Sociaal economische schets Overijssel

Rapportage zomer 2005

RWBB Drs. L.J.F. Derckx Drs. M.F.M. Ellenbroek

augustus 2005

Colofon

Datum

augustus 2005
Oplage

Auteurs

L.J.F. Derckx / M.F.M. Ellenbroek
Vormgeving

Marleen Wendt-Brinkman
Project/kenmerk

Inlichtingen bij

RWBB (Ellenbroek 1655, Derckx 1647)
Adresgegevens

Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 425 25 25 Fax 038 425 26 50 www.prv - overijssel.nl postbus@prv -overijssel.nl

Inhoudsopgave

1 1.1 1.2

Inleiding Aanleiding Opbouw en inhoud rapport

4 4 4

2

Samenvatting en conclusies

5

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Algemene ontwikkeling van de economie in Nederland Inleiding Economische groei Consumptieve bestedingen Werkgelegenheid Verwachtingen voor de toekomst

6 6 7 7 8 8

4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4

Regionale economie Provinciale economische groei De economische ontwikkeling van Overijssel Ontwikkeling en structuur van de werkgelegenheid Verwachte ontwikkelingen Onderdelen binnen de Overijsselse economie Toerisme en recreatie (T&R) in Overijssel Het Overijssels bedrijfsleven De Overijsselse bedrijfsomgeving Verplaatsingsgedrag wonen en werken

10 10 12 12 16 17 17 18 20 22

5 5.1 5.2 5.3

Overijsselse arbeidsmarkt Beroepsbevolking Werkloosheid: de niet-werkende werkzoekenden. Omvang en kenmerken Verwachtingen over de werkloosheid

25 25 28 30

3

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De ontwikkeling van de economie en de arbeidsmarkt kent de laatste jaren op- en neergaande bewegingen. Om een inzicht in deze dynamiek en de gevolgen voor de provincie Overijssel te krijgen wordt periodiek de Sociaal-economische schets Overijssel opgesteld. Hierin worden de ontwikkelingen en trends van de Overijsselse economie beschreven. Ook worden de verschillen per provincie afgezet tegenover de landelijke ontwikkelingen en wordt de positie van Overijssel aangegeven.

1.2

Opbouw en inhoud rapport

De Sociaal-economische schets is opgebouwd uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft een samenvatting van de belangrijkste sociaal-economische ontwikkelingen in Nederland en Overijssel. Hoofdstuk 3 beschrijft in het algemeen de ontwikkelingen van de Nederlandse economie. De analyse van de economische ontwikkeling is verricht aan de hand van een aantal sleutelindicatoren zoals de particuliere consumptie, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en het verloop van de rente. In Hoofdstuk 4 staat de regionale economische ontwikkeling van Overijssel centraal. Hiervoor wordt de economische groei van Overijssel vergeleken met de andere provincies en Nederland als geheel. Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen de werkgelegenheid in de steden en het platteland. Verder wordt er een actueel beeld gegeven van de werkgelegenheidsontwikkeling en -structuur, het bedrijfsleven en de bedrijfsomgeving: • voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid betreft dit de verdeling over de verschillende sectoren en de groei van de werkgelegenheid per regio c.q. COROP-gebied; • voor de bedrijvendynamiek, de prestaties van het bedrijfsleven en de bedrijfsomgeving gelden indicatoren als oprichting en opheffing, investeringsbereidheid en vraag en aanbod van werklocaties. In dit hoofdstuk wordt afzonderlijk aandacht geschonken aan de toeristisch-recreatieve sector in Overijssel als kansrijke sector en aan het fenomeen pendel in Overijssel. Inzicht in het verplaatsingsgedrag tussen woon- en werkfuncties is relevant voor een aantal provinciale beleidsvelden zoals de ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en economische zaken. In Hoofdstuk 5 wordt de situatie op de regionale arbeidsmarkt beschreven. Hierbij komen indicatoren als samenstelling en groei van de werkende beroepsbevolking, arbeidsparticipatie en de werkloze beroepsbevolking aan de orde.

4

2

Samenvatting en conclusies

Overijssel kent een gunstiger ontwikkeling van de werkgelegenheid dan landelijk het geval is. Over de periode 1996-2005 is het verloop van de werkgelegenheid positiever dan dat van Nederland. Ook de jaarlijkse groei van het aantal arbeidsplaatsen ligt met uitzondering van 2001 en 2004 boven die van Nederland. De verwachting voor 2005 is dat Overijssel een gunstiger ontwikkeling zal hebben dan Nederland. Voor de periode 2006-2009 zal de geraamde groei van werkgelegenheid in Overijssel wederom gunstiger uitvallen. De ontwikkeling van de omzet en de export van het Overijsselse bedrijfsleven is hoger dan Nederland. Dat geldt ook voor de verwachtingen met betrekking tot de omzet en de winst. De investeringsbereidheid ligt op ook op een hoger niveau dan landelijk het geval is. Bepalend voor de Overijsselse economie is de kentering van de gunstige ontwikkeling die de nationale economie voor die tijd te zien gaf. De Nederlandse economie was, volgens het Centraal Planbureau, in 2003 met 0,9% gekrompen. Oorzaken waren de verslechtering van de concurrentiepositie met het buitenland, waardoor de groei van de export achterbleef bij de ontwikkeling van de wereldhandel en de zwakke ontwikkeling van de binnenlandse bestedingen, zoals consumptie, investeringen en overheidsbestedingen. In 2004 is de Nederlandse economie weer met 1,5 % aangetrokken. De groei van de export van 5,5% in 2004 leverde een belangrijke bijdrage aan die economische groei. De economie kon bovendien profiteren van de groei van de arbeidsproductiviteit. De omvang van de Overijsselse beroepsbevolking is sneller gegroeid dan in Nederland. De oorzaak hiervan is de toegenomen arbeidsparticipatie. De arbeidsdeelname van vooral vrouwen in de provincie is in de periode 1996-2005 aanzienlijk toegenomen. Toch blijft de deelname aan het arbeidsproces nog iets onder het niveau van Nederland. Ook het opleidingsniveau van de Overijsselse beroepsbevolking ligt lager dan dat van Nederland, maar ligt voor Zwolle momenteel op het landelijke niveau. De werkloosheid is vanaf 2002 sterk toegenomen. De recente ontwikkeling laat een stabilisatie van de omvang van de werkloosheid zien. Als gevolg van de economische ontwikkelingen zal de werkloosheid niet meer zo sterk gaan toenemen. Een van de redenen hiervoor is de krapte op de arbeidsmarkt waarbij ontgroening en vergrijzing de ontwikkeling van de werkloosheid zal afzwakken. Wat betreft de samenstelling van de werklozen komt de werkloosheid in Overijssel meer voor in de jongere leeftijdscategorieën. Opvallend is de oververtegenwoordiging van de werklozen in de oudere leeftijdscategorieën op het Overijsselse platteland. Het opleidingsniveau van de Overijsselse werklozen wijkt niet veel af van dat van Nederland. Alleen het aandeel met een universitaire opleiding is in Overijssel wat lager. De duur van de werkloosheid in Overijssel is korter dan in Nederland. Het zijn echter vooral de grote steden waar het aandeel langdurig werklozen hoog is. Ondanks de lagere uitgiftecijfers van bedrijventerreinen dreigt in de komende jaren een tekort aan bedrijventerreinen te ontstaan, omdat het terstond uitgeefbaar deel aan de magere kant is en de plancapaciteit op dit moment gering is. De ontwikkeling van de kantorensector in Overijssel is in Zwolle opvallend positief. In Twente (Enschede en Hengelo) is de opname gedaald. De kantoorontwikkeling in Deventer lijkt zich weer hersteld te hebben. De opname is in 2004 fors toegenomen en de omvang van het aanbod ten opzichte van de voorraad is met 8% gering te noemen. Landelijk is dat aandeel twee keer zo hoog.
5

