Stadsmonitor 2004

Gemeente Groningen Juni 2004

De stadsmonitor 2004 is een coproductie van Bestuursdienst en DIA (GIC) met medewerking van de HVD, Milieudienst, OCSW, RO/EZ en SOZAWE. Bronnen: AAV, Bestuursdienst, CBS, CWI, DIA, Dialogic Innovatie & Interactie, DOOR, Goudappel Coffeng, Hanzehogeschool, HBO Raad, HVD, IN, Kolpron, Milieudienst, OCSW, Provincie Groningen, Regiopolitie Groningen, Research voor Beleid, RO/EZ, Rijksuniversiteit Groningen, Rijkswaterstaat, SOZAWE Bureau Onderzoek, VSNU en Nijestee

Inleiding Ook dit jaar kunt u in de Stadsmonitor weer in één oogopslag zien hoe Groningen er op verschillende gebieden voor staat. De monitor bevat op verzoek van de raad alleen de 'kale' cijfers, voorzien van korte toelichtingen, maar zonder conclusies over beleidsconsequenties. De indeling is echter aangepast. De grafieken zijn nu geordend volgens de nieuwe doelen van de stadsvisie 2003. Dat betekent dat een aantal grafieken nu op een andere plaats staan dan voorheen. Een voorbeeld: de stadsvisie 2003 heeft geen afzonderlijk doel meer voor bereikbaarheid. De autobereikbaarheid is daarom nu ondergebracht bij het vestigingsklimaat (doel 2), terwijl u de cijfers over het gebruik van openbaar vervoer en fiets nu kunt vinden bij doel 5 over duurzame ontwikkeling. De stadsvisiedoelen gaan uit van inhoudelijke beleidsterreinen. Bij de wijkvemieuwing gaat het om een territoriale verbijzondering van die beleidsinzet. In de laatste serie grafieken van deze stadsmonitor is daarom af te lezen hoe het er voor staat in de wijken en buurten die we in de stadsvisie 2003 hebben aangewezen als wijkvemieuwingsgebied. De gebruikte cijfers zijn zo actueel mogelijk. Een deel van de gegevens is echter afkomstig van de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete. Het betreft de oordelen van stadjers over zaken als bijvoorbeeld onderhoud, veiligheid en de toekomstverwachting over hun wijk. Aangezien de L&V-enquete slechts eens per twee jaar wordt afgenomen en de nieuwe enquête dit najaar weer plaats vindt, bevat deze monitor wat dat betreft nog de cijfers van de enquête 2002 die vorig jaar zijn gepubliceerd. De volgende stadsmonitor zal op die punten weer nieuwe cijfers bieden. Overgangsjaar In zekere zin is dit een overgangsjaar voor de stadsmonitor. Dat betreft niet alleen de aanpassing aan de nieuwe stadsvisiedoelen. We zijn ook op weg naar nieuwe afspraken met het rijk voor de nieuwe, inmiddels derde periode van het Grote-stedenbeleid. De nieuwe afspraken betreffen zowel de fysieke, de economische als de sociale pijler. Onderdeel van het nieuw te sluiten convenant zijn ook afspraken over prestatieindicatoren. Dat kan consequenties hebben voor de stadsmonitor. We streven daarbij overigens waar dat mogelijk naar continuïteit. Want juist in het meerjarige perspectief schuilt het nut en de zin van een monitor. Een derde ontwikkeling betreft de nieuwe invulling van de doelen die voorheen onder het Sociaal Structuurplan vielen. Daar wordt op dit moment aan gewerkt. We streven daarbij naar een hechte en duidelijke relatie tussen doelen, programma's en indicatoren waarmee we de voortgang van het beleid kunnen monitoren. We laten dit zoveel mogelijk parallel lopen met het proces op weg naar nieuwe afspraken met het rijk over GSB-III. De uitwerking van de sociale programma's moet zijn afgerond bij de programmabegroting 2005. Dan moeten ook de afspraken met het rijk voor de derde periode van het Grote-stedenbeleid op papier staan.

DOEL 1

EEN STAD MET MEER WERK, MINDER WERKLOOSHEID
Het aantal arbeidsplaatsen neemt tot 2010 tot minimaal 135.000 toe Het aantal NWW'ers neemt af tot minder dan 8.500 in 2010 zoooo
1 'fiutochtonen ^^^^

160000

^__--^—^"'^ ^ '* •

V

n
W~^^^
12000
\ j r—l
r

^^m

<~f

—— 1 -\ ™ "^
"\^

1 11

j |

^

60000 40000 20000 O arnhihe

• y 1 1 U1
1
T
Ti
30%
25%

^

jf <*** # ^ <*£ é?^ ttf-Jé?
•? 't» <» •t^r^'P^n^V

i

De afname van het aantal werkzoekenden (NWW'ers) en de groei van het aantal arbeidsplaatsen in de gemeente Groningen is gunstiger dan de regionale en landelijke cijfers
120
••nul vaste arbetdspfaaisen

(index 1998^100)
115

percentage NWW ers

20%

110
15%

105
10%

100

5%

"gam. Groningen
95
0%

1 mei
1998

1 mei
1999

1 apr.
2000

1 apr.
2001

1 apr.
2002

l apr
2003

1 jan.
1998

1 jan. 1 jan. 1999 2000

1 jan. 1 jan. l jan. l jan. 2001 2002 2003 2004

Het aantal langdurig werklozen neemt niet toe, index (1998 = 100)

1 jan. 1998

l jan 1999

l jw. 2000

l jin. 2001

l jin. 2002

I jm 2003

Het aantal vacatures per 1 april
2003

Werkloosheid onder jongeren t/m 22 jaar per 1 januari
1200

Industrie en bouw. 2002
2001

1000

2003 HwxM an hornca. 2002

aoo

2001

2003 (Jo mm er ei et* dienstverlening, 2002
2001

2003 Niai commerciète dtenstverlenrng, 2002
2001

2000

2001

2002

2003

2004

O

500

1000 1500 2000

2500

Doel 1: EEN STAD MET MEER WERK EN MINDER WERKLOOSHEID

In de cijfers over het aantal arbeidsplaatsen en de werkloosheid zien we nu ook in Groningen duidelijk de negatieve effecten van de recessie van de afgelopen jaren in Nederland. Konden we vorig jaar nog melden dat de het aantal arbeidsplaatsen nog steeds groeide en dat de werkloosheid zich stabiliseerde, nu zien we ook in de stad een lichte daling van het aantal arbeidsplaatsen (van ruim 129.000 naar ruim 126.000) en een duidelijk stijgende werkloosheid, van 10.700 naar 12.600 per l januari 2004. We zien deze beweging ook in de vergelijking met de regio en met de rest van het land. Deden we het de afgelopen jaren relatief goed, nu lopen we wat de groei van het aantal mensen zonder werk redelijk in de pas met de regio en de rest van het land. De daling van het aantal arbeidsplaatsen is relatief groter. Over een langere periode bekeken, kunnen we echter vaststellen dat het verschil in werkloosheid met de rest van het land de laatste jaren fors is verkleind. De werkloosheid onder allochtone* Groningers nam wat meer toe dan onder autochtone Groningers. Bij de autochtone stadjers zien we dat voor het eerst sinds een paar jaar ook de langdurige werkloosheid weer (licht) toeneemt. Onder jongeren (< 23 jaar) liep de werkloosheid relatief het sterkst op. In aantallen zitten we daarmee weer op het niveau van 2000. Tot slot zien we in lijn met het voorgaande ook het aantal vacatures dalen.

