Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland

Ontwerpbesluit
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Gelet op artikel 9:20 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;

Besluiten: Vast te stellen de: Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland § 1 Algemene bepalingen Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: Verordening: de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland; Provinciale visie: een door Provinciale Staten vastgestelde analyse over de komende periode van vijf jaren, met een vooruitblik over de vijf daaropvolgende jaren, van de huidige en toekomstige gewenste situatie ten aanzien van het regionale economische investeringsklimaat, de daaruit voortvloeiende knelpunten en kansen en de gekozen oplossingsrichtingen om de gewenste situatie te bereiken; Meerjarenprogramma bedrijventerreinen: een door Gedeputeerde Staten vast te stellen overzicht, waarin op basis van regionale adviezen over een reeks van jaren projecten voor de voorziene aanleg van nieuwe bedrijventerreinen en de herstructurering van verouderde bedrijventerreinen zijn opgenomen; Toeristische bestedingen: de optelsom van uitgaven van binnen- en buitenlanders aan goederen en diensten, tijdens één of meerdaagse bezoeken met uiteenlopende motieven (recreatie, cultuurtoerisme, vakantie, zakelijke bezoeken en dergelijke); Kennisoverdracht: overdracht van kennisproducten, -diensten en -processen van onderwijs-, onderzoeksinstellingen en research- en developmentcentra naar bedrijven of tussen bedrijven onderling; Startersklimaat: de resultante van factoren die de aantrekkelijkheid om een eigen, innovatief en kennisintensief bedrijf te starten bepalen.

a. b.

c.

2. In aanvulling op artikel 1:30 van de verordening gaat een aanvraag vergezeld van de volgende documenten: a. een haalbaarheidsanalyse, waarin de planologische en milieutechnische haalbaarheid van het project in beeld wordt gebracht; b. een financieringsopzet van het project; c. een gemotiveerde beschrijving van het draagvlak op basis van verklaringen van de betrokken gemeente(n) en het georganiseerd bedrijfsleven; d. een projectplan en e. in geval van een ontwikkelingsproject of een bedrijfsverzamelgebouw een verklaring van een extern deskundige, inhoudende dat de berekening van het geraamde financiële tekort op grond van in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke grondslagen en berekenmethoden juist is. Artikel 3 1. In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening weigeren Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie indien: a. er geen financieel tekort is; b. reeds eerder een subsidie is verstrekt ten behoeve van een project in het kader van het Besluit tender investeringsprogramma’s provincies 2000 of het Ontwikkelingsfonds Bedrijventerreinen; c. een project niet bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, sub c. 2. In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening kunnen Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie weigeren, indien het project niet geheel zal worden uitgevoerd, of de uitvoering van het project niet haalbaar is, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, sub f, of niet de eerste gunning zal worden verleend binnen 18 maanden na het eventuele verlenen van subsidie. Artikel 4 1. Gedeputeerde Staten hanteren bij het opstellen van een meerjarenprogramma bedrijventerreinen en bij het rangschikken van de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 9:3 van de verordening de volgende criteria: a. er sprake is van een herstructureringsproject;

d.

e.

f.

§ 2 Ontwikkeling bedrijventerreinen Artikel 2 1. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 9:3 van de verordening wordt ingediend met gebruikmaking van het volledig ingevuld origineel van een door het bevoegd gezag ondertekend Aanvraagformulier Projecten Ontwikkelingsfonds Bedrijventerreinen, dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.