3

Algemene ontwikkeling van de economie in Nederland

3.1

Inleiding

De toestand van de economie kan op basis van een aantal indicatoren in beeld worden gebracht. De indicatoren, die door het CBS worden gehanteerd zijn: consumptie huishoudens, uitvoer goederen, productie industrie, afzetprijzen industrie, inflatie, rente, faillissementen en werkloosheid. Het CBS gebruikt deze indicatoren om het Conjunctuurkompas op te stellen. De laatste dateert van juli 2005. Het CBS concludeert, dat de Nederlandse economie ten opzichte van het jaar hiervoor is verbeterd. Vooral de lage rentestand heeft daaraan bijgedragen. De indicatoren en de bijbehorende waarden zijn als volgt: Tabel 3.1 Indicatoren conjunctuur in Nederland , periode 2001-2004 (procentuele mutaties ten opzichte van het jaar daarvoor, tenzij anders aangegeven)

Conjunctuurindicator Consumptie huishoudens Uitvoer goederen en diensten Productie industrie Afzetprijzen industrie Inflatie Rente (daggeld) Faillissementen Werkloosheid (in procenten van de beroepsbevolking) Bron: CBS, juli 2005

2001 1,2 1,6 - 0,7 1,3 4,5 4,4 27,0 3,4

2002 1,3 0,9 0,1 - 1,0 3,4 3,3 23,0 4,1

2003 - 0,9 2,0 - 1,6 1,5 2,1 2,3 28,0 5,3

2004 0,5 8,5 1,2 4,2 1,2 2,1 1,0 6,4

Deze cijfers hebben ertoe geleid, dat de groei van het bruto binnenlands product in 2004 met 1,7% is toegenomen. Het jaar daarvoor was dat percentage nog -0,1%. De jaren daarvoor, 2001 en 2002, waren de groeicijfers 1,4%, resp. 0,1%. De consumptie door huishoudens is minder slecht dan een jaar eerder en het aantal faillissementen is aanzienlijk minder dan de afgelopen vier jaar. Het volume van de goederenuitvoer is duidelijk verbeterd. Dat geldt ook voor de afzetprijzen. De rente en inflatie laten eveneens een duidelijk beter beeld zien. De groei van de industriële productie is in 2004 positief na in 2003 nog negatief te zijn geweest.

De werkloosheid is echter toegenomen. De keerzijde hiervan is, dat de arbeidsproductiviteit in Nederland omhoog is gegaan en de omzetten zijn gestegen waardoor er betere economische vooruitzichten zijn ontstaan en dat is per definitie gunstig voor een betere internationale economische positie van ons land.

3.2

Economische groei

De economische groei wordt gemeten aan de volumeontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP). De economische groei was in 2004 1,7%. In de jaren daarvoor was het beeld als volgt: Tabel 3.2 Economische groei in Nederland Economische groei (verandering bruto binnenlands product) Nederland 2001 2002 2003 2004

1,4

0,1

-0,1

1,7

Bron: CBS, juli 2005 De verwachtingen voor de toekomst zijn: 0,5% voor 2005 en 2% voor 2006. Oorspronkelijk waren deze cijfers hoger. In juni 2005 heeft het CPB deze ramingen naar beneden bijgesteld en wel voor 2005 met 0,5%-punt minder en voor 2006 met 0,25%-procentpunt minder. Belangrijkste oorzaak van de lagere groeicijfers is de hoogte van de olieprijzen. Vanaf 1996 kwam de economische groei jaarlijks boven de 3% uit. Het aantal bedrijven groeide tussen 1996 en 2000 met 11%. Het aantal banen nam toe met 13%. Op 1 januari 2000 telde Nederland ruim 850.000 bedrijven en meer dan 7,3 miljoen banen. Aan deze periode van hoogconjunctuur kwam in 2001 abrupt een einde. De economische groei en daarmee het aantal banen is de laatste jaren fors teruggevallen. In de periode 2000-2004 is het aantal bedrijven gegroeid met 5% en het aantal banen met maar 3%. (Bron: LISA).

3.3

Consumptieve bestedingen

De consumptie is in 2004 niet of nauwelijks meer gegroeid. In 2004 was er sprake van een groei van gemiddeld 0,1 procent. In het eerste kwartaal van 2005 zien wij een daling van de consumptie optreden. Dat geldt in het bijzonder voor de huishoudens in Nederland. Tabel 3.3 Ontwikkeling nationale consumptie Procentuele mutaties t.o.v. voorgaande perioden 20022003 Consumptie Huishoudens Overheid 1,0 0,2 2,7 20032004 0,1 0,3 -0,2 2004 2e kwartaal 0,0 0,2 -0,3 2004 3e kwartaal 0,5 0,7 0,3 2004 4e kwartaal 0,0 0,2 -0,4 2005 1e kwartaal -0,2 -1,0 1,6

Bron: CBS Conjunctuurbericht 17 juni 2005 Een aantal oorzaken waarom het groeicijfer van de consumptie zo sterk is afgenomen, zijn: de afnemende werkgelegenheid, de lage reële loonstijgingen en een afnemend sociaal vangnet met een stijging van de pensioen- en ziektekostenpremies. Verdere beperkingen zijn de lastenverzwaringen (milieukosten) en de bezuinigingen van de overheidsuitgaven op de binnenlandse bestedingen.

7

Door de daling van het reëel beschikbaar inkomen zal de particuliere consumptie in 2005 waarschijnlijk niet of nauwelijks toenemen. Ook de overheid en het bedrijfsleven lijken niet voor een bestedingsimpuls te zorgen.

