Het aantal eerstejaars, RUG en Hanzehogeschool vergeleken met Nederland, index, 1999=100 *)
140
1e jaars HHvG 1e jaars RUG 1e jaars WO

130 120 110 100 90 80 '99-'00

1e jaars HBO

'00-'01

'01-'02

'02-'03

'03-'04

'04-'05

'05-'06

Bron: DIA (werkgelegenheidsonderzoek), ROEZ (EZ), Goudappel-Coffeng (Detailhandelsmonitor), Prov. Groningen (vervoerscijfers), onderwijsinstellingen.

Doel 2: EEN STAD MET EEN UITSTEKEND VESTIGINGSKLIMAAT
In lijn met de algehele werkgelegenheidsontwikkeling is ook het aantal arbeidsplaatsen in de door ons als kansrijk geselecteerde sectoren tussen 1 april 2004 en 1 april 2005 afgenomen. Op langere termijn gezien is de groei in deze sectoren sinds 1999 (van bijna 14.000 ! 15.600 = 11,6%) echter nog ruim groter dan die van het totaal aantal arbeidsplaatsen in de stad sinds 1999 (van 113.642 ! 121.665 = 7,1%). In de life science sector is het afgelopen jaar een bedrijf verhuisd naar Haren, wat administratief een daling van 200 arbeidsplaatsen betekent; de werkgelegenheid is echter wel binnen de regio gebleven. De rest van deze sector kende een groei. In de ICT-sector was er met name een daling bij de call centers. Het aantal nieuwe vestigingen in het vestigingenregister is sinds 2003 min of meer gestabiliseerd en schommelt tussen de 650 en 750. De periode van forse daling (tussen 2002 en 2003) lijkt voorbij. Ook het totale aantal bedrijfsvestigingen (niet afgebeeld) is het afgelopen jaar stabiel gebleven. Het aantal hectares uitgegeven bedrijfsterrein is in 2005 opnieuw gedaald, en wel van 10 naar 8,6 hectare. Naast de recessie van de afgelopen jaren is een andere factor daarin dat we op dit moment niet veel ruimte meer hebben om uit te geven. Eemspoort-Zuid komt pas eind 2006 beschikbaar en Westpoort vanaf 2007-2008. Zonder aanvullende maatregelen moeten we rekening houden met een tijdelijk gebrek aan voldoende bedrijfslocaties in de stad. De opname van kantoorruimte is ten opzichte van 2004 fors gedaald. In 2004 was de opname echter ook uitzonderlijk hoog als gevolg van enkele grote transacties, waaronder het UWV. Naast een lagere opname is er ook een stijging van het aanbod. Dit betreft voor het merendeel bestaande panden. De leegstand is gestegen naar 10,2%. Hoewel dit lager is dan het landelijke gemiddelde (14,8%) is het ruim boven de gewenste 5% frictieleegstand. Omdat het vaak gaat over verouderde kantoren, dreigt het gevaar van langdurige leegstand. Een optie is herontwikkeling en transformatie. (Zie verder het Kantorenmarktonderzoek Groningen 2005 dat onlangs aan de raad is gestuurd.) Het binnenstadsbezoek vertoonde in 2005 een licht herstel: van 30 naar 31 miljoen bezoekers. Dat geldt ook voor de omzet van niet-dagelijkse goederen, die groeide van 757 naar 847 miljoen euro. We zitten echter nog steeds onder het niveau van 2003. Dit onderstreept de noodzaak om te blijven investeren in het aantrekkelijk en bereikbaar houden van de binnenstad. De nieuwe Oostwand, het Groninger Forum, de CiBoGa-garage en de geplande bouw van de Damsterdiepgarage zullen daar een bijdrage aan leveren. De bereikbaarheid per auto is een belangrijk gegeven voor het vestigingsklimaat en het functioneren van de stad. Een indicator daarvoor is de ontwikkeling van de IC-verhouding (de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit van een weg) op de congestiegevoelige delen van de ringwegen. Dat verhoudingscijfer is in 2004 net als de twee jaren ervoor min of meer stabiel gebleven. De conjunctuur speelt daarin een belangrijke rol. Het meest recente cijfer dateert immers van 2004. Het is de vraag hoe dit cijfer zich zal ontwikkelen nu de economie weer aantrekt. Er wordt geïnvesteerd in de doorstroming op de ringwegen (het Langman-pakket voor de zuidelijke ringweg en het ongelijkvloers maken van kruisingen op de overige delen, te beginnen met de westelijke ringweg), maar het is goed te bedenken dat het overgrote deel van het verkeer op de ringweg uiteindelijk toch weer in de stad terecht komt. En daar ontbreekt de ruimte voor forse ingrepen. Met het Akkoord van Groningen hebben de RUG, de Hanzehogeschool en de gemeente de basis gelegd voor een vergaande strategische samenwerking. Ambitie is dat de stad zich de komende jaren ontwikkelt tot knooppunt van kennis. Want de productie en toepassing van kennis zijn de nieuwe motoren van economische ontwikkeling, met uitstraling naar andere sectoren, zoals de dienstensector. Belangrijk daarvoor is onder andere dat Groningen aantrekkelijk blijft als studiestad. Bij de Hanzehogeschool zet de groei van het aantal eerstejaars zich door, ook ten opzichte van de rest van het land. Bij de RUG is het aantal eerstejaars echter afgenomen, ondanks een landelijke groei.

5

DOEL3A

EEN STAD DIE SCHOON EN HEEL IS
Problemen met een schone leefomgeving: beoordeeld door de Milieudienst van de gemeente (BORG MD: % straten) en door de Groningse bevolking (L&V monitor: % respondenten)

50% 40% 30% 20% 10% 0%
2001 2002 2003 2004 2005

BORG: onkruid in verhardingen woonwijken: beneden het doel BORG: zwerfvuil op verhardingen woonwijken: beneden het doel BORG: zwerfvuil in het groen woonwijken: beneden het doel L&V monitor: perc. van de bevolking: er komt veel onkruid op verhardingen voor L&V monitor: perc. van de bvolking: er komt veel zwerfvuil voor

Onderhoud van speelvoorzieningen
100% 100%

Onderhoud van wegen, fietspaden en trottoirs

80%

80%

60%

60%

40%

BORG: matige/grote schade BORG: lichte schade BORG: op niveau L&V monitor: (zeer) tevreden

40%

BORG: matige/grote schade BORG: lichte schade BORG: op niveau L&V monitor: (zeer) tevreden

20%

20%

0% 2001 2002 2003 2004 2005

0% 2002 2004 2005 2002 2004 2005 2002 2004 2005 wegen fietspaden trottoirs

Onderhoud groenvoorzieningen
100% 100%

Openbare verlichting

80%

80%

60%

60%

40%

BORG: matige/grote schade BORG: lichte schade BORG: op niveau L&V monitor: (zeer) tevreden

40%

BORG: matige/grote schade BORG: lichte schade

20%

20%

BORG: op niveau L&V monitor: (zeer) tevreden

0% 2001 2002 2003 2004 2005

0% 2000 2002 2003 2004 2005

scor e 8
7 6 5 4 3

De score op het leefbaarheidsaspect verloedering in vergelijking met enkele GSB-gemeenten 1 = weinig verloedering, 10 = veel verloedering

score
9 8,5 8 7,5 7 6,5

Evaluatie van de woonomgeving, rapportcijfers

1998

2000

2002

2004

2 1 0
am eg en g e ch t n n H aa in ge he d ov e lb ur Zw ol er d tre le g

6

1996 7,3 6,3 8,3

1998 7,3 6,3 8,2

2000 7,4 6,5 8,4

2002 7,3 6,6 7,9

2004 7,4 6,7 8,1

gemiddeld o laagst gemeten hoogst gemeten +
En sc nd h ijm Ti

ro n

Am st

en

D

N

Bron: Bureau Onderzoek (Leefbaarheidsonderzoek), Stadsbeheer en Milieudienst (BORG), landelijke cijfers Leefbaarheidsonderzoek

Ei

G

U

Doel 3: EEN STAD DIE SCHOON, HEEL EN VEILIG IS.
3a: Schoon en heel In onze stadsvisie staat de leefkwaliteit van de stad voorop. Een goed onderhouden openbare ruimte is in dat verband belangrijk. Een aantrekkelijke leefomgeving staat ook hoog op het verlanglijstje van de stadjers. We meten de prestaties op dit terrein op twee manieren: met jaarlijkse ‘objectieve’ schouwen door deskundigen gebaseerd op de BORG-systematiek (Beheerssysteem openbare ruimte Groningen) en met tweejaarlijkse waarderingscijfers van burgers. Over 2005 zijn er geen nieuwe waarderingscijfers vasn burgers over het beheer en onderhoud, omdat we de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete maar eens per twee jaar afnemen. De eerstkomende L&Venquete is najaar 2006; de resultaten daarvan zijn beschikbaar in de volgende monitor. Over het algemeen zijn de prestaties met het BORG-programma naar behoren. De technische inspecties en de BORG-schouwen (de ‘staven’ in de eerste 5 grafieken) tonen aan dat we op bijna alle aspecten het kwaliteitsniveau weten te handhaven. Op een aantal gebieden is zelfs sprake van een verbetering. De scores uit de Leefbaarheids- en Veiligheidsmonitor 2004 (de bolletjes in de eerste 5 grafieken en het oordeel over verloedering en de woonomgeving: de twee onderste grafieken) laten zien dat de burgers dit in grote lijnen onderschrijven. De belangrijkste uitzondering betreft het onderhoud van de speelvoorzieningen. Hier valt het oordeel van de burger beduidend lager uit dan het ‘objectieve’ BORG-oordeel. Circa 65% van de burgers is hier tevreden terwijl volgens de BORG-schouw ruim 90% ‘op norm-niveau’ is. Positief is verder dat de stadjers vinden dat er sinds 1998 duidelijk sprake is van minder verloedering: rommel op straat, bekladding van muren en gebouwen, vernielde bushokjes, hondenpoep. De gemiddelde score zakte van 4,6 naar 3,4. En hier geldt: hoe lager, hoe beter. Opvallend is dat ook de verschillen tussen wijken kleiner zijn geworden. Was in 1998 6,5 nog de slechtste score, nu is dat 4,5. Ook in de vergelijking met andere grotere GSB-steden komt Groningen op dit punt goed uit de bus. De relatieve tevredenheid van de burger zien we ook terug in het gemiddelde rapportcijfer voor de fysieke kwaliteit van de woonomgeving: die schommelt al jaren rond de 7,3 – 7,4. Vermeldenswaard daarbij is vooral dat we erin geslaagd zijn de laagste scores bijna een half punt omhoog te krikken, van een 6,3 naar een 6,7. Tegelijkertijd geven juist die laagste scores aan dat er nog wel degelijk werk aan de winkel is. Er zijn verschillen tussen wijken.