2

Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland

b. de bijdrage die een herstructureringsproject levert aan de verbetering van de kwalitatieve aanbodsituatie en de bijdrage die een ontwikkelingsproject levert aan de verbetering van de kwantitatieve aanbodsituatie, beide in termen van het totale aantal netto hectaren. De bijdrage van een project aan het verbeteren van de bereikbaarheid van bestaande bedrijventerreinen en het beschikbaar komen van ruimte voor bedrijven die moeilijk plaatsbaar zijn als gevolg van extensief ruimtegebruik of nadelige effecten op de omgeving, maar die voor de regionale economische structuur van belang zijn, alsmede de bijdrage van een project aan het bevorderen van ondernemerschap door het realiseren van bedrijfsverzamelgebouwen; c. er sprake is van een duurzaam project dat een bijdrage levert aan een betere samenhang tussen wonen, werken, recreëren en vervoer en aan een combinatie van economische ontwikkeling en milieubehoud uitgedrukt in goed beheer, multimodaliteit en optimaal gebruik van bestaande infrastructurele voorzieningen, optimalisatie van personen- en goederenvervoer, meervoudig en collectief ruimtegebruik; d. de bijdrage van het project aan de in de provinciale visie gesignaleerde behoefte aan verbetering van het regionale economische investeringsklimaat door het wegnemen van knelpunten of het benutten van potenties uitgedrukt in impulsen voor versterking van de productiestructuur, verbetering van de bestuurlijke samenwerking, bevordering van ondernemerschap, verbetering van de arbeidsmarktsituatie, technologieontwikkeling en verbetering van het woonmilieu; e. de opname van het project in het Meerjarenprogramma bedrijventerreinen; f. de haalbaarheid van het project aan de hand van de haalbaarheidsanalyse. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde rangschikking kennen Gedeputeerde Staten per criterium a tot en met f waaraan het project voldoet maximaal vijf punten aan die aanvraag toe. Gedeputeerde Staten hanteren ten behoeve van de rangschikking wegingsfactoren voor de criteria en geven aan de subsidieaanvragen een hogere prioriteit naargelang de eindscore. De wegingsfactoren zijn voor bedoelde toetsingscriteria respectievelijk: sub a. 15%; sub b. 15%; sub c. 20%; sub d. 15%; sub e. 15% en sub f. 20%. Artikel 5 Gedeputeerde Staten kunnen ter zake van subsidie aanvragen advies inwinnen van onafhankelijke deskundigen. 3
Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland

§ 3 Planvorming bedrijventerreinen Artikel 6 In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening weigeren Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 9:8 van de verordening indien: a. aan de aanvrager reeds eerder voor dezelfde projectfase subsidie is verleend op basis van paragraaf 3 van hoofdstuk IX van de verordening; b. indien een project niet bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a. Artikel 7 1. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 9:8 van de verordening op basis van de volgende criteria: a. er sprake is van een duurzaam project dat een bijdrage levert aan een betere samenhang tussen wonen, werken, recreëren en vervoer en aan een combinatie van economische ontwikkeling en milieubehoud uitgedrukt in goed beheer, multimodaliteit en optimaal gebruik van bestaande infrastructurele voorzieningen, optimalisatie van personen- en goederenvervoer, meervoudig en collectief ruimtegebruik; b. de bijdrage van het project aan de herstructurering van bedrijventerreinen; c. de bijdrage van het project aan het oplossen van regionale knelpunten; d. het regionale draagvlak van het project bij openbaar bestuur en bedrijfsleven; e. de financiële bijdrage van bij het project betrokken partijen. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde rangschikking kennen Gedeputeerde Staten per criterium a tot en met e waaraan het project voldoet maximaal vijf punten aan die aanvraag toe. Gedeputeerde Staten geven aan de subsidieaanvragen een hogere rangschikking naargelang de eindscore. Artikel 8 1. Een subsidie mag niet hoger zijn dan € 100.000,00 over een periode van drie jaar en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de de minimissteun als bedoeld in verordening (EG) 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffend de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimissteun. 2. De aanvrager is verplicht een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid bij de aanvraag van subsidie te melden door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld model. 3. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen in de sectoren transport, landbouw, visserij en aquacultuur.

a.

b.

c.

d.

§ 4 Toerisme Artikel 9 In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening weigeren Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 9:11, artikel 9:12, artikel 9:13, respectievelijk artikel 9:14 van de verordening indien: aan de aanvrager reeds eerder voor een zelfde project subsidie is verleend op basis van paragraaf 4 van hoofdstuk IX van de verordening; het project betrekking heeft op het verstrekken van toeristische informatie of op de lokale en regionale toeristisch-recreatieve en toeristisch-culturele promotie van evenementen, attracties en bestemmingen; het project betrekking heeft op de ondersteuning van algemene promotieactiviteiten voor de provincie Zuid-Holland; het project betrekking heeft op de gemeenten Den Haag en Rotterdam anders dan de wijk Scheveningen en de locatie Kijkduin van de gemeente Den Haag en de deelgemeente Hoek van Holland van de gemeente Rotterdam.