* Conform landelijke richtlijnen worden sinds vorig jaar geen bestanden meer verstrekt aan gemeenten. Daardoor kunnen wij de werkloosheidsgegevens niet kruisen met het bevolkings-bestand. Gevolg is dat voor allochtonen niet meer de definitie 'minderheid' (persoon zelf of (een van) beide ouders is geboren in buitenland) maar 'nationaliteit' geldt. Personen met een Nederlandse nationaliteit die geboren zijn in het buitenland mogen zelf aangeven of zeals allochtoon of Nederlander worden geregistreerd.

DOEL 2

EEN STAD MET EEN UITSTEKEND VESTIGINGSKLIMAAT (1)
Economische groei Groningen Groei arbeidsvolume Groningen
•gm '.'-'i

national Gomp. "stn>cluui comp. 'Stedekjke comp

Aantal vestigingen naar hoofdsector per 1 april
HKXIN

Aantal nieuwe vestigingen in het vestigingenregister
JOOO

8000

n Niet-commercièle dienstverlening

noo

6000

l Commerciële dienstverlening

l Handel en Horeca

noo

'Landbouw, industrie en bouwnijverheid
1999
2000 ZOOI 2000 2001 Ï002 2003

De werkgelegenheid in de kansrijke clusters groeit sneller dan de totale Groningse werkgelegenheid
170

groeicijfers 2002-2003

Rapportcijfer gemeentelijk ondernemingsklimaat
B

Gam. Groningen 1999

Gem. Groningen 2002 25 GSB-gemeenten 2002

025 GSfl-gemeenten 1999

Dienstverlening algemeen

Openingstijden ondernemersloket

Nakomen afspraken

Snelheid beantwoorden ver toeken

Doel 2: EEN STAD MET EEN UITSTEKEND VESTIGINGSKLIMAAT Sinds vorig jaar geven we in de stadsmonitor zowel bij de economische groei als bij de ontwikkeling van het arbeidsvolume aan wat daarin de nationale component, de structuurcomponent en de stedelijke component is. Het gaat hier om dezelfde cijfers als vorig jaar. Daaruit blijkt dat Groningen vrijwel de hele periode vanaf 1995 tot 2001 een hogere groei kende dan landelijk. De belangrijkste verklaring daarvoor is dat wij relatief veel bedrijven in snel groeiende sectoren hadden/hebben (de structuurcomponent). De stedelijke component heeft meer direct met de stad te maken. Het gaat dan om zaken als bijvoorbeeld het ondememersklimaat en de beschikbaarheid van bedrijfsterreinen en kantoorlocaties waardoor het ook mogelijk is om te kunnen groeien. Het aantal bedrijfsvestigingen is het afgelopen jaar gestabiliseerd. Het aantal nieuwe vestigingen in het vestigingenregister daalt nog steeds. De werkgelegenheidsontwikkeling in de kansrijke sectoren toont een wisselend beeld. Waar de ICTsector tot 2002 nog bleef groeien (ondanks forse dalingen in Nederland als geheel) vielen in die sector in 2002-2003 ook hier zware klappen. Daarentegen bleven de sectoren life sciences, toerisme en vooral energie en milieu groeien, zij het met name bij de life sciences minder dan voorheen. Dit terwijl in de stad als geheel het aantal arbeidsplaatsen afnam. De groei in het toerisme valt des te meer op gezien de huidige economische situatie. Het geeft aan dat er op dat terrein een duidelijke potentie is en daarmee een kans voor de toekomst. Daarbij zijn de binnenstad en ons culturele profiel sterke troeven. De rapportcijfers van het gemeentelijk ondernemingsklimaat dateren nog van 2002. Eind 2004 wordt een nieuwe benchmark gehouden; we hopen de resultaten daarvan te kunnen verwerken in de stadsmonitor 2005. Het aantal binnenstadsbezoekers vertoont nog steeds een stijgende lijn. In 2003 waren er ruim 60.000 meer bezoekers dan het jaar ervoor. Ongeveer de helft van de bezoekers van de binnenstad komt van buiten de stad. Ook hun aantal groeit, maar minder sterk dan de bezoekers uit de stad zelf. Ook de omzet blijft stijgen, zowel voor de dagelijkse als de niet-dagelijkse goederen. Belangrijk is dat bij het laatste het aandeel van de regiobezoekers in de omzet nu toeneemt, en wel van 31% naar 34%. . De bereikbaarheid per auto is een belangrijk gegeven in het vestigingsklimaat. Een indicatie daarvoor is de ontwikkeling van de IC-verhouding (de verhouding tussen de intensiteit en de capaciteit van een weg) op de congestiegevoelige delen van de ringwegen. De groei van dat verhoudingscijfer lijkt iets af te vlakken lijkt iets af te vlakken. Mogelijke oorzaken zijn de gerealiseerde verbeteringen aan de Zuidelijke Ringweg, maar zeker ook de dalende economische groei van de afgelopen jaren. De ontwikkeling gaat echter nog steeds de verkeerde kant op en is daarmee een belangrijk aandachtspunt. Nieuw in de stadsmonitor zijn cijfers over de criminaliteit op bedrijfsterreinen. Gezien de ontwikkeling in de cijfers lijken we hier de goede aanpak gevonden te hebben. Ook nieuw zijn de cijfers over het aantal breedbandaansluitingen. Breedband is belangrijk voor de groei van de economie en voor onze concurrentiepositie. Permanente ontwikkeling en vernieuwing is nodig om die positie te behouden en te verstevigen. Intern-gemeentelijk hebben we onze ambitie gehaald. De Groninger Internet Exchange (voor interlokale glasvezelverbindingen) staat op poten en eind dit jaar wordt het lokale glasvezelnet (CNG) opgeleverd. Het is nu de ambitie om het aantal breedbandaansluitingen via het CNG in 2009 verviervoudigd te hebben.