* Uitleg bij de grafieken aan de hand van de eerste grafiek: In 2001 vond 33% van de stadjers dat er veel onkruid zat tussen de verharding, in 2004 vond nog maar 26% dat (de gele bolletjes in de eerste grafiek). Het ‘objectieve’ BORG-oordeel over het onkruid tussen de verharding was in 2001 dat 25% van de gevallen niet voldeed aan de norm; in 2004 was dat verbeterd tot slechts 9% van de gevallen (de gele staafjes in de eerste grafiek).

7

DOEL 3b

EEN STAD DIE VEILIG IS
per 1000
7 6 5 4

Het aantal inwoners dat zich in de eigen buurt wel eens onveilig voelt neemt af tot 25% en de ontwikkelingen zijn gunstig in vergelijking met andere GSB steden
40%

Het aantal delicten mishandeling/geweld neemt af tot maximaal 4 aangiften per 1000 inwoners

30%

20%

10%

Groningen steden gemiddeld ambitie 2004 trend Groningen

3 2 1

aangiften ambitie trend

0%

0

19 96

19 97

19 98

19 99

20 00

20 01

20 02

20 03

20 04

20 05

19 98

20 00

20 02

19 96

19 97 /

per 1000
40 35 30 25 20 15 10

Het aantal woninginbraken neemt af tot maximaal 20 aangiften per 1000 woonruimten

19 99 /

20 01 /

20 04

per 1000
15

Het aantal vernielingen neemt af totmaximaal 7 meldingen per 1000 inwoners

aangiften ambitie trend

12

9

6

aangiften
3

ambitie trend

5 0
96 19 97 19 98 19 99 19 00 20 01 20 02 20 03 20 04 20 05 20 10 20

0
19 96 19 97 19 98 19 99 20 00 20 01 20 02 20 03 20 04 20 05 20 10

Huiselijk geweld: aantal aanmeldingen bij thuisfront, 2001-2005 en het aantal openstaande en afgesloten cases in 2005
180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2001 2002 2003 2004 2005 40 123 94 succesvol gesloten cases overige gesloten cases openstaand eind 2005

Het aantal meldingen van drugsoverlast neemt af tot maximaal 6 per 1000 inwoners
10 meldingen

2005

8

ambitie

6

4

2

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Zeer actieve veelplegers, 2005

Aantal jeudige verdachten per 1000 inwoners: het aantal per 1000 inwoners in de leeftijdscategorie 12 t/m 17 jaar blijft onder de 50 per 1000
70 12 t/m 17 jaar

9%
gedetineerd

60 50

38%

53%

traject

18 t/m 24 jaar 40 30 20 10 0 ambitie 12 t/m 17 jaar, 2005 2002 2003 2004 2005

overig

12 t/m 24 jaar

1) Cijfers 2005 nog niet bekend

Bron: Regiopolitie Groningen-Haren, meldpunt overlast, thuisfront, Ecorys (gegevens GSB)

20 10

Doel 3: EEN STAD DIE SCHOON, HEEL EN VEILIG IS*
3b Veilig Vanaf 1996 zien we een gestage daling van de onveiligheidsgevoelens. Daarbij valt op dat Groningen vergeleken met enkele andere GSB-steden vanaf 2001/2002 beter scoort, terwijl die vergelijking in de jaren daarvoor nog negatief uitpakte voor de stad. Dit past ook in de uitverkiezing van Groningen tot Veiligste Stad van Nederland. Wel bestaan er nadrukkelijk verschillen tussen wijken. In ons Veiligheidsplan 2005-2009 hebben we al ingezet op een meer gebiedsgerichte aanpak. Het aantal aangiften van geweldsdelicten is de laatste jaren ongeveer stabiel. Vorig jaar hebben we al geconstateerd dat we daarmee ver verwijderd zijn van onze ambitie om het aantal aangiften terug te dringen tot 1 per 1000 inwoners. Een vergelijking met enkele andere steden (Haarlem, Enschede, Breda, Arnhem, Nijmegen) leert dat Groningen gemiddeld scoort. En ook in die steden is het aantal aangiften de afgelopen jaren vrijwel stabiel gebleven. Gezien het voorgaande is het realistischer onze ambitie aan te passen naar maximaal 4 aangiften per 1000 inwoners in 2010. De daling van het aantal woninginbraken is ook in 2005 stevig doorgezet. De oorspronkelijke ambitie van 20 woninginbraken per 1000 woningen in 2010 is daarmee al ruim gehaald. Door uitbreiding van de inbraakpreventieprojecten van politie en stadsdeelcoördinatie, in samenwerking met de Stichting Veiligheidszorg Groningen, verwachten we dat deze daling de komende jaren door zal zetten. Na een aanvankelijk gestage daling van het aantal meldingen van vernielingen tussen 1998 en 2002 (van 14,4 naar 10,3 meldingen per 1000 inwoners) zien we dat de scores vanaf 2003 schommelen rond de 11 (2005: 11,2). Een duidelijke oorzaak hiervoor kunnen we niet geven. Vergeleken met Haarlem, Enschede, Breda, Arnhem, Nijmegen) scoort Groningen ook op dit punt gemiddeld. Sinds 2005 is de aandacht voor huiselijk geweld onderdeel van onze afspraken in het kader van het Grote Stedenbeleid. De aanpak van huiselijk geweld in Groningen wordt uitgevoerd door het samenwerkingsverband Thuisfront. Het aantal aanmeldingen bij Thuisfront is sinds 2001 enorm gestegen, van 10 in 2001 naar 132 in 2004. Ook in 2005 is het aantal aanmeldingen gestegen en wel tot 157. Dat komt omdat Thuisfront samen met de politie en de gemeente stevig heeft geïnvesteerd in het verhogen van de aangiftebereidheid. De Regiopolitie Groningen is onlangs op een landelijk congres over huiselijk geweld nog beloond met een prijs vanwege de goede samenwerking met de overige partners. Het aantal succesvol afgesloten cases (hulpverlening succesvol afgerond) in 2005 bedraagt 94 (37%). Dat is een forse verbetering ten opzichten van 2004 (42; 23%). Vergeleken met 2004 is het aandeel ‘overig’ afgesloten cases gedaald (22%!16%) evenals het aandeel openstaande cases (55%!48%). In 2005 zijn in de stad Groningen in totaal 497 veelplegers geregistreerd. Vergeleken met 2004 (517 veelplegers) is dat een lichte daling. Binnen de groep veelplegers is een selectie gemaakt van zeer actieve veelplegers die extra aandacht behoeven. Deze groep telt provinciebreed 130 personen, waarvan circa 100 in de stad. Van deze 130 is ruim de helft (53%) gedetineerd. Van de groep die niet gedetineerd is, zit ongeveer 80% in een traject (begeleid wonen, opvang, kliniek). Het aantal jeugdige veelplegers is gedaald van 15 (2004) naar 13 (2005). Alle jeugdige veelplegers krijgen via de jeugdreclassering of onder toezicht stelling begeleiding gericht op resocialisatie en nazorg. Het aantal meldingen van drugsoverlast is in 2005 wederom gedaald en wel naar 1,4 meldingen per 1000 inwoners. Vergeleken met 1998 is dat een forse verbetering. De ‘top 15’- aanpak en de onverminderde inzet van de politie op overlast spelen hierbij een belangrijke rol. Na een lichte stijging in 2003 in de leeftijdscategorie 12 t/m 17 jaar en een daling in 2004, was er het afgelopen jaar weer een stijging van het aantal jeugdige verdachten. Het is te vroeg om te spreken van een trend, maar de aanpak van jeugdcriminaliteit blijft voor ons een belangrijk aandachtspunt. * Omdat we de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete slechts één keer per twee jaar afnemen, zijn er dit jaar geen nieuwe cijfers over ‘subjectieve’ veiligheidsgevoelens.

