STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

RIHW

26 november 2003 110623/CE3/150/000270

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

2

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Inhoud
1 Inleiding_____________________________________________________________________ 5 1.1 Aanleiding Startnotitie Hoeksche Waard ______________________________________ 5 1.2 Waarom een m.e.r.-procedure ?_____________________________________________ 6 1.3 Hoe ziet de (vrijwillige) m.e.r. er uit? _________________________________________ 6 1.4 Doel van de Startnotitie ____________________________________________________ 7 1.5 Mogelijkheden voor inspraak _______________________________________________ 8 1.6 Opbouw van deze Startnotitie ______________________________________________ 9 2 Waarom een regionaal bedrijventerrein?______________________________________ 11 2.1 Aanleiding ontwikkeling bedrijventerrein ____________________________________ 11 2.2 Waarom hier? ___________________________________________________________ 13 2.3 Doelstelling van het initiatief _______________________________________________ 14 3 De Hoeksche Waard _________________________________________________________ 15 3.1 Studiegebied en zoekgebied _______________________________________________ 15 3.2 Huidige situatie __________________________________________________________ 17 3.2.1 Ruimtelijke structuur _______________________________________________ 17 3.2.2 Verkeersstructuur __________________________________________________ 20 3.2.3 Milieu____________________________________________________________ 22 3.2.4 Bodem en water___________________________________________________ 23 3.2.5 Natuur ___________________________________________________________ 25 3.2.6 Landschap, Cultuurhistorie en archeologie _____________________________ 26 3.3 Autonome ontwikkelingen ________________________________________________ 27 3.3.1 Ruimtelijke structuur _______________________________________________ 27 3.3.2 Verkeersstructuur __________________________________________________ 29 3.3.3 Milieu____________________________________________________________ 29 3.3.4 Bodem en water___________________________________________________ 29 3.3.5 Natuur ___________________________________________________________ 29 3.3.6 Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie_____________________________ 29 4 Voorgenomen activiteit en alternatiefontwikkeling ____________________________ 31 4.1 Inleiding ________________________________________________________________ 31 4.2 Programma van eisen Voorgenomen activiteit ________________________________ 31 4.3 Alternatiefontwikkeling ___________________________________________________ 33 4.3.1 Visie op hoofdlijnen ________________________________________________ 34 4.3.2 De relevante thema’s en het uitwerken van de alternatieven ______________ 35 5 De te verwachten effecten ___________________________________________________ 41 5.1 Inleiding ________________________________________________________________ 41 5.2 Effectbeschrijving in het MER ______________________________________________ 41 5.3 Wat vindt u nog meer in het MER? _________________________________________ 43 6 Besluiten, beleidskaders en procedures _______________________________________ 45

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

3

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

6.1 Inleiding ________________________________________________________________ 45 6.2 Beleidskader ____________________________________________________________ 45 6.3 Procedure ______________________________________________________________ 46 6.3.1 Structuurplan _____________________________________________________ 46 6.3.2 Bestemmingsplan fase 1, circa 20 ha netto_____________________________ 49 6.4 Betrokkenen ____________________________________________________________ 51 Bijlage 1 Begrippen en afkortingen _________________________________________________ 53 Bijlage 2 Literatuurlijst ____________________________________________________________ 55

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

4

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

Inleiding
1.1
AANLEIDING STARTNOTITIE HOEKSCHE WAARD
In het Streekplan Zuid-Holland Zuid (2000) is het gebied ten noorden van de N217 tussen Heinenoord en ’s-Gravendeel aangewezen als ‘Streekplanuitwerking bovenregionaal en
BEDRIJVENTERREIN:
Streekplan wijst bovenregionaal terrein aan

regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard’ [1]. Voor de aanwijzing in het Streekplan is enige tijde geleden een MER opgesteld. Hiermee heeft een eerste stap in de locatiekeuze van het bovenregionaal bedrijventerrein plaatsgevonden. Voor de tijdsperiode tot 2010 is een convenant opgesteld tussen de zes gemeenten van de Hoeksche Waard en de Provincie. In dit convenant wordt de noodzaak voor een regionaal bedrijventerrein onderschreven [2]. Dit bedrijventerrein is enkel bedoeld voor de vestiging van bestaande en nieuwe bedrijven uit de Hoeksche Waard. Voor de periode na 2010 speelt de vraag naar een mogelijk bovenregionaal bedrijventerrein. De ontwikkeling van dit bovenregionaal bedrijventerrein wordt door de zes gemeenten uit de Hoeksche Waard afgewezen. De reden hiervoor is dat de effecten van dit bovenregionale bedrijventerrein op het landschap, gecombineerd met de effecten van het te realiseren regionale terrein, te groot zijn. Ook verminderen de beleving van de open ruimte en de recreatiemogelijkheden, de verkeersafwikkeling via de provinciale weg (N217) en rijksweg (A29). Bovendien is de beoogde doelgroep voor het bovenregionale bedrijventerrein moeilijk inpasbaar.

Gemeenten uit de Hoeksche Waard wijzen bovenregionale opvang af, maar erkennen noodzaak van regionale opvang

Foto 1 Woonbebouwing in zoekgebied

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

5

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Voor de inrichting van dit regionale bedrijventerrein zal allereerst een visie met raamwerk gevormd worden voor het totale gebied, een Structuurplan. Het Structuurplan is voor langere termijn geldig en is overkoepelend voor het hele zoekgebied. De inrichting van het bedrijventerrein kan vervolgens uitgewerkt worden in verschillende bestemmingsplannen. Eén bestemmingsplan voor fase 1 (circa 20 ha netto), zal aansluitend aan het Structuurplan opgesteld worden.

1.2

WAAROM EEN M.E.R.-PROCEDURE ?
Een m.e.r.-procedure voor een bedrijventerrein dient altijd gekoppeld te zijn aan een ruimtelijk plan dat als eerste in de aanleg van het initiatief (het voornemen) voorziet en daarmee een concrete beleidsbeslissing bevat. De locatie van het bovenregionale en regionale bedrijventerrein is reeds indicatief voorzien, maar niet vastgesteld, in het Streekplan Zuid-Holland Zuid [1].

WAAROM M.E.R.?
Overschrijding van de drempelwaarde voor de m.e.r.-beoordelingsplicht

Het geplande regionale bedrijventerrein Hoeksche Waard betreft circa 90 hectare bruto en is volgens het m.e.r.-besluit m.e.r.-beoordelingsplichtig (artikel 11. 2, aanleg van een bedrijfsterrein > 75 ha).

MER- OF BEOORDELINGSPLICHTIG?
Het Besluit m.e.r. maakt onderscheid naar m.e.r. -plichtige activiteiten (onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en m.e.r. -beoordelingsplichtige activiteiten (onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.). Bij C-activiteiten is het uitgangspunt dat ze belangrijke nadelige milieugevolgen hebben, terwijl dat bij D-activiteiten afhankelijk is van de omstandigheden waaronder de activiteiten worden uitgevoerd.

Bij een m.e.r.-beoordeling dient het Bevoegd Gezag te beoordelen of voor de aanleg van het regionaal bedrijventerrein sprake is van een m.e.r.-plicht en of er een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Met andere woorden: zijn er bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen van de aanleg op de omgeving en is een MER dus noodzakelijk?
BESLUIT:
Vrijwillige m.e.r.-procedure doorlopen

Voor het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard heeft (nog) geen m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. De initiatiefnemer, RIHW, heeft besloten een vrijwillige m.e.r.-procedure te doorlopen om de besluitvorming te faciliteren, het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming en draagvlak bij betrokkenen en belanghebbenden te creëren.

1.3

HOE ZIET DE (VRIJWILLIGE) M.E.R. ER UIT?
De (vrijwillige) m.e.r.is gekoppeld aan het Structuurplan Hoeksche Waard voor de te ontwikkelen 60 ha netto. Binnen het kader van het Structuurplan/MER (1 stap) worden vervolgens bestemmingsplannen geformuleerd (2 stap). Deze bestemmingsplannen zijn ruimtelijke plannen die voorzien in de aanleg van het bedrijventerrein. Ze bevatten daarmee een concrete beleidsbeslissing. Met deze getrapte aanpak wordt de m.e.r.-procedure zo optimaal mogelijk benut voor de besluitvorming. De wezenlijke keuzes (Waar komt het bedrijventerrein? Hoe ziet het er uit? Wat voor bedrijven komen er? Hoe gaat de ontsluiting eruit zien?) worden immers in het Structuurplan gemaakt, om vervolgens naar bestemmingsplanniveau vertaald te worden.
e e

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

6

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Na het vaststellen van het Structuurplan wordt het eerste bestemmingsplan, in het kader van het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard voor circa 20 ha netto, opgesteld. Indien de inrichting, beschreven in het voorontwerpbestemmingsplan, en daarmee de (milieu)effecten binnen deze scope passen, is het MER dat voor het Structuurplan is opgesteld (1 stap) voldoende om te koppelen aan dit Bestemmingsplan. Dit MER behoort voldoende informatie te bevatten voor het vaststellen van het bestemmingsplan voor de eerste 20 ha. Indien relevante informatie ontbreekt wordt een aanvulling opgesteld (2 stap MER).
GETRAPTE AANPAK
MER 1 Stap gekoppeld aan Structuurplan
e

e

e

In het kader van de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein de Hoeksche Waard, ziet de aanpak van de getrapte m.e.r.er op hoofdlijnen als volgt uit: In de Startnotitiefase worden drie ruimtelijke inrichtingsconcepten beschreven voor het zoekgebied. Deze ruimtelijke inrichtingsconcepten komen voort uit de werkzaamheden die worden uitgevoerd om het Structuurplan op te stellen (zie hoofdstuk 4). In het MER (1 fase) worden de drie ruimtelijke inrichtingsconcepten op hoofdlijnen getoetst: welke effecten kunnen worden verwacht bij deze inrichtingsconcepten? Wat zijn de effecten voor woon- en leefmilieu? Een opzet voor het beschrijven van de effecten is opgenomen in hoofdstuk 5. Op basis van de toetsing op hoofdlijnen vindt besluitvorming plaats over het voorkeursalternatief voor het zoekgebied en wordt het meest milieuvriendelijke alternatief opgesteld. Het voorkeursalternatief wordt vervolgens verder uitgewerkt in het Structuurplan. Parallel hieraan wordt het MER 1 stap afgerond, waarbij onder meer het voorkeursalternatief wordt vastgesteld. Dit MER 1 stap wordt aan de Commissie m.e.r.ter toetsing voorgelegd. Het Structuurplan wordt samen met het MER 1 stap ter inzage gelegd. Vervolgens kan de besluitvorming over het Structuurplan plaatsvinden.
e e e e

Opstellen eerste Bestemmingsplan in het kader van Structuurplan en indien nodig koppelen aan een MER 2 Stap
e

In een volgende stap (2 stap) wordt de inrichting van de 20 hectare netto onder de loep genomen en wordt hiervoor een voorontwerp bestemmingsplan opgesteld. In dit MER 2 stap vindt toetsing door de Commissie voor de m.e.r.plaats van de inrichting van de 20 hectare netto op bestemmingsplanniveau. Het bestemmingsplan kan, indien nodig (zie boven) worden voorzien van een aanvulling of actualisatie van het MER 1 stap. Voorliggende Startnotitie is gekoppeld aan het MER 1 stap en, indien noodzakelijk ook aan het MER in de 2 stap. De verschillende procedurele stappen na publicatie van de Startnotitie zijn in paragraaf 6. 2 toegelicht.
e e e e

e

1.4
REAGEREN OP DE STARTNOTITIE:
U mag inspreken en advies geven over de inhoud van het op te stellen Milieueffectrapport (MER)

DOEL VAN DE STARTNOTITIE
De voorliggende Startnotitie is de eerste stap in de m.e.r.-procedure. De Startnotitie biedt op hoofdlijnen informatie over de aanleiding en het doel van het initiatief en de m.e.r.procedure. De lezers (omwonenden en betrokkenen, de Commissie voor de milieueffectrapportage en de wettelijke adviseurs) dienen voldoende informatie te krijgen over het initiatief en de onderwerpen die in het milieueffectrapport (MER) onderzocht zullen worden.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

7

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Deze Startnotitie geeft een verdere toelichting op de locatiekeuze en uitleg over de voorgenomen activiteit. Aan de hand van een aantal randvoorwaarden, uitgangspunten en een eerste beschrijving van het zoekgebied wordt de beschrijving van de alternatieven in ruimtelijke zin afgebakend. Tevens wordt een eerste selectie gemaakt van de in het MER te beschrijven effecten die relevant zijn voor de besluitvorming.
COMMISSIE VOOR DE M.E. R. Met behulp van de Startnotitie zullen richtlijnen worden opgesteld voor de inhoud van het

MER. Daarvoor vraagt het Bevoegd Gezag advies aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (C-m.e.r.) en de wettelijke adviseurs (zie ook § 6.3). De commissie voor de milieueffectrapportage bestaat uit onafhankelijke deskundigen uit diverse disciplines, die advies geven over de richtlijnen. Zij toetsen het MER op volledigheid en juistheid. De wettelijk adviseurs zijn de regionale inspecteur van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van het ministerie van VROM en de regionale directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie van het ministerie van LNV.

1.5
4 WEKEN TER INZAGE

MOGELIJKHEDEN VOOR INSPRAAK
De Startnotitie ligt gedurende vier weken na publicatie ter inzage. Gedurende deze vier weken kan iedereen schriftelijk inspreken om zijn of haar wensen ten aanzien van de inhoud van het MER kenbaar te maken. Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage zal naar aanleiding van de Startnotitie een advies uitbrengen aan het bevoegd gezag, de gemeenteraad van de gemeente Binnenmaas .
1

RICHTLIJNEN VOOR HET MER

Op grond van deze inspraakreacties en het advies van de Commissie voor de m.e.r.en andere wettelijke adviseurs stelt de Gemeente Binnenmaas, de richtlijnen voor de inhoud van het MER vast. Als het MER klaar is zal de Commissie voor de m.e.r.opnieuw een onafhankelijk toetsingsadvies uitbrengen. Schriftelijke reacties kunnen binnen een termijn van 4 weken na ter inzage legging worden ingediend bij de gemeente Binnenmaas. Waar en wanneer de Startnotitie kan worden ingezien, wordt bekend gemaakt door middel van advertenties in lokale en regionale bladen.
INSPRAAKMOMENTEN: WANNEER EN WAAROP?
De Startnotitie In de vier weken na de publicatie van de Startnotitie kunt u reageren op de inhoud van de Startnotitie. Het doel van deze inspraak is het opstellen van (advies)richtlijnen, die de inhoud van het milieueffectrapport sturen. Wat dient er onderzocht te worden? Welke effecten van een nieuw bedrijventerrein zijn van belang? Het milieueffectrapport (MER): Na de publicatie van het MER heeft u weer vier weken om uw opmerkingen kenbaar te maken. Hierbij beoordeelt u of het MER compleet en juist is. Uw inspraakreacties worden meegenomen in het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.; Het ruimtelijk besluit: Ook na publicatie van het ruimtelijk besluit geldt een inspraaktermijn van vier weken.