DOEL 2

EEN STAD MET EEN UITSTEKEND VESTIGINGSKLIMAAT (2)

Het aantal binnenstadsbezoekers neemt jaarlijks met 1 % toe
1000
90 0 800 70 0
i
80 0

De omzetcijfers van de binnenstad en het aandeel van de regio daarin omzet dagelijkse goederen per m2 vvo (vloerproductiviteitl

| 500 i

40 0 30 0 20 0

'vanuit buiten O» .gemeente 'vanuit da gemeente Groningen 'trend

omzet met-dageh|kse goederen per m2 vvo door bezoekers uit de regio Groningen niet-dagelj|kse goederen per m2 vvo door bezoekers uit de gemeente 1998 1999 2000 2001 2002 2003

100

o
?/

De Intensiteit/Capaciteitvefhouding van de congestiegevoelige delen van de ringwegen mag niet boven de 1,15 komen
1,40

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2010

Het aantal diefstallen af/uit bedrijf op een aantal groepen bedrij venterreinen

Aantal nieuw uitgegeven hectaren bedrijventerrein

1999

2000

2001

2002

2003

1999

2000

2001

2002

2003

Het aantal breedband aansluitingen in de gemeente Groningen
400 350 300 250
I/O

Het aantal eerstejaars, RUG en Hanzeho-geschool vergeleken met Nederland, index, 1998 = 100

.•»tuali«2004 l • ambitie 2009

:;•

200 150
100

100

N
O

GroNet (intern gemeentelijk)

CNG (overige publieke locaties)

De Rijksuniversiteit en de Hanzehogeschool zijn om verschillende redenen erg belangrijk voor de stad. De ontwikkeling van het aantal eerstejaarsstudenten in Groningen vergeleken met de rest van het land vertoont dit jaar bij de Hanzehogeschool en vooral de Rijksuniversiteit een duidelijk beter beeld dan de jaren hiervoor. De Rijksuniversiteit zit nu weer op de landelijke trend. Bij de Hanzehogeschool is de daling omgebogen in een groei, maar er is nog steeds sprake van een achterstand vergeleken met de landelijke HBO-cijfers.

DOEL3A

EEN STAD DIE SCHOON EN HEEL IS
Problemen met een schone leefomgeving, beoordeeld door de Milieudienst van de gemeente (BORG MD: % straten) en door de Groningse bevolking {L&V monitor: % respondenten)
BORG: zwerfvuil >n net groen woonwijken, onder doel

BORG: zwerfvuil op verhardingen woonwijken: onder doel BORG: onkruid m verhardingen woonwijken: onder doel

L&V monitor o n de r h oud f schoon nouden Ouun moet met voorrang aangepattt worden L&V monitor- er komt veel onktuid op stiaat voo<

1998

2000

200!

2003

Speelvoorzieningen
100% 100%

Onderhoud van wegen; in 2001 uitgesplitst in wegen, fietspaden en trottoir

80%

80%

60%

60%

40%

BORG' rnatiga/grote schade BORG. lichte schade

40%

'BORG matige/grote schade 'BORG: lichte schade 'flORG: op niveau "L8.V monitor deer! tevmdan

20%

BORG: op niveau 'L&V monitor: ireerl tevreden
20%

L
1998

2000

2002

2003

•.-v
1998

2000

weg

fietspad tronoir 2002

weg

fietspad irotioir 2003

Groenvoorzieningen, mcl. bomen
100%
100%

Openbare verlichting

80%

80%

r>

o

" •ó

60%

60%

40%

'BORG matige/grote schade 'BORG: lichte schade

^^^BORG: matige/grote schade ' i
20%

' ''BORG- lichte scfiaOe —•'BORG: op niveau

20%

'BORG: op niveau "L&V monitor- lieer) tevreden

^^^^.&V monitor <zeer) tevreden

1998

1000

2002

2003

2002

2003

De score op het leefbaarheidsaspect verloedering in vergelijking met enkele GSB-gemeenien (1 • weinig verloedering. 10- veel verloedering)

Percentage bewoners dat vindt dat de buurt er op is vooruit gegaan het voorgaande jaar

Evaluatie van de woonomgeving

Bl998

"2000

"2002/2003
60%
+

+
O—

+

+

+

+

+
+

—o—o—
2000
30% 15%

20%

2002
32%
1996 1998

2002
7.3 6.6
79

1996

199B
28%

2000
7.4

gemiddeld laagst gemeten

30%

19%
49%

15%
59%

21%
60%

r S S

hoogst gemeten

S9%

7.3 6.3 B3

7.3 6.3 £L2

6.5
S4

Doel 3: EEN STAD DIE SCHOON, HEEL EN VEILIG IS. 3aj Schoon en heel Doordat de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete pas weer volgend voorjaar tot nieuwe cijfers leidt over de oordelen van bewoners, kunnen we hier alleen de BORG-cijfers weergeven over de staat van onderhoud en beheer van de stad. Het betreft de geobjectiveerde oordelen van 'deskundigen'. Daaruit blijkt dat het in 2003 volgens het deskundigenoordeel weer iets beter ging wat betreft het zwerfvuil en het onkruid: er waren in 2003 opnieuw minder plekken in de stad waar de geconstateerde situatie achterbleef bij de gestelde norm. Daarentegen ging het bij het onderhoud van speelvoorzieningen, fietspaden en trottoirs en groen juist wat slechter. Wat betreft de verloedering blijkt uit een vergelijking met de cijfers van andere steden dat Groningen het bepaald niet slecht doet, zowel qua rapportcijfer (hoe lager hoe beter) als qua ontwikkeling van de cijfers. Al kan het altijd beter, als we kijken naar Enschede. Maar we zitten op de goede weg.