subsidieaanvragen een hogere rangschikking naargelang de eindscore. Artikel 11 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 12 en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel bedraagt de subsidie niet meer dan het negatieve verschil tussen de provinciale subsidies verstrekt op basis van andere paragrafen en hoofdstukken van de verordening, bijdragen van derden en subsidies van andere bestuursorganen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en de projectkosten anderzijds. 2. De subsidie bedraagt per project maximaal € 100.000,00. Artikel 12 1. Een subsidie mag niet hoger zijn dan € 100.000,00 over een periode van drie jaar en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de de minimissteun als bedoeld in verordening (EG) 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffend de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimissteun. 2. De aanvrager is verplicht een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid bij de aanvraag van subsidie te melden door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld model. 3. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen in de sectoren transport, landbouw, visserij en aquacultuur. Artikel 13 Gedeputeerde Staten kunnen ter zake van aanvragen om subsidie advies inwinnen van het Zuid-Hollands Bureau voor Toerisme. § 5 Ontwikkeling kenniseconomie Artikel 14 Gedeputeerde Staten kunnen projectsubsidies als bedoeld in artikel 9:17, sub a, van de verordening verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op: a. het vergroten van de aantrekkelijkheid van vestiging van kennisintensieve bedrijven op bedrijfsterrein locaties die als zodanig zijn bestemd voor de opvang van hoogwaardige kennisintensieve bedrijvigheid; b. het verkrijgen en behouden van kennisintensieve bedrijvigheid. Artikel 15 Gedeputeerde Staten kunnen projectsubsidies als bedoeld in artikel 9:17, sub b, van de verordening verstrekken voor activiteiten die: a. voorzien in de mogelijkheid van een betere uitwisseling van dataverkeer alsook van kennis en onderzoeksresulaten uitwisseling;

Artikel 10 1. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen voor subsidie als bedoeld in de artikelen 9:11 tot en met 9:14 van de verordening op basis van de volgende criteria: a. de verwachte toename van toeristische bestedingen in de provincie Zuid-Holland; b. de verwachte toename van het aantal toeristische overnachtingen en/of dagtoeristen in de provincie Zuid-Holland; c. de bijdrage van het project aan de vernieuwing en/of kwaliteitsverbetering van het toeristisch product in de provincie Zuid-Holland; d. de omvang (schaalgrootte) van het project in relatie tot de economische betekenis; e. de bijdrage van het project aan een betere samenhang tussen wonen, werken, recreëren en vervoer; f. de bijdrage van het project aan het optimaliseren van het gebruik van de bestaande wegenstructuur en openbaar vervoer; g. het (regionale) draagvlak van het project bij openbaar bestuur en bedrijfsleven, en h. de financiële bijdrage van de bij het project betrokken organisaties; i. de bijdrage van het project aan een versterkte samenwerking tussen cultuurtoeristische en recreatieve instellingen. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde rangschikking kennen Gedeputeerde Staten per criterium a tot en met i waaraan het project voldoet maximaal vijf punten aan die aanvraag toe. Gedeputeerde Staten geven aan de

4

Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland

gericht zijn op versterking van onderzoeksactiviteiten; c. gericht zijn op het stimuleren van samenwerking op het gebied van innovativiteit en kenniscomponent tussen bedrijven onderling of bedrijven en onderwijs-, onderzoeksinstellingen of research- en developmentcentra; d. gericht zijn op het bevorderen van kennisoverdracht. Artikel 16 Gedeputeerde Staten kunnen projectsubsidies als bedoeld in artikel 9:17, sub c, van de verordening verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op: a. het stimuleren van samenwerking op het gebied van innovativiteit en kenniscomponent tussen bedrijven onderling of bedrijven en onderwijs-, onderzoeksinstellingen of research- en developmentcentra; b. innovatie van producten en of diensten of processen; Artikel 17 Gedeputeerde Staten kunnen projectsubsidies als bedoeld in artikel 9:17, sub d, van de verordening verstrekken voor activiteiten die: a. gericht zijn op de verbetering van het startersen vestigingsklimaat; b. de commerciële benutting van kennis bevorderen; c. gericht zijn op het versterken van startersfaciliteiten bij onderwijsinstellingen. Artikel 18 Gedeputeerde Staten kunnen projectsubsidies als bedoeld in artikel 9:17, sub e, van de verordening verstrekken voor activiteiten die gericht zijn op: het doorstromen van beroepsonderwijs naar bedrijfsleven en/of het verkrijgen van een hogere startkwalificatie in het beroepsonderwijs; een toename van het aantal bètaopgeleiden; de versterking van de koppeling tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven; de toename van de ondernemingszin en ondernemersschap in het beroepsonderwijs Artikel 19 In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening weigeren Gedeputeerde staten de verlening van een subsidie indien aan de aanvrager reeds eerder voor hetzelfde project subsidie is verleend op basis van paragraaf 5 van hoofdstuk IX van de verordening.