1

Het Bevoegd Gezag wordt in deze Startnotitie verder de Gemeente Binnenmaas genoemd.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

8

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Met het besluit kunt u het eens of oneens zijn, waarbij u uw argumenten voor of tegen kenbaar maakt in de inspraakreactie. Hierna volgen de procedurestappen volgens de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO).

In het volgende overzicht treft u de adresgegevens aan van de partijen die een formele rol in de procedure hebben.
INITIATIEFNEMER
Ruimtelijke Inrichting Hoeksche Waard (RIHW) T. a. v. dhr. G. J. Rooimans (Streekmanager) P/a Regio Zuid-Holland Zuid Postbus 365 3300 AJ DORDRECHT Tel. 078-6480600

BEVOEGD GEZAG
De gemeente Binnenmaas T. a. v. mw. M. de Korte - Stouten Postbus 5455 3299 ZH MAASDAM Tel. 078-6764433

1.6

OPBOUW VAN DEZE STARTNOTITIE
In de Startnotitie komen achtereenvolgens de onderstaande onderwerpen aan de orde.

PROJECTKADER

Hoofdstuk 2 beschrijft waarom een bedrijventerrein in de Hoeksche Waard nodig is, waarom deze locatie aangewezen is, wat de doelstelling is van de realisatie is en welke randvoorwaarden er zijn.

HUIDIGE SITUATIE

Hoofdstuk 3 beschrijft het zoekgebied (de omgeving van de Boonsweg) en daar waar relevant wordt op hoofdlijnen het studiegebied beschreven. Naast de aanduiding in welk gebied ingrepen te verwachten zijn, gaat het in dit hoofdstuk vooral om een beschrijving van wat er in het gebied allemaal speelt dat voor de m.e.r. van belang is.

VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEFONTWIKKELING

In hoofdstuk 4 is de voorgenomen activiteit beschreven en is opgenomen hoe in het milieueffectrapport de alternatieven ontwikkeld worden en voor welke alternatieven de effecten beschreven worden. Voorafgaand aan het opstellen van deze Startnotitie zijn de wensen, kansen en knelpunten geïnventariseerd die er voor de verschillende functies van het gebied bestaan. In hoofdstuk 4 worden de ontwikkelde visies en knelpunten nog eens bij elkaar gezet, waar bij het opstellen van het MER rekening mee zal worden gehouden. Bij de voorbereiding van de Startnotitie is ook al een eerste verkenning gedaan van de mogelijkheden voor de inrichting van het gebied. Daar is een set van drie inrichtingsvarianten uit gekomen. Ze geven gezamenlijk de bandbreedte aan van wat er mogelijk is. In het m.e.r.-onderzoek vormen deze inrichtingsvarianten de te onderzoeken alternatieven.

WELKE EFFECTEN?

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

9

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Hoofdstuk 5 beschrijft in hoofdlijnen welke gevolgen verwacht worden als gevolg van de realisatie van het regionale bedrijventerrein. Wat voor soort effecten treden op? Verandert het landschap, de woonomgeving? Het tweede deel van dit hoofdstuk beschrijft hoe de alternatieven (locaties voor ontwikkeling) in het MER met elkaar zullen worden vergeleken. Deze Startnotitie geeft alvast aan welke criteria gebruikt zullen worden: het zogenaamde “beoordelingskader”.
BELEIDSKADER, BESLUITEN EN PROCEDURES

In het laatste hoofdstuk (hoofdstuk 6) wordt nog eens op een rijtje gezet met welk bestaand beleid de initiatiefnemer rekening zal moeten houden, welke besluiten er (mede) op grond van het MER zullen worden genomen en hoe de procedures precies verlopen.

BIJLAGEN

In bijlage 1 is een verklarende woordenlijst opgenomen. In bijlage 2 is de literatuurlijst opgenomen. Bij het opstellen van deze Startnotitie is van deze literatuur gebruik gemaakt.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

10

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

Waarom een regionaal bedrijventerrein?
2.1
BEHOEFTE AAN EEN REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN

AANLEIDING ONTWIKKELING BEDRIJVENTERREIN
Op basis van een onderzoek van Companen [3] en INBO [36] blijkt dat er in de Hoeksche Waard voor de periode 2000-2016 behoefte is aan in totaal 90 hectare netto bedrijventerrein. Deze behoefte omvat netto 30 hectare lokaal bedrijventerrein, die nabij de verschillende kernen moeten worden gerealiseerd en 60 hectare netto regionaal bedrijventerrein, te ontwikkelen op een locatie centraal in de Hoeksche Waard. Deze behoefteramingen zijn gebaseerd op modelonderzoek waarbij een relatie is gelegd tussen de verwachte groei op bedrijfstakniveau en het ruimtebeslag dat met deze groei is gemoeid. In aanvulling op het onderzoek van INBO is in 2002 door de gemeenten bij bestaande bedrijven de omvang van de huidige vraag voor een regionaal bedrijventerrein geïnventariseerd. Tabel 2 geeft een overzicht van deze bedrijven en het aantal benodigde hectares om aan deze wens te voldoen.

Tabel 1 Overzicht aantal hectares nodig per gemeente

Gemeente Strijen

Aantal ha 6,6 hectare

Omschrijving behoefte Met name bedrijven uit de sectoren industrie en bouw, darnaast enkele bedrijven uit de sectoren handel en dienstverlening. Deels bedrijven been met en kavel van 1000 tot 3000 meter en deels bedrijven met een kavel van 10. 000 meter of groter.

Korendijk

2,2 hectare

Bedrijven uit de sector industrie en handel (o. a. handel in auto’s en motoren) Kavels tussen 2000 en 5000 meter

Cromstrijen

10,8 hectare

Bedrijven uit sectoren handel en industrie Kavels tussen 1000 en 5000 meter, een bedrijf met een kavel van 10 hectare

‘s Gravendeel Binnenmaas Oud Beijerland

Geen opgave 0 hectare 8,3 hectare Bedrijven uit de sectoren industrie en bouw, transport en dienstverlening. Zowel kleine kavels (1000 tot 2000 meter als kavels van 10. 000 meter en groter. ,

Totaal

27,9 hectare

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

11

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Kaart 1 Zoekgebied regionaal bedrijventerrein

In de Noordrandvisie [28] hebben de Hoeksche Waardse gemeenten het zoekgebied (zie zwart omlijnd gebied in afbeelding 2.1) aangegeven waarbinnen het regionale bedrijventerrein van 60 hectare netto moet worden gerealiseerd. Dit gebied is gelegen op het grondgebied van de gemeente Binnenmaas ten noorden van de Blaaksedijk in Heinenoord en Mijnsheerenland en ten oosten van de A29. De bedoeling is de ontwikkeling van het nieuwe bedrijventerrein gefaseerd plaats te laten vinden, waarbij de eerste fase 20 hectare (netto) groot is. Binnen het zoekgebied is het bestaande bedrijventerrein Boonsweg gelegen. Tegelijkertijd
REVITALISERING BOONSWEG

met de nieuwe ontwikkeling wordt de herstructurering en revitalisering van Boonsweg ter hand genomen, zodat het mee kan liften met de nieuwe ontwikkeling en de daarbij behorende kwaliteit. De gemeente Binnenmaas is verantwoordelijk voor de revitalisering. Het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard is bestemd voor de vestiging van bedrijven uit de gemeenten in de Hoeksche Waard. Het gaat daarbij om: Bedrijven die moeten worden verplaatst omdat ze niet passen in de huidige omgeving (centrum of buitengebied). Bedrijven die als gevolg van de eigen ontwikkeling op de huidige locatie onvoldoende ruimte hebben om zich verder te ontwikkelen en met het oog daarop willen verplaatsen of een nevenvestiging willen. Nieuwe bedrijven die naar aard en schaal niet passen op lokale bedrijventerreinen maar wel op de Hoeksche waard georiënteerd zijn voor wat betreft de arbeidsmarkt en/of afzetrelaties. Het bedrijventerrein is niet bedoeld voor perifere detailhandel, hiervoor worden elders in de Hoeksche Waard locaties ontwikkeld. Het doel is om vraag en aanbod van de Hoeksche Waardse bedrijvenmarkt in balans te brengen zowel kwantitatief als kwalitatief.

VOOR WIE IS HET TERREIN BEDOELD?

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

12

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

2.2

WAAROM HIER?

Het uitgangspunt bij de locatiekeuze is het Streekplan Zuid-Holland-Zuid [1]. In dit
60 HA GECONCENTREERD TERREIN IN HOEKSCHE WAARD

streekplan heeft de provincie in het Kernpunt 3. 8 het volgende vastgelegd: “Toevoeging van maximaal 90 hectare netto additionele bedrijfsterreincapaciteit tot 2010 voor de regionale en lokale behoefte. Voor de verdeling over de kernen is regionale bedrijfsterreinprogrammering vereist. ” Deze regionale programmering heeft geresulteerd in een verdeling van 30 hectare bedrijventerrein verspreid bij een aantal kernen en 60 hectare geconcentreerd bedrijventerrein. De zes gemeenten van de Hoeksche Waard hebben dit vastgelegd in een convenant (d.d. 12 november 2001) [2]. De provincie heeft ingestemd met de programmering in dit convenant. Om zowel bedrijfseconomische redenen als om landschappelijke redenen (voorkomen versnippering van het landschap) is gekozen een deel van de behoefte aan bedrijventerreinen te bundelen. Het ruimtebeslag van de milieucontouren is voor verspreide locaties per saldo groter, en daarmee ook de milieueffecten, dan van een geconcentreerd bedrijventerrein. De provincie heeft in het streekplan een koppeling gelegd tussen het zoekgebied van het bovenregionale bedrijventerrein en de realisatie van een substantieel deel van de 90 hectare regionale bedrijvigheid. Voor de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein in de Hoeksche Waard wordt aangesloten bij de afbakening van het zoekgebied in het Streekplan (kernpunt 3.8). Er zijn in hoofdlijnen twee opties voor bedrijventerrein ontwikkeling in de Hoeksche Waard naar voren gekomen in het MER bedrijventerrein gekoppeld aan het Streekplan: Locatie Oost (ten oosten van de HSL, nabij de A16). Locatie Noord (nabij de A29). De gemeenten in de Hoeksche Waard hebben in de Noordrandvisie, het Ontwikkelingsprogramma [29] en het beleidsvoornemen [4] een nadere afweging gemaakt voor de locatie van het regionale terrein en gekozen voor de locatie Noord. De Noordrandvisie en het Ontwikkelingsprogramma zijn opgesteld in overleg met het maatschappelijk middenveld. Zij ondersteunen de keuzes die in deze visies gemaakt zijn. Het zoekgebied is verder beperkt ten opzichte van het Streekplan en is in afbeelding 2.1 weergegeven. In beleidsstukken komen de overwegingen naar voren die bij de keuze voor locatie Noord een rol hebben gespeeld. Deze overwegingen zijn: Een centrale ligging van het terrein in de Hoeksche Waard is gewenst. Ligging nabij de snelweg A29 om een goede ontsluiting te realiseren. De investering in aanpassingen van bestaande infrastructuur (N217 en het kruispunt bij rijksweg A29) door de ontwikkeling van het bedrijventerrein is, in vergelijking met locatie Oost waar aanpassingen van de N217, N3 en (het kruispunt bij) rijksweg A16 nodig is, relatief beperkt. Een korte afstand tussen de A29 en het bedrijventerrein om overlast op de N217 te voorkomen ten opzichte van de grotere afstand tussen de A16 en de locatie Oost. De inpassing in het landschap en aansluiting bij de omgeving: locatie Noord is mede door aansluiting bij het bestaande bedrijventerrein inpasbaar.

TWEE KEUZES:
Locatie Oost; Locatie Noord

WAAROM LOCATIE NOORD?
En niet oost?

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

13

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

De toekomstwaarde en uitbreidingsmogelijkheden terrein: locatie Noord biedt goede mogelijkheden voor een eventueel verdere uitbreiding na 2020. De afstand tot de bestaande kernen Puttershoek en Maasdam ten opzichte van de afstand tussen locatie Oost en de kern van ’s Gravendeel.

2.3

DOELSTELLING VAN HET INITIATIEF
Vanuit het beleid (het Streekplan Zuid Holland Zuid) en nader onderzoek (Companen, INBO) bestaat de behoefte aan de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein in de Hoeksche Waard.

DE ALGEMENE DOELSTELLING LUIDT:
Het vestigen van bedrijven uit de Hoeksche Waard, die qua aard en schaal niet passen op een lokaal bedrijventerrein, op een te ontwikkelen regionaal bedrijventerrein van 60 ha netto in de Hoeksche Waard. Waarbij rekening wordt gehouden met het inpassen van een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein in de bestaande omgeving waaronder de landschappelijke waarden en woonen werkomgeving.

Programma van eisen voor het initiatief
Het programma van eisen voor de ruimtelijke structuur van het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard is kwalitatief gezien gebaseerd op twee invalshoeken: De benodigde ruimtelijke kwaliteit voor het type bedrijvigheid dat op het terrein gevestigd wordt. De bereikbaarheid van het terrein. De resultante van de beide invalshoeken bestaat uit een set eisen, waarvan sommige met elkaar in strijd kunnen zijn. Op basis van een confrontatie van deze tegenstrijdigheden en een prioritering van eisen is een samenhangend programma van eisen tot stand gekomen. Dit programma van eisen wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

14

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

De Hoeksche Waard
3.1
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE IS REFERENTIEKADER

STUDIEGEBIED EN ZOEKGEBIED
In het MER vormt de beschrijving van de huidige situatie en de ontwikkelingen in het studiegebied en zoekgebied het referentiekader waaraan de effectbeschrijvingen worden gerelateerd. Voor de beschrijving is het van belang om een referentiejaar als ijkpunt vast te stellen – in dit geval de situatie bij aanvang van de m.e.r.-procedure: 2003. Het studiegebied omvat het eiland Hoeksche Waard, opgenomen in kaart 2. Aan de zuidkant wordt de Hoeksche Waard begrensd door het Hollandsch Diep, aan de noordkant

STUDIEGEBIED

door de Oude Maas, aan de oostkant door de Dordtsche Kil, aan de noordwestkant door het Spui en aan de zuidwestkant door het Hitsertsche- of Vuile Gat.