3.4

Werkgelegenheid

De werkgelegenheid is ook in 2004 verder gedaald als reactie op de afname van de productie, die in 2001 inzette waardoor banenverlies onvermijdelijk was. De werkloosheidsstijging bleef nog beperkt door een toename van de werkgelegenheid in de commerciële en (vooral) niet-commerciële dienstensector, maar aan die groei lijkt een einde te zijn gekomen. De arbeidsmarkt liet in 2004 een somber beeld zien met een fors werkgelegenheidsverlies en een scherp oplopende werkloosheid. Bedrijven zijn gedwongen hun personeelsbestand verder te reduceren door de lage winstgevendheid. Dit heeft wel tot een stijging van de arbeidsproductiviteit geleid. Tengevolge van de verminderde productie is in Nederland in één jaar de werkloosheid opgelopen van 678.545 naar 692.210 personen per 1 januari 2005, dit is een stijging van 2% ten opzichte van het voorgaande jaar. In Overijssel bedraagt dit percentage 7%. Het jaar daarvoor (2004) was de stijging ten opzichte van 2003 nog 24% in Nederland en in Overijssel 28%. De belangrijkste oorzaak van de stijging van de werkloosheid is de verslechtering van de concurrentiepositie. Sinds 1997 zijn de loonkosten in Nederland per eenheid product ruim 10% sterker gestegen dan bij de concurrenten in het Eurogebied. Als gevolg van de geringe productiegroei blijft de arbeidsmarkt zorgelijk. De werkloosheid zal in 2005 opgelopen zijn tot 9,0% van de beroepsbevolking. De ontwikkeling van de werkgelegenheid trekt vermoedelijk begin 2005 wat aan. Deze is echter te gering om het verder oplopen van de werkloosheid te voorkomen. Bovendien vlakt door de bezuinigingen bij de overheid de banengroei in de collectieve sector af. De groei van de werkgelegenheid blijft achter bij die van de beroepsbevolking. Hierdoor zal de werkloosheid ook volgend jaar nog oplopen zij het minder snel. Volgens de ramingen van het CPB stijgt de werkloosheid van 6,2% van de beroepsbevolking in 2004 tot 6,75% in 2005 en 6,5% in 2006. Tabel 3.4 Geregistreerde werkloosheid in Nederland (niet werkende werkzoekenden, in procenten van de beroepsbevolking) Jaar/periode 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 Bron: APO Werkloosheid in % 12,7 10,9 9,2 7,6 6,7 6,6 7,3 8,9 9,0

3.5

Verwachtingen voor de toekomst

Voor 2005 wordt een voorzichtig herstel van de economische groei verwacht, waarbij de Nederlandse economie het matig blijft doen als gevolg van de verslechterde concurrentiepositie in de afgelopen jaren. De geraamde economische groei van 1% voor 2005 blijft achter bij het Europees gemiddelde en is ruim onder de geschatte structurele groei van circa 2%, zodat de

8

onderbezetting van de productiefactoren in stand blijft. Door de lage productiegroei zal de werkeloosheid in 2005 ruim boven het halve miljoen blijven. Het bedrijfsleven blijft marktaandeel verliezen door de gestegen Euro en de sterke groei van de arbeidskosten in de afgelopen jaren. Ondanks de aanhoudend lage rentepercentages en de afnemende inflatie, zullen de bedrijfsinvesteringen in 2005 toch – zij het voorzichtig - een herstel laten zien. Vooral door een structureel herstel van de arbeidsproductiviteit. De Nederlandse exportpositie is niet meer wat zij was in de jaren negentig. Sinds 1995 is het marktaandeel van de Nederlandse export met ruim 25% afgenomen. De Nederlandse exporteurs staan onder druk door de jarenlange verslechtering van de prijsconcurrentiepositie. De trekkracht van Europa, Nederlands belangrijkste exportmarkt, is beperkt. Niettemin is de export in 2004 gegroeid met 5,5% en zal in 2005 versnellen.

9

4

Regionale economie

4.1

Provinciale economische groei

Op regionaal niveau wordt de economische groei uitgedrukt in de groei van de omvang van de toegevoegde waarde zoals die door bedrijfsgroepen wordt gegenereerd. Groeicijfers op nationaal niveau worden op basis van goederengroepen berekend. Daardoor verschillen de uitkomsten voor Nederland in onderstaande tabel met het groeicijfer uit het vorige hoofdstuk (-0,5 versus -0,1). Niet alle provincies namen de afgelopen periode in gelijke mate deel aan de ontwikkeling van de economie, zoals uit onderstaande tabel blijkt. Voor een deel hangt dit samen met de ongelijke verdeling van bedrijven en banen over het land. Daarnaast variëren de provincies naar aard van de economische activiteiten en bestaan er regionale verschillen in de productieomstandigheden voor het bedrijfsleven. Tabel 4.1 Economische groei Nederland en de provincies (in procenten) 1996 Nederland Groningen Friesland Drenthe OVERIJSSEL Flevoland Gelderland Utrecht Noord-Holland Zuid-Holland Zeeland Noord-Brabant Limburg Bron: CBS In 2001 is de groei van het Overijssels bruto regionaal product (BRP) sterk afgenomen. In 2002 heeft zich dit voortgezet en in 2003 was er zelfs sprake van krimp. 2,9 9,1 2,2 1,2 2,4 1,4 2,4 4,3 3,2 2,2 -0,4 3,5 0,8 1997 3,7 -1,7 2,9 3,5 3,2 7,9 3,9 4,5 5,4 3,9 0,7 2,5 5,4 1998 4,2 -0,1 6,3 1,8 3,6 5,9 4,1 7,0 4,1 3,4 3,2 5,6 5,2 1999 4,0 -1,5 1,9 2,0 3,4 9,4 2,4 6,3 4,5 4,0 3,4 4,9 4,8 2000 3,5 2,0 2,9 2,9 3,8 6,7 3,2 2,9 3,6 3,5 4,6 4,8 2,9 2001 1,6 5,2 1,4 0,5 1,2 6,1 1,0 2,7 0,9 1,5 2,7 0,9 0,8 2002 0,4 2,3 -0,5 -1,2 0,3 3,4 0,1 1,0 -0,3 0,6 0,9 0,2 0,9 2003 -0,5 1,5 -1,2 -2,0 -1,0 0,8 -0,7 0,1 -0,1 -0,2 -0,1 -1,1 -1,2

10

In onderstaande afbeelding is de economische groei over de jaren 2002 en 2003 weergegeven. Behalve een forse afname blijkt voor meer dan de helft van de provincies de groei zelfs negatief uit te vallen. Dit geldt, zoals gezegd, ook voor Overijssel. Flevoland en Groningen laten in 2003 een hoge groei zien. Het Overijssels beeld van 2002 en 2003 is vergelijkbaar met dat van Nederland.