9

DOEL 4 EEN STAD MET EEN VOORTREFFELIJK WOONKLIMAAT
aantal
190000 185000 180000 175000 170000 165000 160000 155000 150000
94 95 96 97 98 99 00 01 02 03 04 05 06 19 19 19 19 19 19 20 20 20 20 20 20 20 20 10

De stad Groningen telt in 2010 183.000 inwoners
saldo
0 -250 -500 -750

Het migratiesaldo van personen in gezinsverband met de regio blijft stabiel op -500

inwoners ambitie trend

-1000 -1250 -1500 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

migratiesaldo

100%

Ontwikkeling van de inkomens in de stad (midden) vergeleken met de regio en Nederland, 20% groepen
14,3% 13,2% 16,3% 13,3% 16,4% 13,8% 16,4% 14,7% 17,0%

index 110

De ontwikkeling van één- en meerpersoons-huishoudens en gezinnen met kinderen (1999= 100)

80%

17,2%

105

60%

18,2%

18,3%

19,2%

19,4%

19,8% 100

40%

19,9%

19,9%

20,8%

20,5%

21,0% 95

eenpersoonshuishoudens (38.534) meerpersoonshuishoudens zonder kinderen (28.812) gezinnen met kinderen (20.081)

20%

30,3%

32,2%

30,5%

30,0%

27,5% 90

0% 1994 1996 1998 2000 2002

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

De slaagkans van het vinden van een huurwoning in de sociale sector
Totaal > 2 persoons huishoudens 2 persoons huishoudens alleenstaand > 64 jaar < 23 jaar
0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 2005 2004 2002 1999
14

Schattingen van het aantal wachtmaanden voor een kamer voor studenten
200513
12 11 10 9

2004

eerstejaars ouderejaars

2003

8 7 6

2002 5
4 3

2001 2
1

0

6

12

18

24

30

36

42

48

wachtmaanden

aantal 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

Voltooide zelfstandige woningen afgezet tegen sloop en herpositionering
aantal
9000 Marktsector ongesubsidieerd 8000 7000 Marktsector gesubsidieerd 6000

De netto toename van de woningvoorraad bedraagt minimaal (2x) 3000 in de perioden 2003-2006 en 2007-2010 1)

saldo cumulatief ambitie Trend

5000 Sociaal 4000 3000 Sloop en herpositionering van woningen 2000 1000 0 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2010

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

1) 2005: voorlopig cijfer Bron:DIA (CIO), CBS, Woningnet, woningstichting IN, ROEZ

Doel 4: EEN STAD MET EEN VOORTREFFELIJK WOONKLIMAAT
Met ons woningbouw- en wijkvernieuwingsprogramma willen we de stad aantrekkelijk maken en houden voor verschillende doelgroepen Voor mensen die al in de stad wonen en voor mensen die overwegen hier te gaan wonen, uit alle inkomensgroepen. Juist door deze mix krijgen we een sterke en sociale stad. We proberen dat te bereiken door meer variatie aan te brengen in de woningvoorraad en door te investeren in een beter woon- en leefklimaat in de wijkvernieuwingswijken. Kwantitatief is het doel jaarlijks 1.350 woningen te bouwen in verschillende marktsegmenten. Dat doel is ook in 2005 niet gehaald; er werden 614 woningen opgeleverd en daarnaast nog 216 tijdelijke wooneenheden voor studenten aan het Damsterdiep. Waarschijnlijk in samenhang met de achterblijvende bouwproductie is het (negatieve) migratiesaldo van gezinnen tussen de stad en het gebied van de regiovisie (de resultante van in- en uitstroom) de laatste jaren opgelopen van -500 personen begin 2000 tot -837 in 2005. Daarmee zijn we terug op het peil van vòòr de regiovisie. Desondanks is het inwonertal van de stad ook in 2005 toegenomen. De groei is de laatste jaren echter wel steeds kleiner. Maar de in 2003 naar boven bijgestelde ambitie van 183.000 inwoners in 2010 lijkt gezien de progoses zeker haalbaar. Ook het aantal gezinnen met kinderen blijft groeien. Gezien de uitstroom naar de regio lijkt daar echter nog meer potentieel te zijn. Uit de cijfers over de inkomensverdeling in de stad vergeleken met de regio en de rest van Nederland blijkt een langzame maar gestage vooruitgang. Het aantal stadjers in de laagste inkomensgroep daalt (van 32,2% in 1996 naar 27,5% in 2002) terwijl het aandeel midden- en hogere inkomensgroepen groeit. Maar de stad staat hier nog steeds op achterstand. Het percentage van het totale aantal ingeschrevenen voor een sociale huurwoning dat ook werkelijk een woning vindt, is in 2005 voor het eerst weer gestegen, zij het licht. Die vooruitgang geldt met name ouderen en gezinnen. Maar de kans op het vinden van een huurwoning blijft laag. Dat hangt samen met de hierboven genoemde (landelijke) stagnatie in de bouw en een gebrek aan doorstroming. Ook dat is een reden waarom dit nieuwe college veel nadruk legt op verhoging van de bouwproductie: om de wachttijd voor sociale huurwoningen weer te verlagen tot het niveau van 1999. De marktsituatie voor studentenkamers is weergegeven op basis van gegevens van IN, die beschikt over ca. 3000 kamers. Het is daarmee een indicatie van de markt. Uit die cijfers blijkt dat de situatie voor ouderejaars is verbeterd. Voor eerstejaars is de wachttijd vergeleken met 2004 echter weer iets opgelopen: van 3-8 maanden in 2004 naar 5-7 maanden in 2005. De ambitie is om alle eerstejaars binnen 3 maanden aan een kamer te kunnen helpen. Opvallend: ondanks een groei van het aantal studenten aan de RUG en de Hanzehogeschool van 33.000 in 1998 naar ruim 41.000 in het collegejaar 2004-2005, is die groei niet in de stad terecht gekomen. Het aantal studenten dat in de stad woont, is in die jaren ongeveer constant gebleven (ca. 23.000), terwijl het aantal studenten dat buiten de stad woont, is toegenomen van ruim 10.000 naar 18.000 à 19.000. Wat de oorzaak daarvan is (gebrek aan kamers in de stad of financiële overwegingen - thuis blijven wonen is goedkoper - of een combinatie daarvan) is een andere vraag. Tot slot. Met de eerste signalen van een opleving van de economie lijkt de woningproductie weer voorzichtig aan te trekken. Voor 2006 verwachten we een productie van circa 770 woningen; vanaf 2007 en daarna verwachten we meer dan 1000 woningen per jaar te kunnen bouwen: op CiBoGa, de Held III en in Meerstad, maar ook door wijkvernieuwing en projecten van de Intense Stad. In ons collegeprogramma hebben we afgesproken belemmeringen voor verhoging van de bouwproductie weg te nemen, voor zover dat in ons vermogen ligt. Daarnaast zetten wij erop in dat we in regiovisie-verband niet alleen sturen op aantallen, maar ook gaan sturen op kwaliteit, om ongewenste onderlinge concurrentie te voorkomen.

11

DOEL 5

EEN STAD DIE ZICH DUURZAAM ONTWIKKELT

Mate waarin de uitvoering van het Milieubeleidsplan 'Stadsleven Natuurlijk' en het Klimaatplan op koers ligt Milieubeleidsplan (totaal 47 ambities tot 2004, 2005 40 ambities)
100% 100%

Klimaatplan (totaal 51 ambities)
100% 90% 80%

Inkoop van groene stroom door de gemeente Groningen

ambitie (t/m 2005 minimaal te behalen) percentage inkoop

80%

80%

Uitvoering loopt achter op de planning Uitvoering loopt volgens planning Uitvoering loopt voor op planning

70% 60% 50% 40% 30%

60%

60%

40%

40%

20%

20%

20% 10%

0% 2002 2003 2004 2005

0% 2003 2004 2005

0% 2002 2003 2004 2005 2006

index 140 130 120

De omvang van het OV-gebruik stijgt tot 2010 met 25 à 30 %

index

De omvang van het gebruik van de fiets in de stad blijft stabiel in relatie tot de bevolkingsontwikkeling

120 110 100

110 100 90 80 70 60 50
94 96 98 00 02 04 10 19 19 19 20 20 20 20

90 80 70 60 50
94 96 98 00 02 04 19 19 19 20 20 20 20 10

index gemeente Groningen ambitie trend

index ambitie (index bevolkingsontwikkling) trend

Overschrijdingen luchtkwaliteitsnorm in kilometers weglengte
hectare

Ecologische structuur en binnenwater in hectaren

stikstofdioxide (NO2)
25
12

fijnstof (PM10)

1000

>20

10

20
8

Overschrijding grenswaarde jaargemiddelde concentratie Overschrijdingen plandrempel jaargemiddelde concentratie Overschrijdingen plandrempel daggemiddelde concentratie