Kaart 2 Topografische kaart Studiegebied: Hoeksche Waard

ZOEKGEBIED

Het zoekgebied omvat de omgeving waarbinnen het regionaal bedrijventerrein (90 ha) is geprojecteerd (kaart 3). De begrenzing van het zoekgebied wordt gevormd door het gebied rondom het bestaande bedrijfsterrein Boonsweg. Aan de zuidkant wordt het gebied begrensd door de Blaaksedijk Oost en West, aan de noordkant door de Buitengorzen. Aan de westkant wordt het zoekgebied min of meer begrensd door de A29 terwijl de oostelijke grens vanaf de splitsing Dijkweg - Buitengorzen naar de Blaaksedijk loopt waarbij de Molenweg net buiten het zoekgebied valt.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

15

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Kaart 3 Zoekgebied: omgeving Boonsweg

Waarom studiegebied en zoekgebied?
Om de effecten die op een grotere schaal dan het zoekgebied optreden te kunnen beschrijven is het studiegebied gedefinieerd. Bijvoorbeeld de huidige overlast van bedrijven in de dorpen van de Hoeksche Waard. Voor het studiegebied zijn de huidige situatie en autonome ontwikkeling alleen beschreven voor de relevante aspecten. Hiernaast is de beschrijving van het studiegebied benut om het zoekgebied, waar nodig, in te kaderen. De relevante thema’s die voor het studiegebied worden beschreven zijn: Ruimtelijke structuur (woon-, werk- en leefomgeving). Milieu (in de zin van milieuhinder en gevoelige objecten). Landschap, cultuurhistorie, archeologie. De beschrijving van de aanwezige waarden in het zoekgebied is de referentie voor de effectbeschrijving in het MER. De thema’s die worden beschreven zijn: Ruimtelijke structuur (woon-, werk- en leefomgeving). Verkeersstructuur. Milieu (in de zin van milieuhinder en gevoelige objecten). Bodem en water. Natuur. Landschap, cultuurhistorie en archeologie. In paragraaf 3.2 is voor het studie- en zoekgebied per relevant (milieu-)aspect een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Paragraaf 3.3 beschrijft de autonome ontwikkelingen per relevant (milieu-)aspect. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen c.q. veranderingen die in de toekomst zullen optreden en die beperkingen of randvoorwaarden kunnen opleggen aan de voorgenomen activiteit. In het MER worden deze beschrijvingen verder uitgewerkt tot een voor de besluitvorming relevant detailniveau.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

16

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

3.2 3.2.1

HUIDIGE SITUATIE
RUIMTELIJKE STRUCTUUR

Studiegebied
De Hoeksche Waard bestaat uit zes gemeenten: Binnenmaas, Cromstrijen, ’s-Gravendeel, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen. Binnen die gemeenten bevinden zich meerdere woonkernen, waarvan ’s Gravendeel, Oud-Beijerland, Puttershoek, Strijen en Numansdorp de grootste zijn. Naast deze grotere kernen bevinden zich op de Hoeksche Waard nog enkele tientallen kleinere woonkernen. In deze woonkernen zijn vanuit de historie bedrijven gevestigd. In het buitengebied zijn verspreid bedrijven gevestigd, die over het algemeen zijn ontwikkeld in voormalige agrarische bedrijfspanden. Hiernaast zijn kleinschalige en grotere bedrijventerreinen aanwezig in de Hoeksche Waard Een aantal kleinschalige lokale bedrijventerreinen liggen verspreid; het grootste bedrijventerrein ligt in Oud Beijerland. Daar gaat het om twee terreinen aan de noordoost en zuidoost kant van de kern. Verder bevinden zich relatief grote bedrijventerreinen bij ‘s-Gravendeel, Strijen, Middelsluis en Blaaksedijk. Kleinere terreinen bevinden zich bij Zuid Beijerland, Klaaswaal, Goudswaard, Nieuw Beijerland, Maasdam en Puttershoek.

Zoekgebied
Het gebied ten noorden van de N217 onderscheidt zich in haar huidige voorkomen van de rest van de Hoeksche Waard door een hogere bebouwingsdichtheid, zwaardere infrastructuur en een meer versnipperd landschap. Voor dit gebied ligt het accent op de dynamiek wat betreft wonen en werken. Dorpskern Blaaksedijk en woonbebouwing Blaaksedijk is een kleine dorpskern gesitueerd ten westen van het bedrijventerrein Boonsweg. In deze kern wonen circa 600 mensen. Blaaksedijk heeft een openbare basisschool, de Burgemeester van Bommelschool. Er bevinden zich verder geen voorzieningen, wat betekent dat de bewoners van Blaaksedijk voor hun voorzieningen deels op detailhandel, gevestigd op het bedrijventerrein Boonsweg aangewezen zijn. Op de hoek Blaaksedijk en het bedrijventerrein Boonsweg is een Texaco station. De woonkern wordt ontsloten door de Blaaksedijk die direct ten zuiden van de kern loopt. Aan weerszijden van de Blaaksedijk bevindt zich lintbebouwing. De bebouwing bestaat uit kleinere vrijstaande woningen of twee-onder-één-kap woningen die dicht op de weg staan. De meeste woningen zijn al wat ouder. Achter deze woningen bevinden zich veelal kassen en andere bijgebouwen. In het lint bevinden zich verspreid tussen de woonbebouwing ook bedrijven en aan de Mollekade bevinden zich glastuinbouwbedrijven. Zie ook foto 1.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

17

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Foto 2 Blaaksedijk

Bedrijventerrein Boonsweg Het bestaande bedrijventerrein Boonsweg is een ruim opgezet terrein met een brede weg, vrij liggende fietspaden en bermen. Het grootste deel van de bedrijven is gevestigd aan de Boonsweg zelf die het terrein van zuid naar noord doorkruist. Daarnaast zijn enkele bedrijven gevestigd aan doodlopende zijstraten. Het bedrijventerrein is aan de zuidzijde ontsloten op de Blaaksedijk. Vanaf de Blaaksedijk is het terrein via de Vrouwe Huisjesweg weg ontsloten op de N217. Aan de noordzijde is het bedrijventerrein ontsloten naar het buitengebied. Op het bedrijventerrein is relatief veel openbaar groen aanwezig, maar de onderhoudsstaat van dit openbaar groen en de infrastructuur is slecht. Het terrein oogt daardoor rommelig. De rommelige uitstraling wordt versterkt door de verschillende uitstralingen van de gebouwen en de inrichting van de voorterreinen. Op bedrijventerrein Boonsweg vinden diverse bedrijfsmatige activiteiten plaats: showrooms, transport- en containerbedrijven, bedrijven op het gebied van recycling en industriële bedrijven. Voorts zijn op het bedrijventerrein enkele detailhandel bedrijven en woningen gevestigd.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

18

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Foto 3 Entree bedrijventerrein Boonsweg

Het bedrijventerrein wordt omzoomd door een groenstructuur met bomen en verspreid struikgewas. Door deze structuur worden de bedrijven deels aan het oog onttrokken. De groenstructuur heeft echter op sommige plaatsen een rafelig karakter. Op die plaatsen zijn bedrijfsgebouwen vanuit het buitengebied goed waarneembaar. Vanuit het bedrijventerrein loopt de Boezem- en Molenvliet naar het oosten en vervolgens naar het noorden om uiteindelijk op de Oude Maas aan te sluiten. Landbouw Het grootste gedeelte van het zoekgebied is in gebruik voor agrarische doeleinden. Rondom het bestaande bedrijventerrein Boonsweg liggen grootschalige akkerbouwpercelen. Verspreid in het zoekgebied bevinden zich enkele vrij liggende agrarische bedrijven. In het noordwesten van het zoekgebied bevindt zich een kleinschalig kassencomplex.
Foto 4 De wijdse ruimte van de Hoeksche Waard (vanaf de dijk)

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

19

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Recreatie In het zoekgebied bevindt zich het Caravanpark de Groene Oase, Gorzenweg 6. Dit park met 58 stacaravans is gevoelig voor geluidhinder. Naast dit Caravanpark bevinden zich in het zoekgebied geen speciale voorzieningen of routes die op recreatie zijn gericht. Vlak buiten het zoekgebied in het Buitendijkse gebied langs de Oude Maas ligt een fietsroute op de Buitengorzen dijk.

3.2.2

VERKEERSSTRUCTUUR Ontsluiting op hoofdwegen Het zoekgebied wordt doorkruist door wegen. Het wegenpatroon volgt de vroegere verkavelingsstructuur van het gebied. Vanaf de snelweg A29 loopt de provinciale weg N217 richting Maasdam. Deze weg kent momenteel congestieproblemen in de spitsuren, met name de ochtendspits. Hoe dichter de A29 genaderd wordt, hoe groter de verkeersdruk. Dit veroorzaakt filevorming wat diverse negatieve effecten tot gevolg heeft. Er treedt economische schade op door de vertragingen, maar ook sluipverkeer, aantasting van de woon- en leefomgeving, vertraging van het openbaar vervoer en uitstoot van schadelijke stoffen. Ten noorden van de N217 bevinden zich wegen die een duidelijke ontsluitende en verzamelende functie hebben. Vanwege de lintbebouwing langs deze wegen, is er overwegend sprake van een verblijfskarakter. Hierdoor ontstaat er een spanningsveld tussen de functie van de wegen en het verblijfskarakter. Er is sprake van overlast die zich uit in geluid, trillingen en veiligheidsproblematiek voor met name fietsers. Wegcategorisering De huidige en gewenste wegencategorisering in het zoekgebied is buiten de bebouwde kom als volgt [30].

Tabel 2 Wegencategorisering

Wegencategorisering Buiten de bebouwde kom Gebiedsontsluitingsweg Erftoegangsweg Erftoegangsweg Erftoegangsweg plus Erftoegangsweg plus Erftoegangsweg plus Binnen de bebouwde kom Erftoegangsweg plus Erftoegangsweg plus Erftoegangsweg plus Erftoegangsweg

Naam weg N217 Vrouwe Huisjesweg Polderweg Reedijk Blaakseweg Blaaksedijk Blaaksedijk-oost Blaaksedijk-west Boonsweg Alle overige wegen

Huidige situatie 80 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 50 km/h 50 km/h 50 km/h 50 km/h

Gewenste situatie 80 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 60 km/h 30 km/h 30 km/h 30 km/h 30 km/h

Er is momenteel sprake van onoverzichtelijke snelheidsregimes in het plangebied die tot verwarring bij automobilisten kunnen leiden. Daarnaast is er sprake van ongewenste overgangen van snelheidsregimes bij komgrenzen: bijvoorbeeld van 60 km/h naar 50 km/h. In de huidige situatie is er vanuit het aspect verkeer bezien overlast voor omwonenden van de Blaaksedijk. Ook is er een verhoogde verkeersonveiligheid.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

20

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Het kruispunt bij het Texaco tankstation op de Blaaksedijk bij de Boonsweg is een onveilig kruispunt en wordt met 10 ongevallen per jaar als ‘black spot’ aangeduid [5] . In de periode 1996 – 1998 zijn in de omgeving van de Blaaksedijk de volgende ongevallenconcentraties vastgesteld:
Tabel 3 Ongevallenconcentraties
Locatie Blaaksedijk-west (tussen Reedijk en Blaakseweg) Blaaksedijk-oost (tussen Blaakseweg en Boonsweg) T-kruispunt Reedijk – Blaaksedijk-west en Boonsweg) T-kruispunt Blaakseweg – Blaaksedijk-oost Blaaksedijk (tussen Boonsweg en Polderweg) T-kruispunt Blaaksedijk – Polderweg Kruispunt Blaaksedijk-west - Mollekade Aantal ongevallen tussen 1996 en 1998 11 of meer ongevallen 11 of meer ongevallen 3 t/m 5 ongevallen 3 t/m 5 ongevallen 3 t/m 5 ongevallen 3 t/m 5 ongevallen 2 ongevallen

Op de wegen in het plangebied komt veel sluipverkeer voor. Dit blijkt uit tellingen en metingen die in oktober 2002 verricht zijn. Het autoverkeer heeft nu eenmaal de neiging de makkelijkste route te kiezen ook als dit vanuit verkeerskundig oogpunt minder gewenst is. Zolang de fysieke mogelijkheid om deze route te kiezen aanwezig is, bestaat er sluipverkeer. In onderstaande tabel worden de verkeersintensiteiten op de Blaaksedijk weergegeven.
Tabel 4 Verkeersintensiteit
Locatie Blaaksedijk-oost (in westelijke richting) Blaaksedijk-oost (in oostelijke richting) Blaaksedijk-west (in westelijke richting) Blaaksedijk-west (in oostelijke richting) Intensiteit (mvt/etmaal) 1. 800 1. 400 2. 100 1. 600

De bovengenoemde intensiteiten vallen binnen de formele normen voor wegen met een verblijfsfunctie. Voor wegen met een verblijfsfunctie (erftoegangswegen) zowel binnen als buiten de bebouwde kom, wordt als maximum intensiteit vaak de waarde van 3. 000 mvt/etm gehanteerd. De gemeten rijsnelheden liggen gemiddeld onder de maximumsnelheid van 50 km/h, maar een aanzienlijk deel van de weggebruikers, meer dan 15%, rijdt toch te hard, ondanks het feit dat de omgeving van de weg een verblijfskarakter heeft. Erkend wordt dat de weg zelf geen verblijfskarakter heeft. De Blaaksedijk wordt verder intensief gebruikt door schoolgaande fietsers. De piektijden voor deze groep weggebruikers, het zogenaamde langzaamverkeer, valt samen met de dagelijkse piek in sluipverkeer. Openbaar vervoer Over de Blaaksedijk rijden vijf streekbuslijnen van Connexxion. In het spitsuur rijden er ongeveer 12 bussen over de Blaaksedijk.
Tabel 5 Openbaar vervoer (www. connexxion. nl)
Lijn Lijn 166 Lijn 167 Lijn 168 Route Van Rotterdam Zuidplein naar Dordrecht Van Rotterdam Zuidplein naar Strijen Van Oud-Beijerland naar Strijen Frequentie 1x per uur, spits 3x per uur per richting 1x per uur, incidenteel 2x per uur Spitslijn 1x per uur, incidenteel 2x per uur in de spits

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

21

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Lijn 266 Lijn 268

Van Heinenoord busstation naar Dordrecht CS Van Oud-Beijerland naar ’s-Gravendeel

Spitslijn 1x per uur, incidenteel 2x per uur in de spits (rijdt ook op zaterdag) Spitslijn 1x per uur

3.2.3

MILIEU

Studiegebied
Bestaande milieuhinder De bedrijven in de woonkernen, verspreid over het buitengebied en in de geconcentreerde bedrijventerreinen hebben invloed op de omgeving. De toegestane milieubelasting is vastgelegd in specifieke milieuvergunningen en milieucategorieën.