DOEL 3b

EEN STAD DIE VEILIG IS Het aandeel inwoners dat zich (wel eens) onveilig voelt neemt af tot 25 % in 2004 en het onveiligheidsgevoel is kleiner dan in de Randstad

Hel aantal woninginbraken neemt af tot 20 aangiften per 1000 woningen

Het aantal vernielingen neemt af tot 7 meldingen per 1000 inwoners

Het aantal geweldsdelicten neemt af tot 1 aangifte per 1000 inwoners

Het aantal meldingen van drugsoverlast neemt af tot 6 per 1000 inwoners in 2004

'aangiften •trend •mtutir

Aantal jeudige verdachten per 1000 jeugdigen: het aantal per 1000 jeugdigen in de leeftijdsca-tegorie Het aandeel letselslachtoffers in het verkeer is m 2010 met 40 % afgenomen tot 470 12 t/m 17 jaar blijft onder de 50 per 1000

H
'12t/ml7j»ar

•I8fm24|i

H
'12 Vm 24 iaar

ambitie 12 t/m 17 jaar

---• ;

Z002

J004

Doel 3: EEN STAD DIE SCHOON, HEEL EN VEILIG IS 3b Veilig In 2003 is het aantal inbraken na een stijging in 2002 weer min of meer gestabiliseerd. Daarmee zitten we op het doel dat we ons in 2000 hadden gesteld voor 2010. In de lopende herijking van het veiligheidsbeleid zullen we bezien of dat doel moet worden aangescherpt. Na een aantal jaren van daling is het aantal vernielingen nu weer toegenomen. Dit kan samenhangen met de vorig jaar in de L&V-enquete gesignaleerde toename van overlast door jongeren in sommige wijken. Inmiddels is onder andere in Vinkhuizen meer aandacht voor aanpak van de jongerenoverlast, in een samenwerking tussen politie gemeente en hulpverlening. Er zou ook een relatie kunnen liggen met de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit, met name in de groep jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar. Gezien de ontwikkelingen licht het voor de hand dat jeugdcriminaliteit een van de prioriteiten wordt in ons herijkte veiligheidsbeleid.. Wat betreft de geweldsdelicten is in feite al enkele jaren sprake van een schommeling rond de 6 aangiftes per 1000 inwoners. We zijn nog ver verwijderd van de oorspronkelijke ambitie. Dat kan iets zeggen over de effectiviteit van onze aanpak, maar ook over onze ambitie. Ook dat is een punt van aandacht bij de herijking van ons veiligheidsbeleid. Een vergelijking met cijfers in andere steden zal daarbij meegenomen worden. Ook hier denken we overigens aan een relatie met de (aanpak van de) criminaliteit onder jongeren. Positiefis dat de meldingen van drugsoverlast gestaag blijven dalen. Ook met de ontwikkeling van het aantal letselslachtoffers zijn we duidelijk op de goede weg, zowel absoluut als vergeleken met de rest van het land. Dit jaar zijn er zoals gemeld geen nieuwe cijfers over de veil i gheids beleving, die komen weer in de volgende stadsmonitor. Wel willen we hier wijzen op de relatief gunstige positie van de stad in vergelijking met andere GSb-steden, zowel qua absolute cijfers als wat betreft de trend daarin.

h

DOEL 4

EEN STAD MET EEN VOORTREFFELIJK WOONKLIMAAT
De stad Groningen telt in 2010 183.000 inwoners Het migratiesaldo met de regio van personen in gezinsverband blijft stabiel op -500

175000
5OO

'inwoner* "trend ambitie
1000

migratiesaldo

1500

1996 1994 1996 1998 2000 2002 2004

1997

1998

1999

2OOO

2001

2002

2003

De ontwikkeling van de midden en hogere inkomens in

toen
80%

De ontwikkeling van huishoudens naar soort (index 1999= 100)

eenpersoonshuishoudens 'meer persoonshuishoudens i onder kinderen gezinnen met kinderen 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2O02 2003 2004

1994

1996

1998

2000

De slaagkans van het vinden van een huurwoning in de sociale sector

Schattingen van het aantal wachtmaanden voor een kamer voor studenten

1
1
r

1

•eerste «ars •ouden>jaars
6 12 18 24 30 36 42 48

0%

5%

10%

15%

20%

25%

30%

35%

40%

wachtmaanden
De netto toename van de woningvoorraad bedraagt minimaal <2x) 3000 in de perioden 2003-2006 en 2007-2010
9OOO 'wend cumulatief 8000 7000 60OO 5OOO 4000 3000 2000
1000

Het aantal voltooide woonruimten, afgezet tegen sloop en herpositionering
1600
Marktsector ongesubsidieerd Marktsector gesubsidieerd Sociaal Steno en ^erpoaiIionerinQ jan womnger

'saldo cumulatief 'ambitie

rtTfl
f J

1996

1997

1999

2000

?OO1

2002

2003

, /

Doel 4: EEN STAD MET EEN VOORTREFFELIJK WOONKLIMAAT

De bevolkingsgroei vertoonde ook het afgelopen jaar een stijgende lijn. Het inwonertal steeg opnieuw, en wel met tot 2.031 tot 179.329 inwoners. Daarmee lijkt de (omhoog bijgestelde) ambitie van 183.000 inwoners in 2010 zeker haalbaar. Het migratiesaldo in gezinsverband tussen stad en het gebied van de regiovisie, lijkt zich min of meer te stabiliseren rond de - 500. Maar gezien de lichte toename in 2003 (van - 489 naar - 577) moet het toch een punt van aandacht blijven, zeker in ons woningbouwprogramma. We moeten tegemoet kunnen komen aan de behoefte van 'wonen in het groen', maar zonder daarmee de kwaliteit van ons landschap aan te tasten. Het onderstreept de keuze voor Meerstad. Verheugend is dat het aantal gezinnen en zeker het aantal gezinnen met kinderen sinds 2000 een duidelijk stijgende lijn vertoont. De cijfers over het inkomensniveau in de stad zijn nog dezelfde als die van vorig jaar. Ten opzichte van 1994 is een duidelijke verbetering zichtbaar, zij het dat de stad nog altijd op een achterstand zit en die achterstand de laatste jaren minder snel afneemt. In de volgende monitor verwachten we nieuwe cijfers van het CBS over 2002. Het percentage van het totaal aantal ingeschrevenen voor een sociale huurwoning dat ook daadwerkelijk een woning vindt, is in 2003 opnieuw licht gedaald t.o.v. 2002. Maar hoewel niet zichtbaar in de grafiek (die vergelijkt met 2001), is voor een aantal doelgroepen de slaagkans toch licht verbeterd ten opzichte van 2002. Dat geldt met name voor minima (van 14,6 naar 16,4) voor jongeren < 23 (van 13,l%naar 15,6%), terwijl voor ouderen (> 64) de slaagkans stabiliseerde. Het meest kansrijk waren ook in 2003 de huishoudens bestaande uit meer dan twee personen. Dat neemt niet weg dat over het geheel genomen de slaagkans op het vinden van een huurwoning nog steeds laag is. Hier ligt een relatie met de ontwikkelingen op de woningmarkt als totaal, waarin nog steeds sprake is van stagnatie en een gebrek aan doorstroming. Een gegeven dat overigens niet alleen in Groningen speelt maar landelijk. Die stagnatie blijkt ook uit de cijfers voor de in 2003 voltooide woonruimten in met name de ongesubsidieerde sector en voor de netto toename van de woningvoorraad (het saldo van nieuwbouw en sloop/herpositionering). Daarmee blijft de realisatie achter bij de gestelde doelen. De sloop is getemporiseerd omdat die is gekoppeld aan het tempo van de nieuwbouw. De marktsituatie van studentenkamers is weergegeven op basis van gegevens van IN, die beschikt over ca. 3000 kamers. Het is daarmee een indicatie van de marktsituatie. Uit die cijfers blijkt dat de situatie voor eerstejaars ten opzichte van 2002 is verbeterd. De wachttijd is teruggelopen tot 3-8 maanden (was in 2002: 5-10). Daarmee komt de gezamenlijke ambitie weer wat beter in zicht, namelijk om alle eerstejaars binnen 3 maanden aan een kamer te kunnen helpen.