800 ecologische structuur 600 ambitie 2008

km weg

km weg

15

6

10
4

400

waarvan ecologisch beheerd

5

2

200

stadswater

0 2001 2002 2003 2004

0 2001 2002 2003 2004 0 2000 2006

Bron: Mileudienst, ROEZ

Doel 5: EEN STAD DIE ZICH DUURZAAM ONTWIKKELT
In januari 2005 heeft de raad het nieuwe Milieubeleidsplan ‘Stadsleven Natuurlijk’ vastgesteld voor de jaren 2005 t/m 2008. Dit plan bevat 40 acties voor een gezonde, schone en duurzame leefomgeving. Uit de eerste grafiek blijkt dat het gros van de daarin uitgezette acties op schema ligt. Ook de uitvoering van het huidige Klimaatplan ligt op koers. In ons collegeprogramma hebben we overigens aangekondigd dat Klimaatplan te herijken, met als doelstelling van Groningen een energieneutrale stad te maken. In dat kader past ook het streven naar inkoop van 100% groene stroom. In 2005 heeft het vorige college daarin al een flinke stap gezet door het aandeel groene stroom te verhogen tot 50%. De laatste jaren blijft het openbaar vervoergebruik grosso modo stabiel. Onze ambitie van een substantiële groei is pas haalbaar met een forse kwaliteitssprong van het openbaar vervoer in de stad en de regio, zoals geschetst in Kolibri. De groeiambitie van het openbaar vervoer is destijds ook geformuleerd onder de aanname van realisering van het Kolibri-plan. Het gebruik van de citybus (niet afgebeeld) is ten opzichte van 1998 bijna verdubbeld. In 2004 en 2005 is de groei wel afgevlakt. Het gebruik van het terrein aan de Zaanstraat blijft echter groeien. Conform de Beleidsnota Fietsverkeer 2001 is en wordt er fors geïnvesteerd in maatregelen om het gebruik van de fiets te stimuleren. Ook de komende jaren trekken we daar extra geld voor uit. Tellingen wijzen uit dat het aantal fietsbewegingen toeneemt en dat het relatieve aandeel van de fiets in alle vervoersbewegingen (zoals woon-werkverkeer) over de jaren heen een licht stijgende lijn vertoont die gelijke tred houdt met de bevolkingsontwikkeling. De luchtkwaliteit is een speerpunt van dit college. Op dit terrein is in 2004 vooruitgang geboekt. De wettelijke grenswaarde voor NO2 is in 2004 op veel minder wegen overschreden dan in 2003. Aan deze grenswaarde moet uiterlijk 2010 worden voldaan. De plandrempel werd in 2004 alleen nog overschreden in het stationsgebied. Daarop is een luchtkwaliteitsplan gemaakt. Als uitvloeisel daarvan heeft Arriva schonere bussen aangeschaft en hebben we de doorstroming in het gebied verbeterd. Aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10) moet uiterlijk in 2005 worden voldaan. Vooral dankzij klimatologische factoren was het aantal overschrijdingen in de stad in 2004 veel lager dan in 2003. In maart 2006 is de Ontwerpwet Luchtkwaliteit naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze wet voorziet in een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Doelen van de wet zijn om de voortgang van ruimtelijke en verkeersprojecten weer vlot te trekken en tegelijkertijd de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Voor een effectieve aanpak van de fijn stof problematiek zijn strengere Europese uitstootnormen voor voertuigen onontbeerlijk. De stedelijke ecologische structuur is sinds 2000 met 12% uitgebreid tot in totaal 845 hectare. In ons collegeprogramma hebben we als ambitie geformuleerd dat in 2008 de totale ecologische structuur ook ecologisch beheerd wordt. Het oppervlak van de stedelijke waterstructuur is sindsdien met 3,3% toegenomen tot in totaal 290 hectare. De inzet bij de uitvoering van het Waterplan is erop gericht om de stedelijke waterberging zoveel mogelijk binnen het stedelijk gebied te realiseren met behulp van waterstructuurplannen. Hiermee zijn slechts een paar indicatoren van duurzame ontwikkeling genoemd. Veel van ons beleid is geïntegreerd in andere sectoren. Denk bijvoorbeeld aan de afspraken met de regio over regulering van de woningbouw (om versnippering en verlies van landschappelijke kwaliteit te voorkomen) en aan de revitalisering van bestaande bedrijfsterreinen (Terreinwinst). Mede door ons beleid rond vergunningverlening en handhaving voldoen bedrijven waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, aan de basiskwaliteit milieuzorg en daarmee aan de belangrijkste milieuvoorschriften. In de stadsecologie sturen we op kwaliteitsaspecten in planvorming en beheer van water en groen. En de overlast door verkeerslawaai en luchtverontreiniging is (relatief) beperkt door ons verkeers- en ruimtelijke beleid.

13

DOEL 6 EEN STAD WAARIN IEDEREEN MEE DOET
score

Citoscores, Groningen vergeleken met Nederland

Het percentage voortijdig schoolverlaters (12-23 jaar) daalt naar 4,5% over de periode tot 2010, minimaal de helft komt op een vervolgtraject
8%
% (voortijdige) schoolverlaters zonder diploma afspraak voor een vervolgtraject ambitie

535,5 535,0 534,5 534,0

6%

4%
533,5

Landelijk
533,0 532,5 532,0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Groningen

2%

70% 42% 66%

76%

0% 20012002 20022003 20032004 20042005 2010

aantal

Aantal jongeren van 18 t/m 23 jaar dat bij de gemeente is aangemeld en waarmee het RMC bemoeienis heeft gehad
2500

400

Het aantal jongeren van 15-22 jaar dat ten hoogste beschikt over een VMBO diploma daalt in vergelijking met 2003 met 10%

absoluut aantal

300

Via OCSW/ RMC Via Jongerenloket/ CWI Preventie project ROC

2000
7,5%

ambitie aantal 7,2% 7,0% 6,75%

1500

200

1000

100

500

0
2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005

0 2003 2004 2005 2010

aantal

Bijstandsgerechtigden naar uitkeringsduur per 1 april

12000 10000 8000 >=3 jaar 6000 4000 2000 0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 < 3 jaar

aantal 12000

Uitstroom van bijstandsgerechtigden, totaal en naar regulier en gesubsidieerd werk

10000

overige uitstroom gesubsidieerd werk regulier werk

8000

6000

4000

2000

0

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Het percentage clienten van verslavingszorg waarbij de beëindiging van de hulpverlening regulier is afgesloten bedraagt in 2010 tenminste 45%
50%
% regulier afgesloten

dagen 300 250 200

De gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang in dagen
Lauwershuis, woontrainingscentrum Hoendiephuis, woonpension (jong)volwassenen Eemshuis, 24uursopvang

45%

ambitie

40%
Lineair (% regulier afgesloten)

150 100 50 0

35%

den Eikelaar, crisisopvang

30%
00 01 02 03 04 20 20 20 20 20 20 10

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Bron: OCSW, ABCG, Sozawe (IPC), VNN, instellingen voor daklozenopvang

Doel 6: EEN STAD WAARIN IEDEREEN MEEDOET
Met het doel ‘Iedereen doet mee’ drukken we uit dat iedere inwoner van de stad op zijn eigen wijze moet kunnen deelnemen aan de Groningse samenleving; een deelname die zowel bij zijn behoeften aansluit als bij die van de gemeenschap en die iedere burger het gevoel geeft erbij te horen. Dit stadsdoel is vertaald in twee subdoelen: ‘iedereen een startkwalificatie’ en ‘iedereen doet mee’. In het kader van het Grote Stedenbeleid zijn voor beide subdoelen afspraken gemaakt met het Rijk. Deze afspraken zijn meegenomen in deze stadsmonitor. Iedereen een startkwalificatie Het ontwikkelen en in stand houden van de educatieve infrastructuur in de stad is een van de onderdelen van het integrale jeugdbeleid dat in de nota Opgroeien in Balans is vastgesteld door de raad. Dat moet bijdragen aan het verkleinen van achterstanden en het bieden van kansen voor het vergroten van de mogelijkheden van mensen om deel te nemen aan de samenleving. Uiteindelijke doel is dat alle jongeren een startkwalificatie halen, d.w.z. minimaal niveau 2 MBO of een diploma HAVO/VWO. Een van de indicatoren voor de stand van dit beleid is de Cito-score. Gemeentelijke doelstelling is het verkleinen van de afstand tussen de gemiddelde Groningse Cito-scores en de landelijke scores. In 2003 was dat doel bereikt. In 2004 is echter opnieuw een verschil ontstaan, dat we ook in 2005 terugvinden (1,4 punten). De oorzaken van dat verschil kunnen heel verschillend zijn. Bijvoorbeeld een verschil in achtergrond van de kinderen, zoals de sociaal-economische status en/of de etniciteit van de ouders. Uitspraken daarover vergen een nadere analyse. Eén van de afspraken met het Rijk betreft het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (VSV) en het (her)plaatsen van scholieren op een vervolgtraject, zodat zij alsnog een startkwalificatie behalen. Het aandeel VSV-ers is afgelopen jaar verder gedaald. Belangrijke pijlers voor de aanpak van het voortijdig schoolverlaten zijn het team leerlingzaken, de RMC trajecten, Time Out/Rebound en het schoolmaatschappelijk werk. Het afgelopen jaar heeft deze gecombineerde inzet zijn vruchten afgeworpen: In het schooljaar 2004-2005 is het percentage herplaatste jongeren gestegen tot ruim 75%. Daarmee voldoet Groningen ruimschoots aan de Lissabon-richtlijn. Het aantal jongeren van 15 tot 22 jaar dat ten hoogste beschikt over een VMBO-diploma laat eveneens een positieve ontwikkeling zien. In 2003 lag dit nog op 7,5%, in 2005 was gedaald naar 7%. Hiermee komen we al dicht in de buurt van de doelstelling voor 2010, namelijk 6,75%. Het ontbreken van een landelijk onderwijsnummer maakt overigens dat deze cijfers niet helemaal betrouwbaar zijn. Om dezelfde reden is het niet mogelijk goed bij te houden hoeveel jongeren uiteindelijk wel of niet beschikken over een startkwalificatie. We moeten het doen met deze indicaties. Iedereen doet mee Werk is een belangrijke vorm van meedoen in de samenleving. Bij doel 1 is daarover al een aantal cijfers genoemd. Hier constateren we dat de stijging sinds 2002 van het aantal bijstandsgerechtigden in 2005 nagenoeg tot stilstand is gekomen. Dat past bij een herstellende economie. In lijn daarmee zien we dat de uitstroom naar werk in het afgelopen jaar weer iets is toegenomen. Het aantal mensen dat langer dan 3 jaar in de bijstand zit is opnieuw gedaald, van ruim 5400 in 2003 naar 4500 in 2005. De sterkere gerichtheid van reïntegratie op het krijgen van regulier werk kan hiervoor mede een verklaring zijn. Niet voor iedereen is regulier werk direct aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan de groep daklozen, verslaafden en mensen met psychische problemen. Met het programma Uit de goot beogen we deze doelgroep in staat te stellen weer deel te nemen aan de maatschappij. In lijn met deze gerichtheid op uitstroom zijn met het Rijk afspraken gemaakt over het aantal regulier afgesloten behandelingen in de verslavingszorg en over de verblijfsduur in de maatschappelijke opvang. Sinds 2002 is er een stijgende lijn in het aantal regulier afgesloten behandelingen in de verslavingszorg. Hiermee koersen we op de afspraak met het Rijk. De gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang verschilt tussen de verschillende soorten opvanghuizen. Maar de verblijfsduur ligt onder de afspraken die daarover met het Rijk zijn gemaakt.