Zoekgebied
Bestaande milieuhinder Op bedrijventerrein Boonsweg zijn bedrijven toegelaten in de milieucategorieën 1 tot en met 3. De maximale hindercontour van bedrijven bedraagt daarmee 100 meter. De huidige bedrijven op het terrein Boonsweg vormen een incidentele bron van klachten voor de omgeving. Van verschillende soorten milieuhinder is melding gedaan. Het betreft lozen op sloten, geluids-, geur- en trillingsoverlast. Er zijn geen klachten bekend rondom lichthinder van de kassen in het gebied. Ook bevinden zich in het gebied geen intensieve veehouderijen met stankcircels Voor hinder gevoelige objecten De aanwezige lintbebouwing, woonwijk en een aantal solitaire woningen rondom het bestaande bedrijventerrein worden aangemerkt als hinder gevoelig objecten. Hinder kan worden veroorzaakt door geluid, stank of niet legale lozingen van milieuonvriendelijke stoffen. Van de hinder gevoelige objecten is in onderstaande tabel een overzicht gegeven.
Tabel 6 Voor hinder gevoelige objecten
Straatnaam Reedijk Blaaksedijk west Blaaksedijk oost Van Galenstraat Doormanstraat De Ruyterstraat Blaakseweg Mollekade Vrouwehuisjesweg Buitengorzenweg Gorzenweg Langeweg Nijverheidsweg Boonsweg Huisnummers 1 t/m 9 1 t/m 71 2 t/m 58, 1 t. m 53 en 201 t/m 286 1 t/m 45 2 t/m 20 5 t/m 19, 10 t/m 14 2, 3 en 4 1 t/m 47 1 t/m 5 44, 46, 48 50, 52, 58, 64 2 t/m 8, 1 tm 11 1 t/m 7 32, 36 1, 3, 4, 6, 12, 14, 44, 65 Woonwijk Woonwijk Woonwijk Solitaire woningen Lintbebouwing Solitaire woningen Solitaire woningen Solitaire woningen en caravanpark Bedrijfswoningen Bedrijfswoningen Bedrijfswoningen Bebouwingstype Lintbebouwing Lintbebouwing Lintbebouwing

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

22

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

3.2.4

BODEM EN WATER Geologie en hydrogeologie De vorm en opbouw van het landschap is tot het begin van de inpolderingen voornamelijk bepaald door de erosie en sedimentatie van de rivieren en de zee. Het zoekgebied behoort tot het jonge zeekleilandschap.

Bodem
Het maaiveld in het zoekgebied varieert globaal tussen NAP langs de Boonsweg en NAP -1,2 m aan de noordzijde van het gebied. De Bodemkaart van Nederland, Blad 37 Oost, zie kaart 4 geeft aan dat er zware zeekleigronden voorkomen, met enkele stroken zware zavel en klei. De gronden hebben gerijpte kenmerken.
Kaart 4 Uitsnede bodemkaart van Nederland Het studiegebied bestaat voornamelijk uit (zware) zeeklei. Grondwater: GHG < 0,40 m – mv, GLG > 1,20 m – mv.

De bodemkwaliteit wordt voornamelijk bepaald door het agrarische landgebruik (verhoogde concentraties nutriënten en mogelijk van gewasbeschermingsmiddelen) en door de zoute kwel in het gebied. Binnen het bestaande bedrijventerrein (Boonsweg) en de nabije omgeving dient rekening gehouden te worden met mogelijke industriële verontreinigingen (metalen, olies, illegale lozingen). Grondwater Het grondwater in het zoekgebied wordt gevoed door oppervlaktewater en door regenwater. De invloed van kwel of infiltratie is verwaarloosbaar. Het zoekgebied behoort tot het zogenaamde Oude Maassysteem. Dat houdt in dat het grond- en oppervlaktewater gevoed wordt door zoet oppervlaktewater uit de Oude Maas. De overwegende grondwatertrap in het zoekgebied is V. Er is een peilverschil met het oppervlaktewater van circa –1 m; waardoor er sprake is van een lichte kweldruk. Volgens kaart 9 van het grondwaterbeheersplan van Zuid-Holland ligt het zoekgebied op de grens van de overgang van zoet naar zout grondwater in het bovenste pakket. Volgens kaart 3 van het Grondwaterbeheersplan van Zuid-Holland (2001-2005) valt het plangebied onder de winningsfunctie voor industrieel gebruik. Er komen voor zover bekend geen grootschalige onttrekkingen voor in het gebied.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

23

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Oppervlaktewater Het zoekgebied valt onder het waterbeheer van het Waterschap De Grote Waard (waterkwantiteit) en het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (kwaliteit, zuivering). Ten noorden van de Zeedijkwatering bevinden zich de Buitenzomerlanden deels opgespoten met havenslib uit de Rotterdamse Haven. Dit is buitendijks gebied, dat onder het waterbeheer van Rijkswaterstaat valt. Het zoekgebied ligt binnen de Oostzomerlandsche Polder en heeft waarschijnlijk een waterpeil van NAP -2,30 m (volgens de Grondwaterkaart).

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

24

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Overtollig water wordt via de Boezem- en Molenvliet uitgemalen op de Oude Maas bij Kuipersveer (nabij Puttershoek). Via inlaten kan tijdens droogte water ingelaten worden om het peil te beheren. Voor deze polder geldt net als vrijwel de hele Hoeksche Waard dat er een tekort aan oppervlaktewater is [23]. Dit houdt in dat het watersysteem niet gedimensioneerd is op de berging van extreme hoeveelheden neerslag, zoals die geformuleerd zijn in de werknormen in het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003). Overigens wordt opgemerkt dat de berekende wateroverlast niet overal ervaren wordt. In het bestuursakkoord wordt voor bebouwd gebied genoemd dat peilstijgingen die eens in de 100 jaar voorkomen niet tot inundatie mogen leiden. Rondom de Boonsweg ligt het maaiveld bijvoorbeeld op circa NAP –0,50 m. Pas bij een peilstijging van 1,80 m zal er wateroverlast in het huidige bedrijventerrein ontstaan. De lagere delen van de polder zijn dan al ondergelopen en zorgen voor buffering. Waterkwaliteit De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wordt, net als het grondwater, beïnvloed door het langdurige agrarische gebruik van de grond. Het inlaten van boezemwater ten behoeve van doorspoelen en het verdringen van zout water kan negatief zijn voor de ontwikkeling van een evenwichtig ecosysteem. Riolering Het bestaande bedrijventerrein Boonsweg heeft een gescheiden rioolstelsel. De riolering zorgt dus niet voor een aanvullende vuilvracht naar het oppervlaktewater.

3.2.5

NATUUR

Studiegebied
Net ten noorden van het zoekgebied liggen de ecologische hoofdstructuur (EHS) -gebieden langs de Oude Maas. Deze gebieden kennen vanuit natuuroogpunt een hoge waarde. Met name voor vogels zijn dit belangrijke gebieden. De bescherming van deze waarden is een punt van aandacht. In het Studiegebied is een Vogelrichtlijngebied aangewezen ten westen van de Heinenoord tunnel. Dit gebied ligt buiten de invloedssfeer van dit initiatief.

Zoekgebied
Het industriële en agrarische karakter van het zoekgebied biedt weinig ruimte voor bijzondere planten- en diersoorten; het gebied heeft een lage verwachtingswaarde ten aanzien van natuur. Er zijn met name algemeen voorkomende soorten in het gebied aanwezig. Er is veel informatie aanwezig over de plant- en diersoorten in het gebied. Om een goed oordeel over de realisatie van het bedrijventerrein te kunnen geven, is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren. De gegevens die hieruit volgen kunnen tevens gebruikt worden voor een toetsing aan de Flora- en faunawet en om eventueel noodzakelijke beschermende maatregelen te treffen. Al deze informatie, waaronder de aanwezige soorten, wordt in het MER beschreven.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

25

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

3.2.6

LANDSCHAP, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE

Studiegebied
De Hoeksche Waard is een eiland en maakt onderdeel uit van het deltagebied aan de monding van de Maas, Rijn en Schelde. De ontstaansgeschiedenis en de landschappelijke hoofdkenmerken vertonen overeenkomsten met die van de andere delen van deze delta. De Hoeksche Waard heeft een groene, relatief open ruimtelijke structuur en wordt omsloten door water. Van oudsher is de Hoeksche Waard een agrarisch gebied. Verder zijn weidse polders, dijken, rijen bomen en langgerekte dorpjes kenmerkend voor de ruimtelijke structuur van het gebied. De laatste decennia ondervindt de Hoeksche Waard een sterke invloed vanuit het nabijgelegen stedelijk gebied van de regio Rotterdam aan de noordzijde en de Drechtsteden aan de oostzijde. Deze stedelijke gebieden leggen een sterke druk op de Hoeksche Waard waarbij sprake is van een tendens tot verstedelijking. Mede met het oog hierop wijst de Vijfde Nota de Hoeksche Waard aan als Nationaal Landschap. Aangezien dit plan nog niet is vastgesteld, kan beleid omtrent Nationale Landschappen niet als definitief worden beschouwd. Echter, de uitgangspunten, die ten grondslag liggen aan de aanduiding Nationaal Landschap, zijn nog steeds aanwezig in de Hoeksche Waard. Deze uitgangspunten zijn de basis voor het Ontwikkelingsprogramma Hoeksche Waard en voor de keuze voor het kwaliteitsniveau van het regionale terrein. Daarom is het van belang deze uitgangspunten aan de orde te laten komen in deze startnotitie. Als Nationaal Landschap ontleent de Hoeksche Waard haar kwaliteit aan het contrast met het stedelijk gebied en draagt ook bij aan het functioneren van dat stedelijke gebied, met name op recreatief vlak. De Hoeksche Waard is één van de weinige streken in het verstedelijkte westen van Nederland, waar het gevoel van ruimte nog beleefd kan worden. De druk op de Hoeksche Waard wordt echter steeds groter door (toekomstige) ruimteclaims met betrekking tot de bovenregionale opvangtaak voor bedrijven uit de Rotterdamse en Dordtse regio, woningbouw en glastuinbouw (200 ha bovenregionale glasopvang).

Zoekgebied
Het zoekgebied is binnendijks een cultuurlandschap van functionele en open polders en verspreide kernen. De dijken, kreken, kernen en linten vormen nadrukkelijk aanwezige structuurdragers. De dijken weerspiegelen de ontginningsgeschiedenis van de Hoeksche Waard. De lintdorpen langs de dijken (onder andere de Blaaksedijk) inclusief de opgaande beplanting staan in contrast met de openheid van de polders. De buitendijkse gebieden vormen een gordel met een eigen karakteristiek. Het zoekgebied is op de schaal van de Hoeksche Waard echter niet het meest waardevolle gebied. De ruimtelijke karakteristiek van open polders en besloten linten is vanwege de komst van de A29, de N217 en de bedrijvigheid langs de Mollekade en de Boonsweg reeds aangetast. De waarden in het zoekgebied bestaan uit: Herhaalde bedijkingen van op- en aanwassen en daarbij ontstane polderstructuur. In het gebied verspreid liggende monumentale boerderijen. Dijklintdorp Blaaksedijk; aan de zuidzijde deels bebouwde dijk (boerderijen, dijkwoningen en authentieke beplanting). Hoeve de Ark (1772) , schuur staat haaks op de dijkkruin.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

26

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

De Witte boerderij Heinenoord (zie foto 5) aan de Gorzenweg 1 is een rijksmonument. Het wit gepleisterde woonhuis heeft een uit 1763 daterende puntgevel met vlechtingen. De haaks op het woonhuis gebouwde stal heeft een laat 19e eeuws wolfsdak.

Foto 5 Witte boerderij

3.3

AUTONOME ONTWIKKELINGEN Studiegebied
De Hoeksche Waard als geheel is een gebied waarin de (nabije) toekomst mogelijk veel ontwikkelingen zullen plaatsvinden die gevolgen hebben voor de ruimtelijke structuur van zowel de dorpen en kernen als het landelijk gebied. Zowel op provinciaal niveau als op (inter)gemeentelijk niveau zijn voor diverse beleidsgebieden beleidsplannen opgesteld die van invloed zijn op de Hoeksche Waard. Een belangrijke autonome ontwikkeling is het uitvoeren van het Ontwikkelingsprogramma Hoeksche Waard [29]. De verschillende voor het MER relevante onderdelen per aspect zijn hierna behandeld.

Zoekgebied
Het plangebied is daarmee ook onderhevig aan autonome (toekomst)ontwikkelingen. In de volgende paragrafen worden de concrete autonome ontwikkelingen benoemd ten aanzien van de thema’s die belangrijk zijn voor de m.e.r.-procedure en het Structuurplan.

3.3.1

RUIMTELIJKE STRUCTUUR

Studiegebied
Verschillende bedrijven in de Hoeksche Waard hebben aangegeven behoefte te hebben aan ruimte voor verplaatsing.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

27

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

INBO [36] raamt deze behoefte voor de periode tot 2020 op 38 hectare, waarvan 18 hectare voor 2010 beschikbaar moet zijn. Een groot deel van deze behoefte (25 hectare) heeft betrekking op milieuhinderlijke bedrijven. Een aanzienlijk deel van deze bedrijven betreft milieuhinderlijke bedrijven. Indien het regionaal bedrijventerrein niet kan worden gerealiseerd, zal in de verschillende gemeenten voldoende bedrijventerrein moeten worden ontwikkeld om aan deze vraag te voldoen. De landelijke trend is dat de landbouw als ruimte bepalend element in de autonome ontwikkeling zal afnemen. In de Hoeksche Waard is het echter het streven om deze trend tegen te gaan, want de akkerbouw is de drager van het landschap in de Hoeksche Waard.