Grafiek 4.1

Economische groei in 2002 en 2003
(in procenten)

Zuid-Holland Zeeland Utrecht Overijssel Noord-Holland Noord-Brabant Nederland Limburg Groningen Gelderland Friesland Flevoland Drenthe
-4 -3 -2 -1 0 1 2 3 4 2002 2003

Bron: CBS

11

4.2

De economische ontwikkeling van Overijssel

4.2.1

Ontwikkeling en structuur van de werkgelegenheid

Onderstaande grafiek laat de verschillen in werkloosheid tussen de provincies zien ten opzichte van Nederland. Grafiek 4.2

Werkloosheid in de provincies en Nederland (= 9,3%), situatie 2004
(in procenten van de beroepsbevolking) Drenthe
1 4

Zuid-Holland

1 2 1 0

Flevoland

Zeeland

8 6 4 2

Friesland

Utrecht

0

Gelderland

Overijssel

Groningen

Noord-Holland Noord-Brabant
Bron: CWI/CBS/Provincie Overijssel

Limburg

De verschillen tussen de provincies zijn niet onaanzienlijk. Zo kampen de provincies Groningen, Friesland, Drenthe, Zuid Holland en Limburg met een hogere dan gemiddelde werkloosheid maar is de positie van Utrecht en Zeeland gunstig te noemen. Overijssel zit op het landelijke gemiddelde. De ontwikkeling van de arbeidsmarkt heeft, zowel in Nederland als in Overijssel, te lijden onder de teruglopende conjunctuur. De vermindering van de werkgelegenheid gaat samen met een sterke stijging van de werkloosheid. Per saldo is de werkgelegenheid in de provincie Overijssel over de periode 2003–2004 met 1,0% gedaald. In Nederland was de daling minder namelijk 0,3%. Terug in de tijd gezien is de ontwikkeling van de werkgelegenheid in Overijssel volgens onderstaande grafiek de afgelopen jaren niet ongunstig geweest. Gerekend vanaf 1996 is de werkgelegenheid in 2005 met bijna 20% toegenomen. Duidelijk wordt ook dat de groei na 2002 tot stilstand lijkt te zijn gekomen. De jaren 2004 en 2005 liggen onder het niveau van 2003.

12

Grafiek 4.3

Ontwikkeling werkgelegenheid in Overijssel
550.000
506.247

500.000
469.759 452.174

497.087 486.568

502.666

501.019

501.870

450.000
419.365

432.829

400.000

350.000 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Bron: BIRO/ETIL Uit de onderstaande grafiek blijkt, dat Overijssel zelfs een iets hogere groei van de werkgelegenheid kent dan voor Nederland het geval is. Grafiek 4.4

Ontwikkeling werkgelegenheid in Nederland en Overijssel (1996 = 100)
125

120

115

110

105

100

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003
Overijssel

2004

2005

Nederland

Bron: APO Dat Overijssel een gunstiger ontwikkeling van de werkgelegenheid kent dan landelijk het geval is, wordt ook duidelijk wanneer de jaarlijkse groei van de werkgelegenheid in beeld wordt gebracht. In de jaren 2001 en 2004 liggen de procentuele jaarlijkse ontwikkelingen van de werkgelegenheid van Overijssel weliswaar beneden die van Nederland. In 2005 wordt verwacht dat deze vrijwel gelijk oplopen.

13

Grafiek 4.5

in % 5 4 3 2 1 0 -1 -2

Jaarlijkse groei/afname werkgelegenheid in Nederland en Overijssel
periode 1996-2005

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Nederland

Overijssel

Bron: APO In de volgende grafiek is de ontwikkeling van de werkgelegenheid van Overijssel uiteengelegd in een aantal sectoren. Grafiek 4.6

Ontwikkeling werkgelegenheid Overijssel
(x 1.000)

600
Niet-commerciële diensten

500

400

Commerciële diensten

300
Nijverheid

200

100
Landbouw

0
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Bron: APO De werkgelegenheid in de niet-commerciële diensten is in Overijssel iets afgenomen. Hierbij wordt aangetekend dat Nederland de afgelopen jaren een sterke groei van de overheidsconsumptie van 3,8% heeft gekend vergeleken met de EU (2,6%). Met name bij de politie en justitie en bij het gevangeniswezen is er sprake van groei van de werkgelegenheid.

14

Ook in de zorg en overige niet-commerciële dienstverlening was de stijging groter dan gemiddeld. Deze werkgelegenheidsstijging bij de overheid leidde via de loonkosten tot een toename van de overheidskosten en vervolgens tot een groei van de overheidsconsumptie. Vanaf begin 2003 is er sprake van een daling van de overheidsconsumptie. Bij de commerciële diensten is de werkgelegenheid per saldo iets afgenomen. De werkgelegenheid in de nijverheid daalde in de genoemde periode eveneens in geringe mate. De werkgelegenheid in de landbouw heeft betrekking op de dienstverlening ten behoeve van de landbouw. Het aantal bezette arbeidsplaatsen daalde over de periode 2003–2004 licht. Wanneer de sectorale ontwikkelingen van Nederland en Overijssel met elkaar worden vergeleken, kan voor Overijssel het volgende worden vastgesteld. Vooral de commerciële en niet-commerciële dienstverlening laten een gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid zien. De snel groeiende dienstensector wint weliswaar aan belang maar is in Overijssel nog ondervertegenwoordigd ten opzichte van Nederland. Grafiek 4.7

Ontwikkeling werkgelegenheid (index 1996 = 100)
140 135
Landbouw

140 135

Overijssel
130 125 120 115 110 105 100
Totaal Niet-commerciële diensten Commerciële diensten Nijverheid

Nederland
130 125 120 115 110 105 100 95

95 90 1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

90 1996 1997

1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Bron: APO De sector nijverheid heeft in Overijssel een stevige basis. Ongeveer 25% van de werkgelegenheid in Overijssel komt voor rekening van deze sector. Het landelijk cijfer ligt op 19%.

15

Grafiek 4.8 Economische structuur van Nederland en Overijssel (2005)
Overijssel Nietcommerciële diensten 30% Landbouw 6% Landbouw 4% Nederland

Nijverheid 25%

Nietcommerciële diensten 31%

Nijverheid 19%

Commerciële diensten 39%

Commerciële diensten 46%

Bron: APO Tabel 4.2 Veranderingen per jaar in het aantal arbeidsplaatsen, periode 2001-2004 (in procenten) Sectoren/regio Landbouw en visserij Nijverheid Commerciële diensten Niet-commerciële diensten Totaal Bron: APO De ontwikkelingen per sector zijn in de dienstverlenende sectoren positief. Dat geldt vooral voor de niet-commerciële diensten. Opvallend is daarbij dat de ontwikkeling in de niet-commerciële dienstensector voor Overijssel positief uitvalt vergeleken met Nederland. Voor Noord-Overijssel is de jaarlijkse groei zelfs nog hoger. Dit is onder meer toe te schrijven aan de concentratie van ziekenhuisvoorzieningen in Zwolle. Het verlies van arbeidsplaatsen in de industrie is in Twente het hoogst, gevolgd door NoordOverijssel. Nederland -2,3 -2,0 0,6 3,3 0,7 Overijssel -1,8 -1,8 0,8 3,8 0,7 NoordOverijssel -0,1 -1,8 0,9 5,3 1,3 Twente -2,4 -2,0 0,5 3,3 0,4 Zuidwest Overijssel -4,1 -1,1 1,7 2,2 0,7

4.2.2

Verwachte ontwikkelingen

Voor het jaar 2005 is geraamd, dat de werkgelegenheid in Overijssel met nog geen 0,2% toeneemt. Voor de periode 2006-2009 is berekend, dat er een jaarlijkse groei van 1,9% zal plaatsvinden. Voor de afzonderlijke regio’s zijn de ramingen in onderstaande grafiek voor de sectoren nader uitgewerkt.