15

DOEL 7 EEN GEZONDE STAD Jeugd, naar schooltype
perc.
20

Leeftijdsspecifiek
perc.
80 62 57

Overgewicht naar schooltype, 2004

Overgewicht naar leeftijd, Groningen (2002) met Nederland (2004) vergeleken

16 4 12

vetzucht overgewicht

60

Nederland gemeente Groningen
40 39

58 53 42 51

40 8 12 4 0 4 0 0 20 21 20 9 10 9 8 9 9

35 28

vmbo

havo-vwo

9-11 jr.

13-14

15-16

20-24

25-34

35-44

45-54

55-64

65 eo

Percentage Groningers dat voldoet aan de Nederlandse norm gezond bewegen, naar schooltype, 2004
perc.
80 72 63 60 46

perc.
80

Percentage Groningers dat voldoet aan de Nederlandse norm gezond bewegen naar leeftijd, 1998 en 2002

60

58 53 53 52 49 52 50

53

52 53

41 40 31

42

20

elke dag minimaal 1 uur actief bewegen lid sportvereniging

40

beweegt half uur per dag 1998 beweegt half uur per dag 2002

20

0

0

basisonderwijs

vmbo

havo-vwo

20-34

35-49

50-64

65 eo

totaal

Niet roken naar schooltype
perc.
100 83 80 66 60 60 73 83 80 78

perc.
100

Niet roken naar leeftijd, Groningen (2002) met Nederland (2004) vergeleken
89

Nederland Groningen
72 65 56 65 61 62 58 62

83 80 69 64

40

40

20

2000

2004

20

0

0

vmbo

havo-vwo

13-14

15-16

20-34

35-49

50-64

65 eo

totaal

perc.
60

Alcoholgebruik: 5 glazen of meer per keer in de laatste 4 weken naar schooltype, 2004

perc.
100

Alcoholgebruik: 6 glazen of meer per keer in de laatst 4 weken naar leeftijd, 2002
17 11 21 38 52 43 7 17 26 7 13

10 40 7 13 20 21 0

5x of meer
3 8 8

80

4x of meer 1-4x 0x geen alcohol

3-4x

60

2x 1x

40 34

54 47 14 24

43

17

20 11

18

0

vmbo

havo-vwo

20-34

35-49

50-64

65 eo

totaal

Bron: HVD, jeugdpeling en gezondheidsenquête

Doel 7: EEN STAD WAARIN IEDEREEN GEZOND IS
De GGD hanteert als indicatoren voor een gezonde stad enkele kenmerken van de leefwijze: overgewicht, voldoende bewegen, niet-roken en alcoholgebruik. Algemene conclusie is dat risicogedrag zich concentreert in groepen en wijken met sociaal-economische achterstanden. Voorlichting en interventies worden daarom gericht op deze groepen en wijken ingezet. Deze indicatoren worden niet jaarlijks gemeten; de cijfers en de toelichting daarbij zijn daarom hetzelfde als vorig jaar. Overgewicht Overgewicht is een belangrijke voorspeller van het risico op ziekte en vroegtijdige sterfte. Het aantal mensen met overgewicht neemt toe; de grootste toename zit in de groep jong volwassenen. Ook in de stad is het aantal volwassenen met overgewicht beduidend toegenomen, zij het minder dan elders in Nederland. Het percentage volwassenen met overgewicht in de stad bedroeg in 2002 38%. Dit cijfer wordt sterk beïnvloed door de specifieke bevolkingsopbouw van de stad. De aanwezigheid van veel en hoog opgeleide jongeren, afgestudeerden en een relatief hoog opgeleide beroepsbevolking weerspiegelt zich in het relatief lage percentage personen met overgewicht. Alleen bij personen van 65 jaar en ouder is er in de gemeente Groningen vaker overgewicht dan landelijk. Er is ook vaker overgewicht op VMBO-scholen vergeleken met HAVO/VWO-scholen. In het Grote Stedenbeleid staat het terugdringen van overgewicht bij kinderen centraal. De GGD gaat daarom de komende GSB-periode in het basisonderwijs gericht monitoren op overgewicht. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd. Op basis van de screenings worden gerichte interventies uitgevoerd. Voldoende bewegen Voldoende lichaamsbeweging verbetert de fitheid, vermindert de toekomstige kans op ziekte en helpt bij het voorkómen van overgewicht. De Nederlandse Norm gezond Bewegen (NNGB) betekent voor jongeren per dag minimaal 1 uur matig intensief bewegen; voor volwassenen is dat een half uur per dag gedurende minimaal 5 dagen per week. Bijna tweederde van de jongeren en de helft van de volwassenen in de gemeente Groningen voldoet aan de NNGB. Het beweegpatroon in de gemeente Groningen was de afgelopen jaren stabiel. In het basisonderwijs is bijna driekwart van de kinderen lid van een sportvereniging en in het voortgezet onderwijs daalt dat naar de helft. Het blijkt dat in het voortgezet onderwijs VMBO-leerlingen minder bewegen en minder vaak lid zijn van een sportvereniging. Met de hierboven genoemde constatering dat op VMBO-scholen vaker sprake is van overgewicht, vraagt dit dus om extra inspanningen voor deze groep. Roken Tabaksgebruik is een erkend en notoir risico voor de volksgezondheid. Sinds 1990 wordt er in de gemeente Groningen door volwassenen méér gerookt in vergelijking met landelijke referentiecijfers. Landelijk en elders in de provincie was er sprake van een geleidelijke daling in het percentage rokers (2002 t.o.v. 1994 en 1998) maar in de stad Groningen was deze trend afwezig. In 2002 werd door tweederde van de volwassen stadjers niet gerookt; landelijk is de groep niet-rokers 5% groter. Wel valt op dat in de gemeente Groningen in het voortgezet onderwijs minder gerookt wordt in vergelijking met landelijke referentiecijfers. Maar ook hier blijkt dat in het VMBO het aantal niet-rokers 10% lager ligt dan op de HAVO-VWO. Alcoholgebruik Overmatig alcoholgebruik is nadelig voor de lichamelijke en psychische gezondheid en kan het sociale leven ontwrichten. Eén van de criteria voor overmatig alcoholgebruik is het gebruik van 5-6 glazen alcohol op een dag. Van de volwassen stadjers gebruikt 13% eens per week of vaker 6 of meer glazen alcohol. Dat is hoger dan landelijk. Maar vooral op jonge leeftijd wordt veel gedronken. Bij 20-34 jarigen drinkt meer dan de helft van de stadjers 1x of vaker per maand 6 of meer glazen alcohol. In het voortgezet onderwijs wordt met name door VMBO-leerlingen vaker stevig gedronken. De helft van de VMBO-leerlingen gebruikte in de voorafgaande maand 5 of meer glazen alcohol per dag, bij HAVO-VWO was dat 36%.

17

DOEL 8 EEN STAD DIE BRUIST OP CULTUREEL EN SPORTIEF GEBIED
aantal
300.000 Stadsschouwburg /Kruithuis / Oosterpoort Martiniplaza

Bezoekeraantallen aan muziek en theater *)

250.000

200.000

150.000 Overige theaters 100.000 Podia Vera en Simplon

50.000

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

aantal
400.000 350.000 300.000 250.000 200.000 150.000 100.000 50.000 0 1999

Bezoekersaantallen Groninger musea

leden 40000

Leden en uitleningen bij de Openbare Bibliotheken

uitleningen 2000000

Groninger Museum Overige musea 30000 1800000

20000

1600000

10000

jeugd volwassen aantal uitleningen

1400000

0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

1200000

index

Bezoekersaantallen bioscopen, Groningen vergeleken **)

aantal
500.000

Bezoekersaantallen en verenigingsuren zwembaden

uren
7.000

110 105 100 95 90 85 80 75 70 2001 2002 2003 2004 2005

400.000 Overdekt 300.000 Openlucht Uren verenigingen (overdekt)

6.600

6.200

200.000 Groningen (6e plaats) Top 15 steden

5.800

700.000

100.000

5.400

0 2001 2002 2003 2004 2005

5.000

Bezoekers topsportwedstrijden in de gemeente
Voetbal Basketbal Volleybal Korfbal IJshockey

202.500 66.350 10.000
seizoen 2004-2005

7.600 4.500 0 50.000 aantal bezoekers 100.000

seizoen 2003-2004 seizoen 2002-2003

150.000

200.000

*) (Een gedeelte van) de cijfers van 2005 nog niet bekend **) Bioscoopbezoek geschatte cijfers Bron: OCSW, Theaters en podia, marketing Groningen, Openbare Bibliotheek, NVB, zwembaden, sportverenigingen