Zoekgebied
Het bedrijfsterrein Boonsweg zal in het kader van de ontwikkeling van het regionaal Bedrijventerrein Hoeksche Waard worden gerevitaliseerd. Dit houdt in dat de gemeente Binnenmaas een herstructureringsplan op zal stellen voor het bestaande bedrijventerrein Boonsweg. Het plan wordt in overleg met de ondernemers en omwonenden samengesteld Het doel van de herstructurering van de Boonsweg is het realiseren van een kwaliteitsverbetering van het terrein. Naar verwachting worden in het plan maatregelen voor de korte en voor de lange termijn opgenomen. Het plan heeft zowel betrekking op het openbaar gebied als de terreinen in eigendom bij de ondernemers. Om deze reden is de betrokkenheid van de ondernemers dan ook van groot belang. Het ideaalbeeld op lange termijn is dat de bedrijven op het bestaande terrein Boonsweg qua uitstraling aansluiten bij de gewenste hoogwaardige kwaliteit op het nieuw te ontwikkelen terrein. In de ruimtelijke plannen worden de uitgangspunten vanuit het herstructureringsplan van gemeente Binnenmaas meegenomen ten aanzien van de Boonsweg. Het gebied ten noorden van de N217 krijgt ruime uitbreidingsmogelijkheden voor wonen en werken voor nu en voor de lange termijn in vergelijking met het nog waardevollere zuidelijke deel van de Hoeksche Waard, zoals ook benoemd in de Noordrandvisie [28]en het Ontwikkelingsprogramma. [29] Deze mogelijkheden zijn gekoppeld aan de bestaande kernen. Tegelijkertijd dienen de landschappelijke waarden ook in het noordelijke deel beschermd te worden. Daarom wordt ingezet op het behoud en de versterking van de tussenliggende groene contramal (eilanden in het open landschap). In het plangebied zijn enkele autonome ontwikkelingen voor recreatie, waaronder de openstelling van bosgebied bij Barendrechtse brughoofd voor voetgangers. Wellicht is koppeling van recreatie initiatieven met dit initiatief mogelijk. Naast deze vastgestelde plannen, die onderdeel uit maken van de autonome ontwikkeling, zijn er verschillende plannen in ontwikkeling (zie kader). Zo lang deze plannen niet zijn vastgesteld maken ze geen onderdeel uit van de autonome ontwikkeling. In ontwikkeling zijnde plannen: Golfterrein ten noorden van het zoekgebied. Herstructurering woningvoorraad in zoekgebied: de woningbouwvereniging De Maashoek overweegt de oude woningvoorraad te vernieuwen. Fiets- en voetpaden buitendijkse gebied: het voornemen bestaat fiets- en voetpaden aan te leggen in het buitendijkse gebied. Opwaarderen Barendrechtse Brughoofd tot recreatie knooppunt.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

28

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

3.3.2

VERKEERSSTRUCTUUR De autonome groei van het verkeer zal naar verwachting ertoe leiden dat in het jaar 2010 een situatie is bereikt waarbij in de avondspits sprake is van filevorming op de N217 en congestie op de N29 [6]. Met het oog hierop zal de verkeersstructuur in en rond het zoekgebied in de autonome ontwikkeling dan ook aangepast moeten worden. De gemeente Binnenmaas stelt een verkeersbesluit op, dat waarschijnlijk begin 2004 wordt vastgesteld (zie www.binnenmaas.nl). In dit besluit wordt de bebouwde kom van de Blaaksedijk-oost, west en de woonwijk toegankelijk voor bestemmingsverkeer. Doorgaand verkeer, waaronder sluipverkeer, wordt geweerd. De frequentie van de bestaande openbaarvervoersverbindingen zal in de toekomst afnemen. Mogelijk verdwijnt een aantal verbindingen, afhankelijk van de invulling van het provinciale beleid. Dit beleid stelt dat de bereikbaarheid van het landelijk gebied op peil dient te blijven, waar mogelijk met basisdiensten. Kleinschaliger vormen van collectief vervoer zullen worden gegarandeerd, voor die plaatsen waar reguliere lijndiensten niet haalbaar zijn [16].

3.3.3

MILIEU

Studiegebied
Door de aanwezige lokale bedrijven in de kernen en hun autonome groei kan een toename van de bestaande milieuhinder verwacht worden.

Zoekgebied
Ten aanzien van de bestaande milieuhinder kan een afname verwacht worden, op basis van de revitalisering van het bedrijventerrein Boonsweg.

3.3.4

BODEM EN WATER Het waterschap stelt een waterstructuurplan voor de Hoeksche Waard op[25] waarin aspecten als waterberging, retentie en waterkwaliteit een rol spelen. Dit waterstructuurplan is nog niet vastgesteld, en vormt daarmee geen autonome ontwikkeling. In het Ontwikkelingsprogramma Hoeksche Waard zijn doelen aangegeven om het waterbergend vermogen van de Hoeksche Waard te vergroten. Deze doelen zijn: Stimuleren/creëren meervoudig ruimtegebruik in relatie tot water. Aanleg nieuw wateroppervlak c.q. herstel wateroppervlak tot 4% van het totale oppervlak. Met deze ontwikkeling dient in het MER rekening gehouden te worden.

3.3.5

NATUUR De ecologische waarden van het zoekgebied zullen in de autonome ontwikkeling niet wezenlijk veranderen.

3.3.6

LANDSCHAP, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE De landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden zullen in de autonome ontwikkeling niet wezenlijk veranderen.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

29

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

30

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

Voorgenomen activiteit en alternatiefontwikkeling
4.1
INLEIDING
In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit toegelicht (§ 4.2) aan de hand van het programma van eisen voor de ruimtelijke structuur van het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard. Dit programma van eisen is gebaseerd op twee invalshoeken: De benodigde ruimtelijke kwaliteit voor het type bedrijvigheid dat op het terrein gevestigd wordt. De bereikbaarheid van het terrein. De voorgenomen activiteit kan op diverse wijzen worden gerealiseerd. Daartoe worden alternatieven (inrichtingsconcepten) ontwikkeld (§ 4. 3). Bij het ontwikkelen van de alternatieven wordt rekening gehouden met het programma van eisen en randvoorwaarden ten aanzien van de ruimtelijke inpassing van het terrein. De verschillende inrichtingsconcepten die op basis van het programma van eisen worden opgesteld, worden in deze Startnotitie op hoofdlijnen gepresenteerd en in het MER in detail beschreven en onderzocht.

4.2

PROGRAMMA VAN EISEN VOORGENOMEN ACTIVITEIT
De voorgenomen activiteit is het ontwikkelen van een regionaal bedrijventerrein voor de bedrijven uit de Hoeksche Waard. Het terrein wordt in fases ontwikkeld en zal in totaal circa 60 ha netto beslaan. Bij het opstellen van het eerste bestemmingsplan zal 20 ha netto worden ingericht. Het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard is bestemd voor de vestiging van: Bedrijven die moeten worden verplaatst omdat ze niet passen in de huidige omgeving (centrum of buitengebied). Bedrijven die op de huidige locatie onvoldoende ruimte hebben om zich verder te ontwikkelen en met het oog daarop willen verplaatsen of een nevenvestiging willen oprichten. Nieuwe bedrijven die naar aard en schaal niet passen op lokale bedrijventerreinen maar wel op de Hoeksche waard georiënteerd zijn voor wat betreft de arbeidsmarkt en/of afzetrelaties. Het betreft bedrijven uit de sectoren industrie en bouw, transport, zakelijke dienstverlening en groothandel/distributie.

WELKE BEDRIJVEN?

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

31

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

RUIMTEBEHOEFTE TOT 2016

Over de periode van 2002 tot 2016 bedraagt de totale ruimtebehoefte voor regionaal bedrijventerrein 60 hectare netto [28]. De ruimtebehoefte is per sector als volgt verdeeld:

Tabel 7 Ruimtebehoefte en milieuzonering per sector

Sector Industrie

Ruimtebehoefte 19 hectare waarvan 6 hectare voor fase 1

Milieuzonering / Minimale afstand tot woonbebouwing Milieugebruiksruimte is groot Afstand: 300 meter (milieucategorie 4) Milieugebruiksruimte is gemiddeld Afstand: 50 - 100 m (milieucategorie 3b).

Kavelgrootte Kavels tussen 5000 en 10. 000 m
2

Bouw (inclusief handel in bouwmaterialen) Transport 7 hectare, waarvan 2 hectare voor fase 1

Kavels tussen 5000 en 10. 000 m
2

Milieugebruiksruimte is gemiddeld Afstand: 50 -100 m. (milieucategorie 3b)

Kavels tussen 5000 en 10. 000 m
2

Zakelijke dienstverlening Groothandel/ distributie

12 hectare waarvan 5 hectare voor fase 1 22 hectare waarvan 7 hectare voor fase 1

Milieugebruiksruimte is beperkt Afstand: 50 m. (milieucategorie 3a) Milieugebruiksruimte is gemiddeld Afstand: 50 - 100 m. (milieucategorie 3b)

Kavels tussen 2000 en 5. 000 m Kavels tussen 2000 en 10. 000 m
2 2

Totaal

60 hectare waarvan 20 hectare voor fase 1

In de Hoeksche Waard is geen behoefte aan regionaal bedrijventerrein voor bedrijven uit zwaardere milieucategorieën en voor bedrijven die vallen onder artikel 2. 4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit. Bij de bepaling van het programma van eisen waaraan de ruimtelijke structuur voor het regionale bedrijventerrein Hoeksche Waard moet voldoen, kan onderscheid worden gemaakt in de volgende aspecten: Ruimtelijke kwaliteit. Bereikbaarheid.

Ruimtelijke kwaliteit
KENMERKEN REPRESENTATIEVE BEDRIJFSOMGEVING

Bedrijven uit de sector zakelijke dienstverlening en sommige bedrijven uit de sector groothandel hebben over het algemeen behoefte aan een representatieve bedrijfsomgeving. De belangrijkste kenmerken van een representatieve bedrijfsomgeving zijn: Bebouwing ontworpen onder architectuur op basis van een beeldkwaliteitplan. Inrichting openbare ruimte en voorterreinen als een gebied op basis van een beeldkwaliteitplan. Ligging nabij de entree van het bedrijventerrein. Geen buitenopslag. Parkeren uit het zicht. Aan- en afvoer van goederen aan de achterzijde.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

32

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Bedrijven uit de sectoren industrie en bouw, transport en een deel van de bedrijven uit de
KENMERKEN FUNCTIONELE BEDRIJFSOMGEVING

sector groothandel/distributie geven over het algemeen de voorkeur aan een functionele bedrijfsomgeving. De belangrijkste kenmerken van een functionele bedrijfsomgeving zijn: Functionele bebouwing en inrichting terrein en openbare ruimte. Mogelijkheid voor buitenopslag. Ruime ontsluiting van kavels voor vrachtwagens. Voldoende parkeren voor vrachtwagens. Geen specifieke eisen aan ligging. Gezien de segmentering in de behoefte zal minimaal 12 van de 60 hectare een representatieve uitstraling moeten hebben. Dit betreft de behoefte aan regionaal bedrijventerrein van bedrijven uit de sector zakelijke dienstverlening. Minimaal 26 van de 60 hectare moet een functionele uitstraling hebben. Dit aanbod sluit aan op de behoefte van de bedrijven uit de sectoren industrie en bouw, transport.

Bereikbaarheid
Voor regionale bedrijventerreinen geldt over het algemeen dat naast een goede bereikbaarheid ten opzichte van het hoofdwegennet ook een goede bereikbaarheid ten opzichte van de kernen in de regio vereist is. Het aantal vervoersbewegingen kan benaderd worden op basis van een kengetal voor een gemengd bedrijventerrein. Spitsperiode gegevens worden gehanteerd omdat deze maatgevend zijn. Voor fase 1 gelden de volgende uitgangspunten:
Tabel 8 Vervoersbewegingen fase 1
Type motorvoertuig Vrachtwagens Personenauto Vervoersbewegingen spitsperiode 150 950
2

Voor het regionaal bedrijventerrein als geheel gelden de volgende uitgangspunten:
Tabel 9 Vervoersbewegingen regionale bedrijventerrein
Type motorvoertuig Vrachtwagens Personenauto Vervoersbewegingen spitsperiode 550 2500

4.3

ALTERNATIEFONTWIKKELING
In het Milieueffectrapport worden verschillende alternatieven voor de realisatie van het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard onderzocht. Deze Startnotitie presenteert deze alternatieven alvast. De volgende paragrafen beschrijven de visie over de realisatie van het bedrijventerrein en lichten toe hoe tot de drie alternatieven voor inrichting is gekomen.

2

De verkeersintensiteit in de spitsperiode is maatgevend voor de vereiste capaciteit van de

verkeersstructuur.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

33

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

4.3.1

VISIE OP HOOFDLIJNEN

De ruimtelijke inpassing van bedrijfsactiviteiten vraagt om een zorgvuldige afweging van verschillende facetten. Deze zorgvuldigheid weegt zwaarder naarmate de effecten van bedrijven op hun omgeving groter zijn.
BESTAANDE BEDRIJVEN VORMEN KNELPUNTEN

In de Hoeksche Waard zijn veel bedrijven gevestigd op locaties die niet specifiek voor de vestiging van een dergelijk bedrijf geschikt zijn. Een deel van deze bedrijven is gevestigd op locaties in het buitengebied. Het betreft veelal van oorsprong agrarische bedrijven die als gevolg van de schaalvergroting in de landbouw hun oorspronkelijke functie verloren hebben. Veel van deze bedrijven zijn als een kleinschalige activiteit van start gegaan en geleidelijk in omvang toegenomen. De overige bedrijven zijn gevestigd in de woonkernen in de Hoeksche Waard als solitaire bedrijven of als lokale kleine bedrijventerreinen. Vaak is de ongewenste situatie hier niet ineens ontstaan maar hebben bedrijven een geleidelijke ontwikkeling doorgemaakt of is de woonbebouwing in de richting van bestaande bedrijven opgeschoven. Met de ontwikkeling van een regionaal bedrijventerrein en enkele lokale bedrijventerreinen

NIEUW REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN LOST KNELPUNTEN OP

wordt een antwoord gegeven op deze situatie. Enerzijds zijn deze bedrijventerreinen bedoeld voor de vestiging van bedrijven die verplaatst worden uit een ongewenste situatie. Anderzijds moet met de aanbieding van voldoende ruimte worden voorkomen dat opnieuw bedrijven zich vestigen op ongewenste locaties. Om op een volwaardige wijze invulling te geven aan deze doelstelling moeten deze bedrijventerreinen een goede bedrijfsomgeving bieden voor de bedrijven waarvoor de bedrijventerreinen zijn bestemd. Het programma van eisen geeft een omschrijving van deze voorwaarden. Tegelijkertijd moeten de negatieve effecten van deze bedrijventerreinen op hun omgeving zo goed mogelijk worden beperkt dan wel gecompenseerd. Met andere woorden het gaat bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein ook om een goede (ruimtelijke) inpassing. Hierna is op beide invalshoeken nader ingegaan.

Programma van eisen
Bezien vanuit de invalshoek van het programma van eisen die aan een bedrijventerrein moeten worden gesteld moet het regionaal bedrijventerrein een goede bedrijfsomgeving bieden voor de bedrijven waarvoor dit bedrijventerrein wordt ontwikkeld. Het gaat daarbij om bedrijven in de sectoren industrie en bouw, transport, dienstverlening en handel en distributie die gezien hun omvang en of hun milieucontouren niet passen op lokale bedrijventerreinen. Bij de beschrijving van de voorgenomen activiteit zijn de eisen waaraan het regionaal bedrijventerrein vanuit deze invalshoek moet voldoen, op hoofdlijnen beschreven.