16

Grafiek 4.9 Toekomstige ontwikkeling werkgelegenheid Nederland, Overijssel en COROPgebieden

Raming 2005

Prognose 2006-2009 Totaal
ZuidwestOverijssel

ZuidwestOverijssel

Twente

Nietcommerciële diensten Commerciële diensten

Twente

NoordOverijssel

NoordOverijssel

Nijverheid
Overijssel Overijssel

Landbouw
Nederland Nederland

-4

-3

-2

-1

0

1

2

3

4

-4

-3

-2

-1

0

1

2

3

4

Bron: APO Het is vooral de sector landbouw waar de werkgelegenheid naar verwachting zal teruglopen. Wanneer Overijssel met Nederland wordt vergeleken, zal de geraamde groei van de werkgelegenheid in het tijdvak 2006-2009 in Overijssel gunstiger uitvallen.

4.3

Onderdelen binnen de Overijsselse economie

4.3.1

Toerisme en recreatie (T&R) in Overijssel

Het toerisme is een belangrijke sector in de Nederlandse economie. De branche neemt ongeveer 4 procent van het bruto nationaal product voor haar rekening. De sector raakt verschillende aspecten van de samenleving. Zo speelt toerisme en recreatie (T&R) een belangrijke rol bij het leefbaar houden van het platteland en de vitaliteit van de grote steden. Het belang en de groei verschillen echter sterk tussen de verschillende regio’s in Nederland. Op regionaal niveau, met name in de landelijke gebieden die geconfronteerd worden met krimp in de agrarische sector, is de T&R-sector van belang. De groei in de periode 1998-2004 van het aantal banen in de T&R sector in Overijssel bedraagt 14%. In Nederland is deze groei een fractie lager maar komt afgerond ook uit op 14%. In de periode 1998 tot en met 2004 is in Overijssel een groei van het aantal banen in de T&R-sector gerealiseerd van 2,3% per jaar. De provinciale taakstelling van 2,8% groei per jaar van het aantal werkzame personen, zoals in juni 2000 in de beleidsnota Recreatie en Toerisme: Struinen door de Tuin van Nederland is vastgesteld, wordt hiermee niet gehaald. In de periode 1997-2003 was die jaarlijkse groei nog 4%. In de rapportage over 2005 (verschijnt medio 2006) kan worden vastgesteld of de bovengenoemde doelstelling wordt gehaald.

17

In 2006 zal worden begonnen met het monitoren van de werkgelegenheid in de toeristische sector over de beleidsperiode 2003-2007 gebaseerd op het Onderhandelingsakkoord 2003-2007: Ruimte voor actie. Het aantal banen in verschillende activiteiten c.q. bedrijfsklassen laat vooral in de activiteiten huurgoederen, recreatiegoederen, personenvervoer en reisorganisaties en bemiddeling in de betreffende periode in Overijssel een gunstige ontwikkeling zien. Grafiek 4.10

Groei aantal banen binnen de toeristische recreatieve sector in Overijssel en Nederland.
Periode 1998-2004, index 1998=100

T O T A A L huurgoederen overige detailhandel recreatiegoederen reisorganisatie en bemiddeling personenvervoer cultuur, recreatie, sport en amusement logies horeca 90 100 Nederland 110 120 130 Overijssel 140

Bron: BIRO/APO Het aandeel van de T&R-bedrijvigheid qua aantal banen binnen de totale werkgelegenheid in Overijssel in 2004 bedraagt 6%. Het landelijke aandeel van het aanta l banen in Overijssel in 2004 in de T&R-sector is 6%.

4.3.2

Het Overijssels bedrijfsleven

Jaarlijks verzorgen de Kamers van Koophandel de Enquête Regionale Bedrijfsontwikkeling (ERBO). In deze enquête geeft het bedrijfsleven aan hoe het afgelopen jaar is verlopen en wat de verwachtingen zijn voor het komende jaar. De uitkomsten worden per regio verzameld en vervolgens door de Vereniging van Kamers van Koophandel tot een landelijk rapport samengesteld. De uitkomsten van de ERBO-enquête geven inzicht in de ontwik keling van omzet, export, bedrijfsresultaten, investeringen en toekomstverwachtingen van het bedrijfsleven in de diverse regio’s van de Kamers van Koophandel .

18

Tabel 4.3 Vergelijking regionale ontwikkelingen (op KvK-gebiedsniveau) met de landelijke ontwikkelingen ERBO enquête 2004 Omzetindex totaal Exportindex Bedrijfsresultaat: aandeel met winst in % Investeringen: aandeel in % Verwachtingen voor 2005: in procenten • omzet • winst Bron: Regiobase Kamer van Koophandel/ERBO De omzet is voor het bedrijfsleven een van de belangrijkste graadmeters van de economische situatie. De situatie in 2004 weerspiegelt de stagnatie in de economische groei. Desondanks was de omzetgroei in 2004 in Overijssel 0,2% hoger dan in Nederland. Van alle regio’s in Overijssel is de omzetgroei ten opzichte van het jaar daarvoor in de regio Stedendriehoek het hoogst. Opvallend is de negatieve uitkomst van het kamergebied Zwolle. De export in de Overijsselse regio’s ligt ruim boven het landelijk niveau. Het aandeel van bedrijven met winst ligt gemiddeld genomen hoog en valt met name in de Stedendriehoek hoger uit. De investeringsbereidheid van bedrijven ligt eveneens in 2004 in Overijssel op een gemiddeld hoger niveau dan landelijk. De verwachtingen met betrekking tot de omzet zijn in Overijssel hoger gespannen dan in Nederland en zijn voor de regio’s Stedendriehoek en Twente het hoogst. De winstverwachtingen zijn voor de regio’s Stedendriehoek en Zwolle het hoogst. Vanwege de relatief hoge arbeidskosten zal de winstgevendheid waarschijnlijk terugvallen. Nederland -0,1 1,5 81 59 Twente 0,0 3,3 80 65 Stedendriehoek 0,4 7,0 84 68 Zwolle -0,4 3,0 81 61