Artikel 20 1. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf op basis van de volgende criteria: a. de bijdrage aan de verbetering van het vestigings- en startersklimaat voor kennisintensieve bedrijvigheid; b. de bijdrage aan de samenwerking op het gebied van kennisuitwisseling en kennistoepassing tussen bedrijven onderling of bedrijven en onderwijs- en onderzoeksinstellingen of research- en developmentcentra; c. de bijdrage aan het versterken van de innovativiteit van bedrijven; d. de bijdrage aan het stimuleren van kennisintensieve startende bedrijven; e. de bijdrage aan verbetering van de koppeling tussen onderwijs en bedrijfsleven; f. de bijdrage van de onderwijsinstelling aan het ondernemersklimaat; g. de bijdrage aan de versterking van de kennisintensieve clusters h. het regionale draagvlak; i. de verhouding tussen de score op de onder a tot en met e genoemde criteria en de totale projectkosten. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde rangschikking kennen Gedeputeerde Staten per criterium a tot en met i waaraan het project voldoet maximaal vijf punten aan die aanvraag toe. Gedeputeerde Staten geven aan de subsidieaanvragen een hogere rangschikking naargelang de eindscore. Artikel 21 1. Met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel bedraagt de subsidie niet meer dan het negatieve verschil tussen de provinciale subsidies verstrekt op basis van andere paragrafen of hoofdstukken van de verordening, bijdragen van derden en subsidies van andere bestuursorganen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en de projectkosten anderzijds. 2. De subsidie bedraagt per project maximaal € 500.000,00. § 6 Planvorming kenniseconomie Artikel 22 In aanvulling op de artikelen 1:12 en 1:32 van de verordening weigeren Gedeputeerde Staten de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 9:19 van de verordening indien aan de aanvrager reeds eerder voor hetzelfde project subsidie is verleend op basis van paragraaf 6 van hoofdstuk IX van de verordening.

a.

b. c. d.

5

Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland

Artikel 23 1. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 9:19 van de verordening op basis van de volgende criteria: a. de bijdrage aan de verbetering van het vestigings- en startersklimaat voor kennisintensieve bedrijvigheid. b. de bijdrage aan de verbetering van de kennis-, onderzoek- of informatieuitwisseling c. de bijdrage aan het versterken van de innovativiteit van bedrijven; d. de bijdrage aan verbetering van de koppeling tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven e. de bijdrage aan de versterking van de kennisintensieve clusters. 2. Ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde rangschikking kennen Gedeputeerde Staten per criterium a tot en met e waaraan het project voldoet maximaal vijf punten aan die aanvraag toe. Gedeputeerde Staten geven aan de subsidieaanvragen een hogere rangschikking naargelang de eindscore. Artikel 24 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 25 en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel bedraagt de subsidie niet meer dan het negatieve verschil tussen de provinciale subsidies verstrekt op basis van andere paragrafen of hoofdstukken van de verordening, bijdragen van derden en subsidies van andere bestuursorganen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen enerzijds en de projectkosten anderzijds. 2. De subsidie bedraagt per project maximaal € 50.000,00. Artikel 25 1. Een subsidie mag niet hoger zijn dan € 100.000,00 over een periode van drie jaar en dient ook anderszins te voldoen aan de voorwaarden voor de de minimissteun als bedoeld in verordening (EG) 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffend de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimissteun. 2. De aanvrager is verplicht een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid bij de aanvraag van subsidie te melden door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld model. 3. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen in de sectoren transport, landbouw, visserij en aquacultuur.

§ 7 Slotbepalingen Artikel 26 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2004 en vervalt met ingang van 1 januari 2009. 2. Deze regeling wordt geëvalueerd voor 1 januari 2007. Artikel 27 Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland.

6

Subsidieregeling economische zaken Zuid-Holland