Ruimtelijke inpassing
Vanuit de invalshoek “ruimtelijke inpassing”bezien moeten de effecten op de omgeving ten aanzien van aspecten als milieu (geluid, lucht, stof, externe veiligheid), verkeer, visuele hinder en ruimtebeslag zo goed mogelijk worden beperkt.
INWAARTSE ZONERING

Voor de beperking van milieueffecten is de ligging van de locatie ten opzichte van gevoelige gebieden van belang. In aanvulling hierop biedt het concept van inwaartse zonering een goede benadering.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

34

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Op basis van inwaartse zonering worden bedrijven met een grotere milieucontour verderaf van voor hinder gevoelige objecten gepositioneerd dan bedrijven met een kleinere milieucontour.
ONTSLUITING

Voor wat betreft het aspect verkeer geldt als ontwerp uitgangspunt de realisering van een qua capaciteit voldoende en verkeersveilige ontsluiting op het hoofdwegennet. Deze ontsluiting biedt een directe verbinding tussen het regionaal bedrijventerrein en het hoofdwegennet, de N217 en de A29. Zo mogelijk zonder daarbij woonkernen te doorsnijden. De ontsluitingsvarianten zijn in paragraaf 4.3.2 uitgewerkt. In het kader van de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein gaat het daarbij om de voorzieningen die nodig zijn om het extra aanbod aan verkeer als gevolg van het regionaal bedrijventerrein goed af te wikkelen. Daarnaast zijn er maatregelen nodig om de autonome groei van het wegverkeer op te vangen. Voor deze maatregelen zijn de wegbeheerders van de N217 en de A29 verantwoordelijk.

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

Voor het aspect visuele hinder zijn verschillende concepten denkbaar. Gedacht kan worden aan het maskeren of het manifesteren van het bedrijventerrein. Daarnaast is het mogelijk om het bedrijventerrein te integreren met de woonbebouwing. Van belang bij de inpassing is dat de aandacht voor beperking van het ruimtebeslag door toepassing van intensief ruimtegebruik niet mag leiden tot een toename van de visuele hinder. De varianten ten aanzien van de landschappelijke inpassing zijn in paragraaf 4.3.2 uitgewerkt.

4.3.2

DE RELEVANTE THEMA’S EN HET UITWERKEN VAN DE ALTERNATIEVEN Er zijn verschillende mogelijkheden denkbaar om bij de ontwikkeling van het regionaal bedrijventerrein te voldoen aan de randvoorwaarden ten aanzien van “het programma van eisen en “(ruimtelijke) inpassing”.

CONCENTRATIE OF VERSNIPPERING?

Zo kan voor de invulling van gezocht worden naar één locatie (concentratie), of meerdere kleine locaties (versnippering). De voorkeur gaat uit naar concentratie, waarvoor een Principekeuze is gemaakt (het concentreren van 60 ha netto in Hoeksche Waard en 30 ha netto verspreid over lokale terreinen). Versnippering in “bedrijfseilanden” leidt bovendien tot grote aantasting van de open ruimte en zichtlijnen en heeft sterk negatieve consequenties voor het gebruik van de tussenliggende (akkerbouw)gebieden. De belasting van het onderliggend wegennet is te verspreid, waardoor op meer plaatsen knelpunten zullen ontstaan. Hiernaast bestaan verschillende risico’s: vraagt de inpassing in de omgeving een verhoudingsgewijs acceptabele investering?, groeit de open ruimte niet dicht in de toekomst? Hoe is het ontbreken van samenhang tussen de “bedrijfseilanden” te voorkomen? Daarom zijn locatie alternatieven ontwikkeld met één locatie voor de 60 ha netto bedrijventerrein

VARIANTEN

Naast de locatie-alternatieven van het terrein zijn ook de ontsluiting en de inpassing in de omgeving belangrijke thema’s. Deze thema’s kunnen op verschillende manieren ingevuld worden, dit zijn varianten. Deze varianten binnen de thema’s vormen een toevoeging aan een locatie alternatief. In het MER zal een nadere uitwerking van de varianten plaats vinden. Heldere alternatieven en varianten zijn essentieel om de besluitvorming effectief te ondersteunen. In dit kader kan het nodig zijn in het MER een verdere trechtering van de varianten uit te voeren.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

35

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Locatie alternatieven
Binnen het kader van locatie Noord (zie paragraaf 2. 2) zijn verschillende concrete locaties voor een regionaal bedrijventerrein denkbaar. Locatie Noord omvat immers een zoekgebied van ruim 200 hectare. Deze drie locaties vormen de alternatieven. Het betreft: Locatie Boonsweg. Locatie Langeweg. Locatie Mollekade. Alle alternatieven bieden in principe de mogelijkheid passende bedrijfskavels te ontwikkelen voor de verschillende sectoren waarvoor het bedrijventerrein is bestemd. Bij de ontwikkeling van de locatie-alternatieven zijn verschillende uitgangspunten gehanteerd: Ruimtebeslag van het regionaal bedrijventerrein circa 90 hectare bruto. Deze oppervlakte is gebaseerd op een verhouding netto/bruto van 2/3. In deze verhouding is rekening gehouden met ruimte voor openbare functies als infrastructuur en overgangszones tussen de uitgeefbare bedrijfskavels en de omgeving van het bedrijventerrein. Beperking van de lengte van de overgang tussen bedrijventerrein en overige ruimtelijke functies, door aan te sluiten op het bestaande bedrijventerrein Boonsweg en de verhouding tussen lengte ten breedte zo gunstig mogelijk te kiezen. Hanteren van een zekere afstand tussen de grens van het bedrijventerrein en de aaneengesloten woonbebouwing van de kern Blaaksedijk. Elk locatie-alternatief is op een kaart weergegeven en kort beschreven.
Kaart 5 Locatie Boonsweg

LOCATIE BOONSWEG

Ook de locatie Boonsweg is een doorgroeimodel van het bestaande bedrijventerrein Boonsweg, waarbij de synergie een belangrijke rol speelt. Het nieuwe terrein “pakt” Boonsweg als het ware “in”. Hierbij blijft de bestaande open ruimte ten oosten van bedrijventerrein Boonsweg behouden.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

36

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Kaart 6 Locatie Langeweg

LOCATIE LANGEWEG

De locatie Langeweg is een doorgroeimodel van het huidige bedrijventerrein Boonsweg, waarbij de synergie met de revitalisering van Boonsweg optimaal benut wordt. Het bestaande bedrijventerrein breidt zich uit in noord – oostelijke richting en gaat ten koste van de bestaande open ruimte en daarmee samenhangend de beleving van het landschap. De afstand tussen het nieuwe terrein en de bestaande woonbebouwing langs de Mollekade en de Blaaksedijk is groot.

Kaart 7 Locatie Mollekade

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

37

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

LOCATIE MOLLEKADE

Locatie Mollekade is gericht op de snelweg. Belangrijke punten voor de inpassing zijn bestaande kassencomplexen en huidige beleving van het uitzicht vanaf de A29. Maar vooral de opname van het bebouwingslint aan de Mollekade in het bedrijventerrein vormt een aandachtspunt.

Varianten
Naast de locatie zijn andere variabelen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein van belang. Het betreft de ontsluiting van het bedrijventerrein en de inpassing van het bedrijventerrein in de omgeving. Beide variabelen komen in deze paragraaf aan bod.

Ontsluiting
BEREIKBAARHEID VANAF DE Met het oog op de bereikbaarheid van bedrijven en de beperking van de verkeershinder is N217

de realisering van een goede ontsluiting op de provinciale weg N217 en rijksweg A29 een van de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein is. Bij voorkeur vindt deze ontsluiting plaats met een minimale aanpassing van de bestaande kruispunten. Voor de drie locaties bestaan verschillende ontsluitingsmogelijkheden. In de figuren met de locatie-alternatieven zijn de ontsluitingsvarianten aangegeven als rode pijlen: Locatie Boonsweg via de Vrouwehuisjesweg of de Reedijk. Locatie Langeweg via de Vrouwehuisjesweg of via de Polderweg. Locatie Mollekade via de Reedijk. In het MER worden deze ontsluitingsvarianten nader uitgewerkt. Hierbij zal ondermeer gebruik gemaakt worden van de uitkomsten van het verkeersonderzoek [6].

Inpassing in de omgeving
Met het oog op de beperking van de visuele hinder is een goede inpassing van het bedrijventerrein in de omgeving één van de uitgangspunten. Er bestaan verschillende varianten voor inpassing: Maskeren. Manifesteren. Integreren.
LATEN ZIEN OF VERSTOPPEN?

Het terrein kan gemaskeerd worden, waarbij de zichtlijnen op het bedrijventerrein worden onderbroken door bijvoorbeeld een groen strook. Bij manifesteren is het terrein een blikvanger, de gebouwen met een architectonische uitstraling zijn duidelijk aanwezig. Tussen deze twee uitersten bestaat de mogelijkheid tot integreren, waarbij de bedrijfswoningen een bufferzone vormen tussen bestaande bebouwing en de bedrijfspanden.

ELKE ZIJDE HEEFT ZIJN GEZICHT

Elk alternatief heeft een vijftal zijden naar verschillende omgevingen: Rijksweg A29. Bestaande woonbebouwing. Bedrijventerrein Boonsweg. Natuurgebied/de dijk. Het buitengebied. De keuze voor één van de inpassingvarianten kan voor elke zijde gemaakt worden. De variant integreren is alleen van belang bij een zijde naar bestaande bebouwing toe. Ten aanzien van de zijde naar het bedrijventerrein Boonsweg zijn deze varianten niet van toepassing. Het nieuwe bedrijventerrein wordt naadloos aangesloten op het bestaande bedrijventerrein Boonsweg.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

38

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

DE KANT VAN DE SNELWEG
Zijde van de A29

Aan de zijde van de rijksweg A29 zijn twee keuzes mogelijk: manifesteren en maskeren. Bij de variant manifesteren is er een directe zichtlijn vanaf de rijksweg op het bedrijventerrein. De bedrijven liggen met de entree naar de A29, de ontsluitende infrastructuur ligt tussen de A29 en de eerste rij bedrijfsgebouwen. Deze bedrijfsgebouwen voldoen aan gestelde architectonische eisen, waardoor het bedrijventerrein een specifieke uitstraling krijgt. De variant maskeren heeft geen directe zichtlijn op het bedrijventerrein. De bedrijven liggen met de entree naar de ontsluitingsweg binnen het bedrijventerrein. Het terrein wordt vanaf de rijksweg gemaskeerd door middel van een langer talud van de A29 of een aarden wal.

DE KANT VAN DE HUIZEN
Zijde van de bestaande (lint)bebouwing

Aan de zijde van de bestaande (lint)bebouwing zijn drie inpassingsvarianten mogelijk. Voor de variant manifesteren wordt tussen de woningen en het terrein een bufferzone opgenomen, ingevuld als water of als laag groen. In de inpassingsvariant integreren grenzen de achtertuinen van de nieuwe bedrijfswoningen aan de bestaande woonbebouwing. De bedrijfswoningen en bedrijven zijn ontsloten via de infrastructuur op het bedrijventerrein. Als derde variant, maskeren, kan het bedrijventerrein middels een aanzienlijke groenstrook gemaskeerd worden. Het uitzicht vanuit de bestaande woningen op het bedrijventerrein bestaat dan uit bomen en laag groen.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

39

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

DE KANT VAN DE NATUUR
De zijde van natuur en dijk

Aan de zijde van het natuurgebied wordt zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande dijk. Bij de variant manifesteren komt de bedrijfslaag met kantoorfunctie en entree boven de dijk uit. De bedrijven zijn zowel aan de voor- als achterzijde ontsloten, de voorzijde via de bestaande infrastructuur op de dijk. Inpassingsvariant maskeren laat de bedrijven geheel achter de dijk wegvallen. Dit geeft strikte beperkingen voor de hoogte van de gebouwen, maar de zichtlijn vanaf de dijk de Hoeksche Waard in blijft behouden.

DE KANT VAN DE OPEN RUIMTE
Zijde van het buitengebied

Voor de inpassing aan de zijde van het buitengebied bestaan dezelfde opties als voor de zijde van de A29. Voor de variant manifesteren liggen de bedrijven met de entree naar het buitengebied, waarbij de ontsluitende infrastructuur om het bedrijventerrein ligt. Deze bedrijfsgebouwen voldoen aan gestelde architectonische eisen, waardoor het bedrijventerrein een specifieke uitstraling krijgt. Bij de inpassingsvariant maskeren bestaat er geen directe zichtlijn op het bedrijventerrein. Het terrein wordt gemaskeerd door middel van een groene buffer; bomen en lage beplanting.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

40

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

De te verwachten effecten
5.1
INLEIDING
In het MER worden de gevolgen van de realisatie van het regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard beschreven. Omdat het onderzoek nog moet worden uitgevoerd, zijn deze gevolgen bij het schrijven van deze Startnotitie nog niet in detail bekend. In paragraaf 5.2 wordt het beoordelingskader gepresenteerd en de effectbeschrijving besproken. Het beoordelingskader bestaat uit beoordelingscriteria waarmee de alternatieven in het MER worden vergeleken. Door de te verwachten gevolgen en het te gebruiken beoordelingskader in de Startnotitie op te nemen, geeft de initiatiefnemer aan dat zij graag van belanghebbenden hoort wat zij daarvan vinden. Met name of de voorgenomen onderzoeken en de te gebruiken criteria compleet zijn. Bij het vaststellen van de richtlijnen wordt rekening gehouden met de opmerkingen van belanghebbenden hierover. Meer informatie over inspraak is te vinden in hoofdstuk 6 en in het kader van paragraaf 1.5. Paragraaf 5.3 geeft globaal aan wat u verder kunt verwachten in het MER.

5.2

EFFECTBESCHRIJVING IN HET MER
In het MER zullen de positieve en negatieve effecten van de alternatieven worden beschreven. Bij de beschrijving wordt een schaal- en detailniveau gehanteerd dat relevant is voor de effectbeschrijving van de ontwikkelde alternatieven. Er zal onderscheid gemaakt worden in effecten tijdens de aanleg- en inrichtingsfase, en effecten na de realisatie van het bedrijventerrein. Ook of het effect tijdelijk of permanent is wordt in het MER meegenomen. Voorts wordt aangegeven welke mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk zijn. Per milieuaspect wordt een aantal concrete criteria geformuleerd op basis waarvan de effecten worden beschreven en beoordeeld aan de hand van gangbare normen. Indien uit inspraak blijkt dat er nog aanvullende belangrijke effecten te verwachten zijn, zullen deze eveneens in het MER aan de orde komen.