30 89

34 89

38 92

32 90

19

4.3.3

De Overijsselse bedrijfsomgeving

Bedrijventerreinen Bij de huidige neerwaartse conjunctuurbeweging zijn vanaf 2000 in Overijssel aanzienlijke lagere uitgiftecijfers voor bedrijventerreinen gerealiseerd. De uitgifte in 2003 lijkt daarmee op een dieptepunt te zijn (gekomen). Grafiek 4.11

Uitgifte bedrijventerreinen Overijssel
160 140 120 100 80 60 40 20 0 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 in ha

Steden
Bron: Provincie Overijssel/IBIS

Platteland

De uitgifte van de bedrijventerreinen is in Overijssel gemiddeld 100 ha. per jaar. Over de afgelopen 24 jaar is het gemiddelde 84 ha.. Wordt gekeken naar de afgelopen 10 jaar, dan komt het gemiddelde uit op 104 ha. Grafiek 4.12

Reserve bedrijventerreinen in jaren 1 jan 2005
(gebaseerd op de gemiddelde uitgifte over de afgelopen 10 jaar)

Overijssel Platteland Steden ZWOLLE HENGELO ENSCHEDE DEVENTER ALMELO
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 aantal jaren

Direct uitgeefbaar

Niet-direct uitgeefbaar

Bron: Provincie Overijssel/IBIS

20

Ondanks de lagere uitgiftecijfers zal in de komende jaren een groeiend tekort aan bedrijventerreinen ontstaan. Het terstond uitgeefbaar aanbod is momenteel aan de magere kant en Overijssel beschikt bovendien over een te geringe plancapaciteit. Om een idee te krijgen over de omvang van de reserve, wordt deze veelal uitgedrukt in het aantal jaren dat men - gelet op het gemiddelde uitgifteverloop - nodig heeft om de voorraad uit te geven. Het gaat hierbij om de reserve die in de planologische bestemmingsplanprocedure zit. Plannen op termijn zijn hierbij dus niet inbegrepen. Dat geldt dus bijvoorbeeld voor het Regionaal Bedrijventerreinen Twente (RBT). De gemeente Almelo heeft in april 2005 het startsein gegeven om het bestemmingsplan in procedure te brengen. In de enquête-gegevens van 2006 zal het terrein in de data zijn opgenomen. Rekenkundig gezien blijkt dat Almelo binnen het jaar door de reserve heen is en Zwolle voor nog bijna 11 jaar voldoende capaciteit heeft. Het is voor de continuïteit van het Overijsselse aanbod noodzakelijk, dat er voldoende volume en doorstroming zit in de verschillende aanbodcategorieën. Een goede programmering van de ontwikkeling van nieuw bedrijvenareaal is van groot belang. Aandachtspunt daarbij is, dat niet elke gemeente afzonderlijk over het gevraagde aanbod moet kunnen beschikken, maar dat in elk geval op regionaal niveau in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht in de behoefte kan worden voorzien. Beleidsmatig is dit vormgegeven in het regionaal programmeringsoverleg bedrijventerreinen, waarin in drie gebieden (Twente, Noord-Overijssel en de stedendriehoek Deventer-Apeldoorn-Zutphen) de locale en regionale overheden samen met de provincie(s) de concretisering van de behoefteraming ter hand nemen. Recent is de naam van het programmeringsoverleg veranderd in het Regionaal platform bedrijventerreinen. Kantoren De overgang van de productie- naar de diensteneconomie is ook in Overijssel de belangrijkste motor geweest achter de groei van de kantorenvoorraad. De werkgelegenheid in de dienstensector groeide de afgelopen jaren in hoog tempo. In de tweede helft van de jaren negentig is een sterke acceleratie van de vraag naar kantoren opgetreden. De conjuncturele teruggang in 2001 heeft geleid tot een terugval van deze vraag. Ondertussen werd er nog volop gebouwd met als gevolg dat het kantorenaanbod bleef toenemen, de zogenaamde “varkenscyclus”. Net als bij bedrijventerreinen het geval is, geldt ook voor kantoorlocaties, dat er voldoende volume en doorstroming moet zitten in en tussen de verschillende aanbodcategorieën. Ondanks de verdere verdienstelijking van de economie zal de opname-groei in de komende jaren minder groot zijn dan eind jaren negentig.

Tabel 4.4. Voorraad, aanbod en opname kantoren in Nederland en Overijssel Voorraad 1 jan 2005 30.296.000 713.000 420.000 290.000 Aanbod 1 januari 2005 Aanbod in % Nieuwbouw als Opname over percentage in van de 2004 voorraad het aanbod 4.868.000 16% 1.283.000 25% 58.100 77.100 54.900 8% 18% 19% 19% 99.700 17.900 8.500 23.000 32% 13% 38% 16%

Regio Nederland Zwolle Enschede Hengelo

Deventer 311.000 60.200 Bron: Dynamis, Sprekende Cijfers, 2005

Zoals uit de cijfers en onderstaande grafiek blijkt, is de positie van Zwolle gunstig te noemen. De opname van de kantoren was in 2004 fors toegenomen en de omvang van het aanbod t.o.v. de voorraad is slechts 8%. Enschede en Hengelo kennen een omgekeerde (negatieve) ontwikkeling qua opname. In Deventer is de opname weer op het niveau van 2002 gekomen. In Zwolle en Hengelo is het aandeel van de nieuwbouw hoger dan het landelijke cijfer. Deventer en Enschede zitten onder het landelijke niveau.

21

Grafiek 4.13

Ontwikkeling opname van kantoorruimte in Zwolle, Deventer, Enschede en Hengelo, 2001, 2002, 2003 en 2004 (in m2)

2001

Hengelo
2004

2002 2003 2001

Enschede

2002 2003
2004

2001

Deventer

2002 2003
2004

2001

Zwolle

2002 2003
2004

0

20.000

40.000

60.000

80.000

100.000

120.000
in m2

Bron: Dynamis, Sprekende cijfers, 2005

4.4

Verplaatsingsgedrag wonen en werken

Over dit onderwerp is een aparte rapportage samengesteld. Hieronder worden de belangrijkste resultaten weergegeven. Bij de BIRO-enquête (Bedrijven- en InstellingenRegister Overijssel) van 2003 is aan de bedrijven en instellingen gevraagd de woonplaats van de werknemers aan te geven. Met deze resultaten is de pendel per gemeente en regio in Overijssel in kaart gebracht. Doel is het inzichtelijk maken van de woon- en werkstromen op gemeentelijk, regionaal en provinciaal niveau. In onderstaande figuren zijn de woonwerkrelaties van de Overijsselse grote steden in beeld gebracht. De omvang van het herkomstgebied van werkzame personen bij Overijsselse bedrijven en instellingen is van alle vijf de steden in Zwolle het grootst. Voor Deventer is er zeker sprake van provinciegrensoverschrijdende woon-werk relaties, maar vergeleken met Zwolle geldt dat voor een kleiner gebied.