DOEL 5

EEN STAD DIE ZICH DUURZAAM ONTWIKKELT
Inkoop van groene stroom door de gemeente Groningen

Oe uitvoering van het Milieubeleidsplan en het Klimaatplan lopen op koers Milieubeleidsplan
12

Klimaatplan
3

200?

2003

2006

De omvang van het OV-gebruik stijgt tot 2010 met 25 è 30 %
140 13O 120 110 100
90

De omvang van het gebruik van de fiets in de stad blijft stabiel in relatie tot de bevolkingsontwikkeling

ao
70 60 50

•inde*. 1998 - 100
•ambitie

"index, 1998 - 100

•ambitie Imdex

V

Wijkmilieuplannen
VASTGESTELD IN ONTWIKKEUNO.

In ontwikkeling Alle riolering op basiskwaliteit

Aanwezigheid en soortenrijkdom van broedvogels

Doel 5: EEN STAD DIE ZICH DUURZAAM ONTWIKKELT

Uit de grafieken blijkt dat het met de realisering van de ambities uit het Milieubeleidsplan en het Klimaatplan over het algemeen behoorlijk goed gaat. Bij beide plannen is voor een kwart van de ambities extra aandacht nodig. Ook blijkt dat in veel wijken samen met de bewoners gewerkt wordt aan wijkmilieuplannen. Wat het gebruik van openbaar vervoer en fiets betreft moeten we constateren dat de feitelijke ontwikkeling meer of minder achterblijft bij de ambitie. Dat geldt met name voor het openbaar vervoergebruik. De groeiambitie van het openbaar vervoer is overigens geformuleerd onder aanname van realisering van het Kolibri-plan.

DOEL 6 EEN STAD WAARIN IEDEREEN MEE DOET
Het percentage (voortijdig) schoolverlaters zonder diploma daalt naar 4,5 % over de periode tot 2010 '% {voortijdige) school1

Het aantal jongeren van 15-22 jaar, dat ten hoogste beschikt over een VMBO-diploma daalt in vergelijking met nu met 10% in de periode tot 2010

ambitie

aantallen 2003 Allochtone jongeren Autochtone jongeren totaal

aantal % van de bevolking
445 7,9 7.4

Z001- 20022002 2003

l
•Via OCSVW
RMC

1579

2024

7.5

Instroom voortijdig schoolverlaters bij RMC per schooljaar

Opleidingsniveau van jongere (15-22 jaar) werklozen per 1 januari

l Via Jongeren loket/ CWI

<!()00-200l

2001-2002

2002-2003

ÜOOO

2001

2002

2003

2004

Uitstroom van bijstandsgerechtigden naar regulier en gesubsidieerd werk

1999
Regulier vrerk Gesubsidieerd werk Overige Totaal
2610

2000
2197

2001
1543

2002
1154

2003
692 143
1706 2541

153

141

92
1780

264
1810

2424
5187

2294 4632

34_UJ

3228

2000

35%

Aantal Groningers dat vrijwilligerswerk verricht, uitgesplitst naar leeftijd en allochtonen

De omvang van deelname aan sociaal-culturele activiteiten in welzijnsvoorzieningen

30% 25% 20% 15%
10%

5% 0%

Doel 6: EEN STAD WAARIN IEDEREEN MEEDOET

Dit is een van de doelen waarvan de onderliggende programma's in relatie met de herijking van de Sociale Pijler opnieuw tegen het licht gehouden zullen worden. Hetzelfde geldt voor doel 9 (een stad waarin iedereen geïntegreerd is) en - in mindere mate - doel 7: een stad waarin iedereen gezond is. De herijking moet zijn afgerond bij de programmabegroting 2005. Dan moeten ook de afspraken met het rijk voor de derde periode van het Grote-stedenbeleid worden gemaakt. De nevenstaande grafieken en indicatoren van doel 6 zijn daarom nadrukkelijk (zeer) voorlopig en kunnen in de loop van het jaar nog worden aangepast. De volgende stadsmonitor moet wat dat betreft de definitieve vorm hebben. Zo zou het goed kunnen dat de grafieken over uitstroom naar werk en het opleidingsniveau van werkloze jongeren hier verdwijnen (mogelijk naar doel 1), terwijl in plaats daarvan indicatoren over het deelprogramma 'Uit de goot' worden toegevoegd. Doel 6 zal zoals het er nu uitziet worden opgedeeld in twee subdoelen met bijbehorende programma's: 'iedereen een startkwalificatie' (met het programma Onderwijs en jeugd) en 'iedereen doet mee' (met het programma Welzijn en zorg). Aansluitend op de doelen en de programma's zullen passende indicatoren worden ontwikkeld. Iedereen een startkwalificatie Een belangrijke factor om mee te kunnen doen in de samenleving is het onderwijs. Via verschillende programma's (het Kansenbeleid, het Vensterschoolconcept en de verbetering van het VMBO) werken we als gemeente aan het verkleinen van achterstanden en het bieden van kansen voor het vergroten van de mogelijkheden van mensen. Daar hoort bij het streven naar een startkwalificatie voor iedereen en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Het aandeel voortijdig schoolverlaters lijkt in 2002-2003 te zijn gedaald in vergelijking met het jaar ervoor. We moeten daarbij echter opmerken dat de registratie hiervan onduidelijkheden en onvolledigheden kent. Ook de registratie van het aantal jongeren in de leeftijd van 15-22 jaar dat ten hoogste beschikt over een VMBO-diploma is niet compleet. De verwachting is dat de betrouwbaarheid van de cijfers eind 2004 verbeterd zal zijn. Iedereen doet mee Werk is een belangrijke vorm van meedoen aan de samenleving. Onder doel l zijn daarover de voornaamste cijfers al genoemd. Hier onderstreept het grafiekje met het opleidingsniveau van werkloze jongeren nog eens het belang van een opleiding. Ook zien we dat de uitstroom van bijstandsgerechtigden de laatste jaren is afgenomen. Dat heeft twee redenen: het totaal aantal bijstandsgerechtigden nam af, maar ook de invloed van de lagere economische ontwikkeling speelt mee. Opvallend is dat de belangrijkste vorm van uitstroom niet is het vinden van (al dan niet gesubsidieerd) werk, maar 'overig1: verhuizing, onbekend, overlijden, andere inkomsten, enz. De cijfers over vrijwilligerswerk zijn afkomstig uit de L&V-enquete 2002 en daarmee dezelfde als vorig j aar.