De verzameling aan concrete criteria per milieuaspect vormen samen het beoordelingskader. Op grond van het MER-onderzoek wordt voor al die criteria zo goed mogelijk vastgesteld wat de gevolgen van elk alternatief zijn.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

41

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Op die manier worden alle alternatieven op dezelfde manier beoordeeld en kunnen ze goed met elkaar worden vergeleken. Naast de resultaten van het MER –onderzoek worden ook aspecten zoals de kosten en baten van de herinrichting, de politieke overwegingen en het maatschappelijk draagvlak meegenomen in de keuze van de initiatiefnemer voor een voorkeursalternatief. Deze laatstgenoemde aspecten vormen geen onderdeel van het MER. Wel wordt in het MER de keuze voor het voorkeursalternatief onderbouwd.

Beoordelingskader
Bij de realisatie van het bedrijventerrein worden de onderstaande milieuaspecten beschouwd. Ruimtelijke structuur De aanleg van een bedrijventerrein heeft effecten op het huidige ruimtegebruik van het plangebied. In het MER zal worden ingegaan op de invloed van het bedrijventerrein op de bestaande ruimtegebruiksfuncties in het gebied, zoals werken, wonen, recreatie en landbouw. Ook de geluid- en trillingshinder en de luchtkwaliteit komen aan bod. Verkeer en vervoer Een nieuw bedrijventerrein vereist een nieuwe infrastructuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de reeds aanwezige infrastructuur en verkeersstromen. Verder dient het nieuwe ontwerp te voldoen aan de verkeersveiligheidseisen en tevens voldoende mobiliteit en bereikbaarheid te kunnen garanderen. Milieu Voor het aspect milieu zal in het MER een beschrijving van de effecten op de bestaande milieuhinder worden opgenomen. Bodem en water In het MER zal een beschrijving worden gegeven van de effecten van de aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein op de bodem-, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en kwantiteit. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar het waterbergend vermogen, het regenwaterbeheer en beïnvloeding van de grondwaterstand. Natuur De aanleg van een bedrijventerrein zal gevolgen hebben voor de aanwezige flora en fauna. Enerzijds gaat het om het ruimtebeslag, anderzijds om de verstorende werking. Deze effecten op de voorkomende natuurwaarden zullen in het MER per alternatief bepaald worden. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Voor dit aspect wordt in het MER het accent gelegd op de vismeelruimtelijke effecten (belevingswaarde) van het te realiseren bedrijventerrein op haar omgeving. In het MER wordt niet alleen ingegaan op de negatieve effecten, maar ook op de eventuele positieve bijdrage die het project kan leveren aan het omliggende landschap. Daarnaast zal in het MER de beïnvloeding van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden worden bepaald.

De beoordelingscriteria zijn enerzijds afgeleid uit de doelstellingen die de verschillende overheden en bewoners/gebruikers voor het gebied hebben. Anderzijds zijn criteria afgeleid uit de (milieu)effecten die relevant zijn bij het maken van een afweging.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

42

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

In onderstaand overzicht zijn de aspecten en de bijbehorende criteria opgenomen. De criteria zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Tabel 10 Beoordelingscriteria
Aspect Ruimtelijke structuur: woon-, werk-, en leefomgeving Criterium Verandering gebruiksfuncties: Werkfunctie, Woonfunctie,Recreatie,Landbouw Stedebouwkundige kwaliteiten Hinder tijdens de uitvoering Hinder in de definitieve situatie waaronder Geluid- en trillingshinder, luchtkwaliteit a. g. v. verkeer Verkeer Bereikbaarheid / Verkeersaantrekkende werking Mobiliteit Verkeersveiligheid Milieu Bodem en water Natuur Wijziging bestaande milieuhinder Invloed op retentie; Invloed op bodem en waterkwaliteit Beïnvloeding van gebieden met natuurwaarden Beïnvloeding van ecologische relaties (buitendijksgebied) Invloed op de natuurwaarden ter plaatse zoals het voorkomen en verstoren van waardevolle planten en diersoorten Landschap, cultuurhistorie en archeologie Beïnvloeding landschappelijke cultuurhistorische en archeologische waarden Wijziging van de identiteit van het landschap (visueel effect)

Op basis van dit beoordelingskader worden de effecten van de alternatieven en varianten beschreven in het MER ten opzichte van de referentiesituatie. Deze referentiesituatie is de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen. Uitgangspunten voor autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die zijn af te leiden uit het vastgestelde beleid. Beleidsvoornemens en -plannen blijven buiten beschouwing. De referentiesituatie kan worden beschouwd als het nulalternatief, waarbij geen sprake is van bedrijventerrein ontwikkeling.

5.3
MITIGATIE EN COMPENSATIE

WAT VINDT U NOG MEER IN HET MER?
Aan de hand van de beschreven effecten wordt gekeken of aantasting van aanwezige waarden voorkomen of beperkt kan worden. Deze maatregelen verzachten het effect en worden ‘mitigerende maatregelen’ genoemd. Indien er geen mitigerende maatregelen mogelijk zijn of er dwingende redenen zijn ze niet toe te passen, bieden ‘compenserende maatregelen’ (het creëren van vergelijkbare waarden) een andere optie. Zo kan beplanting elders gerealiseerd worden als ter plaatse handhaving niet mogelijk is.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

43

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

MEEST MILIEUVRIENDELIJK ALTERNATIEF

De beschreven effecten voor de drie locatie-alternatieven en de varianten vormen ook de basis voor het ontwikkelen of benoemen van een meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) en een voorkeursalternatief. Het MMA bestaat uit die combinatie van maatregelen die voldoen aan de doelstellingen van de initiatiefnemer en door mitigerende en/of compenserende maatregelen de bestaande waarden zoveel mogelijk sparen, herstellen of verder ontwikkelen.

VOORKEURSALTERNATIEF

De initiatiefnemer stelt ook een voorkeursalternatief op. Het voorkeursalternatief bestaat uit een locatie, een ontsluitingsvariant en een inpassingvariant per zijde en wordt in het MER beschreven. Ook wordt de keuze voor het voorkeursalternatief in het MER onderbouwd. In het MER wordt bovendien een overzicht opgenomen van de leemten in kennis en informatie die na de beschrijving en beoordeling van de effecten resteren. Deze leemten in kennis kunnen, indien relevant, in een door het bevoegd gezag op te stellen evaluatieprogramma opgenomen. Het MER zal een aanzet voor een evaluatieprogramma bevatten. Dit evaluatieprogramma heeft tot doel om de in het MER voorspelde effecten te evalueren en vast te stellen of de effectvoorspellingsmethoden nauwkeurig zijn geweest.

LEEMTEN IN KENNIS & EVALUATIE

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

44

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

HOOFDSTUK

Besluiten, beleidskaders en procedures
6.1
INLEIDING
Naast het m.e.r.-plichtige besluit en overige besluiten die nog moeten worden genomen om het project ten uitvoer te kunnen brengen, wordt in dit hoofdstuk een overzicht gegeven van huidige beleidsuitspraken die relevant zijn voor dit project (§ 6.1). Het gaat hier om uitspraken, bijvoorbeeld in beleidsnota’s en plannen gedaan door verschillende overheden, zoals de gemeente, het rijk en de provincie. Deze uitspraken kunnen invloed hebben op het besluit waarvoor het MER wordt opgesteld. Tenslotte worden in de verschillende stappen van de m.e.r.-procedure en de taken van de betrokkenen aan de hand van een procedureschema kort toegelicht (§ 6.2).

6.2

BELEIDSKADER
In het MER wordt ingegaan op de relevante besluiten en plannen in het kader van de voorgenomen activiteit. In Tabel 11 wordt een overzicht gegeven van besluiten en plannen die van belang worden geacht. Het betreft besluiten en plannen die ten aanzien van de voorgenomen activiteit beperkingen en randvoorwaarden kunnen opleggen. Daarnaast zal ook gebruik worden gemaakt van overige relevante documenten en plannen.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

45

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Tabel 11 Vastgesteld beleid, dat relevant is voor het regionale bedrijventerrein Hoeksche Waard

Rijksbeleid en relevante nota’s

5e nota ruimtelijke ordening PKB deel 1 [7] Niet vastgesteld, voorloper van de nota Ruimte Vierde nota ruimtelijke ordening extra (VINEX) [8] Nationaal Verkeer- en Vervoersplan (NVVP) [9] Nationaal Milieubeleidsplan 4 [10] Vierde nota waterhuishouding [11] Waterbeheer 21 eeuw [12] Nota Belvédère [13] Verdrag van Valletta [14] Flora en faunawet, vertaling van het Europese beleid Vogel en Habitatrichtlijn Wetgeving met betrekking tot ruimtelijke beleid en milieu; Watertoets
ste

Provinciaal beleid

Collegewerkprogramma/Statenakkoord: ruimte geven aan elkaar [15] Streekplan Zuid Holland Zuid, 2000 [1] Ontwerp provinciaal verkeers- en vervoersplan 2002-2020, deel A [16] Beleidsplan Milieu en Water, 2000 – 2004 [17] Integraal waterbeheersplan Zuid Holland zuid 2, 1999 – 2003 [18] Deelstroomgebiedsvisie Zuid-Holland-Zuid [19] Beleidsplan uitvoering flora- en faunawet [20] Beleidsplan natuur- en landschap, 1991 [21] Cultuurhistorische hoofdstructuur [22]

Regionaal beleid (RIHW, waterschap)

De Hoeksche Waard weet wat zij wil, augustus 2000 [23] Brochure natuur, water en landschap [24] Waterstructuurplan Hoeksche Waard [25] Landschapsbeleidsplan Hoeksche Waard, 1996 [26] Bestuurlijk beleids- en actieplan voor de jaren 2002 – 2006, 2002 [27] Noordrandvisie [28] Ontwikkelingsprogramma [[29]] Beheerplan waterkeringen, 2003 Wegengebruiksplan “over wegen” [30] Hoeksche Waard Omgevingsplan juni 1997 [31] Landschapsbeleidsplan en deeluitwerkingen,1996/1997 [32]

Gemeentelijk beleid en relevante nota’s

Toekomstvisie, oktober 1999 [33] Beleidsnota herziening bestemmingsplan landelijk gebied, oktober 1999 [34] Voorschriften en Toelichting Ontwerpbestemmingsplan landelijk gebied [35] Beeldkwaliteitsplan landelijk gebied: Binnenmaas landschap van polders en dijken [36] Beleidsvoornemen ontwikkeling 20 ha bedrijventerrein [4] Nota van Beantwoording

6.3 6.3.1

PROCEDURE
STRUCTUURPLAN In procedureschema 1 is de te volgen procedure voor het Structuurplan schematisch weergegeven. Hierin zijn de wettelijke termijnen en de globale planning aangegeven. Het schema wordt in deze paragraaf kort toegelicht.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

46

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Opstellen en bekendmaken Startnotitie
Het voornemen wordt door de initiatiefnemer aan de gemeente Binnenmaas gepresenteerd in de vorm van een Startnotitie. De gemeente Binnenmaas maakt vervolgens het voornemen publiekelijk bekend en legt de Startnotitie gedurende één maand ter inzage. De Startnotitie wordt tevens aan de wettelijke adviseurs gezonden en de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.).

Inspraak, advies en vaststellen richtlijnen
Een ieder wordt gedurende vier weken na publicatie van deze Startnotitie in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen in te dienen bij de gemeente Binnenmaas. Aan de hand van de Startnotitie en de ingekomen opmerkingen adviseert de Commissie m.e.r. de gemeente over de richtlijnen voor de inhoud van het op te stellen MER. Ook de overige wettelijke adviseurs (zie paragraaf 6. 3) brengen een advies uit. Hierin wordt tevens rekening gehouden met de inspraakreacties. Dit resulteert in de adviesrichtlijnen, die uiterlijk negen weken na publicatie gereed zijn. Mede op basis van ingekomen adviezen stelt de gemeente Binnenmaas de richtlijnen vast. De richtlijnen dienen binnen 13 weken na publicatie vast gesteld te zijn.

Opstellen MER/Structuurplan
RIHW stelt vervolgens het MER dat gekoppeld is aan het Structuurplan op. Hierin wordt inzicht verschaft in het doel van het voornemen en de mogelijke alternatieven en varianten. Verder worden op een zo objectief mogelijke wijze de (milieu-)gevolgen van het voornemen en de mogelijke alternatieven in beeld gebracht. De informatie in het MER dient als hulpmiddel bij de besluitvorming.

Voorlichting, inspraak, voortoetsing en advisering
Het MER/Structuurplan moet vervolgens door de gemeente Binnenmaas aanvaardbaar bevonden worden. Hierna wordt het MER ter inzage gelegd en aan de wettelijke adviseurs en de Commissie m.e.r.gezonden. In deze fase is er opnieuw gelegenheid tot inspreken gedurende vier weken na publicatie van het MER. De gemaakte opmerkingen kunnen worden toegelicht tijdens een hoorzitting. De Commissie m.e.r.voert een voortoets voor het MER uit op volledigheid en juistheid, mede aan de hand van de inspraakreacties, en adviseert de gemeente Binnenmaas hierover. Het toetsingsadvies van de commissie m.e.r.is uiterlijk negen weken na publicatie gereed.

Besluitvorming Structuurplan
Op basis van de gepresenteerde informatie in het MER Structuurplan Bedrijventerrein Hoeksche Waard besluit de initiatiefnemer welk alternatief in het Structuurplan wordt opgenomen. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan het Structuurplan dat parallel aan het MER wordt opgesteld. De inspraak met betrekking tot het MER vindt hierdoor tegelijkertijd plaats met de inspraak rondom het Structuurplan.