Doel 8: EEN STAD DIE BRUIST OP CULTUREEL EN SPORTIEF GEBIED
Cultuur Het jaar 2005 was cultureel gezien opnieuw een bruisend jaar. Regelmatig terugkerende festivals als Noorderslag/Eurosonic, het Bevrijdingsfestival, New Attraction, Noorderlicht, Noorderzon, het Filmfestival en het Jonge Hartenfestival trokken opnieuw een groot en divers publiek. Noorderslag/Eurosonic is inmiddels live op meer Europese radio-stations te horen dan het Songfestival. Over Groningen Promotie gesproken. Een belangrijke versterking van de culturele infrastructuur was de opening van de nieuwe galerie van Noorderlicht. Naast de fotomanifestatie, die dit jaar in Groningen plaatsvond en een groot publiek trok, is er nu ook de galerie die met wisselende exposities het hele jaar door mensen weet te trekken. Voor de toekomst is belangrijk dat de instellingen die het Groninger Forum inhoud gaan geven (Bibliotheek, Groninger Museum, Noordelijk Scheepvaart Museum, de Groninger Archieven, Images en de Volksuniversiteit) na het referendum de handen ineen hebben geslagen om vooruitlopend op de opening van het gebouw te werken aan een gezamenlijke programmering. Het eerste gezamenlijke project werd georganiseerd rond de Van Giffen-tentoonstelling die werd geopend door de staatssecretaris voor Cultuur. Hieronder nog enkele in het oog springende onderwerpen en activiteiten, in willekeurige volgorde. Een highlight was natuurlijk het Diaghilev-festival. Dit succesvolle festival werd georganiseerd door diverse culturele instellingen in de stad. In de vijf dagen dat het festival duurde, waren er 20.000 bezoekers. Circa 300 vrijwilligers werkten aan het festival mee. De gemiddelde zaalbezetting was 87%. - Toch daalde het aantal bezoekers van het Groninger Museum dit jaar opnieuw - In 2005 is Ronald Ohlsen verkozen als nieuwe stadsdichter verkozen. - Evenals vorig jaar is het bioscoopbezoek zowel in Groningen als landelijk gedaald. Images lijkt vooralsnog een uitzondering op deze trend. Ook dit jaar brachten de meer dan honderd gesubsidieerde amateur-verenigingen weer honderden uitvoeringen op de planken met hun bijna 3000 leden. - In het onderwijs doen steeds meer scholen mee aan het programma cultuureducatie (schooljaar 2005/2006: 20 scholen), ondersteund door het ABCG en het Kunstencentrum. Uit de evaluatie hiervan in 2005 is gebleken dat de ingeslagen richting van cultuureducatie zijn vruchten afwerpt. Sport In 2005 heeft de raad een aantal besluiten genomen over de vormgeving van het sportbeleid in de stad op de onderdelen accommodaties en sportstimulering. In de nota ‘Sport in Beeld’ is aangegeven hoe we de komende jaren de kwaliteit van de sportaccommodaties weer op orde brengen. Projecten die in dit kader in 2005 zijn gestart zijn onder andere de herschikking van zwemwater in Groningen-zuid, onderzoek naar de mogelijkheden van Sportcentrum Kardinge, herschikking van sportvelden, gymlokalen en een nieuwe aanpak voor (top)sporthallen. Groningen kent een sterk en levendig verenigingsleven. Dat vormt de sportieve basis voor een bruisende stad op sportief gebied die een groot aantal sportevenementen en -activiteiten genereert. In 2005 vond er een flink aantal topsportevenementen plaats en daarnaast een groot aantal kleine sportevenementen en activiteiten. Het aanbod was zeer divers: variërend van het Atletiek Gala in Martiniplaza en Eurochamp Wheelchair Tennis tot een gecombineerd Beachvolleybaltoernooi / EK Bobstart op de Grote Markt. Uiteraard waren er ook de jaarlijks terugkerende evenementen zoals de 4 mijl van Groningen en het Eurovoetbal. Bij grote evenementen is intensief samengewerkt met Marketing Groningen om zoveel mogelijk bezoekers van buiten de stad te trekken. De grote evenementen kenden ‘site events’ met clinics voor de jeugd (subsidievoorwaarde), terwijl het subsidiegeld voor kleine evenementen en activiteiten veelal is ingezet op de jeugd. In 2005 is in de wijken Indische buurt/De Hoogte en Beijum-Oost gestart met het sportstimuleringsproject B-slim. Daarin werken verschillende partijen samen om kinderen en jongeren van 0-20 jaar te stimuleren tot bewegen, sport en fair play. Door dit project hebben kinderen de mogelijkheid om iedere dag te sporten. Dit project wordt nu in meerdere wijken ingezet.

19

DOEL 9
10%

EEN STAD WAARIN IEDEREEN IS GEÏNTEGREERD 1)
Ontwikkeling van de groepen allochtonen in percentages van de totale bevolking van de gemeente

Westers (17.188)
8%

Overig niet Westers (7.971)
6%

Surinamers (3.177)

4%

Antillien/Aruba (3.100)

Turken (1.175)
2%

Marokkanen (1.009)

0% 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006

Bevolkingssamenstelling naar etniciteit, Groningen vergeleken met de G27-gemeenten van het grote stedenbeleid Groningen, 2006 G27 zonder Groningen, 2005

Westers Marokko

9,5%

autochtonen
81,4%

10,6% autochtonen 77,3% allochtonen 22,7% 2,0% 3,6% 1,0% 1,4% 4,0% Overig niet Westers Turkije Antillen/Aruba Suriname

allochtonen

18,6%

0,6% 0,6% 1,7% 1,8% 4,4%

perc.

Voortijdig schoolverlaters naar etniciteit, percentage ten opzichte van de jeugd van 12 t/m 22 jaar

perc. 28 24 20 16 12 8

Jongeren van 15 t/m 22 jaar met ten hoogste VMBO naar etniciteit
Marokkanen Surinamers

15
Antillen/Aruba

12

Westers

9
Surinamers

Turken Westers Antillen/Aruba Autochtonen

6
Overig niet Westers

3
Autochtonen

Overig niet Westers 4

0 '01-'02 '02-'03 '03-'04 '04-'05

2003

2004

2005

perc.

NWW'ers, percentage t.o.v. de bevolking van 15-64 jaar, 1 jan
Antillen/Aruba

In- en uitstroom van nieuwkomers op inburgeringstrajecten (aantallen)
300

28 24
Marokkanen

250

instroom

20 16 12 8 4 2001 2002 2003 2004 2005

Turken Surinamers Overig niet Westers Westers Autochtonen

200

150

afgeronde trajecten (incl. van voorgaande jaren) overige uitstroom (incl. van voorgaande jaren)

100

50

0 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

1) Algemeen: Westers (CBS) = Europa, VS, Canada, Japan, Oceanië, Indonesië, (Ned)Indië en (Ned)Nieuw Guinea Bron: DIA, OCSW, SOZAWE (Bureau Nieuwkomers), CBS

Doel 9: EEN STAD WAARIN IEDEREEN GEÏNTEGREERD IS
Dit is het tweede jaar dat over dit doel gegevens zijn opgenomen in de stadsmonitor. We kijken hierbij naar de omvang en ontwikkeling van verschillende bevolkingsgroepen in Groningen. Daarnaast zijn grafieken opgenomen over voortijdig schoolverlaten, jongeren met ten hoogste een VMBO-diploma en bijstandsgerechtigden, waarbij specifiek is weergegeven hoe verschillende allochtone groepen het op deze gebieden doen. Ook zijn cijfers opgenomen over de in- en uitstroom van nieuwkomers op inburgeringstrajecten. De keuze voor deze cijfers is uiteraard niet toevallig. Het komt overeen met de afspraken die wij met het Rijk hebben gemaakt in het kader van de derde periode van het Grote Stedenbeleid. Voor alle cijfers geldt dat het gaat om kleine aantallen. Dat betekent dat ze alleen met de nodige voorzichtigheid kunnen worden geïnterpreteerd. In Groningen is inmiddels 18,6% van de bevolking van allochtone afkomst1. In 1999 was dat nog 16,1%. De groei van de stad tussen 1999 en 2006 (+9.676 inwoners) komt voor tweederde deel op het conto van allochtonen. Ook Groningen wordt daarmee langzaam steeds internationaler. Overigens is het aandeel allochtonen hier kleiner dan in andere vergelijkbare gemeenten in Nederland (G27, d.w.z. de 27 deelnemende gemeenten aan het Grote Stedenbeleid minus de G4). Ook de etniciteiten in Groningen verschillen van die in de G27. In Groningen wonen relatief weinig Marokkanen en Turken, terwijl het aandeel Antillianen en Arubanen en Surinamers iets groter is. Daarbij valt op dat het aandeel ‘overig niet-westers’ het sterkst groeit. De overige groepen blijven de laatste jaren procentueel min of meer stabiel. In het voortgezet onderwijs is het aandeel allochtonen in de totale groep voortijdig schoolverlaters relatief groot. Was er in in 2003/2004 sprake van een daling van de groep VSV-ers met allochtone afkomst, in 2004/2005 is dit juist weer gestegen. Dat geldt met name voor de groep Antillianen en Arubanen. Om deze reden hebben we in 2005 een project ontwikkeld onder deze risicojongeren om onder andere de aanpak vanuit de leerplicht op deze groep te intensiveren. Bij de jongeren met ten hoogste een VMBO-diploma is de groep allochtonen oververtegenwoordigd. Maar ten opzichte van 2003 is bij de meeste allochtone groepen wel sprake van een daling, behalve de groep Antilliaanse/Arubaanse jongeren, die ongeveer constant is gebleven. Bij de groep NWW-ers2 is vooral het aandeel niet-westerse allochtone stadjers relatief groter dan het aandeel autochtonen. Bij sommige groepen - met name Turken en Antillianen/Arubanen - lijkt daarbij sprake te zijn van een stijging. Maar net als bij de vorige grafieken geldt dat het gaat om relatief kleine aantallen, waardoor er snel sprake kan zijn van schommelingen in de cijfers. Ten aanzien van in- en uitstroom van nieuwkomers vallen twee dingen op: ten eerste dat de instroom de laatste jaren afneemt (mogelijk als gevolg van minder landelijke instroom), en ten tweede dat het aantal niet-afgeronde trajecten inmiddels bijna 0 is. En dat is positief.