DOEL 7

EEN GEZONDE STAD
Het percentage van de Groninger bevolking dat aangeeft lichamelijke beperkingen of psychische klachten te hebben
i;. iH'
50%

Het percentage jongeren dat zegt regelmatig te roken

Het percentage longeren dat zegt wel eens alcohol te hebben gedronken

Basisschool

(OVSO/MAVO

MAVO/HAVO

VWO/Gymns»lum

jongens basisschool

meisjes

jongens

meisjes

voortgezet onderwijs

Het percentage jongeren uit het voortgezet onderwijs dat zegt wel eens soft drugs te gebruiken
60%
60%

het percentage jongeren met overgewicht in Groningen 2002

50% 40%
30%

'jongens l meisjes

20% 10%

jongens

meisjes

9-11 jaar

12-17 par

Sportbeoefening onder de Groninger bevolking 9-17 jaar 2000 2002

Sportbeoefening onder de bevolking > 18 jaar 1998 2002

Doel 7: EEN STAD WAARIN IEDEREEN GEZOND IS De meest recente gegevens over dit doel stammen uit 2002, en wel uit de Gezondheidsenquêtes 1998 en 2002 en de Jeugdpeiling 2002. Ze zijn dan ook goeddeels hetzelfde als in de stadsmonitor 2003. Wel zijn ten opzichte van de stadsmonitor van vorig jaar nu ook de cij fers over overgewicht onder jongeren toegevoegd en de gegevens over sportbeoefening. Het streven van de gemeente Groningen is dat iedere inwoner een zo groot mogelijke kans heeft op een goede gezondheid. Als we het beeld van 2002 nogmaals kort samenvatten, dan zien we dat het met de gezondheid van de meeste stadjers gelukkig goed gaat. Dat neemt niet weg dat als we kijken naar de leefstijl van de stadjers en de risico's daarvan een minder rooskleurig beeld ontstaat. Het aantal Groningers met lichamelijke klachten en/of psychische beperkingen ligt aan de hoge kant. Groningers voelen zich minder gezond dan de doorsnee Nederlander. Ook zijn de gezondheidsproblemen niet gelijk over de stad verdeeld; sommige wijken (bijvoorbeeld Lewenborg en Paddepoel) springen er in ongunstige zin uit, net als ouderen en mensen in de marge. Daar richten wij ons beleid dan ook met name op. Een belangrijke invalshoek in ons preventieve gezondheidsbeleid is het beïnvloeden van risicogedrag, zoal roken, het drinken van alcohol of drugsgebruik. We willen in dat kader ook aandacht besteden aan het voorkomen van overgewicht. Naast voeding is ook (breedte)sport en beweging daarbij belangrijk. De cijfers in deze monitor kunnen wat dat betreft gezien worden als 'nulmeting'. Met de gegevens van de Jeugdpeiling 2002 over lengte en gewicht is het overgewicht onder jongeren berekend. Onder jeugdigen van 9-11 jaar heeft 11% overgewicht; bij jongens is dat vaker het geval dan meisjes. Onder jongeren russen 12 en 17 jaar iets minder vaak voor, en wel bij 9%. Overigens wijken de cijfers over het overgewicht onder Groningse jongeren weinig af van het landelijke beeld. Wat de sportbeoefening betreft lijkt het erop dat er minder wordt gesport. De mensen die sporten, doen dat iets minder vaak en het aantal niet-sporters is licht gegroeid. Maar gezien het geringe aantal vergelijkingspunten en de kleine verschillen is er op dat punt nog niets te zeggen over een trend, in welke richting dan ook. Maar het is wel iets om in de gaten te houden.

10

Doel 8: EEN STAD DIE BRUIST OP CULTUREEL EN SPORTIEF GEBIED

Dit doel lijkt ons bij uitstek niet geschikt om alleen te proberen te vangen in cijfers. Wat cultuur betreft denken we meer aan een combinatie van met enige regelmaat herhaald landelijk imago-onderzoek (zoals ook genoemd in de nieuwe cultuurnota 'In het oog, in het hart'), in combinatie met kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over evenementen en festivals. Indien mogelijk zou dat ook gecombineerd kunnen worden met cijfers over 'cultuurtoerisme', al is cultuur natuurlijk maar één aspect van het totaalproduct Groningen - zij het qua profiel een belangrijk aspect. Een dergelijke aanpak staat ons ook voor ogen bij het jaarlijks weergeven van de stand van zaken op het gebied van topsport. Dit deel van de monitor zal ontwikkeld worden in overleg met de afdelingen Cultuur en (top)sport van OCSW, de afdeling EZ van RO/EZ en het bureau Marketing Groningen.

Doel 9: EEN STAD WAARIN IEDEREEN GEÏNTEGREERD IS

Ook dit deel van voorheen het Sociaal Structuurplan wordt nu herijkt, op weg naar de programmabegroting 2005 en de nieuwe afspraken met het rijk in het kader van de derde periode van het Grote-stedenbeleid. In samenhang met de te ontwikkelen (deelprogramma's zullen ook indicatoren worden ontwikkeld waarmee de voortgang ten opzichte van het gestelde doel gemonitord kan worden. Dit onderdeel van de stadsmonitor zal inhoudelijk worden ontwikkeld door de beleidscluster Zorg en Minderheden van de dienst OCSW.

il

DOEL 10

EEN STADHUIS IN HET HART VAN DE STAD
Een goede schriftelijke bereikbaarheid: Alle binnengekoemen stukken bij SoZaWe en Weerwerk worden binnen 8 weken afgehandeld
100%
' Wordt <fe telefoon opgenomen •vriendelijke en enthousiaste