Evaluatie
Indien het besluit tot aanleg van het bedrijventerrein wordt genomen, moet de gemeente Binnenmaas de feitelijk optredende milieugevolgen van de activiteit vergelijken met de in het MER voorspelde effecten. Hiervoor wordt gelijktijdig met het besluit, het vaststellen van het Structuurplan, een evaluatieprogramma opgesteld. Het evaluatieverslag zal ter inzage worden gelegd. Deze evaluatie zal plaats vinden nadat het Structuurplan is gerealiseerd.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

47

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Procedureschema 1 M.e.r.en Structuurvisie

MER

Structuurplan

Termijnen

IN/BG

Anderen

IN/BG

Anderen

Termijnen

Startnotitie

Programma van eisen

Bekendmaking Inspraak/ advies Advies richtlijnen Richtlijnen

4 wkn

9 wkn

Verzamelen basis informatie

13 wkn + max. 8 wkn

Opstellen MER Aanvaarding MER Bekendmaking MER

Opstellen ontwerpplan

13 wkn + max. 8 wkn 5 wkn

Overleg art. 10 BRO

Bekendmaking ontwerpplan

4 wkn

Inspraak/ advies Toetsingsadvies Cmer Vaststellen structuurplan

Inspraak

4 wkn

5 wkn

Ter visie Evaluatieprogramma Beroep 6 wkn

Evaluatie milieugevolgen

IN = Initiatiefnemer = Gedeputeerde Staten BG = Bevoegd gezag Cmer = Commissie v/d milieueffectrapportage GS

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

48

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

6.3.2

BESTEMMINGSPLAN FASE 1, CIRCA 20 HA NETTO

Opstellen Voorontwerp Bestemmingsplan
In de volgende stap wordt de inrichting van de 20 hectare netto onder de loep genomen en wordt hiervoor een voorontwerp bestemmingsplan opgesteld. Uitgangspunt is dat het eerste MER/Structuurplan voldoende informatie bevat voor het bestemmingsplanbesluit. Indien dit voorontwerp bestemmingsplan toch buiten de kaders valt van de alternatieven van het MER dat gekoppeld is aan het Structuurplan, dient een aanvulling of actualisering van dit MER plaats te vinden. De Commissie m.e.r.toetst uiteindelijk het voorontwerp bestemmingsplan met, indien noodzakelijk de aanvulling of actualisatie van het MER. Deze laatste toetsing vormt feitelijk de definitieve toetsing in het kader van de m.e.r.-procedure en betreft een ruimtelijk plan dat wél een concrete beleidsbeslissing bevat. Hier is de procedure beschreven voor het (voor)ontwerp bestemmingsplan gekoppeld aan een aanvulling of actualisering van het MER.

Opstellen eventuele aanvulling/actualisering MER gekoppeld aan Bestemmingsplan
De initiatiefnemer stelt de eventueel benodigde aanvulling of actualisering van het MER op. De informatie in het MER dient als hulpmiddel bij de besluitvorming.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

49

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

Voorlichting, inspraak, toetsing en advisering
De aanvulling of actualisering van het MER/Bestemmingsplan moet vervolgens door het Bevoegd Gezag aanvaardbaar bevonden worden. Hierna wordt de aanvulling of actualisering van het MER ter inzage gelegd en aan de wettelijke adviseurs en de Commissie m.e.r.gezonden. In deze fase is er opnieuw gelegenheid tot inspreken. De gemaakte opmerkingen kunnen worden toegelicht tijdens een hoorzitting. De Commissie m.e.r.toetst de aanvulling of actualisering op volledigheid en juistheid, mede aan de hand van de inspraakreacties, en adviseert het Bevoegd Gezag hierover. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de bestemmingsplanprocedure. De inspraak met betrekking tot het MER vindt hierdoor tegelijkertijd plaats met de inspraak rondom het voorontwerp bestemmingsplan.

Besluitvorming omtrent het Bestemmingsplan (en eventuele aanvulling MER)
De aanvulling of actualisering van het MER wordt opgesteld ten behoeve van de wijziging van het bestemmingsplan en wordt parallel aan het bestemmingsplan opgesteld. In figuur 6. 2 is aangegeven hoe de afstemming tussen de milieueffectrapportage procedure en het bestemmingsplan eruit ziet.
Procedureschema 2 m.e.r.en bestemmingsplan
M ER Best em m i n g sp l an

Ter m ijn en 13 w k n + m ax. 8 w k n

IN /BG

A n d eren

IN /BG
O p st ell en vo o r o n t w er p b est em m i n g sp l an A an vaar d i n g vo o r o n t w er p b est em m i n g sp l an Bek en d m ak i n g vo o r o n t w er p b est em m i n g sp l an

A n d er en

Ter m ijn en 13 w k n + m ax. 8 w k n

O p st ellen M ER A an vaar d in g M ER Bek en d m ak in g M ER

4 w kn

In sp r aak / ad vies To et sin g sad vies Cm er O p st ellen o n t w er p b est em m in g sp lan

In sp r aak / ad vies O ver leg ar t . 10 BRO

4 w kn

5 w kn

5 w kn

Ter visie Evalu at iep r o g r am m a
Vast st el len b est em m in g sp lan

Go ed k eu r in g GS Ber o ep

6 m nd

6 w kn

Eval u at i e m il ieu g evo l g en

IN = In it iat ief n em er = Ged ep u t eer d e St at en BG = Bevo eg d g ezag Cm er = Co m m issie v/d m ilieu ef f ect r ap p o r t ag e GS

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

50

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

6.4

BETROKKENEN Commissie m.e.r.
De Commissie m.e.r.is een commissie bestaande uit onafhankelijke deskundigen afkomstig uit verschillende disciplines. De Commissie geeft advies over de richtlijnen aan het Bevoegd Gezag en toetst het MER op juistheid en volledigheid. Bij het opstellen van het advies voor de richtlijnen en het toetsingsadvies wordt rekening gehouden met de inspraakreactie.

Overige wettelijke adviseurs
Het Bevoegd Gezag vraagt voorafgaand aan het opstellen van de richtlijnen advies aan de zogenaamde wettelijke adviseurs. Dit zijn de regionale inspecteur van Volksgezondheid en Milieuhygiëne van het ministerie van VROM en de regionale directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie van het ministerie van LNV.

Insprekers
Een ieder kan twee keer inspreken tijdens de m.e.r.-procedure: na het verschijnen van de Startnotitie en na het verschijnen van het MER.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

51

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

52

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

BIJLAGE

1

Begrippen en afkortingen
Begrip Alternatief Verklaring Eén van de mogelijke oplossingen voor aanleg van de barge terminal. In de studie worden de volgende alternatieven onderscheiden: het nulalternatief, locatiealternatief I, II en III en het meest milieuvriendelijke alternatief (MMA). Archeologie Autonome ontwikkeling Wetenschap van oude historie op grond van bodemvondsten en opgravingen. De ontwikkeling van het milieu en ander factoren indien de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd; het betreft alleen die ontwikkelingen die kunnen worden afgeleid uit vastgesteld beleid. Bevoegd gezag (BG) De overheidsinstantie die bevoegd is het m.e.r.-plichtige besluit te nemen en die de m.e.r.-procedure organiseert; wordt afgekort met BG Commissie voor de m.e.r.(C-m.e.r.) Compenserende maatregelen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Ecosysteem Onafhankelijke commissie die het bevoegd gezag adviseert over richtlijnen voor de inhoud van het MER en de beoordeling van de kwaliteit van het MER Maatregelen die gericht zijn op het vervangen van (natuur)waarden die verloren gaan Netwerk van kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones waarbinnen flora en fauna zich kunnen handhaven en uitbreiden. De samenhang en interacties tussen levende elementen onderling en tussen levende en niet-levende elementen in een bepaalde biotoop (bijvoorbeeld moeras of grasland) Fauna Flora Geluidhinder Geomorfologie Hydrologie Initiatiefnemer (IN) Inundatie (geïnundeerd) Invloedsgebied Kwel Dieren Planten Gevaar, schade of hinder als gevolg van geluid. De vorm en structuur van het aardoppervlak; hiertoe behoren ook het landschapsreliëf Kennis van het vloeibare in de aarde, in het bijzonder van de stand en de stromingen van het grondwater. Rechtspersoon die de m.e.r.-plichtige activiteit wil ondernemen: wordt afgekort met IN Het onder water lopen van lage gronden Gebied dat de reikwijdte van een effect behelst Het aan het oppervlakte treden van water ter plaatse van het binnendijks talud van de dijk of in het achterland, dat direct aan de dijk grenst Landschap De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna alsmede de wisselwerking met de mens. Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) MER m.e.r. Mitigerende maatregelen Verplicht onderdeel in het MER; hierin staan de best beschikbare mogelijkheden beschreven om milieuaantasting te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken Milieu-effectrapport, het document waarin milieu- en andere aspecten integraal worden behandeld Milieueffectrapportage, de procedure Verzachtende, effectbeperkende maatregelen

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

53

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

NAP Startnotitie

Normaal Amsterdams Peil Eerste stap in de m.e.r.-procedure, waarmee de voorgenomen activiteit wordt bekend gemaakt en de milieu-effecten globaal worden aangeduid

Natuurontwikkeling Nulalternatief

Het scheppen van zodanige omstandigheden dat natuurlijke ecosystemen zich kunnen ontwikkelen Bij dit alternatief wordt uitgegaan van de bestaande situatie en de autonome ontwikkeling. Dit alternatief dient als referentiekader voor de effectbeschrijvingen van alle alternatieven.

Permanente effecten Referentie Studiegebied Tijdelijke effecten Transitie Vegetatie

Effecten van de ingreep, die optreden zolang het voorgenomen alternatief aanwezig is. Vergelijking(maatstaf) Gebied waar relevante effecten op kunnen treden veroorzaakt door de ingreep Het begrip wordt in dit verband gebruikt voor effecten die alleen optreden in de aanlegfase van de voorgenomen activiteit. Overgang naar iets nieuws De ruimtelijke verschijningsvorm van planten in samenhang met de plaatsen waar zij groeien en in de rangschikking die zij uit zichzelf hebben ingenomen.

Verbindingszone

Zone, die deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en dienst doet als migratieroute voor organismen tussen kerngebieden en natuurontwikkelingsgebieden. Aanleg van verbindingszones heeft als doel barrières tussen deze gebieden op te heffen.

Vismeelruimtelijke kenmerken Waterkwaliteit

Kenmerken die te maken hebben met de visuele waarneming (van het landschap) door de mens De chemische en biologische kwaliteit van water.

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

54

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

BIJLAGE

2

Literatuurlijst

1 Provincie Zuid-Holland, Streekplan Zuid-Holland Zuid, Den Haag, 17 mei 2000 2 Provincie Zuid-Holland, Convenant verdeling 90 ha bedrijfsterreinen, , 12 november 2002 3 Companen (in opdracht van de Hoeksche Waardse gemeenten gezamenlijk), Hoeksche Waard onderzoek woningmarkt en bedrijventerreinen, Arnhem, juli 1996 4 Beleidsvoornemen ontwikkeling 20 hectare regionaal bedrijventerrein binnen zoekgebied Noordrandvisie, gemeente Binnenmaas, 21 oktober 2002 5 Waterschap de Groote Waard, veiligheidsmonitor, , 6 Royal Haskoning, Verkeersstudie provinciale weg N217, Nijmegen, 22 augustus 2001 7 Ministerie van VROM, 5e Nota Ruimtelijke Ordening, Den Haag, nog niet vastgesteld 8 Ministerie van VROM, VINEX, Den Haag, 20 december 1996 9 Ministerie van V&W, Beleidsvoornemen Nationaal Verkeer- en vervoersplan, Den Haag, 2000 10 Ministerie van VROM, Nationaal Milieubeleidsplan 4, een wereld een wil, werken aan duurzaamheid, Den Haag, 13 juni 2001 11 Ministerie van VROM, Vierde Nota Waterhuishouding, Waterkader, Den Haag, december 1998 12 Ministerie van VROM, Waterbeheer 21e eeuw, Anders omgaan met water, Den Haag, december 2000 13 Ministerie van VROM, OC&W, LNV en V&W, Belvedere, Beleidsnota over de relatie van cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting, Den Haag, 1999 14 Europese Unie, Verdrag van Valletta, Malta, 1992 15 Provincie Zuid-Holland, Collegewerkprogramma/Statenakkoord 2003-2007, Ruimte geven aan elkaar, september 2003

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

55

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

16 Provincie Zuid-Holland, Ontwerp Provinciaal Verkeers en Vervoersplan (PVVP) 2002-2020, deel A, Den Haag, december 2002 17 Provincie Zuid Holland, Beleidsplan Milieu en Water, 2000 - 2004, Den Haag, oktober 2000 18 Provincie Zuid Holland, Integraal waterbeheersplan Zuid- Holland Zuid 2, Den Haag, 8 oktober 1999 19 Provincie Zuid Holland, Deelstroomgebiedsvisie Zuid-Holland Zuid, Den Haag, ontwerp 16 juni 2003 20 Provincie Zuid Holland, Beleidsplan uitvoering flora- en faunawet, Den Haag, 29 januari 2003 21 Provincie Zuid Holland, Beleidsplan natuur- en landschap, Den Haag, 1991 22 Provincie Zuid-Holland, Cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland, Regio Krimpenerwaard/Gouwestreek (concept), Den Haag, 1999 23 Structuurgroep RIHW, , De Hoeksche Waard weet wat zij wil, koers voor de toekomstige ontwikkeling van de Hoeksche Waard, augustus 2000 24 Stuurgroep RIHW, Brochure Natuur, Water en Landschap , Uitvoeringsprogramma Groen/Blauw 2001/2002 25 Structuurgroep RIHW, WaterStructuurplan Hoeksche Waard, ontwerp 28 augustus 2003 (Waterstructuurplan Hoeksche Waard, inventarisatie document, Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden, Waterschap de Groote Waard, 3 februari 2003 en Brief Klankbordgroep Waterstructuurplan, Waterschap de Groote Waard, 10 april 2003) 26 Stuurgroep RIHW, Landschapsbeleidsplan Hoeksche Waard, oktober 1996 27 Gemeente Binnenmaas, Bestuurlijk Beleids- en actieplan 2002-2006, Maasdam, 2002 28 Stuurgroep RIHW, Noordrandvisie, Een verkenning op de Noordrand als Balansgebied, 25 september 2001 29 ECORYS-NEI i. o. v. RIHW, Ontwikkelingsprogramma Hoeksche Waard, Leefbaar en dynamisch landschap, , 2002 30 Waterschap de Groote Waard, Het wegengebruiksplan, Over Wegen, 23 april 2002 31 Provincie Zuid Holland, Regio Zuid-Holland Zuid en Hoeksche Waardse gemeenten, Hoeksche Waards Omgevingsplan, Maasdam/Den Haag, juni 1997

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

56

STARTNOTITIE REGIONAAL BEDRIJVENTERREIN HOEKSCHE WAARD

32 Bosch en Slabbers in principe van RIHW, bureau Natuur, Beleidsnota Landschapsbeleidsplan en deeluitwerkingen, Den Haag, 1996/1997 33 Gemeente Binnenmaas, Toekomstvisie Binnenmaas: gewaardeerd woon-, werken leefklimaat in de 21e eeuw, Gemeente Binnenmaas, oktober 1999 34 SAB, i. o. v. Gemeente Binnenmaas, Beleidsnota Bestemmingsplan Buitengebied, Arnhem, oktober 1999 35 Gemeente Binnenmaas, Voorschriften en Toelichting Ontwerp Bestemmingsplan landelijk gebied Binnenmaas, Binnenmaas, maart 2003 36 Inbo, Marktvisie regionaal bedrijventerrein Hoeksche waard, oktober 2002

110623/CE3/150/000270

ARCADIS

57