1

Om de landelijke vergelijkbaarheid te vergroten, hanteert de DIA sinds kort niet meer de VNG-definities van allochtonen maar de CBS-indeling. Belangrijk verschil is dat in de VNG-systematiek iemand die in het buitenland is geboren uit twee Nederlandse ouders als buitenlander werd geteld, terwijl dat in de nieuwe CBSsystematiek een Nederlander is. Voor de stad betekent dit dat wij vergeleken met overzichten uit voorgaande jaren bijna 2000 minder allochtone inwoners hebben. Alle cijfers en grafieken zijn hierop aangepast. 2 Tot voor kort kregen we de gegevens over werkloosheid alleen van het CWI. Het CWI registreerde echter niet volledig: het invullen van het veld ‘etniciteit’ is niet verplicht. Daarmee waren de CWI cijfers niet volledig en in het algemeen te laag. Inmiddels is daarvoor een technische oplossing gevonden. Alle cijfers zijn hiervoor gecorrigeerd. Gevolg is echter wel dat de cijfers niet meer vergelijkbaar zijn met die uit de vorige monitor.

21

DOEL 10

EEN STADHUIS IN HET HART VAN DE STAD
De telefonische bereikbaarheid voldoet aan de norm zoals gesteld in Stad en Stadhuis

perc 100

4

20

100 perc 2002

80

80

3

15
60

2003

60

2
40

10
40

2004

2005

1
20

5

20 norm (minimaal, = maximaal)
ikt be re m en ch ei tie po si d ne as g da g de n aa n in g op l os s bi e in t/a fd el en s di de l

0
n te le fo o

0
m en op ne

0
t ch wa t ze ge
ijk

0
ou si

en th

m id

em en

lh ei d

na am

nd el

go ed

op n

vr ie

ju is t

in

sn e

de

en

or g

en /

in g

Problemen die het gemeentebestuur volgens de inwoners als eerste aan moet pakken
schoonhouden/onderhoud veiligheid/openbare orde politiek/gemeentbeleid criminaliteit/vandalisme parkeerproblematiek bereikbaarheid RO/inrichting stad zorg voor jongeren/daklozen/ouderen huisvesting/woningnood Gemeentelijke dienstverlening verkeersveiligheid openbaar vervoer GEEN BELANGRIJK PROBLEEM 0 5 10 15 procent van de inwoners 20 25 30
2005 2002 2000

aantal Milieudienst 170 261

Afhandelingstermijn van klachten 1)
boven: 2005 onder: 2004

pr o-

ac t

ie ve

DIA

91 73 < 5 dagen

correcte afhandeling

SOZAWE

207 178 101 79

< 6 weken (norm) > 6 weken

informatieverstrekking
2005 (691) 2004 (822)

ROEZ

OCSW

89 191 30 34 0% 20% 40% 60% 80% 100%

bejegening in engere zin
0 50 100 150

fa fs

em

e

af

Categorie klachten

2002 (864)

HVD

200

250

1) De Bestuursdienst is vanwege het kleine aantal klachten niet opgenomen Bron: Bestuursdienst, DIA, Sozawe (Bureau Onderzoek)

Doel 10: EEN STADHUIS IN HET HART VAN DE STAD
Onder dit doel gaan we in op twee onderdelen van het programma Stad en Stadhuis: het verbeteren van de telefonische bereikbaarheid en onze manier van omgaan met klachten. Verbeteren telefonische bereikbaarheid Uit de jaarlijkse audit naar technische en kwalitatieve aspecten van de telefonische contacten kan worden geconcludeerd dat stadjers in 97% van de gevallen vlot een ambtenaar aan de telefoon krijgen. Ook wat betreft het begroeten van de burger (goedemorgen, goedemiddag), vriendelijkheid en enthousiasme (veel beter dan vorig jaar), het aantal mensen dat ‘in de wacht wordt gezet’ (weer minder dan vorig jaar) en het direct contact krijgen met de juiste afdeling of goed doorverbonden worden ziet het er over het algemeen niet slecht uit - om het maar op zijn Gronings te zeggen. Maar het kan altijd beter. Dat laatste geldt zeker voor een pro-actieve opstelling tijdens het gesprek. En ook de naam van de gemeente moet duidelijk worden genoemd in de meldtekst. Klachten: aantal en categorieën Uit het Burgerjaarverslag 2005 blijkt dat de gemeente in 2005 totaal 691 klachten heeft ontvangen. Dat is opnieuw een daling vergeleken met voorgaande jaren (2003: 955, 2004: 822). Behalve dat ze een ontvangstbevestiging krijgen, worden klagers in een vroeg stadium ook telefonisch of mondeling gehoord. Veel klagers ervaren dat als positief. Na een daling in voorgaande jaren (van 250 in 2000 naar 96 in 2004) is het aantal klachten over correcte afhandeling (is de procedure goed verlopen?) nu weer gestegen, van 96 (12%) in 2004 naar 177 (ruim 25%) in 2005. We gaan bekijken wat hier de oorzaken van zijn. Positief is dat het aantal klachten over de bejegening in engere zin het afgelopen jaar is gedaald, van 141 (17%) naar 87 (12,6%) in 2005. Dit betreft gevallen waarin burgers het optreden van een ambtenaar als beledigend of onredelijk ervaren. Naar aanleiding van de stijging in de jaren tot en met 2004 zijn we hierover met de betrokken diensten in gesprek gegaan om te komen tot gerichte trainingen in het omgaan met klanten. De grootste groep is en blijft de categorie beleidsklachten: dat waren er in 2005 320 (ruim 46%), tegen 329 (40%) in 2004. Deze klachten vallen echter niet onder het interne klachtenrecht, omdat ze gaan over politeke keuzes waar burgers het niet mee eens zijn. Afhandelingstermijn klachten Wettelijk dienen klachten binnen 6 weken te zijn afgehandeld. Het Jaarverslag Interne klachten 2005 laat zien dat we er als gemeente in slagen om 72% van de klachten binnen deze termijn af te doen. Vorig jaar was dat nog 83%. De daling zit met name bij de diensten OCSW (van 81% naar 40%) en in mindere mate bij SOZAWE (van 69% naar 60%). Achtergrond is in beide gevallen de reorganisatie bij deze diensten geweest; het management werkt inmiddels aan verbetering. In 2005 is een geautomatiseerd systeem ingevoerd dat voor alle diensten de klachten archiveert en de voortgang bewaakt. Dat heeft nu nog niet geleid tot een snellere afhandeling; wel is nu goed inzichtelijk waar een klacht zich bevindt in de organisatie. Problemen die het gemeentebestuur volgens de burgers als eerste aan moet pakken Bij deze vraag valt vooral op dat vergeleken met voorgaande jaren het aantal problemen dat door meer dan 10% van de ondervraagden wordt genoemd flink is afgenomen. Dat correspondeert met een verdubbeling van het aantal burgers dat bij deze vraag geen enkel probleem noemt. Belangrijkste problemen zijn volgens de burgers het schoon en heel houden van de stad (meer dan in 2000 en 2002), veiligheid en ‘de politiek’/ het gemeentelijk beleid. Voor de laatste twee geldt overigens dat deze problemen nu duidelijk minder spelen dan in 2002.

23

WIJKVERNIEUWING
Oordeel woonomgeving: percentage inwoners dat vindt dat de woonomgeving er de afgelopen periode op vooru is gegaan
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 1998 2000 2002 2004 80% Beijum-oost 70% Lewenborg-zuid 60% 50% 40% 30% de Hoogte 20% 10% 1998 2000 2002 2004 GEMEENTE TOTAAL Vinkhuizen zuid Tuinwijk Paddepoel zuid Indische buurt

Toekomstverwachting: percentage inwones dat denkt dat d buurt er op vooruit zal gaan

Onveiligheidsgevoelens: percentage inwoners dat zich in de eige buurt wel eens onveilig voelt
per 1000 50%

100

Objectieve veiligheid:fietsendiefstallen, diefstallen af/uit woningen, mishandeling en vandalisme per 1000 inwoners
Beijum-oost

40%

80

Lewenborg-zuid Vinkhuizen zuid

60
30%

Tuinwijk Paddepoel zuid

40
20%

Indische buurt de Hoogte GEMEENTE TOTAAL

20

10% 1998 2000 2002 2004

0 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004

De prijsontwikkeling van het eigen woningbezit ten opzichte van de 1) gemiddelde ontwikkeling in de gemeente
10%
Beijum-oost

5%
Lewenborg-zuid

0% -5% -10% -15% -20% -25% 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004
Vinkhuizen zuid