De telefonische bereikbaarheid voldoet aan de norm zoals gesteld in Stad en Stadhuis

80%

60%

l pro -actieve oplossing aanbieden 'Norm

40%

20%

2002 2002 2003

2003 SoZaWe

2002 Weerwerk

2003

Top 10 problemen die het gemeentebestuur volgens de inwoners als eerste aan moet pakken
veiligheid/openbare orde criminaliteit/vandalisme politiek/gemeentbeleid verkeersveiligheid bereikbaarheid parkeerproblematiek h u i s vesti ng/won i ng nood verslaving schoonnouden/ondertioud RO/inrichting stad
•2002 :

D 2000

n 1998 i
10
15 20

K

procent van de inwoners

afhandelingstermijn klachten

aantal klachten per categorie

con-ecle afnanöeürtg

informatie verstrekking

ocsw

bejegening in engere zin

Bestuursdienst

O

50

100

150

200

250

300

350

HVD

SoZaWe

151

0%

20%

40%

60%

80%

100%

Doel 10: EEN STADHUIS IN HET HART VAN DE STAD Met het in 2003 gestarte programma 'Stad en Stadhuis' willen we zowel de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger als de bereikbaarheid van de gemeentelijke organisatie en het bestuur verbeteren. Daarmee valt de uitvoering van het programma Stad en Stadhuis onder het doel 'Een stadhuis in het hart van de stad'.. Het programma Stad en Stadhuis is in een aantal deelonderwerpen uitgewerkt. In het uitvoeringsprogramma is prioriteit gegeven aan de volgende onderwerpen: verbetering telefonische bereikbaarheid, uitvoering audit schriftelijke bereikbaarheid, uitbreiding aanbod digitale producten, klantenonderzoek, uitvoering trainingen 'klantgericht samenwerken' en interactieve beleidsvorming. De tot op heden binnen deze deelonderwerpen bereikte resultaten worden hierna in het kort weergegeven. Daarbij wordt (waar mogelijk) verwezen naar de hiernaast staande grafieken. Verbetering telefonische bereikbaarheid Op basis van een in december 2003 uitgevoerde externe meting is vastgesteld dat de telefonische bereikbaarheid van de organisatie t.o.v. een in 2002 uitgevoerde meting in technische zin is verbeterd en dat de diensten op dit terrein nu aan de in 2003 door het College van B&W gestelde normen voldoen. De kwaliteit van de telefonische bereikbaarheid is echter nog voor verbetering vatbaar. Inmiddels hebben alle diensten in een plan van aanpak aangegeven op welke wijze zij de kwaliteit van de telefonische bereikbaarheid in 2004 zodanig gaan verbeteren dat zij ook op dit terrein aan de gestelde normen gaan voldoen. In het 4e kwartaal 2004 wordt wederom een externe meting uitgevoerd. Verbetering schriftelijke bereikbaarheid Alleen SOZAWE registreert op structurele wijze de schriftelijke bereikbaarheid. Enkele diensten (BSD, DIA en ROEZ) hebben inmiddels een steekproef uitgevoerd met betrekking tot de kwaliteit van hun schriftelijke bereikbaarheid. Onlangs is besloten dat alle diensten vóór l oktober 2004 een dergelijke steekproef moeten hebben uitgevoerd. Doorontwikkeling logische loketten Op dit moment kent de gemeentelijke organisatie 11 loketten. Daarvan worden er 6 geacht al te functioneren als 'logisch loket'. Het streven is er op gericht dat in 2006 in minimaal 6 bestaande en minimaal 2 nieuwe loketten 95% van de relevante dienstverleningsprocessen plaatsvindt door goede verbindingen tussen front- en backoffice. Momenteel wordt een onderzoek voorbereid dat antwoord moet geven op de vraag in hoeverre de loketten burgerzaken, belastingen, het gemeentelijk informatie centrum (GIC), het informatiecentrum gezondheid (ICG), het centraal meldpunt zorg (CMZ) en het meldpunt overlast op basis van de vraag van de burger zijn ingericht. Elektronische (digitale) dienstverlening Verschillende diensten (DIA, MD en ROEZ) bieden inmiddels een aantal van hun diensten aan via Internet. Vastgesteld is dat de regie op de ontwikkeling van het aanbieden van producten via Internet verbeterd kan worden. Momenteel wordt een onderzoek uitgevoerd dat antwoord moet geven op de vraag welke producten wel/niet via Internet moeten worden aangeboden. Op basis daarvan kan het College richtinggevende besluiten nemen t.a.v. de verdere ontwikkelingen op dit terrein. Klantenonderzoek Het is van belang te weten hoe de klanten onze dienstverlening ervaren. De meeste diensten (HVD, DIA, MD en SOZAWE) voeren periodiek eigen onderzoeken naar de klanttevredenheid uit. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat de meerderheid van hun klanten tevreden is over de dienstverlening. Daarnaast komt informatie beschikbaar uit het 2 jaarlijks uitgevoerde Omnibusonderzoek. De vergelijking van de cijfers t.a.v. klanttevredenheid tussen diensten laat echter nog te wensen over.

12

Daarom wordt momenteel in het kader van het programma Stad en Stadhuis een onderzoeksaanpak ontwikkeld die uitgaat van het meten van de waardering van klanten die binnen vier 'klant-segment en' worden onderscheiden. Deze onderzoeksmethode is ook elders in het land uitgevoerd. Hierdoor is het mogelijk in de loop van dit jaar de resultaten van een bij de DIA, HVD en ROEZ uitgevoerd onderzoek te vergelijken met de resultaten van andere gemeenten. Uiteindelijk moet er een methode ontstaan waarlangs we de klanttevredenheid in onze gemeente regelmatig gaan meten. De zorgvuldige afdoening van klachten binnen de gemeente is de afgelopen jaren verbeterd. Nadat de gemeentelijke klachtenfunctionarissen in 2002 een knelpuntenanalyse hadden opgesteld, kan nu geconstateerd worden dat al die verbetervoorstellen inmiddels zijn geïmplementeerd. Een programma van eisen voor een geautomatiseerd systeem voor de voortgangsbewaking van de afhandeling van klachten en het genereren van managementrapportages is gereed. Momenteel vinden onderhandelingen plaats met enkele leveranciers van deze systemen. Voor overige informatie wordt verwezen naar het 'Jaarverslag Klachten 2003' dat deze zomer gereed zal zijn. Interactief beleid en communicatie Om de effectiviteit van de ontwikkeling en uitvoering van het beleid te vergroten is het van belang burgers in een zo vroeg mogelijk stadium bij de beleidsontwikkeling te betrekken. Dit gebeurt o.a. door middel van de rubriek Stadsberichten in de Groninger Gezinsbode, wijkbezoeken, huiskamergesprekken en stadsdeel gesprekken. Daarnaast wordt meer en meer gebruik gemaakt van de mogelijkheden van Internet. Zo is in de Oppenheimbuurt een begin gemaakt met een zgn. 'virtuele gemeenschap'. Inmiddels zijn plm.100 bewoners binnen deze gemeenschap actief. Ontwikkelingen De belangrijkste ontwikkeling die genoemd kan worden betreft het aanbrengen van de noodzakelijke samenhang tussen het concernprogramma Stad en Stadhuis, het ICT-programma en het Concemontwikkelingsplan COp. De eerste twee programma's worden voor een groot gedeelte gefinancierd vanuit het derde programma. Geconstateerd werd dat de drie programma's echter inhoudelijk onvoldoende samenhang vertonen. Momenteel wordt hard gewerkt om deze samenhang in de uitvoering van deze programma's te verbeteren zodat er ten behoeve van de begroting 2005-2007 een integrale afweging kan plaatsvinden.