22

Grafiek 4.14 Herkomst pendelaars Zwolle en Deventer

Bron: BIRO /provincie Overijssel In Enschede (en ook Hengelo en Almelo) zijn de woon-werkrelaties beperkt tot het arbeidsmarktgebied van Twente. Het deel dat in de Achterhoek woont is vooral georiënteerd op Enschede en in mindere mate op Hengelo. De herkomst van werknemers uit Almelo is duidelijk afkomstig uit Twente. Grafiek 4.15 Herkomst pendelaars Twentse grote steden

Bron: BIRO /provincie Overijssel

23

In onderstaande tabel is het woon-werkverkeer naar omvang en percentages weergegeven. Het gaat hier in totaal om ruim 400.000 werknemers die in Overijssel werkzaam zijn. Tabel 4.5 Woon-werkverkeer 2003 in Overijssel
Werken ALMELO DEVENTER ENSCHEDE HENGELO ZWOLLE Overig Overijssel Wonen ALMELO DEVENTER ENSCHED E HENGELO ZWOLLE Overig Overijssel Van buiten Overijssel Totaal 32.767 100 38.495 100 63.108 100 35.745 100 64.906 100 165.053 100 1.416 4 9.218 24 4.977 8 3.079 9 15.867 24 17.873 11 4.058 70 12.583 12 0 38 243 675 6.547 1 2 17 6.540 92 14.144 10 0 22 14.632 53 10.628 41 0 30 204 27.966 19.474 0 43 30 4.169 3.466 128.032 3 2 78 omvang 12.746 158 1.736 in % 39 0 5 omvang 352 21.078 382 in % 1 55 1 omvang 1.833 270 35.252 in % 3 0 56 omvang 2.636 176 4.541 in % 7 0 13 omvang 299 845 251 in % 0 1 0 omvang 4.401 1.846 5.265 in % 3 1 3

Bron: BIRO /provincie Overijssel Het merendeel van de bevolking woont en werkt binnen de eigen gemeente (Almelo 39%, Deventer 55%, Enschede 56%, Hengelo 41%, Zwolle 43%). Voor het overige hebben de stedelijke gemeenten een regionale functie met betrekking tot de werkgelegenheid voor het omliggende gebied. In Twente is sprake van relaties tussen de steden onderling (Enschede versus Hengelo en Almelo versus Hengelo) en naar de omliggende gemeenten binnen een ruime regio. Twente vormt in dit geval een samenhangend geheel waar men woont en werkt. De arbeidsmarktgebieden voor Zwolle en Deventer zijn gescheiden maar richten zich - anders dan de Twentse grote steden - op een zeer ruime regio, zowel binnen als buiten de provincie.

24

5

Overijsselse arbeidsmarkt

5.1

Beroepsbevolking

De totale omvang van de beroepsbevolking in Overijssel en Nederland in 2005 is als volgt samengesteld. Tabel 5.1 Bevolking en beroepsbevolking in Nederland en Overijssel 2005 Bevolking totaal Bevolking 15-64 jaar Beroepsdeelname (%) Beroepsbevolking Niet werkenden In procenten van de beroepsbevolking 9.3 9.6

Nederland Overijssel Bron: APO

16.292.000 1.109.250

10.998.000 738.910

68.8 67.8

7.572.000 501.340

709.000 48.400

Zowel de beroepsbevolking als het aantal werkzame personen in Overijssel nam onder invloed van de gunstige economische ontwikkelingen in de periode 1993-2004 sneller toe dan gemiddeld in Nederland (zie grafiek). Vooral na 1998 is de toename van de Overijsselse beroepsbevolking groter dan in Nederland. Grafiek 5.1

Ontwikkeling beroepsbevolking
120 115 110 105 100 95 90 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005
index 1996=100

Nederland

Overijssel

Bron: APO Deze verschillen in de ontwikkeling van de beroepsbevolking hebben vooral te maken met de arbeidsparticipatie. In onderstaande grafiek wordt duidelijk, dat het deelnemingspercentage van de

25

Overijsselse beroepsbevolking sterk is toegenomen. Toch blijft de participatiegraad iets onder het niveau van Nederland, zoals in de grafiek is af te lezen. Grafiek 5.2

Beroepsdeelneming van de bevolking in de leeftijdklasse 15-64 jaar
in procenten

75 70 65 60 55 50 45 40 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Nederland
Bron: APO

Overijssel

Eén van de verklaringen voor de lagere beroepsdeelname van de Overijsselse beroepsbevolking is de participatiegraad van vrouwen in Overijssel. Ondersta ande grafiek laat dat zien. Wel wordt duidelijk dat de arbeidsdeelname van vrouwen in Overijssel in de periode 1996-2005 een forse inhaalslag heeft gemaakt. Grafiek 5.3

Beroepsdeelname vrouwen
65
in procenten

60 55 50 45 40 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

Nederland

Overijssel

Bron: APO

De beroepsdeelname van vrouwen in de periode 1996-2005 is, zoals gesteld, aanzienlijk toegenomen. In niet alle regio’s is dat het geval. Met name in Zuidwest-Overijssel is het percentage hoger dan landelijk het geval is. Dat geldt voor 1996 en 2005. Voor de regio Twente is de afwijking ten opzichte van het landelijk beeld het grootst.

26

Tabel 5.2 Beroepsdeelname vrouwelijke beroepsbevolking (in procenten) 1996 Nederland Overijssel Twente Noord-Overijssel Zuidwest-Overijssel Bron: APO Met een relatief lager aandeel van hoger opgeleiden op de provinciale arbeidsmarkt blijft Overijssel achter vergeleken met het landelijk niveau. Bovendien is het opleidingsniveau van de werkloze beroepsbevolking lager. Dit kan voor een kwalitatieve discrepantie zorgen tussen vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt waardoor de verdere groei en vestiging van nieuwe (innovatieve) bedrijvigheid achterblijft ten opzichte van Nederland. De steden Zwolle en Deventer komen het meest overeen met het opleidingsniveau van Nederland. Grafiek 5.4 48,8 45.1 43.0 46.1 51.5 2005 58.7 56,4 55,1 57,5 60.2

Opleidingsniveau beroepsbevolking in de grote steden en COROP gebieden van Overijssel, de provincie Overijssel en Nederland
(in procenten, 2003)

Zwolle Hengelo Enschede Deventer Almelo Twente Zuidwest-Overijssel Noord-Overijssel OVERIJSSEL Nederland 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