Tuinwijk

Indische buurt

GEMEENTE TOTAAL

1) de Hoogte en Paddepoel zuid kennen weinig transacties en zijn niet meegenomen

ONTWIKKELINGEN IN ZEVEN WIJKVERNIEUWINGSGEBIEDEN (2004)
Hiernaast en op de volgende bladzijde staat een overzicht van de ontwikkelingen in de belangrijkste van de 12 wijkvernieuwingsgebieden: Beijum Oost, Lewenborg Zuid, Indische Buurt/De Hoogte, Tuinwijk, Paddepoel Zuid en Vinkhuizen-Zuid. De grafieken geven zowel de stand van zaken per wijk weer op een aantal aspecten ten opzichte van het stedelijk gemiddelde (de dikke zwarte lijn), alsook de dynamiek daarin door de jaren heen. Oordeel over gerealiseerde en verwachte vooruitgang Bij de grafiek met het oordeel over de vooruitgang van de woonomgeving in het afgelopen jaar en de grafiek die aangeeft welk percentage van de bewoners denkt dat de buurt er de komende tijd nog op vooruit zal gaan, zien we misschien wel het duidelijkst de weerspiegeling van de voortgang van de wijkvernieuwing. In Vinkhuizen (waar de wijkvernieuwing het verst is) is er op beide aspecten tevredenheid, aanzienlijk meer dan het stedelijk gemiddelde. In Lewenborg-Zuid is er redelijke tevredenheid over de resultaten, maar zien we hoge verwachtingen. In Paddepoel Zuid zien we datzelfde beeld in sterkere mate: gering enthousiasme over de tot nu toe geboekte resultaten, maar hoge verwachtingen voor de toekomst. Dat schept verplichtingen. Overigens zien we stadsbreed een gestaag toenemend optimisme. In 1996 dacht nog 36% dat de eigen wijk vooruit zou gaan, nu is dat gemiddeld 49%. Onveiligheidsgevoelens en objectieve veiligheid Eerder in deze monitor zagen we over de hele stad genomen een gestage daling van het gevoel van onveiligheid. Terwijl in 1996 nog 33% van de stadjers aangaf dat ze zich wel eens onveilig voelen, is dat in 2004 gedaald tot 19%. Hetzelfde beeld zien we - met enige nuanceringen - terug bij de meeste van de 7 wijkvernieuwingsgebieden. De Indische Buurt en Lewenborg Zuid komen met hun score in 2004 in de buurt van het stedelijk gemiddelde. De afname van de onveiligheidsgevoelens in de eigen buurt heeft zich echter in de meeste wijken tussen 2002 en 2004 niet doorgezet, behalve in Vinkhuizen Zuid en Tuinwijk. Belangrijkste uitzondering is echter Paddepoel Zuid: sinds 2000 is het onveiligheidsgevoel daar toegenomen van 19% (toen onder het stedelijk gemiddelde) naar 31% (nu boven het stedelijk gemiddelde). De grafiek ernaast laat de ontwikkeling van de objectieve veiligheid zien, samengesteld op basis van gegevens over (fiets)diefstal, mishandeling en vandalisme. Daar blijkt weer eens dat de relatie tussen subjectieve en objectieve (on)veiligheid niet altijd eenduidig is. Zo daalde in Paddepoel Zuid het cijfer voor objectieve onveiligheid tot het stedelijk gemiddelde, terwijl het onveiligheidsgevoel juist toenam. Maar in andere wijken (bijvoorbeeld de Indische Buurt, Vinkhuizen Zuid en Tuinwijk) zijn er parallellen tussen de subjectieve en objectieve ontwikkelingen. Wel valt op dat de subjectieve waardering gemiddeld genomen ongunstiger is dan het objectieve cijfer. Prijsontwikkeling eigen woningbezit De prijsontwikkeling van het eigen woningbezit is een vrij harde indicator van de ontwikkeling in een wijk. Het is dan ook positief dat er op het gebied van prijsontwikkeling sprake lijkt te zijn van een soort inhaalslag, met name in Beijum Oost, de Indische Buurt en Lewenborg Zuid. In enkele wijken ligt de prijsontwikkeling rond het stedelijk gemiddelde. (Voor alle duidelijkheid: prijsontwikkeling is dus wat anders dan het prijsniveau. Belangrijk is ook te benadrukken dat het met name hier gaat om de ontwikkeling op wat langere termijn.) Rapportcijfer leefomgeving Het rapportcijfer voor de eigen woonomgeving is een belangrijke indicator voor de leefbaarheid van een wijk. Over de jaren zien we in veel wijken vooruitgang. De Hoogte komt van ver (6,0) maar daar lijkt ook sprake van een lichte vooruitgang, al heeft die zich na 2002 (6,4) niet doorgezet en ligt de

25

Rapportcijfer van de eigen woonomgeving
cijfer 7,5

waarde 6,5

Buurtcohesie, sociale samenhang tussen de bewoners, 0 = weinig cohesie, 10 = veel cohesie
Beijum-oost Lewenborgzuid Vinkhuizen zuid

6 7 5,5 6,5 5

Tuinwijk Paddepoel zuid Indische buurt

6

4,5

de Hoogte GEMEENTE TOTAAL 1998 2000 2002 2004

5,5 1998 2000 2002 2004

4

waard
7 6,5 6 5,5 5 4,5 4

Verloedering 1) in de periode 1998 - 2004 (1 = weinig verloedering, 10 = veel verloedering)

waarde 5

Overlast, samengestelde indicator 1), (0 = weinig overlast, 10 = veel overlast)
Beijum-oost Lewenborgzuid Vinkhuizen zuid Tuinwijk Paddepoel zuid Indische buurt de Hoogte GEMEENTE TOTAAL 1998 2000 2002 2004

4,5

4

3,5

3
3,5 3 1998 2000 2002 2004

2,5

1) Rommel op straat, bekladding muren, hondenpoep en vernnielingen komen vaak voor

1) Overlast door groepen jongeren, drugsoverlast, lawaai van buren en overlast door omwonenden

Bron: Sozawe, Bureau Onderzoek (Leefbaarheidsonderzoek), DIA, ROEZ, regiopolitie Groningen Haren

score nog flink onder het stedelijk gemiddelde. Wat overigens ongeveer constant bleef (7,3 ! 7,4). In Beijum Oost was aanvankelijk sprake van een daling (7,0 ! 6,8) maar ook daar lijkt sprake te zijn van herstel. Mooi is de beleefde vooruitgang in Vinkhuizen Zuid (6,6 ! 7,1) en de Indische Buurt (6,5 ! 7,0). Overigens in lijn met een aantal andere scores voor deze buurten. Sociale samenhang De score op het aspect ‘sociale samenhang’ is gebaseerd op antwoorden op vier vragen: kennen bewoners elkaar, gaan ze prettig met elkaar om, vinden ze de buurt gezellig en voelen ze zich daar thuis? In veel buurten zien we dat de beleefde sociale samenhang licht toeneemt of zich stabiliseert, soms na een lichte daling (Lewenborg Zuid, de Hoogte). Dit komt in grote lijnen overeen met het stedelijke beeld, al liggen de scores in met name De Hoogte, Tuinwijk en Paddepoel Zuid wat lager. . In Paddepoel Zuid zien we zelfs een kleine daling. Gezien het stadium van de wijkvernieuwing in deze buurt lijkt dat overigens niet verwonderlijk. Verloedering Net als in de stad als geheel is in de 7 geselecteerde wijkvernieuwingswijken de beleefde mate van verloedering de laatste jaren flink afgenomen. Het meest in Beijum Oost, Lewenborg Zuid (zelfs duidelijk meer dan de afname in de stad als geheel), Paddepoel Zuid en Vinkhuizen Zuid, het minst in De Hoogte. Ondanks deze positieve ontwikkelingen blijven de scores in Beijum Oost en Lewenborg Zuid toch nog de hoogste van de stad. Overlast Waar gemiddeld over de stad het overlastcijfer de afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven, zien we in een aantal van de 7 wijkvernieuwingsgebieden toch ontwikkelingen. In Beijum Oost lijkt de integrale aanpak op dit punt de eerste vruchten af te werpen. Na 4 jaar oplopende overlast met een voorlopig dieptepunt in 2002 is er nu voor het eerst een daling. Een daling die we terug zien bij de overlast door groepen jongeren (40% in 2002, 29% nu) en de drugsoverlast (30% in 2002, 19% nu). Ook in Vinkhuizen Zuid zien we positieve ontwikkelingen. Waar het totale overlastcijfer eerst steeg en nu voorzichtig lijkt te dalen, is de jongerenoverlast tussen 2002 en nu afgenomen van 34% naar 18% en is de drugsoverlast sinds 1998 gestaag gedaald van 28% naar 5% nu. In Lewenborg is er al wat langer een dalende lijn, het overlastcijfer komt nu in de buurt van het stedelijk gemiddelde. Daarentegen lijkt er in de Indische Buurt, Paddepoel Zuid, Tuinwijk en De Hoogte over de jaren eerder sprake van een toename van de overlast, hoewel ook daar sinds 2002 een licht herstel gloort. Het is echter te vroeg uit dat laatste nu al conclusies te trekken. Tot slot Kort samengevat is er in een aantal van de hier beschreven wijkvernieuwingswijken op veel terreinen sprake van positieve ontwikkelingen. Het meest in die gebieden waar de wijkvernieuwing al gaande is. In de wijken waar wijkvernieuwing nog min of meer in de startblokken staat, zien we ook een groot vertrouwen in de toekomst. Soms is er echter ook sprake van stagnatie. En ondanks de positieve ontwikkelingen blijven deze wijken/buurten op veel fronten nog steeds achter bij het stedelijk gemiddelde. Dat betekent een forse opgave voor de komende jaren. Waarbij het niet alleen gaat om het boeken van vooruitgang. Die vooruitgang moet ook vastgehouden worden.

27