13

WIJKVERNIEUWING
De ontwikkeling (trend 1998-2002/2003: • positief «negatief) en de positie ten opzichte van het stedelijk gemiddelde TOTAAL in de periode 1998 - 2002 (O-lijn = stedelijk gemiddelde)
zeir gunstig gunstig

stedelijk gemiddelde

ongunst tg
zeer

ongunstig
8EUUMOOST LEWENBORGZUK! PAOO€ PO€ LZUW V1NKHUI7EH

toekomstverwachting in de periode 1998 - 2002 (O- lijn * stedelijk gemiddelde)

stedelijk gemiddelde

BEIJUM OOST

LEWENBORS ZWO

INDISCHE BUURT

TUMWIJK

PADOEPOEL ZUID

VWKHUIZEN

objectieve (links, 1998 2003} en subjectieve (rechts, 1998-2002) veiligheid (O-lijn = stedelijk gemiddelde)

stedelijk gemiddelde

ongunstig

ongunstig
BEIJUM oosi i EWENBORG ZUID INDISCHE BUURT
DE HOOGTE PADDEPOEL ZUID

rapportcijfer woonomgeving in de periode 1996 - 2002 (O-lijn = stedelijk gemiddelde)

stedelijk gemiddelde

BEIJUM OOST

LEWENBORG ZUID

INDISCHE BUURT

DE HOOGTE

PADOEPOEL ZUtO

RINKHUIZEN

ONTWIKKELINGEN IN WIJKVERNIEUWINGSGEBIKDEN Hiernaast en op de volgende bladzijde staat een overzicht van de ontwikkelingen in de belangrijkste van de 12 wijkvernieuwingsgebieden: Beijum Oost, Lewenborg Zuid, Indische Buurt/De Hoogte, Tuinwijk, Paddepoel Zuid en Vinkhuizen. De meeste gegevens zijn afkomstig uit de Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete 2002 en daarmee dus hetzelfde als afgelopen jaar. Alleen de 'objectieve' veiligheidscijfers (crirninaliteitcijfers van de politie) en de informatie over de prijsontwikkeling van het eigen woningbezit zijn van 2003. De grafieken geven zowel de stand van zaken per wijk weer op een aantal aspecten ten opzichte van het stedelijk gemiddelde, alsook de dynamiek daarin. Daarbij duidt rood op een negatieve en groen op een positieve ontwikkeling. De eerste grafiek geeft een samenvattend beeld per wijk. Een voorbeeld: uit de eerste grafiek blijkt dat Beijum Oost over alle aspecten samen in de hele periode 1998-2002 onder het stedelijk gemiddelde scoorde en dat bovendien in die periode de ontwikkeling negatiefis geweest. Wat betreft de 'objectieve' veiligheid zien we dat 4 van de 7 wijken onder het gemiddelde scoren: Beijum Oost, Indische Buurt, De Hoogte en Tuinwijk. In Beijum Oost en - in mindere mate - Tuinwijk is de richting van de trend bovendien negatief. Ook in Lewenborg Zuid is de trend negatief, maar de score zelf ligt op het stedelijk gemiddelde. Opvallend is dat de bewoners van die wijk zich de afgelopen jaren toch duidelijk veiliger zijn gaan voelen. In Paddepoel Zuid zien we eigenlijk het omgekeerde: de veiligheidsbeleving is daar de afgelopen jaren duidelijk minder geworden, terwijl objectief gezien de criminaliteit juist is afgenomen en de situatie wat dat betreft zelfs beter is dan het stedelijk gemiddelde. De prijsontwikkeling van het eigen woningbezit is in de meeste van de geselecteerde wijken positief geweest, zij het dat die ontwikkeling onder het stedelijk gemiddelde ligt. Alleen in Tuinwijk en Paddepoel Zuid is sprake van een ontwikkeling die achterblijft bij het stedelijk gemiddelde ligt en ook de tendens negatiefis. Op basis van de dit najaar af te nemen Leefbaarheids- en Veiligheidsenquete zal de stadsmonitor 2005 voor alle aspecten van deze wijkvernieuwingsgebieden actuele scores kunnen bevatten.

14

prijsontwikkeling eigen woningbezit in de periode 1998 - 2003 (O-lijn = stedelijk gemiddelde)
zeer gunstig gunstig

stedelijk gemiddelde

BEIJUMOOST

LEWENBORG ZWO

INDISCHE BUURT

DE HOOG TE

TUINW1JK

PADDEPOEL ZUID

buurtcohesie in de periode 1998 - 2002 (O-lijn = stedelijk gemiddelde)

stedelijk gemiddelde

BEUUM oosi

LEWENBORG ZUID

INDISCHE BUURT

DE HOOGTE

TUINWIJK

PADDEPOEL ZUIO

verloedering in de periode 1998 - 2002 (O-lijn = stedelijk gemiddelde)
zeer gunstig gun*tlg
13002 'D1998

stedelijk gemiddelde

ongunstig zt*r ongunstig
BEUUM OOST LEWENBORG ZUID INDISCHE BUURT DE HOOGTE TUINWUK PADDEPOEL ZUID

jongerenoverlast (links) en oordeel overjongerenvoorzieningen (rechts) in de periode 1998 - 2002
zeer gunstig

gunstig

stedelijk gemiddelde

ongunstig

ongunstig BEUUM OOST LEWENBORG ZUID INDISCHE BUURT DE HOOGTÏ TUINWIJK PADDEPOEL ZUID RINKHUIZEN