Lager onderwijs

Middelbaar onderwijs

Hoger onderwijs

Bron: CBS

27

5.2

Werkloosheid: de niet-werkende werkzoekenden. Omvang en kenmerken

In januari 2005 waren er in Nederland 692.210 niet-werkende werkzoekenden bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) ingeschreven. Het jaar daarvoor was dat aantal nog 678.545. Tabel 5.3 Omvang niet-werkende werkzoekenden (NWW) vanaf 1997 1997 Nederland Overijssel NoordOverijssel Twente ZuidwestOverijssel Zwolle Enschede Hengelo Almelo Deventer Steden Platteland Bron: CWI/APO 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005

865.000 762.000 651.200 548.000 487.200 488.985 547.342 678.545 692.210 56.152 47.444 41.055 33.559 28.291 28.398 34.306 44.022 47.258 14.028 35.181 6.943 5.562 12.094 5.472 5.627 5.257 34.012 22.140 11.103 30.606 5.735 4.389 10.161 4.950 5.402 4.324 29.226 18.217 10.125 26.128 4.802 3.613 8.583 4.217 4.706 3.622 24.741 16.314 7.533 22.014 4.012 2.837 7.754 3.572 4.384 3.136 21.683 11.876 6.823 18.145 3.323 2.563 6.083 2.973 3.494 2.567 17.680 10.610 6.773 18.122 3.503 2.463 5.820 2.643 3.991 2.824 17.741 10.657 8.732 21.240 4.334 3.499 6.716 3.623 4.147 3.433 21.418 12.888 11.300 27.034 5.700 4.619 8.847 4.488 5.089 4.455 27.498 16.524 12.300 28.964 6.000 5.029 10.161 4.572 5.170 4.743 29675 17583

De gegevens van januari 2005 laten zien, dat er in Overijssel 47.258 niet-werkende werkzoekenden geregistreerd waren. In oktober 2003 was dat aantal nog 34.306: een toename van 28%. Voor de COROP-gebieden lopen de ontwikkelingen uiteen: Noord-Overijssel heeft een toename van 29%, Twente 27% en Zuidwest-Overijssel heeft een toename van 32%. Deze aantallen illustreren hoe snel de werkloosheid in de afgelopen jaren is toegenomen. Vooral in de grote steden is de toename groot, namelijk 34% tegenover 18% op het platteland. Grafiek 5.5 Werklozen naar leeftijd
Werkloosheid in Overijssel en Nederland. Kenmerken van de niet-werkende werkzoekenden. Leeftijd. (situatie mei 2005)

100%

>= 57,5 jaar

90%

80%

50 t/m 57,4 jaar 40 t/m 49 jaar

70%

60%

30 t/m 39 jaar

50%

27 t/m 29 jaar
40%

30%

24 t/m 26 jaar

20%

15 t/m 23 jaar
10%

0% Nederland Overijssel Grote steden Pl;atteland Zwolle Deventer Almelo Hengelo Enschede

Bron: CWI

28

De leeftijd van de werkloze beroepsbevolking in Overijssel lijkt iets jonger. Met name de jongere leeftijdgroepen zijn in Overijssel meer vertegenwoordigd dan in Nederland het geval is. Binnen Overijssel zijn het vooral de grote steden waar relatief veel jongeren werkloos zijn. Op het Overijsselse platteland zijn het de oudere leeftijdscategorieën die meer vertegenwoordigd zijn. Grafiek 5.6 Werklozen, duur werkloosheid

Werkloosheid in Overijssel en Nederland. Kenmerken van de niet-werkende werkzoekenden. Duur van de werkloosheid. (situatie mei 2005)
100%

90%

80%

>= 3 jaar werkloos

70%

2 tot 3 jaar werkloos
60%

50%

1 tot 2 jaar werkloos

40%

6 tot 12 mnd. Werkloos

30%

3 tot 6 mnd. werkloos

20%

0 tot 3 mnd. werkloos
10%

0% Nederland Overijssel Grote steden Pl;atteland Zwolle Deventer Almelo Hengelo Enschede

Bron: CWI In Overijssel is de inschrijvingsduur van de werklozen iets korter dan in Nederland. Dat valt af te leiden uit de hogere aandelen van de 0 tot 3 maand ingeschrevenen en het lager aandeel van de langdurig ingeschrevenen (meer dan drie jaar). Binnen Overijssel is het aandeel 6-12 maand op het platteland meer vertegenwoordigd en het aandeel 0 tot 3 jaar ingeschreven zijn de in de steden meer vertegenwoordigd. Tussen de grote steden onderling zijn er grotere verschillen. Bijvoorbeeld het (hoge) aandeel langdurig werklozen in Almelo en Hengelo en de hoge aandelen werklozen in Zwolle, Deventer en Enschede die voor een korte duur zijn ingeschreven. Het opleidingsniveau van de niet-werkende werkzoekenden in Overijssel wijkt niet echt af van dat van Nederland. Het grootste verschil zit in het aandeel wetenschappelijk opgeleide werklozen. In Nederland is dat aandeel iets hoger. De grote steden van Overijssel hebben een relatief hoog aandeel met laag opgeleide werklozen (minder dan VBO). Vooral Enschede is daar een goed voorbeeld van. Het platteland heeft minder laag opgeleide werklozen, maar scoort hoger in de categorie MBO, HAVO en VWO. Het beeld tussen de steden varieert sterk. Elk van de grote steden lijkt zijn eigen profiel te hebben waarbij Zwolle en Enschede twee uitersten vormen.

29

Grafiek 5.7 Werklozen, opleidingsniveau.
Werkloosheid in Overijssel en Nederland. Kenmerken van de niet-werkende werkzoekenden. Opleiding. (situatie mei 2005)
100%

90%

niet bekend

80%

wo
70%

60%

hbo

50%

40%

mbo havo vwo

30%

vbo mavo
20%

10%

< vbo

0% Nederland Overijssel Grote steden Pl;atteland Zwolle Deventer Almelo Hengelo Enschede

Bron: CWI

5.3

Verwachtingen over de werkloosheid

Voor de nabije toekomst (tot medio 2006) verwacht men eerst een gelijkblijvend percentage nietwerkende werkzoekenden en na de jaarwisseling zal er een geringe daling gaan optreden. In onderstaande grafiek zijn deze verwachtingen aangegeven. In Twente zullen waarschijnlijk de hoogste percentages worden bereikt. Grafiek 5.8

12 11 10 9 8 7 6 5 4

Ontwikkeling en verwachte ontwikkeling van de werkloosheid in procenten van de beroepsbevolking, januari 2002-april 2006

jan. april

juli

okt. jan. april

juli

okt. jan. april

juli

okt.

jan. april

juli

okt.

jan. april

2002 2002 2002 2002 2003 2003 2003 2003 2004 2004 2004 2004 2005 2005 2005 2005 2006 2006 Nederland Overijssel Noord-Overijssel Twente Zuidwest-Overijssel

Bron: APO juni 2005 (Provincie Overijssel/ETIL)

30